Inhoud
3272
1584/001
1584/001
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
DOC 54
DOC 54
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
SOMMAIRE
Résumé ......................................................................
Exposé des motifs ....................................................
Avant-projet ...............................................................
Analyse d’impact .......................................................
Avis du Conseil d’État ..............................................
Projet de loi (voir DOC1584/002) ................................
Annexes I à V à la loi (1584/002) ................................
Annexe (voir DOC 1584/003) ......................................
INHOUD
Samenvatting .............................................................
Memorie van toelichting ...........................................
Voorontwerp ..............................................................
Impactanalyse ...........................................................
Advies van de Raad van State .................................
Wetsontwerp (zie DOC 54 1584/002) .........................
Bijlagen I tot V bij de wet (1584/002) ...........................
Bijlage (zie DOC 54 1584/003) ..................................
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
op het statuut van en het
toezicht op de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen
relatif au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance
ou de réassurance
3
4
374
727
739
765
1184
1199
Blz.
Pages
13 janvier 2016
13 januari 2016
3
4
374
733
739
765
1184
1199
PARTIE I
DEEL I
2
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
De regering heeft dit wetsontwerp op
13 januari 2016 ingediend.
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
13 janvier 2016.
De “goedkeuring tot drukken” werd op
13 januari 2016 door de Kamer ontvangen.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
13 janvier 2016.
3
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het voornaamste doel van dit wetsontwerp is de
omzetting in Belgisch recht van de prudentiële bepa-
lingen van de Richtlijn 2009/138/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 25 november 2009 betref-
fende de toegang tot en uitoefening van het verzeke-
rings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II),
de zogeheten “Solvabiliteit II-richtlijn”. Deze richtlijn
wordt hierna als “de Richtlijn” aangeduid.
Deze Richtlijn diende, gedeeltelijk, tegen
31 maart 2015 te zijn omgezet in Belgisch recht,
waarbij de nationale omzettingsbepalingen dienen
van kracht te zijn op 1 januari 2016, vandaar de vraag
om dit ontwerp bij voorrang te behandelen.
De Richtlijn omvat een herziening en herschikking
van bestaande Europese richtlijnen en nieuwe regels
over solvabiliteit en toezicht op de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen.
De omzetting heeft aldus geleid tot een fundamen-
tele herziening van de Belgische verzekerings- en
herverzekeringswetgeving.
Het wetsontwerp zal dan ook de huidige basis-
wetten betreffende het “publiek verzekeringsrecht”,
zijnde de wet van 9 juli 1975 betreffende de con-
trole der verzekeringsondernemingen en de wet
van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf,
vervangen.
De hiernavolgende Memorie van toelichting zet
de voornaamste oriëntaties van het ontwerp uiteen
en voor nadere toelichting wordt verwezen naar de
commentaar bij de artikelen.
Le présent projet de loi a pour principal objet de
transposer en droit belge les dispositions pruden-
tielles de la Directive 2009/138/CE du Parlement
européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur
l’accès aux activités de l’assurance et de la réassu-
rance et leur exercice (solvabilité II), communément
dite “Directive Solvabilité II”, ci-après encore, “la
Directive”.
Cette Directive devait être, pour partie, transposée
en droit belge pour le 31 mars 2015, les dispositions
nationales, de transposition devant quant à elles
être en vigueur au 1er janvier 2016, ce qui justifie la
demande que ce projet soit traité en priorité.
La Directive contient une révision et refonte de
directives européennes existantes et des nouvelles
règles en matière de solvabilité et contrôle des entre-
prises d’assurance et de réassurance.
La transposition a ainsi conduit à revoir fondamen-
talement la législation belge en matière d’assurance
et de réassurance.
La loi en projet remplacera dès lors les lois de
base actuelles en matière de “droit public des as-
surances”, à savoir la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances et la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance.
L’Exposé des motifs, ci-après, précise les principa-
les orientations du projet et pour de plus amples ex-
plications il est renvoyé au commentaire des articles.
RÉSUMÉ
SAMENVATTING
4
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
MEMORIE VAN TOELICHTING
DAMES EN HEREN,
Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft u ter
beraadslaging voor te leggen, beoogt het kader voor het
prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzeke-
ringsondernemingen te moderniseren, met name via de
omzetting van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 25 november 2009 betref-
fende de toegang tot en uitoefening van het verzeke-
rings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), de
zogeheten “Solvabiliteit II-richtlijn”. Deze richtlijn wordt
hierna als “de Richtlijn” aangeduid.
1. Het toezicht op de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen
Het gebruik van de term “solvabiliteit” in de titel van
de Richtlijn verwijst naar de algemene doelstelling van
de regelgeving, namelijk garanderen dat verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen in staat zijn om hun
verplichtingen ten aanzien van de verzekeringnemers,
de verzekerden en de begunstigden na te komen.
Het zogenaamd “prudentieel” toezicht op de verze-
kerings- en herverzekeringsondernemingen strekt er
aldus toe een redelijke zekerheid te verschaffen dat elke
onderneming haar verplichtingen zal nakomen, door toe
te zien op de naleving van de wettelijke en reglementaire
verplichtingen en verboden die het wettelijk statuut van
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
vormen. Dit prudentieel toezicht heeft aldus tot doel
de bescherming van de verzekeringsbegunstigden te
verzekeren en zo het vertrouwen in elke onderneming
en in de sector als geheel te handhaven.
Naar het voorbeeld van het toezicht op de kre-
dietinstellingen (zie Parl.St., Kamer, 2013-2014,
nr. 53 3406/001, 4-6), komt het er op micro-economisch
niveau dus fundamenteel op aan toe te zien op de veilig-
heid van de verzekeringsconsumenten. Zoals vermeld
wordt in het ontwerp van wet (zie de ontwerpartikelen
3 en 303, § 2, 1°), bestaat het doel van het toezicht erin
om, behalve de bescherming van de schuldeisers van
ondernemingen afzonderlijk beschouwd, tevens de
stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen
in de verzekeringsmarkt te garanderen.
Dit kan worden verklaard door het feit dat de verzeke-
ring — door de risico’s te herverdelen — een aanzienlijke
economische en sociale functie vervult. Behalve haar
functie inzake de vergoeding van schade die voortvloeit
uit het optreden van risico’s, vormt de verzekering
EXPOSÉ DES MOTIFS
MESDAMES, MESSIEURS,
Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur
de soumettre à votre délibération, vise à moderniser
le cadre de contrôle prudentiel des entreprises d’assu-
rance et de réassurance, notamment en transposant
la Directive 2009/138/CE du Parlement européen et du
Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités
de l’assurance et de la réassurance et leur exercice
(solvabilité II), communément dite “Directive Solvabilité
II”, ci-après encore, “la Directive”.
1. Le contrôle des entreprises d’assurance et de
réassurance
L’utilisation du vocable “solvabilité” sous l’intitulé de
la Directive vise à traduire l’objet de la réglementation
consistant, d’une manière générale, à veiller à garantir
la capacité d’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance à faire face à ses engagements vis-à-vis des
preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires.
Le contrôle dit “prudentiel” des entreprises d’assu-
rance et de réassurance a ainsi pour objectif de donner
une assurance raisonnable que chaque entreprise res-
pectera ses engagements par la surveillance du respect
des obligations et interdictions légales et réglementaires
formant le statut légal des entreprises d’assurance et de
réassurance. Ce contrôle prudentiel a ainsi pour objectif
d’assurer la protection des bénéficiaires d’assurance et
d’ainsi préserver la confiance dans chaque entreprise
et dans le secteur dans son ensemble.
À l’instar du contrôle des établissements de crédit
(voy. DOC. Parl., Ch. Repr., sess 2013-2014, DOC.
53 3406/001, pp. 4-6), à un niveau micro-économique,
il s’agit donc fondamentalement de veiller à la sécurité
des consommateurs d’assurance. Ainsi que l’exprime
la loi en projet (voy. les articles 3 et 303, § 2, 1° en
projet), au-delà du but de protection des créanciers
d’entreprises considérées individuellement, la finalité
du contrôle consiste à garantir la stabilité, l’efficience, la
sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance.
Ceci s’explique par le fait que l’assurance — par
le recours à la mutualisation des risques — présente
un rôle économique et social considérable. Outre sa
fonction d’indemnisation des préjudices résultant de la
réalisation de risques, l’assurance constitue, en effet,
5
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
immers ook een factor van technische vooruitgang door-
dat zij de risico’s vermindert die worden gelopen door
de ondernemers of financiers van nieuwe activiteiten,
alsook een instrument voor de voorkoming van scha-
degevallen, doordat de verplichtingen ter zake ten laste
van de verzekerde worden gelegd. Deze economische
en sociale functie komt ook tot uiting in het belang van
de verzekering voor de spaarvorming op het gebied van
aanvullende verzekering (van de tweede of derde pijler)
alsook in het feit dat de toegang tot hypotheekleningen
mogelijk wordt gemaakt door het stellen van garanties,
met name via het mechanisme van de schuldsaldover-
zekering. Tot slot spelen de verzekeringsondernemingen
tevens een rol als institutionele beleggers door hun
reserves te beleggen.
Deze economische en sociale functie van de verzeke-
ring benadrukt aldus de macro-economische dimensie
van het toezicht op de verzekeringsondernemingen,
en derhalve tevens, door de onderlinge verbanden,
op de herverzekeringsondernemingen. Deze dimensie
kan nog worden verduidelijkt aan de hand van andere
interacties. Zo zal, ook al is de situatie van een afzon-
derlijk beschouwde verzekeringsonderneming in prin-
cipe niet systemisch van aard, het in gebreke blijven
van een verzekeringsonderneming toch gevolgen van
systemische aard kunnen hebben, enerzijds doordat
de groepen waarbinnen een bankverzekeringsactiviteit
wordt uitgeoefend, de risico’s van de ene sector naar de
andere kunnen overdragen, en anderzijds doordat de
verzekeringsondernemingen belangrijke spelers zijn op
de financiële markten, waarvan de problemen andere
actoren op die markten kunnen treffen, in het bijzonder
de kredietinstellingen. Zoals men ziet, vindt het idee van
het besmettingsrisico zijn oorsprong in de bestaande
financiële banden tussen alle ondernemingen van de
financiële sector.
Zoals aangegeven in artikel 3 van het ontwerp van
wet, bestaat deze generieke doelstelling er dus niet
alleen in de verzekeringsconsumenten als dusdanig te
beschermen, maar ook de stabiliteit, de efficiëntie, de
veiligheid en het vertrouwen in de verzekeringsmarkt
te garanderen.
De prudentiële regels kunnen louter financieel van
aard zijn (berekening van de verplichtingen van de
verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen en
minimale eigen vermogens vereisten) of betrekking heb-
ben op de governance van de ondernemingen.
Het huidige stelsel van prudentieel toezicht op de
verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen is
gebaseerd op de zogenaamde Europese richtlijnen
“van de eerste generatie”, met name de drie richtlijnen
“niet-leven”, de drie richtlijnen “leven”, die tot één enkele
un facteur de progrès technique en réduisant les risques
courus par les entrepreneurs ou financiers d’activités
nouvelles ainsi qu’un facteur de prévention des sinistres
par le biais des obligations en cette matière mises à
charge de l’assuré. Ce rôle économique et social existe
également à travers l’importance que revêt l’assurance
dans la formation de l’épargne dans le domaine de
l’assurance complémentaire (qu’il s’agisse du deuxième
ou troisième pilier) ainsi que l’accès aux crédits hypothé-
caires permis par l’octroi de garantie réalisé notamment
par le mécanisme de l’assurance solde restant dû.
Enfin, les entreprises d’assurance jouent également un
rôle en leur qualité d’investisseurs institutionnels par le
placement de leurs réserves.
Ce rôle économique et social de l’assurance met
ainsi en lumière la dimension macro-économique du
contrôle des entreprises d’assurance et dès lors égale-
ment, par interrelation, des entreprises de réassurance.
Cette dimension peut encore s’illustrer au travers
d’autres interactions. Ainsi, même si la situation d’une
entreprise d’assurance considérée isolément n’est, en
principe, pas de nature systémique, la défaillance d’une
entreprise d’assurance pourrait néanmoins entraîner
des conséquences de type systémique dans la mesure
d’une part, où les groupes intégrant une activité de ban-
cassurance constituent un vecteur de transmission des
risques d’un secteur vers l’autre et d’autre part, où les
entreprises d’assurance sont des intervenants majeurs
sur les marchés financiers dont les problèmes pourraient
affecter d’autres opérateurs actifs sur ces marchés, en
particulier les établissements de crédit. On le voit, c’est
ici l’idée du risque de contagion qui trouve son origine
dans les liens financiers existants entre l’ensemble des
entreprises du secteur financier.
Comme l’exprime l’article 3 de la loi en projet, cette
finalité générique consiste ainsi, au-delà de la protection
des consommateurs d’assurance considérés comme
tels, à garantir la stabilité, l’efficience, la sécurité et la
confiance dans le marché de l’assurance.
Les règles prudentielles peuvent être de nature
purement financières (calcul des engagements des
entreprises d’assurance et de réassurance et exigences
minimales de fonds propres) ou concerner la gouver-
nance des entreprises.
Le régime actuel de contrôle prudentiel des entre-
prises d’assurance et de réassurance est fondé sur les
directives européennes dites “de première génération”,
notamment les trois directives non-vie, les trois direc-
tives vie refondues en une seule en 2002, et la directive
6
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
richtlijn werden samengevoegd in 2002, en de richtlijn
“herverzekeringen”. Het geheel vormt het zogenaamde
“Solvabiliteit I”-stelsel.
Deze richtlijnen en de opeenvolgende wijzigin-
gen ervan werden hoofdzakelijk door de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings-
ondernemingen en de wet van 16 februari 2009 op
het herverzekeringsbedrijf in Belgisch recht omge-
zet. De uitvoerings maatregelen van deze wetten zijn
onder meer vastgelegd in het koninklijk besluit van
22 februari 1991 houdende algemeen reglement betref-
fende de controle op de verzekerings ondernemingen,
het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende
de levens verzekeringsactiviteit en het koninklijk besluit
van 27 september 2009 tot uitvoering van de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.
Op boekhoudkundig vlak kunnen hieraan nog
worden toegevoegd: het koninklijk besluit van
17 november 1994 op de jaarrekening van de verzeke-
rings- en herverzekeringsonder nemingen en het konink-
lijk besluit van 13 februari 1996 betreffende de geconso-
lideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen
en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van
de koninklijke besluiten van 8 oktober 1976 met betrek-
king tot de jaarrekening van de ondernemingen en van
6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van
de onder nemingen.
Op financieel vlak bepalen deze teksten (Solvabiliteit I)
het volgende.
Het niveau van de aan te leggen technische voorzie-
ningen wordt bepaald aan de hand van berekenings-
methodes die afgestemd zijn op de verschillende types
voorzieningen, die tegenover de verbintenissen van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten aan-
zien van de verzekeringnemers, de verzekerden en de
begunstigden van de verzekerings- of herverzekerings-
overeen komsten staan.
Het eigen vermogen moet een minimumniveau
bereiken, de zogenaamde solvabiliteitsmarge, die het
hoogste resultaat is van forfaitaire berekeningen, waar-
bij, voor de niet-levensverzekeringen, een voorafbepaald
percentage moet worden toegepast op het premievo-
lume, en een eveneens voorafbepaald percentage op
de gemiddelde schadelast over drie jaar, en voor de
levensverzekeringen, een percentage van de technische
voorzieningen (levensverzekering sensu stricto) of van
de risicokapitalen (overlijdensverzekering).
Bovendien moeten de ondernemingen beschikken
over een waarborgfonds ten belope van het hoogste
van de volgende twee bedragen: een derde van de
réassurance. L’ensemble forme ce qu’il est convenu
d’appeler “le régime Solvabilité I”.
Ces directives et leurs modifications successives ont
été transposées en droit belge essentiellement par la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances et la loi du 16 février 2009 relative à la
réassurance. Parmi les mesures d’exécution de ces
lois, on citera l’arrêté royal du 22 février 1991 portant
règlement général relatif au contrôle des entreprises
d’assurances, l’arrêté royal du 14 novembre 2003 re-
latif à l’activité d’assurance sur la vie, l’arrêté royal
du 27 septembre 2009 portant exécution de la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance.
Sur le plan comptable, on ajoutera l’arrêté royal
du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels
des entreprises d’assurances et l’arrêté royal du
13 février 1996 relatif aux comptes consolidés des entre-
prises d’assurances et de réassurances et modifiant les
arrêtés royaux du 8 octobre 1976 relatif aux comptes
annuels des entreprises et du 6 mars 1990 relatif aux
comptes consolidés des entreprises.
Sur le plan financier, ces textes (Solvabilité I) pré-
voient ce qui suit.
Le niveau des provisions techniques à constituer est
déterminé par des méthodes de calculs appropriées par
rapport aux différents types de provisions, qui repré-
sentent les engagements de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance vis-à-vis des preneurs, des assurés
et des bénéficiaires des contrats d’assurance et de
réassurance.
Les fonds propres doivent atteindre un niveau mini-
mal, appelé marge de solvabilité, qui est le résultat le
plus élevé de calculs forfaitaires, consistant à appliquer,
pour l’assurance non-vie, un pourcentage prédéterminé
au volume des primes et un pourcentage également
prédéterminé à la charge moyenne des sinistres sur
trois ans et, pour l’assurance-vie, un pourcentage des
provisions techniques (assurance vie sensu stricto) ou
des capitaux sous risque (assurance décès).
En outre, les entreprises doivent disposer d’un fonds
de garantie, qui est fixé au maximum de deux montants:
le tiers de la marge de solvabilité et 2,5 millions ou
7
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
solvabiliteitsmarge en 2,5 miljoen of 3,7 miljoen EUR,
afhankelijk van de uitgeoefende takken of activiteiten.
Behalve deze louter financiële vereisten, dienen
de verzekerings- en herverzekerings onder nemingen
ook te voldoen aan voorwaarden in verband met hun
governancestructuur:
• de eerlijkheid, de kwalificaties en de beroepser-
varing van haar leiders en houders van belangrijke
functies;
• het opzetten van een aangepaste structuur en orga-
nisatie, die het mogelijk maken de toezichtsfuncties te
onderscheiden van de operationele functies, een trans-
parante en coherente definitie van de verantwoordelijk-
heden en de verstrekking van betrouwbare informatie
aan de toezichthouders en het publiek;
• procedures voor het detecteren en beheren van de
risico’s en ter voorkoming van belangenconflicten;
• onafhankelijke controlefuncties (interne audit, risi-
cobeheer, compliance en actuariële functie);
• een beloningsbeleid dat het nemen van buitenspo-
rige risico’s voorkomt;
• een bedrijfscontinuïteitsbeleid dat het behoud of het
snelle herstel van de kritieke functies beoogt.
Het “Solvabiliteit I”-stelsel werd, terecht, op verschil-
lende punten bekritiseerd. Eén van de belangrijkste pun-
ten van kritiek was dat met de werkelijke risico’s waaraan
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn
blootgesteld, onvoldoende rekening werd gehouden.
Zo werd voor de berekening van de solvabiliteitsmarge
uitgegaan van de hypothese dat de risico’s in verhouding
staan tot de premies en de schadegevallen, hoewel
dit slechts ten dele waar is. Bovendien werden, voor
diezelfde berekening, alleen de passiefbestanddelen
— die weliswaar zeer belangrijk zijn in een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming — in aanmerking
genomen. De risico’s die inherent zijn aan het actief,
onder meer het renterisico, het risico op het in gebreke
blijven van een tegenpartij en het spreadrisico, waren
volledig uitgesloten van de risicoanalyse. Er was ook
geen sprake van een prospectieve visie op de risico’s.
Wat de technische voorzieningen betreft, voorzagen
de “Solvabiliteit I”-richtlijnen weliswaar in de verplichting
om ze te berekenen en te boeken, maar de regels ter
zake waren nauwelijks geharmoniseerd op Europees
niveau, waardoor er een risico is op concurrentiever-
storing tussen de onder nemingen in de verschillende
3,7 millions EUR selon les branches ou les activités
pratiquées.
Outre ces exigences purement financières, les entre-
prises d’assurance et de réassurance doivent remplir
des conditions relatives à leur structure de gouvernance:
• l’honnêteté, la qualification et l’expérience profes-
sionnelle de ses dirigeants et titulaires de fonctions
importantes;
• la mise en place d’une structure et d’une organisa-
tion adéquate, qui permette de distinguer les fonctions
de contrôle des fonctions opérationnelles, une définition
transparente et cohérente des responsabilités et la pro-
duction d’informations fiables aux autorités de contrôle
et au public;
• des procédures de détection et de gestion des
risques et de prévention des conflits d’intérêts;
• des fonctions de contrôle indépendantes (audit
interne, gestion des risques, compliance et fonction
actuarielle);
• une politique de rémunération prévenant la prise
de risque excessive;
• une politique de continuité visant le maintien ou le
rétablissement rapide des fonctions critiques.
Le régime “Solvabilité I” a été, à juste titre, critiqué
sur plusieurs points. L’un des principaux était que les
risques réels auxquels les entreprises d’assurance et
de réassurance sont exposées n’étaient pas suffisam-
ment pris en compte. Ainsi, le calcul de la marge de
solvabilité partait de l’hypothèse que les risques sont
proportionnels aux primes et aux sinistres, ce qui n’est
que partiellement correct. De plus, pour ce même calcul,
seuls les éléments du passif, certes très importants
dans une entreprise d’assurance ou de réassurance,
étaient pris en considération. Les risques inhérents à
l’actif, entre autres le risque de taux d’intérêt, le risque
de défaut d’une contrepartie et le risque de spread,
étaient totalement exclus de l’analyse de risques. Il n’y
avait pas non plus de vision prospective des risques.
En ce qui concerne les provisions techniques, bien
que les directives “Solvabilité I” imposent leur calcul et
leur comptabilisation, les règles en la matière étaient
très peu harmonisées au niveau européen, ce qui crée
un risque de distorsion de concurrence entre les entre-
prises établies dans différents États membres. Ce risque
8
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
lidstaten. Dit risico is des te groter daar deze technische
voorzieningen vaak meer dan drie kwart van de balans
van de ondernemingen uitmaken en dat, zoals hierbo-
ven vermeld, de eigenvermogensvereisten evenredig
zijn aan het volume van de technische voorzieningen.
Twee andere domeinen leden eveneens aan een
gebrek aan harmonisatie en zelfs aan een nagenoeg
volledige afwezigheid van normen. Het eerste betreft
de aspecten die verbonden zijn aan de governance van
de verzekerings- en herverzekerings onder nemingen.
Dit aspect werd niet van prioritair belang geacht bij de
opstelling van de eerste verzekeringsrichtlijnen, die
waren toegespitst op de louter financiële aspecten,
en ook in de daaropvolgende richtlijnen kwam dit as-
pect nauwelijks aan bod. De nationale wetgevers, met
name in België, hadden dit tekort wel aangevuld met
nationale regelgevingen, die vaak geïnspireerd waren
op internationale normen of op normen die van toepas-
sing waren op andere categorieën van ondernemingen
uit de financiële sector, terwijl de toezichthouders hun
toevlucht namen tot circulaires of aanbevelingen. Toch
heeft deze aanpak niet geleid tot een grote harmoni-
satie op Europees niveau, waardoor ook een risico op
concurrentieverstoring in de hand werd gewerkt tussen
ondernemingen in de verschillende lidstaten.
Het tweede punt betreft het toezicht op de groepen
van verzekeringsondernemingen of, meer in het alge-
meen, van financiële onder nemingen. Pas in 2001 werd
de wet van 9 juli 1975 gewijzigd om er de eerste toe-
pasbare regels ter zake in op te nemen. De toezichts-
principes voor groepen waren zowel voor de financiële
aspecten als voor de governanceaspecten, vergelijkbaar
met de regels die van toepassing zijn op de individu-
eel beschouwde verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen. Op financieel vlak bestond het toezicht
er voornamelijk in een aangepaste solvabiliteitsmarge
te berekenen op het niveau van de groep, die rekening
houdt met de waarde en het eigen vermogen van de on-
dernemingen die deel uitmaken van deze groep, alsook
met de banden tussen die ondernemingen.
Het zwakke punt van het toezicht op groepen was het
tekort aan bepalingen, zowel in de richtlijnen als in de
nationale wetgevingen, over de samenwerking tussen
de nationale autoriteiten. Deze regels voorzagen enkel in
de ondertekening van samenwerkings overeenkomsten
en in diverse vormen van informatie-uitwisseling, zon-
der de oprichting van colleges van toezichthouders op
supranationaal niveau daadwerkelijk verplicht te stellen
en de werking van deze colleges te regelen.
est d’autant plus grand que ces provisions techniques
représentent souvent plus des trois quarts du bilan
des entreprises et que, comme indiqué ci-dessus, les
exigences de fonds propres sont proportionnelles au
volume des provisions techniques.
Deux autres domaines souffraient également d’un
manque d’harmonisation voire d’une absence quasi
complète de norme. Le premier concerne les aspects
liés à la gouvernance des entreprises d’assurance et de
réassurance. Cet aspect n’avait pas été jugé prioritaire
lors de l’élaboration des premières directives en matière
d’assurance, lesquelles se focalisaient sur les aspects
purement financiers et il est resté limité à la portion
congrue dans les directives subséquentes. Certes, les
législateurs nationaux, notamment en Belgique, avaient
comblé ce manque par des réglementations nationales,
souvent inspirées de normes internationales ou appli-
cables à d’autres catégories d’entreprises relevant du
secteur financier, tandis que les autorités de contrôle
agissaient par la voie de circulaires ou de recommanda-
tions. Néanmoins, cette façon de procéder ne réalisait
pas une grande harmonisation au niveau européen, ce
qui créait aussi un risque de distorsion de concurrence
entre entreprises situées dans différents États membres.
Le second point se rapporte au contrôle des groupes
d’entreprises d’assurance ou, plus généralement,
d’entreprises financières. Ce n’est qu’en 2001 que la
loi du 9 juillet 1975 a été modifiée pour intégrer les pre-
mières règles applicables en la matière. Les principes
de contrôle relatifs aux groupes étaient, tant en ce qui
concerne les aspects financiers que de gouvernance,
semblables aux règles applicables aux entreprises
d’assurance ou de réassurance considérées indivi-
duellement. Sur le plan financier, le contrôle consistait
principalement à calculer une marge de solvabilité
ajustée au niveau du groupe, laquelle tenait compte
de la valeur et des fonds propres des entreprises qui
constituent ce groupe, ainsi que des relations entre ces
mêmes entreprises.
Le point faible du contrôle des groupes résidait
dans le peu de dispositions tant des directives que
des législations nationales relatives à la collaboration
entre les autorités nationales. Ces règles se limitaient
à permettre la signature d’accord de collaboration et à
prévoir divers échanges d’information sans véritable-
ment imposer la constitution de collèges de contrôleurs
à un niveau supranational ni régler le fonctionnement
de ces collèges.
9
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2. De Solvabiliteit II-richtlijn en haar beginselen
a) Algemene beginselen
Teneinde tegemoet te komen aan de kritiek op
het “Solvabiliteit I”-stelsel, heeft Richtlijn 2009/138/
EG van het Europees Parlement en de Raad van
25 november 2009 betreffende de toegang tot en
uitoefening van het verzekerings- en het herverzeke-
ringsbedrijf (Solvabiliteit II), (hierna “de Richtlijn” of “de
Solvabiliteit II-Richtlijn”), het prudentieel toezicht op de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die
in de Europese Economische Ruimte actief zijn, fun-
damenteel hervormd, waarbij niet minder dan dertien
voorgaande richtlijnen inzake het prudentieel toezicht
op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
werden ingetrokken en vervangen.
De belangrijkste doelstellingen van de Richtlijn zijn
de volgende:
• een maximale harmonisatie voor bepaalde aspec-
ten of, in elk geval, een veel grotere harmonisatie op
Europees niveau;
• het gebruik van een benadering die voor de risico-
beoordeling alle balanscomponenten omvat;
• een prospectieve visie op het risicobeheer;
• een waardering tegen marktwaarde van de actief- en
passiefbestanddelen;
• de inaanmerkingneming van de werkelijke risico’s
waaraan de verzekerings- en herverzekeringsonderne-
mingen blootgesteld kunnen zijn;
• de bepaling van de kapitaalvereisten op grond van
berekeningen die rekening houdend met alle risico’s,
hetzij aan de hand van een standaardformule, hetzij
met een gedeeltelijk of volledig intern model.
De Richtlijn steunt op drie pijlers die elk een specifieke
doelstelling hebben:
De eerste pijler bepaalt de kapitaalvereisten en legt in
dit verband met name de kwantitatieve normen vast voor
de berekening van de technische voorzieningen en het
eigen vermogen, alsook de regels voor de waardering
van de activa.
De tweede pijler bepaalt de kwalitatieve normen
voor de interne opvolging van de risico’s door de
verzekerings onder nemingen.
2. La directive Solvabilité II et ses principes
a) Principes généraux
Afin de rencontrer les critiques adressées au régime
“Solvabilité I”, la Directive 2009/138/CE du Parlement
européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur
l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance
et leur exercice (solvabilité II), (ci-après, “la Directive”
ou encore “la Directive Solvabilité II”), a opéré une
réforme fondamentale de la surveillance prudentielle
des entreprises d’assurance et de réassurance actives
dans l’Espace économique européen. Elle abroge et
remplace pas moins de treize directives précédentes en
matière de contrôle prudentiel des entreprises d’assu-
rance et de réassurance.
Les principaux objectifs de la Directive sont les
suivants:
• une harmonisation maximale sur certains aspects
ou, du moins, nettement plus importante, au niveau
européen;
• l’utilisation d’une approche englobant toutes les
composantes du bilan pour l’appréciation des risques;
• une vision prospective de la gestion des risques;
• une valorisation des éléments d’actif et de passif à
la valeur de marché;
• la prise en considération des risques réels aux-
quelles les entreprises d’assurance et de réassurance
peuvent être exposées;
• la détermination des exigences en capital en
fonction de calculs intégrant tous les risques, soit par
l’application d’une formule standard, soit par la mise en
œuvre d’un modèle interne partiel ou global.
La Directive repose sur trois piliers ayant chacun un
objectif particulier.
Le premier pilier vise à déterminer les exigences
en matière de capital et, à cette fin, définit notamment
les normes quantitatives de calcul des provisions
techniques et des fonds propres, ainsi que les règles
d’évaluation des actifs.
Le deuxième pilier a pour objectif de fixer des normes
qualitatives de suivi des risques en interne par les entre-
prises d’assurance.
10
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De derde pijler bepaalt welke informatie verstrekt
moet worden aan het publiek, enerzijds, en aan de
toezichthouder, anderzijds.
Deze drie pijlers moeten niet afzonderlijk worden
beschouwd, maar zijn onderling sterk verbonden zodat
ze een geheel vormen. De verzekerings- en herver-
zekeringsondernemingen die elk van de drie pijlers
afzonderlijk in acht zouden nemen zonder rekening te
houden met deze onderlinge verbondenheid, kunnen
niet worden geacht aan de vereisten van Solvabiliteit II te
voldoen. Zo zou een onderneming die al haar tegoeden
wenst te investeren in één enkele categorie van activa
om haar eigenvermogensvereisten te minimaliseren,
niet kunnen beweren dat ze het prudent person-beginsel
naleeft.
b) Pijler 1: Kwantitatieve vereisten
De eerste pijler waarop het Solvabiliteit II-stelsel
berust, betreft in hoofdzaak de kwantitatieve vereisten
waaraan voldaan moet worden met betrekking tot de
technische voorzieningen en het eigen vermogen.
• Technische voorzieningen
Eén van de door Solvabiliteit II ingevoerde beginselen
is dat alle bestanddelen van de balans worden gewaar-
deerd tegen hun marktwaarde. Hoewel deze waardering
meestal geen problemen oplevert voor wat betreft de
activa, omdat er een referentiemarkt bestaat, geldt dit
niet voor de technische voorzieningen. Deze voorzie-
ningen worden dus gewaardeerd tegen hun waarde bij
overdracht, d.w.z., voor een bepaalde verzekerings- of
herverzekerings onder neming, tegen de prijs die een
andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
bereid zou zijn te betalen om alle verzekerings- of her-
verzekeringsverbintenissen over te nemen.
Het zij opgemerkt dat, naast de Solvabiliteit II-balans
(“Market-Consistent Balance Sheet”), die voor prudenti-
ele doeleinden wordt opgesteld, de in overeenstemming
met de Belgische wetgeving opgestelde jaarrekening
(“Belgian Generally Accepted Accounting Principles” of
“BEGAAP”) en de volgens de IFRS-normen opgestelde
geconsolideerde jaarrekening, altijd zullen moeten
worden ingediend.
In de praktijk worden de technische voor zieningen
onderverdeeld in twee componenten:
— de best estimate (BE) of “beste schatting”, die
overeenstemt met de verwachte contante waarde van de
toekomstige cashflows (schadegevallen minus premies),
berekend volgens een geschikte actuariële methode;
Le troisième pilier a pour objectif de définir l’ensemble
des informations à destination du public, d’une part, et
de l’autorité de contrôle d’autre part.
Ces trois piliers ne doivent pas être vus séparément
mais sont fortement interconnectés de manière à former
un tout. Les entreprises d’assurance et de réassurance
qui respecteraient chacun des trois piliers séparément
sans tenir compte de cette interconnexion ne sauraient
être considérées comme répondant aux exigences de
Solvabilité II. Ainsi, une entreprise qui souhaiterait inves-
tir la totalité de ses avoirs dans un seul type d’actif pour
minimiser ses exigences de fonds propres ne saurait
prétendre respecter le principe de la personne prudente.
b) Le Pilier 1: Les exigences quantitatives
Le premier pilier sur lequel se fonde le régime
Solvabilité II vise principalement les exigences quanti-
tatives à rencontrer en matière de provisions techniques
et de fonds propres.
• Provisions techniques
L’un des principes introduits par Solvabilité II consiste
à ce que tous les éléments du bilan soient évalués à leur
valeur de marché. Si la plupart du temps cette évaluation
ne pose aucun problème au niveau de l’actif parce qu’il
existe un marché de référence, il n’en va pas de même
pour les provisions techniques. Celles-ci seront donc
valorisées à leur valeur de transfert, c’est-à-dire, pour
une entreprise d’assurance ou de réassurance consi-
dérée, au prix qu’une autre entreprise d’assurance ou
de réassurance serait prête à payer afin de reprendre
l’ensemble de ses engagements d’assurance ou de
réassurance.
Il est à noter qu’à côté du bilan “Solvabilité II” (“Market
Consistent Balance Sheet”), qui est un bilan établi à
des fins prudentielles, les comptes sociaux établis
selon la législation belge (“Belgian Generally Accepted
Accounting Principles” ou “BGAAP”) et les comptes
consolidés établis selon les normes IFRS devront tou-
jours être établis.
En pratique, les provisions techniques seront subdi-
visées en deux composantes:
— le Best estimate (BE) ou “meilleure estimation”,
qui correspond à la valeur actuelle attendue des cash
flows futurs (sinistres moins primes) calculés selon une
méthode actuarielle appropriée;
11
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— de risk margin (RM) of risicomarge, die overeen-
stemt met de contante waarde van de kapitaalvergoe-
ding waarover de onder neming moet beschikken om
de “non-hedgeable” risico’s te dekken, berekend op
basis van de methode van “cost of capital” (er is geen
beschikbare marktwaarde voor deze “niet-dekbare”
risico’s). Bovenop de beste schatting wordt een risico-
marge vereist met het oog op een portefeuilleoverdracht.
• Kapitaal- en eigenvermogensvereiste
De eigenvermogensvereisten worden gewaardeerd
aan de hand van twee aspecten, namelijk enerzijds de
SCR (solvency capital requirement) en anderzijds de
MCR (minimum capital requirement). Deze elementen
kunnen in essentie worden gedefinieerd als respectie-
velijk het nodige kapitaal om de schokken op te vangen
die kunnen worden veroorzaakt door de diverse risico’s
waaraan de herverzekerings- of verzekeringsonderne-
ming is blootgesteld, en het minimumniveau aan eigen
vermogen onder hetwelk de verzekeringsonderneming
haar verplichtingen niet meer kan nakomen. De SCR
en de MCR komen aldus in de plaats van de begrippen
“solvabiliteitsmarge” en “waarborgfonds”, die werden
ingevoerd door de eerste generatie richtlijnen.
Voor de berekening van de SCR dienen de onder-
nemingen alle risico’s te meten waarmee ze gecon-
fronteerd worden (verzekerings technische risico’s,
operationeel risico, marktrisico …) om zich ervan te
vergewissen dat ze over voldoende eigen vermogen be-
schikken om deze te dekken. De SCR berekenen komt
er eigenlijk op neer dat bepaald wordt welk niveau aan
eigen vermogen minimaal nodig is om de kans dat het
faillissementsrisico zich in het komende jaar voordoet,
te beperken tot 0,5 % (dit komt overeen met één kans
op 200 dat de onderneming in de komende 12 maanden
failliet zal gaan).
Voor de eigenlijke berekening van de SCR kunnen
de verzekeringsondernemingen opteren hetzij voor de
standaardformule (SF) waarin specifiek is voorzien in de
Richtlijn, hetzij voor het gebruik van deze standaardfor-
mule met specifieke parameters (USP of Undertaking-
specific Parameters), hetzij voor de toepassing van een
gedeeltelijk of volledig intern model (IM) dat erin bestaat
bepaalde of alle modules van de standaardformule te
vervangen door ondernemingsspecifieke modules.
Voor de toepassing van deze varianten (USP en interne
modellen) is evenwel de voorafgaande goedkeuring van
de toezichthouder vereist.
Bij gebruik van de standaardformule wordt een mo-
dulaire risicoanalyse uitgevoerd. De SCR bestaat uit
een basis-SCR (BSCR of basic SCR), een operationele
SCR (risico op verlies als gevolg van onaangepaste of
— la Risk margin (RM) ou marge de risque, qui
correspond à la valeur actuelle de l’indemnisation en
capital dont il faut disposer pour couvrir les risques
“non-hedgeable”, calculée sur la base de la méthode
du “cost of capital” (pour ces risques “non couvrables”,
aucune valeur de marché n’est disponible). La marge
de risque est requise en supplément de la meilleure
estimation dans une optique de transfert du portefeuille.
• Exigence de capital et fonds propres
Les exigences en matière de fonds propres sont
quant à elles évaluées par le biais de deux aspects qui
sont, d’une part, le SCR (Solvency capital requirement)
et, d’autre part, le MCR (Minimum capital requirement).
Ces éléments peuvent en substance se définir respec-
tivement comme le capital nécessaire afin d’absorber
des chocs provoqués par les divers risques auxquels
l’entreprise d’assurance ou de réassurance est expo-
sée, et le niveau minimum de fonds propres en-deçà
duquel une entreprise d’assurance ne peut plus faire
face à ses engagements. SCR et MCR prennent ainsi le
relais des concepts de marge de solvabilité et de fonds
de garantie instaurés par les directives de la première
génération.
Pour le calcul du SCR, les entreprises doivent mesu-
rer tous les risques auxquelles elles sont confrontées
(risques de souscription, risque opérationnel, risque de
marché…) de façon à s’assurer qu’elles disposent de
suffisamment de fonds propres pour les couvrir. Calculer
le SCR revient en fait à définir le niveau de fonds propres
minimum nécessaire afin de limiter le risque de faillite
dans l’année qui vient avec une probabilité de 0,5 %
(cela représente une chance sur 200 qu’une faillite
intervienne dans les 12 prochains mois).
Pour la réalisation proprement dite du calcul du SCR,
les entreprises d’assurance peuvent opter soit pour la
mise en œuvre d’une formule standard (SF) spécifique-
ment prévue par la Directive, soit pour l’utilisation de
cette formule standard avec des paramètres spécifiques
(USP ou Undertaking Specific Parameters), soit pour la
mise en œuvre d’un modèle interne (IM) partiel ou global
consistant à remplacer certains ou tous les modules de
la formule standard par des modules propres à l’entre-
prise. L’application de ces variantes (USP et modèles
internes) nécessite l’approbation préalable de l’autorité
de contrôle.
La formule standard procède par une approche
modulaire de l’analyse des risques. Le SCR se décom-
pose tout d’abord en un SCR de base (BSCR ou basic
SCR), un SCR opérationnel (risque de pertes résultant
12
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
falende interne procedures, menselijke fouten, defecte
informatica-systemen) en een neerwaartse aanpassing
om rekening te houden met het risico-absorberende ef-
fect dat verbonden is aan de toekomstige winstdelingen
en uitgestelde belastingvorderingen.
De BSCR wordt op zijn beurt verkregen door de sa-
menvoeging van het kapitaal dat nodig is in de volgende
vijf individuele risicomodules, rekening houdend met het
diversificatie-effect:
— de module “marktrisico” (SCR Market), waarvan
de componenten slaan op de risico’s die verbonden
zijn aan de financiële markten, zoals de wisselkoers,
de waarde van de eigendommen, de rente, de waarde
van de aangehouden aandelen, de spread (het verschil
tussen de risicovrije rente en de marktrente) en de con-
centratie van de activa;
— de module “verzekeringstechnisch risico “ziek-
tekosten”” (SCR Health), die slaat op de risico’s die
verbonden zijn aan overeenkomsten ter dekking van
gezondheidsrisico’s (medische verzorging, hospitali-
satie, …);
— de module “tegenpartijrisico” (SCR Default), die het
mogelijke verlies weergeeft dat zou kunnen voortvloeien
uit de onverwachte wanbetaling van de tegenpartijen
en schuldenaren van de verzekeringsonderneming
(verslechtering van de solvabiliteit van een tegenpartij);
— de module “verzekeringstechnisch risico “le-
ven”” (SCR Life), die de risico’s verbonden aan de
levensverzekerings overeenkomsten in aanmerking
neemt, zoals het sterfterisico, het langlevenrisico, het
invaliditeits- en morbiditeitsrisico , het risico van voortij-
dige beëindiging, een grote toename van de uitgaven,
de herziening van het te betalen bedrag aan schade-
vergoeding en het catastroferisico;
— de module “verzekeringstechnisch risico “niet-
leven” (SCR Non-life), die rekening houdt met de
risico’s verbonden aan de niet-levensverzekeringsover-
eenkomsten zoals het premie- en voorzieningenrisico
niet-leven, het risico op voortijdige beëindiging en het
catastroferisico.
Elke module bestaat op zijn beurt uit meerdere
submodules.
De MCR is het niveau aan eigen vermogen dat no-
dig is om de kans dat het faillissementsrisico zich in
het komende jaar voordoet, te beperken tot 0,5 % (dit
komt overeen met één kans op 5 dat de onderneming
in de komende 12 maanden failliet gaat). De MCR
moet minimum 25 % en maximum 45 % van de SCR
de procédures internes inadaptées ou défaillantes,
d’erreurs humaines, de défaillance des systèmes
informatiques) et un ajustement vers le bas afin de tenir
compte de l’effet d’absorption du risque lié aux parti-
cipations bénéficiaires futures et aux impôts différés.
Le BSCR est lui-même obtenu par l’agrégation du
capital nécessaire au sein des cinq modules de risques
individuels compte tenu de l’effet de diversification:
— le module “risque de marché” (SCR Market), dont
les composantes visent les risques associés aux mar-
chés financiers, tels que le taux de change, la valeur
des propriétés, le taux d’intérêt, la valeur des actions
détenues, le spread (différence entre le taux d’intérêt
sans risque et le taux du marché) et la concentration
des actifs;
— le module “risque de souscription en santé” (SCR
Health) qui vise les risques qui sont associés aux
contrats couvrant des risques liés à la santé (soins
médicaux, hospitalisation…);
— le module “risque de contrepartie” (SCR Default),
qui reflète les pertes possibles que pourrait entraîner
le défaut inattendu des contreparties et débiteurs de
l’entreprise d’assurance (dégradation de la solvabilité
d’une contrepartie);
— le module “risque de souscription en vie” (SCR
Life), qui prend en considération les risques associés
aux contrats d’assurance vie, tels que la mortalité, la
longévité, l’invalidité/morbidité, la cessation, l’augmen-
tation importante des dépenses, la révision du montant
du sinistre à payer et les catastrophes;
— le module “risque de souscription en non-vie” (SCR
Non-life), qui tient compte des risques liés aux contrats
non-vie, tels que le risque de primes/réserves, le “lapse”
et les catastrophes.
Chaque module est lui-même subdivisé en plusieurs
sous-modules.
Le MCR correspond au niveau de fonds propres né-
cessaire afin de limiter le risque de faillite dans l’année
qui vient avec une probabilité de 15 % (cela représente
une chance sur 5 qu’une faillite intervienne dans les
12 prochains mois). Il doit se situer dans une fourchette
allant de 25 % minimum à 45 % maximum du SCR, tout
13
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bedragen, maar mag ook niet lager zijn dan een abso-
lute ondergrens die identiek is aan het huidige absolute
minimum van het waarborgfonds onder Solvabiliteit I,
namelijk 2,5 of 3,7 miljoen EUR, afhankelijk van de
uitgeoefende takken en activiteiten.
Om aan de bovenvermelde vereisten te voldoen,
introduceert de Richtlijn bovendien, een onderscheid
tussen het kernvermogen (basic own funds), dat over
het algemeen bestaat uit bestanddelen die worden op-
genomen in de balans van de onder nemingen, en het
aanvullend eigen vermogen (ancillary own funds), dat
bestaat uit posten buiten de balans zoals niet-geplaatst
en niet-gestort kapitaal, suppletiebijdragen voor onder-
linge waarborgmaatschappijen, garanties, … Bovendien
is het eigen vermogen ingedeeld in drie niveaus (tier 1,
tier 2 en tier 3) afhankelijk van de kwaliteit ervan (van
de hoogste naar de laagste kwaliteit) en moeten de
eigenvermogensbestanddelen die de SCR en de MCR
vormen, voldoen aan bepaalde limieten inzake deze
niveaus.
• Activa
Wat de activa betreft, dient opgemerkt te worden
dat in tegenstelling tot de teksten van de eerste gene-
ratie de regels van de Richtlijn niet alleen betrekking
hebben op de dekkingswaarden (activa die speciaal
bestemd zijn om de technische voorzieningen te dek-
ken), maar ook op andere activa, ook wel “vrij vermogen”
genoemd in de huidige wetgeving. Zodoende zullen
dezelfde regels worden toegepast voor de waardering
en de belegging van alle activa van verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen.
Voor de waardering legt de Richtlijn het beginsel vast
van de marktwaarde, namelijk “het bedrag waarvoor ze
[de activa] kunnen worden verhandeld tussen ter zake
goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde
partijen die onafhankelijk zijn”.
Voor beleggingen voorziet de Richtlijn niet langer in
een beperking per type beleggingen of uitgever zoals
thans het geval is. Enkel het prudent person-beginsel
dient te worden nageleefd.
c) Pijler 2: Kwalitatieve vereisten
De tweede pijler waarop Solvabiliteit II berust, be-
treft de kwalitatieve normen waaraan verzekerings- en
herverzekerings onder nemingen moeten voldoen inzake
governance en risicobeheer, evenals het toezichts-
proces waaraan ze door de toezichthouder worden
onderworpen.
en ne pouvant pas être inférieur à un seuil plancher
absolu, qui est identique à l’actuel minimum absolu du
fonds de garantie dans Solvabilité I, soit 2,5 ou 3,7 mil-
lions EUR selon les branches et les activités pratiquées.
Par ailleurs, pour répondre aux exigences décrites
ci-avant, la Directive introduit une distinction entre les
fonds propres de base (Basic own funds), qui sont en
général des éléments repris au bilan des entreprises,
et les fonds propres auxiliaires (Ancillary own funds),
qui sont des éléments hors bilan tels que le capital non
appelé et non versé, les rappels de cotisations pour
les mutuelles, les lettres de garanties… De plus, les
fonds propres sont classés en trois niveaux (tier 1, tier
2 et tier 3) en fonction de leur qualité (de la plus élevée
à la moins élevée) et les éléments de fonds propres
qui composent le SCR et le MCR doivent respecter
certaines limites concernant ces niveaux.
• Actifs
En ce qui concerne les actifs, il est important de noter
que, contrairement aux textes de la première génération,
les règles de la Directive concernent non seulement les
valeurs représentatives (actifs spécialement affectés à
la couverture des provisions techniques) mais encore
les autres actifs souvent appelés “actifs libres” dans le
cadre de la législation actuelle. De la sorte, les mêmes
règles d’évaluation et de placement s’appliqueront à
l’ensemble des actifs des entreprises d’assurance et
de réassurance.
En ce qui concerne l’évaluation, la Directive pose le
principe de la valeur de marché ou, plus précisément,
“le montant pour lequel ils [les actifs] pourraient être
échangés dans le cadre d’une transaction conclue,
dans des conditions de concurrence normales, entre
des parties informées et consentantes”.
Pour ce qui concerne les placements, la Directive ne
prévoit plus de limitation par type de placements ni par
émetteur comme c’est le cas actuellement. Seule la
règle de la personne prudente (prudent person principle)
doit être respectée.
c) Le Pilier 2: Les exigences qualitatives
Le deuxième pilier sur lequel repose Solvabilité II
traite des normes qualitatives auxquelles les entreprises
d’assurance et de réassurance doivent répondre en
matière de gouvernance et de gestion des risques,
ainsi que du processus de supervision auquel elles sont
soumises de la part de l’autorité de contrôle.
14
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Aan de hand van hun governance- en risicobeheer-
systeem moeten de verzekerings ondernemingen ervoor
zorgen dat ze de wetgeving naleven die vermeld is in de
circulaires van de toezichthouder. Naast de actuariële
functie die specifiek is voor de sector, vallen ook de
sleutelfuncties zoals die van risk manager, compliance
officer en interne audit onder de toepassing van dit go-
vernancesysteem, waarvan de eindverantwoordelijkheid
bij de raad van bestuur ligt.
In het kader van dit governancesysteem zal elke
verzekeringsonderneming moeten overgaan tot een
beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit
(ORSA of own risk and solvency assessment). Deze
ORSA bestaat in een jaarlijkse beoordeling van de
risico’s van de onderneming, die minstens betrekking
heeft op de algehele solvabiliteitsbehoefte, de perma-
nente naleving van de eigenvermogensvereisten, en de
beoordeling van het verschil tussen de werkelijke risico’s
waarmee de onderneming wordt geconfronteerd en de
hypotheses van de standaardformule of van het interne
model dat zij gebruikt. Het ORSA-verslag dat uit deze
beoordeling voortvloeit, moet aan de toezichthouder
worden meegedeeld.
Het toezichtsproces (supervisory review process)
houdt in dat de toezichthouder nagaat en beoordeelt of
voldaan is aan de verplichtingen inzake het governan-
cesysteem, de technische voorzieningen, de kapitaal-
vereisten, de beleggingen, de kwaliteit van het eigen
vermogen en, in voorkomend geval, de conformiteit
van het (gedeeltelijk) interne model dat eventueel wordt
toegepast. In deze context zal de toezichthouder de
kwaliteit moeten controleren van de systemen waarover
de verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen
beschikken om de risico’s die zich zouden kunnen voor-
doen, te meten en te beheersen. Indien vastgesteld zou
worden dat de risico’s niet accuraat zijn beoordeeld door
de ondernemingen, zal de toezichthouder daarenboven
de mogelijkheid hebben om een aanvullende solvabi-
liteitsmarge op te leggen bovenop deze die voortvloeit
uit de berekening van de SCR (capital add-on).
d) Pijler 3 — Vereisten inzake rapportering en
openbaarmaking
De derde pijler betreft de kwantitatieve en kwalitatieve
informatie die aan de toezichthouder en het publiek
wordt verstrekt.
De rapportering ten aanzien van de toezichthouder
(supervisory reporting) moet toelaten om enerzijds
het governancesysteem, de uitgeoefende activiteiten,
de toegepaste beoordelingsprincipes, de in aan-
merking genomen risico’s, de kapitaalstructuur, de
Via le système de gouvernance et de gestion des
risques à mettre en œuvre, les entreprises doivent faire
en sorte de s’assurer qu’elles répondent à la législa-
tion telle que précisée par les circulaires de l’autorité
de contrôle. Outre la fonction actuarielle spécifique
au secteur, les fonctions clés telles que celles de risk
manager, de compliance officer et d’audit interne entrent
dans le champ d’application de ce système de gouver-
nance, dont la responsabilité finale relève du conseil
d’administration.
Dans le cadre de ce système de gouvernance,
chaque entreprise devra procéder à une évaluation
interne des risques et de la solvabilité (ORSA ou own
risk and solvency assessment). Plus précisément,
l’ORSA consiste en une évaluation annuelle des risques
de l’entreprise, qui devra porter au minimum sur le
besoin global de solvabilité, le respect permanent des
exigences de fonds propres, et l’évaluation de l’écart
entre les risques réels auxquels l’entreprise est confron-
tée par rapport aux hypothèses de la formule standard
ou du modèle interne qu’elle utilise. Le rapport ORSA
qui découle de cette évaluation doit être communiqué
à l’autorité de contrôle.
Le processus de supervision (supervisory review
process) vise pour l’autorité de contrôle à contrôler et
évaluer s’il est satisfait aux obligations en lien avec le
système de gouvernance, les provisions techniques,
les exigences de capital, les placements, la qualité
des fonds propres et, le cas échéant, la conformité du
modèle interne (partiel) qui serait appliqué. Dans ce
contexte, il appartiendra au superviseur de contrôler la
qualité des systèmes mis en place par les entreprises
d’assurance et de réassurance pour mesurer et maî-
triser les risques qui pourraient se produire. En outre,
dans les cas où il serait constaté que les risques ont été
mal appréciés par les entreprises, l’autorité de contrôle
aura la possibilité d’imposer une marge de solvabilité
complémentaire à celle obtenue via le calcul du SCR
(“capital add-on”).
d) Le Pilier 3 — Les exigences de reporting et de
publicité
Le troisième pilier traite des informations tant quanti-
tatives que qualitatives qui seront destinées à l’autorité
de contrôle et au public.
En ce qui concerne le reporting à l’égard de l’auto-
rité de contrôle (supervisory reporting), celui-ci devra
permettre, d’une part, d’évaluer le système de gouver-
nance, les activités exercées, les principes d’évaluation
appliqués, les risques pris en considération, la structure
15
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
kapitaalbehoeftes en het kapitaalbeheer te beoordelen,
en anderzijds om ter zake alle passende beslissingen
te nemen.
De op te stellen verslagen moeten zowel periodiek en
systematisch worden ingediend als in bijzondere om-
standigheden (wijziging in het risicoprofiel) die zouden
vereisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming een specifiek verslag indient. Deze verslagen
kunnen hetzij door de verzekeringsonderneming zelf,
hetzij door externe deskundigen (revisoren, onafhan-
kelijke actuarissen) worden opgesteld.
De rapportering ten aanzien van het publiek (public
disclosure) zal op jaarlijkse basis worden goedge-
keurd door het wettelijk bestuursorgaan (gewoonlijk
de raad van bestuur) van de herverzekerings- en
verzekeringsonder nemingen. Deze rapportering zal
gebeuren in de vorm van een verslag over de solvabiliteit
en de financiële positie van de onderneming, dat ten
minste een omschrijving bevat van de activiteiten en de
resultaten, het governancesysteem en de mate waarin
het is afgestemd op de risico’s, de risicoblootstelling
per risicocategorie, de regels voor de beoordeling van
de activa, passiva en technische voorzieningen, het
kapitaalbeheer (structuur, SCR, MCR, hypotheses van
de standaardformule of van het interne model), de ka-
pitaalopslagfactoren die zouden worden toegepast door
de toezichthouder, en de belangrijke ontwikkelingen ten
opzichte van het vorige boekjaar.
Deze publicaties dragen bij tot een betere markt-
discipline (market discipline), en bevorderen aldus de
transparantie en de uniformering van de praktijken van
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
e) Implementatie en tenuitvoerlegging
De definitieve invoering van Solvabiliteit II, die her-
haaldelijk werd uitgesteld, is gepland op 1 januari 2016.
Om zich ervan te vergewissen dat de verzekerings- en
herverzekeringsonder nemingen in staat zullen zijn om
het nieuwe stelsel op deze datum toe te passen, werd
voor 2014 en 2015 evenwel voorzien in een voorberei-
dende fase. Tijdens deze voorbereidende fase moeten
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
in 2015 bij de toezichthouder hun Solvabiliteit II- rap-
portering (zowel kwantitatief als kwalitatief) indienen,
en daarnaast ook de gewone rapporteringen onder
Solvabiliteit I blijven uitvoeren.
De Richtlijn voorziet ook in verschillende mogelijk-
heden tot “pre-applicatie” (pre-application), die de on-
dernemingen in staat stellen om bij de toezichthouder
verschillende goedkeuringen aan te vragen in 2015,
du capital, les besoins de capital, ainsi que la gestion
de capital et d’autre part, de prendre toute décision
appropriée en la matière.
Les rapports à établir seront à introduire tant de
manière périodique et systématique, qu’à l’occasion de
situations particulières (changement du profil de risque)
qui se produiraient et qui nécessiteraient la transmis-
sion d’un rapport spécifique de la part de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance. Lesdits rapports pour-
ront, en outre, émaner soit de l’entreprise d’assurance
elle-même, soit d’experts externes (réviseurs, actuaires
indépendants).
Le reporting à l’égard du public (public disclosure)
sera approuvé par l’organe légal d’administration (à
savoir usuellement, le conseil d’administration) des
entreprises d’assurance et de réassurance selon une
fréquence annuelle. Il s’agira d’un rapport sur la solva-
bilité et la situation financière de l’entreprise qui devra
au minimum contenir une description de l’activité et
des résultats, du système de gouvernance et de son
adéquation aux risques, de l’exposition aux risques par
catégorie de risque, des règles d’évaluation des actifs,
passifs et provisions techniques, de la gestion du capital
(structure, SCR, MCR, hypothèses de la formule stan-
dard ou du modèle interne), des exigences de capital
supplémentaires qui seraient imposées par l’autorité de
contrôle, et des changements importants par rapport à
l’exercice précédent.
Ces publications contribuent à l’obtention d’une meil-
leure discipline de marché (market discipline), avec pour
objectifs la transparence et l’uniformisation des pra-
tiques des entreprises d’assurance et de réassurance.
e) Implémentation et entrée en vigueur
Après avoir été plusieurs fois retardée, l’introduction
définitive de Solvabilité II est prévue au 1er janvier 2016.
Toutefois, afin de s’assurer que les entreprises d’assu-
rance et de réassurance seront en mesure d’appliquer
le nouveau régime à cette date, une phase préparatoire
a été prévue en 2014 et en 2015. Durant cette phase
préparatoire les entreprises d’assurance et de réassu-
rance doivent introduire auprès de l’autorité de contrôle
en 2015 des reportings Solvabilité II tant quantitatifs
que qualitatifs, tout en continuant à communiquer les
reportings habituels afférents à Solvabilité I.
La Directive prévoit aussi plusieurs possibilités de
“pré-application”, qui permettent aux entreprises de
solliciter diverses autorisations de la part de l’autorité de
contrôle en 2015 de manière à ce que ces autorisations
16
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zodat deze goedkeuringen van kracht kunnen zijn op
de datum van inwerkingtreding van het nieuwe stelsel.
Zo kunnen toezichthouders vanaf 1 april 2015 beslissen
of het aanvullend eigen vermogen in aanmerking komt,
en hun goedkeuring verlenen voor de interne modellen
en de specifieke parameters van de standaardformule,
de verschillende maatregelen in verband met lange-
termijnverbintenissen (zie verder), en de samenstelling
van de colleges van groepstoezichthouders. De onder-
nemingen kunnen andere goedkeuringen aanvragen
vanaf 1 juli 2015, zoals methodes voor de berekening
van de groepssolvabiliteit of het gebruik van bepaalde
overgangsmaatregelen.
f) Maatregelen met betrekking tot lange termijn ver-
bintenissen en overgangsmaatregelen
De Richtlijn werd in april 2014 gewijzigd door de zoge-
naamde Omnibus II-richtlijn (Richtlijn 2014/51/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot
wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/
EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009,
(EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de
bevoegdheden van de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en
bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende
autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten)
betreft), onder meer om in aanpassingen te voorzien
met betrekking tot de lange termijn verbintenissen
van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen,
evenals in diverse overgangsbepalingen die een gelei-
delijke overgang van het Solvabiliteit I-stelsel naar het
Solvabiliteit II-stelsel mogelijk maken.
Tijdens de besprekingen over de implementatie van
de Solvabiliteit II-normen bleek dat de gehanteerde
berekeningsmethodes — en met name de in aanmer-
kingneming van de Value-at-Risk met een looptijd van
een jaar - een grote volatiliteit teweeg kunnen brengen in
de eigenvermogensvereisten, die onverenigbaar is met
sommige middellange- of lange termijnverbintenissen
van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
De levensverzekeringsproducten worden het hardst
getroffen door deze problematiek.
Om die reden heeft de voornoemde Omnibus II-
richtlijn diverse nuanceringen ingevoerd teneinde de
buitensporige volatiliteit van de prudentiële vereisten
te verminderen. Er zijn vier soorten maatregelen. De
eerste drie, die elkaar uitsluiten, hebben betrekking op
de relevante risicovrije rentetermijnstructuur, namelijk
de verschillende disconteringsvoeten die gebruikt zul-
len moeten worden bij de berekening van de technische
voorzieningen. Deze rentetermijnstructuur zal door de
soient effectives à la date d’entrée en vigueur du nou-
veau régime. Ainsi, à partir du 1er avril 2015, les autorités
de contrôle peuvent approuver l’éligibilité des fonds
propres auxiliaires, les modèles internes et les para-
mètres spécifiques de la formule standard, les diverses
mesures concernant les engagements à long terme
(cf. infra), la composition des collèges de contrôleurs
de groupe. Les entreprises peuvent solliciter d’autres
autorisations à partir du 1er juillet 2015, telles que les
méthodes de calcul de la solvabilité des groupes ou
l’utilisation de certaines mesures transitoires.
f) Mesures relatives aux engagements à long terme
et mesures transitoires
La Directive a été modifiée en avril 2014 par une direc-
tive dite “Omnibus II” (Directive 2014/51/UE du Parlement
européen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant les
directives 2003/71/CE et 2009/138/CE et le règlement
(CE) n° 1060/2009, le règlement (UE) n° 1094/2010 et
le règlement (UE) n° 1095/2010 en ce qui concerne les
compétences de l’Autorité européenne de surveillance
(Autorité européenne des assurances et des pensions
professionnelles) et de l’Autorité européenne de sur-
veillance (Autorité européenne des marchés financiers),
entre autres afin de prévoir des adaptations en faveur
des engagements à long terme des entreprises d’assu-
rance et de réassurance, ainsi que diverses dispositions
transitoires permettant un passage graduel du régime
Solvabilité I au régime Solvabilité II.
Au cours des discussions sur l’implémentation des
normes de Solvabilité II, il est apparu que les méthodes
de calcul utilisées — et notamment la prise en compte
de la valeur en risque à une échéance d’un an — pou-
vaient induire une forte volatilité dans les exigences de
fonds propres, qui était peu compatible avec le moyen
ou le long terme dont sont assortis certains engage-
ments des entreprises d’assurance ou de réassurance.
Les produits vie sont particulièrement visés par cette
problématique.
C’est pourquoi la directive Omnibus II précitée a
introduit divers tempéraments permettant d’atténuer la
volatilité excessive des exigences prudentielles. Ces
mesures sont au nombre de quatre. Les trois premières,
qui sont exclusives l’une de l’autre, se rapportent à la
courbe pertinente des taux sans risques, c’est-à-dire
l’ensemble des taux d’actualisation qui devront être
utilisés dans le calcul des provisions techniques. Cette
courbe sera fournie par l’Autorité européenne des
17
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspen-
sioenen (hierna “EIOPA”) worden verstrekt op basis van
een observering van de financiële markten.
De extrapolatie van de relevante risicovrije rente-
termijnstructuur (EIOPA-curve) is een techniek om
voor duurtijden tussen 20 en 40 jaar de percentages
te extrapoleren die moeten worden gebruikt voor de
discontering in de berekeningen van de best estimate.
Dit voorkomt schommelingen in de rentetermijnstructuur
wegens een gebrek aan beschikbare gegevens.
De matchingopslag (matching adjustment) maakt
het mogelijk om de disconteringsvoeten van de EIOPA-
curve beter te doen aansluiten bij deze die berekend
worden op grond van de activaportefeuille van de
verzekerings onderneming. Door de voorwaarden waar-
aan die opslag is onderworpen, is hij echter moeilijk
toepasbaar op Belgische verzekeringsproducten.
De volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment)
maakt het mogelijk om de percentages van de EIOPA-
curve beter te doen aansluiten bij deze die berekend
worden op grond van een referentieportefeuille van
activa. Deze aanpassing kan slaan op alle activiteiten
van verzekeringsonder nemingen.
De verlenging van de termijn om opnieuw te voldoen
aan de SCR: in uitzonderlijke ongunstige omstandighe-
den (financiële crisis, aanhoudend lage rente, natuur-
ramp) kan het herstelprogramma, dat doorgaans be-
perkt is tot negen maanden, tot 7 jaar worden verlengd.
Met betrekking tot de vereisten waaraan verze-
kerings- en herverzekeringsonder nemingen moeten
voldoen, is onder andere voorzien in de volgende
uitvoeringsmaatregelen:
— de toekenning van een termijn van 2 jaar om
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
op 1 januari 2016 voldoen aan het solvabiliteitsmarge-
vereiste van Solvabiliteit I maar niet aan het solvabili-
teitskapitaalvereiste van de Richtlijn, de mogelijkheid te
geven het laatstgenoemde vereiste na te leven aan het
einde van deze periode van twee jaar;
— de toekenning van een termijn van 16 jaar om de
verzekerings- of herverzekerings onderneming de moge-
lijkheid te geven haar Best Estimate te doen evolueren
van het niveau dat vereist is onder Solvabiliteit I naar
dat wat vereist is onder Solvabiliteit II.
assurances et des pensions professionnelles (ci-après,
l’EIOPA) sur la base de l’observation des marchés
financiers.
L’extrapolation de la courbe des taux d’intérêt sans
risque pertinent (ou “courbe EIOPA”) est une technique
permettant d’extrapoler, pour des durées comprises
entre 20 et 40 ans, les taux qui doivent servir aux actua-
lisations opérées dans les calculs du Best Estimate. On
évite ainsi des fluctuations de la courbe des taux dues
à l’absence de données disponibles.
Le matching adjustment (ajustement égalisateur) per-
met de rapprocher les taux d’actualisation de la courbe
EIOPA de ceux calculés à partir du portefeuille d’actifs
de l’entreprise d’assurance. Les conditions auquel cet
ajustement est soumis rendent toutefois difficile son
application aux produits d’assurance belges.
Le volalility adjustment (correction pour volatilité)
permet de rapprocher les taux de la courbe EIOPA de
ceux obtenus au moyen d’un portefeuille d’actifs de
référence. Cet ajustement peut s’appliquer à toutes les
activités des entreprises d’assurance.
L’allongement du délai de restauration du SCR: en
cas de situations exceptionnelles défavorables (crise
financière, persistance d’un taux d’intérêt très bas,
catastrophe naturelle), le programme de rétablissement,
normalement limité à un maximum de neuf mois, peut
s’étendre à 7 ans.
En ce qui concerne les mesures transitoires relatives
aux exigences à rencontrer par les entreprises d’assu-
rance et de réassurance figurent entre autres:
— l’octroi d’un délai de deux ans permettant à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui satisfait
au 1er janvier 2016 à l’exigence de marge de solvabilité
visée sous Solvabilité I mais qui ne respecte pas le
capital de solvabilité requis par la Directive, d’atteindre
ce dernier niveau à la fin de cette période de deux ans;
— l’octroi d’un délai de 16 ans permettant à l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance de porter graduel-
lement le Best Estimate du niveau de ses provisions
techniques requis sous Solvabilité I à celui exigé par
les normes Solvabilité II.
18
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3. Het wetsontwerp tot omzetting van de
Solvabiliteit II-richtlijn
De ontwerpwet die u ter beraadslaging wordt voorge-
legd, zorgt dus voor de omzetting van de Richtlijn. Deze
wet zal in de plaats komen van de huidige toezichts-
wetten voor de verzekeringsondernemingen (wet van
9 juli 1975) en de herverzekeringsondernemingen (wet
van 16 februari 2009), waarvan de uitvoeringsbesluiten
eveneens zullen moeten worden herschreven.
In de onderstaande toelichtingen wordt de volgorde
van de ontwerpwet gevolgd, waarbij vermeld wordt wel-
ke opties de Richtlijn biedt en welke bepalingen nieuw
zijn ten opzichte van de Richtlijn en de huidige wetten.
a) Algemene bepalingen (Boek I)
Boek I van de ontwerpwet bepaalt het doel en het
toepassingsgebied van de wet, definieert een reeks
termen en uitdrukkingen die worden gebruikt in de
ontwerpartikelen, en beoogt het gebruik van de termen
“verzekeringsonderneming” en “herverzekeringsonder-
neming” of soortgelijke namen te beschermen.
Het zij genoegzaam opgemerkt dat de Richtlijn voor-
ziet in bepaalde uitsluitingen, die in de meeste gevallen
ter zake gebruikelijk zijn (stelsels van sociale zekerheid,
pensioenfondsen, exportverzekering gewaarborgd door
de Staat, pechverhelping voor voertuigen …). Sommige
uitsluitingen zijn nieuw, zoals die welke betrekking heb-
ben op onderlinge verzekeringsondernemingen die voor
100 % herverzekerd worden door een andere onderlinge
verzekeringsonderneming die aan de bepalingen van
de ontwerpwet is onderworpen.
Tevens moet worden opgemerkt dat de uitsluiting
waarin artikel 4 van de Richtlijn voorziet ten voordele
van de kleine ondernemingen, niet als dusdanig werd
overgenomen. Die ondernemingen, die overigens reeds
onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet van
9 juli 1975, zullen onder de bepalingen van de ont-
werpwet vallen, maar met aanpassingen om rekening
te kunnen houden met hun omvang en het lage risico
van hun verrichtingen.
b) Toegang tot het bedrijf (Boek II — Titel I)
De hier toegelichte bepalingen hebben betrekking op
de vergunning en de vergunningsvoorwaarden.
• De vergunning
Zoals momenteel het geval is, moet elke onderneming
die een verzekerings- of herverzekeringsactiviteit wenst
aan te vangen, vooraf een vergunning aanvragen bij
3. Le projet de loi transposant la Directive
Solvabilité II
La loi en projet qui est soumise à votre délibération
assure donc la transposition de la Directive. Cette loi
remplacera les actuelles lois de contrôle relatives aux
entreprises d’assurance (loi du 9 juillet 1975) et de réas-
surance (loi du 16 février 2009), dont les arrêtés d’exé-
cution devront également faire l’objet d’une réécriture.
On suivra ici le plan de projet de loi en insistant sur
les options offertes par la Directive et les dispositions
nouvelles par rapport à cette même Directive et aux
lois actuelles.
a) Dispositions générales (Livre Ier)
Le Livre Ier de la loi en projet définit son objet et
son champ d’application, définit une série de termes
et expressions dont il est fait usage dans les articles
en projet et vise encore à protéger les dénominations
d’entreprise d’assurance, d’entreprise de réassurance
ou les dénominations voisines.
On se contentera de noter que la Directive prévoit
certaines exclusions, qui sont pour la plupart habituelles
en la matière (régimes de sécurité sociale, fonds de
pension, assurance à l’exportation garantie par l’État,
assistance automobile …). Certaines sont nouvelles
comme celle se rapportant aux mutuelles réassurées à
100 % par une autre mutuelle soumise aux dispositions
de la loi en projet.
On notera aussi que l’exclusion prévue par l’article
4 de la Directive en faveur des petites entreprises n’a
pas été reprise comme telle. Ces entreprises, qui sont
par ailleurs déjà soumises aux dispositions de la loi du
9 juillet 1975, seront visées par celles du projet de loi
mais pourront bénéficier d’adaptations permettant de
tenir compte de leur taille et du faible risque engendré
par leurs opérations.
b) Accès à l’activité (Livre II — Titre Ier)
Les dispositions commentées ici se rapportent à
l’agrément et à ses conditions d’obtention.
• L’agrément
Comme c’est le cas actuellement, toute entreprise
qui désire commencer une activité d’assurance ou de
réassurance doit préalablement solliciter un agrément
19
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
haar toezichthouder. Deze vergunning wordt verleend
per verzekeringstak of per herverzekeringsactiviteit
(leven of niet-leven). Ze is onder bepaalde voorwaar-
den geldig op het hele grondgebied van de Europese
Economische Ruimte (Europees paspoort).
De mogelijkheid om een vergunning te verkrijgen
per groep van takken, die niet voorkomt in de wet van
9 juli 1975, werd niet overgenomen omdat ze geen echte
toegevoegde waarde biedt.
Eenzelfde onderneming kan zowel verzekerings- als
herverzekeringsactiviteiten uitoefenen. In dat geval moet
ze evenwel een vergunning aanvragen voor elk van
die activiteiten. Er wordt echter voorzien in een over-
gangsbepaling voor de verzekeringsondernemingen
die momenteel een herverzekeringsactiviteit mogen
uitoefenen zonder een vergunning te hebben verkregen
als herverzekeringsonderneming.
Er is vastgelegd dat de inhoud van het vergunnings-
dossier wordt gepreciseerd door de Nationale Bank van
België (hierna “de Bank”), en niet langer door de wet of
via een koninklijk besluit. Dit biedt het voordeel van flexi-
biliteit en schaadt de rechtszekerheid niet, aangezien het
om zuiver technische en secundaire bepalingen gaat.
Vergunningsvoorwaarden: organisatie van de
onderneming
Wat betreft de organisatie van de ondernemingen,
maakt het wetsontwerp een synthese tussen de bepa-
lingen van de Richtlijn en die van de huidige wetten,
zoals laatstelijk gewijzigd in 2014. Het ziet ook toe op een
gelijke behandeling tussen de verschillende categorieën
van ondernemingen die actief zijn in de financiële sector.
Zo werd de principiële verplichting om een directie-
comité op te richten, behouden, met dien verstande
dat de toezichthouder bepaalde ondernemingen kan
vrijstellen van de verplichting om een dergelijk comité
op te richten, of kan toelaten dat bepaalde leden van dat
comité geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan,
of bepaalde combinaties van functies tussen de leden
van het directiecomité kan toelaten. Deze afwijkingen
worden verleend naargelang de omvang en het risico-
profiel van de onderneming.
De oprichting van een auditcomité, een remuneratie-
comité en een risicocomité is verplicht. Voor wat betreft
het auditcomité en het remuneratiecomité geldt deze
verplichting echter niet voor ondernemingen die een be-
paalde drempel inzake omzetvolume niet overschrijden
auprès de son autorité de contrôle. Cet agrément est
accordé par branche d’assurance ou par activité de
réassurance (vie ou non-vie). Il est valable, à certaines
conditions, sur tout le territoire de l’Espace économique
européen (passeport européen).
La possibilité d’obtenir un agrément par groupes de
branches, qui ne figure pas dans la loi du 9 juillet 1975,
n’a pas été reprise car elle ne présente pas de véritable
valeur ajoutée.
Une même entreprise peut exercer à la fois les acti-
vités d’assurance et de réassurance. Toutefois, dans
ce cas, elle doit solliciter un agrément pour chacune de
ces activités. Une disposition transitoire est néanmoins
prévue en faveur des entreprises d’assurance qui sont
actuellement autorisées à pratiquer une activité de
réassurance sans être agréées comme entreprises de
réassurance.
Il est prévu que le contenu du dossier d’agrément soit
précisé par la Banque nationale de Belgique (ci-après,
“la Banque”) et non par la loi ou via un arrêté royal, ce
qui offre l’avantage de la souplesse et ne nuit pas à la
sécurité juridique, s’agissant de dispositions purement
techniques et secondaires.
Conditions d’agrément: organisation de l’entreprise
En ce qui concerne l’organisation des entreprises, le
projet de loi fait la synthèse entre les dispositions de la
Directive et celles des lois actuelles telles qu’elles ont
été modifiées pour la dernière fois en 2014. Il veille aussi
à une égalité de traitement entre les différentes catégo-
ries d’entreprises actives au sein du secteur financier.
Ainsi, l’obligation de principe de constituer un comité
de direction a été maintenue, étant entendu que l’auto-
rité de contrôle peut dispenser certaines entreprises de
l’obligation de constituer un tel comité ou autoriser que
certains membres de ce comité ne soient pas membres
de l’organe légal d’administration ou encore autoriser
certains cumuls de fonctions entre membres du comité
de direction. Ces dérogations sont accordées en fonc-
tion de la taille et du profil de risque de l’entreprise.
La constitution d’un comité d’audit, d’un comité de
rémunération et d’un comité des risques est obliga-
toire sauf, en ce qui concerne les comités d’audit et de
rémunération, pour les entreprises ne dépassant pas
certains seuils en volume d’affaires ou dont la situation
20
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
of waarvan de concrete situatie de aanwezigheid van die
comités niet rechtvaardigt, met dien verstande dat deze
ondernemingen ervoor moeten zorgen dat de taken van
deze comités elders worden vervuld.
De onafhankelijke controlefuncties of de klassieke
sleutelfuncties in de verzekeringssector (compliance,
risicobeheer, interne audit en actuariële functie) blijven
behouden. De risicobeheerfunctie moet, behoudens
toestemming van de toezichthouder, worden uitgeoe-
fend door een lid van het directiecomité voor wie dit de
enige functie is.
Vergunningsvoorwaarden: andere
De overige vergunningsvoorwaarden zijn bepalingen
die voor het merendeel zijn overgenomen uit de Richtlijn
of de huidige wetten, zonder echte nieuwigheden.
Slechts enkele nieuwe bepalingen moeten worden
aangestipt.
Het concept “gemeenschappelijke kas” heeft geen
betrekking op een specifieke rechtsvorm, maar is een
naam die kan worden gedragen door de onderlinge
verzekeringsverenigingen die actief zijn in arbeidsonge-
vallen of in bepaalde vormen van aanvullend pensioen.
Enerzijds is er vanuit het oogpunt van de Belgische
prudentiële regels immers geen enkel verschil tussen
de gemeenschappelijke kassen en de onderlinge ver-
zekeringsverenigingen en anderzijds erkent de Richtlijn
de gemeenschappelijke kas niet als een specifieke
rechtsvorm.
De verplichting voor levensverzekeringsonderne-
mingen om zich aan te sluiten bij een regeling voor de
bescherming van levensverzekeringen, die reeds op
hen van toepassing is via andere regelgevingen, werd
in de ontwerpwet uitdrukkelijk overgenomen als een
vergunningsvoorwaarde die dus integraal deel uitmaakt
van het wettelijk statuut van verzekeringsonderneming.
c) Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden (Boek II — Titel II)
De hier toegelichte bepalingen hebben betrekking
op de verplichtingen die de verzekerings- en herver-
zekeringsondernemingen moeten naleven in het kader
van de uitoefening van hun activiteiten. Ze vormen het
leeuwendeel van dit wetsontwerp. De belangrijkste
bepalingen worden hierna toegelicht.
Kapitaalstructuur (Boek II — Titel II — Hoofdstuk II)
Deze bepalingen hebben betrekking op het vooraf-
gaande toezicht op belangrijke deelnemingen (drempels
van 10 %, 20 % en 30 %, …). Een nieuwigheid hierbij is
concrète ne justifie pas la présence de ces comités, tout
en assurant l’exercice de leurs missions par ailleurs.
Les fonctions de contrôle indépendantes ou fonc-
tions-clés classiques dans le secteur des assurances
(conformité ou compliance, gestion des risques, audit
interne et fonction actuarielle) ont été maintenues. La
fonction de gestion des risques doit, sauf autorisation
accordée par l’autorité de contrôle, être exercée par
un membre du comité de direction dont c’est la seule
fonction.
Conditions d’agrément: autres
Les autres conditions d’agrément sont des disposi-
tions qui sont, pour la plupart, reprises de la Directive
ou des lois actuelles sans véritable nouveauté. Seules
quelques dispositions nouvelles sont à mettre en
exergue.
La notion de “caisse commune” ne se rapporte pas
à une forme juridique spécifique mais est une dénomi-
nation que peuvent porter les associations d’assurance
mutuelle active en accidents du travail ou dans certaines
formes de pensions complémentaires. En effet, d’une
part, il n’y a, du point de vue des règles prudentielles
belges, aucune différence entre les caisses communes
et les associations d’assurance mutuelle et, d’autre
part, la Directive ne reconnaît pas la caisse commune
comme une forme juridique particulière.
L’obligation, pour les entreprises d’assurance sur la
vie, de s’affilier à un régime de protection des assu-
rances-vie, qui leur est déjà applicable via d’autres
réglementations, est expressément reprise dans le
cadre du de la loi en projet au titre de condition d’agré-
ment faisant dès lors partie intégrante du statut légal
d’entreprise d’assurance.
c) Conditions d’exercice (Livre II — Titre II)
Les dispositions ici commentées se rapportent aux
obligations que les entreprises d’assurance et de réas-
surance doivent respecter dans le cadre de l’exercice
de leurs activités. Elles composent la majeure partie
du projet de loi. Les principales dispositions sont com-
mentées ci-après.
Structure du capital (Livre II — Titre II — Chapitre II)
Ces dispositions concernent le contrôle préalable des
prises de participations importantes (seuils de 10 %,
20 % et 30 %, …). On notera comme nouveauté que
21
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat de toezichthouder de redenen om een kandidaat-
verwerver te weigeren, op verzoek van die laatste kan
publiceren.
Werkingsvoorwaarden (Boek II — Titel II
— Hoofdstuk III)
In dit deel worden de regels bepaald die betrekking
hebben op het minimum eigen vermogen, de bewaring
van documenten, de rol van de leiding en de regels met
betrekking tot de leiders, het risicobeheer, de ORSA
(own risk and solvency assessment), de uitbesteding,
de verrichtingen die verboden zijn of waarvoor een
beperking geldt, en de mededeling van informatie aan
het publiek.
Deze verplichtingen zijn overgenomen uit hetzij de
Richtlijn, hetzij de huidige wetten zonder echte inhou-
delijke wijziging. Voor ORSA raadplege men de com-
mentaar bij de ontwerpartikelen .
Bepaalde verrichtingen ten gunste van de leiders,
van de personen die sleutelfuncties bekleden of van
hun naasten, mogen niet gebeuren tegen buitenspo-
rige voorwaarden ten aanzien van de marktvoorwaar-
den. Tot deze verrichtingen behoren voortaan ook de
verzekeringsovereenkomsten.
De verplichtingen inzake publicatie ten behoeve van
het publiek zijn overgenomen uit de Richtlijn (met name
de artikelen 51, 53, 54 en 55). Er werd gebruik gemaakt
van de door de Richtlijn geboden mogelijkheid om de
effecten van een aanvullend kapitaalvereiste of bedrijfs-
specifieke parameters niet afzonderlijk te publiceren
vóór 1 januari 2021.
Portefeuilleoverdracht (Boek II — Titel II
— Hoofdstuk IV)
Zoals momenteel het geval is, zullen de portefeuil-
leoverdrachten en fusies van ondernemingen onder-
worpen zijn aan de voorafgaande toestemming van de
toezichthouder. De regel werd verduidelijkt voor wat
betreft de fusies. De strategische beslissingen worden
er aan toegevoegd.
Activiteiten in het buitenland (Boek II — Titel II —
Hoofdstuk V)
Zoals de regel is geworden, mag een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming waaraan een
vergunning is verleend in een lidstaat van de Europese
Economische Ruimte (lidstaat van herkomst) haar ac-
tiviteiten uitoefenen in een andere lidstaat (lidstaat van
ontvangst) door er een bijkantoor op te richten of zonder
er een permanente vestiging te hebben (dat wil zeggen
l’autorité de contrôle peut publier les raisons de son
refus d’accepter un candidat acquéreur, à la demande
de ce dernier.
Conditions de fonctionnement (Livre II — Titre II —
Chapitre III)
Cette partie fixe les règles se rapportant aux fonds
propres minima, à la conservation des documents, au
rôle de la direction et les règles relatives aux dirigeants,
à la gestion des risques, à l’ORSA (own risk and
solvency assessment), à la sous-traitance, aux opéra-
tions interdites ou faisant l’objet d’une limitation et à la
communication d’informations à destination du public.
Ces obligations sont reprises soit de la Directive,
soit des lois actuelles sans véritable modification sur le
fond. Pour l’ORSA , on se reportera au commentaire
des articles en projet.
Certaines opérations en faveur des dirigeants, des
personnes occupant des fonctions clés ou leurs proches
ne peuvent se faire à des conditions exorbitantes de
celles du marché. Parmi ces opérations limitées figurent
désormais les contrats d’assurance.
Les obligations en matière de publication à destina-
tion du public sont reprises de la Directive (notamment
ses articles 51, 53, 54 et 55). Il a été fait usage de la
possibilité offerte par la Directive de ne pas publier
séparément les effets d’une exigence de capital supplé-
mentaire ou des paramètres spécifiques à l’entreprise
avant le 1er janvier 2021.
Transfert de portefeuille (Livre II — Titre II
— Chapitre IV)
Comme c’est le cas actuellement, les transferts de
portefeuille et les fusions d’entreprise seront soumis
à l’approbation préalable de l’autorité de contrôle. La
règle a été clarifiée en ce qui concerne les fusions. On
y ajoute les décisions stratégiques.
Activités à l’étranger (Livre II — Titre II — Chapitre V)
Comme c’est devenu la règle, une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance agréée dans un État membre
de l’Espace économique européen (État membre
d’origine) peut exercer ses activités dans un autre État
membre (État membre d’accueil) en créant une succur-
sale ou sans y avoir d’établissement fixe (c’est-à-dire
en libre prestation de services) sans devoir solliciter un
22
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in het kader van de vrije dienstverrichting) zonder een
vergunning te moeten aanvragen in die lidstaat van
ontvangst. Alleen een kennisgevingsprocedure en, in
voorkomend geval, een informatieprocedure over de
bepalingen van algemeen belang die van toepassing
zijn in de lidstaat van ontvangst, zijn vereist.
Het hier besproken hoofdstuk heeft enkel betrekking
op de ondernemingen naar Belgisch recht die een ac-
tiviteit wensen uit te oefenen buiten België (bijkantoren
of LPS “out”).
Behalve voor activiteiten die in een andere lidstaat
worden uitgeoefend via een bijkantoor of in het kader
van de vrije dienstverrichting, is ook in specifieke bepa-
lingen voorzien voor grensoverschrijdende activiteiten
buiten de Europese Economische Ruimte. Zo werd
voor de opening of de verwerving van een dochteron-
derneming in het buitenland in een bijzondere regeling
voorzien.
Reglementaire normen en verplichtingen (Boek II —
Titel II — Hoofdstuk VI)
Dit hoofdstuk bevat de meest technische bepalingen
die van toepassing zijn op de verzekerings- en herver-
zekeringsondernemingen, zoals de waarderingsregels,
de verplichtingen inzake technische voorzieningen, de
bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen en
de kapitaalvereisten, die met betrekking tot de beleg-
gingen, de doorlopende inventaris en de regels inzake
de lokalisatie van de activa.
Wat betreft de waarderingsregels in het algemeen,
neemt de ontwerpwet het principe van de waarde bij
overdracht over, zoals uiteengezet in de algemene
toelichting met betrekking tot de Richtlijn.
De ontwerpwet bevat tevens de verplichting om tech-
nische voorzieningen te berekenen en te boeken, alsook
de waardering ervan tegen de waarde bij overdracht
(cf. supra). In dit deel van het wetsontwerp worden de
regels vastgelegd met betrekking tot de berekening van
de beste schatting (best estimate) en de risicomarge
(risk margin), alsook drie van de vier maatregelen met
betrekking tot de langetermijnverbintenissen, namelijk
de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur, de matchingopslag (matching adjustment) en
de volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment).
Wat de volatiliteitsaanpassing betreft, liet de Richtlijn
de keuze aan de lidstaten om al dan niet te bepa-
len dat het gebruik ervan ondergeschikt is aan een
voorafgaande goedkeuring door de toezichthouders.
Aangezien de mogelijkheden om het gebruik van deze
volatiliteitsaanpassing a priori te weigeren, fors beperkt
agrément dans cet État d’accueil. Seule une procédure
de notification et, le cas échéant, d’information sur les
dispositions d’intérêt général applicables dans l’État
membre d’accueil est requise.
Le chapitre dont question ici concerne uniquement les
entreprises de droit belge souhaitant exercer une activité
en dehors de la Belgique (succursales ou LPS “out”).
À côté des activités dans un autre État membre
via une succursale ou en libre prestation de services,
l’activité transfrontalière en dehors de l’Espace fait
également l’objet de dispositions spécifiques. Ainsi,
l’ouverture ou l’acquisition d’une filiale à l’étranger fait
également l’objet d’un encadrement particulier.
Normes et obligations réglementaires (Livre II —
Titre II — Chapitre VI)
Ce chapitre comprend les dispositions les plus tech-
niques applicables aux entreprises d’assurance et de
réassurance, telles que les règles de valorisation, les
obligations en matière de provisions techniques, les dis-
positions relatives aux fonds propres et aux exigences
de capital, celles se rapportant aux investissements,
l’inventaire permanent et les règles de localisation des
actifs.
En ce qui concerne les règles de valorisation en géné-
ral, la loi en projet reprend le principe de la valeur de
transfert, tel que cela a été exposé dans le commentaire
général relatif à la Directive.
La loi en projet reprend également l’obligation de
calculer et de comptabiliser des provisions techniques,
ainsi que l’évaluation de celles-ci à la valeur de trans-
fert (cf. supra). C’est à cet endroit que l’on trouvera les
règles relatives au calcul de la meilleure estimation
(best estimate) et de la marge de risque (risk margin),
de même que trois des quatre mesures relatives aux
engagements à long terme, à savoir l’extrapolation de
la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque,
l’ajustement égalisateur (matching adjustment) et la
correction pour volatilité (volatility adjustment).
En ce qui concerne la correction pour volatilité, la
Directive laissait le choix aux États membres de prévoir
ou non de subordonner son utilisation à une approbation
préalable des autorités de contrôle. Étant donné que les
possibilités de refuser a priori l’usage de cette correction
pour volatilité sont fort réduites, le choix d’une simple
23
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zijn, werd gekozen voor een eenvoudige kennisgeving.
Dit betekent geenszins dat de toezichthouder niet kan
nagaan of het gebruik dat de ondernemingen maken
van de volatiliteitsaanpassing, in overeenstemming is
met de wettelijke voorschriften.
Het is ook dit technische gedeelte dat de belangrijkste
bepalingen bevat met betrekking tot het eigen vermo-
gen, te weten de definitie van het eigen vermogen in de
zin van Solvabiliteit II (alle activa min alle passiva), het
onderscheid tussen kernvermogen en aanvullend eigen
vermogen, de regels voor de indeling van het eigen ver-
mogen in drie niveaus (tiers), alsook de vereisten met
betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR of
solvency capital requirement) en het minimumkapitaal-
vereiste (MCR of minimum capital requirement).
Wat de MCR betreft, wordt gebruik gemaakt van de
mogelijkheid waarin de Richtlijn voorziet om te bepalen
dat de berekening ervan tot 31 december 2017 uitslui-
tend gebeurt aan de hand van de standaardformule,
zelfs als de onderneming een geheel of gedeeltelijk
intern model hanteert. Aldus kan een minimumniveau
aan eigen vermogen worden gehandhaafd dat niet ge-
koppeld is aan de werking van het interne model.
Bij de mogelijke opties voor de berekening van het ei-
genvermogen vereiste, kan men tevens de mogelijkheid
vermelden om gebruik te maken van een submodule
“aandelenrisico op basis van looptijd” voor bepaalde
producten die vallen onder de tweede pensioenpijler.
Inzake beleggingen formuleert de ontwerpwet, net
als de Richtlijn, het “prudent person”-beginsel. Dit be-
ginsel zal moeten worden uitgewerkt in de Europese
verordeningen ter aanvulling van de Richtlijn, alsook
in de richtsnoeren van EIOPA en in de circulaires van
de Bank.
Het hoofdstuk met betrekking tot de reglementaire
normen en verplichtingen eindigt met twee reeksen
bepalingen die werden gewijzigd ten opzichte van zowel
de Richtlijn als de huidige wetgevingen. De eerste van
deze reeksen betreft de doorlopende inventaris, die zal
worden behandeld met de bepalingen betreffende het
voorrecht ten gunste van de schuldeisers uit hoofde
van verzekering.
De tweede reeks heeft betrekking op de regels
inzake de lokalisatie van de activa. Zoals hierboven
gezegd, bevat de Richtlijn het beginsel van de totale
vrijheid van belegging, zowel inzake de percentages
en andere beleggingsbeperkingen, als inzake de loka-
lisatie van de beleggingen. Vanuit dit laatste oogpunt
kunnen alleen de overeenkomsten met betrekking tot
risico’s die buiten de Europese Economische Ruimte
notification a été effectué. Cela ne signifie aucunement
que l’autorité de contrôle ne peut vérifier si l’usage que
les entreprises font de la correction pour volatilité est
conforme au prescrit légal.
C’est également dans cette partie technique que se
figurent les principales dispositions relatives aux fonds
propres, à savoir la définition de fonds propres au sens
de Solvabilité II (l’ensemble des actifs moins l’ensemble
des passifs), la distinction entre fonds propres de base
et fonds propres auxiliaires, les règles de classement
des fonds propres en trois niveaux (tiers), ainsi que les
exigences relatives au capital de solvabilité requis (SCR
ou solvency capital requirement) et au minimum de
capital requis (MCR ou minimum capital requirement).
En ce qui concerne le MCR et comme le permet la
Directive, son calcul se fera jusqu’au 31 décembre 2017
uniquement sur la base de la formule standard même si
l’entreprise utilise un modèle interne partiel ou global.
Cela permet de maintenir un niveau minimum de fonds
propres qui ne soit pas lié à la performance du modèle
interne.
Parmi les options possibles concernant le calcul
de l’exigence de fonds propres, on peut aussi citer la
possibilité d’utiliser un sous-module “risque sur actions
fondée sur la durée” applicable pour certains produits
relevant du deuxième pilier de pension.
En matière d’investissement, la loi en projet, comme
la Directive, énonce le principe de la personne prudente.
Ce principe devra être développé par les règlements
européens complétant la Directive, ainsi que les orien-
tations de l’EIOPA et les circulaires de la Banque
Le chapitre relatif aux normes et obligations régle-
mentaires se termine par deux séries de dispositions
qui ont été modifiées par rapport à la fois à la Directive
et aux législations actuelles. La première de ces séries
concerne l’inventaire permanent, qui sera abordé avec
les dispositions relatives au privilège en faveur des
créanciers d’assurance.
La seconde série concerne les règles relatives à la
localisation des actifs. Comme il a été dit ci-dessus,
la Directive énonce comme principe la liberté totale
de placement tant en ce qui concerne les quotités et
autres limites d’investissement qu’en ce qui concerne
la localisation des placements. De ce dernier point de
vue, seuls les contrats relatifs à des risques situés en
dehors de l’Espace économique européen peuvent
24
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gelegen zijn, aan beperkingen worden onderworpen. De
lokalisatie van activa buiten de Europese Economische
Ruimte stelt het probleem van de doeltreffendheid van
de maatregelen ter beperking van de vrije beschikking
over de activa, vooral wanneer de onderneming zich in
moeilijkheden bevindt, en verplicht de toezichthouder
om actie te ondernemen om de schuldeisers uit hoofde
van verzekering te beschermen, aangezien de Belgische
toezichthouder zelden kan terugvallen op een samen-
werkingsakkoord met de toezichthouder van het land
van lokalisatie om de maatregel effect te doen sorteren.
Om die reden en om het risico van de ondernemin-
gen ten aanzien van hun depositarissen te beperken,
werden aan de lokalisatie van activa buiten de Europese
Economische Ruimte twee cumulatieve voorwaarden
verbonden met betrekking tot de financiële instrumenten
die bij buitenlandse depositarissen buiten de Unie wor-
den aangehouden. De eerste is dat de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming moet beschikken over een
zakelijk recht op de betrokken activa. De tweede is de
vereiste van een verbintenis vanwege de depositaris
om de betrokken activa te blokkeren op verzoek van de
Belgische toezichthouder.
Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
(Boek II — Titel II — Hoofdstuk VII)
De bepalingen van dit hoofdstuk bestaan vooral uit
rechtsgrondslagen op grond waarvan er via koninklijk
besluit bepalingen kunnen worden vastgesteld met
betrekking tot de jaarrekening van de verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen. In dit verband is
het noodzakelijk gebleken om de opstelling van de
jaarrekening volgens de Belgische boekhoudnormen
(BGAAP) te handhaven. Hoewel het referentiesysteem
van Solvabiliteit II een balans bevat, heeft hij immers
geen resultatenrekening, die nochtans onontbeerlijk
is voor de berekening van de winstdelingen en de
vennootschapsbelasting.
Herstelplan (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VIII)
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn nieuw ten
opzichte van zowel de Richtlijn als de huidige wetge-
vingen. Ze bieden de toezichthouder de mogelijkheid
om de ondernemingen voor dewelke hij dit nodig acht
(afhankelijk van hun omvang of risicosituatie) te ver-
plichten een herstelplan op te stellen, dat ten uitvoer
moet worden gelegd als de risico’s waarin het plan
voorziet, zich effectief voordoen. In afwachting van
een Europese harmonisatie ter zake voorziet het ont-
werp echter niet in een algemene verplichting om een
dergelijk plan op te stellen voor alle verzekerings- en
être soumis à des restrictions. La localisation d’actifs
en dehors de l’Espace économique européen pose le
problème de l’efficacité des mesures ayant pour objet
de limiter la libre disposition des actifs, principalement
lorsque l’entreprise se trouve en difficulté et oblige
l’autorité de contrôle à prendre des actions en vue de
protéger les créanciers d’assurance, puisque l’autorité
de contrôle belge peut rarement prendre appui sur un
accord de collaboration avec l’autorité de pays de la
localisation pour rendre la mesure effective.
Pour cette raison et en vue de limiter le risque des
entreprises à l’égard de leurs dépositaires, la localisa-
tion d’actifs en dehors de l’Espace économique euro-
péen a été assortie de deux conditions cumulatives qui
concernent les instruments financiers détenus auprès
de dépositaires étrangers hors Union. La première est
que l’entreprise d’assurance ou de réassurance dispose
d’un droit réel sur les actifs en question. La seconde est
l’exigence d’un engagement du dépositaire de bloquer
les actifs en question à la demande de l’autorité de
contrôle belge.
Informations périodiques et règles comptables
(Livre II — Titre II — Chapitre VII)
Les dispositions de ce chapitre consistent principa-
lement en des bases légales permettant l’adoption des
dispositions relatives aux comptes annuels des entre-
prises d’assurance et de réassurance par voie d’arrêté
royal. À cet égard, il est apparu nécessaire de maintenir
l’établissement de comptes annuels selon les normes
comptables belges (BGAAP). En effet, si le référentiel
Solvabilité II comporte bien un bilan, il est dépourvu de
compte de résultats, lequel est pourtant indispensable
pour le calcul des participations bénéficiaires et de
l’impôt des sociétés.
Plan de redressement (Livre II — Titre II
— Chapitre VIII)
Les dispositions de ce chapitre sont nouvelles par
rapport tant à la Directive qu’aux législations actuelles.
Elles autorisent l’autorité de contrôle à imposer aux
entreprises pour lesquelles elle le juge nécessaire (en
fonction de leur taille ou de leur situation de risque)
l’établissement d’un plan de redressement, lequel
devra être mis en œuvre si les risques prévus par le
plan viennent à se réaliser. Dans l’attente d’une har-
monisation européenne en cette matière, le projet ne
prévoit toutefois pas une obligation générale d’établir un
tel plan pour l’ensemble des entreprises d’assurance et
25
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsondernemingen, noch in de opstelling
van afwikkelingsplannen door de Bank.
Specifieke bepalingen voor bepaalde activiteiten
(Boek II — Titel II — Hoofdstuk IX)
In dit hoofdstuk zijn de bepalingen bijeengebracht die
van toepassing zijn op bepaalde verzekerings- of her-
verzekeringsactiviteiten. Het zij opgemerkt dat sommige
bepalingen van de Richtlijn, met name met betrekking
tot de niet-levensverzekeringen, niet in deze ontwerpwet
zijn omgezet omdat ze vooral betrekking hebben op de
informatieverstrekking aan en de bescherming van de
consumenten, en niet thuishoren in een wet die van
prudentiële aard is.
Wat de levensverzekering betreft, bestaan de bepalin-
gen van de ontwerpwet vooral uit voldoende rechtsgron-
den om de verschillende technische aspecten te regelen
(winstdelingen, samenstelling van de fondsen van de
takken 21 en 23…) door middel van besluiten of regle-
menten van de Bank. Het is tevens in dit deel van het
wetsontwerp dat men het mechanisme aantreft voor de
aanpassing van de maximale referentierentevoet voor
levensverzekeringsovereenkomsten van lange duur.
De uitoefening, door eenzelfde verzekeringsonderne-
ming, van activiteiten leven en niet-leven, werd gehand-
haafd. De voornaamste nieuwigheid, die voortvloeit uit
de Richtlijn, is dat voortaan nog maar één SCR moet
worden berekend voor de gemengde ondernemingen,
terwijl diezelfde ondernemingen momenteel een solva-
biliteitsmarge leven en een solvabiliteitsmarge niet-leven
berekenen. Diezelfde ondernemingen zullen echter
moeten voldoen aan een dubbel MCR-vereiste, alsof
het om aparte ondernemingen leven en niet-leven ging.
d) Specifieke bepalingen voor bepaalde ondernemin-
gen (Boek II — Titel III)
Deze titel heeft betrekking op verschillende types
ondernemingen die onderworpen zijn aan specifieke
regels ingevolge hun vennootschapsvorm of hun bij-
zondere karakter.
In een eerste hoofdstuk zijn de huidige bepalingen
van de wet van 9 juli 1975 opgenomen die betrekking
hebben op de onderlinge verzekeringsverenigingen.
Inhoudelijk is er niets gewijzigd, behalve het feit dat
de gemeenschappelijke kassen voortaan worden be-
schouwd als een specifieke categorie van onderlinge
verzekeringsvereniging. Dit wordt reeds vermeld in het
kader van de vergunning.
Een tweede hoofdstuk heeft betrekking op de on-
dernemingen die buiten het toepassingsgebied van de
de réassurance ni l’établissement de plans de résolution
par la Banque.
Dispositions spécifiques à certaines activités (Livre II
— Titre II — Chapitre IX)
Ce chapitre rassemble des dispositions applicables à
certaines activités d’assurance ou de réassurance. On
notera que certaines dispositions de la Directive, notam-
ment en ce qui concerne les assurances non-vie, ne font
pas l’objet d’une transposition dans le présent projet dès
lors qu’elles concernent essentiellement l’information et
la protection du consommateur et ne trouvent donc pas
leur place dans une loi de nature prudentielle.
Pour ce qui concerne l’assurance-vie, les dispositions
de la loi en projet consistent principalement en des
bases légales suffisantes pour régler différents aspects
techniques (participation bénéficiaires, compositions
des fonds des branches 21 et 23, …) par voie d’arrêtés
ou de règlements de la Banque. C’est également à cet
endroit que figure le mécanisme d’adaptation du taux
maximum de référence pour les contrats vie de longue
durée.
L’exercice, par une même entreprise d’assurance,
des activités vie et non-vie a été maintenu. La princi-
pale nouveauté, qui découle de la Directive, est qu’il
ne faudra dorénavant calculer qu’un seul SCR pour les
entreprises mixtes alors que ces mêmes entreprises cal-
culent actuellement une marge de solvabilité vie et une
marge de solvabilité non-vie. En revanche, ces mêmes
entreprises devront satisfaire à une double exigence
de MCR comme s’il s’agissait d’une entreprise vie et
d’une entreprise non-vie distinctes.
d) Dispositions particulières à certaines entreprises
(Livre II — Titre III)
Ce titre concerne divers type d’entreprises soumises
à des règles particulières en raison de leur forme
sociales ou de leur particularisme.
Un premier chapitre reprend les actuelles dispositions
de la loi du 9 juillet 1975 relatives aux associations
d’assurance mutuelle. Il n’y a aucun changement de
fond excepté le fait que les caisses communes seront
dorénavant considérées comme une catégorie particu-
lière d’associations d’assurance mutuelle. Ce point a
déjà été relevé à propos de l’agrément.
Un deuxième chapitre concerne les entreprises
qui tombent en dehors du champ d’application de la
26
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Richtlijn vallen (artikel 4 van de Richtlijn). Aangezien
deze ondernemingen reeds zijn onderworpen aan de
regels van Solvabiliteit I, werd ervoor geopteerd om deze
te onderwerpen aan de nieuwe solvabiliteitsnormen,
maar met aanpassingen om rekening te kunnen houden
met hun omvang en het lage risiconiveau van hun acti-
viteiten. Hiermee wordt voor deze ondernemingen con-
crete invulling gegeven aan het evenredigheidsbeginsel.
Mits zij een overeenkomst hebben gesloten die
voorziet in de herverzekering of de volledige overdracht
van hun verplichtingen, kunnen deze ondernemingen
nagenoeg volledig worden vrijgesteld van de toepassing
van de bepalingen van de ontwerpwet.
Voor de lokale verzekeringsondernemingen, die
hun activiteit beperken tot het dekken van eenvoudige
risico’s gelegen in de gemeente van hun zetel of in de
omringende gemeenten, wordt voorgesteld om, in grote
lijnen, terug te keren naar het stelsel dat van kracht was
tot 31 december 2009, dat wil zeggen een nagenoeg
volledige vrijstelling van het toezicht op voorwaarde dat
hun activiteiten beperkt blijven en dat deze onderne-
mingen een herverzekering aangaan voor het grootste
gedeelte van hun risico’s.
e) Toezicht op de ondernemingen (Boek II — Titel IV)
Wat betreft het toezicht op de ondernemingen naar
Belgisch recht, maakt het wetsontwerp, zoals gebrui-
kelijk is, een onderscheid tussen het toezicht uitge-
oefend door de Bank (of de Controledienst voor de
Ziekenfondsen, voor de maatschappijen van onderlinge
bijstand) en de ondersteuning van dit toezicht via het
toezicht dat door de erkende commissarissen wordt
uitgeoefend.
Wat het eerste aspect betreft, zijn veel regels over-
genomen uit de bestaande wetgevingen, hetzij in de
verzekerings- of herverzekeringssector, hetzij in andere
financiële sectoren. Het is de bedoeling om aan de toe-
zichthouder de nodige en toereikende bevoegdheden te
geven om zijn taken te vervullen. Deze bevoegdheden
hebben onder meer te maken met de mogelijkheid om
elk relevant document op te vragen, inspecties te ver-
richten in de zetel van de ondernemingen of hun onder-
aannemers, de gewenste personen te ondervragen, of
nog om deskundigen te sturen of samen te werken met
andere Belgische of buitenlandse autoriteiten. Nieuw is
dat voor de inspectieverslagen en andere documenten
die uitgaan van de toezichthouder, een geheimhou-
dingsplicht geldt.
De bepalingen met betrekking tot de erkende com-
missarissen werden overgenomen uit de wet van
9 juli 1975 zonder grote inhoudelijke wijzigingen. Er zij
Directive (article 4 de la Directive). Comme ces entre-
prises sont déjà soumises aux règles de Solvabilité I,
il a été choisi de les soumettre aux nouvelles normes
de solvabilité mais avec des adaptations permettant de
tenir compte de leur taille et du faible niveau de risque
inhérent à leurs activités. Il s’agit en fait de donner,
pour ces entreprises, un contenu concret au principe
de proportionnalité.
Parmi ces entreprises, celles qui ont conclu une
convention portant sur la réassurance ou la cession
intégrale de leurs engagements pourront bénéficier
d’une dispense presque totale de l’application des
dispositions de la loi en projet.
Enfin, pour les entreprises locales d’assurance, qui
limitent leurs activité à la couverture de risques simples
situés dans la commune de leur siège social ou les
communes avoisinantes, il est proposé de revenir, dans
les grandes lignes, au régime qui était celui en vigueur
jusqu’au 31 décembre 2009, à savoir une dispense
presque totale du contrôle à condition que leurs activités
demeurent limitées et que ces entreprises se réassurent
pour la plus grande partie de leurs risques.
e) Contrôle des entreprises (Livre II — Titre IV)
Du point de vue du contrôle des entreprises de droit
belge, le projet de loi distingue, comme c’est la cou-
tume, le contrôle exercé par la Banque (ou l’Office de
Contrôle des Mutualités pour les sociétés mutualistes
d’assurance) du support à ce contrôle consistant dans
le contrôle exercé par les commissaires agréés.
En ce qui concerne le premier volet, beaucoup de
règles sont reprises des législations existantes soit
dans le secteur de l’assurance ou de la réassurance,
soit dans d’autres secteurs financiers. L’objectif est de
donner à l’autorité de contrôle les pouvoirs nécessaires
et suffisants pour exercer ses missions. Ces pouvoirs
concernent, entre autres, la possibilité de se faire com-
muniquer tout document pertinent, de conduire des
inspections au siège des entreprises ou de leurs sous-
traitants, d’entendre les personnes qu’elle souhaite ou
encore de diligenter des experts, de collaborer avec
d’autres autorités belges ou étrangères. Une nouveauté
est que les rapports d’inspection et autres documents
émanant de l’autorité de contrôle sont soumis à une
obligation de confidentialité.
Les dispositions relatives aux commissaires agréés
ont été reprises de la loi du 9 juillet 1975 sans grande
modification quant au fond. On rappelle que la mission
27
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aan herinnerd dat de opdracht van de erkende commis-
sarissen niet beperkt is tot de statutaire rekening van
de ondernemingen.
f) Groepstoezicht (Boek II — Titel V)
Bj wijze van inleiding bevat deze titel verschillende de-
finities die nodig zijn voor de toepassing ervan (deelne-
mende onderneming, verbonden onderneming, groep,
verzekeringsholding, gemengde verzekeringsholding,
gemengde financiële holding…). Er wordt verwezen
naar de commentaar bij de artikelen voor deze definities.
In deze titel worden vervolgens vier niveaus gede-
finieerd waarop het groepstoezicht van toepassing is,
wat erop neerkomt dat bepaald wordt welke onderne-
mingen onder een groep vallen die onderworpen is aan
de bepalingen van deze titel. In dit verband moet een
onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of an-
dere ondernemingen (met name andere categorieën van
ondernemingen uit de financiële sector of holdings) en
naargelang het gaat om ondernemingen gelegen in de
Europese Economische Ruimte of in derde landen. Het
is ook mogelijk om subgroepen te vormen op nationaal
niveau, zodat beter rekening wordt gehouden met de ei-
gen kenmerken van de samenstellende ondernemingen.
De uitbreiding van de groep tot ondernemingen in
derde landen, is onderworpen aan een zogenaamde ge-
lijkwaardigheidstoets, die erin bestaat te beoordelen of
de toezichtregeling van die derde landen gelijkwaardig is
aan de regeling die voortvloeit uit de Richtlijn. Als dit het
geval is, worden de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen van derde landen gelijkgesteld met de
ondernemingen van de Europese Economische Ruimte.
Wat meer bepaald het groepstoezicht betreft, moet
allereerst worden bepaald welke toezichthouder zal
worden aangewezen als groepstoezichthouder die ver-
antwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening
van het toezicht binnen het college van toezichthouders.
De toezichtsdomeinen zijn vergelijkbaar met die van
het toezicht dat individueel op de ondernemingen wordt
uitgeoefend. Het heeft betrekking op de groepssolvabi-
liteit, de risicoconcentraties en de intragroeptransacties,
de governance op groepsniveau en de informatiever-
strekking aan het publiek.
g) In moeilijkheden verkerende ondernemingen
(Boek II — Titel VI)
In deze titel zijn alle maatregelen bijeengebracht die
de toezichthouder kan nemen ten aanzien van een in
des commissaires agréés ne se limite pas aux comptes
statutaires des entreprises.
f) Surveillance ces groupes (Livre II — Titre V)
À titre liminaire, ce titre énonce les diverses définitions
nécessaires à son application (entreprise participante,
entreprise liée, groupe, holding d’assurance, holding
mixte d’assurance, compagnie financière holding
mixte…). Il est renvoyé au commentaire des articles
pour ce qui concerne ces définitions.
Il définit ensuite quatre niveaux auxquels le contrôle
du groupe s’applique. Il s’agit, en d’autres termes, de
définir quelles sont les entreprises qui entrent dans la
composition d’un groupe soumis aux dispositions du
présent titre. De ce point de vue, il convient de distinguer
selon qu’il s’agit d’entreprises d’assurance ou de réas-
surance ou d’autres entreprises (notamment d’autres
catégories d’entreprises relevant du secteur financier ou
de sociétés holdings) et selon qu’il s’agit d’entreprises
situées dans l’Espace économique européen ou dans
des pays tiers. Il est également possible de constituer
des sous-groupes au niveau national, de manière à
mieux prendre en compte les caractéristiques propres
aux entreprises qui les composent.
L’extension du groupe à des entreprises situées
dans des pays tiers est conditionnée par un exercice
dit “d’équivalence”, qui consiste à apprécier si le régime
de contrôle de ces pays tiers est équivalent à celui
découlant de la Directive. Si tel est le cas, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance de pays tiers sont
assimilées à des entreprises de l’Espace économique
européen.
En ce qui concerne plus spécialement le contrôle
des groupes, un premier point est de déterminer quelle
est l’autorité de contrôle qui sera désignée comme le
contrôleur du groupe responsable de la coordination
et de l’exercice du contrôle au sein du collège des
contrôleurs.
Les domaines de contrôle sont similaires à ceux
qui font l’objet du contrôle exercé sur les entreprises
à titre individuel. Il concerne la solvabilité du groupe,
les risques de concentration et les transactions intra-
groupes, la gouvernance au niveau du groupe et l’infor-
mation à destination du public.
g) Entreprises en difficulté (Livre II — Titre VI)
Ce titre rassemble toutes les mesures que l’autorité
de contrôle peut prendre vis-à-vis d’une entreprise
28
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verke-
rende verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
De meeste bepalingen zijn overgenomen uit hetzij de
Richtlijn hetzij de huidige wetten. Bepaalde nieuwighe-
den werden geïntroduceerd om de doeltreffendheid van
de herstelmaatregelen te vergroten.
Aspecten die in deze titel aan bod komen zijn het in
evenwicht brengen van de tarieven, herstelmaatregelen
zoals het opleggen van specifieke regels inzake waarde-
ring, liquiditeitsnormen, risicoconcentraties, het verbod
om winstdelingen, dividenden of het variabele gedeelte
van de beloning van de leiders uit te keren, of nog de
tenuitvoerlegging van het herstelplan …
De bepalingen met betrekking tot het herstelplan en
het plan inzake financiering op korte termijn, die betrek-
king hebben op de ontoereikendheid van respectievelijk
het SCR en het MCR, zijn overgenomen uit de Richtlijn
(hoewel soortgelijke bepalingen bestaan in de huidige
wetten). De Richtlijn voert striktere termijnen in voor de
uitvoering van deze plannen: zes of negen maanden
(uitzonderlijk meer en tot zeven jaar) voor het herstel-
plan, en slechts drie maanden voor het plan inzake
financiering op korte termijn. In dit laatste geval leidt de
mislukking van het plan automatisch tot een herroeping
van de vergunning.
Andere maatregelen zijn overgenomen uit de hui-
dige teksten (beperking van of verbod op de vrije be-
schikking over de activa, aanstelling van een speciaal
commissaris, vervanging van leden van het wettelijk
bestuursorgaan, schorsing van de activiteit, aanmaning
tot portefeuilleoverdracht, …).
h) Einde van de vergunning (Boek II — Titel VII)
Deze titel heeft betrekking op de verschillende
manieren waarop de vergunning ten einde kan lopen:
afstand (vrijwillige daad van de onderneming), doorha-
ling voor niet-gebruik of als gevolg van de liquidatie,
herroeping als gevolg van een ernstige tekortkoming.
Het einde van de vergunning leidt tot een verbod om
nieuwe overeenkomsten te sluiten, maar stelt behalve
in geval van faillissement geen einde aan het toezicht
zolang de onderneming verzekerings- of herverzeke-
ringsverplichtingen heeft.
i) Ondernemingen naar buitenlands recht (Boek III)
Dit hoofdstuk bevat bepalingen met betrekking tot
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar buitenlands recht die in België een activiteit willen
uitoefenen via een bijkantoor of in het kader van de
vrije dienstverrichting. Voor de ondernemingen van de
d’assurance ou de réassurance en difficulté ou en situa-
tion irrégulière. La plupart des dispositions sont reprises
soit de la Directive soit des lois actuelles. Certaines
nouveautés ont été introduites pour accroître l’efficacité
des mesures de redressement.
On y trouve la mise en équilibre des tarifs, les me-
sures de redressement telles que l’imposition de règles
particulières en matière de valorisation, de normes de
liquidité, de concentration de risques, l’interdiction de
distribuer des participations bénéficiaires, des divi-
dendes ou la partie variable de la rémunération des
dirigeants ou encore, la mise en œuvre du plan de
redressement …
Les dispositions relatives au plan de rétablissement
et au plan de financement à court terme, qui concernent
respectivement les cas d’insuffisance du SCR et du
MCR, sont reprises de la Directive (bien que des dis-
positions similaires existent dans les lois actuelles).
La Directive introduit des délais plus stricts pour la
concrétisation de ces plans: six ou neuf mois (excep-
tionnellement plus et jusqu’à sept ans) pour le plan de
rétablissement et trois mois seulement pour le plan de
financement à court terme. Dans ce dernier cas, l’échec
du plan se traduit automatiquement par une révocation
de l’agrément.
D’autres mesures sont prévues, qui sont reprises
des textes actuels (limitation ou interdiction de la libre
disposition des actifs, désignation d’un commissaire
spécial, remplacement de membres de l’organe légal
d’administration, suspension de l’activité, injonction de
transfert du portefeuille,…).
h) Fin de l’agrément (Livre II — Titre VII)
Ce titre concerne les diverses manières dont l’agré-
ment peut prendre fin: renonciation (acte volontaire de
l’entreprise), radiation pour non usage ou par suite de la
liquidation, révocation à la suite de manquement grave.
La fin de l’agrément entraîne l’interdiction de conclure
de nouvelles affaires mais ne met pas fin, sauf hypo-
thèse de faillite, au contrôle tant que l’entreprise a des
engagements d’assurance ou de réassurance.
i) Entreprises de droit étranger (Livre III)
Ce chapitre comprend les dispositions relatives aux
entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
étranger qui entendent exercer une activité en Belgique
par le biais d’une succursale ou en libre prestation de
services. Pour les entreprises de l’Espace économique
29
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Europese Economische Ruimte (bijkantoren en LPS
“in”), gaat het om bepalingen die overeenstemmen
met de bestaande bepalingen voor de Belgische on-
dernemingen die activiteiten willen uitoefenen op het
grondgebied van een andere lidstaat.
Er is in bepalingen voorzien voor de bijkantoren van
ondernemingen naar het recht van een derde land. In
principe zijn deze ondernemingen onderworpen aan
een regeling die te vergelijken is met die welke van
toepassing is voor de ondernemingen naar Belgisch
recht. Er is voorzien in een aantal specifieke bepalingen
om rekening te houden met het feit dat de bijkantoren
geen rechtspersoonlijkheid hebben (het opleggen van
specifieke solvabiliteitsnormen) noch een wettelijk
bestuursorgaan (de verplichting om een algemeen
lasthebber aan te duiden). De uitoefening door een
verzekeringsonderneming naar het recht van een derde
land van een activiteit in België is in het kader van de
vrije dienstverrichting niet toegelaten.
Wanneer er internationale akkoorden bestaan (zie
met name het akkoord tussen de Europese Unie en
Zwitserland, de GATS…), kunnen de betrokken onder-
nemingen onderworpen zijn aan gunstiger stelsels die
vergelijkbaar kunnen zijn met dat van de ondernemingen
van andere lidstaten.
Voor herverzekeringsondernemingen uit derde lan-
den volgen de ontwerpbepalingen het regime van de
Richtlijn, dat een onderscheid maakt naargelang het
toezichtsregime dat op hen van toepassing is in hun
land van herkomst al dan niet gelijkwaardig wordt geacht
aan dat van de Richtlijn.
j) Dwangsommen en dwangmaatregelen (Boek IV)
en sancties (Boek V)
Deze bepalingen behoeven geen verdere toelichting.
k) Regels van het internationaal privaatrecht inzake
sanering en liquidatie (Boek VI) en materieelrechtelijke
aspecten van liquidatieprocedures (Boek VII)
De bepalingen van deze twee boeken nemen re-
gels over die in 2004 werden ingevoegd in de wet
van 9 juli 1975, en die de regels inzake internationale
bevoegdheid en de collisieregels met betrekking tot
saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures vast-
leggen en aldus voorzien in de wederzijdse erkenning
van dergelijke maatregelen en procedures tussen de
lidstaten. De herverzekeringsondernemingen vallen niet
onder deze bepalingen.
européen (succursales et LPS “in”), il s’agit des dispo-
sitions correspondant à celles existant pour les entre-
prises belges désireuses d’opérer sur le territoire d’un
autre État membre.
Des dispositions sont prévues pour les succursales
d’entreprises du droit d’un pays tiers. En principe, ces
entreprises sont soumises à un régime similaire à celui
applicable aux entreprises de droit belge. Quelques
dispositions particulières sont prévues pour tenir compte
du fait que les succursales n’ont pas de personnalité
juridique (imposition de normes de solvabilité spéci-
fiques) ni d’organe légal d’administration (obligation
de désigner un mandataire général). L’exercice par une
entreprise d’assurance du droit d’un pays tiers, d’une
activité en Belgique en libre prestation de service n’est
pas autorisé.
Dans le cas où des accords internationaux existent
(voy. notamment l’accord entre l’Union européenne
et la Suisse, le GATS, …) les entreprises concernées
peuvent être soumises à des régimes plus favorables
qui peuvent être comparables à celui des entreprises
des autres États membres.
S’agissant des entreprises de réassurance de pays
tiers, les dispositions en projet suivent le régime de la
Directive qui distingue selon que le régime de contrôle
qui leur est applicable dans leur pays d’origine est ou
non jugé équivalent à celui prévu par la Directive.
j) Astreintes et mesures coercitives (Livre IV) et
sanctions (Livre V)
Ces dispositions n’appellent pas de commentaire
particulier.
k) Règles de droit international privé en matière
d’assainissement et de liquidation (Livre VI) et aspects
de droit matériel des procédures de liquidation (Livre VII)
Les dispositions de ces deux livres reprennent des
règles insérées en 2004 dans la loi du 9 juillet 1975 et
qui déterminent les règles de compétence internationale
et de conflit de lois en matière de mesures d’assainis-
sement et de procédures de liquidation et qui assurent
ainsi la reconnaissance mutuelle de telles mesures et
procédures entre États membres. Les entreprises de
réassurance ne sont pas concernées.
30
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wat het materiële recht betreft, vormt het voorrecht
ten gunste van de schuldeisers uit hoofde van verzeke-
ring een belangrijk aspect. Zoals momenteel het geval
is, zullen de schuldeisers uit hoofde van verzekering
onder Solvabiliteit II een voorrecht genieten op de
dekkingswaarden van de technische voorzieningen,
aangevuld met een voorrecht op alle activa van de
verzekeringsonderneming.
Er zij op gewezen dat de uitoefening van het voor-
recht noodzakelijkerwijs uitgaat van een onderneming in
liquidatie zonder continuïteit wat de uitoefening van de
activiteit betreft. Men bevindt zich in een situatie waarin
de enige mogelijkheid erin bestaat de schuldvorderin-
gen uit hoofde van verzekering aan de houders ervan
uit te betalen.
Bijgevolg kan er bij het bepalen van de rechten van
de schuldeisers geen rekening worden gehouden met
toekomstige perspectieven zoals de discontering van
de voorzieningen voor schadegevallen niet-leven of
een waarschijnlijke afkoop van de levensverzekerings-
overeenkomsten. Om die reden kan het bedrag van
de rechten berekend met het oog op een liquidatie,
verschillend zijn van het bedrag van de technische voor-
zieningen berekend aan de hand van de best estimate
en de risk margin. In de huidige economische situatie
zouden de rechten met het oog op de liquidatie hoger
kunnen uitvallen dan de technische voorzieningen on-
der Solvabiliteit II voor de niet-levensverzekeringen, en
lager voor de levensverzekeringen. Voor die laatste zal
het bedrag van de rechten worden berekend rekening
houdend met de contractueel gewaarborgde technische
grondslagen.
Zoals de Richtlijn bepaalt (art. 276), gaat de toeken-
ning van het voorrecht op de dekkingswaarden gepaard
met de verplichting, voor de verzekeringsondernemin-
gen, om een doorlopende inventaris van die waarden
aan te houden. Rekening houdend met wat voorafgaat,
kan het bedrag van de in die inventaris opgenomen
activa, in bepaalde gevallen, hoger uitvallen dan het
bedrag van de dekkingswaarden onder Solvabiliteit II.
Dit verschil werd noodzakelijk geacht om te garanderen
dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering hun
rechten kunnen uitoefenen in geval van faillissement
of een andere liquidatieprocedure.
Een belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige
regeling is de vermindering van het aantal types van
afzonderlijk beheer. Deze types, die nog slechts een rol
spelen in verband met het voorrecht op de dekkings-
waarden, worden tot drie types herleid een afzonderlijk
beheer voor alle activiteiten niet-leven, een voor alle
activiteiten leven met uitzondering van de verrichtingen
van de takken 23, 26 en 27 (waarvoor het risico door de
S’agissant du droit matériel, un aspect majeur
consiste dans le privilège en faveur des créanciers
d’assurance. Tout comme c’est le cas actuellement,
les créanciers d’assurance bénéficient, sous solvabi-
lité II d’un privilège sur les valeurs représentatives des
provisions techniques, complété par un privilège sur
l’ensemble des actifs de l’entreprise d’assurance.
Il importe de noter que l’exercice du privilège sup-
pose nécessairement une entreprise en liquidation sans
continuité en ce qui concerne l’exercice de l’activité. On
se trouve dans une situation où la seule possibilité est
de payer les créances d’assurance à leurs titulaires.
En conséquence, la détermination des droits des
créanciers ne peut pas tenir compte de perspectives
futures telles que l’escompte des provisions pour
sinistres non-vie ou une probabilité de rachat des
contrats vie. Dès lors le montant des droits calculés
dans la perspective d’une liquidation peut être différent
du montant des provisions techniques calculé au moyen
du best estimate et de la risk margin. Dans la situation
économique actuelle, les droits dans la perspective de
la liquidation pourraient être supérieurs aux provisions
techniques Solvabilité II pour les assurances non-vie et
inférieurs pour les assurances-vie. Pour ces dernières,
le montant des droits sera calculé en tenant compte des
bases techniques contractuellement garanties.
Comme le prévoit la Directive (art. 276), l’octroi du
privilège sur les valeurs représentatives s’accompagne
de l’obligation, pour les entreprises d’assurance, de tenir
un inventaire permanent de ces valeurs. Compte tenu
de ce qui précède, le montant des actifs repris dans cet
inventaire pourrait, dans certains cas, être supérieur
au montant des valeurs représentatives Solvabilité II.
Cette divergence a été jugée nécessaire pour garantir
l’exercice des droits des créanciers d’assurance en cas
de faillite ou autre procédure de liquidation.
Une modification importante par rapport au régime
actuel est la réduction du nombre de gestions dis-
tinctes. Celles-ci, qui ne jouent plus un rôle qu’en ce qui
concerne le privilège sur les valeurs représentatives, se
voient réduites: une gestion distincte pour l’ensemble
des activités non-vie, une pour l’ensemble des activités
vie à l’exception des opérations des branches 23, 26 et
27 (pour lesquelles le risque est supporté par le preneur)
31
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekeringnemer wordt gedragen), die een afzonderlijk
beheer vergen voor elk van de fondsen van deze takken.
De eerste twee types zijn een gevolg van de ver-
plichting die door de Richtlijn wordt opgelegd om de
activiteiten leven en de activiteiten niet-leven duidelijk te
onderscheiden. Het afzonderlijk beheer met betrekking
tot de fondsen van de takken 23, 26 en 27 (waarvoor
het risico door de verzekeringnemer wordt gedragen)
wordt gerechtvaardigd door het feit dat de rechten van
de schuldeisers ten aanzien van die producten te allen
tijde gelijk zijn aan het bedrag van de overeenstem-
mende dekkingswaarden.
Bovendien werd ervan uitgegaan dat de andere types
van afzonderlijk beheer waarin momenteel is voorzien
door de Belgische regelgeving (met name met betrek-
king tot de afgezonderde fondsen van tak 21) slechts
een illusie van zekerheid bieden, bij ontstentenis van
regels die er hermetisch afgesloten compartimenten
van maken voor wat betreft de samenstelling van de
dekkingswaarden. Voorzien in dergelijke regels is theo-
retisch mogelijk, maar zou het beheer van en het toezicht
op de verzekeringsondernemingen vrij complex en duur
maken ten opzichte van de voordelen van de maatregel.
De vermindering van het aantal types van afzonderlijk
beheer doet geenszins afbreuk aan de verplichtingen
van de verzekeringsondernemingen met betrekking tot
de samenstelling van de verschillende fondsen van de
takken 21 en 23 en, in het algemeen, aan de verplichtin-
gen met betrekking tot het verzamelen van gegevens be-
treffende een aantal producten of verrichtingen met het
oog op, bijvoorbeeld, het toezicht op de winstdelingen.
Het tweede voorrecht heeft, zoals momenteel het
geval is, betrekking op alle activa van de verzekerings-
onderneming. Het wordt slechts ten uitvoer gelegd na
de liquidatie van de types van afzonderlijk beheer. Het
nadeel van dit voorrecht in het huidige wettelijke kader is
dat het een zeer lage rangorde heeft, wat het nagenoeg
nutteloos maakt. Om dit nadeel te verhelpen maakt het
wetsontwerp er een voorrecht van hoge rangorde van,
waarop slechts de voorrechten primeren van de werk-
nemers van de verzekeringsonderneming, de fiscus,
de socialezekerheidsinstellingen en de houders van
zakelijke rechten.
l) Overgangsbepalingen en diverse bepalingen
(Boeken VIII en IX)
In de laatste twee Boeken strekt een eerste reeks
bepalingen ertoe de verworven rechten van de verze-
kerings- en herverzekeringsondernemingen die reeds
over een vergunning beschikken, te handhaven. De ver-
gunningen en inschrijvingen van deze ondernemingen
qui requièrent une gestion distincte pour chacun des
fonds de ces branches.
Les deux premiers types sont une conséquence de
l’obligation faite par la Directive de séparer nettement les
activités vie des activités non-vie. Les gestions distinctes
relatives aux fonds des branches 23, 26 et 27 (pour les-
quelles le risque est supporté par le preneur) se justifient
par le fait que les droits des créanciers relativement à
ces produits sont à tout moment égaux au montant des
valeurs représentatives correspondantes.
Pour le surplus, il a été jugé que les autres gestions
distinctes actuellement prévues par la réglementation
belge (notamment en ce qui concerne les fonds can-
tonnés de la branche 21) n’apportent qu’une sécurité
illusoire à défaut de règles faisant de celles-ci des com-
partiments parfaitement étanches en ce qui concerne
la composition des valeurs représentatives. Prévoir de
telles règles est théoriquement possible mais rendrait
la gestion et le contrôle des entreprises d’assurance
passablement complexes et coûteux au regard des
avantages de la mesure.
La réduction du nombre de gestions distinctes ne
préjudicie en rien des obligations des entreprises
d’assurance concernant la composition des différents
fonds des branches 21 et 23 et, d’une manière générale,
des obligations relatives à la collecte de données se
rapportant à certains produits ou à certaines opérations
aux fins, par exemple, du contrôle des participations
bénéficiaires.
Le second privilège porte, comme c’est le cas
actuellement, sur l’ensemble des actifs de l’entreprise
d’assurance. Il n’est mis en œuvre qu’après la liquida-
tion des gestions distinctes. Le défaut de ce privilège
dans le cadre légal actuel est d’être assorti d’un rang
très bas, qui le rend pratiquement inutile. Pour pallier
cet inconvénient, le projet de loi en fait un privilège d’un
rang élevé, ne pouvant être primé que par les privilèges
des travailleurs de l’entreprise d’assurance, du Fisc,
des organismes de sécurité sociale et des titulaires de
droits réels.
l) Dispositions transitoires et diverses (Livres VIII et
IX)
Dans ces deux derniers Livres, une première série de
dispositions vise à maintenir les droits acquis des entre-
prises d’assurance ou de réassurance déjà agréées.
Les agréments et inscriptions de ces entreprises seront
maintenus, de même que les autorisations individuelles
32
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
worden gehandhaafd, alsook de individuele toestem-
mingen die ze genieten, voor zover ze niet in strijd zijn
met de bepalingen van de nieuwe wet. Er is ook bepaald
dat de besluiten en reglementen die werden genomen
ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 of de wet van
16 februari 2009, van toepassing blijven voor zover ze
niet in strijd zijn met de bepalingen van de nieuwe wet,
waarmee de klassieke rechtspraak van het Hof van
Cassatie uitdrukkelijk wordt bevestigd.
De Richtlijn voorziet in verscheidene overgangs-
bepalingen, die werden omgezet in dit ontwerp. Deze
bepalingen hebben betrekking op:
— de rapportering en de informatieverstrekking aan
het publiek, waarvoor de ondernemingen over verlengde
termijnen beschikken gedurende de eerste vier jaar van
toepassing van de nieuwe toezichtsregeling;
• de mogelijkheid om het onder de vroegere regeling
gevormde eigen vermogen onder de nieuwe regeling
te beschouwen als Tier 1- of Tier 2-eigenvermogens-
bestanddelen van niveau 1 of niveau 2 gedurende een
periode van tien jaar;
• bepaalde versoepelingen van de standaardformule
voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste
voor wat betreft het spreadrisico voor het soevereine
risico (vier jaar) en het aandelenrisico (zeven jaar);
• de toekenning van een termijn van twee jaar om te
voldoen aan de solvabiliteitskapitaalvereisten voor de
ondernemingen die niet aan deze vereisten voldoen
maar wel beschikten over de solvabiliteitsmarge onder
de vroegere regeling;
• de geleidelijke en lineaire overschakeling over een
periode van zestien jaar van het niveau van de techni-
sche voorzieningen onder Solvabiliteit I naar het niveau
van de technische voorzieningen onder Solvabiliteit II
(best estimate en risk margin), hetzij via een maatregel
op de disconteringsvoeten, hetzij aan de hand van de
berekening van de bedragen van de voorzieningen.
Tot slot worden de wet van 9 juli 1975 en de wet
van 16 februari 2009 uitdrukkelijk opgeheven, worden
verschillende wetgevingen gewijzigd om ze in overeen-
stemming te brengen met de nieuwe wet (men denke
hier met name aan de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen) en wordt de inwerkingtreding van de
nieuwe wet vastgelegd.
m) Bijlagen
De Bijlagen bij de ontwerpwet bevatten de relevante
bijlagen van de Richtlijn en vervangen die van het
dont elles bénéficient dans la mesure où celles-ci ne
sont pas contraires aux dispositions de la nouvelle loi.
Consacrant expressément la jurisprudence classique
de la Cour de cassation, il est également prévu que
les arrêtés et règlements pris en exécution de la loi
du 9 juillet 1975 ou de la loi du 16 février 2009 restent
applicables dans la mesure où ils ne sont pas contraires
aux dispositions de la nouvelle loi.
Diverses dispositions transitoires sont prévues par la
Directive et font dès lors l’objet d’une transposition par
le présent projet. Ces dispositions concernent:
— le reporting et les informations au public, pour
lesquels les entreprises disposent de délais allongés
pendant les quatre premières années de l’application
du nouveau régime de contrôle;
• la possibilité de considérer les fonds propres consti-
tués sous le régime antérieur comme des éléments de
fonds propres de niveau 1 ou de niveau 2 sous le nou-
veau régime pendant une période de dix ans;
• certains assouplissements de la formule standard
de calcul du capital de solvabilité requis en ce qui
concerne le risque de marge pour le risque souverain
(quatre ans) et le risque sur actions (sept ans);
• l’octroi d’un délai de deux ans pour satisfaire aux
exigences de capital de solvabilité requis pour les
entreprises qui ne satisfont pas à ces exigences alors
qu’elles disposaient de la marge de solvabilité sous le
régime antérieur;
• le passage progressif et linéaire en seize ans du
niveau des provisions techniques sous Solvabilité I vers
le niveau des provisions techniques sous Solvabilité II
(best estimate et risk margin), soit par une mesure sur
les taux d’actualisation, soit en ce qui concerne le calcul
des montants des provisions.
Enfin, il convient d’abroger explicitement la loi du
9 juillet 1975 et la loi du 16 février 2009, de modifier
diverses législations pour les mettre en concordance
avec la nouvelle loi (on pense ici notamment à la loi du
4 avril 2014 sur les assurances) et de fixer l’entrée en
vigueur de la nouvelle loi.
m) Annexes
Les Annexes à la loi en projet reproduisent les
annexes pertinentes de la Directive et remplacent celles
33
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
koninklijk besluit van 12 februari 1991 houdende alge-
meen reglement betreffende de controle op de verze-
keringsondernemingen. De enige belangrijke wijziging
betreft een herstructurering van de Bijlage met betrek-
king tot de indeling van de levensverzekeringstakken.
Er is voor gezorgd dat deze indeling die van de Richtlijn
volgt (art. 2).
4. De opties van de Richtlijn en de Belgische
keuzes
Zoals vaak het geval is, bevat de Richtlijn een aantal
opties waar de nationale wetgevers al dan niet gebruik
van kunnen maken. De in dit ontwerp voorgestelde keu-
zes worden hierna toegelicht, waarbij een onderscheid
wordt gemaakt tussen opties met een grote impact en
andere opties.
a) Opties met een grote impact
Toezichtsregeling voor de kleine ondernemingen
(artikel 4 van de Richtlijn)
Krachtens artikel 4 van de Richtlijn zijn verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen waarvan
de premie-inkomsten of de technische voorzieningen
onder bepaalde drempels blijven, niet onderworpen
aan de bepalingen van deze Richtlijn. Daarmee laat de
Richtlijn de nationale wetgevers de keuze tussen drie
mogelijkheden: de betrokken ondernemingen vrijstel-
len van elk toezicht, hen volledig onderwerpen aan de
bepalingen tot omzetting van de Richtlijn of voorzien in
een aangepast stelsel voor deze ondernemingen.
In België heeft deze bepaling betrekking op twee
categorieën van ondernemingen. De eerste omvat een
klein aantal verzekeringsondernemingen die onder
de Solvabiliteit I-regeling een vergunning hebben ver-
kregen. De tweede categorie bestaat uit een dertigtal
lokale verzekeringsondernemingen. Geen enkele
herverzekeringsonderneming ressorteert momenteel
onder de bepaling.
De eerste twee opties voldoen niet. In het eerste geval
zou het vanuit het oogpunt van de bescherming van de
verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstig-
den niet verstandig zijn verzekeringsondernemingen
zonder enig toezicht te laten werken, te meer daar dit
een stap achteruit zou zijn ten opzichte van de huidige
situatie, aangezien het om ondernemingen gaat die
momenteel onder het toezicht staan van de Bank. In
het tweede geval zou het opleggen van de vereisten
die voortvloeien uit de omzetting van de Richtlijn ge-
lijkstaan met een doodvonnis voor die ondernemingen
op vrij korte termijn.
de l’arrêté royal du 12 février 1991 portant règlement
général de contrôle des entreprises d’assurances. La
seule modification importante est une restructuration
de l’Annexe relative à la classification des branches
d’assurance vie. Il a été fait en sorte que cette classifi-
cation suive celle de la Directive (art. 2).
4. Les options de la Directive et les choix de la
Belgique
Comme c’est souvent le cas, la Directive comporte un
certain nombre d’options qui peuvent ou non être levées
par les législateurs nationaux. Les choix proposés dans
le présent projet sont commentés ci-après en distinguant
les options qui présentent un impact majeur des autres.
a) Options comportant un impact majeur
Régime de contrôle des petites entreprises (article 4
de la Directive)
L’article 4 de la Directive prévoit que les entreprises
d’assurance ou de réassurance qui n’atteignent pas
certains seuils en termes d’encaissement de primes
ou de provisions techniques ne sont pas soumises aux
dispositions de ladite Directive. Ce faisant, la Directive
laisse un triple choix aux législateurs nationaux: ou bien
dispenser les entreprises concernées de tout contrôle ou
bien les soumettre entièrement aux dispositions trans-
posant la Directive ou bien prévoir un régime adapté à
ces entreprises.
En Belgique, les entreprises concernées par cette
disposition relèvent de deux catégories. La première
concerne un petit nombre d’entreprises d’assurance
agréées sous le régime de Solvabilité I. La seconde
catégorie est constituée d’une trentaine d’entreprises
locales d’assurance. Aucune entreprise de réassurance
n’est actuellement concernée.
Les deux premières options ne sont pas satisfai-
santes, la première parce qu’il n’est pas prudent du
point de vue de la protection des preneurs, assurés et
bénéficiaires d’autoriser des entreprises d’assurance
à fonctionner sans aucun contrôle, d’autant plus que,
s’agissant d’entreprises faisant actuellement l’objet
d’une surveillance par la Banque, cela constituerait un
recul par rapport à la situation actuelle. Dans le second
cas, imposer les exigences issues de la transposition
de la Directive à ces entreprises reviendrait à signer
leur “arrêt de mort” à plus ou moins brève échéance.
34
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Er is dus voor gekozen om te voorzien in specifieke
bepalingen, waarin rekening gehouden wordt met de
omvang en de geringe risico’s van de betrokken on-
dernemingen. Er werd een regeling opgesteld voor
ondernemingen die niet kunnen worden beschouwd
als lokale verzekeringsondernemingen (ontwerparti-
kelen 272 tot 293) en een regeling voor ondernemin-
gen die wel als dusdanig kunnen worden beschouwd
(ontwerpartikelen 294 tot 302). Voor de herverzeke-
ringsondernemingen werd daarentegen niet voorzien
in specifieke bepalingen die afwijken van het gemeen-
schappelijke stelsel, gelet op de risico’s die inherent zijn
aan herverzekeringsverrichtingen.
Afzonderlijke bekendmaking van de kapitaalopslag-
factoren en de specifieke parameters van de onderne-
ming (artikel 51, lid 2 van de Richtlijn)
Krachtens artikel 51 van de Richtlijn, moeten de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een
verslag over de solvabiliteit en de financiële positie
(Report on solvency and financial condition) publiceren.
Deze bepalingen, die worden omgezet door de ontwerp-
artikelen 93 en 94, hebben onder meer betrekking op de
informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste, en de
afzonderlijk te vermelden informatie over de eventuele,
door de toezichthouder opgelegde kapitaalopslagfac-
tor (zie ontwerpartikel 323) of specifieke parameters
die worden gebruikt in de standaardformule voor de
berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste (zie
ontwerpartikel 166).
Volgens de Richtlijn mag deze afzonderlijke publicatie
evenwel worden uitgesteld tot 1 januari 2021. Via ont-
werpartikel 653 wordt voorgesteld van deze mogelijkheid
gebruik te maken. De nieuwe toezichtsregeling leidt tot
grote veranderingen bij de verzekerings- en herverze-
keringsondernemingen, zodat het niet zeker is dat de
verzameling en de bekendmaking van gegevens in de
eerste fase van de toepassing van de nieuwe regeling
vlekkeloos verlopen. Het dient te worden vermeden dat
foutieve gegevens worden gepubliceerd, die kunnen
leiden tot een verkeerde interpretatie van de financiële
positie van bepaalde ondernemingen door de financiële
markten en het publiek.
Voorafgaande toestemming voor het gebruik van de
volatiliteitsaanpassing (artikel 77quinquies, lid 1 van
de Richtlijn)
Artikel 77quinquies van de Richtlijn, ingevoerd bij
artikel 2, 23° van de Omnibus II-richtlijn, bepaalt dat de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een
volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) mogen
toepassen op de relevante risicovrije rentevoeten. Deze
Le choix a donc été fait de prévoir des dispositions
spécifiques, qui tiennent compte de la taille et des
faibles risques des entreprises concernées. Un régime
a été prévu pour les entreprises qui ne peuvent pas être
considérées comme des entreprises locales d’assu-
rance (articles 272 à 293 en projet) et un pour celles
qui peuvent être considérées comme telles (articles
294 à 302 en projet). En revanche, eu égard aux risques
inhérents à ce type d’opérations, aucune disposition
particulière dérogeant au régime commun n’a été prévue
pour les entreprises de réassurance.
Publication séparée des exigences de capital supplé-
mentaire et des paramètres spécifiques à l’entreprise
(article 51, paragraphe 2 de la Directive)
En vertu de l’article 51 de la Directive, les entre-
prises d’assurance et de réassurance doivent publier,
à destination du public, un rapport sur la solvabilité et
la situation financière (Report on solvency and financial
condition). Ces dispositions, qui sont transposées par
les articles 93 et 94 en projet, concernent entre autres la
publication du capital de solvabilité requis et, de manière
distincte, de toute exigence de capital supplémentaire
(voir l’article 323 en projet) ou de tout paramètre spéci-
fique utilisé dans la formule standard de calcul du capital
de solvabilité (voir l’article 166 en projet), qui est imposé
par l’autorité de contrôle.
Néanmoins, la Directive permet de différer cette publi-
cation séparée jusqu’au 1er janvier 2021. Il est proposé
(article 653 en projet) de lever cette option. Le nouveau
régime de contrôle implique de grandes modifications
au sein des entreprises d’assurance et de réassurance
de telle sorte qu’il n’est pas certain que la collecte et
la publication de données ne soient pas exemptes
d’erreurs dans les premiers temps de l’application du
nouveau régime. Il convient d’éviter de publier des don-
nées erronées qui risquent de conduire à une mauvaise
interprétation de la situation de certaines entreprises par
les marchés financiers et le public en général.
Approbation préalable à l’usage de la correction
pour volatilité (article 77quinquies, paragraphe 1er de
la Directive)
L’article 77quinquies de la Directive, introduit par
l’article 2, 23° de la directive “Omnibus II”, autorise aux
entreprises d’assurance et de réassurance à utiliser
une correction pour volatilité (volatility adjustment) des
taux d’intérêt sans risque pertinents. Cette disposition
35
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bepaling wordt omgezet in ontwerpartikel 129, waarin
de werking van de matchingopslag wordt beschreven.
Volgens lid 1 van artikel 77quinquies van de Richtlijn
mogen de lidstaten bepalen dat de toezichthouders
vooraf toestemming moeten verlenen voor de toepas-
sing van de volatiliteitsaanpassing.
In overweging 39 van de Omnibus II-richtlijn wordt
evenwel het volgende gesteld: “De lidstaten dienen in
hun nationale wetgeving de mogelijkheid te hebben
om aan hun nationaal toezichthoudende autoriteiten
de bevoegdheid toe te kennen het gebruik van de
volatiliteitsaanpassing toe te staan, en in uitzonder-
lijke omstandigheden af te wijzen”. Anders gezegd, de
mogelijkheden voor de Bank om zich tegen het gebruik
van de volatiliteitsaanpassing te verzetten, zijn zeer be-
perkt, inzonderheid in het kader van een voorafgaande
toestemming.
Om die reden wordt voorgesteld (ontwerpartikel 129)
geen toestemming van de toezichthouder te vereisen,
maar alleen een voorafgaande kennisgeving van het
gebruik van de volatiliteitsaanpassing. Zo wordt de Bank
op de hoogte gebracht van het feit dat de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming gebruik wil maken van
deze aanpassing. Het spreekt voor zich dat de Bank
zich altijd tegen het gebruik daarvan kan verzetten als
de onderneming de voorwaarden daartoe niet naleeft.
Berekening van het minimumkapitaalvereiste volgens
de standaardformule (artikel 129, lid 3, tweede alinea
van de Richtlijn)
Zoals eerder vermeld, kunnen de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen, voor de berekening
van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumka-
pitaalvereiste, een beroep doen op de standaardformule
van de Richtlijn of op geheel of gedeeltelijk interne
modellen.
Met betrekking tot het minimumkapitaalvereiste (MCR),
kunnen de lidstaten evenwel eisen dat de berekening
tijdens een overgangsperiode tot 31 december 2017 uit-
sluitend berust op de standaardformule.
Voorgesteld wordt van die mogelijkheid gebruik te
maken (ontwerpartikel 654), aangezien dit voor de
Bank een extra waarborg biedt met betrekking tot de
ondernemingen die een intern model gebruiken, dat
tijdens de eerste jaren van de toepassing mogelijk niet
stabiel is. Dat maakt het eveneens mogelijk de resul-
taten van het intern model en de standaardformule
est transposée à l’article 129 en projet auquel il convient
de se reporter pour une description du fonctionnement
de l’ajustement égalisateur.
Le paragraphe 1er de l’article 77quinquies de la
Directive prévoit que les États membres peuvent sou-
mettre l’utilisation de la correction pour volatilité par
les entreprises d’assurance ou de réassurance à une
approbation préalable.
Le considérant 39 de la directive “Omnibus II” prévoit
cependant que “les États membres devraient être en
mesure, dans leur législation nationale, de conférer
à leurs autorités nationales de surveillance le pouvoir
d’autoriser et, dans des circonstances exceptionnelles,
de rejeter l’utilisation de la correction pour volatilité”.
Autrement dit, les possibilités, pour la Banque, de
s’opposer à l’utilisation de la correction pour volatilité
sont très limitées et ce, particulièrement dans le cadre
d’une autorisation a priori.
Pour cette raison, il est proposé (article 129 en projet)
de ne pas lever l’option et de prévoir uniquement une
notification de l’usage de la correction pour volatilité. La
Banque est ainsi informée de ce que l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance compte faire usage de cette
correction. Il va de soi que la Banque pourra toujours
s’opposer au maintien de cette utilisation si l’entreprise
ne respecte pas les conditions requises à cette fin.
Calcul du minimum de capital requis selon la for-
mule standard (article 129, paragraphe 3, alinéa 2 de
la Directive)
Comme indiqué précédemment, les entreprises
d’assurance ou de réassurance peuvent, pour le calcul
du capital de solvabilité requis et du minimum de capital
requis, faire usage de la formule standard décrite dans
la Directive ou de modèles internes partiels ou globaux.
Toutefois, en ce qui concerne le minimum de capital
requis (MCR), les États membres peuvent exiger que
le calcul s’effectue uniquement à partir de la formule
standard pendant une période transitoire se terminant
le 31 décembre 2017.
Il est proposé de lever cette option (article 654 en
projet) car cela permet à la Banque d’avoir une garantie
supplémentaire en ce qui concerne les entreprises utili-
sant un modèle interne, qui pourrait ne pas être stable
dans les premières années de sa mise en œuvre. Cela
permet aussi de comparer indirectement les résultats
du modèle interne et de la formule standard puisque le
36
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
onrechtstreeks te vergelijken, aangezien het minimum-
kapitaalvereiste meestal rechtstreeks af te leiden is uit
de standaardformule.
Beperking van de beleggingsvrijheid voor tak 23-pro-
ducten (artikel 133, lid 3 van de Richtlijn)
In tegenstelling tot de richtlijnen van de eerste gene-
ratie, verbiedt de Richtlijn dat de nationale wetgevers
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
verplichten te beleggen in specifieke activacategorieën.
In artikel 133, lid 3, wordt echter een uitzondering ge-
maakt, in de vorm van een optie, voor overeenkomsten
waarvoor “het beleggingsrisico wordt gedragen door
een verzekeringnemer die een natuurlijke persoon is”. In
België betreft het voornamelijk de levensverzekerings-
overeenkomsten die behoren tot tak 23 van Bijlage II
bij de ontwerpwet.
Deze optie moet worden beschouwd als een maatre-
gel ter bescherming van de verzekeringsconsumenten.
In die hoedanigheid werd ze niet omgezet in het voorlig-
gend wetsontwerp, maar wel in artikel 20 van de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
Schaderegeling met betrekking tot de rechtsbijstand-
verzekering (artikel 200, lid 3 van de Richtlijn)
Artikel 200, lid 3 van de Richtlijn bepaalt dat de ver-
zekeringsonderneming de schaderegeling van de tak
rechtsbijstand dient toe te vertrouwen aan een juridisch
zelfstandige onderneming. Wanneer deze laatste ban-
den heeft met een verzekeringsonderneming die niet-
levensverzekeringactiviteiten uitoefent, mogen de mede-
werkers van de juridisch zelfstandige onderneming die
zich bezighouden met de regeling van schadegevallen of
die juridische adviezen geven daarover, bovendien niet
dezelfde of een soortgelijke werkzaamheid uitoefenen
voor de andere verzekeringsonderneming. De lidstaten
kunnen dit cumulatieverbod uitbreiden tot de leden van
het wettelijk bestuursorgaan of de verantwoordelijken
voor de onafhankelijke controlefuncties van de verbon-
den verzekeringsonderneming.
Er werd geen keuze gemaakt met betrekking tot deze
maatregel, aangezien hij behoort tot de consumenten-
bescherming. In artikel 4 van het koninklijk besluit van
12 oktober 1990 betreffende de rechtsbijstandsverzeke-
ring werd geen gebruik gemaakt van deze optie.
Uiteindelijke moederonderneming op nationaal ni-
veau (artikel 216, lid 1 van de Richtlijn)
Zie ontwerpartikel 352.
minimum de capital requis est, dans la plupart des cas,
directement fonction de la formule standard.
Limitation de la liberté d’investissement pour les
produits de la branche 23 (article 133, paragraphe 3 de
la Directive)
Contrairement aux directives de première généra-
tion, la Directive interdit que les législateurs nationaux
obligent les entreprises d’assurance et de réassurance
à investir dans des catégories particulières d’actifs. Une
exception est toutefois prévue, sous forme d’option,
à l’article 133, paragraphe 3, pour ce qui concerne
les contrats pour lesquels “le risque d’investissement
est supporté par le preneur qui est une physique”. En
Belgique, il s’agit essentiellement des contrats d’assu-
rance vie relevant de la branche 23 de l’Annexe II de
la loi en projet.
Cette option doit être considérée comme une mesure
de protection des consommateurs d’assurance. À ce
titre, elle n’a pas fait l’objet d’une transposition par le
présent projet de loi mais par l’article 20 de la loi du
4 avril 2014 sur les assurances.
Gestion des sinistres en ce qui concerne l’assurance
protection juridique (article 200, paragraphe 3 de la
Directive)
L’article 200, paragraphe 3 de la Directive impose
que la gestion des sinistres des assurances protection
juridique soit confiée à une entreprise juridiquement
distincte. En outre, lorsque cette dernière est liée à
une entreprise qui pratique une des activités d’assu-
rance non-vie, les personnes de l’entreprise distincte
qui gèrent les sinistres ou fournissent des conseils
juridiques relatifs à cette gestion ne peuvent exercer
cette activité ou une activité similaire dans l’entreprise
d’assurance liée. Les États membres peuvent étendre
cette interdiction de cumul aux membres de l’organe
légal d’administration ou aux titulaires des fonctions de
contrôle indépendantes de l’entreprise d’assurance liée.
Aucun choix n’a été fait en ce qui concerne cette me-
sure car elle relève de la protection du consommateur.
L’article 4 de l’arrêté royal du 12 octobre 1990 relatif
à l’assurance protection juridique n’a pas levé cette
option.
Entreprise mère supérieure au niveau national (article
216, paragraphe 1er de la Directive)
Voir l’article 352 en projet.
37
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Verbonden verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen (artikel 225, tweede alinea van de Richtlijn)
Zie ontwerpartikel 365, tweede lid.
Gelijkwaardigheid van verbonden verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen uit derde landen (artikel
227, lid 1, tweede alinea van de Richtlijn)
Zie ontwerpartikel 367, § 1, tweede lid.
Bevoorrechte schuldvorderingen uit hoofde van ver-
zekering (artikel 275, lid 1 van de Richtlijn)
Artikel 275, lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat schuld-
vorderingen uit hoofde van verzekering “boven alle
andere schuldvorderingen op de verzekeringsonder-
neming worden gerangschikt”. Deze bepaling laat de
nationale wetgevers echter de keuze tussen twee opties,
die ook kunnen worden gecombineerd. De eerste be-
staat in een voorrecht op de dekkingswaarden van de
technische voorzieningen en de tweede in een voorrecht
op de algehele activa van de verzekeringsonderneming.
De enige uitzonderingen op dit laatste voorrecht zijn
vorderingen van werknemers, van de fiscus of van soci-
alezekerheidsstelsels en vorderingen op activa waarop
een zakelijk recht gevestigd is.
Het voorrecht waarover de schuldeisers uit hoofde
van verzekering momenteel beschikken (artikelen 18 en
48/16 van de wet van 9 juli 1975) is een combinatie van
de twee opties van de Richtlijn, waarin de desbetref-
fende bepalingen van de voorgaande richtlijnen zijn
overgenomen (Richtlijn 2001/17/EG). De schuldeisers uit
hoofde van verzekering hebben in de eerste plaats een
voorrecht in eerste rang op de dekkingswaarden van de
technische voorzieningen van het afzonderlijk beheer
waartoe hun overeenkomst behoort (bijvoorbeeld niet-
levensverzekeringen, arbeidsongevallenverzekeringen,
levensverzekeringen van tak 21, beleggingsfondsen
van tak 23, …). Ingeval de vereffening van de activa
van het relevante afzonderlijke beheer ontoereikend
zou zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering
volledig schadeloos te stellen, genieten deze laatsten
een voorrecht op de algehele activa van de verzeke-
ringsonderneming. Boven dit laatste voorrecht gaan
momenteel evenwel alle andere algemene of bijzondere
voorrechten.
In het wetsontwerp wordt ervoor geopteerd de huidige
regeling te behouden en op enkele punten te verbeteren.
De dekkingswaarden van elk afzonderlijk beheer (zie
ontwerpartikel 230) vormen een bijzonder vermogen
waarop de schuldeisers uit hoofde van verzekering
een absoluut voorrecht genieten, met uitzondering van
de vereffeningskosten (ontwerpartikel 643). Ingeval de
Entreprises d’assurance et de réassurance liées
(article 225, alinéa 2 de la Directive)
Voir l’article 365, al. 2 en projet
Equivalence concernant les entreprises d’assurance
et de réassurance liées de pays tiers (article 227, para-
graphe 1er, alinéa 2 de la Directive)
Voir l’article 367, § 1er, al. 2 en projet.
Privilège des créanciers d’assurance (article 275,
paragraphe 1er de la Directive)
L’article 275, paragraphe 1er de la Directive impose
que les créances d’assurance “soient prioritaires par
rapport à d’autres créances sur l’entreprise d’assu-
rance”. Cette disposition offre cependant le choix aux
législateurs nationaux entre deux options, qui peuvent
être combinées entre elles. La première consiste en un
privilège sur les valeurs représentatives des provisions
techniques et la seconde, en un privilège sur l’ensemble
des actifs de l’entreprise, lequel ne peut être primé que
par les créances des membres du personnel, des orga-
nismes fiscaux ou de sécurité sociale et les créances
sur des actifs grevés de droits réels.
Actuellement, le privilège dont disposent les créan-
ciers d’assurance (articles 18 et 48/16 de la loi du
9 juillet 1975) est une combinaison des deux options
offertes par la Directive, qui reprend sur ce point les dis-
positions des directives antérieures (directive 2001/17/
CE). Les créanciers d’assurance ont tout d’abord un
privilège de premier rang sur les valeurs représentatives
des provisions techniques de la gestion distincte de la-
quelle leur contrat relève (par exemple, l’assurance non-
vie, l’assurance accidents du travail, l’assurance-vie de
la branche 21, un fonds d’investissement de la branche
23…). Si la liquidation des actifs de la gestion distincte
pertinente n’est pas suffisante pour désintéresser les
créanciers concernés, ceux-ci bénéficient d’un privilège
sur l’ensemble des actifs de l’entreprise d’assurance. À
ce jour, ce dernier privilège est toutefois primé par tous
les autres privilèges généraux ou spéciaux.
Le choix proposé dans le présent projet est de
maintenir le régime actuel en y apportant quelques
améliorations. Les valeurs représentatives de chaque
gestion distincte (voir l’article 230 en projet) constituent
un patrimoine spécial sur lequel les créanciers d’assu-
rance bénéficient d’un privilège absolu à l’exception des
frais liés à la liquidation (article 643 en projet). En cas
38
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bijzondere vermogens ontoereikend zijn, genieten de
schuldeisers uit hoofde van verzekering een voorrecht
op de algehele activa van de verzekeringsonderneming
(ontwerpartikel 644). Ten opzichte van de huidige regel-
geving, werd de rang van dit voorrecht verhoogd, aange-
zien alleen de algemene voorrechten van werknemers,
van de Schatkist en van socialezekerheidsinstellingen
en sociale verzekeraars, alsook de uitoefening van za-
kelijke rechten, nog erboven gaan (ontwerpartikel 644).
Submodule aandelenrisico op basis van looptijd
(artikel 304 van de Richtlijn)
Krachtens artikel 304 van de Richtlijn kunnen de
lidstaten toestaan dat de verzekeringsondernemingen
in de standaardformule voor de berekening van het
solvabiliteitskapitaalvereiste gebruikmaken van een
submodule “aandelenrisico op basis van looptijd”. Deze
submodule kan evenwel alleen gebruikt worden voor
sommige levensverzekeringsverrichtingen die behoren
tot de tweede pensioenpijler en die afzonderlijk van de
andere activiteiten van de verzekeringsonderneming
worden beheerd. De module wordt gekalibreerd aan de
hand van de typische aanhoudingsperiode van aande-
len in de betrokken ondernemingen.
Voorgesteld wordt van deze optie gebruik te maken
(zie ontwerpartikel 159), teneinde de verzekeringson-
dernemingen een extra mogelijkheid te bieden om hun
kapitaalvereiste te berekenen en een concurrentiever-
storing tegenover ondernemingen van andere lidstaten
te vermijden.
Overgangsregeling voor de volgens artikel 4 van de
IBP-richtlijn berekende technische voorzieningen (artikel
308ter, lid 15 van de Richtlijn)
Artikel 4 van richtlijn 2003/41/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de
werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening bepaalt dat de verzeke-
ringsondernemingen, als hun nationale wetgeving het
toestaat en op bepaalde voorwaarden, hun levensver-
zekeringsactiviteiten die ressorteren onder de tweede
pensioenpijler kunnen onderwerpen aan de prudentiële
bepalingen van deze richtlijn 2003/41/EG, in plaats van
aan de bepalingen van de richtlijnen met betrekking tot
de verzekeringsactiviteiten. Deze bepalingen hebben
onder meer betrekking op de berekening van de tech-
nische voorzieningen en de dekkingswaarden daarvan,
maar niet op de eigenvermogensvereisten.
Krachtens artikel 308ter, lid 15 van de Richtlijn mo-
gen de lidstaten deze regeling blijven toepassen tot
31 december 2019, op voorwaarde dat zij artikel 4 van
d’insuffisance des patrimoines spéciaux, les créanciers
d’assurance bénéficient d’un privilège sur l’ensemble
des actifs de l’entreprise d’assurance (article 644 en
projet). Par rapport à la réglementation actuelle, le
rang de ce privilège a été relevé puisque les créances
d’assurance ne peuvent plus être primées que par les
privilèges généraux des travailleurs salariés, du Trésor
et des organismes et assureurs sociaux, ainsi que par
l’exercice de droits réels (article 644 en projet).
Sous-module risque sur actions fondé sur la durée
(article 304 de la Directive)
L’article 304 de la Directive permet aux États membres
d’autoriser les entreprises d’assurance d’utiliser, dans
la formule standard de calcul du capital de solvabilité
requis, un sous-module “risque sur actions fondé sur
la durée”. Ce sous-module ne peut être utilisé que pour
certaines opérations d’assurance vie relevant du deu-
xième pilier de pension et qui sont gérées distinctement
des autres activités de l’entreprise d’assurance. Il est
calibré en fonction de la durée typique de conservation
des actions par les entreprises concernées.
Il est proposé de lever cette option (voir l’article 159 en
projet) pour ne pas priver les entreprises d’assurance
d’une possibilité complémentaire de calcul de leur
exigence de capital et pour ne pas créer de distorsion
de concurrence avec les entreprises d’autres États
membres.
Régime transitoire pour les provisions techniques
calculées selon l’article 4 de la directive IRP (article
308ter, paragraphe 15 de la Directive)
L’article 4 de la directive 2003/41/CE du Parlement
européen et du Conseil du 3 juin 2003 concernant les
activités et la surveillance des institutions de retraite
professionnelle prévoit que les entreprises d’assurance
peuvent, si leur droit national les y autorise et moyen-
nant le respect de certaines conditions, soumettre leurs
activités d’assurance-vie relevant du deuxième pilier de
pension aux dispositions prudentielles de la directive
2003/41/CE précitée en lieu et place des dispositions
des directives applicables aux activités d’assurance.
Ces dispositions concernent, entre autres, le calcul des
provisions techniques et leur représentation par des
valeurs représentatives mais ne s’étendent pas aux
exigences de fonds propres.
L’article 308ter, paragraphe 15 de la Directive maintient
ce régime en vigueur jusqu’au 31 décembre 2019 pour
autant que les États membres aient mis l’article 4 de
39
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
richtlijn 2003/41/EG uiterlijk op 23 mei 2014 in werking
doen treden.
In artikel 227 van de wet van 27 oktober 2006 betref-
fende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensi-
oenvoorziening, heeft de Belgische wetgever bepaald
dat deze mogelijkheid in België kon worden opgenomen
in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad. Er werd geen dergelijk besluit genomen
vóór 23 mei 2014, de datum die was opgenomen in voor-
noemd artikel 308ter, lid 15. Bijgevolg kan de Belgische
wetgever geen gebruik meer maken van deze optie.
Gebruik van een intern groepsmodel dat van toepas-
sing is op een deel van een groep (artikel 308ter, lid
16 van de Richtlijn)
Net als afzonderlijke ondernemingen, kunnen groe-
pen van verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen hun eigenvermogensvereisten berekenen aan de
hand van een standaardformule of met behulp van eigen
interne modellen.
Volgens artikel 308ter, lid 16 van de Richtlijn kunnen
lidstaten groepen van verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen toestaan gebruik te maken van een in-
tern groepsmodel, indien de ondernemingen in dezelfde
lidstaat zijn gevestigd, en op voorwaarde dat ze daartoe
een aanvraag hebben ingediend vóór 31 maart 2022.
Voorgesteld wordt van die optie gebruik te maken, met
het oog op een gelijke behandeling van de Belgische
ondernemingen ten opzichte van in andere lidstaten
gevestigde ondernemingen.
b) Opties met een geringe impact
Uitsluiting van hulpverlening (artikel 6, lid 1, onder b),
iii) van de Richtlijn)
Krachtens artikel 6, lid 1 van de Richtlijn heeft deze
Richtlijn geen betrekking op hulpverleningsactiviteiten
die beperkt blijven tot de verrichtingen die in diezelfde
bepaling zijn opgenomen. Daarbij wordt de lidstaten de
mogelijkheid gelaten om de voortzetting van de reis of
het vervoer van de bestuurder en de passagiers naar
hun woonplaats al dan niet aan deze verrichtingen toe
te voegen.
In het wetsontwerp (ontwerpartikel 10, § 1, 2°, c)
wordt van deze optie gebruik gemaakt, teneinde de
huidige regeling (zie artikel 2, § 2, 3°, b) van de wet van
9 juli 1975) en de gangbare praktijken inzake pechver-
helping te behouden.
la directive 2003/41/CE en vigueur au plus tard le
23 mai 2014.
Le législateur belge a prévu, par l’article 227 de la loi
du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions
de retraite professionnelle, que cette faculté pouvait être
mise en œuvre en Belgique par le biais d’un arrêté royal
délibéré en Conseil des ministres. Un tel arrêté n’a pas
été pris avant la date du 23 mai 2014 prévue par l’article
308ter, paragraphe 15 précité. Il en résulte que l’option
ne peut plus être levée par le législateur belge.
Utilisation d’un modèle interne de groupe qui ne
s’applique qu’à une partie du groupe (article 308ter,
paragraphe 16 de la Directive)
Comme pour les entreprises prises individuellement,
les groupes d’entreprises d’assurance et de réassu-
rance peuvent calculer leurs exigences de fonds propres
par une formule standard ou au moyen de modèles
internes propres au groupe.
L’article 308ter, paragraphe 16 de la Directive permet
aux États membres d’autoriser l’usage d’un modèle
interne limité aux entreprises situées dans le même État
membre, à condition qu’elles en aient fait la demande
avant le 31 mars 2022.
Il est proposé de lever cette option pour des raisons
d’égalité de traitement des entreprises belges vis-à-vis
des entreprises situées dans les autres États membres.
b) Option avec un impact mineur
Exclusion de l’assistance (article 6, paragraphe 1er,
b), iii) de la Directive)
L’article 6, paragraphe 1er de la Directive prévoit que
cette dernière ne s’applique pas aux activités d’assis-
tance, pour autant que celles-ci soient limitées aux
opérations prévues par cette même disposition. Les
États membres ont la faculté d’inclure ou non dans ces
opérations la poursuite du voyage ou la reconduite au
domicile du conducteur et des passagers.
Cette option a été levée (article 10, § 1er, 2°, c) en
projet) car cela maintient le régime actuel (voir l’article
2, § 2, 3°, b) de la loi du 9 juillet 1975) et les pratiques
existantes en matière d’assistance automobile.
40
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Begrip grote risico’s (artikel 13, punt 27 van de
Richtlijn)
Het begrip grote risico’s komt voor in ontwerpartikel
233. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen grote
risico’s met betrekking tot de aard van het risico (verze-
keringen betreffende het vervoer per spoor, per schip
of per vliegtuig, kredietverzekering en borgtochtver-
zekering) en grote risico’s inzake overeenkomsten die
gesloten worden met grote ondernemingen. Volgens
de voormelde bepaling van de Richtlijn kunnen de lid-
staten beroepsverenigingen, joint ventures of tijdelijke
verenigingen toevoegen aan de categorie van grote
ondernemingen.
Voorgesteld wordt om geen gebruik te maken van
deze optie en het in het Belgisch recht reeds bekende
begrip van grote risico’s te behouden (zie artikel 1, 7°,
van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende
algemeen reglement betreffende de controle op de ver-
zekeringsondernemingen), temeer daar dit begrip alleen
nog gebruikt wordt op het gebied van de communautaire
medeverzekering (ontwerpartikelen 232 en volgende).
Vergunning per groep van takken (artikel 15, lid 2,
tweede alinea van de Richtlijn)
In principe wordt de vergunning van een onderneming
uitgereikt per verzekeringstak, maar de nationale wetge-
vers kunnen vergunningen voor meerdere takken geven
(zie Bijlage I, B van de Richtlijn). Van deze mogelijkheid
werd geen gebruik gemaakt, aangezien dit momenteel
niet gebruikelijk is en de meerwaarde van een dergelijke
vergunning niet is aangetoond.
Opzegging van verzekeringsovereenkomsten in geval
van overdracht (artikel 39, lid 6 van de Richtlijn)
Volgens artikel 39, lid 6 van de Richtlijn, kunnen de
verzekeringnemers de overeenkomst in geval van over-
dracht opzeggen, op voorwaarde dat het nationaal recht
dat toestaat. Van deze optie werd gebruik gemaakt (ont-
werpartikel 106), omdat ze overeenstemt met de huidige
wetgeving (artikel 77 van de wet van 9 juli 1975 en de
artikelen 17 en 18 van de wet van 4 april 2014 betref-
fende de verzekeringen).
Verbod op de uitoefening van leidinggevende func-
ties of sleutelfuncties door failliet verklaarde personen
(artikel 43, lid 1 van de Richtlijn)
Krachtens artikel 43, lid 1 van de Solvabiliteit II-
Richtlijn kunnen de lidstaten personen die failliet ver-
klaard zijn, verbieden een mandaat op te nemen in het
wettelijk bestuursorgaan, de effectieve leiding, of een
onafhankelijke controlefunctie.
Notion de grands risques (article 13, point 27) de la
Directive)
La notion de grands risques figure à l’article 233 en
projet. On distingue les grands risques par nature (assu-
rances relatives au transport ferroviaire, maritime et
aérien, assurance-crédit et assurance caution) et ceux
qui concernent des contrats souscrits avec des grandes
entreprises. La disposition précitée de la Directive per-
met d’ajouter aux grandes entreprises des associations
professionnelles, des coentreprises ou des associations
momentanées.
Il est proposé de ne pas lever cette option et de
conserver la notion déjà connue de grands risques
en droit belge (voir l’article 1er, 7°, de l’arrêté royal du
22 février 1991 portant règlement général relatif au
contrôle des entreprises d’assurances), d’autant plus
que cette notion n’est plus utilisée qu’en ce qui concerne
la coassurance communautaire (articles 232 et suivants
en projet).
Agrément par groupe de branches (article 15, para-
graphe 2, alinéa 2 de la Directive)
En principe, l’agrément d’une entreprise est donné
par branche d’assurance mais les législateurs nationaux
peuvent prévoir des agréments par groupes de branches
(voir l’Annexe I, B de la Directive). Cette option n’a pas
été retenue dans la mesure où ce n’est pas l’usage
actuellement et la plus-value d’un tel agrément n’est
pas établie.
Résiliation des contrats d’assurance en cas de trans-
fert (article 39, paragraphe 6 de la Directive)
Selon l’article 39, paragraphe 6 de la Directive, les
preneurs d’assurance peuvent, en cas de transfert,
résilier le contrat pour autant que le droit national le
permette. Cette option a été levée (article 106 en pro-
jet) dès lors qu’elle correspond au droit actuel (article
77 de la loi du 9 juillet 1975 et articles 17 et 18 de la loi
du 4 avril 2014 sur les assurances).
Incomptabilité des faillis à exercer des fonctions
dirigeants ou des fonctions clés (article 43, paragraphe
1er de la Directive)
L’article 43, paragraphe 1er de la Directive Solvabilité II
permet aux États membres d’interdire l’exercice d’un
mandat dans l’organe légal d’administration, la direction
effective ou une fonction de contrôle indépendante à
toute personne ayant été déclarée en faillite.
41
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Van deze optie werd geen gebruik gemaakt aange-
zien de materie van het beroepsverbod in de bank- en
financiële sector ingrijpend werd hervormd via de wet
van 6 april 2010 om deze materie in overeenstemming te
brengen met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
en er bij die hervorming werd geoordeeld dat het faillis-
sement niet automatisch tot een verbod kan leiden (zie
op dit punt Parl.St., Kamer 2009-2010, nr. 52 2336/001,
31).
Vervanging van de drempel van 30 % door een
drempelwaarde van een derde in het toezicht op de
verwervingen (artikel 57, lid 1 van de Richtlijn)
Artikel 57 van de Richtlijn (dat overgenomen is uit de
eerdere richtlijnen sinds Richtlijn 2007/44/EG) regelt het
toezicht op de verwervingen, wanneer de deelneming in
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming meer
bedraagt dan 10 %, 20 % of 30 %, waarbij deze laatste
drempel onder bepaalde voorwaarden kan worden
vervangen door een drempelwaarde van een derde.
Van deze optie werd geen gebruik gemaakt, aange-
zien er ook geen gebruik van gemaakt werd in het kader
van de omzetting van Richtlijn 2007/44/EG in de wet van
31 juli 2009 en ze geen echte meerwaarde oplevert.
Bekendmaking van de redenen voor de weigering
van een verwerving (artikel 58, lid 4, tweede alinea van
de Richtlijn)
Wanneer de Bank zich verzet tegen de voorgenomen
verwerving van een deelneming door een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming, kan ze op verzoek
van de kandidaat-verwerver de motivering van haar
besluit voor het publiek toegankelijk maken. Indien het
nationaal recht dat toestaat, kan de toezichthouder bo-
vendien deze informatie openbaar maken zonder dat de
kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht.
Van de optie die erin bestaat het verzet en de grond
voor dit verzet bekend te maken zonder de toestem-
ming van de kandidaat-verwerver werd geen gebruik
gemaakt, omdat ze niet overeenstemt met het huidige
recht (artikel 23bis, § 3, vierde lid van de wet van
9 juli 1975 en artikel 24, § 3, vierde lid van de wet van
9 februari 2004) en ze een reputatierisico impliceert voor
kandidaat-verwervers.
Uitzonderingen op het beroepsgeheim (artikel 68, lid
2 en 3 van de Richtlijn)
Artikel 68 van de Richtlijn omschrijft het principe van
de informatie-uitwisseling tussen toezichthouders en
het beroepsgeheim waaraan zij onderworpen zijn. In
Cette option n’a pas été levée dans la mesure où la
matière des interdictions professionnelles dans le sec-
teur bancaire et financier avait fait l’objet d’une réforme
complète par une loi du 6 avril 2010 afin de la mettre en
conformité avec la jurisprudence de la Cour constitu-
tionnelle et qu’à cette occasion, il avait été estimé que
la faillite ne pouvait conduire à une interdiction auto-
matique (voy. sur ce point Doc. Parl., Ch. Repr., sess.
2009-2010, n° 52 2336/001, spéc. p. 31).
Remplacement du seuil de 30 % par un seuil d’un
tiers dans le contrôle des acquisitions (article 57, para-
graphe 1er de la Directive)
L’article 57 de la Directive (qui est la reprise des
directives antérieures depuis la directive 2007/44/CE)
organise un contrôle des acquisitions lorsque la partici-
pation dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance
dépasse les seuils de 10 %, 20 % ou 30 %, ce dernier
seuil pouvant être, sous certaines conditions, être rem-
placé par un seuil d’un tiers.
Cette option n’a pas été levée dès lors qu’elle ne
l’avait pas été dans le cadre de la transposition de la
directive 2007/44/CE par la loi du 31 juillet 2009 et qu’elle
ne présente pas de réelle plus-value.
Divulgation des motifs du rejet d’une acquisition
(article 58, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive)
Lorsque la Banque s’oppose à un projet d’acquisition
d’une participation par une entreprise d’assurance ou
de réassurance, elle peut, à la demande du candidat ac-
quéreur, rendre les motifs de sa décision accessible au
public. Si le droit national le prévoit, l’autorité de contrôle
peut, en outre, procéder à cette publication même en
l’absence d’une demande du candidat acquéreur.
L’option consistant à publier l’opposition et ses motifs
sans l’accord du candidat acquéreur n’a pas été levée
car elle ne correspond pas au droit actuel (article 23bis,
§ 3, alinéa 4 de la loi du 9 juillet 1975 et article 24, § 3,
alinéa 4 de la loi du 9 février 2004) et qu’elle induit un
risque de réputation pour les candidats acquéreurs.
Exceptions au secret professionnel (article 68, para-
graphes 2 et 3 de la Directive)
L’article 68 de la Directive pose le principe de
l’échange d’informations entre autorités de contrôle
et du secret professionnel auquel ces autorités sont
42
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
lid 2 en 3 worden enkele uitzonderingen op dit geheim
geformuleerd.
Van die opties werd gebruik gemaakt, aangezien ze
reeds voorkomen in de organieke wet van de Bank en ze
onontbeerlijk zijn voor een doeltreffende samenwerking
tussen de toezichthouders.
Ondernemingen die zowel levens- als niet-levensver-
zekeringsactiviteiten uitoefenen (artikel 73, lid 2, 3 en
5 van de Richtlijn)
De gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levens-
verzekeringsactiviteiten is verboden krachtens artikel
73, lid 1 van de Richtlijn. Er worden evenwel enkele uit-
zonderingen toegestaan, enerzijds voor ondernemingen
die op een bepaalde datum gelijktijdig levens- en scha-
deverzekeringsactiviteiten uitoefenden, en anderzijds
voor ondernemingen die levensverzekeringsactiviteiten
combineren met de takken 1 (ongevallen) en 2 (ziekte)
van Bijlage I bij de ontwerpwet.
Deze regels, die reeds deel uitmaken van de huidige
wetgeving (artikel 14 van de wet van 9 juli 1975), werden
in het wetsontwerp overgenomen (ontwerpartikelen
222 tot 229). In dat verband weze eraan herinnerd dat
een groot aantal Belgische verzekeringsondernemingen
beide activiteiten gelijktijdig uitoefenen.
Systematische mededeling van de technische grond-
slagen en methodes van levensverzekeringsovereen-
komsten (artikel 163, lid 3 en artikel 182, tweede alinea
van de Richtlijn)
Artikel 182 van de Richtlijn verbiedt de systematische
controle en de voorafgaande kennisgeving van de
voorwaarden van levensverzekeringsovereenkomsten.
Krachtens de tweede alinea van dit artikel kan evenwel
een systematische mededeling van de voor de bereke-
ning van de tarieven en de technische voorzieningen
gehanteerde technische grondslagen geëist worden.
Artikel 163, lid 3 van de Richtlijn bevat een soortgelijke
bepaling voor bijkantoren van ondernemingen in derde
landen.
De mededeling van deze informatie is belangrijk voor
het prudentieel toezicht op het evenwicht tussen de
tarieven en de technische voorzieningen. Dit rechtvaar-
digt de systematische mededeling van de technische
grondslagen, die evenwel geen voorwaarde is voor
een vergunning of een machtiging. Van deze optie
werd gebruik gemaakt (ontwerpartikel 214), waarmee
de huidige regeling (artikel 22 van het koninklijk besluit
van 14 november 2003 betreffende de levensverzeke-
ringsactiviteit) behouden blijft.
assujetties. Certaines exceptions à ce secret sont pré-
vues aux paragraphes 2 et 3.
Ces options ont été levées dès lors qu’elles figurent
déjà dans la loi organique de la Banque et qu’elles
sont indispensables à une collaboration efficace entre
autorités de contrôle.
Entreprises pratiquant à la fois les activités d’assu-
rance vie et non-vie (article 73, paragraphe 2, 3 et 5 de
la Directive)
L’article 73, paragraphe 1er de la Directive interdit
l’exercice simultané des activités d’assurance-vie et
non-vie. Certaines exceptions sont toutefois prévues
d’une part pour les entreprises qui pratiquaient ce cumul
à une certaine date, d’autre part pour les entreprises
pratiquant à la fois les activités vie et les branches 1 (ac-
cidents) et 2 (maladie) de l’Annexe I à la loi en projet.
Ces règles, qui figurent déjà dans la législation
actuelle (article 14 de la loi du 9 juillet 1975) ont été
maintenues et l’option a été levée (articles 222 à 229 en
projet). On rappelle à ce propos qu’un grand nombre
d’entreprises d’assurance belges pratiquent simultané-
ment les deux activités.
Communication systématique des bases et méthodes
techniques des contrats d’assurance vie (article 163,
paragraphe 3 et article 182, alinéa 2 de la Directive)
L’article 182 de la Directive interdit le contrôle sys-
tématique et la notification préalable des conditions
contractuelles des contrats d’assurance-vie. Le second
alinéa de cet article permet toutefois d’exiger la notifica-
tion systématique des bases techniques utilisées dans
le calcul des tarifs et des provisions techniques. Une
disposition similaire pour les succursales d’entreprises
de pays tiers figure à l’article 163, paragraphe 3 de la
Directive.
La communication des informations précitées est
importante pour le contrôle prudentiel de l’équilibre des
tarifs et des provisions techniques, ce qui justifie la trans-
mission systématique des bases techniques, laquelle
ne constitue toutefois pas une condition d’agrément
ou d’autorisation. L’option a été levée (article 214 en
projet), ce qui maintient le régime actuel (article 22 de
l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité
d’assurance sur la vie).
43
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Verklaring van overeenstemming van de verplichte
verzekeringen (artikel 179, lid 4 van de Richtlijn)
De lidstaten kunnen eisen dat het bewijs van afsluiting
van een niet-levensverzekering een verklaring van de
verzekeringsonderneming bevat dat de overeenkomst
in overeenstemming is met de bepalingen betreffende
deze verplichte verzekering.
Deze bepaling, die betrekking heeft op de consu-
mentenbescherming, werd omgezet in de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen (artikel 31).
Mededeling van de voorwaarden van de verplichte
verzekeringen (artikel 181, lid 2 van de Richtlijn)
De lidstaten kunnen eisen dat de verzekeringsonder-
nemingen de toezichthouder in kennis stellen van de
algemene en bijzondere voorwaarden van de verplichte
niet-levensverzekeringen voordat van deze voorwaar-
den gebruik wordt gemaakt
Deze bepaling heeft betrekking op de consumenten-
bescherming. Van deze optie werd gebruik gemaakt in
artikel 26, § 2 van de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen.
COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN
BOEK I
ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I
Doel
Art. 1
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet pre-
ciseert artikel 1 van het voorliggende ontwerp welke
aangelegenheid in dit ontwerp wordt geregeld.
Art. 2
Artikel 2 vermeldt de vier Richtlijnen die door het voor-
liggende wetsontwerp (gedeeltelijk) worden omgezet in
Belgisch recht.
De eerste richtlijn is de Solvabiliteit II-richtlijn (hierna
“de Richtlijn”), die hoofdzakelijk, doch niet uitsluitend
prudentiële bepalingen bevat. Enkel de prudentiële
bepalingen van de Richtlijn zijn in het voorliggende
wetsontwerp opgenomen (zie de concordantietabel die
Déclaration de conformité des assurances obliga-
toires (article 179, paragraphe 4 de la Directive)
Les États membres peuvent exiger que l’attestation
de souscription d’une assurance non-vie comprenne
une déclaration de l’entreprise d’assurance selon
laquelle le contrat est conforme aux dispositions rela-
tives à cette assurance obligatoire.
Cette matière concerne la protection des consom-
mateurs et sa transposition est assurée par la loi du
4 avril 2014 sur les assurances (article 31).
Communication des conditions des assurances
obligatoires (article 181, paragraphe 2 de la Directive)
Les États membres peuvent imposer que les entre-
prises d’assurance communiquent à l’autorité de
contrôle, préalablement à leur diffusion, les conditions
générales et particulières des assurances non-vie
obligatoires.
Cette matière concerne la protection des consom-
mateurs. L’option a été levée à l’article 26, § 2 de la loi
du 4 avril 2014 sur les assurances.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
LIVRE IER
DISPOSITIONS GÉNÉRALES
TITRE IER
Objet
Art. 1er
Conformément à l’article 83 de la Constitution l’article
1er du présent projet précise la matière qu’il entend
régler.
Art. 2
L’article 2 fait référence aux quatre directives dont le
présent projet de loi assure la transposition (partielle)
en droit belge.
La première directive est la Directive Solvabilité II
(ci-après, “la Directive”) qui comporte essentiellement,
mais pas exclusivement des dispositions prudentielles.
Seules les dispositions prudentielles de la Directive
font l’objet du présent projet de loi (voy. la table de
44
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bij deze commentaar is gevoegd voor een opsomming
van de betrokken bepalingen van de Richtlijn). De an-
dere bepalingen van de Richtlijn, die betrekking hebben
op de consumentenbescherming, werden omgezet in
de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
(hierna de “Wet Verzekeringen”).
De tweede richtlijn is de FICOD I-richtlijn (2011/89/
EU), die in het voorliggende ontwerp wordt omgezet
voor wat de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen betreft.
Tenslotte zet de ontwerpwet eveneens de relevante
bepalingen van de Omnibus II-richtlijn (2014/51/EU) om.
Voorts dragen de wijzigingsbepalingen van het voor-
liggende ontwerp bij aan de voltooiing van de omzetting
van de zogenaamde BRRD-richtlijn (Richtlijn 2014/59/
EU).
Art. 3
Dit artikel bepaalt de doelstellingen van algemeen
belang van het wetsontwerp. Het gaat om de traditio-
nele doelstellingen van de prudentiële wetgeving met
betrekking tot de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen, namelijk het beschermen van de verze-
keringnemers, de verzekerden en de begunstigden van
verzekeringsovereenkomsten en —verrichtingen en het
verzekeren van de soliditeit en de goede werking van
het financiële stelsel.
Zoals uiteengezet in de algemene toelichting van
het voorliggende ontwerp, strekt het zogenaamd “pru-
dentieel” toezicht op de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen ertoe een redelijke zekerheid te
verschaffen dat elke onderneming haar verplichtingen
zal nakomen, door toe te zien op de naleving van de
wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden
die het wettelijk statuut van de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen vormen. Via dit toezichts-
statuut en deze toezichtsregeling wordt toegezien op
de veiligheid van de verzekeringsconsumenten. Naast
de bescherming van de schuldeisers van onderne-
mingen afzonderlijk beschouwd, bestaat het doel van
het toezicht er tevens in de stabiliteit, de efficiëntie, de
veiligheid en het vertrouwen in de verzekeringsmarkt
te garanderen.
Deze doelstellingen vormen tevens de basis van
de Richtlijn (zie overweging 16) en van andere funda-
mentele internationale teksten (zie inzonderheid het
document van de International Association of Insurance
Supervisors (IAIS), “Insurances Core Principles”, www.
iaisweb.org).
concordance en annexe des présents commentaires
pour le détail des dispositions de la Directive concer-
nées). Les autres dispositions de la Directive qui relèvent
de la protection des consommateurs ont été transpo-
sées par la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances
(ci-après la “Loi assurances”).
La deuxième directive est la Directive FICOD I
(2011/ 89/UE) qui est transposée par le présent projet
pour ce qui concerne les entreprises d’assurance ou
de réassurance.
Enfin, la loi en projet transpose également les dispo-
sitions pertinentes de la Directive Omnibus II (2014/51/
UE).
Par ailleurs, le présent projet, dans ses dispositions
modificatives, participe au parachèvement de la transpo-
sition de la Directive dite BRRD (directive 2014/59/UE).
Art. 3
Cet article précise les finalités d’intérêt public du
projet de loi. Il s’agit des objectifs traditionnels de la
législation prudentielle relative aux entreprises d’assu-
rance ou de réassurance, à savoir d’assurer la pro-
tection des preneurs d’assurance, des assurés et des
bénéficiaires de contrats et d’opérations d’assurance,
ainsi que d’assurer la solidité et le bon fonctionnement
du système financier.
Comme rappelé sous l’exposé général du présent
projet, le contrôle dit “prudentiel” des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance a pour objectif de donner une
assurance raisonnable que chaque entreprise respec-
tera ses engagements par la surveillance du respect
des obligations et interdictions légales et réglementaires
formant le statut légal des entreprises d’assurance ou
de réassurance. Par ce statut et régime de contrôle, il
s’agit de veiller à la sécurité des consommateurs d’assu-
rance. Au-delà du but de protection des créanciers des
entreprises considérées individuellement, la finalité du
contrôle consiste à garantir la stabilité, l’efficience, la
sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance.
Ces objectifs se retrouvent à la base de la Directive
(voir considérant 16) et des autres textes internationaux
fondamentaux (voir notamment le document de l’Inter-
national Association of Insurance Supervisors (IAIS),
“Insurances Core Principles”, www.iaisweb.org).
45
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Ontwerpartikel 3 dient aldus als leidraad voor de
interpretatie van de wet, met name voor wat betreft
de criteria die bij gebrek aan andere bepalingen in
aanmerking moeten worden genomen door de Bank
wanneer zij als toezichthouder beslissingen neemt met
betrekking tot de toegang tot het verzekerings- of her-
verzekeringsbedrijf, de toepassing van de bepalingen
die voor deze ondernemingen gelden en de tenuitvoer-
legging van de toezichtsbevoegdheden, waaronder de
herstelmaatregelen, en de sancties ten aanzien van die
ondernemingen.
Art. 4
Er weze verduidelijkt dat de ontwerpwet geen afbreuk
doet aan de verplichtingen die voor de onder de toepas-
sing van de wet vallende verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen naar Belgisch en buitenlands recht
voortvloeien uit specifieke wetgeving die hun activiteiten
regelt. Voorbeelden hiervan zijn de Wet Verzekeringen,
de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de wet van
3 juli 1967 betreffende de preventie of de schadever-
goeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op
de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in
de overheidssector, de wet van 21 november 1989 be-
treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen, de wet van 12 juli 1957 betref-
fende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden,
de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende
pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen
en van sommige aanvullende voordelen inzake soci-
ale zekerheid (hierna de “WAP”), de Programmawet
(I) van 24 december 2002, die betrekking heeft op de
aanvullende pensioenen voor zelfstandigen (hierna de
“WAPZ”), Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 2 van het Wetboek
van Economisch Recht, dat betrekking heeft op het
hypothecair krediet, enz.
Wat meer in het bijzonder de wetten van 10 april 1971
en van 3 juli 1967 betreft, wordt gewezen op het arrest
van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
18 mei 2000, waarbij de Belgische Staat werd veroor-
deeld voor onvolledige omzetting van Richtlijn 92/49/
EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende
het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van
de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging
van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde
richtlijn schadeverzekering).
Het Hof van Justitie erkende weliswaar de specificiteit
van de arbeidsongevallenverzekering in België, die deel
uitmaakt van een verplichte socialezekerheidsregeling,
maar vond in die specificiteit onvoldoende grond om te
besluiten dat de derde richtlijn schadeverzekering geen
L’article 3 en projet sert ainsi de guide à l’interpréta-
tion de la loi, notamment en ce qui concerne les critères
à considérer, à défaut d’autre précision, dans les déci-
sions à prendre par la Banque en sa qualité d’autorité
de contrôle en matière d’accès à l’activité d’entreprise
d’assurance ou de réassurance, d’application des
dispositions régissant ces entreprises et de mise en
œuvre des pouvoirs de contrôle, dont les mesures de
redressement, et de sanction à l’égard de celles-ci.
Art. 4
Il est précisé que la loi en projet ne porte pas atteinte
aux obligations qui incombent aux entreprises d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge et de droit
étranger qui relèvent de l’application de la présente loi,
en vertu de législations particulières qui régiraient leur
activité. On peut citer, à titre d’exemple, la Loi assu-
rances, la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail,
la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la réparation
des dommages résultant des accidents du travail, des
accidents survenus sur le chemin du travail et des mala-
dies professionnelles dans le secteur public, la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de
la responsabilité en matière de véhicules automoteurs,
la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et
de survie des employés, la loi du 28 avril 2003 relative
aux pensions complémentaires et au régime fiscal de
celles-ci et de certains avantages complémentaires
en matière de sécurité sociale (ci-après la “LPC”), la
loi-programme (I) du 24 décembre 2002, qui concerne
les pensions complémentaires des travailleurs indépen-
dants (ci-après la “LPCI”), le Livre VII, Titre 4, Chapitre
2 du Code de droit économique relatif au crédit hypo-
thécaire, etc.
En ce qui concerne plus particulièrement les lois
du 10 avril 1971 et 3 juillet 1967 précitées, on rappelle
l’arrêt de la Cour de Justice de l’Union européenne du
18 mai 2000 condamnant l’État belge pour transposi-
tion incomplète de la directive 92/49/CEE du Conseil
du 18 juin 1992 portant coordination des dispositions
législatives, réglementaires et administratives concer-
nant l’assurance directe autre que l’assurance sur la vie
et modifiant les directives 73/239/CEE et 88/357/CEE
(troisième directive assurance non-vie).
Bien qu’elle ait reconnu la spécificité de l’assurance
contre les accidents du travail en Belgique, celle-ci fai-
sant partie d’un régime obligatoire de sécurité sociale, la
Cour de Justice n’avait pas trouvé dans cette spécificité
un fondement suffisant pour conclure que la troisième
46
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toepassing zou vinden op de sector van de arbeidson-
gevallenverzekering in België.
De wet van 9 juli 1975 en de daaruit voortvloeiende
prudentiële verplichtingen werden bijgevolg van toe-
passing verklaard op de ondernemingen die de ar-
beidsongevallenverzekering beoefenen als bedoeld in
de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de wet
3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schade-
vergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op
de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in
de overheidssector.
De specifieke bepalingen van deze wetten, die ge-
rechtvaardigd zijn door socialezekerheidsdoelstellingen,
bleven daarentegen ongewijzigd. Artikel 55 van de derde
richtlijn schadeverzekering laat de lidstaten immers
toe om dergelijke verplichtingen op te leggen aan alle
ondernemingen die de arbeidsongevallenverzekering
beoefenen, met inbegrip van de Europese bijkantoren
en de ondernemingen die in het kader van de vrije
dienstverrichting werkzaam zijn.
De ontwerpwet wijzigt deze beginselen niet, zodat
de ondernemingen naar Belgisch recht maar ook de
verzekeringsondernemingen naar buitenlands recht het
specifieke karakter van de arbeidsongevallenverzeke-
ring dienen te eerbiedigen.
Art. 5
Artikel 5 definieert de begrippen “verzekeringson-
derneming” en “herverzekeringsonderneming” en zet
daarmee artikel 13, punten 1) en 4) van de Richtlijn om.
De woorden “voor eigen rekening” in de definitie van
de begrippen “verzekeringsonderneming” en “herverze-
keringsonderneming” geven aan dat de betrokken activi-
teiten niet in loondienst mogen worden uitgeoefend (zie
artikel 1 van de Richtlijn). Ook personen die uitbestede
diensten verlenen worden op die manier uitgesloten.
Deze uitdrukking wordt reeds gebruikt in de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf voor wat
betreft de herverzekeringsondernemingen (zie art. 4, 1°).
De verzekeringsondernemingen worden gedefinieerd
onder verwijzing naar het door hen uitgeoefende “ver-
zekeringsbedrijf” en niet, zoals in de Richtlijn, als elke
onderneming waaraan een administratieve vergunning
is verleend (zie art. 13, punt 1) van de Richtlijn). Het
is immers de uitoefening van het bedrijf dat bestaat
in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten of het
uitvoeren van verzekeringsverrichtingen dat deze on-
dernemingen verplicht voorafgaandelijk een vergunning
directive non-vie ne s’appliquerait pas au secteur de
l’assurance contre les accidents du travail en Belgique.
Par conséquent, les entreprises pratiquant l’assu-
rance contre les accidents du travail visée par la loi du
10 avril 1971 sur les accidents du travail et par la loi
du 3 juillet 1967 sur la prévention et la réparation des
dommages résultant des accidents du travail, des acci-
dents survenus sur le chemin du travail et des maladies
professionnelles dans le secteur public, furent soumises
à la loi du 9 juillet 1975 et aux obligations prudentielles
en résultant.
En revanche, les dispositions spécifiques de ces
lois, qui sont justifiées par des objectifs de sécurité
sociale restaient inchangées. L’article 55 de la troisième
directive non-vie autorise en effet les États membres à
imposer de telles obligations à toutes les entreprises
pratiquant l’assurance des accidents du travail, y com-
pris aux succursales européennes et aux entreprises
travaillant en libre prestation de services.
La loi en projet ne modifie pas ces principes, de sorte
que les entreprises de droit belge mais également les
entreprises d’assurance de droit étranger doivent res-
pecter le caractère spécifique de l’assurance accidents
du travail.
Art. 5
L’article 5 définit l’entreprise d’assurance et l’entre-
prise de réassurance et transpose ainsi l’article 13,
points 1) et 4) de la Directive.
Les termes “pour son propre compte” employés dans
la définition des notions d’“entreprise d’assurance” et
d’“entreprise de réassurance” le sont afin de traduire le
caractère “non salarié” des activités concernées (voy.
l’article 1er de la Directive). L’expression exclut ainsi
également les personnes fournissant des prestations
dans le cadre de sous-traitance. Cette expression est
déjà utilisée dans la loi du 16 février 2009 relative à
la réassurance en ce qui concerne les entreprises de
réassurance (voy. art. 4, 1°).
En ce qui concerne les entreprises d’assurance, elles
sont définies par référence à “l’activité d’assurance”
qu’elles exercent et non pas, tel que la Directive le
prévoit, comme toute entreprise ayant obtenu l’agré-
ment administratif (voy. art.13, point 1). C’est en effet
l’exercice de l’activité qui consiste à conclure des
contrats ou à effectuer des opérations d’assurance
qui requiert de ces entreprises qu’elles obtiennent
un agrément préalable et non pas l’inverse. Le terme
47
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aan te vragen en niet omgekeerd. De in de definitie van
verzekeringsbedrijf gehanteerde term “verzekerings-
overeenkomst” wordt gedefinieerd in ontwerpartikel 15.
Het begrip “verzekeringsverrichting” maakt evenmin
als in het verleden het voorwerp uit van een formele
begripsbepaling. Het standpunt dat de wetgever des-
tijds heeft aangenomen, wordt in dezen gevolgd: “een
positiefrechtelijke bepaling waarbij de verzekeringsver-
richting zou worden gedefinieerd, zou snel te strak of
te eng kunnen blijken, gelet op de verschillende tech-
nische facetten welke die verrichting kan aannemen”.
De term “verrichting” beoogt immers “het geheel van
economische, sociale, commerciële en juridische feiten,
die bijdragen tot de realisering van het verschijnsel ver-
zekering” (zie Ontwerp van wet betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen, Parl.St. Senaat, 1970-
1971, nr. 570, Verslag namens de Commissie voor de
Economische Zaken uitgebracht door de heer Moreau
de Melen, p. 13 en Parl.St. Senaat, 1970-1971, nr. 269,
Memorie van Toelichting, p.15). Verder kan nog worden
verwezen naar de commentaar bij de bepalingen inzake
het toepassingsgebied en naar de Bijlagen I en II (die
de risico’s indelen per verzekeringstak) voor een beter
begrip van de geviseerde verrichtingen.
De herverzekeringsondernemingen worden op de-
zelfde wijze gedefinieerd als in de voornoemde wet
van 16 februari 2009, namelijk door uit te gaan van de
bewoordingen die de Richtlijn hanteert om het begrip
“herverzekeringsbedrijf” te definiëren (zie art.13, punt 7):
“de activiteit die bestaat in het aanvaarden van risico’s
welke door een verzekeringsonderneming of een andere
herverzekeringsonderneming worden overgedragen”).
Er wordt tevens gepreciseerd dat met het herverze-
keringsbedrijf wordt gelijkgesteld de dekking die een
herverzekeringsonderneming voor eigen rekening biedt
aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die
onder de toepassing valt van de titels II en III van de
wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op
de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (zie
art. 4, 1°, tweede lid van de wet van 16 februari 2009,
dat artikel 2, lid 2, eerste alinea van Richtlijn 2005/68/
EG betreffende herverzekering omzet. Dit artikel werd
vermoedelijk per vergissing niet opgenomen in de
Richtlijn ).
Het spreekt voor zich dat de begrippen “verzekerings-
onderneming” en “herverzekeringsonderneming” zowel
de ondernemingen dekken die onder het recht van een
lidstaat ressorteren als deze die onder het recht van
een derde land ressorteren, hoewel dit niet uitdrukkelijk
wordt vermeld in de definities. De begrippen “lidstaat”
en “derde land” worden wel omschreven in de lijst van
definities die in ontwerpartikel 15 is opgenomen.
“contrat d’assurance”, qui est utilisé dans la définition de
l’activité d’assurance, est défini à l’article 15 en projet.
La notion d’“opération d’assurance” ne fait pas l’objet
d’une définition formelle tel que dans le passé. Tout
comme le législateur par le passé, on estime qu’ “une
disposition de droit positif définissant l’opération d’assu-
rance pourrait rapidement s’avérer trop rigide ou trop
étroite compte tenu des divers aspects techniques que
cette opération peut revêtir”. Le terme opération vise
en effet “l’ensemble des faits économiques, sociaux,
commerciaux et juridiques qui concurrent à la réalisation
du phénomène de l’assurance” (voy. Projet de loi relatif
au contrôle des entreprises d’assurances, Doc. Parl.,
Sénat, 1970-1971, n° 570, Rapport fait au nom de la
Commission des Affaires Economiques par M. Moreau
de Melen, p. 13 et Doc. Parl., Sénat, 1970-1971, n° 269,
Exposé des motifs, p.15). En outre, il peut être renvoyé
au commentaire des dispositions concernant le champ
d’application et aux Annexes I et II (qui classent les
risques par branche d’assurance) pour une meilleure
compréhension des opérations visées.
En ce qui concerne les entreprises de réassurance,
elles sont définies de la même manière que sous
l’empire de la loi du 16 février 2009 précitée, c’est-
à-dire en reprenant les termes de la Directive pour la
définition de l’activité de réassurance (voy. art. 13, point
7): “l’activité qui consiste à accepter des risques cédés
par une entreprise d’assurances ou une autre entre-
prise de réassurance”). Il est également précisé qu’est
assimilée à l’activité de réassurance la couverture par
une entreprise de réassurance, pour son propre compte,
d’une institution de retraite professionnelle relevant
du champ d’application des titres II et III de la loi du
27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de
retraite professionnelle (cf. art. 4, 1°, al. 2, de la loi du
16 février 2009, qui transpose l’article 2, paragraphe
2, alinéa 1er, de la directive 2005/68/CE relative à la
réassurance. Vraisemblablement suite à un oubli, cet
article n’a pas été repris dans la Directive).
Il va de soi que les notions d’“entreprise d’assurance”
et d’“entreprise de réassurance” recouvrent tant les
entreprises qui relèvent du droit d’un État membre
que celles qui relèvent d’un pays tiers, bien que cette
précision ne soit pas apportée expressément dans les
définitions. Les notions d’“État membre” et de “pays
tiers” sont quant à elles définies dans la liste des défi-
nitions contenues à l’article 15 en projet.
48
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL II
Toepassingsgebied
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 6
In dit artikel wordt het algemeen toepassingsgebied
van de wet afgebakend.
Art. 7
Paragraaf 1 van dit artikel verwijst naar de Bijlagen I
en II voor de afbakening van het toepassingsgebied met
betrekking tot, respectievelijk, het niet-levensverzeke-
ringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf.
Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, neemt
paragraaf 2 de activiteit van hulpverlening aan personen
op in het toepassingsgebied, met dien verstande dat
hulp die wordt verleend bij een ongeval met of defect
aan een voertuig, uitgesloten is van de toepassing
van de wet indien die hulp aan bepaalde voorwaarden
voldoet. Voor deze voorwaarden zij verwezen naar
ontwerpartikel 10.
HOOFDSTUK II
Uitsluitingen
Afdeling I
Wettelijke regelingen
Art. 8
Overeenkomstig de Richtlijn is de ontwerpwet niet van
toepassing op verzekeringen die binnen een wettelijke
regeling van sociale zekerheid vallen.
De woorden “waarvoor de ondernemingen niet voor
eigen risico handelen” werden toegevoegd opdat de
verrichtingen van tak 29 en de arbeidsongevallenver-
zekeringen wel onder de toepassing van de wet zouden
vallen.
Net als in artikel 2, § 2, 1°, 1°bis en 2°, b van de wet
van 9 juli 1975 worden in het tweede lid van het artikel
de ondernemingen opgesomd die uitdrukkelijk van het
toepassingsgebied van de wet zijn uitgesloten. Aldus
vallen de maatschappijen van onderlinge bijstand niet
TITRE II
Champ d’application
CHAPITRE IER
Dispositions générales
Art. 6
Cet article détermine le champ d’application général
de la loi.
Art. 7
Le paragraphe 1er de cet article renvoie aux Annexes
I et II pour déterminer le champ d’application relatif,
respectivement, aux activités d’assurance non-vie et vie.
Pour ce qui concerne l’assurance non-vie, le para-
graphe 2 inclut les activités d’assistance aux personnes
dans le champ d’application, étant entendu que l’activité
d’assistance à l’occasion d’un accident ou d’une panne
affectant un véhicule est exclue du champ d’application
de la loi lorsqu’elle répond à certaines conditions. On
renvoie à l’article 10 en projet pour ces conditions.
CHAPITRE II
Exclusions
Section Ire
Régimes légaux
Art. 8
Comme le prévoit la Directive, la présente loi en projet
ne s’applique pas aux assurances faisant partie des
régimes légaux de sécurité sociale.
Les termes “pour lesquels les entreprises n’opèrent
pas à leurs propres risques” ont été ajoutés afin d’inclure
dans le champ d’application de la loi les opérations de
la branche 29 et les assurances accidents du travail.
Le second alinéa de l’article énonce, à l’instar de
l’article 2, § 2, 1°, 1°bis et 2°, b de la loi du 9 juillet 1975,
les entreprises qui sont exclues explicitement du champ
d’application de la loi. Ainsi, les sociétés mutualistes
ne relèvent pas de la loi en projet pour l’exécution de
49
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
onder het wetsontwerp voor de uitvoering van de wet-
telijke ziekteverzekering, noch voor het aanbieden van
verrichtingen en andere diensten die geen verzekering
uitmaken (zie de wet van 26 april 2010 houdende diverse
bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende
ziekteverzekering).
Tevens worden de gemeenschappelijke fondsen,
private ondernemingen met vaste premies en openbare
instellingen uitgesloten van het ontwerp van wet voor
wat betreft de verrichtingen bedoeld bij de wetten betref-
fende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders,
bedienden, mijnwerkers, zeelieden en zelfstandigen.
Het gaat om instellingen die enkel blijven bestaan om
de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten die des-
tijds zijn aangegaan voor de opbouw van een wettelijk
pensioen, te verzekeren.
Afdeling 2
Niet-levensverzekering
Art. 9 tot 11
In de ontwerpartikelen 9 en 10 worden de onder-
nemingen opgesomd die op grond van de uitoefening
van de omschreven niet-levensverzekeringsactiviteiten
uitgesloten zijn van de toepassing van de ontwerpwet.
Deze uitsluiting geldt enkel voor de omschreven ver-
richtingen. De ondernemingen die de opgesomde
niet-levensverzekeringsactiviteiten of —verrichtingen
uitoefenen, zijn dus enkel van de toepassing van de
wet uitgesloten voor zover zij geen andere activiteiten
uitoefenen die wel onder de toepassing van de ont-
werpwet vallen.
Wat betreft de uitsluiting van het toepassingsgebied
van de wet waarvan gebruik kan worden gemaakt door
de ondernemingen die een pechverhelpingsactiviteit
uitoefenen onder de voorwaarden van ontwerpartikel
10, wordt de Richtlijn gevolgd, zodat het vervoer van
het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en
passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrekpunt
of hun oorspronkelijke bestemming op het Belgische
grondgebied, voortaan is uitgesloten van de toepas-
sing van de wet voor zover voldaan is aan de andere
voorwaarden van artikel 10.
Ontwerpartikel 11 betreft de uitsluiting van bepaalde
onderlinge verzekeringsverenigingen die niet-levensver-
zekeringsactiviteiten uitoefenen en waarvan de risico’s
volledig herverzekerd of overgenomen zijn door andere
onderlinge verzekeringsverenigingen.
l’assurance maladie légale, ni pour l’offre d’opérations
et d’autres services qui ne constituent pas des assu-
rances (voy. la loi du 26 avril 2010 portant des disposi-
tions diverses en matière d’organisation de l’assurance
maladie complémentaire).
Sont également exclues de la loi en projet, les caisses
communes, les entreprises privées à primes fixes et les
institutions publiques pour ce qui concerne les opéra-
tions visées par les lois relatives au régime de retraite
et de survie des ouvriers, des employés, des ouvriers
mineurs, des marins et des travailleurs indépendants.
Il s’agit d’institutions qui subsistent afin d’assurer l’exé-
cution de contrats d’assurance conclus, à l’époque, en
vue de la constitution d’une pension légale.
Section 2
Assurance non-vie
Art. 9 à 11
Les articles 9 et 10 en projet énoncent les entre-
prises qui, en raison des activités d’assurance non-vie
décrites, sont exclues du champ d’application de la loi
en projet. La non-application de la loi est limitée aux
seules opérations décrites. En d’autres termes, les
entreprises qui exercent lesdites activités ou opérations
d’assurance non-vie ne sont exclues du champ d’appli-
cation de la loi que pour autant qu’elles n’exercent pas
d’autres activités qui relèvent du champ d’application
de la loi en projet.
Concernant l’exclusion du champ d’application de
la loi dont bénéficient les entreprises qui exercent une
activité d’assistance automobile dans les conditions
prévues par l’article 10 en projet, on signale que,
conformément à la Directive, l’assistance consistant
en l’acheminement du véhicule éventuellement accom-
pagné par le conducteur et les passagers jusqu’à leur
domicile, leur point de départ ou leur destination origi-
nelle à l’intérieur du territoire belge, peut dorénavant
bénéficier de l’exclusion du champ d’application de
loi pour autant que les autres conditions prévues par
l’article 10 soient satisfaites.
L’article 11 en projet concerne quant à lui l’exclu-
sion de certaines associations mutuelles d’assurance
exerçant des activités d’assurance non-vie et dont les
risques sont intégralement réassurés par ou cédés à
d’autres associations mutuelles d’assurance.
50
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Levensverzekering
Art. 12
In deze bepaling worden de ondernemingen opge-
somd die, wanneer zij de omschreven levensverze-
keringsactiviteiten of —verrichtingen uitoefenen, de
ontwerpwet niet dienen na te leven.
De eerste uitsluiting betreft de voorzorgs- en bij-
standsinstellingen waarvan de prestaties verschillen
naargelang van de beschikbare middelen en waarvan
de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald. Onder deze
uitsluiting vallen bijvoorbeeld de solidariteitsstelsels in
het kader van de WAP en de WAPZ.
De tweede uitsluiting betreft de verrichtingen van
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
De derde uitsluiting geldt voor prestaties bij overlijden
die qua bedrag beperkt zijn.
Volgens dezelfde logica als die welke in de com-
mentaar bij de artikelen 9 tot 11 wordt gevolgd, zijn
het telkens de betrokken verrichtingen en activiteiten
die van het toepassingsgebied worden uitgesloten en
niet de onderneming zelf wanneer zij andere verrichtin-
gen of activiteiten uitoefent dan deze die hier worden
omschreven.
Afdeling IV
Herverzekering
Art. 13 en 14
Overeenkomstig de Richtlijn geldt een uitsluiting van
de toepassing van de wet voor, enerzijds, de herverze-
keringsactiviteiten die om redenen van openbaar belang
door de Staat worden uitgeoefend of gewaarborgd en,
anderzijds, de herverzekeringsondernemingen die op
10 december 2007 het sluiten van nieuwe herverzeke-
ringsovereenkomsten hebben gestaakt (zogenaamde
ondernemingen “in run-off”). Wat deze laatste onder-
nemingen betreft, voorziet het ontwerpartikel echter in
de verplichting om de Bank in te lichten en wordt van de
Bank verlangd dat zij de lijst van deze ondernemingen
aan de andere lidstaten meedeelt.
Deze bepalingen zijn overgenomen uit de artikelen
3, § 2 en 149 van de wet van 16 februari 2009 op het
herverzekeringsbedrijf.
Section III
Assurance-vie
Art. 12
Cette disposition énumère les entreprises qui,
lorsqu’elles exercent les activités d’assurance-vie ou
effectuent les opérations d’assurance-vie décrites, ne
sont pas tenues au respect de la loi en projet.
La première exclusion concerne les organismes de
prévoyance et de secours qui accordent des prestations
variables selon les ressources disponibles et exigent de
chacun de leurs adhérents une contribution forfaitaire
appropriée. Sous cette exclusion tombent par exemple
les régimes de solidarité organisés par la LPC et la LPCI.
La deuxième exclusion concerne les opérations
effectuées par les institutions de retraite professionnelle.
La troisième exclut les prestations en cas de décès
limitées quant à leur montant.
Dans la même logique que celle exprimée sous le
commentaire des articles 9 à 11, ce sont à chaque fois
les opérations et activités concernées qui sont exclues
du champ d’application et non pas l’entreprise elle-
même lorsqu’elle exerce d’autres opérations ou activités
que celles décrites ici.
Section IV
Réassurance
Art. 13 et 14
Conformément à la Directive, sont excluent du champ
d’application de la loi, d’une part, les activités de
réassurance exercées ou garanties par l’État pour des
raisons d’intérêt public et, d’autre part, les entreprises
de réassurance qui, au 10 décembre 2007, ont cessé
de souscrire de nouveaux contrats de réassurance
(entreprises dites “en run-off”). En ce qui concerne
ces dernières, l’article en projet prévoit cependant une
obligation d’information de la Banque et une notification
par celle-ci de la liste de ces entreprises aux autres
États membres.
De telles dispositions reprennent les articles 3, § 2, et
149 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance.
51
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL III
Definities
Art. 15
Dit artikel bevat de definities die van belang zijn voor
de correcte toepassing en interpretatie van de wet.
Er zij opgemerkt dat sommige definities die specifiek
nuttig zijn voor de toepassing van bepaalde delen van
de ontwerpwet, opgenomen zijn aan het begin van de
betrokken delen, voor een beter begrip. In Boek II van
de wet is dit het geval voor de definities die specifiek zijn
voor Titel V aangaande het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsgroepen en het aanvullend toezicht op
financiële conglomeraten.
Wat het begrip “verzekeringsovereenkomst” betreft,
wordt verwezen naar de definitie van deze term die
thans is opgenomen in de Wet Verzekeringen. Voor de
interpretatie van het begrip dient verwezen te worden
naar het standpunt van de FSMA betreffende de essen-
tiële bestanddelen van een verzekeringsovereenkomst
(zie Mededeling FSMA_2015_13 dd. 26/08/2015 op de
website www.fsma.be).
Op grond van de definitie van de term in de Wet
Verzekeringen, zijn de wezenlijke bestanddelen van een
verzekeringsovereenkomst: een onzekere gebeurtenis
(die aan de overeenkomst een aleatoir karakter verleent),
een verzekerbaar belang (waardoor de verrichting zich
onderscheidt van een kansspel of een weddenschap),
een premie en een verzekeringsprestatie. Naast deze
vier in de wet vastgestelde kenmerken, dient men ook
oog te hebben voor het zelfstandig karakter van een
verzekeringsovereenkomst.
Zo kunnen bepaalde derivatencontracten (onder
andere interest rate caps en credit default swaps) bij-
voorbeeld niet als verzekeringsovereenkomsten worden
aangemerkt omdat er geen verzekerbaar belang is.
Ondanks het feit dat derivatencontracten aangewend
kunnen worden om bepaalde risico’s te dekken, is het
verzekerbaar belang immers geen wezenlijk bestand-
deel van een derivatencontract zoals het dit wel is bij
een verzekeringsovereenkomst. Derivatencontracten
kunnen immers ook om speculatieve doeleinden worden
gesloten of kunnen speculatief worden, zonder dat de
geldigheid van het contract daardoor in het gedrang
komt of dat dit een impact heeft op de contractuele
verplichtingen van de verkoper van het derivaat. De
betalingsverplichtingen van de verkoper van het derivaat
staan los van de vraag of de koper al dan niet een na-
deel lijdt, er al dan niet belang bij heeft dat de onzekere
gebeurtenis zich niet voordoet.
TITRE III
Définitions
Art. 15
Cet article reprend les définitions qui sont importantes
pour une correcte application et interprétation de la loi.
On attire l’attention sur le fait que certaines définitions
spécifiquement utiles à l’application de certaines par-
ties de la loi en projet sont reprises, pour une meilleure
compréhension, en tête des parties concernées. Au sein
du Livre II de la loi, il en va ainsi des définitions spéci-
fiques au Titre V concernant le contrôle des groupes
d’assurance ou de réassurance et la surveillance com-
plémentaire des conglomérats financiers.
Quant à la notion de “contrat d’assurance”, il est fait
référence à la définition du contrat d’assurance telle
que visée actuellement par la Loi assurances. Pour
l’interprétation du terme, il doit être fait référence à la
position de la FSMA en ce qui concerne les éléments
essentiels du contrat d’assurance (cf. la Communication
FSMA_2015_13 du 26/08/2015 sur le site web www.
fsma.be).
En vertu de la définition du terme par la Loi assu-
rances, les éléments constitutifs du contrat d’assurance
sont: un événement incertain (qui fait le caractère aléa-
toire du contrat), un intérêt d’assurance (nécessaire à
distinguer l’opération du jeu ou pari), une prime et une
prestation d’assurance. Outre ces quatre caractéris-
tiques prévues par la loi, il convient encore de porter
une attention particulière au caractère autonome d’un
contrat d’assurance.
Ainsi, par exemple, certains contrats dérivés (entre
autres, les interest rate caps et les credit default swaps)
ne peuvent être qualifiés de contrat d’assurance à
défaut d’intérêt d’assurance. Contrairement aux contrats
d’assurance, l’intérêt d’assurance ne constitue pas, en
effet, un élément essentiel des contrats dérivés, et cela
en dépit de la possibilité d’utiliser des contrats dérivés
en vue de se couvrir contre certains risques. Le contrat
dérivé peut en effet également être conclu à des fins
spéculatives ou devenir spéculatif, sans que de ce fait
la validité du contrat ne soit menacée ou que cela n’ait
un impact sur les obligations contractuelles du vendeur
du dérivé. Les obligations de paiement du vendeur
du dérivé sont indépendantes du fait que l’acheteur
subisse ou non un préjudice, ait ou non un intérêt à ce
que l’événement incertain ne se réalise pas.
52
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het zelfstandige karakter is bijvoorbeeld bij-
zonder relevant om verzekeringsovereenkomsten
te onderscheiden van garantieovereenkomsten.
Garantieovereenkomsten zijn namelijk bijkomstig ten
aanzien van een niet-aleatoire hoofdverrichting (ty-
pisch een koopovereenkomst) en strekken enkel tot
vergoeding en/of herstel van een gebrekkige uitvoering
waarvan de oorzaak intrinsiek gelegen is in de hoofdver-
richting of in het voorwerp ervan.
De Richtlijn deelt de verzekeringen op in “schadever-
zekeringen” en “levensverzekeringen”. In het voorliggen-
de wetsontwerp werd ervoor gekozen dezelfde opdeling
te maken onder de termen “niet-levensverzekering” en
“levensverzekering”, teneinde verwarring te vermijden
met de term “schadeverzekering” als gedefinieerd in de
Wet Verzekeringen (Parl. St., Kamer, 13 februari 2014,
nr. 3361/001, p.13).
Conform de definitie die ervan wordt gegeven in de
artikelen 13, punt 11), 145, lid 1 en 162, lid 3 van de
Richtlijn, wordt het begrip “bijkantoor” in het wetsont-
werp ruim omschreven, zodat het alle bijkantoren omvat
(zowel bijkantoren van ondernemingen die onder het
recht van een lidstaat ressorteren als bijkantoren van
ondernemingen die onder derde landen ressorteren) die
gevestigd zijn op het grondgebied van een lidstaat, die
zowel België als een andere lidstaat kan zijn.
De begrippen “lidstaat van herkomst”, “lidstaat
van ontvangst”, “lidstaat of derde land van het risico”,
“moederonderneming”, “dochteronderneming”, “zeg-
genschapsband”, “deelneming”, “gekwalificeerde
deelneming” en “financiële onderneming” zijn voor het
merendeel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de
identieke begrippen van de wet van 9 juli 1975 en/of van
de wet van 16 februari 2009.
Wat in bijzonder het begrip “lidstaat van ontvangst”
betreft, is de definitie overgenomen uit de wet van
16 februari 2009 (zie art. 4, 9°), die een eenvoudigere
definitie bevatte dan de Richtlijn.
Wat in het bijzonder het begrip “lidstaat of derde
land van het risico” betreft, stemt de definitie overeen
met die van artikel 2, § 6, 8° van de wet van 9 juli 1975.
Er werd evenwel “derde land” aan toegevoegd. De
afwijking voor motorrijtuigen bedoeld in de wet van
21 november 1989 die vanuit een lidstaat naar een
andere lidstaat worden verzonden, werd ingevoegd bij
wet van 8 juni 2008 teneinde “het verkrijgen van een
verzekering te vergemakkelijken voor een voertuig dat
uit een lidstaat naar een andere lidstaat wordt ingevoerd,
zelfs indien dit voertuig nog niet is ingeschreven in de
lidstaat van bestemming. Gedurende een periode van
30 dagen vanaf de datum van de aanvaarding van de
D’autre part, le caractère autonome est par exemple
particulièrement pertinent en vue de distinguer les
contrats d’assurance des contrats de garantie. Les
contrats de garantie sont en effet accessoires à une opé-
ration principale non aléatoire (typiquement un contrat
d’achat) et ne visent qu’à indemniser et/ou réparer une
mauvaise exécution dont la cause est intrinsèque à
l’opération principale ou à son objet.
La Directive subdivise les assurances en “assurances
non-vie” et en “assurances-vie”. Le présent projet de loi
opère la même distinction sous les termes “assurances
non-vie” et “assurances-vie”, afin d’éviter toute confu-
sion avec le terme “assurance de dommages” tel que
défini dans la Loi assurances (Doc. Parl., Chambre,
13 février 2014, n° 3361/001, p.13).
La notion de “succursale” est définie par la loi en
projet de manière large afin de transposer la définition
qui en est donnée par les articles 13, point 11), 145,
paragraphe 1 et 162, paragraphe 3 de la Directive
et viser toutes les succursales, qu’il s’agisse d’une
succursale d’une entreprise relevant du droit d’un État
membre ou d’un pays tiers, présentes sur le territoire
d’un État membre, que ce soit la Belgique ou un autre
État membre que la Belgique.
Les notions d’ “État membre d’origine”, d’ “État
membre d’accueil”, d’“État membre ou pays tiers où
le risque est situé”, d’“entreprise mère”, de “filiale”, de
“lien de contrôle”, de “participation”, de “participation
qualifiée” et d’“entreprise financière”, sont en majorité
restées inchangées par rapport aux notions identiques
de la loi du 9 juillet 1975 et/ou de la loi du 16 février 2009.
En ce qui concerne en particulier la notion d’ “État
membre d’accueil”, celle-ci est définie comme dans la loi
du 16 février 2009 (cf. art. 4, 9°) et de manière simplifiée
par rapport au texte de Directive.
En ce qui concerne en particulier la définition d’“État
membre ou pays tiers où le risque est situé”, celle-ci cor-
respond à la définition de l’article 2, § 6, 8°, de la loi du
9 juillet 1975. Le pays tiers y a été ajouté. Une dérogation
relative aux véhicules automoteurs visés par la loi du
21 novembre 1989 qui sont expédiés d’un État membre
vers un autre État membre a été introduite par une loi du
8 juin 2008 afin de “faciliter l’obtention d’une assurance
couvrant un véhicule importé d’un État membre dans
un autre État membre, même si le véhicule n’est pas
encore immatriculé dans l’État membre de destination.
Pendant les 30 jours qui suivent l’acceptation de la
livraison du véhicule par l’acheteur, c’est l’État membre
53
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
levering van het voertuig door de koper, dient de lidstaat
van bestemming te worden beschouwd als de lidstaat
waar het risico gelegen is” (zie Parl. St., 2007-2008,
nr. 1012/001, p.16). Er wordt voorgesteld deze afwijking
over te nemen.
De definitie van “intragroeptransactie” waarin de
Richtlijn (art. 13, punt 19) voorziet, wordt enigszins
anders geformuleerd teneinde de doelstelling van een
dergelijke transactie te benadrukken (“om te voldoen
aan een verplichting”) en om enkele overbodige woor-
den te schrappen.
De definities van “verzekeringscaptive”, “herver-
zekeringscaptive”, “Special Purpose Vehicle”, “vesti-
ging”, “nauwe banden, “uitbesteding”, “functie” in een
governancesysteem, “verzekeringstechnisch risico”,
“marktrisico”, “liquiditeitsrisico”, “concentratierisico”,
“risicomatigingstechnieken”, “diversificatie-effecten”,
“kansverdelingsprognose” en “risicomaatstaf” zijn over-
genomen uit de Richtlijn, ofwel letterlijk, ofwel met kleine
wijzigingen van zuiver formele aard of om de tekst van
het wetsontwerp beter te doen aansluiten bij de andere
taalversies van de Richtlijn. Zo wordt in de definitie van
“nauwe banden” die in de Franstalige versie van het
wetsontwerp wordt gegeven, de uitdrukking “de manière
permanente” verkozen boven het begrip “durablement”
aangezien in de Engelse versie van de Richtlijn de uit-
drukking “permanently” wordt gebruikt (zie art. 13, punt
17). Dit is ook het geval voor de definitie van “operati-
oneel risico”, waaraan in de Franstalige versie van het
wetsontwerp de term “processus” wordt toegevoegd,
omdat dit begrip ook voorkomt in de Engelse versie van
de Richtlijn (zie art. 13, punt 33).
De definities die opgenomen zijn in de punten 70° tot
75°, zijn deze die vereist zijn voor de omzetting van Titel
IV van de Richtlijn betreffende de sanering en liquidatie
van verzekeringsondernemingen (zie Boeken VI en VII
van het voorliggende wetsontwerp). Op enkele kleine
wijzigingen na, zijn ze overgenomen uit artikel 2, § 6,
14° tot 20° van de wet van 9 juli 1975.
Wat het begrip “strategische beslissingen” betreft, dat
nuttig is voor de toepassing van ontwerpartikel 101 (punt
77°), is de definitie rechtstreeks ontleend aan artikel 3,
63° van de bankwet van 25 april 2014, dat op zijn beurt
ontleend is aan het huidige artikel 36/3, § 2 van de wet
van 22 februari 1998. Hoewel de criteria van kwantita-
tieve aard die voorheen waren opgenomen in de wet
van 2 juli 2010, doelbewust waren weggelaten uit deze
laatste bepaling, kunnen die criteria (te weten het feit
dat de beslissing een wijziging van meer dan 10 % van
het balanstotaal of van de geconsolideerde inkomsten
van de onderneming impliceert, dan wel een investe-
ring van minstens 5 % van haar kapitaal en reserves
de destination qui devra être considéré comme l’État
membre dans lequel le risque est situé” (cf. Doc. Parl.,
sess. ord. 2007-2008, n° 1012/001, p. 16). Il est proposé
de reprendre cette dérogation.
La définition de la “transaction intragroupe” don-
née par la Directive (art. 13, point 19) est légèrement
reformulée afin de mettre en exergue la finalité d’une
telle transaction (“pour l’exécution d’une obligation”) et
supprimer les termes jugés superflus.
Les définitions d’“entreprise captive d’assurance”,
d’“entreprise captive de réassurance”, de “véhicule
de titrisation”, d’“établissement”, de “liens étroits”, de
“sous-traitance”, de “fonction” dans un système de
gouvernance, de “risque de souscription”, de “risque
de marché”, de “risque de liquidité”, de “risque de
concentration”, de “techniques d’atténuation du risque”,
d’“effets de diversification”, de “distribution de pro-
babilité prévisionnelle” et de “mesure de risque” sont
reprises de la Directive, soit littéralement, soit moyen-
nant des modifications mineures à caractère purement
formel ou destinées à rapprocher davantage le texte
en projet d’autres versions linguistiques de la Directive.
Ainsi, par exemple, dans la définition des “liens étroits”,
l’expression “de manière permanente” est préférée au
terme “durablement”, la version anglaise de la Directive
utilisant l’expression “permanently” (cf. art. 13, point 17).
De même, dans la définition de “risque opérationnel”,
on ajoute une référence aux “processus” internes visés
dans le texte anglais (cf. art. 13, point 33).
Les définitions reprises aux points 70° à 75° sont
celles qui sont requises pour la transposition du Titre
IV de la Directive relatif à l’assainissement et à la liqui-
dation des entreprises d’assurance (voy. Livres VI et
VII du présent projet). Moyennant quelques adaptations
mineures, elles constituent la reprise de l’article 2, § 6,
14° à 20°, de la loi du 9 juillet 1975.
S’agissant de la notion de “décisions stratégiques”
utile à l’application de l’article 101 en projet (point 77°),
la définition est directement inspirée de l’article 3, 63°
de la loi bancaire du 25 avril 2014 lui-même inspiré de
l’actuel article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998.
Bien que cette dernière disposition avait volontairement
abandonné les critères de nature quantitative antérieure-
ment prévus sous la loi du 2 juillet 2010, ces critères (à
savoir, le fait que la décision implique une modification
de plus de 10 % du total du bilan ou des revenus conso-
lidés de l’entreprise, ou représente un investissement
d’au moins 5 % de son capital et de ses réserves) sont
susceptibles de guider l’interprétation de cette notion
54
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
vertegenwoordigt) als leidraad blijven fungeren voor de
interpretatie van dat begrip, zonder dat de draagwijdte
ervan evenwel beperkt wordt tot die criteria. In tegen-
stelling tot een operationele beslissing gaat het hier om
belangrijke beslissingen die een globalere impact heb-
ben of kunnen hebben op de onderneming in de mate
dat zij gevolgen hebben voor verschillende functies van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wat
in de definitie gepreciseerd wordt. In die optiek wordt
opgemerkt dat onder het begrip “samenwerkingsak-
koorden” van de definitie, zoals trouwens uit de tekst
zelf blijkt, strategische samenwerkingsakkoorden
moeten worden verstaan, waardoor akkoorden met
betrekking tot eenvoudige uitbesteding uitgesloten zijn.
Deze laatste worden elders in het voorliggende ontwerp
behandeld (zie ontwerpart. 92) in het kader van de
bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
Ten slotte worden de begrippen “nationaal bureau”,
“nationaal garantiefonds” en “grote risico’s” (art. 13, pun-
ten 23), 24) en 27) van de Richtlijn) niet gedefinieerd zo-
als in de Richtlijn. Voor de twee eerste begrippen werd in
het voorliggende ontwerp een definitie opgenomen van
hun Belgische equivalent (het Belgisch Bureau van de
Autoverzekeraars en het Belgisch Gemeenschappelijk
Waarborgfonds); het laatste begrip wordt enkel gebruikt
in artikel 184 van de Richtlijn, dat een bepaling is die
eerder betrekking heeft op de consumentenbescher-
ming dan op het prudentieel toezicht, en hoort dus niet
thuis in het voorliggende wetsontwerp.
TITEL IV
Gereserveerde namen
Art. 16
Naar analogie met soortgelijke bepalingen in andere
prudentiële wetgeving, reserveert deze bepaling het pu-
blieke gebruik van de namen en gangbare uitdrukkingen
in de activiteiten van de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen die betrekking hebben op het sta-
tuut van verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen,
onder voorbehoud van de uitzonderingen die in het
tweede lid zijn opgesomd.
sans toutefois en limiter la portée à ces seuls critères.
Au contraire d’une décision opérationnelle, il s’agit ici
de décisions majeures ayant ou susceptibles d’avoir un
impact plus global sur l’entreprise dans la mesure où
différentes fonctions de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance seraient touchées ou remises en question
à la suite de pareilles décisions, ce que la définition
précise. À cet égard, en ce qui concerne les accords de
coopération visés par la définition, comme cela ressort
du dispositif lui-même, il s’agit bien de coopération
stratégique, ce qui exclut les accords de simple sous-
traitance par ailleurs appréhendés par le présent projet
(voy. art. 92 en projet) dans le cadre des conditions
d’exercice de l’activité de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance.
Finalement, les notions de “bureau national”, de
“fonds national de garantie” et de “grands risques” (art.
13, 23), 24) et 27) de la Directive) ne sont pas définies
comme dans la Directive. Pour les deux premières,
on a défini dans le présent projet, leur équivalent en
Belgique (le Bureau belge des Assureurs automobiles
et le Fonds commun de Garantie Belge); quant à la
dernière, dès lors qu’elle n’est employée qu’à l’article
184 de la Directive, qui est une disposition qui relève
plus de la protection du consommateur que du contrôle
prudentiel, elle ne trouve pas sa place dans le présent
projet de loi.
TITRE IV
Des dénominations réservées
Art. 16
Par analogie avec des dispositions similaires dans
d’autres législations prudentielles, cette disposition
réserve aux seules entreprises d’assurance et de
réassurance l’usage public des dénominations et
expressions courantes dans l’activité des entreprises
d’assurance ou de réassurance qui font référence au
statut d’entreprise d’assurance ou de réassurance, sous
réserve des exceptions énoncées à l’alinéa 2.
55
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK II
VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGS-
ONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT
TITEL I
Toegang tot het bedrijf
Titel 1 van het voorliggende ontwerp beoogt de
structuur te verfijnen ten opzichte van de wetten van
9 juli 1975 en 16 februari 2009, door een onderscheid
te maken tussen enerzijds de vergunningsplicht en de
procedure voor het verkrijgen van de vergunning, als
bepaald in Hoofdstuk I, en anderzijds de vergunnings-
voorwaarden, die in Hoofdstuk II worden behandeld.
HOOFDSTUK I
Vergunning
Afdeling I
Vergunningsplicht
Art. 17 tot 19
Ontwerpartikel 17 bepaalt dat alle verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
die in België een gereglementeerde verzekerings- of
herverzekeringsactiviteit willen uitoefenen, vooraf-
gaandelijk een vergunning dienen te verkrijgen. Deze
verplichting is overgenomen uit artikel 2bis van de wet
van 9 juli 1975 en is dus niet nieuw.
Het in ontwerpartikel 18, eerste lid, 1° neergelegde
beginsel dat de vergunning als verzekeringsonderne-
ming wordt verleend voor een of meer takken, kwam
reeds voor in artikel 4, tweede en derde lid van de
wet van 9 juli 1975, evenals in artikel 6, eerste lid van
het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende
algemeen reglement betreffende de controle op de
verzekeringsondernemingen (hierna het “Algemeen
Reglement”) en is dus niet nieuw. De regel dat de ver-
gunning voor de volledige tak geldt, tenzij de aanvrager
slechts een gedeelte van de tot deze tak behorende
risico’s wenst te dekken, doet uiteraard geen afbreuk
aan het recht dat de Bank op grond van ontwerpartikel
29 heeft om de vergunning die voor een bepaalde tak
wordt aangevraagd, zelf te beperken tot sommige van
de activiteiten die opgenomen zijn in het programma
LIVRE II
DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE
REASSURANCE DE DROIT BELGE
TITRE IER
De l’accès à l’activité
Par rapport aux lois de 9 juillet 1975 et 16 février 2009,
le présent projet en son Titre Ier, entend affiner la struc-
ture en distinguant, d’une part, l’obligation d’agrément
et la procédure en vue de son obtention reprises sous
le Chapitre Ier et, d’autre part, les conditions d’agrément
qui font l’objet d’un Chapitre II.
CHAPITRE IER
Agrément
Section Ire
Obligation d’agrément
Art. 17 à 19
L’article 17 en projet impose à toutes les entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge qui
entendent exercer en Belgique une activité d’assurance
ou de réassurance réglementée, d’obtenir un agrément
préalable. L’obligation prescrite par l’article 17 en projet
n’est pas neuve et est reprise de l’article 2bis de la loi
du 9 juillet 1975.
Le principe prôné à l’article 18, alinéa 1er, 1° en projet,
selon lequel l’agrément d’entreprise d’assurance est
accordé pour une ou plusieurs branches, n’est pas neuf
et figurait déjà à l’article 4, alinéas 2 et 3 de la loi du
9 juillet 1975, ainsi qu’à l’article 6, alinéa 1er de l’arrêté
royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif
au contrôle des entreprises d’assurances (ci-après, le
“Règlement Général”). La règle selon laquelle l’agré-
ment couvre la branche entière sauf si le demandeur
ne désire garantir qu’une partie des risques relevant de
cette branche est évidemment sans préjudice du droit
pour la Banque, repris à l’article 29 en projet, de limiter
elle-même l’agrément demandé pour une branche à
certaines des activités reprises dans le programme
d’activités de l’entreprise d’assurance concernée, ou de
l’assortir de conditions relatives à l’exercice de certaines
56
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van werkzaamheden van de betrokken verzekerings-
onderneming, of om aan die vergunning voorwaarden
te verbinden met betrekking tot de uitoefening van som-
mige van de voorgenomen activiteiten indien dit nodig is
om een gezond en voorzichtig beleid van de betrokken
verzekeringsonderneming te garanderen.
Onder vigeur van de wet van 16 februari 2009 was
het reeds toegestaan voor herverzekeringsonderne-
mingen om herverzekeringsactiviteiten “niet-leven” te
combineren met herverzekeringsactiviteiten “leven” (als
bepaald in ontwerpartikel 18, eerste lid, 2°), maar de
mogelijkheid waarin het derde lid van dit artikel voorziet
om binnen de door de Bank vastgestelde grenzen het
statuut van verzekeringsonderneming te cumuleren
met dat van herverzekeringsonderneming, is nieuw (zie
commentaar bij ontwerpartikel 34 voor een uitgebreidere
toelichting hierop).
Ontwerpartikel 19 bepaalt dat alle verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten wil-
len uitbreiden tot andere activiteiten die niet onder de
eerder verleende vergunning vallen, voorafgaandelijk
een uitbreiding van de vergunning moeten aanvragen,
en voegt de bepalingen van artikel 6, § 1, vierde lid van
de wet van 16 februari 2009 samen met die van artikel
14, lid 2, b) van de Richtlijn. Deze verplichting geldt voor
uitbreidingen van de activiteit tot een of meer andere
verzekeringstakken, tot andere delen van verzeke-
ringstakken of tot andere herverzekeringsactiviteiten.
Deze bepaling moet in samenhang worden gelezen met
de ontwerpartikelen 36 en 38, die voor verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten wil-
len uitbreiden — net zoals voor ondernemingen die voor
het eerst een vergunning aanvragen — respectievelijk
de verplichting bevatten om een programma van werk-
zaamheden voor te leggen en om te bewijzen dat zij
over het nodige in aanmerking komend eigen vermogen
beschikken om te voldoen aan het solvabiliteitskapitaal-
vereiste en aan het minimumkapitaalvereiste.
Art. 20 en 21
Ontwerpartikel 20 zorgt voor de omzetting van ar-
tikel 15, lid 4 van de Richtlijn. Uit dit artikel volgt dat
de ondernemingen die een pechverhelpingsactiviteit
uitoefenen met inachtneming van de voorwaarden van
ontwerpartikel 10, overeenkomstig dit ontwerpartikel
10 zijn vrijgesteld van de naleving van de bepalingen
van deze wet evenals van de vergunningsplicht, terwijl
de verzekeringsondernemingen die over een vergun-
ning beschikken, diezelfde pechverhelpingsactiviteit als
bedoeld in ontwerpartikel 10 slechts mogen uitoefenen
indien zij een vergunning hebben verkregen voor tak
18 als vermeld in Bijlage I of indien de risico’s die onder
des activités projetées, si la gestion saine et prudente
de l’entreprise d’assurance concernée le requiert.
S’il était déjà permis aux entreprises de réassurance,
sous l’empire de la loi du 16 février 2009, de combiner
l’activité de réassurance non-vie avec l’activité de réas-
surance vie (tel que prévu à l’article 18, alinéa 1er, 2° en
projet), la possibilité, reprise à l’alinéa 3 de cet article,
de cumuler, dans les limites fixées par la Banque, le
statut d’entreprise d’assurance avec celui d’entreprise
de réassurance est neuve (voy. le commentaire de
l’article 34 en projet pour des développements plus
approfondis à ce sujet).
L’article 19 en projet impose la sollicitation préalable
d’une extension de l’agrément par toute entreprise
d’assurance ou de réassurance qui souhaite étendre
ses activités à d’autres activités non couvertes par
l’agrément accordé antérieurement, et fusionne les
dispositions de l’article 6, § 1er, alinéa 4 de la loi
du 16 février 2009, d’une part, et celles de l’article
14, paragraphe 2, b) de la Directive, d’autre part. Cette
obligation s’impose en cas d’extension de l’activité à
une ou plusieurs autres branches d’assurance ou à
d’autres parties de branches d’assurance ou à d’autres
activités de réassurance. Cette disposition doit être lue
ensemble avec les articles 36 et 38 en projet, imposant
aux entreprises d’assurance ou de réassurance dési-
reuses d’étendre leurs activités, — au même titre que
les entreprises sollicitant un agrément pour la première
fois —, respectivement, de présenter un programme
d’activités et de prouver qu’elles disposent des fonds
propres éligibles nécessaires pour détenir le capital de
solvabilité requis et le minimum de capital requis.
Art. 20 et 21
L’article 20 en projet assure la transposition de
l’article 15, paragraphe 4 de la Directive. Il en résulte
que si, conformément à l’article 10 en projet, les entre-
prises exerçant une activité d’assistance automobile aux
conditions énoncées audit article 10 sont dispensées du
respect des dispositions de la présente loi, y compris
l’obligation d’agrément, les entreprises d’assurance
agréées, quant à elles, ne peuvent pratiquer cette même
activité d’assistance automobile visée à l’article 10 que
si elles ont reçu un agrément pour la branche 18 men-
tionnée à l’Annexe I ou si, en application de l’article 21,
§ 2 en projet, les risques compris dans cette activité
57
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
deze activiteit vallen, met toepassing van ontwerpar-
tikel 21, § 2, als bijkomende risico’s kunnen worden
beschouwd ten opzichte van een hoofdrisico waarvoor
zij reeds over een vergunning beschikken.
Artikel 21 bevat het beginsel dat de risico’s die tot
een tak behoren, niet in een andere tak mogen wor-
den ingedeeld, en somt de gevallen op waarin van dit
beginsel mag worden afgeweken, die voorheen waren
opgenomen in artikel 6 van het Algemeen Reglement.
Afdeling II
Procedure
Art. 22 tot 25
Deze artikelen, die deel uitmaken van de afdeling
over de procedure voor de indiening van de vergun-
ningsaanvraag, betreffen de samenstelling van het
administratief dossier dat bij de vergunningsaanvraag
moet worden gevoegd. De ontwerpartikelen 22 en
23 bepalen de minimuminhoud van dit dossier, ongeacht
de takken waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
De voorwaarden waaraan dit administratief dossier moet
voldoen, worden voortaan uitsluitend door de Bank be-
paald, die daarbij echter rekening houdt met de door de
FSMA opgelegde voorwaarden met betrekking tot de or-
ganisatie en de procedures waarop zij toezicht uitoefent
overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2, van
de wet van 2 augustus 2002. Ontwerpartikel 24 bepaalt
welke documenten bij de aanvraag moeten worden ge-
voegd wanneer de te dekken risico’s tot tak 10 behoren
als vermeld in Bijlage I (namelijk BA Motorrijtuigen), of
betrekking hebben op de arbeidsongevallenverzekering
als bedoeld in de wet van 10 april 1971.
Ontwerpartikel 25 bepaalt dat een onderneming
die vóór de vergunningsaanvraag reeds een verzeke-
ringsactiviteit uitoefende waarvoor geen vergunning
is vereist, aanvullende documenten moet voorleggen.
De Bank moet immers volledig op de hoogte zijn van
de financiële positie van de onderneming en van alle
verrichtingen die zij voorheen uitvoerde.
Art. 26 en 27
Deze bepalingen over de samenwerking met de
FSMA of met toezichthouders van andere lidstaten in
geval van een vergunningsaanvraag die uitgaat van
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
verbonden is met een gereglementeerde onderneming
die onder het toezicht staat van de FSMA of van een
andere toezichthouder in een andere lidstaat, bevatten
geen inhoudelijke vernieuwingen.
peuvent être considérés comme accessoires par rapport
à un risque principal déjà couvert par leur agrément.
L’article 21 reprend le principe selon lequel les risques
compris dans une branche ne peuvent être classés
dans une autre branche, ainsi que les dérogations à ce
principe, figurant auparavant à l’article 6 du Règlement
Général.
Section II
Procédure
Art. 22 à 25
Ces articles, faisant partie de la section relative à la
procédure d’introduction de la demande d’agrément,
concernent la composition du dossier administratif
devant accompagner la demande d’agrément. Les
articles 22 et 23 en projet fixent le contenu minimal de ce
dossier, indépendamment des branches faisant l’objet
de la demande d’agrément. Les conditions auxquelles
doit répondre ce dossier administratif sont désormais
exclusivement définies par la Banque mais en tenant
compte des conditions qu’impose la FSMA en ce qui
concerne l’organisation et les procédures dont elle
assure le contrôle conformément à l’article 45, § 1er,
alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002. L’article
24 en projet, précise certains documents à joindre à la
demande lorsque les risques à couvrir relèvent de la
branche 10 mentionnée à l’Annexe I (c’est-à-dire, la
R.C. véhicules terrestres automoteurs), ou concernent
l’assurance contre les accidents du travail visée par la
loi du 10 avril 1971.
L’article 25 en projet impose la communication de
documents additionnels lorsqu’antérieurement à la
demande d’agrément, l’entreprise exerçait déjà une
activité d’assurance ne requérant pas d’agrément. La
Banque doit, en effet, être complètement informée au
sujet de la situation financière de l’entreprise et de toutes
les opérations qu’elle traitait auparavant.
Art. 26 et 27
Aucune innovation quant au fond n’est apportée à ces
dispositions relatives à la coopération avec la FSMA ou
avec des autorités de contrôle d’autres États membres,
en cas de demande d’agrément d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance liée à une entreprise
réglementée soumise au contrôle de la FSMA ou d’une
autre autorité de contrôle dans un autre État membre.
58
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Net zoals zij dat met de buitenlandse toezichthou-
ders doet, raadpleegt de Bank de FSMA wanneer
de onderneming die de vergunning aanvraagt hetzij
de dochteronderneming is van een onderneming die
onder het toezicht staat van de FSMA, hetzij de doch-
teronderneming van een moederonderneming van een
onderneming die onder het toezicht staat van de FSMA,
hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of
rechtspersonen als deze die een onder het toezicht van
de FSMA staande onderneming controleren.
Tot slot voorziet ontwerpartikel 26 ook in een weder-
zijdse informatieplicht tussen de Bank en de buiten-
landse autoriteiten of de FSMA voor het beoordelen van
de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiders en
de verantwoordelijken voor de onafhankelijke contro-
lefuncties, overeenkomstig de ontwerpartikelen 39 en
40, wanneer deze personen, naargelang van het geval,
aandeelhouders, leiders of verantwoordelijken voor
onafhankelijk controlefuncties zijn van een onderne-
ming die onder het toezicht staat van een buitenlandse
autoriteit of van de FSMA.
Daarnaast dient de Bank eveneens het advies te
vragen van de FSMA voor aangelegenheden die tot de
specifieke eigen bevoegdheid van de FSMA behoren.
Zo dient de FSMA een advies te verstrekken over:
— het passende karakter van de organisatie van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in
de mate dat deze organisatie betrekking heeft op de
gedragsregels, en met name van haar integriteitsbeleid;
— de professionele betrouwbaarheid van de na-
tuurlijke personen die een leidinggevende functie of
een onafhankelijke controlefunctie uitoefenen in de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, indien
zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden
voorgedragen bij een onderneming die onder het pru-
dentieel toezicht staat van de Bank.
De Bank is niet gebonden door het advies van de
FSMA, maar dient in voorkomend geval in haar beslis-
sing te motiveren waarom zij van dit advies is afge-
weken. Het advies van de FSMA over het passende
karakter van de organisatie van de onderneming wordt
ook samen met de beslissing van de Bank over de
vergunningsaanvraag, ter kennis gebracht van de aan-
vrager. Zelfs indien de Bank van oordeel is, rekening
houdend met het globale dossier, dat de aandachts-
punten die de FSMA eventueel geïdentificeerd heeft,
geen voldoende grond vormen om de vergunning te
weigeren, is het immers wenselijk dat de betrokken on-
derneming ab initio wordt ingelicht over deze punten. Zo
kan ze deze aandachtspunten verhelpen en vermijden
dat de FSMA in een later stadium herstelmaatregelen
Tout comme pour les autorités de contrôle étrangères,
la Banque consultera la FSMA lorsque l’entreprise qui
sollicite l’agrément est soit la filiale d’une entreprise
ressortissant du contrôle de la FSMA, soit la filiale
d’une entreprise mère d’une entreprise ressortissant
du contrôle de la FSMA, soit encore contrôlée par les
mêmes personnes physiques ou morales que celles
contrôlant une entreprise ressortissant du contrôle de
la FSMA.
L’article 26 en projet instaure enfin également une
obligation d’information mutuelle entre la Banque et
les autorités étrangères ou la FSMA dans le cadre de
l’évaluation des qualités requises des actionnaires,
des dirigeants et des responsables des fonctions de
contrôle indépendantes conformément aux articles 39 et
40 du projet, lorsque ces personnes, selon le cas, sont
actionnaires, dirigeants ou responsables de fonction
de contrôle indépendante, au sein d’une entreprise
ressortissant du contrôle d’une autorité étrangère ou
de la FSMA.
Outre cette hypothèse, la Banque sollicitera l’avis de
la FSMA également pour ce qui est des domaines rele-
vant des compétences spécifiques et propres de cette
dernière. Ainsi, la FSMA devra-t-elle rendre un avis sur:
— l’adéquation de l’organisation de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance en ce qu’elle touche
aux règles de conduite, et notamment de sa politique
d’intégrité;
— l’honorabilité professionnelle des personnes
physiques appelées à exercer une fonction dirigeante
ou une fonction de contrôle indépendante au sein de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance lorsque ces
personnes sont proposées pour la première fois à une
telle fonction dans une entreprise soumise au contrôle
prudentiel de la Banque.
La Banque n’est pas liée par l’avis de la FSMA, mais
doit, le cas échéant, motiver dans sa décision les raisons
qui l’ont poussée à s’en écarter. L’avis de la FSMA sur
l’adéquation de l’organisation de l’entreprise est par
ailleurs porté à la connaissance du demandeur, en
même temps que la décision de la Banque concernant
la demande d’agrément. En effet, même si la Banque
estime que les points éventuellement identifiés par la
FSMA comme requérant une attention particulière ne
constituent pas, au regard du dossier global, un motif
suffisant de refus d’agrément, il est souhaitable que
l’entreprise concernée soit ab initio informée de ces
points. Elle pourra ainsi y remédier et éviter que la
FSMA ne doive, à un stade ultérieur, lui imposer des
mesures de redressement dans le cadre de l’exercice
59
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
moet opleggen in het kader van de uitoefening van haar
eigen bevoegdheden. Overeenkomstig ontwerpartikel
30 behoudt de FSMA ten aanzien van de ondernemin-
gen waaraan aldus een vergunning is verleend, een
exclusieve transversale bevoegdheid voor wat betreft
het toezicht op de gedragsregels.
Art. 28 tot 31
Ontwerpartikel 28 zorgt voor de omzetting van artikel
25 van de Richtlijn en bepaalt dat de Bank, na de indie-
ning van een volledig dossier, voortaan over een termijn
van zes maanden beschikt om zich uit te spreken over
de vergunningsaanvraag.
Zoals reeds vermeld in de commentaar bij ontwerpar-
tikel 18, mag de Bank op grond van ontwerpartikel 29 de
vergunning beperken of er voorwaarden aan verbinden
met betrekking tot de uitoefening van bepaalde van de
voorgenomen activiteiten.
Ontwerpartikel 30 bepaalt welke gegevens van het
vergunningsdossier de Bank ter beschikking moet stel-
len van de FSMA om haar toe te laten haar bevoegd-
heden uit te oefenen.
De verplichting voor de Bank om op haar website een
(geactualiseerde) lijst bekend te maken van de verzeke-
rings- en herverzekeringsondernemingen waaraan een
vergunning is verleend, is opgenomen in ontwerpartikel
31. Het derde lid van dit artikel zorgt voor de omzetting
van artikel 176, eerste en derde alinea van de Richtlijn,
dat bepaalt dat de toezichthouders van de lidstaten de
Europese Commissie en de toezichthouders van de
andere lidstaten in kennis moeten stellen wanneer een
vergunning wordt verleend aan een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die de rechtstreekse of
onrechtstreekse dochteronderneming is van een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming die onder
een derde land ressorteert.
HOOFDSTUK II
Vergunningsvoorwaarden
Hoofdstuk II bevat de voorwaarden voor het verkrij-
gen van de vergunning. Ten opzichte van de wet van
9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 zijn sommige
voorwaarden nader uitgewerkt, in overeenstemming
met de Richtlijn. Dit is met name het geval voor de or-
ganisatorische vereisten waaraan de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming moet voldoen.
de ses propres compétences. Conformément à l’article
30 en projet, la FSMA conserve en effet, à l’égard des
entreprises ainsi agréées, une compétence exclusive
transversale pour ce qui est du contrôle en matière de
règles de conduite.
Art. 28 à 31
L’article 28 en projet assure la transposition de l’ar-
ticle 25 de la Directive et octroie désormais à la Banque,
pour statuer sur les demandes d’agrément, un délai de
six mois à partir de l’introduction d’un dossier complet.
Ainsi que déjà évoqué sous le commentaire de
l’article 18 en projet, l’article 29 en projet permet à la
Banque de limiter l’agrément ou de l’assortir de condi-
tions relatives à l’exercice de certaines des activités
projetées.
L’article 30 en projet précise les éléments du dos-
sier d’agrément que la Banque veillera à mettre à la
disposition de la FSMA pour permettre à cette dernière
d’exercer ses compétences.
L’obligation pour la Banque de publier sur son site
internet une liste (actualisée) des entreprises d’assu-
rance et de réassurance agréées, est reprise à l’article
31 en projet. Dans son alinéa 3, cet article assure en
outre la transposition de l’article 176, alinéas 1er et 3 de
la Directive, lequel impose aux autorités de contrôle des
États membres d’informer la Commission européenne
et les autorités de contrôle des autres États membres
lorsque l’agrément est octroyé à une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance qui est la filiale directe ou indi-
recte d’une entreprise d’assurance ou de réassurance
relevant du droit d’un État tiers.
CHAPITRE II
Conditions d’agrément
Le Chapitre II énonce les conditions liées à l’obtention
de l’agrément. Par rapport à la loi du 9 juillet 1975 et
la loi du 16 février 2009, conformément à la Directive,
certaines conditions font l’objet de développements
plus importants. Il en va notamment ainsi des exigences
organisationnelles auxquelles doit satisfaire l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
60
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling I
Algemene bepalingen
Art. 32
De ervaring heeft uitgewezen dat sommigen voor-
stander waren van een strikt letterlijke lezing van de
wet, door een onderscheid te maken tussen vergun-
ningsvoorwaarden en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden,
alsof die twee categorieën van voorwaarden absoluut
gescheiden zouden zijn en alsof aan de eerste voor-
waarden alleen op het ogenblik van het verkrijgen van de
vergunning zou moeten worden voldaan. Een dergelijke
lezing is uiteraard volledig verkeerd: hoewel de wet een
onderscheid maakt tussen vergunningsvoorwaarden
en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden, moet uiteraard
aan de vergunningsvoorwaarden worden voldaan op
elk ogenblik van het bestaan van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming. Evenzo kan de vergun-
ning niet worden afgeleverd als de Bank oordeelt dat de
onderneming niet in staat is om aan de bedrijfsuitoefe-
ningsvoorwaarden te voldoen, hoewel de onderneming
uit een strikt formeel oogpunt zou kunnen stellen dat ze
aan de vergunningsvoorwaarden voldoet.
Het is die laatste opvatting die ontwerpartikel 32 be-
oogt te verduidelijken, door aan te geven dat de Bank
behalve met de vergunningsvoorwaarden ook rekening
moet houden met het vermogen van de aanvragende
onderneming om — permanent — te voldoen aan de
in Titel II bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezen-
lijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de
goede werking van de sector van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen en van het financiële
stelsel evenals voor de bescherming van de verzeke-
ringnemers, de verzekerden en de begunstigden. De
beoordeling van het vergunningsdossier is derhalve
geen mechanische procedure, maar veeleer een pro-
cedure waarbij de discretionaire bevoegdheid van de
toezichthouder wordt uitgeoefend voor de verschillende
aspecten van het project, met name zijn financiële en
organisatorische leefbaarheid.
In dit verband zij gewezen op de macroprudenti-
ele dimensie waarvoor de toezichthouder eveneens
aandacht moet hebben bij de beoordeling van het
vergunningsdossier, aangezien de ontwikkeling van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de goede
werking van de sector van de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen en de bescherming van de
verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden
in gevaar zou kunnen brengen.
Section Ire
Généralités
Art. 32
L’expérience a montré que certains défendaient
une lecture strictement littérale de loi en distinguant
les conditions d’agrément et les conditions d’exercice,
comme si les deux présentaient une étanchéité absolue
et que les premières ne devaient être satisfaites qu’au
seul moment de l’obtention de l’agrément. Une telle
lecture est bien évidemment totalement erronée: si la
loi distingue les conditions d’agrément et les conditions
d’exercice, il n’en reste pas moins que les conditions
d’agrément doivent, bien entendu, être respectées à tout
moment, en cours de vie de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance. De même, l’agrément ne pourrait être
délivré si la Banque estimait que l’entreprise ne sera pas
en mesure de satisfaire aux conditions d’exercice alors
même que, d’un point de vue strictement formel, elle
pourrait prétendre répondre aux conditions d’agrément.
C’est cette dernière idée que l’article 32 en projet
entend préciser en indiquant qu’outre les conditions
d’agrément, la Banque doit également tenir compte de
l’aptitude de l’entreprise requérante à satisfaire — en
permanence — aux conditions d’exercice de l’activité
visées au Titre II ainsi qu’à réaliser ses objectifs de
développement dans les conditions que requièrent le
bon fonctionnement du secteur des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance et du système financier et la
protection des preneurs d’assurance, des assurés et
des bénéficiaires. L’appréciation du dossier d’agrément
ne constitue donc pas une procédure mécanique mais
bien une procédure à l’occasion de laquelle le pouvoir
d’appréciation discrétionnaire de l’autorité de contrôle
s’exerce sur les différents aspects du projet, notamment
sa viabilité tant financière qu’organisationnelle.
On souligne ici la dimension macroprudentielle à
laquelle l’autorité de contrôle doit également avoir
égard dans l’appréciation du dossier d’agrément dans
la mesure où le développement de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance pourrait porter atteinte au bon
fonctionnement du secteur des entreprises d’assurance
ou de réassurance et à la protection des preneurs
d’assurance, des assurés et des bénéficiaires.
61
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Vennootschapsvorm en doel
Art. 33
Dit artikel betreft de vorm die verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen naar Belgisch recht kunnen
aannemen.
Overeenkomstig Bijlage III van de Richtlijn, bepaalt
ontwerpartikel 33, eerste lid, dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht niet
alleen de vorm van een naamloze vennootschap, een
coöperatieve vennootschap of een onderlinge verzeke-
ringsvereniging mag aannemen, maar eveneens deze
van een Europese vennootschap of een Europese
coöperatieve vennootschap.
Het niet-levensverzekeringsbedrijf mag ook worden
uitgeoefend door een onderneming die de vorm heeft
van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge
bijstand, mits voldaan is aan de voorwaarden van ont-
werpartikel 34, § 2.
Art. 34
Dit artikel betreft het doel dat kan worden nagestreefd
door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht.
Overeenkomstig het specialiteitsbeginsel dat in
de Richtlijn is neergelegd (art. 18, lid 1, onder a) ),
dienen verzekeringsondernemingen hun doel te
beperken tot de verzekeringsactiviteit en de verrich-
tingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met
uitsluiting van elke andere handelsactiviteit. Gelet op
de interpretatie die aan deze beperking moet worden
gegeven, mede in het licht van de arresten ter zake
van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ,
20 april 1999, (Försäkringsaktiebolaget Skandia),
C-241/97, Jurispr. HvJ, 1999, blz. I-1896 en HvJ,
21 september 2000 (Association basco-béarnaise des
opticiens indépendants tegen Préfet des Pyrénées-
Atlantiques), C-109/99, Jurispr. HvJ, 2000, blz. I-7265),
waaruit blijkt dat de ratio legis van het specialiteitsbe-
ginsel dat een verbod inhoudt om andere dan verzeke-
ringsactiviteiten uit te oefenen, er met name in bestaat
de verzekerden te beschermen tegen de risico’s die de
uitoefening van handelsactiviteiten zou kunnen inhou-
den voor de solvabiliteit van die ondernemingen, moet
het specialiteitsbeginsel strikt geïnterpreteerd worden,
zodat een verzekeringsonderneming slechts twee types
activiteiten mag uitoefenen, te weten verzekeringsactivi-
teiten en activiteiten die er rechtstreeks uit voortvloeien
Section II
Forme sociétaire et objet
Art. 33
Cet article traite de la forme que peuvent adopter les
entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
belge.
Conformément à l’Annexe III de la Directive, l’ar-
ticle 33, alinéa 1er en projet permet aux entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge de
prendre, outre les formes de société anonyme, société
coopérative, ou d’association d’assurance mutuelle,
la forme d’une société européenne ou d’une société
coopérative européenne.
En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie,
celle-ci peut également être exercée par le biais d’une
société mutualiste d’assurance dans les conditions
visées à l’article 34, § 2 en projet.
Art. 34
Cet article traite de l’objet que peuvent poursuivre
les entreprises d’assurance ou de réassurance de
droit belge.
Consacrant le principe de spécialité conformément
au prescrit de la Directive (art. 18, paragraphe 1er, a) ),
pour les entreprises d’assurance, l’objet doit être limité à
l’activité d’assurance et aux opérations qui en découlent
directement, à l’exclusion de toute autre activité commer-
ciale. Eu égard à l’interprétation qu’il convient de donner
à cette restriction, notamment à la lumière des arrêts de
la Cour de Justice de l’Union européenne en la matière
(C.J.C.E., 20 avril 1999, (Försäkringsaktiebolaget
Skandia), C-241/97, Rec. C.J.C.E., 1999, p. I-1896 et
C.J.C.E., 21 septembre 2000 (Association basco-
béarnaise des opticiens indépendants c/ Préfet des
Pyrénées-Atlantiques), C-109/99, Rec. C.J.C.E., 2000,
p. I-7265) desquels il ressort que la ratio legis du prin-
cipe de spécialité interdisant d’exercer des activités
étrangères à l’assurance consiste notamment à protéger
les assurés contre les risques que pourrait engendrer
l’exercice d’activités commerciales pour la solvabilité
de ces entreprises, le principe de spécialité doit être
interprété de manière stricte de sorte qu’une entreprise
d’assurance ne peut exercer que deux types d’activités,
les activités d’assurance et les activités qui en découlent
directement (c.-à-d. des activités de placement ou
d’investissement). Toute autre activité est exclue. À titre
62
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
(namelijk beleggings- of investeringsactiviteiten). Alle
andere activiteiten zijn uitgesloten. Een kredietbemid-
delingsactiviteit bijvoorbeeld mag niet worden uitge-
oefend door een verzekeringsonderneming aangezien
dit geen activiteit is die rechtstreeks voortvloeit uit de
verzekeringsactiviteit. Ook andere types van bemid-
delingsactiviteiten zijn uitgesloten, met name wanneer
de bemiddeling enkel bestaat in het aanbrengen van
nieuwe cliënten.
Het doel van herverzekeringsondernemingen moet
overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b) van de Richtlijn
beperkt blijven tot herverzekeringsactiviteiten en daar-
mee samenhangende verrichtingen, met inbegrip van de
functie van holding. Onder “daarmee samenhangende
verrichtingen” wordt met name verstaan het verstrekken
van statistische analyses en actuariële risicoanalyses
aan of het uitvoeren van onderzoek voor cliënten (zie
overweging 13 van de Richtlijn).
Deze beperkingen gelden enkel voor het wezenlijke
doel van de betrokken ondernemingen en niet voor de
activiteiten die zij zouden kunnen uitoefenen om de
belegging van de dekkingswaarden voor hun technische
voorzieningen te verzekeren, noch voor de nevenac-
tiviteiten die zij verrichten om hun vermogen te doen
aangroeien.
Deze beperkingen beletten ook niet dat het statuut
van verzekeringsonderneming gecombineerd wordt met
dat van herverzekeringsonderneming, als bepaald in
ontwerpartikel 18, derde lid. De Richtlijn laat namelijk
toe (of toch onrechtstreeks, op grond van artikel 74, lid
2, onder a) en b)), dat verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen een tweeledig doel nastreven. Zo mag
een onderneming tegelijkertijd verzekeringsonderne-
ming en herverzekeringsonderneming zijn. In dat geval
zijn de bepalingen van de wet met betrekking tot elk
van deze statuten op de betrokken onderneming van
toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld.
De in ontwerpartikel 34, § 2 opgenomen beperking
van de activiteiten van verzekeringsmaatschappijen van
onderlinge bijstand tot de ziekteverzekeringen in de zin
van tak 2 als vermeld in Bijlage 1 en, aanvullend, tot de
hulpverlening die behoort tot tak 18 als vermeld in Bijlage
1, is niet nieuw; het gaat om een getrouwe weergave
van artikel 2, § 1ter van de wet van 9 juli 1975, als inge-
voegd bij de wet van 26 april 2010 houdende diverse
bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende
ziekteverzekering (BS 28 mei 2010), en gewijzigd bij
het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de
evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële
sector (BS 9 maart 2011).
d’exemple, une activité d’intermédiation en crédits ne
constituant pas une activité découlant directement de
l’activité d’assurance, elle ne peut donc être exercée par
une entreprise d’assurance. La réponse est identique
quelle que soit la nature de l’intermédiation envisagée,
notamment dans l’hypothèse où elle consisterait uni-
quement dans un simple apport de clients.
L’objet social des entreprises de réassurance, quant
à lui, doit, conformément à l’article 18, paragraphe 1er, b)
de la Directive, rester limité à l’activité de réassurance
et aux opérations liées à cette activité, en ce compris
la fonction de holding. Par opérations liées à l’acti-
vité de réassurance, on vise notamment la fourniture
d’analyses statistiques et d’analyses actuarielles de
risques ainsi que la fourniture d’études à ses clients
(voir considérant n° 13 de la Directive).
Ces limitations n’affectent que l’objet essentiel des
entreprises concernées et non pas les activités qui pour-
raient être exercées en vue d’assurer le placement des
valeurs représentatives de leurs réserves techniques, ni
davantage les activités exercées à titre accessoire pour
faire fructifier l’ensemble de leur patrimoine.
En outre, ces limitations sont sans préjudice de la
possibilité de cumuler le statut d’entreprise d’assurance
avec celui d’entreprise de réassurance, telle que prévue
à l’article 18, alinéa 3 en projet. La Directive permet, en
effet, aux entreprises d’assurance ou de réassurance (à
tout le moins indirectement, sur la base de son article
74, paragraphe 2, a) et b)), de poursuivre un double objet
social. Ainsi, une même entreprise peut être à la fois
entreprise d’assurance et entreprise de réassurance.
Dans ce cas, les dispositions de la loi relatives à cha-
cune de ces statuts lui sont applicables, sauf mention
spécifique.
La limitation des activités des sociétés mutualistes
d’assurance aux assurances maladies au sens de la
branche 2 mentionnée à l’Annexe 1 et, à titre complé-
mentaire, à l’assistance relevant de la branche 18 men-
tionnée à l’Annexe I, reprise à l’article 34, § 2 en projet,
n’est pas neuve et est une reproduction fidèle de l’article
2, § 1ter de la loi du 9 juillet 1975, tel qu’introduit par la
loi du 26 avril 2010 portant des dispositions diverses en
matière d’organisation de l’assurance maladie complé-
mentaire (MB 28 mai 2010), et modifié par l’arrêté royal
du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des struc-
tures de contrôle du secteur financier (MB 9 mars 2011).
63
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Programma van werkzaamheden
Art. 35 en 36
Ontwerpartikel 35 zorgt voor de omzetting van ar-
tikel 23 van de Richtlijn en bepaalt de inhoud van het
programma van werkzaamheden dat overeenkomstig
ontwerpartikel 22 deel moet uitmaken van het adminis-
tratief dossier dat bij elke vergunningsaanvraag moet
worden gevoegd.
Overeenkomstig ontwerpartikel 36 moet ook een
programma van werkzaamheden worden voorgelegd
door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die haar activiteiten wenst uit te breiden met toepassing
van ontwerpartikel 19.
Afdeling IV
Eigen vermogen
Art. 37 en 38
Deze artikelen bepalen aan welke eigenvermogens-
vereisten de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming moet voldoen wanneer zij een vergunning aan-
vraagt. Zo moet de onderneming aantonen dat zij in staat
is om voldoende eigen vermogen aan te houden om de
absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste te
bereiken en om zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste
(het zogenaamde “SCR”) als het minimumkapitaalver-
eiste (het zogenaamde “MCR”) te dekken. Voor een
uitvoerige toelichting op deze vereisten zij verwezen
naar de artikelen 151 en 189.
Voor verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen die hun activiteiten wensen uit te breiden tot andere
activiteiten, overeenkomstig artikel 19, geldt een soort-
gelijke verplichting.
Afdeling V
Aandeelhouders of vennoten
Art. 39
Ontwerpartikel 39 handelt over de beoordeling van
het aandeelhouderschap van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming en zorgt voor de omzetting
van artikel 24, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn.
Artikel 24, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn be-
paalt niet uitdrukkelijk dat voor deze beoordeling van de
Section III
Programme d’activités
Art. 35 et 36
L’article 35 en projet assure la transposition de
l’article 23 de la Directive et précise le contenu du
programme d’activités lequel doit, conformément à
l’article 22 en projet, faire partie du dossier administratif
accompagnant toute demande d’agrément.
Conformément à l’article 36 en projet, un programme
d’activités doit également être présenté par toute
entreprise d’assurance ou de réassurance qui souhaite
étendre ses activités en application de l’article 19 en
projet.
Section IV
Fonds propres
Art. 37 et 38
Ces articles identifient les exigences de fonds propres
que l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit
rencontrer lorsqu’elle sollicite un agrément. Ainsi,
l’entreprise doit démontrer qu’elle est en mesure de
détenir les fonds propres nécessaires pour atteindre le
seuil absolu du minimum de capital requis et de couvrir
tant le capital de solvabilité requis (ledit “SCR”) que le
minimum de capital requis (ledit “MCR”). Il est renvoyé
aux articles 151 et 189 pour le détail de ces exigences.
Une démonstration similaire s’impose aux entreprises
d’assurance ou de réassurance souhaitant étendre leurs
activités à d’autres activités, conformément à l’article 19.
Section V
Détenteurs du capital
Art. 39
L’article 39 en projet traite de l’appréciation relative
à l’actionnariat de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance et assure la transposition de l’article 24,
paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive.
L’article 24, paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive ne
fait pas expressément dépendre cette évaluation des
64
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aandeelhouders in het stadium van de indiening van de
vergunningsaanvraag dezelfde criteria gelden als voor
de beoordeling van het passende karakter van een
kandidaat-verwerver van een gekwalificeerde deelne-
ming (die in artikel 59 van de Richtlijn zijn opgenomen).
Ter wille van de coherentie en de rechtszekerheid zijn
de voorwaarden op basis waarvan de Bank de geschikt-
heid beoordeelt om een gezond en voorzichtig beleid
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te
garanderen, voortaan opgenomen in de vergunnings-
voorwaarden en wordt er enkel naar verwezen in ont-
werpartikel 66, dat betrekking heeft op de beoordeling
van latere wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur.
Deze voorwaarden zijn afkomstig van Richtlijn
2007/44/EG en zijn overgenomen in artikel 59 van de
Richtlijn. Ze zijn genoegzaam bekend, en ondanks
het gebruik van soms verschillende termen in de ver-
schillende versies van de richtlijnen, blijft hun inhoud
identiek. Voor een toelichting raadplege men de parle-
mentaire voorbereiding van de wet van 31 juli 2009 tot
omzetting van Richtlijn 2007/44/EG (Parl.St. Kamer
2008-2009, Doc 52 — 2011/001) alsook de gezamenlijke
werkzaamheden van de vroegere Europese comités
van banktoezichthouders (CEBS), toezichthouders op
verzekeringen en bedrijfspensioenen (CEIOPS) en ef-
fectenregelgevers (CERS), met als titel “Guidelines for
prudential assessment of acquisition and increase of
holdings in the financial sector required by Directive
2007/44/EC”.
Tot slot dient de aandacht ook te worden gevestigd
op de in ontwerpartikel 26 neergelegde verplichting voor
de Bank om de buitenlandse bevoegde autoriteiten of
de FSMA te raadplegen wanneer de betrokken aandeel-
houder een onderneming is die onder het toezicht staat
van een buitenlandse bevoegde autoriteit of de FSMA.
Afdeling VI
Leiding
Art. 40
De voorschriften van ontwerpartikel 40 zijn niet
nieuw; zij stemmen overeen met die van de artikelen
90, §§ 1 en 2 van de wet van 9 juli 1975 en 17, §§ 1 en
2 van de wet van 16 februari 2009, als vervangen bij
de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen.
Er zij verwezen naar de commentaar bij de voor-
noemde artikelen van de wet van 9 juli 1975 en de
wet van 16 februari 2009, als ingevoegd bij de wet van
25 april 2014 houdende diverse bepalingen, die in het
kader van het voorliggende ontwerp nog steeds relevant
actionnaires au stade de l’introduction de la demande
de l’agrément, des mêmes critères que ceux énoncés
pour déterminer le caractère approprié d’un candidat
acquéreur d’une participation qualifiée (reprises à
l’article 59 de la Directive). Dans un souci de cohérence
et de sécurité juridique, les conditions au regard des-
quelles la Banque effectue l’appréciation des qualités
nécessaires pour garantir une gestion saine et prudente
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont
désormais précisées dans les conditions d’agrément et
il y est simplement fait référence à l’article 66 en projet,
traitant de l’évaluation des modifications subséquentes
de l’actionnariat.
Ces conditions sont initialement issues de la directive
2007/44/CE et reprises à l’article 59 de la Directive.
Elles sont bien connues et malgré l’usage de vocables
parfois différents au fil des versions des directives, leur
contenu demeure identique. Pour un développement,
il est renvoyé aux travaux préparatoires de la loi du
31 juillet 2009 assurant la transposition de la directive
2007/44/CE (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2008-2009,
Doc 52 — 2011/001) ainsi qu’aux travaux conjoints des
anciens comités européens des contrôleurs bancaires
(CEBS), des contrôleurs des assurances et des pen-
sions professionnelles (CEIOPS) et des régulateurs
des marchés de valeurs mobilières (CERS), intitulés
“Guidelines for prudential assessment of acquisition and
increase of holdings in the financial sector required by
Directive 2007/44/EC”.
Enfin, il convient d’également attirer l’attention sur
l’obligation de la Banque, reprise à l’article 26 en projet,
de consulter les autorités compétentes étrangères ou
la FSMA, si l’actionnaire concerné est une entreprise
ressortissant du contrôle d’une autorité compétente
étrangère ou de la FSMA.
Section VI
Dirigeants
Art. 40
Les prescriptions de l’article 40 en projet ne sont pas
neuves et correspondent aux articles 90, §§ 1er et 2 de
la loi du 9 juillet 1975 et 17, §§ 1er et 2 de la loi du
16 février 2009, tels que remplacés par la loi du
25 avril 2014 portant des dispositions diverses.
On renvoie aux commentaires des articles précités de
la loi du 9 juillet 1975 et de la loi du 16 février 2009, tels
qu’introduits par la loi du 25 avril 2014 portant des dis-
positions diverses, qui conservent toute leur pertinence
dans le cadre du présent projet (Doc. parl., Chambre,
65
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
is (Parl.St. Kamer, 2013-2014, nr. 53-3413/001, 15,
waarin verwezen wordt naar de parlementaire voorbe-
reiding van de wet van 25 april 2014 op het statuut van
en het toezicht op kredietinstellingen, Parl.St. Kamer,
2013-2014, 53-3406/001, 32).
Voor zover nodig zij er evenwel aan herinnerd dat ont-
werpartikel 40 betrekking heeft op de eigenschappen die
de leiders van verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen moeten hebben en de uitoefening van de ef-
fectieve leiding overeenkomstig het “vierogenprincipe”.
Alleen natuurlijke personen mogen de functie van
lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming uitoefenen of
de effectieve leiding van een dergelijke onderneming
voeren. Hetzelfde geldt voor de personen die op het
hoogste niveau operationeel verantwoordelijk zijn voor
de verschillende onafhankelijke controlefuncties.
Voor de leden van het wettelijk bestuursorgaan impli-
ceert dit voorstel dat de niet-uitvoerende leden, d.w.z.
de bestuurders die niet deelnemen aan de effectieve
leiding van de onderneming, net zoals de bestuurders
die aan de effectieve leiding deelnemen, natuurlijke
personen moeten zijn.
In het verleden werd de uitoefening van een bestuur-
dersmandaat door een rechtspersoon onder bepaalde
voorwaarden toegestaan, met name voor zover deze
niet deelnam aan de effectieve leiding (zie voor het
geval van een kredietinstelling, Commissie voor Bank-
en Financiewezen, Jaarverslag, 1988-89, pp. 18-20;
Jaarverslag, 1990-1991, pp. 41-42; Jaarverslag, 2002-
2003, pp. 87-88).
Deze benadering wordt ingegeven door verschil-
lende factoren. De ontwikkelingen inzake corporate
governance van de financiële instellingen, als gevolg
van de financiële crisis van de laatste jaren, leggen het
accent op de persoonlijkheid en de eigenschappen van
iedere bestuurder als individu, in plaats van een louter
functionele visie op de rol van de bestuurder te huldigen.
De cruciale rol van de niet-uitvoerende bestuurder op
het vlak van het toezicht op en het kritisch onderzoek
(challenging) van het management werd eveneens
verruimd. Tot slot wordt de voorgestelde wijziging ook
gerechtvaardigd door de transparantie inzake de wer-
king van het wettelijk bestuursorgaan, te meer omdat
de niet-uitvoerende bestuurders aan de vereisten van
deskundigheid en professionele betrouwbaarheid moe-
ten voldoen (zie infra).
2013-2014, n° 53-3413/001, p. 15 qui renvoit aux travaux
préparatoires de la loi du 25 avril 2014 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit, Doc. parl.,
Chambre, 2013-2014, n° 53-3406/001, p. 32).
À toutes fins utiles, on rappelle néanmoins ici que
l’article 40 en projet traite des qualités que doivent
présenter les dirigeants des entreprises d’assurance ou
de réassurance ainsi que de l’exercice de la direction
effective conformément au “principe des quatre yeux”.
C’est ainsi que seules des personnes physiques
peuvent assumer les fonctions de membre de l’organe
légal d’administration d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance ou prendre en charge la direction
effective d’une telle entreprise. Il en va de même des
personnes assumant la responsabilité opérationnelle au
plus haut niveau des différentes fonctions de contrôle
indépendantes.
En ce qui concerne les membres de l’organe légal
d’administration, cette proposition implique que les
membres non exécutifs, c’est-à-dire les administra-
teurs qui ne participent pas à la direction effective de
l’entreprise, doivent, à l’instar des administrateurs qui
participent à la direction effective, être des personnes
physiques.
Par le passé, l’exercice par une personne morale
d’un mandat d’administrateur avait été admis, sous
certaines conditions, notamment pour autant qu’elle ne
participe pas à la direction effective (Voy. dans le cas
d’un établissement de crédit, Commission bancaire et
financière, Rapport annuel, 1988-89, pp. 18-20; Rapport
annuel, 1990-1991, pp. 41-42; Rapport annuel, 2002-
2003, pp. 87-88).
Pour rappel, plusieurs éléments expliquent l’approche
suivie. Les développements en matière de gouver-
nance des établissements financiers suite à la crise
financière de ces dernières années mettent l’accent
sur la personnalité ainsi que les qualités de chaque
administrateur en tant qu’individu plutôt qu’une vision
purement fonctionnelle de son rôle. Le rôle crucial de
l’administrateur non exécutif sur le plan du contrôle et
de l’examen critique (challenging) du management a
également été développé. Enfin, la transparence en
matière de fonctionnement de l’organe légal d’admi-
nistration justifie également la modification proposée, et
ce, d’autant plus que les administrateurs non exécutifs
doivent satisfaire aux exigences d’expertise et d’hono-
rabilité professionnelle (voy. infra).
66
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Hierbij komt nog dat andere bepalingen van de
ontwerpwet, net zoals in de wetten van 9 juli 1975 en
16 februari 2009, betrekking hebben op de eigen-
schappen die verlangd worden van bestuurders van
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, ook
wanneer ze niet deelnemen aan de effectieve leiding
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
zo bepaalt ontwerpartikel 41 net zoals de artikelen
90/4 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 25, § 1 van de
wet van 16 februari 2009, dat de bestuurders bepaalde
veroordelingen niet mogen hebben opgelopen en bevat
ontwerpartikel 83 regels inzake de cumulatie van amb-
ten die door de bestuurders moeten worden nageleefd
om in het bestuur van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming voldoende beschikbaarheid en auto-
nomie te waarborgen. Andere bepalingen kennen aan
deze bestuurders een specifieke rol toe in de werking
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
In dit verband zij verwezen naar de rol en de samenstel-
ling van het auditcomité, het remuneratiecomité en het
risicocomité (zie ontwerpartikel 48).
Het wettelijk bestuursorgaan van een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming moet dus uitsluitend
uit natuurlijke personen bestaan. Hetzelfde zal nood-
zakelijkerwijs gelden voor de leden van het directie-
comité, gelet op de verplichting, die vastgelegd is in
de ontwerpartikelen 45, § 1 en 46, § 1, dat dit orgaan
uitsluitend mag zijn samengesteld uit leden van het wet-
telijk bestuursorgaan. Ook de personen die deelnemen
aan de effectieve leiding en die geen lid zijn van het
wettelijk bestuursorgaan, mogen uitsluitend natuurlijke
personen zijn.
Het begrip “effectieve leiding” werd uitvoerig be-
sproken in het kader van artikel 4 van de wet van
17 juli 1985, dat de eerste bankrichtlijn heeft omgezet
in Belgisch recht (Parl.St. Kamer 1981-1982, nr. 277/1,
6 e.v.). De Bank heeft dit begrip eveneens verduidelijkt
(zie Reglement van de Nationale Bank van België van
6 december 2011 met betrekking tot de uitoefening
van externe functies door leiders van gereglemen-
teerde ondernemingen; Circulaire NBB_2013_02 van
17 juni 2013, De standaarden van “deskundigheid” en
“professionele betrouwbaarheid” voor de leden van het
directiecomité, de bestuurders, de verantwoordelijken
voor onafhankelijke controlefuncties en de effectieve
leiders van financiële instellingen). Deze commentaren
blijven relevant in het kader van dit ontwerp.
De term “effectieve leiding” refereert aan de groep
van personen, al dan niet bestuurders, waarvan de
functie binnen de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming impliceert dat ze op het hoogste niveau een
On ajoute que d’autres dispositions de la loi en
projet, tout comme dans les lois du 9 juillet 1975 et
16 février 2009, concernent les qualités requises des
administrateurs d’entreprises d’assurance ou de réas-
surance même dans le cas où ils ne participent pas à
la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance: ainsi, l’article 41 en projet dispose que
les administrateurs ne peuvent pas avoir encouru cer-
taines condamnations et l’article 83 en projet prévoit, à
l’instar des articles 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 et 25,
§ 1er de la loi du 16 février 2009, des règles en matière
de cumul à respecter par les administrateurs afin de
garantir une disponibilité et une autonomie suffisantes
dans l’administration de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance. D’autres dispositions leur confèrent un
rôle spécifique dans le fonctionnement de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance. On renvoie à ce propos
au rôle et à la composition du comité d’audit, du comité
de rémunération et du comité des risques (voy. l’article
48 en projet).
L’organe légal d’administration d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance doit donc être com-
posé exclusivement de personnes physiques. Il en ira
nécessairement de même pour les membres du comité
de direction vu l’obligation, reprise aux articles 45, § 1er
et 46, § 1er en projet, que celui-ci soit composé exclusi-
vement de membres de l’organe légal d’administration.
Quant aux personnes qui prennent part à la direction
effective, et qui ne seraient pas membres de l’organe
légal d’administration, elles doivent également être
exclusivement des personnes physiques.
La notion de direction effective a été largement
commentée dans le cadre de l’article 4 de la loi du
17 juillet 1985 qui a assuré la transposition en droit belge
de la première directive bancaire (Doc. parl., Chambre,
1981-1982, n°277/1, pp. 6 e.s.). La Banque a également
explicité cette notion (voy. le règlement de la Banque
nationale de Belgique du 6 décembre 2011 concer-
nant l’exercice de fonctions extérieures par les
dirigeants d’entreprises réglementées; la Circulaire
NBB_2013_02 du 17 juin 2013, Normes en matière
d’expertise et d’honorabilité professionnelle pour les
membres du comité de direction, les administrateurs, les
responsables de fonctions de contrôle indépendantes
et dirigeants effectifs d’établissements financiers). Ces
commentaires conservent leur pertinence dans le cadre
du présent projet.
On rappelle que la direction effective s’entend du
groupe de personnes, administrateurs ou non, dont
la fonction au sein de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance implique qu’elles exercent au plus haut
67
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
rechtstreekse en beslissende invloed uitoefenen op het
beheer van de bedrijfsactiviteit.
De effectieve leiding bestaat aldus uit de leden van
dit directiecomité en de personen van een hiërarchisch
niveau net daaronder, voor zover deze personen een
rechtstreekse en doorslaggevende invloed kunnen uit-
oefenen op het beheer van alle of bepaalde activiteiten
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Indien er, overeenkomstig ontwerpartikel 47, binnen
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming geen
directiecomité is opgericht als gevolg van een afwijking
die door de Bank is toegestaan, wordt onder “effectieve
leiding” de personen verstaan die op het hoogste niveau
deelnemen aan het bestuur van de onderneming, d.w.z.
de uitvoerende bestuurders evenals de personen die,
zonder de hoedanigheid van bestuurder te hebben,
door de onderneming als effectieve leiders worden
beschouwd wegens de rechtstreekse en doorslagge-
vende invloed die zij kunnen uitoefenen op het beheer
van alle of bepaalde activiteiten van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Bovendien wordt ervan uitgegaan dat de leiders van
de in de Europese Economische Ruimte gevestigde
bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen naar Belgisch recht ook deel uitmaken van de
effectieve leiding (zie artikel 1, 11° van het reglement van
de Nationale Bank van België van 6 december 2011 met
betrekking tot de uitoefening van externe functies door
leiders van gereglementeerde ondernemingen). Deze
interpretatie is verankerd in ontwerpartikel 108 (zie infra,
commentaar bij ontwerpartikel 108).
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
dient zelf te bepalen welke personen deel uitmaken van
de effectieve leiding. Sedert enkele jaren al raadt de pru-
dentiële toezichthouder het directiecomité of, wanneer
er geen directiecomité is, het wettelijk bestuursorgaan
aan om via een formele beslissing (die rekening houdt
met de effectieve besluitvorming met betrekking tot haar
activiteiten), een lijst met namen of functies op te stel-
len van de personen die, zonder bestuurder te zijn, als
effectieve leiders moeten worden beschouwd.
Vervolgens bevestigt ontwerpartikel 40, § 1, tweede
lid het vereiste voor leiders van verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen om over de nodige
betrouwbaarheid en ervaring te beschikken. Zo wordt
verlangd dat alle leden van het wettelijk bestuursorgaan,
ongeacht of ze al dan niet deel nemen aan de effectieve
leiding van de onderneming, en alle personen belast met
de effectieve leiding die geen lid zijn van het wettelijk
niveau une influence directe et décisive sur la direction
de l’activité de l’entreprise.
Font ainsi partie de la direction effective les membres
du comité de direction ainsi que les personnes dont la
fonction est située à un niveau hiérarchique immédiate-
ment inférieur pour autant que ces personnes puissent
exercer une influence directe et déterminante sur la
direction de tout ou partie des activités de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Lorsque, conformément à l’article 47 en projet, un
comité de direction n’a pas été institué au sein de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance en raison
d’une dérogation accordée par la Banque, la direction
effective s’entend des personnes qui participent au plus
haut niveau à la gestion de l’entreprise, c’est-à-dire les
administrateurs exécutifs ainsi que les personnes qui,
sans avoir la qualité d’administrateur, sont considérées
par l’entreprise comme des dirigeants effectifs en raison
de l’influence directe et déterminante qu’elles peuvent
exercer sur la direction de tout ou partie des activités
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
En outre, il est considéré que les dirigeants des suc-
cursales établies dans l’Espace économique européen
par des entreprises d’assurance ou de réassurance
de droit belge entrent également dans la catégorie des
personnes prenant part à la direction effective (voy.
art. 1er, 11° du règlement de la Banque nationale de
Belgique du 6 décembre 2011 concernant l’exercice de
fonctions extérieures par les dirigeants d’entreprises
réglementées). Cette interprétation est traduite dans
l’article 108 en projet (Voir infra le commentaire relatif
à l’article 108 en projet).
Il appartient à l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance elle-même de déterminer quelles personnes font
partie de la direction effective. Depuis plusieurs années
déjà, l’autorité de contrôle prudentiel conseille au comité
de direction ou, à défaut d’un tel comité, à l’organe légal
d’administration d’établir, par la voie d’une décision for-
melle (tenant compte du processus décisionnel effectif
relatif à ses activités), une liste reprenant le nom ou la
fonction des personnes qui, sans être administrateur,
doivent être considérées comme des dirigeants effectifs.
L’article 40, § 1er, alinéa 2 en projet confirme ensuite
l’exigence d’honorabilité et d’expérience dans le chef
des dirigeants d’entreprises d’assurance ou de réas-
surance. C’est ainsi qu’il est exigé de l’ensemble des
membres de l’organe légal d’administration, qu’ils
prennent part ou non à la direction effective de l’entre-
prise, ainsi que des personnes chargées de la direction
effective, qui ne seraient pas membres de l’organe
68
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bestuursorgaan, over de voor de uitoefening van hun
functie vereiste betrouwbaarheid en passende deskun-
digheid beschikken.
Betrouwbaarheid houdt in dat de leider eerlijk en
integer is. Deze betrouwbaarheid vereist van hem een
onberispelijke beroepsethiek, die garant staat voor de
naleving door de vennootschap van de in de wet ver-
melde verplichtingen en verbodsbepalingen, en van
de andere gedragsregels die van toepassing zijn in de
sector. De voorwaarde inzake professionele betrouw-
baarheid is geen formele voorwaarde die kan worden
teruggevoerd op het ontbreken van een strafrechtelijke
veroordeling. Op grond van haar eigen analyse van de
feiten in het dossier, kan de Bank oordelen dat sommige
handelingen of gedragingen van de leiders een aan-
tasting vormen van de professionele betrouwbaarheid
van deze personen, wat losstaat van de strafrechtelijke
kwalificatie van deze gedragingen of handelingen of van
de afloop van een strafrechtelijke procedure die in voor-
komend geval zou zijn ingesteld tegen deze personen.
Het begrip “passende deskundigheid voor de uitoe-
fening van een specifieke functie” bestrijkt de beroeps-
kwalificaties, —kennis en —ervaring die krachtens
artikel 42, lid 1, onder a), van de Richtlijn vereist zijn
om te voldoen aan het deskundigheidsvereiste. Met de
term “deskundigheid” beoogt men de drie voornoemde
eigenschappen te omvatten. Deze eigenschappen
worden beoordeeld op grond van de kenmerken van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar
de leider zijn functies uitoefent (aard van de activiteit,
complexiteit, risicoprofiel, …), maar ook van de inhoud
van de functie. Er wordt van hem ook verwacht dat hij
een passende professionele houding aanneemt.
Zoals hoger vermeld, wordt het vereiste van profes-
sionele betrouwbaarheid en deskundigheid conform
artikel 42 van de Richtlijn overigens uitgebreid tot de
verantwoordelijken voor de onafhankelijke controle-
functies, namelijk de natuurlijke personen die op het
hoogste niveau operationeel verantwoordelijk zijn voor
de interneauditfunctie, de compliancefunctie, de risi-
cobeheerfunctie of de actuariële functie als bedoeld in
ontwerpartikel 54. In dit verband wordt verwezen naar
de commentaar bij deze bepaling.
De professionele betrouwbaarheid en de passende
deskundigheid worden beoordeeld bij de infunctietreding,
maar ook in de loop van de uitoefening van de functie,
net zoals alle voorwaarden voor het verlenen van een
vergunning aan de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming. Met andere woorden, zoals benadrukt in ar-
tikel 42, lid 1 van de Richtlijn, moeten de vereisten inzake
betrouwbaarheid en deskundigheid noodzakelijkerwijs
légal d’administration, qu’ils présentent l’honorabilité
nécessaire et l’expertise adéquate à l’exercice de leur
fonction.
L’honorabilité vise l’honnêteté et l’intégrité du diri-
geant. Elle implique dans son chef une éthique pro-
fessionnelle irréprochable, garante du respect par la
société des obligations et interdictions prévues par la
loi ainsi que des autres règles de conduite applicables
dans le secteur. Il ne s’agit pas d’une condition formelle
se résumant à une absence de condamnation pénale.
Sur la base de sa propre analyse des faits du dossier, la
Banque peut considérer que certains comportements ou
agissements constatés dans le chef des dirigeants sont
constitutifs d’une atteinte à l’honorabilité professionnelle
que doivent présenter ces personnes, indépendamment
de toute qualification pénale desdits comportements ou
agissements ou de l’issue d’une procédure pénale qui
aurait, le cas échéant, été initiée à l’encontre de ces
personnes.
La notion d’ “expertise adéquate à l’exercice d’une
fonction spécifique” recouvre les qualifications, connais-
sances et expérience professionnelles exigées en vertu
de l’article 42, paragraphe 1er, a) de la Directive pour
répondre à l’exigence de “compétence”. Par ce terme
d’expertise, l’on entend englober les trois qualités pré-
citées. Celles-ci sont appréciées eu égard aux caracté-
ristiques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
au sein de laquelle le dirigeant est appelé à exercer
ses fonctions (nature de l’activité, complexité, profil de
risque, …) mais également sur la base du contenu de
la fonction. Il est également attendu de lui qu’il fasse
preuve d’un comportement professionnel adéquat.
Ainsi qu’indiqué plus haut, l’exigence d’honorabilité
professionnelle et d’expertise est par ailleurs, confor-
mément à l’article 42 de la Directive, étendue aux
responsables des fonctions de contrôle indépendantes,
c’est-à-dire, les personnes physiques qui au plus haut
niveau assurent la responsabilité opérationnelle de la
fonction d’audit interne, de la fonction de vérification
de la conformité (compliance), de la fonction de ges-
tion des risques ou de la fonction actuarielle visées à
l’article 54 en projet. On renvoie à ce propos au com-
mentaire de cette disposition.
Les qualités d’honorabilité professionnelle et d’exper-
tise adéquate s’apprécient lors de l’entrée en fonction
mais également en cours d’exercice de celle-ci, à l’instar
de toute condition d’agrément de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance. En d’autres termes, comme
le souligne l’article 42, paragraphe 1er de la Directive,
les exigences de compétence et d’expertise doivent être
rencontrées “en permanence” et non pas seulement au
69
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“permanent” vervuld zijn en niet alleen bij de infunctietre-
ding. Bijgevolg dient de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming de Bank onverwijld in kennis te stellen van
elk nieuw feit dat of elke nieuwe omstandigheid die twijfel
kan doen rijzen over de professionele betrouwbaarheid
of de deskundigheid die verlangd wordt van de personen
bedoeld in ontwerpartikel 40.
De voorwaarden met betrekking tot de eigenschap-
pen die van de leiders van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming worden verlangd, moeten
in de eerste plaats door de onderneming zelf worden
nageleefd. De maatregelen die worden getroffen wan-
neer ontwerpartikel 40 niet wordt nageleefd, zijn deze
die gelden voor de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die niet of niet meer voldoen aan de
voorwaarden om een vergunning te verkrijgen. De
artikelen 517 en 602 en volgende van de ontwerpwet
bevatten de maatregelen die de Bank kan nemen indien
de wetgeving niet wordt nageleefd.
De Bank ziet toe op de naleving van die voorwaar-
den. Zij beschikt hiertoe over een ruime beoordelings-
bevoegdheid, binnen de grenzen bepaald door het
Unierecht, de wet en de algemene rechtsbeginselen,
wat wil zeggen dat deze beoordelingsbevoegdheid
op prudente wijze moet worden uitgeoefend en even-
redig moet zijn aan het doel van de vergunning in het
algemeen en van deze vergunningsvoorwaarde in het
bijzonder. Zij dient haar beleid ter zake vast te leggen
rekening houdend met de richtsnoeren zoals die zijn
vastgelegd door EIOPA (zie EIOPA, Final Report on
Public consultation n° 14/017 on Guidelines on system
of governance, 28 januari 2015).
Wat de personeelsleden van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming betreft, ook al wordt er niet
als dusdanig aan gerefereerd in de bepaling, spreekt
het voor zich dat ook zij onberispelijk moeten zijn, en
dat het bijgevolg de verantwoordelijkheid van de onder-
neming is om een passende organisatie en passende
procedures op te zetten teneinde zich hiervan te verge-
wissen. Men merke daarbij op dat de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen, naast de gebruikelijke
verificaties bij de aanwerving, op permanente wijze de
nodige maatregelen moeten treffen om toe te zien op de
naleving door hun personeelsleden van de wettelijke en
reglementaire bepalingen met betrekking tot integriteit
en gedrag (zie ontwerpartikel 55, § 1).
Paragraaf 2 van ontwerpartikel 40 bevat de ver-
plichting om de effectieve leiding aan ten minste twee
natuurlijke personen toe te vertrouwen. Er zij verwe-
zen naar de commentaar bij artikel 4 van de wet van
17 juli 1985 die de eerste bankrichtlijn in het Belgische
recht heeft omgezet en die voor de verzekeringssector
moment de l’entrée en fonction. Il incombe dès lors à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’informer
sans délai la Banque de tout fait nouveau ou de toute
circonstance nouvelle susceptible de mettre en doute
l’honorabilité professionnelle ou l’expertise requises des
personnes visées par l’article 40 en projet.
Le respect des conditions relatives aux qualités
requises des dirigeants des entreprises d’assurance
ou de réassurance incombe au premier chef à celles-ci.
Les mesures applicables lorsque le respect de l’article
40 en projet n’est pas assuré sont celles qui s’appliquent
aux entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne
satisfont pas ou plus aux conditions de leur agrément.
Les articles 517 et 602 et suivants de la loi en projet
décrivent les mesures que la Banque peut prendre en
cas de manquement à la législation.
La Banque veille au respect de ces conditions. Elle
dispose à cette fin d’un large pouvoir d’appréciation
dans les limites fixées par le droit de l’Union, la loi et les
principes généraux du droit, c’est-à-dire que ce pouvoir
d’appréciation doit s’exercer de manière prudente et
proportionnée à la finalité de l’agrément en général et
de cette condition d’agrément en particulier. Il lui appar-
tiendra de préciser sa politique en la matière en tenant
compte des lignes directrices établies en la matière par
l’EIOPA (voy. EIOPA, Final Report on Public consultation
n° 14/017 on Guidelines on system of governance, du
28 janvier 2015).
S’agissant des membres du personnel de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance, s’ils ne sont pas en tant
que tels visés par la disposition, il va de soi qu’ils doivent
également s’avérer irréprochables, et qu’il incombe dès
lors à l’entreprise de mettre en place l’organisation et
les procédures adéquates pour s’en assurer. Outre les
vérifications d’usage effectuées à l’engagement, on gar-
dera à l’esprit les mesures que l’entreprise d’assurance
ou de réassurance doit prendre, de manière continue,
afin de veiller au respect des dispositions légales et
réglementaires en matière d’intégrité et de conduite
par les membres de son personnel (voy. l’article 55,
§ 1er en projet).
Le paragraphe 2 de l’article 40 en projet reprend
quant à lui l’obligation aux termes de laquelle la direction
effective doit être confiée à deux personnes physiques
au moins. On renvoie au commentaire de l’article 4 de
la loi du 17 juillet 1985 ayant transposé en droit belge
la première directive bancaire qui conserve — mutatis
70
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
mutatis mutandis zijn volledige relevantie behoudt (Parl.
St. Kamer 1981-1982, nr. 277/1, 6 e.v.). Het gaat hier om
het “vierogenprincipe”, dat een zo kritisch mogelijk on-
derzoek moet toelaten van de te nemen beslissingen en
dat de algemene bedrijfsvoering collegialer moet maken.
Art. 41
Ontwerpartikel 41 is niet nieuw; het stemt overeen
met de artikelen 90, § 3 van de wet van 9 juli 1975 en 17,
§ 3 van de wet van 16 februari 2009, als ingevoegd bij
de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen.
Er zij verwezen naar de commentaar bij artikel 20 van
de wet van 25 april 2014, dat van toepassing werd
verklaard op verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen (Parl.St. Kamer, 2013-2014, nr. 53-3406/001,
40 e.v.).
Afdeling VII
Organisatie
Onderafdeling I
Algemene beginselen
Art. 42
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
moeten over een organisatie beschikken die geschikt
is voor de activiteiten die zij uitoefenen of van plan zijn
uit te oefenen.
Het inleidende gedeelte van ontwerpartikel 42 bevat
in de vorm van een algemeen beginsel het vereiste om
over een governancesysteem te beschikken. Dit alge-
meen beginsel van behoorlijk bestuur wordt vervolgens
toegelicht en geconcretiseerd aan de hand van een
niet-limitatieve thematische lijst van de verschillende
aspecten die dit beginsel behelst. Die aspecten worden
verder uitgewerkt in de verschillende daaropvolgende
onderafdelingen. De bepalingen over het governance-
systeem van de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen moeten samen worden gelezen met de
artikelen 258 en volgende van Verordening 2015/35,
die eveneens een reeks regels en verplichtingen inzake
governance bevatten, die rechtstreeks van toepassing
zijn in het Belgische recht.
Onder de aspecten die in artikel 42 concreter worden
opgesomd, is het eerste beginsel de basisregel van de
scheiding, op het hoogste niveau, tussen de functies
die toezicht houden op de leiding en de functies die
verantwoordelijk zijn voor de effectieve leiding.
mutandis pour le secteur des assurances — toute sa
pertinence (Doc. Parl., Chambre, 1981-1982, n°277/1,
pp. 6 e.s.). Il s’agit de l’affirmation du “principe de quatre
yeux” visant à favoriser un examen aussi critique que
possible des décisions à prendre et à rendre plus col-
légiale la conduite générale des affaires
Art. 41
L’article 41 en projet n’est pas neuf et correspond aux
articles 90, § 3 de la loi du 9 juillet 1975 et 17, § 3 de
la loi du 16 février 2009, tels qu’introduits par la loi du
25 avril 2014 portant des dispositions diverses.
On renvoie au commentaire de l’article 20 de la loi du
25 avril 2014 qui a été rendu applicable aux entreprises
d’assurance et de réassurance (Doc. parl., Chambre,
2013-2014, n° 53-3406/001, p. 40 e.s.).
Section VII
Organisation
Sous-section Ire
Principes généraux
Art. 42
Les entreprises d’assurance ou de réassurance ont
l’obligation de disposer d’une organisation appropriée
aux activités qu’elles exercent ou entendent exercer.
Dans sa partie introductive, l’article 42 en projet
énonce dès lors, sous la forme d’un principe général,
l’exigence de disposer d’un système de gouvernance.
Ce principe général de bonne administration est ensuite
explicité et concrétisé par une liste thématique non limi-
tative énonçant les divers aspects qu’il recouvre et qui
font ensuite l’objet de précisions au fil des sous-sections
qui suivent. Les dispositions concernant le système de
gouvernance des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance doivent être lues ensemble avec les articles 258 et
suivants du Règlement 2015/35, énonçant également
toutes une série de règles et obligations en matière de
gouvernance, directement applicables en droit belge.
Parmi les aspects que l’article 42 énumère de
manière plus concrète, figure comme premier principe
la règle de base de la séparation au plus haut niveau
entre les fonctions exerçant le contrôle sur la direction
et les fonctions de direction effective.
71
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Vervolgens omvat de regeling (i) aspecten die reeds
waren opgenomen in de wetten van 9 juli 1975 en
16 februari 2009, maar die minder uitdrukkelijk waren
geformuleerd, zoals de verplichting om over onafhanke-
lijke controlefuncties inzake interne audit, risicobeheer,
compliance en actuariaat te beschikken, (ii) aspecten die
het wetsontwerp nu algemeen stelt, zoals de noodzaak
om de continuïteit van de diensten en de activiteiten
te garanderen, (iii) aspecten die eveneens zijn voor-
geschreven door Verordening 2015/35, met name in
artikel 258 van deze verordening, zoals de verplichting
om over doeltreffende procedures te beschikken voor
de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging
van en de interne verslaggeving over de risico’s waaraan
de onderneming zou kunnen blootstaan, met inbegrip
van de voorkoming van belangenconflicten, en de ver-
plichting om over een beloningsbeleid te beschikken dat
een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert, (iv)
aspecten die rechtstreeks voortvloeien uit de Richtlijn,
zoals deze vermeld in de punten 10° en 11° van ont-
werpartikel 42, § 1, of nog (v) bepaalde aspecten die
overgenomen zijn uit de bankwet van 25 april 2014 en
die relevant zijn voor de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen, zoals de verplichting om over
een intern waarschuwingssysteem te beschikken
(whistleblowing). De talrijke bepalingen van de huidige
artikelen 14bis van de wet van 9 juli 1975 en 18 van de
wet van 16 februari 2009 worden in de nieuwe struc-
tuur aldus herschikt, nadat ze waar nodig vervolledigd
zijn met het oog op de correcte en volledige omzetting
van de Richtlijn, zonder dat de essentie ervan werd
gewijzigd.
De woorden “om een doeltreffend en voorzichtig be-
leid te garanderen” in paragraaf 1 geven de doelstelling
aan van het governancesysteem, terwijl de verschillende
aspecten die in de punten 1° tot 11° zijn opgesomd,
de thema’s aangeven die dit systeem noodzakelijker-
wijs moet bestrijken. De invoering van een passend
governancesysteem vormt een essentiële wettelijke
verplichting die inherent deel uitmaakt van het wettelijk
statuut van de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen. Aan deze verplichting kan niet worden
getornd en de naleving ervan moet noodzakelijkerwijze
geschieden met inachtneming van het evenredigheids-
beginsel, waaraan wordt herinnerd in paragraaf 2. Het
gaat er hier niet om deze wettelijke verplichting als
resultaats- dan wel middelenverbintenis aan te merken,
zoals voor verbintenissen uit overeenkomst. Zij moet (in
ieder geval) worden nageleefd en enkel de draagwijdte/
intensiteit ervan verschilt naargelang van de specificiteit,
de bijzondere kenmerken van het geval.
Wat de aspecten in verband met de passende admi-
nistratieve en boekhoudkundige organisatie en de pas-
sende interne controle betreft (punt 2°), wordt bepaald
Le système comprend ensuite (i) des aspects qui
étaient déjà exprimés dans les lois du 9 juillet 1975 et
16 février 2009 mais de manière moins explicite, comme
l’obligation de disposer de fonctions de contrôle indé-
pendantes d’audit interne, de gestion des risques, de
compliance et d’actuariat, (ii) des aspects que le projet
de loi pose à présent de manière générale, comme la
nécessité d’assurer la continuité des services et des
activités, (iii) des aspects également prescrits par le
Règlement 2015/35, et, notamment par son article 258,
comme l’obligation de disposer de procédures efficaces
d’identification, de mesure, de gestion, de suivi, et de
reporting interne des risques auxquels l’entreprise pour-
rait être exposée, y compris la prévention des conflits
d’intérêts et l’obligation de disposer d’une politique de
rémunération assurant une gestion saine et efficace
des risques, (iv) des aspects découlant directement de
la Directive, tels que ceux visés aux points 10° et 11°
de l’article 42, § 1er en projet, ou encore (v) certains
aspects repris de la loi bancaire du 25 avril 2014 et qui
ont leur pertinence pour les entreprises d’assurance
ou de réassurance, comme l’obligation de disposer
d’un système d’alerte interne (whistleblowing). La
nouvelle structure entend ainsi réordonner, après les
avoir complétées là où cela paraît nécessaire pour une
transposition correcte et complète de la Directive, les
nombreuses dispositions des actuels articles 14bis de
la loi du 9 juillet 1975 et 18 de la loi du 16 février 2009,
sans toutefois perdre la substance de ces dispositions.
Les mots “en vue de garantir une gestion efficace et
prudente de l’entreprise” contenus au paragraphe 1er
indiquent la finalité du système de gouvernance, les
différents aspects énumérés (1° à 11°) indiquant les
thèmes que ce système doit nécessairement rencon-
trer. La mise en place d’un système de gouvernance
adéquat constitue une obligation légale essentielle
inhérente au statut légal des entreprises d’assurance
ou de réassurance. Cette exigence est incompressible
et son respect répond nécessairement au principe de
proportionnalité, rappelé au paragraphe 2 de la disposi-
tion. Il n’est pas question ici de qualifier cette obligation
légale d’obligation de résultat ou de moyen comme en
matière contractuelle. Cette obligation doit être respec-
tée (en tout état de cause) et seule sa portée/intensité
varie en fonction de la spécificité, des particularités du
cas d’espèce.
En ce qui concerne les aspects relatifs à l’organisa-
tion administrative et comptable et au contrôle interne
adéquats (point 2°), il est précisé que ceux-ci incluent
72
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat deze controleprocedures moeten omvatten die een
redelijke mate van zekerheid verschaffen over de be-
trouwbaarheid van het verslaggevingsproces. Het gaat
hier uiteraard om de financiële verslaggeving, in de zin
van alle kwantitatieve gegevens, met inbegrip van de
boekhoudkundige gegevens, maar ook de rapportering
van alle kwalitatieve gegevens die door of krachtens dit
ontwerp of de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn
is voorgeschreven.
Met betrekking tot het beloningsbeleid (punt 6°)
moet het verband worden gelegd met artikel 275 van
Verordening 2015/35, dat de beginselen bevat die de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in dit
verband moeten naleven (zie ook de commentaar bij
ontwerpartikel 54).
Met betrekking tot de bedrijfscontinuïteit (gewoonlijk
“BCP” genoemd) (punt 9°) is de tekst zowel gebaseerd
op de Europese bepalingen (met name artikel 5 van
Richtlijn 2006/73/EG) als op de aanbevelingen ter zake
van de toezichthouder (zie bv. de circulaire van de
CBFA (PPB 2005/2) van 10 maart 2005 in verband met
gezonde beheerspraktijken inzake de bedrijfscontinuï-
teit van financiële instellingen). Er zij gepreciseerd dat
het om gezonde beheerpraktijken gaat die zich richten
op ernstige en niet-geplande onderbrekingen van het
bedrijf als gevolg van, onder andere, computerpannes,
computervirussen en cybercriminaliteit, van ongeval-
len, omvangrijke sociale onrust, bomalarm, fraude,
sabotage, terrorisme, natuurrampen, alsook van het
uitvallen van nutsvoorzieningen (telecommunicatie,
elektriciteit, aardgas, water,…). Rekening houdend met
de aard, schaal en complexiteit van haar activiteiten
moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
haar organisatie zo opzetten dat, ingeval er zich een
ernstige en niet-geplande onderbreking van het bedrijf
voordoet, zij haar kritieke bedrijfsfuncties kan behouden
of zo spoedig mogelijk kan herstellen en haar normale
dienstverlening en activiteiten binnen een redelijke
tijdspanne kan hervatten.
Paragraaf 2 van ontwerpartikel 42 zorgt voor de om-
zetting van artikel 74, lid 2 van de Richtlijn. Enerzijds
bekrachtigt deze paragraaf een verplichting tot uitput-
tende uitwerking van de organisatieregeling, met name
een organisatie die aangepast is aan de specifieke
kenmerken van de onderneming en derhalve aan al haar
activiteiten, en anderzijds het evenredigheidsbeginsel,
dat kan leiden tot een verlichting van de vereisten voor
kleinere structuren.
des procédures de contrôle procurant un degré de cer-
titude raisonnable quant à la fiabilité du processus de
reporting de l’information. On vise ici bien évidemment
le reporting de l’information financière, au sens de toutes
informations quantitatives, en ce compris les données
comptables, mais également le reporting de toute infor-
mation qualitative prescrit par ou en vertu du présent
projet ou des mesures d’exécution de la Directive.
S’agissant des aspects relatifs à la politique de
rémunération (point 6°), il s’indique de faire le lien avec
l’article 275 du Règlement 2015/35, précisant les prin-
cipes à prendre en considération par les entreprises
d’assurance ou de réassurance à cet égard (voir éga-
lement le commentaire relatif à l’article 54 en projet).
S’agissant des aspects en matière de continuité des
activités (communément appelée “BCP”) (point 9°), le
texte s’inspire à la fois des dispositions européennes
(notamment l’article 5 de la Directive 2006/73/CE) et
des recommandations de l’autorité de contrôle en la
matière (voy. ainsi la circulaire de la CBFA (PPB 2005/2)
du 10 mars 2005 concernant les saines pratiques de
gestion visant à assurer la continuité des activités
des institutions financières). On précise qu’il s’agit de
saines pratiques de gestion devant permettre de faire
face à des interruptions sérieuses et non planifiées des
activités, résultant notamment de pannes informatiques,
d’attaques de virus informatiques et de cybercriminalité,
d’accidents, de perturbations sociales importantes,
d’alertes à la bombe, de fraudes, de sabotages, d’actes
de terrorisme, de catastrophes naturelles, ainsi que de la
défaillance de services d’utilité publique (télécommuni-
cations, électricité, gaz naturel, eau,…). Tenant compte
de la nature, de l’échelle et de la complexité de ses
activités, l’entreprise d’assurance ou de réassurance
doit plus précisément veiller à ce que son organisation
soit conçue de manière telle qu’en cas d’interruption
sérieuse et non planifiée de ses activités, elle puisse
maintenir ses fonctions critiques ou les rétablir le plus
rapidement possible et puisse ainsi reprendre dans un
délai raisonnable la fourniture de ses services habituels
et l’exercice de ses activités normales.
Le paragraphe 2 de l’article 42 en projet assure la
transposition de l’article 41, paragraphe 2 de la Directive.
Il consacre, d’une part, une obligation d’exhaustivité du
dispositif organisationnel, c’est-à-dire, son caractère
approprié au regard des spécificités de l’entreprise et
dès lors de l’ensemble ses activités et, d’autre part,
le principe de proportionnalité qui peut conduire à un
allègement des exigences à l’égard des plus petites
structures.
73
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Paragraaf 3 formuleert het beginsel inzake het opstel-
len van een governancememorandum, waarin verslag
wordt uitgebracht over de volledige governanceregeling
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Het betreft een maatregel die reeds feitelijk van toepas-
sing is (zie circulaire PPB-2007-6-CPB-CPA van de
CBFA van 30 maart 2007 over de prudentiële verwach-
tingen inzake het deugdelijk bestuur van financiële in-
stellingen). De inhoud van dit governancememorandum
stemt op een aantal punten overeen met de informatie
die opgenomen is in het periodieke toezichtrapport
dat voor toezichtsdoeleinden aan de autoriteiten moet
worden meegedeeld overeenkomstig artikel 35, lid
2, onder a), i) van de Richtlijn, en die geharmoniseerd
en gedetailleerd beschreven is in de artikelen 304 en
volgende van Verordening 2015/35. Zo bepaalt artikel
308 van Verordening 2015/35 met betrekking tot het
governanceysteem de specifieke informatie die het aan
de toezichthouder te verstrekken periodieke toezichtrap-
port dient te bevatten over (i) het governancesysteem
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
(ii) de inachtneming door de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming van de vereisten op het gebied
van deskundigheid en betrouwbaarheid, (iii) haar risi-
cobeheersysteem, (iv) de eigen beoordelingen van de
risico’s en de solvabiliteit die de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming in de loop van de rapporterings-
periode heeft verricht, (v) haar internecontrolesysteem,
(vi) haar interneauditfunctie, (vii) haar actuariële functie,
en tot slot (viii) de uitbesteding. Het spreekt voor zich
dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
in hun governancememorandum de informatie over het
governancesysteem mogen opnemen die zij via deze
periodieke rapportering aan de Bank hebben meege-
deeld. De Bank zal erop toezien dat de toepassing van
deze diverse bepalingen geen aanleiding geeft tot een
dubbele rapportering.
Paragraaf 4, waarvan de strekking veeleer verklarend
dan normatief is, maakt het mogelijk om een verband
te leggen met de bepalingen die deze basisbeginselen
verder uitwerken. De specifieke domeinen die in deze
bepalingen aan bod komen, zijn niet beperkend.
Art. 43
Ontwerpartikel 43 zorgt voor de omzetting van
artikel 19 van de Richtlijn en herformuleert de be-
palingen van de artikelen 8, § 1, 3de streepje van de
wet van 9 juli 1975 en 6, § 1, derde lid van de wet van
16 februari 2009.
Le paragraphe 3 énonce le principe d’établissement
d’un memorandum de gouvernance, qui rend compte
de l’ensemble du système de gouvernance de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance. Il s’agit d’une
mesure qui est déjà d’application dans les faits (voy.
la circulaire PPB-2007- 6-CPB-CPA de la CBFA du
30 mars 2007 relative aux attentes prudentielles en
matière de bonne gouvernance des établissements
financiers). Le contenu de ce mémorandum de gou-
vernance coïncide sur un certain nombre de points
avec les informations contenues dans le rapport régu-
lier à communiquer aux autorités aux fins du contrôle
conformément à l’article 35, paragraphe 2, a), i) de
la Directive, telles que harmonisées et détaillées aux
articles 304 et suivants du Règlement 2015/35. Ainsi,
l’article 308 du Règlement 2015/35 détermine les infor-
mations spécifiques, en ce qui concerne le système de
gouvernance, que le rapport régulier au contrôleur doit
contenir concernant (i) le système de gouvernance de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance, (ii) le res-
pect, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
des exigences de compétence et d’honorabilité, (iii)
son système de gestion des risques, (iv) les évaluations
internes des risques et de la solvabilité qu’elle a effec-
tuées sur la période de référence, (v) son système de
contrôle interne, (vi) sa fonction d’audit interne, (vii) sa
fonction actuarielle, et enfin (viii) la sous-traitance. Il va
de soi que les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance peuvent reprendre dans leur mémorandum de
gouvernance les informations au sujet du système de
gouvernance qu’elles ont communiquées à travers de
ce reporting régulier à la Banque. Celle-ci veillera à ce
qu’aucun double reporting ne résulte de l’application
de ces diverses dispositions.
Le paragraphe 4 dont la portée est plus explicative
que normative, permet de faire le lien avec les disposi-
tions développant ces principes de base; les domaines
particuliers faisant l’objet de ces dispositions n’étant
pas limitatifs.
Art. 43
L’article 43 en projet assure la transposition de
l’article 19 de la Directive et reformule les dispositions
des articles 8, § 1er, 3ième tiret de la loi du 9 juillet 1975 et
6, § 1er, alinéa 3 de la loi du 16 février 2009.
74
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling II
Vennootschapsorganen
Art. 44
De Richtlijn besteedt heel wat aandacht aan het
wettelijk bestuursorgaan, waarvan de taak en de ver-
antwoordelijkheden worden vastgelegd in talrijke do-
meinen. Ontwerpartikel 44 bepaalt dat van het wettelijk
bestuursorgaan wordt verwacht dat het de strategie, de
doelstellingen en het risicobeleid van de onderneming,
met inbegrip van de algemene risicotolerantie, vastlegt
en daar toezicht op uitoefent.
Art. 45 tot 47
De bepalingen van de ontwerpartikelen 45, 46 en
47 leggen aan de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm, de ver-
plichting op om binnen hun wettelijk bestuursorgaan
een directiecomité op te richten, dat samengesteld is
uit ten minste drie uitvoerende leden van de raad van
bestuur. Deze verplichting geeft gestalte aan een van
de doelstellingen van de ontwerpwet, namelijk dat het
governancesysteem met name berust op een beleids-
structuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op
een duidelijk onderscheid tussen de effectieve leiding
van de onderneming en het toezicht op die leiding (zie
ontwerpartikel 42, § 1, 1°).
In het bijzonder in financiële instellingen heeft de
praktijk aangetoond dat de oprichting van een dergelijk
collegiaal orgaan een versterkende factor vormt voor
de corporate governance. Dit veronderstelt uiteraard
dat de niet-uitvoerende bestuurders, die dus geen deel
uitmaken van het directiecomité, een meerderheid vor-
men binnen het wettelijk bestuursorgaan, en met name
dat de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan en
die van het directiecomité twee verschillende personen
zijn. Deze twee laatste aspecten worden uitgedrukt in
de paragrafen 2 en 3 van de ontwerpartikelen 45 en 46.
De oprichting van een directiecomité vermindert ove-
rigens het juridische risico op niet-tegenwerpbaarheid
van de door de effectieve leiding genomen beslissingen
die de grenzen van het dagelijks bestuur overschrijden.
Dit risico vloeit voort uit het feit dat het op grond van
het vennootschapsrecht niet is toegestaan het bestuur
geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een ander
orgaan dan het directiecomité, wat impliceert dat wan-
neer er geen directiecomité is, de raad van bestuur, die
optreedt als een college, de effectieve leiding van de
onderneming in al haar aspecten moet voeren.
Sous-section II
Organes sociétaires
Art. 44
La Directive porte une attention considérable à
l’organe légal d’administration, dont le rôle et les res-
ponsabilités sont précisés dans de multiples domaines.
L’article 44 en projet précise que l’on attend de l’organe
légal d’administration qu’il définisse et supervise la
stratégie et les objectifs de l’entreprise ainsi que la
politique en matière de risques, en ce compris les limites
de tolérance générale aux risques.
Art. 45 à 47
Les dispositions des articles 45, 46 et 47 en projet
instaurent l’obligation pour les entreprises d’assurance
ou de réassurance, quelle que soit leur forme juridique,
de constituer au sein de leur organe légal d’administra-
tion un comité de direction, composé d’au moins trois
membres exécutifs du conseil d’administration. Cette
obligation matérialise l’un des objectifs de la loi en
projet, à savoir que le système de gouvernance repose
notamment sur une structure de gestion basée au plus
haut niveau sur une distinction claire entre la direction
effective de l’entreprise et le contrôle de cette direction
(voy . art. 42, § 1er, 1° en projet).
Tout particulièrement au sein des établissements fi-
nanciers, la pratique a montré que la mise en place d’un
tel organe, collégial, constitue un élément de renforce-
ment de la gouvernance. Ceci suppose évidemment que
les administrateurs non exécutifs, qui ne font donc pas
partie du comité de direction, forment la majorité au sein
de l’organe légal d’administration et notamment que
les présidents de l’organe légal d’administration et du
comité de direction soient deux personnes différentes.
Ces deux derniers aspects sont exprimés au travers
des paragraphes 2 et 3 des articles 45 et 46 en projet.
Par ailleurs, la mise en place d’un comité de direc-
tion réduit le risque juridique de non-opposabilité des
décisions prises par la direction effective qui dépassent
les limites de la gestion journalière. Ce risque provient
du fait qu’en droit des sociétés, il n’est pas autorisé
d’octroyer une délégation générale de tout ou partie de
la gestion à un organe autre que le comité de direction,
ce qui implique qu’en l’absence de comité de direction,
le conseil d’administration agissant collégialement doit
assumer la direction effective de l’entreprise dans toutes
ses composantes.
75
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 45 betreft het geval waarin de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming als naamloze vennoot-
schap is opgericht, terwijl artikel 46 de andere ven-
nootschapsvormen betreft.
Door de verplichting voor ten minste drie leden van
het directiecomité om bestuurders te zijn, wordt een
band gecreëerd met het wettelijk bestuursorgaan. Om
het wettelijk bestuursorgaan in staat te stellen naar
behoren toezicht uit te oefenen op het directiecomité
(een taak die haar op grond van ontwerpartikel 77, § 2 is
toevertrouwd), vormen de niet-uitvoerende bestuurders
(die dus geen deel uitmaken van het directiecomité)
een meerderheid en kan de functie van voorzitter niet
worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité.
Het directiecomité is een collegiaal orgaan, waar-
van de werking wordt geregeld in het Wetboek van
Vennootschappen. Wat de samenstelling van het direc-
tiecomité betreft, bepaalt de ontwerpwet dat ten minste
drie uitvoerende bestuurders deel moeten uitmaken
van het directiecomité. Wie er dus verplicht deel van
moeten uitmaken zijn de verantwoordelijke voor de
risicobeheerfunctie, krachtens ontwerpartikel 56, § 1,
tenzij een afwijking is verleend krachtens ontwerpartikel
56, § 3, in welk geval het directiecomité uit twee per-
sonen bestaat, evenals iedere bestuurder aan wie het
dagelijks bestuur van de onderneming is opgedragen.
Dit laatste aspect wordt uitgedrukt in paragraaf 4 van de
bepalingen, die stelt dat het dagelijks bestuur niet mag
worden opgedragen aan een niet-uitvoerend bestuurder.
Door toe te laten dat personen die niet de hoedanig-
heid hebben van bestuurder, deel uitmaken van het di-
rectiecomité, wenst de Regering de multiplicatoreffecten
voor het aantal bestuurders in de raad van bestuur aan
de hierboven geformuleerde regel te onderwerpen, die
inhoudt dat de meerderheid van de leden van de raad
van bestuur geen lid zijn van het directiecomité (zie
paragraaf 2 van de ontwerpartikelen 45 en 46). Het
spreekt voor zich dat deze mogelijkheid de gezonde en
voorzichtige bedrijfsvoering van de onderneming en de
goede werking van haar organen niet mag belemmeren.
Daarom gelden voor de leden van het directiecomité
die niet de hoedanigheid van bestuurder zouden hebben
dezelfde bepalingen als voor de bestuurders voor wat
betreft de vereisten inzake betrouwbaarheid en des-
kundigheid, beroepsverboden, uitoefening van externe
functies, beschikbaarheid of leningen aan leiders.
Wat de naamloze vennootschappen en de Europese
vennootschappen betreft, zij eraan herinnerd dat de arti-
kelen 525 en 898 van het Wetboek van Vennootschappen
L’article 45 vise le cas où la forme sociétaire est la so-
ciété anonyme, l’article 46 les autres formes sociétaires.
L’obligation pour au moins trois membres du comité
de direction d’être des administrateurs permet d’assurer
le lien avec l’organe légal d’administration, où, afin de
permettre à celui-ci d’assumer pleinement sa fonction
de contrôle sur le comité de direction (telle qu’explicitée
à l’article 77, § 2 en projet), les administrateurs non exé-
cutifs (qui ne font donc pas partie du comité de direction)
forment la majorité et la fonction de président ne peut
être exercée par un membre du comité de direction.
Le comité de direction est un organe collégial dont
le fonctionnement est réglé par le Code des sociétés.
En ce qui concerne la composition du comité de direc-
tion, le projet prévoit qu’au moins trois administrateurs
exécutifs doivent faire partie du comité de direction. En
seront donc nécessairement membres le responsable
de la fonction de gestion des risques par application de
l’article 56, § 1er en projet, sauf dérogation accordée en
vertu de l’article 56, § 3 en projet, auquel cas le comité
de direction sera composé de deux personnes, ainsi que
tout administrateur à qui est déléguée la gestion journa-
lière de l’entreprise. Ce dernier aspect est exprimé par
le biais du paragraphe 4 des dispositions qui précise
que la délégation journalière ne peut être confiée à un
administrateur non exécutif.
En admettant la présence de personnes n’ayant
pas la qualité d’administrateur au sein du comité de
direction, le Gouvernement souhaite encadrer les effets
multiplicateurs sur le nombre d’administrateurs au sein
du conseil d’administration de la règle énoncée ci-avant
suivant laquelle le conseil d’administration compte une
majorité de membres qui ne sont pas membres du
comité de direction (voy. paragraphe 2 des articles 45 et
46 en projet). Il va sans dire que cette possibilité ne peut
pas être exercée au détriment d’une gestion saine et
prudente de l’entreprise et d’un bon fonctionnement
de ses organes.
C’est ainsi que les membres du comité de direction
qui n’auraient pas la qualité d’administrateur sont sou-
mis aux mêmes dispositions que les administrateurs
en termes d’exigences d’honorabilité et d’expertise,
d’interdictions professionnelles, d’exercice de fonctions
extérieures, de disponibilité ou encore de prêts aux
dirigeants.
On rappelle que pour les sociétés anonymes et les
sociétés européennes, le Code des sociétés (dans ses
articles 525 et 898) prévoit que la gestion des affaires
76
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bepalen dat het dagelijks bestuur van de vennootschap,
alsook de vertegenwoordiging van de vennootschap
wat dat bestuur betreft, mogen worden opgedragen
aan een of meer personen, die alleen of gezamenlijk
optreden. Het wettelijk bestuursorgaan, of, in voor-
komend geval, het directiecomité, mogen dus een of
meer natuurlijke of rechtspersonen aanwijzen, die al
dan niet bestuurder en al dan niet aandeelhouder zijn,
die zullen instaan voor het dagelijks bestuur van de
vennootschap. Het begrip “dagelijks bestuur” wordt niet
gedefinieerd in het Wetboek van Vennootschappen.
Het Hof van Cassatie heeft dit begrip herhaaldelijk
omschreven als handelingen “die niet verder reiken
dan de behoeften van het dagelijks leven van de ven-
nootschap” (Cass. 21 februari 2000, TRV 2000, 283)
of “die om reden zowel van het minder belang dat ze
vertonen, als van de noodzakelijkheid een spoedige
oplossing te treffen, de tussenkomst van de raad van
bestuur niet rechtvaardigen” (Cass. 17 september 1968,
Pas., 1969, I, 61; er zij evenwel opgemerkt dat het —
meer bekritiseerde — arrest van het Hof van Cassatie
van 26 februari 2009 (TRV, 2009, 44) bepaalt dat het
minder belang en de spoedeisendheid voorwaarden zijn
die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een handeling
binnen het dagelijks bestuur zou vallen). Het gaat dus
in principe om de lopende zaken en de uitvoering van
de beslissingen van de raad van bestuur. Binnen de
grenzen van de handelingen die zij mogen verrichten
overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het
Wetboek van Vennootschappen, zoals geïnterpreteerd
door het Hof van Cassatie, maken de personen die
belast zijn met het dagelijks bestuur eveneens deel
uit van de effectieve leiding van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Art. 47
Het eerste lid van de ontwerpbepaling maakt het
mogelijk geheel of gedeeltelijk af te wijken van de ver-
plichtingen van de ontwerpartikelen 45 of 46. Hierdoor
kan rekening worden gehouden met de specifieke
kenmerken van de concrete gevallen die zich kunnen
voordoen. Het tweede lid geeft concreet gestalte aan de
mogelijkheid tot afwijking waarin het eerste lid voorziet,
door voorbeelden op te sommen van gevallen waarin
een afwijking mogelijk is.
Artikel 47 van het ontwerp van wet concretiseert al-
dus in zekere zin het door de Richtlijn vooropgestelde
evenredigheidsbeginsel (zie de commentaar bij ont-
werpartikel 42, § 2). Het is immers aan de Bank om te
beoordelen of de kenmerken van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van die aard zijn dat zij
haar een afwijking kan toestaan van de verplichting
om een directiecomité op te richten of door toe te staan
journalières de la société ainsi que la représentation
de la société en ce qui concerne cette gestion peuvent
être déléguées à une ou plusieurs personnes, agissant
seules ou conjointement. L’organe légal d’administration
ou, le cas échéant, le comité de direction peuvent donc
désigner une ou plusieurs personne(s) (physique(s) ou
morale(s)), administrateur ou non, actionnaire ou non,
qui s’occupera/ont de la gestion journalière de la socié-
té. La notion de gestion journalière n’est pas définie par
le Code des sociétés. À plusieurs reprises, la Cour de
cassation l’a définie comme les actes “qui ne dépassent
pas les besoins de la vie quotidienne de la société”
(Cass., 21 février 2000, TRV 2000, p. 283) ou “qui, en
raison tant de leur peu d’importance que de la nécessité
d’une prompte solution, ne justifient pas l’intervention
du conseil d’administration” (Cass., 17 septembre 1968,
Pas., 1969, I, p. 61; On relève toutefois l’arrêt, plus criti-
qué, de la Cour de cassation du 26 février 2009 (TRV,
2009, p. 44), selon lequel les conditions de la faible
importance et de l’urgence devaient être cumulative-
ment remplies pour qu’un acte puisse être considéré
comme relevant de la gestion journalière). Il s’agit donc
en principe des affaires courantes et de l’exécution des
décisions du conseil d’administration. Dans les limites
des actes qu’ils peuvent assumer conformément aux
dispositions applicables du Code des sociétés, telles
qu’interprétées par la Cour de cassation, les délégués
à la gestion journalière font également partie de la
direction effective de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Art. 47
L’alinéa 1er de la disposition en projet permet de déro-
ger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par les
articles 45 ou 46 en projet. Cette flexibilité permet de
rencontrer les spécificités inhérentes aux cas concrets
susceptibles de se présenter. L’alinéa 2 a pour objet de
rendre plus concrète cette possibilité de dérogation pré-
vue sous l’alinéa 1er, en énonçant, à titre exemplatif, les
situations susceptibles de donner lieu à une dérogation.
L’article 47 du projet de loi concrétise ainsi, d’une
certaine manière, le principe de proportionnalité posé
par la Directive (voy. le commentaire relatif à l’article
42, § 2 en projet). Il revient, en effet, à la Banque d’éva-
luer notamment si les caractéristiques d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance conduisent à l’autoriser
à déroger à l’obligation de constituer un comité de direc-
tion ou en permettant le cumul des fonctions de membre
77
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat de functie van lid van het directiecomité en die van
voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan, gecumu-
leerd worden.
Indien er, overeenkomstig ontwerpartikel 47, binnen
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming geen
directiecomité is opgericht als gevolg van een afwijking
die door de Bank is toegestaan, wordt onder “effectieve
leiding” de uitvoerende bestuurders verstaan evenals de
personen die, zonder de hoedanigheid van bestuurder
te hebben, door de onderneming als effectieve leiders
worden beschouwd wegens de rechtstreekse en door-
slaggevende invloed die zij kunnen uitoefenen op het
beheer van alle of bepaalde activiteiten van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming.
Onderafdeling III
Oprichting van comités binnen het wettelijk
bestuursorgaan
Art. 48
Eén van de vaststellingen die voortvloeiden uit de
financiële crisis, had te maken met het gebrek aan kri-
tische ingesteldheid van het wettelijk bestuursorgaan,
deels vanwege een beperkte kennis van de verschillen-
de activiteiten en complexe producten van de financiële
instellingen, en van de risico’s die ermee samenhangen.
Teneinde de doeltreffendheid van het toezicht op
en de controle van de activiteiten, de werking en het
risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming door het wettelijk bestuursorgaan te
versterken, inclusief de hoogste leiding van de onder-
neming, schrijft ontwerpartikel 48 de oprichting voor
van drie gespecialiseerde comités binnen het wettelijk
bestuursorgaan, die belast zijn met het voorbereiden
van de beslissingen van het wettelijk bestuursorgaan
in hun respectieve domeinen. Behalve het auditcomité,
waarvan de oprichting reeds verplicht was op grond van
de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009, schrijft
ontwerpartikel 48 de oprichting voor van een remune-
ratiecomité en een risicocomité.
Ontwerpartikel 52 voorziet echter in specifieke moge-
lijkheden om van die verplichting af te wijken, met name
voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die een beperkt risicoprofiel vertonen, rekening houdend
met hun omvang of de aard van hun activiteiten, (zie
infra, commentaar bij ontwerpartikel 52).
De regels voor de samenstelling van de comités, die
in ontwerpartikel 48 zijn opgenomen, gelden voor elk
van de comités. Alleen de niet-uitvoerende leden van
du comité de direction et de président de l’organe légal
d’administration.
Lorsque, conformément à l’article 47 en projet, un
comité de direction n’a pas été institué au sein de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance en raison
d’une dérogation accordée par la Banque, la direction
effective s’entend des administrateurs exécutifs ainsi
que les personnes qui, sans avoir la qualité d’adminis-
trateur, sont considérées par l’entreprise comme des
dirigeants effectifs en raison de l’influence directe et
déterminante qu’elles peuvent exercer sur la direction de
tout ou partie des activités de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance.
Sous-section III
Mise en place de comités au sein de l’organe légal
d’administration
Art. 48
Un des constats posés à la suite de la crise financière
portait sur l’absence d’esprit critique dans le chef de
l’organe légal d’administration, en partie due à une
connaissance limitée des différentes activités et pro-
duits complexes des établissements financiers, et des
risques qui y sont liés.
Afin de renforcer l’efficacité de la surveillance et du
contrôle des activités, du fonctionnement et du profil de
risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
par l’organe légal d’administration, en ce compris de
ses plus hauts dirigeants, l’article 48 en projet impose
la constitution, au sein de l’organe légal d’administra-
tion, de trois comités spécialisés, chargés de préparer
les décisions de l’organe légal d’administration dans
leurs matières respectives. En plus du comité d’audit,
qui était déjà imposé par les lois du 9 juillet 1975 et
16 février 2009, l’article 48 en projet impose ainsi la
mise en place d’un comité de rémunération et d’un
comité des risques.
L’article 52 en projet prévoit toutefois des possibilités
spécifiques de dérogation à cette obligation, notamment
pour les entreprises d’assurance ou de réassurance
présentant un profil de risque réduit compte tenu de
leur taille ou de la nature de leurs activités (voir infra, le
commentaire relatif à l’article 52 en projet).
Les règles relatives à la composition des comités,
définies à l’article 48 en projet, valent pour chacun des
comités. Seuls les membres non exécutifs de l’organe
78
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het wettelijk bestuursorgaan, die dus niet deelnemen
aan de effectieve leiding van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, mogen logischerwijze deel
uitmaken van die comités, die de toezichtsfunctie die
aan het wettelijk bestuursorgaan is toegewezen over-
eenkomstig ontwerpartikel 77, § 2, versterken.
In elk van de comités moet een onafhankelijk bestuur-
der in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van
Vennootschappen aanwezig zijn. Het gaat hier om de
uitbreiding tot het risicocomité en het remuneratiecomité
van een verplichting die in de wetten van 9 juli 1975 en
16 februari 2009 reeds van toepassing was voor het
auditcomité.
De aandacht zij gevestigd op ontwerpartikel 652,
volgens hetwelk de artikelen 50 en 51 zes maanden
na de inwerkingtreding van de wet van toepassing zijn,
onverminderd de toepassing van het hierna besproken
artikel 52, zodat de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen over de nodige tijd beschikken om een
risicocomité en een remuneratiecomité op te richten.
Art. 49
Ontwerpartikel 49, dat de deskundigheidsvereis-
ten en de taken van het auditcomité vastlegt, is niet
nieuw ten opzichte van de wetten van 9 juli 1975 en
16 februari 2009, waarin de bepalingen van Richtlijn
2006/43/EG van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke
controles van jaarrekeningen en geconsolideerde reke-
ningen reeds werden omgezet.
Paragraaf 3 van ontwerpartikel 49 werd herschikt om
beter aan te geven dat die bepaling de onafhankelijkheid
van de erkend commissaris van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming beoogt te garanderen.
Art. 50
Het remuneratiecomité vormt op het niveau van het
wettelijk bestuursorgaan een niveau voor de voorbe-
reiding van beslissingen en voor controle dat strekt tot
een strikte omkadering van het beloningsbeleid van
de onderneming dat door het wettelijk bestuursorgaan
wordt vastgelegd (zie ontwerpartikel 77, § 5) en door
het directiecomité wordt uitgevoerd (zie ontwerpartikel
80, § 3).
Verordening 2015/35 voorziet in de oprichting van
een remuneratiecomité indien de omvang en de in-
terne organisatie van de onderneming dit vereisen (zie
artikel 275, lid 1, onder f) van Verordening 2015/35).
légal d’administration, ne participant donc pas à la
direction effective de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance, peuvent, en toute logique, faire partie de
ces comités qui renforcent la fonction de contrôle incom-
bant à l’organe légal d’administration conformément à
l’article 77, § 2 en projet.
Dans chacun des comités, la présence d’un adminis-
trateur indépendant au sens de l’article 526ter du Code
des sociétés est obligatoire. Il s’agit ici de l’extension au
comité des risques et au comité de rémunération d’une
obligation qui était déjà d’application pour le comité
d’audit dans les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009.
On attire l’attention sur l’article 652 en projet en
vertu duquel les articles 50 et 51 sont d’application six
mois après l’entrée en vigueur de la loi, sans préjudice
de l’application de l’article 52 commenté ci-après,
afin de permettre aux entreprises d’assurance ou de
réassurance de bénéficier du temps nécessaire à la
mise en place d’un comité des risques et d’un comité
de rémunération.
Art. 49
L’article 49 en projet, qui précise les exigences
de compétence et les tâches du comité d’audit, ne
constitue pas une nouveauté par rapport aux lois
du 9 juillet 1975 et 16 février 2009, dans lesquelles
étaient déjà transposées les dispositions de la directive
2006/43/CE du 17 mai 2006 concernant les contrôles
légaux des comptes annuels et des comptes consolidés.
Le paragraphe 3 de l’article 49 en projet a été réa-
ménagé pour mieux indiquer que cette disposition vise
à s’assurer de l’indépendance du commissaire agréé
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
Art. 50
Le comité de rémunération constitue, au niveau de
l’organe légal d’administration, un niveau de prépara-
tion décisionnelle et de contrôle visant à encadrer de
manière stricte la politique de rémunération de l’entre-
prise adoptée par l’organe légal d’administration (voir
l’article 77, § 5 en projet) et mise en œuvre par le comité
de direction (voir l’article 80, § 3 en projet).
On relève que le Règlement 2015/35 prévoit la créa-
tion d’un comité de rémunération si cela est approprié
au regard de la taille et de l’organisation interne de
l’entreprise (voir l’article 275, paragraphe 1er, (f) du
79
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De ontwerpwet gaat uit van een andere benadering:
de oprichting van een dergelijk comité is in principe
verplicht, maar is facultatief voor verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen die aan bepaalde criteria
inzake omvang voldoen (zie ontwerpartikel 52, §§ 1 en
2 en de commentaar bij deze bepalingen). Met andere
woorden, de ontwerpwet drukt de criteria inzake omvang
en interne organisatie als bedoeld in artikel 275, lid 1,
onder f) van Verordening 2015/35 uit in cijfers.
De rol en de functies van het remuneratiecomité, de
beginselen die in acht moeten worden genomen in het
remuneratiebeleid van de onderneming, en de inhoud
ervan zijn gedetailleerd omschreven in artikel 275 van
Verordening 2015/35. Omwille van de transparantie
en van de volledigheid van de beschrijving van de
comités die moeten worden opgericht in het wettelijk
bestuursorgaan, wordt in ontwerpartikel 50 herhaald
welke opdracht dit comité heeft. De samenstelling van
het remuneratiecomité, als opgelegd door ontwerpartikel
48 en ontwerpartikel 50, § 1, vloeit echter niet voort uit
de Richtlijn of uit Verordening 2015/35, maar vormt een
vereiste dat specifiek is voor het Belgische recht.
Overeenkomstig artikel 275, lid 1, onder f) van
Verordening 2015/35, bepaalt ontwerpartikel 50, § 2 dat
het remuneratiecomité een advies dient uit te bren-
gen over het remuneratiebeleid van het wettelijk
bestuursorgaan.
Conform artikel 275, lid 1, onder a) van Verordening
2015/35 onderzoekt het remuneratiecomité of de door
het bezoldigingssysteem gecreëerde stimulansen, met
inbegrip van het bevorderingssysteem, niet van aard
zijn om aan te sporen tot het nemen van buitensporige
risico’s binnen de onderneming of tot gedragingen die
andere belangen nastreven dan het belang van de on-
derneming en haar belanghebbenden (stakeholders).
Het remuneratiecomité kan zich bijvoorbeeld ook ba-
seren op informatie die door het risicocomité is aange-
bracht om wijzigingen voor te stellen in de beslissing van
het wettelijk bestuursorgaan inzake variabele beloning.
Art. 51
Er hoeft niet benadrukt te worden dat het van be-
lang is dat elke onderneming de risico’s die zij loopt,
ten volle beheerst, met name op het niveau van het
wettelijk bestuursorgaan. Tegen die achtergrond is
het van essentieel belang dat ieder afzonderlijk lid
van het risicocomité beschikt over een perfect inzicht
in de relevante materies, die soms uitermate complex
kunnen zijn. Dit vereiste leidt niet tot de uitsluiting van
bepaalde opleidingen maar betekent dat de leden over
Règlement 2015/35). La loi en projet adopte une dé-
marche différente en prévoyant en principe la création
d’un tel comité tout en rendant celle-ci facultative pour
les entreprises d’assurance ou de réassurance répon-
dant à certains critères de taille déterminés (voir l’article
52, §§ 1er et 2 en projet, et le commentaire relatif à ces
dispositions). En d’autres termes, la loi en projet traduit
en critères chiffrés les critères de taille et d’organisation
interne énoncés à l’article 275, parapgraphe 1, (f), du
Règlement 2015/35.
Le rôle et les fonctions du comité de rémunération, les
principes à respecter par la politique de rémunération
de l’entreprise et le contenu de celle-ci sont définis en
détail par l’article 275 du Règlement 2015/35. C’est
uniquement à des fins de transparence et dans un souci
de complétude de la description des comités à mettre
en place au sein de l’organe légal d’administration, que
l’article 50 en projet réitère la mission de ce comité. Par
contre, la composition du comité de rémunération, telle
qu’imposée par l’article 48 et l’article 50, § 1er en projet,
ne découle ni de la Directive, ni du Règlement 2015/35,
mais constitue une exigence propre au droit belge.
Conformément à l’article 275, paragraphe 1er, (f) du
Règlement 2015/35, l’article 50, § 2 en projet précise
que le comité de rémunération émet un avis sur la
politique de rémunération à adopter par l’organe légal
d’administration.
Ainsi qu’il résulte de l’article 275, paragraphe 1er, a) du
Règlement 2015/35, le comité de rémunération examine
si les incitants créés par le système de rémunération,
y compris le système de promotion, ne sont pas de
nature à conduire à des prises de risques excessives
au sein de l’entreprise ou à des comportements pour-
suivant d’autres intérêts que celui de l’entreprise et de
ses parties prenantes (stakeholders). Il peut aussi, par
exemple, se baser sur des informations apportées par
le comité des risques pour proposer des modifications à
la décision de l’organe légal d’administration en matière
de rémunération variable.
Art. 51
Il n’est pas nécessaire de souligner l’importance
pour chaque entreprise de maîtriser pleinement les
risques encourus, notamment au niveau de l’organe
légal d’administration. Dans ce contexte, il s’impose que
chacun des membres du comité des risques dispose
individuellement d’une parfaite compréhension des
matières pertinentes qui peuvent par ailleurs s’avérer
particulièrement complexes. Cette exigence ne conduit
pas à une exclusivité en termes de formation mais
80
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de nodige professionele en/of academische bagage
moeten beschikken om de onderwerpen die door het
genoemde comité worden behandeld, met een kritische
geest te kunnen benaderen. Het is met kennis van zaken
dat het wettelijk bestuursorgaan dan de risicostrategie
en de risicotolerantie van de onderneming zal kunnen
bepalen, en nauwgezet toezicht zal kunnen uitoefenen
op de tenuitvoerlegging en naleving ervan door de ef-
fectieve leiding van de onderneming.
Art. 52
De oprichting van de drie voornoemde comités binnen
het wettelijk bestuursorgaan, die uitsluitend bestaan uit
niet-uitvoerende bestuurders, is niet gerechtvaardigd
voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die een beperkt risicoprofiel vertonen, rekening houdend
met hun omvang of de aard van hun activiteiten. Om
die reden staat ontwerpartikel 52 een verlichting van
de op te zetten interne structuur toe, afhankelijk van de
ontwikkeling van een aantal parameters.
Zo bepaalt ontwerpartikel 52, § 1 dat de oprichting
van een auditcomité, een remuneratiecomité en een
risicocomité niet verplicht is voor verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen die op geconsolideerde
basis voldoen aan ten minste twee van de volgende
drie criteria: een gemiddeld aantal werknemers gedu-
rende het betrokken boekjaar van minder dan 250 per-
sonen, een balanstotaal van minder dan of gelijk aan
43 000 000 euro en een jaarlijkse netto-omzet van
minder dan of gelijk aan 50 000 000 euro. Wat dit laatste
criterium betreft, zij verduidelijkt dat onder het begrip
“omzet” verstaan moet worden de “verdiende premies
onder aftrek van herverzekering”, als gedefinieerd in het
koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarreke-
ning van de verzekerings- en herverzekeringsonderne-
mingen, die als algemeen aanvaarde referentie worden
gehanteerd (zie de parlementaire voorbereiding van de
wet van 17 december 2008 inzonderheid tot oprichting
van een auditcomité in de genoteerde vennootschap-
pen en de financiële ondernemingen, Parl.St. Kamer,
nr. 52- 1471/001, 7).
Bij afwezigheid van een auditcomité, een remunera-
tiecomité en een risicocomité met toepassing van de
afwijkende regeling als bedoeld in ontwerpartikel 52,
§ 1, wordt het wettelijk bestuursorgaan in zijn geheel
belast met het uitoefenen van de aan de betrokken
comités toegewezen functies. Hieruit vloeit voort dat de
in de artikelen 49, 50 en 51 vastgelegde normen voor
elk van de betrokken comités in dat geval van toepas-
sing zijn op het wettelijk bestuursorgaan, los van de
interne structuur die door dit orgaan wordt opgezet. In
de bepaling wordt gesteld dat in de gevallen waarbij, met
signifie que les membres doivent disposer du bagage
professionnel et/ou académique leur permettant d’exer-
cer un esprit critique adéquat eu égard aux matières trai-
tées par ledit comité. C’est en connaissance de cause
que l’organe légal d’administration pourra alors fixer la
stratégie en matière de risque et le niveau de tolérance
au risque de l’entreprise, et en superviser étroitement
la mise en œuvre et le respect par la direction effective
de l’entreprise.
Art. 52
La mise en place des trois comités précités au sein
de l’organe légal d’administration, exclusivement com-
posés d’administrateurs non exécutifs, ne se justifie pas
pour des entreprises d’assurance ou de réassurance
présentant un profil de risque réduit compte tenu de leur
taille ou de la nature de leurs activités. C’est pourquoi
l’article 52 en projet permet un allègement de la struc-
ture interne à mettre en place en fonction de l’évolution
de certains paramètres.
Ainsi, l’article 52, § 1er en projet précise que la
constitution des comités d’audit, de rémunération
et des risques n’est pas obligatoire dans les entre-
prises d’assurance ou de réassurance répondant sur
base consolidée à au moins deux des trois critères
suivants: un nombre moyen de salariés inférieur à
250 personnes sur l’ensemble de l’exercice concerné,
un total du bilan inférieur ou égal à 43 000 000 euros
et un chiffre d’affaires net annuel inférieur ou égal à
50 000 000 euros. S’agissant de ce dernier critère, il
est précisé que la notion de “chiffre d’affaires” s’entend
des “primes acquises nettes de réassurance”, telles que
définies dans l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif
aux comptes annuels des entreprises d’assurance et
de réassurance, qui sont utilisées comme référence
communément admise (voir les travaux préparatoires
de la loi du 17 décembre 2008 instaurant notamment
un comité d’audit dans les sociétés cotées et dans les
entreprises financières, Doc. Parl., Chambre, n° 52-
1471/001, p. 7).
En cas d’absence de comité d’audit, de comité de
rémunération et de comité des risques en application du
régime dérogatoire prévu par l’article 52, § 1er en projet,
c’est l’organe légal d’administration dans son ensemble
qui est chargé d’exercer les fonctions attribuées aux
comités concernés. Il en découle que les normes pré-
cisées aux articles 49, 50 et 51 pour chacun de ces
comités concernés, sont, dans ce cas, applicables à
l’organe légal d’administration, quelle que soit la struc-
ture interne que cet organe met en place. La disposition
précise que dans les hypothèses où, en application de la
81
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toepassing van de mogelijkheid tot afwijking als bepaald
in ontwerpartikel 47, geen directiecomité is opgericht,
wanneer de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan
een uitvoerend lid is, hij het wettelijk bestuursorgaan
niet zal kunnen voorzitten wanneer dit orgaan optreedt
in de hoedanigheid van één van de comités.
Ontwerpartikel 52, § 2 bepaalt dat de Bank een vrij-
stelling kan verlenen van de verplichting om een remu-
neratiecomité op te richten aan een onderneming die
niet voldoet aan de voorwaarde van paragraaf 1, indien
zij van oordeel is dat die onderneming zo georganiseerd
is dat het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité
voldoende ondersteund worden bij hun respectieve
taken inzake beloningsbeleid als bedoeld in de artike-
len 77, § 5 en 80, § 3, Deze vrijstelling is gebaseerd op
artikel 275, lid 1, onder f) van Verordening 2015/35, die
de lidstaten de mogelijkheid biedt de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen vrij te stellen van de
verplichting om een remuneratiecomité op te richten op
grond van hun “interne organisatie”.
Paragraaf 3 machtigt de Bank om rekening te hou-
den met de groepscontext om, in voorkomend geval,
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
de toestemming te geven om één of meerdere van
de drie comités als bedoeld in de ontwerpartikelen
49 tot 51, niet op te richten. Het betreft een bepa-
ling die vergelijkbaar is met die welke de wetten van
9 juli 1975 en 16 februari 2009 hadden vastgelegd voor
het auditcomité.
Ontwerpartikel 52, § 4 ten slotte, bepaalt dat ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen hun
auditcomité en risicocomité mogen samenvoegen. Het
spreekt voor zich dat deze mogelijkheid niet tot een
versoepeling mag leiden van de vereisten inzake kennis,
deskundigheid en ervaring waaraan de leden van elk
van deze comités moeten voldoen met toepassing van
respectievelijk ontwerpartikel 49, § 1 en ontwerpartikel
51, eerste lid. Dit wordt uiteraard uitdrukkelijk gepreci-
seerd in ontwerpartikel 52, § 4.
Art. 53
Voor het auditcomité en het remuneratiecomité gelden
de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen
die van toepassing zijn op de beursgenoteerde ven-
nootschappen, te weten de vennootschappen waarvan
de effecten zijn toegelaten tot de verhandeling op een
gereglementeerde markt. Ontwerpartikel 53 bevestigt
dat de ontwerpartikelen 48 tot 52 geen afbreuk doen
aan deze bepalingen en breidt deze regel, die in de wet-
ten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 reeds bestond
possibilité de dérogation prévue à l’article 47 en projet,
un comité de direction n’est pas mis en place, lorsque
le président de l’organe légal d’administration est un
membre exécutif, il ne pourra alors présider l’organe
légal d’administration lorsque celui-ci agit en qualité
d’un des comités.
L’article 52, § 2, en projet prévoit une dérogation à
l’obligation d’établir un comité de rémunération que la
Banque peut octroyer aux entreprises qui ne satisfont
pas à la condition visée au paragraphe 1er, mais dont
l’organisation permet, à l’estime de la Banque, un sup-
port adéquat de l’organe légal d’administration et du
comité de direction dans leurs tâches respectives en
matière de politique de rémunération telles que visées
aux articles 77, § 5 et 80, § 3. Cette dérogation est
basée sur l’article 275, paragraphe 1er, (f) du Règlement
2015/35, qui permet aux États membres de dispenser
les entreprises d’assurance ou de réassurance de
l’obligation de constituer un comité de rémunération en
raison de leur “organisation interne”.
Le paragraphe 3 habilite la Banque à tenir compte
du contexte de groupe pour, le cas échéant, autoriser
une entreprise d’assurance ou de réassurance à ne pas
devoir constituer un ou plusieurs des trois comités visés
aux articles 49 à 51 en projet. Il s’agit d’une disposition
comparable à celles que les lois du 9 juillet 1975 et
16 février 2009 avaient prévues pour le comité d’audit.
L’article 52, § 4 en projet permet enfin aux entre-
prises d’assurance ou de réassurance de fusionner
leurs comités d’audit et des risques. Il va de soi que
le recours à cette possibilité ne peut pas conduire
à un amoindrissement des exigences en termes de
connaissances, de compétences et d’expérience, qui
doivent être rencontrées dans le chef des membres de
chacun de ces comités en application, respectivement,
de l’article 49, § 1er et de l’article 51, alinéa 1er en projet.
De manière assez évidente, l’article 52, § 4 en projet le
précise expressément.
Art. 53
Les comités d’audit et de rémunération sont visés
par les dispositions du Code des sociétés applicables
aux sociétés cotées, à savoirs celles dont les titres sont
admis aux négociations sur un marché réglementé.
L’article 53 en projet confirme que les articles 48 à
52 en projet ne portent pas préjudice à ces dispositions.
Logiquement, il étend cette règle déjà prévue dans les
lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009 pour le comité
d’audit, au comité de rémunération. La disposition
82
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voor het auditcomité, uit tot het remuneratiecomité. De
toepassing van artikel 526quater, § 2, tweede lid van
het Wetboek van Vennootschappen wordt aldus onverlet
gelaten voor wat betreft het aantal onafhankelijke be-
stuurders in het remuneratiecomité en de bevoegdheid
van die leden, of nog paragraaf 3 voor wat betreft het
voorzitterschap van dit comité.
Onderafdeling IV
Onafhankelijke controlefuncties
Art. 54
De wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 bevat-
ten zeer weinig specifieke bepalingen over de onafhan-
kelijke controlefuncties “interne audit”, “risicobeheer”,
“compliance” of “actuariaat”. Het is evenwel noodzakelijk
dat het toezicht dat de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming op zichzelf uitoefent, onder meer op de
vier voornoemde onafhankelijke controlefuncties kan
steunen.
Daarom worden de basisbeginselen voor de com-
pliancefunctie, de risicobeheerfunctie, de interneau-
ditfunctie en het actuariaat expliciet geformaliseerd
in de artikelen 54 en volgende van het wetsontwerp,
overeenkomstig de Richtlijn.
Ontwerpartikel 54 bepaalt dat de voornoemde vier
functies onafhankelijk moeten zijn, wat minstens tot ui-
ting moet komen in het statuut van de betrokken functie
in de onderneming (hiërarchische en organisatorische
scheiding), de prerogatieven van deze functie (middelen
en toegang binnen de onderneming) en de regeling
voor de beloning van de verantwoordelijke voor deze
functie en van het personeel dat voor de uitoefening
ervan beschikbaar is gesteld (waarbij met andere dan
commerciële doeleinden rekening wordt gehouden en
die noodzakelijkerwijs losstaat van de resultaten van de
activiteiten waarop toezicht wordt gehouden).
Gezien het belang van de onafhankelijke controle-
functies voor de goede werking van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen, worden de verantwoor-
delijken voor deze functies beschouwd als sleutelper-
sonen die moeten voldoen aan de voorwaarden inzake
professionele betrouwbaarheid en deskundigheid die
opgenomen zijn in ontwerpartikel 40.
De voormelde functies zijn immers van essentieel
belang voor de effectieve uitoefening van de leiding
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
met volledige kennis van zaken. Met hun controles,
hun beoordelingen en hun adviezen verschaffen de
préserve ainsi l’application de l’article 526quater, § 2,
alinéa 2 du Code des sociétés, en ce qui concerne
le nombre d’administrateurs indépendants au sein
du comité de rémunération et la compétence de ses
membres, ou encore son paragraphe 3 s’agissant de
la présidence de ce comité.
Sous-section IV
Fonctions de contrôle indépendantes
Art. 54
Les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009 compre-
naient très peu de dispositions spécifiques concernant
les fonctions de contrôle indépendantes d’audit interne,
de gestion des risques, de compliance ou d’actuariat.
Il est pourtant indispensable que le contrôle de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance par elle-même
puisse, notamment, s’appuyer sur les quatre fonctions
de contrôle indépendantes précitées.
C’est pourquoi les articles 54 et suivants de la loi en
projet formalisent, conformément à la Directive, explici-
tement les principes de base applicables aux fonctions
de vérification de la conformité (compliance), de gestion
des risques, d’audit interne et actuarielle.
L’article 54 en projet précise la nécessaire indépen-
dance des quatre fonctions précitées, qui doit à tout
le moins se matérialiser dans le statut de la fonction
concernée au sein de l’entreprise (séparation hiérar-
chique et organisationnelle), les prérogatives qui lui sont
attribuées (moyens et accès au sein de l’entreprise) et
les modalités de rémunération de son responsable et
du personnel qui est affecté à son exercice (répondant
à des objectifs autres que commerciaux et déterminés,
nécessairement, de manière indépendante des perfor-
mances relatives aux domaines d’activités contrôlés).
Compte tenu de l’importance des fonctions de
contrôle indépendantes pour le bon fonctionnement
des entreprises d’assurance et de réassurance, les
responsables de ces fonctions sont considérés comme
des personnes-clés devant répondre aux conditions
d’honorabilité professionnelle et d’expertise prévues à
l’article 40 en projet.
Les fonctions visées ci-avant sont en effet essen-
tielles à l’exercice effectif et en toute connaissance de
cause de la direction de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance. Par leurs contrôles, leurs appréciations et
leurs avis, les responsables de ces fonctions apportent
83
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verantwoordelijken voor deze functies aan de leiders
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de
nodige instrumenten om de verantwoordelijkheid voor
de leiding ervan op zich te nemen. De betrouwbaarheid
en de deskundigheid van de personen die verantwoor-
delijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties zijn
dus van het allerhoogste belang. In het kader van die
functies worden ze echter niet als effectieve leiders
beschouwd, als gevolg van de onafhankelijkheid die bij
de uitoefening van deze functies in acht moet worden
genomen en die onverenigbaar blijkt met de uitoefening
van de beslissingsbevoegdheid die inherent is aan de
activiteiten van de onderneming. Bijgevolg is het ge-
rechtvaardigd specifiek te eisen dat ook de personen
die op het hoogste niveau verantwoordelijk zijn voor
deze onafhankelijke controlefuncties, over de voor de
uitoefening van hun functie vereiste betrouwbaarheid
en passende deskundigheid beschikken, onverminderd
de plaats die zij in de organisatie van de onderneming
innemen.
In het algemeen hebben de verantwoordelijken voor
deze onafhankelijke controlefuncties naast de verplich-
ting om over hun opdracht minstens eenmaal per jaar
verslag uit te brengen aan het wettelijk bestuursorgaan,
ook de verplichting om het wettelijk bestuursorgaan uit
eigen beweging in te lichten indien er zich ontwikkelin-
gen voordoen die een negatieve invloed op de onderne-
ming hebben of zouden kunnen hebben. Hiertoe hebben
zij rechtstreeks toegang tot het wettelijk bestuursorgaan,
onafhankelijk van het directiecomité.
Art. 55
De compliancefunctie is verantwoordelijk voor het
toezicht op de naleving van de wettelijke en regle-
mentaire bepalingen die de verzekerings- of herver-
zekeringsactiviteit regelen, inzonderheid de regels
inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op
die activiteit. Voor wat betreft de gebieden die door
deze functie worden bestreken, vermelden we met
name de bepalingen inzake de voorkoming van het
witwassen van geld en de financiering van terrorisme,
het preventiebeleid op fiscaal vlak, de naleving van
de regels inzake onverenigbaarheid van mandaten
en de gedragsregels die voortvloeien uit de wet van
2 augustus 2002 evenals deze die betrekking hebben
op de bescherming van de verzekeringnemers en de
verzekeringsbegunstigden, de informatieverstrekking
aan de cliënten en de openbaarmaking, die met name
uit de wet van 4 april 2014 voortvloeien.
Er zij aan herinnerd dat de compliancefunctie één van
de vier transversale controlefuncties is — naast de risi-
cobeheerfunctie, de interneauditfunctie en de actuariële
aux dirigeants de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance les instruments nécessaires pour assumer la
responsabilité de la direction de celle-ci. L’honorabilité
et l’expertise des personnes responsables des fonc-
tions de contrôle indépendantes revêtent donc une
importance capitale. Or, elles ne sont pas considérées,
dans le cadre de ces fonctions, comme des dirigeants
effectifs, en raison de l’indépendance qui doit présider à
l’exercice de ces fonctions et qui apparaît incompatible
avec l’exercice du pouvoir décisionnel inhérent à la
fonction de direction des activités de l’entreprise. Il se
justifie par conséquent d’exiger de manière spécifique
que les personnes responsables au plus haut niveau
de ces fonctions de contrôle indépendantes présentent
elles aussi l’honorabilité nécessaire et l’expertise adé-
quate à l’exercice de leur fonction et ce, sans préjudice
de la place qu’elles occupent dans l’organisation de
l’entreprise.
De manière générale, outre le fait qu’elles rendent
compte de leur mission à l’organe légal d’administration
au moins une fois par an, les personnes responsables
de ces fonctions de contrôle indépendantes ont l’obliga-
tion d’informer d’initiative l’organe légal d’administration
en cas d’évoluation affectant ou susceptible d’affecter
l’entreprise. À cette fin, elles disposent d’un accès direct
à l’organe légal d’administration sans devoir en référer
au comité de direction.
Art. 55
La fonction de vérification de la conformité, commu-
nément désignée sous le vocable “compliance”, est
chargée de veiller au respect des dispositions légales
et réglementaires qui régissent l’activité d’assurance
ou de réassurance, en particulier les règles d’intégrité
et de conduite qui s’appliquent à cette activité. Parmi
les domaines couverts par cette fonction, on peut
notamment citer les dispositions en matière de préven-
tion du blanchiment et du financement du terrorisme,
la politique de prévention dans le domaine fiscal, le
respect des règles en matière d’incompatibilité de
mandats et des règles de conduite découlant de la loi
du 2 août 2002 ainsi que celles relatives à la protection
des preneurs et bénéficiaires d’assurance, l’information
aux clients et la publicité découlant notamment de la loi
du 4 avril 2014.
On rappelle que la fonction de compliance est une
des quatre fonctions de contrôle transversales, avec
la fonction de gestion des risques, la fonction d’audit
84
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
functie — waarover de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming moet beschikken. Deze functies vormen
samen met de hiërarchische verantwoordelijken voor
de operationele diensten een verdedigingslinie tegen
de risico’s waaraan de onderneming is blootgesteld. De
eerste verdedigingslinie is de interne controle binnen
de operationele diensten. De tweede verdedigingslinie
wordt gevormd door de compliancefunctie, de risicobe-
heerfunctie en de actuariële functie, en de derde linie
is de interne audit.
Aangezien de compliancefunctie een tweedelijns-
functie is, maakt zij bij haar toezicht op de naleving van
de wettelijke en/of reglementaire regels die op de onder-
neming van toepassing zijn, gebruik van de resultaten
van de controles die in eerste lijn worden uitgevoerd door
de operationele diensten. Zij hanteert daarbij technieken
zoals steekproefsgewijze controle van de uitgevoerde
verrichtingen en evaluatie van de verkregen steekproe-
ven, actualisering en bewaking van risico-indicatoren
zoals het aantal klachten en inbreuken, toezicht op de
uitvoering van verrichtingen met cliënten, gesprekken
met de medewerkers en opvolging van uitzonderings-
verslagen. De compliancefunctie brengt de betrokken
operationele en/of ondersteunende diensten op de
hoogte van de resultaten van haar toezichtsactiviteiten
en volgt hoe de betrokken diensten daar rekening mee
houden.
De compliancefunctie moet aldus beletten dat de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming de gevolgen
moet dragen — met name een verlies van reputatie of
geloofwaardigheid dat een ernstig financieel nadeel kan
berokkenen — van de niet-naleving van de wettelijke
en reglementaire bepalingen of van de deontologische
bepalingen die gelden voor het verzekeringsmetier
(compliancerisico).
Het feit dat een persoon wordt aangeduid als
verantwoordelijke voor de compliancefunctie in een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en dat
hij effectief voldoet aan de voorwaarden van artikel
40 van de ontwerpwet, betekent niet dat hij erkend
wordt als compliance officer; de toekenning van deze
erkenning behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van
de FSMA, overeenkomstig artikel 87bis van de wet van
2 augustus 2002. Dit wordt gepreciseerd in paragraaf
1, derde lid van ontwerpartikel 55.
Naast de verplichting voor de verantwoordelijke van
de compliancefunctie om over de uitvoering van zijn
opdracht minstens eenmaal per jaar te rapporteren
aan het wettelijk bestuursorgaan, overeenkomstig ont-
werpartikel 54, § 1, derde lid, wordt van deze persoon
ook verwacht dat hij het wettelijk bestuursorgaan en het
interne et la fonction actuarielle, qui doivent être mises
en place au sein de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance. Chacune de ces fonctions représente, avec les
responsables hiérarchiques des services opérationnels,
une ligne de défense contre les risques encourus par
l’entreprise. La première ligne de défense est constituée
par le contrôle interne au sein des services opération-
nels. La deuxième ligne de défense consiste dans les
fonctions transversales de compliance et de gestion
des risques ainsi que la fonction actuarielle. Quant à la
troisième ligne, il s’agit de l’audit interne.
S’agissant d’une fonction de seconde ligne, la fonc-
tion de compliance utilise, pour veiller à ce que l’entre-
prise respect les règles légales et/ou réglementaires qui
lui sont applicables, les résultats des contrôles assurés
par les services opérationnels en première ligne. Elle
y adjoint des techniques telles que la réalisation de
sondages dans les opérations réalisées et l’évaluation
des échantillons obtenus, l’actualisation et le suivi des
indicateurs de risque tels que le nombre de plaintes et
d’infractions, l’observation de l’exécution d’opérations
avec les clients, l’organisation d’entretiens avec des
collaborateurs et le suivi de rapports d’exception. La
fonction de compliance informe les services opéra-
tionnels et/ou de soutien concernés des résultats de
ses activités de surveillance et suit la manière dont les
services concernés en tiennent compte.
La fonction de conformité (compliance) a ainsi pour
objectif d’éviter que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance ne subisse les conséquences, en termes
de perte de réputation ou de crédibilité susceptible de
causer un grave préjudice financier, du non-respect de
dispositions légales et réglementaires ou tenant à la
déontologie du métier d’assureur (risque de conformité
ou de compliance).
Le fait qu’une personne soit désignée en qualité de
responsable de la vérification de la conformité (com-
pliance) au sein d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance, et réponde effectivement aux conditions
de l’article 40 de la loi en projet, n’a pas pour effet de lui
conférer l’agrément de compliance officer qui demeure
de la seule compétence de la FSMA conformément à
l’article 87bis de la loi du 2 août 2002. Ceci est précisé
au paragraphe 1er, alinéa 3 de l’article 55 en projet.
Outre le fait qu’elle doive rendre compte de l’exé-
cution de sa mission à l’organe légal d’administration
au moins une fois par an conformément à l’article 54,
§ 1er, alinéa 3 en projet, il est également attendu de la
personne responsable de la fonction de vérification de la
conformité qu’elle informe régulièrement l’organe légal
85
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
directiecomité regelmatig inlicht over de naleving van de
hogervermelde wettelijke en reglementaire bepalingen
en dat hij in dat verband aanbevelingen formuleert.
Art. 56
In het verlengde van de Richtlijn voorziet de wet in
verschillende bepalingen om de risicobeheersing door
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
significant en rechtstreeks te versterken. Het gaat om:
— de sterke betrokkenheid van het wettelijk bestuurs-
orgaan bij het risicobeheer, rekening houdend met de
algemene risicotolerantie die het wettelijk bestuursor-
gaan zelf moet vaststellen (zie ontwerpartikel 91, § 1, 2°);
— de oprichting van een risicocomité binnen het
wettelijk bestuursorgaan, dat samengesteld is uit leden
die de nodige kennis en deskundigheid bezitten (zie
ontwerpartikel 51);
— beginselen die moeten worden toegepast om te
verzekeren dat de verschillende risico’s waarmee de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de
uitoefening van haar activiteiten wordt geconfronteerd,
beheerst worden (zie de ontwerpartikelen 84 tot 90);
— in de operationele structuur, een versterking van
de onafhankelijke risicobeheerfunctie, die het voorwerp
uitmaakt van dit ontwerpartikel.
Er zij aan herinnerd dat de risicobeheerfunctie onaf-
hankelijk dient te zijn ten opzichte van de commerciële
en risiconemende functies (zie ontwerpartikel 54, § 1,
tweede lid). Deze onafhankelijkheid komt eveneens
tot uiting in een rechtstreekse toegang tot het wettelijk
bestuursorgaan, in voorkomend geval via het risicoco-
mité, dat aldus volledige informatie kan verkrijgen over
alle risico’s waaraan de onderneming blootstaat (zie
ontwerpartikel 54, § 1, derde lid).
De leiding van deze functie moet worden uitgeoe-
fend door een lid van het directiecomité dat naast deze
verantwoordelijkheid geen andere functies uitoefent
(ontwerpartikel 56, § 3).
Op grond van de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s die inherent zijn aan de activiteit van de
onderneming, kan het echter gerechtvaardigd zijn dat
deze verantwoordelijkheid wordt gedragen door een
lid van het hoger kaderpersoneel binnen de onder-
neming, op voorwaarde dat de uitoefening van deze
d’administration, et le comité de direction sur le respect
des dispositions légales et réglementaires évoquées
ci-dessus et qu’elle formule des recommandations à
cet égard.
Art. 56
Dans le prolongement de la Directive, la loi en projet
prévoit plusieurs dispositions ayant pour objectif de
renforcer de façon significative et directe la maîtrise
des risques par les entreprises d’assurance ou de
réassurance. Il s’agit:
— de l’implication forte de l’organe légal d’adminis-
tration dans la gestion des risques, compte tenu des
limites générales de tolérance au risque que l’organe
légal d’administration doit lui-même fixer (voy. art. 91,
§ 1er, 2° en projet);
— de la constitution d’un comité des risques au
sein de l’organe légal d’administration, composé de
membres disposant des connaissances et de l’expertise
requises (voy. art. 51 en projet);
— des principes à mettre en œuvre pour assurer la
maîtrise des différents risques auxquels est confrontée
une entreprise d’assurance ou de réassurance dans
l’exercice de son activité (voy. art. 84 à 90 en projet);
— au sein de la structure opérationnelle, d’un ren-
forcement de la fonction indépendante de gestion des
risques, qui fait l’objet du présent article en projet.
On rappelle la nécessaire indépendance de la fonc-
tion de gestion des risques par rapport aux fonctions
commerciales et de prises de risques (voy. art. 54, § 1er,
alinéa 2 en projet). Cette indépendance se traduit égale-
ment par l’accès direct à l’organe légal d’administration,
le cas échéant via le comité des risques, qui peut ainsi
recevoir une information complète concernant tous les
risques auxquels l’entreprise se voit exposé (voy. art.
54, § 1er, al. 3 en projet).
Quant à la direction de cette fonction, elle doit être
assurée par un membre du comité de direction dont
cette responsabilité est la seule fonction (art. 56, § 3 en
projet).
Toutefois, il peut se justifier, eu égard à la nature, l’am-
pleur et la complexité des risques inhérents à l’activité
de l’entreprise, que cette responsabilité soit assurée par
un membre du personnel de l’entreprise faisant partie
de l’encadrement supérieur et ce, à la condition que
l’exercice de cette fonction de contrôle indépendante
86
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
onafhankelijke controlefunctie niet tot belangenconflic-
ten leidt wegens de andere functies die hij elders zou
uitoefenen. De Bank kan hiervoor haar toestemming
verlenen. Er zij opgemerkt dat er in hoofde van dit per-
soneelslid geen cumul mogelijk is met de verantwoor-
delijkheid voor andere onafhankelijke controlefuncties.
Op grond van de overweging dat “[…]in kleinere en
minder complexe ondernemingen meer dan één functie
door één persoon of één organisatorische eenheid [kan]
worden vervuld, behalve wat de interneauditfunctie be-
treft” (overweging 32 van de Richtlijn), bepaalt ontwerp-
artikel 56, § 3, tweede lid, 2° dat de verantwoordelijke
voor de risicobeheerfunctie, wanneer hij lid is van het
directiecomité, ook verantwoordelijk mag zijn voor de
compliancefunctie evenals voor de taken van de actu-
ariële functie die geen risico’s kunnen opleveren, voor
zover die drie functies los van elkaar worden uitgeoefend
en dit geen belangenconflicten doet rijzen.
Voorbeelden van combinaties van taken die risico’s
en/of belangenconflicten kunnen opleveren, waardoor
een cumulatie van de verantwoordelijkheid voor de
risicobeheerfunctie en de verantwoordelijkheid voor
de actuariële functie uitgesloten is, zijn de berekening
én validering van de technische voorzieningen of de
medewerking aan de ontwikkeling van het interne model
én de validering ervan.
In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, moet
de Bank voor een dergelijke cumulatie van functies haar
voorafgaande goedkeuring verlenen.
Dit voorafgaand akkoord is vereist wanneer de voor-
genomen cumulatie betrekking heeft op de operationele
verantwoordelijkheid voor de voornoemde functies maar
ook enkel op de hiërarchische verantwoordelijkheid voor
deze functies in het kader van de bevoegdheidsverde-
ling tussen de leden van het directiecomité.
Voor zover nodig, zij eraan herinnerd dat de in-
terneauditfunctie in geen geval cumuleerbaar is met
de verantwoordelijkheid voor andere onafhankelijke
controlefuncties.
Art. 57
Los van hun verplichting om minstens eenmaal per
jaar rechtstreeks over hun opdracht te rapporteren
aan het wettelijk bestuursorgaan (ontwerpartikel 54,
§ 1, derde lid), kunnen de verantwoordelijken voor de
risicobeheerfunctie en de compliancefunctie uit eigen
ne génère dans son chef aucun conflit d’intérêts eu
égard aux autres fonctions qu’il exercerait par ailleurs.
Une telle possibilité peut être autorisée par la Banque. A
noter qu’il n’y a pas de cumul possible dans le chef de
ce membre du personnel avec la responsabilité d’autres
fonctions de contrôle indépendantes.
Considérant ensuite que “hormis ce qui a trait à la
fonction d’audit interne, il devrait être possible, dans les
entreprises plus petites et moins complexes, de confier
plus d’une fonction à une seule personne ou unité
organisationnelle” (Considérant n° 32 de la Directive),
l’article 56, § 3, alinéa 2, 2° en projet dispose que le
responsable de la fonction de gestion des risques,
lorsqu’il est membre du comité de direction, peut éga-
lement être le responsable de la fonction de vérification
de la conformité ainsi que le responsable des tâches de
la fonction actuarielle qui ne sont pas génératrices de
risques, pour autant que l’exercice de ces trois fonctions
soient assurées distinctement et ne soit pas générateur
de conflits d’intérêts.
A titre d’exemples de tâches génératrices de risques
et/ou de conflits d’intérêts, excluant dès lors tout cumul
entre la responsabilité de la fonction de gestion des
risques et la responsabilité de la fonction actuarielle, on
peut citer le fait d’à la fois procéder au calcul des provi-
sions techniques et de les valider ou le fait de contribuer
au développement du modèle interne et de le valider.
Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance
dont le total de bilan est supérieur à 3 milliards d’euros,
la mise en place de ce cumul de fonctions est subordon-
née à l’autorisation préalable de la Banque.
Il est précisé que cet accord préalable est requis
lorsque le cumul envisagé porte sur la responsabilité
opérationnelle des fonctions précitées mais également
sur la seule responsabilité hiérarchique de ces fonctions
dans le cadre de la répartition des attributions entre les
membres du comité de direction.
Pour autant que de besoin, on rappelle que la
fonction d’audit interne ne peut jamais être cumulée
avec la responsabilité d’autres fonctions de contrôle
indépendantes.
Art. 57
Indépendamment de leur obligation de rendre compte
de leur mission directement à l’organe légal d’adminis-
tration au moins une fois par an (art. 54, § 1er, alinéa
3 en projet), les personnes responsables des fonctions
de gestion des risques et de vérification de la conformité
87
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
beweging, onafhankelijk van het directiecomité, het
wettelijk bestuursorgaan over hun bezorgdheid inlichten
indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve
invloed op de onderneming hebben of zouden kunnen
hebben. Deze rechtstreekse toegang, die dus inhoudt
dat niet eerst via het directiecomité moet worden gepas-
seerd, is nodig om het wettelijk bestuursorgaan in staat
te stellen zijn toezichtsfunctie wat betreft de uitvoering
van de uitgestippelde strategie en de werking van de
onderneming, strenger uit te oefenen, met inachtneming
van het vastgestelde kader (risicotolerantie).
Art. 58
De rol van de interneauditfunctie bestaat erin aan het
wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité een
onafhankelijke garantie te verschaffen met betrekking
tot de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne
controle, het risicobeheer en het governancesysteem
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Daarom moet de interneauditfunctie onbeperkt
toegang hebben tot alle activiteiten van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, ongeacht of ze
rechtstreeks worden uitgeoefend of worden uitbesteed,
tot het volledige netwerk van de onderneming en tot de
entiteiten in haar bezit, inclusief de activiteiten van de
risicobeheerfunctie en van de compliancefunctie.
Deze bevoegdheden moeten geformaliseerd worden
in een auditcharter, dat het interne document is waarmee
de onderneming aan de hand van een aantal maatre-
gelen met betrekking tot de doelstellingen, de positie,
en het gezag van de interneauditfunctie, garandeert
dat deze functie onafhankelijk is en doeltreffend werkt,
zodat zij haar taken in alle objectiviteit kan uitoefenen.
Er zij aan herinnerd dat de verantwoordelijke voor
de interneauditfunctie krachtens ontwerpartikel 54, § 1,
derde lid rechtstreeks rapporteert aan het wettelijk be-
stuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité.
Hij deelt zijn bevindingen en aanbevelingen mee aan
het wettelijk bestuursorgaan en houdt het directiecomité
daarvan op de hoogte (ontwerpartikel 58, § 2).
Art. 59
Onder vigeur van de wet van 9 juli 1975, werden
de rol, de opdrachten de modaliteiten van de tussen-
komst van de actuariële functie omschreven in een
circulaire van de toezichthouder (zie circulaire CBFA
2009-33 van 19 november 2009 over de actuariële
functie). Overeenkomstig artikel 48 van de Richtlijn zijn
peuvent d’initiative, sans devoir en référer au comité de
direction, faire part à l’organe légal d’administration de
leurs préoccupations en cas d’évolution des risques
affectant ou susceptibles d’affecter l’entreprise. Cet
accès direct, à savoir sans le passage préalable par
le comité de direction, est nécessaire pour permettre
à l’organe légal d’administration d’exercer plus étroi-
tement sa fonction de surveillance en ce qui concerne
la mise en œuvre de la stratégie qui a été définie et le
fonctionnement de l’entreprise dans le respect du cadre
fixé (niveau de tolérance au risque).
Art. 58
La fonction d’audit interne a pour rôle de fournir à
l’organe légal d’administration et au comité de direction
une assurance indépendante quant à la qualité et l’effec-
tivité du contrôle interne, de la gestion des risques et du
système de gouvernance de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance.
C’est pourquoi la fonction d’audit interne doit avoir
accès sans restriction à toutes les activités de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, qu’elles soient
exercées directement ou sous-traitées, à l’entièreté
de son réseau et des entités détenues, y compris aux
activités de la fonction de gestion des risques et de la
fonction de vérification de la conformité (compliance).
Ces prérogatives doivent être formalisées dans une
charte d’audit qui constitue le document interne par
lequel l’entreprise garantit, par un ensemble de mesures
concernant les objectifs, la position et l’autorité de la
fonction d’audit interne, son indépendance et son effi-
cacité de façon à ce qu’elle puisse exercer ses missions
en toute objectivité.
On rappelle qu’en vertu de l’article 54, § 1er, alinéa
3 en projet, la personne responsable de la fonction
d’audit interne fait rapport directement à l’organe légal
d’administration, le cas échéant, via le comité d’audit.
Elle communique ses conclusions et ses recommanda-
tions à l’organe légal d’administration et en tient informé
le comité de direction (art. 58, § 2 en projet).
Art. 59
Là où, sous l’empire de la loi du 9 juillet 1975, le rôle,
les missions et les modalités d’intervention de la fonc-
tion actuarielle étaient définies sur base d’une circulaire
de l’autorité de contrôle (voy. circulaire CBFA 2009-
33 du 19 novembre 2009 sur la fonction actuarielle),
les tâches de la fonction actuarielle sont dorénavant,
88
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de taken van de actuariële functie nu opgenomen in
het wetsontwerp.
Art. 60
In navolging van het bepaalde in artikel 14bis, § 4 van
de wet van 9 juli 1975, machtigt ontwerpartikel 60 de
Bank om bij reglement nadere regels vast te leggen voor
verschillende aspecten van het governancesysteem.
Afdeling VII
Hoofdbestuur
Art. 61
Ontwerpartikel 61 zorgt voor de omzetting van artikel
20 van de Richtlijn en neemt hiertoe artikel 8, § 1, 1ste
streepje van de wet van 9 juli 1975 en artikel 19 van de
wet van 16 februari 2009 over. Het criterium van de wer-
kelijke zetel wordt aldus bevestigd (zie hiervoor onder
meer J.-P. DEGUÉE, “Pratique du forum shopping et
exigences en matière bancaire et financière”, European
Banking & Financial Law Journal — Euredia, 1999/3,
pp. 381-397, noot onder HvJ, Arrest van 9 maart 1999 —
Zaak C-212/97 (Centros)).
Afdeling IX
Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering
Art. 62
Overeenkomstig ontwerpartikel 62 maken de aan-
sluiting bij een regeling voor de bescherming van
levensverzekeringen en de verplichtingen die daaruit
voortvloeien, met name op het vlak van de bijdragen,
integraal deel uit van de regels die het wettelijk statuut
vormen van de verzekeringsondernemingen waarvan de
activiteit bestaat in het sluiten van levensverzekerings-
overeenkomsten met gewaarborgd rendement die vallen
onder tak 21 als vermeld in Bijlage II of van alle andere
categorieën van overeenkomsten die vallen onder een
dergelijke regeling. Dit betekent dat wanneer een ver-
zekeringsonderneming die gehouden is deel te nemen
aan een dergelijke regeling, haar deelname stopzet, of
haar verplichtingen in het kader van deze regeling niet
naleeft, de Bank de passende maatregelen kan nemen,
met name herstelmaatregelen, en desnoods de vergun-
ning kan herroepen.
Voor zover nodig zij erop gewezen dat ontwerpartikel
62 noch tot doel heeft regels vast te stellen voor de
conformément à l’article 48 de la Directive, définies
dans la loi en projet.
Art. 60
À l’instar de l’article 14bis, § 4 de la loi du 9 juillet 1975,
l’article 60 en projet habilite la Banque à définir par voie
de règlement des règles plus précises concernant dif-
férents aspects du système de gouvernance.
Section VII
Administration centrale
Art. 61
L’article 61 en projet assure la transposition de l’ar-
ticle 20 de la Directive et reprend à cette fin l’article 8,
§ 1er, 1re tiret de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 19 de
la loi du 16 février 2009. Le critère du siège réel est
ainsi affirmé (sur cet aspect, voy. notamment J.-P.
DEGUÉE, “Pratique du forum shopping et exigences en
matière bancaire et financière”, Revue européenne de
droit bancaire et financier — Euredia, 1999/3, pp. 381-
397, Note sous C.J.C.E., Arrêt du 9 mars 1999 — Aff.
C-212/97 (Centros)).
Section IX
Protection des créanciers d’assurance
Art. 62
Conformément à l’article 62 en projet, l’adhésion à un
système de protection des assurances sur la vie, et les
obligations qui en découlent, notamment en matière de
contributions, font partie intégrante des règles formant
le statut légal des entreprises d’assurance dont l’activité
consiste dans la souscription de contrats d’assurance
sur la vie avec rendement garanti relevant de la branche
21 mentionnée à l’Annexe II ou de toute autre catégorie
de contrats couverts par un tel système. Il en résulte que
la cessation de l’adhésion d’une entreprise d’assurance
tenue de participer à un tel système ou le non-respect
de ses obligations envers ce système, permettrait à
la Banque de prendre les mesures, notamment de
redressement, qui s’indiquent et, à la limite, de révoquer
l’agrément.
Pour autant que de besoin, il est précisé que l’article
62 en projet n’a pas pour objet de fixer les règles de
89
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
oprichting, organisatie of werking van deze bescher-
mingsregeling, die vastgelegd zijn in andere wettelijke
en reglementaire teksten, noch de voorwaarden te be-
palen voor de schadeloosstelling bij in gebreke blijven
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
die bepaald worden door de regels met betrekking tot
deze regelingen. In dit verband zij verwezen naar het
koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering
van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen
ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonder-
heid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte
kredieten en andere verrichtingen in het kader van de
financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming
van de deposito’s, de levensverzekeringen en het
kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen
(waarvan artikel 3 voorziet in de oprichting van het
“Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito’s, levens-
verzekeringen en kapitaal van erkende coöperatieve
vennootschappen” bij de Deposito- en Consignatiekas)
en het koninklijk besluit van 16 maart 2009 betreffende
de bescherming van deposito’s en levensverzekeringen
door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito’s
en levensverzekeringen (BS van 25 maart 2009).
TITEL II
Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 63
De ervaring heeft geleerd dat sommigen voorstander
waren van een strikt letterlijke toepassing van de wet
en stelden dat aan de voorwaarden voor het verkrijgen
van de vergunning enkel voldaan moet zijn op het ogen-
blik dat de vergunning wordt verkregen en niet op elk
ogenblik van het bestaan van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming. Om te vermijden dat energie
wordt verspild met het aanhalen van argumenten die een
dergelijke zinloze lezing weerleggen, bepaalt ontwerpar-
tikel 63, voor zover nodig, wat evident is, namelijk dat de
voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning te
allen tijde vervuld moeten zijn door de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
création, d’organisation ou de fonctionnement de ce
système de protection, qui sont définies par d’autres
textes légaux et réglementaires, ni de déterminer les
conditions d’indemnisation en cas de défaillance de
l’entreprise d’assurance qui sont déterminées par les
règles régissant lesdits systèmes. On citera sur ce point,
l’arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de
la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à
promouvoir la stabilité financière et instituant en parti-
culier une garantie d’État relative aux crédits octroyés
et autres opérations effectuées dans le cadre de la
stabilité financière, en ce qui concerne la protection
des dépôts, des assurances sur la vie et du capital de
sociétés coopératives agréées (dont l’article 3 prévoit
la création du “Fonds spécial de protection des dépôts,
des assurances sur la vie et du capital de sociétés coo-
pératives agréées” au sein de la Caisse des Dépôts et
Consignations) et l’arrêté royal du 16 mars 2009 relatif
à la protection des dépôts et des assurances sur la vie
par le Fonds spécial de protection des dépôts et des
assurances sur la vie (MB du 25 mars 2009).
TITRE II
Des conditions d’exercice de l’activité
CHAPITRE IER
Généralités
Art. 63
L’expérience a montré que certains défendaient une
application strictement littérale de la loi en affirmant que
les conditions imposées à l’obtention de l’agrément ne
devaient être satisfaites qu’au seul moment de l’obten-
tion de l’agrément et non, à tout moment, en cours de
vie de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Afin
d’éviter la perte d’énergie liée à l’argumentaire à fournir
à l’encontre d’une telle lecture dénuée de sens, l’article
63 en projet précise, pour autant que de besoin, l’évi-
dence selon laquelle les conditions liées à l’obtention
doivent être satisfaites, à tout moment, par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
90
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Art. 64 tot 73
Deze bepalingen zetten de artikelen 57 tot 63 van
de Richtlijn om. Ze stemmen overeen met de artikelen
23bis en 24 van de wet van 9 juli 1975 en de artikelen
24 en 24/1 van de wet van 16 februari 2009. Er zij aan
herinnerd dat deze bepalingen werden gewijzigd door de
wet van 31 juli 2009, met het oog op de omzetting van
Richtlijn 2007/44/EG, die voorzag in een maximale trans-
sectorale harmonisatie op het gebied van overdrachten
van belangrijke deelnemingen, in het bijzonder voor:
— de gevallen waarin een prudentiële beoor-
deling moet worden verricht (vastlegging van
kennisgevingsdrempels);
— de informatie die verlangd wordt van de kandi-
daat-verwervers met het oog op de uitvoering van de
prudentiële beoordeling, rekening houdend met het
evenredigheidsbeginsel;
— de criteria op basis waarvan de prudentiële beoor-
deling moet gebeuren; en
de beoordelingsprocedure en —termijnen.
In het algemeen, voor wat betreft de strekking van de
bepalingen over de wijziging van de aandeelhouders-
structuur, zij verwezen naar de parlementaire voorbe-
reiding van de wet van 31 juli 2009 (Parl.St. Kamer,
2008-2009, nr. 2011/001) evenals naar de voornoemde
werkzaamheden van de vroegere Europese comités
van toezichthouders, die relevant blijven in het kader
van het voorliggende ontwerp.
Bij de wijziging van artikel 23bis van de wet van
9 juli 1975 werd dit artikel uitgebreid met verschillende
paragrafen. In deze ontwerptekst wordt de regeling van
artikel 23bis herwerkt, in die zin dat het artikel wordt
opgesplitst in verschillende artikelen, naargelang van
het onderwerp.
Artikel 58, lid 4, in fine van de Richtlijn biedt de mo-
gelijkheid aan de lidstaten om toe te staan dat de toe-
zichthouder de motivering van het besluit waarbij hij zich
verzet tegen een verwerving openbaar maakt zonder dat
de kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht. Artikel
23bis, § 3, vierde lid van de wet van 9 juli 1975 bepaalt
enkel dat een passende motivering van het besluit pu-
bliek toegankelijk kan worden gemaakt op verzoek van
de kandidaat-verwerver. De memorie van toelichting bij
de wet van 31 juli 2009 licht deze keuze als volgt toe:
CHAPITRE II
Modifications dans la structure du capital
Art. 64 à 73
Ces dispositions transposent les articles 57 à 63 de
la Directive. Elles correspondent aux articles 23bis et
24 de la loi du 9 juillet 1975 et les articles 24 et 24/1 de
la loi du 16 février 2009. Pour rappel, ces dispositions
ont été modifiées par la loi du 31 juillet 2009 en vue de
transposer la directive 2007/44/CE qui procédait à une
harmonisation maximale transsectorielle en matière de
cessions de participations importantes, en particulier
en ce qui concerne:
— les situations dans lesquelles une évaluation
prudentielle doit avoir lieu (définition des seuils de
notification);
— les informations requises des candidats acqué-
reurs pour permettre l’évaluation prudentielle, tenant
compte du principe de proportionnalité;
— des critères sur la base desquels l’évaluation
prudentielle doit être effectuée; et
— la procédure et les délais de l’évaluation.
De manière générale, en ce qui concerne la portée
des dispositions relatives à la modification de l’action-
nariat, on renvoie aux travaux préparatoires de la loi du
31 juillet 2009 (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2008-2009,
n° 2011/001) ainsi qu’aux travaux précités des anciens
comités européens des contrôleurs, qui conservent
toute leur pertinence dans le cadre du présent projet.
Lors de sa modification, l’article 23bis de la loi du
9 juillet 1975 a connu une extension, sous forme de
nombreux paragraphes additionnels. Les dispositions
du présent projet entendent remanier le dispositif sous
forme d’articles distincts selon leur objet.
L’article 58, paragraphe 4, in fine de la Directive
permet à un État membre d’autoriser la divulgation au
public par l’autorité de contrôle des motifs pour lesquels
elle s’est opposée à une acquisition en l’absence d’une
telle demande du candidat acquéreur. L’article 23bis,
§ 3, alinéa 4 de la loi du 9 juillet 1975 prévoit seule-
ment qu’un exposé approprié des motifs de la décision
peut être rendu accessible au public à la demande du
candidat acquéreur. L’exposé des motifs de la loi du
31 juillet 2009 explique ce choix de la façon suivante:
91
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“Gevolg gevend aan een opmerking van de Raad van
State, wordt gepreciseerd dat in het onderhavige ont-
werp geen gebruik is gemaakt van de door de Richtlijn
verleende optie om de toezichthouder toe te staan de
redenen voor een beslissing openbaar te maken zonder
de instemming van de kandidaat-verwerver. Volgens de
logica van de toezichtsrichtlijnen is het vertrouwelijke
karakter van de betrokken verrichtingen immers gewaar-
borgd aangezien zij informatie vormen die valt onder het
beroepsgeheim waartoe de toezichthouders gehouden
zijn. Toestaan dat de redenen voor de beslissingen
openbaar worden gemaakt zonder de instemming van
de kandidaat-verwervers zou dan ook indruisen tegen
de voormelde logica.” (Memorie van Toelichting, Parl.
St. Kamer, 2008-2009, nr. 2011/001, 19-20). Er wordt
voorgesteld geen gebruik te maken van de optie die
geboden wordt in artikel 58, lid 4, in fine van de Richtlijn
en de huidige situatie te behouden (zie ontwerpartikel
66, derde lid).
Er wordt evenwel voorgesteld in de huidige regeling
een inhoudelijke wijziging aan te brengen voor wat be-
treft de informatieverplichting van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming. Overeenkomstig artikel
61 van de Richtlijn moet de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming de Bank op de hoogte brengen
van de drempeloverschrijdingen of —onderschrijdingen
waar zij zelf kennis van heeft. Ontwerpartikel 71 verlangt
bovendien van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming dat zij over haar belangrijke aandeelhouders
aan de Bank alle relevante informatie verstrekt waar zij
kennis van heeft en die een invloed kan hebben op de
prudentiële beoordeling van deze aandeelhouders (zie
ook Principe 6.6 van de Insurance Core Principles).
Voor de betrokken aandeelhouders geldt dezelfde
verplichting. Wat deze laatsten betreft, wordt de doel-
treffendheid van deze informatieverplichting met name
gewaarborgd via ontwerpartikel 72 (waarin artikel 24 van
de wet van 9 juli 1975 is overgenomen), dat de toezicht-
houder machtigt een aantal maatregelen te nemen ten
aanzien van aandeelhouders van wie de invloed een
gezond en voorzichtig beheer van de onderneming kan
belemmeren.
“Faisant suite à l’observation du Conseil d’État, on
précise que le projet n’a pas entendu utiliser la faculté
permise par la Directive de permettre à l’autorité de
contrôle d’effectuer la divulgation des motifs d’une
décision sans le consentement du candidat acquéreur.
En effet, la confidentialité qui s’attache aux transac-
tions concernées relève, dans la logique des directives
de contrôle, des informations couvertes par le secret
professionnel auquel sont assujetties les autorités de
contrôle. Permettre la divulgation des motifs des déci-
sions en l’absence de consentement des candidats
acquéreurs irait à l’encontre de la logique précitée”
(Exposé des motifs, Doc. Parl., Chambre, 2008-2009,
n° 2011/001, p.19-20). Il est proposé de ne pas lever
l’option ouverte par l’article 58, paragraphe 4 in fine de
la Directive et de conserver la situation actuelle (voy.
art. 66, alinéa 3 en projet).
Il est toutefois proposé d’apporter au dispositif actuel
une modification de fond en ce qui concerne l’obligation
d’information qui incombe à l’entreprise d’assurance
ou de réassurance. Conformément à l’article 61 de la
Directive, l’entreprise d’assurance ou de réassurance
doit informer la Banque des franchissements de seuils à
la hausse ou à la baisse dont elle a elle-même connais-
sance. L’article 71 en projet impose en outre à l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance de communiquer
à la Banque toutes informations pertinentes dont elle a
connaissance concernant ses actionnaires significatifs
et qui sont de nature à influencer l’appréciation pruden-
tielle effectuée à leur égard (cf. également le Principe
6.6. des Insurances Core Principles ). La disposition
impose également la même obligation d’information
aux actionnaires en question. En ce qui concerne ces
derniers, l’effectivité de cette obligation d’information
est notamment rencontrée à travers l’article 72 en
projet (qui constitue la reprise de l’article 24 de la loi
du 9 juillet 1975) qui permet à l’autorité de contrôle de
prendre une série de mesures à l’égard des actionnaires
dont l’influence est de nature à porter atteinte à une
gestion saine et prudente de l’entreprise.
92
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK III
Algemene werkingsvoorwaarden
Afdeling I
Minimum eigen vermogen
Art. 74 en 75
De ontwerpartikelen 74 en 75 zetten de artikelen
100, eerste alinea en 128 van de Richtlijn om voor wat
betreft het beginsel dat de onderneming voldoende
eigen vermogen moet aanhouden ter dekking van de
kapitaalvereisten .
Deze eigenvermogensbestanddelen moeten de
verliezen van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming kunnen compenseren zodat zij financieel
voldoende gezond blijft om haar verbintenissen te kun-
nen nakomen.
De eigenvermogensbestanddelen worden in drie ni-
veaus (“tiers”) ingedeeld, naargelang van hun vermogen
om verliezen te compenseren.
Het in aanmerking komend bedrag aan eigen vermo-
gen ter dekking van de kapitaalvereisten, ongeacht of
het om het solvabiliteitskaptaalvereiste dan wel om het
minimumkapitaalvereiste gaat, wordt beperkt op basis
van het kwaliteitsniveau van de verschillende bestand-
delen waaruit het bestaat.
Gelet op het technische karakter van de bepalingen
over het eigen vermogen en rekening houdend met de
rechtstreeks toepasselijke uitvoeringsmaatregelen van
de Richtlijn, legt het voorliggende wetsontwerp enkel
de algemene regels ter zake vast.
Afdeling II
Bewaring van documenten
Art. 76
Als toepassing van het beginsel van ontwerpartikel
61, wordt in ontwerpartikel 76 artikel 21, § 1bis, eerste
en tweede lid van de wet van 9 juli 1975 overgenomen,
dat de bewaring van documenten door de onderneming
regelt. Deze dienen op de zetel te worden bewaard of
op elke andere vooraf door de Bank in overleg met de
FSMA goedgekeurde plaats. Artikel 14 van de Wet
Verzekeringen voorziet in een soortgelijke bepaling.
Wat de machtiging betreft die aan de Bank wordt
verleend om de termijn en de modaliteiten te bepalen
CHAPITRE III
Conditions générales de fonctionnement
Section Ire
Fonds propres minimum
Art. 74 et 75
Les articles 74 et 75 en projet constituent la transpo-
sition des articles 100, alinéa 1er et 128 de la Directive
en ce qui concerne le principe aux termes duquel
l’entreprise doit détenir des fonds propres suffisants
pour couvrir les exigences de capital.
Ces éléments de fonds propres doivent avoir la
capacité d’absorber les pertes de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de telle sorte que sa situation
financière reste suffisamment saine pour faire face à
ses engagements.
Les éléments de fonds propres sont classés sur
trois niveaux (“tiers”) selon leur capacité d’absorption
des pertes.
Le montant éligible de fonds propres servant à cou-
vrir les exigences de capital, que ce soit le capital de
solvabilité requis ou le minimum de capital requis, est
limité en fonction du niveau de qualité des différents
éléments qui le composent.
Vu la technicité attaché aux dispositions relatives
aux fonds propres et tenant compte des mesures
d’exécution de la Directive directement applicables, le
présent projet de loi ne fixe que les règles générales
en la matière.
Section II
Conservation de documents
Art. 76
En guise d’application du principe formulé sous
l’article 61 en projet, l’article 76 en projet reprend l’article
21, § 1erbis, alinéas 1er et 2, de la loi du 9 juillet 1975 qui
traite de la conservation de documents par l’entreprise.
Ceux-ci doivent être conservés à leur siège ou tout autre
lieu préalablement autorisé par la Banque en concer-
tation avec la FSMA. Une disposition similaire figure à
l’article 14 de la Loi assurances.
S’agissant de l’habilitation permettant à la Banque
de préciser les délais et modalités de conservation
93
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voor de bewaring van de documenten met betrekking tot
de activiteiten, spreekt het voor zich dat voor de voor-
schriften die daaruit zouden voortvloeien, gebruik dient
te worden gemaakt van de moderne middelen en dat de
opstelling en de bewaring ervan bijgevolg elektronisch
dienen te gebeuren, met dien verstande dat de veiligheid
gegarandeerd moet worden. Wat de documenten betreft
die onder het toezicht van de FSMA vallen, spreekt het
voor zich dat hier geen sprake is van strijdigheid, met
name gelet op de samenwerkingsmechanismen die tus-
sen deze toezichthoudende instellingen zijn ingesteld.
Afdeling III
Leiding en leiders
Qua structuur is deze afdeling onderverdeeld in
onderafdelingen over respectievelijk de rol en de ver-
antwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan
(dat in de meeste gevallen in de praktijk bij naamloze
vennootschappen de raad van bestuur is), de rol van
het directiecomité in de tenuitvoerlegging van de be-
ginselen met betrekking tot het governancesysteem
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
zoals die zijn opgenomen in de ontwerpartikelen 42 en
volgende, en de bepalingen over de benoemingen, ont-
slagen en uitoefening van externe functies van leiders.
Deze structuur is duidelijker en legt meer de nadruk op
de veel grotere rol die aan de raad van bestuur werd
toebedeeld ingevolge de Richtlijn.
Onderafdeling I
Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Art. 77
Het toezicht op de activiteiten en de regelmatige
beoordeling van de beleidsstructuur, de organisatie en
de internecontrolemechanismen van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming vormen de tweede
belangrijke pijler van de verantwoordelijkheden die de
Richtlijn — artikel 41, lid 1 — toekent aan het wettelijk
bestuursorgaan (voor de eerste pijler, zie ontwerpartikel
44 over de strategie en de risicotolerantie). De verant-
woordelijkheid voor dit toezicht op de werking van de
onderneming ligt bij de leden van het wettelijk bestuurs-
orgaan die geen uitvoerende functie uitoefenen in dit
orgaan. Dit beginsel is opgenomen in paragraaf 1 van
de bepaling. Dit toezicht dat door de niet-uitvoerende
leden van het wettelijk bestuursorgaan wordt uitgeoe-
fend, moet ook betrekking hebben op de leden van het
directiecomité en op de effectieve leiders. Dit wordt
geregeld in paragraaf 2 van het artikel.
des documents relatifs aux activités, il va de soi que
les prescriptions qui en résulteraient devraient néces-
sairement s’inscrire dans la modernité en privilégiant
l’établissement et la conservation par voie électronique
dès lors que la sécurité à cet égard est par ailleurs
garantie. De même, s’agissant des documents relevant
du contrôle de la FSMA, il va de soi qu’aucune position
contradictoire n’est ici envisagée eu égard en particulier
aux mécanismes de coopération mis en place entre les
deux institutions de contrôle.
Section III
Direction et dirigeants
En termes de structure, cette section se subdivise
en sous-sections relatives, respectivement, au rôle et
à la responsabilité de l’organe légal d’administration (à
savoir dans la majorité des cas qui correspondent en
pratique à la société anonyme, le conseil d’adminis-
tration), au rôle du comité de direction dans la mise en
œuvre des principes concernant le système de gouver-
nance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance,
tels qu’ils sont définis aux articles 42 et suivants en
projet, et aux dispositions en matière de nominations,
démissions et fonctions externes des dirigeants. Il est
apparu qu’une telle structure gagnait en clarté et per-
mettait ainsi de mettre mieux en lumière le rôle fortement
accru incombant au conseil d’administration à la suite
de la Directive.
Sous-section Ire
Contrôle et évaluation par l’organe légal d’administration
Art. 77
La surveillance des activités et l’évaluation régu-
lière de la structure de gestion, de l’organisation et
des mécanismes de contrôle interne de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance constituent le second
grand axe des responsabilités attribuées à l’organe légal
d’administration par la Directive — art. 41, paragraphe
1 — (pour le premier axe, voy. l’article 44 en projet
concernant la stratégie et le niveau de tolérance au
risque). Ce contrôle du fonctionnement de l’entreprise
incombe aux membres de l’organe légal d’administra-
tion qui n’exercent pas de fonction exécutive au sein de
celui-ci. Le paragraphe 1er de la disposition affirme ce
principe. Ce contrôle par les membres non exécutifs de
l’organe légal d’administration doit, en outre, porter sur
les membres du comité de direction et sur les dirigeants
effectifs. C’est l’objet du paragraphe 2 de la disposition.
94
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Paragraaf 3 van de ontwerptekst bepaalt dat het wet-
telijk bestuursorgaan periodiek en minstens eenmaal per
jaar moet nagaan of de onafhankelijke controlefuncties
correct worden uitgeoefend. Behalve op de beoorde-
ling die hij kan uitvoeren op grond van zijn regelmatige
contacten en van de informatie die hem door deze vier
functies wordt verstrekt, baseert het wettelijk bestuurs-
orgaan zich met name op het periodiek verslag van het
directiecomité (zie hierna, commentaar bij ontwerpar-
tikel 78).
De verplichting om de deskundigheid van de leden
te rechtvaardigen, die in de wet van 9 juli 1975 en de
wet van 16 februari 2009 reeds was opgenomen voor
het auditcomité, wordt in paragraaf 4 uitgebreid tot de
leden van alle comités die door ontwerpartikel 48 wor-
den ingevoerd.
Het toezicht dat door het wettelijk bestuursorgaan
wordt uitgeoefend, moet betrekking hebben op alle
activiteiten van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming. Paragraaf 5 van de ontwerptekst bepaalt
wat verwacht wordt van het wettelijk bestuursorgaan
opdat de onderneming over een beloningsbeleid zou
beschikken dat voldoet aan de algemene voorwaarden
van ontwerpartikel 42, § 1, 6° (deze voorwaarden zijn
opgenomen in artikel 275 van Verordening 2015/35).
Het wettelijk bestuursorgaan kan in voorkomend geval
een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties
(zie met name de commentaar bij artikel 50 over het
remuneratiecomité en de informatie die door de risico-
beheerfunctie wordt verstrekt).
Art. 78
Artikel 78 van de ontwerptekst, dat zorgt voor de
omzetting van een aspect van de Richtlijn dat specifiek
betrekking heeft op de corporate governance (zie arti-
kel 46 van de Richtlijn en artikel 266 van Verordening
2015/35), betreft de verantwoordelijkheid van het wette-
lijk bestuursorgaan voor wat betreft de betrouwbaarheid
en de integriteit van een aantal aspecten met betrekking
tot de interne werking van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, met name op het vlak van de
informatieverstrekking (rapportering) en de publicatie.
Inhoudelijk stemmen die aspecten in hoofdzaak overeen
met de tekst van de wet van 9 juli 1975 (artikel 14bis, § 3,
eerste lid) en deze van de wet van 16 februari 2009 (arti-
kel 18, § 3, eerste lid). Het gaat hier om verplichtingen die
voortaan duidelijk op het wettelijk bestuursorgaan rus-
ten, in het kader van zijn algemene toezichtsopdracht.
Le paragraphe 3 en projet précise que l’organe légal
d’administration vérifie périodiquement, et au moins une
fois par an, si les fonctions de contrôle indépendantes
sont correctement exercées. Outre l’évaluation qu’il peut
effectuer à travers les contacts réguliers et les infor-
mations qui lui sont fournies par ces quatre fonctions,
l’organe légal d’administration se base notamment sur le
rapport périodique établi par le comité de direction (voy.
ci-après, le commentaire relatif à l’article 78 en projet).
Le paragraphe 4 étend à tous les comités, introduits
par l’article 48 en projet, l’obligation de justifier de la
compétence des membres qui en font partie, ainsi que
cela était déjà prévu sous la loi du 9 juillet 1975 et la loi
du 16 février 2009 pour le comité d’audit.
La surveillance exercée par l’organe légal d’admi-
nistration doit s’étendre à tous les domaines d’activité
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Le
paragraphe 5 en projet précise ce qui est attendu de
l’organe légal d’administration pour que l’entreprise
dispose d’une politique de rémunération répondant aux
conditions générales de l’article 42, § 1er, 6° du projet
(ces conditions étant précisées sous l’article 275 du
Règlement 2015/35). L’organe légal d’administration
peut, le cas échéant, recourir aux fonctions de contrôle
indépendantes (voy. notamment le commentaire relatif
à l’article 50 concernant le comité de rémunération et
les informations apportées par la fonction de gestion
des risques).
Art. 78
L’article 78 en projet de loi, qui transpose un aspect
de la Directive concernant spécifiquement la gou-
vernance (voy. l’article 46 de la Directive et article
266 du Règlement 2015/35), précise la responsabilité
de l’organe légal d’administration concernant la fia-
bilité et l’intégrité d’une série d’aspects propres au
fonctionnement interne de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance, notamment en matière d’information
(reporting) et de publication. Sur le fond, ces aspects
correspondent essentiellement au texte de la loi du
9 juillet 1975 (article 14bis, § 3, alinéa 1er) et celui de
la loi du 16 février 2009 (article 18, § 3, alinéa 1er). Il
s’agit ici d’obligations incombant désormais clairement
à l’organe légal d’administration, dans le cadre de sa
mission générale de surveillance.
95
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 79
In ontwerpartikel 79 worden artikel 14bis, § 6 van
de wet van 9 juli 1975 en artikel 18, § 6 van de wet van
16 februari 2009 overgenomen.
Onderafdeling II
Door het directiecomité te nemen maatregelen
Art. 80
Buiten de bepalingen betreffende de effectieve leiders
van de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen als personen (zie met name de commentaar bij de
ontwerpartikelen 40, 81 en 83) bevat de Richtlijn weinig
specifieke bepalingen over het directiecomité als orgaan
of de effectieve leiders als dusdanig. Ontwerpartikel
80 zorgt voor de omzetting van bepalingen inzake het
governancesysteem (artikel 40 van de Richtlijn en artikel
275, lid 1, onder d) van de Verordening 2015/35) die
onder meer betrekking hebben op de tenuitvoerleg-
ging, op twee specifieke gebieden (beloningsbeleid en
risicobeheersing), van de beslissingen van het wettelijk
bestuursorgaan, onder het toezicht van dit orgaan.
In deze context bepaalt ontwerpartikel 80, § 5 dat
het directiecomitéminstens jaarlijks een verslag moet
opstellen over de naleving van de bij de wet en de
toepasselijke reglementen opgelegde organisatorische
vereisten en over de concrete maatregelen die in dit
verband werden genomen. Op basis van dit verslag
moet het wettelijk bestuursorgaan kunnen nagaan of
voldaan is aan de vereisten. Het wordt gericht aan de
erkend commissaris en aan de Bank.
Onderafdeling III
Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe
functies
Art. 81
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
dienen er in de eerste plaats zelf op toe te zien dat hun
leiders en hun verantwoordelijken voor de onafhanke-
lijke controlefuncties over de vereiste betrouwbaarheid
en de passende deskundigheid beschikken om hun
functie uit te oefenen (zie commentaar bij ontwerparti-
kel 40). Ontwerpartikel 81 versterkt het toezicht op de
naleving van deze verplichting. Deze versterking houdt
in dat de toezichthouder voorafgaandelijk wordt ingelicht
en dat de te verrichten benoemingen voorafgaandelijk
worden goedgekeurd.
Art. 79
L’article 79 en projet reprend l’article 14bis, § 6 de
la loi du 9 juillet 1975 et l’article 18, § 6 de la loi du
16 février 2009.
Sous-section II
Des mesures à prendre par le comité de direction
Art. 80
En dehors des dispositions concernant les dirigeants
effectifs des entreprises d’assurance ou de réassurance
en tant que personnes (voy. notamment le commentaire
relatifs aux articles 40, 81 et 83 en projet), la Directive
comprend peu de dispositions spécifiques concernant le
comité de direction en tant qu’organe ou les dirigeants
effectifs comme tels. L’article 80 en projet transpose
des dispositions en matière de système de gouvernance
(articles 40 de la Directive et article 275, paragraphe 1,
d) du Règlement 2015/35) qui concernent, entre autres,
la mise en en œuvre, dans deux domaines particuliers
(politique de rémunération et maîtrise des risques), des
décisions prises par l’organe légal d’administration,
sous la surveillance de celui-ci.
Dans ce contexte, l’article 80, § 5 en projet prévoit
que le comité de direction est tenu d’établir au moins
une fois par an un rapport sur le respect des exigences
organisationnelles imposées par la loi et les règlements
applicables, et les mesures concrètes qui ont été prises
à cette fin. Le rapport doit permettre à l’organe légal
d’administration de vérifier que les exigences sont
respectées. Il est adressé au commissaire agréé et à
la Banque.
Sous-section III
Nominations, démissions et exercice de fonctions
extérieures
Art. 81
S’il incombe au premier chef aux entreprises d’assu-
rance ou de réassurance elles-mêmes de veiller à ce
que leurs dirigeants ainsi que leurs responsables des
fonctions de contrôle indépendantes, présentent l’hono-
rabilité nécessaire et l’expertise adéquate à l’exercice
de leur fonction (voy. le commentaire de l’article 40 en
projet), l’article 81 en projet vient renforcer le contrôle
exercé sur le respect de cette obligation. Ce renforce-
ment repose sur une information préalable de l’autorité
de contrôle assortie d’une approbation préalable des
nominations à intervenir.
96
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Zo moeten de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen in de eerste plaats de toezichthouder
voorafgaandelijk in kennis stellen van voorstellen tot be-
noeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan
en van de leden van het directiecomité of, als er geen
directiecomité is, met toepassing van ontwerpartikel 47,
van de personen belast met de effectieve leiding.
Het begrip “effectieve leiding” werd besproken in de
commentaar bij ontwerpartikel 40. Er dient evenwel
verduidelijkt te worden dat het toepassingsgebied van
ontwerpartikel 81, wat betreft de personen belast met de
effectieve leiding, verschilt van dat van ontwerpartikel
40. Wat immers niet onder ontwerpartikel 81 valt, is de
benoeming, bij verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen die een directiecomité hebben, van effectieve
leiders die geen lid zijn van het directiecomité of van
het wettelijk bestuursorgaan. Concreet gaat het om
de personen van een hiërarchisch niveau net onder
dat van het directiecomité, die een rechtstreekse en
doorslaggevende invloed uitoefenen op het beheer van
alle of bepaalde activiteiten van de onderneming. Die
personen moeten uiteraard de eigenschappen hebben
die van alle effectieve leiders worden verlangd con-
form ontwerpartikel 40 en het is in de eerste plaats de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf die
hierop moet toezien. Het voldoen van deze personen
aan de voornoemde voorwaarden maakt echter niet het
voorwerp uit van een voorafgaandelijke goedkeuring
door de toezichthouder op basis van ontwerpartikel 81;
dit gebeurt in het kader van het doorlopend toezicht dat
op de onderneming wordt uitgeoefend. Hiermee wordt
uitdrukking gegeven aan de wens om de versterking
van dit toezicht, voor wat betreft de leiders, te richten
op de personen die op het hoogste niveau deelnemen
aan het bestuur van de onderneming en lid zijn van
haar organen.
In de tweede plaats wordt de verplichting om de
toezichthouder voorafgaandelijk in kennis te stellen,
uitgebreid tot de benoeming van de verantwoordelijken
voor de onafhankelijke controlefuncties.
Deze verplichting geldt eveneens voor voorstellen
tot hernieuwing van de benoeming van de leiders en
de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controle-
functies, voor de niet-hernieuwing van die benoeming,
evenals voor de afzetting of het ontslag (uiteraard zodra
de onderneming daar kennis van heeft) van die perso-
nen (ontwerpartikel 81, § 1).
Wat de raadpleging van de FSMA betreft, die enkel
verplicht is wanneer een persoon voor het eerst wordt
voorgedragen voor een functie bij een onder toezicht
staande financiële onderneming, zij gepreciseerd dat
C’est ainsi que les entreprises d’assurance ou de
réassurance sont tout d’abord tenus d’informer pré-
alablement l’autorité de contrôle de la proposition de
nomination des membres de l’organe légal d’adminis-
tration ainsi que des membres du comité de direction
ou, en l’absence d’un comité de direction en application
de l’article 47 en projet, des personnes chargées de la
direction effective.
La notion de direction effective a été explicitée sous
le commentaire de l’article 40 en projet. On précise
cependant que le champ d’application de l’article 81 en
projet, en ce qu’il vise les personnes en charge de la
direction effective, diffère de celui de l’article 40 en pro-
jet. N’est, en effet, pas visée par l’article 81 en projet,
la nomination, dans les entreprises d’assurance ou de
réassurance avec un comité de direction, des dirigeants
effectifs qui ne sont pas membres du comité de direction
ni de l’organe légal d’administration. Concrètement, il
s’agit des personnes dont la fonction est située à un
niveau hiérarchique immédiatement inférieur au comité
de direction et qui exercent une influence directe et
déterminante sur la direction de tout ou partie des
activités de l’entreprise. Ces personnes doivent bien
évidemment présenter les qualités requises de tout
dirigeant effectif conformément à l’article 40 en projet
et il incombe au premier chef à l’entreprise d’assurance
ou de réassurance lui-même d’y veiller. Le respect des
conditions précitées à l’égard de ces personnes ne
fera toutefois pas l’objet d’une approbation préalable
par l’autorité de contrôle sur base de l’article 81 en
projet mais sera contrôlé dans le cadre du contrôle
continu exercé sur l’entreprise. Cette approche traduit
la volonté de concentrer le renforcement du contrôle
évoqué ci-dessus, en ce qui concerne les dirigeants,
sur les personnes qui, au plus haut niveau, participent
à la gestion de l’entreprise en étant membres de ses
organes.
L’obligation d’information préalable de l’autorité de
contrôle est ensuite étendue à la nomination des res-
ponsables des fonctions de contrôle indépendantes.
Elle s’applique également à la proposition de renou-
vellement de la nomination des dirigeants et des res-
ponsables des fonctions de contrôle indépendantes, au
non-renouvellement de celle-ci, ainsi qu’à la révocation
ou à la démission (dès lors, bien entendu, que l’entre-
prise en a connaissance) de ces personnes (art. 81,
§ 1er en projet).
S’agissant de la consultation obligatoire de la FSMA
pour les seuls cas où la personne est proposée pour
la première fois à une fonction dans une entreprise
financière sous statut de contrôle, on précise que cette
97
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
deze beperking voortvloeit uit de samenwerkingsover-
eenkomst tussen de Nationale Bank van België en de
FSMA, die onder meer inhoudt dat deze instellingen uit
eigen beweging informatie uitwisselen die relevant is
voor hun respectieve opdrachten.
Overeenkomstig paragraaf 3 dient in dit verband
nog opgemerkt te worden dat een verandering van
functie, bijvoorbeeld een nieuwe taakverdeling bin-
nen het wettelijk bestuursorgaan of het directiecomité,
beschouwd moet worden als een nieuwe benoeming
voor de betrokken leiders, die voorafgaandelijk aan de
toezichthouder moet worden gemeld en, zoals hierna
vermeld, waarvoor deze laatste voorafgaandelijk zijn
goedkeuring moet verlenen.
Verder dient de benoeming van de leden van het
wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het direc-
tiecomité of, indien er geen directiecomité is, met toe-
passing van ontwerpartikel 47, van de personen belast
met de effectieve leiding, voorafgaandelijk te worden
goedgekeurd door de toezichthouder, in voorkomend
geval na advies van de FSMA (ontwerpartikel 81, § 2).
De voorafgaande goedkeuring vormt een nieuwigheid
sinds de wet van 25 april 2014 voor de niet-uitvoerende
bestuurders; in het kader van het oude artikel 90bis van
de wet van 9 juli 1975 was voor hun benoeming immers
enkel een advies van de Nationale Bank van België
vereist. De termijn waarbinnen een beslissing moet
worden genomen leent zich niet tot een formalisering,
aangezien hij uiteraard kan variëren naargelang van de
complexiteit van het voorgelegde dossier en met name
van het vereiste overleg (gerechtelijke overheden, bui-
tenlandse autoriteiten, …). Het spreekt voor zich dat de
toezichthouder erop moet toezien dat hij zijn beslissing
neemt binnen een redelijke termijn na de ontvangst van
een volledig dossier, met inachtneming van het beginsel
van goed bestuur.
De voorafgaande goedkeuring van de toezichthouder
is eveneens vereist voor de benoeming van de verant-
woordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties
(ontwerpartikel 81, § 2). Hoewel de betrouwbaarheid
en de deskundigheid van de verantwoordelijken voor
de onafhankelijke controlefuncties van het allerhoogste
belang zijn voor de goede werking van de onderneming,
was de leiding van de onderneming totnogtoe verant-
woordelijk voor de naleving van de vereiste eigenschap-
pen en beperkte de prudentiële toezichthouder zich tot
de beoordeling van de passende organisatie van de
onderneming (zie Circulaire PPB-2007-6-CPB-CPA
over de prudentiële verwachtingen van de CBFA inzake
het deugdelijk bestuur van financiële instellingen, p. 18,
nr. 50).
limitation s’explique en raison du protocole de coopé-
ration conclu entre la Banque nationale de Belgique et
la FSMA qui organise l’échange, d’initiative, des infor-
mations pertinentes pour les besoins de leurs missions
respectives.
Conformément au paragraphe 3, il est encore à
noter qu’un changement de fonction, par exemple une
nouvelle répartition des tâches au sein de l’organe
légal d’administration ou du comité de direction, est
à considérer comme une nouvelle nomination pour
les dirigeants concernés, nécessitant une information
préalable de l’autorité de contrôle et, comme expliqué
ci-après, l’approbation préalable de celle-ci.
Ensuite, la nomination des membres de l’organe
légal d’administration ainsi que des membres du comité
de direction ou, en l’absence de comité de direction
en application de l’article 47 en projet, des personnes
chargées de la direction effective est soumise à l’appro-
bation préalable de l’autorité de contrôle moyennant, le
cas échéant, l’avis de la FSMA (art. 81, § 2 en projet).
L’approbation préalable constitue une nouveauté
depuis la loi du 25 avril 2014 en ce qui concerne les ad-
ministrateurs non exécutifs dont la nomination, dans le
cadre de l’ancien article 90bis de la loi du 9 juillet 1975,
ne requerrait qu’un simple avis de la Banque natio-
nale de Belgique. S’agissant du délai dans lequel une
décision doit être rendue, celui-ci ne se prête pas à
une formalisation dès lors qu’il peut, bien évidemment,
varier selon la complexité du dossier soumis et notam-
ment des consultations (autorités judiciaires, autorités
étrangères, …) requises. Dans le respect du principe
de bonne administration, il est évident que l’autorité de
contrôle veillera à rendre sa décision dans un délai rai-
sonnable à partir de la réception d’un dossier complet.
L’approbation préalable par l’autorité de contrôle est
également requise en ce qui concerne la nomination
des personnes responsables des fonctions de contrôle
indépendantes (art. 81, § 2 en projet). Jusqu’à présent,
bien que l’honorabilité et l’expertise des personnes
responsables des fonctions de contrôle indépendantes
revêtent une importance capitale pour le bon fonction-
nement de l’entreprise, la responsabilité du respect des
qualités requises incombait à la direction de l’entreprise,
l’autorité de contrôle prudentiel se limitant à l’apprécia-
tion de l’organisation appropriée de l’entreprise (Voy.
Circulaire PPB-2007-6-CPB-CPA relative aux attentes
prudentielles de la CBFA en matière de bonne gouver-
nance des établissements financiers, p. 18, n° 50).
98
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Er zij benadrukt dat enkel voor de benoeming van de
leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden
van het directiecomité of, bij ontstentenis van een direc-
tiecomité met toepassing van ontwerpartikel 47, van de
personen die belast zijn met de effectieve leiding, even-
als voor de benoeming van de verantwoordelijken voor
de onafhankelijke controlefuncties (ontwerpartikel 81,
§ 2) de voorafgaande instemming van de toezichthouder
is vereist. De hernieuwing van een benoeming, de afzet-
ting of het ontslag van de voornoemde personen moet
ter kennis worden gebracht van de toezichthouder, zoals
hierboven uiteengezet (ontwerpartikel 81, § 1, derde lid).
Het ontbreken van instemming doet in dit geval geen
afbreuk aan de mogelijkheid voor de toezichthouder om
de nodige maatregelen te nemen indien naar aanleiding
van die kennisgeving zou blijken dat er aanwijzingen zijn
van een aantasting van de betrouwbaarheid.
Vooraleer hij zijn goedkeuring verleent, vergewist
de toezichthouder zich ervan dat de persoon die
voorgedragen wordt voor één van de voornoemde
functies, over de voor de uitoefening van zijn functie
vereiste professionele betrouwbaarheid en passende
deskundigheid beschikt conform ontwerpartikel 40.
Hiertoe moet de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming aan de toezichthouder alle documenten en
informatie meedelen die hem toelaten te beoordelen
of de voorgedragen personen conform artikel 40 over
de vereiste eigenschappen beschikken (ontwerpartikel
81, § 1, tweede lid). Zoals reeds benadrukt werd, neemt
de toezichthouder een beslissing binnen een redelijke
termijn na de ontvangst van een volledig dossier, met
inachtneming van het principe van goed bestuur. Deze
termijn kan variëren naargelang van de complexiteit
van het dossier.
Art. 82
Om het statuut te versterken van de verantwoorde-
lijken voor de onafhankelijke controlefuncties, bepaalt
ontwerpartikel 82 dat deze personen enkel door het
wettelijk bestuursorgaan uit hun functie kunnen worden
verwijderd. Het is immers noodzakelijk dat de raad van
bestuur het enige orgaan is dat gemachtigd is om een
dergelijke verantwoordelijke uit zijn functie te verwijde-
ren, aangezien die functie inhoudt dat toezicht wordt
gehouden op de wijze waarop het directiecomité zijn
taken uitvoert.
Art. 83
Artikel 83 betreft de uitoefening van externe functies
en is gebaseerd op artikel 90/4 van de wet van 9 juli 1975
en artikel 25, § 1 van de wet van 16 februari 2009.
On souligne que seule la nomination des membres
de l’organe légal d’administration et des membres
du comité de direction ou, en l’absence de comité de
direction en application de l’article 47 en projet, des
personnes chargées de la direction effective, ainsi que
la nomination des personnes responsables des fonc-
tions de contrôle indépendantes (art. 81, § 2 en projet)
sont soumises à l’approbation préalable de l’autorité
de contrôle. Le renouvellement d’une nomination, la
révocation ou la démission des personnes précitées doit
quant à elle être porté à la connaissance de l’autorité
de contrôle comme expliqué ci-avant (art. 81, § 1er, al.
3 en projet). L’absence d’approbation préalable dans ce
cas ne porte pas préjudice à la possibilité pour l’autorité
de contrôle de prendre les mesures qui s’imposent s’il
devait apparaître, à l’occasion de cette information, des
indices d’atteinte à l’honorabilité.
Pour donner son approbation, l’autorité de contrôle
s’assure que la personne proposée à une des fonctions
précitées dispose de l’honorabilité professionnelle
nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de sa
fonction conformément à l’article 40 en projet. À cette
fin, l’entreprise d’assurance ou de réassurance est
tenu de communiquer à l’autorité de contrôle tous les
documents et informations lui permettant d’évaluer si les
personnes proposées présentent les qualités requises
en vertu de l’article 40 (art. 81, § 1er, al. 2 en projet).
Comme déjà souligné, l’autorité de contrôle veillera à
rendre sa décision dans un délai raisonnable à partir
de la réception d’un dossier complet dans le respect du
principe de bonne administration. Ce délai peut varier
selon la complexité du dossier soumis.
Art. 82
Afin de renforcer le statut des personnes qui sont
responsables des fonctions de contrôle indépendantes,
l’article 82 en projet dispose qu’elles ne peuvent être
démises de leurs fonctions que par l’organe légal
d’administration. Il est, en effet, essentiel que le conseil
d’administration soit le seul organe habilité à démettre
un tel responsable dès lors que ses fonctions impliquent
un contrôle de la manière dont le comité de direction
s’acquitte de ses missions.
Art. 83
L’article 83 concerne l’exercice de fonctions extérieures
et s’inspire de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 et
l’article 25, § 1er de la loi du 16 février 2009.
99
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Paragraaf 1 van de ontwerpbepaling geldt niet uit-
sluitend voor gevallen waarin de leiders externe func-
ties uitoefenen. Hoewel het beschikbaarheidsvereiste
ook gedeeltelijk (d.w.z. voor wat betreft de effectieve
leiders) wordt verzekerd via interne regels die door de
onderneming worden aangenomen met toepassing
van paragraaf 3, bevat paragraaf 1 ook de uitdrukke-
lijke verplichting voor alle leiders om de nodige tijd te
besteden aan hun functie binnen de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
In paragraaf 2, die onder voorbehoud van de voor het
volledige artikel geldende beperkingen en voorwaarden
het beginsel van vrijheid van uitoefening van externe
functies bevat, werd de formulering vereenvoudigd voor
wat betreft de personen waarvoor deze bepaling van
toepassing is.
In paragraaf 3 werd paragraaf 2 van artikel 90/4 van
de wet van 9 juli 1975 overgenomen voor wat betreft de
opstelling van interne regels en de doelstellingen die
met deze regels worden nagestreefd.
Paragraaf 4, waarin paragraaf 3 van artikel 90/4 van
de wet van 9 juli 1975 werd overgenomen, bevat het
beginsel dat de personen die op voordracht van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming een man-
daat uitoefenen, lid moeten zijn van het directiecomité
of benoemd moeten zijn door het directiecomité. Indien
er met toepassing van ontwerpartikel 47 geen directie-
comité is, moet de bepaling uiteraard als volgt worden
gelezen: de personen die ter vertegenwoordiging van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn
benoemd, moeten uitvoerende leden zijn van het wet-
telijk bestuursorgaan of personen die deelnemen aan
de effectieve leiding. De mandaten die op de voordracht
van een onderneming worden uitgeoefend, kunnen dus
niet worden toevertrouwd aan personen die deelnemen
aan de effectieve leiding van die onderneming, of aan
personen die zijn aangeduid door het orgaan dat ver-
antwoordelijk is voor de effectieve leiding.
Deze beperking geldt voor de uitoefening van een
bestuursmandaat op voordracht van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, op grond van
een deelneming die zij in het kapitaal van de betrokken
vennootschap bezit, maar geldt in ruimere zin ook voor
de mandaten van vertegenwoordiger van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming wanneer deze
zelf bestuurder is van een andere vennootschap — al
dan niet op grond van een deelneming die zij bezit —,
alsook voor de gevallen waarin de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, onafhankelijk van een
deelneming die zij bezit, om redenen die verband
houden met haar deskundigheid, een bestuurder ter
Le paragraphe 1er de la disposition en projet ne
concerne pas exclusivement la situation où des
dirigeants exercent des fonctions extérieures. Même si
l’exigence de disponibilité est également, en partie (c.-
à-d. en ce qui concerne les dirigeants effectifs), assurée
par le biais des règles internes adoptées par l’entre-
prise en application du paragraphe 3, le paragraphe
1er énonce expressément l’obligation pour l’ensemble
des dirigeants de consacrer le temps nécessaire à
leur fonction au sein de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Moyennant un libellé allégé quant aux personnes
visées, le paragraphe 2 énonce, sous la réserve des li-
mites et conditions prévues par l’ensemble de l’article, le
principe de la liberté d’exercice de fonctions extérieures.
Le paragraphe 3 constitue la reprise du paragraphe
2 de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qui
concerne l’établissement de règles internes et leur objet.
Le paragraphe 4, qui constitue la reprise du para-
graphe 3 de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975, af-
firme le principe selon lequel les personnes qui exercent
un mandat sur présentation de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance doivent être membres du comité de
direction ou nommées par le comité de direction. Dans
les situations où, en application de l’article 47 en projet,
il n’y aurait pas de comité de direction, il est évident
que la disposition doit se lire de la manière suivante:
les personnes nommées en représentation de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance devront être des
membres exécutifs de l’organe légal d’administration
ou des personnes participant à la direction effective.
Les mandats exercés sur présentation d’une entreprise
ne peuvent donc être confiés qu’à des personnes qui
prennent part à la direction effective de cet entreprise,
ou à des personnes que l’organe assurant la direction
effective désigne.
Cette limite vise l’exercice d’un mandat d’admi-
nistrateur nommé sur présentation d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance en raison d’une parti-
cipation que celle-ci détient dans le capital de la société
concernée, mais vise cependant aussi, plus largement,
les mandats de représentant de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance lorsque celle-ci est elle-même
administrateur d’une autre société — en raison ou non
d’une participation qu’elle détient —, de même que les
cas où, indépendamment d’une participation détenue
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, pour
des raisons liées à son expertise, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance est amenée à présenter la
100
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
benoeming dient voor te dragen. De voorgedragen
persoon moet niet noodzakelijk worden gekozen uit de
personen die deelnemen aan de effectieve leiding van
de onderneming.
Deze bepalingen geven ook uitvoering aan de aanbe-
velingen van de Bijzondere opvolgingscommissie belast
met het onderzoek naar de financiële crisis inzake de
actualisering van de regels inzake deugdelijk bestuur1
en de aanbevelingen namens de Bijzondere commissie
belast met het onderzoek naar de financiële en bank-
crisis inzake corporate governance2.
Wat de niet-uitvoerende bestuurders van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming betreft, wordt
in paragraaf 5 het beginsel van paragraaf 4 van artikel
90/4 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, dat in-
houdt dat deze bestuurders geen uitvoerend mandaat
mogen uitoefenen in een vennootschap waarin de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming een deel-
neming bezit. Deze beperking vertaalt het beginsel dat
niet-uitvoerende bestuurders zich niet mogen mengen in
het bestuur van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming (waar zij toezicht op moeten uitoefenen) door
te verhinderen dat zij rechtstreeks of onrechtstreeks
een mandaat uitoefenen dat een deelname impliceert
aan het dagelijks bestuur van de vennootschap waarin
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een
deelneming bezit.
Wat de uitvoerende bestuurders van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming betreft, wordt in
paragraaf 6 paragraaf 5 van artikel 90/4 van de wet van
9 juli 1975 overgenomen, die inhoudt dat de personen
die deelnemen aan de effectieve leiding van de onderne-
ming, enkel een uitvoerend mandaat mogen uitoefenen
in de gevallen die op beperkende wijze zijn opgesomd
in de wet. Deze gevallen betreffen functies die worden
uitgeoefend bij ondernemingen van de financiële sector
of waarvan de diensten in het verlengde liggen van het
verzekering- of herverzekeringsbedrijf of nevendiensten
zijn van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf,
waarmee de betrokken onderneming nauwe banden
heeft, bij beveks of bij beheervennootschappen van
instellingen voor collectieve belegging of bij persoonlijke
of familiale patrimoniumvennootschappen.
1
Tussentijds Verslag namens de Bijzondere opvolgingscommis-
sie belast met het onderzoek naar de financiële crisis — De
opvolging van de financiële crisis, 18 juli 2012, Parl. St. Kamer,
nr. 53-2372/001, 269.
2
Verslag namens de Bijzondere commissie belast met het on-
derzoek naar de financiële en bankcrisis, 27 april 2009, Parl. St.
Senaat, nr. 4-1100, 554-555.
nomination d’un administrateur. La personne présen-
tée ne doit pas nécessairement être choisie parmi les
personnes qui prennent part à la direction effective de
l’entreprise.
Ces dispositions mettent par ailleurs en œuvre
les recommandations de la Commission spéciale de
suivi chargée d’examiner la crise financière en matière
d’actualisation des règles de bonne gouvernance1 ainsi
que celles formulées au nom de la Commission spéciale
chargée d’examiner la crise financière et bancaire en
matière de corporate governance2.
S’agissant des administrateurs non exécutifs de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance, le para-
graphe 5 reprend le principe du paragraphe 4 de l’article
90/4 de la loi du 9 juillet 1975 selon lequel ces adminis-
trateurs ne peuvent exercer un mandat exécutif dans
une société dans laquelle l’entreprise d’assurance ou de
réassurance détient une participation. Cette limite traduit
le principe de non immixtion des administrateurs non
exécutifs dans la gestion de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance (qu’ils sont chargés de contrôler) en les
empêchant d’exercer, directement ou indirectement, un
mandat impliquant une participation à la gestion cou-
rante dans la société dans laquelle l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance détient une participation.
S’agissant des administrateurs exécutifs de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, le paragraphe
6 reprend le paragraphe 5 de l’article 90/4 de la loi du
9 juillet 1975 selon lequel les personnes qui participent
à la direction effective de l’entreprise ne peuvent exer-
cer un mandat exécutif que dans les cas limitativement
énumérés par la loi. Ces cas concernent les fonctions
exercées auprès d’entreprises du secteur financier ou
dont les services se situent dans le prolongement de
l’activité d’assurance ou de réassurance ou sont auxi-
liaires à l’activité d’assurance ou de réassurance, avec
lesquelles l’entreprise visé entretient des liens étroits,
de sicav ou de sociétés de gestion d’organismes de
placement collectif ou de sociétés patrimoniales per-
sonnelles ou familiales.
1
Rapport intermédiaire fait au nom de la Commission spéciale de
suivi chargée d’examiner la crise financière - Le suivi de la crise
financière, 18 juillet 2012, Doc. parl., Chambre, n° 53-2372/001,
p. 269.
2
Rapport fait au nom de la Commission spéciale chargée d’exa-
miner la crise financière et bancaire, 27 avril 2009, Doc. parl.,
Sénat, n° 4-1100, pp. 554-555.
101
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Risicobeheer
Art. 84 tot 90
Deze artikelen omschrijven het risicobeheersysteem
en bepalen wat een doeltreffend risicobeheersysteem
moet omvatten en welke domeinen het moet bestrij-
ken (zie ook richtsnoeren 15 t.e.m. 24 van de EIOPA
Richtsnoeren voor het governancesysteem, p. 10 —
14 en Circulaire NBB_2013_20 betreffende de vereisten
inzake het governancesysteem in het kader van de
maatregelen ter voorbereiding van Solvabiliteit II). Ze
zetten artikel 44 van de Richtlijn om.
Afdeling V
Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own
Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
Dit artikel zet artikel 45 van de Richtlijn om.
Hoewel de Richtlijn een aantal regels vastlegt met
betrekking tot het kapitaalvereiste en het governan-
cesysteem, dient opgemerkt dat deze regels mogelijk
niet volstaan om het reële risico te vatten dat door een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt
gelopen.
Zo bestaat het kapitaalvereiste uit een value at risk
van 99,50 % over een periode van 1 jaar. De verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen lopen echter
doorgaans over langere periodes, waarvoor belangrij-
kere behoeften op middellange of lange termijn vereist
zijn of zouden kunnen zijn. Bovendien is het mogelijk dat
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun
commerciële strategie hebben herzien, waardoor hun
risicoprofiel op middellange termijn wordt gewijzigd zon-
der dat dit reeds tot uiting komt in het kapitaalvereiste.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
moeten zich hiervan derhalve bewust zijn, en deze
behoefte zodanig ramen dat ze er te gelegener tijd aan
kunnen voldoen.
Om deze reden wordt geëist dat elke verzekerings- of
herverzekeringsonderneming regelmatig haar algehele
solvabiliteitsbehoefte beoordeelt als integraal onderdeel
van haar strategie en rekening houdend met haar spe-
cifieke risicoprofiel (beoordeling van het eigen risico en
de solvabiliteit, in het Engels “Own Risk and Solvency
Assessment of “ORSA”). Voor deze beoordeling moet
Section IV
Gestion des risques
Art. 84 à 90
Ces articles définissent le système de gestion des
risques et précisent ce que doit comprendre un sys-
tème de gestion des risques efficace et les domaines
qui doivent être couverts (cf. également les orien-
tations 15 à 24 des EIOPA Orientations relatives au
système de gouvernance, p. 8 — 13 et la Circulaire
BNB_2013_20 relative aux exigences en matière de
système de gouvernance dans le cadre des mesures
préparatoires à Solvabilité II). Ils transposent l’article
44 de la Directive.
Section V
Évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own
Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
Cet article transpose l’article 45 de la Directive.
Bien que la Directive fixe un ensemble de règles
relatives à l’exigence de capital et au système de
gouvernance, il convient de remarquer que celles-ci
peuvent ne pas être suffisantes pour appréhender le
risque réel encouru par une entreprise d’assurance ou
de réassurance.
Ainsi, l’exigence de capital consiste en une Value at
Risk à 99,50 % sur un horizon de 1 an. Or les engage-
ments d’assurance ou de réassurance portent généra-
lement sur des périodes plus longues, qui nécessitent
ou pourraient nécessiter des besoins plus importants à
moyen ou long terme. De plus, les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance peuvent avoir revu leur stra-
tégie commerciale modifiant à moyen terme leur profil
de risque sans que celui-ci ne soit déjà reflété dans
l’exigence de capital.
Il convient dès lors que les entreprises d’assurance
ou de réassurance en prennent conscience et estiment
ce besoin de manière à pouvoir y faire face au moment
opportun.
De ce fait, il est exigé que chaque entreprise d’assu-
rance ou de réassurance procède régulièrement à
l’évaluation de son besoin global de solvabilité, en tant
que partie intégrante de sa stratégie et compte tenu de
son profil de risques spécifique (évaluation interne des
risques et de la solvabilité, en anglais “Own Risk and
Solvency Assessment ou “ORSA”). Cette évaluation ne
102
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
geen intern model worden ontwikkeld, en deze beoorde-
ling mag ook niet worden gebruikt voor de berekening
van kapitaalvereisten die verschillen van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste of het minimumkapitaalvereiste.
De resultaten van elke beoordeling dienen te worden
meegedeeld aan de Bank.
Er zijn drie belangrijke beoordelingen die de ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten
verrichten:
1) een beoordeling van hun algehele kapitaalbehoeften;
2) een beoordeling van de permanente naleving van
de kapitaalvereisten en de vereisten inzake technische
voorzieningen;
3) een beoordeling van de mate waarin hun risicopro-
fiel afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen
aan de berekening van het kapitaalvereiste.
Dit is een waardevol risicobeheerinstrument. De
leden van het wettelijk bestuursorgaan en het direc-
tiecomité moeten derhalve actief deelnemen aan de
ontwikkeling van dit instrument en moeten tevens de
verkregen resultaten onderzoeken.
Afdeling VI
Uitbesteding
Art. 92
Dit artikel zet artikel 49 van de Richtlijn om. Om te een
efficiënt toezicht op de uitbestede functies en activiteiten
te kunnen verzekeren, is het van essentieel belang dat
de Bank toegang heeft tot alle relevante gegevens waar-
over de aanbieder van de uitbestede dienst beschikt,
ongeacht of het om een gereglementeerde entiteit
gaat of niet, en inspecties ter plaatse kan uitvoeren.
Om erop toe te kunnen zien dat de voorwaarden voor
een uitbesteding vervuld blijven, moet de Bank vóór de
uitbesteding van de al dan niet kritieke functies, acti-
viteiten of operationele taken worden verwittigd. Deze
voorafgaande kennisgeving is verplicht wanneer de
uitbesteding betrekking heeft op functies, activiteiten of
operationele taken die belangrijk of kritiek zijn.
Rekening houdend met het vereiste van een pas-
sende organisatie zou de Bank zich immers kunnen
verzetten tegen een uitbesteding. Overeenkomstig de
aanbevelingen van de toezichthouder met betrekking
tot gezonde beheerspraktijken bij uitbesteding door
verzekeringsondernemingen (zie circulaire PPB-2006-
1-CPA van de CBFA van 6 februari 2006), wordt voor
requiert pas le développement d’un modèle interne, ni
ne sert à calculer des exigences en capital différentes
du capital de solvabilité requis ou du minimum de capital
requis. Les résultats de chaque évaluation doivent être
communiqués à la Banque.
Il y a trois évaluations importantes que les entreprises
d’assurance ou de réassurance doivent effectuer:
1) une évaluation sur leurs besoins globaux en capital;
2) une évaluation sur le respect permanent des
exigences de capital et des exigences relatives aux
provisions techniques;
3) une évaluation de la mesure selon laquelle leur
profil de risques s’écarte des hypothèses qui sous-
tendent le calcul de l’exigence de capital.
Il s’agit d’un outil de gestion des risques précieux.
Dès lors, les membres de l’organe légal d’administration
et le comité de direction, doivent prendre une part active
dans sa conception et doivent également s’interroger
sur les résultats obtenus.
Section VI
Recours à la sous-traitance
Art. 92
Cet article transpose l’article 49 de la Directive. Pour
assurer un contrôle efficace des fonctions et des activi-
tés sous-traitées, il est essentiel que la Banque ait accès
à toutes les données pertinentes détenues par le pres-
tataire du service externalisé, qu’il s’agisse d’une entité
réglementée ou non, et puisse effectuer des inspections
sur place. Pour s’assurer que les conditions d’une mise
en sous-traitance demeurent réunies, la Banque doit
être informée préalablement à l’externalisation de fonc-
tion, activités ou tâches opérationnelles, qu’elles soient
critiques ou non. Cette information préalable s’impose
lorsque le recours à la sous-traitance concerne des
fonctions, activités ou tâches opérationnelles qui sont
importantes ou critiques.
La Banque pourrait en effet s’opposer — au regard
de l’appréciation d’une organisation adéquate — à une
sous-traitance. Dans le prolongement des recommanda-
tions émises par l’autorité de contrôle quant aux saines
pratiques de gestion en matière de sous-traitance par
des entreprises d’assurance (voy. circulaire de la CBFA
(PPB-2006-1-CPA du 6 février 2006), il est précisé, pour
103
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zover nodig verduidelijkt dat deze kennisgevingsplicht
niet geldt in de volgende gevallen:
— het inhuren van diensten die worden geleverd
door derden die onder de operationele leiding en onder
het permanente toezicht staan van de opdrachtgever;
typische voorbeelden hiervan zijn het tijdelijk inhuren
van gespecialiseerde projectmedewerkers, het contrac-
teren van gespecialiseerde diensten voor beveiliging
van gebouwen, …;
— het delegeren van een specifieke activiteit aan
derden, waarbij deze in naam en/of voor rekening van
en onder de verantwoordelijkheid van de opdrachtge-
ver optreden, ongeacht of zij al dan niet volgens zijn
organisatorische instructies werken en ongeacht of hij
al dan niet een permanent toezicht uitoefent op hun
werkzaamheden; verzekerings- of herverzekeringstus-
senpersonen zijn hiervan een typevoorbeeld;
— het integraal afsplitsen van bepaalde activiteiten
die niet tot de verzekeringsactiviteit behoren, in een
afzonderlijke groepsvennootschap (dochter-, moeder- of
zusteronderneming) die optreedt in eigen naam en voor
eigen rekening. Voorbeelden hiervan zijn: de groeps-
vennootschap gespecialiseerd in de preventie inzake
brand en arbeidsongevallen, in personeelsbeheer, …
Wel beoogd worden groepsvennootschappen die ge-
meenschappelijke diensten verzorgen voor meerdere
groepsondernemingen, zoals immobiliënbeheer op
groepsniveau, beleggingsbeheer voor alle entiteiten
van de groep, …;
— het louter aanbieden door verzekeringsonderne-
mingen van producten en diensten voor rekening van
derden, ook wanneer deze in het verlengde liggen van
hun hoofdactiviteit of er nauw meer verbonden zijn. Dit
gebeurt onder meer voor hypothecaire leningen en voor
tak 23-producten voor andere ondernemingen;
— het aankopen bij derden door de onderneming
van diensten en producten ter ondersteuning van
haar kernactiviteiten, zoals de aankoop van infor-
matie (Reuters, Bloomberg, …) en van gestandaar-
diseerde diensten voor de materiële uitvoering van
verzekeringsverrichtingen.
Deze bepaling moet worden gelezen in combinatie
met ontwerpartikel 307 voor wat betreft de monitoring
van de uitbestede activiteiten en functies.
autant que de besoin, que cette obligation de notification
ne couvre pas les hypothèses suivantes:
— la location de services à des tiers lorsque ces
services sont fournis sous la direction opérationnelle
et le contrôle permanent du commettant; en sont des
exemples types l’appel temporaire à des collaborateurs
spécialisés, le recours à des services spécialisés pour
la protection de bâtiments, …;
— la délégation d’une activité spécifique à des tiers
lorsque ces derniers agissent au nom et/ou pour le
compte et sous la responsabilité du commettant, qu’ils
travaillent ou non selon ses instructions organisation-
nelles, et que leurs activités soient soumises ou non à
son contrôle permanent; les intermédiaires d’assurance
ou de réassurance constituent un exemple type;
— la séparation intégrale de certaines activités ne
relevant pas de l’activité d’assurance pour les loger au
sein d’une société distincte du groupe (filiale, entreprise
mère ou entreprise sœur) agissant en nom et pour
compte propres. Exemples: la société qui, au sein du
groupe, est spécialisée dans la prévention en matière
d’incendie et d’accidents du travail, en gestion du per-
sonnel, … Sont en revanche visées les sociétés qui,
au sein d’un groupe, assurent des services communs
pour plusieurs entreprises de ce groupe, comme la
gestion immobilière au niveau du groupe, la gestion des
placements pour l’ensemble des entités du groupe, …;
— la simple offre par des entreprises d’assurances
de produits et services pour compte de tiers, y com-
pris lorsque ces produits et services se situent dans
le prolongement de leur activité principale ou y sont
étroitement liés. Ceci se fait, notamment, en matière de
prêts hypothécaires, de produits de la branche 23 pour
d’autres entreprises;
— l’achat auprès de tiers, par l’entreprise, de services
ou de produits de soutien de ses métiers de base, tels
que des services d’information (Reuters, Bloomberg, …)
ou des services standardisés de réalisation matérielle
de transactions d’assurance.
Cette disposition doit être lue ensemble avec l’article
307 en projet en ce qui concerne le suivi des activités
et des fonctions données en sous-traitance.
104
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling VII
Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen
die nietig kunnen worden verklaard
Art. 93
Artikel 93 bevat een regeling voor leningen aan
leiders, aandeelhouders en verbonden personen. De
bepaling bestaat uit twee paragrafen die mekaar aanvul-
len en dus cumulatief van toepassing zijn.
Net zoals in artikel 27 van de wet van 16 februari 2009,
garandeert paragraaf 1 van de ontwerpbepaling de nale-
ving van Principe 7.4. van de “Insurance Core Principles,
Standards, Guidance and Assessment Methodology”
(afgekort “Insurance Core Principles” of “ICPs”) ge-
publiceerd door de Internationale vereniging van ver-
zekeringstoezichthouders (International Association
of Insurance Supervisors — “IAIS”). Om misbruik te
vermijden bij transacties met partijen die verbonden zijn
(“related persons”) met de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming en om risico’s op belangenconflicten
te voorkomen, bepaalt Principe nr. 7.4 dat transacties
met deze partijen volgens de marktvoorwaarden moe-
ten geschieden, dat deze transacties moeten worden
bewaakt en dat er passende maatregelen moeten
worden genomen om de eraan verbonden risico’s te
beheersen of te beperken. Overeenkomstig dit begin-
sel bevat de ontwerpbepaling de voorwaarden voor het
verstrekken van leningen/kredieten of waarborgen en
verzekeringsovereenkomsten aan bepaalde personen.
Aangezien een kredietactiviteit door een verzekerings-
onderneming kan worden uitgeoefend als activiteit die
rechtstreeks voortvloeit uit de verzekeringsactiviteit
(zie ontwerpartikel 34), heeft de ontwerpbepaling dus
ook betrekking op leningen/kredieten of waarborgen,
ongeacht de juridische constructie ervan (bijvoorbeeld
de borgtochtverzekering), ook al doet de noodzaak om
dergelijke overeenkomsten te omkaderen zich uiteraard
minder sterk gevoelen dan voor kredietinstellingen.
Zo geldt de bepaling voor leningen/kredieten of waar-
borgen of verzekeringsovereenkomsten:
— aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan als-
ook aan alle personen die deelnemen aan de effectieve
leiding van de onderneming;
— aan de in artikel 23, eerste lid, bedoelde perso-
nen, d.w.z. aan de belangrijke aandeelhouders, alsook
aan de leden van hun verschillende organen en aan
de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;
Section VII
Des opérations sujettes à limitations ou à interdiction et
des paiements sujets à nullité
Art. 93
L’article 93 régit la matière des prêts aux dirigeants,
actionnaires et personnes apparentées. La disposition
se compose de deux paragraphes qui sont complémen-
taires et donc d’application cumulative.
À l’instar de l’article 27 de la loi du 16 février 2009,
le paragraphe 1er de la disposition en projet assure
le respect du Principe (Insurance Core Principles
— “ICPs”) n° 7.4 des Principes de base, normes,
orientations et méthodologies d’évaluation pour le
secteur des assurances (“Insurance Core Principles,
Standards, Guidance and Assessment Methodology”)
publiés par l’Association internationale des contrôleurs
d’assurance (International Association of Insurance
Supervisors — “IAIS”). Afin d’éviter des abus résultant
de transactions avec des parties ayant un lien (“related
persons”) avec l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance et de prévenir les risques de conflits d’intérêts,
le Principe n° 7.4 implique que les transactions avec
ces parties s’effectuent aux conditions du marché, que
ces transactions fassent l’objet d’un suivi et que des
dispositions appropriées soient prises pour en maîtri-
ser ou réduire les risques. Afin de satisfaire au prescrit
de ce principe, la disposition en projet détermine les
conditions auxquelles des prêts/crédits ou garanties
et contrats d’assurance peuvent être consentis à une
série de personnes. Dès lors qu’une activité de crédit
peut être exercée par une entreprise d’assurance au
titre d’une activité qui découle directement de l’activité
d’assurance (voy. l’article 34 en projet), la disposition en
projet vise donc également les prêts/crédits ou garan-
ties, quelle que soit leur construction juridique (est ainsi
visée l’assurance-caution), même si l’encadrement de
tels contrats présente évidemment moins d’acuité que
dans le cas des établissements de crédit.
Sont ainsi visés par la disposition les prêts/crédits ou
garanties ou contrats d’assurance:
— aux membres de l’organe légal d’administration
ainsi qu’à toutes personnes participant à la direction
effective de l’entreprise;
— aux personnes visées à l’article 23, alinéa 1er, c.-à-
d. aux actionnaires significatifs, ainsi qu’aux personnes
qui sont membres de leurs différents organes et celles
participant à leur direction effective;
105
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— aan de ondernemingen of instellingen waarin de
in de eerstgenoemde categorie bedoelde personen een
gekwalificeerde deelneming bezitten of een leidingge-
vende functie uitoefenen;
— aan de personen die verbonden zijn (in het Engels:
“related persons”) met de eerste twee categorieën.
Dit begrip omvat de naaste familieleden van de in de
eerstgenoemde categorie bedoelde personen. Punt 4°
verduidelijkt aldus wat verstaan moet worden onder
“naaste familieleden” (gedefinieerd als “verbonden
personen”): echtgenoten, partners die als gelijkwaardig
met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt
(wettelijk samenwonenden of daarmee gelijkgestelden
volgens de relevante wetgeving) en bloedverwanten in
de eerste graad.
De leningen/kredieten of waarborgen en verzeke-
ringsovereenkomsten ten gunste van deze personen
kunnen enkel worden verstrekt tegen de voorwaarden
— met name wat betreft de bedragen en waarborgen
of nog wat de verleende restorno’s betreft — die van
toepassing zijn op het cliënteel. Bovendien geldt voor
de leningen, kredieten en waarborgen dat het wettelijk
bestuursorgaan in kennis moet worden gesteld, zodat
het zich in voorkomend geval tegen de betrokken ver-
richting kan verzetten. Er zij opgemerkt dat de kennis-
geving verplicht is wanneer de betrokken verrichtingen
meer bedragen, op cumulatieve basis en voor eenzelfde
persoon, onderneming of instelling, dan honderdduizend
euro.
Het derde lid bevat met betrekking tot de genoemde
leningen, kredieten en waarborgen een verplichting tot
rapportering aan de Bank, die de regels en de frequentie
van deze rapportering bepaalt.
Het vierde lid bepaalt dat de Bank, indien de in het
eerste lid bedoelde leningen, kredieten, waarborgen
en verzekeringsovereenkomsten niet tegen normale
marktvoorwaarden werden gesloten, kan eisen dat de
overeengekomen voorwaarden worden aangepast op
de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden.
Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan
die de beslissing hebben genomen, tegenover de on-
derneming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
Paragraaf 2 betreft een specifiek aspect in verband
met de leningen/kredieten of waarborgen (inclusief via
een krediet- of borgtochtverzekeringsovereenkomst)
en houdt een verbod in om dergelijke verrichtingen
uit te voeren indien zij tot doel hebben rechtstreeks of
onrechtstreeks een verwerving te financieren of een
inschrijving op kapitaalvertegenwoordigende effecten
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
of op effecten — zoals opties — die het recht geven om
— aux entreprises ou institutions dans lesquelles
les personnes visées à la première catégorie précitée
détiennent une participation qualifiée ou exercent une
fonction dirigeante;
— aux personnes apparentées (ce terme correspon-
dant ici au terme anglais de “related persons”) aux deux
premières catégories précitées. Ce concept inclut les
proches des personnes visées à la première catégorie
précitée. Le 4° précise ainsi ce concept de “personnes
proches” (définies comme “personnes apparentées”) en
visant les conjoints, les partenaires considérés comme
l’équivalent d’un conjoint (cohabitants légaux ou assi-
milés selon la législation pertinente) et les parents au
premier degré.
Les opérations de prêts/crédits ou les garanties et
les contrats d’assurance au profit de ces personnes ne
peuvent être consentis qu’aux conditions — notamment
à concurrence des montants et des garanties ou encore
en ce qui concerne les ristournes consenties — appli-
cables à la clientèle. En outre, les seuls prêts, crédits
et garanties doivent faire l’objet d’une information de
l’organe légal d’administration lui permettant, le cas
échéant, de s’opposer à l’opération concernée. Il est à
relever que l’obligation de notification s’applique lorsque
les opérations visées excèdent, sur une base cumulée
pour une même personne, entreprise ou institution
donnée, le montant de cent mille euros.
L’alinéa 3 impose une obligation de reporting desdits
prêts, crédits et garanties à l’égard de la Banque, qui
en fixe les modalités et la périodicité.
L’alinéa 4 prévoit que la Banque peut imposer, si
les prêts, crédits, garanties et contrats d’assurance
visés à l’alinéa 1er, n’ont pas été conclus aux condi-
tions normales du marché, l’adaptation des conditions
convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs
effets. À défaut, les membres de l’organe légal d’admi-
nistration qui ont pris la décision seront solidairement
responsables de la différence envers l’entreprise.
Le paragraphe 2 adresse un aspect particulier
concernant les prêts/crédits ou garanties (en ce compris
par la voie d’un contrat d’assurance-crédit ou d’assu-
rance-caution) en interdisant de telles opérations si
leur l’objet consiste à financer, directement ou indirec-
tement, une acquisition ou une souscription de titres
représentatifs du capital de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance ou de titres — comme des options —
conférant le droit d’acquérir de tels titres de l’entreprise
106
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dergelijke effecten te verwerven van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming of van een vennoot-
schap waarmee nauwe banden bestaan. Dit type van
verrichting, waarvan de terugbetaling of de opheffing
van de eruit voortvloeiende verbintenis in zekere mate
afhankelijk is van de uitkering van dividenden door de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, doet im-
mers afbreuk aan het vermogen tot verliesabsorptie door
het aldus gefinancierde kapitaal. Deze bepaling wijkt af
van het gemeen recht in de mate dat het Wetboek van
Vennootschappen dergelijke verrichtingen aanvaardt
onder bepaalde voorwaarden (zie artikel 629 W.Venn.).
Art. 94
In het ontwerpartikel worden artikel 90/5 van de
wet van 9 juli 1975 en artikel 25, § 2 van de wet van
16 februari 2009 overgenomen.
Afdeling VII
Mededeling van informatie over de situatie van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming
De bepalingen van Afdeling VIII zorgen voor de
omzetting van de artikelen 51 en 53 tot 55 van de
Richtlijn voor wat betreft de informatie waarvan de
Richtlijn de bekendmaking oplegt. Artikel 52 van de
Richtlijn, betreffende de informatie die aan EIOPA moet
worden verstrekt, is omgezet in Titel IV, aangezien dit
artikel voorziet in verplichtingen ten laste van de toe-
zichthouder en niet ten laste van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
HOOFDSTUK IV
Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere
verrichtingen
Art. 102 tot 106
Ontwerpartikel 102 voorziet in een aantal belangrijke
verrichtingen waarvoor de voorafgaande goedkeuring
is vereist van de Bank. Artikel 102 vormt op dit punt de
combinatie van de artikelen 27, tweede lid van de wet
van 9 juli 1975 en 28 van de wet van 16 februari 2009 in-
zake fusies en portefeuilleoverdrachten en van artikel
36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998 inzake stra-
tegische beslissingen.
De goedkeuring van de Bank is aldus vereist voor:
1° strategische beslissingen van verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;
d’assurance ou de réassurance ou d’une société avec
laquelle il existe des liens étroits. Ce type d’opération,
dont le remboursement ou la levée de l’engagement qui
en découle dépend, dans une certaine mesure, de la
distribution de dividendes par l’entreprise d’assurance
ou de réassurance, porte en effet atteinte à la capacité
d’absorption des pertes par le capital ainsi financé.
Cette disposition déroge ainsi au droit commun dans la
mesure où le Code des sociétés accepte, à certaines
conditions, de telles opérations (Voy. l’article 629 C.
soc.).
Art. 94
L’article 94 en projet constitue la reprise de l’article
90/5 de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 25, § 2 de
la loi du 16 février 2009.
Section VII
De la communication d’informations sur la situation de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance
Les dispositions de la Section VIII assurent la trans-
position des articles 51 et 53 à 55 de la Directive en ce
qui concerne les informations dont la Directive impose
la publication à destination du public. S’agissant de
l’article 52 de la Directive, relatif aux informations à
fournir à l’EIOPA, celui-ci se trouve transposé sous le
Titre IV dès lors qu’il prévoit des obligations à charge
de l’autorité de contrôle et non à charge de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
CHAPITRE IV
Transfert de portefeuille et autres opérations
particulières
Art. 102 à 106
L’article 102 en projet prévoit une série d’opérations
d’importance qui doivent recevoir une autorisation
préalable de la Banque. L’article 102 constitue, sur ce
point, la combinaison des articles 27, alinéa 2 de la loi
du 9 juillet 1975 et 28 de la loi du 16 février 2009 en
matière de fusions et cessions de portefeuille et de
l’article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998 en matière
de décisions stratégiques.
Sont ainsi soumises à l’autorisation de la Banque,
1° les décisions stratégiques des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance;
107
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Naar het voorbeeld van de oplossing die recentelijk
werd vastgelegd in de bankwet van 25 april 2014, bevat
de bepaling op dit vlak twee vernieuwingen ten opzichte
van het voornoemde artikel 36/3, § 2. Ten eerste vallen
nu alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
onder de bepaling en niet langer uitsluitend de onder-
nemingen die als systeemrelevant worden beschouwd.
Deze wijziging vindt haar rechtvaardiging in het feit dat
deze beslissingen noodzakelijkerwijze een impact heb-
ben op organisatorisch vlak en/of op de risicoappetijt
van de ondernemingen, en dat de Bank zich over deze
aspecten moet kunnen uitspreken. Ten tweede houdt de
bepaling nu ook in, naast de mogelijkheid voor de Bank
om zich te verzetten tegen de voorgestelde verrichting,
dat de uitdrukkelijke goedkeuring van de Bank is vereist.
Deze wijziging is gerechtvaardigd rekening houdend met
het feit dat strategische ontwerpbeslissingen in bepaalde
gevallen geïnterpreteerd konden worden op grond van
artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998, dat
voorzag in een mogelijkheid tot verzet, maar ook, voor
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, op
grond van artikel 27 van de wet van 9 juli 1975 en artikel
28 van de wet van 16 februari 2009, die voorzagen in een
voorafgaande toestemming. De combinatie van beide
bepalingen regelt aldus de problematiek van de juridische
grondslag (die inherent is aan het naast mekaar bestaan
van de toepassingsgebieden van deze twee wettelijke
bepalingen) waarop de Bank zich kan baseren voor haar
optreden, en legt ook de modaliteiten daarvoor vast.
Er zij op gewezen dat het feit dat de Bank voorafgaan-
delijk optreedt, geenszins betekent dat zij zich bemoeit
met het bestuur van de onderneming, aangezien de mo-
tieven waarop zij haar beoordeling baseert, opgenomen
zijn in het tweede lid van de bepaling en zowel betrek-
king hebben op het vermogen van de onderneming om
te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens de
ontwerpwet zijn vastgesteld (en aan de bepalingen van
Europees recht die rechtstreeks van toepassing zijn)
als op redenen die verband houden met het gezond en
voorzichtig beheer van de onderneming of nog op het
feit dat de beslissing een significante impact zou kun-
nen hebben op de stabiliteit van het financiële stelsel;
met dit laatste aspect wordt de facto maar rekening
gehouden wanneer het gaat om systeemrelevante
verzekeringsondernemingen.
2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming is betrokken, evenals splitsingen van
een dergelijke onderneming;
3° de overdracht van alle of een deel van de activi-
teiten, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke
overdracht van een portefeuille, waardoor de rechten
en verplichtingen die voortvloeien uit de verzekerings- of
herverzekeringsovereenkomsten, worden overgedragen.
À cet égard, à l’instar de la solution récemment
consacrée par la loi bancaire du 25 avril 2014, la dispo-
sition innove sur deux points par rapport à l’article 36/3,
§ 2 précité. Premièrement, l’ensemble des entreprises
d’assurance ou de réassurance sont désormais visées
par la disposition et non plus les seules entreprises
qualifiées de systémiques. Cette modification se justifie
dans la mesure où ces décisions présentent nécessai-
rement des implications sous l’angle organisationnel et/
ou de la prise de risques par les entreprises, aspects
sur lesquels la Banque doit pouvoir se prononcer.
Deuxièmement, la disposition requiert désormais une
approbation préalable expresse de la Banque et non la
seule possibilité de s’opposer à l’opération soumise.
La modification se justifie compte tenu de ce que,
dans certains cas, des projets de décision stratégique
étaient susceptibles d’être appréhendés à la fois sous
l’article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998 qui prévoyait
une possibilité d’opposition, mais également, s’agissant
des entreprises d’assurance et des entreprises de réas-
surance, sous les articles 27 de la loi du 9 juillet 1975 et
28 de la loi du 16 février 2009, qui prévoyaient quant à
eux une autorisation préalable. La combinaison de ces
deux normes règle ainsi la question de la base juridique
(inhérente à la juxtaposition des champs d’application
de ces deux dispositions légales respectives) sur
laquelle la Banque peut fonder son intervention, tout
en précisant les modalités de celle-ci.
On rappelle que l’intervention préalable de la Banque
ne constitue nullement une immixtion dans la gestion
de l’entreprise puisque les motifs au regard desquels la
Banque effectue son appréciation sont précisés à l’ali-
néa 2 de la disposition et concernent à la fois la capacité
de l’entreprise à satisfaire aux dispositions prévues par
ou en vertu de la loi en projet (et aux dispositions de droit
européen directement applicables) ou des motifs tenant
à la gestion saine et prudente de l’entreprise ou encore
dans le fait que la décision serait susceptible d’affecter
de façon significative la stabilité du système financier, ce
dernier aspect n’étant, dans les faits, appelé à être pris
en compte que s’agissant d’entreprises d’assurance de
nature systémique.
2° les fusions impliquant une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ou les scissions d’une telle
entreprise;
3° la cession de tout ou partie des activités, en ce
compris tout ou partie d’un portefeuille impliquant la
cession des droits et obligations découlant des contrats
d’assurance ou de réassurance.
108
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wat betreft de punten 2° en 3°, zij verduidelijkt dat de
bepaling van toepassing is wanneer een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die
onder het toezicht valt van de Bank (of een onderneming
naar buitenlands recht wanneer de bepaling van toepas-
sing is via verwijzing; zie in dit verband ontwerpartikel
587), bij een fusie betrokken is (als overgenomen entiteit
of overnemende entiteit), het voorwerp uitmaakt van een
splitsing, of als overdrager of overnemer betrokken is
bij een overdracht van activiteiten. Voor een portefeuil-
leoverdracht aan een onderneming die onder een derde
land ressorteert met overdracht van in België gelegen
risico’s of verbintenissen, bepaalt het derde lid, dat over-
genomen is uit de artikelen 74, § 2 en 75, § 2 van de wet
van 9 juli 1975, bovendien dat een dergelijke overdracht
slechts kan worden toegestaan indien het Belgische
bijkantoor van die onderneming als overnemer optreedt.
De bepaling (art. 102, tweede lid) houdt in dat de
autoriteit moet beslissen binnen drie maanden na
ontvangst van een volledig dossier, rekening houdend
met de redenen die in de bepaling worden vermeld. Het
gaat duidelijk om een strikte termijn, na afloop waarvan
de toestemming geacht wordt te zijn verkregen. Het
spreekt voor zich dat het vermogen van de autoriteit om
binnen een bepaalde termijn een beslissing te nemen,
noodzakelijkerwijs afhangt van de complexiteit van het
voorgelegde dossier. Conform het beginsel van goed
bestuur zal de Bank, ongeacht de maximumtermijn die
in de bepaling is vastgesteld, er uiteraard voor zorgen
dat zij haar beslissing zo snel mogelijk na de ontvangst
van een volledig dossier neemt.
Om ervoor te zorgen dat de Bank beschikt over de
relevante informatie die haar in staat stelt zich uit te
spreken over de haar voorgelegde verrichting, bepaalt
ontwerpartikel 103 dat de Bank per geval de inhoud
van het administratieve dossier vastlegt naargelang van
de kenmerken van de verrichting en van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming(en). Deze
bepaling zorgt ervoor dat de onder toezicht staande
onderneming beschermd wordt om onnodige discus-
sies over het ogenblik waarop de maximumtermijn van
drie maanden aanvangt, te vermijden. Voor wat betreft
de verrichtingen inzake overdracht van activiteiten, ver-
meldt de bepaling de informatie die het administratief
dossier ten minste moet bevatten.
De artikelen 104 en 106 zorgen voor de omzetting van
artikel 39 van de Richtlijn voor wat betreft de portefeuil-
leoverdrachten,. Het betreft de regeling betreffende de
samenwerking tussen de autoriteiten van lidstaten in
de diverse grensoverschrijdende situaties die door de
Richtlijn worden bestreken (ontwerpartikel 104) en het
stelsel van openbaarmaking en tegenwerpbaarheid dat
ermee samenhangt (ontwerpartikel 106). In dit verband
S’agissant des points 2° et 3°, on précise que la dis-
position est applicable dès lors qu’une entreprise d’as-
surance ou de réassurance de droit belge, relevant du
contrôle de la Banque (ou une entreprise de droit étran-
ger dès lors que la disposition est applicable par voie de
renvoi; voy. à cet égard l’article 587 en projet), intervient
dans une fusion (que ce soit qualité d’entité absorbée
ou d’entité absorbante), fait l’objet d’une scission, ou
intervient en qualité de cédant ou de cessionnaire dans
une opération de cession d’activités. S’agissant d’une
cession de portefeuille à une entreprise relevant du
droit d’un pays tiers impliquant un transfert de risques
ou d’engagements situés en Belgique, l’alinéa 3, issu
des articles 74, § 2 et 75, § 2 de la loi du 9 juillet 1975,
dispose en outre qu’un tel transfert ne peut être autorisé
que si la succursale belge de cette entreprise intervient
comme cessionnaire.
La disposition (art. 102, alinéa 2) prévoit que l’autorité
doit se prononcer dans les trois mois de la réception
d’un dossier complet et au regard des motifs préci-
sés par la disposition. Il s’agit clairement d’un délai
de rigueur à l’issue duquel la disposition présume
l’autorisation acquise. Il va de soi que la capacité de
l’autorité à rendre sa décision dans un certain délai
varie nécessairement en fonction de la complexité du
dossier soumis. Dans le respect du principe de bonne
administration, il est évident qu’indépendamment du
délai maximal fixé par la disposition, la Banque veillera
à rendre sa décision dans les meilleurs délais à partir
de la réception d’un dossier complet.
Afin précisément que la Banque puisse disposer des
informations pertinentes lui permettant de se pronon-
cer sur l’opération qui lui est soumise, l’article 103 en
projet prévoit que la Banque détermine, au cas par
cas, le contenu du dossier administratif en fonction
des particularités de l’opération et de l’entreprise
ou des entreprises d’assurance ou de réassurance
concernée(s). Cette disposition est, de la sorte, de
nature à protéger l’administré afin d’éviter des débats
inutiles sur le moment où court le délai maximal de trois
mois. Concernant les opérations de transfert d’activités,
la disposition énonce les informations minimales que
le dossier administratif doit, à tout le moins, contenir.
Les articles 104 et 106 assurent, s’agissant des trans-
ferts de portefeuille, la transposition de l’article 39 de
la Directive. Il s’agit du régime de coopération entre
autorités d’États membres dans les diverses situations
d’extranéité couvertes par la Directive (art. 104 en
projet) et du régime de publicité et de l’opposabilité
du transfert qui y est associé (art. 106 en projet). À
cet égard, la disposition fait utilement référence aux
109
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wordt in de bepaling nuttig verwezen naar de artikelen
17 en 18 van de Wet Verzekeringen, die eveneens
voorzien in een stelsel van tegenwerpbaarheid maar die
tevens de (beperkte) gevallen opgeven waarin, overeen-
komstig artikel 39, lid 6, derde alinea van de Richtlijn, in
een opzeggingsmogelijkheid wordt voorzien. Bovendien
verfijnt het tweede lid van ontwerpartikel 106 het stelsel
van tegenwerpbaarheid door voort te bouwen op artikel
78 van de bankwet van 25 april 2014 — dat zelf is over-
genomen uit artikel 31 van de wet van 22 maart 1993 —
waarvan het tweede lid was ingevoerd door de wet van
3 augustus 2012 om de nodige rechtszekerheid te ver-
schaffen voor overdrachten van activiteiten, met name
wanneer ze worden uitgevoerd in het kader van een
herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden
(zie Parl.St. Kamer, 2011-2012, DOC 53 2341/001 en
2342/001, 10 en DOC 53 2341/003, 21).
HOOFDSTUK V
Uitoefening van verzekerings- of
herverzekeringsactiviteiten in het buitenland
Afdeling I
Opening of verwerving van dochterondernemingen in het
buitenland
Art. 107
Met toepassing van artikel 107 moet iedere verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die voornemens
is om rechtstreeks of onrechtstreeks in het buitenland
een dochteronderneming te verwerven of op te richten
die het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf uitoefent,
de Bank daarvan in kennis stellen. Deze kennisgeving
moet de Bank voornamelijk in staat stellen zich ervan
te vergewissen dat de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen naar Belgisch recht de nodige
maatregelen nemen om te voorkomen dat hun doch-
terondernemingen die in het buitenland gevestigd zijn,
betrokken zouden worden bij witwaspraktijken. Als de
wetgeving van het land waar de dochteronderneming
gevestigd is, op het vlak van de witwasbestrijding geen
voorschriften bevat die gelijkwaardig zijn aan die van
de Belgische wet, dienen de verzekerings- en herver-
zekeringsondernemingen er immers op toe te zien dat
hun dochterondernemingen de Belgische bepalingen
inzake identificatie van de cliënten en interne organisatie
naleven, met uitzondering evenwel van de procedure
voor het verlenen van medewerking aan de Cel voor
financiële informatieverwerking (zie, naar analogie voor
de kredietinstellingen, Parl.St. Kamer, 2003-2004. 51-
383/1, 53-54 en Parl.St. Kamer, 2013-2014, 3406/001,
84-85). Via deze kennisgeving moet de Bank er zich ook
articles 17 et 18 de la Loi assurances qui prévoient
également le régime d’opposabilité mais énoncent
aussi les cas (limités) dans lesquels, en conformité avec
l’article 39, paragraphe 6, alinéa 3 de la Directive, une
faculté de résiliation est prévue. En outre, l’alinéa 2 de
l’article 106 en projet affine le régime d’opposabi-
lité en s’inspirant de l’article 78 de la loi bancaire du
25 avril 2014 — lui-même repris de l’article 31 de la loi
du 22 mars 1993 — dont l’alinéa 2 avait été introduit
par la loi du 3 août 2012 afin de conférer la sécurité juri-
dique nécessaire aux opérations de transfert d’activités,
notamment lorsqu’elles sont effectuées dans le cadre
de restructuration d’entreprises en difficulté (Voy. DOC.
Parl. Ch. Repr., sess 2011-2012, DOC 53 2341/001et
2342/001, p. 10 et DOC 53 2341/003, p. 21).
CHAPITRE V
De l’exercice d’activités d’assurance ou de
réassurance à l’étranger
Section Ire
De l’ouverture ou l’acquisition de filiale à l’étranger
Art. 107
En application de l’article 107, une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance qui projette d’acquérir ou de
constituer, directement ou indirectement, une filiale à
l’étranger exerçant l’activité d’entreprise d’assurance ou
de réassurance doit notifier son intention à la Banque.
Cette notification vise essentiellement à permettre à la
Banque de s’assurer du fait que les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge prennent les
mesures nécessaires pour éviter que leurs filiales éta-
blies à l’étranger ne soient impliquées dans des activités
de blanchiment de capitaux. Si la législation du pays
où la filiale est établie ne prévoit pas de prescriptions
équivalentes à celles de la loi belge en matière de lutte
contre le blanchiment de capitaux, il convient en effet
que les entreprises d’assurance ou de réassurance
veillent à s’assurer que leurs filiales appliquent les dis-
positions belges relatives à l’identification des clients
et à l’organisation interne, à l’exception toutefois de la
procédure de collaboration avec la Cellule de traitement
des informations financières (voy., par analogie pour
les établissements de crédit, Doc. Parl., Ch. Repr.,
session 2003-2004. 51-383/1, pp. 53-54 et Doc. Parl.,
Ch. Repr., session 2013-2014, 3406/001, pp.84-85). De
la même manière, la Banque doit pouvoir s’assurer que
les liens étroits entre une entreprises d’assurance ou
110
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van kunnen vergewissen dat de nauwe banden tussen
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
haar dochterondernemingen niet van die aard zijn dat zij
een belemmering vormen voor de uitoefening van een
individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht (zie
ontwerpartikel 43). Ten slotte moet deze kennisgeving
de Bank in staat stellen verzoeken om inlichtingen te
beantwoorden die aan haar worden gericht door buiten-
landse en met name Europese autoriteiten, in het kader
van de internationale samenwerking, ingeval op hun
grondgebied een dochteronderneming wordt opgericht.
In het licht van deze doeleinden verduidelijkt het
tweede lid dat de onderneming die de Bank in kennis
stelt van haar voornemen om in het buitenland een
dochteronderneming te verwerven of op te richten, bij
de kennisgeving informatie moet voegen over de acti-
viteiten, de organisatie, de leiding en de aandeelhou-
dersstructuur van de betrokken dochteronderneming.
Afdeling II
Opening van bijkantoren in het buitenland
Afdeling II bevat twee onderafdelingen die gewijd zijn
aan respectievelijk de verzekeringsondernemingen en
de herverzekeringsondernemingen.
Onderafdeling I
Opening van bijkantoren in het buitenland door een
verzekeringsonderneming
Art. 108
Artikel 108, § 1 — dat zorgt voor de omzetting van
artikel 145, leden 1 tot 3 van de Richtlijn en aldus arti-
kel 50 §§ 1 en 3 grotendeels overneemt uit de wet van
9 juli 1975 — formuleert het principe dat de verzeke-
ringsonderneming die voornemens is een bijkantoor te
openen op het grondgebied van een andere lidstaat om
er een verzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor ze
in België een vergunning heeft verkregen, de Bank in
kennis moet stellen van haar voornemen. Bij deze ken-
nisgeving wordt een programma van werkzaamheden
gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen
activiteiten, de organisatiestructuur van het bijkantoor,
de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken
lidstaat en de naam, het adres en de bevoegdheden
van de algemene lasthebber van het bijkantoor, en, in
voorkomend geval, van de andere personen die belast
zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor alsook
van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke con-
trolefuncties van het bijkantoor. Er moet in voorkomend
geval specifieke informatie worden meegedeeld indien
de réassurance et ses filiales ne sont pas de nature à
entraver l’exercice d’un contrôle prudentiel individuel
ou sur une base consolidée (voy. l’article 43 en projet).
Enfin, cette notification doit permettre à la Banque de
répondre aux demandes de renseignements qui lui sont
adressées par des autorités étrangères notamment
européennes, dans le cadre de la coopération interna-
tionale en cas de création d’une filiale sur leur territoire.
Au regard de ces finalités, l’alinéa 2 précise que l’en-
treprise qui notifie à la Banque son intention d’acquérir
ou de constituer une filiale à l’étranger doit joindre à la
notification une information sur les activités, l’organisa-
tion, les dirigeants et la structure de l’actionnariat de la
filiale concernée.
Section II
De l’ouverture de succursales à l’étranger
La Section II contient deux Sous-sections respecti-
vement consacrées aux entreprises d’assurance et aux
entreprises de réassurance.
Sous-section Ire
De l’ouverture de succursales à l’étranger par une
entreprise d’assurance
Art. 108
L’article 108, § 1er — qui assure la transposition
de l’article 145, paragraphes 1er à 3 de la Directive et
reprend ainsi, pour l’essentiel, l’article 50, §§ 1er et 3 de
la loi du 9 juillet 1975 — énonce le principe selon lequel
l’entreprise d’assurance qui projette d’ouvrir une suc-
cursale sur le territoire d’un autre État membre en vue
d’y exercer une activité d’assurance qui lui est autorisée
en Belgique doit notifier son intention à la Banque. Cette
notification est assortie d’un programme d’activités dans
lequel sont notamment indiqués les catégories d’opé-
rations envisagées, la structure de l’organisation de la
succursale, la domiciliation de la correspondance dans
l’État concerné et le nom, l’adresse et les pouvoirs du
mandataire général de la succursale et, le cas échéant,
des autres personnes chargées de la direction effective
de la succursale ainsi que des responsables des fonc-
tions de contrôle indépendantes de la succursale. Des
informations spécifiques sont à communiquer, le cas
échéant, si l’entreprise d’assurance entend faire couvrir
par sa succursale les risques d’accident du travail ou
111
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de verzekeringsonderneming haar bijkantoor arbeidson-
gevallenrisico’s wil laten dekken of risico’s die behoren
tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van
de aansprakelijkheid van de vervoerder.
Paragraaf 2, eerste lid is overgenomen uit artikel 50,
§ 2, eerste en tweede lid van de wet van 9 juli 1975 en
voorziet in de verplichting voor de verzekeringsonder-
neming die voornemens is een bijkantoor te openen in
een andere lidstaat om een algemeen lasthebber van
het bijkantoor aan te wijzen.
Paragraaf 2, tweede lid bepaalt de regeling die
van toepassing is op deze algemene lasthebber, en
zorgt met name voor de omzetting van artikel 146, lid
1, eerste alinea van de Richtlijn, aangezien dit artikel
verwijst naar artikel 42 van de Richtlijn betreffende de
algemene lasthebber. Zo moet de algemene lasthebber
permanent beschikken over de vereiste professionele
betrouwbaarheid en de passende deskundigheid voor
de uitoefening van zijn functie, en mag hij zich niet be-
vinden in één van de gevallen van beroepsverbod als
bedoeld in artikel 20 van de bankwet van 25 april 2014.
Daarnaast zijn op zijn benoeming en ontslag naar ana-
logie de artikelen 81 en 82 van toepassing. Concreet
betekent dit dat de Bank voorafgaandelijk op de hoogte
moet worden gebracht van voorstellen tot (hernieuwing
van) benoeming van de algemene lasthebber alsook van
de niet-hernieuwing van zijn benoeming, zijn afzetting
of zijn ontslag. Zijn benoeming dient voorafgaandelijk
te worden goedgekeurd door de Bank, in voorkomend
geval na advies van de FSMA. Hiertoe moet de verze-
keringsonderneming aan de Bank alle documenten en
informatie bezorgen waarmee deze kan beoordelen of
de algemene lasthebber over de voor de uitoefening
van zijn functie vereiste professionele betrouwbaarheid
en passende deskundigheid beschikt. Aangezien aan
deze verplichtingen permanent moet worden voldaan,
moet de verzekeringsonderneming de Bank onverwijld
in kennis stellen van elk nieuw feit dat of elke nieuwe
omstandigheid die twijfels kan doen rijzen over de ver-
eiste professionele betrouwbaarheid of deskundigheid
waarover de algemene lasthebber moet beschikken
voor de uitoefening van zijn functie. Artikel 82, waarnaar
wordt verwezen, betreft in het bijzonder de voorwaarde
(die bestaat in de voorafgaande goedkeuring van het
wettelijk bestuursorgaan) die vereist is om de algemene
lasthebber uit zijn ambt te kunnen verwijderen. Er zij
verwezen naar de commentaar bij dit artikel.
In overeenstemming met wat reeds was bepaald
in artikel 50, § 2, derde lid van de wet van 9 juli 1975,
is de hierboven beschreven regeling als bepaald in
paragraaf 2, tweede lid tevens van toepassing op de
andere personen die belast zijn met de effectieve leiding
van het bijkantoor en op de verantwoordelijken voor
les risques relevant de la branche 10 de l’Annexe I, à
l’exclusion de la responsabilité du transporteur.
Le paragraphe 2, alinéa 1er est la reprise de l’ar-
ticle 50, § 2 alinéas 1er et 2 de la loi du 9 juillet 1975 et
prévoit l’obligation pour l’entreprise d’assurance qui
entend ouvrir une succursale dans un autre État membre
de désigner un mandataire général de la succursale.
Le paragraphe 2, alinéa 2 spécifie le régime appli-
cable à ce mandataire général et assure notamment la
transposition de l’article 146, paragraphe 1er, alinéa 1er de
la Directive en ce que ce dernier renvoie à l’article 42 de
la Directive concernant le mandataire général. Le man-
dataire général doit ainsi disposer en permanence de
l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’exper-
tise adéquate à l’exercice de sa fonction et ne peut se
trouver dans un des cas d’interdiction professionnelle
visé à l’article 20 de la loi bancaire du 25 avril 2014. Par
ailleurs, sa nomination et sa démission sont soumises
par analogie aux articles 81 et 82. Concrètement, cela
signifie que la Banque doit être préalablement informée
des propositions de (renouvellement de) nomination du
mandataire général ainsi que du non-renouvellement de
sa nomination, de sa révocation ou de sa démission. Sa
nomination est soumise à l’approbation préalable de la
Banque moyennant, le cas échéant, l’avis de la FSMA.
À cette fin, l’entreprise d’assurance doit communiquer
à la Banque tous les documents et informations per-
mettant à celle-ci d’évaluer si le mandataire général
dispose de l’honorabilité professionnelle nécessaire et
de l’expertise adéquate à l’exercice de sa fonction. Dès
lors que ces obligations doivent être respectées en per-
manence, l’entreprise d’assurance est tenue d’informer
la Banque sans délai de tout fait nouveau ou de toute
circonstance nouvelle susceptible de mettre en doute
l’honorabilité professionnelle ou l’expertise requises
du mandataire général pour l’exercice de sa fonction.
L’article 82, auquel il est renvoyé, vise en particulier la
condition (consistant dans l’accord préalable de l’organe
légal d’administration) requise pour que le mandataire
général puisse être démis de sa fonction. Il est renvoyé
au commentaire de cet article.
Conformément à ce qui était déjà prévu par l’article
50, § 2, alinéa 3 de la loi du 9 juillet 1975, le régime
prévu sous le paragraphe 2, alinéa 2 décrit ci-dessus
s’applique également aux autres personnes chargées
de la direction effective de la succursale et aux respon-
sables des fonctions de contrôle indépendantes de la
112
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.
Om het aantal personen te bepalen die deel uitmaken
van de effectieve leiding van een bijkantoor en om te
bepalen of de aanwezigheid van verantwoordelijken
voor de onafhankelijke controlefuncties vereist is, dient
rekening te worden gehouden met de aard en het vo-
lume van de activiteiten van dit bijkantoor, alsook met
het belang ervan.
Op grond van paragraaf 3 kan de Bank zich verzetten
tegen de uitvoering van het project bij een beslissing
die is ingegeven door de nadelige gevolgen voor het
governancesysteem, de financiële positie, met name
rekening houdend met de risico’s die verbonden zijn
aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de
verzekeringsonderneming. Hiermee worden zowel de
financiële risico’s als de juridische risico’s bedoeld, met
inbegrip van het reputatierisico, met name rekening
houdend met het juridisch kader dat van toepassing is
op het betrokken bijkantoor. De Bank kan zich tevens
tegen het project verzetten indien zij redenen heeft om
te twijfelen aan de professionele betrouwbaarheid of de
deskundigheid van de algemene lasthebber, alsook, in
voorkomend geval, van de andere personen die belast
zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor en van
de verantwoordelijken voor de onafhankelijke con-
trolefuncties van het bijkantoor. Artikel 108, § 3 zorgt
voor de omzetting van artikel 146, lid 1, eerste alinea
van de Richtlijn en neemt artikel 51 van de wet van
9 juli 1975 grotendeels over.
De termijn waarover de Bank beschikt om zich te
verzetten tegen de uitvoering van het project, wordt
verlengd ten opzichte van de termijn die is vastgelegd
in artikel 51 van de wet van 9 juli 1975. De termijn be-
draagt voortaan drie maanden (tegenover zes weken
voordien) vanaf de ontvangst van het volledige dossier
met de informatie als bepaald in artikel 108, § 1, tweede
lid. Indien de Bank binnen deze termijn geen beslissing
heeft kenbaar gemaakt, wordt ze geacht zich niet tegen
het project van de onderneming te verzetten.
Artikel 108, § 4 zorgt voor de omzetting van artikel
155, lid 9 van de Richtlijn en bepaalt dat de Bank aan
de Europese Commissie en aan EIOPA het aantal en
de aard meedeelt van de gevallen waarin een definitieve
beslissing tot verzet werd genomen.
Paragraaf 5 bepaalt dat de procedure waarin is voor-
zien in artikel 108, §§ 1 tot 3 eveneens van toepassing is,
met de hierna opgegeven wijziging, op de opening van
bijkantoren in een derde land. Dit is nieuw ten opzichte
van de wet van 9 juli 1975. Het was immers nodig om
de procedure te verduidelijken die van toepassing is bij
de opening van een bijkantoor in een derde land.
succursale. Pour déterminer le nombre de personnes
faisant partie de la direction effective d’une succursale
et déterminer si la présence de responsables des fonc-
tions de contrôle indépendantes est requise, il y a lieu
de tenir compte de la nature et du volume des activités
de cette succursale, ainsi que de son importance.
En vertu du paragraphe 3, la Banque peut s’opposer
à la réalisation du projet par décision motivée par les
répercussions préjudiciables sur le système de gou-
vernance, la situation financière, notamment compte
tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le
contrôle de l’entreprise d’assurance. Sont ainsi visés
tant les risques financiers que les risques juridiques, en
ce compris le risque de réputation eu égard notamment
au cadre juridique applicable à la succursale concernée.
La Banque peut également s’opposer au projet si elle a
des raisons de douter de l’honorabilité professionnelle
ou de l’expertise du mandataire général, ainsi que, le
cas échéant, des autres personnes chargées de la direc-
tion effective de la succursale et des responsables des
fonctions de contrôle indépendantes de la succursale.
L’article 108, § 3 assure la transposition de l’article 146,
paragraphe 1er, alinéa 1er de la Directive et reprend, pour
l’essentiel, l’article 51 de la loi du 9 juillet 1975.
Le délai endéans lequel la Banque peut s’opposer à la
réalisation du projet est allongé par rapport à celui prévu
par l’article 51 de la loi du 9 juillet 1975. Il est désormais
de trois mois (contre six semaines auparavant) à dater
de la réception du dossier complet comprenant les
informations prévues à l’article 108, § 1er, alinéa 2. Si la
Banque n’a pas notifié de décision dans ce délai, elle
est réputée ne pas s’opposer au projet de l’entreprise.
L’article 108, § 4 assure la transposition de l’ar-
ticle 155, paragraphe 9 de la Directive et prévoit que la
Banque communique à la Commission européenne et
à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels
une décision définitive d’opposition a été prise.
Le paragraphe 5 précise que la procédure prévue à
l’article 108, §§ 1er à 3 s’applique également, moyennant
la modification indiquée ci-dessous, à l’ouverture de
succursales dans un pays tiers. Il s’agit d’une nouveauté
par rapport à la loi du 9 juillet 1975. Il était, en effet,
nécessaire de préciser la procédure applicable lors de
l’ouverture d’une succursale dans un pays tiers.
113
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In tegenstelling tot wat is bepaald voor de opening
van een bijkantoor in een andere lidstaat in het kader
van het door de Richtlijn ingevoerd Europees paspoort,
kan de Bank zich tevens verzetten tegen de opening van
een bijkantoor in een derde land wanneer zij redenen
heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels
inzake toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van
het betrokken derde land voorziet of, rekening houdend
met de voorgenomen activiteit en met de regeling in-
zake samenwerking met de toezichthouders van het
derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht
uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied
van dit derde land is gevestigd. Het zij opgemerkt dat
een effectief toezicht in principe de mogelijkheid voor
de Bank veronderstelt om vertrouwelijke informatie uit
te wisselen met de toezichthouders van het derde land
en dus het bestaan van een samenwerkingsakkoord
met die toezichthouders dat voorziet in een uitwisseling
van informatie overeenkomstig Hoofdstuk IV/1, afdeling
4 van de wet van 22 februari 1998.
Art. 109
Ontwerpartikel 109 zorgt voor de omzetting van artikel
146 van de Richtlijn, en betreft de procedure die van
toepassing is op de mededeling van informatie tussen
de Bank en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op
het grondgebied waarvan het bijkantoor is gevestigd.
Wanneer de Bank geen enkel bezwaar heeft tegen de
opening van een bijkantoor in een andere lidstaat, moet
zij bepaalde informatie meedelen aan de bevoegde
autoriteit van de betrokken lidstaat van ontvangst. Het
gaat enerzijds om een verklaring dat de verzekeringson-
derneming voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste
en het minimumkapitaalvereiste zoals berekend over-
eenkomstig de artikelen 100 en 129 van de Richtlijn,
en anderzijds om het volledige informatiedossier als
bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, dat ten minste de
categorieën van voorgenomen verrichtingen omvat, de
organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring
van de correspondentie in de betrokken lidstaat, en de
naam, het adres en de bevoegdheden van de algemene
lasthebber van het bijkantoor en, in voorkomend geval,
van de andere personen belast met de effectieve leiding
van het bijkantoor en van de verantwoordelijken voor de
onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor. Dit
informatiedossier en de voornoemde verklaring moeten
worden meegedeeld binnen de drie maanden na de
datum waarop dit dossier volledig is.
Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van
ontvangst haar de voorwaarden hebben meegedeeld
waaronder, om redenen van algemeen belang, de acti-
viteiten van het bijkantoor in die lidstaat kunnen worden
uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee aan de
betrokken verzekeringsonderneming.
À la différence de ce qui est prévu pour l’ouverture
d’une succursale dans un autre État membre qui s’ins-
crit dans le cadre du passeport européen instauré par la
Directive, la Banque peut s’opposer à l’ouverture d’une
succursale dans un pays tiers également lorsqu’elle a
des raisons de douter du respect des règles d’accès
à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers
concerné ou, compte tenu de l’activité envisagée et du
régime de coopération avec les autorités de contrôle du
pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif
de la succursale sur le territoire de ce pays tiers. Il est
à noter qu’un contrôle effectif suppose en principe la
possibilité pour la Banque d’échanger des informations
confidentielles avec les autorités de contrôle du pays
tiers et donc, l’existence d’un accord de coopération
avec ces autorités prévoyant un échange d’informations
conformément au Chapitre IV/1, section 4 de la loi du
22 février 1998.
Art. 109
L’article 109 en projet assure la transposition de l’ar-
ticle 146 de la Directive et vise la procédure applicable
à la communication des informations entre la Banque
et les autorités compétentes de l’État membre sur le
territoire duquel la succursale est établie. Lorsque la
Banque n’a aucune objection à l’encontre de l’ouverture
d’une succursale dans un autre État membre, elle doit
communiquer certaines informations à l’autorité compé-
tente de l’État d’accueil concerné. Il s’agit, d’une part,
d’une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance
dispose du capital de solvabilité requis et du minimum
de capital requis calculés conformément aux articles
100 et 129 de la Directive. Il s’agit, d’autre part, du
dossier d’informations complet visé à l’article 108,
§ 1er, alinéa 2, ce dossier comprenant, au minimum,
les catégories d’opérations envisagées, la structure de
l’organisation de la succursale, la domiciliation de la cor-
respondance dans l’État concerné et le nom, l’adresse
et les pouvoirs du mandataire général de la succursale
et, le cas échéant, des autres personnes chargées de
la direction effective de la succursale ainsi que des res-
ponsables des fonctions de contrôle indépendantes de
la succursale. Ce dossier d’information et l’attestation
précitée doivent être communiqués dans les trois mois
à compter de la date à laquelle ledit dossier est complet.
Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre
d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles,
pour des raisons d’intérêt général, les activités de la suc-
cursale peuvent être exercées dans cet État membre,
la Banque communique ces informations à l’entreprise
d’assurance concernée.
114
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 110
Ontwerpartikel 110 verleent aan de Bank de bevoegd-
heid om, wanneer het vestigingsland van het bijkantoor
een derde land is, met de autoriteit van het betrokken
derde land regels vast te stellen voor de opening van
en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wen-
selijke informatie-uitwisseling met inachtneming van de
bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet
van 22 februari 1998. Deze samenwerkingsakkoorden
moeten de Bank met name in staat stellen om een
effectief toezicht uit te oefenen op de in de betrokken
derde landen gevestigde bijkantoren.
Art. 111
Ontwerpartikel 111 bepaalt de datum waarop de
verzekeringsonderneming haar grensoverschrijdende
activiteit kan aanvangen. Deze datum hangt af van de
ligging van het bijkantoor:
— wanneer het bijkantoor in een lidstaat is gevestigd,
kunnen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen
vanaf de datum waarop de Bank van de toezichthou-
ders van de lidstaat van ontvangst de bepalingen van
algemeen belang heeft ontvangen die van toepassing
zijn op de activiteiten van het bijkantoor en uiterlijk
bij het verstrijken van een termijn van twee maanden
die aanvangt op de datum van ontvangst door de toe-
zichthouders van de lidstaat van ontvangst van de met
toepassing van artikel 109, eerste lid door de Bank
meegedeelde informatie;
— wanneer het bijkantoor in een derde land is geves-
tigd, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen
vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend
overeenkomstig artikel 108, § 3 tegen het voornemen
om een bijkantoor te openen. Deze bepaling doet
uiteraard geen afbreuk aan de naleving van de wette-
lijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het
verzekeringsbedrijf.
Art. 112
Ontwerpartikel 112 zorgt voor de omzetting van artikel
145, lid 4 van de Richtlijn. Het bepaalt dat de verzeke-
ringsonderneming de Bank en de toezichthouders van
de betrokken lidstaten van ontvangst in kennis moet
stellen van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen
in haar programma van werkzaamheden, in de domici-
liëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat
en/of in de naam, het adres en de bevoegdheden van
de algemene lasthebber van het bijkantoor of, in voor-
komend geval, van de andere personen die belast zijn
Art. 110
L’article 110 en projet confère à la Banque le pou-
voir, lorsque l’État d’implantation de la succursale est
un pays tiers, de convenir avec l’autorité de pays tiers
concernée, des modalités d’ouverture et de contrôle
de la succursale ainsi que des échanges d’informa-
tions souhaitables dans le respect des dispositions du
Chapitre IV/1, Section 4 de la loi du 22 février 1998. Ces
accords de coopération doivent notamment permettre à
la Banque d’exercer un contrôle effectif sur les succur-
sales établies dans les pays tiers concernés.
Art. 111
L’article 111 en projet spécifie la date à laquelle
l’entreprise d’assurance peut débuter son activité de
manière transfrontalière. Cette date dépend de la loca-
lisation de la succursale:
— lorsque la succursale est établie dans un État
membre, les activités de la succursale peuvent débuter
à partir de la date à laquelle la Banque a reçu, de la part
des autorités de contrôle de l’État membre d’accueil,
les dispositions d’intérêt général applicables dans cet
État aux activités de la succursale et, au plus tard, à
l’échéance d’un délai de deux mois prenant cours à la
date de la réception par les autorités de contrôle de l’État
membre d’accueil des informations communiquées par
la Banque en application de l’article 109, alinéa 1er;
— lorsque la succursale est établie dans un pays
tiers, les activités de la succursale peuvent débuter à
partir de la date à laquelle le projet d’ouverture de la
succursale n’a pas fait l’objet d’une opposition en appli-
cation de l’article 108, § 3. Cette disposition est bien
évidemment sans préjudice du respect des dispositions
légales prévues par la législation du pays en matière
d’accès à l’activité d’assurance.
Art. 112
L’article 112 en projet assure la transposition de
l’article 145, paragraphe 4 de la Directive. Il prévoit
que l’entreprise d’assurance doit notifier à la Banque et
aux autorités de contrôle des États membres d’accueil
concernées toutes les modifications qu’elle entend
apporter à son programme d’activité, à la domiciliation
de la correspondance dans l’État concerné et/ou au
nom, adresse ou pouvoirs du mandataire général de la
succursale ou, le cas échéant, des autres personnes
chargées de la direction effective de la succursale
115
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
met de effectieve leiding van het bijkantoor alsook van
de verantwoordelijken voor de onafhankelijke contro-
lefuncties van het bijkantoor. Deze kennisgeving dient
te gebeuren uiterlijk één maand vóór de wijzigingen
worden uitgevoerd.
Onderafdeling II
Opening van een bijkantoor in het buitenland door een
herverzekeringsonderneming
Art. 113 en 114
Om te beginnen is het nuttig erop te wijzen dat de
Richtlijn niet voorziet in een zogenaamde “Europees
paspoort”-regeling voor de herverzekeringsondernemin-
gen. Het is dus aan België om de regels te bepalen die
van toepassing zijn op, enerzijds, de herverzekerings-
ondernemingen naar Belgisch recht die een bijkantoor
in het buitenland wensen te openen (wat valt onder de
artikelen 113 en 114) en, anderzijds, de buitenlandse her-
verzekeringsondernemingen die een bijkantoor wensen
te vestigen in België (wat met name valt onder Boek III
van dit ontwerp). Deze onderafdeling creëert, met enkele
aanpassingen, een parallel tussen de procedure die van
toepassing is op de verzekeringsondernemingen en die
welke van toepassing is op de herverzekeringsonder-
nemingen die een bijkantoor in het buitenland wensen
te openen. Deze parallel is ingegeven door het feit dat
de oprichting van een bijkantoor in het buitenland een
weerslag kan hebben op de onderneming naar Belgisch
recht die het opricht, ongeacht of het een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming betreft.
Artikel 113 is overgenomen uit artikel 31, § 1 van de
wet van 16 februari 2009 en formuleert het principe dat
de herverzekeringsonderneming die voornemens is
een bijkantoor te openen op het grondgebied van een
andere lidstaat of van een derde land om er een herver-
zekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij beschikt
over een vergunning in België, haar voornemen aan de
Bank kenbaar moet maken.
Ontwerpartikel 114 verwijst naar de relevante artike-
len die van toepassing zijn op de herverzekeringson-
dernemingen die een bijkantoor wensen te openen in
het buitenland.
Uit de verwijzing naar artikel 108, § 1, tweede lid
vloeit voort dat de door de herverzekeringsonderneming
verrichte kennisgeving– naast het programma van werk-
zaamheden en de domiciliëring van de correspondentie
in de betrokken lidstaat, die reeds waren opgelegd door
artikel 31, § 2 van de wet van 16 februari 2009 — voort-
aan ook melding moet maken van de naam, het adres en
ainsi que des responsables des fonctions de contrôle
indépendantes de la succursale. Cette notification doit
intervenir un mois au moins avant que les modifications
ne soient effectuées.
Sous-section II
De l’ouverture d’une succursale à l’étranger par une
entreprise de réassurance
Art. 113 et 114
À titre liminaire, il est utile de rappeler que la Directive
ne prévoit pas de régime dit de “passeport européen”
pour les entreprises de réassurance. Il appartient donc
à la Belgique de définir les règles qui s’appliquent,
d’une part, aux entreprises de réassurance de droit
belge qui souhaitent ouvrir une succursale à l’étranger
(ce qui est l’objet des articles 113 et 114) et, d’autre
part, aux entreprises de réassurance étrangères qui
souhaitent établir une succursale en Belgique (ce qui
est notamment l’objet du Livre III du présent projet).
Moyennant certaines adaptations, la présente Sous-
section crée un parallélisme entre la procédure appli-
cable aux entreprises d’assurance et celle applicable
aux entreprises de réassurance, souhaitant ouvrir une
succursale à l’étranger. Ce parallélisme se justifie par
le fait que l’établissement d’une succursale à l’étranger
est susceptible d’avoir un impact sur l’entreprise de
droit belge qui l’établit, que cette dernière ait la qualité
d’entreprise d’assurance ou de réassurance.
L’article 113 constitue la reprise de l’article 31, § 1er
de la loi du 16 février 2009 et énonce le principe selon
lequel l’entreprise de réassurance qui projette d’ouvrir
une succursale sur le territoire d’un autre État membre
ou d’un pays tiers en vue d’y exercer une activité de
réassurance pour laquelle elle dispose de l’agrément en
Belgique, doit notifier son intention à la Banque.
L’article 114 en projet procède par renvoi aux articles
pertinents applicables aux entreprises de réassurance
souhaitant ouvrir une succursale à l’étranger.
Il résulte du renvoi à l’article 108, § 1er, alinéa 2 que
la notification effectuée par l’entreprise de réassurance
doit désormais indiquer — en plus du programme d’acti-
vités et de la domiciliation de la correspondance dans
l’État concerné, qui étaient déjà visés par l’article 31,
§ 2 de la loi du 16 février 2009 — le nom, l’adresse et
les pouvoirs du mandataire général de la succursale
116
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de bevoegdheden van de algemene lasthebber van het
bijkantoor en, in voorkomend geval, van de andere per-
sonen belast met de effectieve leiding van het bijkantoor
alsook van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke
controlefuncties van het bijkantoor. Het zij opgemerkt
dat de noodzaak voor de herverzekeringsondernemin-
gen die een bijkantoor in het buitenland openen om
een algemene lasthebber aan te wijzen, nieuw is ten
opzichte van de regeling waarin voorzien is in de wet
van 16 februari 2009. Men raadplege in dit verband de
commentaar bij artikel 108, § 2 met betrekking tot de
algemene lasthebber van het bijkantoor.
Met toepassing van de verwijzing naar artikel 108, § 3,
kan de Bank zich voortaan verzetten tegen de opening
van een bijkantoor in het buitenland door een herverze-
keringsonderneming. Men raadplege de commentaar bij
dit artikel. Het zij opgemerkt dat, wanneer het bijkantoor
moet worden gevestigd in een derde land, de Bank zich
tevens tegen haar opening kan verzetten wanneer zij
redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de
regels inzake toegang tot het bedrijf waarin de wetge-
ving van het derde land voorziet of, rekening houdend
met de voorgenomen activiteit en de regeling inzake
samenwerking met de toezichthouders van het derde
land, aan de mogelijkheid om een effectief toezicht uit
te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van
dit derde land is gevestigd.
Uit de verwijzing naar artikel 110 vloeit voort dat,
wanneer een bijkantoor van een herverzekerings-
onderneming in een derde land wordt gevestigd, de
Bank met de autoriteit van het betrokken derde land
de regels kan vastleggen voor de opening van en het
toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wenselijke
informatie-uitwisseling met inachtneming van de be-
palingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet
van 22 februari 1998. De Bank beschikte reeds over
deze mogelijkheid op grond van artikel 34 van de wet
van 16 februari 2009. Voor zover nodig wordt evenwel
verduidelijkt dat de Bank eveneens dergelijke samen-
werkingsakkoorden kan sluiten met de autoriteiten van
de lidstaten waarin een Belgische herverzekeringson-
derneming een bijkantoor wenst te vestigen, gelet op het
feit dat geen “Europees paspoort”-regeling is ingesteld
voor de herverzekeringsondernemingen.
De verwijzing naar artikel 111 strekt ertoe de datum te
bepalen waarop de activiteiten van het bijkantoor van de
herverzekeringsonderneming mogen aanvangen. Voor
de herverzekeringsactiviteit is deze datum dezelfde,
ongeacht of het bijkantoor is geopend in een andere
lidstaat of in een derde land (omdat er geen Europees
paspoort bestaat inzake herverzekeringen); het gaat
om de datum waarop geen verzet werd aangetekend
et, le cas échéant, des autres personnes chargées de
la direction effective de la succursale ainsi que des
responsables des fonctions de contrôle indépendantes
de la succursale. On relèvera que la nécessité pour les
entreprises de réassurance ouvrant une succursale à
l’étranger de désigner un mandataire général constitue
une nouveauté par rapport au régime prévu sous la loi
du 16 février 2009. On renvoie à cet égard au commen-
taire de l’article 108, § 2 relatif au mandataire général
de la succursale.
En application du renvoi à l’article 108, § 3, la Banque
peut désormais s’opposer à l’ouverture d’une succur-
sale à l’étranger par une entreprise de réassurance. On
renvoie au commentaire de cet article. On notera que
lorsque la succursale doit être établie dans un pays tiers,
la Banque peut s’opposer à son ouverture également
lorsqu’elle a des raisons de douter du respect des règles
d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays
tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime
de coopération avec les autorités de contrôle du pays
tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif de
la succursale sur le territoire de ce pays tiers.
Il résulte du renvoi à l’article 110 que lorsque la
succursale d’une entreprise de réassurance est
établie dans un pays tiers, la Banque peut convenir
avec l’autorité de pays tiers concernée, des modalités
d’ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des
échanges d’informations souhaitables dans le respect
des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4 de la loi
du 22 février 1998. La Banque disposait déjà de cette
faculté en vertu de l’article 34 de la loi du 16 février 2009.
Pour autant que de besoin, il est toutefois précisé que
la Banque peut également convenir de tels accords de
coopération avec les autorités des États membres dans
lesquels une entreprise de réassurance belge souhaite
établir une succursale eu égard à l’absence d’un régime
de “passeport européen” institué pour les entreprises
de réassurance.
Le renvoi à l’article 111vise à spécifier la date à
laquelle les activités de la succursale de l’entreprise
de réassurance peuvent commencer. En matière de
réassurance, cette date est identique, que la succursale
soit ouverte dans un autre État membre ou dans un
pays tiers (et ce, en raison de l’absence de passeport
européen en matière de réassurance); il s’agit de la
date à laquelle le projet d’ouverture de la succursale
117
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
tegen de voorgenomen opening van het bijkantoor met
toepassing van artikel 108, § 3.
Uit artikel 112, waarnaar verwezen wordt, vloeit voort
dat de herverzekeringsonderneming, ten minste een
maand op voorhand, de Bank en, in voorkomend geval,
de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ont-
vangst, in kennis moet stellen van alle wijzigingen die zij
wenst aan te brengen aan de meegedeelde informatie.
Afdeling III
Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in
het buitenland
Onderafdeling I
Verrichten van diensten in het buitenland door een
verzekeringsonderneming
Art. 115
Artikel 115, § 1 formuleert het principe dat de verze-
keringsonderneming die het voornemen heeft om op
het grondgebied van een andere lidstaat een verzeke-
ringsactiviteit uit te oefenen waarvoor ze in België een
vergunning heeft verkregen, zonder er een bijkantoor
te vestigen, de Bank daarvan in kennis stelt. Artikel
115, §§ 1 en 2 neemt de artikelen 57 en 58 van de
wet van 9 juli 1975 grotendeels over, met de volgende
aanpassing: in paragraaf 2 van de ontwerpwet wordt de
termijn waarbinnen de Bank zich kan verzetten tegen
het voornemen van de verzekeringsonderneming om
een grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit uit te
oefenen, opgetrokken tot een maand (in plaats van
twee weken).
Artikel 115, §§ 1 en 2 zorgt voor de omzetting van
de artikelen 147 en 148, leden 2 en 3 van de Richtlijn.
Artikel 115, § 3 zorgt voor de omzetting van artikel 155,
lid 9 van de Richtlijn.
Artikel 115, §§ 1 en 2 is, met enkele aanpassingen,
van toepassing op de uitoefening van een verzeke-
ringsactiviteit in een derde land zonder vestiging van
een bijkantoor. Dit is nieuw ten opzichte van de wet
van 9 juli 1975, aangezien het geval waarin een ver-
zekeringsactiviteit wordt uitgeoefend in het buitenland
zonder vestiging van een bijkantoor in een derde land,
niet uitdrukkelijk werd behandeld in die wet.
Met name de volgende aanpassingen werden
aangebracht:
Eerst en vooral, in tegenstelling tot wat is bepaald
voor de uitoefening van een verzekeringsactiviteit in
n’a pas fait l’objet d’une opposition en application de
l’article 108, § 3.
Il résulte de l’article 112 auquel il est renvoyé, que
l’entreprise de réassurance doit notifier, un mois au
moins à l’avance, à la Banque et, le cas échéant, aux
autorités de contrôle des États membres d’accueil
concernées, toutes modifications qu’elle entend appor-
ter aux informations communiquées.
Section III
De la prestation de services d’assurance ou de
réassurance à l’étranger
Sous-section Ire
De la prestation de services à l’étranger par une entreprise
d’assurance
Art. 115
L’article 115, § 1er énonce le principe selon lequel
l’entreprise d’assurance qui projette d’exercer sur le
territoire d’un autre État membre, sans y établir de suc-
cursale, une activité d’assurance qui lui est autorisée en
Belgique, notifie son intention à la Banque. L’article 115,
§§ 1er et 2 constitue essentiellement la reprise des
articles 57 et 58 de la loi du 9 juillet 1975 moyennant
l’adaptation suivante: le paragraphe 2 en projet porte
à un mois (au lieu de quinze jours) le délai pendant
lequel la Banque peut s’opposer au projet de l’entre-
prise d’assurance d’exercer une activité sur une base
transfrontalière.
L’article 115, §§ 1er et 2 assure la transposition des
articles 147 et 148, paragraphes 2 et 3 de la Directive.
L’article 115, § 3 assure la transposition de l’article 155,
paragraphe 9 de la Directive.
L’article 115, §§ 1er et 2 s’applique, moyennant
certaines adaptations, à l’exercice d’une activité
d’assurance dans un pays tiers sans y établir de suc-
cursale. Il s’agit d’une nouveauté par rapport à la loi du
9 juillet 1975 dès lors que cette dernière n’envisageait
pas expressément l’hypothèse de l’exercice d’une
activité d’assurance sans implantation d’une succursale
dans un pays tiers.
On relève notamment les adaptations suivantes:
Tout d’abord, contrairement à ce qui est prévu pour
l’exercice d’une activité d’assurance en libre prestation
118
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het kader van de vrije dienstverrichting in een andere
lidstaat, kan de Bank zich ook verzetten tegen de grens-
overschrijdende uitoefening van een verzekeringsacti-
viteit in een derde land, indien ze redenen heeft om te
twijfelen aan de naleving van de regels inzake toegang
tot het verzekeringsbedrijf waarin de wetgeving van het
derde land voorziet of, rekening houdend met de voor-
genomen activiteit en de regeling inzake samenwerking
met de toezichthouders van het derde land, aan de
mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen met
betrekking tot de grensoverschrijdende activiteit op het
grondgebied van dit derde land. Dit verschil is met name
ingegeven door het feit dat de “Europees paspoort”-
regeling waarin de Richtlijn voorziet, uiteraard niet van
toepassing is op derde landen. Het zij opgemerkt dat
een effectief toezicht in principe de mogelijkheid voor
de Bank inhoudt om vertrouwelijke informatie uit te wis-
selen met de toezichthouders van het derde land en dus
het bestaan impliceert van een samenwerkingsakkoord
met die toezichthouders dat voorziet in een uitwisseling
van informatie overeenkomstig Hoofdstuk IV/1, Afdeling
4 van de wet van 22 februari 1998.
Vervolgens wordt de termijn waarover de Bank be-
schikt om zich te verzetten tegen de uitoefening in vrije
dienstverrichting van een verzekeringsactiviteit in een
derde land, opgetrokken tot drie maanden (in plaats
van een termijn van een maand die van toepassing is
wanneer het land van ontvangst een lidstaat is).
Art. 116
Artikel 116 zorgt voor de omzetting van artikel 148, lid
1 van de Richtlijn en heeft betrekking op de procedure
die van toepassing is op de mededeling van informatie
tussen de Bank en de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat op het grondgebied waarvan de activiteit in vrije
dienstverrichting wordt uitgeoefend. Dit artikel neemt ar-
tikel 60, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 grotendeels
over. Het zij evenwel opgemerkt dat de Bank voortaan
een verklaring moet afleveren dat de verzekeringsonder-
neming voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en
het minimumkapitaalvereiste zoals berekend overeen-
komstig de ontwerpartikelen 151 tot 189 die de artikelen
100 en 129 van de Richtlijn omzetten.
Art. 117
Ontwerpartikel 117 bepaalt dat de Bank, wanneer het
land van vestiging van het bijkantoor een derde land is,
in overleg met de autoriteit van het betrokken derde land
regels mag vaststellen voor het toezicht op die activi-
teit, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling,
met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk
de service dans un autre État membre, la Banque peut
s’opposer à l’exercice transfrontalier d’une activité
d’assurance dans un pays tiers également si elle a
des raisons de douter du respect des règles d’accès
à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers
ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime
de coopération avec les autorités de contrôle du pays
tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif en
ce qui concerne l’activité transfrontalière sur le territoire
de ce pays tiers. Cette différence se justifie notamment
par le fait que le régime de passeport européen prévu
par la Directive ne s’applique bien évidemment pas aux
pays tiers. Il est à noter qu’un contrôle effectif suppose
en principe la possibilité pour la Banque d’échanger
des informations confidentielles avec les autorités
de contrôle du pays tiers et donc, l’existence d’un
accord de coopération avec ces autorités prévoyant un
échange d’information conformément au Chapitre IV/1,
Section 4 de la loi du 22 février 1998.
Ensuite, le délai dont dispose la Banque pour s’oppo-
ser à l’exercice en libre prestation de service d’une
activité d’assurance dans un pays tiers est porté à trois
mois (au lieu du délai d’un mois applicable lorsque le
pays d’accueil est un État membre).
Art. 116
L’article 116 assure la transposition de l’article 148,
paragraphe 1er de la Directive et vise la procédure
applicable à la communication des informations entre la
Banque et les autorités compétentes de l’État membre
sur le territoire duquel l’activité est exercée en libre
prestation de service. Cet article reprend pour l’essen-
tiel l’article 60, alinéa 1er de la loi du 9 juillet 1975. On
notera toutefois que la Banque doit désormais fournir
une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance
dispose du capital de solvabilité requis et du minimum de
capital requis calculés conformément aux articles 151 à
189 en projet assurant la transposition des articles
100 et 129 de la Directive.
Art. 117
L’article 117 en projet précise que la Banque peut,
lorsque l’État d’implantation de la succursale est un
pays tiers, convenir avec l’autorité de pays tiers concer-
née, des modalités de contrôle de cette activité ainsi
que des échanges d’informations souhaitables dans le
respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de
119
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Deze
samenwerkingsakkoorden hebben tot doel erop toe te
zien dat aldus een effectief toezicht wordt uitgeoefend
op de in derde landen gevestigde bijkantoren.
Art. 118
Ontwerpartikel 118 bepaalt de datum waarop de
verzekeringsonderneming haar grensoverschrijdende
activiteit mag aanvatten:
Wanneer de verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend
in vrije dienstverrichting in een andere lidstaat, mag de
grensoverschrijdende activiteit aanvangen zodra de
onderneming door de Bank in kennis is gesteld van de
mededeling, aan de toezichthouder van de lidstaat van
ontvangst, van de informatie die vereist is op grond van
artikel 116, eerste lid;
Wanneer de verzekeringsactiviteit wordt uitgeoe-
fend in een derde land, mag de grensoverschrijdende
activiteit aanvangen vanaf de datum waarop de Bank
zich niet heeft verzet tegen de voorgenomen grensover-
schrijdende activiteit overeenkomstig artikel 115, § 2. Het
aanvangen van de activiteit is bovendien onderworpen
aan de naleving van de wettelijke bepalingen van dat
land inzake toegang tot het verzekeringsbedrijf.
Art. 119
Artikel 119 is grotendeels overgenomen uit artikel
61 van de wet van 9 juli 1975, en zet artikel 149 van de
Richtlijn om.
Onderafdeling II
Vrij verrichten van diensten in het buitenland door een
herverzekeringsonderneming
Art. 120 en 121
Aangezien de Richtlijn niet voorziet in een zogenaam-
de “Europees paspoort”-procedure voor de herverzeke-
ringsondernemingen, is het aan België om de regels te
bepalen die van toepassing zijn op, enerzijds, de her-
verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die een
herverzekeringsactiviteit in het buitenland wensen uit te
oefenen zonder er een bijkantoor te vestigen (wat valt
onder de artikelen 120 en 121) en, anderzijds, de her-
verzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die
een herverzekeringsactiviteit in vrije dienstverrichting in
België wensen uit te oefenen (wat valt onder Boek III
van dit ontwerp). Deze onderafdeling creëert, met enkele
la loi du 22 février 1998. Ces accords de coopération ont
pour objet de s’assurer qu’un contrôle effectif est ainsi
exercé sur les succursales établies dans des pays tiers.
Art. 118
L’article 118 en projet précise la date à laquelle
l’entreprise d’assurance peut débuter son activité
transfrontalière:
Lorsque l’activité d’assurance s’exerce en libre pres-
tation de service dans un autre État membre, l’activité
transfrontalière peut débuter dès que l’entreprise a été
avisée par la Banque de la communication à l’autorité
de contrôle de l’État membre d’accueil des informations
requises en vertu de l’article 116, alinéa 1er;
Lorsque l’activité d’assurance s’exerce dans un pays
tiers, l’activité transfrontalière peut débuter à partir de
la date à laquelle le projet d’activité transfrontalière n’a
pas fait l’objet d’opposition de la Banque conformément
à l’article 115, § 2. Le commencement d’activité est, en
outre, nécessairement conditionné par le respect des
dispositions légales de ce pays en matière d’accès à
l’activité d’assurance.
Art. 119
L’article 119 constitue essentiellement la reprise de
l’article 61 de la loi du 9 juillet 1975. Il assure la trans-
position de l’article 149 de la Directive.
Sous-section II
De la prestation de services à l’étranger par une entreprise
de réassurance
Art. 120 et 121
Dès lors que la Directive ne prévoit pas de procédure
dite de “passeport européen” pour les entreprises de
réassurance, il appartient donc à la Belgique de définir
les règles qui s’appliquent, d’une part, aux entreprises
de réassurance de droit belge qui souhaitent exercer
une activité de réassurance à l’étranger sans y établir
une succursale (ce qui est l’objet des articles 120 et 121)
et, d’autre part, aux entreprises de réassurance de droit
étranger qui souhaitent exercer une activité de réas-
surance en libre prestation de service en Belgique (ce
qui est l’objet du Livre III du présent projet). Moyennant
certaines adaptations, la présente Sous-section crée
120
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aanpassingen, een parallel tussen de procedure die van
toepassing is op de verzekeringsondernemingen naar
Belgisch recht die een grensoverschrijdende activiteit
wensen uit te oefenen, en die welke van toepassing is op
de herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
in dezelfde situatie. Deze parallel is ingegeven door het
feit dat de uitoefening van een grensoverschrijdende
activiteit in (vrije) dienstverrichting een weerslag kan
hebben op de Belgische onderneming die ze uitoefent,
ongeacht of het een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming betreft.
Artikel 35 van de wet van 16 februari 2009 bepaalde
reeds dat een herverzekeringsonderneming die voor-
nemens is om op het grondgebied van een andere
lidstaat of van een derde land, zonder er een bijkan-
toor te vestigen, een herverzekeringsactiviteit uit te
oefenen waarvoor ze in België een vergunning heeft
verkregen, de Bank hiervan in kennis moet stellen. Het
voorliggende ontwerp neemt dit principe over in artikel
120 maar verduidelijkt nu in artikel 121 de procedure die
van toepassing is, die met name de bevoegdheid van
de Bank omvat om zich tegen het voornemen van de
herverzekeringsonderneming te verzetten.
De artikelen 115, §§ 1, tweede lid en §§ 2 en 4, 117,
118, tweede lid en 119, die van toepassing zijn op de ver-
zekeringsondernemingen die een verzekeringsactiviteit
in (vrije) dienstverrichting in het buitenland wensen uit
te oefenen, zijn met enkele aanpassingen van toepas-
sing op de uitoefening van een grensoverschrijdende
herverzekeringsactiviteit in (vrije) dienstverrichting in het
buitenland. Men raadplege daarom de commentaar bij
deze bepalingen.
Met name de volgende aanpassingen werden
aangebracht:
1° de samenwerkingsakkoorden als bedoeld in arti-
kel 117, kunnen door de Bank tevens worden gesloten
met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst
waarin de grensoverschrijdende herverzekeringsactivi-
teit wordt uitgeoefend; dit is ingegeven door het feit dat
de Richtlijn geen “Europees paspoort”-regeling voor de
herverzekeringen instelt;
2° de termijn waarover de Bank beschikt om zich te
verzetten tegen de uitoefening in vrije dienstverrichting
van een herverzekeringsactiviteit in een andere lidstaat,
wordt opgetrokken tot drie maanden (in plaats van de
termijn van één maand die van toepassing is op de
verzekeringsondernemingen);
3° de grensoverschrijdende activiteiten kunnen aan-
vangen vanaf de datum waarop de Bank zich niet heeft
verzet tegen de voorgenomen grensoverschrijdende
un parallélisme entre la procédure applicable aux
entreprises d’assurance de droit belge souhaitant
exercer une activité transfrontalière et celle applicable
aux entreprises de réassurance de droit belge dans la
même situation. Ce parallélisme se justifie par le fait que
l’exercice d’une activité transfrontalière en (libre) pres-
tation de service est susceptible d’avoir un impact sur
l’entreprise belge qui l’exerce et ce, que cette dernière
soit une entreprise d’assurance ou de réassurance.
L’article 35 de la loi du 16 février 2009 prévoyait déjà
qu’une entreprise de réassurance qui projette d’exercer
sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays
tiers, sans y établir de succursale, une activité de réas-
surance qui lui est autorisée en Belgique, doit notifier
son intention à la Banque. Le présent projet reprend
ce principe à l’article 120 mais précise désormais, à
l’article 121, la procédure applicable, qui inclut notam-
ment le pouvoir de la Banque de s’opposer au projet
de l’entreprise de réassurance.
Les articles 115, §§ 1er, alinéa 2 et §§ 2 et 4, 117, 118,
alinéa 2 et 119, applicables aux entreprises d’assurance
souhaitant exercer une activité d’assurance en (libre)
prestation de service à l’étranger, s’appliquent, moyen-
nant certaines adaptations, à l’exercice d’une activité
de réassurance transfrontalière en (libre) prestation de
service à l’étranger. On renvoie dès lors aux commen-
taires de ces dispositions.
On relève, parmi les adaptations, les aspects
suivants:
1° les accords de coopération visés à l’ar-
ticle 117 peuvent également être conclus par la Banque
avec les autorités de contrôle des États membres
d’accueil dans lesquels l’activité de réassurance trans-
frontalière est exercée; cela se justifie par le fait que la
Directive ne met pas en place un régime de “passeport
européen” pour la réassurance;
2° le délai dont dispose la Banque pour s’opposer à
l’exercice en libre prestation de service d’une activité
de réassurance dans un autre État membre est porté
à trois mois (au lieu du délai d’un mois applicable aux
entreprises d’assurance);
3° les activités transfrontalières peuvent débuter à
partir de la date à laquelle le projet d’activités transfron-
talières n’a pas fait l’objet d’opposition de la Banque
121
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
activiteiten overeenkomstig artikel 115, § 2, en dit on-
geacht of het land van ontvangst een andere lidstaat is
of een derde land.
Afdeling IV
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de
bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat
Art. 122
Ontwerpartikel 122 zorgt voor de omzetting van ar-
tikel 159 van de Richtlijn, en breidt dit artikel uit tot de
herverzekeringsondernemingen.
Elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming
stelt de Bank in kennis van het bedrag aan premies,
schadegevallen en provisies, zonder aftrek van herver-
zekering, per vestigingsland van een bijkantoor en per
lidstaat op het grondgebied waarvan een grensover-
schrijdende verzekerings- of herverzekeringsactiviteit
wordt uitgeoefend. Deze kennisgeving gebeurt afzon-
derlijk voor de verrichtingen die worden uitgevoerd in
het kader van de opening van een bijkantoor en voor
die welke worden uitgevoerd in het kader van de vrije
dienstverrichting.
HOOFDSTUK VI
Reglementaire normen en verplichtingen
Afdeling I
Waarderingsregels
Onderafdeling I
Algemene regels
Deze afdeling bevat de beginselen die van toepassing
zijn op de waardering van de activa en passiva van de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Deze
beginselen zijn uitsluitend van toepassing op prudentieel
vlak. De normen met betrekking tot het opstellen van de
jaarrekening van de verzekerings- en herverzekerings-
ondernemingen zullen geïntegreerd worden in de boek-
houdreglementering die op grond van artikel 196 van het
voorliggende wetsontwerp wordt vastgelegd.
Art. 123
Dit artikel zet artikel 75, lid 1 van de Richtlijn
om en legt de beginselen vast voor de waardering
van de activa en passiva van de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen.
conformément à l’article 115, § 2 et ce, que l’état
d’accueil soit un autre État membre ou un pays tiers.
Section IV
Dispositions communes à l’exercice de
l’activité dans un autre État membre
Art. 122
L’article 122 en projet assure la transposition de
l’article 159 de la Directive et l’étend aux entreprises
de réassurance.
Chaque entreprise d’assurance ou de réassurance
communique à la Banque le montant des primes,
sinistres et commissions, sans déduction de la réassu-
rance, par État membre d’implantation d’une succursale
et par État membre sur le territoire duquel une activité
d’assurance ou de réassurance transfrontalière est
exercée. Cette communication se fait de manière dis-
tincte pour les opérations effectuées dans le cadre de
l’ouverture d’une succursale et pour celles effectuées
dans le cadre de la libre prestation de services.
CHAPITRE VI
Normes et obligations règlementaires
Section Ire
Règles de valorisation
Sous-section Ire
Règles générales
Cette section contient les principes applicables en
ce qui concerne la valorisation des actifs et des passifs
des entreprises d’assurance et de réassurance. Ces
principes ne sont applicables qu’en matière prudentielle.
Les normes relatives à l’établissement des comptes
annuels des entreprises d’assurance et de réassurance
seront intégrées dans la réglementation comptable prise
sur la base de l’article 196 du présent projet de loi.
Art. 123
Cet article transpose l’article 75, paragraphe 1er de
la Directive et pose les principes de valorisation des
actifs et des passifs des entreprises d’assurance et de
réassurance.
122
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor de activa gaat het om de overdrachtswaarde,
een begrip dat nauw aanleunt bij de fair value die wordt
gehanteerd in de internationale normen (IFRS) of nog
om de ruilwaarde, dat wil zeggen het bedrag waarvoor
de activa onderhands zouden kunnen worden geruild
op een als normaal bestempelde markt.
De bepaling verduidelijkt dat de ruil dient te gebeuren
“bij normale concurrentievoorwaarden” en “tussen goed
geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen”.
Deze tweede uitdrukking betekent dat er geen sprake is
van informatieasymmetrie, dat beide partijen even goed
geïnformeerd zijn over de voorwaarden van de transac-
tie en dat er geen verplichting of stimulans bestaat om
de transactie uit te voeren, zoals de noodzaak om op
korte termijn liquiditeiten te verkrijgen.
Voor de waardering van de passiva is in een analoge
regel voorzien. De “overdrachtswaarde” is, in het bijzon-
der, van toepassing op de technische voorzieningen
waarvoor geen markt bestaat. De waardering van de
technische voorzieningen wordt uitvoerig behandeld in
artikel 124 en volgende.
Het laatste lid verduidelijkt dat bij de waardering van
de activa en passiva geen rekening wordt gehouden
met de kredietwaardigheid van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Onderafdeling II
Regels betreffende de technische voorzieningen
§ 1. Algemene bepalingen
Art. 124
Dit artikel zet artikel 76, lid 1 van de Richtlijn om en
neemt een aantal bepalingen uitartikel 16, paragraaf
1, eerste en tweede lid, eerste zin van de wet van
9 juli 1975 en uit artikel 20, eerste lid van de wet van
16 februari 2009 over.
De bepaling verplicht de ondernemingen om techni-
sche voorzieningen aan te leggen die overeenstemmen
met hun verzekerings- en herverzekeringsverplichtin-
gen. Het gaat om de “schuld” van de ondernemingen
jegens de verzekeringnemers, de verzekerden en de
begunstigden van de verzekerings- en herverzekerings-
overeenkomsten en verrichtingen die gelijkgesteld zijn
met verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten
(kapitalisatie, tontines, finite herverzekeringsovereen-
komsten …).
Pour les actifs, il s’agit de la valeur de transfert,
notion proche de celle de la fair value utilisée dans les
normes internationales (IFRS) ou encore de la valeur
d’échange, c’est-à-dire le montant pour lequel les actifs
pourraient être échangés de gré à gré dans un marché
qualifié de normal.
La disposition précise que l’échange doit avoir lieu
“dans des conditions de concurrence normales” et “entre
des parties informées et consentantes”. Cette deuxième
expression signifie qu’il n’y a pas d’asymétrie d’infor-
mation, chaque partie étant autant informée que l’autre
sur les conditions de la transaction et qu’il n’y a aucune
obligation ou incitation à réaliser la transaction, telle
que la nécessité d’obtenir des liquidités à court terme.
Une règle analogue est prévue pour la valorisation
des passifs. La “valeur de transfert” s’applique, en
particulier, aux provisions techniques pour lesquelles
il n’y a pas de marché. La valorisation des provisions
techniques est détaillée aux articles 124 et suivants.
Le dernier alinéa précise que l’évaluation des actifs
et des passifs est indépendante de la qualité de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance.
Sous-section II
Règles relatives aux provisions techniques
§ 1er. Dispositions générales
Art. 124
Cet article transpose l’article 76, paragraphe 1er de la
Directive et reprend certaines dispositions des articles
16, paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, première phrase de
la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 20, alinéa 1er de la
loi du 16 février 2009.
La disposition oblige les entreprises à constituer des
provisions techniques correspondant à leurs engage-
ments d’assurance et de réassurance. Il s’agit de la
“dette” des entreprises envers les preneurs, les assu-
rés et les bénéficiaires des contrats d’assurance et de
réassurance et opérations assimilées à des contrats
d’assurance et de réassurance (capitalisation, tontines,
contrats de réassurance finite…).
123
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De voorzieningen omvatten de premiereserves (niet-
verdiende premies), dat wil zeggen het gedeelte van de
tijdens een boekjaar ontvangen premies dat het risico van
het volgende boekjaar of de volgende boekjaren dekt.
De verplichting om te “boeken” heeft hier betrekking
op de “Solvabiliteit II”-balans. Het is duidelijk dat de
technische voorzieningen geboekt moeten worden in
de jaarrekening, met inachtneming van de regels die
gelden voor het opstellen van die rekening.
Art. 125
Dit artikel zet de leden 2 tot 5 van artikel 76 van de
Richtlijn om en formuleert de algemene beginselen voor
de berekening van de technische voorzieningen.
Een eerste beginsel is het voorzichtigheidsbeginsel,
dat inhoudt dat de technische voorzieningen op “een
prudente, betrouwbare en objectieve wijze” berekend
moeten worden. Dit beginsel wordt niet uiteengezet in
de Richtlijn, maar wel in de richtsnoeren van EIOPA.
Het tweede beginsel is dat van de waardering tegen
overdrachtswaarde. In het specifieke geval van de tech-
nische voorzieningen is deze waarde, bij afwezigheid
van een ad-hocmarkt, de prijs die een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming bereid zou zijn te betalen
om de verplichtingen van een andere onderneming over
te nemen onder normale marktomstandigheden. De
uitdrukking “met onmiddellijke ingang” betekent dat er
bij de waardering van uitgegaan wordt dat alle gewaar-
deerde verplichtingen in één keer worden overgenomen.
Het derde beginsel is dat voor de berekening van de
overdrachtsprijs zoveel mogelijk gebruik moet worden
gemaakt van de marktgegevens, en dat de overdrachts-
prijs met deze gegevens moet stroken wanneer zij
beschikbaar zijn.
In het vierde lid wordt gesteld dat de algemene begin-
selen van dit artikel uitvoerig worden beschreven in de
volgende artikelen van het wetsontwerp maar tevens in
de Europese uitvoeringsverordeningen van de Richtlijn
en, in voorkomend geval, in de Belgische uitvoeringsre-
gels (koninklijke besluiten of reglementen van de Bank).
Art. 126
Dit artikel zet artikel 77, leden 1 tot 3 van de Richtlijn
om. De overdrachtswaarde waartegen de technische
voorzieningen moeten worden gewaardeerd, omvat
twee componenten: de beste schatting (best estimate)
en de risicomarge (risk margin).
Les provisions comprennent les réserves de primes
(primes non acquises), c’est-à-dire la partie des primes
encaissées au cours d’un exercice mais couvrant le
risque du ou des exercices suivants.
L’obligation de “comptabiliser” concerne ici le bilan
“Solvabilité II”. Il est évident qu’il existe une obligation
de comptabiliser des provisions techniques dans les
comptes statutaires mais en suivant les règles propres
à l’établissement de ces comptes.
Art. 125
Cet article transpose les paragraphes 2 à 5 de l’article
76 de la Directive et énonce les principes généraux en
matière de calcul des provisions techniques.
Le premier principe est celui de prudence, qui impose
de calculer les provisions techniques “d’une manière
prudente, fiable et objective”. Ce principe n’est pas
développé dans la Directive mais l’est dans les orien-
tations de l’EIOPA.
Le deuxième principe est celui de la valorisation à la
valeur de transfert. Dans le cas précis des provisions
techniques, en l’absence d’un marché ad hoc, cette
valeur est le prix qu’une entreprise d’assurance ou de
réassurance serait prête à payer pour reprendre les
engagements d’une autre entreprise, dans des condi-
tions de marché normales. L’expression “avec effet
immédiat” (“sur le champ” dans la Directive) signifie
que l’évaluation correspond à une reprise en une fois
de tous les engagements évalués.
Le troisième principe impose que le prix du trans-
fert fasse appel, autant que possible aux données du
marché et soit cohérent avec celles-ci lorsqu’elles sont
disponibles.
Le quatrième alinéa annonce que les principes
généraux de cet article sont détaillés dans les articles
suivants de la loi en projet mais également dans les
règlements européens d’exécution de la Directive et,
le cas échéant, dans des règles d’exécution belges
(arrêtés royaux ou règlements de la Banque).
Art. 126
Cet article transpose l’article 77, paragraphes 1er à
3 de la Directive. La valeur de transfert à laquelle les
provisions techniques doivent être évaluées comporte
deux composantes: la meilleure estimation (best esti-
mate) et la marge de risque (risk margin).
124
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De beste schatting wordt verkregen door alle inko-
mende en uitgaande kasstromen (cashflows) te dis-
conteren, onder meer de uitkeringen voor toekomstige
schadegevallen, de toekomstige premies, de kosten …
De discontering wordt uitgevoerd met behulp van
een relevante risicovrije rentetermijnstructuur. Deze
curve zal door EIOPA worden berekend op basis van
de vastrentende effecten (overheidsobligaties…). De
curve bestaat uit verschillende rentevoeten die over-
eenstemmen met de looptijden van de te disconteren
verplichtingen.
De beste schatting wordt berekend zonder aftrek van
uitbetalingen van herverzekeraars en effectiseringsve-
hikels. De beoordeling van deze elementen valt onder
artikel 136.
Aan het bedrag dat berekend is voor de beste schat-
ting moet een risicomarge (risk margin) worden toege-
voegd. Dit begrip wordt behandeld in artikel 127, § 2.
Art. 127
Dit artikel zet artikel 77, leden 4 en 5 van de Richtlijn
om.
In principe worden de beste schatting en de risico-
marge apart gewaardeerd. Deze twee waarden mogen
evenwel samen worden berekend, door een beroep te
doen op de techniek van de portefeuillereplicatie (repli-
cating portfolio). Hiertoe moet een portefeuille worden
bepaald die bestaat uit activa die een betrouwbare en
waarneembare marktwaarde hebben (bijvoorbeeld
bepaalde beursgenoteerde effecten), en waarvan de
kasstromen nauw overeenstemmen met die van de
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. In dat
geval is de waarde van de technische voorzieningen
de marktwaarde van deze activa. In werkelijkheid wordt
de techniek van de portefeuillereplicatie vooral gebruikt
voor levensverzekeringsproducten van tak 23.
In alle andere gevallen moet de risicomarge los van de
beste schatting worden berekend. De risicomarge stemt
overeen met de kosten die de overnemende onderneming
zou moeten dragen als gevolg van de toename van haar
reglementair eigen vermogen (solvabiliteitskapitaal-
vereiste) na de overname van de verplichtingen. Met
andere woorden, indien een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming de verplichtingen van een andere
onderneming overneemt, moet zij niet alleen technische
voorzieningen sensu stricto aanleggen om het hoofd te
bieden aan deze verplichtingen, maar ook haar solvabi-
liteitskapitaalvereiste (SCR) verhogen. De risicomarge
La meilleure estimation est obtenue en actualisant
l’ensemble des flux de trésorerie (cash flows) sortants et
entrants, entre autres les prestations au titre de sinistres
futurs, les primes futures, les frais …
L’actualisation est réalisée au moyen d’une courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque (à tort dans la
Directive, “courbe des taux d’intérêt sans risque perti-
nents”). Cette courbe sera calculée par l’EIOPA sur la
base des titres à rendement fixe (obligations d’État…).
La courbe est composée de différents taux qui corres-
pondent aux durées d’actualisation des engagements.
La meilleure estimation est calculée brute de réas-
surance et des véhicules de titrisation, c’est-à-dire que
les interventions des réassureurs ne sont pas déduites
du calcul. L’évaluation de ces éléments fait l’objet de
l’article 136.
Au montant obtenu pour le calcul de la meilleure esti-
mation, il faut ajouter une marge de risque (risk margin).
Cette notion est développée à l’article 127, § 2.
Art. 127
Cet article transpose l’article 77, paragraphes 4 et
5 de la Directive.
En principe, la meilleure estimation et la marge de
risque sont évaluées séparément. Il est toutefois permis
de calculer ces deux valeurs ensemble en faisant appel
à la technique du portefeuille répliquant (replicating
portfolio). Pour ce faire, il faut déterminer un portefeuille
composé d’actifs qui ont une valeur de marché fiable et
observable (par exemple certains titres cotés en bourse)
et dont les flux financiers correspondent étroitement à
ceux des engagements d’assurance ou de réassurance.
Dans ce cas, la valeur des provisions techniques est la
valeur de marché de ces actifs. En réalité, la technique
du portefeuille répliquant concerne principalement les
produits vie de la branche 23.
Dans tous les autres cas, la marge de risque doit
être calculée distinctement de la meilleure estimation.
La marge de risque correspond au coût que l’entreprise
cessionnaire devrait supporter en raison de l’accrois-
sement de ses fonds propres réglementaires (capital
de solvabilité requis) suite à la reprise des engage-
ments. Autrement dit, si une entreprise d’assurance
ou de réassurance reprend les engagements d’une
autre entreprise, elle doit constituer non seulement des
provisions techniques sensu stricto pour faire face à
ces engagements mais elle doit aussi augmenter son
capital de solvabilité requis (SCR). La marge de risque
125
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
vertegenwoordigt het rendement dat de beleggers (aan-
deelhouders, obligatieleners…) verwachten voor de vor-
ming en het behoud van het aanvullend eigen vermogen.
Concreet wordt de risicomarge berekend aan de
hand van een rentevoet die wordt toegepast op de
contante waarde van het solvabiliteitskapitaalvereiste
dat overeenstemt met de overgedragen verzekerings-
verplichtingen. Zo kan het solvabiliteitsvereiste worden
gespreid over de gehele looptijd van die verplichtingen.
Het percentage waarvan sprake hierboven is vastge-
legd in Verordening 2015/35. Dit percentage is identiek
voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen van de Europese Economische Ruimte, aangezien
het is vastgelegd in een Europese Verordening.
§ 2 — Extrapolatie van de relevante risicovrije ren-
tetermijnstructuur (risk-free interest rate term structure)
Art. 128
Dit artikel zet artikel 77bis van de Richtlijn om.
De relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt
berekend op basis van de rendementen van financiële
instrumenten en obligaties die door de verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen kunnen worden
gebruikt als tegenwaarde voor hun technische voor-
zieningen aan de actiefzijde van hun balans. Artikel
44 van Verordening 2015/35 verduidelijkt dat deze
financiële instrumenten worden berekend op basis van
renteswaptarieven (swaps) voor rentevoeten of op basis
van rentetarieven van overheidsobligaties.
Het gebruik van de aldus berekende curve resulteert
in een volatiliteit van de technische voorzieningen die
evenredig is met die van de rentevoeten die werden
gebruikt om de curve te berekenen. Aangezien een
dergelijke volatiliteit nauwelijks verenigbaar is met de
langetermijnverplichtingen van de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen, met name voor wat de
levensverzekeringsactiviteiten betreft, beoogt Richtlijn
2014/51/EU (Omnibus II) dit ongewenst effect te cor-
rigeren aan de hand van diverse maatregelen.
De eerste van die maatregelen is de extrapolatie
van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur, een
maatregel die wordt toegepast vanaf het ogenblik dat
de obligatiemarkten niet langer als diep, liquide en
transparant worden beschouwd. De aldus geëxtrapo-
leerde curve convergeert naar één enkele rentevoet,
de zogenaamde ultimate forward rate. In 2014 en voor
de euro werden deze twee buigpunten vastgesteld op
respectievelijk 20 en 60 jaar.
représente le rendement attendu par les investisseurs
(actionnaires, prêteurs obligataires…) pour constituer et
maintenir les fonds propres supplémentaires.
Concrètement, la marge de risque est calculée au
moyen d’un taux qui s’applique à la valeur actuelle
du capital de solvabilité requis correspondant aux
engagements d’assurance transférés. Cela permet de
fractionner l’exigence de solvabilité sur toute la durée
de ces engagements.
Le taux dont question ci-dessus est fixé par le
Règlement 2015/35. Il a la particularité d’être unique
pour l’ensemble des entreprises d’assurance et de
réassurance de l’Espace économique européen dès
lors qu’il est déterminé par un Règlement européen.
§ 2 — Extrapolation de la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque (risk-free interest rate term
structure)
Art. 128
Cet article transpose l’article 77bis de la Directive.
La courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
est calculée à partir des rendements d’instruments
financiers et d’obligations susceptibles d’être utilisés
par les entreprises d’assurance et de réassurance en
contrepartie de leurs provisions techniques à l’actif de
leur bilan. L’article 44 du Règlement 2015/35 précise
que ces instruments financiers sont calculés à partir de
taux de contrats d’échange (swaps) de taux d’intérêt ou
à partir des taux des obligations d’État.
L’utilisation de la courbe ainsi calculée entraîne une
volatilité des provisions techniques proportionnelle à
celle des taux ayant servi à la calculer. Une telle volati-
lité étant peu compatible avec les engagements à long
terme des entreprises d’assurance et de réassurance,
notamment en ce qui concerne les activités vie, la
directive 2014/51/EU (Omnibus II) entend corriger cet
effet non désiré par diverses mesures.
La première de ces mesures est l’extrapolation de
la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque, qui
s’applique à partir du moment où les marchés obliga-
taires ne sont plus considérés comme profonds, liquides
et transparents. La courbe ainsi extrapolée tend vers un
taux unique, appelé ultime taux à terme (ultimate forward
rate) En 2014 et pour l’euro, ces deux points d’inflexion
ont été respectivement fixés à 20 et 60 ans.
126
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3. Matchingopslag (Matching adjustment) in ver-
band met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
Art. 129
Dit artikel zet artikel 77ter van de Richtlijn om.
Een tweede maatregel die de volatiliteit van de
technische voorzieningen beoogt te verminderen, is de
mogelijkheid om op de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur een matchingopslag (Matching adjustment)
toe te passen.
De bedoeling is om rekening te houden met het feit
dat bepaalde langlopende, voorzienbare en niet-liquide
verplichtingen nauw kunnen worden “gematcht” met
de activa die de ondernemingen aanhouden tot einde
looptijd. Met andere woorden, het komt erop aan de
beoordeling van de activa aan te passen om rekening
te houden met het gebrek aan liquiditeit van de over-
eenstemmende verplichtingen. De matchingopslag is
niet bedoeld om procyclisch gedrag te voorkomen, ook
al mondt het aanhouden van activa tot het einde van
hun respectieve looptijd uit in dit resultaat.
Hoewel de matchingopslag impliceert dat de verzeke-
rings- en herverzekeringsondernemingen geen rekening
moeten houden met de markt- en liquiditeitsrisico’s,
moeten zij echter wel rekening houden met het kre-
dietrisico, aangezien de wanbetaling van een tegenpartij
hun vermogen zal aantasten om hun verplichtingen na
te komen.
De matchingopslag is een maatregel die is afgestemd
op de activa die werkelijk worden aangehouden door
de onderneming die er een beroep op doet, en moet
vooraf door de Bank worden goedgekeurd. Deze maat-
regel wordt toegepast op de levensverzekerings- en
herverzekeringsverplichtingen en op de renten van de
niet-levensverzekeringen (arbeidsongevallen, schade-
loosstelling voor lichamelijk letsel…).
Het besproken artikel somt de voorwaarden op om
de matchingopslag te kunnen toepassen, terwijl het vol-
gende artikel de berekeningsmethode ervan beschrijft.
De voorwaarden kunnen worden onderverdeeld in vijf
reeksen.
De eerste reeks voorwaarden (de punten 1° tot 3°,
en 8° van het eerste lid en het tweede en derde lid van
paragraaf 1) houdt in dat de activa die overeenstemmen
met de verplichtingen waarop de matchingopslag wordt
toegepast, moeten worden afgezonderd. Deze afzonde-
ring (ring fenced fund) is veeleer een economisch dan
een juridisch begrip. Het gaat noch om een afgezonderd
§ 3. Ajustement égalisateur (Matching adjustment)
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
Art. 129
Cet article transpose l’article 77ter de la Directive.
Une deuxième mesure visant à réduire la volatilité
des provisions techniques est la possibilité d’appliquer
à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque un
ajustement égalisateur (Matching adjustment).
L’objectif est de tenir compte du fait que certains
engagements à long terme, prévisibles et non liquides
peuvent être étroitement “matchés” avec des actifs
que les entreprises détiennent jusqu’à leur maturité.
En d’autres termes, il s’agit d’ajuster l’évaluation des
actifs pour tenir compte de l’absence de liquidité des
engagements correspondants. L’ajustement égalisateur
n’a pas pour objectif de prévenir les comportements
procycliques même si la détention des actifs jusqu’à
leur maturité respective aboutit à ce résultat.
Si l’ajustement égalisateur implique que les entre-
prises d’assurance et de réassurance ne doivent pas
tenir compte des risques de marché et de liquidité,
celles-ci doivent en revanche prendre en compte le
risque de crédit puisque le défaut d’une contrepartie
atténuera leur faculté d’honorer leurs engagements.
L’ajustement égalisateur est une mesure calibrée
en fonction des actifs réellement détenus par l’entre-
prise qui y fait appel et est soumise à l’approbation
préalable de la Banque. Il s’applique aux engagements
d’assurance et de réassurance vie et aux rentes des
assurances non-vie (accidents du travail, indemnisation
de dommages corporels…).
L’article commenté énumère les conditions requises
pour pouvoir faire usage de l’ajustement égalisateur,
tandis que l’article suivant décrit la méthode de calcul
de celui-ci. Les conditions peuvent être regroupées en
cinq séries.
La première série de conditions (points 1° à 3°, et 8°
de l’alinéa 1er et alinéas 2 et 3 du paragraphe 1er) impose
de cantonner les actifs correspondant aux engagements
auxquels l’ajustement égalisateur s’applique. Ce can-
tonnement (ring fenced fund) est une notion plus éco-
nomique que juridique. Il ne s’apparente ni à un fonds
cantonné visé par l’article 57 de l’actuel arrêté royal du
127
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
fonds als bedoeld in artikel 57 van het huidige koninklijk
besluit van 14 november 2003 betreffende de levens-
verzekeringsactiviteit, noch om een afzonderlijk beheer
als bedoeld in artikel 9 van het Algemeen Reglement.
De afzondering moet voortduren tot de eindvervaldag
van de betrokken verplichtingen, en de activa mogen
slechts worden vervangen als de cashflows van de
verplichtingen zijn veranderd, bijvoorbeeld als gevolg
van onvoorziene afkopen of een verandering van het
sterftecijfer.
De aldus afgezonderde activa moeten duidelijk afzon-
derlijk van de andere activiteiten van de onderneming
worden geïdentificeerd en beheerd. Ze mogen enkel
worden gebruikt om de overeenstemmende verplich-
tingen te dekken, en het is niet toegelaten om ze naar
een andere activiteit over te hevelen.
De toegewezen activa moeten uitgedrukt zijn in de-
zelfde munteenheid als de verplichtingen, en de cash-
flows moeten identiek zijn aan die van de verplichtingen,
en bijgevolg dezelfde looptijd hebben, dit om enerzijds
het wisselkoersrisico en anderzijds het risico op incon-
sistentie van de looptijden (duration) te vermijden.
Tevens moeten de cashflows van de activa vast-
gelegd zijn, en mogen ze niet worden gewijzigd door
de emittenten of door derden. Een indexering van de
cashflows is evenwel toegelaten als de cashflows van
de verplichtingen zelf op dezelfde wijze worden geïn-
dexeerd. Een wijziging door de emittenten of derden is
eveneens toegelaten op voorwaarde dat de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming een compensatie
ontvangt waarmee ze activa van ten minste dezelfde
kwaliteit kan verwerven, en mits de andere wettelijk
bepaalde voorwaarden worden nageleefd.
De tweede reeks voorwaarden (de punten 4°, 7° en
9°) houdt in dat de betrokken overeenkomsten verrich-
tingen tegen koopsom moeten zijn, en slechts één optie
mogen bevatten, te weten een mogelijkheid tot afkoop
tegen de waarde van de ter dekking aangewende activa.
Het is niet toegestaan om de voornoemde voorwaar-
den te omzeilen door de overeenkomst op te delen in
meerdere waarborgen.
De derde voorwaarde (de punten 5° en 6°) is dat de
enige verzekeringstechnische risico’s die verbonden zijn
aan de overeenkomsten waarvoor de matchingopslag
wordt toegepast, de volgende zijn: het langlevenrisico
(overlevensrisico), het overlijdensrisico, het kostenrisico
(kosten verbonden aan de verrichting) en het herzie-
ningsrisico (risico verbonden aan het renteverloop als
gevolg van een verandering in het wettelijk kader of in
de gezondheidstoestand van de verzekerde). Bovendien
14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur la
vie ni à une gestion distincte telle que visée par l’actuel
article 9 du Règlement Général. Le cantonnement doit
perdurer jusqu’à l’échéance finale des engagements
concernés et les actifs ne peuvent être remplacés
que si les cash flows des engagements ont changé,
par exemple en raison de rachats imprévus ou d’une
modification de la mortalité.
Les actifs ainsi cantonnés doivent être clairement
identifiés et gérés séparément des autres activités
de l’entreprise. Ils ne peuvent servir à couvrir que les
engagements correspondants et il n’est pas permis de
les transférer dans une autre activité.
Les actifs assignés doivent être libellés dans la même
devise que les engagements et les cash flows doivent
être identiques à ceux des engagements, et dès lors
avoir la même durée. Il s’agit d’éviter, d’une part, le
risque de change et, d’autre part, le risque de non-
concordance des maturités (duration).
Il est aussi requis que les cash flows des actifs soient
fixes et ne puissent être modifiés par les émetteurs
ni par des tiers. Une indexation des cash flows est
toutefois autorisée si les cash flows des engagements
eux-mêmes sont indexés de la même manière. Une
modification par les émetteurs ou des tiers est égale-
ment admise à condition que l’entreprise d’assurance
ou de réassurance reçoive une indemnisation qui lui
permette d’acquérir des actifs au moins de même qualité
et respectant les autres conditions prévues par la loi.
La deuxième séries de conditions (points 4°, 7° et
9°) est que les contrats concernés doivent être des
opérations à prime unique et ne peuvent comporter
qu’une seule option, à savoir une possibilité de rachat
à la valeur des actifs affectés en couverture.
Il n’est pas permis de contourner les conditions
précitées en divisant le contrat en plusieurs garanties.
La troisième condition (points 5° et 6°) est que les
seuls risques de souscription liés aux contrats concer-
nés par l’ajustement égalisateur sont les risques de
longévité (risque de survie), de mortalité, de dépenses
(frais liés aux opérations) et de révision (risque lié à
l’évolution des rentes à cause d’un changement de
l’environnement légal ou de l’état de santé de l’assuré).
De plus, le risque de mortalité doit être limité en sorte
que la meilleure estimation n’augmente pas de plus de
128
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
moet het overlijdensrisico beperkt zijn, zodat de beste
schatting niet met meer dan 5 % toeneemt in geval van
overlijdensrisicostress (zie artikel 151).
Een vierde voorwaarde (paragraaf 2) houdt in dat de
matchingopslag zonder onderbreking van toepassing is
zodra de onderneming er gebruik van heeft gemaakt.
Indien niet langer wordt voldaan aan de door paragraaf
1 opgelegde voorwaarden, heeft de onderneming twee
maanden tijd om de situatie recht te zetten. Zo niet mag
ze de matchingopslag, voor haar gehele portefeuille,
niet langer toepassen gedurende een periode van
vierentwintig maanden.
De vijfde voorwaarde, ten slotte, is het verbod op de
cumulatie van de matchingopslag met andere maatrege-
len die beogen de volatiliteit van de technische voorzie-
ningen te beperken en bepaalde overgangsmaatregelen
die overeenkomstig de Richtlijn in het voorliggende
wetsontwerp zijn opgenomen.
Zo mag de matchingopslag niet worden gecumuleerd
noch met de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in ar-
tikel 131, noch met de overgangsmaatregel inzake de
risicovrije rentevoeten (zie artikel 668).
Art. 130
Dit artikel zet artikel 77quater van de Richtlijn
om en heeft betrekking op de berekening van de
matchingopslag.
De matchingopslag vereist dat men eerst, voor elke
munteenheid waarin de verplichtingen luiden, twee
jaarlijkse effectieve rentepercentages berekent (internal
rate of return of IRR).
De eerste van die IRR’s is die waarmee alle cash-
flows van de portefeuille van betrokken verplichtingen
kunnen worden gedisconteerd, zodat de waarde van
de ter dekking van die portefeuille aangewende activa
wordt verkregen.
De tweede IRR is die waarmee de cashflows van
de betrokken verplichtingen kunnen worden gediscon-
teerd, zodat de beste schatting (best estimate) wordt
verkregen. In dit geval vervangt men eenvoudigweg de
rentepercentages afkomstig van de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur door een enkel rentepercentage
waarmee de beste schatting kan worden verkregen.
De matchingopslag is het verschil tussen de eerste en
tweede IRR. Dat rentepercentage wordt vervolgens op-
geteld bij die welke afkomstig zijn van de relevante risi-
covrije rentetermijnstructuur (die dus worden verhoogd),
5 % dans le cas d’un choc de risque de mortalité (voir
l’article 151).
Une quatrième condition (paragraphe 2) est que
l’ajustement égalisateur s’applique sans discontinuer
une fois que l’entreprise en a fait usage. Si les conditions
imposées par le paragraphe 1er ne sont plus remplies,
l’entreprise a deux mois pour rétablir la situation. À
défaut, elle ne peut plus, pour l’ensemble de son por-
tefeuille, utiliser l’ajustement égalisateur pendant une
période de vingt-quatre mois.
Enfin, la cinquième condition vise l’interdiction du cu-
mul de l’ajustement égalisateur avec d’autres mesures
visant à réduire la volatilité des provisions techniques et
certaines mesures transitoires faisant l’objet du présent
projet conformément à la Directive.
Ainsi, l’ajustement égalisateur ne peut être cumulé ni
avec la correction pour volatilité introduite par l’article
131 ni avec la mesure transitoire sur les taux d’intérêt
sans risque (voir l’article 668).
Art. 130
Cet article transpose l’article 77quater de la Directive
et concerne le calcul de l’ajustement égalisateur.
L’ajustement égalisateur nécessite tout d’abord de
calculer, pour chaque devise dans laquelle les engage-
ments sont libellés, deux taux annuels effectifs (internal
rate of return ou IRR).
Le premier de ces IRR est celui qui permet d’actua-
liser tous les cash flows du portefeuille d’engagements
concernés de manière à obtenir la valeur des actifs
affectés en couverture de ce portefeuille.
Le second IRR est celui qui permet d’actualiser les
cash flows des engagements concernés de manière à
obtenir la meilleure estimation (best estimate). Dans ce
cas, on remplace simplement les taux issus de la courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque par un seul
taux permettant d’obtenir la même meilleure estimation.
L’ajustement égalisateur est la différence entre le
premier et le second IRR. Ce taux est ensuite ajouté à
ceux issus de la courbe pertinente des taux sans risque
(lesquels sont donc augmentés), qui seront utilisés pour
129
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die zullen worden gebruikt om de beste schatting van
de verplichtingen waarop de matchingopslag wordt
toegepast, te berekenen.
In de matchingopslag mag niet de fundamentele
spread (fundamental spread) zijn verrekend, dat wil zeg-
gen de krediet- (of wanbetalings)risico’s en het risico op
afwaardering van de activa. Deze fundamentele spread
is minstens gelijk aan 30 % van het langetermijngemid-
delde van de waarneembare risicovrije rentevoeten van
de activa op de financiële markten, die te vergelijken zijn
met die welke door de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming worden aangehouden met betrekking tot
de vorderingen op de centrale overheden en de centrale
banken van de lidstaten, en minstens gelijk aan 35 %
van dat gemiddelde voor de overige vorderingen.
De kans op wanbetaling wordt berekend op basis
van relevante statistieken voor elk actief of, wanneer
geen statistieken beschikbaar zijn, aan de hand van
de marges berekend voor de twee hierboven bedoelde
types van vorderingen. Indien een beroep wordt gedaan
op externe kredietbeoordelingen (ratingbureaus), moet
deze methode in overeenstemming zijn met die welke
worden opgelegd door de Richtlijn (artikel 111, lid 1,
onder n).
De fundamentele spread moet voor activa van lage
kwaliteit ook zodanig worden verhoogd dat de matching-
opslag berekend op basis van deze activa niet hoger
uitvalt dan de matchingopslag berekend op basis van
activa van goede kwaliteit.
§ 4. Volatiliteits aanpassing (volatility adjustment) van
de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
Art. 131
Dit artikel zet artikel 77quinquies van de Richtlijn om.
De derde maatregel met betrekking tot de langeter-
mijnverplichtingen is de mogelijkheid om op de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur een volatiliteitsaanpas-
sing (volatility adjustment) toe te passen. Die aanpassing
beoogt procyclische gedragingen inzake beleggingen
te voorkomen, onder meer de gedwongen verkoop
van activa (fire sales of assets) in tijden van crisis om
de langlopende beleggingen van de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen te vrijwaren.
De volatiliteitsaanpassing is van toepassing op het
liquide gedeelte van de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur (alvorens deze wordt geëxtrapoleerd), zodat
de kunstmatige volatiliteit die de financiële markten
calculer la meilleure estimation des engagements aux-
quels l’ajustement égalisateur s’applique.
L’ajustement égalisateur ne peut pas inclure la marge
fondamentale (fundamental spread), c’est-à-dire les
risques de crédit (ou de défaut) et de dégradation des
actifs. Cette marge fondamentale est au moins égale
à 30 % de la moyenne à long terme des taux d’intérêt
sans risque des actifs observables sur les marchés
financiers et similaires à ceux détenus par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance pour ce qui concerne
les expositions sur les administrations centrales et les
banques centrales des États membres et au moins égale
à 35 % de cette moyenne pour les autres expositions.
La probabilité de défaut est calculée à partir de sta-
tistiques pertinentes pour chaque actif ou, lorsqu’il n’y
a pas de statistique disponibles, au moyen des marges
calculés pour les deux types d’exposition visées ci-
dessus. S’il est fait appel à des évaluations externes de
crédit (agences de notations), cette méthode doit être
conforme à celles imposées par la Directive (article 111,
paragraphe 1er, n).
La marge fondamentale doit aussi être augmentée,
pour les actifs de faible qualité, pour que l’ajustement
égalisateur calculé sur la base de ces actifs ne dépasse
pas l’ajustement égalisateur calculé à partir d’actifs de
bonne qualité.
§ 4.Correction pour volatilité (Volatility adjustment)
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
Art. 131
Cet article transpose l’article 77quinquies de la
Directive.
La troisième mesure relative aux engagements à long
terme est la possibilité d’appliquer à la courbe pertinente
des taux d’intérêt sans risque une correction pour vola-
tilité (Volatility adjustment). Cette dernière vise à éviter
les comportements procycliques en matière d’inves-
tissement, entre autres les ventes forcées d’actifs (fire
sales of assets) en temps de crise pour permettre les
investissements à long terme des entreprises d’assu-
rance et de réassurance.
La correction pour volatilité s’applique à la partie
liquide de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans
risque (avant que celle-ci ne soit extrapolée) de manière
à neutraliser la volatilité artificielle caractérisant les
130
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
kenmerkt in periodes van stress, wordt geneutraliseerd.
Een dergelijke volatiliteit houdt immers geen rechtstreeks
verband met een verandering van het risicoprofiel van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
De Richtlijn laat aan de lidstaten de keuze om het
gebruik van de volatiliteitsaanpassing afhankelijk te
stellen van een goedkeuring door de nationale toe-
zichthouders. Aangezien deze toezichthouders over
weinig marge beschikken om het gebruik van deze
aanpassing a priori te verbieden, werd geopteerd voor
een eenvoudige kennisgeving. Hiermee kan de Bank de
ondernemingen identificeren die gebruik maken van de
volatiliteitsaanpassing en, in voorkomend geval, de ad-
hocmaatregelen nemen in het kader van haar toezicht.
De volatiliteitsaanpassing is gebaseerd op referentie-
portefeuilles voor elke munteenheid waarin de verplich-
tingen luiden en, indien nodig, op referentieportefeuilles
per land, om rekening te houden met spreads die hoger
zijn dan het gemiddelde van de spreads van de porte-
feuilles per munteenheid. Die referentieportefeuilles
vertegenwoordigen, per munteenheid en, in voorkomend
geval, per land, de activa waarin de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen beleggen.
Concreet zal de berekening van de volatiliteitsaan-
passing in twee tijden gebeuren. Een eerste stap bestaat
erin voor elke munteenheid de spread te bepalen (spread
“munt” of spread “munteenheid”) tussen de risicovrije
rentevoeten van de relevante rentetermijnstructuur en
die van de referentieactivaportefeuille. Deze spread
wordt vervolgens aangepast om er bepaalde risico’s
aan te onttrekken die specifiek zijn voor de referentie-
activaportefeuille (onder meer het wanbetalingsrisico
en het risico op afwaardering van de kredietkwaliteit).
Een tweede stap bestaat erin een spread voor het
land te bepalen, die net als de spread voor de munteen-
heid wordt berekend, maar met de referentieactivapor-
tefeuille van het land. Deze spread wordt vervolgens
eveneens aangepast om er bepaalde risico’s aan te
onttrekken die specifiek zijn voor de referentieactiva-
portefeuille (cf. hierboven).
Indien de spread voor het land hoger is dan 100 pdb
en indien het verschil tussen de spread voor de munt
en het dubbele van de spread voor het land positief
uitvalt, is de volatiliteitsaanpassing gelijk aan 65 %
van de som tussen de spread voor de munteenheid en
het voornoemde verschil. In de andere gevallen is de
volatiliteitsaanpassing gelijk aan 65 % van de spread
voor het land.
Mathematisch wordt de volatiliteitsaanpassing als
volgt uitgedrukt:
marchés financiers en période de stress. Une telle
volatilité n’est en effet pas en relation directe avec une
modification du profil de risque de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance.
La Directive laisse aux États membres le choix de
conditionner l’utilisation de la correction pour validité
à une approbation par les autorités de contrôle natio-
nales. Étant donné que ces autorités disposent de peu
de marge pour refuser a priori l’usage de cette correc-
tion, il a été choisi d’opter pour une simple notification.
Celle-ci permet à la Banque d’identifier les entreprises
faisant usage de la correction pour volatilité et, le cas
échéant, de prendre les mesures ad hoc dans le cadre
de son contrôle.
La correction pour volatilité est basée sur des porte-
feuilles de référence pour chaque devise dans laquelle
les engagements sont libellés et, si nécessaire, sur des
portefeuilles de référence par pays, pour tenir compte
de spreads qui excèdent la moyenne des spreads des
portefeuilles par devises. Ces portefeuilles de référence
représentent, par devise et, le cas échéant, par pays,
les actifs dans lesquels les entreprises d’assurance et
de réassurance investissent.
Concrètement, le calcul de la correction pour vola-
tilité se fera en deux temps. Une première opération
consiste à déterminer, pour chaque devise l’écart (écart
“monnaie” ou écart “devise”) entre les taux sans risque
de la courbe pertinente et ceux du portefeuille d’actifs
de référence. Cet écart est ensuite corrigé en vue d’en
extraire certains risques propres au portefeuille d’actifs
de référence (entre autres, les risques de défaut et de
détérioration de la qualité de crédit).
Une seconde opération consiste à déterminer un
écart “pays”, qui est calculé de manière analogue à
l’écart devise, mais avec le portefeuille d’actifs de
référence du pays. Cet écart est ensuite également
corrigé en vue d’en extraire certains risques propres au
portefeuille d’actifs de référence (cf. ci-dessus).
Si l’écart “pays” est supérieur à 100 pdb et que la
différence entre l’écart “monnaie” et le double de l’écart
“pays” est positive, la correction pour volatilité est alors
égale à 65 % de la somme entre l’écart “devise” et la
différence susmentionnée. Dans les autres cas la cor-
rection pour volatilité est égale à 65 % de l’écart “pays”.
Mathématiquement, la correction pour volatilité
s’exprime de la manière suivante:
131
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het gebruik van de volatiliteitsaanpassing mag niet
worden gecumuleerd met dat van de matchingopslag
(zie de artikelen 129 en 130).
§ 5. Overige bepalingen betreffende de technische
voorzieningen
Art. 132
Dit artikel zet artikel 77sexies van de Richtlijn om.
Het herinnert eraan dat de Europese Commissie, op
voorstel van EIOPA (behalve in geval van nood) ten
minste eenmaal per kwartaal de relevante risicovrije
rentermijnstructuur moet publiceren, alsook de fun-
damentele spread (fundamental spread) waarmee de
volatiliteitsaanpassing en de volatiliteitsaanpassing voor
elke nationale markt kan worden berekend.
De verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
moeten gebruik maken van de door de Commissie
gepubliceerde informatie. Wanneer de gegevens be-
treffende bepaalde munteenheden of landen niet zijn
gepubliceerd, mogen de ondernemingen geen gebruik
maken van de volatiliteitsaanpassingen voor die munt-
eenheden en landen.
Art. 133
Dit artikel zet artikel 78 van de Richtlijn om, dat
verschillende regels oplegt inzake de berekening van
de technische voorzieningen. Zo moeten de onderne-
mingen rekening houden met alle kosten (kosten voor
schaderegelingen, expertisekosten, kosten voor opzoe-
ken van begunstigden…), met de inflatie verbonden aan
de kosten en schadegevallen, alsook met de elementen
die de raming van de schadelast ongunstig kunnen be-
invloeden (met name in de takken met een langzame
ontwikkeling, zoals de aansprakelijkheidsverzekeringen
of die welke de schadeloosstelling van lichamelijk letsel
impliceren), alsook met alle betalingen, inclusief discre-
tionaire (winstdelingen, premierestorno’s…).
Art. 134
Deze bepaling, die artikel 79 van de Richtlijn omzet,
heeft betrekking op de beoordeling van de financiële
garanties en contractuele opties in de verzekerings- en
herverzekeringsovereenkomsten.
De ondernemingen moeten rekening houden met de
financiële garanties (waarborg met betrekking tot het
rendement of het behoud van kapitaal…) en de geboden
opties (reductie, afkoop, omzetting, verlenging, verho-
ging van de garanties…). Bij deze beoordeling moeten
zij voorzichtig te werk gaan, met name wat betreft de
L’utilisation de la correction pour volatilité ne peut
être cumulée avec celle de l’ajustement égalisateur (voir
articles 129 et 130).
§ 5. Autres dispositions relatives aux provisions
techniques
Art. 132
Cet article transpose l’article 77sexies de la Directive.
Il rappelle que la Commission européenne doit, sur pro-
position de l’EIOPA (sauf en cas d’urgence), publier, au
moins une fois par trimestre, la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque, la marge fondamentale (fun-
damental spread) permettant de calculer la correction
pour volatilité et la correction pour volatilité pour chaque
marché national.
Les entreprises d’assurance et de réassurance
doivent utiliser les informations publiées par la
Commission. Lorsque les données relatives à certaines
devises ou à certains pays ne sont pas publiées, les
entreprises ne peuvent utiliser les corrections pour
volatilités correspondant à ces devises et pays.
Art. 133
Cet article transpose l’article 78 de la Directive, qui
impose diverses règles en matière de calcul des pro-
visions techniques. Ainsi, les entreprises doivent tenir
compte de toutes les dépenses (frais de règlement
de sinistre, frais d’expertise, frais de recherche des
bénéficiaires…), de l’inflation liées aux dépenses et
aux sinistres, ainsi qu’aux éléments pouvant influencer
défavorablement l’évaluation des sinistres (notamment
dans les branches à développement lent comme les
assurances de responsabilité ou celles impliquant
l’indemnisation de dommages corporels), ainsi que de
tous les paiements, y compris discrétionnaires (partici-
pations bénéficiaires, ristournes de prime…).
Art. 134
Cette disposition, qui transpose l’article 79 de la
Directive, concerne l’évaluation des garanties finan-
cières et des options contractuelles incluses dans les
contrats d’assurance et de réassurance.
Les entreprises doivent prendre en compte les garan-
ties financières (garantie de rendement, de conser-
vation du capital…) et les options offertes (réduction,
rachat, transformation, prolongation, augmentation des
garanties…). Dans cette évaluation, elles doivent faire
preuve de prudence notamment en ce qui concerne
132
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ontwikkeling van de financiële voorwaarden (bv. rente
op de financiële markten), alsook het rechtskader (ver-
plichte omvang van de dekkingen, fiscaliteit…).
Art. 135
Artikel 80 van de Richtlijn, waarvan deze bepaling de
omzetting verzekert, verplicht de ondernemingen om, in
het kader van de berekening van de technische voor-
zieningen, hun verplichtingen op te delen in homogene
risicogroepen of ten minste in business lines.
De business lines zijn gedefinieerd in artikel 55 en
in Bijlage I van Verordening 2015/35. Er zijn twaalf
business lines voor de verzekeringsactiviteiten niet-
leven, zes voor de levensverzekeringen (inclusief de
ziekteverzekeringsdekkingen die te vergelijken zijn
met levensverzekeringsdekking), twaalf voor de pro-
portionele herverzekeringen niet-leven, vier voor de
niet-proportionele herverzekeringen niet-leven en twee
voor de herverzekeringen leven.
Art. 136
Artikel 81 van de Richtlijn, waarvan deze bepaling de
omzetting verzekert, bepaalt dat de schuldvorderingen
die voortvloeien uit uitbetalingen van herverzekeraars
en uit effectiseringsvehikels (special purpose vehicles),
op dezelfde manier moeten worden gewaardeerd als
de technische voorzieningen voor de directe verzeke-
ringsactiviteit of de geaccepteerde herverzekeringen.
Bovendien moeten de ondernemingen rekening
houden met, enerzijds, de tijd die verloopt tussen de
berekening van de technische voorziening en de beta-
ling van de herverzekeraar of het effectiseringsvehikel
en, anderzijds, de kans op wanbetaling van de herver-
zekeraar of het effectiseringsvehikel.
Art. 137
Volgens artikel 82 van de Richtlijn moeten de onder-
nemingen interne processen en procedures opzetten
voor de berekening van de technische voorzieningen
(adequaatheid, volledigheid en juistheid van de gege-
vens waarvan gebruik wordt gemaakt). Er mag gebruik
worden gemaakt van benaderingen of ad-hocmethodes
wanneer de gegevens ontoereikend of onvoldoende
betrouwbaar zijn.
les évolutions des conditions financières (p.ex. taux
sur les marchés financiers), ainsi que l’environnement
légal (étendue obligatoire des couvertures, fiscalité…).
Art. 135
L’article 80 de la Directive, dont la présente dispo-
sition assure la transposition, impose aux entreprises,
dans le cadre du calcul des provisions techniques, de
segmenter leurs engagements par groupes de risques
homogènes ou, au moins, par ligne d’activité.
Les lignes d’activité ont été définies à l’article 55 et
à l’Annexe I du Règlement 2015/35. Il y a douze lignes
d’activité pour les activités d’assurance non-vie, six
pour l’assurance vie (y compris les couvertures santé
similaires à l’assurance vie), douze pour la réassurance
proportionnelle non-vie, quatre pour la réassurance non
proportionnelle non-vie et deux pour la réassurance vie.
Art. 136
L’article 81 de la Directive, dont la présente dispo-
sition assure la transposition impose que les créances
résultant des interventions des réassureurs et des véhi-
cules de titrisations sont évaluées de la même manière
que les provisions techniques pour l’activité d’assurance
directe ou la réassurance acceptée.
En outre, les entreprises doivent prendre en compte,
d’une part, le temps qui s’écoule entre le calcul de la
provision technique et le paiement du réassureur ou
du véhicule de titrisation et, d’autre part, la probabilité
de défaut du réassureur ou du véhicule de titrisation.
Art. 137
Selon l’article 82 de la Directive, les entreprises
doivent mettre en place des processus et des procé-
dures internes pour le calcul des provisions techniques
(caractère appropriée, exhaustivité et exactitude des
données utilisées). Il est possible d’utiliser des approxi-
mations ou des méthodes au cas par cas lorsque les
données ne sont pas suffisantes ou suffisamment
fiables.
133
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 138
De berekening van de technische voorzieningen
volgens de hierboven aangegeven methodes lijkt een
enigszins theoretisch karakter te hebben, en in sommige
gevallen kan worden gevreesd dat de toepassing van
die methodes niet overeenstemt met de realiteit. Om die
reden bepaalt artikel 83 van de Richtlijn dat de onderne-
mingen regelmatig moeten nagaan of de onderliggende
hypothesen voor de berekening van hun beste schatting
overeenstemmen met de realiteit op het terrein. Met an-
dere woorden, ze moeten het resultaat van de modellen
die worden gebruikt bij de berekening van de technische
voorzieningen, vergelijken met de ervaring en de realiteit
van hun verplichtingen. Bij systematische afwijkingen
moeten ze de nodige maatregelen nemen, met name
door hun technische voorzieningen te verhogen en de
modellen die ze gebruiken, aan te passen.
Art. 139
Artikel 84 van de Richtlijn verplicht de ondernemin-
gen om alle elementen ter beschikking van de Bank te
houden waarmee ze de omvang van hun technische
voorzieningen ten opzichte van hun verplichtingen, de
gehanteerde berekeningsmethodes en de adequaatheid
van de statistische gegevens kunnen aantonen.
Het spreekt voor zich dat de Bank kan eisen dat een
onderneming het niveau van haar technische voorzienin-
gen verhoogt indien ze vaststelt dat deze onderneming
de bepalingen van deze onderafdeling niet naleeft.
Vanuit dit oogpunt lijkt het niet nodig om artikel 85 van
de Richtlijn uitdrukkelijk om te zetten.
Onderafdeling III
Eigen vermogen
Deze onderafdeling bevat de bepalingen die van
toepassing zijn op het eigen vermogen van de verze-
kerings- en herverzekeringsondernemingen, te weten
bepalingen betreffende het begrip “eigen vermogen”
en de mogelijke bestanddelen van het eigen vermogen
(artikelen 140 tot 145), hun indeling in drie niveaus, de
zogenaamde tiers (artikelen 146 tot 149) en de criteria
die bepalen of een eigenvermogensbestanddeel als
dan niet in aanmerking komt om de kapitaalvereisten
te dekken (artikel 150).
Er zij van meet af aan verduidelijkt dat de regels
van deze onderafdeling werden vervolledigd en zelfs
gewijzigd op grond van de artikelen 62 tot 82 van
Verordening 2015/35, en uitvoerig werden toegelicht in
de richtsnoeren van EIOPA.
Art. 138
Le calcul des provisions techniques selon les
méthodes indiquées ci-dessus peut paraître quelque
peu théorique et, dans certains cas, on peut craindre
que l’application de ces méthodes ne corresponde pas
à la réalité. C’est pourquoi, l’article 83 de la Directive
impose que les entreprises vérifient régulièrement si les
hypothèses sous-tendant le calcul de leur meilleure esti-
mation correspondent à la réalité du terrain. Autrement
dit, elles doivent comparer le résultat des modèles
utilisés dans le calcul des provisions techniques avec
l’expérience et la réalité de leurs engagements. En
cas d’écarts systématiques, elles doivent prendre les
mesures qui s’imposent, notamment en augmentant
leurs provisions techniques et en corrigeant les modèles
qu’elles utilisent.
Art. 139
L’article 84 de la Directive impose aux entreprises de
tenir à la disposition de la Banque les éléments permet-
tant de justifier la hauteur des provisions techniques par
rapport à leurs engagements, les méthodes de calcul
utilisées et l’adéquation des données statistiques.
Il va de soi que la Banque peut exiger qu’une entre-
prise relève le niveau de ses provisions techniques si
elle constate que cette entreprise ne respecte pas les
dispositions de la présente sous-section. De ce point
de vue, l’article 85 de la Directive ne paraît pas devoir
faire l’objet d’une transposition expresse.
Sous-section III
Fonds propres
Cette sous-section contient les dispositions appli-
cables aux fonds propres des entreprises d’assurance
et de réassurance, à savoir, la notion et les éléments
pouvant constituer les fonds propres (articles 140 à 145),
leur classement en trois niveaux, encore appelés Tiers
(articles 146 à 149) et les critères d’éligibilité, c’est-à-dire
permettant à un élément de fonds propres de couvrir
les exigences de capital (article 150).
Il faut d’emblée préciser que les règles de cette sous-
section ont été complétées et même modifiées par les
articles 62 à 82 du Règlement 2015/35 et abondamment
commentées dans les orientations de l’EIOPA.
134
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 140
Artikel 87 van de Richtlijn identificeert twee cate-
gorieën van eigen vermogen: het kernvermogen, dat
wordt opgenomen op de balans van de onderneming,
en het aanvullend vermogen, dat meestal bestaat uit
buitenbalansbestanddelen en dat slechts in aanmer-
king kan worden genomen met toestemming van de
toezichthouder.
Art. 141
Volgens artikel 88 van de Richtlijn bestaat het kernver-
mogen enerzijds uit het positieve verschil van de activa
ten opzichte van de passiva en, anderzijds, uit de ach-
tergestelde passiva. In het eerste geval omvat het begrip
“passiva” uiteraard niet het eigen vermogen zelf. Het
betreft de verplichtingen (liabilities) van de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen, die niet beperkt zijn
tot de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen.
Het zij tevens verduidelijkt dat de eigen aandelen die
door de onderneming worden aangehouden, moeten
worden afgetrokken van het eigen vermogen.
Art. 142
Artikel 89 van de Richtlijn definieert het aanvullend
vermogen in hoofdzaak als buitenbalansbestandde-
len die indien nodig kunnen worden opgevraagd om
verliezen te compenseren, en die niet reeds tot het
kernvermogen kunnen worden gerekend.
Het gaat aldus om het niet-gestorte of niet-opge-
vraagde gedeelte van het maatschappelijk kapitaal
of van het maatschappelijk fonds, kredietbrieven en
diverse garanties of elke andere gelijkwaardige juridisch
bindende verplichting. Voor de onderlinge verzekerings-
verenigingen kan het aanvullend eigen vermogen ook
de suppletiebijdragen omvatten die zij van hun leden
kunnen eisen in de volgende twaalf maanden.
Aangezien het aanvullend vermogen per definitie
bestaat uit buitenbalansbestanddelen, volgt hieruit dat,
zodra een bestanddeel werd opgevraagd (bijvoorbeeld
opvraging van een kapitaalschijf, beslissing tot navor-
dering van bijdrage…), dit bestanddeel niet langer tot
het aanvullend eigen vermogen behoort. Het artikel
verduidelijkt dat het wordt behandeld als een actief, wat
betekent dat het een tegenwaarde heeft op het actief
maar niet ipso facto een kernvermogensbestanddeel
wordt. Dit is slechts het geval wanneer het beantwoordt
aan de desbetreffende voorwaarden (zie hierna).
Art. 140
L’article 87 de la Directive identifie deux catégories
de fonds propres: les fonds propres de base, qui sont
exprimés au bilan de l’entreprise, et les fonds propres
auxiliaires, qui sont le plus souvent des éléments hors
bilan et qui ne sont éligibles que moyennant l’autorisa-
tion l’autorité de contrôle.
Art. 141
Selon l’article 88 de la Directive, les fonds propres de
base se composent d’une part de l’excédent des actifs
sur les passifs et, d’autre part, des passifs subordonnés.
Dans le premier cas, la notion de “passifs” ne recouvre
évidemment pas les fonds propres eux-mêmes. Il s’agit
des engagements (liabilities) des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance, non limités aux engagements
d’assurance ou de réassurance.
On précise également que les actions propres que
l’entreprise détient doivent être soustraites des fonds
propres.
Art. 142
L’article 89 de la Directive définit les fonds propres
auxiliaires essentiellement comme des éléments hors
bilan qui peuvent être appelés en cas de besoin pour
absorber des pertes et qui ne peuvent être déjà comptés
parmi les fonds propres de base.
Il s’agit ainsi de la fraction non versée ou non appelée
du capital social ou du fonds social initial, des lettres
de crédit et des garanties diverses ou de tout autre
engagement juridique équivalent. Pour les associations
d’assurance mutuelle, on y ajoute les créances futures
que l’association peut détenir par le rappel de cotisa-
tions sur les douze mois à venir.
Les fonds propres auxiliaires étant, par définition, des
éléments hors bilan, il en résulte que, dès qu’un élément
a été appelé (par exemple, appel d’une tranche de
capital, décision de rappel de cotisation…), cet élément
cesse d’être un fonds propre auxiliaire. L’article précise
qu’il est assimilé à un actif, ce qui signifie qu’il a une
contre-valeur à l’actif mais qu’il ne devient pas, ipso
facto, un élément de fonds propres de base. Ceci n’est
le cas que s’il répond aux conditions qui le permettent
(voir ci-dessous).
135
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 143
Dit artikel, dat artikel 90 van de Richtlijn omzet, bevat
de regels die bepalen of het aanvullend vermogen in
aanmerking kan worden genomen als bestanddeel van
het reglementair eigen vermogen.
Die bestanddelen worden slechts in aanmerking
genomen met de voorafgaande goedkeuring van de
Bank, die hun vermogen zal onderzoeken om verliezen
te compenseren, alsook de hypothesen die door de
onderneming worden gehanteerd om de beoordeling
ervan te verrichten; die hypothesen moeten prudent en
realistisch zijn.
De goedkeuring van de Bank heeft betrekking ofwel
op een nominale waarde, die consistent moet zijn met
de beoordelingsmethode, ofwel op een methode voor de
berekening van de waarde van het bestanddeel. In dit
tweede geval, dat vooral wordt gebruikt als de waarde
van het bestanddeel kan veranderen in de loop van de
tijd, geldt de goedkeuring slechts voor een bepaalde
periode, afhankelijk van het specifieke geval.
Het laatste lid somt de criteria op waarmee de Bank
rekening moet houden bij haar goedkeuring. Deze
criteria hebben betrekking op, enerzijds, de tegenpartij
(haar vermogen en haar bereidheid om voor het be-
standdeel te betalen) en, anderzijds, het bestanddeel
zelf (rechtsvorm, belemmeringen voor de betaling of
invorderbaarheid…). In voorkomend geval zal de Bank
ook rekening houden met de ervaringen van de onder-
neming ter zake, zoals het gevolg dat werd gegeven
aan een vorige navordering van bijdragen door een
onderlinge verzekeringsvereniging.
De artikelen 62 tot 67 van Verordening 2015/35 ver-
duidelijken uitgebreid de wijze van beoordeling en de
criteria voor de beoordeling van de aanvragen tot inaan-
merkingneming van het aanvullend vermogen.
Art. 144
Deze bepaling betreft de wederzijdse deelnemingen
tussen een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming en andere ondernemingen uit de financiële sector
in de zin van ontwerpartikel 338, 10°.
Indien een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming een deelneming bezit in een onderneming uit
de financiële sector (aldus gedefinieerd) en omgekeerd
(wederzijdse deelnemingen) en als de Bank oordeelt dat
deze techniek bedoeld is om het eigen vermogen van
de onderneming kunstmatig te verhogen, wordt deze
deelneming afgetrokken van het eigen vermogen van
diezelfde onderneming.
Art. 143
Cet article, qui transpose l’article 90 de la Directive,
contient les règles permettant de prendre en considé-
ration les fonds propres auxiliaires en tant qu’éléments
des fonds propres réglementaires.
Ces éléments ne sont retenus que moyennant l’ap-
probation préalable de la Banque qui examinera leur
capacité à d’absorption des pertes et les hypothèses
retenues par l’entreprise pour procéder à leur évalua-
tion, lesquelles doivent être prudentes et réalistes.
L’approbation de la Banque porte soit sur une valeur
nominale, laquelle doit être en adéquation avec la
méthode d’évaluation, soit sur une méthode de calcul
de la valeur de l’élément. Dans ce second cas, princi-
palement utilisé si la valeur de l’élément est susceptible
d’évoluer dans le temps, l’approbation ne vaut que pour
une période déterminée dépendant du cas d’espèce.
Le dernier alinéa énumère les critères que la Banque
doit prendre en compte pour son approbation. Ces
critères se rapportent, d’une part, à la contrepartie (sa
capacité et sa disposition à payer l’élément) et, d’autre
part, à l’élément lui-même (nature juridique, obstacles
au paiement ou à la récupération…). Le cas échéant,
la Banque tiendra aussi compte des expériences de
l’entreprise en la matière, telles que les suites données à
un précédent rappel de cotisations pour une association
d’assurance mutuelle.
Les articles 62 à 67 du Règlement 2015/35 précisent
abondamment la manière et les critères d’évaluation
des demandes de prise en compte des fonds propres
auxiliaires.
Art. 144
Cette disposition vise les participations croisées
entre une entreprise d’assurance ou de réassurance
et d’autres entreprises du secteur financier au sens de
l’article 338, 10° en projet.
Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de
réassurance possède une participation dans une entre-
prise relevant du secteur financier (ainsi défini) et vice-
versa (participations croisées) et si la Banque estime
que cette technique vise à accroître artificiellement les
fonds propres de l’entreprise, cette participation est
déduite des fonds propres de cette même entreprise.
136
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De besproken bepaling heeft betrekking op zowel de
directe, indirecte als synthetische deelnemingen, dat
wil zeggen via een financieel instrument waarvan de
waarde gekoppeld is aan die van de eigenvermogens-
bestanddelen van de uitgevende onderneming.
Art. 145
Surplusfondsen zijn in artikel 91 van de Richtlijn
gedefinieerd als “geaccumuleerde winsten die niet aan
de verzekeringnemers en begunstigden beschikbaar
zijn gesteld” in de vorm van premierestorno’s of winst-
delingen. In België gaat het momenteel om het fonds
voor toekomstige toewijzingen (artikel 15bis, § 1, 4°,
van de wet van 9 juli 1975) dat onder bepaalde voor-
waarden in aanmerking komt als bestanddeel van de
solvabiliteitsmarge.
Artikel 91 van de Richtlijn laat toe dat de nationale
wetgevers de surplusfondsen niet beschouwen als
verzekeringsverplichtingen maar als eigen vermogen,
als ze voldoen aan de criteria van permanente be-
schikbaarheid en achterstelling als bedoeld in artikel
150, § 1 (zie hierna). Om de continuïteit met de huidige
regels te handhaven, werd ervoor gekozen van deze
optie gebruik te maken .
Art. 146
In artikel 93 van de Richtlijn wordt het eigen vermogen
in drie tiers ingedeeld, op grond van twee criteria. Deze
indeling is afhankelijk van de vraag of het om kernvermo-
gen of aanvullend vermogen gaat (dit laatste is steeds
van een lager niveau dan het eerste) en afhankelijk van
het vermogen om verliezen te compenseren. Dit omvat
twee aspecten: de permanente beschikbaarheid en de
achterstelling.
De permanente beschikbaarheid is het feit dat het
eigenvermogensbestanddeel te allen tijde kan worden
opgevraagd, hetzij in het kader van de continuïteit van
de bedrijfsuitoefening (going concern) hetzij in geval van
liquidatie (gone concern).
De achterstelling is het feit dat, in geval van liquidatie,
de terugbetaling van het bestanddeel wordt geweigerd
tot alle andere verplichtingen, in het bijzonder de ver-
zekeringsverplichtingen, zijn nagekomen.
Bij de beoordeling van de voornoemde kwaliteiten
wordt rekening gehouden met de looptijd van het
bestanddeel, met name zijn relatieve looptijd, dat wil
zeggen in vergelijking met die van de verzekerings- en
herverzekeringsverplichtingen van de onderneming.
La disposition commentée concerne tant les partici-
pations directes, qu’indirectes ou synthétiques, c’est-
à-dire par le truchement d’un instrument financier dont
la valeur est liée à celle des éléments de fonds propres
de l’entreprise émettrice.
Art. 145
Les fonds excédentaires sont définis par l’article
91 de la Directive comme des “bénéfices accumulés qui
n’ont pas encore libérés pour distribution aux preneurs
et aux bénéficiaires” sous la forme de ristournes de
prime ou de participations bénéficiaires. En Belgique, il
s’agit à l’heure actuelle, du fonds pour dotations futures
(article 15bis, § 1er, 4°, de la loi du 9 juillet 1975) qui,
moyennant certains conditions, peut servir d’élément
constitutif de la marge de solvabilité.
L’article 91 de la Directive permet que les législa-
teurs nationaux considèrent les fonds excédentaires
non pas comme des engagements d’assurance mais
comme des fonds propres s’ils satisfont aux critères
de disponibilité permanente et de subordination visés
à l’article 150, § 1er (voir ci-après). Pour maintenir la
continuité avec les règles actuelles, le choix a été fait
de lever cette option.
Art. 146
L’article 93 de la Directive classe les fonds propres
en trois niveaux (Tiers) selon deux critères. Ce classe-
ment est fonction de leur caractère de fonds propres de
base ou de fonds propres auxiliaires (ces derniers étant
toujours d’un niveau inférieurs aux premiers) et de leur
capacité à absorber des pertes. Celle-ci comprend deux
aspects: la disponibilité permanente et la subordination.
La disponibilité permanente est le fait que l’élément
de fonds propres peut être appelé à tout moment, que
ce soit dans le cadre d’une exploitation continue (going
concern) ou en cas de liquidation (gone concern).
La subordination est le fait, qu’en cas de liquidation,
le remboursement de l’élément est refusé tant que tous
les autres engagements, en particulier les engagements
d’assurance, ne sont pas honorés.
L’évaluation des qualités précitées se fera en fonction
de la durée de l’élément, en particulier de sa durée
relative, c’est-à-dire en comparaison de celle des enga-
gements d’assurance et de réassurance de l’entreprise.
137
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bij die beoordeling moet ook rekening worden
gehouden met de afwezigheid van stimulansen voor
terugbetaling, de afwezigheid van inherente kosten en
de afwezigheid van bezwaringen.
Art. 147
Het basisvermogen en het aanvullend vermogen
kunnen als volgt worden onderverdeeld op grond van
de in het vorige artikel opgesomde criteria:
— Kernvermogen-Aanvullend eigen vermogen
Tier 1. Permanente beschikbaarheid en
achterstelling-(geen)
Tier 2-Achterstelling-Permanente beschikbaarheid
en achterstelling
Tier 3-Bestanddelen die niet de kenmerken van
permanente beschikbaarheid en achterstelling bezitten-
Art. 148
Zoals bepaald in de Richtlijn, worden de in de arti-
kelen 146 en 147 geformuleerde beginselen uitvoerig
uiteengezet in de artikelen 69 tot 79 van Verordening
2015/35 en toegelicht in de richtsnoeren van EIOPA. Met
name bevatten deze artikelen de lijsten van kernvermo-
gensbestanddelen van Tier 1 (artikel 69), Tier 2 (artikel
72) en Tier 3 (artikel 76), alsook de lijsten van aanvullend
vermogen van Tier 2 (artikel 74) en Tier 3 (artikel 78),
en de criteria voor de indeling in elk van deze lijsten.
Indien een bestanddeel niet voorkomt in deze lijsten,
moet de door de onderneming verrichte indeling worden
goedgekeurd door de Bank op grond van de criteria die
zijn opgesomd in artikel 79 van Verordening 2015/35.
Art. 149
Overeenkomstig artikel 96 van de Richtlijn bepaalt dit
artikel hoe bepaalde eigenvermogensbestanddelen die
specifiek zijn voor de verzekerings- en herverzekerings-
ondernemingen moeten worden ingedeeld.
Zo worden de surplusfondsen, indien ze voldoen aan
de voorwaarden van artikel 145, tweede lid (permanente
beschikbaarheid en achterstelling), ingedeeld in Tier 2.
De kredietbrieven en garanties die door een onaf-
hankelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit
Dans cette évaluation, il convient de prendre aussi en
compte l’absence d’incitation à rembourser, l’absence
de charges financières et l’absence de contrainte.
Art. 147
Les fonds propres de base et auxiliaires peuvent se
répartir de la façon suivante en fonction des critères
énumérés à l’article précédent:
— Fonds propres de base-Fonds propres auxiliaires
N i ve a u 1. D i s p o n i b i l i t é p e r m a n e n t e e t
subordination-(aucun)
Niveau 2-Subordination-Disponibilité permanente et
subordination
Niveau 3-Éléments ne possédant pas les caractéris-
tiques de disponibilité permanente ni de subordination-
Art. 148
Comme le prévoit la Directive, les principes énoncés
aux articles 146 et 147 sont largement développés aux
articles 69 à 79 du Règlement 2015/35 et commentés
dans les orientations de l’EIOPA. En particulier, ces
articles contiennent les listes des éléments de fonds
propres de base de niveau 1 (article 69), de niveau
2 (article 72) et de niveau 3 (article 76), ainsi que les
listes des fonds propres auxiliaires de niveau 2 (article
74) et de niveau 3 (article 78), de même que les critères
déterminant le classement dans chacune de ces listes.
Si un élément ne figure pas dans ces listes, le classe-
ment par l’entreprise doit être approuvé par la Banque
sur la base des critères énumérés par l’article 79 du
Règlement 2015/35.
Art. 149
Conformément à l’article 96 de la Directive, cet article
opère le classement de certains fonds propres spéci-
fique aux entreprises d’assurance et de réassurance.
Ainsi, les fonds excédentaires, s’ils répondent aux
conditions visées à l’article 145, alinéa 2 (disponibilité
permanente et subordination), sont classés au niveau 2.
Les lettres de crédit et les garanties détenues en
fiducie par un fiduciaire indépendant au bénéfice de
138
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hoofde van verzekering in trust worden aangehouden
en afgegeven zijn door kredietinstellingen waaraan
overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU een vergunning
is verleend, worden ingedeeld in Tier 2.
De suppletiebijdragen die onderlinge verzekerings-
verenigingen van hun leden kunnen eisen in de volgen-
de twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2, indien
het gaat om verenigingen voor reders die uitsluitend de
risico’s verzekeren die ingedeeld zijn in de takken 6,
12 en 17 van Bijlage I. Evenzo wordt elke suppletiebij-
drage die de onderlinge verzekeringsverenigingen met
variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen in de
volgende twaalf maanden, ingedeeld in Tier 2 wanneer
zij de kenmerken vertoont als bepaald in artikel 146,
§ 1, 1° en 2°.
Art. 150
Deze bepaling zet artikel 98 van de Richtlijn om en
regelt de mate waarin het eigen vermogen in aanmer-
king mag worden genomen voor de dekking van het
solvabiliteitskapitaalvereiste of SCR (artikel 151) en het
minimumkapitaalvereiste of MCR (zie artikel 189). In het
eerste geval mogen Tier 1-, Tier 2- en Tier 3-bestand-
delen in aanmerking worden genomen, in het tweede
geval uitsluitend Tier 1- en Tier 2-bestanddelen. De
onderstaande tabel geeft een overzicht van de grenzen
per Tier voor de SCR en de MCR.
—SCR-MCR
Tier 1-> 1/3-> 1/2
Tier 2-Andere bestanddelen-Andere bestanddelen
Tier 3-< 1/3-Geen
Er dient verduidelijkt te worden dat ontwerpartikel
150 geen afbreuk doet aan de uitvoeringsverordenin-
gen die met toepassing van artikel 99, onder a) van
de Richtlijn zijn vastgesteld. In dit opzicht is het van
primordiaal belang op te merken dat de Europese
wetgever gebruik heeft gemaakt van deze mogelijk-
heid, en dat de Tiers waarin de Richtlijn aanvankelijk
voorzag, werden vervangen door die van artikel 82 van
Verordening 2015/35. Krachtens dat artikel 82 worden
de Tiers van het eigen vermogen voor de SCR en de
MCR als volgt vastgesteld:
créanciers d’assurance et fournies par des établisse-
ments de crédit agréés conformément à la Directive
2013/36/UE sont classées au niveau 2.
Les créances futures que les associations d’assu-
rance mutuelle peuvent faire valoir par le biais de rappels
de cotisation dans les douze mois à venir sont classées
au niveau 2, s’il s’agit d’associations de propriétaires
de navires qui assurent uniquement les risques des
branches 6, 12 et 17 de l’Annexe I. De même, toute
créance future que les associations d’assurance mu-
tuelle à cotisations variables peuvent détenir sur leurs
membres par voie de rappel de cotisations durant les
douze mois à venir est classée au niveau 2 lorsqu’elle
présente les caractéristiques prévues à l’article 146,
§ 1er, 1° et 2°.
Art. 150
Cette disposition transpose l’article 98 de la Directive
et règle l’éligibilité des fonds propres permettant de
couvrir le capital de solvabilité requis ou SCR (voir
l’article 151) et le minimum de capital de solvabilité
ou MCR (voir l’article 189). Dans le premier cas, des
éléments des niveaux 1 à 3 peuvent être retenus, dans
le second, uniquement des éléments des niveaux 1 et
2. Le tableau ci-dessus résume les limites par niveau
pour le SCR et le MCR.
—SCR-MCR
Niveau 1-> 1/3-> 1/2
Niveau 2-Autres éléments-Autres éléments
Niveau 3-< 1/3-Aucun
Il importe de préciser que l’’article 150 en projet ne
porte pas préjudice aux règlements d’exécution pris en
application de l’article 99, a) de la Directive. À cet égard,
il est primordial de noter que le législateur européen a
fait usage de cette faculté et que les niveaux initialement
prévus par la Directive ont été remplacés par ceux de
l’article 82 du Règlement 2015/35. En vertu dudit article
82, les niveaux de fonds propres pour le SCR et le MCR
s’établissent comme suit:
139
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
—SCR-MCR
Tier 1-≥ 50 %-≥ 80 %
Tier 2-≤ 50 %--≤ 20 %
Tier 3--< 15 %-Geen
Bovendien beperkt artikel 82 van Verordening
2015/35 de som van de volgende bestanddelen tot 20 %
van het totale bedrag aan Tier 1-bestanddelen:
— de gestorte achtergestelde ledenrekeningen (art.
69, onder a) iii) van Verordening 2015/35);
— de preferente aandelen en het daarmee verbonden
agio (art. 69, onder a), v) van Verordening 2015/35);
— de achtergestelde verplichtingen (art. 69, b) van
Verordening 2015/35;
— de Tier 1-eigenvermogensbestanddelen die in
aanmerking komen krachtens de overgangsbepaling
van artikel 308ter, lid 9 van de Richtlijn (omgezet in
artikel 662 van dit ontwerp).
Zolang artikel 82 van Verordening 2015/35 van
kracht is, zijn het derhalve de in dit artikel bepaalde
limieten die van toepassing zijn, en niet die welke zijn
vastgelegd in artikel 98 van de Richtlijn, zoals omgezet
in ontwerpartikel 150.
Afdeling II
Kapitaalvereisten
Deze afdeling bevat de eigenvermogensvereisten
waaraan de verzekerings- en herverzekeringsonderne-
mingen in principe permanent moeten voldoen. Deze
vereisten zijn tweeërlei. Enerzijds is het solvabiliteitska-
pitaalvereiste (Solvency Capital Requirement of SCR)
een eigenvermogensniveau dat een actieve onderne-
ming moet aanhouden om alle kwantificeerbare risico’s
te dekken waaraan zij is blootgesteld, met het oog op
de bedrijfscontinuïteit. Anderzijds is het minimumkapi-
taalvereiste (Minimum Capital Requirement of MCR)
een eigenvermogensniveau waaronder de onderneming
niet langer als levensvatbaar kan worden beschouwd.
Deze afdeling is onderverdeeld in vier onderafdelin-
gen. De eerste afdeling (artikelen 151 en 152) bepaalt
de vereisten met betrekking tot het solvabiliteitskapitaal-
vereiste (SCR). De tweede afdeling (artikelen 153 tot
166) bevat de regels voor de berekening van het SCR
—SCR-MCR
Niveau 1-≥ 50 %-≥ 80 %
Niveau 2-≤ 50 %--≤ 20 %
Niveau 3--< 15 %-Aucun
En outre, l’article 82 du Règlement 2015/35 limite
à 20 % du montant total des éléments de niveau 1 la
somme des éléments suivants:
— les comptes mutualistes subordonnés et libérés
(art. 69, (a), iii) du Règlement 2015/35);
— les actions privilégiées et le compte de primes
d’émission lié (art. 69, (a), v) du Règlement 2015/35);
— les passifs subordonnés (art. 69, (b) du Règlement
2015/35);
— les éléments de fonds propres de niveau 1 éli-
gibles en vertu de la disposition transitoire de l’article
308ter, paragraphe 9 de la Directive (transposé par
l’article 662 du présent projet).
Tant que l’article 82 du Règlement 2015/35 est en
vigueur, ce sont donc les limites prévues par cet article
qui sont applicables et non celles prévues par l’article
98 de la Directive tel que transposé par l’article 150 en
projet.
Section II
Exigences de capital
Cette section contient les exigences de fonds
propres auxquelles les entreprises d’assurance et de
réassurance doivent, en principe, satisfaire en per-
manence. Ces exigences sont de deux ordres. D’une
part, le capital de solvabilité requis (Solvency Capital
Requirement ou SCR) est un niveau de fonds propres
qu’une entreprise en fonctionnement doit détenir pour
couvrir tous les risques quantifiables auxquels l’entre-
prise est exposée dans l’optique d’une continuité de
son exploitation. D’autre part, le minimum de capital
requis (Minimum Capital Requirement ou MCR) est un
niveau de fonds propres en dessous duquel l’entreprise
ne peut plus être considérée comme viable.
La présente section est divisée en quatre sous-
sections. La première (articles 151 et 152) détermine
les exigences relatives au capital de solvabilité requis
(SCR). La deuxième (articles 153 à 166) contient les
règles de calcul du SCR selon une “formule standard”,
140
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
volgens een “standaardformule”, die de methode is
die “standaard” door de Richtlijn wordt voorgesteld.
De derde afdeling (artikelen 167 tot 188) bepaalt de
verplichtingen van de ondernemingen wanneer zij het
SCR geheel of gedeeltelijk berekenen volgens eigen
methodes, die naargelang het geval “gedeeltelijk intern
model” of “volledig intern model” worden genoemd. De
laatste onderafdeling ten slotte (artikel 189), heeft be-
trekking op het minimumkapitaalvereiste (MCR).
Onderafdeling I
Algemene bepalingen betreffende het
solvabiliteitskapitaalvereiste
Art. 151
Dit artikel zet artikel 101 van de Richtlijn om en
beschrijft uitvoerig de vereisten met betrekking tot de
verplichting om te voldoen aan een solvabiliteitskapitaal-
vereiste, die men onder meer vindt in de artikelen 37, 2°
en 38, § 1, alsook in de artikelen 74 en 75.
Het SCR dient een niveau te bereiken dat de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming toelaat een value
at risk of VaR van 99,5 % in aanmerking te nemen over
een periode van één jaar. De VaR vertegenwoordigt
het maximale potentiële verlies van een belegger dat
slechts met een kans van 99,5 % over een periode van
een jaar zou moeten worden bereikt. Hiertoe moet de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming “schok-
ken” simuleren op haar activa (bijvoorbeeld een daling
van het financieel rendement, de wanbetaling van een
tegenpartij, waardeverliezen op obligaties…) en haar
passiva (bijvoorbeeld een onverwachte toename van
de schadelast, het optreden van een catastrofische
gebeurtenis…), het financiële effect van deze schokken
kwantificeren, rekening houdend met de kans dat ze zich
voordoen en de voorvalscorrelaties, en voldoende eigen
vermogen aanhouden om deze financiële gevolgen te
dekken.
Het SCR moet alle kwantificeerbare risico’s dekken
waaraan de onderneming is blootgesteld, met het oog op
de bedrijfscontinuïteit. Deze risico’s zijn ten minste deze
die worden opgesomd in paragraaf 4 van de bepaling.
a) De verzekeringstechnische risico’s “niet-leven”,
“leven” en “ziektekosten” (§ 4, eerste lid, 1° tot 3°), zijn
de risico’s die gekoppeld zijn aan de verzekerings- of
herverzekeringsactiviteit zelf, en die doorgaans voort-
vloeien uit een slechte beoordeling van de schadelast
of uit een ontoereikendheid van de premies ten opzichte
van de schadelast.
qui est la méthode proposée “par défaut” par la Directive.
La troisième (articles 167 à 188) définit les obligations
des entreprises lorsqu’elles calculent tout ou partie du
SCR par des méthodes qui leur sont propres, appelées
selon le cas “modèle interne partiel” ou “modèle interne
global”. Enfin, la dernière sous-section (article 189) se
rapporte au minimum de capital requis (MCR).
Sous-section Ire
Dispositions générales concernant le capital
de solvabilité requis
Art. 151
Cet article transpose l’article 101 de la Directive et
détaille les exigences concernant l’obligation de consti-
tuer un capital de solvabilité requis que l’on trouve aux
articles 37, 2° et 38, § 1er, ainsi qu’aux articles 74 et 75.
Le SCR doit atteindre un niveau tel qu’il permet à l’en-
treprise d’assurance ou de réassurance de prendre en
compte une valeur en risque (Value at Risk ou VaR) de
99,5 % à l’horizon d’un an. La VaR représente la perte
potentielle maximale d’un investisseur qui ne devrait
être atteinte qu’avec une probabilité de 99,5 % sur un
horizon d’un an. Pour ce faire, l’entreprise d’assurance
ou de réassurance doit simuler des “chocs” sur ses actifs
(par exemple une baisse des rendements financiers, le
défaut d’une contrepartie, des moins-values sur obliga-
tions…) et ses passifs (par exemple une augmentation
inattendue de la sinistralité, la survenance d’un événe-
ment catastrophique…), quantifier l’impact financier de
ces chocs en tenant compte de leurs probabilités et des
corrélations de survenance et détenir des fonds propres
suffisants pour couvrir ces impacts financiers.
Le SCR doit couvrir tous les risques quantifiables
auxquels l’entreprise est exposée, dans l’optique d’une
continuité de son exploitation. Ces risques sont au mini-
mum ceux énumérés au paragraphe 4 de la disposition.
a) Les risques de souscription en non-vie, vie et santé
(§ 4, al. 1er, 1° à 3°), sont ceux liés à l’activité même
d’assurance ou de réassurance et qui découlent en
général d’une mauvaise appréciation de la sinistralité
ou d’une inadéquation des primes à la sinistralité.
141
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
b) Het marktrisico (§ 4, eerste lid, 4°) is het risico
dat verbonden is aan de financiële markten. Het gaat
voornamelijk om de onzekere gebeurtenissen die
voortvloeien uit het waardeverlies van de activa en de
schommelingen in het rendement van de activa.
c) Het kredietrisico (§ 4, eerste lid, 5°) omvat voorna-
melijk het wanbetalingsrisico van een tegenpartij.
d) Het operationeel risico (§ 4, eerste lid, 6° en tweede
lid) omvat de risico’s die verbonden zijn aan de werking
van de onderneming, zoals een slechte informatieover-
dracht, tekortkomingen in het informaticasysteem, de
onbeschikbaarheid van een groot gedeelte van het
personeel … Het omvat tevens de juridische risico’s,
maar niet de risico’s die voortvloeien uit strategische
beslissingen, noch reputatierisico’s. Deze laatste twee
risico’s kunnen in aanmerking worden genomen door
middel van een aanvullend kapitaal of een capital add-
on (zie artikel 323).
Aangezien de Richtlijn slechts de inaanmerkingneming
van een minimum aan risico’s oplegt, werd evenwel
voorzien in de mogelijkheid voor de Bank om via een
reglement te bepalen dat andere risico’s in aanmerking
moeten worden genomen. Het gaat evenwel om een
mogelijkheid die slechts uitzonderlijk ten uitvoer zou
moeten worden gelegd, gelet op de talrijke risico’s die
reeds gedekt zijn door het SCR, rekening houdend
met de nadere bepalingen betreffende de berekening
van deze vereisten waarin Gedelegeerde Verordening
2015/35 voorziet. Deze normen van niveau 2 zouden
binnenkort echter geactualiseerd moeten worden om
sommige risico’s beter te vatten (men denke hier in het
bijzonder aan de zogenaamde “soevereine” risico’s). Om
rekening te houden met de verwachting die inherent is
aan de verwezenlijking van deze verdere harmonisatie
en ook met de specifieke Belgische kenmerken (men
denke hier met name aan het specifieke karakter van de
dekking van arbeidsongevallenrisico’s), wordt toch in een
koninklijke machtiging voorzien , om via een norm van
algemene strekking tot een transparantere en uniformere
benadering te komen, waardoor de noodzaak om op indi-
viduele basis, onderneming per onderneming, gebruik te
maken van “add on”-kapitaalvereisten, zich minder doet
gevoelen. Deze uitleg geldt noodzakelijkerwijs voor de
machtiging waarin artikel 154, § 1 in fine voorziet.
Voorts zij opgemerkt dat de verzekerings- en herver-
zekeringsondernemingen rekening mogen houden met
de risicomatigingstechnieken bij de berekening van het
SCR, bijvoorbeeld het feit dat gebruik wordt gemaakt
van herverzekeringsovereenkomsten of effectiserings-
vehikels. Het spreekt voor zich dat de onderneming in
b) Le risque de marché (§ 4, al. 1er, 4°) est celui lié
aux marchés financiers. Il concerne principalement les
aléas découlant de la perte de valeur des actifs et des
fluctuations des rendements des actifs.
c) Le risque de crédit (§ 4, al. 1er, 5°) comprend prin-
cipalement le risque de défaut d’une contrepartie.
d) Le risque opérationnel (§ 4, al. 1er, 6° et al. 2) com-
prend les risques liés au fonctionnement de l’entreprise
tels qu’une mauvaise transmission des informations,
des déficiences du système informatique, l’indispo-
nibilité d’une grande partie du personnel… Il inclut
également les risques juridiques mais pas les risques
découlant des décisions stratégiques ni les risques
de réputation. Ces deux derniers peuvent être pris en
compte au moyen d’un capital supplémentaire ou capital
add-on (voir article 323).
Comme la Directive n’impose que la prise en compte
d’un minimum de risques, la possibilité a néanmoins
été prévue que la Banque puisse imposer, via un
règlement, la prise en compte d’autres risques. Il s’agit
toutefois d’une possibilité qui ne devrait être mise œuvre
qu’exceptionnellement étant donné les nombreux
risques déjà couverts par le SCR, compte tenu des
précisions relatives au calcul de ces exigences appor-
tées par règlement délégué 2015/35. Ces normes de
niveau 2 devraient toutefois faire l’objet d’une prochaine
actualisation afin de mieux appréhender certains risques
(on pense en particulier à la spécificité des risques dits
“souverains”). Afin de tenir compte de l’attente inhérente
à la concrétisation de cette harmonisation plus poussée
et également des spécificités propres à la Belgique (on
pense ici notamment à la particularité de la couverture
des risques en matière d’accidents du travail), une
habilitation au Roi est toutefois prévue et devrait ainsi
permettre une approche plus transparente et uniforme
par la voie d’une norme de portée générale, restreignant
ainsi la nécessité de recourir, sur une base individuelle, à
des exigences de capital “add on” applicables entreprise
par entreprise. Cette explication vaut nécessairement
pour l’habilitation prévue à l’article 154, § 1er in fine.
On note encore que les entreprises d’assurance et
de réassurance peuvent tenir compte des techniques
d’atténuation des risques dans le calcul du SCR, comme
par exemple, le recours à des contrats de réassurance
ou des véhicules de titrisation. Il va de soi que, dans ce
cas, l’entreprise doit tenir compte du risque de défaut de
142
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat geval rekening moet houden met het wanbetalings-
risico van de tegenpartij (bijvoorbeeld het faillissement
van de herverzekeraar) en met de risico’s die inherent
zijn aan de gehanteerde technieken.
Art. 152
Zoals bepaald in artikel 102 van de Richtlijn, verplicht
deze bepaling de ondernemingen om hun SCR elk
jaar te berekenen en, op eigen initiatief, telkens hun
risicoprofiel duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten
grondslag liggen aan de berekening van hun SCR sinds
de laatste melding ervan aan de Bank (bijvoorbeeld in
geval van een ongunstige ontwikkeling van de financiële
markten of van de schadelast). Indien de onderneming
niet het initiatief neemt om haar SCR te herberekenen,
kan de Bank haar daartoe verplichten.
Onderafdeling II
Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de
standaardformule
Art. 153 tot 166
— Verschillende rechtsbronnen
Deze onderafdeling zet de artikelen 103 tot 110 en
304, lid 1 van de Richtlijn om. Ze definieert de principes
die van toepassing zijn op de standaardmethode voor
de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de
zogenaamde “standaardformule”.
Buiten de voornoemde artikelen zij ook verwezen
naar Bijlage III van de ontwerpwet, die Bijlage IV van
de Richtlijn omzet, en naar de artikelen 83 tot 220 van
Verordening 2015/35, die talrijke preciseringen, en zelfs
aanvullingen en wijzigingen bevatten ten opzichte van
de tekst van de Richtlijn.
De volgende toelichting houdt rekening met de rele-
vante artikelen van Verordening 2015/35.
— Algemeen
Zoals hierboven aangegeven, houdt de standaardfor-
mule in dat het effect van een ongunstige ontwikkeling
van de actief- en passiefbestanddelen wordt gemeten
en dat het vereiste eigen vermogen wordt berekend
om het hoofd te bieden aan deze ontwikkeling. Bij de
berekening van het SCR volgens de standaardformule
wordt uitgegaan van een modulaire benadering, waarbij
elke module zelf kan worden onderverdeeld in submo-
dules, enzovoorts.
la contrepartie (par exemple, la faillite du réassureur) et
des risques inhérents aux techniques mises en œuvre.
Art. 152
Cette disposition, comme le prévoit l’article 102 de
la Directive impose aux entreprises de calculer leur
SCR chaque année et de leur propre initiative, chaque
fois que leur profil de risque s’écarte significativement
des hypothèses qui sous-tendent le calcul de leur SCR
depuis sa dernière notification à la Banque (par exemple
en cas d’évolution défavorable de marchés financiers ou
de la sinistralité). Si l’entreprise ne prend pas l’initiative
de recalculer son SCR, la Banque peut le lui imposer.
Sous-section II
Capital de solvabilité requis calculé selon
la formule standard
Art. 153 à 166
— Pluralité des sources de droit
Cette sous-section transpose les articles 103 à
110 et 304, paragraphe 1er de la Directive. Elle définit
les principes applicables à la méthode de calcul par
défaut du capital de solvabilité requis, appelée “Formule
standard”.
Outre les articles précités, il convient aussi de se
référer à l’Annexe III de la loi en projet, qui transpose
l’Annexe IV de la Directive et aux articles 83 à 220 du
Règlement 2015/35, lesquels comportent de nom-
breuses précisions, voire des ajouts et des modifica-
tions, par rapport au texte de la Directive.
Le commentaire ci-dessous tient compte des articles
pertinents du Règlement 2015/35.
— Généralités
Comme indiqué ci-dessus, la formule standard
consiste à mesurer l’effet d’une évolution défavorable
des éléments d’actif et de passif et à calculer les fonds
propres nécessaires pour faire face à cette évolution.
Le calcul du SCR selon la formule standard procède
selon une approche modulaire, chaque module pouvant
lui-même être décomposé en sous-modules et ainsi
de suite.
143
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor elk van deze modules of submodules stemt het
solvabiliteitskapitaalvereiste overeen met de value at
risk van het eigen vermogen van de onderneming met
een betrouwbaarheidsgraad (een voorvalskans) van
99,5 % op een jaar, wat ongeveer overeenstemt met een
faillissementskans van één om de tweehonderd jaar.
Wat de verzekeringstechnische risico’s betreft (zie
hierna), moeten de verzekerings- en herverzekerings-
ondernemingen (artikel 154, § 2) de overeenkomsten
en schadegevallen toewijzen aan de modules en
submodules die het meest relevant zijn. Zo wordt de
invaliditeitsrente met betrekking tot aansprakelijkheids-
verzekeringen inzake motorrijtuigen of arbeidsongeval-
lenverzekeringen toegewezen aan de module “verze-
keringstechnisch risico “leven”” als ze een belangrijk
herzieningsrisico inhoudt.
Het SCR is de som van de bedragen die berekend
worden door de verschillende modules en submodules,
waarop correlatiecoëfficiënten worden toegepast als
bepaald in Bijlage III van de ontwerpwet en die rekening
houden met het feit dat bepaalde risico’s (deels) andere
risico’s uitsluiten (bijvoorbeeld het aandelenrisico en het
spreadrisico voor obligaties).
Buiten de bepalingen van de ontwerpwet zij verwezen
naar de artikelen 83 (berekeningen op basis van een
scenario), 84 (doorkijkbenadering of look through) en
85 (blootstellingen aan regionale overheden en lokale
autoriteiten) van Verordening 2015/35.
— Parameters
In principe maken de ondernemingen die een be-
roep doen op de standaardformule, gebruik van de-
zelfde parameters, die bepaald zijn door de Richtlijn of
Verordening 2015/35.
Het zij opgemerkt (artikel 154, § 6) dat voor de catas-
troferisico’s, de modules verzekeringstechnisch risico
“leven”, “niet-leven” en “ziektekosten” rekening moeten
houden met de nationale of regionale geografische
specificaties die zijn bepaald in de Bijlagen III tot X van
Verordening 2015/35.
Er is voorzien in een uitzondering op het gebruik
van identieke parameters (artikel 154, § 7). De onder-
nemingen mogen in de modules met betrekking tot de
verschillende verzekeringstechnische risico’s bepaalde
parameters van de standaardformule vervangen door
eigen parameters (undertaking-specific parameters) die
de risico’s van de onderneming beter weerspiegelen dan
de standaardformule. Dergelijke parameters moeten
Pour chacun de ces modules ou sous-modules, le
capital de solvabilité requis correspond à la valeur en
risque (value at risk) des fonds propres de l’entreprise
avec un niveau de confiance (une probabilité de surve-
nance) de 99,5 % à un an, ce qui équivaut à peu près à
une probabilité de faillite d’une tous les deux-cents ans.
En ce qui concerne les risques de souscription (voir
ci-après), les entreprises d’assurance et de réassurance
doivent (article 154, § 2) affecter les contrats et les
sinistres aux modules et sous-modules qui sont les plus
pertinents. Ainsi, les rentes d’invalidité relatives à des
contrats d’assurance de la responsabilité automobile
ou d’accidents du travail seront affectées au module
“risque de souscription en vie” si elles présentent un
risque de révision important.
Le SCR est la somme des montants calculés par
les différents modules et sous-modules affectés de
coefficients de corrélation déterminés à l’Annexe III
de la loi en projet et qui prennent en compte le fait que
certains risques sont (partiellement) exclusifs d’autres
(par exemple le risque sur actions et le risque de marge
sur les obligations).
Outre les dispositions de la loi projet, il convient de
se référer aux articles 83 (calculs fondés sur un scéna-
rio), 84 (principe de transparence ou look through) et
85 (expositions sur des autorités régionales et locales)
du Règlement 2015/35.
— Paramètres
En principe, les entreprises qui font appel à la formule
standard utilisent les mêmes paramètres, déterminés
par la Directive ou le Règlement 2015/35.
Il faut observer (article 154, § 6) que pour les risques
de catastrophe, les modules risque de souscription en
vie, non-vie et santé doivent prendre en compte des spé-
cifications géographiques nationales ou régionales qui
sont définies aux Annexes III à X du Règlement 2015/35.
Une exception à l’utilisation de paramètres identiques
est prévue (article 154, § 7). Les entreprises peuvent,
dans les modules relatifs aux différents risques de
souscription, remplacer certains paramètres de la for-
mule standard par des paramètres qui leur sont propres
(undertaking specific parameters) et qui reflètent mieux
les risques de l’entreprise que ne le fait la formule stan-
dard. Ces paramètres doivent être calibrés en fonction
144
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gekalibreerd worden op basis van de gegevens van
de onderneming (bv. de schadestatistieken) en mogen
slechts worden gebruikt met de voorafgaande goed-
keuring van de Bank.
— Modules en submodules van de standaardformule
1. Kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (basic SCR)
Dit gedeelte van het SCR omvat de belangrijkste
modules van de standaardformule. Het zij opgemerkt
dat Verordening 2015/35 bepaalt dat de berekening van
de standaardformule het evenredigheidsbeginsel in acht
moet nemen (artikel 88) en dat vereenvoudigingen in
bepaalde gevallen mogelijk zijn (artikelen 89 tot 112).
Bij de modules van het kern-SCR betreffen de modu-
les met betrekking tot de verzekeringstechnische risico’s
specifiek de risico’s verbonden aan de verzekerings- of
herverzekeringsactiviteit, met name voor wat betreft de
beoordeling (frequentie, kosten…) van de schadelast
en de toereikendheid van de premies ten opzichte van
de schadelast.
De verplichtingen zijn volgens hun aard opgesplitst
tussen de modules verzekeringstechnisch risico “niet-le-
ven”, “leven” en “ziektekosten” (art. 113 van Verordening
2015/35).
1.1. Verzekeringstechnisch risico “niet-leven” (non-life
underwriting risk)
Deze module, die drie submodules omvat, maakt het
voorwerp uit van ontwerpartikel 156, dat artikel 105, lid
2 van de Richtlijn omzet, en wordt tevens behandeld in
artikel 114 van Verordening 2015/35.
1.1.1. Premie- en voorzieningenrisico “niet-leven”
(non-life premium and reserve risk)
Deze submodule heeft betrekking op de risico’s die
verbonden zijn aan de verzekerings- en herverzeke-
ringsactiviteit “niet-leven” als dusdanig. Deze submo-
dule wordt omschreven in artikel 156, § 2, 1° van de
ontwerpwet en maakt het voorwerp uit van de artikelen
90, en 115 tot 117 van Verordening 2015/35. De risico’s
verbonden aan de verschillende verzekerings- of her-
verzekeringstakken maken het voorwerp uit van de
artikelen 129 tot 134 van de voornoemde Verordening.
1.1.2. Catastroferisico niet-leven (non-life catastrophe
risk)
Deze submodule heeft betrekking op de risico’s
die verbonden zijn aan het voorvallen van al dan niet
des données de l’entreprise (p.ex. les statistiques de
sinistralité) et ne peuvent être utilisés que moyennant
l’accord préalable de la Banque.
— Modules et sous-modules de la formule standard
1. Capital de solvabilité requis de base (basic
SCR)
Cette partie du SCR comprend les principaux
modules de la formule standard. On notera que le
Règlement 2015/35 prévoit que le calcul de la formule
standard respecte le principe de proportionnalité (article
88) et que des simplifications sont possibles dans cer-
tains cas (articles 89 à 112).
Parmi les modules du SCR de base, ceux relatifs aux
risques de souscription concernent spécialement les
risques liés à l’activité d’assurance ou de réassurance,
notamment en ce qui concerne l’évaluation (fréquence,
coût…) des sinistres et l’adéquation des primes aux
sinistres.
Les engagements se répartissent, selon leur nature,
entre les modules de risque de souscription non-vie, vie
et santé (art. 113 du Règlement 2015/35).
1.1. Risque de souscription en non-vie (non-life
underwriting risk)
Ce module fait l’objet de l’article 156 en projet, qui
transpose l’article 105, paragraphe 2 de la Directive.
Il est également visé par l’article 114 du Règlement
2015/35. Il comprend trois sous-modules.
1.1.1. Risque de prime et de réserve non-vie (non-life
premium and reserve risk)
Ce sous-module concerne les risques liés à l’activité
d’assurance et de réassurance non-vie proprement
dite. Il est défini à l’article 156, § 2, 1° du projet de loi et
fait l’objet des articles 90, et 115 à 117 du Règlement
2015/35. Les risques liés aux différentes branches
d’assurance ou de réassurance font l’objet des articles
129 à 134 du Règlement précité.
1.1.2. Risque de catastrophe non-vie (non-life catas-
trophe risk)
Ce sous-module concerne les risques liés à la surve-
nance d’événements catastrophiques, naturels ou non,
145
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
natuurlijke catastrofische gebeurtenissen waaraan de
verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten “niet-leven”
zijn blootgesteld. Deze submodule wordt omschreven in
ontwerpartikel 156, § 2, 2° en maakt het voorwerp uit van
de artikelen 119 tot 128 en 135 van Verordening 2015/35.
1.1.3. Risico van voortijdige beëindiging “niet-leven”
(non-life lapse risk)
Wat de activiteiten “niet-leven” betreft, wordt dit risico
noch behandeld in de Richtlijn, noch in het wetsontwerp,
maar wel in de artikelen 114 en 118 van Verordening
2015/35. Dit risico meet het verlies aan eigen vermogen
na een massale voortijdige beëindiging (40 %) van de
overeenkomsten.
1.2. Verzekeringstechnisch risico “leven” (life under-
writing risk)
Deze module maakt het voorwerp uit van ontwerp-
artikel 157, dat artikel 105, lid 3 van de Richtlijn omzet.
Deze module wordt tevens behandeld in artikel 136 van
Verordening 2015/35 en omvat zeven submodules.
1.2.1. Overlijdensrisico (mortality risk)
Deze submodule meet het effect van een ongunstig
verloop van het sterftecijfer, bijvoorbeeld een groter
aantal overlijdens dan de onderneming verwacht voor
wat haar uitkeringen bij overlijden betreft. Deze submo-
dule wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede
lid, 1° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 91 en
137 van Verordening 2015/35.
1.2.2. Langlevenrisico (longevity risk)
Deze submodule meet het effect van een ongunstig
verloop van de overleving, bijvoorbeeld een groter
aantal verzekeringsbegunstigden uitgesteld kapitaal
dan de onderneming verwacht. Deze submodule wordt
omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 2° en
maakt het voorwerp uit van de artikelen 92 en 138 van
Verordening 2015/35.
1.2.3. Invaliditeits- en morbiditeitsrisico (disability
and morbidity risk)
Deze submodule meet de risico’s die verbonden zijn
aan invaliditeit en ziekte voor wat de levensverzekerings-
verplichtingen betreft. Deze submodule wordt omschre-
ven in artikel 157, tweede lid, 3° van het wetsontwerp en
maakt het voorwerp uit van de artikelen 93 en 139 van
Verordening 2015/35.
affectant les activités d’assurance et de réassurance
non-vie. Il est défini à l’article 156, § 2, 2° en projet et
fait l’objet des articles 119 à 128 et 135 du Règlement
2015/35.
1.1.3. Risque de cessation non-vie (non-life lapse risk)
En ce qui concerne les activités non-vie, ce risque
n’est pas visé par la Directive ni par le la loi en projet
mais bien par les articles 114 et 118 du Règlement
2015/35. Il mesure la perte de fonds propres consécutive
à une cessation massive (40 %) des contrats.
1.2. Risque de souscription en vie (life underwriting
risk)
Ce module fait l’objet de l’article 157 en projet, qui
transpose l’article 105 paragraphe 3 de la Directive. Il est
également visé par l’article 136 du Règlement 2015/35.
Il comprend sept sous-modules.
1.2.1. Risque de mortalité (mortality risk)
Ce sous-module mesure l’effet d’une évolution
défavorable de la mortalité, par exemple, un nombre
de décès plus important que celui prévu par l’entreprise
pour ce qui concerne ses prestations en cas de décès.
Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 1° en projet et fait
l’objet des articles 91 et 137 du Règlement 2015/35.
1.2.2. Risque de longévité (longevity risk)
Ce sous-module mesure l’effet d’une évolution
défavorable de la survie, par exemple, un nombre de
bénéficiaires d’assurance capital différé plus important
que celui prévu par l’entreprise. Il est défini à l’article
157, alinéa 2, 2° en projet et fait l’objet des articles 92 et
138 du Règlement 2015/35.
1.2.3. Risque d’invalidité et de morbidité (disability
and morbidity risk)
Ce sous-module mesure les risques liés à l’invalidité
et à la maladie pour ce qui concerne les engagements
d’assurance sur la vie. Il est défini à l’article 157, ali-
néa 2, 3°, du projet de loi et fait l’objet des articles 93 et
139 du Règlement 2015/35.
146
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1.2.4. Kostenrisico “leven” (life-expense risk)
Deze submodule neemt de door de onderneming
niet-verwachte of slecht beoordeelde ontwikkelingen
in aanmerking van de kosten voor het beheer van de
overeenkomsten en van de schadegevallen. Deze sub-
module wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede
lid, 4° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 94 en
140 van Verordening 2015/35.
1.2.5. Herzieningsrisico (revision risk)
Deze submodule heeft specifiek betrekking op de
rente en houdt rekening met, enerzijds, de veranderin-
gen die optreden in het wettelijk kader, zoals een niet-
verwachte indexering van de rente en, anderzijds, een
ongunstige ontwikkeling van de gezondheidstoestand
van de lijfrenteverzekerde. Er zij aan herinnerd dat deze
submodule kan worden toegepast op elke rente, ook al
heeft ze betrekking op verzekerings- of herverzekerings-
overeenkomsten “niet-leven”. Deze submodule wordt
omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 5° en
maakt het voorwerp uit van artikel 141 van Verordening
2015/35.
1.2.6. Risico van voortijdige beëindiging (lapse risk)
Deze submodule houdt rekening met de risico’s die
verbonden zijn aan een ongunstige ontwikkeling van,
enerzijds, de verlenging van de overeenkomsten, en, an-
derzijds, de afkopen van de overeenkomsten. Enerzijds
heeft deze submodule betrekking op de mogelijkheden
om een overeenkomst te hernieuwen, uit te breiden,
te verlengen of over te nemen en, anderzijds, op de
mogelijkheden om een overeenkomst op te zeggen,
af te kopen, te reduceren, te beperken of te schorsen.
Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel
157, tweede lid, 6° en maakt het voorwerp uit van de
artikelen 95 en 142 van Verordening 2015/35.
1.2.7. Catastroferisico “leven” (life catastrophe risk)
Deze submodule meet het effect van een toename
van het sterftecijfer als gevolg van een al dan niet natuur-
lijke catastrofe. Deze submodule wordt omschreven in
ontwerpartikel 157, tweede lid, 7° en maakt het voorwerp
uit van de artikelen 96 en 143 van Verordening 2015/35.
1.3. Verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”
(health underwriting risk)
Wat de ziektekostenverzekering betreft, is Verordening
2015/35 heel wat gedetailleerder dan de Richtlijn. Terwijl
die laatste slechts de submodules “kosten”, “premies en
voorzieningen” en “catastrofen” onderscheidt, maakt
artikel 144 van de Verordening een onderscheid tussen
1.2.4. Risque de dépense en vie (life-expense risk)
Ce sous-module prend en compte les évolutions
non prévues ou mal évaluées des frais de gestion des
contrats et des sinistres par l’entreprise. Il est défini
à l’article 157, alinéa 2, 4° en projet et fait l’objet des
articles 94 et 140 du Règlement 2015/35.
1.2.5. Risque de révision (revision risk)
Ce sous-module se rapporte spécifiquement aux
rentes. Il prend en compte, d’une part les changements
intervenant dans l’environnement juridique, tels qu’une
indexation non prévues des rentes et, d’autre part, une
évolution défavorable de l’état de santé du rentier. Il
convient de rappeler que ce sous-module peut être
appliqué à toutes les rentes même si elles concernent
des contrats d’assurance ou de réassurance non-vie.
Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 5° en projet et fait
l’objet de l’article 141 du Règlement 2015/35.
1.2.6. Risque de cessation (lapse risk)
Ce sous-module prend en compte les risques liés à
l’évolution défavorable, d’une part, du renouvellement
des contrats et, d’autre part, des rachats des contrats.
Il concerne, d’une part, les possibilités de renouveler,
d’étendre, de prolonger ou de reprendre un contrat et,
d’autre part, les possibilités de résilier, racheter, réduire,
limiter ou suspendre le contrat. Il est défini à l’article
157, alinéa 2, 6° en projet et fait l’objet des articles 95 et
142 du Règlement 2015/35.
1.2.7. Risque de catastrophe en vie (life-catastrophe
risk)
Ce sous-module mesure l’effet d’une hausse de la
mortalité en raison d’une catastrophe naturelle ou non.
Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 7° en projet et fait
l’objet des articles 96 et 143 du Règlement 2015/35.
1.3. Risque de souscription en santé (health unde-
rwriting risk)
Pour ce qui est de l’assurance santé, le Règlement
2015/35 est sensiblement plus détaillé que la Directive.
Alors que cette dernière ne distingue que les sous-mo-
dules dépenses, primes et réserves et catastrophes,
l’article 144 du Règlement opère une séparation entre
147
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de ziektekostenverzekeringen die niet vergelijkbaar zijn
met levensverzekeringen (“non similar to life” of “NSLT”)
en ziektekostenverzekeringen die vergelijkbaar zijn met
levensverzekeringen (“similar to life” of “SLT”). Elke ca-
tegorie omvat verschillende submodules, waarvan het
voorwerp vergelijkbaar is met de overeenstemmende
submodules van de verzekeringen niet-leven en leven
en die, om die reden, niet het voorwerp uitmaken van
een specifieke commentaar.
Het verschil tussen de ziektekostenverzekeringen
die vergelijkbaar zijn met levensverzekeringen (SLT)
en ziektekostenverzekeringen die niet vergelijkbaar zijn
met levensverzekeringen (NSLT) schuilt voornamelijk
in de waardering. In het eerste geval zal de verzeke-
ringsonderneming een beroep doen op technieken die
vergelijkbaar zijn met de levensverzekering (technische
rentevoeten, morbiditeitstabellen, toeslagen…). In het
tweede geval zal ze een beroep doen op verzekerings-
technieken niet-leven (ratio’s, schaderegelingsdriehoe-
ken…). Volgens Bijlage I van Verordening 2015/35 valt
de rente verbonden aan de ziektekostenverzekeringen
steeds onder de SLT-ziektekostenverzekering.
De voornoemde submodules zijn de volgende:
1.3.1. SLT-ziektekostenverzekering
Zie artikel 145 van Verordening 2015/35
1.3.1.1. Premie- en voorzieningenrisico
Zie ontwerpartikel 157, tweede lid, 2° en de artikelen
146 tot 149 van Verordening 2015/35.
1.3.1.2. Risico van voortijdige beëindiging
Zie artikel 150 van Verordening 2015/35.
1.3.2. SLT-ziektekostenverzekering
Zie artikel 151 van Verordening 2015/35.
1.3.2.1. Overlijdensrisico
Zie de artikelen 97 en 152 van Verordening 2015/35.
1.3.2.2. Langlevenrisico
Zie de artikelen 98 en 153 van Verordening 2015/35.
1.3.2.3. Invaliditeits- en morbiditeitsrisico —
Verzekering medische kosten
Zie de artikelen 99, 154 en 155 van Verordening
2015/35.
les assurances santé non similaires à l’assurance vie
(non similar to life ou non-SLT) et similaire à l’assurance
vie (similar to life ou SLT). Chaque catégorie comprend
différents sous-modules, dont l’objet est similaire au
sous-module correspondant des assurances non-vie
et vie et qui, pour cette raison, ne font pas l’objet d’un
commentaire particulier.
La différence entre l’assurance santé similaire à la
vie (SLT) et non similaire à la vie (non-SLT) se situe
principalement dans la valorisation. Dans le premier cas,
l’entreprise d’assurance fera appel à des techniques
comparables à l’assurance vie (taux techniques, tables
de morbidité, chargements…). Dans le second cas, elle
fera appel à des techniques d’assurance non-vie (ratios,
triangles de règlement de sinistres…). Selon l’Annexe I
du Règlement 2015/35, les rentes liées aux assurances
santé relèvent toujours de l’assurance santé SLT.
Les sous-modules précités sont les suivants.
1.3.1. Assurance santé non-SLT
Voir l’article 145 du Règlement 2015/35
1.3.1.1. Risque de prime et de réserve
Voir l’article 157, alinéa 2, 2° en projet et les articles
146 à 149 du Règlement 2015/35.
1.3.1.2. Risque de cessation
Voir l’article 150 du Règlement 2015/35.
1.3.2. Assurance santé SLT
Voir l’article 151 du Règlement 2015/35
1.3.2.1. Risque de mortalité
Voir les articles 97 et 152 du Règlement 2015/35.
1.3.2.2. Risque de longévité
Voir les articles 98 et 153 du Règlement 2015/35.
1.3.2.3. Risque d’invalidité et de morbidité —
Assurance frais médicaux
Voir les articles 99, 154 et 155 du Règlement 2015/35.
148
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1.3.2.4. Invaliditeits- en morbiditeitsrisico —
Verzekering inkomensbescherming
Zie de artikelen 100, 154 en 156 van Verordening
2015/35.
1.3.2.5. Kostenrisico
Zie de artikelen 101 en 157 van Verordening 2015/35.
1.3.2.6. Herzieningsrisico
Zie artikel 158 van Verordening 2015/35.
1.3.2.7. Risico van voortijdige beëindiging
Zie de artikelen 102 en 159 van Verordening 2015/35.
1.3.3. Catastroferisico ziektekosten leven (health
catastrophe risk)
Zie ontwerpartikel 158, tweede lid, 3° en de artikelen
160 tot 163 van Verordening 2015/35.
1.4. Marktrisico (market risk)
Het marktrisico wordt in artikel 105, lid 5 van de
Richtlijn en in ontwerpartikel 159, eerste lid gedefinieerd
als “het risico dat voortvloeit uit het niveau of de vola-
tiliteit van de marktprijzen van financiële instrumenten
die van invloed zijn op de waarde van de activa en
passiva van de betrokken onderneming”. Het omvat
zes submodules.
1.4.1 Renterisico (interest rate risk)
Deze submodule houdt rekening met het ongunstige
verloop van de rente op de activa (creditrente) of op
de passiva (debetrente) van de onderneming. Deze
submodule wordt omschreven in artikel 159, tweede lid,
1° van het wetsontwerp en maakt het voorwerp uit van
de artikelen 103, 165 en 166 van Verordening 2015/35.
1.4.2 Aandelenrisico (equity risk)
Deze submodule, die rekening houdt met het on-
gunstige verloop van de waarde van de aandelen die
door de onderneming worden aangehouden, wordt
omschreven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 2° en
maakt het voorwerp uit van de artikelen 168 tot 173 van
Verordening 2015/35. Deze submodule wordt tevens be-
handeld in de artikelen 161 en 162 van het wetsontwerp.
Artikel 161, dat artikel 106 van de Richtlijn omzet,
bepaalt specifieke vereisten voor de submodule “aan-
delenrisico” als bedoeld in artikel 156, tweede lid, 2° en,
1.3.2.4. Risque d’invalidité et de morbidité —
Assurance protection du revenu
Voir les articles 100, 154 et 156 du Règlement
2015/35.
1.3.2.5. Risque de dépense
Voir les articles 101 et 157 du Règlement 2015/35.
1.3.2.6. Risque de révision
Voir l’article 158 du Règlement 2015/35.
1.3.2.7. Risque de cessation
Voir les articles 102 et 159 du Règlement 2015/35.
1.3.3. Risque de catastrophe en santé vie (health-
catastrophe risk)
Voir l’article 158, alinéa 2, 3° en projet et les articles
160 à 163 du Règlement 2015/35.
1.4. Risque de marché (market risk)
Le risque de marché est défini à l’article 105, para-
graphe 5 de la Directive et à l’article 159, alinéa 1er en
projet comme “le risque lié au niveau ou à la volatilité
de la valeur de marché des instruments financiers ayant
un impact sur la valeur des actifs et des passifs de
l’entreprise concernée”. Il comprend six sous-modules.
1.4.1 Risque de taux d’intérêt (interest rate risk)
Ce sous-module prend en compte l’évolution défa-
vorable des taux d’intérêt, sur les actifs (intérêts crédi-
teurs) ou les passifs (intérêts débiteurs) de l’entreprise.
Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 1° du projet de loi et
fait l’objet des articles 103, 165 et 166 du Règlement
2015/35.
1.4.2 Risque sur action (equity risk)
Ce sous-module prend en compte l’évolution défavo-
rable de la valeur des actions détenues par l’entreprise.
Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 2° en projet et fait
l’objet des articles 168 à 173 du Règlement 2015/35. Ce
sous-module est également visé par les articles 161 et
162 du projet de loi.
L’article 161, qui transpose l’article 106 de la Directive,
prévoit des exigences spécifiques au sous-module
“risque sur actions” visé à l’article 156, alinéa 2, 2° et,
149
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in het bijzonder, “een symmetrische aanpassing van het
aandelenkapitaalvereiste om het risico te dekken dat
voortvloeit uit veranderingen in de aandelenprijzen.”
Die symmetrische aanpassing van het SCR wordt
gekalibreerd overeenkomstig artikel 154, § 4, dat wil
zeggen op basis van een risicowaarde met een be-
trouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode
van een jaar. Ze wordt berekend aan de hand van een
index die de aandelenkoers vertegenwoordigt en die
wordt samengesteld overeenkomstig artikel 172 van
Verordening 2015/35. De index is dezelfde voor alle
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en
het kapitaalvereiste dat voortvloeit uit de symmetrische
aanpassing mag niet lager zijn dan 10 % noch hoger
dan 10 % van het kapitaalvereiste dat voortvloeit uit de
submodule “aandelenrisico”.
Artikel 162 zet artikel 304, lid 1 van de Richtlijn om.
Dit artikel betreft de submodule “aandelenrisico op basis
van looptijd” (duration-based equity risk), die betrekking
heeft op bepaalde verrichtingen die onder de tweede
pensioenpijler vallen.
Deze module kan worden toegepast in twee gevallen.
Het eerste geval is wanneer de verzekeringsonderne-
mingen op hun verplichtingen van de tweede pensi-
oenpijler dezelfde prudentiële bepalingen toepassen
als die welke van toepassing zijn op de instellingen
voor bedrijfspensioenvoorziening. In deze mogelijk-
heid wordt voorzien in artikel 227 van de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel-
lingen voor bedrijfspensioenvoorziening, maar ze is
momenteel niet van kracht in België, bij ontstentenis
van een besluit hiertoe.
Het tweede geval is ruimer en betreft de verplichtin-
gen van de tweede pijler waarvan de premies een fiscaal
voordeel genieten volgens de Belgische wetgeving.
In de twee hierboven bedoelde gevallen moeten de
verplichtingen daarnaast ook voldoen aan de volgende
voorwaarden:
a) het voorwerp uitmaken van een afscheiding, dat
wil zeggen een duidelijke scheiding, en “zonder dat er
enige mogelijkheid tot overdracht bestaat” van en naar
de andere activiteiten van de onderneming, die zowel
voor de activa als voor de passiva geldt;
b) enkel betrekking hebben op in België gelegen
risico’s;
c) een gemiddelde looptijd van meer dan twaalf jaar
hebben.
en particulier, un “mécanisme d’ajustement symétrique
de l’exigence de capital pour actions qui sert à couvrir
le risque découlant des variations du cours des actions”.
Cet ajustement symétrique du SCR est calibré confor-
mément à l’article 154, § 4, c’est-à-dire sur la base d’une
valeur en risque avec un niveau de confiance de 99,5 %
à l’horizon d’un an. Il est calculé au départ d’un indice
représentatif du cours des actions construit conformé-
ment à l’article 172 du Règlement 2015/35. L’indice est
le même pour toutes les entreprises d’assurance et de
réassurance et l’exigence de capital qui découle de
l’ajustement symétrique ne peut être inférieure à 10 % ni
supérieure à 10 % de l’exigence de capital qui découle
du sous-module “risque sur actions”.
L’article 162 transpose l’article 304, paragraphe 1er
de la Directive. Il concerne un sous-module “risque sur
actions fondé sur la durée (duration base equity risk) qui
se rapporte à certaines opérations relevant du deuxième
pilier de pension.
Ce module peut être appliqué dans deux cas. Le
premier est celui où les entreprises d’assurance
appliquent à leurs engagements du deuxième pilier de
pension les mêmes dispositions prudentielles que celles
applicables aux institutions de retraite professionnelle.
Cette possibilité est prévue par l’article 227 de la loi du
27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions
de retraite professionnelle mais n’est pas en vigueur
actuellement en Belgique à défaut d’un arrêté à cette fin.
Le second cas est plus large et vise les engagements
du second pilier dont les primes bénéficient d’un avan-
tage fiscal selon la loi belge.
Dans les deux cas visés ci-dessus, les engagements
doivent, en outre, satisfaire aux conditions suivantes:
a) faire l’objet d’un cantonnement, c’est-à-dire d’une
séparation nette et “sans aucune possibilité de transfert”
de et vers les autres activités de l’entreprise, tant en ce
qui concerne les actifs que les passifs;
b) ne concerner que des risques situés en Belgique;
c) avoir une durée moyenne qui excède douze ans.
150
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wanneer de voornoemde voorwaarden vervuld zijn,
mogen de ondernemingen het aandelenrisico in plaats
van op een jaar berekenen op een looptijd die overeen-
stemt met het gemiddelde van de betrokken verplichtin-
gen. De value at risk blijft vastgesteld op 99,5 % zoals
bepaald in artikel 151, § 3, derde lid. De onderneming
moet bovendien aantonen dat ze de aandelen tijdens
deze gemiddelde looptijd zal behouden.
De submodule “aandelenrisico op basis van looptijd”
mag voor dezelfde verplichtingenniet tegelijkertijd wor-
den gebruikt met de submodules voor de berekening
van het kern-SCR als bepaald in de artikelen 155 tot 160.
De ondernemingen mogen op deze methode slechts
terugvallen met de toestemming van de Bank.
1.4.3. Vastgoedrisico (property risk)
Deze submodule, die rekening houdt met het ongun-
stige verloop van de vastgoedmarkten, wordt omschre-
ven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 3° en maakt het
voorwerp uit van artikel 174 van Verordening 2015/35.
1.4.4. Spreadrisico (spread risk)
Deze submodule houdt rekening met het ongunstige
en plotse verloop van de waarde van vastrentende ef-
fecten zoals obligaties en bepaalde leningen. Hij wordt
omschreven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 4° en
maakt het voorwerp uit van de artikelen 104, 105 en
176 tot 181 van Verordening 2015/35.
1.4.5 Valutarisico (currency risk)
Deze submodule, die rekening houdt met het valuta-
risico met betrekking tot zowel de activa als de passiva,
wordt omschreven in artikel 159, tweede lid, 5° van
het wetsontwerp en maakt het voorwerp uit van artikel
188 van Verordening 2015/35.
1.4.6 Marktrisicoconcentratie (market risk
concentration)
Deze submodule houdt rekening met de risico’s die
verbonden zijn aan een gebrek aan diversificatie van
de activa van de onderneming, aan een wanbetaling
van een belangrijke tegenpartij zoals eenzelfde emittent
van effecten of een belangrijke groep van verbonden
tegenpartijen. Deze submodule wordt omschreven in
ontwerpartikel 159, tweede lid, 6° en maakt het voorwerp
uit van de artikelen 106 en 182 tot 187 van Verordening
2015/35.
Lorsque les conditions précitées sont remplies, les
entreprises peuvent calculer le risque sur actions non
pas à l’horizon d’un an mais sur une durée corres-
pondant à la moyenne des engagements concernés.
La value at risk reste fixée à 99,5 % comme prévu à
l’article 151, § 3, alinéa 3. L’entreprise doit, en outre,
démontrer qu’elle conservera les actions pendant cette
durée moyenne.
Le sous-module risque sur action fondé sur la durée
ne peut être utilisé, pour les mêmes engagements, en
même temps que les sous-modules du calcul du SCR
de base prévu par les articles 155 à 160. Les entreprises
ne peuvent revenir à cette méthode que moyennant
l’autorisation de la Banque.
1.4.3. Risque sur actifs immobiliers (property risk)
Ce sous-module prend en compte l’évolution défa-
vorable des marchés immobiliers. Il est défini à l’article
159, alinéa 2, 3° en projet et fait l’objet de l’article 174 du
Règlement 2015/35.
1.4.4. Risque de marge (spread risk)
Ce sous-module prend en compte l’évolution défavo-
rable et soudaine de la valeur de titres à revenus fixes
tels que les obligations et certains prêts. Il est défini
à l’article 159, alinéa 2, 4° en projet et fait l’objet des
articles 104, 105 et 176 à 181 du Règlement 2015/35.
1.4.5 Risque de change (currency risk)
Ce sous-module prend en compte le risque de
change tant en ce qui concerne les actifs que les pas-
sifs. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 5° du projet de
loi et fait l’objet de l’article 188 du Règlement 2015/35.
1.4.6 Risque de concentration (market risk
concentration)
Ce sous-module prend en compte les risques liés à
un manque de diversification des actifs de l’entreprise,
au défaut d’une contrepartie importante tel qu’un même
émetteur de valeurs mobilières, ou d’un groupe impor-
tant de contreparties liées. Il est défini à l’article 159,
alinéa 2, 6° en projet et fait l’objet des articles 106 et
182 à 187 du Règlement 2015/35.
151
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1.5. Tegenpartijrisico (counterparty default risk)
Het tegenpartijrisico betreft de wanbetaling of de ver-
slechtering van de kredietwaardigheid van een debiteur
in de komende twaalf maanden. Het maakt het voorwerp
uit van ontwerpartikel 157 (omzetting van artikel 105, lid
6 van de Richtlijn) en van de artikelen 110, 112 en 189 tot
202 van Verordening 2015/35.
De in aanmerking te nemen risico’s hebben betrek-
king op alle debiteuren van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, inclusief de tussenpersonen,
herverzekeraars en effectiseringsvehikels, alsook op de
waarborgen en zekerheden die door de onderneming
worden aangehouden. Alleen de risico’s die gedekt
zijn door de submodule “spreadrisico” worden niet in
aanmerking genomen.
Bij haar beoordeling van het risico moet de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming meer
belang hechten aan de economische aspecten van
de tegenpartij dan aan haar rechtsvorm, volgens het
zogenaamde “substance over form”-beginsel.
1.6. Risico verbonden aan immateriële activa (intan-
gible asset risk)
Deze module, die ingevoerd werd door Verordening
2015/35 (artikelen 87 en 203), heeft betrekking op iden-
tificeerbare, niet-monetaire activa zonder fysieke vorm.
2. Kapitaalvereiste voor operationeel risico
(operational risk)
Behalve het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic
SCR) moeten de verzekerings- en herverzekeringson-
dernemingen een eigenvermogensvereiste berekenen
om het hoofd te bieden aan de operationele risico’s
(ontwerpartikel 163, dat artikel 107 van de Richtlijn om-
zet), dat wil zeggen aan de risico’s op directe of indirecte
verliezen te wijten aan een ontoereikendheid of een
falen van de procedures van de onderneming (interne
controle, beveiligingsregels), van haar personeel (fout,
fraude, vertrek of afwezigheid van gekwalificeerd perso-
neel…), van de interne systemen (computerstoringen…)
of van externe, niet-geplande gebeurtenissen (brand,
overstroming…).
Deze module houdt geen rekening met de risico’s die
gedekt zijn door andere modules. Het kapitaalvereiste
kan worden berekend op grond van de verdiende pre-
mies of de technische voorzieningen (artikel 204 van
Verordening 2015/35).
1.5. Risque de contrepartie (counterparty default risk)
Le risque de contrepartie concerne, pour les douze
mois à venir, le défaut de paiement ou la détérioration de
la qualité d’un débiteur. Il fait l’objet de l’article 157 en
projet (transposition de l’article 105, paragraphe 6 de
la Directive) et des articles 110, 112 et 189 à 202 du
Règlement 2015/35.
Les risques à prendre en compte concernent tous
les débiteurs de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance, y compris les intermédiaires, les réassureurs
et les véhicules de titrisation, ainsi que les garanties
et sûretés détenues par l’entreprise. Seuls les risques
couverts par le sous-module “risque de marge” ne sont
pas pris en compte.
Dans son évaluation du risque, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance doit s’attacher plus aux
aspects économiques de la contrepartie qu’à sa forme
juridique selon le principe dit de “substance over form”.
1.6. Risque lié aux immobilisations incorporelles
(intangible asset risk)
Ce module a été introduit par le Règlement
2015/35 (articles 87 et 203). Il concerne les actifs non
monétaires identifiables sans substance physique.
2. Exigence de capital pour risque opérationnel
(operational risk)
Outre le capital de solvabilité requis de base (Basic
SCR), les entreprises d’assurance et de réassurance
doivent calculer une exigence de fonds propres en vue
de faire face aux risques opérationnels (article 163 en
projet, transposant l’article 107 de la Directive), c’est-à-
dire aux risques de pertes directes ou indirectes dues à
une inadéquation ou à une défaillance des procédures
de l’entreprise (contrôle interne, règles de sécurité…),
de son personnel (erreur, fraude, départ ou absence de
personnel qualifié…), des systèmes internes (pannes
informatiques…) ou à des évènements externes non
planifiés (incendie, inondation…).
Ce module ne prend pas en compte les risques qui
le sont par d’autres modules. L’exigence de capital
peut être calculée en fonction des primes acquises ou
des provisions techniques (article 204 du Règlement
2015/35).
152
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3. Correctie voor het vermogen van de technische
voorzieningen en de uitgestelde belastingen om
verliezen te compenseren (Adjustment for the loss-
absorbing capacity)
Aan de hand van deze module kan een verlaging van
het eigenvermogensvereiste worden berekend ingeval
de verliezen van de onderneming kunnen worden ver-
minderd door hetzij een verlaging van haar technische
voorzieningen hetzij een verlaging van haar uitgestelde
belastingen, hetzij een combinatie van beide.
Wat de technische voorzieningen betreft, bestaat
het vermogen om verliezen te compenseren in de mo-
gelijkheid voor de onderneming om de (niet-verplichte)
discretionaire winstdelingen te verlagen. De onderlig-
gende overweging is dat de onderneming, in geval van
een ongunstige ontwikkeling, minder winstdelingen
mag uitkeren. Aangezien de toekomstige winstdelingen
moesten worden geboekt in de technische voorzie-
ningen, vertaalt dit zich in een vermindering van die
voorzieningen. Een noodzakelijke voorwaarde is dat
de onderneming daadwerkelijk over de contractuele of
wettelijke mogelijkheid moet beschikken om die winst-
delingen te verlagen.
De uitgestelde belastingen (deferred taxes) zijn een
bedrag dat voortvloeit uit het verschil in beoordeling van
een actief of passief volgens de regels van Solvabiliteit
II en de nationale boekhoud- of belastingregels. Zo zal
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een
uitgestelde belasting moeten boeken op het passief
van de balans volgens Solvabiliteit II om rekening te
houden met het feit dat de verkoop van een actief een
belastbare meerwaarde zal genereren die momenteel
niet is opgenomen in de jaarrekening die opgesteld is
volgens de nationale boekhoudnormen.
De overweging die wordt gehanteerd met betrekking
tot het vermogen om verliezen te compenseren, is dat
deze de latente meerwaarden zullen verminderen en
dat de onderneming dienovereenkomstig het bedrag
aan uitgestelde belastingen zal kunnen verlagen dat
wordt geboekt op het passief van haar balans volgens
Solvabiliteit II. Aangezien het eigen vermogen werd
gedefinieerd als het positieve verschil van de activa
ten opzichte van de passiva, heeft deze verlaging au-
tomatisch een verhoging van het eigen vermogen van
de onderneming tot gevolg.
De correctie voor het vermogen om verliezen te
compenseren maakt het voorwerp uit van ontwerpartikel
161, dat artikel 108 van de Richtlijn omzet, en van de
artikelen 205 tot 207 van Verordening 2015/35.
— Vereenvoudigde berekeningen
3. Ajustement destiné à tenir compte de la
capacité d’absorption des pertes des provisions
techniques et des impôts différés (Adjustment for
the loss-absorbing capacity)
Ce module permet de calculer une diminution de
l’exigence de fonds propres dans le cas où les pertes de
l’entreprise peuvent être diminuées soit par une réduc-
tion de ses provisions techniques soit une réduction
de ses impôts différés, soit une combinaison des deux.
En ce qui concerne les provisions techniques, la
capacité d’absorption des pertes réside dans la pos-
sibilité, pour l’entreprise, de réduire les participations
bénéficiaires discrétionnaires (non obligatoires). L’idée
sous-jacente est qu’en cas d’évolution défavorable,
l’entreprise pourra distribuer moins de participations
bénéficiaires. Comme les participations bénéficiaires
futures ont dû être comptabilisées dans les provisions
techniques, cela se traduit par une diminution de ces
provisions. La condition nécessaire est que l’entreprise
ait réellement la possibilité contractuelle ou légale de
réduire lesdites participations bénéficiaires.
Les impôts différés (deferred taxes) sont un montant
qui découle de la différence d’évaluation d’un actif ou
d’un passif selon les règles en Solvabilité II et les règles
comptables ou fiscales nationales. Ainsi, une entreprise
d’assurance ou de réassurance devra comptabiliser un
impôt différé au passif du bilan Solvabilité II pour tenir
compte du fait que la vente d’un actif dégagera une
plus-value taxable actuellement non exprimée dans les
comptes annuels établis selon les normes comptables
nationales.
L’idée retenue en ce qui concerne la capacité
d’absorption des pertes et que celles-ci diminueront
les plus-values latentes et que l’entreprise pourra en
conséquence réduire le montant d’impôts différés
comptabilisé au passif de son bilan Solvabilité II. Étant
donné que les fonds propres ont été définis comme
l’excédent des actifs sur les passifs, cette diminution
entraîne automatiquement une augmentation des fonds
propres de l’entreprise.
L’ajustement relatif à la capacité d’absorption des
pertes fait l’objet de l’article 161 en projet, qui transpose
l’article 108 de la Directive, et des articles 205 à 207 du
Règlement 2015/35.
— Calculs simplifiés
153
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Ontwerpartikel 165, dat artikel 109 van de Richtlijn
omzet, staat de ondernemingen toe gebruik te maken
van vereenvoudigde berekeningen voor een of meer-
dere (sub)modules “wanneer dit op grond van de aard,
omvang en complexiteit van de risico’s waaraan ze
blootstaan gerechtvaardigd is”. Deze vereenvoudigingen
maken het voorwerp uit van de artikelen 89 tot 112 van
Verordening 2015/35.
— Parameters die specifiek zijn voor de onderneming
Wanneer het risicoprofiel van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming gevoelig verschilt van de
onderliggende hypothesen van de verschillende modu-
les van de standaardformule, mag de onderneming de
parameters van deze modules vervangen door eigen
parameters (parameters die specifiek zijn voor de on-
derneming of undertaking-specific parameters of USP).
Deze mogelijkheid bestaat evenwel uitsluitend voor
de modules met betrekking tot de verzekeringstechni-
sche risico’s (niet-leven, leven en ziektekosten), zoals
bepaald in ontwerpartikel 154, § 7, dat artikel 104, lid
7 van de Richtlijn omzet.
Indien nodig kan de Bank het gebruik van onderne-
mingsspecifieke parameters voor de voornoemde mo-
dules opleggen wanneer ze vaststelt dat het risicoprofiel
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
aanzienlijk afwijkt van de onderliggende hypothesen van
de standaardformule. In deze mogelijkheid is voorzien in
ontwerpartikel 166, dat artikel 110 van de Richtlijn omzet.
De ondernemingsspecifieke parameters maken te-
vens het voorwerp uit van de artikelen 218 tot 220 van
Verordening 2015/35.
Onderafdeling III
Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van
geheel of gedeeltelijk interne modellen
Art. 167 tot 188
De ontwerpartikelen 167 tot 188 zetten de artikelen
112 tot 126 van de Richtlijn om. De artikelen 114 en 127,
die betrekking hebben op de uitvoeringsmaatregelen
van de Richtlijn, moeten niet worden omgezet.
— De interne modellen
Artikel 112 van de Richtlijn formuleert de algemene
beginselen inzake interne modellen. Deze beginse-
len worden omgezet in ontwerpartikel 167. Middels
voorafgaande goedkeuring van de Bank mogen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen het
L’article 165 en projet, transposant l’article 109 de
la Directive, autorise les entreprises à faire usage de
calculs simplifiés pour un ou plusieurs (sous-)modules
“lorsque la nature, l’ampleur et la complexité des
risques auxquels elles sont confrontées le justifient”.
Ces simplifications font l’objet des articles 89 à 112 du
Règlement 2015/35.
— Paramètres propres à l’entreprise
Lorsque le profil de risque de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance diffère sensiblement des hypothèses
sous-tendant les différents modules de la formule
standard, celle-ci peut remplacer les paramètres de
ces modules par des paramètres qui lui sont propres
(paramètres propres à l’entreprise ou undertaking spe-
cific parameters ou USP).
Cette faculté n’existe toutefois que pour les modules
relatifs aux risques de souscription (non-vie, vie et
santé), ainsi que le prévoit l’article 154, § 7 en projet,
transposant l’article 104, paragraphe 7 de la Directive.
Au besoin, la Banque peut imposer l’utilisation de pa-
ramètres propres pour les modules précités lorsqu’elle
constate que le profil de risque de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance s’écarte sensiblement des
hypothèses sous-tendant la formule standard. Cette
possibilité est prévue par l’article 166 en projet, qui
transpose l’article 110 de la Directive.
Les paramètres propres à l’entreprise font également
l’objet des articles 218 à 220 du Règlement 2015/35.
Sous-section III
Capital de solvabilité requis calculé selon des modèles
internes intégraux ou partiels
Art. 167 à 188
Les articles 167 à 188 en présent projet transposent
les articles 112 à 126 de la Directive. Les articles 114 et
127, qui concernent les mesures d’exécution de la
Directive, ne nécessitent pas de transposition.
— Les modèles internes
L’article 112 de la Directive énonce les principes
généraux en matière de modèles internes. Ces prin-
cipes sont transposés à l’article 167 en présent projet.
Moyennant l’approbation préalable de la Banque, les
entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
154
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen aan de hand
van interne modellen. Deze modellen treden geheel of
gedeeltelijk in de plaats van de modules van de stan-
daardformule voor wat het kern-SCR betreft (zie de
artikelen 154 tot 161), van de module voor de bereke-
ning van het operationeel risico (zie artikel 163) of van
de berekening van de correctie om rekening te houden
met het vermogen om de verliezen aan technische voor-
zieningen en uitgestelde belastingen te compenseren
(zie artikel 164). Het is ook mogelijk om een gedeeltelijk
intern model slechts toe te passen op bepaalde risico’s,
bepaalde activiteiten of bepaalde diensten van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming, bijvoorbeeld
een specifieke verzekeringstak.
— Goedkeuring
De interne modellen moeten voldoen aan verscheide-
ne vereisten: haalbaarheidstests (use test), kwaliteit van
de statistische gegevens (statistical quality standards),
kalibrering (calibration standards), validering (validation
standards) en documentatie (documentation standards).
De Bank hecht haar goedkeuring aan een intern mo-
del op basis van een gedocumenteerd dossier (art. 187)
dat aantoont dat het model voldoet aan de kwaliteiten
die vereist zijn krachtens de artikelen 174 tot 187. Deze
voorwaarden kunnen als volgt worden samengevat:
1°) berusten op passende “systemen voor de iden-
tificering, de meting, de bewaking, het beheer en de
melding van de risico’s” (art. 167, § 5);
2°) berusten op relevante, coherente en realistische
actuariële methodes (art. 176) die de onderneming kan
rechtvaardigen;
3°) juiste, volledige, gepaste en ten minste eenmaal
per jaar bijgewerkte gegevens gebruiken (art. 177);
4°) alle materiële risico’s bestrijken waaraan de on-
derneming blootstaat, op grote schaal worden gebruikt
en een belangrijke rol spelen in de governance van de
onderneming, en met name in haar risicobeheersysteem
en bij de allocatie van haar kapitaal (art. 178);
5°) verantwoord zijn met betrekking tot de correlaties
tussen de risico’s en de risicomatigingstechnieken (her-
verzekeringen, effectiseringsvehikels …) op voorwaarde
dat, in dit laatste geval, rekening wordt gehouden met
de risico’s die verbonden zijn aan deze technieken
(kredietrisico’s …) (artikelen 179 en 180);
6°) rekening houden met de risico’s die verbonden
zijn aan de verstrekte financiële garanties (waarborg
met betrekking tot het rendement of het behoud van
calculer le capital de solvabilité requis au moyen de
modèles internes. Ces derniers se substituent, partielle-
ment ou totalement, aux modules de la formule standard
en ce qui concerne le SCR de base (voir les articles
154 à 161), au module de calcul du risque opérationnel
(voir l’article 163) ou au calcul de l’ajustement visant à
tenir compte de la capacité d’absorption des pertes des
provisions techniques et des impôts différés (voir l’article
164). Il est également possible de n’appliquer un modèle
interne partiel qu’à certains risques, certaines activités
ou certains services de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance, comme par exemple, une branche
d’assurance particulière.
— Approbation
Les modèles internes doivent répondre à plusieurs
exigences: tests de faisabilité (use test), qualité des don-
nées statistiques (statistical quality standards), calibra-
tion (calibration standards), validation (validation stan-
dards) et documentation (documentation standards).
L’approbation d’un modèle interne par la Banque
se fait sur la base d’un dossier documenté (art. 187)
démontrant que le modèle répond aux qualités requises
en vertu des articles 174 à 187. Ces conditions peuvent
être résumées comme suit:
1°) reposer sur des “systèmes d’identification, de
mesure, de contrôle, de gestion et de déclaration des
risques” adéquats (art. 167, § 5);
2°) reposer sur des techniques actuarielles perti-
nentes, cohérentes et réalistes (art. 176) que l’entreprise
peut justifier;
3°) utiliser des données exactes, exhaustives, appro-
priées et actualisées au moins une fois l’an (art. 177);
4°) couvrir tous les risques importants auxquels
l’entreprise est exposée, être largement utilisé et jouer
un rôle important dans la gouvernance de l’entreprise,
notamment en ce qui concerne la gestion des risques
et l’allocation du capital (art. 178);
5°) être justifié en ce qui concerne les corrélations
entre risques et les techniques d’atténuation des risques
(réassurance, véhicules de titrisation…) à condition,
dans ce dernier cas, de tenir compte des risques liés à
ces techniques (risques de crédit…) (articles 179 et 180);
6°) tenir compte des risques liés aux garanties
financières consenties (garantie de taux de rendement,
de conservation du capital…) octroyées, ainsi qu’aux
155
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
kapitaal…), alsook aan de opties (voortijdige beëindi-
ging, afkoop, reductie, herziening…) (art. 181);
7°) rekening houden met alle betalingen die verricht
moeten worden aan de verzekeringnemers, inclusief de
betalingen die niet contractueel gegarandeerd zijn zoals
de restorno’s en de winstdelingen (art. 183).
Het interne model mag rekening houden met toe-
komstige beheermaatregelen (future management
actions) zoals een tariefverhoging of een wijziging van
de contractuele voorwaarden. Het moet echter rekening
houden met de tijd die nodig is voor de tenuitvoerlegging
van deze maatregelen (art. 182).
Het interne model mag anders gekalibreerd zijn dan
de standaardformule, zowel wat betreft de periode
(een jaar in de standaardformule) als wat betreft de
betrouwbaarheidsgraad (value at risk met een betrouw-
baarheidsgraad van 99,5 % in de standaardformule), op
voorwaarde dat het op die manier berekende solvabili-
teitskapitaalvereiste dezelfde beschermingsgraad aan
de verzekeringnemers, de verzekerden en de begun-
stigden garandeert als wanneer het zou zijn berekend
met de standaardformule (art. 184, eerste lid).
Gelet op het nieuwe en complexe karakter van
de interne modellen en de relatief korte termijn die
vastgelegd is in artikel 167, § 4, mag de Bank deze
modellen goedkeuren met inachtneming van bepaalde
voorwaarden en termijnen (terms and conditions). Het
betreft voorwaarden waaraan de ondernemingen moe-
ten voldoen binnen een bepaalde termijn, bij gebreke
waarvan hun goedkeuring wordt ingetrokken. Deze ter-
mijnen en voorwaarden maken de goedkeuring van een
model mogelijk, wanneer het nog niet zeker is dat alle
aspecten ervan ten volle voldoen aan de reglementaire
criteria. Hierdoor kunnen de onzekerheden die inherent
zijn aan de resultaten van het interne model, op termijn
worden beperkt.
— Werking van het interne model
Eens het interne model door de Bank goedgekeurd,
is de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verplicht dit te gebruiken. Ze mag slechts terugvallen
op de standaardformule als de omstandigheden dit
rechtvaardigen en met de voorafgaande goedkeuring
van de Bank (art. 171).
In principe moet het solvabiliteitskapitaalvereiste
rechtstreeks worden berekend aan de hand van het in-
terne model, maar de Bank mag ook toestaan dat bij de
berekening van het SCR benaderingen (proxies) worden
gebruikt, voor zover dit de beschermingsgraad van de
verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden
options (cessation, rachat, réduction, révision…) (art.
181);
7°) tenir compte de tous les paiements à effectuer
aux preneurs d’assurance y compris ceux qui ne sont
pas contractuellement garantis tels que les ristournes
et les participations bénéficiaires (art. 183);
Le modèle interne peut tenir compte des actions
futures de gestion (future management actions) telles
qu’une hausse de tarif ou une modification des condi-
tions contractuelles. Cependant, il doit tenir compte du
temps nécessaire à la mise en œuvre de ces actions
(art. 182).
Le modèle interne peut être calibré différemment de
la formule standard tant en ce qui concerne l’horizon
temporel (un an dans la formule standard) qu’en ce
qui concerne le niveau de confiance (valeur en risque
avec un niveau de confiance de 99,5 % dans la formule
standard) à condition que le capital de solvabilité requis
calculé de cette manière garantisse un même niveau de
protection aux preneurs, assurés et bénéficiaires que
s’il était calculé par la formule standard (art. 184, al. 1er).
Eu égard à la nouveauté et à la complexité des
modèles internes et au délai relativement court fixé
par l’article 167, § 4, la Banque peut les approuver
moyennant des conditions et des délais (terms and
conditions). Il s’agit de conditions que les entreprises
devront remplir dans un certain délai, sous peine de
voir leur autorisation retirée. Ces délais et conditions
permettent l’approbation d’un modèle, lorsqu’il n’est
pas encore certain que tous ses aspects respectent
pleinement les critères réglementaires. Cela permet
aussi de réduire, à terme, les incertitudes présentes
dans les résultats du modèle interne.
— Fonctionnement du modèle interne
Une fois le modèle interne approuvé par la Banque,
l’entreprise d’assurance ou de réassurance a l’obliga-
tion de l’utiliser. Elle ne peut revenir à la formule stan-
dard que si les circonstances le justifient et moyennant
l’approbation préalable de la Banque (art. 171).
En principe, le capital de solvabilité requis doit être
calculé directement au moyen du modèle interne mais
la Banque peut autoriser l’usage d’approximations
(proxies) dans le processus de calcul du SCR pour
autant que cela ne réduise par le niveau de protection
des preneurs, assurés et bénéficiaires par rapport à la
156
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
niet vermindert in vergelijking met de standaardformule
(art. 184, tweede en derde lid). Deze proxies zullen
vooral worden gebruikt door de kleinste ondernemingen.
— Monitoring en controle
De verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
moeten hun interne modellen regelmatig verifiëren. Ze
moeten er in het bijzonder op toezien dat de gehan-
teerde hypothesen en de verkregen resultaten overeen-
stemmen met de reële gegevens die van toepassing
zijn op de onderneming (art. 186). Ze moeten tevens de
coherentie aantonen tussen de risicocategorieën van
het model en de oorzaken van de winst en het verlies
van de onderneming (art. 185).
De verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen moeten een beleid opstellen voor de wijziging van
hun interne modellen, dat door de Bank moet worden
goedgekeurd. Dit beleid moet de ingrijpende van de
niet-ingrijpende wijzigingen onderscheiden. Elke in-
grijpende wijziging moet vooraf door de Bank worden
goedgekeurd, net als het interne model zelf (art. 169).
Indien een intern model duidelijk niet meer voldoet
aan de vereisten van de artikelen 171 tot 184, dat wil
zeggen aan de voorwaarden voor de goedkeuring ervan,
moet de onderneming aan de Bank een plan voorleggen
om de situatie te herstellen. De termijn hiervoor moet zo
kort mogelijk zijn. Toch legt de wet, gelet op de complexi-
teit van bepaalde modellen en de tijd die nodig is voor de
aanpassing ervan, geen precieze termijn op. Afhankelijk
van het specifieke geval zal het evenredigheidsbeginsel
moeten worden toegepast. Als de onderneming het plan
om de situatie te herstellen niet ten uitvoer legt, of als
zij met dit plan geen resultaat bereikt binnen de vastge-
stelde termijn, kan de Bank eisen dat de onderneming
terugvalt op de standaardformule (art. 172).
— Modellen van derden en modellen opgelegd door
de Bank
Een onderneming mag gebruik maken van een door
haarzelf of door een derde onderneming ontwikkeld
intern model. Dit laatste model moet voldoen aan de-
zelfde vereisten als was het door de onderneming zelf
ontwikkeld (art. 188).
De keuze tussen de standaardformule en een intern
model wordt in principe gemaakt door de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming. Als het risicoprofiel
van de onderneming echter niet overeenstemt met de
onderliggende hypothesen van de standaardformule,
kan de Bank het gebruik van een geheel of gedeeltelijk
intern model opleggen (art. 173).
formule standard (art. 184, alinéas 2 et 3). Ces proxies
seront surtout utilisés par les plus petites entreprises.
— Suivi et contrôle
Les entreprises d’assurance et de réassurance
doivent vérifier régulièrement leurs modèles internes. En
particulier, elles doivent s’assurer que les hypothèses
retenues et les résultats produits correspondent aux
données réelles applicables à l’entreprise (art. 186).
Elles doivent également démontrer la cohérence entre
les catégories de risques du modèle et les origines des
pertes et profits de l’entreprise (art. 185).
Les entreprises d’assurance et de réassurance
doivent établir une politique de modification de leurs
modèles internes, qui doit être approuvée par la Banque.
Cette politique doit distinguer les modifications majeures
des modifications mineures. Toute modification majeure
doit être préalablement approuvée par la Banque de la
même manière que le modèle interne lui-même (art.
169).
Si un modèle interne ne répond plus, de manière
significative, aux exigences des articles 171 à 184, c’est-
à-dire aux conditions requises pour son approbation,
l’entreprise doit soumettre à la Banque un plan de retour
à la conformité. Le délai pour ce retour à la conformité
doit être le plus court possible. Néanmoins, eu égard à
la complexité de certains modèles et au temps requis
pour leur adaptation, la loi ne fixe aucun délai précis. Il
y aura lieu, selon le cas d’espèce, de faire application
du principe de proportionnalité. Si l’entreprise ne met
pas en œuvre le plan de retour à la conformité ou si
ce plan ne produit pas de résultat dans le délai fixé,
la Banque peut exiger que l’entreprise revienne à la
formule standard (art. 172).
— Modèles tiers et modèles imposés par la Banque
Une entreprise peut utiliser un modèle interne qu’elle
a développé elle-même ou utiliser un modèle développé
par une entreprise tierce. Ce dernier doit répondre aux
mêmes exigences que s’il avait été développé par
l’entreprise elle-même (art. 188).
Le choix entre la formule standard et un modèle
interne est en principe celui de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance. Toutefois, si le profil de risque de
l’entreprise ne correspond pas aux hypothèses sous-
jacentes de la formule standard, la Banque peut imposer
l’usage d’un modèle interne partiel ou intégral (art. 173).
157
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— Rol van het wettelijk bestuursorgaan
Het wettelijk bestuursorgaan dient het interne model
goed te keuren dat aan de Bank ter goedkeuring zal
worden voorgelegd (art. 170), alsook het beleid van de
onderneming inzake de wijziging van de modellen die ze
hanteert (artikelen 169 en 170). Het dient er tevens op
toe te zien dat het model geschikt is voor het risicoprofiel
van de onderneming (artikelen 170 en 174, derde lid).
Onderafdeling IV
Minimumkapitaalvereiste
Art. 189
— Begrip
Deze bepaling zet artikel 129 van de Richtlijn om,
dat betrekking heeft op het minimumkapitaalvereiste
(Minimum capital requirement of MCR). Dit vereiste kan
worden gezien als het eigenvermogensniveau waaron-
der een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
niet langer als levensvatbaar kan worden beschouwd.
De niet-naleving van dit vereiste kan leiden tot herstel-
maatregelen op zeer korte termijn en tot een intrekking
van de vergunning ingeval de herstelmaatregelen geen
resultaat opleveren (zie de artikelen 511 en 541).
Het minimumkapitaalvereiste stemt overeen met
het huidige waarborgfonds als bepaald in artikel 15ter
van de wet van 9 juli 1975 en artikel 23 van de wet van
16 februari 2009.
— Berekeningswijze
Net als het waarborgfonds wordt het minimumka-
pitaalvereiste berekend als een functie van het solva-
biliteitskapitaalvereiste met een absolute ondergrens.
De functie waarvan hierboven sprake, is een lineaire
functie van het solvabiliteitskapitaalvereiste die ge-
bruikmaakt van de volgende variabelen: de technische
voorzieningen, de onderschreven premies, het risicoka-
pitaal, de uitgestelde belastingen en de administratieve
kosten. Deze functie wordt gekalibreerd op grond van
de value at risk van de onderneming met een betrouw-
baarheidsgraad van 85 % over een periode van een jaar.
Het MCR mag niet dalen onder 25 % noch uitstijgen
boven 45 % van het SCR (art. 189, § 1, 3°, § 2 en § 3).
De berekeningswijze van het MCR wordt bepaald in de
artikelen 248 tot 253 van Verordening 2015/35.
Het MCR moet eens per kwartaal worden berekend
en het resultaat moet aan de Bank worden gemeld, in
— Rôle de l’organe légal d’administration
L’organe légal d’administration doit approuver le
modèle interne qui sera soumis à l’approbation de la
Banque (art. 170), ainsi que la politique de l’entreprise
concernant la modification des modèles qu’elle utilise
(articles 169 et 170). Il doit également veiller à l’adé-
quation du modèle au profil de risque de l’entreprise
(articles 170 et 174, al. 3).
Sous-section IV
Minimum de capital requis
Art. 189
— Notion
Cette disposition transpose l’article 129 de la Directive
concernant le minimum de capital requis (Minimum capi-
tal requirement ou MCR). Cette exigence peut être vue
comme le niveau de fonds propres en dessous duquel
une entreprise d’assurance ou de réassurance ne peut
plus être considérée comme viable. Le non-respect de
cette exigence justifiera des mesures de redressement
à très court terme et pourra faire l’objet d’un retrait
d’agrément en cas d’échec (voir les articles 511 et 541).
Le minimum de capital requis correspond à l’actuel
fonds de garantie prévu par l’article 15ter de la loi du
9 juillet 1975 et l’article 23 de la loi du 16 février 2009.
— Mode de calcul
Comme le fonds de garantie, le minimum de capital
requis est calculé comme une fonction du capital de
solvabilité requis avec un seuil absolu.
La fonction dont question ci-dessus est une fonc-
tion linéaire du capital de solvabilité requis qui utilise
comme variable les provisions techniques, les primes
souscrites, le capital sous risque, les impôts différés et
les dépenses administratives. Cette fonction est calibrée
selon la valeur en risque (Value at risk) de l’entreprise
avec un niveau de confiance de 85 % à l’horizon d’un
an. Le MCR n’est pas inférieur à 25 % ni supérieur à
45 % du SCR. (art. 189, § 1er, 3°, § 2 et § 3). Le mode de
calcul du MCR est précisé par les articles 248 à 253 du
Règlement 2015/35.
Le MCR doit être calculé une fois par trimestre et le ré-
sultat notifié à la Banque, accompagné, le cas échéant,
158
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voorkomend geval met een verklaring waarom het eigen
vermogen van de onderneming het wettelijk vereiste
niveau niet bereikt (art. 189, § 4), met name waarom het
MCR lager is dan 25 % of hoger dan 45 % van het SCR.
— Absolute ondergrens
De absolute ondergrens van het MCR wordt bepaald
in artikel 189, § 1, 4°. Deze bedragen, die begrepen zijn
tussen 1 200 000 EUR en 3 700 000 EUR naargelang
van de activiteiten en takken, stemmen overeen met de
huidige bedragen van het absolute minimum van het
waarborgfonds (artikel 19 van het Algemeen Reglement
en artikel 15 van de wet van 16 februari 2009).
Punt d) van artikel 189, § 1, 4° heeft betrekking op
de ondernemingen die actief zijn in zowel levensverze-
keringen als niet-levensverzekeringen. Er zij verwezen
naar de commentaar bij artikel 225.
Afdeling III
Beleggingen
Onderafdeling I
Prudent person”-beginsel
Art. 190
Dit artikel zet artikel 132, lid 1 van de Richtlijn om.
Voor wat betreft de regels inzake belegging van de
activa van de verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen, vormt de Richtlijn een radicale breuk ten
opzichte van de richtlijnen van de vorige generatie.
Terwijl die laatste uitvoerig specificeerden in welke
categorieën van activa de ondernemingen mochten
beleggen, en de quota vermeldden die op elk van deze
categorieën van toepassing waren, legt de Richtlijn een
algemeen voorzichtigheidsbeginsel op, dat ze omschrijft
als “prudent person principle” of PPP.
Dit beginsel wordt gedetailleerd beschreven in de
volgende artikelen. Het zal waarschijnlijk worden be-
handeld in de uitvoeringsverordeningen van de Richtlijn
(niveau 2) en in de richtsnoeren van EIOPA (niveau
3). Aangezien dit nog niet vaststaat, wordt evenwel
bepaald dat de Bank dit begrip kan verduidelijken bij
reglement. Deze machtiging is noodzakelijk aangezien
dit beginsel tot op heden nog niet het voorwerp heeft
uitgemaakt van een gedelegeerde handeling van de
Europese Commissie. Het “prudent person”-beginsel
wordt enkel behandeld in de richtsnoeren van EIOPA
met betrekking tot het governancesysteem, en enkel
vanuit organisatorisch oogpunt.
d’une explication sur les raisons pour lesquelles les
fonds propres de l’entreprise n’atteignent pas le niveau
légalement requis. (art. 189, § 4), notamment pourquoi
le MCR n’atteint pas 25 % ou dépasse 45 % du SCR.
— Seuil absolu
Le seuil absolu du MCR est déterminé à l’article 189,
§ 1er, 4°. Ces montants, compris entre 1 200 000 EUR
et 3 700 000 EUR selon les activités et les branches,
correspond aux montants actuels du minimum absolu
du fonds de garantie (article 19 du Règlement Général
et article 15 de la loi du 16 février 2009).
Le point d) de l’article 189, § 1er, 4° concerne les entre-
prises pratiquant à la fois l’assurance vie et l’assurance
non-vie. Il est renvoyé au commentaire de l’article 225.
Section III
Des investissements
Sous-section Ire
Principe de la personne prudente
Art. 190
Cet article transpose l’article 132, paragraphe 1er de
la Directive.
En ce qui concerne les règles d’investissement des
actifs des entreprises d’assurance et de réassurance, la
Directive introduit une rupture fondamentale par rapport
aux directives de la génération précédente. Alors que
celles-ci détaillaient précisément les catégories d’actifs
dans lesquels les entreprises pouvaient investir, ainsi
que les quotas applicables à chacune de ces catégories,
la Directive impose un principe général de prudence,
qu’elle qualifie de “principe de la personne prudente”
(prudent person principle ou encore PPP).
Ce principe est détaillé dans les articles qui suivent.
Il est susceptible de faire l’objet de développements
dans les règlements d’exécution de la Directive (niveau
2) et les orientations de l’EIOPA (niveau 3). Eu égard à
l’incertitude quant à la concrétisation de ces dévelop-
pements, il est néanmoins prévu que la Banque puisse,
par la voie de règlement, préciser cette notion. Cette
habilitation s’avère nécessaire dans la mesure où ce
principe ne fait, à ce jour, pas l’objet d’un acte délégué
de la Commission européenne. Seules des orientations
de l’EIOPA relatives au système de gouvernance traitent
du principe de la personne prudente mais toutefois sous
le seul angle organisationnel.
159
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Aangezien de recente crises waarmee de financiële
sector te kampen had onder andere te wijten waren aan
een slecht begrip en/of een slechte beheersing van de
risico’s die verbonden zijn aan beleggingen, leek het
nuttig een concrete inhoud te geven aan dit beginsel.
Bij de verduidelijking van dit beginsel zal dus moeten
worden uitgegaan van de werkzaamheden ter zake
binnen EIOPA en moet erop gelet worden dat er geen
concurrentieverstoringen teweeg worden gebracht.
Art. 191
Dit artikel zet artikel 132, lid 2 van de Richtlijn om en
verduidelijkt het prudent person-beginsel.
De eerste regel is dat het beleggingscriterium voor
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
hun vermogen moet zijn om de risico’s die verbonden
zijn aan de activa waarin ze beleggen, te identificeren,
te bewaken, te beheren, te beheersen en te rapporteren
(zie artikel 91, § 1, tweede lid, 1°).
De tweede regel vereist dat de beleggingen de vei-
ligheid, de kwaliteit, de liquiditeit, het rendement en de
congruentie van de activaportefeuille als geheel waar-
borgen. Het congruentievereiste, dat wil zeggen het feit
dat de activa moeten luiden in dezelfde valuta als die
van de verplichtingen, werd toegevoegd ten opzichte
van de tekst van de Richtlijn. Het is overgenomen uit
de huidige bepalingen (artikel 21, § 1, a) van de wet van
16 februari 2006 en artikel 10, § 2, eerste lid, eerste zin
van het Algemeen Reglement). Het is ook belangrijk op
te merken dat de lokalisatie van de activa de beschik-
baarheid ervan moet kunnen garanderen.
Wat ook nieuw is in de Richtlijn, is dat de beginselen
inzake belegging niet alleen gelden voor de dekkings-
waarden van de technische voorzieningen, maar ook
voor de activa die het eigen vermogen dekken (en
specifiek het minimumkapitaalvereiste). De bepalingen
die voorheen uitsluitend van toepassing waren op de
dekkingswaarden van de technische voorzieningen, zijn
voortaan ook van toepassing op alle beleggingen van
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
Voor wat de dekkingswaarden van de technische
voorzieningen betreft, wordt de nadruk evenwel gelegd
op hun toereikendheid ten aanzien van de aard en de
looptijd van de verzekerings- en herverzekeringsver-
plichtingen. Met andere woorden, van de verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen wordt verlangd dat
ze een ALM-beheer ontwikkelen.
Dès lors qu’une des causes à l’origine des récentes
crises, qui ont touché le secteur financier réside dans
une mauvaise compréhension/maîtrise des risques
liés aux investissements, il est apparu opportun de
permettre l’élaboration d’un contenu plus concret audit
principe. La précision qui serait ainsi donnée au principe
devra nécessairement se baser sur les travaux en la
matière au sein d’EIOPA et veiller à ne pas générer de
distorsions concurrentielles.
Art. 191
Cet article transpose l’article 132, paragraphe 2 de la
Directive et précise le principe de la personne prudente.
La première règle est que le critère d’investissement
pour les entreprises d’assurance et de réassurance doit
être leur capacité à identifier, suivre, gérer, contrôler et
déclarer les risques liés aux actifs dans lesquels elles
investissent (voir l’article 91, § 1er, alinéa 2, 1°).
La deuxième règle exige que les investissements
garantissent la sécurité, la qualité, la liquidité, la ren-
tabilité et la congruence du portefeuille d’actifs dans
son ensemble. L’exigence de congruence, c’est-à-
dire le fait que les actifs soient libellés dans la même
devise que celle des engagements a été ajoutée par
rapport au texte de la Directive. Elle est reprise des
dispositions actuelles (article 21, § 1er, a) de la loi du
16 février 2006 et article 10, § 2, al. 1er, première phrase
du Règlement Général). Il est important de noter aussi
que la localisation des actifs doit permettre d’en garantir
la disponibilité.
Ce qui est également nouveau dans la Directive est
que les principes en matière d’investissement valent non
seulement pour les actifs représentatifs des provisions
techniques mais aussi pour ceux représentant les fonds
propres (et spécialement le minimum de capital requis).
Les dispositions autrefois applicables uniquement aux
seules valeurs représentatives des provisions tech-
niques se voient désormais applicables à l’ensemble
des placements des entreprises d’assurance et de
réassurance.
Néanmoins, pour ce qui concerne les actifs repré-
sentatifs des provisions techniques, l’accent est mis
sur leur adéquation par rapport à la nature et à la durée
des engagements d’assurance ou de réassurance. En
d’autres termes, il est requis des entreprises d’assu-
rance et de réassurance qu’elles développent une
gestion ALM.
160
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor de dekkingswaarden van de technische voor-
zieningen introduceert de Richtlijn daarenboven twee
aanvullende regels. De eerste regel is dat ze moeten
worden belegd “in het belang van alle verzekering-
nemers en begunstigden”. Zoals hij wordt uitgedrukt,
impliceert deze regel dat de onderneming op het niveau
van de beleggingen niet mag discrimineren tussen de
verschillende categorieën van verzekeringnemers en/
of begunstigden. De tweede regel is dat, in geval van
conflict tussen de belangen van de verzekeringnemers
en begunstigden en die van de onderneming, haar
aandeelhouders of medecontractanten (buiten de ver-
zekeringnemers en begunstigden), de onderneming
prioriteit moet verlenen aan het waarborgen van de
belangen van de verzekeringnemers en begunstigden.
Deze regel geldt ook voor de entiteiten die, in het kader
van een uitbesteding, de activa van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen beheren.
Art. 192
Deze bepaling, die artikel 132, lid 3 van de Richtlijn
omzet, heeft uitsluitend betrekking op de levensver-
zekeringsproducten waarbij het risico wordt gedragen
door de verzekeringnemer, dat wil zeggen vooral de
levensverzekeringsproducten gekoppeld aan beleg-
gingsfondsen die vallen onder tak 23 van Bijlage II bij
de wet. Ze is niet van toepassing wanneer de overeen-
komst voorziet in een waarborg met betrekking tot het
rendement of het behoud van het kapitaal of elke andere
vorm van waarborg (zie laatste lid).
Ontwerpartikel 192 bevat twee regels die een aan-
vulling vormen op die welke werden besproken onder
artikel 191.
De eerste regel is van toepassing wanneer de uit-
kering gekoppeld is aan de waarde van rechten van
deelneming in een ICBE, bijvoorbeeld aan de waarde
van een SICAV, of van een intern fonds van de onderne-
ming, bijvoorbeeld een mandje van aandelen of effecten.
In dat geval moet de onderneming, ter dekking van de
technische voorzieningen, activa aanhouden die “zo
exact mogelijk” de activa dekken waaraan de uitkering
is gekoppeld. De tweede regel heeft betrekking op de
overeenkomsten waarvan de uitkering wordt bepaald
aan de hand van een aandelenindex, bijvoorbeeld een
beursindex of een referentiewaarde. Ook in dat geval
wordt geëist dat de onderneming, ter dekking van de
technische voorzieningen van die overeenkomsten, ac-
tiva aanhoudt waarmee “zo exact mogelijk” het verloop
van de index of de referentiewaarde kan worden gedekt.
In beide bovengenoemde gevallen wordt geen volledi-
ge overeenstemming geëist tussen de dekkingswaarden
En outre, dans le cas des actifs représentant les
provisions techniques, la Directive introduit deux règles
supplémentaires. La première est qu’ils doivent être
investis “dans le meilleur intérêt de tous les preneurs
et bénéficiaires”. Telle qu’elle est exprimée, cette règle
implique que l’entreprise ne peut introduire de discrimi-
nation, au niveau des investissements, entre différentes
catégories de preneurs et/ou de bénéficiaires. La
seconde règle est qu’en cas de conflit entre les intérêts
des preneurs et bénéficiaires et ceux de l’entreprise, de
ses actionnaires ou de ses cocontractants (autres que
les preneurs et bénéficiaires), l’entreprise doit donner
la priorité à la satisfaction des intérêts des preneurs et
bénéficiaires. Cette règle vaut aussi pour les entités qui
gèrent, dans le cadre d’une sous-traitance, les actifs des
entreprises d’assurance ou de réassurance.
Art. 192
Cette disposition, qui transpose l’article 132, para-
graphe 3 de la Directive, ne concerne que les produits
d’assurance vie dans lesquels le risque est supporté
par le preneur, c’est-à-dire essentiellement les produits
d’assurance vie liés à des fonds d’investissement et
relevant de la branche 23 de l’Annexe II de la loi. Il n’est
pas applicable lorsque le contrat prévoit une garantie de
rendement, de conservation du capital ou toute autre
forme de garantie (voir le dernier alinéa).
L’article 192 en projet contient deux règles complé-
mentaires à celles commentées sous l’article 191.
La première s’applique lorsque la prestation est liée
à la valeur de parts d’un OPCVM, par exemple à la
valeur d’une SICAV, ou d’un fonds interne à l’entreprise,
par exemple, un panier d’actions ou de titres. Dans ce
cas, l’entreprise doit détenir, en représentation des
provisions techniques, des actifs représentant “le plus
étroitement possible”, les actifs auxquels la prestation
est liée. La seconde règle concerne les contrats dont
la prestation est déterminée en fonction d’un indice
d’actions, par exemple un indice boursier, ou une valeur
de référence. Dans ce cas également, on impose que
l’entreprise détienne, en représentation des provisions
techniques de ces contrats, des actifs permettant de
représenter “aussi étroitement que possible”, l’évolution
de l’indice ou de la valeur de référence.
Dans l’un et l’autre cas mentionnés ci-dessus,
il n’est pas exigé une identité totale entre les actifs
161
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
en de activa die als basis dienen voor de berekening van
de verzekeringsuitkering. De uitdrukking “zo exact mo-
gelijk” moet echter in strikte zin worden geïnterpreteerd.
Het beginsel voor de verzekeringsproducten van tak
23 is dat de gestorte premie wordt belegd in welbepaal-
de activa die uitdrukkelijk in de overeenkomst worden
vermeld. Het is dus hoogst uitzonderlijk en tijdelijk dat de
verzekeringsonderneming de technische voorzieningen
met betrekking tot deze producten mag dekken met
andere dan de contractueel bepaalde activa.
Bovendien moet worden verduidelijkt dat de ontwerp-
bepaling geen afbreuk doet aan artikel 20 van de wet
van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Dit laatste
artikel beoogt de consument in België te beschermen
door de indices en waarden te reglementeren waaraan
een verzekeringsovereenkomst mag worden gekoppeld.
De lidstaten zijn immers gemachtigd om dergelijke re-
glementeringen vast te stellen op grond van artikel 133,
lid 2 van de Richtlijn.
Art. 193
Dit artikel, dat artikel 132, lid 4 van de Richtlijn omzet,
heeft betrekking op de andere verzekeringsovereenkom-
sten dan die bedoeld in artikel 192, d.w.z. alle producten
waarvoor de onderneming een waarborg met betrekking
tot het rendement of het behoud van kapitaal of een
andere waarborg verleent. Het bevat tevens aanvul-
lende regels ten opzichte van die van artikel 191 met
betrekking tot bepaalde types van beleggingen. Deze
regels zijn grotendeels overgenomen uit de bestaande
reglementeringen, in het bijzonder artikel 21, § 1, van
de wet van 16 februari 2006 en artikel 10, § 2, eerste
lid van het Algemeen Reglement.
De eerste van die regels bepaalt dat de beleggingen
in derivaten uitsluitend moeten worden beperkt tot de
gevallen waarin die beleggingen de risico’s beogen te
beperken, bijvoorbeeld een renteswap, of het porte-
feuillebeheer beogen te vergemakkelijken. Men denke
hierbij aan een put-optie waarmee de verkoopprijs van
een aandeel kan worden vastgelegd en dus definitief
een meerwaarde op dat aandeel kan worden verworven.
De tweede regel bepaalt dat niet op een geregle-
menteerde markt verhandelde effecten in voorzichtige
volumes moeten worden aangehouden. Dit vereiste
dient te worden beoordeeld aan de hand van de onder-
nemingsspecifieke omstandigheden.
De derde en vierde regel bevatten een algemeen
vereiste tot diversificatie, zowel ten aanzien van een
individuele tegenpartij als ten aanzien van de groep
représentatifs et ceux servant de base de calcul à la
prestation d’assurance. Toutefois, l’expression “aussi
étroitement que possible” doit être prise dans un sens
strict. Le principe, pour les produits d’assurance de la
branche 23, est que la prime versée soit investie dans
des actifs bien déterminés et faisant l’objet de mentions
explicites dans le contrat. Ce n’est donc que de manière
tout à fait exceptionnelle et temporaire que l’entreprise
d’assurance peut être autorisée à représenter les pro-
visions techniques relatives à ces produits par d’autres
actifs que ceux contractuellement prévus.
En outre, il convient de préciser que la disposition
en projet ne porte pas préjudice à l’article 20 de la loi
du 4 avril 2014 relative aux assurances. Ce dernier est
une disposition qui vise à protéger le consommateur
en Belgique en réglementant les indices et valeurs
auxquels un contrat d’assurance peut être lié. Les
États membres sont, en effet, habilités à prendre de
telles réglementations sur la base de l’article 133, para-
graphe 2 de la Directive.
Art. 193
Cet article, qui transpose l’article 132, para-
graphe 4 de la Directive, concerne les contrats d’assu-
rance autres que ceux visés à l’article 192, c’est-à-dire
tous les produits pour lesquels l’entreprise fournit une
garantie de rendement, de conservation du capital ou
autre. Il contient également des règles complémentaires
par rapport à celle de l’article 191 et concernant certains
types de placement. Ces règles sont en grande partie
reprises des réglementations existantes, en particulier
de l’article 21, § 1er, de la loi du 16 février 2006 et de
l’article 10, § 2, al. 1er du Règlement Général.
La première de ces règles impose de limiter les inves-
tissements dans des produits dérivés aux seuls cas où
ces placements visent à réduire les risques, par exemple
un swap de taux, ou à faciliter la gestion du portefeuille.
On peut ainsi imaginer une option put qui permet de
fixer le prix de vente d’une action et donc d’acquérir
de manière définitive une plus-value sur cette action.
La deuxième règle impose que les titres non négo-
ciés sur un marché réglementé soient maintenus à des
niveaux prudents, cette exigence devant être appré-
ciée en fonction des circonstances propres à chaque
entreprise.
Les troisième et quatrième règles reprennent l’exi-
gence générale de diversification tant vis-à-vis d’une
contrepartie individuelle que du groupe d’entreprises
162
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van ondernemingen waartoe die tegenpartij behoort.
Tevens moet een te sterke geografische concentratie
van de beleggingen worden vermeden. Daarentegen
legt de ontwerpwet, overeenkomstig de Richtlijn, geen
maximaal percentage aan beleggingen in bepaalde
categorieën van activa op. Dergelijke limieten kunnen
immers niet langer worden opgelegd met toepassing
van artikel 133, lid 1 van de Richtlijn.
Het zij tevens opgemerkt dat artikel 133, lid 2 van de
Richtlijn de lidstaten verbiedt om de beleggingsbeslis-
singen van de verzekerings- en herverzekeringson-
dernemingen te onderwerpen aan een voorafgaande
goedkeuring.
Onderafdeling II
Bijhouden van een doorlopende inventaris
Art. 194 en 195
Onder de huidige regeling bestaat een van de belang-
rijkste verplichtingen van de verzekeringsondernemin-
gen erin onder de naam technische reserves of techni-
sche voorzieningen de verplichtingen te berekenen en te
boeken die op hen rusten, zowel voor de uitvoering van
de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten, als
voor de toepassing van de wettelijke of reglementaire
bepalingen met betrekking tot die verrichtingen (art. 16,
§ 1 van de wet van 9 juli 1975). Die reserves of voorzie-
ningen moeten op elk ogenblik op het actief van de ba-
lans gedekt zijn door gelijkwaardige activa die in volle ei-
gendom toebehoren aan de verzekeringsonderneming,
en die in het bijzonder zijn toegewezen als waarborg van
de hierboven bedoelde verplichtingen, per afzonderlijk
beheer. Deze activa vormen de dekkingswaarden. De
dekkingswaarden van de technische voorzieningen en
schulden dienen rekening te houden met het type van
verrichtingen die door de verzekeringsonderneming
worden uitgevoerd om de veiligheid, het rendement en
de liquiditeit van de beleggingen te garanderen. Ook
moeten een passende diversificatie en spreiding van
de beleggingen worden gerespecteerd. Het algemeen
reglement formuleert talrijke regels met betrekking tot
met name de lokalisatie van deze activa, de toegelaten
beleggingscategorieën, de maximale verhoudingen voor
de waarden per categorie of emittent, en de toegelaten
affectatiewaarde.
Zoals hierboven reeds aangegeven, verschilt de
benadering van de Richtlijn inzake de berekening van
de technische voorzieningen ten opzichte van de vorige
regeling (zie commentaar bij de artikelen 124 en vol-
gende). In het kort kan worden gesteld dat de waarde
van de technische voorzieningen, in het kader van de
nieuwe regeling, gelijk is aan de som van de beste
auquel cette contrepartie appartient. Il convient aussi
d’éviter une trop forte concentration géographique des
placements. Par contre, conformément à la Directive, la
loi en projet n’impose pas de quotité maximale d’inves-
tissement dans des catégories d’actifs déterminés. De
telles limites ne peuvent plus, en effet, être imposées
en application de l’article 133, paragraphe 1er de la
Directive.
On notera également que l’article 133, para-
graphe 2 de la Directive interdit aux États membres de
soumettre les décisions d’investissement des entre-
prises d’assurance et de réassurance à une approbation
préalable.
Sous-section II
De la tenue d’un inventaire permanent
Art. 194 et 195
Sous le régime actuel, l’une des obligations essen-
tielles des entreprises d’assurance est de calculer et
de comptabiliser sous le nom de réserves ou provi-
sions techniques les obligations qui leur incombent
tant pour l’exécution des contrats d’assurance qu’elles
ont souscrits, que pour l’application des dispositions
légales ou réglementaires relatives à ces opérations
(art. 16, § 1er de la loi du 9 juillet 1975). Ces réserves ou
provisions doivent être représentées à l’actif du bilan à
tout moment par des actifs équivalents appartenant en
pleine propriété à l’entreprise d’assurance et affectés
spécialement à la garantie des obligations visées ci-des-
sus, par gestion distincte. Ces actifs forment les valeurs
représentatives. Les valeurs représentatives des provi-
sions et dettes techniques doivent tenir compte du type
d’opérations effectuées par l’entreprise d’assurance
afin de garantir la sécurité, le rendement et la liquidité
des investissements. Il faut aussi respecter une diver-
sification et une dispersion adéquates des placements.
Le règlement général énonce de nombreuses règles
relatives notamment à la localisation de ces actifs, aux
catégories de placement autorisées, aux proportions
maximales des valeurs par catégories ou émetteurs et
à la valeur d’affectation admise.
Ainsi que cela a déjà été relevé ci-dessus, par rapport
au régime antérieur, l’approche de la Directive diffère
en matière de calcul des provisions techniques (voy. le
commentaire sous les articles 124 et suivants). Dans le
cadre du nouveau régime, pour faire bref, on peut dire
que la valeur des provisions techniques est égale à la
somme de la meilleure estimation (“best estimate”) et de
163
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
schatting (“best estimate”) en de risicomarge (“risk
margin”) die moet overeenstemmen met het bedrag dat
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou
moeten betalen indien zij haar contractuele rechten en
verplichtingen per direct aan een andere onderneming
zou overdragen, d.w.z. het bedrag dat die onderneming
zou vragen om de verzekerings- en herverzekerings-
verplichtingen over te nemen en na te komen. De
berekening van de beste schatting (“best estimate”)
stemt overeen met het kansgewogen gemiddelde van
de kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met
de tijdswaarde van geld (d.w.z. de verwachte contante
waarde van de toekomstige stromen) en gebruik wordt
gemaakt van de risicovrije rentetermijnstructuur: het
betreft dus de uitgaande toekomstige stromen vermin-
derd met de geraamde inkomende stromen, uitgaande
van probabilistische hypothesen over de risicofactoren
die hen kunnen treffen, waarbij die stromen worden
geactualiseerd. Hierbij komt de berekening van de
risicomarge (“risk margin”) die rekening houdt met de
kapitaalkosten waarmee een overnemer zou worden
geconfronteerd (d.w.z. de kosten om een bedrag aan
in aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen
dat gelijk is aan het SCR dat nodig is om te voldoen
aan de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
gedurende de looptijd ervan), alsook met de kenmerken
van de overdracht van de verplichtingen.
In deze nieuwe context heeft het begrip dekkings-
waarden niet langer een specifieke reglementaire
verankering. Toch neemt de Richtlijn als de bepalingen
van de oude Richtlijn 2001/17/EG als dusdanig over
voor wat betreft de materieelrechtelijke regels die een
bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verze-
kering garanderen. Zoals aangegeven in de commen-
taar bij Boek VI, wordt deze bescherming, naar keuze
van de lidstaten, verzekerd op één van de twee door
de Richtlijn bepaalde wijzen of op beide (art. 275 van
de Richtlijn): de lidstaten kunnen kiezen tussen ofwel
aan de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering
een absoluut voorrecht verlenen boven alle andere
vorderingen , ofwel een speciale rang verlenen aan
de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering door
hen een algemeen voorrecht toe te kennen waarop
vorderingen uit lonen, sociale zekerheid, fiscus en de
zakelijke rechten of de gerechtskosten met betrekking
tot de liquidatieprocedure evenwel voorrang kunnen
hebben. Zo bepaalt ontwerpartikel 643 dat de activa die
met toepassing van de artikelen 194 en 195 permanent
worden aangehouden binnen de doorlopende inven-
taris, per afzonderlijk beheer “bijzondere vermogens”
vormen waarop de betrokken schuldeisers uit hoofde
van verzekering een bijzonder voorrecht genieten dat
hen absolute voorrang verleent.
la marge de risque (“risk margin”) qui doit correspondre
au montant qu’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance devrait payer si elle transférait sur le champ ses
droits et obligations contractuels à une autre entreprise,
c.-à-d. le montant que cette entreprise demanderait pour
reprendre et honorer les engagements d’assurance ou
de réassurance. Le calcul de la meilleure estimation
(“best estimate”) correspond à la moyenne, pondérée
par leur probabilité, des flux de trésorerie, compte tenu
de la valeur temporelle de l’argent (c.-à-d. de la valeur
actuelle attendue des flux futurs) estimé sur la base de
la courbe des taux sans risque: il s’agit donc des flux
futurs sortants diminués des flux entrants estimés en
utilisant des hypothèses probabilistes sur les facteurs
de risque qui peuvent les affecter, ces flux faisant l’objet
d’une actualisation. À cela s’ajoute, le calcul de la marge
de risque (“risk margin”) qui prend en compte le coût
du capital auquel serait confronté un repreneur (c.-à-d.
le coût que représente la mobilisation d’un montant de
fonds propres éligibles égal au SCR nécessaire pour ho-
norer les engagements d’assurance et de réassurance
pendant toute leur durée) ainsi que les caractéristiques
du transfert des engagements.
Dans ce contexte nouveau, le concept de valeurs
représentatives ne trouve plus une consécration régle-
mentaire spécifique. Néanmoins, la Directive reprend
telles quelles les dispositions de l’ancienne directive
2001/17/CE en ce qui concerne les règles de droit
matériel assurant une protection des créanciers d’assu-
rance. Ainsi qu’on l’indique sous le commentaire du
Livre VI, cette protection est assurée, au choix par les
États membres, selon une des deux méthodes prévues
par la Directive, ou encore selon les deux (art. 275 de
la Directive): les États membres peuvent choisir entre
soit prévoir, au bénéfice des créances d’assurance, un
privilège absolu, qui prime toutes autres créances, sur
les actifs représentatifs des provisions techniques, soit
accorder un rang spécial aux créances d’assurance en
leur conférant un privilège général susceptible toutefois
d’être primé par les créances de salaires, de la sécurité
sociale, du fisc et les droits réels ou encore les frais de
justice relatif à la procédure de liquidation. C’est ainsi
que l’article 643 en projet prévoit que les actifs détenus,
en permanence, au sein de l’inventaire permanent en
application des articles 194 et 195 forment, par gestions
distinctes, des “patrimoines spéciaux” sur lesquels les
créanciers d’assurance concernés bénéficient d’un
privilège spécial conférant une priorité absolue.
164
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Om deze bescherming doeltreffend te maken, diende
een wettelijke regeling te worden uitgewerkt voor het
voorwerp van dit voorrecht, zowel inzake identificatie
van de samenstellende activa, als inzake hun waarde
(meer bepaald het bedrag ten belope waarvan er activa
moeten worden aangehouden om het voorwerp van het
voorrecht te vormen en de wijze waarop deze activa ge-
waardeerd moeten worden om tot dit bedrag te komen).
Dit wordt beoogd met de ontwerpartikelen 194 en 195.
Zo moeten de verzekeringsondernemingen permanent,
per afzonderlijk beheer, activa registreren — gewaar-
deerd tegen hun marktwaarde — voor een bedrag dat
hun verplichtingen dekt ten aanzien van de schuldeisers
uit hoofde van verzekeringen zoals die verschuldigd
zouden zijn in het geval van een liquidatieprocedure
tijdens dewelke een einde zou worden gemaakt aan
de verzekeringsovereenkomsten. Deze verplichting
dekt aldus de verzekeringsverplichtingen die, in een
zogenaamd Solvency I-perspectief, zouden bepaald
zijn alsof de verzekeringsovereenkomsten beëindigd
werden. Volgens het afzonderlijke beheer (te weten een
scheiding tussen niet-levensverzekeringsactiviteiten en
levensverzekeringsactiviteiten en, binnen die laatste,
een scheiding tussen de overeenkomsten die vallen
onder tak 23 en die welke vallen onder de takken 26 en
27 — waarvoor het beleggingsrisico wordt gedragen
door de verzekeringnemer — die op hun beurt worden
afgescheiden volgens de bestaande beleggingsfond-
sen), zullen de activa de grondslagen vormen voor het
bijzonder voorrecht dat de schuldeisers uit hoofde van
verzekering genieten.
Zoals onder de regeling van artikel 16, § 3 van de
wet van 9 juli 1975, moeten deze activa vrij zijn van
alle lasten: elk actief dat bezwaard is met een zakelijk
recht mag dus niet, voor het aangewende bedrag, in
aanmerking worden genomen voor de berekening van
het in artikel 194 bedoelde vereiste.
Voor zover nodig zij opgemerkt dat dit mechanisme,
dat er aldus toe strekt de doeltreffendheid te verzekeren
van het wettelijke voorrecht door consistentie te verle-
nen aan het voorwerp van het voorrecht, als dusdanig
geen invloed heeft op het eigenvermogensniveau van
de verzekeringsonderneming. Indien er onvoldoende
activa aanwezig zijn om het voorwerp van het voorrecht
te vormen, zal de verzekeringsonderneming beschik-
bare activa naar de doorlopende inventaris moeten
overhevelen.
Artikel 194 staat los van de regels inzake het eigen
vermogen. De enige doelstelling van dit artikel bestaat
erin te voorkomen dat andere schuldeisers van de on-
derneming dan de houders van schuldvorderingen uit
hoofde van verzekering aanspraak kunnen maken op
de activa die het voorwerp van het voorrecht vormen.
Afin de donner une effectivité à cette protection, il
convenait d’organiser le régime juridique de l’assiette de
ce privilège à la fois sous l’angle de l’identification des
actifs qui la composent mais également de leur valeur
(plus précisément, du montant à concurrence duquel
des actifs doivent être détenus pour composer cette
assiette et de la manière de valoriser ces actifs pour
arriver à ce montant). C’est ici l’objet des articles 194 et
195 en projet. Ainsi, les entreprises d’assurance doivent,
en permanence, enregistrer, par gestions distinctes,
des actifs — évalués à leur valeur de marché — pour
un montant qui couvre leurs engagements à l’égard
des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient dus
dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation lors de
laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance. Cette
obligation couvre ainsi les engagements d’assurance
déterminés, dans une optique dite Solvency I, comme
s’il était mis fin aux contrats d’assurance. Selon les
gestions distinctes (à savoir, une distinction activités
non-vie et activités vie et, au sein de cette dernière,
une distinction des affaires qui relèvent de la branche
23 ou des branches 26 et 27 — pour lesquelles le risque
d’investissement est supporté par le preneur —, elles-
mêmes distinctes selon les fonds d’investissement
existants), les actifs formeront les assiettes du privilège
spécial dont bénéficient les créanciers d’assurance.
Comme sous le régime prévu par l’article 16, § 3 de
la loi du 9 juillet 1975, ces actifs doivent être libres de
toute charge: tout actif grevé d’un droit réel ne peut
donc, pour le montant engagé, être pris en compte pour
le calcul de l’exigence visée à l’article 194.
Pour autant que de besoin, on précise que ce
mécanisme qui tend ainsi à conférer une effectivité au
privilège légal en veillant à garantir une consistance à
l’assiette n’a pas, comme tel, d’incidence sur le niveau
de fonds propres de l’entreprise d’assurance. Ainsi,
en cas d’insuffisance d’actifs constitutifs de l’assiette,
l’entreprise d’assurance devra faire glisser des actifs
disponibles vers l’inventaire permanent.
L’article 194 est une disposition autonome par rap-
port aux règles relatives aux fonds propres. Son unique
finalité est de soustraire les actifs composant l’assiette
du privilège aux revendications d’autres créanciers
de l’entreprise que les titulaires des créances d’assu-
rance. Dans cette optique, il importe peu que les actifs
165
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In deze optiek is het van weinig belang of de activa die
het voorwerp van het voorrecht vormen al dan niet ter
dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste worden
aangewend.
De verandering inzake het gebruik van deze activa
zal dus geen invloed hebben op het eigen vermogen
van de verzekeringsonderneming dat ter dekking van
de reglementaire vereisten wordt aangewend.
Wat de doorlopende inventaris betreft die ertoe strekt
per afzonderlijk beheer de activa te registreren (zie
commentaar bij artikel 230) als bedoeld in artikel 194,
bepaalt ontwerpartikel 195 dat de verzekeringsonderne-
mingen de toestand van de doorlopende inventaris van
elk afzonderlijk beheer aan de Bank moeten meedelen
met inachtneming van de vorm en de inhoud die door
haar zijn voorgeschreven en op de drager en binnen de
termijn die door haar zijn bepaald. Conform het even-
redigheidsbeginsel moet een dergelijke rapportering
noodzakelijkerwijs voldoen aan de vereisten inzake
praktische uitvoerbaarheid voor de ondernemingen en
nut van de maatregel in het licht van het toezicht. Door
het overleg tussen de toezichthouder en de betrokken
sector, via zijn beroepsvereniging, wordt ook hier ge-
waarborgd dat dit principe wordt nageleefd.
Onderafdeling III
Lokalisatie van de activa
Art. 196 tot 198
Onderafdeling III behandelt de lokalisatie van de
activa van de verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen, en zet aldus artikel 134 van de Richtlijn om.
Het principe impliceert dat de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen de vrijheid hebben
om hun activa aan te houden binnen of buiten de
Europese Economische Ruimte. Teneinde de risico’s te
beperken, en met name de juridische risico’s, waaraan
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
blootstaan, en ook om de doeltreffendheid te verzekeren
van een eventuele beslissing van de Bank om de vrije
beschikking over de activa te beperken of te ontnemen,
verbindt ontwerpartikel 197 evenwel voorwaarden aan
deze vrijheid in bepaalde situaties, te weten in het ge-
val waarin de activa worden aangehouden ter dekking
van de technische voorzieningen met betrekking tot
risico’s gelegen in de Europese Economische Ruimte.
In die gevallen is het aanhouden van activa buiten de
Ruimte slechts aanvaardbaar als die activa onroerende
goederen zijn; of
composant l’assiette du privilège viennent ou non en
représentation du capital de solvabilité requis.
Le changement d’affectation de ces actifs n’aura
donc pas de conséquence sur les fonds propres
de l’entreprise d’assurance couvrant les exigences
réglementaires.
S’agissant de la tenue de l’inventaire permanent
ayant pour objet l’enregistrement, par gestions distinctes
(voy. le commentaire de l’article 230), des actifs visés
à l’article 194, l’article 195 en projet précise que les
entreprises d’assurance communiquent la situation de
l’inventaire permanent de chaque gestion distincte à la
Banque en respectant la forme et le contenu prescrits
par celle-ci et sur le support et dans le délai qu’elle fixe.
Au titre du principe de proportionnalité, un tel reporting
devra nécessairement concilier les exigences de pra-
ticabilité pour les entreprises et d’utilité de la mesure
au regard des nécessités de contrôle. La concertation
entre autorité de contrôle et le secteur concerné, par le
biais de son association professionnelle, est de nature
à garantir ici aussi le respect de ce principe.
Sous-section III
Localisation des actifs
Art. 196 à 198
La Sous-section III traite de la localisation des actifs
des entreprises d’assurance ou de réassurance et
transposant ainsi l’article 134 de la Directive.
Le principe consiste dans la liberté pour les entre-
prises d’assurance ou de réassurance de détenir leurs
actifs dans ou en dehors de l’Espace économique
européen. À des fins de limitations des risques, notam-
ment juridiques, auxquels sont soumises les entreprises
d’assurance ou de réassurance et également en vue
d’assurer l’effectivité d’une éventuelle décision de la
Banque de restreindre ou interdire la libre disposition
des actifs, l’article 197 en projet conditionne toutefois
cette liberté dans certaines situations, à savoir le cas
des actifs détenus en couverture des provisions tech-
niques afférentes à des risques situés dans l’Espace
économique européen. Dans ces cas, une détention
hors Espace n’est acceptable que lorsque les actifs
sont des immeubles; ou
166
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— roerende goederen zijn (men denke aan financi-
ele instrumenten) waarvoor de aan de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming toegekende rechten die
voortvloeien uit de bewaargeving van deze activa bij
een in bewaring nemende tussenpersoon, een zakelijk
recht vormen op grond waarvan zij op deze activa aan-
spraak kunnen maken, met uitsluiting van een eenvoudig
vorderingsrecht.
Deze voorwaarde is erop gericht een mogelijk risico
te neutraliseren dat door de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen kan worden gelopen wanneer
ze een beroep doen op tussenpersonen voor het aan-
houden van hun activa, in het bijzonder hun financiële
instrumenten. De voorwaarde brengt de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming er ook toe voorzichtigheid,
zorg en zorgvuldigheid aan de dag te leggen in de keuze
van haar in bewaring nemende tussenpersonen.
Een essentieel aspect dat moet worden onderzocht
en opgevolgd door de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming wanneer zij haar effecten in bewaring wil
geven buiten de Ruimte, betreft de aard van de rechten
die voortvloeien uit de inschrijving van de financiële
instrumenten op rekening van derde tussenpersonen.
Het aspect van de financiële instrumenten die wor-
den aangehouden bij een tussenpersoon roept uiterst
delicate vragen op. Ten eerste moet, met toepassing
van de regels van internationaal privaatrecht van de
rechterlijke instanties die kunnen worden gesaisisseerd,
de wetgeving worden vastgesteld die de aard van het
recht zal regelen dat voortvloeit uit de inschrijving van
de financiële instrumenten op rekening. Ten tweede
moeten de materieelrechtelijke regels van de aldus ge-
identificeerde wetgeving nog worden onderzocht, met
name wat betreft de prerogatieven die ze verlenen in
geval van een insolventieprocedure die de bewaarne-
mer treft. Ten slotte moet nog worden bepaald in welke
mate de eventuele internationale context al dan niet
twijfels doet rijzen omtrent de toepassing van de aldus
geïdentificeerde materieelrechtelijke regels of, met an-
dere woorden, hoe ze moeten worden verzoend met de
toepassing van de eventueel toepasbare lex concursus
(zie in dit verband met name J.-P. Deguée, “La protection
des avoirs de clients après MiFID”, Dr.banc.fin., 2008/1,
p. 3 n°s 18-23).
Wat betreft de financiële instrumenten, beroepen
bepaalde wetgevingen zich op de gevolgen van het
gemeen recht in geval van bewaargeving van effecten
onder de vervangbaarheidsregeling, waarbij ervan uit-
gegaan wordt dat het eigendomsrecht op de aldus in
bewaring gegeven effecten verdwijnt ten gunste van een
eenvoudig vorderingsrecht dat bestaat uit het recht om
— des biens meubles (on pense à des instruments
financiers) à propos desquels les droits conférés à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la suite du
dépôt de ces avoirs auprès d’un intermédiaire déposi-
taire sont constitutifs d’un droit réel permettant l’exercice
d’une revendication sur ces avoirs, à l’exclusion d’un
simple droit de créance.
Cette condition tend à neutraliser un risque suscep-
tible d’être encouru par les entreprises d’assurance ou
de réassurance lorsqu’elles recourent à une détention
intermédiée de leurs avoirs, en particulier leurs instru-
ments financiers. La condition conduit ainsi l’entreprise
d’assurance ou de réassurance à faire preuve de pru-
dence, soin et diligence dans le choix de ses intermé-
diaires dépositaires.
Un aspect essentiel qui doit faire l’objet d’un examen
et d’un suivi menés par l’entreprise d’assurance ou de
réassurance lorsqu’elle entend procéder au dépôt de
ses avoirs mobiliers en dehors de l’Espace, concerne
la nature des droits découlant de l’inscription des ins-
truments financiers en compte au niveau des intermé-
diaires tiers.
En matière d’instruments financiers détenus sur une
base intermédiée, cet aspect soulève des questions
extrêmement délicates. Premièrement, il convient en
application des règles de droit international privé des
juridictions susceptibles d’être saisies, de déterminer
la législation qui régira la nature du droit découlant
de l’inscription des instruments financiers en compte.
Deuxièmement, il convient encore de procéder à un
examen des règles de droit matériel de la législation
ainsi identifiée, notamment au regard des prérogatives
qu’elles confèrent en cas de procédure d’insolvabilité
touchant le dépositaire. Enfin, il convient encore de
déterminer dans quelle mesure l’éventuel contexte d’in-
ternationalité remet ou non en cause l’application des
règles de droit matériel ainsi identifiées ou, en d’autres
termes, comment les concilier avec l’application des
éventuelles lex concursus susceptibles de s’appliquer
(sur ces aspects, voy. notamment J.-P. Deguée, “La
protection des avoirs de clients après MiFID”, Dr.banc.
fin., 2008/1, p. 3 n°s 18-23).
En matière d’instruments financiers, certaines législa-
tions s’en remettent aux conséquences du droit commun
en cas de dépôt de titres en régime de fongibilité et
considèrent que le droit de propriété sur les titres ainsi
déposés disparaît au profit d’un simple droit de créance
consistant dans le droit de se faire livrer une quan-
tité donnée de titres équivalents. D’autres législations
167
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zich een bepaalde hoeveelheid gelijkwaardige effecten
te doen leveren. Andere wetgevingen voorzien uitdruk-
kelijk in het bestaan van een zakelijk, eigendoms- of
mede-eigendomsrecht (met name al naargelang de
wetgeving de individualisering van de effecten vereist op
naam van hun houder, of de collectieve bewaargeving
van de effecten in vervangbaarheid toelaat). Zo bepaalt
het Belgische recht dat de effecten die onderworpen
zijn aan een vervangbaarheidsregeling overeenkomstig
koninklijk besluit nr. 623, een mede-eigendomsrecht
van immateriële aard verlenen aan de gezamenlijke
deponenten op de universaliteit van effecten van de-
zelfde aard — een vervangbare massa van effecten
ingeschreven op rekening — die bij de bewaarnemer
in bewaring zijn gegeven, waardoor ten aanzien van de
tussenpersoon een vordering tot teruggave kan worden
uitgeoefend, een recht dat trouwens aan derden kan
worden tegengeworpen.
De voorwaarde die door de ontwerpbepaling wordt
geformuleerd, strekt er dus toe de mogelijkheden te
omkaderen voor het aanhouden van activa buiten de
Europese Economische Ruimte, door de juridische
risico’s te neutraliseren waaraan de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen zouden kunnen worden
blootgesteld.
Voor de roerende goederen bepaalt de ontwerpbepa-
ling bovendien dat de betrokken in bewaring nemende
tussenpersoon aan de Bank een verklaring moet afle-
veren waarin hij zich ertoe verbindt om gevolg te geven
aan alle beslissingen om de vrije beschikking over de
activa van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming te beperken of te ontnemen, die met toepassing
van de ontwerpwet zijn genomen. Naar het voorbeeld
van de intracommunautaire situaties waarvoor de
artikelen 139, lid 3 en 140 van de Richtlijn de doel-
treffendheid van de nationale maatregelen binnen de
Europese Economische Ruimte verzekeren, beoogt de
onder artikel 197, 2°, b) bedoelde voorwaarde dezelfde
doeltreffendheid te verlenen aan die maatregelen met
betrekking tot de buiten de Europese Economische
Ruimte in bewaring gegeven activa.
Ontwerpartikel 198 voorziet tevens in de mogelijkheid
om voorwaarden vast te leggen met betrekking tot de
herverzekeringsovereenkomsten die gesloten worden
met een onderneming die onder een derde land res-
sorteert, en waarvan de solvabiliteitsregeling niet gelijk-
waardig wordt geacht in de zin van ontwerpartikel 600.
3
Gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaarge-
ving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening
van transacties op deze instrumenten, zoals gecoördineerd door
het koninklijk besluit van 27 januari 2004.
prévoient quant à elles expressément l’existence d’un
droit réel, de propriété ou de copropriété (selon notam-
ment que la législation requiert l’individualisation des
titres au nom de leur titulaire ou qu’elle admet le dépôt
collectif des titres en fongibilité). Ainsi, le droit belge
prévoit que les titres soumis à un régime de fongibilité
conformément à l’arrêté royal n° 623 confèrent un droit
de copropriété de nature incorporelle à l’ensemble
des déposants sur l’universalité des titres de même
espèce — masse fongible de titres inscrits en compte —
déposés auprès du dépositaire, permettant l’exercice à
l’encontre de l’intermédiaire d’un droit de revendication,
par ailleurs opposable à tous.
La condition énoncée par la disposition en projet
vise donc à encadrer les possibilités de détention hors
Espace économique européen en neutralisant les
risques juridiques auxquels pourraient être soumises
les entreprises d’assurance ou de réassurance.
Pour les biens meubles, la disposition en projet pré-
voit, en outre, que l’intermédiaire dépositaire concerné
doit fournir à la Banque une attestation selon laquelle il
s’engage à faire suite à toutes décisions de restreindre
ou interdire la libre disposition des actifs de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance prononcées en
application de la loi en projet. À l’instar des situations
intra-communautaires pour lesquelles les articles 139,
paragraphe 3 et 140 de la Directive assurent l’effectivité
des mesures nationales au sein de l’Espace écono-
mique européen, la condition prévue sous l’article 197,
2°, b) vise à conférer la même effectivité à ces mesures
s’agissant des avoirs déposés hors Espace économique
européen.
L’article 198 en projet prévoit encore la possibilité de
fixer des conditions en ce qui concerne les contrats de
réassurance conclus avec une entreprise qui relève du
droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité n’est
pas réputé équivalent au sens de l’article 600 en projet.
3
Arrêté royal n° 62 coordonné relatif au dépôt d’instruments
financiers fongibles et à la liquidation d’opérations sur ces ins-
truments, tel que coordonné par l’arrêté royal du 27 janvier 2004.
168
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK VII
Periodieke informatieverstrekking en
boekhoudregels
Hoofdstuk VII bevat de essentiële regels — in het
bijzonder de rechtsgrondslag die nodig is voor de regle-
mentaire teksten van voornamelijk technische aard —
inzake boekhouding die moeten worden nageleefd door
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en
inzake de periodieke informatie die moet worden vers-
trekt — bovenop de informatie die reeds vereist is met
toepassing van de rechtstreeks toepasselijke Europese
teksten — aan de Bank met het oog op de uitoefening
van haar toezicht.
Zo worden in ontwerpartikel 199 artikel 96, § 1, 1° van
de wet van 9 juli 1975 en artikel 29, § 2 van de wet van
16 februari 2009 overgenomen voor wat betreft de juri-
dische grondslag met betrekking tot de boekhoudregels,
die wordt aangevuld voor wat betreft de geconsolideerde
rekeningen.
Ontwerpartikel 200 neemt artikel 14, § 2, vierde lid
van de wet van 9 juli 1975 over voor wat betreft de
boekhoudkundige scheiding van de activiteiten leven
en niet-leven, waarbij de ontwerpbepaling meer details
geeft om de omzetting te verzekeren van artikel 74, lid
6 van de Richtlijn.
Ontwerpartikel 201 vormt de juridische grondslag
voor de bepalingen van reglementaire aard die door
de Bank moeten worden opgesteld met betrekking tot
de periodieke informatie die nodig is voor haar toezicht
op de naleving van de bepalingen van de ontwerpwet,
van de uitvoeringsbesluiten en —reglementen ervan en
van de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn, in het
bijzonder Verordening 2015/35.
Ontwerpartikel 202 neemt artikel 22, § 3, tweede lid
van de wet van 9 juli 1975 en artikel 29, § 3 van de wet
van 16 februari 2009 over voor wat betreft de verplichting
voor het directiecomité om te verklaren dat de periodieke
staten die door de onderneming worden overgemaakt,
stroken met de reglementering.
Ontwerpartikel 203 neemt artikel 22, § 3, eerste lid in
fine van de wet van 9 juli 1975 en artikel 29, § 1 in fine
van de wet van 16 februari 2009 over voor wat betreft
de mogelijkheid voor de Bank om afwijkingen op de
voornoemde regels toe te staan.
CHAPITRE VII
Des informations périodiques et des règles
comptables
Le Chapitre VII contient les règles essentielles — en
particulier, les bases juridiques nécessaires aux textes
réglementaires de nature essentiellement technique —
en matière comptable à respecter par les entreprises
d’assurance et de réassurance et d’informations
périodiques à fournir — en sus des informations déjà
requises en application des textes européens directe-
ment applicables — à la Banque en vue de l’exercice
de son contrôle.
Ainsi l’article 199 en projet constitue la reprise de
l’article 96, § 1er, 1° de la loi du 9 juillet 1975 et de
l’article 29, § 2 de la loi du 16 février 2009 en ce qui
concerne la base juridique relative aux règles comp-
tables, cette base juridique étant complétée en ce qui
concerne les comptes consolidés.
L’article 200 en projet constitue la reprise de l’ar-
ticle 14, § 2, alinéa 4 de la loi du 9 juillet 1975 en ce
qui concerne la séparation comptable des activités vie
et non-vie, la disposition en projet faisant l’objet d’un
niveau de détails plus développé en vue d’assurer la
transposition de l’article 74, paragraphe 6 de la Directive.
L’article 201 en projet constitue la base juridique pour
les dispositions de nature réglementaires à établir par la
Banque en ce qui concerne les informations périodiques
nécessaires à son contrôle du respect des dispositions
de la loi en projet, de ses arrêtés et règlements d’exé-
cution et des mesures d’exécution de la Directive, en
particulier le règlement 2015/35.
L’article 202 en projet constitue la reprise de l’ar-
ticle 22, § 3, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 et de
l’article 29, § 3 de la loi du 16 février 2009 en ce qui
concerne l’obligation pour le comité de direction d’effec-
teur une déclaration de conformité (à la réglementation)
des états périodiques transmis par l’entreprise.
L’article 203 en projet constitue la reprise de l’ar-
ticle 22, § 3, alinéa 1erin fine de la loi du 9 juillet 1975 et
de l’article 29, § 1erin fine de la loi du 16 février 2009 en
ce qui concerne la possibilité pour la Banque d’autoriser
des dérogations aux règles précitées.
169
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK VII
Herstelplannen
Het herstel en de afwikkeling van de financiële instel-
lingen in moeilijkheden hebben recentelijk een sterke
ontwikkeling doorgemaakt, vooral voor kredietinstellin-
gen, waarvoor een Europese richtlijn4 een alomvattende
regeling heeft opgesteld, gericht op de harmonisatie van
de afwikkelingsprocedures voor het in gebreke blijven
van kredietinstellingen, en op de instelling van een rege-
ling die aan de toezichthouders instrumenten verschaft
waarmee ze vroeg genoeg en snel tussenbeide kunnen
komen bij een in gebreke blijvende kredietinstelling,
teneinde de continuïteit van haar kritieke functies te
verzekeren en tevens de weerslag van haar in gebreke
blijven op het financiële stelsel te beperken. De in-
strumenten waarin deze richtlijn voorziet, omvatten de
verplichting voor de kredietinstellingen om zogenaamde
herstelplannen op te stellen die de mogelijke maatrege-
len beschrijven om haar financiële positie te herstellen
wanneer deze aanzienlijk verslechtert.
Op grond van deze ervaring en in het licht van de
internationale standaarden, in het bijzonder van Principe
10.4 van de “Insurance Core Principles, Standards,
Guidance and Assessment Methodology” (afgekort
“Insurance Core Principles” of ICPs), gaat het voorlig-
gende ontwerp aldus uit van de bepalingen van de
bankwet van 25 april 2014 ter zake, niet om de opstel-
ling van een herstelplan verplicht te maken voor alle
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, maar
om de Bank in staat te stellen een dergelijk plan op te
leggen wanneer ze dit gerechtvaardigd acht gelet op
de mogelijke risico’s op een aanzienlijke verslechtering
van de financiële positie van een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming, en dit in het licht van diverse
criteria zoals haar bedrijfsmodel, haar juridische struc-
tuur, de inherente kenmerken van de groep waarvan ze
deel uitmaakt, haar risicoprofiel, de kenmerken van de
door haar in de handel gebrachte producten, …
In plaats van systematisch een dergelijk plan op te
leggen aan alle verzekerings- en herverzekeringsonder-
nemingen, wat buiten proportie zou kunnen lijken, werd
het raadzamer geacht de voorkeur te geven aan de optie
waarbij de Bank kan beslissen om een dergelijke ver-
plichting — waarvan de krijtlijnen overigens zijn uitgezet
4
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader
voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/
EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG,
2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU
en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU)
nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PBEU,
nr. L 173 van 12.6 2014, blz. 190).
CHAPITRE VII
Plans de redressement
Le redressement et la résolution des établisse-
ments financiers en difficulté ont récemment connu
un développement important, essentiellement en ce
qui concerne les établissements de crédit à propos
desquels une directive européenne4 a établi un régime
global visant à harmoniser les procédures de résolution
des défaillances d’établissements de crédit et à instituer
un régime octroyant aux autorités de contrôle des instru-
ments leur permettant d’intervenir suffisamment tôt et
rapidement dans un établissement de crédit défaillant,
afin d’assurer la continuité de ses fonctions critiques,
tout en limitant l’impact de sa défaillance sur le système
financier. Parmi les instruments qu’elle prévoit, cette
directive impose l’obligation pour les établissements de
crédit d’établir des plans dit de redressement décrivant
les mesures possibles pour rétablir sa position financière
en cas de détérioration significative de celle-ci.
Sur la base de cette expérience et à la lumière des
standards internationaux, en particulier du Principe
(Insurance Core Principles — “ICPs”) n° 10.4 des
“Insurance Core Principles, Standards, Guidance and
Assessment Methodology”, le présent projet entend
ainsi s’inspirer des dispositions de la loi bancaire du
25 avril 2014 en la matière afin, non pas de rendre
obligatoire à toutes les entreprises d’assurance ou de
réassurance l’établissement d’un plan de redresse-
ment mais de permettre à la Banque d’imposer un tel
plan lorsqu’elle l’estime justifié au regard de risques
potentiels d’une dégragation significative de la situation
financière d’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance et ce, à la lumière de divers critères comme son
modèle d’entreprise, sa structure juridique, les carac-
téristiques inhérentes au groupe dont elle fait partie,
son profil de risque, les caractéristiques des produits
commercialisés, ...
Plutôt que d’imposer de manière systématique un
tel plan à toutes les entreprises d’assurance et de
réassurance, ce qui aurait pu paraître disproportionné,
il a été estimé plus judicieux de préférer l’option selon
laquelle il revient à la Banque d’imposer une telle obliga-
tion — dont les contours sont par ailleurs définis par les
4
Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil
du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et
la résolution des établissements de crédit et des entreprises
d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil
ainsi que les directives 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE,
2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/
UE et les règlements (UE) no 1093/2010 et (UE) no 648/2012, du
Parlement européen et du Conseil (JOUE, n° L 173 du 12.6 2014,
p. 190).
170
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
door de ontwerpbepalingen — op te leggen wanneer zij
dit noodzakelijk acht in het licht van de mogelijke risico’s
op een verslechtering van de financiële positie van de
betrokken onderneming.
Op het vlak van de gehanteerde terminologie mo-
gen de hier besproken herstelplannen niet verward
worden met de saneringsplannen en de plannen
inzake financiering op korte termijn als bedoeld in de
artikelen 510 tot 512 in geval van niet-naleving van
respectievelijk het solvabiliteitskapitaalvereiste en het
minimumkapitaalvereiste.
Een herstelplan moet de maatregelen beschrijven
waarin de onderneming voorziet om haar financiële po-
sitie te herstellen wanneer deze aanzienlijk verslechtert.
In dit opzicht moet het herstelplan uitgaan van verschil-
lende scenario’s van een ernstige macro-economische
of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurte-
nissen, crises die specifiek zijn voor de onderneming,
en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van
de groep waarvan de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming deel uitmaakt, betrokken zijn.
Ontwerpartikel 205 bepaalt de voorwaarden waaraan
een herstelplan moet voldoen. Zo moet een dergelijk
plan kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren bevatten
die aangeven op welke tijdstippen de leiding van de
onderneming moet onderzoeken of in het plan opgeno-
men maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
Naargelang de specifieke aard van het geval, kan de
Bank specifieke inhoudelijke elementen en informatie
vereisen (ontwerpartikel 207). Om relevant te blijven,
moet het herstelplan worden geactualiseerd, en dit ten
minste eens per jaar of telkens wanneer de Bank dit
eist of na elke wijziging in de juridische of organisatie-
structuur, de activiteiten of de financiële positie van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Art. 208 tot 211
De Bank beoordeelt het herstelplan dat haar door de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt
meegedeeld. Indien dit plan niet bevredigend is, kan zij
van de onderneming eisen dat ze het wijzigt en, indien
de aangebrachte wijzingen niet bevredigend zijn, dat zij
de passende maatregelen neemt om de tekortkomingen
van het plan te verhelpen, met name ten aanzien van
de doelstellingen zoals geformuleerd in ontwerpartikel
210, tweede lid. Deze maatregelen mogen evenwel niet
verder gaan dan wat noodzakelijk is om de geïdentifi-
ceerde tekortkomingen te verhelpen.
dispositions en projet — lorsqu’elle l’estime nécessaire
au regard des risques potentiels de dégradation de la
situation financière de l’entreprises concernée.
Sur le plan de la terminologie employée, on se
gardera de confondre les plans de redressement ici
commentés avec les programmes de rétablissement
et les plans de financement à court terme prévus sous
les articles 510 à 512 en cas non-respect respective-
ment des exigences de capital de solvabilité requis et
minimum de capital requis.
Un plan de redressement doit décrire les mesures que
l’entreprise prévoit pour rétablir sa position financière en
cas de détérioration significative de celle-ci. À cet égard,
le plan doit nécessairement appréhender différents scé-
narios de crise macro-économique ou financière grave,
y compris des événements d’ampleur systémique, des
crises spécifiques à l’entreprise et, le cas échéant, des
crises impliquant des entités du groupe dont l’entreprise
d’assurance ou de réassurance fait partie.
L’article 205 en projet précise les conditions aux-
quelles doit répondre un plan de redressement. Ainsi,
un tel plan doit comporter des indicateurs quantitatifs et
qualitatifs indiquant les moments auxquels la direction
de l’entreprise doit examiner si des mesures prévues
dans le plan doivent être mises en œuvre. Selon la
particularité du cas d’espèce, la Banque peut requérir
des éléments de contenu et d’information particuliers
(article 207 en projet). Afin de garder sa pertinence, le
plan de redressement doit faire l’objet d’une actualisa-
tion et ce, au minimum sur une base annuelle ou encore
lorsque la Banque le requiert ou après toute modifica-
tion de la structure juridique ou organisationnelle, des
activités ou de la situation financière de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Art. 208 à 211
La Banque évalue le plan de redressement qui lui est
communiqué par l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance. Si ce plan n’est pas satisfaisant, elle peut exiger
de l’entreprise qu’elle le modifie et, si les modifications
apportées ne sont pas satisfaisantes, qu’elle prenne
les mesures appropriées pour remédier aux lacunes
du plan, notamment au regard des objectifs énoncés
par l’article 210, alinéa 2 en projet. Ces mesures ne
peuvent toutefois aller au-delà de ce qui est nécessaire
pour remédier aux lacunes identifiées.
171
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming oordeelt dat zij corrigerende maatregelen moet
nemen in het kader van de tenuitvoerlegging van haar
herstelplan naar aanleiding van het onderzoek (dat in
het licht van de kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren
van een mogelijke verslechtering van haar financiële
positie werd gevoerd) zoals bedoeld in ontwerpartikel
205, stelt zij de Bank hiervan in kennis. Evenzo stelt
zij de Bank in kennis indien dit onderzoek haar ertoe
brengt te beslissen geen corrigerende maatregelen ten
uitvoer te leggen. In een dergelijke geval kan de Bank
nog steeds een onverantwoorde passiviteit van de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming verhelpen,
door haar de goedkeuring van in het plan bepaalde
correctieve maatregelen op te leggen.
HOOFDSTUK IX
Specifieke bepalingen met betrekking tot het
verzekerings- en herverzekeringsbedrijf
Afdeling I
Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen
Onderafdeling I
Bijzondere bepalingen met betrekking tot
niet-levensverzekeringen
Art. 212
De Richtlijn bevat een aantal bepalingen die van
toepassing zijn op niet-levensverzekeringsovereenkom-
sten, die evenwel niet moeten worden omgezet in het
kader van het voorliggende ontwerp. Het betreft immers
hetzij bepalingen die de lidstaten verbieden om wetge-
ving vast te stellen voor bepaalde aangelegenheden,
zoals de systematische en voorafgaande goedkeuring
van de voorwaarden van de verzekeringsovereenkom-
sten (art. 181, lid 1 van de Richtlijn) of de controle op
de tarieven buiten een algemeen prijscontrolebeleid
(art. 181, lid 3 van de Richtlijn), hetzij bepalingen die
betrekking hebben op de bescherming van of de infor-
matieverstrekking aan de consument (artikelen 183 en
184 van de Richtlijn). De bepalingen met betrekking tot
de rechtsbijstandsverzekering (artikelen 198 tot 205 van
de Richtlijn) zijn overgenomen uit voorgaande richtlijnen
en werden reeds omgezet in de wet van 4 april 2014 be-
treffende de verzekeringen (artikelen 154 en 157) en in
het koninklijk besluit van 12 oktober 1990 betreffende
de rechtsbijstandsverzekering.
Artikel 189 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten de
niet-levensverzekeringsondernemingen mogen verplich-
ten deel te nemen aan regelingen die bedoeld zijn om
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
considère qu’elle doit prendre des mesures correc-
trices dans le cadre de la mise en œuvre de son plan
de redressement au regard de l’examen (mené à la
lumière des indicateurs qualitatifs et quantitatifs d’une
détérioration potentielle de sa situation financière) visé
à l’article 205 en projet, elle en informe la Banque. De
même, si cet examen conduit l’entreprise à décider
de ne pas mettre en œuvre de mesures correctrices,
elle en informe également la Banque. Dans une telle
hypothèse, la Banque reste à même de remédier à une
passivité injustifiée de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance, en lui imposant l’adoption de mesures
correctrices prévues dans le plan.
CHAPITRE IX
Dispositions spécifiques liées à l’activité
d’assurance et de réassurance
Section Ire
Dispositions particulières relatives à l’assurance
Sous-section Ire
Dispositions particulières en matière d’assurance non-vie
Art. 212
La Directive comprend un certain nombre de dispo-
sitions applicables aux contrats d’assurance non-vie
lesquelles ne doivent cependant pas faire l’objet d’une
transposition dans le cadre du présent projet. En effet,
il s’agit soit de dispositions qui interdisent aux États
membres de légiférer dans certaines matières telles que
l’approbation systématique et préalable des conditions
contractuelles (art. 181, paragraphe 1er de la Directive)
ou le contrôle des tarifs en dehors d’une politique
générale de contrôle des prix (art. 181, paragraphe 3 de
la Directive), soit de dispositions qui relèvent de la pro-
tection ou de l’information des consommateurs (articles
183 et 184 de la Directive). En particulier, les dispositions
relatives à l’assurance protection juridique (articles
198 à 205 de la Directive) sont reprises des directives
antérieures et ont déjà été transposées dans la loi du
4 avril 2014 relative aux assurances (articles 154 à
157) et dans l’arrêté royal du 12 octobre 1990 relatif à
l’assurance protection juridique.
L’article 189 de la Directive prévoit que les États
membres peuvent imposer aux entreprises d’assurance
non-vie de participer à des régimes destinés à garantir
172
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de betaling van schadevergoeding aan verzekerden en
benadeelde derden te garanderen. Dit artikel werd niet
formeel omgezet, maar vormt de juridische grondslag
voor de verplichtingen tot aansluiting van elke onder-
neming die onder een andere lidstaat ressorteert, bij
het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en
bij het Fonds voor Arbeidsongevallen voor wat betreft
de schadeloosstelling van de slachtoffers ingeval de
verzekeringsplichtige niet aan zijn verzekeringsplicht
heeft voldaan.
Artikel 207 van de Richtlijn, dat betrekking heeft op
de arbeidsongevallenverzekering, vereist geen omzet-
ting; het vormt de basis waarop de toezichthouder
kan steunen om aan ondernemingen die onder een
andere lidstaat ressorteren, de verplichtingen op te
leggen die voortvloeien uit de arbeidsongevallenwet
van 10 april 1971.
De voorgaande overwegingen verklaren waarom
de specifieke bepalingen met betrekking tot de niet-
levensverzekering beperkt zijn tot één enkel artikel
betreffende de winstdelingen en restorno’s.
Dit artikel bevat het verbod om een winstdeling of
restorno te waarborgen vóór de datum van de winst-
verdeling, dat wil zeggen de datum van de algemene
vergadering die de jaarrekening goedkeurt.
Het tweede lid van de bepaling, dat de Koning toelaat
de winstverdeling en —toekenning te reglementeren,
vormt de wettelijke basis voor het vastleggen van een
soortgelijke bepaling als die van het huidige artikel 12bis
van het Algemeen Reglement.
Onderafdeling II
Bijzondere bepalingen met betrekking tot
levensverzekeringen
Net zoals voor de niet-levensverzekering, bevat de
Richtlijn een aantal bepalingen met betrekking tot de
levensverzekering en moeten sommige van deze bepa-
lingen, om dezelfde redenen, niet worden omgezet in het
kader van het voorliggende ontwerp: verbod op vooraf-
gaande goedkeuring en systematische mededeling van
de voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten
(art. 182 van de Richtlijn), informatieverstrekking aan de
verzekeringnemers (art. 185 van de Richtlijn), opzegter-
mijn (art. 186 van de Richtlijn)… Aangezien de materie
van de levensverzekeringen vrij technisch van aard is,
werd het passend geacht in een toereikende wettelijke
basis te voorzien om deze activiteit te reglementeren via
een koninklijk besluit dat, voor de prudentiële aspecten,
in de plaats zou komen van het huidige koninklijk besluit
le paiement des créances d’assurance aux assurés
et aux tiers lésés. Cet article n’a pas été formellement
transposé mais il constitue la base juridique des obli-
gations d’affiliation de toute entreprise relevant du droit
d’un autre État membre au Fonds commun de garantie
belge et au Fonds des accidents du travail pour ce qui
concerne l’indemnisation des victimes dans le cas où
le débiteur de l’obligation d’assurance n’a pas satisfait
à cette dernière.
L’article 207 de la Directive, qui se rapporte à l’assu-
rance des accidents du travail, ne requiert pas une
transposition; il constitue la base permettant d’imposer à
toute entreprise relevant du droit d’un autre État membre
les obligations découlant de la loi du 10 avril 1971 sur
les accidents du travail.
Les considérations qui précèdent expliquent que les
dispositions particulières relatives à l’assurance non-
vie se limitent à un seul article relatif aux participations
bénéficiaires et aux ristournes.
Cet article reprend l’interdiction de garantir une parti-
cipation bénéficiaire ou une ristourne avant la date de la
répartition du bénéfice, c’est-à-dire celle de l’assemblée
générale qui approuve les comptes annuels.
Le second alinéa de la disposition, qui permet au
Roi de réglementer la répartition et l’attribution des
participations bénéficiaires, constitue la base légale
pour prendre une disposition analogue à l’actuel article
12bis du Règlement Général.
Sous-section II
Dispositions particulières en matière d’assurance-vie
Tout comme pour l’assurance non-vie, la Directive
comprend certains dispositions relatives à l’assurance
vie et, pour les mêmes raisons, certaines de celles-ci
ne doivent pas faire l’objet d’une transposition dans
le cadre du présent projet: interdiction de l’approba-
tion préalable et de la notification systématique des
conditions contractuelles (art. 182 de la Directive),
informations à l’attention des preneurs d’assurance
(art. 185 de la Directive), délai de renonciation (art.
186 de la Directive)… La matière de l’assurance vie
étant relativement technique, il a été jugé opportun de
prévoir une base légale suffisante en vue de réglementer
cette activité par la voie d’un arrêté royal qui, pour les
aspects prudentiels, se substituerait à l’actuel arrêté
royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assu-
rance sur la vie (ci-après “l’arrêté-vie”). Le projet de loi
173
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van 14 november 2003 betreffende de levensverzeke-
ringsactiviteit (hierna “het besluit leven”). Het wetsont-
werp omvat derhalve slechts de bepalingen die nodig
zijn om een dergelijke wettelijke basis te formaliseren.
Art. 213
Sommige van de definities zijn overgenomen uit het
huidige besluit leven (zie bijlage 2 van dat besluit). Voor
de definitie van “winsttoekenning” werden de twee ge-
vallen waarin het huidige besluit leven voorziet, namelijk
de voorwaardelijke toekenning en de onvoorwaardelijke
toekenning, samengevoegd in dezelfde definitie.
Deze definities zullen vervolledigd kunnen worden
door het besluit dat op basis van ontwerpartikel 221 zal
worden genomen.
Art. 214
De verplichting om de technische grondslagen en
methodes voor de levensverzekeringsovereenkomsten
vóór de toepassing ervan mee te delen, is overgenomen
uit artikel 22 van het besluit leven. Deze bepaling is
toegelaten op grond van artikel 182, tweede alinea van
de Richtlijn. Zoals in dit artikel van de Richtlijn wordt
bepaald, vormt de kennisgeving geen voorafgaande
voorwaarde voor de uitoefening van de activiteit.
Het tweede lid van de ontwerpbepaling houdt in dat de
in het eerste lid bedoelde types van producten via een
reglement van de Bank kunnen worden bepaald, zodat
de door de verzekeringsondernemingen meegedeelde
gegevens kunnen worden vergeleken.
Art. 215
Deze bepaling zet artikel 209 van de Richtlijn om, en
neemt de beginselen van artikel 24, § 1 van het besluit
leven over, volgens dewelke de premies en inkomsten
uit de belegging ervan toereikend moeten zijn, zodat de
verzekeringsonderneming aan al haar verplichtingen
kan voldoen zonder systematische inbreng van andere
middelen. De bedoeling bestaat er voornamelijk in een
gezonde concurrentie te verzekeren die gebaseerd is
op een voorzichtige tarifering, en te vermijden dat de
verzekeringsondernemingen marktaandeel trachten
te winnen door middel van dumping gefinancierd met
eigen vermogen.
ne comprend dès lors que les dispositions nécessaires
afin de formaliser une telle base légale.
Art. 213
Quelques définitions sont reprises de l’actuel arrê-
té-vie (voir l’annexe 2 de cet arrêté). Pour la définition
d’“attribution de la participation bénéficiaires”, les deux
hypothèses de l’actuel arrêté vie, à savoir l’attribution
conditionnelle et l’attribution inconditionnelle, ont été
fusionnées dans la même définition.
Ces définitions pourront être complétées par l’arrêté
pris sur la base de l’article 221 en projet.
Art. 214
L’obligation de communiquer, préalablement à leur
mise en application, les bases et méthodes techniques
des contrats d’assurance vie est reprise de l’article
22 de l’arrêté-vie. Cette disposition est autorisée par
l’article 182, alinéa 2 de la Directive. Comme prévu par
cet article de la Directive, la notification ne constitue
pas une condition préalable à l’exercice de l’activité.
Le second alinéa de la disposition en projet permet,
par un règlement de la Banque, de déterminer les types
de produits visés par son alinéa 1er de manière à per-
mettre la comparabilité des données transmises par les
entreprises d’assurance.
Art. 215
Cette disposition transpose l’article 209 de la Directive
et reprend les principes de l’article 24, § 1er de l’arrêté
vie, selon lesquels les primes et les revenus tirés du
placement de celles-ci doivent être suffisants pour que
l’entreprise d’assurance puisse satisfaire à l’ensemble
de ses engagements sans apport systématique d’autres
ressources. L’objectif principal consiste à assurer une
concurrence saine basée sur une tarification prudente
et d’éviter que des entreprises d’assurance tentent de
gagner des parts de marché par la pratique de dumping
financée par les fonds propres.
174
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 216
— Algemeen
Deze bepaling betreft de vaststelling van een maxi-
male technische rentevoet en vervangt tegelijk artikel
19, §§ 2 en 3 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 24,
§§ 2 tot 4 van het besluit leven.
De vaststelling van een maximale technische ren-
tevoet is een prudentiële maatregel. De bedoeling is
immers niet om iedere verzekeringnemer afzonderlijk
te beschermen, aangezien ze de verzekeringsonder-
nemingen niet verbiedt een contractuele rentevoet vast
te stellen die lager is dan het wettelijk maximum. De
maatregel beoogt veeleer om de solvabiliteit van de
verzekeringsonderneming op lange termijn te waarbor-
gen en om de negatieve effecten van de concurrentie
te vermijden tussen de verzekeringsondernemingen die
het grootste verkoopvolume op korte termijn nastreven
ten nadele van de winstgevendheid van de producten
op lange termijn.
Het kan voor een verzekeringsonderneming immers
aanlokkelijk zijn om overeenkomsten met hoge rente-
voeten aan te bieden, terwijl ze geen of onvoldoende
activa heeft om het beloofde rendement op lange termijn
te kunnen dekken. Voor bepaalde verzekeringsproduc-
ten is het soms ook moeilijk om activa te vinden die
hetzelfde rendement over dezelfde looptijd bieden. Als
de technische rentevoet te hoog blijkt, kan de verzeke-
ringsonderneming niet langer aan haar verplichtingen
voldoen zonder maatregelen te nemen om de situatie
te herstellen.
Er moet worden vastgesteld dat de maatregelen om
aan deze problematiek het hoofd te kunnen bieden,
vooral de preventieve maatregelen, niet erg talrijk zijn
en nagenoeg altijd ongewenste effecten voor de verze-
keringnemers of de begunstigden vertonen.
Wat de preventieve maatregelen betreft, kunnen we
enkel artikel 215 vermelden, dat de ondernemingen
verplicht om voorzichtigheid aan de dag te leggen bij
het opstellen van hun tarieven. De Bank kan uitsluitend
optreden in enkele gevallen waar de onderneming
onvoorzichtigheid aan de dag heeft gelegd. Door de
afwezigheid van een controle a priori op de tarieven zal
de Bank bovendien maar kunnen reageren na het op de
markt brengen van de gewraakte producten.
De overige maatregelen mogen slechts worden geno-
men wanneer het onevenwicht tussen de inkomende en
uitgaande stromen is vastgesteld of op zijn minst sterk
te verwachten is op korte termijn.
Art. 216
— Généralités
Cette disposition concerne la fixation d’un taux
technique maximum et remplace à la fois l’article 19,
§§ 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 24, §§ 2 à
4 de l’arrêté-vie.
La fixation d’un taux technique maximum est une
mesure de nature prudentielle. En effet, elle n’a pas
pour objet de protéger chaque preneur d’assurance indi-
viduellement puisqu’elle n’interdit pas aux entreprises
d’assurance de fixer un taux contractuel largement
inférieur au maximum légal. La mesure vise plutôt à
garantir la solvabilité à long terme de l’entreprise d’assu-
rance et à éviter les effets pervers de la concurrence
entre les entreprises d’assurance recherchant le plus
gros volume de vente à court terme au détriment de la
rentabilité des produits sur le long terme.
Il peut en effet être tentant pour une entreprise
d’assurance d’offrir des contrats avec des taux élevés
alors qu’elle n’a pas ou pas suffisamment d’actifs qui lui
permettent de couvrir le rendement promis sur le long
terme. Pour certains produits d’assurance, il est aussi
parfois difficile de trouver des actifs offrant le même
rendement sur la même durée. Si le taux technique
contractuel se révèle trop élevé, l’entreprise d’assu-
rance ne peut plus faire face à ses engagements sans
prendre des mesures visant à redresser sa situation.
Force est de constater que les mesures permettant
de pallier cette problématique sont peu nombreuses,
surtout s’agissant des mesures préventives, et pré-
sentent presque toujours des effets indésirables pour
les preneurs ou les bénéficiaires.
Au titre des mesures préventives, on peut unique-
ment citer l’article 215, qui oblige les entreprises à
faire preuve de prudence lors de l’élaboration de leurs
tarifs. Ce n’est que dans quelques cas où l’entreprise
a fait preuve d’une imprudence que la Banque pourra
intervenir. En outre, l’absence de contrôle a priori sur
les tarifs fait que la réaction de la Banque n’aura lieu
qu’après la commercialisation des produits incriminés.
Les autres mesures ne peuvent être prises que
lorsque le déséquilibre entre les flux entrant et les flux
sortant est avéré ou du moins fortement prévisible à
court terme.
175
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De eerste maatregel waarop een beroep kan worden
gedaan in de beoogde situatie, is het in evenwicht bren-
gen van de tarieven als bepaald in ontwerpartikel 504.
Deze maatregel heeft evenwel uitsluitend betrekking op
de nieuwe overeenkomsten en op de flexibele premies
die gestort zijn na de beslissing om de tarieven in even-
wicht te brengen op de hierna beschreven manier. Ze
is niet van toepassing op de koopsommen, noch op de
vastgestelde premies van de overeenkomsten die geslo-
ten zijn vóór de beslissing om de tarieven in evenwicht
te brengen. In een dergelijke mogelijkheid voorzien, zou
immers een moral hazard-risico creëren, dat bepaalde
ondernemingen ertoe zou kunnen aanzetten om te ris-
kante rendementsvoeten aan te bieden, wetende dat ze
van hun toezichthouder een verlaging van deze tarieven
kunnen verkrijgen in geval van problemen.
Het in evenwicht brengen van de tarieven komt er
dus op neer de rentevoet van de nieuwe productie te
verlagen om het hoofd te bieden aan een probleem met
betrekking tot de oude productie. Het succes van deze
maatregel zal afhangen van diverse factoren, zoals de
respectieve volumes en gewaarborgde rendementen
van de oude en nieuwe producties, alsook van het feit
dat de onderneming de gewaarborgde rentevoeten van
haar nieuwe productie niet kan verlagen tot een niveau
dat haar ten opzichte van de concurrentie buiten de
markt zou plaatsen. Bovendien roept het feit dat de
nieuwe productie de oude productie subsidieert, vragen
op over de billijkheid tussen de verschillende generaties
van overeenkomsten.
Dit probleem van onbillijkheid kan ook de kop
opsteken wanneer een deel van de productie, bij-
voorbeeld de individuele levensverzekeringen, syste-
matisch een ander deel subsidieert, bijvoorbeeld de
groepsverzekeringen.
Het in evenwicht brengen van de tarieven kan af-
zonderlijk worden beschouwd of in het kader van de
tenuitvoerlegging van een vooraf opgesteld herstelplan
(zie artikel 509) of een saneringsplan in geval van niet-
naleving van het SCR (art. 510), of zelfs een plan inzake
financiering op korte termijn (art. 511) in geval van niet-
naleving van het MCR.
Naast het in evenwicht brengen van de tarieven, zijn
de andere maatregelen die kunnen worden genomen
vaak beperkt tot de injectie van vers kapitaal in de ver-
zekeringsonderneming. Dit is niet altijd mogelijk indien
de onderneming geen aandeelhouder heeft die kan of
wil herkapitaliseren.
Een andere mogelijkheid bestaat in de portefeuil-
leoverdracht met toepassing van artikel 517, § 1, 7°.
In een dergelijk geval zal de overnemer zelden bereid
La première mesure à laquelle il peut être fait appel
dans la situation visée est la mise en équilibre des
tarifs prévue par l’article 504 en projet. Celle-ci ne
concerne toutefois que les nouveaux contrats et les
primes flexibles versées après la décision de mise en
équilibre des tarifs de la manière décrite ci-après. Elle ne
s’applique pas aux primes uniques ni aux primes fixées
des contrats souscrits avant la décision de mise en
équilibre des tarifs. Prévoir une telle possibilité créerait
en effet un hasard moral qui pourrait inciter certaines
entreprises à offrir des taux de rendement trop risqués
en sachant qu’elles pourront obtenir de leur autorité de
contrôle une diminution de ces taux en cas de difficulté.
La mise en équilibre des tarifs revient donc à dimi-
nuer le taux de la nouvelle production pour faire face à
un problème relatif à l’ancienne production. Le succès
de cette mesure dépendra de divers facteurs tels que
les volumes et les rendements garantis respectifs des
anciennes et nouvelles productions, ainsi que du fait
que l’entreprise ne peut abaisser les taux garantis de
sa nouvelle production à un niveau qui la mettrait hors
marché par rapport à la concurrence. De plus, le fait que
la nouvelle production subventionne l’ancienne pose
des questions sur le plan de l’équité entre les diverses
générations de contrats.
Ce problème d’iniquité peut aussi apparaître
lorsqu’une partie de la production, par exemple, les
assurances vie individuelles, en subventionne systé-
matiquement une autre, par exemple, les assurances
de groupe.
La mise en équilibre des tarifs peut être prise isolé-
ment ou dans le cadre de la mise en œuvre d’un plan
de redressement préalablement établi (voir l’article
509) ou d’un programme de rétablissement en cas de
non-conformité du SCR (art. 510), voire d’un plan de
financement à court terme (art. 511) en cas de non-
conformité du MCR.
Outre la mise en équilibre des tarifs, les autres
mesures qui peuvent être prises se limitent souvent à
l’injection de capitaux frais dans l’entreprise d’assu-
rance. Cela n’est pas toujours possible si l’entreprise n’a
pas d’actionnaire capable ou disposé à la recapitaliser.
Une autre possibilité consiste dans le transfert du por-
tefeuille en application de l’article 517, § 1er, 7°. Dans un
tel cas, le cessionnaire sera rarement disposé à garantir
176
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
worden gevonden een rentevoet te waarborgen die hij
zelf niet aan zijn cliënten kan aanbieden, en zal hij het
rendement van de overeenkomsten die hij overneemt,
willen verlagen (zie artikel 546, derde lid, evenwel van
toepassing in extreme situaties waarin de overdragende
onderneming de markt verlaat).
Indien het in evenwicht brengen van de tarieven of
de andere herstelmaatregelen geen resultaat opleveren,
bestaat de enige mogelijkheid erin de activiteit van de
verzekeringsonderneming stop te zetten, waardoor de
verzekeringnemers verplicht zijn een andere verzeke-
raar te zoeken. Het mag duidelijk zijn dat deze nieuwe
onderneming in het hier bedoelde geval slechts zeer
uitzonderlijk dezelfde rentevoet zal aanbieden als die
van de overeenkomsten van de oude onderneming. In
bepaalde gevallen, bijvoorbeeld de dekking voor over-
lijden van ouderen, is de mogelijkheid om een nieuwe
overeenkomst te sluiten zeer beperkt, zelfs onmogelijk,
met name in het geval dat het sluiten van een dergelijke
overeenkomst onderworpen is aan een vragenlijst of
een medisch onderzoek.
Derhalve blijkt de vaststelling van een maximale tech-
nische rentevoet een maatregel te zijn die in verhouding
staat tot het beoogde doel, namelijk het voorkomen
van de meest risicovolle gedragingen van verzeke-
ringsondernemingen. Om de concurrentie tussen de
ondernemingen niet te vervalsen, moet de maximale
technische rentevoet evenwel op een voldoende hoog
niveau worden vastgesteld.
— Vaststelling van de maximale technische rentevoet
Paragraaf 1 van de besproken bepaling bevat de
procedure voor de vaststelling van de maximale tech-
nische rentevoet.
De methode om de maximale technische rentevoet
vast te stellen, zoals momenteel bepaald in artikel 19,
§§ 2 en 3 van de wet van 9 juli 1975, is niet optimaal.
Het gaat immers om een incidentele beslissing, die over-
gelaten wordt aan de beoordeling van de toezichthou-
der, en die weinig transparant is. Het mechanisme dat
wordt voorgesteld in de ontwerpbepaling, beoogt deze
tekortkomingen te verhelpen door te voorzien in een
eenvoudige, objectieve en transparante methode voor
het vaststellen van de maximale technische rentevoet.
De maximale technische rentevoet wordt berekend
aan de hand van het rendement van lineaire over-
heidsobligaties (OLO’s) op tien jaar. Het is gelijk aan
85 % van het gemiddelde van deze rendementen over
24 maanden, afgerond tot op de dichtstbijzijnde 0,25 %.
Om prudentiële redenen werd voorzien in een absoluut
maximum van 3,75 %, dat gelijk is aan de momenteel
un taux qu’il ne peut lui-même offrir à ces clients et sou-
haitera diminuer le taux de rendement des contrats qu’il
reprend (voir l’article 546, alinéa 3 applicable toutefois
dans des situations extrêmes où l’entreprise cédante
sort du marché).
En cas d’échec de la mise en équilibre des tarifs ou
des autres mesures de redressement, la seule possi-
bilité est l’arrêt de l’activité de l’entreprise d’assurance
ce qui oblige les preneurs d’assurance à rechercher un
nouvel assureur. Il est bien évident que, dans l’hypo-
thèse visée ici, cette nouvelle entreprise ne proposera
que très exceptionnellement un taux identique à celui
des contrats de l’ancienne. Dans certains cas, par
exemple les couvertures décès de personnes âgées,
la possibilité de souscrire un nouveau contrat est très
limitée voire impossible notamment dans le cas où la
souscription d’un tel contrat sera soumise à un ques-
tionnaire ou à un examen médical.
Dans ces conditions, il apparaît que la fixation d’un
taux technique maximum constitue une mesure pro-
portionnée à l’objectif poursuivi, qui est de prévenir les
comportements les plus risqués de la part des entre-
prises d’assurance. Pour ne pas fausser la concurrence
entre les entreprises, il convient toutefois de fixer le taux
technique maximum à un niveau suffisamment élevé.
— Fixation du taux technique maximum
Le paragraphe 1er de la disposition commentée
détermine la procédure de fixation du taux technique
maximum.
Le mode de fixation du taux technique maximum, tel
qu’il est actuellement prévu par l’article 19, §§ 2 et 3 de
la loi du 9 juillet 1975 n’est pas optimal. Il s’agit en effet
d’une décision ponctuelle, laissée à l’appréciation de
l’autorité de contrôle et peu transparente. Le mécanisme
proposé dans la disposition en projet entend remédier à
ces défauts en prévoyant une méthode simple, objective
et transparente de fixation du taux technique maximum.
Le taux technique maximum est calculé à partir du
rendement des obligations linéaires de l’État belge
(OLO) à dix ans. Il est égal à 85 % de la moyenne de
ces rendements sur 24 mois avec un arrondi aux 0,25 %
les plus proches. Pour des raisons prudentielles, un
maximum absolu de 3,75 %, égal au taux actuellement
en vigueur, a été prévu. Un minimum de 0,75 % est
177
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van kracht zijnde rentevoet. Een minimum van 0,75 %
is eveneens vastgelegd, om de concurrentie tussen
de ondernemingen zelf niet al te veel te beteugelen in
periodes van lage rente. Het staat de ondernemingen
in ieder geval vrij om rentevoeten te waarborgen die
lager zijn dan het maximum dat met toepassing van de
besproken bepaling is vastgesteld.
De maximale technische rentevoet wordt aldus be-
rekend op 1 juni, zodat er voldoende tijd overblijft om
de hieronder beschreven procedure vlot te laten verlo-
pen en om de ondernemingen toe te laten de nieuwe
maximale technische rentevoet te integreren in hun
tariferingsbeleid.
Indien de nieuwe maximale technische rentevoet
geen opwaarts of neerwaarts verschil van minstens
0,25 % vertoont ten opzichte van de vigerende rente-
voet, blijft deze van toepassing. In het tegengestelde
geval vangt de procedure voor de wijziging van de
maximale technische rentevoet aan.
De eerste fase is de raadpleging van de FSMA in
haar hoedanigheid van autoriteit die belast is met de
bescherming van en de informatieverstrekking aan de
consument en het toezicht op de aanvullende pensi-
oenen. De FSMA beschikt over vijftien dagen om haar
advies te formuleren.
Na ontvangst van het advies van de FSMA of bij
het verstrijken van de hierboven bepaalde termijn van
vijftien dagen, beschikt de Bank over vijftien dagen
om aan de minister bevoegd voor de verzekeringen
een met redenen omkleed voorstel tot wijziging van de
maximale technische rentevoet voor. Dit voorstel bevat
de rentevoet die overeenkomstig het tweede lid van
paragraaf 1 is vastgesteld, de motivering van de Bank
en het advies van de FSMA.
De minister beschikt over twee maanden om een
beslissing te nemen over het voorstel van de Bank.
Deze beslissing kan bestaan in een aanvaarding, een
afwijzing of een wijziging van de door de Bank voorge-
stelde rentevoet. Bij gebreke van een beslissing binnen
de voornoemde termijn wordt het voorstel aanvaard.
In geval van afwijzing blijft de maximale technische
rentevoet van toepassing.
Zodra de Bank de beslissing van de minister ontvangt
of, bij gebreke van een beslissing, bij het verstrijken van
de voornoemde termijn van twee maanden, publiceert
zij de nieuwe maximale technische rentevoet in het
Belgisch Staatsblad en op haar website. Deze publi-
catie dient ten laatste op 1 september plaats te vinden.
Ze dient ook plaats te vinden wanneer de minister het
voorstel van de Bank afwijst, om duidelijk aan te geven
aussi fixé pour ne pas brider exagérément la concur-
rence entre les entreprises mêmes dans les périodes
de taux bas. Dans tous les cas, les entreprises seront
libres de garantir des taux inférieurs au maximum fixé
en application de la disposition commentée.
Le taux technique maximum est ainsi calculé le 1er
juin de manière à laisser un temps suffisant pour que
la procédure décrite ci-dessous se déroule et que les
entreprises intègrent le nouveau taux technique maxi-
mum dans leur politique de tarification.
Si le nouveau taux technique maximum ne donne
pas un écart, à la hausse ou à la baisse, au moins égal
à 0,25 % par rapport au taux en vigueur, celui-ci reste
d’application. Dans le cas contraire, la procédure de
modification du taux technique maximum débute.
La première étape est la consultation de la FSMA
en sa qualité d’autorité ayant en charge la protection
et l’information des consommateurs et le contrôle des
pensions complémentaires. La FSMA dispose de quinze
jours pour rendre son avis.
Dès réception de l’avis de la FSMA ou à l’expiration
du délai de quinze jours prévu ci-dessus, la Banque dis-
pose de quinze jours pour transmettre au ministre ayant
les assurances dans ses attributions une proposition
motivée de modification du taux technique maximum.
Cette proposition contient le taux fixé conformément à
l’alinéa 2 du paragraphe 1er, la motivation de la Banque
et l’avis de la FSMA.
Le ministre dispose de deux mois pour prendre
une décision sur la proposition de la Banque. Cette
décision peut consister en une acceptation, un rejet ou
une modification du taux proposé par la Banque. Une
absence de décision dans le délai précité équivaut à
une acceptation de la proposition. En cas de rejet, le
taux technique maximum en vigueur reste d’application.
Dès que la Banque reçoit la décision du ministre
ou, en l’absence de décision, à l’expiration du délai de
deux mois précité, elle publie le nouveau taux technique
maximum au Moniteur belge et sur son site Internet.
Cette publication a lieu au plus tard le 1er septembre.
Elle doit avoir lieu même en cas de rejet par le ministre
de la proposition de la Banque pour indiquer clairement
que le taux technique maximum demeure inchangé
178
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat de maximale technische rentevoet onveranderd
blijft, ondanks de ontwikkeling van het rendement op de
OLO’s die elkeen zelf zou hebben kunnen vaststellen.
De als aangegeven gepubliceerde rentevoet wordt
van kracht op 1 januari van het volgende jaar. Zo is elke
maximale technische rentevoet van kracht voor een
maximale duur van een jaar, die telkens op 1 januari
kan worden verlengd met dezelfde duur. De rentevoet
varieert per drempel van 0,25 %. Zo wordt een relatieve
stabiliteit in het verloop van de maximale technische
rentevoet gegarandeerd.
— Uitzondering voor waarborgen met een maximum-
duur van acht jaar
In paragraaf 2 wordt een afwijking toegestaan op de
rentevoet die wordt vastgesteld met toepassing van pa-
ragraaf 1 voor waarborgen met een maximumduur van
acht jaar (ongeacht de looptijd van de overeenkomst).
Deze bepaling is geïnspireerd op het huidige artikel 24,
§ 4 van het besluit leven. Behalve de maximumduur
van acht jaar, wordt tevens geëist dat de looptijd en
de inkomsten van de activa van de onderneming haar
toelaten om een technische rentevoet te waarborgen die
hoger is dan het met toepassing van paragraaf 1 vastge-
stelde maximum, dat wil zeggen dat er overeenstemming
(matching) bestaat tussen de activa en de verplichtingen
van de verzekeringsonderneming.
Aangezien deze materie vrij technisch van aard is,
werd ervoor geopteerd om de toepassingsmodaliteiten
ervan in een koninklijk besluit te verduidelijken.
— Toepassing van de maximale technische rentevoet
De derde paragraaf bevat de regels voor de toe-
passing van de maximale technische rentevoet op de
nieuwe en de lopende overeenkomsten. Dit is uitermate
belangrijk wanneer de maximale technische rentevoet
werd gewijzigd.
Het algemene principe is dat de premies waarin werd
voorzien op het ogenblik dat de overeenkomst werd
gesloten, gekapitaliseerd blijven tegen de op dat ogen-
blik vastgestelde contractuele technische rentevoet,
ook al valt deze rentevoet hoger uit dan de maximale
technische rentevoet.
Er kunnen zich drie situaties voordoen. De eerste
situatie is die van de overeenkomsten die gesloten wor-
den vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe maximale
technische rentevoet. Voor deze overeenkomsten zal de
verzekeringsonderneming geen contractuele rentevoet
mogen waarborgen die hoger is dan het reglementaire
maximum.
nonobstant l’évolution du rendement des OLO que tout
un chacun aurait pu constater par lui-même.
Le taux publié comme indiqué entre en vigueur à
partir du 1er janvier suivant. De la sorte, chaque taux
technique maximum est en vigueur pour une durée
minimale d’un an et peut être prolongé chaque 1er janvier
d’une durée équivalente. Il varie par seuil de 0,25 %. De
la sorte, on assure une relative stabilité dans l’évolution
du taux technique maximum.
— Exception pour les garanties de huit ans maximum
Le paragraphe 2 permet une dérogation au taux fixé
en application du paragraphe 1er pour des garanties de
huit ans maximum (quelle que soit la durée du contrat).
Cette disposition est inspirée de l’actuel article 24,
§ 4 de l’arrêté vie. Outre la durée maximale de huit
ans, il est aussi exigé que la durée et les revenus des
actifs de l’entreprise lui permettent de garantir un taux
technique supérieur au maximum fixé en application du
paragraphe 1er, c’est-à-dire qu’il y ait correspondance
(matching) entre les actifs et les engagements de l’entre-
prise d’assurance.
Cette matière étant relativement technique, le choix
a été fait d’en préciser les modalités d’application par
la voie d’un arrêté royal.
— Application du taux technique maximum
Le troisième paragraphe comprend les règles déter-
minant la manière dont le taux technique maximum
s’applique aux nouveaux contrats et aux contrats en
cours. Ceci est particulièrement important lorsque le
taux technique maximum vient à être modifié.
Le principe général est que les primes qui ont été
programmées au moment de la souscription du contrat
restent capitalisées au taux technique contractuel fixé
à ce moment même si ce taux vient à être supérieur au
taux technique maximum.
Trois situations différentes doivent être envisagées.
La première est celle des contrats qui sont souscrits à
partir de l’entrée en vigueur du nouveau taux technique
maximum. Pour ces contrats, l’entreprise d’assurance
ne pourra pas garantir un taux contractuel supérieur au
maximum réglementaire.
179
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De tweede situatie is die van de lopende overeen-
komsten waarvoor de prestatie niet bepaald wordt op
het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten. Het
zijn de zogenaamde overeenkomsten “met flexibele
premies”, waarbij de verzekeringnemer de bedragen
en momenten van zijn premiestortingen vrij kan kiezen.
Voor deze overeenkomsten zal de maximale techni-
sche rentevoet van toepassing zijn op de premies ge-
stort na de inwerkingtreding van het nieuwe maximum.
Elke premie blijft interesten dragen tegen de contractu-
ele rentevoet die van kracht is op het ogenblik van de
storting ervan, ook al blijkt die rentevoet nadien hoger
uit te vallen dan de maximale technische rentevoet.
De derde categorie heeft betrekking op de lopende
overeenkomsten die het voorwerp uitmaken van een ver-
hoging of herziening van de waarborg na de inwerking-
treding van de nieuwe maximale technische rentevoet.
De waarborgverhogingen (bv. een verhoging van het
kapitaal bij leven of de toevoeging van een overlijdens-
dekking of een verzekerde) geven meestal aanleiding tot
een premieverhoging. Aangezien er niet in deze verho-
ging werd voorzien bij het sluiten van de overeenkomst,
zal ze rekening moeten houden met de maximale tech-
nische rentevoet die van kracht is op het ogenblik van
de waarborgverhoging alsof het om een nieuwe over-
eenkomst ging. Hierdoor wordt vermeden dat de finan-
ciële gezondheid van de verzekeringsondernemingen
in gevaar wordt gebracht door buitenkansgedragingen
waardoor bepaalde verzekeringnemers geneigd zouden
zijn om de waarborgen van een lopende overeenkomst
fors te verhogen teneinde te profiteren van een historisch
hoge rentevoet die evenwel niet langer spoort met de
realiteit van de markten.
De herziening van de waarborg vormt een indexe-
ring van de contractueel bepaalde prestaties. Hoewel
deze herziening wordt vastgelegd bij het sluiten van de
overeenkomst, moet op de premieverhogingen die eruit
voortvloeien de maximale rentevoet worden toegepast
die van kracht is op het ogenblik van de indexering zelf.
Hoewel de gevolgen van de indexering beperkt kunnen
zijn voor een individuele overeenkomst, kunnen ze im-
mers zeer belangrijk zijn op het niveau van de onder-
neming, gelet op het aantal betrokken overeenkomsten.
Samengevat geldt de nieuwe maximale technische
rentevoet niet voor de overeenkomsten tegen koopsom
en met vastgestelde premies die gesloten zijn vóór de
inwerkingtreding van een nieuwe maximale techni-
sche rentevoet, behalve voor wat betreft het gedeelte
dat voortvloeit uit de verhoging van de toekomstige
waarborgen.
La deuxième situation est celle des contrats en
cours pour lesquels la prestation n’est pas déterminée
au moment de la conclusion du contrat. Sont ici visés
des contrats dits “à primes flexibles” dans lesquels le
preneur est libre quant aux montants et aux moments
de versement de ses primes.
Pour ces contrats, le taux technique maximum s’im-
posera aux primes versées après l’entrée en vigueur du
nouveau maximum. Chaque prime continue de porter
des intérêts au taux contractuel en vigueur au moment
de son versement, même si ce taux s’avère, par la suite,
supérieur au taux technique maximum.
La troisième catégorie concerne les contrats en cours
mais qui font l’objet d’une augmentation ou d’une révi-
sion de la garantie intervenant après l’entrée en vigueur
du nouveau taux technique maximum.
Les augmentations de garantie (p.ex. une augmenta-
tion du capital en cas de vie ou l’ajout d’une couverture
décès ou encore d’un assuré) donnent le plus souvent
lieu à une augmentation de la prime. Comme cette
augmentation n’a pas été prévue lors de la souscription
du contrat, elle devra tenir compte du taux technique
maximum en vigueur au moment de l’augmentation de
la garantie comme s’il s’agissait d’un nouveau contrat.
Ceci évite que la santé financière des entreprises
d’assurance soit mise en péril par des comportements
d’aubaine par lesquels certains preneurs seraient ten-
tés d’augmenter fortement les garanties d’un contrat
en cours afin de profiter d’un taux historiquement
élevé mais plus du tout en phase avec les réalités des
marchés.
La révision de la garantie constitue une indexation
des prestations contractuellement prévues. Bien que
celle-ci soit déterminée à la souscription du contrat, il
convient d’appliquer aux augmentations de primes qui
en découlent le taux maximum en vigueur au moment
de l’indexation elle-même. En effet, si l’impact de
l’indexation peut être limité sur un contrat individuel,
il peut être très important au niveau de l’entreprise en
raison du nombre de contrats concernés.
En résumé, les contrats à prime unique et à primes
fixées souscrits avant l’entrée en vigueur d’un nouveau
taux technique maximum ne sont pas concernés par
celui-ci, sauf pour ce qui concerne la partie provenant
d’augmentation des garanties futures.
180
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het tweede lid van paragraaf 3 heeft betrekking op
overeenkomsten die onder verschillende van de voor-
gaande categorieën vallen. Zo kan een overeenkomst
een rentevoet waarborgen gedurende een kortere pe-
riode dan haar volledige looptijd. Voor de toepassing
van dit artikel bestaat een dergelijke overeenkomst uit
twee delen. Tijdens het eerste deel gaat het om een
overeenkomst met vastgelegde premies en gedurende
het tweede deel om een overeenkomst met flexibele
premies. In dergelijke situaties en voor de toepassing
van dit artikel, zijn de bepalingen van het eerste lid van
paragraaf 3 van toepassing op elk deel van de overeen-
komst, alsof het afzonderlijke overeenkomsten betrof.
Verbod op tariefwaarborg
In de vierde paragraaf wordt de regel van artikel
26 van het besluit leven overgenomen, dat bepaalt
dat de overeenkomsten met flexibele premies als een
geheel van verrichtingen tegen koopsom (vandaar de
benaming “overeenkomsten tegen opeenvolgende
koopsommen”) dienen te worden beschouwd en geen
enkele tariefwaarborg mogen bieden voor de storting
van de premies.
Art. 217
Het verbod om winstdelingen of restorno’s te waar-
borgen vóór de verdeling van de winst, is overgeno-
men uit artikel 32 van het besluit leven. Het principe
is dat de winstdelingen en restorno’s slechts kunnen
worden toegekend als de onderneming voldoet aan
bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat
voldoende winst werd geboekt om ze te kunnen toe-
kennen. Aangezien deze winst voortvloeit uit de door
de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekening,
kan onmogelijk wat dan ook gewaarborgd worden vóór
die goedkeuring.
Art. 218
De uitdrukking “afgezonderd fonds” heeft een bijzon-
dere betekenis in de Richtlijn (zie met name artikel 99,
artikel 111, lid 1, onder h) en artikel 304), die nauwer
aanleunt bij het begrip “afzonderlijk beheer” zoals dat
momenteel bestaat in Belgisch recht. Om deze reden
werd ervoor geopteerd om voortaan gebruik te maken
van de uitdrukking “fonds met aangewezen activa”, dat
de nadruk legt op het feit dat het hoofdkenmerk van de
betrokken overeenkomsten is dat ze worden gedekt door
activa die duidelijk aangewezen zijn in de contractuele
voorwaarden, en waarvan de rendementen aan hen
worden toegewezen.
Le second alinéa du paragraphe 3 concerne des
contrats qui relèvent de plusieurs des catégories pré-
cédents. Ainsi un contrat peut garantir un taux pendant
une période plus courte que sa durée totale. Pour les
besoins du présent article, un tel contrat se décompose
en deux parties. Pendant la première, il s’agit d’un
contrat à primes fixées et, pendant la seconde, à primes
flexibles. Dans de telles situations et pour les besoins
du présent article, les dispositions du premier alinéa
du paragraphe 3 s’appliqueront à chacune des parties
du contrat comme s’il s’agissait de contrats distincts.
Interdiction de garantie tarifaire
Le quatrième paragraphe reprend la règle de l’article
26 de l’arrêté-vie, qui prévoit que les contrats à primes
flexibles sont considérés comme un ensemble d’opé-
rations à prime unique (d’où l’appellation de “contrats à
primes uniques successives”) et ne peuvent comporter
aucune garantie tarifaire avant le versement des primes.
Art. 217
L’interdiction de garantir des participations bénéfi-
ciaires ou des ristournes avant la répartition du bénéfice
est reprise de l’article 32 de l’arrêté vie. Le principe est
que les participations bénéficiaires et les ristournes ne
peuvent être accordées que si l’entreprise répond à
certaines conditions dont celle d’avoir réalisé un béné-
fice suffisant permettant de les accorder. Ce bénéfice
découlant des comptes annuels approuvés par l’assem-
blée générale, il est donc impossible de garantir quoi
que ce soit avant cette approbation.
Art. 218
L’expression “fonds cantonné” revêt une signification
particulière dans la Directive (voir notamment les articles
99, 111, paragraphe 1er, h) et 304), qui s’apparente plus à
la notion de “gestion distincte” telle qu’elle existe actuel-
lement en droit belge. Pour cette raison, il a été choisi
d’utiliser désormais l’expression “fonds à actifs dédiés”,
qui insiste sur le fait que la caractéristique principale des
contrats concernés est qu’ils sont adossés à des actifs
clairement désignés dans les conditions contractuelles
et dont les rendements leur sont attribués.
181
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het door de besproken bepaling geformuleerde prin-
cipe is overgenomen uit artikel 57 van het besluit leven.
De fondsen met aangewezen activa kunnen betrek-
king hebben op overeenkomsten van de takken 21, 22,
26 en 27.
Art. 219
Dit artikel neemt de principes over van de artikelen
63 en 65, § 5 van het besluit leven voor wat betreft de
overeenkomsten van tak 23.
Art. 220
De principes van artikel 74 van het besluit leven wor-
den overgenomen voor wat betreft de verrichtingen met
betrekking tot het beheer van collectieve pensioenfond-
sen. Het zij opgemerkt dat al deze verrichtingen voort-
aan uitsluitend onder tak 27 vallen, ongeacht of ze al dan
niet een waarborg met betrekking tot het rendement of
het behoud van kapitaal bevatten en of de activa al dan
niet eigendom van de verzekeringsonderneming zijn.
De verrichtingen van tak 27 bestaan in het beheer,
door een verzekeringsonderneming, van de activa van
een onderneming of een instelling die pensioenuitke-
ringen in de ruime zin verstrekt, dat wil zeggen uitke-
ringen bepaald door de wetgeving op de aanvullende
pensioenen, met inbegrip van de solidariteitsprestaties.
Deze ondernemingen en instellingen worden limitatief
opgesomd in de ontwerpbepaling. Het gaat om:
1° instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening,
voorheen pensioenfondsen of voorzorgsinstellingen
genoemd;
2° openbare besturen die vrijgesteld zijn, met
toepassing van artikel 134, 1° van de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel-
lingen voor bedrijfspensioenvoorziening, van de ver-
plichting om het beheer van de pensioentoezeggingen
ten gunste van hun personeel toe te vertrouwen aan een
instelling voor bedrijfspensioenvoorziening;
3° overheidsbedrijven die een vergelijkbare vrijstelling
genieten met toepassing van artikel 138, eerste lid van
de wet van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
4° instellingen en externe diensten opgericht met het
oog op het beheer van de pensioentoezeggingen ten
gunste van hun personeel door openbare besturen of
overheidsbedrijven die de hierboven bedoelde vrijstel-
lingen genieten;
Le principe énoncé par la disposition commentée est
repris de l’article 57 de l’arrêté vie.
Les fonds à actifs dédiés peuvent concerner les
contrats des branches 21, 22, 26 et 27.
Art. 219
Cet article reprend les principes des articles 63 et
65, § 5 de l’arrêté vie en ce qui concerne les contrats
de la branche 23.
Art. 220
Les principes de l’article 74 de l’arrêté vie sont repris
en ce qui concerne les opérations de gestion de fonds
collectifs de retraite. Il faut noter que désormais toutes
ces opérations relèvent de la seule branche 27, qu’elles
comportent ou non une garantie de rendement ou de
conservation du capital et que les actifs soient ou non
la propriété de l’entreprise d’assurance.
Les opérations de la branche 27 consistent en la ges-
tion, par une entreprise d’assurance, des actifs d’une
entreprise ou d’une institution qui fournit des prestations
de retraite au sens large, c’est-à-dire des prestations
déterminées par la législation sur les pensions complé-
mentaires en ce compris les prestations de solidarité.
Ces entreprises et institutions sont limitativement énu-
mérées par la disposition en projet. Il s’agit:
1° des institutions de retraite professionnelle,
autrefois appelées fonds de pension ou institutions de
prévoyance;
2° des administrations publiques qui sont dispen-
sées en application de l’article 134, 1° de la loi du
27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de
retraite professionnelle, de confier la gestion des enga-
gements de pension de leur personnel à une institution
de retraite professionnelle;
3° des entreprises publiques bénéficiant d’une dis-
pense analogue en application de l’article 138, alinéa 1er
de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
4° des institutions et services externes mis en place
pour la gestion des engagements de pension de leur
personnel par des administrations publiques ou des
entreprises publiques bénéficiant des dispenses visées
ci-dessus;
182
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5° rechtspersonen die belast zijn met het beheer van
de solidariteitstoezeggingen ten gunste van hun werk-
nemers, als bepaald in artikel 47 van de WAP (wet van
28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen
en het belastingstelsel van die pensioenen en van som-
mige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid);
6° rechtspersonen die belast zijn met het beheer van
de solidariteitstoezeggingen ten gunste van zelfstandi-
gen, als bepaald in artikel 56 van de WAPZ (program-
mawet (I) van 24 december 2002).
De verzekeringsonderneming kan zich beperken tot
het louter beheren van de activa, die geboekt blijven
op de balans van de onderneming of van de instelling
van oorsprong, of kan aan dit beheer een minimale
waarborg verbinden met betrekking tot het rendement
of het behoud van het kapitaal. In dat geval moeten de
activa worden geboekt in de balans van de verzeke-
ringsonderneming. Deze twee mogelijkheden stemmen
overeen met respectievelijk het “beheer voor rekening
van derden” en het “beheer voor eigen rekening” van col-
lectieve pensioenfondsen als bedoeld in artikel 74 van
het besluit leven.
Art. 221
Dit artikel vormt de wettelijke basis voor de Koning
om de levensverzekering te reglementeren voor wat de
prudentiële aspecten betreft. De besluiten zullen voor
advies worden voorgelegd aan de Bank en, ingevolge
de nauwe banden tussen de prudentiële aspecten en de
aspecten verbonden aan de bescherming van en de in-
formatieverstrekking aan de consument, aan de FSMA.
In het tweede lid worden, op niet-beperkende wijze en
zonder afbreuk te doen aan de overige bepalingen van
deze onderafdeling, de aangelegenheden opgesomd
die de Koning gemachtigd is te reglementeren.
1° Technische grondslagen en methodes
De Koning kan de bestanddelen van de technische
grondslagen en methodes bepalen (technische rente-
voeten, sterftetafels, toeslagen), de categorieën bepalen
(bv. voor wat betreft de toeslagen) en hun berekenings-
methodes (bv. de sterftetafels). Hij kan tevens het type
van sterftetafels preciseren (type leven of overlijden, al
dan niet prospectief) en de wijze waarop de toeslagen
worden verbruikt (zie artikel 24, §§ 5 tot 7 en de artikelen
34 en 35 van het besluit leven).
5° des personnes morales chargées de la gestion
des engagements de solidarité en faveur des travailleurs
salariés tels que prévus par l’article 47 de la LPC (loi du
28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et
au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages
en matière de sécurité sociale);
6° des personnes morales chargées de la gestion
des engagements de solidarité des travailleurs indé-
pendants tels que prévus par l’article 56 de la LPCI
(loi-programme (I) du 24 décembre 2002).
L’entreprise d’assurance peut se limiter à la simple
gestion des actifs lesquels restent comptabilisés au
bilan de l’entreprise ou de l’institution d’origine ou elle
peut assortir cette gestion d’une garantie minimale de
rendement ou de conservation du capital, auquel cas les
actifs doivent être comptabilisés dans le bilan de l’entre-
prise d’assurance. Ces deux possibilités correspondent
respectivement à la “gestion pour compte de tiers” et à
la “gestion pour compte propre” de fonds collectifs de
retraite telle que visées par l’article 74 de l’arrêté vie.
Art. 221
Cet article constitue la base légale permettant au Roi
de réglementer l’assurance vie pour ce qui concerne
les aspects prudentiels. Les arrêtés seront soumis à
l’avis de la Banque et, en raison des liens étroits entre
les aspects prudentiels et ceux liés à la protection et à
l’information des consommateurs, à l’avis de la FSMA.
Le second alinéa énumère, de manière non limitative
et sans préjudice des autres dispositions de la présente
sous-section, les matières que le Roi est habilité à
réglementer.
1° Bases et méthodes techniques
Le Roi peut préciser les éléments qui composent
les bases et méthodes techniques (taux d’intérêt tech-
niques, tables de mortalité, chargements), déterminer
des catégories (p.ex. en ce qui concerne les charge-
ments) et leurs méthodes de calcul (p.ex. les tables de
mortalité). Il peut aussi préciser le type des tables de
mortalité (genre vie ou genre décès, prospective ou non)
et la manière dont les chargements sont consommés
(voir l’article 24, §§ 5 à 7 et les articles 34 et 35 de
l’arrêté vie).
183
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° Afkoop en reductie
De Koning kan de begrippen “afkoop” en “reductie”
en hun berekeningswijze verduidelijken (zie de artikelen
29 en 30 van het besluit leven).
3° Prestatie bij opzegging en afkoop
Op deze basis kan de Koning de prestatie bij afkoop
bepalen (met name het feit dat de afkoopwaarde beperkt
is tot het overlijdenskapitaal) en het recht op afkoop be-
perken voor wat betreft de groepsverzekeringen (artikel
54 van het besluit leven).
4° Niet-gedekt risico
De Koning kan de afkoopwaarde beperken wanneer
er zich een niet-gedekt risico voortdoet (artikel 12 van
het besluit leven).
5° Voorschot en inpandgeving
De voorschotten en inpandgevingen moeten, om
prudentiële redenen, onderworpen zijn aan bepaalde
limieten die moeten worden vastgelegd (artikel 18 van
het besluit leven).
6° Winstdelingen en restorno’s
De toekenning van winstdelingen of restorno’s dient
om prudentiële redenen te worden omkaderd. Een
onderneming kan ze slechts toekennen indien dit haar
solvabiliteit niet in gevaar brengt (de artikelen 33 en 58,
§ 2 van het besluit leven).
7° Fondsen met aangewezen activa
De fondsen met aangewezen activa (voorheen “afge-
zonderde fondsen”) stellen een verzekeringsonderne-
ming in staat om, in de vorm van een winstdeling, het
rendement van bepaalde specifiek door de overeen-
komst gedekte activa toe te wijzen. Behalve voor wat
de winstdelingen betreft, is het tevens noodzakelijk om
de samenstelling van deze fondsen te reglementeren,
alsook de wijze waarop de ondernemingen de inventaris
van deze fondsen opstellen en aan de Bank doorgeven
(de artikelen 58, § 2 en 59 van het besluit leven).
8° Buitenwettelijke voordelen voor werknemers
(“Besluit 69”)
Het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 be-
treffende het rust- en overlevingspensioen voor werk-
nemers heeft betrekking op een bijzondere regeling
inzake verzekeringen van de tweede pensioenpijler,
die bepaalde, specifieke regels bevat inzake tarifering,
2° Rachat et réduction
Le Roi peut préciser les notions de valeur de rachat
et de réduction et préciser leur mode de calcul (voir les
articles 29 et 30 de l’arrêté vie).
3° Prestation en cas de résiliation et de rachat
Sur cette base, le Roi peut déterminer la prestation
en cas de rachat (notamment le fait que la valeur de
rachat soit limitée au capital décès) et limiter le droit au
rachat en ce qui concerne les assurances de groupe
(article 54 de l’arrêté vie).
4° Risque non couvert
Le Roi peut limiter la valeur de rachat en cas de surve-
nance d’un risque non couvert (article 12 de l’arrêté vie).
5° Avance et mise en gage
Les avances et les mises en gage doivent être, pour
des raisons prudentielles, soumises à certaines limites
qu’il convient de préciser (article 18 de l’arrêté vie).
6° Participations bénéficiaires et ristournes
L’octroi de participations bénéficiaires ou de ris-
tournes doit être encadré pour des raisons prudentielles.
Une entreprise ne peut les octroyer que si cela ne met
pas sa solvabilité en péril (articles 33 et 58, § 2 de
l’arrêté vie).
7° Fonds à actifs dédiés
Les fonds à actifs dédiés (anciennement “fonds
cantonnés”) permettent à une entreprise d’assurance
d’octroyer, sous forme de participation bénéficiaire, le
rendement de certains actifs spécifiquement adossés au
contrat. Outre ce qui concerne les participations béné-
ficiaires, il est également nécessaire de réglementer la
composition de ces fonds et la manière dont les entre-
prises établissent et transmettent l’inventaire de ces
fonds à la Banque (articles 58, § 2 et 59 de l’arrêté vie).
8° Avantages extra-légaux aux travailleurs salariés
(“Arrêté 69”)
L’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la
pension de retraite et de survie des travailleurs sala-
riés a pour objet un régime particulier d’assurances du
deuxième pilier de pension comportant certains règles
spécifiques en matière de tarification, d’acceptation
184
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aanvaarding van de risico’s en winstdelingen. Deze
aspecten worden momenteel geregeld in het koninklijk
besluit van 14 november 2003 betreffende de toe-
kenning van buitenwettelijke voordelen aan de werk-
nemers bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 50 van
24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspen-
sioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in
artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van de
Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een
arbeidsovereenkomst.
Hoewel de meeste bepalingen van het voornoemde
besluit voornamelijk betrekking hebben op de bescher-
ming van en de informatieverstrekking aan de aange-
slotenen en de begunstigden, is er toch een verband
met de prudentiële maatregelen, die specifiek moeten
worden geregeld. Sommige bepalingen van dit besluit
maken het voor de betrokken ondernemingen immers
niet mogelijk om te voldoen aan de prudentiële vereisten
die voortvloeien uit de Richtlijn.
Onderafdeling III
Gelijktijdige uitoefening van levens- en
niet-levensverzekeringsactiviteiten
Deze onderafdeling zet de artikelen 73 en 74 van
de Richtlijn om, en neemt een aantal bepalingen over
uit de artikelen 14 en 15 van de wet van 9 juli 1975. Ze
heeft betrekking op de verzekeringsondernemingen
die gelijktijdig actief zijn in de takken leven (Bijlage II)
en niet-leven (Bijlage I), de zogenaamde “gemengde
ondernemingen”. Er zijn weinig wijzigingen ten opzichte
van de huidige regeling, behalve voor wat betreft de
eigenvermogensvereisten.
Art. 222
Het principieel verbod om gelijktijdig levens- en niet-
levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen is afkom-
stig uit artikel 73, lid 1 van de Richtlijn en uit artikel 14,
§ 2, eerste lid van de wet van 9 juli 1975.
Art. 223
Deze bepaling bevat twee afwijkingen op het in arti-
kel 222 geformuleerde verbod. Ze zet artikel 73, lid 5,
eerste alinea, onder f) en artikel 73, lid 2, eerste alinea,
onder a) en b) van de Richtlijn om, en neemt de regels
over van artikel 14, § 2, tweede en derde lid van de wet
van 9 juli 1975.
des risques et de participations bénéficiaires. Ces
aspects sont actuellement régis par l’arrêté royal du
14 novembre 2003 concernant l’octroi d’avantages
extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté
royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de
retraite et de survie des travailleurs salariés et aux per-
sonnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code
des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors
d’un contrat de travail.
Bien que la plupart des dispositions de l’arrêté précité
concernent principalement la protection et l’information
des affiliés et des bénéficiaires, celles-ci ne sont pas
sans liens avec les dispositions prudentielles, qu’il
convient de régler spécialement. En effet, certaines
dispositions de cet arrêté ne permettent pas aux entre-
prises concernées de satisfaire aux exigences pruden-
tielles découlant de la Directive.
Sous-section III
Exercice simultané des activités d’assurance vie
et non-vie
Cette sous-section transpose les articles 73 et
74 de la Directive et reprend certaines dispositions des
articles 14 et 15 de la loi du 9 juillet 1975. Elle concerne
les entreprises d’assurance qui pratiquent à la fois les
branches vie (Annexe II) et non-vie (Annexe I), dites
“entreprises mixtes”. Il y a peu de modifications par
rapport au régime actuel sauf en ce qui concerne les
exigences de fonds propres.
Art. 222
L’interdiction de principe de pratiquer à la fois les
activités vie et non-vie provient de l’article 73, para-
graphe 1er de la Directive et de l’article 14, § 2, alinéa
1er de la loi du 9 juillet 1975.
Art. 223
Cette disposition contient deux dérogations à l’inter-
diction énoncée par l’article 222. Elle transpose l’article
73, paragraphe 5, alinéa 1er, f et l’article 73, para-
graphe 2, alinéa 1er, a) et b) de la Directive et reprend
les règles de l’article 14, § 2, alinéas 2 et 3 de la loi du
9 juillet 1975.
185
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De eerste uitzondering heeft enkel betrekking op de
ondernemingen die beide activiteiten uitoefenden vóór
15 maart 1979. Die ondernemingen mogen gemengde
ondernemingen blijven zonder tijdslimiet. Het is niet
langer mogelijk om nieuwe gemengde ondernemingen
op te richten na de voornoemde datum, tenzij ze onder
de tweede uitzondering vallen.
De tweede uitzondering laat de gelijktijdige uitoe-
fening toe van de activiteiten leven en niet-leven als
vermeld in de takken 1 en 2 van Bijlage I, te weten de
ongevallenverzekering en de ziekteverzekering, die vrij
vaak bijkomende waarborgen vormen van levensverze-
keringsovereenkomsten, en die kunnen worden beheerd
aan de hand van soortgelijke technieken. Uit de formu-
lering van het tweede en derde lid blijkt duidelijk dat de
betrokken ondernemingen een specifieke vergunning
moeten hebben om naast de levensverzekeringstakken
de takken 1 en 2 uit te oefenen.
Art. 224
Zoals artikel 73, lid 2, tweede alinea en artikel 74,
lid 1, eerste alinea van de Richtlijn voorschrijven,
moeten de gemengde ondernemingen de levensver-
zekeringsactiviteiten gescheiden beheren van de niet-
levensverzekeringsactiviteiten. Het is inzonderheid niet
toegelaten om in het kader van een van de activiteiten
winstdelingen, restorno’s of andere gelijkwaardige
voordelen toe te kennen door middelen aan de andere
activiteit te onttrekken.
Het tweede lid heeft betrekking op de verzekeringson-
dernemingen die ook beschikken over een vergunning
als herverzekeringsonderneming. In dat geval geldt de
verplichting om een gescheiden beheer te voeren voor
de levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten, ook
voor de herverzekeringsactiviteit. Het is dus niet toe-
gestaan alle herverzekeringsactiviteiten (leven en niet-
leven) te beheren met uitsluitend één van de activiteiten
leven of niet-leven. Dit verbod vloeit voort uit artikel 74,
lid 2 van de Richtlijn, dat wordt omgezet in artikel 225.
Het zij opgemerkt dat voorzien is in een overgangs-
bepaling voor de gemengde ondernemingen die hun
herverzekeringsactiviteiten momenteel niet afzonderlijk
beheren (zie artikel 656).
Art. 225
Dit artikel, dat artikel 74, leden 2, 3 en 4 van de
Richtlijn omzet, heeft betrekking op de specifieke eigen-
vermogensvereisten voor gemengde ondernemingen.
La première exception ne concerne que les entre-
prises qui pratiquaient les deux activités avant le
15 mars 1979, lesquelles peuvent rester des entreprises
mixtes sans limite de temps. Il n’est plus possible de
constituer de nouvelles entreprises mixtes après la date
précitée sauf si elles sont couvertes par la seconde
exception.
La seconde exception permet l’exercice simultané
des activités vie et des activités non-vie visées par
les branches 1 et 2 de l’Annexe I, à savoir l’assurance
accident et l’assurance maladie, lesquelles constituent
assez souvent des garanties accessoires aux contrats
vie et peuvent être gérées selon des techniques simi-
laires. La rédaction des alinéas 2 et 3 indiquent clai-
rement que les entreprises concernées doivent être
spécifiquement agréées pour pratiquer les branches
1 et 2 en plus des branches vie.
Art. 224
Comme l’imposent l’article 73, paragraphe 2, ali-
néa 2 et l’article 74, paragraphe 1er, alinéa 1er de la
Directive, les entreprises mixtes doivent gérer les
activités vie séparément des activités non-vie. En parti-
culier, il n’est pas autorisé d’octroyer des participations
bénéficiaires, des ristournes ou d’autres avantages
équivalents dans le cadre de l’une des activités en
puisant des ressources issues de l’autre activité.
Le second alinéa concerne les entreprises d’assu-
rance qui sont aussi agréées en tant qu’entreprise de
réassurance. Dans ce cas, l’obligation de séparer la
gestion des activités vie et non-vie s’étend à l’acti-
vité de réassurance. Il n’est donc pas permis de gérer
l’ensemble des activités de réassurance (vie et non-vie)
avec l’une seulement des activités vie ou non-vie. Cette
interdiction découle de l’article 74, paragraphe 2 de la
Directive, lequel est transposé par l’article 225.
Il faut noter qu’une disposition transitoire a été prévue
pour les entreprises mixtes qui ne gèrent actuellement
pas leurs activités de réassurance de manière distincte
(voir l’article 656).
Art. 225
Cet article transpose l’article 74, paragraphes 2, 3 et
4 de la Directive et concerne les exigences de fonds
propres spécifiques aux entreprises mixtes.
186
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het essentiële verschil met de huidige regeling (ar-
tikel 15, § 1, tweede lid van de wet van 9 juli 1975) is
dat het niveau van deze specifieke vereisten lager ligt.
Terwijl de gemengde ondernemingen momenteel een
solvabiliteitsmarge leven en een solvabiliteitsmarge
niet-leven moeten vormen, zullen die ondernemingen
onder de nieuwe regeling maar één enkel solvabiliteits-
kapitaalvereiste (SCR) moeten dekken, dat uiteraard
rekening zal houden met zowel de levens- als de niet-
verzekeringsactiviteiten, alsook, in voorkomend geval,
met de herverzekeringsactiviteiten.
De gemengde ondernemingen zullen daarentegen
wel een theoretisch minimumkapitaalvereiste (MCR)
moeten berekenen voor hun levensverzekeringsac-
tiviteiten en een theoretisch MCR voor hun niet-le-
vensverzekeringsactiviteiten. In elk van beide gevallen
dient rekening te worden gehouden met de eventuele
herverzekeringsactiviteiten. Elk theoretisch MCR moet
worden gedekt door in aanmerking komende activa,
alsof het zou gaan om het MCR van een onderneming
die uitsluitend de desbetreffende activiteiten uitoefent.
Naast de twee theoretische MCR’s moet de verzeke-
ringsonderneming tevens voldoen aan de vereisten in-
zake het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR). Paragraaf
3 bepaalt dat, als elk theoretisch MCR wordt gedekt
door in aanmerking komend eigen vermogen, het over-
schot van één van beide mag worden aangewend om
het algeheel SCR van de onderneming te dekken. De
onderneming moet de Bank hiervan evenwel in kennis
stellen.
Dit artikel, dat artikel 74, leden 2, 3 en 4 van de
Richtlijn omzet, heeft betrekking op de specifieke eigen-
vermogensvereisten van gemengde ondernemingen.
Art. 226
Op grond van dit artikel mag de Bank van de ge-
mengde ondernemingen een document eisen, even-
tueel in elektronische vorm, waarmee ze de naleving
van de bepalingen van artikel 225 kan controleren. Dit
document moet op zijn minst ter beschikking van de
Bank worden gehouden en haar worden bezorgd op
haar eerste verzoek. Indien de hier beoogde informa-
tie geïntegreerd is in de rapportering waarin voorzien
is door EIOPA, moet voor de controle van de naleving
van artikel 225 niet meer in een specifiek document
worden voorzien.
Art. 227
Artikel 74, lid 7 van de Richtlijn voorziet in herstel-
maatregelen die door de toezichthouder kunnen worden
La différence essentielle avec le régime actuel (article
15, § 1er, al. 2 de la loi du 9 juillet 1975) est que ces
exigences spécifiques se situent à un niveau plus bas.
Alors qu’actuellement les entreprises mixtes doivent
constituer une marge de solvabilité vie et une marge
de solvabilité non-vie, dans le nouveau régime, ces
entreprises ne devront constituer qu’un seul capital
de solvabilité requis (SCR), lequel prendra bien sûr en
compte tant les activités vie que non-vie, ainsi que, le
cas échéant, les activités de réassurance.
En revanche, les entreprises mixtes devront calculer
un montant notionnel de minimum de capital requis
(MCR) pour les activités vie et un montant notionnel
de MCR pour les activités non-vie. Dans chaque cas,
il y a lieu de tenir compte des éventuelles activités de
réassurance. Chaque MCR notionnel doit être cou-
vert par des actifs éligibles comme s’il s’agissait du
MCR d’une entreprise ne pratiquant que les activités
correspondantes.
Outre les deux MCR notionnels, l’entreprise
d’assurance doit également satisfaire aux exigences
relatives au capital de solvabilité requis (SCR). Le
paragraphe 3 précise que, si chaque MCR notionnel
est couvert par des fonds propres éligibles, l’excédent
de l’un d’eux peut être affecté à la couverture du SCR
global de l’entreprise. Celle-ci doit néanmoins en infor-
mer la Banque.
Cet article transpose l’article 74, paragraphes 2, 3 et
4 de la Directive et concerne les exigences de fonds
propres spécifiques aux entreprises mixtes.
Art. 226
Cet article permet à la Banque d’exiger des entre-
prises mixtes un document, éventuellement sous forme
électronique, lui permettant de contrôler le respect
des dispositions de l’article 225. Ce document doit, au
minimum, être tenu à la disposition de la Banque et lui
être transmis à la première demande. Si les informations
visées ici sont intégrées au reporting prévu par l’EIOPA,
il ne sera plus nécessaire de prévoir un document spé-
cifique aux fins du contrôle de l’article 225.
Art. 227
L’article 74, paragraphe 7 de la Directive prévoit des
mesures de redressement que l’autorité de contrôle peut
187
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
genomen indien één van de theoretische minimumka-
pitaalvereisten niet voldoet aan de vereisten van artikel
225.
In het algemeen bestaan deze maatregelen erin
een of meerdere van de maatregelen te treffen waarin
voorzien is bij niet-naleving van het MCR, alsof de onder-
neming slechts de activiteiten zou uitoefenen waarvoor
de vereisten met betrekking tot het theoretisch MCR
niet worden nageleefd. In het kader van het voorlig-
gende wetsontwerp worden deze maatregelen uitvoerig
opgesomd in de artikelen 508 tot 517. Artikel 510, dat
betrekking heeft op de niet-naleving van de vereisten
inzake het algehele MCR, d.w.z. op alle activiteiten van
de onderneming, wordt echter uitgesloten omdat deze
bepaling slechts van toepassing is in geval van niet-
naleving van het algehele MCR.
Bovendien mag de verzekeringsonderneming een
overdracht van in aanmerking komende kernvermo-
gensbestanddelen uitvoeren van de ene naar de andere
activiteit. Zoals het geval was voor een overdracht van
bestanddelen van de solvabiliteitsmarge leven naar de
solvabiliteitsmarge niet-leven en omgekeerd (art. 18, § 2,
c) van het Algemeen Reglement), moet deze overdracht
vooraf worden goedgekeurd door de Bank.
Art. 228
Deze bepaling zet artikel 74, lid 4 van de Richtlijn
om, en neemt artikel 14, § 2, vijfde lid van de wet van
9 juli 1975 over. Ze strekt ertoe erop toe te zien dat de
verdeling van de kosten en inkomsten tussen de le-
vens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten niet wordt
vertekend ten gevolge van overeenkomsten of afspra-
ken tussen de verzekeringsonderneming en andere
ondernemingen waarmee ze banden heeft, ongeacht
hun aard. Men kan bijvoorbeeld denken aan een uitbe-
stedingsovereenkomst ten voordele van voornamelijk
één activiteit, maar die voornamelijk zou worden gefi-
nancierd door de andere activiteit.
Art. 229
Deze bepaling voorziet in een wettelijke basis voor de
Bank om van de gemengde ondernemingen te eisen dat
ze elk document of elke statistische staat bijhouden die
haar toelaten niet alleen de naleving van de vereisten
inzake het minimumkapitaalvereiste te controleren, maar
ook die van de andere aspecten van de bepalingen
van deze onderafdeling en dat de scheiding tussen
de levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten naar
behoren wordt uitgevoerd.
adopter dans le cas où l’un des montants notionnels
de minimum de capital requis n’est pas conforme aux
exigences de l’article 225.
De manière générale, ces mesures consistent à
prendre une ou plusieurs de celles prévues pour le cas
de non-respect de la conformité du MCR comme si
l’entreprise ne pratiquait que les activités concernées
par le non-respect des exigences relatives au MCR
notionnel. Dans le cadre du présent projet de loi, ces
mesures sont détaillées aux articles 508 à 517. On exclut
cependant l’article 510, qui concerne le non-respect
des exigences en matière de MCR global, c’est-à-dire
se rapportant à l’ensemble des activités de l’entreprise
car cette disposition n’est applicable qu’en cas de non-
conformité du MCR global.
En outre, l’entreprise d’assurance peut effectuer un
transfert d’éléments de fonds propres de base éligibles
d’une activité à l’autre. Tout comme c’était le cas pour
un transfert d’éléments constitutifs de la marge de sol-
vabilité vie à la marge de solvabilité non-vie et vice-versa
(art. 18, § 2, c du Règlement Général), ce transfert doit
préalablement être approuvé par la Banque.
Art. 228
Cette disposition transpose l’article 74, para-
graphe 4 de la Directive et reprend l’article 14, § 2,
alinéa 5 de la loi du 9 juillet 1975. Il a pour objet de
veiller à ce que la répartition des frais et des revenus
entre les activités vie et non-vie ne soit pas faussée par
des conventions ou des arrangements entre l’entreprise
d’assurance et d’autres entreprises avec lesquelles elle
a des liens de quelque nature que ce soit. On peut par
exemple songer à une convention de sous-traitance au
profit principal d’une activité mais qui serait financée
principalement par l’autre activité.
Art. 229
Cette disposition constitue la base légale permettant
à la Banque d’exiger des entreprises mixtes la tenue
de tout document ou état statistique lui permettant de
contrôler, outre le respect des exigences en matière de
minimum de capital requis, celui des autres aspects des
dispositions de cette sous-section et que la séparation
entre les activités vie et non-vie est bien opérée.
188
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Afzonderlijke beheren
Art. 230 en 231
In de huidige regelgeving wordt in de afzonderlijke
beheren voorzien in artikel 14, § 3 van de wet van
9 juli 1975 en wordt er een opsomming van gegeven
in artikel 9 van het Algemeen Reglement. Een van de
belangrijkste voordelen van deze afzonderlijke behe-
ren is dat ze het voorwerp van het voorrecht van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering afbakenen
bij vereffening van de verzekeringsonderneming. Een
andere functie bestaat erin een rendabiliteitscon-
trole mogelijk te maken per groepen van producten of
verzekeringstakken.
In het kader van dit wetsontwerp werd de rol van de af-
zonderlijke beheren beperkt tot de tenuitvoerlegging van
dit voorrecht, dat voor het overige wordt omschreven in
de artikelen 643 en 644. De andere aspecten ontbreken
niet in de overwegingen die ten grondslag liggen aan het
voorliggende wetsontwerp, maar kunnen gebaseerd zijn
op andere instrumenten, met name de geharmoniseerde
rapportering op het niveau van EIOPA.
Hoewel het rendement van bepaalde verzekerings-
producten op basis van onderliggende activa wordt
bepaald, wordt de de term “afzonderlijke beheren” in
het kader van de ontwerpwet uitsluitend gebruikt om het
voorwerp van het voorrecht te bepalen. Bijgevolg heeft
dit begrip enkel nut in geval van samenloop, namelijk in
het kader van de opening van een liquidatieprocedure
(“gone concern”-perspectief).
Aangezien de rol van de afzonderlijke beheren
beperkt is tot de tenuitvoerlegging van het voorrecht,
was het niet langer nodig te voorzien in evenveel af-
zonderlijke beheren als in de huidige regelgeving, te
meer omdat de samenstelling van de meeste van deze
beheren al te gemakkelijk kon worden gewijzigd door
de verzekeringsonderneming, wat geen garantie op
veiligheid bood in geval van tenuitvoerlegging van het
voorrecht.
De afzonderlijke beheren voor de fondsen met aan-
gewezen activa (voorheen afgezonderde fondsen) zijn
derhalve niet meer opgenomen in het ontwerp. Het
voorrecht van de schuldeisers van de overeenkomsten
verbonden aan een fonds met aangewezen activa zal
dus niet langer betrekking hebben op de activa van dat
fonds, maar op alle activa van het afzonderlijk beheer
leven. Zo wordt het risico vermeden dat het voorwerp
van het voorrecht verminderd wordt nadat de onderne-
ming een fonds met aangewezen activa “zou ledigen”
Sous-section IV
Gestions distinctes
Art. 230 et 231
Dans la réglementation actuelle, les gestions dis-
tinctes sont prévues par l’article 14, § 3 de la loi du
9 juillet 1975 et énumérées à l’article 9 du Règlement
Général. L’un de leurs principaux intérêts est de déli-
miter l’assiette du privilège des créanciers d’assurance
en cas de liquidation de l’entreprise d’assurance. Un
autre rôle est de permettre un contrôle de rentabilité par
groupes de produits ou branches d’assurance.
Dans le cadre du présent projet de loi, le rôle des
gestions distinctes a été limité à la seule mise en œuvre
de ce privilège par ailleurs prévu aux articles 643 et 644.
Les autres aspects ne sont pas absents des préoccu-
pations qui sous-tendent le présent projet mais peuvent
être basés sur d’autres instruments, notamment le
reporting harmonisé au niveau de l’EIOPA.
Même si le rendement de certains produits d’assu-
rance est déterminé sur base d’actifs sous-jacents, le
vocable de “gestions distinctes” est donc, dans le cadre
de la loi en projet, exclusivement réservé à la détermi-
nation de l’assiette du privilège. L’utilité du concept ne
se conçoit dès lors qu’en situation de concours, à savoir
dans une perspective dite de “gone concern” consistant
dans l’ouverture d’une procédure de liquidation.
Dans ce rôle limité à la mise en œuvre du privilège,
il n’était plus nécessaire de prévoir autant de gestions
distinctes que dans la réglementation actuelle et ce,
d’autant plus que la composition de la plupart de ces
gestions pouvait être modifiée trop facilement par
l’entreprise d’assurance, ce qui ne constituait pas une
garantie de sécurité en cas de la mise en œuvre du
privilège.
Ainsi, les gestions distinctes pour les fonds à actifs
dédiés (anciennement fonds cantonnés) ne sont plus
reprises. Le privilège des créanciers des contrats liés
à un fonds à actifs dédiés ne portera donc plus sur
les actifs de ce fonds mais sur l’ensemble des actifs
de la gestion distincte vie. On évite ainsi un risque de
diminution de l’assiette du privilège consécutive au fait
que l’entreprise “viderait” un fonds à actifs dédiés pour,
par exemple, accroître l’assiette d’un autre fonds. Cet
aspect doit être vu à la lumière de l’article 194 en projet
189
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
om, bijvoorbeeld, het voorwerp van een ander fonds te
verhogen. Dit aspect moet gezien worden in het licht
van ontwerpartikel 194, dat aan het voorwerp van het
voorrecht consistentie moet verlenen (d.w.z. de degelijke
samenstelling ervan moet verzekeren), en aldus de doel-
treffendheid ervan moet garanderen. Deze maatregel
rechtvaardigt ook de vereenvoudiging van het aantal
afzonderlijke beheren.
Dit doet geenszins afbreuk aan de mogelijkheid voor
de verzekeringsondernemingen om aan hun cliënten
gedifferentieerde producten aan te bieden, met name
die waarvan het rendement op grond van onderliggende
activa wordt bepaald. De afzonderlijke beheren, in de
betekenis die eraan gegeven wordt in de voorliggende
ontwerpwet, heeft dus geen enkele invloed op de vast-
stelling van de activa waarvan de contractuele voorwaar-
den bepalen dat zij het rendement voor die schuldeisers
uit hoofde van verzekering genereren/bepalen.
Het wetsontwerp voorziet in drie types van afzonder-
lijke beheren:
— e e n a f zo n d e r l i j k b e h e e r v o o r a l l e
niet-levensverzekeringsactiviteiten;
— een afzonderlijk beheer voor alle levensverze-
keringsactiviteiten, met uitzondering van de hierna
genoemde activiteiten;
— een afzonderlijk beheer per beleggingsfonds voor
de levensverzekeringsactiviteiten waarvan het beleg-
gingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer
(voornamelijk de activiteiten van tak 23).
De eerste twee afzonderlijke beheren zijn gerecht-
vaardigd door de verplichting om de levens- en niet-
levensverzekeringsactiviteiten te scheiden in het geval
van gemengde ondernemingen (zie commentaar bij de
artikelen 222 tot 229). Het derde type is gerechtvaardigd
door het feit dat in de overeenkomsten van tak 23 en
daarmee gelijkgestelde overeenkomsten de verzeke-
ringnemer het beleggingsrisico draagt. Voor deze over-
eenkomsten wordt de schuldvordering uit hoofde van
verzekering altijd uitsluitend bepaald door de activa die
het belggingsfonds vormen. Het voorwerp van het voor-
recht en het bedrag van de technische voorzieningen
ontwikkelen zich in dit geval dus parallel.
Artikel 231 verplicht de verzekeringsondernemingen
om het afzonderlijk beheer of de afzonderlijke beheren
te identificeren waartoe elke overeenkomst en elk scha-
degeval behoort. Het stelt de Bank aldus in staat om
de nodige maatregelen te treffen om deze toewijzing te
controleren. Bovendien machtigt de ontwerpbepaling de
Koning om de voorwaarden te bepalen waaronder een
qui a pour objet d’assurer une consistance à l’assiette
(c.-à-d. le sérieux de sa composition) du privilège, ren-
forçant ainsi son effectivité, mesure qui justifie encore,
sur le fond, la simplification du nombre de gestions
distinctes.
Ceci ne remet nullement en cause la possibilité pour
les entreprises d’assurance de proposer des produits
différenciés à leurs clients, notamment ceux dont le ren-
dement est déterminé sur la base d’actifs sous-jacents.
Les gestions distinctes, dans l’acception du présent
projet, n’ont donc aucune incidence sur la question de la
détermination d’actifs dont les conditions contractuelles
prévoient qu’ils générèrent/déterminent le rendement
au profit de ces créanciers d’assurance.
Trois types de gestions distinctes ont été retenus
dans le cadre du projet de loi:
— une gestion distincte pour l’ensemble des activités
non-vie;
— une gestion distincte pour l’ensemble des activités
vie à l’exception de celles visées ci-après;
— une gestion distincte par fonds d’investissement
pour les activités vie dont le risque d’investissement est
supporté par le preneur (principalement les activités de
la branche 23).
Les deux premières gestions distinctes se justifient
par l’obligation de séparer les activités vie et non-vie
dans le cas des entreprises mixtes (voir le commentaire
des articles 222 à 229). Le troisième type se justifie par
le fait que dans les contrats de la branche 23 et assi-
milés, le preneur supporte le risque d’investissement.
Pour ces contrats, la créance d’assurance est toujours
exclusivement déterminée par les actifs qui composent
le fonds d’investissement. L’assiette du privilège et le
montant des provisions techniques évoluent donc, dans
ce cas, parallèlement.
L’article 231 impose aux entreprises d’assurance
d’identifier la ou les gestions distinctes à laquelle
chaque contrat et chaque sinistre appartiennent. Il
permet ainsi à la Banque de prendre les mesures néces-
saires pour vérifier cette affectation. La disposition en
projet habilite, en outre, le Roi à déterminer les condi-
tions dans lesquelles un actif peut être transféré d’une
190
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
actief kan worden overgedragen van het ene afzonderlijk
beheer naar een ander. Deze bepaling neemt de princi-
pes over van artikel 14, § 3 van de wet van 9 juli 1975.
Onderafdeling V
Communautaire medeverzekering
Art. 232 tot 238
De artikelen 232 tot 238 zetten de artikelen 190 tot
196 van de Richtlijn om en nemen de artikelen 31 tot
35 van het Algemeen Reglement over.
De medeverzekering is een techniek waarbij ver-
scheidene verzekeringsondernemingen hetzelfde
risico dekken volgens vooraf bepaalde verhoudingen.
Een van de ondernemingen, de zogenaamde “eerste
verzekeraar”, beheert de overeenkomst zowel ten aan-
zien van de overige medeverzekeraars als ten aanzien
van de verzekeringnemer en de begunstigden. Tenzij
anders overeengekomen, is er geen solidariteit tussen
de medeverzekeraars.
Van de medeverzekering wordt vaak enkel gebruik
gemaakt voor het dekken van grote risico’s (grote
fabrieksinstallaties, appartementsblokken, schepen,
natuurrampen, …).
De besproken onderafdeling heeft betrekking op de
communautaire medeverzekering, d.w.z., wat het toe-
zicht op de verzekeringsondernemingen naar Belgisch
recht betreft, die waarbij het risico geheel of gedeeltelijk
in België is gelegen (art. 233, eerste lid, 3°) en wordt
gedekt door verscheidene verzekeringsondernemingen,
waarvan minstens één valt onder het Belgisch recht en
minstens één ressorteert onder een andere lidstaat of
een bijkantoor is van een onderneming die ressorteert
onder een derde land en gevestigd is in een andere
lidstaat (art. 233, eerste lid, 5°).
De bepalingen van deze onderafdeling zijn enkel van
toepassing op de grote risico’s als gedefinieerd in artikel
233. Worden als dusdanig beschouwd:
1° de risico’s met betrekking tot rollend spoormaterieel
(tak 4), luchtvaartuigen (tak 5), zee- of binnenschepen
(tak 6), vervoerde goederen (tak 7) en aansprakelijkhe-
den met betrekking tot luchtvaartuigen (tak 11) en zee- of
binnenschepen (tak 12);
2° kredietverzekeringen (tak 14) en borgtochtverze-
keringen (tak 15), wanneer ze betrekking hebben op
een beroepsactiviteit;
gestion distincte à une autre. Cette disposition reprend
les principes de l’article 14, § 3 de la loi du 9 juillet 1975.
Sous-section V
Coassurance communautaire
Art. 232 à 238
Les articles 232 à 238 transposent l90 à 196 de la
Directive et reprennent les articles 31 à 35 du Règlement
Général.
La coassurance est une technique par laquelle
plusieurs entreprises d’assurance couvrent un même
risque selon des proportions prédéterminées. L’une
des entreprises, dénommée “apériteur” gère le contrat
tant vis-à-vis des autres coassureurs que vis-à-vis du
preneur et des bénéficiaires. Sauf convention contraire,
il n’y a pas de solidarité entre les coassureurs.
La coassurance est souvent réservée à la couverture
de risques importants (grands ensembles industriels,
complexes d’appartements, navires, catastrophes
naturelles…).
La sous-section commentée concerne la coassu-
rance communautaire, c’est-à-dire, en ce qui concerne
le contrôle des entreprises d’assurance de droit belge,
celle dans laquelle le risque est situé, totalement ou
partiellement, en Belgique (art. 233, al. 1er, 3°) et est
couvert par plusieurs entreprises d’assurance dont l’une
au moins est de droit belge et l’une au moins relève du
droit d’un autre État membre ou est une succursale
d’une entreprise relevant du droit d’un pays tiers établie
dans un État membre (art. 233, al. 1er, 5°).
Les dispositions de la présente sous-section ne sont
applicables qu’aux grands risques définis à l’article 233.
Sont considérés comme tels:
1° les risques relatifs aux corps de véhicules fer-
roviaires (branche 4), aériens (branche 5), maritimes,
lacustres ou fluviaux (branche 6), aux marchandises
transportées (branche 7) et aux responsabilités rela-
tives aux véhicules aériens (branche 11) et maritimes,
lacustres ou fluviaux (branche 12);
2° les assurances crédit (branche 14) et les assu-
rances caution (branche 15) lorsqu’elles sont relatives
à une activité professionnelle;
191
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° risico’s met betrekking tot landvoertuigen met
uitzondering van spoormaterieel (tak 3), brand (tak 8),
andere schade aan goederen (tak 9), aansprakelijkheid
inzake motorrijtuigen (tak 10), algemene aansprakelijk-
heid, met name beroepsaansprakelijkheid (tak 13) en
diverse geldelijke verliezen (tak 16), maar uitsluitend in
het geval dat de verzekeringnemer een grote onderne-
ming is die de drempels overschrijdt die zijn vastgelegd
in artikel 233, eerste lid, 3°;
Het zij opgemerkt dat de bedragen vermeld in artikel
233, eerste lid, 3°, worden geïndexeerd met toepassing
van ontwerpartikel 679.
De artikelen 235 tot 238 leggen een aantal specifieke
regels vast voor de uitoefening van de communautaire
medeverzekeringsactiviteit:
1° de kennisgeving van een activiteit in vrije dienstver-
richting in België (art. 556 tot 561) moet enkel worden
verricht door de eerste verzekeraar die ressorteert onder
een andere lidstaat en die een activiteit wenst aan te
vatten in België (art. 235)
2° de technische voorzieningen worden berekend
volgens de regels van het wetsontwerp, zonder dat ze
lager mogen zijn dan het bedrag bepaald door de wet
van het land van de eerste verzekeraar (art. 236);
3° de in België gevestigde medeverzekeraars bezor-
gen aan de Bank diverse inlichtingen over hun com-
munautaire medeverzekeringsactiviteiten waarvan de
aard, de frequentie en de drager worden vastgelegd in
een reglement van de Bank (art. 237);
4° in geval van vereffening mag er geen onderscheid
worden gemaakt tussen de verplichtingen die voort-
vloeien uit de communautaire herverzekering en de
andere verplichtingen van de verzekeraar, met name
met betrekking tot het voorrecht op de activa van de
verzekeringsonderneming (art. 238).
Afdeling II
Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen
Deze afdeling zet de artikelen 210 en 211 van de
Richtlijn om en neemt de artikelen 4, 18°, 80 en 81 van
de wet van 16 februari 2009 over. Ze zijn onderver-
deeld in twee onderafdelingen, waarvan er één gewijd
is aan de finite herverzekering, en een andere aan de
effectiseringsvehikels.
3° les risques relatifs aux corps de véhicules ter-
restres autres que ferroviaires (branche 3), à l’incendie
(branche 8), aux autres dommages aux biens (branche
9), à la responsabilité en matière de véhicules terrestres
automoteurs (branche 10), aux responsabilités géné-
rales, notamment les responsabilités professionnelles
(branche 13) et les pertes pécuniaires diverses (branche
16) mais uniquement dans le cas où le preneur est une
grande entreprise dépassant les seuils prévus à l’article
233, alinéa 1er, 3°.
Il faut noter que les montants visés à l’article 233, ali-
néa 1er, 3° sont indexés en application de l’article 679 en
projet.
Les articles 235 à 238 fixent quelques règles par-
ticulières à l’exercice de l’activité de coassurance
communautaire:
1° la notification d’une activité en libre prestation
de services en Belgique (art. 556 à 561) ne doit être
effectuée que par l’apériteur ressortissant du droit d’un
autre État membre qui souhaite débuter une activité en
Belgique (art. 235);
2° les provisions techniques sont calculées selon les
règles du projet de loi sans être inférieures au montant
prévu par la loi du pays de l’apériteur (art. 236);
3° les coassureurs établis en Belgique fournissent
à la Banque divers renseignements sur leurs activités
de coassurance communautaires dont la nature, la
fréquence et le support sont fixés par un règlement de
la Banque (art. 237);
4° en cas de liquidation, il ne peut y avoir de discri-
mination entre les engagements relevant de la coas-
surance communautaire et les autres engagements de
l’assureur, notamment en ce qui concerne le privilège
sur les actifs de l’entreprise d’assurance (art. 238).
Section II
Dispositions particulières relatives à la réassurance
Cette section transpose les articles 210 et 211 de la
Directive et reprennent les articles 4, 18°, 80 et 81 de
la loi du 16 février 2009. Ils sont répartis en deux sous-
sections, l’une consacrée à la réassurance finite, l’autre
aux véhicules de titrisation.
192
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 239 tot 241
De finite herverzekering, soms “beperkte financiële
herverzekering” of “gestructureerde herverzekering”
genoemd, wordt beschouwd als een niet-traditionele
vorm van herverzekering. Bij een finite herverzekering
worden de risico’s verdeeld tussen de overdragende
verzekeraar en de herverzekeraar, niet alleen voor de
risico’s verbonden aan de onderschrijving maar ook
voor de financiële risico’s van de verzekeringsovereen-
komsten, dat wil zeggen de risico’s verbonden aan de
doelstellingen inzake solvabiliteit, kapitaalbescherming
en beperking van de volatiliteit van de resultaten van
de overdragers. Er wordt rekening gehouden met de
tijdswaarde van geld (actualisering van de toekomstige
bedragen) en/of er wordt voorzien in een contractuele
verdeling die beoogt de economische gevolgen van
het herverzekerde risico in de tijd te effenen, met het
oog op het bereiken van het nagestreefde niveau van
risico-overdracht. Het potentiële maximale verlies van
de herverzekeraar kan belangrijk zijn, maar wordt vooraf
bepaald in de overeenkomst.
De herverzekeraars die de finite herverzekering be-
oefenen, moeten aantonen dat ze over de mogelijkheid
beschikken om de specifieke risico’s met betrekking tot
deze activiteit te beoordelen en te beheren (art. 240).
De controlemaatregelen met betrekking tot dit spe-
cifieke aspect van de herverzekering zullen worden
genomen via een gedelegeerde handeling op basis van
artikel 210, lid 2 van de Richtlijn. Er werd evenwel voor-
zien in een rechtsgrondslag naar Belgisch recht voor
het geval een dergelijke gedelegeerde handeling zou
ontbreken terwijl een regelgeving van de finite herver-
zekeringsactiviteit in België geboden zou zijn (art. 241).
Art. 242 en 243
Het begrip “effectiseringsvehikel” (special purpose
vehicle) wordt gedefinieerd in ontwerpartikel 15, 25°. Het
gaat om elke juridische entiteit, al dan niet met een eigen
rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming, die risico’s
van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
overneemt en die haar blootstelling aan deze risico’s
volledig financiert door emissieprocedures of andere
financieringsmechanismen waarbij de terugbetalings-
rechten van de geldgevers van dit soort emissies of
financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de
herverzekeringsverplichtingen van een dergelijk vehikel.
Een effectiseringsvehikel koopt van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming een portefeuille
Art. 239 à 241
La réassurance finite, appelée parfois “réassurance
financière limitée” ou “réassurance structurée” est consi-
dérée comme une forme non traditionnelle de réassu-
rance. Elle opère un partage de risques entre l’assureur
cédant et le réassureur non pas uniquement en ce qui
concerne les risques liés à la souscription mais égale-
ment aux risques financiers des contrats d’assurance,
c’est-à-dire les risques liés aux objectifs de solvabilité,
de protection du capital et de réduction de la volatilité
des résultats des cédantes. Elle prend en compte la
valeur temporelle de l’argent (actualisation des montants
futurs) et/ou prévoit un partage contractuel qui vise à
lisser dans le temps les répercussions économiques du
risque réassuré, en vue d’atteindre un niveau déterminé
de transfert de risque. La perte maximale potentielle du
réassureur peut être importante mais elle est définie à
l’avance dans le contrat.
Les réassureurs qui pratiquent la réassurance finite
doivent démonter qu’ils ont les capacités à évaluer et
gérer les risques particuliers relatifs à cette activité
(art. 240).
Les mesures de contrôle relatives à cet aspect
particulier de la réassurance seront prises par le tru-
chement d’un acte délégué pris sur la base de l’article
210, paragraphe 2 de la Directive. Une base légale de
droit belge a toutefois été prévue pour le cas où un tel
acte délégué ferait défaut alors qu’une réglementation
de l’activité de réassurance finite en Belgique se ferait
sentir (art. 241).
Art. 242 et 243
La notion de “véhicule de titrisation” (special purpose
vehicle) est définie à l’article 15, 25° en projet. Il s’agit
de toute entité juridique, dotée ou non de la person-
nalité morale, autre qu’une entreprise d’assurance
ou de réassurance existante, qui prend en charge les
risques transférés par une entreprise d’assurances ou
de réassurance et qui finance en totalité son exposition
à ces risques par l’émission d’une dette ou un autre
mécanisme de financement, où les droits au rembour-
sement de ceux ayant fait un apport dans le cadre de
cette dette ou de cet autre mécanisme de financement
sont subordonnés aux obligations de réassurance d’un
tel véhicule.
Un véhicule de titrisation achète à une entreprise
d’assurance ou de réassurance un portefeuille de
193
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
schuldvorderingen (hypothecaire of andere) van soort-
gelijke aard, en belegt deze portefeuille in de vorm van
effecten bij beleggers die er de hoofdsom en rente
van ontvangen. In bepaalde gevallen wordt enkel het
financiële risico verbonden aan de activa overgedragen,
terwijl de activa eigendom blijven van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming. Enkel dit tweede geval
wordt hier beoogd.
De effectisering vormt voor de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming een vorm van risicomatiging.
Tot dusver waren de effectiseringsvehikels aan
geen enkele vergunningsplicht onderworpen in België.
Artikel 243 van het ontwerp, dat artikel 81, tweede lid,
van de wet van 16 februari 2009 overneemt, biedt een
rechtsgrondslag om de vergunning van de Belgische
effectiseringsvehikels te reglementeren.
Inmiddels konden aan de hand van artikel 211 van
de Richtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 2, 46° van de
Omnibus II-richtlijn, de voorwaarden voor de vergun-
ning van effectiseringsvehikels worden vastgelegd door
middel van een gedelegeerde verordening, wat gebeurd
is in de artikelen 318 tot 327 van Verordening 2015/35.
Ontwerpartikel 243 werd evenwel gehandhaafd.
TITEL III
Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde
categorieën van verzekeringsondernemingen
HOOFDSTUK I
Onderlinge verzekeringsverenigingen
Dit hoofdstuk heeft specifiek betrekking op de
onderlinge verzekeringsverenigingen naar Belgisch
recht. Er worden een aantal bepalingen van de wet
van 9 juli 1975 in overgenomen, zonder veel andere
dan zuiver formele wijzigingen. Naast de algemene
bepalingen (Afdeling I), bevat het ook bepalingen over
de omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen
in een andere rechtsvorm, met name de naamloze ven-
nootschap (Afdeling II) en de fusie door overneming
van onderlinge verzekeringsverenigingen (Afdeling III).
créances (hypothécaires ou autres) de nature similaire
et place ce portefeuille, sous forme de titres, auprès
d’investisseurs qui en reçoivent le principal et un intérêt.
Dans certains cas, seul le risque financier lié aux actifs
est transféré, les actifs restant la propriété de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance. Seul ce second
cas est ici visé.
La titrisation constitue pour l’entreprise d’assurance
ou de réassurance une forme d’atténuation du risque.
Jusqu’à présent, les véhicules de titrisations n’étaient
soumis à aucune obligation d’agrément en Belgique.
L’article 243 du projet, reprenant en cela l’article 81,
alinéa 2, de la loi du 16 févier 2009, constitue une base
légale pour réglementer l’agrément des véhicules de
titrisation belges.
Entretemps, l’article 211 de la Directive, tel que
modifié par l’article 2, 46°, de la directive Omnibus II, a
permis de fixer les conditions d’agrément des véhicules
de titrisation par la voie d’un règlement délégué, ce qui a
été fait par les articles 318 à 327 du Règlement 2015/35.
L’article 243 en projet a néanmoins été maintenu.
TITRE III
Dispositions particulières relatives à certaines
catégories d’entreprises d’assurance
CHAPITRE IER
Associations d’assurance mutuelle
Ce chapitre concerne spécialement les associations
d’assurance mutuelle de droit belge. Il reprend une série
de dispositions se trouvant actuellement dans la loi du
9 juillet 1975 sans y apporter beaucoup de modifications
autres que purement formelle. Outre les dispositions
générales (Section Ire), il concerne la transformation des
associations d’assurance mutuelle en une autre forme
juridique, notamment la société anonyme (Section II)
et la fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle (Section III).
194
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling I
Algemene bepalingen
Art. 244
Dit artikel bepaalt dat Hoofdstuk I van Titel III van
Boek II van de ontwerpwet van toepassing is op ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen naar
Belgisch recht die de rechtsvorm van een onderlinge
verzekeringsvereniging hebben aangenomen.
Voor de toepassing van de Richtlijn en de uitvoe-
ringsmaatregelen ervan (onder andere Verordening
2015/35) in het Belgische recht, moeten de termen
“onderlinge waarborgmaatschappij” en “onderlinge ver-
zekeringsmaatschappij” worden opgevat als “onderlinge
verzekeringsvereniging”.
Art. 245
De bepalingen over het burgerlijk karakter en de
rechtspersoonlijkheid van onderlinge verzekeringsver-
enigingen zijn in dit artikel opgenomen.
Art. 246
Deze bepaling heeft betrekking op de gemeenschap-
pelijke verzekeringskassen, die arbeidsongevallen
dekken of bepaalde risico’s die tot de tweede pensi-
oenpijler behoren. Artikel 9, § 1, tweede lid van de wet
van 9 juli 1975 lijkt deze gemeenschappelijke kassen
als verzekeringsondernemingen met een specifieke
rechtsvorm te beschouwen, maar bepaalt ook dat “deze
kassen voor de toepassing van deze wet en haar uit-
voeringsbesluiten en —verordeningen als onderlinge
verzekeringsverenigingen [worden] beschouwd”.
In werkelijkheid zijn de gemeenschappelijke kassen
een specifieke vorm van onderlinge verzekeringsvereni-
gingen (zie in dit verband Y. Willemart, “Sensibilisation
au phénomène de l’assurance mutuelle en Belgique”,
in L’assurance mutuelle en Belgique, Bruylant, 1999,
blz. 12) en gelden voor beide types van instellingen
dezelfde regels. Dit verklaart allicht waarom de gemeen-
schappelijke kas in Bijlage III van de Richtlijn niet als
een specifieke rechtsvorm wordt vermeld.
Om problemen in verband met de omzetting van
de Richtlijn te vermijden, werd ervoor geopteerd om
expliciet te bepalen dat gemeenschappelijke kas-
sen als onderlinge verzekeringsverenigingen wor-
den beschouwd maar toe te staan dat de gemeen-
schappelijke kassen die verrichtingen uitvoeren die
Section Ire
Dispositions générales
Art. 244
Cet article précise le champ d’application du
Chapitre Ier du Titre III du Livre II de la loi en projet, à
savoir les entreprises d’assurance ou de réassurance
de droit belge qui ont adopté la forme d’association
d’assurance mutuelle.
Pour l’application de la Directive et de ses mesures
d’exécution (entre autres le Règlement 2015/35) en
droit belge, il faut comprendre les vocables “mutuelle”
et “association de type mutuel” comme “association
d’assurance mutuelle”.
Art. 245
Les dispositions relatives au caractère civil et à la
personnalité juridique des associations d’assurance
mutuelle sont reprises à cet article.
Art. 246
Cette disposition concerne les caisses communes
d’assurance, qui couvrent les accidents du travail ou
certains risques relevant du second pilier de pensions.
L’article 9, § 1er, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 semble
faire de ces caisses communes une forme juridique par-
ticulière d’entreprise d’assurance tout en ajoutant que
“pour l’application de la présente loi, de ses arrêtés et
règlements d’exécution, ces caisses sont considérées
comme des associations d’assurance mutuelle”.
En réalité, les caisses communes sont une forme
particulière d’association d’assurance mutuelle (voir sur
ce point, Y. Willemart, “Sensibilisation au phénomène
de l’assurance mutuelle en Belgique”, in L’assurance
mutuelle en Belgique, Bruylant, 1999, p. 12) et les
mêmes règles s’appliquent aux unes comme aux autres.
C’est sans doute la raison pour laquelle l’Annexe III de la
Directive ne mentionne pas la caisse commune comme
une forme juridique particulière.
Pour éviter tout problème au regard de la transposition
de la Directive, le choix a été fait de considérer explici-
tement les caisses communes comme des associations
d’assurance mutuelle mais d’autoriser celles d’entre
elles qui effectuent les opérations relatives aux acci-
dents du travail (lois du 3 juillet 1967 et du 10 avril 1971)
195
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verband houden met arbeidsongevallen (wetten van
3 juli 1967 en 10 april 1971) of met bepaalde verzekerin-
gen van de tweede pensioenpijler (koninklijk besluit van
14 november 2003 of het zogenaamde “besluit 69”) “ge-
meenschappelijke verzekeringskas” worden genoemd
in plaats van “onderlinge verzekeringsvereniging”.
Om de betrokken ondernemingen in staat te stellen
hun statuten en andere documenten te wijzigen is in een
overgangsbepaling voorzien (artikel 657).
Art. 247
De vermeldingen die in de statuten van de onderlinge
verzekeringsverenigingen moeten worden opgenomen,
zijn overgenomen uit de artikelen 11 en 15bis van de
wet van 9 juli 1975.
Afdeling II
Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen
In deze Afdeling, die betrekking heeft op de omzetting
van onderlinge verzekeringsverenigingen in een andere
rechtsvorm, wordt de inhoud van de artikelen 78bis
tot 78octies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen.
Deze artikelen werden in de genoemde wet ingevoegd
door de wet van 3 mei 1999 houdende budgettaire en
diverse bepalingen.
In dit commentaar wordt de memorie van toelichting
bij de voornoemde wet overgenomen met de nodige
aanpassingen (zie Parl.St. Kamer, 98/99, nr. 1937/1, 8 tot
14). Voor commentaar bij de context die tot de invoe-
ging van de artikelen 78bis tot 78octies in de wet van
9 juli 1975 geeft geleid, zij verwezen naar de pagina’s
8 tot 11 van het voornoemde document.
Art. 248 en 249
Onderlinge verzekeringsverenigingen mogen een
andere rechtsvorm aannemen, op voorwaarde dat deze
rechtsvorm is toegestaan door ontwerpartikel 33. Voor
deze omzetting zijn de bepalingen van deze afdeling
van toepassing, evenals de artikelen 776 tot 799 van
het Wetboek van Vennootschappen, in de mate dat er
expliciet naar wordt verwezen.
Art. 250 tot 253
In deze artikelen worden de bepalingen van artikel
78quater van de wet van 9 juli 1975 overgenomen.
ou relatives à certaines assurances du deuxième pilier
de pension (arrêté royal du 14 novembre 2003 dit “arrêté
69”) à substituer à l’appellation “association d’assu-
rance mutuelle” celle de “caisse commune d’assurance”.
Une disposition transitoire est prévue (article 657) afin
de permettre aux entreprises concernées de modifier
leurs statuts et autres documents.
Art. 247
Les mentions qui doivent figurer dans les statuts des
associations d’assurance mutuelle sont reprises des
articles 11 et 15bis de la loi du 9 juillet 1975.
Section II
Transformation des associations d’assurance mutuelle
Cette Section reprend le contenu des articles 78bis
à 78octies de la loi du 9 juillet 1975 et concerne la
transformation des associations d’assurance mutuelle
dans une autre forme juridique. Ces articles avaient été
insérées par la loi du 3 mai 1999 portant des dispositions
budgétaires et diverses.
Le commentaire reprend l’exposé de motifs de la
loi précitée moyennant les adaptations qui s’imposent
(voy. DOC. Parl., Chambre, sess 98/99, n°1937/1, pp.
8 à 14). Pour un commentaire du contexte ayant présidé
à l’insertion des articles 78bis à 78octies dans la loi
du 9 juillet 1975, il y a lieu de se référer aux pages 8 à
11 du document précité.
Art. 248 et 249
Une association d’assurance mutuelle peut adopter
une autre forme juridique pourvu qu’elle soit autorisée
par l’article 33 du projet de loi. Pour cette opération, les
dispositions de la présente section sont applicables,
ainsi que les articles 776 à 799 du Code des sociétés
dans la mesure où il y est fait explicitement référence.
Art. 250 à 253
Ces articles reprennent les dispositions de l’article
78quater de la loi du 9 juillet 1975.
196
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 250 omschrijft de minimale vermeldingen
die moeten worden opgenomen in het verslag dat het
bestuursorgaan moet overmaken aan de algemene
vergadering die een besluit neemt over de omzetting en
bepaalt dat dit verslag moet worden aangevuld met ont-
werpstatuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm
en met een staat van activa en passiva van de vereniging,
waarbij wordt aangegeven hoeveel het maatschappelijk
kapitaal van de nieuwe vennootschap zal bedragen.
Artikel 251 bepaalt dat de commissaris-revisor van de
vereniging een verslag dient op te maken, dat, samen
met het verslag van de raad van bestuur, overeenkom-
stig artikel 252, voorgelegd dient te worden aan de
Bank, die de FSMA raadpleegt wanneer het om een
verzekeringsonderneming gaat.
Het toezicht werd versterkt ten opzichte van dat waar
momenteel in is voorzien in artikel 78quater, § 3 van de
wet van 9 juli 1975. Dit laatste artikel voorziet immers
enkel in de mogelijkheid om opmerkingen mee te de-
len aan de onderlinge verzekeringsvereniging, terwijl
ontwerpartikel 252 de Bank in staat stelt om zich te
verzetten tegen het voornemen tot omzetting, eventueel
na advies van de FSMA.
Artikel 253 bepaalt dat de algemene vergadering van
de vereniging vervolgens dient te worden bijeengeroe-
pen om te beraadslagen over het besluit tot omzetting,
met inachtneming van de statutaire bepalingen.
Art. 254 tot 257
Deze bepalingen zijn overgenomen uit artikel 78quin-
quies van de wet van 9 juli 1975.
Artikel 254 bepaalt de aanwezigheids- en stemquota
die vereist zijn opdat de algemene vergadering een
geldig besluit kan nemen over de omzetting en artikel
255 stelt, overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel
781, § 5 van het Wetboek van Vennootschappen voor
de omzetting van vennootschappen die de rechtsvorm
van een handelsvennootschap hebben aangenomen,
dat de unanimiteit vereist is indien de vereniging niet ten
minste twee jaar bestaat of indien de statuten uitdruk-
kelijk bepalen dat omzetting verboden is.
Artikel 256 bepaalt de voorwaarden voor de beslis-
sing tot vaststelling van de statuten van de nieuwe
vennootschap.
Artikel 257 bepaalt welke gevolgen van rechtswege
verbonden zijn aan het besluit tot omzetting van een
onderlinge verzekerings vereniging in een vennootschap
die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft
aangenomen:
L’article 250 énonce les mentions minimales du rap-
port que l’organe de gestion doit présenter à l’assem-
blée générale appelée à statuer sur la transformation
et impose que ce rapport soit complété par un projet
de statuts de la société résultant de la transformation
et par un état résumant la situation active et passive de
l’association, en indiquant le montant du capital social
de la nouvelle société.
L’article 251 impose un rapport du commissaire- révi-
seur de l’association, ce rapport et le rapport du conseil
d’administration devant être soumis, en vertu de l’article
252, à la Banque, laquelle consulte la FSMA lorsqu’il
s’agit d’une entreprise d’assurance.
Le contrôle a été renforcé par rapport à ce qui est
actuellement prévu par l’article 78quater, § 3 de la loi
du 9 juillet 1975. Alors que cette disposition ne prévoit
que la possibilité de communiquer des observations
à l’association d’assurance mutuelle, l’article 252 en
projet permet à la Banque, éventuellement sur la
base de l’avis de la FSMA, de s’opposer au projet de
transformation.
L’article 253 prévoit que l’assemblée générale de
l’association doit ensuite être convoquée pour délibérer
sur la décision de transformation dans le respect des
règles statutaires.
Art. 254 à 257
Ces dispositions reproduisent l’article 78quinquies
de la loi du 9 juillet 1975.
L’article 254, indique les quorums de présence et
de vote selon lesquels l’assemblée générale peut
décider de la transformation et l’article 255, indique
que, conformément à ce qui est prévu à l’article 781,
§ 5, du Code des sociétés pour les transformations de
sociétés à forme commerciale, l’unanimité est requise
si l’association existe depuis moins de deux ans ou si
les statuts interdisent expressément la transformation.
L’article 256 indique les conditions relatives à la
décision d’adopter les statuts de la nouvelle société.
L’article 257 prévoit les conséquences attachées
de plein droit à la décision de transformation d’une
association d’assurance mutuelle en société à forme
commerciale:
197
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de omzetting wordt effectief en de leden van de
vereniging worden van rechtswege, met onmiddellijke
uitwerking, aandeelhouders of vennoten van de ven-
nootschap in haar nieuwe vorm volgens de modaliteiten
die het bestuursorgaan voorstelt in zijn verslag; om te
vermijden dat nieuwe formaliteiten moeten worden ver-
vuld of nieuwe beslissingen moeten worden genomen
door sommige leden van de onderlinge verzekerings-
vereniging ingevolge de wijziging van haar rechtsvorm,
worden de eventueel vereiste machtigingen geacht te
zijn verworven van rechtswege;
2° de leden van de vereniging verliezen de rechten die
zij nog zouden kunnen hebben ingevolge hun vroegere
hoedanigheid van lid;
3° de rechten van de leden van de vereniging worden
gesplitst in, enerzijds, vennootschaps rechtelijke rech-
ten die voortvloeien uit hun nieuwe hoedanigheid van
aandeelhouder of vennoot van de vennootschap die
voortvloeit uit de omzetting en, anderzijds, contractuele
rechten die voortvloeien uit hun verzekeringspolis die
aangepast wordt om rekening te houden met de omzet-
ting van de onderlinge verzekeringsvereniging in een
vennootschap die de rechtsvorm van een handelsven-
nootschap heeft; de wijzigingen die worden voorgesteld
door het bestuursorgaan worden geacht van rechtswege
te zijn aangebracht in de lopende verzekeringspolissen;
4° onder voorbehoud van de naleving van de wet-
telijke voorwaarden behoudt de vennootschap haar
vergunningen.
Art. 258
In dit artikel wordt artikel 78sexies van de wet van
9 juli 1975 overgenomen.
Het somt de vormvereisten op waaraan voldaan moet
zijn voor het besluit tot omzetting. Het gaat voorname-
lijk om de verplichting om een authentieke akte op te
stellen en bepaalde publicatieformaliteiten te vervullen.
De tegenwerpbaarheid aan derden is gebaseerd op het
stelsel dat van toepassing is op de omzetting van ven-
nootschappen die de rechtsvorm van een handelsven-
nootschap hebben aangenomen.
Art. 259
Dit artikel is overgenomen uit artikel 78septies van
de wet van 9 juli 1975.
Het voorziet in de toepassing van de bepalingen van
artikel 784 van het Wetboek van Vennootschappen, die
de vennoot schappen die voortvloeien uit een omzet-
ting, vrijstellen van de naleving van bepaalde regels en
1° la transformation est effective et les membres
de l’association deviennent de plein droit, avec effet
immédiat, actionnaires ou associés de la société sous
sa nouvelle forme, selon les modalités proposées par
l’organe de gestion dans son rapport; afin d’éviter que
de nouvelles formalités doivent être effectuées ou de
nouvelles décisions prises par certains membres de
l’association d’assurance mutuelle en raison de la modi-
fication de sa forme juridique, les habilitations éventuel-
lement requises sont réputées acquises de plein droit;
2° les membres de l’association perdent les droits
qu’ils pourraient tirer de leur ancienne qualité de
membre;
3° les membres de l’association voient leurs droits
scindés, d’une part, en droits sociaux résultant de leur
nouvelle qualité d’actionnaire ou associé de la société
résultant de la transformation et, d’autre part, en droits
contractuels résultant de leur police d’assurance, adap-
tée pour tenir compte de la transformation de l’asso-
ciation d’assurance mutuelle en une société à forme
commerciale; les adaptations proposées par l’organe
de gestion sont réputées apportées de plein droit aux
polices d’assurance en cours;
4° sous réserve du respect des conditions légales,
les agréments restent acquis à la société.
Art. 258
Cet article reproduit l’article 78sexies de la loi du
9 juillet 1975.
Il énumère les conditions de forme requises pour
la décision de transformation, qui consistent essen-
tiellement en l’obligation d’établir un acte authentique
et de procéder à certaines formalités de publication.
L’opposabilité aux tiers est calquée sur le régime
applicable aux transformations de sociétés à forme
commerciale.
Art. 259
Cet article reproduit l’article 78septies de la loi du
9 juillet 1975.
Il rend applicable les dispositions de l’article 784 du
Code des sociétés, qui dispensent les sociétés résultant
d’une transformation d’un certain nombre de règles et
formalités essentiellement liées à la composition du
198
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
formaliteiten die hoofdzakelijk verbonden zijn aan de
samenstelling van het kapitaal en de inbrengen, met
uitzondering van het eerste lid dat betrekking heeft op
de omzetting in een besloten vennootschap met be-
perkte aansprakelijkheid, die niet gebruikt kan worden
om verzekeringsactiviteiten uit te oefenen.
Art. 260
Dit artikel is overgenomen uit artikel 78octies van
de wet van 9 juli 1975. Het bevat een aansprakelijk-
heidsregeling voor de leden van het wettelijk bestuurs-
orgaan van de onderlinge verzekeringsvereniging, dat
geïnspireerd is op artikel 785 van het Wetboek van
Vennootschappen.
Afdeling III
Fusie door overneming van onderlinge
verzekeringsverenigingen
In deze Afdeling wordt de inhoud van de artike-
len 78nonies tot 78noniesdecies van de wet van
9 juli 1975 overgenomen, die in deze laatste wet werden
ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007 tot
wijziging van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle op de verzekerings ondernemingen, wat de
fusie door overneming van de onderlinge verzekerings-
verenigingen betreft
In dit commentaar wordt de memorie van toelichting
bij de voornoemde wet overgenomen met de nodige
aanpassingen (zie Parl.St. Kamer, 51ste zittingsperiode,
2006-2007, nr. 2842/1). Voor commentaar bij de context
die tot de invoeging van de artikelen 78bis tot 78octies
in de wet van 9 juli 1975 heeft geleid, zij verwezen naar
de pagina’s 4 en 5 van het voornoemde document.
Art. 261
In dit artikel wordt artikel 78nonies van de wet van
9 juli 1975 overgenomen. Het bepaalt dat twee of meer
onderlinge verzekeringsverenigingen met een andere
onderlinge verzekeringsvereniging mogen fuseren door
overneming. In dat geval zijn de bepalingen van Boek
IX van het Wetboek van Vennootschappen van toepas-
sing, met de aanpassingen waarin de hier besproken
afdeling voorziet.
Art. 262
In dit artikel wordt artikel 78decies van de wet van
9 juli 1975 overgenomen.
capital et aux apports, à la seule exception de l’alinéa
1er qui concerne la transformation en une société privée
à responsabilité limitée, société qui ne peut être utilisée
pour effectuer des activités d’assurances
Art. 260
Cet article reproduit l’article 78octies de la loi du
9 juillet 1975. Il énonce un régime de responsabilité
des membres de l’organe légal d’administration de
l’association d’assurance mutuelle calqué sur l’article
785 du Code des sociétés.
Section III
Fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle
Cette section reprend le contenu des articles
78nonies à 78noniesdecies de la loi du 9 juillet 1975,
qui y avaient été introduits par l’article 2 de la loi du
15 mai 2007 modifiant la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances en ce qui
concerne la fusion par absorption des associations
d’assurance mutuelle.
Le commentaire reprend l’exposé de motifs de la loi
précité moyennant les adaptations qui s’imposent (voy.
Doc. Parl., Chambre, 51e législature, sess. 2006-2007,
n°2842/1). Pour un commentaire du contexte ayant
présidé à l’insertion des articles 78bis à 78octies dans
la loi du 9 juillet 1975, il y a lieu de se référer aux pages
4 et 5 du document précité.
Art. 261
Cet article reprend l’article 78nonies de la loi du
9 juillet 1975. Il permet à deux ou plusieurs associations
d’assurance mutuelle de fusionner par absorption avec
une autre association d’assurance mutuelle. Dans un tel
cas, les dispositions du livre IX du Code des sociétés
sont applicables moyennant les adaptations prévues
par la section commentée.
Art. 262
Cet article reprend l’article 78decies de la loi du
9 juillet 1975.
199
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het past de in artikel 671 van het Wetboek van
Vennootschappen vervatte definitie van “fusie door
overneming” aan, teneinde rekening te houden met de
specifieke aard van de onderlinge verzekeringsvereni-
ging. In tegenstelling tot de handelsvennootschappen
is het vennootschapsvermogen van de vereniging niet
vertegenwoordigd door verhandelbare effecten die on-
der de leden zijn verdeeld; de fusie door overneming van
twee onderlinge verzekeringsverenigingen leidt dus niet
tot de uitgifte van nieuwe effecten van de overnemende
vennootschap die onder de leden van de overgenomen
vennootschap moeten worden verdeeld, maar ze heeft
tot gevolg dat die laatsten van rechtswege lid worden
van de overnemende vennootschap.
Art. 263
In dit artikel wordt artikel 78undecies van de wet van
9 juli 1975 overgenomen.
Ontwerpartikel 242, eerste lid brengt in herinnering
dat de onderlinge verzekeringsverenigingen een bur-
gerlijk karakter hebben. Bijgevolg ressorteren zij niet
onder de rechtbank van koophandel, maar onder de
rechtbank van eerste aanleg.
Het hier voorgestelde artikel vervangt dus de be-
voegdheid van de rechtbank van koophandel door
die van de rechtbank van eerste aanleg voor vor-
deringen tot vernietiging van fusies van onderlinge
verzekeringsverenigingen.
Art. 264
In dit artikel wordt artikel 78duodecies van de wet
van 9 juli 1975 overgenomen.
Het strekt tot aanpassing van de inhoud van het fusie-
voorstel, dat moet worden opgesteld door de respectieve
bestuursorganen van de onderlinge verzekeringsvereni-
gingen die zullen fuseren. De bedoeling hiervan is dat
rekening wordt gehouden met de specifieke aard van dit
type verenigingen. Zo moet naar aanleiding van de fusie
van twee onderlinge verzekeringsverengingen geen
enkele ruilverhouding worden vastgelegd, maar moet
wel worden gepreciseerd welke rechten en plichten de
leden van de overgenomen vereniging zullen hebben
in de overnemende vereniging, alsook welke financiële
gevolgen de fusie zal hebben voor de leden van elk van
de betrokken verenigingen.
Art. 265
In dit artikel wordt artikel 78terdecies van de wet van
9 juli 1975 overgenomen.
Il adapte la définition de la fusion par absorption
donnée à l’article 671 du Code des sociétés, de ma-
nière à tenir compte de la spécificité de l’association
d’assurance mutuelle. Contrairement aux sociétés
commerciales, l’avoir social de l’association n’est pas
représenté par des titres négociables répartis entre ses
membres; la fusion par absorption de deux associations
d’assurance mutuelle n’entraîne dès lors pas l’émission
de nouveaux titres de l’association absorbante à répartir
entre les membres de l’association absorbée, mais a
pour conséquence que ceux-ci deviennent de plein droit
membres de l’association absorbante.
Art. 263
Cet article reprend l’article 78undecies de la loi du
9 juillet 1975.
L’article 242, alinéa 1er en projet rappelle que les
associations d’assurance mutuelle ont un caractère
civil. Par conséquent, ces associations ne sont pas
justiciables du tribunal de commerce, mais du tribunal
de première instance.
L’article à l’examen substitue donc la compétence
du tribunal de première instance à celle du tribunal de
commerce pour les actions en annulation des fusions
d’associations d’assurance mutuelle.
Art. 264
Cet article reprend l’article 78duodecies de la loi du
9 juillet 1975.
Il vise à adapter le contenu du projet de fusion, qui
doit être établi par les organes de gestion respectifs
des associations d’assurance mutuelle appelées à
fusionner, afin de tenir compte de la spécificité de ce
type d’associations. Ainsi, aucun rapport d’échange
ne doit être établi à l’occasion de la fusion de deux
associations d’assurance mutuelle, mais il y a lieu de
préciser quels seront les droits et les obligations des
membres de l’association absorbée dans l’association
absorbante et quelles seront les conséquences finan-
cières de la fusion pour les membres de chacune des
associations concernées.
Art. 265
Cet article reprend l’article 78terdecies de la loi du
9 juillet 1975.
200
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het past de inhoud aan van het omstandig schriftelijk
verslag dat het bestuursorgaan overeenkomstig artikel
694 van het Wetboek van Vennootschappen moet op-
stellen, om rekening te houden met de hierboven in her-
innering gebrachte, specifieke aard van de onderlinge
verzekeringsvereniging. In dat verslag moeten met name
de rechten worden vermeld en verantwoord die de leden
van de overgenomen vereniging in de overnemende
vereniging zullen hebben. Voorts moeten de financiële
gevolgen van de fusie worden toegelicht.
Art. 266
In dit artikel wordt artikel 78quaterdecies van de wet
van 9 juli 1975 overgenomen.
Het past de inhoud aan van het in artikel 695 van het
Wetboek van Vennootschappen bedoelde verslag van
de commissaris, om rekening te houden met de hier-
boven in herinnering gebrachte specifieke aard van de
onderlinge verzekeringsverenigingen. De commissaris
zal met name moeten bevestigen dat de financiële in-
formatie die opgenomen is in het schriftelijk verslag van
het bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toereikend
is. Tevens moet hij de financiële gevolgen van de fusie
beschrijven.
Art. 267
In dit artikel wordt artikel 78quinquiesdecies van de
wet van 9 juli 1975 overgenomen.
Het bepaalt de wijze van bijeenroeping van de al-
gemene vergaderingen die zich over de fusie moeten
uitspreken. De algemene vergadering van de leden
van elk van de betrokken verenigingen moet worden
bijeengeroepen volgens de regels die van toepassing
zijn in geval van een statutenwijziging of in geval van
vereffening van de vereniging, indien die regels strenger
zijn. Indien de bijeenroeping per gewone brief geschiedt,
moet ze als bijlage een kopie van het fusievoorstel be-
vatten, alsook de verslagen van het bestuursorgaan en
van de commissaris.
Voorts moeten de in artikel 697, § 2 van het Wetboek
van Vennootschappen vermelde documenten, met inbe-
grip van de door de bestuursorganen en de commissaris
opgestelde verslagen van de drie laatste boekjaren, ter
beschikking worden gehouden van de leden, op de zetel
van de vereniging. Daartoe wordt artikel 697, § 2, 4°
van het Wetboek van Vennootschappen, dat slechts op
een beperkt aantal vennootschappen betrekking heeft,
uitgebreid tot de onderlinge verzekeringsverenigingen.
Il adapte le contenu du rapport écrit et circonstancié
de l’organe de gestion prévu à l’article 694 du Code des
sociétés, pour tenir compte des spécificités de l’asso-
ciation d’assurance mutuelle rappelées ci-dessus. Ce
rapport doit notamment expliquer et justifier les droits
des membres de l’association absorbée dans l’asso-
ciation absorbante et les conséquences financières de
la fusion.
Art. 266
Cet article reprend l’article 78quaterdecies de la loi
du 9 juillet 1975.
Il adapte le contenu du rapport du commissaire prévu
à l’article 695 du Code des sociétés, pour tenir compte
des spécificités de l’association d’assurance mutuelle
rappelées ci-dessus. Le commissaire sera appelé à
confirmer le caractère fidèle et suffisant des informations
financières contenues dans le rapport écrit de l’organe
de gestion et à décrire également les conséquences
financières de la fusion.
Art. 267
Cet article reprend l’article 78quinquiesdecies de la
loi du 9 juillet 1975.
Il précise le mode de convocation des assemblées
générales appelées à se prononcer sur la fusion.
L’assemblée générale des membres de chaque asso-
ciation concernée devra être convoquée selon les règles
prévues pour la modification des statuts ou la mise en
liquidation de l’association si ces dernières règles sont
plus strictes. Si la convocation se fait par lettre mis-
sive, une copie du projet de fusion et des rapports de
l’organe de gestion et du commissaire devra être jointe
à la convocation.
Par ailleurs, les documents mentionnés à l’article
697, § 2, du Code des sociétés devront être tenus à la
disposition des membres au siège de l’association, en
ce compris les rapports des organes de gestion et du
commissaire des trois derniers exercices. L’article 697,
§ 2, 4°, du Code des sociétés, qui ne concerne qu’un
nombre limité de sociétés, est à cet égard étendu aux
associations d’assurance mutuelle.
201
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 268
In dit artikel wordt artikel 78sexiesdecies van de wet
van 9 juli 1975 overgenomen.
Het past het quorum aan dat vereist is opdat de al-
gemene vergadering geldig kan beraadslagen over het
fusievoorstel, teneinde rekening te houden met de spe-
cifieke aard van de onderlinge verzekeringsverenigingen
wat hun maatschappelijk vermogen betreft.
Voorts wordt gepreciseerd dat artikel 699, § 3, van
het Wetboek van Vennootschappen niet van toepassing
is op de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen.
Artikel 699, § 3 betreft namelijk het geval waarin de
respectieve rechten die de verschillende categorieën
van effecten verlenen, worden gewijzigd; aangezien er
in onderlinge verzekeringsverenigingen geen verschil-
lende categorieën van effecten zijn, is dit artikel op hen
niet van toepassing.
Art. 269
In dit artikel wordt artikel 78septiesdecies van de wet
van 9 juli 1975 overgenomen.
Het bepaalt dat over de wijzigingen die in voorkomend
geval moeten worden aangebracht in de statuten van de
overnemende vereniging, moet worden beslist onder de
door de statuten opgelegde voorwaarden inzake quorum
en meerderheid die gelden voor een statutenwijziging.
Art. 270
In dit artikel wordt artikel 78octiesdecies van de wet
van 9 juli 1975 overgenomen.
Dit artikel strekt er enkel toe de verwijzing naar artikel
704 van het Wetboek van Vennootschappen te vervan-
gen door een verwijzing naar een andere bepaling van
datzelfde wetboek, omdat voor de fusie van onderlinge
verzekeringsverenigingen een andere verwijzing is
vereist.
Art. 271
In dit artikel wordt artikel 78noniesdecies van de wet
van 9 juli 1975 overgenomen.
Het strekt ertoe de door het voorliggende wetsvoorstel
georganiseerde fusieprocedure gelijk te stellen aan de
bij het Wetboek van Vennootschappen georganiseerde
procedure, omdat dit noodzakelijk is in het licht van arti-
kel 211 van het WIB92. Voor zover de andere bij artikel
211 van het WIB92 vereiste voorwaarden zijn vervuld,
Art. 268
Cet article reprend l’article 78sexiesdecies de la loi
du 9 juillet 1975.
Il adapte le quorum requis à l’assemblée générale
pour pouvoir valablement délibérer sur la proposition de
fusion, afin de tenir compte de la spécificité de l’asso-
ciation d’assurance mutuelle en matière d’avoir social.
Il précise, par ailleurs, que l’article 699, § 3, du Code
des sociétés n’est pas applicable à la fusion d’associa-
tions d’assurance mutuelle. Cet article 699, § 3, vise
l’hypothèse d’une modification des droits respectifs
de différentes catégories de titres; dans la mesure où
l’association d’assurance mutuelle ne connaît pas diffé-
rentes catégories de titres, cet article lui est inapplicable.
Art. 269
Cet article reprend l’article 78septiesdecies de la loi
du 9 juillet 1975.
Il précise que les modifications qui devront, le cas
échéant, être apportées aux statuts de l’association
absorbante, devront être décidées aux conditions de
présence et de majorité requises pour la modification
des statuts, par ces mêmes statuts.
Art. 270
Cet article reprend l’article 78octiesdecies de la loi
du 9 juillet 1975.
Il vise simplement à adapter, pour les besoins de la
fusion d’associations d’assurance mutuelle, la référence
faite par l’article 704 du Code des sociétés à une autre
disposition du Code des sociétés.
Art. 271
Cet article reprend l’article 78noniesdecies de la loi
du 9 juillet 1975.
Il vise à assimiler la procédure de fusion organisée par
la présente proposition de loi à la procédure de fusion
organisée par le Code des sociétés, pour les besoins
de l’article 211 du CIR/92. Pour autant que les autres
conditions requises par l’article 211 du CIR/92 soient
remplies, la fusion réalisée conformément au présent
202
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zal de overeenkomstig dit wetsvoorstel doorgevoerde
fusie worden geacht te zijn volbracht met inachtneming
van het Wetboek van Vennootschappen. Aldus zal ook
de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen fis-
caal neutraal zijn.
HOOFDSTUK II
Ondernemingen die wegens hun omvang aan een
bijzondere regeling zijn onderworpen
Artikel 4 van de Richtlijn sluit de ondernemingen
waarvan de activiteit onder bepaalde drempels blijft, uit
van haar toepassingsgebied. De nationale wetgevers
beschikken dus over drie mogelijkheden: die onder-
nemingen vrijstellen van elk prudentieel toezicht, hen
volledig onderwerpen aan het nieuwe toezichtskader,
of in specifieke toezichtsregels voorzien.
In het voorliggende wetsontwerp wordt voor deze
laatste oplossing gekozen. De in artikel 4 van de Richtlijn
bedoelde ondernemingen zullen aldus in principe on-
derworpen zijn aan alle bepalingen van de ontwerpwet,
zij het met een aantal aanpassingen om rekening te
houden met het beperkte volume en het beperkte risico
van hun activiteiten.
Voor de in het voornoemde artikel 4 bedoelde onder-
nemingen die volledig herverzekerd zijn of die al hun
verplichtingen hebben overgedragen aan een andere
onderneming waaraan in België een vergunning of toe-
stemming is verleend, werd eveneens voorzien in een
bijzondere regeling die inhoudt dat deze ondernemingen
volledig zijn vrijgesteld van toezicht.
Voor de volledigheid dient ten slotte ook te worden
aangestipt dat Hoofdstuk III van deze Titel, die betrek-
king heeft op de verzekeringsondernemingen die enkel
dekking verlenen voor bepaalde risico’s die gelegen
zijn in de gemeente waar hun zetel is gevestigd of in
de omliggende gemeenten, eveneens een toepassing
vormt van artikel 4 van de Richtlijn.
Concreet geldt de minder strenge regeling van dit
Hoofdstuk voor enkele ondernemingen.
Afdeling I
Toepassingsgebied
Deze afdeling omschrijft de voorwaarden waaraan
de ondernemingen moeten voldoen om in aanmerking
te komen voor de toepassing van de bepalingen van
dit Hoofdstuk en om daarvoor in aanmerking te blijven
komen. Deze voorwaarden houden verband met de
omzet van de ondernemingen, en met risico’s die aan
hun activiteiten zijn verbonden.
projet de loi sera réputée accomplie dans le respect du
Code des sociétés, afin de permettre aux associations
d’assurance mutuelle concernées de bénéficier du
régime de neutralité fiscal de la fusion.
CHAPITRE II
Entreprises soumises à un régime particulier en
raison de leur taille
L’article 4 de la Directive exclut de son champ
d’application les entreprises dont l’activité n’atteint
pas certains seuils. Les législateurs nationaux ont donc
un triple choix: soit dispenser ces entreprises de tout
contrôle prudentiel, soit les soumettre entièrement au
nouveau cadre de contrôle, soit prévoir des règles de
contrôle spécifiques.
Le choix effectué dans le cadre du présent projet
consiste à retenir cette dernière solution. Ainsi, les
entreprises visées par l’article 4 de la Directive seront,
en principe, soumises à l’ensemble des dispositions
prévues par la loi en projet mais moyennant certaines
adaptations destinées à prendre en compte le volume
réduit et le risque limité de leurs activités.
Un régime particulier, consistant en une dispense
totale de contrôle, a également été prévu pour les
entreprises visées par l’article 4 précité et qui sont
entièrement réassurées ou qui ont cédé l’ensemble de
leurs engagements à une autre entreprise agréée ou
autorisée en Belgique.
Enfin, pour être complet, il faut également noter
que le Chapitre III du présent Titre, qui concerne les
entreprises d’assurance qui ne couvrent que certains
risques situés dans la commune de leur siège social
ou les communes limitrophes, constitue également une
application de l’article 4 de la Directive.
Concrètement, le régime plus léger prévu par le pré-
sent Chapitre concerne quelques entreprises.
Section Ire
Champ d’application
Cette section énonce les conditions auxquelles les
entreprises doivent satisfaire pour obtenir et conserver
le bénéfice des dispositions du présent Chapitre. Il s’agit
de conditions liées au volume d’affaires des entreprises,
ainsi qu’aux risques générés par leurs activités.
203
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 272
De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de
minder strenge toezichtsregeling waarin dit Hoofdstuk
voorziet, zijn die van artikel 4, leden 1 en 4 van de
Richtlijn, behalve voor wat betreft de herverzekering.
Het gaat om de volgende vijf voorwaarden.
Als eerste voorwaarde geldt dat de bruto jaar-
lijkse inkomsten niet meer mogen bedragen dan
5 000 000 EUR. Onder “bruto jaarlijkse inkomsten” die-
nen de geboekte handelspremies te worden verstaan,
namelijk de premie die nodig is om het risico te dekken
(zuivere premie), verhoogd met de toeslagen, kosten en
makelaarsvergoedingen, maar zonder de belastingen
en bijdragen.
De tweede voorwaarde houdt in dat de totale tech-
nische voorzieningen niet meer mogen bedragen dan
25 000 000 EUR. Deze voorzieningen worden op
dezelfde manier berekend als voor de andere verze-
keringsondernemingen en omvatten de beste schat-
ting (best estimate) en de risicomarge (risk margin),
overeenkomstig artikel 125. Deze berekening gebeurt
zonder aftrek van vergoedingen van herverzekeraars
en effectiseringsvehikels. Tot slot zij opgemerkt dat
wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep,
dit maximumbedrag van toepassing is op alle onderne-
mingen van de groep.
Aangezien de onder de toepassing van dit hoofdstuk
vallende ondernemingen onderworpen zijn aan uitzon-
deringsbepalingen voor wat betreft de eigenvermogens-
vereisten en de berekening van de technische voorzie-
ningen, zullen de voornoemde bedragen moeten worden
berekend op basis van de bepalingen van het koninklijk
besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van
de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
De derde voorwaarde is dat er geen dekking mag
worden verleend voor aansprakelijkheidsrisico’s (tak-
ken 10 tot 13), kredietrisico’s (tak 14) en borgtochtver-
zekeringsrisico’s (tak 15), tenzij het om risico’s gaat die
bijkomend zijn ten opzichte van het hoofdrisico. Voor
het begrip “bijkomend risico” zij verwezen naar de com-
mentaar bij artikel 21, § 2. Als voorbeeld kan worden
verwezen naar de aansprakelijkheid van de eigenaar
van een gebouw, die gedekt is door dezelfde overeen-
komst als deze die het gebouw dekt tegen brand.
De vierde voorwaarde houdt in dat er geen herverze-
keringsactiviteiten mogen worden uitgeoefend. Vanuit
prudentieel oogpunt werd het niet opportuun geacht
om toe te laten dat de in dit Hoofdstuk bedoelde onder-
nemingen herverzekeringsactiviteiten uitoefenen. Dit
vereiste verandert niets aan de huidige situatie van de
Art. 272
Les conditions permettant de bénéficier du régime de
contrôle plus léger prévu par le présent Chapitre sont
celles de l’article 4, paragraphes 1er et 4 de la Directive
à l’exception de ce qui concerne la réassurance. Elles
sont au nombre de cinq.
La première est que l’encaissement annuel brut
ne dépasse pas 5 000 000 EUR. Par encaissement
annuel brut, il faut entendre les primes commerciales
émises, à savoir la prime nécessaire pour couvrir le
risque (prime pure) augmentée des chargements, frais
et commissions de courtage mais à l’exception des
taxes et contributions.
La deuxième condition est que le total des provisions
techniques ne dépasse pas 25 000 000 EUR. Ces pro-
visions sont calculées de la même manière que pour
les autres entreprises d’assurance et comprennent
la meilleure estimation (best estimate) et la marge de
risque (risk margin) conformément à l’article 125. Le
calcul s’effectue brut de l’intervention des réassureurs
et des véhicules de titrisation. Enfin, si l’entreprise fait
partie d’un groupe, ce plafond s’applique à l’ensemble
des entreprises du groupe.
Il faut noter que, comme les entreprises visées par
le présent chapitre sont soumises à des dispositions
dérogatoires en ce qui concerne les exigences de
fonds propres et le calcul des provisions techniques, les
montants précités devront être calculés sur la base des
dispositions de l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif
aux comptes annuels des entreprises d’assurances et
de réassurance.
La troisième condition est l’interdiction de couvrir des
risques de responsabilité civile (branches 10 à 13), de
crédit (branche 14) et de caution (branche 15) sauf si
ces risques sont accessoires à un risque principal. Pour
la notion de risque accessoire, il est renvoyé au com-
mentaire de l’article 21, § 2. À titre d’exemple, on peut
citer la responsabilité du propriétaire d’un immeuble
couverte dans le même contrat que celui se rapportant
à l’incendie de l’immeuble.
La quatrième condition est l’interdiction de pratiquer
une activité de réassurance. De ce point de vue, il n’a
pas été jugé opportun du point de vue prudentiel de
permettre aux entreprises visées par le présent Chapitre
d’exercer une quelconque activité de réassurance. Dès
lors qu’elles ne pratiquent pas la réassurance, cette
204
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
actieve ondernemingen die in aanmerking komen voor
de toepassing van de bepalingen van dit Hoofdstuk, aan-
gezien zij geen herverzekeringsactiviteiten uitoefenen.
De vijfde en laatste voorwaarde is dat er geen acti-
viteiten in het buitenland mogen worden uitgeoefend,
noch via een bijkantoor, noch in het kader van de
vrije dienstverrichting en noch binnen noch buiten de
Europese Economische Ruimte. Voor het begrip “activi-
teiten in het buitenland” zij verwezen naar de definities
van artikel 15, 36° en 37°.
Art. 273
In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat een
onderneming die onder de toepassing van de bepalin-
gen van dit hoofdstuk valt, dit voordeel verliest indien
zij een van de in artikel 272 bepaalde drempelwaarden
overschrijdt gedurende drie opeenvolgende jaren. In dat
geval behoudt de onderneming haar vergunning maar
moet zij alle bepalingen van de gemeenschappelijke
regeling naleven. Deze bepaling vormt de omzetting
van artikel 4, lid 2 van de Richtlijn.
Het tweede lid betreft de nieuwe ondernemingen die
een vergunning aanvragen als verzekeringsonderne-
ming en die in dat verband om de toepassing van de
bepalingen van dit Hoofdstuk verzoeken. Dit verzoek
wordt geweigerd indien één van de in artikel 272 be-
paalde drempelwaarden naar verwachting overschreden
zal worden in de vijf jaar die volgen op de indiening van
de vergunningsaanvraag. In dit geval kan de betrokken
onderneming enkel een vergunning verkrijgen onder de
gemeenschappelijke regeling. Deze bepaling zet artikel
4, lid 3 van de Richtlijn om.
Art. 274
Dit artikel betreft de ondernemingen die al een ver-
gunning hebben verkregen onder de gemeenschap-
pelijke regeling en die vervolgens om de toepassing
verzoeken van de bepalingen van dit Hoofdstuk. Deze
ondernemingen moeten uiteraard de drempelwaarden
en andere voorwaarden van artikel 272 in acht nemen
maar daarnaast mogen de drempelwaarden die dit arti-
kel bevat niet worden overschreden in de drie jaar vóór
het verzoek en mogen zij naar verwachting niet worden
overschreden in de vijf jaar na het verzoek. Het betreft
hier een samenvoeging van de twee regels waarin
artikel 272 voorziet. Deze bepaling vormt de omzetting
van artikel 4, lid 4 van de Richtlijn.
exigence ne modifie en rien la situation actuelle des
entreprises en activité qui peuvent prétendre au bénéfice
des dispositions du présent Chapitre.
La cinquième et dernière condition est l’interdiction
d’exercer une quelconque activité à l’étranger, que ce
soit par l’intermédiaire d’une succursale ou en libre
prestation de services et dans ou en dehors de l’Espace
économique européen. Pour la notion d’activité à
l’étranger, il est renvoyé aux définitions de l’article 15,
36° et 37°.
Art. 273
Le premier alinéa de la disposition prévoit qu’une
entreprise qui bénéficie des dispositions du présent
Chapitre perd cet avantage si l’un des seuils prévus à
l’article 272 est dépassé pendant trois années consé-
cutives. Dans ce cas, l’entreprise reste agréée mais doit
respecter toutes les dispositions du régime commun.
Cette disposition transpose l’article 4, paragraphe 2 de
Directive.
Le second alinéa concerne les nouvelles entreprises
qui sollicitent un agrément en qualité d’entreprise
d’assurance et qui, dans ce cadre, demandent à
bénéficier des dispositions du présent Chapitre. Une
telle entreprise se verra refuser le bénéfice des dispo-
sitions du présent Chapitre si l’un des seuils prévus à
l’article 272 risque d’être dépassé dans les cinq années
suivant l’introduction de la demande d’agrément. Une
telle entreprise ne pourra être agréée que sous le régime
commun. Cette disposition transpose l’article 4, para-
graphe 3 de Directive.
Art. 274
Cet article concerne les entreprises déjà agréées
sous le régime commun qui demandent par la suite
le bénéfice des dispositions du présent Chapitre. Ces
entreprises doivent bien évidemment respecter les
seuils et autres conditions de l’article 272 mais, en
outre, les seuils prévus par cet article ne doivent pas
avoir été dépassés au cours des trois années précédant
la demande et ne doivent pas être susceptibles d’être
dépassés dans les cinq années suivant la demande. Il
s’agit du cumul des deux règles prévues par l’article
272. Cette disposition transpose l’article 4, para-
graphe 4 de Directive.
205
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Ondernemingen die een overeenkomst hebben
gesloten die voorziet in de volledige en systematische
herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in
de overdracht van de verplichtingen
Deze afdeling betreft de ondernemingen die voldoen
aan de voorwaarden van de artikelen 272 tot 274 en die
bovendien een overeenkomst hebben gesloten om hun
verplichtingen te herverzekeren of over te dragen aan
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat
van de Europese Economische Ruimte.
De voornoemde ondernemingen zijn volledig vrij-
gesteld van de toepassing van de bepalingen van de
ontwerpwet, met uitzondering van de bepalingen van
deze afdeling, die enkel een verplichting tot inschrijving
bevatten, evenals de noodzakelijke verplichtingen voor
de verificatie van de naleving van de vrijstellingsvoor-
waarden en de sancties die worden toegepast in geval
van niet-naleving.
Het regime waarin ontwerpartikel 275 voorziet, is
gebaseerd op dat van ontwerpartikel 11, met als enige
verschillen dat niet wordt verlangd dat de cederende
onderneming en de overnemende onderneming de vorm
van een onderlinge verzekeringsvereniging hebben, dat
het kan worden toegepast op ondernemingen die het
levensverzekeringsbedrijf uitoefenen maar dat het enkel
betrekking heeft op kleine entiteiten.
Het regime voor deze ondernemingen is overigens te
vergelijken met dat waarin de artikelen 294 tot 302 voor-
zien voor lokale verzekeringsondernemingen.
Art. 275
Paragraaf 1 vermeldt de voorwaarden waaraan de
betrokken verzekeringsondernemingen moeten voldoen
om niet onder de toepassing van de bepalingen van
de ontwerpwet te vallen. Behalve de voorwaarden van
de artikelen 272 tot 274 moeten deze verzekeringson-
dernemingen een overeenkomst hebben gesloten met
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
voorziet in de volledige en systematische herverzekering
van al hun verplichtingen of in de overdracht van al hun
contractuele verplichtingen.
De overnemende onderneming moet een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht of naar het recht van een andere lidstaat zijn. In
beide gevallen moet deze onderneming een vergunning
hebben verkregen in haar lidstaat van herkomst, en, voor
Section II
Entreprises qui ont conclu une convention comportant
la réassurance intégrale et systématique des contrats
d’assurance ou la cession des engagements
Cette section concerne les entreprises qui répondent
aux conditions des articles 272 à 274 et, en outre, ont
conclu une convention par laquelle elles font réassurer
ou cèdent leurs engagements à une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge ou du droit d’un
autre État membre de l’Espace Économique Européen.
Les entreprises précitées sont totalement dispensées
de l’application des dispositions de la loi en projet, à
l’exception de celles prévues par la présente section,
lesquelles comportent uniquement une obligation d’ins-
cription et les obligations nécessaires à la vérification
des conditions d’exemption et les sanctions en cas de
non-respect.
Le régime organisé par l’article 275 en projet, est ins-
piré de celui prévu par l’article 11 en projet, aux seules
différences qu’il n’est pas imposé que les entreprises
cédante et cessionnaire aient adopté la forme d’asso-
ciation d’assurance mutuelle, qu’il peut s’appliquer à
des entreprises pratiquant les activités d’assurance-vie
mais qu’il ne concerne que des entités de taille réduite.
Par ailleurs, le régime de ces entreprises est similaire
à celui organisé par les articles 294 à 302 pour ce qui
concerne les entreprises locales d’assurance.
Art. 275
Le paragraphe 1er rappelle les conditions permettant
de ne pas être soumis aux dispositions de la loi en projet.
Outre les conditions des articles 272 à 274, les entre-
prises d’assurance concernées doivent avoir conclu
avec une entreprise d’assurance ou de réassurance
une convention par laquelle soit elles font réassurer
intégralement et systématiquement l’ensemble de leurs
engagements, soit elles cèdent l’ensemble de leurs
engagements contractuels.
L’entreprise cessionnaire doit être une entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge ou qui
relève du droit d’un autre État membre. Dans l’un et
l’autre cas, cette entreprise doit être agréée dans son
État membre d’origine et, pour ce qui concerne les
206
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wat de ondernemingen van de Europese Economische
Ruimte betreft, de Bank ervan in kennis hebben gesteld
dat zij in België bedrijvig is via een bijkantoor of in het
kader van de vrije dienstverrichting.
Indien de bovenstaande voorwaarden vervuld zijn,
zijn de betrokken verzekeringsondernemingen volledig
vrijgesteld van toezicht, met uitzondering van de be-
palingen die het mogelijk maken de naleving van deze
voorwaarden te verifiëren en sancties op te leggen voor
de niet-naleving ervan.
Paragraaf 2 voorziet in een inschrijvingsprocedure
die te vergelijken is met die waarin voorzien is voor
lokale verzekeringsondernemingen in ontwerpartikel
296, waarnaar verwezen wordt voor de commentaar.
Paragraaf 3 regelt het toezicht dat door de Bank
wordt uitgeoefend op de vrijgestelde ondernemingen.
Dit toezicht is beperkt zoals hierboven aangegeven en is
te vergelijken met dat waarin ontwerpartikel 299 voorziet
voor de lokale verzekeringsondernemingen.
Paragraaf 4 voorziet in aanmaningen en sancties in
geval van niet-naleving van de vrijstellingsvoorwaarden.
Deze zijn te vergelijken met de aanmaningen en sancties
die in ontwerpartikel 300 zijn opgenomen voor lokale
verzekeringsondernemingen.
Afdeling III
Andere verzekeringsondernemingen
In deze afdeling worden de regels bepaald inzake
het statuut van en het toezicht op de ondernemingen
die onder de toepassing van de bepalingen van dit
Hoofdstuk vallen en die niet in aanmerking komen voor
de vrijstelling van artikel 275. Het gaat in hoofdzaak om
afwijkingen van bepaalde regels van de gemeenschap-
pelijke regeling. Voor het overige zijn de ondernemingen
die onder de toepassing vallen van deze Afdeling, onder-
worpen aan de bepalingen van de gemeenschappelijke
regeling, zoals vermeld wordt in ontwerpartikel 275.
Art. 276
De verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 272 tot
274 maar die geen overeenkomst hebben gesloten die
voorziet in de volledige herverzekering of de volledige
overdracht van hun verplichtingen, zullen onderworpen
zijn aan de bepalingen van de ontwerpwet, evenwel met
toepassing van de preciseringen en aanpassingen die
in de alhier toegelichte afdeling zijn opgenomen.
entreprises de l’Espace Économique Européen, avoir
notifié à la Banque l’exercice d’une activité en Belgique
par le biais d’une succursale ou en libre prestation de
services.
Si les conditions énoncées ci-dessus sont remplies,
les entreprises d’assurance concernées sont dispen-
sées de tout contrôle à l’exception des dispositions
permettant de vérifier le respect desdites conditions et
d’en sanctionner le non-respect.
Le paragraphe 2 prévoit une procédure d’inscription,
qui est similaire à celle prévue pour les entreprises
locales d’assurance sous l’article 296 en projet auquel
il y a lieu de se reporter pour le commentaire.
Le paragraphe 3 organise le contrôle de la Banque
sur les entreprises dispensées, limité comme indiqué
précédemment et similaire à celui organisé par l’article
299 en projet en ce qui concerne les entreprises locales
d’assurance.
Le paragraphe 4 prévoit des injonctions et des
sanctions en cas de non-respect des conditions
d’exemption, qui sont semblables à celles figurant sous
l’article 300 en ce qui concerne les entreprises locales
d’assurance.
Section III
Autres entreprises d’assurance
Cette section détermine les règles relatives au statut
et au contrôle des entreprises bénéficiant des disposi-
tions du présent Chapitre et qui ne peuvent pas béné-
ficier de la dispense prévue par l’article 275. Il s’agit
essentiellement de dérogations à certaines règles du
régime commun. Pour le surplus, comme le rappelle
l’article 275 en projet, les dispositions du régime com-
mun sont applicables aux entreprises bénéficiant des
dispositions de la présente Section.
Art. 276
Les entreprises d’assurance de droit belge qui
répondent aux conditions des articles 272 à 274 mais
qui n’ont pas conclu de convention portant sur la
réassurance intégrale ou la cession de l’entièreté de
leurs engagements seront soumises à la loi en projet
moyennant les précisions et adaptations apportées par
la section ici commentée.
207
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het tweede lid betreft de uitvoeringsmaatregelen van
de Richtlijn. Aangezien de onder de toepassing van deze
Afdeling vallende ondernemingen niet onderworpen zijn
aan de bepalingen van de Richtlijn, zijn de Europese
verordeningen tot uitvoering van de Richtlijn evenmin op
hen van toepassing. Er wordt bepaald dat een koninklijk
besluit sommige bepalingen van deze Europese veror-
deningen van toepassing kan verklaren op de onder de
toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen,
indien dit nodig zou zijn.
In de lijst van de verzekeringsondernemingen waar-
aan een vergunning is verleend, worden de ondernemin-
gen die onder de toepassing van deze Afdeling vallen,
in een aparte rubriek vermeld.
Art. 277
De ontwerpartikelen 37 en 38 bepalen dat de on-
dernemingen die een vergunning aanvragen als verze-
keringsonderneming, moeten aantonen dat zij in staat
zijn om te voldoen aan de eigenvermogensvereisten
met betrekking tot het solvabiliteitskapitaal en het
minimumkapitaal.
Deze artikelen zijn van toepassing op de ondernemin-
gen die onder de toepassing van deze Afdeling vallen.
De berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste en
het minimumkapitaalvereiste dient echter overeenkom-
stig de hieronder toegelichte artikelen 285 en 286 te
gebeuren.
Art. 278
De artikelen 45 tot 47 van het wetsontwerp leggen de
oprichting op van een directiecomité in de zin van artikel
524bis van het Wetboek van Vennootschappen maar
verlenen aan de Bank de bevoegdheid om afwijkingen
toe te staan op grond van de omvang en het risicoprofiel
van de onderneming.
Aangezien de onder deze Afdeling vallende onderne-
mingen in de meeste gevallen voldoen aan deze criteria,
geldt als regel dat de oprichting van een directiecomité
niet verplicht is maar dat de Bank de oprichting van een
dergelijk comité bij wijze van uitzondering kan opleggen
indien de omvang en het risicoprofiel van de onderne-
ming dit noodzakelijk maken.
Indien er geen directiecomité is, moeten de onder-
nemingen over een effectieve leiding beschikken die uit
minstens twee natuurlijke personen bestaat, die geza-
menlijk optreden. In dat geval worden de verplichtingen
van het directiecomité door die personen gedragen.
Le deuxième alinéa concerne les mesures d’exé-
cution de la Directive. Étant donné que les entreprises
visées par de la présente Section ne sont pas soumises
aux dispositions de la Directive, les règlements euro-
péens d’exécution de cette dernière ne leur sont pas
non plus applicables. Il est prévu qu’un arrêté royal
puisse rendre certaines dispositions de ces règlements
européens applicables aux entreprises visées par de
la présente Section, dans le cas où cela s’avèrerait
nécessaire.
La liste des entreprises d’assurance agréées devra
mentionner dans une rubrique distincte les entreprises
bénéficiant des dispositions de la présente Section.
Art. 277
Les articles 37 et 38 en projet prévoient que les
entreprises qui sollicitent un agrément en qualité d’entre-
prises d’assurance démontrent qu’elles sont en mesure
de satisfaire aux exigences de fonds propres, en ce qui
concerne tant le capital de solvabilité que le minimum
de capital requis.
Ces articles sont applicables aux entreprises qui
bénéficient des dispositions de la présente Section.
Toutefois, le calcul du capital de solvabilité requis et
du minimum de capital de solvabilité requis s’effectue
conformément aux articles 285 et 286 commentés
ci-après.
Art. 278
Les articles 45 à 47 du projet de loi imposent la
constitution d’un comité de direction au sens de l’article
524bis du code des sociétés mais permettent à la
Banque d’accorder des dérogations en fonction de la
taille et du profil de risque de l’entreprise.
Étant donné que, dans la grande majorité des cas,
les entreprises visées par de la présente Section satis-
feront à ces critères, il a été prévu, comme règle, de
ne pas imposer la constitution d’un comité de direction
et, comme exception, que la Banque puisse imposer
la constitution d’un tel comité si la taille et le profil de
risque de l’entreprise le nécessitent.
En l’absence de comité de direction, les entreprises
doivent mettre en place une direction effective com-
posée de deux personnes physiques au moins qui
agissent conjointement. Dans ce cas, les obligations
incombant au comité de direction sont assumées par
ces personnes.
208
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 279
Voor de verplichtingen inzake de oprichting van een
auditcomité, een risicocomité en een remuneratieco-
mité, die in de artikelen 48 en 53 van het wetsontwerp
zijn vastgelegd, wordt een soortgelijke redenering ge-
volgd als in artikel 273.
De ondernemingen die onder de toepassing van de
bepalingen van deze Afdeling vallen, zijn vrijgesteld
van de verplichting om dergelijke comités op te richten
en de taken van deze comités worden door het wet-
telijk bestuursorgaan vervuld. Om belangenconflicten
te vermijden, wordt evenwel bepaald dat de leden van
de effectieve leiding of, wanneer er een directiecomité
is, de leden van dit directiecomité, geen deel mogen
uitmaken van dit orgaan.
De ondernemingen die onder de toepassing van deze
Afdeling vallen, moeten over een risicobeheerfunctie
beschikken. Gezien hun geringe omvang wordt echter
niet verlangd dat het hoofd van deze functie een lid van
het directiecomité is waarvan de risicobeheer functie de
enige functie is. Daarom wordt enkel afgeweken van
paragraaf 3 van artikel 56 van het voorliggende ontwerp.
Art. 280
De ontwerpartikelen 74 en 75 bepalen dat de on-
dernemingen die over een vergunning beschikken,
voldoende eigen vermogen moeten aanhouden om
zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste als het minimum-
kapitaalvereiste te dekken.
Deze artikelen zijn van toepassing op de onderne-
mingen die onder de toepassing van de bepalingen
van deze Afdeling vallen. De berekening van het
solvabiliteitskapitaal vereiste en het minimumkapitaalver-
eiste dient echter overeenkomstig de hierna toegelichte
artikelen 285 en 286 te gebeuren.
Art. 281
Ontwerpartikel 83 bevat regels die het cumuleren
van de functie van lid van het directiecomité of van de
effectieve leiding en andere functies beperken.
Gezien de geringe omvang van de ondernemingen
die onder de toepassing van deze Afdeling vallen, wer-
den deze regels te streng geacht. Er werd dus gekozen
voor een algemene regel die enerzijds inhoudt dat de
voornoemde personen voldoende tijd moeten besteden
aan het beheer van hun onderneming en anderzijds dat
Art. 279
Un raisonnement similaire à celui de l’article 273 est
tenu en ce qui concerne les obligations relatives à la
constitution d’un comité d’audit, un comité des risques
et d’un comité de rémunération prévues par les articles
48 et 53 du projet de loi.
Les entreprises bénéficiant des dispositions de la
présente Section sont dispensées de constituer de tels
comités et les fonctions de ces comités sont assumées
par l’organe légal d’administration. Pour éviter les
conflits d’intérêts, on exclut cependant de la composition
de cet organe les membres de la direction effective ou,
lorsqu’il existe, ceux du comité de direction.
Les entreprises bénéficiant des dispositions de la
présente Section doivent mettre en place une fonction
de gestion des risques. Toutefois, compte tenu de leur
structure réduite, il n’est pas imposé que cette fonction
soit dirigée par un membre du comité de direction dont
c’est la seule fonction. C’est pourquoi on ne déroge
qu’au paragraphe 3 de l’article 56 du présent projet.
Art. 280
Les articles 74 et 75 du projet imposent aux entre-
prises agréées de détenir des fonds propres suffisants
pour couvrir tant le capital de solvabilité que le minimum
de capital requis.
Ces articles sont applicables aux entreprises qui
bénéficient des dispositions de la présente Section.
Toutefois, le calcul du capital de solvabilité requis et
du minimum de capital de solvabilité requis s’effectue
conformément aux articles 285 et 286 commentés
ci-après.
Art. 281
L’article 83 du projet contient des règles limitant
le cumul entre les fonctions de membres du comité
de direction ou de la direction effective avec d’autres
fonctions.
Compte tenu de la petite taille des entreprises béné-
ficiant des dispositions de la présente Section, il a été
jugé que ces règles étaient trop rigides. Il a donc été
opté pour une règle générale prévoyant, d’une part,
que les personnes précitées consacrent suffisamment
de temps à la gestion de leur entreprise et, d’autre part,
209
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zij zich niet in belangenconflictsituaties mogen bevin-
den. De onderneming moet hiervoor in interne regels
voorzien en moet de lijst van de mandaten en functies
die door hen worden uitgeoefend, openbaar maken in
het jaarverslag van de onderneming of op haar website.
Art. 282
Wat het risicobeheer betreft (ontwerpartikelen 84 tot
90), zijn enkel de algemene beginselen van de ontwerp-
artikelen 84 en 85 van toepassing. De onder de toepas-
sing van deze Afdeling vallende ondernemingen moeten
dus een risicobeheersysteem opzetten dat aangepast
is aan hun risicoprofiel.
De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit
(ORSA) waarin ontwerpartikel 91 voorziet, is ook niet van
toepassing op de onder de toepassing van deze Afdeling
vallende ondernemingen, aangezien die beoordeling
betrekking heeft op de onderliggende risico’s van het
solvabiliteitskapitaalvereiste, dat anders wordt berekend
voor deze ondernemingen.
Art. 283
De ontwerpartikelen 95 tot 101 bepalen dat de ver-
zekerings- en herverzekeringsondernemingen diverse
gegevens bekend dienen te maken over hun financiële
positie en solvabiliteit. Aangezien er echter geoordeeld
werd dat dit vereiste niet in verhouding staat tot de om-
vang van de ondernemingen die onder de toepassing
van de bepalingen van deze Afdeling vallen, worden zij
van deze verplichting vrijgesteld. Overeenkomstig ont-
werpartikel 98 mogen zij zelf beslissen welke informatie
zij bekendmaken.
Er wordt evenwel bepaald dat via een reglement van
de Bank verlangd kan worden dat bepaalde informatie
bekendgemaakt wordt over de financiële positie van
de betrokken ondernemingen. Deze informatie mag
uiteraard niet overlappen met deze die bekendgemaakt
wordt in het kader van de jaarrekening.
Art. 284
De ontwerpartikelen 107 tot 122 betreffen de uitoefe-
ning van activiteiten in het buitenland door verzekerings-
of herverzekerings ondernemingen naar Belgisch recht.
Aangezien de ondernemingen die onder de toepassing
van de bepalingen van deze Afdeling vallen, geen
activiteiten mogen uitoefenen buiten België, zijn deze
bepalingen uiteraard niet van toepassing op hen.
qu’ils ne se trouvent pas dans des situations de conflit
d’intérêts. L’entreprise doit prévoir des règles internes
à ce propos et publier la liste des mandats et fonctions
exercées. Cette publication peut se faire dans le rapport
annuel de l’entreprise ou sur son site Internet.
Art. 282
En ce qui concerne la gestion des risques (articles
84 à 90 en projet), seuls les principes généraux prévus
par les articles 84 et 85 en projet sont applicables. Les
entreprises visées par la présente Section devront donc
mettre en place un système de gestion des risques
adapté à leur profil de risque.
L’évaluation interne des risques et de la solvabilité
(ORSA) prévu par l’article 91 en projet, n’est pas non
plus applicable aux entreprises visées par la présente
Section étant donné que cet exercice concerne les
risques sous-jacents au capital de solvabilité requis, le-
quel est calculé différemment pour lesdites entreprises.
Art. 283
Les articles 95 à 101 en projet imposent aux entre-
prises d’assurance et de réassurance de publier
diverses informations sur leur situation financière et de
solvabilité. Cette exigence ayant été jugé disproportion-
née eu égard à la taille des entreprises bénéficiant des
dispositions de la présente Section, celles-ci en sont
dispensées. Elles peuvent, conformément à l’article
98 du projet, publier les informations qu’elles souhaitent.
Il est cependant prévu qu’un règlement de la Banque
puisse imposer la publication de certaines informations
en relation avec la situation financière des entreprises
concernées. Il va de soi que ces informations ne doivent
pas créer une duplication avec celles qui seront publiées
dans le cadre des comptes annuels.
Art. 284
Les articles 107 à 122 du projet concernent l’exercice
d’activités à l’étranger par les entreprises d’assurance
ou de réassurance de droit belge. Les entreprises
bénéficiant des dispositions de la présente Section
ne pouvant exercer aucune activité en dehors de la
Belgique, ces dispositions ne leur sont évidemment
pas applicables.
210
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 285
• Algemeen Généralités
Op grond van de huidige reglementering moeten
de verzekeringsondernemingen over een solvabili-
teitsmarge beschikken die in verhouding staat tot hun
activiteitsvolume, en eigen vermogen aanhouden ten
belope van een absoluut bedrag van 2,5 of 3,7 miljoen
euro naargelang van de uitgeoefende activiteiten.
Die bepalingen worden in dit artikel overgenomen
met enkele vereenvoudigingen. Het solvabiliteitskapi-
taalvereiste (of SCR — solvency capital requirement)
wordt berekend in verhouding tot de verplichtingen van
de ondernemingen, met inachtneming van een absoluut
minimum.
Ter wille van de uniformiteit met de overige ont-
werpbepalingen (met name de bepalingen betreffende
de diverse herstelmaatregelen), wordt echter de term
“solvabiliteitskapitaalvereiste” gehanteerd, hoewel de
berekening waarin dit artikel voorziet, zeer vergelijkbaar
is met de berekening van de solvabiliteitsmarge waarin
de huidige regelgeving voorziet.
Berekening op grond van de verplichtingen van de
verzekeringsonderneming (§ 1, eerste lid)
— Niet-levensverzekering (1° en 2°)
Het SCR is in principe gelijk aan 25 % van de scha-
delast. Dit laatste begrip zal bij reglement van de Bank
worden verduidelijkt op grond van paragraaf 2, 1°, van
het toegelichte artikel.
Om bovenmatige schommelingen van het bedrag van
het SCR te vermijden, wordt bepaald dat de gemiddelde
schadelast van de laatste drie boekjaren moet worden
genomen, of zelfs van de laatste zeven boekjaren voor
de risico’s waarvoor de schadelast aanzienlijk kan
schommelen zijn (natuurrampen, storm, hagel en vorst).
Voor de lopende renten (lichamelijk letsel, arbeidson-
gevallen …) geschiedt de berekening op dezelfde wijze
als voor de levensverzekeringen, aangezien de techniek
die gehanteerd wordt dezelfde is.
— Levensverzekering (3° en 4°)
Het begrip “levensverzekering” bestrijkt de takken
21 tot 29 van Bijlage II van de ontwerpwet. Voor deze
overeenkomsten is het SCR in principe het resultaat van
een dubbele berekening.
Art. 285
Généralités
Dans le cadre de la réglementation actuelle, les
entreprises d’assurance doivent constituer une marge
de solvabilité, laquelle est fonction de leur volume d’acti-
vité, et constituer des fonds propres à concurrence d’un
montant absolu de 2,5 ou 3,7 millions d’euros selon les
activités pratiquées.
Le présent article reprend, moyennant quelques
simplifications, ces dispositions. Le capital de solvabilité
requis (ou SCR pour solvency capital requirement) est
calculé en proportion des engagements des entreprises
mais en respectant un minimum absolu.
Par souci d’uniformité avec les autres dispositions
en projet (notamment celles relatives aux diverses
mesures de redressement), l’expression “capital de
solvabilité requis” est néanmoins utilisée bien que le
calcul prévu par le présent article soit très similaire
à celui de la marge de solvabilité tel que prévu par la
réglementation actuelle.
Calcul en fonction des engagements de l’entreprise
d’assurance (§ 1er, alinéa 1er)
— Assurance non-vie (1° et 2°)
Le SCR est, en principe, égal à 25 % de la charge des
sinistres. Cette dernière sera précisée par règlement de
la Banque sur la base du paragraphe 2, 1°, de l’article
commenté.
Pour éviter des fluctuations trop importantes du
montant du SCR, il est prévu de prendre la charge des
sinistres moyenne sur les trois derniers exercices voire
des sept derniers exercices pour les risques où la fluc-
tuation de la charge des sinistres peut être importante
(catastrophes naturelles, tempête, grêle et gel).
Pour les rentes en cours (dommages corporels,
accidents du travail…), le calcul s’effectue comme pour
les assurances-vie en raison de la technique utilisée.
— Assurance-vie (3° et 4°)
La notion d’assurance-vie couvre les branches 21 à
29 de l’Annexe II en projet. Pour ces contrats, le SCR
est, en principe, le résultat d’un double calcul.
211
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor het kapitaal dat wordt uitgekeerd indien de
verzekerde in leven is op het einde van de overeen-
komst, is het SCR gelijk aan 4 % van de technische
voorzieningen. Dit percentage wordt verlaagd tot 1 %
voor de overeenkomsten waarvan het beleggingsrisico
wordt gedragen door de verzekeringnemer, d.w.z. voor
de overeenkomsten die verbonden zijn aan een beleg-
gingsfonds en die tot de takken 23, 26 en 27 behoren.
Hetzelfde geldt voor de tontineverrichtingen van tak 25.
Dit lagere percentage houdt verband met het feit dat aan
deze activiteiten minder risico’s zijn verbonden.
Voor het kapitaal dat uitgekeerd wordt indien de ver-
zekerde overlijdt voor het einde van de overeenkomst,
is het SCR gelijk aan 0,3 % van de niet-negatieve risi-
cokapitalen van het vorige boekjaar. Het risicokapitaal
is het verschil tussen het kapitaal dat verschuldigd is bij
overlijden en de theoretische afkoopwaarde. Dit bedrag
is negatief wanneer het overlijdenskapitaal hoger is dan
de theoretische afkoopwaarde.
Indien eenzelfde overeenkomst zowel in een prestatie
bij leven als in een prestatie bij overlijden voorziet, dient
het SCR uiteraard zowel op de technische voorziening
voor het deel leven te worden berekend als op het risi-
cokapitaal voor het deel overlijden.
De overeenkomsten die betrekking hebben op
bijkomende risico’s, waarvoor gebruik wordt ge-
maakt van een techniek niet-leven, vallen niet onder
deze regeling. Voor deze overeenkomsten wordt het
SCR op dezelfde wijze berekend als voor de andere
niet-levensverzekeringsovereenkomsten.
Absolute ondergrens (§ 1, tweede lid)
Het SCR mag nooit kleiner zijn dan een absoluut
bedrag, wat ook het bedrag is dat voortvloeit uit de
berekening volgens paragraaf 1, eerste lid. Dit absoluut
bedrag wordt bepaald onder verwijzing naar artikel
189, § 1, 4°, dat in een minimum van 2 500 000 EUR
voorziet voor niet-levensverzekeringsactiviteiten en van
3 700 000 EUR voor levensverzekeringsactiviteiten.
Deze minima stemmen overeen met de absolute mini-
ma van het garantiefonds waarin momenteel is voorzien
in artikel 19, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van
22 februari 1991 houdende algemeen reglement betref-
fende de controle op de verzekeringsondernemingen.
In dit verband werd vastgesteld dat het eigenvermo-
gensvereiste voor de ondernemingen die in aanmerking
komen voor de toepassing van de bepalingen van deze
Afdeling, gelijk is aan de voornoemde minima. In de
Pour les capitaux payables dans le cas où l’assuré est
en vie au terme du contrat, le SCR est égal à 4 % des
provisions techniques. Ce taux est réduit à 1 % pour les
contrats dont le risque de placement est supporté par le
preneur d’assurance, c’est-à-dire pour les contrats liés
à un fonds d’investissement et relevant des branches
23, 26 et 27. Il en va de même pour les opérations ton-
tinières de la branche 25. Ce taux réduit s’explique par
le risque moindre inhérent à ces activités.
Pour les capitaux payables dans le cas où l’assuré
décède avant le terme du contrat, le SCR est égal à
0,3 % des capitaux sous risque non négatifs de l’exer-
cice précédent. Le capital sous risque est la différence
entre le capital dû en cas de décès et la valeur de rachat
théorique. Ce montant est négatif lorsque le capital-dé-
cès est supérieur à la valeur de rachat théorique.
Il est évident que, si un même contrat prévoit à la fois
une prestation en cas de vie et une prestation en cas
de décès, il y a lieu de calculer le SCR à la fois sur la
provision technique pour la partie vie et sur le capital
sous risque pour la partie décès.
Les contrats relatifs à des risques accessoires, qui
suivent une technique non-vie, ne sont pas concernés
ici et font l’objet du même calcul du SCR que les autres
contrats non-vie.
Plancher absolu (§ 1er, alinéa 2)
Quel que soit le montant calculé selon le paragraphe
1er, alinéa 1er, le SCR ne peut jamais être inférieur à un
montant absolu. Celui-ci est déterminé par référence
à l’article 189, § 1er, 4°, lequel prévoit un minimum
de 2 500 000 EUR pour les activités non-vie et de
3 700 000 EUR pour les activités vie.
Ces minima sont identiques aux minima absolus du
fonds de garantie actuellement prévus par l’article 19,
§ 1er, alinéa 1er de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant
règlement général relatif au contrôle des entreprises
d’assurances.
Il a, à cet égard, été constaté que, pour les entreprises
qui pourront bénéficier des dispositions de la présente
Section, l’exigence de fonds propres correspond aux
minima précités. Il n’y a donc, en pratique, aucune
212
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
praktijk zal er voor deze ondernemingen dus geen aan-
vullend vereiste gelden wanneer zij onder de toepassing
van de nieuwe wet zullen vallen.
Ondernemingen die zowel levens- als niet-levensver-
zekeringsactiviteiten uitoefenen
De ondernemingen die zowel levens- als niet-levens-
verzekeringsactiviteiten uitoefenen zullen net zoals nu
reeds het geval is, zowel aan de eigenvermogensver-
eisten voor levensverzekeringsactiviteiten als aan de
eigenvermogensvereisten voor niet-levensverzekerings-
vereisten moeten voldoen.
Geen enkele onderneming bevindt zich in dat geval.
Aanvullende regels
Niet alle bepalingen die betrekking hebben op de
berekening van de solvabiliteitsmarge werden in de ont-
werpwet opgenomen. Sommige van die bepalingen zijn
namelijk tamelijk technisch en zouden kunnen worden
aangepast aan de situatie van de onder de toepassing
van deze Afdeling vallende ondernemingen. Daarom
wordt de Bank gemachtigd om deze regels bij reglement
vast te stellen.
In het betrokken reglement zal dus enerzijds het be-
grip “schadelast” moeten worden verduidelijkt. Onder
dit begrip wordt gewoonlijk verstaan de betalingen,
verhoogd met de voorziening voor schaden die aan het
einde van het boekjaar wordt berekend en verminderd
met de voorziening voor schaden die aan het begin van
het boekjaar is berekend.
Daarnaast dient dit reglement ook te preciseren op
welke wijze de herverzekering in aanmerking wordt ge-
nomen bij de berekening van het SCR. Momenteel wordt
een verlaging toegepast op grond van het percentage
dat mag worden ingehouden door de verzekeraar, maar
met toepassing van een plafond.
Art. 286
Dit artikel bepaalt het minimumkapitaalvereiste (of
MCR — minimum capital requirement) voor de onder de
toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen.
In afwijking van de regels van ontwerpartikel 189 werd
geopteerd voor een eenvoudige formulering, namelijk
dat het MCR te allen tijde gelijk moet zijn aan 60 % van
het SCR.
Dit kan een voordeel lijken ten opzichte van het huidige
regime, dat voorziet in een absoluut minimum van 2,5 of
3,7 miljoen euro naargelang van de uitgeoefende ver-
zekeringstak, maar dit voordeel wordt gecompenseerd
exigence supplémentaire pour ces entreprises une fois
qu’elles seront soumises à la nouvelle loi.
Entreprises pratiquant à la fois les activités vie et
non-vie
Les entreprises qui pratiquent à la fois les activités
vie et non-vie devront, comme c’est le cas actuellement,
satisfaire aux exigences de fonds propres applicables
tant aux activités vie qu’aux activités non-vie.
Aucune entreprise ne se trouve dans ce cas de figure.
Règles complémentaires
Toutes les dispositions relatives au calcul de la marge
de solvabilité n’ont pas été reprises dans la loi en pro-
jet. Certaines sont en effet relativement techniques et
pourraient être adaptées à la situation des entreprises
visées par la présente Section. C’est pourquoi, l’habi-
litation est donnée à la Banque de préciser ces règles
par voie de règlement.
Le règlement dont question devra, d’une part, préciser
la notion de “charge des sinistres”. Traditionnellement,
cette notion correspond aux paiements augmentés de
la provision pour sinistres calculée à la fin de l’exercice
et diminuée de la provision pour sinistres calculée au
début de l’exercice.
L’autre point que ce règlement devra préciser est la
manière dont la réassurance est prise en compte dans
le calcul du SCR. Actuellement, une réduction est opé-
rée sur la base du taux de rétention de l’assureur mais
avec un plafond.
Art. 286
Cet article détermine le minimum de capital requis
(ou MCR pour minimum capital requirement) des entre-
prises visées par la présente Section. Par dérogation
aux règles déterminées par l’article 189 en projet, il a
été opté pour une formulation simple, à savoir que le
MCR doit être, à tout moment, égal à 60 % du SCR.
Cela peut apparaître comme un avantage par rapport
au régime actuel, qui fixe un minimum absolu de 2,5 ou
3,7 millions d’euros selon la branche pratiquée mais
cet avantage est contrebalancé par les dispositions
213
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
door de bepalingen die van toepassing zijn in geval van
niet-naleving van het MCR. Ontwerpartikel 511 legt in
geval van niet-naleving van het SCR een plan inzake
financiering op korte termijn op dat het SCR weer op
peil dient te brengen binnen drie maanden en ontwerp-
artikel 541 bepaalt dat de vergunning wordt ingetrokken
wanneer het plan geen resultaten oplevert binnen de
voornoemde termijn.
Art. 287
Gelet op de vereenvoudigingen die in de berekening
van het SCR en het MCR zijn aangebracht, leek het
niet gepast de bepalingen betreffende de eigenver-
mogensbestanddelen van de artikelen 140 tot 150 van
toepassing te verklaren op de onder de toepassing
van de Afdeling vallende ondernemingen. In de plaats
daarvan werden de relevante bepalingen van de huidige
regelgeving in het wetsontwerp opgenomen.
Paragraaf 2 betreft de eigenvermogensbestanddelen
die in aanmerking worden genomen voor de dekking
van het MCR. Het gaat om de bestanddelen die momen-
teel zijn opgesomd in artikel 15bis, § 1 van de wet van
9 juli 1975. Volgens het tweede lid moeten bepaalde ele-
menten, zoals de eigen aandelen van de onderneming,
worden afgetrokken, conform hetgeen momenteel is
bepaald in artikel 15bis, § 4 ,1° van de wet van 9 juli 1975.
Tot slot bepaalt het derde lid dat sommige elementen
(achtergestelde leningen, niet-gestort gedeelte van het
kapitaal, suppletiebijdragen van onderlinge verzekerings-
verenigingen …) maar binnen bepaalde grenzen zijn
toegelaten, mits de Bank daarvoor voorafgaandelijk haar
toestemming heeft verleend. Ook hier zijn de bepalingen
van de wet van 9 juli 1975 (art. 15bis, § 3) overgenomen.
De voorwaarden voor de toestemming zijn echter over-
genomen uit ontwerpartikel 143, § 4.
Paragraaf 3 betreft de eigenvermogensbestanddelen
die in aanmerking mogen worden genomen voor de sa-
menstelling van het MCR. Het gaat om de elementen die
het beste voldoen aan de criteria inzake permanentie,
afwezigheid van kosten en achterstelling.
Net zoals voor de berekening van het bedrag van
het SCR en het MCR, is ook hier voorzien in een
machtiging opdat de Bank de andere voorwaarden kan
vastleggen waaraan de eigenvermogensbestanddelen
moeten voldoen. Zo legt de huidige wetgeving onder
andere voorwaarden op voor de ledenrekeningen van
onderlinge verzekeringsverenigingen (art. 15bis, § 1,
1°, tweede lid) en voor achtergestelde leningen (art.
15bis, § 1, 5°, tweede lid). Aangezien het om een relatief
technische materie gaat, werd het verkieslijk geacht dit
via regelgeving te behandelen.
applicables en cas de non-respect du MCR. En particu-
lier, l’article 511 en projet impose, en cas de non-confor-
mité du MCR, un plan de financement à court terme qui
doit permettre le rétablissement du MCR endéans les
trois mois et l’article 541 en projet impose le retrait de
l’agrément en cas d’échec du plan dans le délai précité.
Art. 287
Compte tenu des simplifications apportées au calcul
du SCR et du MCR, il n’est pas apparu opportun de
rendre les dispositions relatives aux éléments de
fonds propres des articles 140 à 150 applicables aux
entreprises visées par la présente Section. En lieu et
place, les dispositions pertinentes de la réglementation
actuelle ont été insérées dans la loi en projet.
Le paragraphe 2 se rapporte aux éléments de fonds
propres pris en considération pour la couverture du
MCR. Il s’agit des éléments actuellement énumérés à
l’article 15bis, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975. L’alinéa
2 déduit certains éléments tels que les actions propres
de l’entreprise, comme prévu actuellement par l’article
15bis, § 4 ,1° de la loi du 9 juillet 1975. Enfin, l’alinéa
3 prévoit que certains éléments (emprunts subordonnés,
fraction non versée au capital, rappel de cotisation des
mutuelles…) ne sont admis que dans certaines limites
et moyennant l’autorisation préalable de la Banque.
Ici aussi, les dispositions de la loi du 9 juillet 1975 (art.
15bis, § 3) sont reprises. Toutefois les conditions de
l’autorisation ont été reprises de l’article 143, § 4 en
projet.
Le paragraphe 3 concerne les éléments de fonds
propres qui peuvent être pris en considération pour la
constitution du MCR. Il s’agit des éléments répondant le
plus aux critères de permanence, d’absence de charges
et de subordination.
Comme pour le calcul du montant de SCR et du MCR,
une délégation est prévue pour que la Banque puisse
préciser les autres conditions auxquelles les éléments
de fonds propres doivent satisfaire. Ainsi, la législation
actuelle impose des conditions, entre autres, pour les
comptes sociétaires des associations d’assurance
mutuelle (art. 15bis, § 1er, 1°, al. 2) et pour les emprunts
subordonnés (art. 15bis, § 1er, 5°, al. 2). La matière étant
relativement technique, il a été jugé préférable de la
traiter par voie réglementaire.
214
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 288
De berekening van de technische voorzieningen als
bepaald in de ontwerpartikelen 125 tot 139, is te complex
voor de onder de toepassing van deze Afdeling val-
lende ondernemingen. In de plaats daarvan zullen deze
ondernemingen hun technische voorzieningen moeten
berekenen overeenkomstig de Belgische boekhoud-
normen (koninklijk besluit van 17 november 1994 op
de jaarrekening van de verzekerings- en herverzeke-
ringsondernemingen). Aangezien zij moeten voldoen
aan deze normen, die overeenstemmen met de regels
inzake provisionering van de huidige regelgeving, houdt
dit voor de betrokken ondernemingen geen nieuwe
verplichtingen in.
Het tweede lid bevat de verplichting om voor de
technische voorzieningen over dekkingswaarden te be-
schikken, een verplichting die momenteel is opgenomen
in artikel 16, § 2 van de wet van 9 juli 1975. Aangezien
het eerste lid inhoudt dat de technische voorzieningen
niet volgens de normen van de Richtlijn zullen worden
gewaardeerd, bleek het noodzakelijk afwijkingen toe te
staan op de waarderingsregels van ontwerpartikel 123.
Gezien de technische aard van de materie, zullen deze
afwijkingen worden opgenomen in een reglement van
de Bank, dat gebaseerd zal zijn op de bepalingen van
artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991.
Gelet op het voorgaande moeten de activa die het
voorwerp uitmaken van het voorrecht als bepaald in
ontwerpartikel 194, gewaardeerd worden rekening
houdend met de afwijkingen die op grond van het derde
lid zijn toegestaan.
Art. 289
De ontwerpartikelen 204 tot 211 machtigen de Bank
om herstelplannen op te leggen aan bepaalde verze-
keringsondernemingen, bijvoorbeeld grote onderne-
mingen of ondernemingen met een hoog risicoprofiel.
Deze plannen mogen niet verward worden met sane-
ringsplannen of plannen inzake financiering op korte
termijn als respectievelijk bedoeld in de artikelen 510 en
511. Een herstelplan “ex ante” is niet gerechtvaardigd
voor de ondernemingen die onder de toepassing van
de bepalingen van deze Afdeling vallen.
Art. 290
De ontwerpartikelen 313 tot 316 betreffen de voor
toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de
Bank moeten meedelen. De Bank kan met inachtneming
van de artikelen 315 en 316 vrijstellingen verlenen die
Art. 288
Le calcul des provisions techniques, tel que prévu
par les articles 125 à 139 en projet est d’une complexité
qui ne se justifie pas pour les entreprises visées par
la présente Section. En lieu et place, ces entreprises
devront calculer leurs provisions techniques confor-
mément aux normes comptables belges (arrêté royal
du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des
entreprises d’assurances et de réassurance). Comme
elles sont tenues de respecter ces normes, qui corres-
pondent aux règles de provisionnement de la réglemen-
tation actuelle, cela n’entraîne pas d’obligation nouvelle
pour les entreprises concernées.
L’alinéa 2 reprend l’obligation de représenter les
provisions techniques par des valeurs représentatives,
qui figure actuellement à l’article 16, § 2 de la loi du
9 juillet 1975. Comme, en vertu de l’alinéa 1er, les
provisions techniques ne seront pas évaluées selon
les normes de la Directive, il est apparu nécessaire
de permettre des dérogations aux règles d’évaluation
prévues par l’article 123 en projet. Compte tenu de la
technicité de la matière, ces dérogations feront l’objet
d’un règlement de la Banque, lequel est appelé à s’ins-
pirer des dispositions de l’article 10 de l’arrêté royal du
22 février 1991.
Compte tenu de ce qui précède, les actifs compo-
sant l’assiette du privilège telle que prévue par l’article
194 en projet doivent être évalués en tenant compte des
dérogations prises sur la base de l’alinéa 3.
Art. 289
Les articles 204 à 211 du projet permettent à la
Banque d’imposer des plans de redressement à cer-
taines entreprises d’assurance, par exemple les entre-
prises de grande taille ou présentant un profil de risque
élevé. Il s’agit de plans qu’il ne faut pas confondre avec
le programme de rétablissement ou le plan de finan-
cement à court terme prévus respectivement pas les
articles 510 et 511. Un plan de redressement “ex ante”
ne se justifie pas pour les entreprises bénéficiant des
dispositions de la présente Section.
Art. 290
Les articles 313 à 316 du projet se rapportent aux
informations que les entreprises d’assurance ou de
réassurance doivent fournir à la Banque à des fins de
contrôle. Il existe des possibilités de dispenses qui
portent sur la fréquence du reporting (art. 313), les
215
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betrekking hebben op de frequentie van de rapportering
(art. 313), de te verstrekken informatie (art. 314) en de
mate van detail van de informatie (art. 314).
De regels van de voornoemde artikelen zijn enigszins
complex, wat niet gepast is voor de ondernemingen
die onder de toepassing van de bepalingen van deze
Afdeling vallen. Er wordt derhalve bepaald dat de rap-
porteringsverplichtingen waarin ontwerpartikel 312 voor-
ziet, van toepassing zijn op de ondernemingen die onder
de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling
vallen, met de volgende aanpassingen.
Ten eerste mag de frequentie van de rapportering
niet groter zijn dan een jaar (bv. twee- of driejaarlijks).
Verder mag de Bank ondernemingen vrijstellen van
het verstrekken van bepaalde informatie, bijvoorbeeld
omdat die informatie weinig relevant is of van verwaar-
loosbaar belang is. Tot slot kan zij toestaan dat bepaalde
informatie enkel in geaggregeerde vorm wordt verstrekt,
bijvoorbeeld omdat het verstrekken van meer gedetail-
leerde gegevens niet nuttig zou zijn. In dit laatste geval
wordt de ondernemingen echter gevraagd de informatie
ter beschikking van de Bank te houden zodat zij haar
deze op eerste verzoek kunnen verstrekken, bijvoor-
beeld in het kader van een inspectie.
Art. 291
Ontwerpartikel 324 bepaalt dat de Bank diverse
inlichtingen aan EIOPA dient te verstrekken over de ka-
pitaalopslagfactor en het aantal ondernemingen dat vrij-
gesteld is van de rapporteringsverplichting. Aangezien
de regeling inzake het toezicht op de ondernemingen
die onder de toepassing van de bepalingen van deze
Afdeling vallen, niet voortvloeit uit de Richtlijn, is dit
artikel op hen niet van toepassing.
Art. 292
Dit artikel bevat diverse aanpassingen met betrekking
tot het saneringsplan en het plan inzake financiering
op korte termijn waarin respectievelijk is voorzien in de
artikelen 510 en 511.
Een verzekerings- of herverzekerings onderneming
moet aan de Bank een saneringsplan of een plan in-
zake financiering op korte termijn voorleggen wanneer
zij niet langer voldoet aan de vereisten met betrekking
tot respectievelijk het SCR of het MCR. Deze verplich-
tingen gelden ook voor de ondernemingen die onder
de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling
informations à fournir (art. 314) et le détail des infor-
mations (art. 314) et qui sont accordées par la Banque
dans le respect des articles 315 et 316.
Les règles prévues par les articles précités présentent
une certaine complexité qui ne se justifie pas en ce
qui concerne les entreprises bénéficiant des disposi-
tions de la présente Section. On a donc prévu que les
obligations de reporting prévues par l’article 312 en
projet sont applicables aux entreprises bénéficiant
des dispositions de la présente Section moyennant les
adaptations suivantes.
Tout d’abord, la fréquence du reporting est annuelle
ou selon une fréquence inférieure à un an (p. ex. tous
les deux ans ou tous les trois ans). Ensuite, la Banque
peut dispenser des entreprises de fournir certaines
informations par exemple parce qu’elles sont peu per-
tinentes ou d’importance négligeable. Enfin, elle peut
autoriser que certaines informations ne soient trans-
mises que sous une forme agrégée par exemple parce
que le détail serait peu significatif. Dans ce dernier cas,
il est cependant demandé aux entreprises de tenir les
données à la disposition de la Banque afin de les lui
transmettre à la première demande, par exemple dans
le cadre d’une inspection.
Art. 291
L’article 324 du projet impose à la Banque de trans-
mettre diverses informations à l’EIOPA concernant
les exigences de capital supplémentaire et le nombre
d’entreprises bénéficiant de dispenses relatives au
reporting. Comme le régime de contrôle des entreprises
bénéficiant des dispositions de la présente Section ne
découle pas de la Directive, cet article n’est pas appli-
cable en ce qui les concerne.
Art. 292
Cet article contient diverses adaptations relatives
au programme de rétablissement et au plan de redres-
sement à court terme prévus respectivement par les
articles 510 et 511.
Une entreprise d’assurance ou de réassurance doit
soumettre à la Banque un programme de rétablissement
ou un plan de financement à court terme lorsqu’elle ne
remplit plus les exigences relatives, respectivement,
au SCR ou au MCR. Ces obligations valent aussi pour
les entreprises bénéficiant des dispositions de la pré-
sente Section mais, dans ce cas, le non-respect des
216
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
vallen, maar in dat geval moet voor de niet-naleving
van de eigenvermogensvereisten rekening worden ge-
houden met de berekening waarin de artikelen 285 en
286 voorzien (zie hoger).
Art. 293
Dit artikel betreft het geval waarin een onderneming
die onder de toepassing van de bepalingen van deze
Afdeling valt, activiteiten zou uitoefenen in het buitenland
ondanks het verbod dat haar met toepassing van artikel
272, 5° is opgelegd. In dat geval kan de Bank bijstand
vragen aan de toezichthouders van de andere lidstaten
om de onwettige activiteiten stop te zetten.
HOOFDSTUK III
Lokale verzekeringsondernemingen
Dit Hoofdstuk betreft bepaalde verzekeringsonder-
nemingen die in de vorm van een onderlinge verzeke-
ringsvereniging of van een coöperatieve vennootschap
zijn opgericht en die hun activiteiten beperken tot de
gemeente waar hun zetel is gevestigd en de omliggende
gemeenten. Daarom worden deze ondernemingen
hierna “lokale verzekeringsondernemingen” genoemd.
Onder de vroegere regelgeving waren deze onderne-
mingen nooit aan enigerlei vorm van prudentieel toezicht
onderworpen, bij gebreke van een besluit dat hetzij op
grond van artikel 2, § 3, van de wet van 9 juli 1975 (tot
31 december 2009) zou zijn vastgesteld, hetzij op grond
van artikel 2, § 1quater van dezelfde wet (vanaf januari
2010) en dat de modaliteiten van dit toezicht zou heb-
ben bepaald.
Zoals vermeld in de memorie van toelichting bij de wet
van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake
de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering,
en rekening houdend met het geringe risico dat deze
ondernemingen lopen, had de wetgever zich uitgespro-
ken voor een ““light” toezichtsregime waarbij een aantal
regels inzake goed bestuur en een verplichte herverze-
kering met een klein eigen behoud worden opgelegd”
(Parl.St. Kamer, nr. 52/2292-001, 35).
In dit Hoofdstuk wordt concrete invulling gegeven
aan dit voornemen. Het kan beschouwd worden als
de omzetting van artikel 4 van de Richtlijn, aangezien
de lokale verzekeringsondernemingen de opgelegde
drempels niet overschrijden en geen verrichtingen uit-
oefenen die niet zijn toegelaten door dit artikel 4 (zie de
commentaar bij het vorige hoofdstuk).
exigences de fonds propres doit tenir compte du calcul
prévu aux articles 285 et 286 (cf. supra).
Art. 293
Cet article vise le cas où une entreprise bénéficiant
des dispositions de la présente Section exercerait des
activités à l’étranger malgré l’interdiction qui lui est
faite en application de l’article 272, 5°. Dans ce cas, la
Banque peut requérir l’aide des autorités de contrôle
des autres États membres pour qu’elles mettent fin aux
activités illicites.
CHAPITRE III
Entreprises locales d’assurance
Le présent Chapitre concerne certaines entreprises
d’assurances, constituées sous la forme d’associations
d’assurance mutuelle ou de sociétés coopératives,
qui limitent leurs activités à la commune de leur siège
social et aux communes voisines. Pour cette raison,
ces entreprises sont ci-après dénommées “entreprises
locales d’assurance”.
Sous l’ancienne réglementation, ces entreprises
n’ont jamais été soumises à un quelconque contrôle
prudentiel à défaut d’un arrêté qui, pris sur la base soit
de l’article 2, § 3, de la loi du 9 juillet 1975 (jusqu’au
31 décembre 2009), soit sur la base de l’article 2,
§ 1erquater de la même loi (à partir du 1er janvier 2010)
aurait précisé les modalités de ce contrôle.
Comme indiqué dans l’exposé des motifs de la loi
du 26 avril 2010 portant des dispositions diverses en
matière d’organisation de l’assurance maladie complé-
mentaire et compte tenu des faibles risques encourus
par ces entreprises, le législateur s’était prononcé en
faveur d’un “régime de contrôle “léger” dans lequel on
imposerait une série de règles en matière de bonne gou-
vernance et une réassurance obligatoire avec une faible
rétention” (Doc. Parl., Chambre, n° 52/2292-001, p. 35).
Le présent Chapitre concrétise cette intention. Il peut
être considéré comme une transposition de l’article 4 de
Directive puisque les entreprises locales d’assurance
ne dépassent pas les seuils prévus ni n’effectuent
d’opérations non autorisés par ledit article 4 (voir le
commentaire du chapitre précédent).
217
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling I
Toepassingsgebied
Art. 294 en 295
Zoals reeds vermeld is dit Hoofdstuk van toepas-
sing op de verzekeringsondernemingen naar Belgisch
recht die hun verzekeringsactiviteiten beperken tot de
gemeente waar hun zetel is gevestigd en tot de omlig-
gende gemeenten.
In principe zijn de bepalingen van het voorliggende
wetsontwerp niet van toepassing op lokale verzekerings-
ondernemingen, met uitzondering van dit hoofdstuk en
de bepalingen van de Boeken IV en V, die respectie-
velijk betrekking hebben op dwangsommen en andere
dwangmaatregelen en op sancties.
Afdeling II
Inschrijving
Art. 296 en 297
De inschrijving die in deze afdeling wordt geregeld is
geen vergunning in de zin van Titel I van Boek I van het
wetsontwerp. Zij is in hoofdzaak bedoeld om een lijst
op te maken van de lokale verzekeringsondernemingen,
teneinde na te kunnen gaan of hun activiteiten binnen
de grenzen van artikel 298 worden uitgeoefend.
De documenten en inlichtingen die in het kader van
de inschrijvingsaanvraag moeten worden meegedeeld,
zijn beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om na te gaan
of de inschrijvingsvoorwaarden vervuld zijn.
De opgelegde termijn (zes maanden) lijkt misschien
lang, maar er dient rekening gehouden te worden met
het feit dat de Bank de naleving van de inschrijvings-
voorwaarden zal moeten controleren voor een dertigtal
ondernemingen die totnogtoe aan geen enkel toezicht
waren onderworpen.
Artikel 297 bepaalt dat een verzekeringsonderneming
die in die hoedanigheid een vergunning heeft verkregen
en die onderworpen is aan de bepalingen van de ont-
werpwet, in aanmerking komt voor de toepassing van de
bepalingen die gelden voor lokale verzekeringsonder-
nemingen. Hiertoe moet zij een inschrijvingsaanvraag
indienen overeenkomstig artikel 296 en moeten haar
activiteiten binnen de grenzen van artikel 298 blijven.
Deze ondernemingen moeten ook afstand doen van
de vergunning als verzekeringsonderneming die zij
Section Ire
Champ d’application
Art. 294 et 295
Comme déjà indiqué, le présent Chapitre est appli-
cable aux entreprises d’assurance de droit belge qui res-
treignent leurs activités d’assurance à la commune de
leur siège social et aux communes belges limitrophes.
En principe, les dispositions du présent projet de
loi ne sont pas applicables aux entreprises locales
d’assurance à l’exception du présent chapitre et des
dispositions des Livres IV et V, à savoir celles se rap-
portant respectivement aux astreintes et mesures autres
coercitives et aux sanctions.
Section II
Inscription
Art. 296 et 297
L’inscription organisée par la présente section n’est
pas un agrément au sens du Titre Ier du Livre Ier du pro-
jet de loi. Elle a principalement pour objet de recenser
les entreprises locales d’assurance, de vérifier si leurs
activités se maintiennent dans les limites prévues par
l’article 298.
Les documents et renseignements à transmettre dans
le cadre de la demande d’inscription se limitent à ce qui
est nécessaire pour vérifier le respect des conditions
d’inscription.
Le délai prévu (six mois) peut paraître long mais il
faut tenir compte du fait que la Banque devra vérifier
les conditions d’inscription d’une trentaine d’entreprises
qui, jusqu’à présent, ne sont soumises à aucun contrôle.
L’article 297 est une disposition permettant à une
entreprise d’assurance agréée en cette qualité et
soumise aux dispositions de la loi en projet, de bénéfi-
cier des dispositions relatives aux entreprises locales
d’assurance. À cette fin, elle doit demander son ins-
cription conformément à l’article 296 et respecter les
limites d’activité prévues à l’article 298. Dans le même
temps, ces entreprises devront renoncer à leur agrément
en tant qu’entreprises d’assurance conformément au
Titre Ier du Livre Ier de la loi en projet. Dans un tel cas,
218
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
overeenkomstig Titel I van Boek I van de ontwerpwet
hebben verkregen. In een dergelijk geval zal de Bank
ervoor zorgen dat de datum van de inschrijving en die
van de afstand samenvallen, om te vermijden dat er een
hiaat ontstaat tussen de toezichtsregelingen.
Om te vermijden dat een onderneming afwisselend
overstapt van het regime voor lokale verzekeringsonder-
nemingen naar dat voor ondernemingen die een vergun-
ning hebben verkregen en omgekeerd, wordt verlangd
dat de ondergrens met betrekking tot het incasso in de
laatste drie jaar vóór de aanvraag niet overschreden
werd en naar verwachting niet overschreden zal worden
in de vijf jaar na diezelfde aanvraag. Het gaat hier om
de beginselen van artikel 4, lid 4 van de Richtlijn.
Afdeling III
Voorwaarden voor de toekenning en het behoud
van de inschrijving
Art. 298
Om ingeschreven te kunnen worden als lokale verze-
keringsonderneming moet een onderneming aan acht
voorwaarden voldoen.
1. Rechtsvorm
De lokale verzekeringsonderneming moet de rechts-
vorm van een onderlinge verzekeringsvereniging of een
coöperatieve vennootschap hebben aangenomen. Deze
bepaling strookt met de realiteit en levert geen prakti-
sche problemen op.
2. Effectieve leiding
In het tweede lid wordt gesteld dat de lokale verze-
keringsonderneming over een tweehoofdige leiding
moet beschikken, zoals gebruikelijk is in andere on-
dernemingen uit de financiële sector. De leden van de
effectieve leiding moeten aan dezelfde criteria inzake
betrouwbaarheid voldoen als die welke gelden voor de
leiders van een verzekeringsonderneming waaraan een
vergunning is verleend.
Deze regel moet worden opgevat in die zin dat ver-
langd wordt dat de beslissingen gezamenlijk worden
genomen door de leden van de effectieve leiding.
Er wordt daarentegen niet geëist dat deze personen
hun mandaat voltijds uitoefenen binnen de lokale
verzekeringsvereniging.
la Banque fera en sorte que les dates de l’inscription
et de la renonciation coïncident afin d’éviter un hiatus
entre les régimes de contrôle.
Pour éviter qu’une entreprise passe alternativement
du régime d’entreprise locale d’assurance à celle
d’entreprise agréée, il est prévu que le seuil relatif à son
encaissement n’ait pas été dépassé pendant les trois
années précédant la demande et qu’il ne risque pas
de l’être pendant les cinq années suivant cette même
demande. On a ici repris les principes de l’article 4,
paragraphe 4 de la Directive.
Section III
Conditions d’octroi et de maintien de l’inscription
Art. 298
Les conditions permettant à une entreprise d’être
inscrite en qualité d’entreprise locale d’assurance sont
au nombre de huit.
1. Forme juridique
Les entreprises locales d’assurance doivent avoir la
forme juridique d’association d’assurances mutuelles ou
de société coopérative. Cette disposition correspond à
la réalité du terrain et ne pose aucun problème pratique.
2. Direction effective
Le second alinéa impose le principe d’une direc-
tion bicéphale, comme il est de règle dans les autres
entreprises du secteur financier. Les membres de la
direction effective doivent satisfaire aux mêmes critères
d’honorabilité que ceux exigés pour les dirigeants d’une
entreprise d’assurance agréée.
La règle doit être comprise dans le sens où il est
demandé que les décisions soient prises conjointement
par les membres de la direction effective. Par contre, il
n’est pas exigé que ces personnes exercent leur man-
dat à temps plein dans l’entreprise locale d’assurance.
219
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3. Verzekerde goederen
De lokale verzekeringsonderneming mag enkel dek-
king verlenen voor wat in de Belgische regelgeving
“eenvoudige risico’s” wordt genoemd. Dit zijn enerzijds
goederen waarvan de waarde op 1 november 2014 niet
meer bedroeg dan 1 477 445 EUR, en anderzijds
bepaalde goederen (kantoren, landbouwbedrij-
ven, scholen, inrichtingen die voor sportactiviteiten
worden aangewend, verzorgingsinrichtingen …),
waarvan de waarde op 1 november 2014 niet meer
bedroeg dan 47 524 494 EUR. Deze risico’s worden
gedefinieerd in artikel 5 van het koninklijk besluit
van 24 december 1992 tot uitvoering van de wet van
25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.
Er wordt ook aan herinnerd dat de verzekerde goe-
deren gelegen moeten zijn in de Belgische gemeente
waar de lokale verzekeringsonderneming haar zetel
heeft of in een omliggende gemeente.
4. Gedekte gevaren
Lokale verzekeringsondernemingen mogen enkel
dekking verlenen voor bepaalde gevaren. Bij de opsom-
ming van deze gevaren wordt uitgegaan van de indeling
in verzekeringstakken die in Bijlage I bij het wetsontwerp
wordt gehanteerd.
Het gaat meer bepaald om de volgende
verzekeringstakken:
— tak 8: Brand en natuurevenementen, met name
natuurrampen;
— tak 9: Andere schade aan goederen, met name
schade veroorzaakt door hagel, vorst of diefstal, wan-
neer die niet tot tak 8 behoort;
— tak 16: Diverse geldelijke verliezen, in het bijzonder
maar niet uitsluitend exploitatieverliezen of huurderving
als gevolg van een van de gevaren van de takken 8 of 9.
Naast deze drie takken mogen ook de gevaren van
de volgende takken worden gedekt, maar enkel in de
mate dat ze bijkomend zijn (in de zin van artikel 21 van
het wetsontwerp) ten opzichte van de hogergenoemde
gevaren:
— tak 1: Ongevallen, d.w.z. de schadeloosstelling
voor lichamelijk letsel bij schadegevallen in de takken
8, 9 en 16;
3. Biens assurés
Les entreprises d’assurance locales ne peuvent
couvrir que ce que la réglementation belge qualifie
de risques simples. Il s’agit, d’une part, des biens
dont la valeur ne dépassait pas 1 477 445 EUR au
1er novembre 2014 et, d’autre part, de certains biens
(bureaux, exploitations agricoles, écoles, installations
sportives, établissements de soins…), dont la valeur ne
dépassait pas 47 524 494 EUR au 1er novembre 2014.
Ces risques sont définis à l’article 5 de l’arrêté royal
du 24 décembre 1992 portant exécution de la loi du
25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre.
On rappelle également que les biens assurés doivent
être situés dans la commune belge où l’entreprise
d’assurance locale a son siège social ou dans une
commune limitrophe.
4. Périls couverts
Les entreprises locales d’assurance ne peuvent
couvrir que certains périls énumérés selon la classifi-
cation en branches d’assurance établie par l’Annexe I
du projet de loi.
Il s’agit plus précisément:
— de la branche 8: Incendie et éléments naturels,
notamment les catastrophes naturelles;
— de la branche 9: Autres dommages aux biens,
notamment ceux causés par la grêle, la gelée ou le vol,
lorsqu’ils ne sont pas compris dans la branche 8;
— de la branche 16: Pertes pécuniaires diverses, en
particulier mais pas exclusivement, les pertes d’exploi-
tations ou les pertes de loyers consécutives à un des
périls des branches 8 ou 9.
À ces trois branches, il convient d’ajouter les périls
des branches suivantes mais uniquement dans la
mesure où ils sont accessoires (au sens de l’article
21 du projet de loi) à ceux visés ci-dessus:
— branche 1: Accidents, c’est-à-dire l’indemnisa-
tion des dommages corporels subis à l’occasion des
sinistres dans les branches 8, 9 et 16;
220
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— tak 3: Voertuigcasco, in het bijzonder de dekking
voor voertuigen die geparkeerd zijn in woningen die
gedekt zijn tegen brand en natuurrampen;
— tak 13: Algemene burgerrechtelijke aansprake-
lijkheid: met name die van de huurder en die van de
eigenaar;
— tak 17: Rechtsbijstand;
— tak 18: Hulpverlening, in het bijzonder de diensten
die door de verzekeraar worden verstrekt bij schadege-
vallen in de takken 8, 9 en 16.
5. Andere verrichtingen
De regel die inhoudt dat het doel beperkt moet wor-
den tot de verzekering en de activiteiten die daaruit
voortvloeien (zie ontwerpartikel 34, 1°), in het bijzon-
der de financiële verrichtingen die verband houden
met het beheer van hun activa, geldt ook voor lokale
verzekeringsondernemingen.
6. Incasso
Om te rechtvaardigen dat op de betrokken verze-
keringsondernemingen een beperkt toezicht wordt
uitgeoefend, wordt in de ontwerpwet bepaald dat het
jaarlijkse incasso voor het geheel van de uitgeoefende
takken niet meer mag bedragen dan één miljoen euro.
Deze limiet levert geen problemen op voor de actieve
lokale verzekeringsondernemingen.
Dit bedrag van één miljoen euro wordt geïndexeerd
overeenkomstig ontwerpartikel 679.
7. Herverzekering
Om het risico te beperken, wordt van de lokale verze-
keringsondernemingen verlangd dat ze op grote schaal
herverzekeren. De risico’s van de takken 1, 3, 8, 9,
16 en 18 moeten ten belope van minstens 90 % worden
herverzekerd. Met andere woorden, de ondernemingen
zelf nemen maximum 10 % van de schadegevallen voor
hun rekening. Aansprakelijkheidsrisico’s (tak 13) en
natuurrampen moeten volledig (ten belope van 100 %)
herverzekerd worden.
Het spreekt voor zich dat de herverzekeringsover-
eenkomst moet worden gesloten met een herverzeke-
ringsonderneming die een vergunning heeft verkregen
in België of in een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte.
— branche 3: Corps de véhicules terrestres, en
particulier la couverture des véhicules stationnés dans
les habitations couvertes contre l’incendie et les catas-
trophes naturelles;
— branche 13: Responsabilité civile générale: notam-
ment celle du locataire et celle du propriétaire;
— branche 17: Protection juridique;
— branche 18: Assistance, en particulier, les services
fournis par l’assureur à l’occasion des sinistres dans les
branches 8, 9 et 16.
5. Autres opérations
Comme il est de règle (voir l’article 34, 1° en projet),
les entreprises locales d’assurance doivent limiter leurs
activités à l’assurance et aux activités qui en découlent,
en particulier les opérations financières liées à la gestion
de leurs actifs.
6. Encaissement
Afin de justifier le caractère limité du contrôle sur les
entreprises concernées, le projet impose que l’encaisse-
ment annuel dans l’ensemble des branches pratiquées,
ne dépasse pas un million d’euros. Cette limite ne pose
pas de problème aux entreprises locales d’assurance
en activité.
Le montant d’un million d’euros est indexé confor-
mément à l’article 679 en projet.
7. Réassurance
Pour maintenir le risque à un faible niveau, il est
imposé que les entreprises d’assurance locales se réas-
surent sur une grande échelle. Le taux de réassurance
doit être d’au moins 90 % pour les risques des branches
1, 3, 8, 9, 16 et 18. Autrement dit, les entreprises ne
supportent elles-mêmes qu’un maximum de 10 % des
sinistres. La réassurance doit être totale (taux de 100 %)
pour les couvertures de responsabilité (branche 13) et
les catastrophes naturelles.
Il va de soi que le contrat de réassurance doit être
passé avec une entreprise de réassurance agréée en
Belgique ou dans un autre État membre de l’Espace
économique européen.
221
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
8. Actief zijn sedert 1 januari 2016
Als laatste voorwaarde geldt dat de verzekerings-
activiteiten minstens sedert 1 januari 2016 op de in dit
Hoofdstuk omschreven beperkte wijze worden uitge-
oefend. De bedoeling hiervan is aan te geven dat de
regeling waarin dit Hoofdstuk voorziet, als een uitzon-
dering moet worden beschouwd die, gezien het vrijwel
volledig ontbreken van toezicht, beperkt moet blijven.
Het is dus niet toegestaan nieuwe lokale verzekerings-
ondernemingen op te richten. Alleen de omzetting van
een vergunninghoudende verzekeringsonderneming
in een lokale verzekeringsonderneming, op grond van
artikel 297, is toegestaan.
Afdeling IV
Toezicht
Art. 299
Behoudens het bepaalde in paragraaf 2, bestaat
het door de Bank uitgeoefende toezicht er enkel in na
te gaan of nog steeds voldaan is aan de inschrijvings-
voorwaarden — en dus of de in dit hoofdstuk bedoelde
vrijstelling nog kan worden verleend. Deze gegevens
zullen nader worden bepaald in een reglement van de
Bank.
Bovendien moeten de lokale verzekeringsonderne-
mingen op eigen initiatief en onverwijld aan de Bank
alle factoren meedelen die tot gevolg zouden kunnen
hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvings-
voorwaarden. Men denke bijvoorbeeld aan een onver-
wachte toename van de activiteit, die tot gevolg zou
hebben dat de in artikel 298 vastgelegde ondergrenzen
overschreden zouden worden of aan een herziening van
de herverzekeringsovereenkomst.
In paragraaf 2 worden een aantal bepalingen van
de artikelen 102, 105 en 106, die betrekking hebben
op fusies en portefeuilleoverdrachten, van toepassing
verklaard op lokale verzekeringsondernemingen. Op
die manier kan nagegaan worden of de fusie of de
overdracht niet tot gevolg heeft dat een lokale verze-
keringsonderneming de in artikel 298 vastgestelde
ondergrenzen overschrijdt en worden de bepalingen van
de artikelen 17 en 18 van de wet van 4 april 2014 betref-
fende de verzekeringen, die betrekking hebben op de
tegenwerpbaarheid aan derden van fusies en porte-
feuilleoverdrachten, op deze gevallen van toepassing
verklaard.
8. Être en activité depuis le 1er janvier 2016
La dernière condition est d’exercer les activités d’as-
surance de la manière limitée telle que prévu au présent
Chapitre depuis au moins le 1er janvier 2016. L’intention
est de considérer le régime prévu par le présent Chapitre
comme une exception qui, vu l’absence quasi-totale de
contrôle, doit demeurer limitée. Il n’est donc pas permis
de créer de nouvelles entreprises locales d’assurance.
Seule la transformation d’une entreprise d’assurance
agréée en entreprise locale d’assurance sur la base de
l’article 297 est autorisée.
Section IV
Contrôle
Art. 299
Sauf ce qui est prévu au paragraphe 2, le contrôle
exercé par la Banque se limitera à vérifier si les
conditions de l’inscription — et donc de la dispense
prévue par le présent chapitre — sont maintenues.
Concrètement, ces informations seront précisées dans
un règlement de la Banque.
En outre, les entreprises locales d’assurance devront,
d’initiative et sans délai, communiquer à la Banque
tout élément susceptible de conduire au non-respect
des conditions d’inscription. On pense, par exemple, à
une hausse prévue de l’activité qui ferait que les seuils
de l’article 298 seraient dépassés ou une révision du
contrat de réassurance.
Le paragraphe 2 rend applicables aux entreprises
locales d’assurance certaines dispositions des articles
102, 105 et 106 relatives aux fusions et cessions de
portefeuilles. L’objectif est, d’une part de vérifier que
l’opération de fusion ou de cession ne fait pas pas-
ser une entreprise locale au-delà des seuils fixés par
l’article 298 et, d’autre part, de rendre applicables
à ces hypothèses les dispositions des articles 17 et
18 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances relatives
à l’opposabilité aux tiers des opérations de fusion et
cession de portefeuille.
222
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 300
De Bank beschikt over de nodige bevoegdheden om
een lokale verzekeringsonderneming te gelasten de be-
palingen van dit hoofdstuk na te leven. De maatregelen
die zij kan nemen zijn deze die gelden voor vergunning-
houdende verzekeringsondernemingen, met name die
van artikel 517, § 1, 1° tot 7° (aanstelling van een speciaal
commissaris, vervanging gelasten van de leden van het
wettelijk bestuursorgaan of van de effectieve leiding,
bijeenroeping gelasten van een algemene vergadering,
schorsing van de activiteit, overdracht gelasten van
aandelen en gedeeltelijke of volledige overdracht van
de activiteiten gelasten).
Afdeling VI
Beëindiging van de inschrijving
Art. 301 en 302
De lokale verzekeringsondernemingen beschikken
over de mogelijkheid om afstand te doen van de inschrij-
ving. Gelet op het geringe activiteitsvolume van deze
ondernemingen en rekening houdend met het feit dat
de inschrijving niet per verzekeringstak wordt verleend,
kan enkel afstand worden gedaan voor alle activiteiten
van de onderneming.
De relevante bepalingen van artikel 538, §§ 2 tot 5 zijn
van toepassing. Zo zal een lokale verzekeringsonder-
neming die afstand doet van haar inschrijving, een plan
moeten voorleggen waarin wordt aangegeven op welke
wijze zij haar verzekeringsverplichtingen zal afwikkelen
en kan de Bank de passende maatregelen nemen om
de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden
en de begunstigden te beschermen.
De Bank kan de inschrijving van een lokale verzeke-
ringsonderneming ook doorhalen wanneer deze onder-
neming er niet in slaagt te voldoen aan de bepalingen
van dit hoofdstuk binnen de daarvoor vastgestelde
termijn. Gezien het geringe activiteitsvolume van de
betrokken ondernemingen geldt ook in dit geval dat de
inschrijving enkel kan worden doorgehaald voor alle
activiteiten, waarna de onderneming van rechtswege
wordt ontbonden.
Ook in geval van faillissement of vrijwillige ontbinding
in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek
van Vennootschappen zal de inschrijving worden door-
gehaald voor alle uitgeoefende activiteiten.
Section V
Mesures exceptionnelles
Art. 300
La Banque dispose des pouvoirs nécessaires pour
enjoindre à une entreprise locale d’assurance de res-
pecter les dispositions du présent chapitre. Ces mesures
sont celles applicables aux entreprises d’assurance
agréées, notamment celles de l’article 517, § 1er, 1° à
7° (désignation d’un commissaire spécial, injonction de
remplacer des membres de l’organe légal d’administra-
tion ou de la direction effective, injonction de convoquer
une assemblée générale, suspension de l’activité,
injonction de céder des droits d’associés et injonction
de transférer tout ou partie de l’activité).
Section VI
Fin de l’inscription
Art. 301 et 302
Les entreprises locales d’assurance ont la faculté de
renoncer à l’inscription. Compte tenu du faible volume
d’activité de ces entreprises et du fait que l’inscription
n’est pas accordée par branche d’activité, la renoncia-
tion ne peut que concerner l’ensemble des activités de
l’entreprise.
Les dispositions pertinentes de l’article 538, §§ 2 à
5 sont applicables. Ainsi, l’entreprise locale d’assu-
rance qui renonce à son inscription devra fournir un
plan précisant la matière dont elle entend liquider ses
engagements d’assurance et la Banque peut prendre
les mesures adéquates pour protéger les droits des
preneurs, assurés et bénéficiaires.
La Banque peut également radier l’inscription d’une
entreprise locale d’assurance qui ne parviendrait pas
à se conformer aux dispositions du présent chapitre
dans le délai qui lui a été accordé à cette fin. Ici aussi,
compte tenu du faible volume d’activité des entreprises
concernées, la radiation peut uniquement être globale
et l’entreprise est dissoute de plein droit.
L’inscription sera également radiée pour l’ensemble
des activités pratiquées dans le cas d’une faillite ou
d’une dissolution volontaire au sens des articles 181 et
182 du Code des sociétés.
223
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In artikel 302 worden de bepalingen met betrekking
tot de beëindiging van de vergunning (zie de artikelen
543 tot 545) met de nodige aanpassingen overgenomen.
Het gaat met name om het verbod om nieuwe overeen-
komsten te sluiten en het behoud van het toezicht tot
alle verzekeringsverplichtingen van de onderneming
afgewikkeld zijn.
Paragraaf 2 van artikel 302 bepaalt dat de Bank de
medewerking mag vragen van de toezichthouders van
de andere lidstaten wanneer een lokale verzekerings-
onderneming het verbod om activiteiten uit te oefenen
in het buitenland, niet naleeft.
TITEL IV
Toezicht op de ondernemingen
HOOFDSTUK I
Toezicht door de Bank
Afdeling I
Algemene beginselen
Art. 303
Ontwerpartikel 303, paragraaf 1 bevat het beginsel
dat het toezicht op de verzekerings- en herverzekerings-
ondernemingen wordt uitgeoefend door de Nationale
Bank van België. Deze juridische grondslag van de toe-
zichtsbevoegdheid moet worden gezien in het licht van
ontwerpartikel 3, dat de doelstelling van de ontwerpwet
verduidelijkt. Het is dus in het licht van die doelstel-
ling en van de onderliggende specifieke ratio van de
diverse wettelijke en reglementaire bepalingen (of van
rechtstreeks toepasselijke bepalingen van Europees
recht) die de juridische grondslag vormen van haar
bevoegdheid om juridische handelingen te stellen, dat
de discretionaire bevoegdheid van de Bank — d.w.z.
haar beoordelingsbevoegdheid — die inherent is aan
haar hoedanigheid van administratieve autoriteit, moet
worden beoordeeld.
Voor zover nodig zij vermeld dat deze discretionaire
beoordelingsbevoegdheid uiteraard niet absoluut is,
maar wordt beperkt door de naleving van de specifieke
toepassingsvoorwaarden die zijn vastgelegd door die
verschillende wettelijke en reglementaire bepalingen en
de algemene principes van administratief recht (zie met
name J. Salmon, J. Jaumotte en E. Thibaut, Le Conseil
d’État de Belgique, Bruylant, vol. 1, 2012, n°s 370-394)
die de regels ter bescherming van de onder toezicht
staande ondernemingen formuleren.
L’article 302 reproduit, avec les adaptations néces-
saires, les dispositions relatives à la fin de l’agrément
(voir les articles 543 à 545), notamment l’interdiction
de souscrire de nouveaux contrats et le maintien du
contrôle jusqu’à la liquidation de tous les engagements
d’assurance de l’entreprise.
Le paragraphe 2 de l’article 302 permet à la Banque
de requérir la collaboration des autorités de contrôle des
autres États membres dans le cas où une entreprise
locale d’assurance ne respecterait pas l’interdiction
d’exercice d’activités à l’étranger.
TITRE IV
Contrôle des entreprises
CHAPITRE IER
Contrôle par la Banque
Section Ire
Principes généraux
Art. 303
L’article 303, paragraphe 1er en projet pose le prin-
cipe du contrôle des entreprises d’assurance et de
réassurance par la Banque nationale de Belgique. Ce
fondement juridique de la compétence de contrôle doit
être lu à la lumière de l’article 3 en projet qui précise
la finalité de la loi en projet. C’est donc à la lumière de
cette finalité et de la ratio spécifique sous-jacente aux
diverses dispositions légales et réglementaires (ou de
droit européen directement applicables) constituant
le fondement juridique de sa capacité à adopter des
actes juridiques, que le pouvoir discrétionnaire de la
Banque — c.-à-d. sa liberté d’appréciation — inhérent
à sa qualité d’autorité administrative doit s’apprécier.
Pour autant que de besoin, on indique que ce pouvoir
d’appréciation discrétionnaire n’est pas évidemment
absolu mais trouve bien entendu ses limites dans le
respect des conditions d’application particulières éta-
blies par ces diverses dispositions légales et réglemen-
taires et des Principes généraux de droit administratif
(voy. notamment J. Salmon, J. Jaumotte et E. Thibaut,
Le Conseil d’État de Belgique, Bruylant, vol. 1, 2012,
n°s 370-394) qui énoncent les règles protectrices des
administrés.
224
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Paragraaf 2 van dit artikel, die de artikelen 28 en
29 omzet, vervolledigt de doelstelling en de criteria op
basis waarvan de Bank haar toezichtsbevoegdheden
moet uitoefenen, in het bijzonder de vaststelling van
rechtshandelingen die eruit voortvloeit.
Artikel 29, lid 3 van de Richtlijn wordt omgezet in
Belgisch recht omdat het evenredigheidsbeginsel een
algemeen rechtsbeginsel is (zie met name J. Salmon
et alii, op. cit., nr. 382).
Net zoals paragraaf 1 de bevoegdheid van de Bank
formuleert om erop toe te zien dat de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen werken overeenkom-
stig de bepalingen van deze wet, de uitvoeringsbesluiten
en —reglementen ervan alsook van de rechtstreeks
toepasselijke Europese verordeningen, bepaalt para-
graaf 3 dat deze toezichtsopdracht en de overeenkom-
stige prerogatieven onder de bevoegdheid vallen van
de Controledienst voor de ziekenfondsen voor wat de
verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand
betreft.
Art. 304
In ontwerpartikel 304, dat de artikelen 28, lid 2 en
34, lid 7 van de Richtlijn omzet, zijn de prerogatie-
ven opgenomen die in artikel 37 van de wet van
16 februari 2009 worden toegekend aan de Bank in-
zake de toegang tot inlichtingen over de onder toezicht
staande ondernemingen, met name via inspecties ter
plaatse.
Het wetsontwerp bepaalt, voor zover nodig, dat de
prerogatieven inzake de toegang tot de inlichtingen
door de Bank uiteraard ook gelden voor inlichtingen
over de agenda’s en de notulen van de vergaderingen
van de verschillende organen van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen en van hun interne
comités (auditcomité, risicocomité, benoemingscomité
en remuneratiecomité), evenals voor alle bijbehorende
documenten (agenda’s van de vergaderingen en bijla-
gen bij die documenten, uiteenzettingen, …) en voor de
resultaten van de interne of externe beoordeling van de
werking van de genoemde organen.
Art. 305
Net als artikel 136 van de bankwet versterkt ontwerp-
artikel 305 de doeltreffendheid van het toezicht, in het
bijzonder van de inspecties ter plaatse, door te bepalen
dat de personen belast met het toezicht, en met name
met de inspecties ter plaatse, gemachtigd zijn om alle
inlichtingen en uitleg te ontvangen die nodig is voor de
Transposant les articles 28 et 29, le paragraphe 2 de
la disposition complète les finalités et critères au regard
desquels la Banque doit exercer ses compétences de
contrôle, en particulier l’adoption d’actes juridiques qui
en découle.
S’agissant de l’article 29, paragraphe 3 de la
Directive, il se trouve transposé dans l’ordre juridique
belge par le fait que le principe de proportionnalité
constitue un principe général de droit (voy. notamment
J. Salmon et alii, op. cit., n°382).
Tout comme le paragraphe 1er énonce la compétence
de contrôle de la Banque aux fins de veiller à ce que
les entreprises d’assurance et de réassurance opèrent
conformément aux dispositions de la présente loi, des
arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que
des règlements européens directement applicables, le
paragraphe 3 de la disposition affirme que cette mission
de contrôle et les prérogatives y afférentes relèvent de
la compétence de l’Office de contrôle des mutualités en
ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance.
Art. 304.
Assurant la transposition des articles 28, para-
graphe 2 et 34, paragraphe 7 de la Directive, l’ar-
ticle 304 en projet énonce les prérogatives attribuées à
la Banque sous l’article 37 de la loi du 16 février 2009,
concernant l’accès aux informations relatives aux
entreprises sous contrôle, en particulier par la voie
d’inspections sur place.
La loi en projet précise, pour autant que de besoin,
que les prérogatives en matière d’accès à l’information
par la Banque couvrent bien évidemment les informa-
tions concernant les ordres du jour et les procès-verbaux
des réunions des différents organes des entreprises
d’assurance ou de réassurance et de leurs comités
internes (comités d’audit, de risque, de nomination
et de rémunération), ainsi que tous les documents y
afférents (ordres du jour des réunions, et les annexes à
ces documents, présentations effectuées, ... ), de même
que les résultats de l’évaluation interne ou externe du
fonctionnement desdits organes.
Art. 305
À l’instar de l’article 136 de la loi bancaire, l’ar-
ticle 305 en projet est destiné à renforcer l’efficacité du
contrôle, en particulier des inspections sur place en ce
qu’il prévoit que les personnes en charge du contrôle, et
notamment des inspections sur place, sont habilitées à
recevoir toute information et toute explication nécessaire
225
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
uitvoering van hun taak en in dit verband — in voorko-
mend geval individuele — gesprekken kunnen voeren
met de door hen gekozen leiders of personeelsleden van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. In dit
verband zij opgemerkt dat het voeren van gesprekken
met sleutelpersonen integraal deel uitmaakt van de tests
en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader
van de analyses die tijdens een inspectieopdracht wor-
den verricht. Het is immers gebruikelijk dat een inspectie
aanvangt met een initieel gesprek met de leiding van de
onderneming en eindigt met een afsluitend gesprek met
die leiding, waarin de belangrijkste bevindingen van de
inspectie worden uiteengezet.
Art. 306
Ontwerpartikel 306 verleent een beschermingsniveau
dat vereist is voor de vertrouwelijkheid van de inspectie-
verslagen van de Bank en, meer in het algemeen, aan
alle documenten die zij aan de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen richt en waarvan zij aangeeft
dat ze vertrouwelijk zijn. Deze documenten mogen door
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen niet
aan derden openbaar worden gemaakt zonder uitdruk-
kelijke toestemming van de Bank. De doeltreffendheid
van deze verplichting wordt verzekerd door een sanc-
tie die bestaat in de straffen van artikel 458 van het
Strafwetboek (artikel dat inhoudt dat de schending van
een verplichting tot geheimhouding zoals vastgelegd in
het kader van een regeling inzake beroepsgeheim een
inbreuk vormt).
Art. 307
Ontwerpartikel 307, eerste lid, dat artikel 34, lid 7 en
artikel 38, lid 1 van de Richtlijn omzet, bepaalt dat
de prerogatieven inzake toegang tot de inlichtingen
waarin voorzien is in de artikelen 304, 305 en 310,
eveneens kunnen worden uitgeoefend ten aanzien
van de ondernemingen waarop de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen een beroep doen als
dienstverleners (uitbesteding — outsourcing) om na te
gaan of de voorwaarden voor die dienstverlening geen
afbreuk doen aan de naleving door de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen van hun wettelijke en
reglementaire verplichtingen.
Het tweede lid van de bepaling zorgt voor de omzet-
ting van artikel 38, lid 2 van de Richtlijn en machtigt de
toezichthouders van een andere lidstaat om diezelfde
prerogatieven uit te oefenen ten aanzien van de in België
gevestigde dienstverleners die hun diensten leveren aan
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
ressorteren onder een andere lidstaat. Deze bepaling
is niet opgenomen in Boek III, Titel I aangezien ze van
à leur mission et peuvent, dans ce cadre, s’entretenir
avec les dirigeants ou les membres du personnel de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance qu’ils sou-
haitent, le cas échéant au cours d’entretiens individuels.
On note, à cet égard, que la tenue d’entretiens avec des
personnes-clés fait partie intégrante des tests et travaux
à mener dans le cadre des analyses conduites au cours
d’une mission d’inspection. Il est, en effet, d’usage,
qu’une inspection débute par un entretien initial avec la
direction de l’entreprise, et se clôture par un entretien
final avec celle-ci exposant les principales constatations
effectuées au cours de l’inspection.
Art. 306
L’article 306 en projet confère le degré de protection
inhérent à la confidentialité des rapports d’inspection
de la Banque et, plus généralement, à tous les docu-
ments qu’elle adresse aux entreprises d’assurance ou
de réassurance et à propos desquels elle indique qu’ils
sont confidentiels. Ces documents ne peuvent être
divulgués à des tiers par les entreprises d’assurance
ou de réassurance sans le consentement exprès de la
Banque. L’effectivité de cette obligation est assurée par
une sanction qui consiste dans les peines prévues par
l’article 458 du Code pénal (disposition qui, pour rappel,
instaure l’infraction en cas de violation d’une obligation
de confidentialité prévue dans le cadre d’un régime de
secret professionnel).
Art. 307
Assurant ainsi la transposition de l’article 34, para-
graphe 7 et de l’article 38, paragraphe 1er de la Directive,
l’article 307, alinéa 1er en projet prévoit que les préroga-
tives d’accès à l’information prévues aux articles 304,
305 et 310 peuvent également être exercées à l’égard
des entreprises auxquelles recourent les entreprises
d’assurance ou de réassurance en qualité de presta-
taires de services (sous-traitance — outsourcing) afin de
vérifier si les conditions de ces prestations ne sont pas
de nature à porter atteinte au respect par les entreprises
d’assurance ou de réassurance de leurs obligations
légales et réglementaires.
L’alinéa 2 de la disposition assure la transposition
de l’article 38, paragraphe 2 de la Directive dans la
mesure où il permet à des autorités de contrôle d’un
autre État membre d’exercer ces mêmes prérogatives
à l’égard de prestataires de services situés en Belgique
qui fournissent leurs services à des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance relevant du droit d’un autre
État membre. Cette disposition ne figure pas sous le
226
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toepassing is los van de eventuele uitoefening van een
activiteit in België door de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen die op die dienstverleners een
beroep doen.
Art. 308
Naar aanleiding van de overdracht aan de Bank van
de bevoegdheden inzake prudentieel toezicht op de ver-
zekeringsondernemingen, die voorheen toebehoorden
aan de voormalige Commissie voor het Bank-, Financie-
en Assurantiewezen, die sedert die overdracht de FSMA
is geworden, werd in de wet van 9 juli 1975 (art. 37) de
verplichting ingevoerd, voor de Bank en de FSMA, om
onderling een overeenkomst te sluiten met het oog op
de coördinatie van het toezicht. Artikel 308 verandert
niets aan de situatie die onder vigeur van de wet van
9 juli 1975 bestond. Deze bepaling vorm aldus de ju-
ridische grondslag voor de overeenkomst die tussen
beide instellingen werd gesloten met het oog op de
coördinatie van hun respectieve toezichtsopdrachten en
met name om de in dit verband noodzakelijke informatie-
uitwisseling te bevorderen.
Art. 309
Als gevolg van het specialiteitsbeginsel dat van
toepassing is op de overheid, bepaalt ontwerpartikel
309 dat de relaties tussen een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming en een bepaalde cliënt niet
behoren tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het
toezicht op die onderneming dit vergt.
Afdeling II
Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten
Art. 310
Paragraaf 1 van artikel 310 zorgt voor de omzetting
van artikel 33 van de Richtlijn met betrekking tot het toe-
zicht op de in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren.
Hoewel dit aspect reeds ter sprake kwam in ont-
werpartikel 307, waarin werd gesteld dat artikel 310 van
overeenkomstige toepassing was ten aanzien van de
dienstverleners (uitbesteding — outsourcing), zet para-
graaf 2 de procedure-elementen uiteen die nodig zijn
voor de omzetting van artikel 38, lid 2 van de Richtlijn
met betrekking tot de uitoefening van de prerogatieven
bepaald in artikel 307 ten aanzien van de dienstverle-
ners die in een andere lidstaat zijn gevestigd.
Livre III, Titre Ier dans la mesure où elle est applicable
indépendamment de l’exercice ou non d’une activité en
Belgique par les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance qui font appel à ces prestataires.
Art. 308
La conclusion d’un protocole entre la Banque et la
FSMA aux fins de la coordination du contrôle a été intro-
duite dans la loi du 9 juillet 1975 (art. 37) à la suite du
transfert à la Banque des compétences de contrôle pru-
dentiel des entreprises d’assurance relevant, jusqu’à ce
transfert, de la compétence de l’ancienne Commission
bancaire, financière et des assurances, devenue depuis
la FSMA. L’article 308 n’apporte pas de changement par
rapport à la situation qui existait sous l’empire de la loi
du 9 juillet 1975. Cette disposition constitue ainsi la base
juridique au protocole conclu entre les deux institutions
aux fins d’assurer la coordination de leurs missions
de contrôle respectives et notamment de favoriser
l’échange des informations nécessaires dans ce cadre.
Art. 309
Au titre de conséquence du principe de spécialité
applicable aux autorités publiques, l’article 309 en projet
dispose que la Banque ne connaît des relations entre
une entreprise d’assurance ou de réassurance et un
client déterminé que dans la mesure requise pour le
contrôle de cette entreprise.
Section II
Contrôle des activités exercées dans un autre État membre
Art. 310
Le paragraphe 1er de l’article 310 assure la transposi-
tion de l’article 33 de la Directive s’agissant du contrôle
de succursales établies dans un autre État membre.
Bien que cet aspect était déjà énoncé sous l’article
307 en projet en ce qu’il affirmait que l’article 310 était
applicable par analogie à l’égard des prestataires
de services (sous-traitance — outsourcing), le para-
graphe 2 précise les éléments de procédure nécessaires
à la transposition de l’article 38, paragraphe 2 de la
Directive s’agissant de l’exercice des prérogatives
prévues à l’article 307 à l’égard des prestataires de ser-
vices lorsqu’ils sont situés dans un autre État membre.
227
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 311
Ontwerpartikel 311 zorgt voor de omzetting van artikel
155, lid 2, tweede en derde alinea van de Richtlijn voor
de verzekeringsondernemingen en van artikel 158, lid 2,
eerste zin voor de herverzekeringsondernemingen. Het
gaat om het geval waarin verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen activiteiten in een andere lidstaat
uitoefenen zonder de op hen toepasselijke wettelijke
bepalingen van dat land na te leven. De bepaling houdt
in dat de Bank in dat geval de passende maatregelen
neemt om ervoor te zorgen dat de onderneming een
einde maakt aan deze onregelmatige situatie.
Afdeling III
Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie
De ontwerpartikelen 312 tot 316 zorgen voor de
getrouwe omzetting van artikel 35 van de Richtlijn be-
treffende de informatie die aan de Bank moet worden
verstrekt met het oog op haar toezicht. Ze behoeven als
dusdanig geen bijzonder commentaar.
Ontwerpartikel 317 neemt artikel 22 van de wet
van 9 juli 1975 over voor wat betreft de informatiever-
plichtingen van de ondernemingen inzake statutaire
wijzigingen en beslissingen die de onderneming van
plan is te nemen, en die een weerslag kunnen hebben
op de overeenkomsten in het algemeen. De bepaling
neemt aldus het prerogatief van de Bank over, volgens
hetwelk zij zich kan verzetten tegen de uitvoering van
alle statutaire beslissingen of wijzigingen die strijdig
zouden zijn met de bepalingen van de ontwerpwet of
haar uitvoeringsmaatregelen of de uitvoeringsmaatre-
gelen van de Richtlijn .
Afdeling IV
Procedure van prudentieel toezicht
Deze Afdeling zorgt voor de omzetting van de artike-
len 36 en 37 van de Richtlijn en bepaalt de procedure
van toetsing en evaluatie van de verzekerings- en her-
verzekeringsondernemingen door de Bank. Enerzijds
wordt nagegaan of het wettelijke en reglementaire
kader wordt nageleefd en anderzijds worden de risico’s
geïdentificeerd die de betrokken onderneming loopt, de
maatregelen die deze onderneming treft om haar risico’s
te beheersen en om over voldoende financiële middelen
te beschikken en wordt onderzocht in welke mate de
instelling een risico vormt voor het financiële stelsel.
In de praktijk moet de Bank een methodologie ont-
wikkelen voor de tenuitvoerlegging van het proces van
Art. 311
L’article 311 en projet assure la transposition de
l’article 155, paragraphe 2, alinéas 2 et 3 de la Directive
pour les entreprises d’assurance et de l’article 158,
paragraphe 2, première phrase pour les entreprises de
réassurance. Il s’agit du cas d’entreprises d’assurance
ou de réassurance qui exercent des activités dans un
autre État membre sans se conformer aux dispositions
légales de cet État qui leur sont applicables. La dispo-
sition prévoit que dans pareil cas, la Banque prend les
mesures appropriées pour que l’entreprise mette fin à
cette situation irrégulière.
Section III
Informations aux fins du contrôle
Les articles 312 à 316 en projet assurent la fidèle
transposition de l’article 35 de la Directive en ce qui
concerne les informations à fournir à la Banque aux
fins de son contrôle. À ce titre, ils n’appellent pas de
commentaires particuliers.
L’article 317 en projet constitue la reprise de l’article
22 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qui concerne les
obligations d’information des entreprises en matière de
modifications statutaires et de décisions que l’entreprise
se propose de prendre qui sont susceptibles d’avoir une
incidence sur les contrats en général. La disposition
reprend ainsi la prérogative de la Banque selon laquelle
elle peut s’opposer à l’exécution de toutes décisions ou
modifications statutaires qui violeraient les dispositions
de la loi en projet ou de ses mesures d’exécution ou
des mesures d’exécution de la Directive.
Section IV
Processus de surveillance prudentielle
Cette Section assure la transposition des articles
36 et 37 de la Directive en ce qu’elle précise la pro-
cédure de contrôle et d’évaluation des entreprises
d’assurance et de réassurance par la Banque. Il s’agit,
d’une part, de vérifier le respect du cadre légal et régle-
mentaire et, d’autre part, d’identifier les risques pesant
sur l’entreprise concernée, les mesures prises par cette
entreprise pour maîtriser adéquatement ses risques et
disposer des ressources financières en suffisance et
d’identifier les risques que ladite entreprise pourrait
présenter pour le système financier.
En pratique, la Banque doit développer une métho-
dologie de mise en œuvre du processus de contrôle
228
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
prudentiële toetsing en evaluatie (ook “Supervisory
review and evaluation process” of “SREP” genoemd),
die volgens een vooraf bepaald beoordelingssysteem
een score toekent aan elke verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, die de synthese vormt van de
risicograad, zowel vanuit kwantitatief oogpunt (beoorde-
ling van het belang van het risico) als vanuit kwalitatief
oogpunt (risicobeheer). De evaluatie van het risicoprofiel
betreft aldus de algemene situatie van de onderneming,
in het bijzonder haar activiteiten, haar financiële positie,
met inbegrip van de naleving van de vereisten inzake
technische voorzieningen, kapitaal en beleggingsregels,
de kwaliteit van haar governancesysteem, met inbegrip
van haar beleidsstructuur, haar organisatieregelingen
en haar interne controle, alsook haar onafhankelijke
controlefuncties. De Bank baseert zich op een maximum
aantal informatiebronnen, zoals de periodieke rappor-
teringen die haar worden meegedeeld, de conclusies
van de inspectieopdrachten, de resultaten van het
proces van interne beoordeling van het eigen risico en
de solvabiliteit door de onderneming (de zogenaamde
“ORSA”), de interne auditverslagen, enz. De Bank
houdt rekening met de veranderingen die zich hebben
voorgedaan in de situatie sedert de vorige toetsings- en
evaluatieprocedure en, in voorkomend geval, met de
context van de groep waar de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming deel van uitmaakt.
Er zij opgemerkt dat de voornoemde score niet
noodzakelijk wordt meegedeeld aan de betrokken ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming. Wel worden
de elementen waarop de Bank zich baseert voor de
evaluatie, samen met de onderneming bekeken in het
kader van een actieve dialoog.
Ontwerpartikel 321 vertaalt het beginsel van evenre-
digheid en prioriteit in de toewijzing van de toezichtsmid-
delen door te bepalen dat de Bank de frequentie en de
reikwijdte van haar onderzoeken en evaluaties vastlegt
rekening houdend met de omvang van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en
met de aard, de omvang en de complexiteit van hun
activiteiten.
Ontwerpartikel 322 biedt de nodige juridische grond-
slag om de Bank in staat te stellen specifieke stresstests
uit te voeren, naast die welke worden georganiseerd
door EIOPA in het kader van Verordening nr. 1094/2010.
Ontwerpartikel 323 vormt de juridische grondslag om
aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
specifieke kapitaalvereisten te kunnen opleggen, bo-
venop de vereisten die met toepassing van de wettelijke
en reglementaire regeling zijn opgelegd, om rekening
te houden met de risico’s waaraan deze onderneming
blootstaat of zou kunnen blootstaan.
prudentiel (encore appelé “Supervisory review process”
ou “SRP”), qui attribue, selon un système de cotation
prédéterminé, un score à chaque entreprise d’assurance
et de réassurance synthétisant le degré de risque à la
fois sous l’angle quantitatif (évaluation de l’importance
du risque) et sous l’angle qualitatif (gestion du risque).
L’évaluation du profil de risque couvre ainsi la situation
générale de l’entreprise, en particulier ses activités, sa
situation financière, incluant le respect des exigences
en matière de provisions techniques, de capital et de
règles d’investissement, la qualité de son système de
gouvernance, en ce compris sa structure de gestion,
ses dispositifs d’organisation et son contrôle interne,
ainsi que les fonctions de contrôle indépendantes. La
Banque se base sur un maximum de sources d’infor-
mation, comme les reportings périodiques qui lui sont
communiqués, les conclusions des missions d’inspec-
tions effectuées, les résultats du processus d’évaluation
interne par l’entreprise de ses risques et de sa solvabilité
(processus dit “ORSA”), les rapports d’audit interne, etc.
La Banque tient compte de l’évolution de la situation
par rapport à la procédure précédente de contrôle et,
le cas échéant, du contexte de groupe dont fait partie
l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
On note que le score précité n’est pas nécessaire-
ment communiqué à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée. Les éléments à la base de
l’évaluation de la Banque sont en revanche examinés
avec l’entreprise dans le cadre du dialogue actif mené
avec celle-ci.
L’article 321 en projet traduit un principe de propor-
tionnalité et de priorité dans l’allocation des ressources
et moyens de contrôle en disposant que la Banque
détermine la fréquence et l’ampleur de ses examens et
évaluations en tenant compte de la taille des entreprises
d’assurance ou de réassurance concernées, et de la
nature, du volume et de la complexité de leurs activités.
L’article 322 en projet fournit la base juridique néces-
saire afin de permettre à la Banque de mener des tests
de résistance spécifiques en sus de ceux organisés
par l’EIOPA dans le cadre du Règlement n°1094/2010.
L’article 323 en projet constitue la base juridique
aux fins d’imposer à une entreprise d’assurance ou
de réassurance des exigences spécifiques de capital,
qui s’ajoutent aux exigences requises en application
du régime légal et réglementaire, afin de tenir compte
des risques auxquels cette entreprise est ou pourrait
être exposée.
229
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De bepaling legt de gevallen vast waarin het de Bank
is toegestaan om een dergelijke kapitaalopslagfactor
op te leggen. Die gevallen zijn overgenomen uit artikel
37 van de Richtlijn, waarbij correcties van technische
aard zijn aangebracht om de onvolkomenheden van de
Richtlijn te verhelpen.
Afdeling V
Informatieverstrekking aan EIOPA
Ontwerpartikel 324 is de getrouwe weergave van
artikel 52, lid 1 van de Richtlijn voor wat betreft de infor-
matieverstrekking door de Bank aan EIOPA. Bijgevolg
behoeft het geen bijzonder commentaar.
HOOFDSTUK II
Revisoraal toezicht
In de artikelen 330 tot 337 wordt de inhoud van de
artikelen 38 tot 40quater van de wet van 9 juli 1975, die
betrekking hebben op het revisoraal toezicht, overgeno-
men met de nodige aanpassingen en actualiseringen.
Bijgevolg geven deze artikelen geen aanleiding tot
specifiek commentaar.
TITEL V
Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen
en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten
Titel V van Boek II van het voorliggende ontwerp
regelt enerzijds het toezicht op verzekerings- en her-
verzekeringsgroepen en anderzijds het aanvullende
toezicht op financiële conglomeraten. Deze twee as-
pecten worden elk in een afzonderlijk hoofdstuk van
deze Titel behandeld.
HOOFDSTUK I
Definities
Art. 338 tot 340
De ontwerpartikelen 338, 339 en 340 bevatten de
definities die specifiek gelden voor Titel V, met dien
verstande dat de definities in artikel 338 zowel gelden
voor de bepalingen over het toezicht op verzekerings-
en herverzekeringsgroepen (Hoofdstuk II) als voor de
bepalingen over het aanvullende toezicht op financiële
conglomeraten (Hoofdstuk III). Artikel 339 bevat de
La disposition précise les cas dans lesquels il est loi-
sible à la Banque d’imposer une telle exigence de capital
supplémentaire. Ces cas sont repris de l’article 37 de
la Directive tout en procédant aux corrections d’ordre
technique inhérentes aux imperfections que contient
la Directive.
Section V
Informations à fournir à l’EIOPA
L’article 324 en projet assure la fidèle reproduction
de l’article 52, paragraphe 1er de la Directive en ce qui
concerne les informations à fournir par la Banque à
l’EIOPA. À ce titre, il n’appelle pas de commentaires
particuliers.
CHAPITRE II
Du contrôle revisoral
Les articles 330 à 337 en projet reprennent le contenu
des articles 38 à 40quater de la loi du 9 juillet 1975 rela-
tifs au contrôle revisoral, moyennant les diverses adap-
tations et mises à jour requises. À ce titre, ils n’appellent
pas d’observation particulière.
TITRE V
Du contrôle des groupes d’assurance et de
réassurance et de la surveillance complémentaire
des conglomérats financiers
Le Titre V du Livre II du présent projet organise d’une
part, le contrôle des groupes d’assurance et de réas-
surance et d’autre part, la surveillance complémentaire
des conglomérats financiers. Chacun de ces aspects est
traité dans un chapitre distinct du présent Titre.
CHAPITRE IER
Définitions
Art. 338 à 340
Les articles 338, 339 et 340 en projet énoncent
les définitions propres à l’application du Titre V, étant
entendu que les définitions reprises sous l’article
338 s’entendent pour l’application tant des dispositions
relatives au contrôle des groupes d’assurance et de
réassurance (Chapitre II) que pour les dispositions rela-
tives à la surveillance complémentaire des conglomérats
230
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
definities die specifiek betrekking hebben op Hoofdstuk
II, terwijl de definities in artikel 340 enkel gelden voor
Hoofdstuk III.
Deze definities die specifiek van toepassing zijn voor
de aangelegenheden die in Titel V van de ontwerpwet
worden geregeld, doen geen afbreuk aan de definities
in ontwerpartikel 15, die eveneens van toepassing zijn
op Titel V, tenzij ervan wordt afgeweken door de ont-
werpartikelen 338, 339 of 340.
Deze definities behoeven geen bijzondere toelich-
ting. Zij stemmen overeen met de definities die res-
pectievelijk in de Richtlijn en in de Richtlijn Financiële
Conglomeraten worden gegeven. De aandacht zij enkel
gevestigd op de verruimde definitie van het begrip “fi-
nanciële instelling”, die opgenomen is in ontwerpartikel
338, 10°) en die voor de toepassing van Titel V ook be-
heervennootschappen van instellingen voor collectieve
belegging en AICB-beheerders omvat. Deze verruimde
definitie verzekert aldus de “verdere coördinatie van de
sectorale regelgeving” waarvan sprake in de artikelen
30 en 30bis van de Richtlijn Financiële Conglomeraten,
en maakt de omzetting van artikel 3, lid 2, derde en
vierde alinea van de Richtlijn Financiële Conglomeraten
overbodig.
Art. 341
Dit artikel verleent aan de Bank de bevoegdheid om
individuele afwijkingen toe te staan op de wettelijke en
reglementaire bepalingen over het groepstoezicht of
het aanvullende conglomeraatstoezicht, teneinde de
doeltreffendheid van het toezichtsregime te bevorderen.
In deze afwijkingsbevoegdheid was reeds voorzien in
de wet van 9 juli 1975 (artikel 91octiesdecies, § 5) en in
de wet van 16 februari 2009 (artikel 98, § 5). Er zij aan
herinnerd dat de afwijkingen er niet op gericht zijn de
ondernemingen die onderworpen zijn aan een statuut
en een toezichtsregime te begunstigen. Zij verhinderen
dat een strikte of onmiddellijke toepassing van sommige
regels in werkelijkheid belet dat de doelstellingen van
de reglementering worden verwezenlijkt of dat tijdelijke
problemen worden opgelost; aldus kan in de praktijk
beter rekening worden gehouden met de geest van
de wet (zie Parl.St. Senaat, 616-2, 15). Krachtens het
gelijkheidsbeginsel (wetten van openbare dienst) dat
de Bank in acht moet nemen, geldt dat wanneer de
omstandigheden van een concreet geval (of juister, de
feitelijke elementen ter ondersteuning van de motivering
van een beslissing tot afwijking) die tot een afwijking
hebben geleid, zich in een ander geval voordoen, hieruit
moet worden afgeleid dat de Bank ertoe gehouden zal
financiers (Chapitre III). L’article 339 contient pour sa
part les définitions propres à l’application du Chapitre II
alors que l’article 340 reprend les définitions énoncées
pour les seuls besoins de l’application du Chapitre III.
Ces définitions spécifiques aux matières régies par
le Titre V en projet sont sans préjudice des définitions
énoncées à l’article 15 en projet qui ont vocation à
s’appliquer également au Titre V sauf dans la mesure
où il y serait dérogé par les articles 338, 339 ou 340 en
projet.
Ces définitions n’appellent pas de commentaire par-
ticulier et sont conformes, respectivement, à la Directive
et à la directive Conglomérats financiers. On se limite
à attirer l’attention sur la définition élargie de la notion
d’“établissement financier”, reprise sous l’article 338,
10° en projet, laquelle, pour l’application du Titre V, en-
globe également les sociétés de gestion d’organismes
de placement collectif et les gestionnaires d’OPC. Cette
définition élargie assure ainsi la “coordination ultérieure
des règles sectorielles” dont question aux articles 30 et
30bis de la directive Conglomérats financiers et rend
superflue la transposition de l’article 3, paragraphe 2,
alinéas 3 et 4 de la directive Conglomérats financiers.
Art. 341
Cet article confère à la Banque un pouvoir de
dérogation individuelle aux dispositions légales et
réglementaires relatives au contrôle de groupe ou à la
surveillance complémentaire des conglomérats et ce,
afin de favoriser l’efficacité du dispositif de contrôle.
Ce pouvoir de dérogation figurait déjà dans la loi
du 9 juillet 1975 (article 91octiesdecies, § 5) et la loi
du 16 février 2009 (article 98, § 5). Il est rappelé que
la fonction des dérogations n’est pas d’accorder des
faveurs aux entreprises soumises à un statut et un
régime de contrôle. Elles évitent qu’une application
stricte ou immédiate de certaines règles empêche, en
réalité, d’atteindre les objectifs de la réglementation ou
de faire face à des difficultés transitoires et permettent
de mieux tenir compte, dans les faits, de l’esprit de la loi
(voy. Doc. Parl., Sénat, 1992-1993, n° 616-2, p. 15). En
vertu du principe d’égalité (lois du service public) auquel
est tenue la Banque, dès lors que les circonstances d’un
cas d’espèce (ou plus exactement, les éléments de fait
à l’appui de la motivation d’une décision de dérogation)
ayant conduit à une dérogation se présentent dans un
autre cas, il conviendra d’en déduire que la Banque sera
tenue d’accorder une dérogation analogue. Enfin, une
dérogation ne pourra être accordée qu’à la condition
231
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zijn een soortgelijke afwijking toe te staan. Bovendien
mag een afwijking enkel worden toegestaan voor zover
ze in overeenstemming is met de ter zake relevante
bepalingen van, naargelang het geval, de Richtlijn en
de Richtlijn Financiële Conglomeraten.
Art. 342
Dit artikel bevat geen inhoudelijke vernieuwingen ten
opzichte van de bestaande wettelijke regeling maar her-
innert eraan dat de Bank in voorkomend geval gebruik
kan maken van de reglementaire bevoegdheid die haar
in artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998 wordt
verleend om de in deze Titel vastgelegde praktische mo-
daliteiten van het groepstoezicht of van het aanvullende
toezicht op financiële conglomeraten nader te bepalen.
HOOFDSTUK II
Toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken
van een verzekerings- of herverzekeringsgroep
Zoals reeds vermeld in de algemene toelichting bij
het voorliggende ontwerp, werd het toezicht op verze-
kerings- of herverzekeringsgroepen in de Richtlijn vol-
ledig herwerkt ten opzichte van de bestaande regeling
van Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvul-
lend toezicht op verzekeringsondernemingen en her-
verzekeringsondernemingen in een verzekerings- of
herverzekeringsgroep. In Richtlijn 98/78/EG was het
groepstoezicht opgevat als een aanvullend toezicht
ten opzichte van het toezicht op individuele basis. In
de Richtlijn daarentegen wordt de groep niet als een
samenvoeging van individuele entiteiten beschouwd
maar als een economische entiteit die aan soortgelijke
vereisten moet worden onderworpen als deze die gelden
voor elke entiteit die deel uitmaakt van de groep. Deze
economische benadering heeft tot gevolg dat voor elke
verzekerings- of herverzekeringsgroep, in de zin van
de Richtlijn, een groepstoezichthouder moet worden
aangeduid die over specifieke bevoegdheden beschikt,
met dien verstande dat een samenwerking moet wor-
den ingesteld tussen deze groepstoezichthouder en
de toezichthouders van de entiteiten die deel uitmaken
van de betrokken groep. Deze benadering houdt ook
in dat op groepsniveau een minimumkapitaalvereiste
(MCR) en een solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR) wor-
den opgelegd. Het SCR op groepsniveau moet kunnen
worden berekend op basis van een intern model dat
door de groepstoezichthouder wordt goedgekeurd onder
voorbehoud van de maatregelen die kunnen worden
opgelegd door de toezichthouder van een entiteit die
qu’elle reste conforme aux dispositions pertinentes en
la matière, selon le cas, de la Directive et de la Directive
Conglomérats financiers.
Art. 342
Cet article ne contient pas d’innovation de fond par
rapport au dispositif légal existant mais rappelle que la
Banque peut, le cas échéant, faire usage du pouvoir
réglementaire qui lui est conféré par l’article 12bis de
la loi du 22 février 1998 afin de préciser les modalités
pratiques de du contrôle de groupe ou de la surveillance
complémentaire des conglomérats financiers telles
qu’elles sont définies par le présent Titre.
CHAPITRE II
Du contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance faisant partie d’un groupe
d’assurance ou de réassurance
Ainsi qu’il a d’ores et déjà été indiqué dans la pré-
sentation générale du présent projet, le contrôle des
groupes d’assurance ou de réassurance a été totalement
repensé dans la Directive par rapport au régime existant
sous l’empire de la directive 98/78/CE du Parlement
européen et du Conseil du 27 octobre 1998 sur la sur-
veillance complémentaire des entreprises d’assurances
et de réassurance faisant partie d’un groupe d’assu-
rance ou de réassurance. Dans la directive 98/78/CE,
le contrôle du groupe était conçu comme un contrôle
complémentaire par rapport au contrôle sur base indi-
viduelle. Dans la Directive, par contre, le groupe n’est
plus abordé comme une addition d’entités individuelles
mais comme une entité économique qui doit être sou-
mise à des exigences similaires à celles auxquelles doit
répondre chaque entité qui fait partie du groupe. Cette
approche économique a pour conséquence que chaque
groupe d’assurance ou de réassurance, au sens de la
Directive, doit se voir attribuer un contrôleur du groupe
disposant de compétences spécifiques étant entendu
qu’une collaboration doit être mise en place entre ce
contrôleur du groupe et les autorités de contrôle des en-
tités qui font partie du groupe concerné. Cette approche
se traduit également par le fait qu’un capital minimum
requis (MCR) et un capital de solvabilité requis (SCR)
sont exigés au niveau du groupe. En ce qui concerne le
SCR au niveau du groupe, il doit pouvoir être calculé sur
la base d’un modèle interne approuvé par le contrôleur
du groupe sous réserve des mesures qui peuvent être
imposées par l’autorité de contrôle d’une entité faisant
partie du groupe. Le groupe doit également procéder
232
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
deel uitmaakt van de groep. De groep moet ook haar
eigen solvabiliteit en risico’s beoordelen en een verslag
publiceren over haar solvabiliteit en financiële positie.
Het groepstoezicht is niet alleen een volwaardig toezicht
geworden dat naast het toezicht op individuele basis
wordt uitgeoefend, maar heeft bovendien een invloed
op het toezicht op individuele basis op de entiteiten die
deel uitmaken van de groep.
De bepalingen van het voorliggende ontwerp die
betrekking hebben op het toezicht op verzekerings- en
herverzekeringsgroepen, strekken ertoe een antwoord
te bieden op de volgende vragen.
Een eerste vraag is op welke verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen er een toezicht op groepsni-
veau wordt uitgeoefend. Om deze vraag te beantwoor-
den wordt bepaald welke de toepassingsgevallen zijn,
en worden de reikwijdte van het groepstoezicht (of, met
andere woorden, de perimeter van de ondernemingen
die onder het toezicht op groepsniveau vallen) en de
toezichtsniveaus vastgelegd. Deze aspecten komen
aan bod in Afdeling I van dit Hoofdstuk.
De volgende vraag is wat het voorwerp is van dit
toezicht op groepsniveau, of waarop het betrekking
heeft. Afdeling II van dit Hoofdstuk bepaalt aldus de toe-
zichtsdomeinen: groepssolvabiliteit, risicoconcentratie
en intragroeptransacties, governancesysteem op het
niveau van de groep en bekendmaking van informatie.
Nadat de groep gedefinieerd is en de toezichtsdomei-
nen zijn vastgelegd, wordt bepaald welke toezichthou-
der de rol van groepstoezichthouder zal vervullen en
over welke bevoegdheden deze groepstoezichthouder
beschikt, en wordt verduidelijkt wat de rol is van de
toezichthouders van de entiteiten die deel uitmaken van
de groep. Deze aspecten komen aan bod in Afdeling III.
Hoewel de verzekeringsholdings en de gemengde
financiële holdings geen vergunningsplicht hebben en
als zodanig geen gereglementeerde ondernemingen
zijn, moeten zij toch bij het groepstoezicht in aanmerking
worden genomen, wegens hun centrale rol in bepaalde
groepsstructuren (Afdeling IV van dit Hoofdstuk). Het
geval van de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die deel uitmaken van een groep waarvan de
moederonderneming in een derde land is gevestigd of
een gemengde verzekeringsholding is, komen eveneens
aan bod (Afdeling V en Afdeling VI van dit Hoofdstuk).
Er zij verduidelijkt dat dit Hoofdstuk de verplichtingen
inzake groepstoezicht bevat die gelden voor verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch
à une évaluation propre de sa solvabilité et de ses
risques et publier un rapport propre sur sa solvabilité et
sa situation financière. Le contrôle du groupe est non
seulement devenu un contrôle à part entière qui s’exerce
à côté du contrôle sur base individuelle mais, en outre,
il influence le contrôle sur base individuelle des entités
faisant partie du groupe.
Les dispositions du présent projet relatives au
contrôle des groupes d’assurance et de réassurance
ont pour objet de répondre aux questions suivantes:
Tout d’abord, quelles sont les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance soumises à un contrôle au
niveau du groupe? À cette fin, sont définis les cas
d’application, la portée du contrôle de groupe (ou, en
d’autres termes, le périmètre d’entreprises incluses
dans le contrôle au niveau du groupe) et les niveaux
de contrôle. Ces aspects sont abordés dans la Section
Ire du présent Chapitre.
Ensuite, quel est l’objet de ce contrôle exercé au
niveau du groupe, sur quels aspects porte-t-il? La
Section II du présent Chapitre détermine ainsi les
domaines de contrôle: solvabilité du groupe, concentra-
tion des risques et transactions intra-groupe, système
de gouvernance au niveau du groupe et information à
destination du public.
Enfin, le groupe ayant été défini et les domaines de
contrôle identifiés, il incombe d’une part, de déterminer
quelle autorité de contrôle assumera le rôle de contrô-
leur du groupe ainsi que ses compétences et d’autre
part, de préciser le rôle des autorités de contrôle des
entités qui font partie du groupe. Ces aspects sont traités
dans la Section III.
Par ailleurs, bien qu’elles ne soient pas soumises à
une obligation d’agrément et qu’elles ne soient pas des
entreprises réglementées en tant que telles, les socié-
tés holding d’assurance et les compagnies financières
mixtes, par le rôle central qu’elles occupent dans cer-
taines structures de groupe, doivent être incluses dans
le contrôle exercé au niveau du groupe (Section IV du
présent Chapitre). Le cas des entreprises d’assurance
ou de réassurance faisant partie d’un groupe dont
l’entreprise mère est située dans un pays tiers ou est
une société holding mixte d’assurance sont également
traités (Section V et Section VI du présent Chapitre).
On précise que sont définies dans le présent Chapitre
les obligations en matière de contrôle de groupe à
charge des entreprises d’assurance ou de réassurance
233
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
recht, ongeacht of ze aan het hoofd staan van de groep
of in dit toezicht zijn opgenomen, en ongeacht de
toezichthouder die binnen de Europese Economische
Ruimte is aangeduid als groepstoezichthouder (zie de
Afdelingen I en II). Afdeling III daarentegen, die betrek-
king heeft op de bevoegdheden en de verplichtingen
van de groepstoezichthouder, is opgesteld met als
uitgangspunt dat de Bank als groepstoezichthouder is
aangeduid.
Afdeling I
Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het
groepstoezicht
Onderafdeling I
Toepassingsgevallen van het groepstoezicht
Art. 343
Ontwerpartikel 343 bevestigt in de eerste plaats
het beginsel dat verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken
van een groep, aan een toezicht op groepsniveau zijn
onderworpen.
Vervolgens moet echter bepaald worden welke
groepsstructuren tot gevolg hebben dat een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht die er deel van uitmaakt, aan een toezicht op het
niveau van de betrokken groep wordt onderworpen. In
het voorliggende memorie worden dit de “triggers” van
het groepstoezicht genoemd.
Ten eerste wordt er een groepstoezicht uitgeoefend
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht die een deelnemende onderneming
in ten minste één verzekerings- of herverzekerings-
onderneming met zetel in de Europese Economische
Ruimte of in een derde land zijn. Onder “deelnemende
onderneming” wordt verstaan een onderneming die een
moederonderneming is, een andere onderneming die
een deelneming bezit, of een onderneming waarmee
een consortium wordt gevormd in de zin van artikel
10 van het Wetboek van Vennootschappen (ontwerp-
artikel 339, 1°). De begrippen “moederonderneming” en
“deelneming” worden elders gedefinieerd.
Ten tweede zijn verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen waarvan de moederonderneming een
verzekeringsholding of een gemengde financiële holding
met zetel in de Europese Economische Ruimte is, even-
eens onderworpen aan het toezicht op groepsniveau.
de droit belge, qu’elles soient à la tête du groupe
ou incluses dans ce contrôle et cela, quelle que soit
l’autorité de contrôle au sein de l’Espace économique
européen qui est désignée contrôleur du groupe (Voy.
Sections Ire et II). Par contre, la Section III, qui traite des
prérogatives et obligations du contrôleur de groupe, est
rédigée dans la perspective où la Banque est désignée
en qualité de contrôleur du groupe.
Section Ire
Cas d’application, portée et niveaux du contrôle
de groupe
Sous-section Ire
Cas d’application du contrôle de groupe
Art. 343
L’article 343 en projet affirme tout d’abord le principe
suivant lequel les entreprises d’assurance ou de réas-
surance de droit belge qui font partie d’un groupe sont
soumises à un contrôle au niveau du groupe.
Il importe cependant d’identifier les structures de
groupe qui conduisent à soumettre les entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge qui en
font partie, à un contrôle exercé au niveau dudit groupe.
C’est ce que l’on appellera dans le cadre du présent
exposé, les éléments déclencheurs (ou “triggers”) du
contrôle de groupe.
Il y a, premièrement, contrôle de groupe lorsqu’une
entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge est une entreprise participante dans au moins
une entreprise d’assurance ou de réassurance ayant
son siège social dans l’Espace économique européen
ou dans un pays tiers. Par entreprise participante, on
entend une entreprise qui est une entreprise mère, une
autre entreprise qui détient une participation ou une
entreprise avec laquelle est formé un consortium au
sens de l’article 10 du Code des sociétés (art. 339, 1° en
projet). Les notions d’entreprise mère et de participation
sont définies par ailleurs.
Deuxièmement, l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance dont l’entreprise mère est une société holding
d’assurance ou une compagnie financière mixte ayant
son siège dans l’Espace économique européen est
également soumise à un contrôle exercé au niveau du
groupe.
234
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Hetzelfde geldt voor verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen waarvan de moederonderneming
een verzekeringsholding of een gemengde financiële
holding met zetel in een derde land is.
Tot slot wordt ook een groepstoezicht uitgeoefend
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
waarvan de moederonderneming een gemengde ver-
zekeringsholding is, ongeacht of deze haar zetel in de
Europese Economische Ruimte of in een derde land
heeft.
Nadat bepaald is hoe het toezicht op groepsniveau
getriggerd wordt, moet nog bepaald worden welke
ondernemingen onder dit toezicht zullen vallen of, met
andere woorden, welke de reikwijdte is van dit toezicht.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het begrip “groep”
als gedefinieerd in ontwerpartikel 339, 2°. De reikwijdte
van het groepstoezicht wordt eveneens bepaald in de
ontwerpartikelen 348 tot 350.
Het voorwerp van het toezicht op groepsniveau ver-
schilt naargelang van de betrokken structuur.
Tot slot zij erop gewezen dat het toezicht op groepsni-
veau geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele
basis op de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die onder het toezicht op het niveau van een
groep vallen, behoudens andersluidende bepalingen die
in of krachtens Hoofdstuk II of in de uitvoeringsmaatre-
gelen van de Richtlijn zijn vastgelegd. De Bank mag bij
het bepalen van de inhoud en de modaliteiten van het
toezicht op individuele basis op verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen evenwel rekening houden met
de gevolgen van het toezicht op groepsniveau.
Art. 344 tot 347
De ontwerpartikelen 344 tot 347 regelen de samen-
hang tussen de regels inzake het toezicht op verze-
kerings- en herverzekeringsgroepen en, enerzijds, de
regels inzake het geconsolideerde toezicht op krediet-
instellingen en, anderzijds, de regels inzake het aanvul-
lende toezicht op financiële conglomeraten, in het geval
dat een gemengde financiële holding aan het hoofd
staat van een verzekerings- of herverzekeringsgroep.
Aangezien een dergelijke entiteit onder de toepassing
valt van zowel de regels inzake het toezicht op verzeke-
rings- en herverzekeringsgroepen, als de regels inzake
het aanvullende toezicht op financiële conglomeraten,
als de bepalingen inzake het geconsolideerde toezicht
op bankgroepen, moet de samenloop van toepasbare
regelingen vermeden worden.
Il en va de même de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance dont l’entreprise mère est une société
holding d’assurance ou une compagnie financière mixte
ayant son siège dans un pays tiers.
Enfin, est également visé le cas de l’entreprise d’as-
surance ou de réassurance dont l’entreprise mère est
une société holding mixte d’assurance, que celle-ci ait
son siège social dans l’Espace économique européen
ou dans un pays tiers.
Les éléments déclencheurs d’un contrôle au niveau
du groupe étant déterminés, il reste à identifier le
périmètre d’entreprises qui vont être incluses dans ce
contrôle ou, autrement dit, la portée de ce contrôle. À
cette fin, on aura égard à la notion de groupe telle qu’elle
est définie par l’article 339, 2° en projet. La portée du
contrôle de groupe est également précisée dans les
articles 348 à 350 en projet.
Quant à l’objet du contrôle au niveau du groupe, il est
à noter qu’il varie selon la structure considérée.
Précisons enfin que le contrôle au niveau du groupe
ne porte pas préjudice au contrôle, sur une base indi-
viduelle, des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance incluses dans le contrôle au niveau d’un groupe,
sauf dispositions contraires prévues par ou en vertu
du Chapitre II ou par les mesures d’exécution de la
Directive. La Banque peut toutefois tenir compte des
implications du contrôle au niveau du groupe dans la
détermination du contenu et des modalités du contrôle
sur une base individuelle des entreprises d’assurance
ou de réassurance.
Art. 344 à 347
Les articles 344 à 347 en projet visent à organiser
l’articulation entre les règles en matière de contrôle
des groupes d’assurance et de réassurance et, d’une
part, les règles en matière de contrôle consolidé des
établissements de crédit et, d’autre part, les règles en
matière de surveillance complémentaire des conglo-
mérats financiers dans l’hypothèse où une compagnie
financière mixte est à la tête d’un groupe d’assurance
ou de réassurance. Une telle entité relevant, en effet, de
l’application à la fois des règles en matière de contrôle
des groupes d’assurance et de réassurance, des
règles en matière de surveillance complémentaire des
conglomérats financiers et des dispositions en matière
de contrôle consolidé des groupes bancaires, il convient
d’éviter les cumuls de régimes applicables.
235
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Er zij verduidelijkt dat hier dezelfde aanpak wordt
gevolgd als die welke voor de banksector is vastgelegd
in de wet van 25 april 2014, waar de problematiek van de
samenloop van de voor een gemengde financiële hol-
ding geldende toezichtsregimes zich op dezelfde wijze
stelt. Er zij verwezen naar de commentaar bij artikel
170 van de wet van 25 april 2014 voor een uiteenzet-
ting van deze problematiek (Parl.St. Kamer, 2013-2014,
n° 53-3406/001, 163 e.v.).
Ten eerste wordt de mogelijke duplicatie, op het ni-
veau van een gemengde financiële holding, tussen het
toezicht op een verzekerings- en herverzekeringsgroep
en het geconsolideerde toezicht op kredietinstellingen
vermeden, door te bepalen dat, wanneer bepaalde voor-
waarden vervuld zijn, de bepalingen inzake het toezicht
op verzekerings- en herverzekeringsgroepen die van
toepassing zijn op de groep wegens de positie van de
verzekeringsholding, moeten worden toegepast op het
niveau van de gemengde financiële holding (dit belet
niet dat het geconsolideerde toezicht op kredietinstel-
lingen van toepassing kan zijn op een lagere subgroep).
Deze voorwaarden zijn drieërlei: de verzekeringssector
moet de belangrijkste sector zijn binnen het conglome-
raat, minstens één van de dochterondernemingen is
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
de Bank oefent zowel het toezicht op het niveau van
de verzekerings- of herverzekeringsgroep uit als het
aanvullende toezicht op het financieel conglomeraat
(ontwerpartikel 345).
Wat de mogelijke duplicatie tussen het toezicht op het
niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep en
het aanvullende conglomeraatstoezicht betreft, kan de
Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder,
besluiten op de gemengde financiële holding alleen de
regels inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht
toe te passen wanneer blijkt dat deze holding aan
gelijkwaardige — d.w.z. even strenge — bepalingen
is onderworpen voor wat betreft het risicogebaseerd
toezicht (ontwerpartikel 346). Er wordt dus voorrang
gegeven aan de regeling die het bestaan erkent van
het conglomeraat, waarvan de perimeter uitgebreider is
dan die van de verzekeringsgroep, ook al zijn de regels
inzake het verzekeringsgroepstoezicht even streng.
Om de gelijkwaardigheid van de bepalingen inzake
het conglomeraatstoezicht enerzijds en het groepstoe-
zicht anderzijds, te beoordelen, moeten de reikwijdte
van het toezicht en de toezichtsdomeinen a priori wor-
den bekeken. Enkel wanneer de reikwijdte en de toe-
zichtsdomeinen gelijkwaardig zijn, kan de Bank, in haar
hoedanigheid van groepstoezichthouder, in de optiek
van het voorliggende ontwerp het besluit nemen als
bedoeld in ontwerpartikel 346. Zo zij erop gewezen dat
On précise que l’approche suivie est identique à celle
adoptée en matière bancaire par la loi du 25 avril 2014,
où la problématique du cumul de régimes de contrôle
applicables à une compagnie financière mixte se pose
en des termes identiques. On renvoie au commentaire
de l’article 170 de la loi du 25 avril 2014 pour une pré-
sentation de cette problématique (Doc. parl., Chambre,
2013-2014, n° 53-3406/001, p. 163 e.s.).
Afin d’éviter tout d’abord toute duplication, au niveau
d’une compagnie financière mixte, entre le contrôle du
groupe d’assurance et de réassurance et le contrôle
sur base consolidée des établissements de crédit, il est
prévu que, lorsque certaines conditions sont réunies,
les dispositions en matière de contrôle des groupes
d’assurance et de réassurance qui sont applicables au
groupe en raison de la situation de la société holding
d’assurance, doivent être appliquées au niveau de la
compagnie financière mixte (cela n’empêche pas que
le contrôle sur base consolidée des établissements de
crédit soit d’application à un niveau inférieur). Ces condi-
tions sont au nombre de trois: le secteur des assurances
doit être le principal secteur au sein du conglomérat,
l’une des filiales au moins est une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance et la Banque exerce aussi
bien le contrôle au niveau du groupe d’assurance ou
de réassurance que la surveillance complémentaire du
conglomérat financier (art. 345 en projet).
En ce qui concerne ensuite la duplication éventuelle
entre le contrôle au niveau du groupe d’assurance et
de réassurance et la surveillance complémentaire des
conglomérats, la Banque, en sa qualité de contrôleur
de groupe, peut décider d’appliquer à la compagnie
financière mixte les seules règles en matière de sur-
veillance complémentaire des conglomérats lorsqu’il
apparaît que celle-ci est soumise à des dispositions
équivalentes, c’est-à-dire, aussi strictes, en termes de
surveillance fondée sur le risque (art. 346 en projet). La
priorité est donc donnée au régime qui appréhende le
conglomérat, dont le périmètre est plus vaste par rapport
à celui du groupe d’assurance et ce, même si les règles
en matière de contrôle des groupes d’assurance sont
aussi strictes.
Pour évaluer l’équivalence des dispositions en
matière de surveillance des conglomérats d’une part,
et de contrôle du groupe d’autre part, il convient a priori
d’examiner la portée du contrôle et les domaines de
contrôle. Ce n’est que lorsque la portée et les domaines
de contrôle sont équivalents que, dans l’optique du
présent projet, la Banque, en sa qualité de contrôleur
de groupe, peut prendre la décision visée à l’article
346 en projet. Ainsi, on fait remarquer que le régime
236
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het toezichtsregime voor conglomeraten nog altijd als
beperkter wordt beschouwd dan het driepijlertoezicht
dat door de Richtlijn is ingesteld.
Overwegende echter dat de samenhang tussen het
groepstoezicht en het aanvullende conglomeraatstoe-
zicht met grotere zekerheid moet worden geregeld dan
in de Richtlijn, beoogt ontwerpartikel 347 deze aange-
legenheid op een structurelere manier te regelen.
Deze aanpak vertaalt zich in drie elementen.
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming deel uitmaakt van een financieel conglo-
meraat, worden voor het toezicht op het niveau van de
verzekerings- en herverzekeringsgroep, op de volledige
“groep”, als in ontwerpartikel 340, 1° gedefinieerd in
uitvoering van de Richtlijn Financiële Conglomeraten,
ten eerste de verplichtingen en bevoegdheden inzake
risicogebaseerd toezicht toegepast. Concreet betekent
dit dat de regels van de voorliggende wet die betrek-
king hebben op ORSA, het governancesysteem op het
niveau van de groep en de rapportering, ook gelden
voor de entiteiten die onder de definitie van “groep”
vallen in de zin van ontwerpartikel 340, 1°, d.w.z., niet
alleen de dochterondernemingen die verzekerings- of
herverzekerings-ondernemingen zijn, maar ook alle
dochterondernemingen en deelnemingen die tot de
banksector behoren (ontwerpartikel 347, eerste lid, 1°).
Ten tweede worden de groepsrisico’s die voortvloeien
uit intragroeptransacties en risicoconcentratie binnen
het financieel conglomeraat, afzonderlijk en op afdoende
wijze behandeld bij de uitoefening van het toezicht op
groepsniveau.
Ten derde kunnen de stresstests op het niveau van
het financieel conglomeraat (zie ontwerpartikel 467)
geïntegreerd worden in de stresstests die vereist zijn
op grond van ontwerpartikel 322.
Dankzij de drie hogergenoemde elementen kan de
behandeling van de conglomeraatsrisico’s zoveel mo-
gelijk worden afgestemd op het toezicht op het niveau
van de groep, en zijn de financiële conglomeraten
voortaan niet langer aan twee van elkaar losstaande
groepstoezichtsregimes onderworpen maar aan één
enkel geïntegreerd groepstoezicht.
Hoewel het hier uiteindelijk om een Belgische
specificiteit gaat, vindt deze integratie toch steun in
verschillende bepalingen van de Richtlijn Financiële
Conglomeraten, bijvoorbeeld artikel 9, lid 6.
Er zij verduidelijkt dat de benadering die door
ontwerpartikel 347 wordt ingevoerd, vereist dat de
de surveillance des conglomérats est encore toujours
considéré comme plus limité que le contrôle des trois
piliers mis en place par la Directive.
Considérant toutefois qu’il convient de régler l’articu-
lation entre contrôle de groupe et surveillance complé-
mentaire du conglomérat avec une plus grand certitude
que ne le fait la Directive, l’article 347 en projet entend
régler cette question de manière plus structurelle.
Cette approche se traduit en trois points.
C’est ainsi que lorsqu’une entreprise d’assurance
ou de réassurance fait partie d’un conglomérat finan-
cier, on appliquera premièrement, pour le contrôle au
niveau du groupe d’assurance et de réassurance, à
la totalité du “groupe”, tel que défini à l’article 340, 1°
en projet en exécution de la directive Conglomérats
financiers, les obligations et les compétences relatives
au contrôle fondé sur les risques. Concrètement, les
règles de la présente loi relatives à l’ORSA, au système
de gouvernance au niveau du groupe et au reporting
engloberont les entités qui relèvent de la définition de
groupe au sens de l’article 340, 1° en projet, c’est-à-
dire, non seulement les filiales qui sont des entreprises
d’assurance ou de réassurance mais également toutes
les filiales et participations relevant du secteur bancaire
(art. 347, al. 1er, 1°en projet).
Deuxièmement, les risques du groupe qui découlent
d’opérations intragroupes et de la concentration des
risques au sein du conglomérat financier sont traités
de façon distincte et appropriée au sein du contrôle au
niveau du groupe.
Troisièmement, les simulations de crise au niveau du
conglomérat financier (voir art. 467 en projet) peuvent
être intégrées dans les simulations de crise requises
sur la base de l‘article 322 en projet.
Grâce aux trois points précités, le traitement des
risques générés par les conglomérats peut être aligné
le plus possible sur le contrôle au niveau du groupe, et
les conglomérats financiers font désormais l’objet d’un
contrôle de groupe intégré, plutôt que deux régimes de
contrôle de groupe indépendants l’un de l’autre.
Bien qu’il s’agisse finalement d’une spécificité belge,
cette intégration peut se prévaloir de différentes dis-
positions de la directive Conglomérats financiers, par
exemple, l’article 9, paragraphe 6.
On précise que l’approche mise en place par l’article
347 en projet requiert que le secteur des assurances
237
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekeringssector de belangrijkste sector is binnen
het financieel conglomeraat en dat de Bank zowel het
toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglo-
meraatstoezicht uitoefent.
De redenen waarom het aanvullende conglomeraat-
stoezicht, ondanks de hierboven beschreven integra-
tietechnieken, toch nog als een afzonderlijk hoofdstuk
is opgenomen in het voorliggende ontwerp, zijn de
volgende:
— aanvullend conglomeraatstoezicht is ook mogelijk
voor structuren die niet onder het toezicht op verzeke-
rings- of herverzekeringsgroepen vallen (bijvoorbeeld
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met
als enige dochteronderneming een kredietinstelling);
— het is ook mogelijk dat niet alle relevante bevoegde
autoriteiten die betrokken zijn bij het financieel conglo-
meraat akkoord gaan met de hierboven beschreven
integratie, in welk geval het geconsolideerde toezicht
op het niveau van de verzekerings- of herverzekerings-
groep en het aanvullende conglomeraatstoezicht los van
elkaar toegepast blijven worden.
Onderafdeling II
Reikwijdte van het groepstoezicht
Art. 348 tot 350
De ontwerpartikelen 348 tot 350 bepalen de perimeter
van de in het groepstoezicht opgenomen ondernemin-
gen of, met andere woorden, de reikwijdte van dit toe-
zicht. In dit verband zij verwezen naar de commentaar
bij artikel 343.
Ontwerpartikel 348 bepaalt allereerst dat de uitoe-
fening van toezicht op het niveau van de groep niet
betekent dat toezicht op individuele basis moet worden
uitgeoefend op de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen die onder een derde land ressorteren, op
de verzekeringsholding, op de gemengde financiële hol-
ding of op de gemengde verzekeringsholding die onder
het toezicht op groepsniveau vallen. Met betrekking tot
deze regel wordt echter een voorbehoud gemaakt voor
verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings
die, zonder gereglementeerde entiteiten te zijn, toch een
aantal bepalingen op individuele basis moeten naleven
omdat zij aan het hoofd van een groep staan. Voor
deze bepalingen zij verwezen naar de commentaar bij
Afdeling IV van dit Hoofdstuk.
soit le principal secteur au sein du conglomérat financier
et que la Banque exerce tant le contrôle au niveau du
groupe que la surveillance complémentaire du conglo-
mérat financier.
Les raisons pour lesquelles la surveillance com-
plémentaire des conglomérats figure encore dans un
chapitre distinct au sein du présent projet, en dépit des
techniques d’intégration décrites ci-dessus, sont les
suivantes:
— la surveillance complémentaire des conglomé-
rats est également possible pour les structures qui ne
relèvent pas du contrôle des groupes d’assurance ou
de réassurance (par exemple une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ayant comme seule filiale un
établissement de crédit);
— il est également toujours possible que les autorités
compétentes relevantes concernées par le conglomé-
rat financier ne se déclarent pas toutes d’accord sur
l’intégration décrite ci-dessus, auquel cas le contrôle
sur base consolidé au niveau du groupe d’assurance
ou de réassurance et la surveillance complémentaire
des conglomérats continuent alors de s’appliquer indé-
pendamment l’un de l’autre.
Sous-section II
Portée du contrôle de groupe
Art. 348 à 350
Les articles 348 à 350 en projet viennent préciser le
périmètre des entreprises incluses dans le contrôle de
groupe ou, autrement dit, la portée de ce contrôle. On
renvoie à ce propos à l’explication sous le commentaire
de l’article 343.
L’article 348 en projet précise tout d’abord que l’exer-
cice d’un contrôle au niveau du groupe n’implique pas
le contrôle sur base individuelle des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance relevant du droit d’un pays
tiers, de la société holding d’assurance, de la compagnie
financière mixte ou de la société holding mixte d’assu-
rance incluses dans le contrôle au niveau du groupe.
Une réserve est cependant apportée à cette règle en
ce qui concerne les sociétés holding d’assurance et les
compagnies financières mixtes qui, sans être des entités
réglementées, sont néanmoins tenues au respect d’un
certain nombre de dispositions sur une base individuelle
en raison de leur qualité de tête de groupe. On renvoie
au commentaire de la Section IV du présent Chapitre
pour la présentation desdites dispositions.
238
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Ontwerpartikel 349 bepaalt vervolgens in welke
gevallen de groepstoezichthouder per geval kan be-
sluiten om bij het groepstoezicht een onderneming niet
in aanmerking te nemen die in principe met toepassing
van de ontwerpartikelen 339, 2° en 343 in dit toezicht
zou moeten worden opgenomen. Er wordt eveneens
bepaald wie de Bank moet raadplegen, wanneer zij
groepstoezichthouder is, ingeval zij een dergelijk besluit
dient te nemen.
Wanneer een onderneming niet bij het groepstoezicht
in aanmerking wordt genomen, mag dit niet ten koste
gaan van het individueel toezicht dat op de betrokken
onderneming wordt uitgeoefend. Daarom wordt bepaald
dat wanneer een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming op grond van de Belgische of een andere
nationale wetgeving die voorziet in de omzetting van
de Richtlijn, niet bij het groepstoezicht in aanmerking
wordt genomen, de Belgische onderneming die aan
het hoofd van de groep staat, aan de toezichthouder
van de lidstaat waar deze niet (in het groepstoezicht)
opgenomen onderneming is gevestigd, alle informatie
dient te verstrekken die naar haar mening het toezicht
op de betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming kan vergemakkelijken.
In principe zal de Bank een recht van toegang krij-
gen tot de onderneming aan het hoofd van de groep
die onder een andere lidstaat ressorteert, ingeval een
onderneming naar Belgisch recht niet bij het groepstoe-
zicht in aanmerking wordt genomen, en dit krachtens
de nationale wetgeving van die lidstaat.
Onderafdeling III
Niveaus
De ontwerpartikelen 351 tot 357 regelen de samen-
hang tussen de verschillende niveaus van groeps-
toezicht, d.w.z., op het hoogste niveau binnen een
lidstaat of op het hoogste niveau binnen de Europese
Economische Ruimte, en dit om duplicatie van toezicht
te vermijden.
§ 1 — Uiteindelijke moederonderneming op het ni-
veau van de Europese Economische Ruimte
Ontwerpartikel 351 bepaalt op welk niveau het
groepstoezicht wordt uitgeoefend wanneer de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
de verzekeringsholding of de gemengde financiële hol-
ding naar Belgisch recht zelf een dochteronderneming
van een andere verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, een andere verzekeringsholding of een andere
gemengde financiële holding met zetel in de Europese
L’article 349 en projet détermine ensuite les cas dans
lesquels le contrôleur de groupe peut décider, au cas par
cas, de ne pas inclure dans le contrôle de groupe une
entreprise qui, en principe, par l’application des articles
339, 2° et 343 en projet, devraient y être intégrées. Il
est également précisé les consultations auxquelles
la Banque doit procéder, lorsqu’elle est contrôleur du
groupe, si elle est amenée à prendre une telle décision.
Le fait pour une entreprise de ne pas être incluse
dans un contrôle de groupe ne peut toutefois pas inter-
venir au détriment du contrôle individuel de l’entreprise
concernée. C’est pourquoi, lorsqu’en application de la
législation belge ou d’une autre législation nationale
assurant la transposition de la Directive, une entreprise
d’assurance ou de réassurance n’est pas incluse dans
le contrôle au niveau du groupe, c’est à l’entreprise
belge qui est à la tête du groupe qu’il incombe de fournir
à l’autorité de l’État membre où cette entreprise non
incluse (dans le contrôle du groupe) est située, toute
information que celle-ci estime de nature à faciliter le
contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée.
En principe, la Banque se verra reconnaître un droit
d’accès à l’entreprise tête de groupe qui relèverait du
droit d’un autre État membre en cas de non inclusion
d’une entreprise de droit belge dans un contrôle de
groupe et ce, en vertu de la législation nationale de cet
État membre.
Sous-section III
Niveaux
Les articles 351 à 357 en projet ont pour objet de
régler l’articulation entre les différents niveaux de
contrôle de groupe, c’est-à-dire, au niveau le plus élevé
au sein d’un État membre ou au niveau le plus élevé à
l’échelon de l’Espace économique européen et ce, afin
d’éviter les duplications de contrôle.
§ 1er — Entreprise mère supérieure au niveau de
l’Espace économique européen
L’article 351 en projet précise à quel niveau s’exerce
le contrôle de groupe lorsque l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante, la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte de droit
belge, est elle-même une entreprise filiale d’une autre
entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une autre
société holding d’assurance ou d’une autre compagnie
financière mixte ayant son siège social dans l’Espace
239
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Economische Ruimte is. Deze moederonderneming
wordt “uiteindelijke moederonderneming op het niveau
van de Europese Economische Ruimte” genoemd.
Ontwerpartikel 352 regelt het geval waarin deze
uiteindelijke moederonderneming op het niveau van
de Europese Economische Ruimte zelf een dochteron-
derneming is van een onderneming die aan aanvullend
toezicht is onderworpen overeenkomstig artikel 5, lid 2,
van de Richtlijn Financiële Conglomeraten.
§ 2 — Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch
niveau
Art. 353 tot 355
De aanwezigheid van een uiteindelijke moederonder-
neming op het niveau van de Europese Economische
Ruimte, waarvan de zetel buiten België is gevestigd, sluit
niet uit dat op Belgisch niveau een groepstoezicht wordt
uitgeoefend en belet dus niet dat de verzekerings- of
herverzekeringsholding of de verzekeringsholding of de
gemengde financiële holding naar Belgisch recht die de
dochteronderneming is van een dergelijke uiteindelijke
moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte, aan de bepalingen wordt on-
derworpen waarin door of krachtens Hoofdstuk II van
Titel V van de ontwerpwet is voorzien. Deze moeder-
onderneming naar Belgisch recht wordt “uiteindelijke
moederonderneming op Belgisch niveau” genoemd.
De Bank dient deze beslissing te nemen na raadple-
ging van de groepstoezichthouder en de uiteindelijke
moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte (ontwerpartikel 353). Deze mo-
gelijkheid is echter uitgesloten indien de dochteron-
derneming naar Belgisch recht onderworpen is aan de
regeling inzake gecentraliseerd risicobeheer als bedoeld
in de artikelen 238 en 239 van de Richtlijn.
Bovendien kan de Bank het toezicht op groepsniveau
op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch
niveau beperken tot bepaalde toezichtsdomeinen (ont-
werpartikel 354, § 1). Wat het toezicht op de groepssol-
vabiliteit betreft, is de Bank overigens gebonden aan de
beslissing van de groepstoezichthouder met betrekking
tot de keuze van de methode voor de berekening van de
solvabiliteit op het niveau van de groep (ontwerpartikel
354, § 2) of nog aan de door de groepstoezichthouder
verleende toestemming voor het gebruik van een intern
model voor de berekening van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste (ontwerpartikel 354, § 3, eerste lid). In dit
laatste geval kan de Bank voor de uiteindelijke moe-
deronderneming op Belgisch niveau onder bepaalde
voorwaarden een opslagfactor toepassen op het solva-
biliteitskapitaalvereiste van de groep of verlangen dat
économique européen. Cette entreprise mère est
dénommée “entreprise mère supérieure au niveau de
l’Espace économique européen”.
L’article 352 en projet règle l’hypothèse où cette
entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace
économique européen est elle-même filiale d’une
entreprise assujettie à une surveillance complémentaire
conformément à l’article 5, paragraphe 2, de la directive
Conglomérats financiers.
§ 2 — Entreprise mère supérieure au niveau belge
Art. 353 à 355
La présence d’une entreprise mère supérieure au
niveau de l’Espace économique européen, dont le
siège social serait en dehors de la Belgique, n’exclut
pas la mise en place d’un contrôle de groupe au niveau
belge et n’empêche donc pas d’assujettir l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ou la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte de droit
belge filiale d’un telle entreprise mère supérieure au
niveau de l’Espace économique européen, aux dispo-
sitions prévues par ou en vertu du Chapitre II du Titre
V de la loi en projet. Cette entreprise mère de droit
belge est dénommée “entreprise mère supérieure au
niveau belge”.
C’est à la Banque qu’il incombe de prendre cette
décision moyennant consultation du contrôleur du
groupe et de l’entreprise mère supérieure au niveau
de l’Espace économique européen (art. 353 en projet).
Cette possibilité est toutefois exclue si la filiale de droit
belge est soumise au régime de gestion centralisée
des risques visé aux articles 238 et 239 de la Directive.
La Banque peut, en outre, limiter le contrôle au niveau
du groupe de l’entreprise mère supérieure au niveau
belge à certains domaines de contrôle (art. 354, § 1er en
projet). En ce qui concerne le contrôle de la solvabilité du
groupe, la Banque est par ailleurs tenue par la décision
prise par le contrôleur du groupe quant au choix de la
méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe
(art. 354, § 2 en projet) ou encore par l’autorisation
accordée par le contrôleur du groupe quant à l’utilisation
d’un modèle interne pour le calcul du capital de solva-
bilité requis (art. 354, § 3, alinéa 1er en projet). Dans ce
dernier cas, la Banque peut toutefois, sous certaines
conditions, imposer à l’entreprise mère supérieure au
niveau belge, une exigence de capital supplémentaire
en ce qui concerne le capital de solvabilité requis du
groupe ou exiger de cette entreprise qu’elle calcule le
240
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste van
de groep op basis van de standaardformule berekent
(ontwerpartikel 354, § 3, tweede lid).
§ 3 — Moederonderneming die meerdere lidstaten
bestrijkt
Art. 356 en 357
Wanneer de uiteindelijke moederonderneming op
Belgisch niveau verbonden is met een of meer andere
uiteindelijke moederondernemingen op nationaal ni-
veau, kan de Bank een overeenkomst sluiten met de
toezichthouders van deze uiteindelijke moederonder-
nemingen, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op
het niveau van een subgroep die meerdere lidstaten
bestrijkt.
De ontwerpartikelen 356 en 357 bepalen het voor-
werp en de modaliteiten van dergelijke overeenkomsten.
Afdeling II
Domeinen van het groepstoezicht
Onder “domeinen van het groepstoezicht” wordt
de eigenlijke inhoud verstaan van de verschillende
onderdelen van het toezicht, d.w.z. het toezicht op
de groepssolvabiliteit (Onderafdeling I), het toezicht
op de risicoconcentratie en de intragroeptransacties
(Onderafdeling II), het governancesysteem op het niveau
van de groep (Onderafdeling III) en de bekendmaking
van informatie (Onderafdeling IV).
Onderafdeling I
Groepssolvabiliteit
§ 1 — Algemene bepalingen
Art. 358 tot 360
Ontwerpartikel 358 bevat de verplichting voor de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming die aan een
toezicht op groepsniveau is onderworpen, hetzij omdat
zij een deelnemende onderneming is, hetzij omdat zij
een dochteronderneming van een verzekeringsholding
of een gemengde financiële holding is, om over in aan-
merking komend eigen vermogen te beschikken dat
altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaal-
vereiste van de groep. Dit solvabiliteitskapitaalsvereiste
wordt respectievelijk berekend overeenkomstig de ont-
werpartikelen 361 tot 380 en ontwerpartikel 381 (ont-
werpartikel 358, § 2).
capital de solvabilité requis du groupe sur la base de
la formule standard (art. 354, § 3, alinéa 2 en projet).
§ 3 — Entreprise mère couvrant plusieurs États
membres
Art. 356 et 357
Lorsque l’entreprise mère supérieure au niveau
belge est liée à une ou plusieurs autres entreprises
mère supérieures au niveau national, la Banque peut
conclure, avec les autorités de contrôle dont relèvent
lesdites entreprises mères supérieures, un accord en
vue d’exercer un contrôle du groupe au niveau d’un
sous-groupe couvrant plusieurs États membres.
Les articles 356 et 357 en projet détaillent l’objet et
les modalités de tels accords.
Section II
Domaines du contrôle de groupe
Par “domaines du contrôle de groupe”, on entend
le contenu proprement dit des différentes parties du
contrôle, c’est-à-dire, le contrôle de la solvabilité du
groupe (Sous-section Ire), le contrôle de la concentration
des risques et des transactions intragroupe (Sous-
section II), le système de gouvernance au niveau du
groupe (Sous-section III) et les informations à fournir
au public (Sous-section IV).
Sous-Section Ire
Solvabilité du groupe
§ 1er — Dispositions générales
Art. 358 à 360
L’article 358 en projet énonce l’obligation pour l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance soumise à un
contrôle au niveau du groupe, que ce soit parce qu’elle
est entreprise participante ou filiale d’une société hol-
ding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte,
de disposer en permanence d’un montant de fonds
propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité
requis du groupe. Celui-ci est calculé conformément,
respectivement, aux articles 361 à 380 en projet et à
l’article 381 en projet (art. 358, § 2 en projet).
241
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en, indien aan het hoofd van de groep
geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming
staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding, dient over procedures te beschikken om een
verslechtering van de hierboven vermelde vereisten
vast te stellen en om de groepstoezichthouder onmid-
dellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering
zich voordoet.
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding,
dient minstens eenmaal per jaar het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep te berekenen. Bovendien dient
zij het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep continu
te bewaken en wanneer het risicoprofiel van de groep
in significante mate afwijkt van de hypothesen die aan
het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep ten grondslag liggen, wordt dit solvabiliteitskapi-
taalvereiste onmiddellijk herberekend en aan de groeps-
toezichthouder meegedeeld. Indien er aanwijzingen zijn
dat het risicoprofiel van de groep in significante mate is
veranderd sinds de datum waarop de laatste melding
van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep
heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder
een herberekening van dit solvabiliteitskapitaalvereiste
verlangen (ontwerpartikel 360).
§ 2 — Keuze van de methode voor de berekening van
de groepssolvabiliteit en algemene beginselen
Art. 361 tot 365
De solvabiliteit op het niveau van de groep van een
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming wordt berekend overeenkomstig de technische
beginselen die in de ontwerpartikelen 362 tot 371 zijn
beschreven en volgens de berekeningsmethode op
basis van consolidatie van jaarrekeningen als bedoeld
in de ontwerpartikelen 372 tot 376 en in de uitvoerings-
maatregelen van de Richtlijn.
Indien de toepassing van deze berekeningsmethode
ongepast blijkt te zijn, kan de groepstoezichthouder toe-
staan dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep
wordt berekend overeenkomstig de methode op basis
van aftrek en aggregatie als bedoeld in de ontwerparti-
kelen 377 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van
de Richtlijn.
De ontwerpartikelen 362 tot 365 bevatten een reeks
regels die toegepast moeten worden bij de berekening
van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante et, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte,
sont tenues de mettre en place des procédures leur
permettant de détecter une détérioration des exigences
mentionnées ci-avant, et d’informer immédiatement le
contrôleur du groupe lorsqu’une telle détérioration se
produit.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
doit calculer au moins une fois par an le capital de sol-
vabilité requis du groupe. Elle doit par ailleurs surveiller
en permanence le montant de ce capital de solvabilité
requis du groupe et lorsque le profil de risque du groupe
s’écarte significativement des hypothèses qui sous-ten-
daient le dernier capital de solvabilité requis notifié par
le groupe, ce capital est recalculé sans délai et notifié
au contrôleur du groupe. De son côté, le contrôleur du
groupe peut exiger que ce capital soit recalculé lorsque
des éléments semblent indiquer que le profil de risque
du groupe a significativement changé depuis la date de
la dernière notification du capital de solvabilité requis
du groupe (art. 360 en projet).
§ 2 — Choix de la méthode de calcul de la solvabilité
du groupe et principes généraux
Art. 361 à 365
Le calcul de la solvabilité au niveau du groupe d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance participante
est effectué conformément aux principes techniques
énoncés aux articles 362 à 371 en projet et selon la
méthode de calcul fondée sur la consolidation comp-
table telle que définie aux articles 372 à 376 en projet
et par les mesures d’exécution de la Directive.
Si l’application de cette méthode de calcul s’avère
inappropriée, le contrôleur de groupe peut autoriser que
le capital de solvabilité requis du groupe soit calculé
conformément à la méthode fondé sur la déduction et
l’agrégation telle que définie aux articles 377 à 380 en
projet et par les mesures d’exécution de la Directive
(art. 361 en projet).
Les articles 362 à 365 en projet énoncent un en-
semble de règles à appliquer lors du calcul du capital
de solvabilité requis du groupe.
242
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3 — Toepassing van de methodes voor de bereke-
ning van de groepssolvabiliteit
Art. 366 tot 371
De ontwerpartikelen 366 tot 371 betreffen een aantal
specifieke gevallen en de wijze waarop ze behandeld
worden in het kader van de berekening van het solva-
biliteitskapitaalvereiste van de groep (verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die met de deelne-
mende onderneming verbonden zijn, beroep op een
verzekeringstussenholding of op een gemengde finan-
ciële tussenholding, dochterverzekerings- of herverze-
keringsonderneming in een derde land, deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming in een
kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële
instelling).
§ 4 — Methode voor de berekening van de groeps-
solvabiliteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen
Art. 372 tot 376
De ontwerpartikelen 372 tot 376 beschrijven de me-
thode voor de berekening van de groepssolvabiliteit op
basis van consolidatie van jaarrekeningen, of “methode
1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”.
§ 5 — Methode van berekening van de groepssolva-
biliteit op basis van aftrek en aggregatie
Art. 377 tot 380
De ontwerpartikelen 377 tot 380 beschrijven de me-
thode voor de berekening van de groepssolvabiliteit op
basis van aftrek en aggregatie, of “methode 2 voor de
berekening van de groepssolvabiliteit”.
§ 6 — Berekening van de groepssolvabiliteit voor
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
dochteronderneming zijn van een verzekeringsholding
of een gemengde financiële holding
Art. 381
Ontwerpartikel 381 bevat de beginselen voor de
berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming dochter-onderneming van een verzekerings-
holding of een gemengde financiële holding is.
§ 7 — Berekening van de solvabiliteit van groepen
met een gecentraliseerd risicobeheer
§ 3 — Application des méthodes de calcul de la
solvabilité du groupe
Art. 366 à 371
Les articles 366 à 371 en projet traitent de situations
particulières et de leur traitement dans le cadre du calcul
du capital de solvabilité requis du groupe (entreprises
d’assurance ou de réassurance liées à l’entreprise
participante, recours à une société holding d’assurance
ou à une compagnie financière mixte intermédiaire,
entreprise d’assurance ou de réassurance filiale dans
un pays tiers, entreprise d’assurance ou de réassurance
participante d’un établissement de crédit, d’une entre-
prise d’investissement ou d’un établissement financier).
§ 4 — Méthode de calcul de la solvabilité du groupe
fondée sur la consolidation comptable
Art. 372 à 376
Les articles 372 à 376 en projet définissent la mé-
thode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur
la consolidation comptable ou “première méthode de
calcul de la solvabilité du groupe”.
§ 5 — Méthode de calcul de la solvabilité du groupe
fondée sur la déduction et l’agrégation
Art. 377 à 380
Les articles 377 à 380 en projet définissent la mé-
thode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur
la déduction et l’agrégation ou “seconde méthode de
calcul de la solvabilité du groupe”.
§ 6 — Calcul de la solvabilité du groupe pour les
entreprises d’assurance ou de réassurance filiales
d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie
financière mixte
Art. 381
L’article 381 en projet énonce les principes qui pré-
sident au calcul du capital de solvabilité requis du groupe
lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance est
la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une
compagnie financière mixte.
§ 7 — Calcul de la solvabilité des groupes à gestion
centralisée des risques
243
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 382 tot 387
Deze bepalingen betreffen de berekening van de
solvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd
risicobeheer.
Onderafdeling II
Risicoconcentratie en intragroeptransacties
Art. 388 tot 391
Deze artikelen bevatten de regels die op groepsni-
veau in acht moeten worden genomen met betrekking
tot de risicoconcentratie en intragroeptransacties.
Onderafdeling III
Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of
herverzekeringsgroep
§ 1 — Algemene bepalingen
Art. 392 en 393
Deze artikelen bepalen in welke mate en onder welke
voorwaarden de vereisten inzake governance moeten
worden toegepast op het niveau van de groep. Deze
vereisten inzake governance op het niveau van de
groep zijn belangrijk om binnen de groep de noodza-
kelijke coherentie te bereiken en om ervoor te zorgen
dat informatie voldoende kan circuleren binnen het aan
groepstoezicht onderworpen geheel.
§ 2 — Risicobeheer en interne controle
Art. 394 en 395
Deze artikelen bepalen waaruit het risicobeheersys-
teem en de interne controle van een groep dienen te
bestaan.
§ 3 — Beoordeling van het eigen risico en de solva-
biliteit van de groep
Art. 396 tot 398
Deze artikelen bevatten de voorwaarden voor de
toepassing op groepsniveau van de beoordeling van
het eigen risico en de solvabiliteit van de groep, die
door ontwerpartikel 91 worden voorgeschreven op
individuele basis .
Art. 382 à 387
Ces dispositions traitent du calcul de la solvabilité des
groupes à gestion centralisée des risques.
Sous-Section II
Concentration de risques et transactions intragroupe
Art. 388 à 391
Ces articles énoncent les règles à respecter au ni-
veau du groupe en matière de concentration de risques
et de transactions intragroupes.
Sous-Section III
Système de gouvernance au niveau du groupe
d’assurance ou de réassurance
§ 1er — Généralités
Art. 392 et 393
Ces dispositions déterminent dans quelle mesure
et selon quelles modalités les exigences en matière
de gouvernance doivent être appliquées au niveau du
groupe. Ces exigences en matière de gouvernance au
niveau du groupe sont importantes pour parvenir à une
cohérence nécessaire ou sein du groupe et pour veiller
à ce que les informations puissent circuler au sein de
l’ensemble soumis à un contrôle de groupe.
§ 2 — Gestion des risques et contrôle interne
Art. 394 et 395
Ces dispositions déterminent les composantes du
système de gestion des risques et du contrôle interne
d’un groupe.
§ 3 — Evaluation interne des risques et de la solva-
bilité du groupe
Art. 396 à 398
Ces articles définissent les conditions d’application
au niveau du groupe de l’évaluation interne des risques
et de la solvabilité prescrite par l’article 91 en projet sur
une base individuelle.
244
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Bekendmaking van informatie
Art. 399 tot 406
De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding,
dient jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de
financiële positie op het niveau van de groep openbaar
te maken.
De inhoud van dit verslag, de wijze van openbaar-
making ervan en de mogelijkheid om een enig verslag
over de solvabiliteit en de financiële positie van de
groep openbaar te maken, worden omschreven in de
ontwerpartikelen 399 tot 406.
Afdeling III
Uitoefening van het groepstoezicht
Onderafdeling I
Aanwijzing van de groepstoezichthouder
Art. 407 en 408
Ontwerpartikel 407 bevat allereerst het beginsel
dat onder de toezichthouders van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken
van een aan groepstoezicht onderworpen groep één
enkele toezichthouder moet worden aangewezen die
verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening
van het groepstoezicht.
Vervolgens worden de criteria opgesomd om te be-
palen wie de functie van groepstoezichthouder uitoefent
(ontwerpartikel 407, § 2).
Zo vervult de Bank de rol van groepstoezichthouder
wanneer zij de toezichthouder is van alle verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen in de groep of wan-
neer aan het hoofd van de groep een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat.
Indien aan het hoofd van een groep geen verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht staat, vervult de Bank de functie van groeps-
toezichthouder indien de moederonderneming van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht een verzekeringsholding of een ge-
mengde financiële holding is.
Sous-section IV
Informations à destination du public
Art. 399 à 406
L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti-
cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financières mixte
est tenue de publier annuellement un rapport sur la
solvabilité et la situation financière au niveau du groupe.
Le contenu de ce rapport, les modalités de sa publica-
tion ainsi que la possibilité de publier un rapport unique
sur la solvabilité et la situation financière du groupe sont
définies par les articles 399 à 406 en projet.
Section III
Exercice du contrôle du groupe
Sous-Section Ire
Détermination du contrôleur du groupe
Art. 407 et 408
L’article 407 en projet énonce tout d’abord le principe
selon lequel un contrôleur unique, responsable de la
coordination et de l’exercice du contrôle du groupe doit
être désigné parmi les autorités de contrôle des entre-
prises d’assurance ou de réassurance faisant partie
d’un groupe soumis à un contrôle de groupe.
Les critères pour identifier ce contrôleur de groupe
sont ensuite énumérés (art. 407, § 2 en projet).
C’est ainsi que la Banque sera contrôleur du groupe
lorsqu’elle est l’autorité de contrôle de toutes les entre-
prises d’assurance ou de réassurance du groupe ou
lorsque le groupe est dirigé par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge.
Quand le groupe n’est pas dirigé par une entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge, la
Banque sera contrôleur du groupe si l’entreprise mère
des entreprises d’assurance ou de réassurance de
droit belge est une société holding d’assurance ou une
compagnie financière mixte.
245
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Indien er in hetzelfde geval als hierboven sprake is
van meerdere verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen, waarvan er slechts één een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht is, is
de groepstoezichthouder evenwel de toezichthouder
die een vergunning heeft verleend aan de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die haar zetel in
dezelfde lidstaat heeft als de verzekeringsholding of de
gemengde financiële holding.
Indien meerdere verzekeringsholdings of gemengde
financiële holdings moederonderneming zijn of indien
geen enkele verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming haar zetel in dezelfde lidstaat als de verze-
keringsholding of de gemengde financiële holding
heeft of nog, indien er geen moederonderneming is,
is de groepstoezichthouder de toezichthouder van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het
hoogste balanstotaal.
Onderafdeling II
Rechten en plichten van de groepstoezichthouder
en van de betrokken toezichthouders — College van
toezichthouders
Art. 409 tot 416
Deze Onderafdeling somt de taken op die de Bank
heeft wanneer zij als groepstoezichthouder is aangeduid
(ontwerpartikel 409), haar verplichting om een college
van toezichthouders op te richten (ontwerpartikel 410),
de samenstelling en de regels inzake de werking van dit
college (ontwerpartikelen 411, 412, 414) en de verplich-
tingen van de Bank wanneer zij lid is van een dergelijk
college, in haar hoedanigheid van toezichthouder van
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
onder het groepstoezicht valt, zonder groepstoezicht-
houder te zijn (ontwerpartikel 416).
Onderafdeling III
Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen
toezichthouders
Art. 417 tot 420
De Bank dient nauw samen te werken met de toezicht-
houders van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of
herverzekeringsgroep, ongeacht of zij al dan niet
groepstoezichthouder is. De ontwerpartikelen 417 tot
420 leggen het kader voor deze samenwerking vast.
Par contre, dans une telle hypothèse et en cas de
pluralité d’entreprises d’assurance ou de réassurance,
dont une seulement est de droit belge, ce sera l’autorité
de contrôle qui a agréé l’entreprise d’assurance ou
de réassurance qui a son siège social dans le même
État membre que la société holding d’assurance ou la
compagnie financière mixte.
Dans l’hypothèse d’une pluralité de sociétés holding
d’assurance ou de compagnies financières mixtes qui
sont des entreprises mère ou dans l’hypothèse où au-
cune entreprise d’assurance ou de réassurance n’a son
siège social dans le même État membre que la société
holding d’assurance ou compagnie financière mixte ou
encore dans l’hypothèse où il n’y a pas d’entreprise
mère, le contrôleur du groupe sera l’autorité de contrôle
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui a le
total de bilan le plus élevé.
Sous-section II
Droits et obligations du contrôleur du groupe et des
autorités de contrôle concernées — Collège des
contrôleurs
Art. 409 à 416
Cette Sous-section énonce les tâches qui incombent
à la Banque lorsqu’elle est désignée contrôleur du
groupe (art. 409 en projet), l’obligation qui lui incombe
de constituer un collège des contrôleurs (art. 410 en
projet), la composition et les règles de fonctionnement
d’un tel collège (art. 411, 412, 414 en projet) ainsi que
les obligations qui incombent à la Banque lorsqu’elle
est membre d’un tel collège, en sa qualité d’autorité
de contrôle d’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance incluse dans un contrôle de groupe, sans être
le contrôleur du groupe (art. 416 en projet).
Sous-section III
Coopération et échange d’informations entre les autorités
de contrôle
Art. 417 à 420
La Banque, indépendamment de sa qualité de contrô-
leur du groupe, est tenue de coopérer étroitement avec
les autorités de contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance
ou de réassurance. Les articles 417 à 420 en projet
précisent le cadre de cette coopération.
246
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Overleg tussen toezichthouders
Art. 421
Overeenkomstig de Richtlijn somt ontwerparti-
kel 421 de besluiten op die de Bank niet kan nemen zon-
der voorafgaandelijk overleg te hebben gepleegd, in het
college van het toezichthouders, met de toezichthouders
van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die onder het toezicht op groepsniveau vallen.
Onderafdeling V
Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te
verstrekken informatie
Art. 422 tot 429
Deze bepalingen vormen de tegenhanger, op groeps-
niveau, van de verplichtingen met betrekking tot de
informatie die met het oog op de uitoefening van het
toezicht op individuele basis moet worden verstrekt.
Onderafdeling VI
Revisoraal toezicht
Art. 430 tot 440
Deze bepalingen vormen de tegenhanger, op
groepsniveau, van de verplichtingen met betrekking
tot het revisoraal toezicht in individueel beschouwde
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen (zie
ontwerpartikel 325 e.v.).
Onderafdeling VII
Prudentiële maatregelen
Art. 441 en 442
Om de doeltreffendheid van het toezicht op groeps-
niveau te verzekeren, wordt bepaald dat de Bank, in
haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, ten
aanzien van de deelnemende verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen naar Belgisch recht of ten
aanzien van de moederverzekeringsholding of de ge-
mengde financiële moederholding naar Belgisch recht,
de prudentiële maatregelen kan nemen die opgesomd
zijn in ontwerpartikel 441 wanneer de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de
Sous-section IV
Consultation entre autorités de contrôle
Art. 421
Conformément à la Directive, l’article 421 en projet
énumère les décisions que la Banque ne peut prendre
sans avoir préalablement consulté, au sein du collège
des contrôleurs, les autorités de contrôle des entre-
prises d’assurance ou de réassurance incluses dans
le contrôle au niveau du groupe.
Sous-section V
Informations à fournir aux fins de l’exercice du contrôle au
niveau du groupe
Art. 422 à 429
Ces dispositions sont le pendant, au niveau du
groupe, des obligations relatives à l’information à
fournir aux fins de l’exercice du contrôle sur une base
individuelle.
Sous- Section VI
Contrôle révisoral
Art. 430 à 440
Ces dispositions sont le pendant, au niveau du
groupe, des obligations relatives au contrôle révisoral
dans les entreprises d’assurance ou de réassurance
considérées individuellement (voy. art. 325 e.s. en
projet).
Sous-section VII
Mesures prudentielles
Art. 441 et 442
Afin d’assurer l’effectivité du contrôle exercé au
niveau du groupe, lorsque les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge soumises à
un contrôle au niveau du groupe, ne se conforment
pas aux exigences prévues par ou en vertu du présent
Chapitre ou des mesures d’exécution de la Directive,
ou lorsque ces exigences sont respectées mais que
la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être com-
promise, ou lorsque les transactions intragroupe ou
les concentrations de risques menacent la situation
financière desdites entreprises d’assurance ou de
247
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voorschriften die door of krachtens dit Hoofdstuk of de
uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn zijn opgelegd,
niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden
genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te
worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties
of de risicoconcentraties de financiële positie van de
genoemde verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen bedreigen.
Wanneer de hierboven beschreven situatie zich
voordoet maar de Bank niet de groepstoezichthouder
is, mag zij dezelfde prudentiële maatregelen ten aanzien
van de voornoemde entiteiten nemen, hetzij uit eigen
beweging, hetzij op verzoek van de groepstoezichthou-
der. In dit laatste geval zal de groepstoezichthouder
zijn bevindingen doorgaans voorafgaandelijk hebben
meegedeeld aan de Bank, zodat zij de nodige maatre-
gelen kan nemen.
Ontwerpartikel 442 betreft het specifieke geval waarin
de Bank, als groepstoezichthouder, vaststelt dat de ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen met zetel
in een andere lidstaat dan België die in het door haar
uitgeoefende toezicht op groepsniveau zijn betrokken,
de voorschriften van de Richtlijn of van de uitvoerings-
maatregelen ervan niet naleven. In dat geval deelt zij
haar bevindingen mee aan de toezichthouder van de lid-
staat waar, naargelang van het geval, de deelnemende
verzekerings- of —herverzekeringsonderneming of de
moederverzekeringsholding of de gemengde financiële
moederholding, haar zetel heeft, opdat deze toezicht-
houder de door zijn nationale wetgeving voorgeschreven
maatregelen neemt die nodig zijn om de vastgestelde
situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten.
Hetzelfde geldt wanneer de Bank vaststelt dat de
hogervermelde voorschriften in acht worden genomen
maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden onder-
mijnd of indien de intragroeptransacties of de risicocon-
centraties de financiële positie van de genoemde verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen.
Afdeling IV
Verzekeringsholdings en gemengde financiële
holdings
Art. 443
Hoewel zij geen gereglementeerde ondernemin-
gen zijn, aangezien ze niet zijn onderworpen aan een
toezichtsstatuut en niet over een vergunning moeten
beschikken om hun activiteiten te mogen uitoefenen,
zijn de verzekeringsholdings en de gemengde financiële
réassurance, l’article 441 en projet énonce les mesures
prudentielles que la Banque est autorisée à prendre
dans ce cas, en sa qualité de contrôleur du groupe, à
l’égard des entreprises d’assurance ou de réassurance
participantes de droit belge ou à l’égard de la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
entreprise mère de droit belge.
Lorsque la situation décrite ci-avant se produit mais
que la Banque n’est pas le contrôleur de groupe, elle est
autorisée à prendre les mêmes mesures prudentielles
à l’égard des entités précitées, que ce soit d’initiative
ou à la demande du contrôleur du groupe. Dans ce
dernier cas, celui-ci aura généralement préalablement
informé la Banque de ses conclusions afin qu’elle puisse
prendre les mesures nécessaires.
L’article 442 en projet vise la situation particulière
où la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
constate que les entreprises d’assurance ou de réas-
surance ayant leur siège social dans un État membre
autre que la Belgique, et soumises à un contrôle au
niveau du groupe qu’elle est chargée d’exercer, ne se
conforment pas aux exigences prévues par la Directive
ou par ses mesures d’exécution. Dans ce cas, elle
communique ses constatations à l’autorité de contrôle
de l’État membre dans lequel, selon le cas, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante ou la
société holding d’assurance ou la compagnie financière
mixte entreprise mère a son siège social, afin que cette
autorité de contrôle prenne les mesures prévues par
sa législation nationale qui sont nécessaires pour qu’il
soit remédié dès que possible à la situation constatée.
Il en va de même lorsque la Banque constate que les
exigences ci-dessus sont respectées mais que la solva-
bilité du groupe risque malgré tout d’être compromise,
ou lorsque les transactions intragroupes ou les concen-
trations de risques menacent la situation financière
desdites entreprises d’assurance ou de réassurance.
Section IV
Sociétés holding d’assurance et compagnies
financières mixtes
Art. 443
Tout en n’étant pas des entreprises réglementées
dans la mesure où elles ne sont pas soumises à un statut
de contrôle et où elles n’ont pas besoin d’un agrément
préalable pour déployer leurs activités, les sociétés hol-
ding d’assurance et les compagnies financières mixtes
248
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
holdings toch betrokken in het toezicht op groepsniveau
op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
waarvan zij de moederonderneming zijn. De verplich-
tingen die krachtens verschillende bepalingen van de
ontwerpwet op hen rusten, vinden hun rechtvaardiging
in het feit dat met de toestand van deze verzekeringshol-
dings en gemengde financiële holdings rekening wordt
gehouden bij de beoordeling van de goede werking en
de soliditeit van hun dochterondernemingen die ver-
zekeringsondernemingen zijn. Volgens ontwerpartikel
348 betekent dit niet dat ze daardoor aan een individueel
toezicht zijn onderworpen. Op dit beginsel wordt echter
een uitzondering gemaakt in ontwerpartikel 443, dat be-
paalt dat verzekeringsholdings en gemengde financiële
holdings op individuele basis een aantal verplichtingen
moeten naleven.
Het gaat om regels die van overeenkomstige toepas-
sing worden verklaard op de verzekeringsholding en de
gemengde financiële holding zelf.
Om de doeltreffendheid van deze regeling te verze-
keren, voorziet ontwerpartikel 443, tweede lid in de toe-
passing van bepaalde herstelmaatregelen wanneer de
voornoemde bepalingen niet in acht worden genomen.
Art. 444
Deze bepaling houdt in dat de Bank de lijst opstelt
van de verzekeringsholdings die betrokken zijn in het
toezicht dat zij als groepstoezichthouder uitoefent op
groepsniveau.
Afdeling V
Moederondernemingen met zetel in een derde land
Art. 445 tot 449
Afdeling V van de ontwerptekst betreft het geval
waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
als moederonderneming een verzekeringsholding, een
gemengde financiële holding van een derde land of een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een
derde land heeft.
Afdeling VI
Gemengde verzekeringsholdings
Art. 450
Ontwerpartikel 450 betreft het geval waarin een of
meer verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
n’en sont pas moins incluses dans le contrôle au niveau
du groupe des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance dont elles sont l’entreprise mère. Les obligations
qui leur incombent en vertu de différentes dispositions
de la loi en projet trouvent leur justification dans le fait
que la situation de ces sociétés holding d’assurance et
ces compagnies financières mixtes est prise en compte
pour évaluer le bon fonctionnement et la solidité de
leurs filiales entreprises d’assurance. Conformément
à l’article 348 en projet, elles ne sont pas, de ce fait,
soumises à un contrôle individuel. Il est cependant fait
exception à ce principe par l’article 443 en projet qui
impose aux sociétés holding d’assurance et aux compa-
gnies financières mixtes le respect d’un certain nombre
d’obligations sur une base individuelle.
Il s’agit de règles qui sont déclarées applicables par
analogie à la société holding d’assurance et à la com-
pagnie financière mixte elle-même.
Afin d’assurer l’effectivité de ce dispositif, l’ar-
ticle 443, alinéa 2 en projet prévoit l’application de
certaines mesures de redressement dans l’hypothèse
où les dispositions précitées ne seraient pas respectées.
Art. 444
Cette disposition impose à la Banque d’établir la
liste des sociétés holding d’assurance incluses dans
le contrôle au niveau du groupe, qu’elle exerce en sa
qualité de contrôleur du groupe.
Section V
Entreprises mères ayant leur siège social dans
un pays tiers
Art. 445 à 449
La Section V en projet traite de l’hypothèse où l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance a pour entreprise
mère une société holding d’assurance, une compagnie
financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers.
Section VI
Sociétés holding mixtes d’assurance
Art. 450
L’article 450 en projet traite de l’hypothèse où une ou
plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance de
249
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
naar Belgisch recht als moederonderneming een ge-
mengde verzekeringsholding hebben.
HOOFDSTUK III
Aanvullend conglomeraatstoezicht
Zoals reeds blijkt uit haar naam, beoogt Richtlijn
2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 december 2002 betreffende het aanvullende
toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsonderne-
mingen en beleggingsondernemingen in een financieel
conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/
EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG
en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/
EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de
Raad (hierna de “Richtlijn Financiële Conglomeraten”)
in de eerste plaats het groepstoezicht (of, als er geen
groepstoezicht is, het individuele toezicht) aan te vullen.
Momenteel wordt het aanvullende toezicht op ver-
zekerings- of herverzekerings-ondernemingen die deel
uitmaken van een financieel conglomeraat geregeld in
respectievelijk artikel 91octiesdecies van de wet van
9 juli 1975 en artikel 98 van de wet van 16 februari 2009,
en vooral in het bij deze bepalingen horende koninklijk
besluit van 21 november 2005 over het aanvullend
groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringson-
dernemingen, herverzekerings-ondernemingen, beleg-
gingsondernemingen en beheervennootschappen van
instellingen voor collectieve belegging in een financiële
dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit
van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement
betreffende de controle op de verzekeringsondernemin-
gen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over
het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstel-
lingen, laatstelijk gewijzigd bij de koninklijke besluiten
ter omzetting van de zogenaamde Omnibus I-richtlijn
(hierna “het koninklijk besluit van 21 november 2005”).
Ten opzichte van deze bepalingen, brengt het voor-
liggende ontwerp, naar het voorbeeld van de wet van
25 april 2014 voor wat betreft kredietinstellingen, de
volgende wijzigingen met zich mee op het vlak van
aanvullend conglomeraatstoezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen:
— de integratie in één enkele wettekst van alle
bepalingen betreffende het aanvullende toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
deel uitmaken van een financieel conglomeraat en, in
de mate van het mogelijke, de afstemming van de volg-
orde van deze bepalingen op deze van de bepalingen
betreffende het groepstoezicht;
droit belge ont pour entreprise mère une société holding
mixte d’assurance.
CHAPITRE III
Surveillance complémentaire des conglomérats
Ainsi qu’il ressort déjà de sa dénomination, la direc-
tive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil
du 16 décembre 2002 relative à la surveillance com-
plémentaire des établissements de crédit, des entre-
prises d’assurance et des entreprises d’investissement
appartenant à un conglomérat financier, et modifiant
les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/CEE,
92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les
directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement euro-
péen et du Conseil (ci-après, la “directive Conglomérats
financiers”) vise en premier lieu à compléter le contrôle
de groupe (ou, en l’absence de contrôle de groupe, le
contrôle individuel).
Aujourd’hui, la surveillance complémentaire des
entreprises d’assurance ou de réassurance appartenant
à un conglomérat financier est réglée respectivement
à l’article 91octiesdecies de la loi du 9 juillet 1975 et
l’article 98 de la loi du 16 février 2009, et surtout par
l’arrêté royal du 21 novembre 2005 organisant la surveil-
lance complémentaire des établissements de crédit, des
entreprises d’assurances, des entreprises de réassu-
rance, des entreprises d’investissement et des sociétés
de gestion d’organismes de placement collectif, faisant
partie d’un groupe de services financiers, et modifiant
l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement
général relatif au contrôle des entreprises d’assurances
et l’arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur
base consolidée des établissements de crédit, qui s’y
rapporte, modifié en dernier lieu par les arrêtés royaux
transposant la directive dite Omnibus I (ci-après “l’arrêté
royal du 21 novembre 2005”).
Par rapport à ces dispositions, le présent projet, à
l’instar de la loi du 25 avril 2014 pour ce qui concerne
les établissements de crédit, entraîne les modifications
suivantes en matière de surveillance complémentaire
des conglomérats des entreprises d’assurance ou de
réassurance:
— l’intégration dans un seul texte légal de toutes les
dispositions concernant la surveillance complémentaire
des entreprises d’assurance ou de réassurance appar-
tenant à un conglomérat financier; à cet égard, dans
la mesure du possible, l’ordre de ces dispositions est
calqué sur celui des dispositions concernant le contrôle
de groupe;
250
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— de omzetting van Richtlijn 2011/89/EU van
het Europees Parlement en de Raad van
16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen
98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG
betreffende het aanvullende toezicht op financiële en-
titeiten in een financieel conglomeraat (hierna “FICOD
I”), een richtlijn die wijzigingen heeft aangebracht in de
Richtlijn Financiële Conglomeraten en in de sectorale
prudentiële richtlijnen, voornamelijk dan in de Richtlijn
en in Richtlijn 2006/48/EG (wijzigingen die vervolgens
zijn overgenomen in Richtlijn 2013/36/EG). FICOD I werd
opgevat als een relatief beperkte technische wijziging,
die hoofdzakelijk tot doel had het zogenaamde top
level supervision (of toezicht op het hoogste niveau) in
te voeren. Daarnaast heeft deze richtlijn de volgende
nieuwigheden ingevoerd: (i) een nieuw type van vrij-
stelling van het aanvullend conglomeraatstoezicht,
alsook de verplichting om beheerders van alternatieve
beleggingsfondsen toe te voegen aan de financiële
sector waartoe zij binnen de groep behoren (zie infra,
de commentaar bij artikel 452), (ii) een verplichting tot
transparantie met betrekking tot de groepsstructuur (zie
infra, de commentaar bij artikel 466), (iii) de mogelijk-
heid om stresstests te organiseren op het niveau van
het financieel conglomeraat (zie infra, de commentaar
bij artikel 467) en (iv) de oprichting van een college op
het niveau van het financieel conglomeraat, in voorko-
mend geval binnen het sectorale college dat voor de
belangrijkste financiële sector is opgericht (zie infra, de
commentaar bij artikel 474).
— de anticipatie op de fundamentele herziening van
de Richtlijn Financiële Conglomeraten (ook “FICOD II”
genoemd), waarvan de Europese Commissie in haar
herzieningsrapport van 20 december 2012 heeft laten
weten dat dit wetgevend initiatief voorlopig is uitgesteld
in afwachting van de volledige inwerkingtreding van de
Richtlijn, van Richtlijn 2013/36/EG en van Verordening
575/2013. Deze anticipatie is gebaseerd op de op
24 september 2012 gepubliceerde Joint Forum Principles
on the Supervision of Financial Conglomerates (een
herwerking van de gelijknamige principes uit 1999) en
op de bevindingen en aanbevelingen die het IMF in het
kader van zijn programma voor de evaluatie van de
financiële sector (FSAP: Financial Sector Assessment
Program) voor België van 2012-2013 heeft geformuleerd
in een technische nota over conglomeraatstoezicht in
België (het IMF country report n° 13/138 van mei 2013)
en waarbij het IMF de nieuwe Joint Forum Principles als
referentiekader heeft gehanteerd. Deze technische nota
is beschikbaar op de website van het IMF.
Het Joint Forum is een internationaal sectorover-
schrijdend overlegorgaan dat onder toezicht van zijn drie
stichtende comités werkt, namelijk het Basel Committee
— la transposition de la directive 2011/89/
UE du Parlement européen et du Conseil du
16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE,
2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui
concerne la surveillance complémentaire des entités
financières des conglomérats financiers (ci-après la
“directive FICOD I”), directive qui a modifié la directive
Conglomérats financiers ainsi que les directives pru-
dentielles sectorielles, principalement la Directive et la
Directive 2006/48/UE (modifications reprises ensuite
dans la Directive 2013/36/UE). Cette directive avait été
conçue comme une modification technique relativement
limitée, visant principalement à instaurer la “top level
supervision” (ou la surveillance du niveau le plus élevé).
Elle a, en outre, introduit (i) un nouveau type de dispense
à la surveillance complémentaire des conglomérats,
et l’obligation d’inclure les gestionnaires de fonds
alternatifs d’investissement dans le secteur financier
auquel ils appartiennent au sein du groupe (voir infra,
le commentaire de l’article 452), (ii) une obligation de
transparence quant à la structure du groupe (voir infra,
le commentaire de l’article 466) (iii) la possibilité d’orga-
niser des simulations de crise au niveau du conglomérat
financier (voir infra, le commentaire de l’article 467), et
(iv) la constitution d’un collège au niveau du conglomérat
financier, le cas échéant au sein du collège sectoriel
établi pour le secteur financier le plus important (voir
infra, le commentaire de l’article 474).
— l’anticipation de la révision fondamentale de la
directive Conglomérats financiers (encore dite directive
FICOD II, au sujet de laquelle la Commission euro-
péenne a fait savoir dans son rapport de révision du
20 décembre 2012 que cette initiative législative était
provisoirement reportée dans l’attente de l’entrée
en vigueur complète de la Directive, de la Directive
2013/36/UE et du Règlement 575/2013. Cette anti-
cipation est basée sur les Joint Forum Principles on
the Supervision of Financial Conglomerates publiés le
24 septembre 2012 (à savoir, une révision des principes
du même nom de 1999), ainsi que sur les constatations
et les recommandations que le FMI a formulées dans le
cadre de son programme d’évaluation du secteur finan-
cier (FSAP: Financial Sector Assessment Program )
pour la Belgique de 2012-2013 dans une note technique
relative à la surveillance des conglomérats en Belgique
(le IMF country report n° 13/138 de mai 2013), et dans le
cadre de laquelle le FMI a utilisé les nouveaux principes
du Joint Forum comme cadre de référence. Cette note
technique est disponible sur le site Internet du FMI.
Le Joint Forum est un organe de concertation trans-
sectoriel international, qui fonctionne sous le contrôle de
ses trois comités fondateurs, à savoir le Comité de Bâle
251
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
on Banking Supervision, de International Association of
Insurance Supervisors en de International Organisation
of Securities Commissions. De Joint Forum Principles
on the Supervision of Financial Conglomerates van
2012 vormen het eerste allesomvattende kader voor
conglomeraatstoezicht op internationaal niveau en
bevatten principes op het vlak van zowel toezichtsbe-
voegdheden als toezichtspraktijken, deugdelijk bestuur,
eigen vermogen en liquiditeit, en ten slotte risicobeheer.
De voornaamste bevindingen en aanbevelingen van
het IMF inzake conglomeraatstoezicht in België waren
dat de prudentiële praktijk van de afgelopen jaren
gericht was op voorzichtigheid en op het maximaal
benutten van de bevoegdheden die aan de Bank zijn
toegekend, ook als dat betekent dat niet een specifiek
conglomeraatsregime wordt toegepast, maar wel inte-
gendeel, een sectoraal groepstoezicht. Als keerzijde
daarvan stelde het IMF dat een duidelijk kader, dat van
toepassing is op elke groep die wordt aangemerkt als
een financieel conglomeraat, momenteel ontbreekt.
De belangrijkste aanbeveling van het IMF was dan ook
om voor financiële conglomeraten een baseline super-
vision te ontwikkelen, namelijk een set van minimale
toezichtsacties die over een bepaalde cyclus worden
ondernomen, op basis van een duidelijk wettelijk veran-
kerd kader dat specifiek gericht is op het toezicht op de
typische conglomeraatsrisico’s (intragroeptransacties,
risicoconcentratie, complexiteit, belangenconflicten) en
waarin financiële conglomeraten met een vergelijkbaar
risicoprofiel aan een vergelijkbare toezichtsintensiteit
worden onderworpen.
Afdeling I
Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het
aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Toepassingsgevallen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht
Art. 451
Dit eerste artikel van het onderdeel over het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht somt de typische gevallen
op waarin dit aanvullende toezicht van toepassing is. Tot
nu toe getuigt de Richtlijn Financiële Conglomeraten (en
de huidige omzetting ervan in België voor wat betreft
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen), in
tegenstelling tot de Richtlijn, Richtlijn 2013/36/EU en
Verordening 575/2013, niet van een duidelijke top down-
benadering (namelijk groepswijd toezicht dat vanuit de
top van een groep wordt uitgeoefend, teneinde geen
sur le contrôle bancaire, l’Association internationale
des contrôleurs d’assurance et l’Organisation inter-
nationale des commissions de valeurs mobilières. Les
Joint Forum Principles on the Supervision of Financial
Conglomerates édictés en 2012 constituent le premier
cadre exhaustif pour la surveillance des conglomérats
au niveau international et contiennent des principes qui
concernent tant les compétences de contrôle que les
pratiques en matière de surveillance, le gouvernement
d’entreprise, les fonds propres et la liquidité et, enfin,
la gestion des risques.
Les principales constatations et recommandations
du FMI en matière de surveillance des conglomérats en
Belgique étaient que la pratique prudentielle des der-
nières années avait été axée sur la prudence et l’utilisa-
tion maximale des pouvoirs attribués à la Banque, même
si cela signifiait qu’on n’appliquait pas un régime de
conglomérat spécifique, mais au contraire un contrôle de
groupe sectoriel. Le FMI a constaté que le revers de la
médaille était qu’il manquait actuellement un cadre clair,
applicable à chaque groupe qualifié de conglomérat
financier. La principale recommandation du FMI était dès
lors de développer pour les conglomérats financiers une
baseline supervision (ou surveillance de base), c’est-à-
dire un ensemble d’actions de surveillance minimales
menées au cours d’un cycle déterminé, sur la base d’un
cadre légal clair spécifiquement axé sur la surveillance
des risques typiques des conglomérats (transactions
intragroupe, concentration des risques, complexité,
conflits d’intérêts), et en vertu duquel les conglomérats
financiers ayant un profil de risque similaire sont soumis
à une intensité de surveillance analogue.
Section Ire
Cas d’application, portée et niveaux de la surveillance
complémentaire des conglomérats
Sous-section Ire
Cas d’application de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 451
Ce premier article du volet relatif à la surveillance
complémentaire des conglomérats précise les cas
auxquels s’applique typiquement cette surveillance
complémentaire. À ce stade, il ne se dégage pas de la
directive Conglomérats financiers (et de son actuelle
transposition en Belgique pour ce qui concerne les
entreprises d’assurance ou de réassurance), contraire-
ment aux Directive, directive 2013/36/UE et Règlement
575/2013, une approche top-down claire (c’est-à-dire un
contrôle au niveau du groupe opéré depuis le sommet
252
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
risico’s uit de tot de groep behorende ondernemingen
over het hoofd te zien). Er zijn weliswaar indicaties in
die richting (bijvoorbeeld het aanwijzen van een coör-
dinator), maar ook elementen die de tegenovergestelde
techniek, een bottom up-toezicht, lijken te bevestigen
(zo worden er verplichtingen opgelegd aan “de gere-
glementeerde ondernemingen [sic, meervoudsvorm]
die deel uitmaken van een financiële dienstengroep”
(artikel 4, eerste lid van het koninklijk besluit van
21 november 2005), ongeacht hun plaats in de groep,
daar waar het in het groepstoezicht duidelijk is dat één
verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de
top (of onmiddellijk onder de top in geval van een hol-
dingstructuur) de finaal verantwoordelijke onderneming
is).
In dit ontwerp wordt duidelijk geopteerd voor een top
down-benadering en dit om drie redenen:
— ten eerste zijn er de wijzigingen die FICOD I in
het groepstoezicht en het aanvullende conglomeraat-
stoezicht heeft aangebracht, die inhouden dat het top
down-groepstoezicht nu ook op het niveau van een
gemengde financiële holding kan worden toegepast
(zie hoger de commentaar bij de artikelen 344 tot 347);
— ten tweede is het op basis van dit ontwerp moge-
lijk, mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd, dat
de typische conglomeraatsrisico’s in het kader van het
groepstoezicht worden behandeld (zie eveneens hoger
de commentaar bij de artikelen 344 tot 347);
— tot slot wordt in de Joint Forum Principles on
the Supervision of Financial Conglomerates, waarop
geanticipeerd wordt, duidelijk geopteerd voor een top
down-benadering.
Als gevolg van deze wijziging kunnen de “gevallen”
(in het hier besproken artikel 451) en de “reikwijdte” (zie
de artikelen 454 en 455 hieronder) van het aanvullende
conglomeraatstoezicht beter van elkaar worden onder-
scheiden: de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen naar Belgisch recht die aan het hoofd staan
van een financieel conglomeraat, of de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die
onder de controle staan van een gemengde financiële
holding die aan het hoofd staat van een financieel conglo-
meraat, zijn juridisch gezien de finaal verantwoordelijke
ondernemingen. Indien meerdere gereglementeerde on-
dernemingen onder de controle staan van die gemengde
financiële holding, wordt verwezen naar artikel 471 over
het aanwijzen van de bevoegde coördinator om deze
finaal verantwoordelijke onderneming te identificeren
(parallel met artikel 407 van dit ontwerp, dat verwijst naar
de aanwijzing van de groepstoezichthouder).
d’un groupe, afin de n’omettre aucun risque généré par
les entreprises qui en font partie). Si certains éléments
vont bien dans ce sens (par exemple, la désignation d’un
coordinateur), d’autres aspects semblent confirmer la
technique inverse, à savoir un contrôle bottom-up (ainsi,
des obligations sont imposées aux “entreprises régle-
mentées [sic au pluriel] [...] qui font partie d’un groupe
de services financiers” (article 4, alinéa 1er, de l’arrêté
royal du 21 novembre 2005), quelle que soit la place
qu’elles occupent au sein du groupe, alors qu’il est clair,
au titre du contrôle de groupe, que seule l’entreprise
d’assurance ou de réassurance qui se situe au sommet
(ou à l’échelon immédiatement en-dessous dans le cas
d’une structure de holding) est l’entreprise qui porte la
responsabilité ultime).
Dans le présent projet, le choix s’est clairement porté
sur une approche top-down et ce, pour trois raisons:
— tout d’abord, en raison des modifications appor-
tées au contrôle de groupe et à la surveillance com-
plémentaire des conglomérats par la directive FICOD
I, dans le sens où le contrôle de groupe top-down peut
dorénavant aussi être appliqué au niveau d’une com-
pagnie financière mixte (voir ci-dessus le commentaire
des articles 344 à 347);
— ensuite, parce que le présent projet permet, pour
autant que certaines conditions soient respectées, de
traiter les risques typiques des conglomérats dans le
cadre du contrôle de groupe (voir également ci-dessus
le commentaire des articles 344 à 347);
— enfin, parce que les principes édictés par le Joint
Forum on the Supervision of Financial Conglomerates,
qui sont anticipés, adoptent manifestement une ap-
proche top-down.
Cette modification permet de mieux distinguer les
“cas” de la surveillance complémentaire des conglomé-
rats (visés à l’article 451 ici commenté) de sa “portée”
(voir les articles 454 et 455 ci-dessous): les entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge qui sont
à la tête d’un conglomérat financier, ou les entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge qui sont
contrôlées par une compagnie financière mixte à la
tête d’un conglomérat financier sont les entreprises qui
portent la responsabilité ultime sur le plan juridique. Si
plusieurs entreprises réglementées sont contrôlées par
cette compagnie financière mixte, il est fait référence
à l’article 471 concernant la désignation du coordina-
teur compétent afin d’identifier l’entreprise qui porte la
responsabilité ultime (parallèlement à l’article 407 du
présent projet qui inclut une référence à la désignation
du contrôleur de groupe).
253
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 452
Dit artikel betreft de drempels op grond waarvan be-
paald kan worden of een bepaalde groep een “financieel
conglomeraat” is.
FICOD I heeft een nieuw type vrijstelling ingevoerd.
Om de significantie te bepalen van een bepaalde
financiële sector binnen de groep, hetzij van de verze-
keringssector, hetzij van de bank- en de beleggingsdien-
stensector, zijn er namelijk twee criteria: een absolute
drempel en een relatieve drempel. Deze twee criteria
zijn alternerend en moeten dus niet cumulatief worden
toegepast.
Vóór FICOD I was reeds een vrijstelling mogelijk als
enkel de absolute drempel van “6 miljard euro” werd
gehaald. Conform FICOD I is nu ook een vrijstelling
mogelijk als enkel de relatieve drempel van “10 %”
wordt gehaald. Het is de bedoeling dat de vrijstellingen
zodanig worden toegepast dat financiële conglomeraten
worden geïdentificeerd naargelang de mate waarin zij
aan groepsrisico’s zijn blootgesteld (risk-based identi-
fication). Als beide drempels tegelijk worden gehaald,
is geen vrijstelling mogelijk en moet de groep geïdenti-
ficeerd worden als een financieel conglomeraat.
Een andere nieuwigheid is dat de op het balanstotaal
gebaseerde drempels in uitzonderlijke gevallen nu ook
kunnen worden vervangen of aangevuld met het totaal
aan beheerd vermogen.
Zoals reeds vermeld in de commentaar bij ontwerp-
artikel 338, hoeft artikel 3, lid 2, derde en vierde alinea
van de Richtlijn Financiële Conglomeraten, als gewijzigd
door FICOD I, niet omgezet te worden, aangezien de be-
heervennootschappen van instellingen voor collectieve
belegging en AICB-beheerders ook zijn opgenomen in
de nieuwe verruimde definitie van het begrip “financiële
instelling”, voor de toepassing van Titel V.
In paragraaf 5, 1° is een verwijzing naar regulatory
arbitrage opgenomen. In paragraaf 5, 3° is bepaald dat
één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten
beschouwing mogen worden gelaten indien deze deel-
nemingen bepalend blijken voor de identificatie van een
groep als financieel conglomeraat en samen genomen
van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstel-
lingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Art. 453
Voor wat betreft het identificatieproces zijn er geen
inhoudelijke vernieuwingen.
Art. 452
Cet article traite des seuils permettant de détermi-
ner s’il convient de qualifier le groupe en question de
“conglomérat financier”.
Un nouveau type de dispense a été instauré par la
directive FICOD I. Deux critères permettent, en effet,
de déterminer l’importance d’un secteur financier
donné au sein du groupe, qu’il s’agisse du secteur des
assurances, ou du secteur bancaire et du secteur des
services d’investissement: un seuil absolu et un seuil
relatif. Ces deux critères sont alternatifs et ne doivent
donc pas être appliqués cumulativement.
Avant la directive FICOD I, une dispense était déjà
envisageable lorsque le seul seuil absolu de “6 mil-
liards” d’euros était atteint. Conformément à la FICOD
I, une dispense est désormais également envisageable
lorsque le seuil relatif de “10 %” est atteint. Le but est
d’appliquer les dispenses de telle sorte que les conglo-
mérats financiers soient identifiés selon leur degré
d’exposition aux risques du groupe (risk-based identifi-
cation). Si ces deux seuils sont atteints simultanément,
aucune dispense n’est envisageable et le groupe doit
être qualifié de conglomérat financier.
Une autre innovation consiste dans la possibilité
de désormais remplacer ou compléter, dans des cas
exceptionnels, les seuils qui s’appuient sur le total du
bilan par les actifs totaux sous gestion.
Ainsi que déjà indiqué dans le commentaire de
l’article 338 en projet, l’article 3, § 2, alinéas 3 et 4 de
la directive Conglomérats financiers, tel que modifié
par la directive FICOD I, ne doit pas être transposé, vu
que, pour l’application du Titre V, la nouvelle définition
élargie de la notion d’“établissement financier” englobe
également les sociétés de gestion d’organismes de
placement collectif et les gestionnaires d’OPCA.
Au paragraphe 5, 1°, il est fait référence au regulatory
arbitrage. Au paragraphe 5, 3°, il est prévu qu’une ou
plusieurs participations dans le secteur le moins impor-
tant peuvent être exclues si ces participations s’avé-
raient décisives pour l’identification d’un conglomérat
financier et si, ensemble, elles présentent un intérêt
négligeable au regard des objectifs de la surveillance
complémentaire du conglomérat.
Art. 453
Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui
concerne le processus d’identification.
254
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling II
Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 454
De reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoe-
zicht volgt de perimeter van de groep, als gedefinieerd
met toepassing van ontwerpartikel 340, 2°, met uitzon-
dering van de afwijkende preciseringen die gelden voor
het toezicht op het eigen vermogen op het niveau van
het financieel conglomeraat (zie ontwerpartikel 458).
In dit laatste geval worden enkel de ondernemingen uit
de financiële sector in beschouwing genomen en heeft
de Bank de mogelijkheid om bepaalde van die onder-
nemingen buiten beschouwing te laten, net zoals de
groepstoezichthouder kan beslissen om ondernemingen
niet op te nemen in de reikwijdte van het groepstoezicht.
Het begrip “groep” is ruim gedefinieerd en omvat
zowel gereglementeerde als niet-gereglementeerde
ondernemingen, deze laatste desnoods ook buiten de
financiële sector. Deze ruime reikwijdte is in overeen-
stemming met de klemtoon die de Joint Forum Principles
on the Supervision of Financial Conglomerates leggen
op risico’s die kunnen voortvloeien uit de werkzaamhe-
den van niet-gereglementeerde entiteiten.
Art. 455
Voor deze bepaling zijn er geen inhoudelijke
vernieuwingen.
Onderafdeling III
Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 456
Het principe dat het aanvullende conglomeraatstoe-
zicht op het niveau van een subgroep kan wegvallen,
blijft onveranderd.
Sous-section II
Portée de la surveillance complémentaire
des conglomérats
Art. 454
La portée de la surveillance complémentaire des
conglomérats suit le périmètre du groupe tel que défini
par application de l’article 340, 2° en projet, à l’excep-
tion des précisions dérogatoires qui s’appliquent au
contrôle des fonds propres au niveau du conglomérat
financier (voir l’article 458 en projet). Dans ce dernier
cas, seules les entreprises du secteur financier sont
prises en considération et la Banque a la possibilité d’en
écarter certaines, à l’instar du contrôleur de groupe qui
peut décider de ne pas inclure des entreprises dans la
portée du contrôle de groupe.
La notion de “groupe” est définie largement et englobe
tant des entreprises réglementées que des entreprises
non réglementées, et pour ces dernières, au besoin, en
dehors du secteur financier. Cette portée étendue est
en ligne avec l’accent mis par les Joint Forum Principles
on the Supervision of Financial Conglomerates sur les
risques qui peuvent résulter des activités d’entités non
réglementées.
Art. 455
Il n’y a pas d’innovations de fond en ce qui concerne
cette disposition.
Sous-section III
Niveaux de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 456
Le principe selon lequel la surveillance complémen-
taire des conglomérats peut ne pas s’appliquer au
niveau d’un sous-groupe reste inchangé.
255
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Aanvullend solvabiliteitstoezicht
Art. 457 en 458
Er worden kleine wijzigingen aangebracht (deels op
basis van de bepalingen van de Richtlijn Financiële
Conglomeraten die nog niet waren omgezet), die aan-
tonen dat ook financiële conglomeraten een interne
strategie op het vlak van kapitaaltoereikendheid dienen
te ontwikkelen. Dit ondersteunt vooral de techniek van
artikel 347, op basis waarvan de typische conglo-
meraatsrisico’s kunnen worden geïntegreerd in het
groepstoezicht.
Daarnaast wordt uitdrukkelijk verwezen naar
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 342/2014 van de
Commissie van 21 januari 2014 tot aanvulling van
Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de
Raad en Verordening (EU) 575/2013 van het Europees
Parlement en de Raad ten aanzien van technische regu-
leringsnormen voor de toepassing van de berekenings-
methoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor
financiële conglomeraten (PBEU L 100, 3 april 2014,
blz. 1) (hierna “Verordening 342/2014”). Deze verorde-
ning — een gedelegeerde handeling die op grond van
artikel 49, lid 6 van Verordening 575/2013 en artikel
21bis, lid 3 van de Richtlijn Financiële Conglomeraten
werd vastgesteld door de Europese Commissie op
basis van door de Europese Autoriteiten opgestelde
ontwerpnormen — voorziet in regels die ervoor moe-
ten zorgen dat instellingen die deel uitmaken van een
financieel conglomeraat passende berekeningsmetho-
den toepassen voor het bepalen van het vereiste eigen
vermogen op het niveau van het conglomeraat. Deze
regels strekken met name tot uitsluiting van het dubbel
gebruik van eigen vermogen en van de schepping van
eigen vermogen binnen een groep, de overdraagbaar-
heid en beschikbaarheid van eigen vermogen en de
dekking van een tekort op het niveau van een financieel
conglomeraat, gelet op de definitie van sectoroverschrij-
dend kapitaal. Hoewel deze verordening rechtstreekse
werking heeft in het Belgische recht, en dus toepassing
vindt zonder omzetting of vermelding hiervan in de nati-
onale wet, komt een uitdrukkelijke verwijzing naar deze
regelgevende tekst in de Belgische wettelijke bepalingen
betreffende het aanvullende solvabiliteitstoezicht de
rechtszekerheid ten goede.
Section II
Domaines de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Sous-section Ire
Surveillance complémentaire de la solvabilité
Art. 457 et 458
Des modifications limitées sont apportées (en partie
sur la base de dispositions de la directive Conglomérats
financiers qui n’avaient pas encore été transposées)
dont il ressort que les conglomérats financiers doivent
également développer une stratégie interne en ce qui
concerne l’adéquation des fonds propres. Ceci sert
surtout à étayer la technique visée à l’article 347 en
vertu de laquelle les risques typiques des conglomérats
peuvent être intégrés au contrôle de groupe.
Il y a, en outre, une référence expresse au Règlement
délégué (UE) n° 342/2014 de la Commission du
21 janvier 2014 complétant la directive 2002/87/CE
du Parlement européen et du Conseil et le règlement
(UE) 575/2013 du Parlement européen et du Conseil
par des normes techniques de réglementation pour
l’application aux conglomérats financiers des méthodes
de calcul des exigences en matière d’adéquation des
fonds propres (J.O.U.E. du 3 avril 2014, n° L. 100, p. 1)
(ci-après, le “Règlement 342/2014”). Ce règlement — un
acte délégué adopté par la Commission européenne en
application de l’article 49, paragraphe 6, du Règlement
575/2013 et de l’article 21bis, paragraphe 3 de la direc-
tive Conglomérats financiers sur la base de projets de
normes établis par les Autorités européennes — prévoit
des règles destinées à assurer que les établissements
appartenant à un conglomérat financier appliquent
des méthodes de calcul appropriées pour déterminer
les fonds propres à détenir au niveau du conglomérat.
Ces règles visent notamment à l’exclusion du double
emploi des fonds propres et de la création intragroupe
de fonds propres, la transférabilité et la disponibilité des
fonds propres, et la couverture du déficit à l’échelle du
conglomérat financier compte tenu de la définition des
capitaux transsectoriels. Bien que ce règlement soit
directement applicable en droit belge et trouve dès lors
à s’appliquer sans transposition ou mention de celui-ci
dans la loi nationale, une référence expresse à ce texte
normatif dans les dispositions de droit belge relatives à
la surveillance complémentaire de la solvabilité présente
néanmoins un intérêt en termes de sécurité juridique.
256
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling II
Aanvullend toezicht op risicoconcentratie
Onderafdeling III
Aanvullend toezicht op intragroeptransacties
Onderafdeling IV
Periodieke rapportering
Art. 459 tot 463
Voor de bepalingen over risicoconcentratie, intra-
groeptransacties en de bijbehorende rapportering
wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 347, 2°,
over hoe dit toezicht geïntegreerd kan worden in het
groepstoezicht.
De bepalingen betreffende intragroeptransacties en
risicoconcentratie maken geen onderscheid naargelang
aan het hoofd van het financieel conglomeraat een
gemengde financiële holding dan wel een gereglemen-
teerde onderneming staat.
Voor een verduidelijking van welke risicoconcen-
traties en intragroeptransacties beschouwd moeten
worden als “significant” in de zin van respectievelijk
ontwerpartikel 459, 1° en ontwerpartikel 461, 1°, wordt
uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 2 en 3 van
de gedelegeerde verordening (EU) […/2015] van de
Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Richtlijn
2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad
met betrekking tot technische reguleringsnormen tot
specificering van de definities van en coördinering
van het aanvullende toezicht op risicoconcentratie en
intragroepsgransacties ((PBEU L …, … 2015, blz. …)
(hierna, de “Verordening …/2015”).. Deze verordening
voorziet daarenboven in een coördinatie van de bepa-
lingen aangenomen in uitvoering van de artikelen 7 en
8 en Bijlage II van de Richtlijn Financiële Conglomeraten
met betrekking tot (i) de informatie die door gereglemen-
teerde ondernemingen of gemengde financiële holdings
moet worden overgelegd aan de coördinator of aan
andere relevante bevoegde autoriteiten met het oog op
het toezicht op risicoconcentratie en intragroeptransac-
ties, (ii) de methodologie die deze bevoegde autoriteiten
moeten toepassen ter identificatie van verschillende
types van risicoconcentratie en intragroeptransacties en
(iii) de prudentiële maatregelen die door de bevoegde
autoriteiten moeten worden genomen, overeenkomstig
artikel 7, lid 3 en artikel 8, lid 3 van de Richtlijn Financiële
Conglomeraten. Net als de hogervermelde Verordening
342/2014, is Verordening …/2015 rechtstreeks toepas-
selijk zijn in het Belgische recht.
Sous-section II
Surveillance complémentaire en matière de concentration
des risques
Sous-section III
Surveillance complémentaire des transactions intragroupe
Sous-section IV
Reporting périodique
Art. 459 à 463
Pour les dispositions concernant la concentration
des risques, les opérations intragroupes et le reporting
qui s’y rapporte, il est fait référence au commentaire de
l’article 347, 2°, sur la façon dont ce contrôle peut être
intégré dans le contrôle de groupe.
Les dispositions concernant les opérations intra-
groupes et la concentration des risques ne font pas
de distinction selon que le conglomérat financier est
chapeauté par une compagnie financière mixte ou une
entreprise réglementée.
Pour une clarification des concentrations de risque
et opérations intragroupes qui doivent être considé-
rées comme “importantes” au sens de respectivement
l’article 459, 1° et l’article 461, 1° en projet, il est expres-
sément référé aux articles 2 et 3 du règlement délégué
(UE) […/2015] de la Commission du 28 juillet 2015 com-
plétant la directive 2002/87/CE du Parlement européen
et du Conseil par des normes techniques de réglemen-
tation précisant les définitions de la concentration de
risques et des transactions intragroupe et coordonnant
leur surveillance complémentaire (J.O.U.E. du … 2015,
n° L. …, p. …) (ci-après, le “Règlement …/2015”). Ce
règlement prévoit en outre la coordination des dispo-
sitions adoptées en application des articles 7 et 8 et
de l’Annexe II de la directive Conglomérats financiers
en ce qui concerne (i) les informations devant être
communiquées par les entreprises réglementées ou
les compagnies financières mixtes au coordinateur
ou aux autres autorités compétentes relevantes aux
fins de la surveillance des concentrations de risques
et opérations intragroupe, (ii) la méthodologie que ces
autorités compétentes doivent appliquer pour identifier
des types de concentrations de risques et opérations
intragroupes et (iii) les mesures prudentielles que les
autorités compétentes devraient prendre conformément
aux articles 7, paragraphe 3 et 8, paragraphe 3 de la
directive Conglomérats financiers. Ce règlement délé-
gué est directement applicable en droit belge, à l’instar
du Règlement 342/2014 précité.
257
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling V
Risicobeheer- en internecontroleprocedures
Art. 464 tot 466
Artikel 464 bepaalt dat alle gereglementeerde
ondernemingen binnen het financieel conglomeraat
dienen mee te werken aan de internecontrole- en risi-
cobeheerprocessen op het niveau van het financieel
conglomeraat, en hoe zij daarbij ook niet-geregle-
menteerde ondernemingen dienen te betrekken. Op
die manier wordt de consistentie verzekerd van deze
processen voor de volledige groep en wordt voorzien
in een compensatie voor het invoeren van de top down-
benadering voor aanvullend conglomeraatstoezicht.
Op basis van artikel 5, lid 2, onder b) van de Richtlijn
Financiële Conglomeraten geldt voor een financieel
conglomeraat georganiseerd volgens holdingmodel
immers dat alle gereglementeerde ondernemingen
die onder de controle staan van de gemengde financi-
ele holding, onderworpen zijn aan aanvullend toezicht
(wat overigens een moeilijk te verantwoorden verschil
inhoudt met artikel 5, lid 2 , onder a) van de Richtlijn
Financiële Conglomeraten, waar voor een financieel
conglomeraat met aan het hoofd een gereglementeerde
onderneming enkel die onderneming wordt aangeduid
als normadressaat). In de top down-benadering wordt
onder verwijzing naar de aanwijzing van de coördinator
slechts één gereglementeerde onderneming als finaal
verantwoordelijke normadressaat aangeduid. De nieuwe
bewoordingen in de artikelen 464 tot 466 hebben echter
tot gevolg dat alle ondernemingen die binnen de groep
vallen, hun medewerking moeten verlenen aan de in-
ternecontrole- en risicobeheerprocessen;
In artikel 466 worden, ter omzetting van FICOD I,
nieuwe verplichtingen ingevoerd op het vlak van de
transparantie van de structuur van de groep die een
conglomeraat vormt.
Onderafdeling VI
Stresstests
Art. 467
Dit is eveneens een nieuwe bepaling, die gebaseerd
is op de FICOD I, en die inhoudt dat ook op het niveau
van het financieel conglomeraat stresstests kunnen
worden uitgevoerd. De Bank beoordeelt de noodzaak
daartoe aan de hand van de stresstests die worden
georganiseerd voor de grootste financiële sector verte-
genwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt
met de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Sous-section V
Procédures de gestion des risques et dispositions de
contrôle interne
Art. 464 à 466
L’article 464 prescrit que toutes les entreprises
réglementées au sein du conglomérat financier doivent
collaborer aux processus de contrôle interne et de ges-
tion des risques au niveau du conglomérat financier, et
comment elles doivent également y faire intervenir les
entreprises non réglementées. Ceci permet de garantir
la cohérence de ces processus pour l’ensemble du
groupe, et de compenser l’instauration de l’approche
top-down pour la surveillance complémentaire des
conglomérats. En effet, sur la base de l’article 5, para-
graphe 2, b), de la directive Conglomérats financiers,
toutes les entreprises réglementées contrôlées par la
compagnie financière mixte sont soumises, pour un
conglomérat financier organisé selon le modèle du hol-
ding, à une surveillance complémentaire (ce qui repré-
sente par ailleurs une différence difficilement justifiable
par rapport à l’article 5, paragraphe 2, a), de la direc-
tive Conglomérats financiers, où pour un conglomérat
financier dirigé par une entreprise réglementée, seule
cette entreprise est désignée comme le destinataire de
la norme). Dans l’approche top-down, on ne désigne,
par référence à la désignation du coordinateur, qu’une
entreprise réglementée comme destinataire de la norme
finalement responsable. En raison de la nouvelle formu-
lation dans les articles 464 à 466, on obtient cependant
que toutes les entreprises relevant du groupe doivent
prêter leur coopération aux processus de contrôle
interne et de gestion des risques.
À l’article 466, de nouvelles obligations, nécessaires
à la transposition de la directive FICOD I, sont introduites
en ce qui concerne la transparence de la structure du
groupe constitutif d’un conglomérat.
Sous-section VI
Tests de résistance
Art. 467
Il s’agit également d’une nouvelle disposition sur
la base de la directive FICOD I. Elle détermine qu’au
niveau du conglomérat financier aussi, des tests de ré-
sistance peuvent être organisées. La Banque en évalue
la nécessité à l’aide des tests de résistance organisés
pour le secteur financier le plus important représenté
au sein du conglomérat financier et se concerte avec
les autres autorités compétentes relevantes.
258
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Op basis van de techniek bedoeld in artikel 347, 3°
kunnen de stresstests op het niveau van het financieel
conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests
die met toepassing van ontwerpartikel 322 worden
uitgevoerd.
Op het moment van het indienen van dit ontwerp be-
staan er op Europees niveau geen richtsnoeren of tech-
nische standaarden voor het uitvoeren van stresstests
op het niveau van een financieel conglomeraat.
Onderafdeling VII
Governance
Art. 468
Dit artikel is een nieuwe bepaling, die losstaat van
zowel FICOD I als de Richtlijn, maar ertoe strekt de
coherentie met de wet van 25 april 2014 te bewaren.
De bepalingen van dit artikel, die ook gedeeltelijk
werden opgenomen in artikel 393 van het voorliggende
ontwerp voor wat betreft het groepstoezicht, stemmen
overeen met de bepalingen van de artikelen 205 en
206 van de wet van 25 april 2014, die zorgen voor de
omzetting van artikel 119 van Richtlijn 2013/36/EU,
dat bepaalt dat de lidstaten de maatregelen moeten
vaststellen die nodig zijn om financiële holdings en
gemengde financiële holdings te betrekken in het
geconsolideerde toezicht. Naar het voorbeeld van de
wet van 25 april 2014, werd er ook hier voor gekozen
om deze bepaling uit te breiden tot het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
Artikel 468, § 1 viseert een louter Belgische situ-
atie, waarbij zowel moeder- als dochteronderneming
entiteiten naar Belgisch recht zijn, en de Bank belast is
met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Het artikel
bakent in algemene termen de groepsverhoudingen
af en legt de rol van de moederondernemingen vast
op het vlak van het aansturen van de groep, of deze
moederonderneming nu een moederverzekerings- of
herverzekeringsonderneming is, dan wel een gemengde
financiële holding.
Een basisprincipe van het algemeen vennoot-
schapsrecht is dat elke vennootschap een afzonderlijke
rechtspersoonlijkheid heeft en dat de organen van een
vennootschap handelen in het belang van die vennoot-
schap. Ook wanneer sprake is van een groep, blijft dit
basisprincipe geldig maar het wordt wel gedefinieerd
rekening houdend met de groepscontext. Een al te rigide
toepassing van het beginsel dat dochter- en moeder-
ondernemingen afzonderlijke rechtspersonen zijn, zou
Sur la base de la technique visée aux à l’article
347, 3°, les tests de résistance peuvent, au niveau du
conglomérat financier, être intégrées dans les tests de
résistance effectués en application de l’article 322 en
projet..
Au moment de l’introduction du présent projet, il
n’existe pas, au niveau européen, d’orientation ni de
norme technique concernant l’organisation de simu-
lations de crise au niveau d’un conglomérat financier.
Sous-section VII
Gouvernance
Art. 468
Cet article est une disposition nouvelle, qui est
indépendante tant de FICOD I que de la Directive,
mais qui vise à préserver la cohérence avec la loi du
25 avril 2014.
Les dispositions de cet article, également reprises
pour partie à l’article 393 du présent projet pour ce qui
concerne le contrôle du groupe, sont équivalentes à
celles des articles 205 et 206 de la loi du 25 avril 2014,
lesquels transposent l’article 119 de la Directive
2013/36/UE, qui prescrit que les États membres arrêtent
les mesures nécessaires à l’inclusion des compagnies
financières et des compagnies financières mixtes dans
le contrôle sur base consolidée. À l’instar de la loi du
25 avril 2014, on a ici également opté pour étendre
cette disposition à la surveillance complémentaire des
conglomérats.
L’article 468, § 1er vise une situation purement belge,
où tant l’entreprise mère que la filiale sont des entités
de droit belge, et où la Banque est chargée de la sur-
veillance complémentaire des conglomérats. L’article
définit en termes généraux les relations de groupe et
fixe le rôle des entreprises mères dans le domaine de
la direction du groupe, qu’il s’agisse d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance mère ou une compagnie
financière mixte.
Un principe de base du droit général des sociétés est
que chaque société a une personnalité juridique distincte
et que les organes d’une société agissent dans l’intérêt
de cette société. Ce principe de base reste d’application
en présence d’un groupe mais il est défini en tenant
compte du contexte spécifique du groupe. Une applica-
tion trop rigide du principe selon lequel les filiales et les
sociétés mères sont des personnes morales distinctes,
menacerait le fonctionnement des groupes de sociétés
qui ne pose souvent aucun problème dans la pratique.
259
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de feitelijke, in de praktijk vaak probleemloze werking
van vennootschapsgroepen in het gedrang brengen.
Daarom houdt het vennootschapsrecht in verschillende
jurisdicties rekening met het bestaan van groepen, wel-
iswaar in verschillende gradaties.
Er wordt algemeen aanvaard dat het vennootschaps-
belang van de dochteronderneming in zekere mate het
belang van de moederonderneming, en dus ook van
het “groepsbelang” in aanmerking neemt. Het belang
van de moederonderneming en dat van de dochteron-
derneming moeten in evenwicht zijn. Hierin ziet men
een waarborg voor de minderheidsaandeelhouders en
de schuldeisers van de dochteronderneming. In het
Belgische vennootschapsrecht, voornamelijk via de
rechtspraak en naar Frans voorbeeld, is er een relatief
duidelijk kader voor deze belangenafweging. In andere
lidstaten van de Europese Unie bestaan er gelijkaardige
referentiekaders. De belangenafweging steunt op drie
voorwaarden die rechtvaardigen dat een uitzondering
wordt gemaakt op de naleving van het individuele
vennootschapsbelang: er moet sprake zijn van een
groep waarin een gezamenlijke strategie ten dienste
staat van een gemeenschappelijk belang, er moet een
tegenprestatie zijn of er mag alleszins geen gebroken
evenwicht bestaan tussen de respectievelijke prestaties
van de betrokken groepsentiteiten en ten slotte mag de
gevraagde inspanning de financiële mogelijkheden niet
te boven gaan
Deze vorm van belangenafweging kan ook van toe-
passing zijn voor groepen van verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen, en de concrete interpretatie
van de voorwaarden zal moeten gebeuren rekening
houdend met de betrokkenheid van één of meerdere
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met
een gereglementeerd statuut. De regels inzake pruden-
tieel toezicht zullen dus een rol spelen en aangezien
deze van openbare orde zijn, is de invulling van de
hogergenoemde drie voorwaarden voor deze groepen
in zekere zin strenger dan voor gewone commerciële
groepen. Deze strengere benadering voor groepen van
gereglementeerde ondernemingen wordt impliciet be-
vestigd in de Belgische rechtspraak (zie Hof van Beroep
te Brussel, 8 december 2010), en kan ook worden terug-
gevonden in sommige Europeesrechtelijke bepalingen,
en met name in Verordening 575/2013 (bijvoorbeeld
artikel 7 van deze verordening over de afwijking van
de toepassing van prudentiële vereisten op individu-
ele basis). De tot nu toe meest duidelijke toepassing
is te vinden in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees
Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de
totstandbrenging van een kader voor het herstel en de
afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsonder-
nemingen (PBEU L 173, 12 juni 2014, blz. 190), waarvan
artikel 19 de voorwaarden opsomt voor het verlenen van
C’est pourquoi le droit des sociétés tient compte, dans
différentes juridictions, certes à des niveaux variables,
de l’existence des groupes.
Il est généralement admis que l’intérêt social de la
filiale prenne en compte, dans une certaine mesure,
l’intérêt de la société mère, et donc également l’intérêt
du groupe. L’intérêt de la société mère et celui de la
filiale doivent s’équilibrer. On y voit une garantie pour les
actionnaires minoritaires et les créanciers des filiales.
En droit belge des sociétés, principalement par la voie
de la jurisprudence et sur la base de l’exemple français,
il existe un cadre relativement clair pour cette mise en
balance des intérêts. Dans d’autres États membres
de l’Union européenne, on constate des cadres de
référence similaires. La mise en balance des intérêts
repose sur trois conditions justifiant une exception
au respect de l’intérêt social individuel: la stratégie
commune du groupe doit être au service d’un intérêt
commun, il doit y avoir une contre-prestation ou il faut
à tout le moins que l’équilibre ne soit pas rompu entre
les prestations respectives des entités concernées du
groupe, et enfin, l’effort demandé ne peut dépasser les
possibilités financières.
Cette forme de mise en balance des intérêts peut aus-
si s’appliquer aux groupes d’entreprises d’assurance ou
de réassurance, et l’interprétation concrète des condi-
tions doit se faire en tenant compte du fait qu’une ou
plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance,
soumises à un statut réglementé, sont concernées. Les
règles de contrôle prudentiel joueront donc un rôle, et
comme elles sont d’ordre public, l’interprétation des
trois conditions précitées pour ces groupes est, d’une
certaine manière, plus sévère que pour les groupes
commerciaux ordinaires. Cette approche plus stricte
en matière de groupes d’entreprises réglementées
connaît une confirmation implicite dans la jurisprudence
belge (cf. Cour d’appel de Bruxelles, 8 décembre 2010),
et peut aussi être retrouvée dans certaines disposi-
tions de droit européen, et notamment du Règlement
575/2013 (par exemple son article 7 relatif à la déroga-
tion à l’application des exigences prudentielles sur une
base individuelle). L’application la plus claire à ce jour
figure dans la Directive 2014/59/UE du Parlement euro-
péen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre
pour le redressement et la résolution des défaillances
d’établissements de crédit et d’entreprises d’investis-
sement (J.O.U.E. du 12 juin 2014, L. 173, p. 190), dont
l’article 19 énumère les conditions d’octroi d’une aide
financière au sein du groupe. Ces conditions peuvent
260
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financiële steun binnen de groep. Deze voorwaarden
kunnen gezien worden als een prudentiële invulling van
de hogergenoemde drie voorwaarden uit het algemene
vennootschapsrecht.
Tegen deze vennootschapsrechtelijke achtergrond
schrijft artikel 468, § 1 voor dat moederverzekerings- of
herverzekeringsondernemingen en gemengde financi-
ele holdings hun invloed op de ondernemingen onder
hen mogen laten gelden in functie van het groepsbe-
lang, maar dat dit groepsbelang noodzakelijk zelf be-
invloed wordt door de verplichtingen die voortvloeien
uit het conglomeraatstoezicht en uit de noodzaak om
de stabiliteit van de gehele groep te verzekeren. De
groepsaansturing door de moederonderneming wordt
in de bewoordingen van het artikel gezien als het geven
van richtlijnen die de dochteronderneming gehouden is
te toetsen aan haar eigen vennootschapsbelang. Deze
richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het algemene ven-
nootschapsrecht, wat een verwijzing is naar de grenzen
die voortvloeien uit de drie hogergenoemde voorwaar-
den en de concrete invulling die deze kunnen krijgen op
basis van de toepasselijke prudentiële regelgeving. De
naleving van de verplichtingen op solobasis is daarbij
in ieder geval een absolute minimumgrens
De door dit artikel beoogde coördinatie en toezicht
van de moederonderneming ten aanzien van de dochter-
ondernemingen, en de begrenzingen aan de invloed van
de moederonderneming zijn een belangrijk instrument
op het vlak van onder meer adequate interne verdeling
van kapitaal en liquiditeit binnen de groep, beoordeling
van intragroeptransacties en vormgeving van de pas-
sende beleidsstructuren binnen de groep.
Artikel 468, § 2 behandelt dezelfde situatie, behalve
dat de moederonderneming een buitenlandse ge-
mengde financiële holding is. In dit geval kunnen de
bovenstaande principes met betrekking tot de rol van
moederondernemingen niet ten volle spelen en dient
de Belgische verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming van haar moederonderneming de medewer-
king te verkrijgen voor het opzetten van een passende
beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het aanvullende
conglomeraatstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden
uitgeoefend. De dochteronderneming is ertoe gehouden
te toetsen of de grenzen van het algemene vennoot-
schapsrecht worden nageleefd.
Om vorm te geven aan de principes die ten grondslag
liggen aan artikel 468, §§ 1 en 2, moet één en ander
worden uitgewerkt in het internal governance memoran-
dum op groepsniveau, dat vereist is met toepassing van
ontwerpartikel 42, § 3.
être considérées comme une interprétation prudentielle
des trois conditions susmentionnées du droit général
des sociétés.
À la lumière de ce contexte de droit des sociétés,
l’article 468, § 1er prévoit que les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance mères et les compagnies
financières mixtes peuvent faire valoir leur influence
sur les entreprises qu’elles chapeautent, en fonction de
l’intérêt du groupe, mais que cet intérêt du groupe est
lui-même nécessairement influencé par les obligations
qui découlent de la surveillance complémentaire des
conglomérats et de la nécessité d’assurer la stabilité
de l’ensemble du groupe. Le pilotage du groupe par
l’entreprise mère est considéré, dans la formulation de
l’article, comme l’envoi de “directives” que la filiale est
tenue de confronter à son propre intérêt social. Ces
directives ne peuvent pas être contraires au droit des
sociétés général, ce qui constitue une référence aux
limites qui découlent des trois conditions susmention-
nées et à l’interprétation concrète dont elles peuvent
faire l’objet sur la base de la réglementation prudentielle
applicable. Le respect des obligations sur une base
individuelle constitue, à cet égard, et en tout état de
cause, un minimum absolu.
La coordination et le contrôle de l’entreprise mère
à l’égard des filiales tels que visés par cet article, et
les limites posées à l’influence de l’entreprise mère
constituent un instrument important en ce qui concerne
notamment la répartition interne adéquate du capital et
des liquidités au sein du groupe, l’évaluation des opé-
rations intragroupes et le façonnement de structures
politiques adaptées au sein du groupe
L’article 468, § 2, envisage la même situation, à
ceci près que l’entreprise mère est une compagnie
financière mixte étrangère. Dans ce cas, les principes
susmentionnés ne peuvent pas pleinement jouer en ce
qui concerne le rôle des entreprises mères, et c’est à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance belge qu’il
revient d’obtenir la coopération de son entreprise mère
pour mettre en place une structure de gestion adéquate
qui contribue à ce que la surveillance complémentaire
des conglomérats puisse être exercée de la manière la
plus efficace possible. La filiale est tenue de vérifier si
les limites du droit général des sociétés sont respectées.
Pour concrétiser les principes qui sont à la base de
l’article 468, §§ 1er et 2, il faut encore prendre les disposi-
tions adéquates dans le mémorandum de gouvernance
interne au niveau du groupe, requis en application de
l’article 42, § 3 en projet.
261
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 468, § 5 betreft de situatie waarin de Bank het
aanvullende conglomeraatstoezicht zou uitoefenen in
andere dan de gevallen bedoeld in het eerste en tweede
lid (wanneer de Bank is aangeduid als coördinator op
basis van de mogelijkheid tot afwijking waarin voorzien
is in artikel 472).
De verantwoordelijkheid van de moederonderneming
tot naleving van het aanvullende conglomeraatstoezicht,
of het nu gaat om een moederverzekerings- of herver-
zekeringsonderneming dan wel om een gemengde
financiële holding, krijgt onder meer concreet gestalte in
de functie die de moederonderneming dient te vervullen
als centraal aanspreekpunt voor de coördinator voor
informatie over de groep. Deze functie is opgenomen
in artikel 468, § 4.
Een andere — op één punt na niet nieuwe —
Belgische maatregel die ertoe strekt de gemengde
financiële holdings in het aanvullende conglomeraats-
toezicht te betrekken, is opgenomen in het hiernavol-
gende artikel 469.
Artikel 468, § 7 regelt de omgekeerde situatie van
deze van de vorige paragrafen: de Bank is niet bevoegd
voor het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Wanneer een Belgische verzekerings- of herverze-
keringsonderneming onder de controle staat van een
buitenlandse moederonderneming, dient deze verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming in dat geval na te
gaan of de invloed van haar moederonderneming niet
indruist tegen de algemeen geldende vennootschaps-
wetgeving of geen afbreuk doet aan het toezicht op
individuele basis. De groepsinterne verhouding wordt
met andere woorden louter bekeken vanuit het stand-
punt van de dochteronderneming.
Art. 469
Dit artikel, dat, zoals vermeld in de commentaar
bij artikel 468, er eveneens toe strekt de gemengde
financiële holdings te betrekken in het aanvullende
conglomeraatstoezicht, behandelt de responsabilisering
van de effectieve leiding van de gemengde financiële
holding op het vlak van interne controle en prudentiële
rapportering.
Nieuw in deze bepaling is dat de verklaring van de
effectieve leiding op het vlak van interne controle wordt
uitgebreid tot de effectieve leiding van de gemengde
financiële holding.
L’article 468, § 5, vise la situation où la Banque exer-
cerait la surveillance complémentaire des conglomérats
dans des cas qui diffèrent de ceux des alinéas 1er et
2 (dans lesquels la Banque est désignée en tant que
coordinateur sur la base de la possibilité de dérogation
prévue à l’article 472).
La responsabilité de l’entreprise mère quant au res-
pect de la surveillance complémentaire des conglomé-
rats, qu’il s’agisse d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance mère ou d’une compagnie financière mixte,
se concrétise notamment par la fonction que l’entreprise
mère doit remplir en tant qu’interlocuteur central à
l’égard du coordinateur pour les informations relatives
au groupe. Cette fonction est reprise à l’article 468, § 4.
Une autre mesure belge visant à impliquer les
compagnies financières mixtes dans la surveillance
complémentaire des conglomérats — qui, à un aspect
déterminé près n’est pas neuve — figure à l’article
469 ci-après.
L’article 468, § 7 règle la situation inverse de celles
visées aux paragraphes précédents: la Banque n’est
pas compétente pour la surveillance complémentaire
des conglomérats.
Dans ce cas, lorsqu’une entreprise d’assurance ou
de réassurance belge est contrôlée par une entreprise
mère étrangère, c’est à cette entreprise d’assurance
ou de réassurance qu’il revient de vérifier si l’influence
de son entreprise mère n’est pas contraire au droit des
sociétés généralement applicable et ne nuit pas au
contrôle sur base individuelle. En d’autres termes, la
relation interne au groupe est examinée exclusivement
du point de vue de la filiale.
Art. 469
Cet article, comme mentionné dans le commen-
taire de l’article 468, vise également à impliquer les
compagnies financières mixtes dans la surveillance
complémentaire des conglomérats, et traite de la res-
ponsabilisation de la direction effective de la compagnie
financière mixte en ce qui concerne le contrôle interne
et le reporting prudentiel.
Un élément neuf de cette disposition réside dans
l’extension de la déclaration de la direction effective
concernant le contrôle interne à la direction effective
de la compagnie financière mixte.
262
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 470
Zoals reeds blijkt uit artikel 468, worden de gemengde
financiële holdings, net zoals de moederverzekerings-
of herverzekeringsondernemingen, betrokken bij het
aanvullende conglomeraatstoezicht. Deze betrokken-
heid impliceert echter niet dat de gemengde financiële
holdings aan individueel toezicht zijn onderworpen.
Gemengde financiële holdings zijn geen gereglemen-
teerde ondernemingen in die zin dat zij niet “onder
statuut” staan; ze hebben geen vergunning nodig voor
het ontplooien van hun activiteiten. In hun hoedanigheid
van significant aandeelhouder van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming maken zij natuurlijk wel
het voorwerp uit van een screening door de Bank (zie
ontwerpartikel 39). De betrokkenheid waarvan sprake
impliceert echter wel dat hen (uitgebreide) ondersteu-
nende verplichtingen kunnen worden opgelegd die het
aanvullende conglomeraatstoezicht mogelijk moeten
maken. Dit is een gevolg van het feit dat in een groep
die gestructureerd is volgens holdingmodel, deze
gemengde financiële holding het startpunt is van de
reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht
en het centraal aanspreekpunt vormt voor informatie
voor de coördinator. De gemengde financiële holdings
zijn verantwoordelijk voor de naleving van deze verplich-
tingen en kunnen hier ook via maatregelen en sancties
op worden aangesproken. De finale juridische verant-
woordelijkheid blijft echter steeds op de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen rusten, omdat enkel
op hen de ultieme sanctie kan worden toegepast, die
bestaat in het intrekken van de vergunning.
Voor bepaalde verplichtingen die aldus aan de ge-
mengde financiële holdings worden opgelegd is dat
ondersteunende karakter echter niet meer zo duidelijk
waarneembaar, omdat ze uit hun aard zelf uitwerking
hebben op de rechtspersoonlijkheid van de gemengde
financiële holding zelf, en op de wijze waarop deze
georganiseerd is (haar aandeelhouders, haar bestuur,
enz.). Het gaat om regels die “van overeenkomstige
toepassing” worden verklaard op de gemengde finan-
ciële holding zelf.
Artikel 470 somt deze regels op. Het gaat om de
volgende vereisten:
— minimum twee effectieve leiders;
— enkel natuurlijke personen als bestuurders;
— permanente fit & proper-vereisten;
— gevallen van beroepsverbod;
Art. 470
Ainsi que cela résulte déjà de l’article 468, les
compagnies financières mixtes sont, tout comme les
entreprises d’assurance ou de réassurance mères,
concernées par la surveillance complémentaire des
conglomérats. Cela ne signifie pas pour autant que
les compagnies financières mixtes soient soumises
à un contrôle individuel. Les compagnies financières
mixtes ne sont pas des entreprises réglementées, au
sens où elles ne sont pas soumises à un “statut”; elles
n’ont pas besoin d’un agrément pour déployer leurs
activités. En leur qualité d’actionnaire significatif d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance, elles font
certes l’objet d’un examen par la Banque (voir article
39 en projet). Elles sont toutefois concernées dans la
mesure où on peut leur imposer des obligations de sou-
tien (étendues) destinées à permettre la surveillance du
groupe. Cela vient de ce que dans un groupe structuré
selon ce modèle “holding”, la compagnie financière
mixte est l’épicentre de la surveillance complémentaire
des conglomérats et constitue l’interlocuteur central
pour les informations à soumettre au coordinateur. Les
compagnies financières mixtes sont responsables du
respect de ces obligations et peuvent dès lors se voir
imposer des mesures et des sanctions. La responsa-
bilité juridique ultime incombe toutefois toujours aux
entreprises d’assurance ou de réassurance, parce que
ce n’est qu’à elles que peut être appliquée la sanction
ultime consistant dans le retrait de l’agrément.
Pour certaines obligations qui sont ainsi imposées
aux compagnies financières mixtes, ce caractère de
soutien n’est toutefois plus aussi perceptible, parce que,
de par leur nature même, elles produisent leurs effets
sur la personnalité juridique de la compagnie financière
mixte elle-même, et sur son mode d’organisation (ses
actionnaires, son administration, etc.). Il s’agit de règles
qui sont déclarées “applicables par analogie” à la com-
pagnie financière mixte elle-même.
L’article 470 énumère ces règles. Il s’agit des exi-
gences suivantes:
— au moins deux dirigeants effectifs;
— uniquement des personnes physiques comme
administrateurs;
— des exigences permanentes en matière d’exper-
tise et d’honorabilité professionnelles (fit and proper);
— des cas d’interdiction professionnelle;
263
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— de verplichte oprichting van een directiecomité en
de vrijstellingsmogelijkheden voor het oprichten van dit
directiecomité;
— de aandeelhouderscontrole,
— bepaalde herstelmaatregelen.
Afdeling III
Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Aanwijzing van de coördinator
Art. 471
Dit artikel behandelt de aanwijzing van de coördinator.
Met toepassing van artikel 471, § 2, 3° kan de FSMA be-
last worden met het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Art. 472
Deze bepaling bevat geen inhoudelijke vernieuwingen.
Onderafdeling II
Rechten en plichten van de coördinator — College
Art. 473
Dit artikel, dat de taken van de coördinator betreft,
bevat geen inhoudelijke vernieuwingen.
Wel dient gewezen te worden op de op
22 december 2014 gepubliceerde “Gemeenschappelijke
richtsnoeren betreffende de convergentie van toe-
zichtpraktijken met betrekking tot coherente coördina-
tieregelingen voor het toezicht op financiële conglo-
meraten” (JC/GL/2014/01), die overeenkomstig artikel
11, lid 1 van de Richtlijn Financiële Conglomeraten
via het Gemengd Comité door de Europese toezicht-
houdende autoriteiten werden ontwikkeld (hierna
de “Gemeenschappelijke Richtsnoeren”). Deze
Gemeenschappelijke Richtsnoeren, die door de nati-
onale autoriteiten moeten worden nageleefd door een
passende opname ervan in hun toezichtspraktijken,
strekken ertoe de taken van de coördinator te verduidelij-
ken, de samenwerking en de uitwisseling van informatie
tussen de verschillende nationale bevoegde autoriteiten
— l’obligation de mettre sur pied un comité de direc-
tion et les dérogations possibles concernant ce comité
de direction;
— le contrôle de l’actionnariat;
— certaines mesures de redressement.
Section III
Exercice de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Sous-section I
re — Détermination du coordinateur
Art. 471
Cet article traite de la désignation du coordinateur.
En application de l’article 471, § 2, 3°, la FSMA peut
être en charge de la surveillance complémentaire des
conglomérats.
Art. 472
Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui
concerne cette disposition.
Sous-section II
Droits et obligations du coordinateur — Collège
Art. 473
Cet article traite des tâches du coordinateur et ne
contient pas d’innovation de fond.
Il faut toutefois attirer l’attention sur les “Orientations
communes en vue de la convergence des pratiques de
surveillance en ce qui concerne la cohérence des accords
de coordination en matière de surveillance des conglo-
mérats financiers”, publiées le 22 décembre 2014 (JC/
GL/2014/01) et élaborées par les autorités européennes
de surveillance, par l’intermédiaire du comité mixte,
conformément à l’article 11, paragraphe 1er de la direc-
tive Conglomérats financiers (ci-après, les “Orientations
Communes”). Ces Orientations Communes, que les
autorités nationales doivent respecter en les intégrant
dans leurs pratiques de surveillance de façon adéquate,
visent à clarifier les tâches du coordinateur, améliorer la
coopération et l’échange d’informations entre les diffé-
rentes autorités compétentes dans le cadre du contrôle
de conglomérats financiers transfrontaliers, détailler le
264
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in het kader van het toezicht op grensoverschrijdende
financiële conglomeraten te bevorderen, de werking
van de colleges te specifiëren, en de procedures uiteen
te zetten die de bevoegde autoriteiten moeten volgen
telkens overleg tussen of raadpleging of instemming
van verschillende bevoegde autoriteiten wordt voorge-
schreven (zie bijvoorbeeld de ontwerpartikelen 452, § 4,
458, § 3, 460, 463, § 1, 472, 482, 500, en 503, §§ 1 en 3).
Art. 474
FICOD I heeft een nieuwe bepaling toegevoegd over
het oprichten van colleges voor financiële conglomera-
ten. Het college van de relevante bevoegde autoriteiten
van een financieel conglomeraat dient te handelen in
overeenstemming met het aanvullende karakter van de
Richtlijn Financiële Conglomeraten en moet als zodanig
de activiteiten van de bestaande colleges voor de bank-
subgroep en de verzekeringssubgroep niet herhalen of
vervangen, maar moet daaraan juist waarde toevoegen.
Er zal aldus alleen een afzonderlijk college voor een
financieel conglomeraat moeten worden opgericht wan-
neer er geen sectoraal bank- of verzekeringscollege is
ingesteld.
Wat betreft de concrete werking van deze col-
leges, kan verder nuttig worden verwezen naar de
Gemeenschappelijke Richtsnoeren (zie de commen-
taar bij ontwerpartikel 473), alsook naar het door het
Joint Forum opgestelde en in september 2014 gepu-
bliceerde Report on supervisory colleges for financial
conglomerates.
Art. 475
Dit artikel betreft de samenwerkingsovereenkomsten
die de bevoegde autoriteiten kunnen sluiten.
Voor een goed begrip van de inhoud van de coördina-
tieregelingen waarvan sprake in dit artikel, kan verwezen
worden naar de Gemeenschappelijke Richtsnoeren (zie
ook de commentaar bij ontwerpartikel 473).
Art. 476
Deze bepaling betreft het opmaken van lijsten van
gemengde financiële holdings.
Voor deze bepaling zijn er geen inhoudelijke
vernieuwingen.
fonctionnement des collèges et expliciter les procédures
à suivre par les autorités compétentes chaque fois que
s’impose une concertation entre ou la consultation ou
l’accord de plusieurs autorités compétentes (voir p.ex.
les articles 452, § 4, 458, § 3, 460, 463, § 1, 472, 482,
500, et 503, § 1 et § 3 en projet).
Art. 474
La directive FICOD I a ajouté une nouvelle dispo-
sition relative à l’établissement de collèges pour les
conglomérats financiers. Le collège des autorités
compétentes relevantes d’un conglomérat financier
doit agir conformément au caractère complémentaire
de la directive Conglomérats financiers et ne doit, à ce
titre, pas faire double emploi avec les collèges existants
des sous-groupes “Banque” et “Assurance” concernés,
ni les remplacer, mais plutôt leur apporter une valeur
ajoutée. Un collège distinct ne devra ainsi être constitué
pour un conglomérat financier que lorsqu’aucun collège
du secteur bancaire ou de l’assurance n’a pas été mis
en place.
Pour le fonctionnement concret de ces collèges, il
peut par ailleurs être utilement référé aux Orientations
Communes (voir le commentaire de l’article 473 en
projet), ainsi qu’au Report on supervisory colleges for
financial conglomerates, établi par le Joint Forum et
publié en septembre 2014.
Art. 475
Cet article traite des accords de coopération que les
autorités compétentes peuvent conclure.
Pour une bonne compréhension du contenu des
accords de coordination dont il est fait mention dans
cet article, il y a lieu de se référer aux Orientations
Communes (voir également le commentaire de l’article
473 en projet).
Art. 476
Cette disposition concerne l’élaboration de listes de
compagnies financières mixtes.
Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui
concerne cette disposition.
265
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 477
Deze bepaling bevat geen inhoudelijke vernieuwingen.
Onderafdeling III
Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de
bevoegde autoriteiten
Art. 478
Dit artikel behandelt de concrete inhoud van de ver-
plichting tot samenwerking in hoofde van de bevoegde
autoriteiten, die met name betrekking heeft op de uit-
wisseling tussen deze autoriteiten van vertrouwelijke en
relevante informatie.
De Gemeenschappelijke Richtsnoeren bevatten
concrete richtlijnen voor de uitwisseling van informatie
zowel in normale omstandigheden als in noodsituaties.
Er zijn geen inhoudelijke vernieuwingen op basis
van FICOD I te signaleren. De lijsten die voorkomen
in de betrokken bepalingen van de Richtlijn Financiële
Conglomeraten waren nog niet in extenso opgenomen
in het koninklijk besluit van 21 november 2005. In het
voorliggende ontwerp zijn deze opsommingen nu wel
geïntegreerd.
Art. 479
Wat betreft deze bepaling zijn er geen inhoudelijke
vernieuwingen.
Art. 480
Dit artikel regelt de situatie waarin de Bank niet be-
voegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht
op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die een dochteronderneming is van een Belgische ge-
mengde financiële holding. De Bank zal dan eventueel
haar medewerking verlenen voor het toepassen van
maatregelen die in de lidstaat van de bevoegde auto-
riteit bestaan om gemengde financiële holdings in het
aanvullende conglomeraatstoezicht te betrekken.
Art. 481
Voor deze bepaling zijn er geen inhoudelijke vernieu-
wingen te signaleren.
Art. 476
Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour cette
disposition.
Sous-section III
Coopération et échange d’informations entre les autorités
compétentes
Art. 478
Cet article traite du contenu concret de l’obligation
de coopération dans le chef des autorités compétentes,
laquelle concerne notamment l’échange entre ces
autorités d’informations confidentielles et pertinentes.
Les Orientations Communes contiennent des lignes
directrices concrètes pour l’échange d’informations
tant sur une base régulière que dans les situations
d’urgence.
Il n’y a pas de nouveauté à signaler sur la base de
FICOD I. Les listes figurant dans les dispositions concer-
nées de la directive Conglomérats financiers n’avaient
pas encore été reprises in extenso dans l’arrêté royal
du 21 novembre 2005. Elles le sont désormais dans le
présent projet.
Art. 479
Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui
concerne cette disposition.
Art. 480
Cette disposition règle la situation dans laquelle
la Banque n’est pas compétente pour la surveillance
complémentaire des conglomérats, pour le cas d’une
compagnie financière mixte belge en tant que société
mère. La Banque collabore éventuellement à l’appli-
cation des mesures existant dans l’État membre de
l’autorité compétente pour l’inclusion des compagnies
financières mixtes dans la surveillance complémentaire
des conglomérats.
Art. 481
Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui
concerne cet article.
266
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Overleg tussen bevoegde autoriteiten
Art. 482
De bepalingen van dit artikel betreffen het overleg dat
tussen de relevante bevoegde autoriteiten moet worden
gevoerd. Er zijn geen inhoudelijke vernieuwingen op
basis van FICOD I.
Onderafdeling V
Voor de uitoefening van het aanvullende
conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie
Art. 483
Hoewel er voor deze bepalingen geen inhoudelijke
wijzigingen te signaleren zijn, is het nuttig om de aan-
dacht te vestigen op het feit dat de informatieverschaf-
fing aan de Bank zowel rechtstreeks als onrechtstreeks
kan gebeuren:
— rechtstreeks voor wat betreft de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen en gemengde financi-
ele holdings naar Belgisch recht;
— en onrechtstreeks (namelijk via tussenkomst van
een andere (buitenlandse) bevoegde autoriteit of via één
van de in het eerste streepje opgesomde ondernemin-
gen of via een combinatie van deze twee tussenstap-
pen) voor wat betreft alle andere in het aanvullende
conglomeraatstoezicht opgenomen ondernemingen,
naar Belgisch of naar buitenlands recht, gereglemen-
teerd of niet-gereglementeerd, of ook ten aanzien van
ondernemingen die uitdrukkelijk buiten de reikwijdte van
dit toezicht werden gelaten.
Art. 484
Voor dit artikel zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen.
Art. 485
Informatie die relevant is voor het aanvullende con-
glomeraatstoezicht moet optimaal kunnen circuleren
tussen de ondernemingen die deel uitmaken van de
reikwijdte van dit toezicht. Deze ondernemingen kunnen
in dit verband geen beperkingen van privaatrechtelijke
aard inroepen.
Deze bepaling is inhoudelijk verbonden met de bepa-
lingen over het toepassen van de governancevereisten,
Sous-section IV
Consultation entre autorités compétentes
Art. 482
Les dispositions de cet article concernent la concer-
tation entre les autorités compétentes relevantes. Il n’y
a pas d’innovation quant au fond à signaler sur la base
de FICOD I.
Sous-section V
Informations à fournir aux fins de l’exercice de la
surveillance complémentaire des conglomérats
Art. 483
Bien qu’il n’y ait aucune modification à signaler quant
au fond pour ces dispositions, il est utile d’attirer l’atten-
tion sur le fait que la communication d’informations à la
Banque peut se faire tant directement qu’indirectement:
— à savoir, directement en ce qui concerne des
entreprises d’assurance ou de réassurance et des
compagnies financières mixtes de droit belge;
— et indirectement (à savoir par l’intervention d’une
autre autorité compétente — étrangère — ou par l’une
des entreprises énumérées au premier tiret, ou par une
combinaison de ces deux procédés) en ce qui concerne
toutes les autres entreprises incluses dans la surveil-
lance complémentaire des conglomérats, de droit belge
ou de droit étranger, réglementées ou non, ou également
à l’égard d’entreprises qui ont été expressément exclues
de la portée de cette surveillance.
Art. 484
Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour cet article.
Art. 485
Les informations qui sont pertinentes pour la surveil-
lance complémentaire du groupe doivent pouvoir circu-
ler dans les meilleures conditions possibles entre les
entreprises relevant de la portée de cette surveillance.
Les entreprises ne peuvent à cet égard invoquer des
objections tirées du droit privé.
Cette disposition est liée quant au fond aux dis-
positions relatives à l’application d’exigences de
267
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die inhouden dat deze procedures in de volledige groep
op consistente wijze moeten worden geïmplementeerd
en toegepast (zie de ontwerpartikelen 464 tot 466).
Deze bepaling kan ook in verband gebracht worden
met de indirecte informatieverschaffing waarvan sprake
in artikel 483: dit mechanisme kan pas werken als de
ondernemingen onderling alle relevante informatie voor
het aanvullende conglomeraatstoezicht aan elkaar
doorgeven.
Art. 486
Voor deze bepaling over de verificatie ter plaatse zijn
er geen inhoudelijke vernieuwingen.
Art. 487
Er zijn geen inhoudelijke vernieuwingen te melden
voor de bepalingen aangaande de informatieverschaf-
fing aan en de verificatie ter plaatse door buitenlandse
bevoegde autoriteiten.
Onderafdeling VI
Revisoraal toezicht
Art. 488 tot 499
Deze artikelen behandelen de opdracht van de com-
missaris in conglomeraatscontext en de toegang tot
informatie in hoofde van de commissaris.
Voor deze bepalingen zijn er geen inhoudelijke
vernieuwingen.
Afdeling IV
Andere financiële groepen
Art. 500 en 501
Deze artikelen betreffen de wijze waarop het aan-
vullende conglomeraatstoezicht van overeenkomstige
toepassing kan worden verklaard op andere groepen
die weliswaar beantwoorden aan de significantiecriteria
van artikel 452, maar niet vallen onder één van de in
artikel 451 bedoelde gevallen.
Ontwerpartikel 500 bevat een verwijzing naar
de “internationale beginselen inzake aanvullend
gouvernance qui prévoient que ces procédures doivent
être mises en œuvre et appliquées de façon cohérente
dans l’ensemble du groupe (voir les articles 464 à
466 en projet).
Cette disposition peut également être mise en rap-
port avec la communication indirecte d’informations
dont question à l’article 483: ce mécanisme ne peut
fonctionner que si les entreprises se transmettent toutes
les informations pertinentes pour la surveillance com-
plémentaire des conglomérats.
Art. 486
Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour cette
disposition relative à la vérification sur place.
Art. 487
Il n’y a pas de nouveautés quant au fond en ce qui
concerne les dispositions concernant la communication
d’informations et la vérification sur place par des auto-
rités compétentes étrangères.
Sous-section VI
Contrôle révisoral
Art. 488 à 499
Ces articles traitent de la mission du commis-
saire dans le contexte des conglomérats financiers,
ainsi que de l’accès aux informations dans le chef du
commissaire.
Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour ces
articles.
Section IV
Autres groupes financiers
Art. 500 et 501
Ces articles traitent de la façon dont la surveillance
complémentaire des conglomérats peut être déclarée
d’application à d’autres groupes répondant aux critères
d’importance significative de l’article 452, sans tomber
sous l’un des cas visés à l’article 451.
L’article 500 en projet comprend une référence aux
“principes internationaux en matière de surveillance
268
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
conglomeraatstoezicht”. Bedoeld worden de Joint
Forum Principles on the Supervision of Financial
Conglomerates, die in oktober 2012 werden gepubli-
ceerd. In afwachting van een fundamentele herziening
van de Richtlijn Financiële Conglomeraten kunnen deze
nu reeds gelden als richtlijnen om vorm te geven aan
een ad hoc groepswijd toezicht voor verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die stricto sensu niet
onder het toepassingsgebied van het aanvullende toe-
zicht voor financiële conglomeraten vallen, terwijl ze
toch onderhevig zijn aan groepsrisico’s die deze vorm
van toezicht rechtvaardigen.
Afdeling V
Moederondernemingen uit derde landen
Art. 502 en 503
Deze bepalingen betreffen het aanvullende conglo-
meraatstoezicht op moederondernemingen uit derde
landen.
Voor deze bepalingen zijn er geen inhoudelijke
vernieuwingen.
TITEL VI
In moeilijkheden of in een onregelmatige
situatie verkerende verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen
De eerste twee hoofdstukken van Titel VI omvatten
alle corrigerende administratieve maatregelen die de
Bank kan nemen wanneer verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen niet voldoen aan de wettelijke en
reglementaire verplichtingen die het wettelijk statuut van
deze ondernemingen vormen. Deze vrij klassieke maat-
regelen in de toezichtswetgevingen voor de bancaire,
de financiële en de verzekeringssector zijn ontleend
aan de wetten van 9 juli 1975 en van 16 februari 2009,
alsook aan de recente bankwet van 25 april 2014, ten-
einde, in het licht van die ervaringen, de beste juridische
instrumenten vast te stellen vanuit het oogpunt van de
goede administratieve praktijken. Anders dan in de wet
van 9 juli 1975, waarin de herstelinstrumenten waarover
de Bank beschikt, over verschillende artikelen zijn ver-
spreid, worden deze instrumenten in het voorliggende
wetsontwerp gegroepeerd, waarbij de voorwaarden voor
de toepassing ervan (d.w.z. de omstandigheden die
het gebruik ervan mogelijk maken, of “triggers”), zoals
bepaald in de ontwerpartikelen 508 en 517, ruim wor-
den omschreven, teneinde de Bank een discretionaire
beoordelingsbevoegdheid te verlenen die haar in staat
stelt het meest gepaste instrument te kiezen, rekening
complémentaire des conglomérats”. Sont visés les
principes précités du Joint Forum on the Supervision of
Financial Conglomerates, publiés en octobre 2012. Dans
l’attente d’une révision fondamentale de la directive
Conglomérats financiers, ils peuvent d’ores et déjà valoir
comme orientations pour concrétiser une surveillance
ad hoc du groupe pour les entreprises d’assurance ou
de réassurance ne relevant stricto sensu pas du champ
d’application de la surveillance complémentaire pour
les conglomérats financiers, alors qu’elles sont tout de
même soumises à des risques de groupe qui justifient
cette forme de surveillance.
Section V
Entreprises mères établies dans un pays tiers
Art. 502 et 503
Ces dispositions traitent de la surveillance complé-
mentaire des conglomérats dans le cas d’entreprises
mères établies dans un pays tiers.
Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui
concerne ces dispositions.
TITRE VI
Des entreprises d’assurance ou de réassurance en
difficulté ou en situation irrégulière
Dans ses deux premiers Chapitres, le Titre VI
regroupe l’ensemble des mesures administratives
correctrices que la Banque est susceptible d’adopter
face à des situations de manquement dans le chef des
entreprises d’assurance ou de réassurance par rapport
à leurs obligations légales et réglementaires formant
le statut légal de ces entreprises. Ces mesures assez
classiques dans les législations de contrôle du secteur
bancaire, financier et des assurances sont issues des
lois du 9 juillet 1975 et du 16 février 2009 et de la récente
loi bancaire du 25 avril 2014 afin de formaliser, à la
lumière de ces expériences, les meilleurs instruments
juridiques sous l’angle des bonnes pratiques administra-
tives. Au contraire de la loi du 9 juillet 1975 qui dissémine
actuellement dans des articles épars les instruments de
redressement dont dispose la Banque, les dispositions
du présent projet procèdent à un regroupement de ces
instruments dont les conditions d’application (c.-à-d. les
circonstances permettant leur utilisation (les “triggers”)),
telles qu’elles sont prévues aux articles 508 et 517 en
projet, sont énoncées de manière large afin de conférer
à la Banque un pouvoir d’appréciation discrétionnaire
lui permettant de choisir l’instrument le plus approprié,
269
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
houdend met het evenredigheidsbeginsel. Deze be-
nadering beantwoordt volkomen aan Insurance Core
Principle (“ICP”) 10.3, dat stelt dat de toezichthouder
dient te beschikken over een waaier aan maatregelen,
waarmee hij op progressieve wijze de meest gepaste
maatregel kan toepassen van de maatregelen waarover
hij beschikt (“There is a progressive escalation in actions
or remedial measures that can be taken if the problems
become worse or the insurer ignores requests from the
supervisor to take preventive and corrective action”).
HOOFDSTUK I
Evenwicht van de tarieven
Art. 504 tot 507
In ontwerpartikel 504 wordt artikel 21octies, § 2 van
de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Ter herinnering, pa-
ragraaf 2 van dit artikel 21octies bestaat uit twee leden,
en in het eerste lid wordt gesteld dat de Bank, als admi-
nistratieve maatregel, kan eisen dat een verzekeringson-
derneming die een verlieslatend tarief hanteert, dat tarief
in evenwicht brengt en dus verhoogt. Het tweede lid
heeft betrekking op de toepassing van dit beginsel in het
specifieke geval van de andere dan beroepsgebonden
ziekteverzekeringsovereenkomsten, waarvoor, ondanks
de bij artikel 204 van de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen (hierna conform ontwerpartikel 15 de
“Wet Verzekeringen” genoemd) vastgelegde regeling,
de tariefregeling verlieslatend is of dreigt te worden.
Met betrekking tot dit tweede specifieke geval, wordt
hier kort het verband uiteengezet tussen het prudentiële
regime zoals neergelegd in artikel 21octies, § 2 van de
wet van 9 juli 1975 en dat van de Wet Verzekeringen,
waarvan het HvJEU onlangs bepaalde dat het in
overeenstemming is met het Europees recht (HvJEU,
7 maart 2013, DKV Belgium tegen Test-Aankoop vzw):
Er zij aan herinnerd dat een verzekeringsonderne-
ming de contractuele voorwaarden van een ziekte-
verzekeringsovereenkomst niet kan wijzigen, in het
bijzonder wat een tariefverhoging betreft, zonder het
geldende wettelijke kader na te leven. Zo beperkt artikel
204 van de Wet Verzekeringen (een bepaling die werd
overgenomen uit het vroegere artikel 138bis-4 van de
wet van 25 juni 1992, dat op zijn beurt werd ingevoegd
door de wet van 20 juli 2007 en vervangen door de wet
van 17 juni 2009), de mogelijkheid voor de verzekerings-
ondernemingen om de technische grondslagen van de
premie en de dekkingsvoorwaarden van de individuele
ziekteverzekeringsovereenkomsten te wijzigen nadat
de overeenkomst is gesloten.
sous réserve du respect du principe de proportionnalité.
Cette approche répond ainsi parfaitement aux Insurance
Core Principles — “ICPs” n° 10.3 selon lequel l’autorité
de contrôle doit disposer d’un éventail de mesures
lui permettant d’appliquer de manière progressive la
mesure la plus appropriée parmi les mesures à sa dis-
position (“There is a progressive escalation in actions
or remedial measures that can be taken if the problems
become worse or the insurer ignores requests from the
supervisor to take preventive and corrective action”).
CHAPITRE IER
Mise en équilibre des tarifs
Art. 504 à 507
L’article 504 en projet constitue la reprise de l’article
21octies, § 2 de la loi du 9 juillet 1975. Pour rappel, le
paragraphe 2 dudit article 21octies se compose de
deux alinéas dont le premier énonce, au titre de mesure
administrative imposée par la Banque à une entreprise
d’assurance dont le tarif applicable donne lieu à des
pertes, la possibilité d’exiger une mise en l’équilibre
du tarif et donc son relèvement. Le deuxième alinéa
concerne l’application de ce principe au cas spécifique
des contrats d’assurance-maladie autres que profes-
sionnels pour lesquels, malgré le régime prévu sous
l’article 204 de la Loi du 4 avril 2014 relative aux assu-
rances (ci-après citée conformément à l’article 15 en
projet, “Loi assurances”), le régime tarifaire donne ou
risque de donner lieu à des pertes.
S’agissant de cette deuxième hypothèse particu-
lière, on rappelle ici brièvement l’articulation du régime
prudentiel consacré par l’article 21octies, § 2 de la loi
du 9 juillet 1975 et celui de la Loi assurances, tel que
la CJUE a récemment reconnu sa conformité au droit
européen (CJUE, 7 mars 2013, DKV Belgium c. Test-
Achats ASBL):
Pour rappel, une entreprise d’assurance ne peut
modifier les conditions contractuelles d’un contrat
d’assurance maladie, spécialement en ce qui concerne
une augmentation tarifaire sans respecter le cadre légal
en vigueur. Ainsi, l’article 204 de la Loi assurances
(disposition reprise de l’ancien article 138bis-4 de la
loi du 25 juin 1992, lui-même introduit par la loi du
20 juillet 2007 et remplacé par la loi du 17 juin 2009),
limite la possibilité, pour les entreprises d’assurance,
d’apporter des modifications aux bases techniques de
la prime et aux conditions de couverture des contrats
d’assurance maladie individuels une fois que le contrat
a été conclu.
270
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
a) Dergelijke wijzigingen kunnen in principe alleen
gebeuren bij wederzijds akkoord van de partijen, op
uitsluitend verzoek van de hoofdverzekerde en enkel in
het belang van de verzekerden (art. 204, § 1).
b) Bovendien mogen de premie, de vrijstelling en de
prestatie volgens paragraaf 2 van dit artikel 204, behalve
in voornoemd geval van wederzijds akkoord van de par-
tijen, worden aangepast op de jaarlijkse premieverval-
dag, op grond van het indexcijfer der consumptieprijzen.
c) De mogelijkheden tot herziening van de contrac-
tuele voorwaarden worden verder vervolledigd in para-
graaf 3 van de bepaling, waarin gesteld wordt dat de
premie, de vrijstelling en de prestaties op de jaarlijkse
premievervaldag, op grond van één of verschillende
specifieke indexcijfers mogen worden aangepast aan
de kosten van de diensten die gedekt worden door de
private ziekteverzekeringsovereenkomsten, indien en
voor zover de evolutie van dat of deze indexcijfers het
indexcijfer der consumptieprijzen overschrijdt.
Daartoe bepaalt de Koning, op grond van de bij wet
omschreven criteria en na raadpleging van het Federaal
kenniscentrum voor de gezondheidszorg, de wijze
waarop die indexcijfers worden opgebouwd (zie het
koninklijk besluit van 1 februari 2010 tot vaststelling van
de specifieke indexcijfers bedoeld in artikel 138bis-4,
van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-
overeenkomst, zoals gedeeltelijk vernietigd bij het arrest
van de Raad van State van 29 december 2011). Zodra
deze methode is vastgesteld door de Koning, berekent
en publiceert de FOD Economie jaarlijks de waarde
van het of de indexcijfers in het Belgisch Staatsblad,
waarbij de Koning de regelmaat van de berekening en
bekendmaking van deze indexcijfers kan verhogen.
Sedert de wijziging van de bepaling bij de wet van
17 juni 2009, is de Bank (en vóór 1 april 2011, de CBFA)
niet meer betrokken bij het proces voor de goedkeuring
van de voornoemde contractuele wijzigingen (zoals een
tariefverhoging). Conform het in administratief recht
geldende specialiteitsbeginsel, bekrachtigt de Wet
Verzekeringen het onderscheid tussen de zogenoemde
prudentiële toezichtstaken van de Bank en een optreden
in het kader van bepalingen ter bescherming van de con-
sument in verband met de mogelijkheden tot wijziging
van de contractuele voorwaarden met betrekking tot
premies, vrijstellingen en prestaties. Artikel 204, § 4 van
de Wet Verzekeringen benadrukt deze differentiatie van
de opdrachten, door te verduidelijken dat de toepassing
van dit artikel geen afbreuk doet aan de prerogatieven
van de Bank op grond van artikel 21octies van de wet
van 9 juli 1975, dat wordt overgenomen in artikel 504 van
de ontwerpwet.
a) De telles modifications ne peuvent intervenir, en
principe, que moyennant l’accord réciproque des par-
ties, à la demande exclusive de l’assuré principal et dans
le seul intérêt des assurés (art. 204, § 1er).
b) En outre, selon le paragraphe 2 dudit article 204,
en dehors du cas précité de l’accord réciproque des
parties, la prime, la franchise et la prestation peuvent
être adaptées à la date de l’échéance annuelle de la
prime sur la base de l’indice des prix à la consommation.
c) Le paragraphe 3 de la disposition complète encore
les possibilités de révision des conditions contractuelles
en prévoyant que la prime, la franchise et la prestation
peuvent être adaptées, à la date d’échéance annuelle,
aux coûts des services couverts par les contrats privés
d’assurance-vie et ce, sur la base d’un ou plusieurs
indices spécifiques si et dans la mesure où ces indices
dépassent l’indice des prix à la consommation.
À cette fin, le Roi détermine, sur base des critères
prévus par la loi et de l’avis du Centre fédéral d’expertise
des soins de santé, les méthodes de construction de ces
indices (Voy. l’arrêté royal du 1er février 2010 détermi-
nant les indices spécifiques visés à l’article 138bis-4 de
la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre,
tel que partiellement annulé par un arrêt du Conseil
d’État du 29 décembre 2011). Une fois cette méthode
fixée par le Roi, le SPF Economie calcule et publie
annuellement au Moniteur belge la valeur des indices
concernés, le Roi pouvant augmenter la fréquence du
calcul et de la publication de ces indices.
On relève ainsi que depuis la modification de la dis-
position par la loi du 17 juin 2009, la Banque (et avant
le 1er avril 2011, la CBFA) n’est plus appelée à interve-
nir dans le processus de validation des modifications
contractuelles précitées (dont une augmentation tari-
faire). Conformément au principe de spécialité qui pré-
vaut en droit administratif, la Loi assurances consacre la
distinction entre les missions de contrôle dit prudentiel
de la Banque et une intervention dans le cadre de dis-
positions, à vocation consumériste, encadrant les pos-
sibilités de modifications des conditions contractuelles
relatives aux primes, franchises et prestations. Insistant
sur cette différenciation des missions, l’article 204,
§ 4 de la Loi assurances précise en son paragraphe
4 qu’elle laisse intactes les prérogatives de la Banque
fondées sur l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975,
appelé à devenir l’article 504 de la loi en projet.
271
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In het kader van haar opdracht inzake toezicht op
de verzekeringsondernemingen beschikt de Bank over
een aantal prerogatieven. Een van de prerogatieven die
in deze ontwerptitel zijn opgenomen, bestaat erin dat
de Bank kan eisen dat een verzekeringsonderneming
een tarief in evenwicht brengt, indien ze vaststelt dat
de toepassing van dit tarief verlieslatend is of dreigt te
worden. Dit is een van de talrijke maatregelen waarover
de Bank krachtens de wet van 9 juli 1975 beschikt en die
het huidig ontwerp overneemt en tegelijk perfectioneert.
Wat het specifieke geval van andere dan beroeps-
gebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten betreft,
regelt artikel 21octies, net als artikel 204, § 4 van de Wet
Verzekeringen, de hiërarchie tussen de prerogatieven
van de Bank en het in het hierboven toegelichte arti-
kel 204 bedoelde mechanisme. Zo bepaalt artikel 21oc-
ties, § 2, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 dat de
Bank van een verzekeringsonderneming kan verlangen
dat ze maatregelen neemt om haar tarief in evenwicht te
brengen indien ze, ondanks het in artikel 204, §§ 2 en
3 van de Wet Verzekeringen omschreven proces voor
de herziening van de contractuele voorwaarden inzake
premies, vrijstellingen en prestaties, vaststelt dat de toe-
passing van dit tarief verlieslatend is of dreigt te worden.
Artikel 21octies, § 2 van de wet van 9 juli 1975 vormt
dus een specifiek prerogatief in hoofde van de Bank,
dat voorrang heeft op het in artikel 204 van de Wet
Verzekeringen omschreven herzieningsmechanisme.
Een verzekeringsonderneming kan evenwel geen recht
laten gelden op de uitoefening van dit prerogatief door
de Bank. Het prerogatief berust bij de toezichthouder,
die als enige oordeelt over de opportuniteit van de uitoe-
fening ervan, net als over de andere herstelmaatregelen
waarover hij krachtens de wet van 9 juli 1975 beschikt.
Om misbruik van procedure te vermijden, zou de
Bank bovendien dit recht niet mogen uitoefenen om
een rechtskader te omzeilen dat uitdrukkelijk tot stand is
gebracht met het oog op de herziening van de wijzigin-
gen van de contractuele voorwaarden inzake premies,
vrijstellingen en prestaties.
*
* *
Ontwerpartikel 504 en de daarmee samenhangende
artikelen 505 tot 507 moeten tegen die achtergrond
worden begrepen.
Eenvoudigheidshalve worden de twee leden van
artikel 21octies, § 2 van de wet van 9 juli 1975 samen-
gebracht in ontwerpartikel 504 (en wordt de toepassing
ervan uitgebreid tot de herverzekeringsondernemingen).
Dans le cadre de sa mission de contrôle des entre-
prises d’assurance, la Banque dispose de certaines
prérogatives. Parmi ces prérogatives qui font l’objet
du présent Titre en projet, la Banque peut ainsi exiger
qu’une entreprise d’assurance mette un tarif en équilibre
si elle constate que l’application de ce tarif donne ou
risque de donner lieu à des pertes. Ceci constitue une
des nombreuses mesures dont la Banque dispose en
vertu de la loi du 9 juillet 1975 et que le présent projet
entend reprendre tout en les perfectionnant.
S’agissant du cas particulier des contrats d’assu-
rance-maladie autres que professionnels, ledit article
21octies organise, à l’instar de l’article 204, § 4 de la
Loi assurances, la hiérarchie entre les prérogatives de la
Banque et le mécanisme prévu audit article 204 rappelé
ci-dessus. Ainsi l’article 21octies, § 2, alinéa 2 de la loi
du 9 juillet 1975 prévoit que la Banque peut imposer à
une entreprise d’assurance de prendre des mesures afin
de mettre ses tarifs en équilibre si, malgré le processus
de révision des modifications des conditions contrac-
tuelles relatives aux primes, franchises et prestations
prévu par l’article 204, §§ 2 et 3 de la Loi assurances,
elle constate que l’application de tarif donne ou risque
de donner lieu à des pertes.
L’article 21octies, § 2 de la loi du 9 juillet 1975 consti-
tue donc une prérogative spécifique dans le chef de la
Banque qui prévaut ainsi sur le mécanisme de révision
prévu par l’article 204 de la Loi assurances. La mise en
œuvre de cette prérogative par la Banque ne constitue
aucunement un droit dans le chef d’une entreprise
d’assurance. Il s’agit là d’une prérogative qui appartient
à l’autorité de contrôle, seule juge de l’opportunité de
sa mise en œuvre, à l’instar des autres mesures de
redressement dont elle dispose en vertu de la loi du
9 juillet 1975.
En outre, au risque de commettre un détournement
de procédure, la Banque ne pourrait user de cette
prérogative pour contourner un cadre juridique expres-
sément mis en place en vue d’encadrer la révision des
modifications des conditions contractuelles relatives aux
primes, franchises et prestations.
*
* *
C’est dans ce contexte ainsi rappelé que doit se com-
prendre l’article 504 en projet ainsi que les articles 505 à
507 qui en sont le corollaire.
Dans un souci de simplicité, l’article 504 en projet
fusionne les deux alinéas de l’article 21octies, § 2 de la
loi du 9 juillet 1975 (tout en étendant son application aux
entreprises de réassurance). L’application de la mesure
272
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De toepassing van de maatregel inzake andere dan
beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten
in de zin van artikel 202 van de Wet Verzekeringen
moet derhalve worden beschouwd in het licht van de
commentaar hierboven.
Met betrekking tot de gevolgen van een beslis-
sing waarbij de Bank eist dat een tarief in evenwicht
wordt gebracht, weze eraan herinnerd dat deze ma-
terie eveneens aan bod komt in artikel 41 van de Wet
Verzekeringen, waarin het volgende wordt bepaald:
“wordt de tariefverhoging toegepast op de overeen-
komsten die worden gesloten vanaf de kennisgeving
van de beslissing van de Bank en, onverminderd het
opzeggingsrecht van de verzekeringnemer, wordt ze
eveneens toegepast op de premies en bijdragen van
de lopende overeenkomsten, die vervallen vanaf de
eerste dag van de tweede maand die volgt op de ken-
nisgeving van de beslissing van de Bank. “. Om die
reden wordt in de ontwerpbepaling, in afwijking van het
genoemde artikel 41, maar eveneens onverminderd het
opzeggingsrecht van de verzekeringnemer, voorzien in
een specifieke regel met betrekking tot levensverzeke-
rings- en herverzekeringsovereenkomsten, door voor
die overeenkomsten uitdrukkelijk te verwijzen naar de
toepassing van ontwerpartikel 216, § 3.
De ontwerpartikelen 505 en 507 regelen de samen-
werking met de FSMA, zowel wat betreft het raadplegen
(wanneer het gaat om andere dan beroepsgebonden
ziekteverzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel
202 van de Wet Verzekeringen) als het in kennis stellen
van deze instelling van de beslissing tot tariefverhoging
van een verzekeringsonderneming.
In artikel 506 wordt artikel 21octies, § 2, derde lid
van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, waarin wordt
gesteld dat de verhoging van een tarief niet onderwor-
pen is aan de verplichting tot prijsverhogingsaangifte
als bedoeld in de wet van 22 januari 1945 betreffende
de economische reglementering en de prijzen, en de
uitvoeringsbesluiten ervan.
Met het oog op de transparantie ten opzichte van de
verzekeringsnemers, die voor hun informatie afhanke-
lijk waren van de betrokken verzekeringsonderneming,
bepaalt ontwerpartikel 507 dat de Bank tevens een uit-
treksel van de beslissing laat publiceren in het Belgisch
Staatsblad, waarin het percentage van de toegestane
verhoging wordt vermeld.
en matière de contrats d’assurance-maladie non liés
à l’activité professionnelle au sens de l’article 202 de
la Loi assurances doit donc être vue à la lumière du
commentaire ci-dessus.
S’agissant des effets d’une décision par laquelle la
Banque exige la mise en équilibre de tarif, on rappelle
que la matière est également réglée par l’article 41 de
la Loi assurances qui dispose que “le relèvement d’un
tarif s’applique aux contrats souscrits à partir de la notifi-
cation de la décision de la Banque et, sans préjudice du
droit à la résiliation du preneur d’assurance, il s’applique
également aux primes et cotisations de contrats en
cours, qui viennent à échéance à partir du premier jour
du deuxième mois qui suit la notification de la décision
de la Banque.”. C’est pourquoi la disposition en projet
prévoit, par dérogation à audit article 41, mais toujours
sans préjudice du droit de résiliation du preneur, une
règle spécifique relative aux contrats d’assurance et de
réassurance vie en se référant expressément pour ces
contrats à la l’application de l’article 216, § 3 en projet.
Les articles 505 et 507 en projet organisent la coopé-
ration avec la FSMA tant en ce qui concerne sa consulta-
tion (lorsque des contrats d’assurance-maladie non liés
à l’activité professionnelle au sens de l’article 202 de la
Loi assurances sont concernés) que son information à
la suite de toute décision de relèvement de tarif d’une
entreprise d’assurance.
L’article 506 constitue la reprise de l’article 21octies,
§ 2, alinéa 3 de la loi du 9 juillet 1975 disposant que le
relèvement d’un tarif n’est pas soumis à l’obligation
de déclaration des hausses de prix visée par la loi du
22 janvier 1945 sur la réglementation économique et
les prix et par ses arrêtés d’exécution.
Dans un but de transparence vis-à-vis des preneurs
dont l’information dépendait de l’entreprise d’assurance
concernée, l’article 507 en projet prévoit que la Banque
fait également procéder à la publication au Moniteur
belge d’un extrait de la décision indiquant le pourcen-
tage du relèvement autorisé.
273
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Herstelmaatregelen
Afdeling I
Dwingende maatregelen
Art. 508
Artikel 508, § 1 stemt overeen met artikel 26, § 1,
eerste lid van de wet van 9 juli 1975 en artikel 47, § 1,
eerste lid van de wet van 16 februari 2009. Naar het
voorbeeld hiervan vormt het artikel de wettelijke basis
waarop de Bank kan steunen om te eisen dat een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming maatregelen
neemt om inbreuken op de bepalingen van deze wet,
haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen of recht-
streeks toepasbare Europese rechtsnormen, waaronder
Verordening 2015/35, te verhelpen.
Ten opzichte van het genoemde artikel 26 voorziet
de ontwerpbepaling evenwel in twee nieuwigheden, die
grotendeels geïnspireerd zijn op de recente bankwet
van 25 april 2014, meer bepaald op artikel 234 daarvan.
a) de eerste, die is opgenomen in paragraaf 1, strekt
ertoe niet de vaststelling van een effectieve inbreuk af
te wachten om maatregelen op te leggen teneinde deze
te verhelpen. Artikel 508 voorziet immers in de mogelijk-
heid vooruit te lopen op een inbreuk door maatregelen
op te leggen die moeten voorkomen dat die inbreuk
wordt gepleegd. Indien de Bank over gegevens beschikt
waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming in de komende
twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig
de geldende bepalingen die het toezichtsstatuut vormen,
kan ze aldus reeds bepaalde corrigerende maatregelen
opleggen die binnen een vastgestelde termijn moeten
worden genomen. Die gegevens kunnen door de Bank
zijn vastgesteld tijdens de procedure van prudentiële
toetsing en evaluatie (zie de commentaar bij de artike-
len 318 en volgende): de Bank kan bijvoorbeeld beschik-
ken over informatie waaruit blijkt dat het reglementaire
eigen vermogen van een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming weldra niet meer toereikend zal zijn,
gelet op een te verwachten daling van haar resultaten.
Deze benadering beantwoordt volkomen aan
Insurance Core Principle (“ICP”) 10.6, dat stelt dat de
inbreuk dient te worden voorkomen (“The supervisor
initiates measures designed to prevent a breach of the
legislation from occurring, and promptly and effectively
deals with non-compliance that could put policyholders
at risk or impinge on any other supervisory objectives”).
CHAPITRE II
Mesures de redressement
Section Ire
Mesures contraignantes
Art. 508
L’article 508, § 1er correspond à l’article 26, § 1er,
alinéa 1er de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 47, § 1er,
alinéa 1er de la loi du 16 février 2009. À l’instar de ceux-
ci, il constitue la base légale sur laquelle peut s’appuyer
la Banque pour requérir qu’une entreprise d’assurance
ou de réassurance prenne des mesures afin de remédier
à des manquements aux dispositions de la présente loi,
des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou
des normes de droit européen directement applicables
dont le Règlement 2015/35.
Par rapport audit article 26, la disposition en projet
prévoit cependant deux nouveautés essentiellement
inspirées de la récente loi bancaire du 25 avril 2014, en
particulier son article 234.
a) la première, qui est reprise dans le paragraphe 1er,
vise à ne pas attendre la constatation d’un manquement
effectif pour imposer des mesures afin de remédier
à celui-ci. L’article 508 prévoit, en effet, la possibilité
d’anticiper la survenance d’un manquement en impo-
sant des mesures visant à prévenir cette survenance. La
Banque qui dispose d’éléments indiquant qu’une entre-
prise d’assurance ou de réassurance risque de ne plus
fonctionner en conformité avec les dispositions formant
le statut de contrôle qui sont d’application, au cours des
douze prochains mois, peut ainsi déjà requérir certains
correctifs à adopter endéans un délai fixé. Ces éléments
peuvent avoir été relevés par la Banque au cours de la
procédure de contrôle et d’évaluation prudentiels (voy.
ainsi le commentaire des articles 318 et suivants): la
Banque peut, par exemple, disposer d’informations
indiquant que le niveau des fonds propres réglemen-
taires d’une entreprise d’assurance ou de réassurance
ne sera bientôt plus suffisant compte tenu d’une baisse
prévisible de ses résultats.
Cette approche répond ainsi parfaitement aux
Insurance Core Principles — “ICPs” n° 10.6 selon lequel
il y a eu lieu de prévenir le manquement (“The supervisor
initiates measures designed to prevent a breach of the
legislation from occurring, and promptly and effectively
deals with non-compliance that could put policyholders
at risk or impinge on any other supervisory objectives”).
274
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Met betrekking tot de vaststelling van een herstel-
termijn voor een gecontroleerde onderneming, waarbij
deze laatste gelast wordt een inbreuk op de wettelijke
en reglementaire verplichtingen te verhelpen, wordt
voor zover nodig verduidelijkt dat het louter vaststellen
van een dergelijke termijn geen bezwarende adminis-
tratieve rechtshandeling vormt waartegen beroep kan
worden ingesteld bij de Raad van State (zie met name
RvSt, 13 september 2006, Basile en Goveas tegen
CBFA, nr. 162 456), zoals de Raad van State onlangs
nog in herinnering heeft gebracht in een arrest van
5 december 2014 (RvSt, 5 december 2014, Services &
Financial Consulting en csrt tegen FSMA, nr. 229 473);
b) de tweede nieuwigheid, die vervat is in paragraaf 2,
bestaat in de mogelijkheid waarover de Bank beschikt
om aan een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming strengere vereisten op te leggen wanneer ze
een onregelmatige situatie vaststelt, zelfs indien ze
overigens een hersteltermijn heeft vastgelegd. Aldus
kan de Bank dergelijke maatregelen hetzij gelijktijdig
met de vaststelling van een dergelijke termijn opleggen,
hetzij erna, te allen tijde en zolang de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming de vastgestelde inbreuk
niet heeft verholpen of geen maatregelen heeft geno-
men om te verhinderen dat die inbreuk zich voordoet,
en dit zonder de afloop van de vastgelegde termijn te
moeten afwachten.
Zo kunnen er aan de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming in dat verband specifieke of meer
dwingende aanvullende vereisten worden opgelegd
inzake eigen vermogen, liquiditeit, risicoconcentratie,
waardering, rapportering of openbaarmaking. De nieu-
wigheid is hier dat niet meer moet worden gewacht —
in tegenstelling tot wat wordt opgelegd, behoudens in
een dringende situatie, door de regeling van artikel 26,
paragraaf 1, tweede lid, van de wet van 9 juli 1975 —
tot de vastgestelde hersteltermijn is verstreken om de
voornoemde dwingende maatregelen te nemen (die
trouwens worden uitgebreid).
Zo kan de Bank dwingende maatregelen opleg-
gen om het eigen vermogen opnieuw op te bouwen,
met betrekking tot de uitkering van dividenden of elke
uitbetaling aan aandeelhouders en/of houders van ei-
genvermogensinstrumenten, voor zover die schorsing
toegestaan is volgens de geldende wettelijke en/of
contractuele bepalingen (sommige instrumenten worden
nog tijdelijk tot het eigen vermogen gerekend tijdens een
overgangsperiode, hoewel ze bijvoorbeeld onderworpen
zijn aan een clausule die hun houder het recht geeft —
een recht dat niet eenzijdig kan worden ingeperkt — op
een uitkering van interesten; zie de ontwerpartikelen
659 en 660). Om dezelfde redenen beschikt de Bank
tevens over de mogelijkheid de variabele component van
S’agissant de la fixation d’un délai de redressement
à une entreprise contrôlée l’enjoignant de remédier à un
manquement aux obligations légales et réglementaires,
pour autant que de besoin, on précise que la seule fixa-
tion d’un tel délai ne constitue pas un acte administratif
faisant grief susceptible de recours devant le Conseil
d’État (voy. notamment C.E., 13 septembre 2006,
Basile et Goveas c. CBFA, n°162 456) ainsi que l’a
encore récemment rappelé le Conseil d’État dans un
arrêt du 5 décembre 2014 (C.E., 5 décembre 2014,
SPRL Services & Financial Consulting et csrt c. FSMA,
n° 229 473);
b) la seconde nouveauté, qui fait l’objet du para-
graphe 2, réside dans la possibilité dont dispose la
Banque d’imposer des exigences renforcées à une
entreprise d’assurance ou de réassurance lorsqu’elle
constate une situation de manquement et ce, même si
elle a fixé par ailleurs un délai de redressement. Ainsi, la
Banque peut imposer de telles mesures soit simultané-
ment à la fixation d’un tel délai soit après, à tout moment
et aussi longtemps que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance n’a pas remédié au manquement constaté
ou pris les mesures visant à empêcher la survenance
de ce manquement, ceci sans devoir attendre l’issue
du délai fixé.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance peut
ainsi, dans ce contexte, se voir imposer des exigences
complémentaires, spécifiques ou plus contraignantes,
en matière de fonds propres, de liquidité, de concen-
tration des risques, d’évaluation, de reporting ou de
publication. La nouveauté réside ici en ce qu’il ne faut
plus attendre — ainsi qu’il en va, sauf exception liée
à l’urgence de la situation, sous le régime de l’article
26, paragraphe 1er, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 —
l’expiration du délai de redressement fixé pour prendre
les mesures contraignantes précitées (lesquelles se
trouvent par ailleurs étendues).
La Banque peut ainsi imposer des mesures contrai-
gnantes en vue de la reconstitution des fonds propres,
concernant la distribution de dividendes ou tout paie-
ment aux actionnaires et/ou titulaires d’instruments de
fonds propres, pour autant que cette suspension soit
autorisée par les dispositions légales et/ou contrac-
tuelles applicables (certains instruments bénéficient
encore temporairement de la qualité de fonds propres
durant une période transitoire, bien qu’étant soumis,
par exemple, à une clause assurant à leur titulaire un
droit — non susceptible de faire unilatéralement l’objet
d’une réduction — au paiement d’un intérêt; voy. les
articles 659 et 660 en projet). Dans le même ordre
d’idée, la Banque dispose également de la possibilité
275
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de beloning van de personen waarop het beloningsbe-
leid van toepassing is, te beperken tot een percentage
van de winst van de onderneming.
De Bank beschikt bovendien over de mogelijkheid te
eisen dat het risico wordt beperkt dat verbonden is aan
bepaalde activiteiten of producten of aan de organisatie
van de onderneming, in voorkomend geval door haar
activiteiten en/of verrichtingen te beperken of door de
integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van de
activiteiten of het commercieel net van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming.
De voornoemde dwingende maatregelen worden,
zoals in paragraaf 3 wordt verduidelijkt, opgeheven wan-
neer de Bank heeft vastgesteld dat de onderneming de
vastgestelde situatie binnen de opgelegde termijn heeft
verholpen. De Bank beslist in dat geval op welke wijze
de dwingende maatregelen worden opgeheven, wat bij-
voorbeeld geleidelijk kan geschieden. Het doel hiervan
is dat de Bank, indien ze dat nodig acht, kan nagaan of
de situatie duurzaam is hersteld alvorens te besluiten
de dwingende maatregel(en) volledig op te heffen.
Afdeling II
Uitvoering van het herstelplan
Ontwerpartikel 509 bepaalt dat de Bank, bij een in
artikel 508 bedoelde inbreuk, over de nieuwe mogelijk-
heid beschikt om van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming te eisen dat ze het her-
stelplan dat ze zou hebben moeten opstellen als gevolg
van een krachtens artikel 204 genomen besluit, geheel
of gedeeltelijk uitvoert (zie de artikelen 204 tot 211,
die Hoofdstuk VIII van Titel II vormen). Het is immers
mogelijk dat het herstelplan maatregelen bevat die de
vastgestelde situatie zouden kunnen verhelpen. Voor
zover nodig wordt gepreciseerd dat het de Bank en
niet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
is die beschikt over de bevoegdheid om te beoordelen
of bepaalde in het herstelplan vastgelegde maatrege-
len daadwerkelijk bevredigende oplossingen kunnen
aanreiken voor de vastgestelde onregelmatige situatie.
Afdeling III
Saneringsplan en plan inzake financiering op
korte termijn
Art. 510 tot 512
De artikelen 510 tot 512 zorgen voor de omzetting van
de artikelen 138, 139 en 142 van de Richtlijn.
de limiter la composante des rémunérations variables
des personnes visées par la politique de rémunération
à un pourcentage du bénéfice de l’entreprise.
La Banque dispose par ailleurs de la possibilité
d’exiger une diminution du risque inhérent à certaines
activités ou produits, ou à l’organisation de l’entre-
prise, le cas échéant en limitant ses activités et/ou ses
opérations ou en imposant la cession de tout ou partie
des activités ou du réseau commercial de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
La levée des mesures contraignantes précitées,
ainsi qu’il est précisé au paragraphe 3, a lieu lorsque
la Banque a constaté que l’entreprise a remédié à la
situation constatée, dans le délai fixé. La Banque décide
dans ce cas des modalités de la levée des mesures
contraignantes, qui peut, par exemple, s’effectuer de
manière progressive. L’objectif est ici que la Banque
puisse, si elle l’estime nécessaire, s’assurer de la
permanence du rétablissement de la situation pour
décider de la levée complète de la (ou des) mesure(s)
contraignante(s).
Section II
Mise en œuvre du plan de redressement
L’article 509 en projet précise que la Banque dispose,
dans l’hypothèse de manquements visée à l’article 508,
de la possibilité nouvelle de requérir de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée la mise en
œuvre de tout ou partie du plan de redressement qu’elle
aurait été amenée à établir suite à une décision prise
en application de l’article 204 (voy. les articles 204 à
211 formant Chapitre VIII du Titre II). Il se peut, en effet,
que le plan de redressement comporte des mesures qui
permettraient de remédier à la situation rencontrée. On
précise, pour autant que de besoin, que c’est la Banque,
et non l’entreprise d’assurance ou de réassurance, qui
dispose du pouvoir d’évaluer si certaines mesures pré-
vues par le plan de redressement peuvent effectivement
apporter des solutions satisfaisantes à la situation de
manquement constatée.
Section III
Programme de rétablissement et plan de financement à
court terme
Art. 510 à 512
Les articles 510 à 512 assurent la transposition des
articles 138, 139 et 142 de la Directive.
276
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De artikelen 510 en 511 hebben respectievelijk
betrekking op het geval waarin de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet meer voldoet aan
het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR) en aan het mi-
nimumkapitaalvereiste (MCR).
In die gevallen moet de onderneming die vaststelt
dat zich een onregelmatige situatie voordoet of dat het
gevaar dreigt dat zulks in de komende drie maanden
gebeurt, de Bank daarvan onmiddellijk in kennis stellen.
Binnen twee maanden na deze vaststelling (of na
de kennisgeving van een dergelijke vaststelling door
de Bank) moet de onderneming een programma ter
goedkeuring indienen om binnen een opgelegde termijn
opnieuw aan de wettelijke vereisten te voldoen: dit pro-
gramma wordt respectievelijk “saneringsplan” of “plan
inzake financiering op korte termijn” genoemd en de ter-
mijn voor het herstel van de situatie bedraagt respectie-
velijk zes of drie maanden, naargelang de niet-naleving
betrekking heeft op het solvabiliteitskapitaalvereiste (ar-
tikel 510) of op het minimumkapitaalvereiste (artikel 511).
Paragraaf 2 van de artikelen 510 en 511 — die zorgt
voor de omzetting van artikel 142, lid 1 van de Richtlijn
— vermeldt de elementen die het programma moet
bevatten. In dat verband wordt verduidelijkt dat de in 1°
vereiste raming van de te verwachten beheerkosten,
met name van de algemene kosten en de commissies,
de aankoop-, de investerings-, de schaderegelings- of
ook de administratiekosten omvat.
Met betrekking tot het saneringsplan biedt para-
graaf 3 van artikel 510 de Bank de mogelijkheid de
voornoemde termijn van zes maanden (die op grond van
paragraaf 1, tweede lid reeds verlengd kan worden met
drie maanden) voor de desbetreffende onderneming,
rekening houdend met verschillende factoren en criteria
inzake de ongunstige omstandigheden en met die eigen
aan de onderneming (zoals de aard en de looptijd van
de technische voorzieningen) — zoals bepaald in arti-
kel 289 van Verordening 2015/35 — te verlengen met
een periode van maximaal zeven jaar in uitzonderlijke
ongunstige omstandigheden als bedoeld in artikel 138,
lid 4 van de Richtlijn, die als zodanig worden aangemerkt
door EIOPA. Volgens dit artikel 138 van de Richtlijn is
dat het geval als de financiële positie van verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen die een significant
deel van de markt of van de getroffen business lines
vertegenwoordigen, ernstig of negatief getroffen wordt
door een of meer van de volgende omstandigheden:
a) een koersdaling op de financiële markten die on-
voorzien, fors en scherp is;
b) een omgeving met een aanhoudende lage
rentevoet;
Les articles 510 et 511 concernent respectivement
l’hypothèse où l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance ne respecte plus les exigences de capital de
solvabilité requis (SCR) et celles relatives au minimum
de capital requis (MCR).
Dans ces cas, l’entreprise qui constate une situation
de manquement avérée ou susceptible de se réaliser
dans les trois mois à venir doit en informer immédiate-
ment la Banque.
Dans les deux mois de ce constat (ou de la notification
d’un tel constat effectué par la Banque), l’entreprise doit
soumettre, pour approbation, un programme visant à
rétablir le respect des exigences légales dans un délai
imposé: ce programme est respectivement dénommé
“programme de rétablissement” ou “plan de finance-
ment à court terme” et les délais pour le rétablissement
de la situation sont respectivement de six ou de trois
mois lorsque le non-respect concerne les exigences
de capital de solvabilité requis (article 510) ou celles
relatives au minimum de capital requis (article 511). Le
paragraphe 2 des articles 510 et 511 — assurant la trans-
position de l’article 142, paragraphe 1 de la Directive
— énonce les éléments que doit contenir le programme.
À cet égard, on précise que le 1° qui requiert une esti-
mation prévisionnelle des frais de gestion, notamment
des frais généraux et des commissions couvre des frais
tels que ceux d’acquisition, de placement, de règlement
de sinistres ou encore des frais d’administration.
S’agissant du programme de rétablissement, le para-
graphe 3 de l’article 510 permet à la Banque de prolon-
ger, pour l’entreprise affectée et compte tenu de divers
facteurs et critères relatifs à la situation défavorable et
de ceux propres à l’entreprise (comme la nature et la
duration des provisions techniques) — ainsi que cela
est prévu par l’article 289 du Règlement 2015/35 —,
le délai précité de six mois (déjà prolongeable de trois
mois sur la base du paragraphe 1er, alinéa 2) d’une
durée maximale de sept ans en cas de situation défa-
vorable exceptionnelle telle que visée à l’article 138,
paragraphe 4 de la Directive et déclarée comme telle
par l’EIOPA. Selon ledit article 138 de la Directive, il en
est ainsi lorsque la situation financière d’entreprises
d’assurance ou de réassurance représentant une part
significative du marché ou des lignes d’activité affectées
subit les effets graves ou préjudiciables d’au moins l’une
des conditions suivantes:
a) une baisse imprévue, prononcée et abrupte des
marchés financiers;
b) un contexte durable de faibles taux d’intérêt;
277
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
c) een rampzalige gebeurtenis met grote gevolgen.
In artikel 288 van Verordening 2015/35 worden alle
factoren en criteria opgesomd waarmee EIOPA rekening
houdt om vast te stellen of er sprake is van dergelijke
uitzonderlijke ongunstige omstandigheden.
Voor een dergelijke verlenging van de termijn moet
evenwel een tussentijds verslag worden ingediend
waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn
getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in
aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen
of het risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt
voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. Als uit het
tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruit-
gang is geboekt door de onderneming in het licht van
de genoemde doelstellingen, kan de verlenging worden
ingetrokken.
Ontwerpartikel 512 zet artikel 142, lid 2 om, dat
bepaalt dat, indien de Bank van oordeel is dat de rech-
ten van de verzekeringnemers, de verzekerden of de
begunstigden of de naleving van de rechten die uit de
herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het
gedrang komen, zij zich onthoudt van de afgifte van de
in de artikelen 109, eerste lid en 116, eerste lid, bedoelde
solvabiliteitsattesten die vereist zijn voor grensover-
schrijdende activiteiten, zolang de in de artikelen 510 en
511 bedoelde programma’s lopen.
Met betrekking tot de effectiviteit van deze bepalin-
gen dient, behalve op het hierna toegelichte artikel 513,
gewezen te worden op het feit dat ontwerpartikel 541,
in overeenstemming met artikel 144, lid 1, tweede ali-
nea van de Richtlijn, bepaalt dat de Bank de vergunning
herroept voor alle verzekerings- of herverzekeringstak-
ken en —activiteiten indien een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming niet meer voldoet aan het
minimumkapitaalvereiste en de Bank het plan voor
financiering op korte termijn duidelijk inadequaat acht,
of indien de betrokken onderneming er niet in slaagt om
binnen drie maanden na de vaststelling dat niet meer
wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste, het
goedgekeurde plan te volgen.
Afdeling IV
Beperking van de bevoegdheid om over de activa te
beschikken
Art. 513 tot 516
Deze bepalingen zorgen hoofdzakelijk voor de omzet-
ting van artikel 140 van de Richtlijn. Artikel 513 bepaalt de
c) un évènement catastrophique porteur de graves
incidences.
L’article 288 du Règlement 2015/35 précise l’en-
semble des facteurs et critères à prendre en compte
par l’EIOPA dans son évaluation de l’existence de telles
situations défavorables exceptionnelles.
Une telle extension de délai est toutefois soumise
à une obligation de rapport intermédiaire exposant les
mesures prises et les progrès accomplis pour rétablir
le niveau de fonds propres éligibles correspondant au
capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil
de risque afin de garantir la conformité du capital de
solvabilité requis. Si, à la lumière de ce rapport, aucun
progrès significatif n’est accompli par l’entreprise au
regard desdits objectifs, le bénéfice de la prolongation
peut être retiré.
L’article 512 en projet assure la transposition de
l’article 142, paragraphe 2 imposant que, pendant la
durée des programmes visés aux articles 510 et 511, si
la Banque estime que les droits des preneurs d’assu-
rance, des assurés ou des bénéficiaires ou le respect
des droits découlant des contrats de réassurance, sont
menacés, elle s’abstient de délivrer les attestations de
solvabilité visées aux articles 109, alinéa 1er et 116, ali-
néa 1er, attestions qui sont requises aux fins d’activités
transfrontalières.
S’agissant de l’effectivité de ces dispositions,
outre l’article 513 commenté ci-après, on rappelle
que l’article 541 en projet prévoit, en conformité avec
l’article 144, paragraphe 1er, alinéa 2 de la Directive,
que la Banque révoque l’agrément en ce qui concerne
l’ensemble des branches et activités d’assurance ou
de réassurance lorsqu’une entreprise d’assurance ou
de réassurance ne dispose plus du minimum de capital
requis et que la Banque considère que le plan de finan-
cement à court terme est manifestement insuffisant ou
que l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan
approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation
de la non-conformité du minimum de capital requis.
Section IV
Limitation du pouvoir de disposer
des actifs
Art. 513 à 516
Ces dispositions assurent essentiellement la transpo-
sition de l’article 140 de la Directive. L’article 513 définit
278
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
omstandigheden waarin, overeenkomstig artikel 140 van
de Richtlijn, de maatregel inzake de beperking van of
het verbod op de vrije beschikking over de activa van
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
kan worden genomen. Deze gevallen, die ontleend zijn
aan artikel 26, § 5 van de wet van 9 juli 1975 en aan
artikel 48, § 1 van de wet van 16 februari 2009, zetten
aldus de artikelen 137, 138, lid 5, 139, lid 3 en 141 van
de Richtlijn om.
Ontwerpartikel 514, dat grotendeels geïnspireerd is
op de artikelen 17 van de wet van 9 juli 1975 en 49 van
de wet van 16 februari 2009, schetst de wettelijke rege-
ling voor de beperking van (of het verbod op) de vrije
beschikking over de activa, waarbij bepaald wordt op
welke activa het van toepassing kan zijn en op welke
wijze het ten uitvoer wordt gelegd, afhankelijk van het
type van de betrokken activa.
De ontwerpartikelen 515 en 516, die artikel 140 in
fine van de Richtlijn omzetten, voorzien in de noodza-
kelijke samenwerking tussen de toezichthouders van de
lidstaten in het kader van de tenuitvoerlegging van de
maatregel. Zo wordt in artikel 515, eerste lid, bepaald
welke informatie moet worden meegedeeld aan de
toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waarin
de verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten worden
uitgeoefend. Het tweede lid verduidelijkt dat de Bank de
toezichthouders van de lidstaten op het grondgebied
waarvan de activa van de onderneming gelokaliseerd
zijn, kan verzoeken de nodige maatregelen te nemen
om de effectiviteit te verzekeren van de beperking van
of het verbod op de vrije beschikking over die activa.
Het gaat daarbij niet alleen om die lidstaten waarin een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht grensoverschrijdende activiteiten zou
uitoefenen, maar wel degelijk om alle lidstaten waarin
activa van deze onderneming zouden gelokaliseerd zijn.
Ontwerpartikel 516 is de “spiegelbepaling” van arti-
kel 515, tweede lid en vervolledigt het samenwerkings-
mechanisme. Het voorziet in de behandeling van een
verzoek om bijstand van een toezichthouder van een
lidstaat, waarbij aan de Bank zou worden gevraagd
haar medewerking te verlenen door gebruik te maken
van haar recht om de vrije beschikking over de activa
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die onder die lidstaat ressorteert, te beperken of te
ontnemen indien die activa in België gelokaliseerd zijn.
Die mogelijkheid bestaat niet alleen in het geval dat de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming in België
actief zou zijn via een bijkantoor of in het kader van de
vrije dienstverrichting, maar ook in elke situatie waarin
een onderneming die onder het recht van een lidstaat
ressorteert, in België gelokaliseerde activa zou hebben.
les circonstances dans lesquelles, conformément à
l’article 140 de la Directive, la mesure consistant à
restreindre ou interdire la libre disposition des actifs
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance peut
être prononcée. Ces cas, issus de l’article 26, § 5 de
la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 48, § 1er de la loi du
16 février 2009, transposent ainsi les articles 137, 138,
paragraphe 5, 139, paragraphe 3 et 141 de la Directive.
S’inspirant largement des articles 17 de la loi du
9 juillet 1975 et 49 de la loi du 16 février 2009, l’ar-
ticle 514 en projet énonce le régime juridique régissant
la restriction (ou interdiction) de la libre disposition des
actifs en précisant les actifs auxquels il est susceptible
de s’appliquer, ses modalités de mise en œuvre en
distinguant selon le type d’actifs concernés.
Assurant la transposition de l’article 140 in fine de la
Directive, les articles 515 et 516 en projet prévoient la
coopération nécessaire entre autorités de contrôle des
États membres dans le cadre de la mise en œuvre de
la mesure. Ainsi, l’article 515 prévoit, en son alinéa 1er,
l’information nécessaire à adresser aux autorités des
États membres d’accueil dans lesquels des activi-
tés d’assurance ou de réassurance sont exercées.
L’alinéa 2 précise quant à lui que la Banque peut deman-
der aux autorités de contrôle des États membres sur le
territoire desquels sont situés les actifs de l’entreprise
de prendre les mesures nécessaires en vue d’assurer
l’effectivité de la restriction ou de l’interdiction de la
libre disposition de ces actifs. Ces situations ne sont
pas limitées aux seuls État où une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge exercerait des
activités sur une base transfrontalière mais vise bien
tous les États membres où seraient situés des actifs
de cette entreprise.
L’article 516 en projet, au titre de disposition “miroir”
de l’article 515, alinéa 2 complète le mécanisme de
coopération en prévoyant le traitement d’une demande
d’assistance émanant d’une autorité de contrôle d’un
État membre aux termes de laquelle il serait demandé
à la Banque de prêter son concours en usant de sa
prérogative de restreindre ou interdire la libre disposi-
tion des actifs concernant des actifs qui appartiennent
à une entreprise d’assurance ou de réassurance rele-
vant du droit de cet État membre et qui sont localisés
en Belgique. Une telle possibilité n’est pas limitée aux
cas où l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée exercerait des activités en Belgique par voie
de succursale ou en libre prestation de services mais
couvre toute hypothèse où une entreprise relevant du
droit d’un État membre aurait des actifs localisés en
Belgique.
279
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Art. 517
In ontwerpartikel 517, § 1 worden artikel 26, § 1 van
de wet van 9 juli 1975 en artikel 47, § 1 van de wet van
16 februari 2009 overgenomen. Het bevat de verschil-
lende maatregelen die de Bank ter beschikking staan
in twee gevallen:
a) de verzekerings- of herverzekerings-onderneming
voldoet niet of niet langer aan de met toepassing van
artikel 508, § 2 door de Bank opgelegde dwingende
maatregelen;
b) de verzekerings- of herverzekerings-onderneming
heeft de vastgestelde inbreuken niet verholpen bin-
nen de met toepassing van het genoemde artikel 508,
§ 1 door de Bank vastgestelde termijn.
De Bank kan tevens, zoals in paragraaf 2 wordt be-
paald, in uiterst spoedeisende gevallen de genoemde
maatregelen treffen, zonder een termijn op te leggen
en zonder dat een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming niet of niet langer heeft voldaan aan de in
artikel 508 omschreven dwingende maatregelen. Dat is
bijvoorbeeld mogelijk bij fraudegevallen die een snelle
reactie vergen. De bepaling maakt eveneens melding
van gevallen waarin de rechten van schuldeisers uit
hoofde van verzekering worden bedreigd door de in de
verzekeringsonderneming vastgestelde situatie.
Ondanks de verwarring die daarover soms zelfs in de
besluiten van de Raad van State bestaat, zij erop ge-
wezen dat de in artikel 517 omschreven administratieve
maatregelen niet de aard van sancties hebben. Het be-
treft hier immers corrigerende maatregelen die noch tot
doel noch tot gevolg hebben enige schuld vast te stellen
of te straffen, maar die ernaar streven de bescherming
van de verzekerings- en herverzekeringsconsumenten
te waarborgen door toe te zien op de naleving van de
wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden
die het wettelijk statuut van de verzekerings- en her-
verzekeringsondernemingen vormen, de stabiliteit, de
efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in de verze-
keringsmarkt in stand te houden, en het vertrouwen van
het publiek, in het bijzonder dat van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering en herverzekering in de finan-
ciële sector als geheel en in de financiële marktpartijen
te handhaven. Door hun preventieve aard vallen die
administratieve maatregelen aldus onder de taak van
administratieve politie die inherent is aan het optreden
van de toezichthouder. De benaming administratieve
maatregelen houdt niet in dat die maatregelen kunnen
Section V
Mesures de redressement exceptionnelles
Art. 517
L’article 517, § 1er en projet constitue la reprise de
l’article 26, § 1er de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 47,
§ 1er de la loi du 16 février 2009. Il prévoit les différentes
mesures à disposition de la Banque dans deux cas de
figure:
a) l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne se
conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures
contraignantes imposées par la Banque en application
de l’article 508, § 2;
b) l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’a pas
remédié aux manquements constatés endéans le délai
fixé par la Banque en application dudit article 508, § 1er.
La Banque peut également, ainsi que le précise
le paragraphe 2, adopter lesdites mesures en cas
d’extrême urgence, sans qu’un délai soit fixé et sans
qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne
se soit conformée, ou ait cessé de se conformer, aux
mesures contraignantes prévues à l’article 508. Il peut
ainsi s’agir de situations de fraude nécessitant une
réaction prompte. La disposition évoque également des
situations où les droits des créanciers d’assurance sont
menacés par la situation constatée au sein de l’entre-
prise d’assurance.
Contrairement à une certaine confusion parfois ren-
contrée même dans les décisions du Conseil d’État,
on rappelle que les mesures administratives prévues à
l’article 517 n’ont pas la nature de sanctions. En effet,
il s’agit ici de mesures correctrices qui n’ont ni pour but
ni pour effet de constater une quelconque culpabilité ou
de punir, mais qui tendent à garantir la protection des
consommateurs d’assurance et de réassurance par la
surveillance du respect des obligations et interdictions
légales et réglementaires formant le statut légal des
entreprises d’assurance et de réassurance, à préser-
ver la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance
dans le marché de l’assurance, ainsi que la confiance
du public, en particulier des créanciers d’assurance
et de réassurance, dans le secteur financier dans son
ensemble et dans les opérateurs de ce secteur. Ces
mesures administratives, de par leur caractère préven-
tif, relèvent ainsi de la mission de police administrative
inhérente à l’action de l’autorité de contrôle. La qualifi-
cation de mesures administratives ne conduit pas à ce
que l’adoption de ces mesures puisse s’effectuer sans
aucune garantie d’ordre procédural pour les personnes
280
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
worden genomen zonder enige procedurele garantie
voor de betrokkenen. Aangezien de genoemde maat-
regelen immers berusten op rechtshandelingen van de
actieve administratie, moeten ze uiteraard voldoen aan
de algemene beginselen van het administratief recht
waaraan de Bank als administratieve autoriteit onder-
worpen is. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan
het debat op tegenspraak, het onpartijdigheidsbeginsel,
het recht om te worden gehoord en de naleving van het
evenredigheidsbeginsel. (zie A. DIRKX, “La CBFA, les
infractions à la législation financière et la sanction par
les amendes administratives”, in Le droit pénal financier
en marche / Het financieel strafrecht in opmars, AEDBF,
Anthemis, 2009, p. 273, nrs. 5 tot 7).
In paragraaf 1 worden de maatregelen die reeds on-
der vigeur van de wet van 9 juli 1975 van toepassing wa-
ren, overgenomen, opnieuw ingedeeld en vervolledigd.
Het betreft de aanstelling van een speciaal commissaris,
de vervanging van alle of een deel van de leden van het
wettelijk bestuursorgaan of de aanstelling, in de plaats
van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen, van een
of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders, de
schorsing van de gehele of gedeeltelijke uitoefening van
het bedrijf, de verplichte overdracht door de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming van de aandelen
die zij bezit, de beperking van de vrije beschikking over
de activa van de onderneming, de verplichte integrale of
gedeeltelijke overdracht van de activiteiten, wat betekent
dat de portefeuille van verzekeringsovereenkomsten
wordt overgedragen, en, als ultieme maatregel, de her-
roeping van de vergunning.
Met betrekking tot de vervanging van alle of een deel
van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, valt op te
merken dat de bepaling verbeterd werd door eraan toe te
voegen dat, wanneer de omstandigheden dit rechtvaar-
digen, de Bank een of meer voorlopige bestuurders of
zaakvoerders kan aanstellen zonder vooraf de vervan-
ging te gelasten van alle of een deel van de leiders van
de onderneming. Dat zou onder meer het geval kunnen
zijn in situaties waarin de leiders dezelfde personen zijn
als de aandeelhouders en deze laatsten het voorwerp
hebben uitgemaakt van in artikel 72 bedoelde maatre-
gelen. De bepaling schrijft voor dat de benoeming door
de Bank van de personen die de voltallige bestuurs- en
beleidsorganen vervangen, wordt bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad. Parallel daarmee moet het einde
van de functies van deze personen eveneens op die
manier worden bekendgemaakt.
Paragraaf 1 bepaalt eveneens dat de voorlopige
bestuurder of bestuurders aan de Bank, volgens de mo-
daliteiten die deze bepaalt, verslag uitbrengen over de
concernées. En effet, relevant d’actes de l’administra-
tion active, lesdites mesures doivent bien évidemment
satisfaire aux principes généraux du droit administratif
auxquelles la Banque est soumise en sa qualité d’auto-
rité administrative. On pense ici notamment au respect
du débat contradictoire, du principe d’impartialité, du
droit d’être entendu, ainsi que le respect du principe
de proportionnalité. (voy. A. Dirkx, “La CBFA, les infrac-
tions à la législation financière et la sanction par les
amendes administratives”, in Le droit pénal financier en
marche / Het financieel strafrecht in opmars, AEDBF,
Anthemis, 2009, p. 273, n°s 5 à 7).
Le paragraphe 1er reprend, en les reclassant et les
complétant, les mesures qui étaient déjà d’application
sous l’empire de la loi du 9 juillet 1975. Il s’agit de la
désignation d’un commissaire spécial, du remplace-
ment de tout ou partie des membres de l’organe légal
d’administration ou de la substitution de l’ensemble
des organes d’administration et de gestion par un ou
plusieurs administrateurs ou gérants provisoires, la
suspension de l’exercice de tout ou partie des activités,
de l’injonction de céder des droits d’associé détenus
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, de la
restriction de disposer des actifs de l’entreprise, de
l’injonction de céder tout ou partie des activités, impli-
quant la cession de portefeuille de contrats et, au titre
de mesure ultime, la révocation de l’agrément.
S’agissant du remplacement de tout ou partie des
membres de l’organe légal d’administration, on relève
que la disposition s’est vue améliorée par l’ajout selon
lequel lorsque les circonstances le justifient, la Banque
peut procéder à la désignation d’un ou plusieurs admi-
nistrateurs ou gérants provisoires sans procéder préa-
lablement à l’injonction de remplacer tout ou partie des
dirigeants de l’entreprise. Il pourrait notamment en être
ainsi dans des situations où il y a identité de personnes
entre les dirigeants et des actionnaires et que ces der-
niers ont fait l’objet de mesures sous l’article 72. La
disposition précise que la nomination par la Banque des
personnes qui se substituent à l’ensemble des organes
d’administration et de gestion fait l’objet d’une publi-
cation au Moniteur belge. Le parallélisme des formes
implique nécessairement que la fin des fonctions de ces
personnes fait également l’objet d’une telle publication.
Le paragraphe 1er prévoit également que le ou les
administrateurs provisoires fassent rapport à la Banque,
selon les modalités qu’elle détermine, sur la situation
281
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financiële positie van de onderneming (aan het begin en
aan het einde van hun opdracht) en over de maatregelen
die ze in het kader van hun opdracht hebben genomen.
Paragraaf 1, 3° van ontwerpartikel 517 voegt daaraan
toe dat de Bank de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming kan gelasten een algemene vergadering
van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de
agenda vaststelt. Deze maatregel heeft tot doel de
aandeelhouders ertoe te brengen zich uit te spreken
over een maatregel die een beslissing van de algemene
vergadering vergt. In het verlengde van deze bepaling,
kunnen de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s)
die werden aangewezen ter vervanging van een lid of
leden van de wettelijke bestuursorganen, eveneens een
algemene vergadering van aandeelhouders bijeenroe-
pen en de agenda ervan vaststellen, mits ze hiervoor
de toestemming van de Bank hebben gekregen.
Met betrekking tot de schorsing van alle of een deel
van de activiteiten, stelt de bepaling, naar het voor-
beeld van artikel 26, na wijziging ervan bij de wet van
2 juni 2010 tot uitbreiding van de herstelmaatregelen
voor de ondernemingen uit de bank- en financiële sector
(Parl. St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2406/001, 12-13), dat
deze schorsing in de door de Bank bepaalde mate, de
volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering
van de lopende overeenkomsten tot gevolg kan hebben.
Daarbij wordt evenwel verduidelijkt dat een dergelijke
schorsing niet langer mag duren dan twee maanden en
geen reden mag zijn voor niet-betaling van de premies
die reeds verschuldigd waren vóór de datum van de
schorsingsmaatregel.
Met betrekking tot de verplichte integrale of gedeel-
telijke overdracht van de activiteiten, met inbegrip van
de overdracht van de portefeuille, zij erop gewezen dat,
met het oog op een gelijke behandeling van schuldeisers
uit hoofde van verzekering, de bepaling de toepas-
singsvoorwaarden als bepaald in het hierna toegelichte
artikel 547, § 2, 1° toepasselijk verklaart.
HOOFDSTUK III
Maatregelen ter bescherming van het financiële
stelsel
Art. 519 tot 537
De bepalingen van Hoofdstuk III (artikelen 519 tot
537) vormen een overname van de artikelen 26bis en
26ter van de wet van 9 juli 1975, zoals in soortgelijke
bewoordingen ingevoegd bij een wet van 2 juni 2010,
financière (en début et en fin de mission) de l’entreprise
et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission.
Le paragraphe 1er, 3° de l’article 517 en projet ajoute
ainsi la possibilité pour la Banque d’enjoindre à l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance de convoquer une
assemblée générale des actionnaires, dont elle impose
l’ordre du jour. Cette mesure a pour objet de conduire
les actionnaires à se prononcer sur une mesure néces-
sitant une décision de leur assemblée. Dans le prolon-
gement de cette disposition, le ou les administrateurs
ou gérants provisoires désignés en remplacement d’un
ou des membres des organes légaux d’administration,
peuvent également convoquer une assemblée générale
des actionnaires et en établir l’ordre du jour, à condition
d’avoir obtenu l’autorisation de la Banque.
S’agissant de la suspension de tout ou partie des
activités, à l’instar de ce qui était prévu sous l’article 26 à
la suite de sa modification par la loi du 2 juin 2010 visant
à compléter les mesures de redressement applicables
aux entreprises relevant du secteur bancaire et finan-
cier (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2009-2010, DOC
52 2406/001, pp. 12 et 13), la disposition précise que
la suspension peut, dans la mesure déterminée par la
Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de
l’exécution des contrats en cours. La disposition précise
toutefois qu’une telle suspension ne peut excéder deux
mois ni constituer une cause de non versement des
primes dues avant la date de la mesure de suspension.
S’agissant de l’injonction de céder tout ou partie
des activités, impliquant la cession de portefeuille, on
indique qu’en vue de garantir une égalité de traite-
ment entre créanciers d’assurance, la disposition rend
applicable les conditions d’application prévues sous
l’article 547, § 2, 1° commenté ci-après.
CHAPITRE III
Mesures de sauvegarde du système financier
Art. 519 à 537
Les dispositions du Chapitres III (articles 519 à 537)
constituent la reprise des articles 26bis en 26ter de
la loi du 9 juillet 1975 tels qu’introduits par une loi du
2 juin 2010 en des termes similaires pour les entreprises
282
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voor de verzekeringsondernemingen en de krediet-
instellingen5. Er zij verwezen naar de toelichting bij
deze wet (Parl. St. Kamer, 2009-10, nr. 52-2406/001;
J.-P. Deguée, “Nouvelle législation sur le renforcement
des mesures de redressement en cas de crise”, TBH,
2011/3, blz. 234).
Met het oog op een betere leesbaarheid werd de
inhoud van deze artikelen 26bis en 26ter overgenomen
in een groter aantal bepalingen.
TITEL VII
Beëindiging van de vergunning
Titel VII verschaft het noodzakelijke juridische kader
voor de verschillende situaties waarin een einde wordt
gesteld aan de vergunning, ongeacht of dat gebeurt
op verzoek van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, of als gevolg van een beslissing van
de toezichthouder op grond van de omstandigheden,
doorgaans een onregelmatige situatie, waarin de on-
derneming zich bevindt.
HOOFDSTUK I
Doorhaling van de vergunning
Dit Hoofdstuk regelt de gevallen waarin de vergun-
ning niet wegens een inbreuk door de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming wordt beëindigd, maar op
uitdrukkelijk verzoek van deze laatste of ook als gevolg
van de niet-uitoefening van het bedrijf gedurende een
lange periode. Het kan ook gaan om de opening van
collectieve procedures zoals een ontbinding (die leidt
tot een liquidatieprocedure in de zin van het Wetboek
van Vennootschappen) of een faillissement.
Afdeling I
Afstand van de vergunning
Afdeling I regelt het geval van de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten
willen stopzetten en dus geen nieuwe overeenkomsten
meer willen afsluiten, waarbij ze hun verplichtingen uit
hoofde van de lopende verzekerings- of herverzeke-
ringsovereenkomsten blijven nakomen. Het gaat om de
zogenaamde ondernemingen in “run-off”. De aandacht
zij gevestigd op een overgangsbepaling in dit verband:
5
Wet van 2 juni 2010 tot uitbreiding van de herstelmaatregelen
voor de ondernemingen uit de bank- en financiële sector, BS
14 juni 2010, blz. 37 063.
d’assurance et les établissements de crédit5. On renvoie
aux commentaires relatifs à cette loi (Doc.Parl. Ch. Repr.
Sess. 2009-10, 52e Législature, Doc. n° 2406/001; J.-
P. Deguée, “Nouvelle législation sur le renforcement
des mesures de redressement en cas de crise”, RDC,
2011/3, p. 234).
En vue d’en assurer une meilleure lisibilité, le contenu
desdits articles 26bis en 26ter a été repris sous un plus
grand nombre de dispositions.
TITRE VII
De la fin de l’agrément
Le Titre VII prévoit l’encadrement juridique nécessaire
aux différentes situations où il est mis fin à l’agrément,
que ces situations résultent de la volonté de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ou qu’elles soient
le résultat d’une décision de l’autorité en raison des
circonstances, essentiellement de manquement, dans
lesquelles se trouve l’entreprise.
CHAPITRE IER
Radiation de l’agrément
Ce Chapitre règle les situations où il est mis fin à
l’agrément non en raison d’un manquement de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance mais à la suite
d’une demande expresse de celle-ci ou encore du non
exercice de l’activité durant une période prolongée.
Il s’agit encore des cas d’ouverture de procédures
collectives que sont la dissolution (qui entraîne une
procédure de liquidation au sens du Code des sociétés)
et de la faillite.
Section Ire
Renonciation à l’agrément
La Section Ire règle le cas des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance qui entendent cesser leurs
activités et ainsi ne plus conclure de nouveaux contrats,
tout en continuant à honorer leurs obligations découlant
des contrats d’assurance ou de réassurance en cours.
C’est le cas des entreprises dites en “run off”. On attire
l’attention sur l’existence d’une disposition transitoire en
la matière: l’article 653 en projet justifié par la nécessité
5
Loi du 2 juin 2010 visant à compléter les mesures de redresse-
ment applicables aux entreprises relevant du secteur bancaire
et financier, MB 14 juin 2010, p. 37 063.
283
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ontwerpartikel 653, dat artikel 308ter, lid 1 tot 4 van de
Richtlijn omzet.
Art. 538
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
afstand wensen te doen van hun vergunning en tegelijk
willen toezien op de goede uitvoering van de lopende ver-
zekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, moeten
bij de Bank een verzoek indienen, waarin ze vermelden
voor welke verzekeringstakken of herverzekeringsactivi-
teiten ze afstand willen doen van hun vergunning.
Bij het verzoek moet een plan gevoegd worden waarin
wordt aangegeven op welke wijze de onderneming haar
verplichtingen zal afwikkelen die voortvloeien uit de
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten met
betrekking tot de activiteiten waarvoor om afstand van
de vergunning wordt verzocht.
Aan de hand van dit plan kan worden nagegaan of
de manier waarop de onderneming haar lopende ver-
plichtingen wil afwikkelen, de nodige waarborgen biedt
voor de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers
uit hoofde van verzekering of herverzekering. Zo moet
het plan een geloofwaardige raming van de verwachte
financiële stromen bevatten, aan de hand waarvan kan
worden gecontroleerd of de nodige middelen voorhan-
den zijn om de lopende overeenkomsten na te leven. Het
plan moet worden geactualiseerd (paragraaf 5) volgens
de voorwaarden, met name inzake frequentie en inhoud,
die geval per geval door de Bank worden bepaald, dat
wil zeggen op grond van een individuele beslissing,
rekening houdend met de specifieke kenmerken van
de betrokken onderneming.
De beslissing tot doorhaling vermeldt de datum
waarop de doorhaling uitwerking heeft. Wanneer een
verzekeringsonderneming een verzoek tot afstand van
de vergunning indient, raadpleegt de Bank eerst de
FSMA vóór ze de datum vastlegt waarop de doorhaling
van kracht wordt.
Met het oog op de transparantie wordt de beslissing
tot doorhaling niet alleen gepubliceerd op de website
van de Bank, maar verschijnen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen in run off in een spe-
cifieke rubriek van de in artikel 31 bedoelde lijst van
ondernemingen die een vergunning hebben verkregen
(paragraaf 6).
Artikel 538 zorgt aldus voor de omzetting van arti-
kel 144, lid 1, onder a) van de Richtlijn voor wat betreft
het geval waarin de onderneming uitdrukkelijk afstand
doet van de vergunning.
de transposer l’article 308ter, paragraphe 1er à 4 de la
Directive.
Art. 538
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
entendent renoncer à leur agrément tout en veillant à la
bonne exécution des contrats d’assurance ou de réas-
surance en cours doivent adresser une demande à la
Banque spécifiant la ou les branches d’assurance ou les
activités de réassurance pour lesquelles la renonciation
à l’agrément est demandée.
Cette demande doit être accompagnée d’un plan
précisant la manière dont l’entreprise entend procé-
der à la liquidation de ses engagements résultant des
contrats d’assurance ou de réassurance relevant des
activités pour lesquelles la renonciation de l’agrément
est demandée.
Ce plan est destiné à vérifier que la manière dont
l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses
engagements en cours donne une assurance suffi-
sante quant à la préservation des droits des créanciers
d’assurance ou de réassurance. Un tel plan précisera
ainsi, de manière crédible, les flux financiers escomp-
tés permettant de justifier l’existence des ressources
nécessaires aux fins d’honorer les contrats en cours. Ce
plan doit faire l’objet d’une actualisation (paragraphe 5)
selon les conditions, concernant tant la fréquence que
le contenu, déterminées par la Banque au cas par cas,
c’est-à-dire par voie de décision individuelle eu égard
aux spécificités de l’entreprise concernée.
La décision de radiation précise la date des effets
de la radiation. Lorsque la demande de renonciation
à l’agrément émane d’une entreprise d’assurance,
la Banque consulte préalablement la FSMA avant de
déterminer la date d’effet de la radiation.
Dans un souci de transparence, outre la publication
de la décision de radiation sur le site internet de la
Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance
en run off apparaissent distinctement à la liste visée à
l’article 31 reprenant les entreprises dûment agréées
(paragraphe 6).
L’article 538 assure ainsi la transposition de l’ar-
ticle 144, paragraphe 1er, a) de la Directive pour le cas de
la renonciation expresse à l’agrément par l’entreprise.
284
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Overeenkomstig ontwerpartikel 543 leidt het verlies
van de vergunning tot het verbod op het sluiten van
nieuwe overeenkomsten voor de verzekeringstak(ken)
waarvoor de vergunning werd doorgehaald en/of voor
alle nieuwe herverzekeringsovereenkomsten, indien
het verlies van de vergunning betrekking heeft op de
herverzekeringsactiviteit.
Uit ontwerpartikel 545 vloeit voort dat de ondernemin-
gen in run off onderworpen blijven aan de bepalingen
van de ontwerpwet en haar uitvoeringsbesluiten en —
reglementen, alsook aan de rechtstreeks toepasbare
Europeesrechtelijke bepalingen, tot al haar verplichtin-
gen in verband met de verzekerings- of herverzekerings-
overeenkomsten afgewikkeld zijn. Gelet op de aard van
deze verplichtingen en de verleende waarborgen met
betrekking tot hun goede uitvoering, die — op perma-
nente wijze — moeten worden aangetoond in het plan
dat de onderneming moet indienen, kan de Bank, geval
per geval, de onderneming in run off vrijstellen van de
naleving van bepaalde wettelijke en reglementaire of
Europeesrechtelijke bepalingen, wanneer die niet vereist
is voor de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers
uit hoofde van verzekering of herverzekering.
Het principiële behoud van de toepassing van de
bepalingen van de ontwerpwet en haar uitvoerings-
besluiten en —reglementen (en van de rechtstreeks
toepasbare uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn)
impliceert noodzakelijkerwijs het behoud van de pre-
rogatieven van de Bank, in het bijzonder in het geval
van een verslechtering van de financiële positie van de
onderneming. Niettemin wordt uitdrukkelijk gewezen op
dit principe in paragraaf 2, tweede lid van ontwerparti-
kel 538, waarin gesteld wordt dat, indien de onderne-
ming in run off niet langer de nodige waarborgen biedt
voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering of herverzekering, de Bank alle maatregelen
kan treffen ter omkadering van de correcte afwikkeling
van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
van de onderneming en met name alle maatregelen ter
vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde
van verzekering of herverzekering, waaronder de in de
ontwerpartikelen 509 tot 517 omschreven maatregelen.
Daarnaast beschikt de Bank eveneens over de in
de hierna toegelichte artikelen 546 en 547 bedoelde
prerogatieven ter vrijwaring van de rechten van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering.
Conformément à l’article 543 en projet, la perte de
l’agrément entraîne l’interdiction de souscrire tous
nouveaux contrats dans la ou les branches d’assurance
pour lesquelles l’agrément a été radié et/ou tous nou-
veaux contrats de réassurance dès lors que l’activité
de réassurance est concernée par la perte d’agrément.
De l’article 545 en projet, il découle que les entre-
prises en run off demeurent assujetties aux dispositions
de la loi en projet et de ses arrêtés et règlements d’exé-
cution et aux dispositions de droit européen directement
applicables jusqu’à ce que soient liquidés tous les
engagements relatifs aux contrats d’assurance ou de
réassurance. Eu égard à la nature des engagements
concernés et aux garanties fournies quant à leur bonne
exécution telles qu’elles sont — de manière continue
— justifiées par le plan exigé de l’entreprise, la Banque
peut, au cas par cas, dispenser l’entreprise en run off du
respect de certaines dispositions légales et réglemen-
taires ou de droit européen dès lors qu’elles s’avèrent
non justifiées au regard de la nécessité de préserver les
droits des créanciers d’assurance ou de réassurance.
Le maintien de principe de l’application des dispo-
sitions prévues par la loi en projet et de ses arrêtés et
règlements d’exécution (et des mesures d’exécution de
la Directive directement applicables) implique néces-
sairement le maintien des prérogatives dont dispose
la Banque, en particulier en cas de dégradation de
la situation financière de l’entreprise. Ce principe est
néanmoins explicitement rappelé par le paragraphe 2,
alinéa 2 de l’article 538 en projet qui dispose que si
l’entreprise en run off ne présente plus les garanties
suffisantes au regard de la protection des créanciers
d’assurance ou de réassurance, la Banque peut prendre
toutes mesures visant à encadrer une liquidation cor-
recte des engagements d’assurance ou de réassurance
de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant
à préserver les droits des créanciers d’assurance ou
de réassurance dont celles prévues aux articles 509 à
517 en projet.
À côté de ces prérogatives, on relève que la Banque
dispose également des prérogatives visées aux articles
546 et 547 aux fins de sauvegarder les droits des créan-
ciers d’assurance, commentés ci-après.
285
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit
Art. 539
Artikel 539, dat zorgt voor de omzetting van de twee
andere in artikel 144, lid 1, onder a) van de Richtlijn be-
doelde gevallen, regelt de doorhaling in het geval van
niet-gebruik van de verkregen vergunning of langdurige
stopzetting van de activiteiten.
Paragraaf 2 van de ontwerpbepaling stipu-
leert dat de doorhaling van toepassing is op de
herverzekeringstak(ken) of —activiteiten waarop de
situatie van niet-uitoefening betrekking heeft.
Afdeling III
Doorhaling van rechtswege
Art. 540
Ontwerpartikel 540 betreft het derde geval van door-
haling van de vergunning, namelijk de opening van een
faillissementsprocedure of een liquidatieprocedure als
gevolg van een (vrijwillige of gerechtelijke) ontbinding in
de zin van het Wetboek van Vennootschappen. Daarbij
is het nuttig een verband te leggen met respectievelijk
de ontwerpartikelen 640 en 642, waarin bepaald wordt
dat deze procedures alleen na eensluidend advies van
de Bank mogen worden geopend.
Naast de specifieke regels voor deze procedures,
treden de hierna omschreven bepalingen van Hoofdstuk
III aldus in werking als gevolg van het verlies van de
vergunning dat gepaard gaat met de opening van deze
collectieve procedures.
HOOFDSTUK II
Herroeping van de vergunning
Art. 541
Behalve de hierboven genoemde gevallen van door-
haling van de vergunning, voorziet de wet in gevallen
van herroeping. In het geval van een herroeping is
de beëindiging van de vergunning te wijten aan een
onregelmatige situatie die dermate ernstig is dat ze de
intrekking van de vergunning en dus het verlies van
het wettelijk statuut van verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming impliceert, met de daarbij horende
juridische gevolgen.
Section II
Radiation pour non exercice de l’activité
Art. 539
Transposant ainsi les deux autres situations visées
à l’article 144, paragraphe 1er, a) de la Directive, l’ar-
ticle 539 prévoit un autre cas de radiation consistant
dans le non usage de l’agrément obtenu ou dans la
cessation prolongée des activités.
Le paragraphe 2 de la disposition en projet précise
que la radiation concerne la ou les branches ou les
activités de réassurance, qui sont concernées par la
situation de non exercice.
Section III
Radiation de plein droit
Art. 540
L’article 540 en projet prévoit le troisième des cas
de radiation d’agrément consistant dans l’ouverture
d’une procédure de faillite ou dans l’ouverture d’une
procédure de liquidation qui fait suite à une dissolution
(qu’elle soit volontaire ou judicaire) au sens du Code
de sociétés. On fera ici utilement le lien respectivement
avec les articles 640 et 642 en projet qui requièrent
l’avis conforme de la Banque pour l’ouverture de ces
procédures.
La perte de l’agrément inhérente à l’ouverture de
ces procédures collectives entraînera ainsi, outre les
règles spécifiques à ces procédures, l’application des
dispositions du Chapitre III précisées ci-après.
CHAPITRE II
Révocation de l’agrément
Art. 541
À côté des cas précités de radiation de l’agrément, la
loi prévoit des cas de révocation. En cas de révocation,
la fin de l’agrément réside dans une situation de man-
quement dont le niveau de gravité implique le retrait de
l’agrément et donc la perte du statut légal d’entreprise
d’assurance ou de réassurance avec les conséquences
juridiques inhérentes.
286
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het eerste geval, waarnaar verwezen wordt in arti-
kel 541 in limine, bestaat in de herroeping zoals bedoeld
in artikel 517, § 1, 8°, als ultieme maatregel in geval van
inbreuk op de wettelijke en reglementaire verplichtingen
(met inbegrip van die van Verordening 2015/35). Het
tweede geval zet artikel 144, lid 1, tweede alinea van de
Richtlijn om, waarin bepaald wordt dat de vergunning
voor alle verzekeringstakken en/of herverzekeringsacti-
viteiten wordt herroepen wanneer een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet langer voldoet aan
het minimumkapitaalvereiste en de Bank van oordeel is
dat het (met toepassing van ontwerpartikel 511) voorge-
legde plan inzake financiering op korte termijn duidelijk
inadequaat is of dat de betrokken onderneming er niet
in slaagt om het goedgekeurde plan te volgen binnen
drie maanden na de vaststelling dat niet meer wordt
voldaan aan het minimumkapitaalvereiste.
Art. 542
Artikel 542 bepaalt dat, wanneer de vergunning
voor alle verzekeringstakken en/of herverzekerings-
activiteiten herroepen wordt, hetzij met toepassing
van artikel 517, § 1, 8°, hetzij met toepassing van het
voornoemde artikel 541, de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming van rechtswege ontbonden en in ver-
effening gesteld wordt (in de zin van de artikelen 183 en
volgende van het Wetboek van Vennootschappen).
Krachtens artikel 642, § 2 wordt in dat geval een liqui-
dateur aangesteld, die benoemd wordt met goedkeuring
van de Bank.
HOOFDSTUK III
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de
verschillende gevallen van verlies van
de vergunning
Art. 543
Hoewel uit de correcte toepassing van de principes
voortvloeit dat het zonder vergunning niet mogelijk
is verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten uit te
oefenen, wordt in ontwerpartikel 543 uitdrukkelijk be-
paald dat het volledige of gedeeltelijke verlies van de
vergunning — ongeacht op welke rechtsgrond — leidt
tot een verbod op het sluiten van nieuwe overeenkom-
sten in de verzekeringstakken en voor de herverzeke-
ringsactiviteiten waarop het verlies van de vergunning
betrekking heeft.
Het tweede lid van de ontwerpbepaling bevestigt, voor
zover nodig, dit principe in geval van vereffening of faillis-
sement, waarbij wordt aangestipt dat de bevoegdheden
Le premier cas, rappelé par l’article 541 in limine
consiste dans la révocation prévue sous l’article 517,
§ 1er, 8° au titre de mesure ultime en cas de man-
quement aux obligations légales et réglementaires (y
compris celles prévues par le Règlement 2015/35). Le
deuxième cas assure la transposition de l’article 144,
paragraphe 1er alinéa 2 de la Directive qui impose le
retrait de l’agrément en ce qui concerne l’ensemble
des branches d’assurance et/ou des activités de réas-
surance lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance ne dispose plus du minimum de capital requis
et que la Banque considère que le plan de financement
à court terme présenté (en application de l’article 511 en
projet) est manifestement insuffisant ou que l’entreprise
concernée ne se conforme pas au plan approuvé dans
les trois mois qui suivent la constatation de la non-
conformité du minimum de capital requis.
Art. 542
L’article 542 prévoit que lorsque l’agrément est révo-
qué soit en application de l’article 517, § 1er, 8°, soit en
application de l’article 541 précité, pour l’ensemble des
branches d’assurance et/ou des activités de réassu-
rance, l’entreprise d’assurance ou de réassurance est
dissoute de plein droit et entre en liquidation (au sens
des articles 183 et suivants du Code des sociétés).
L’application de l’article 642, § 2 conduira alors à la
nomination d’un liquidateur ayant obtenu l’assentiment
de la Banque.
CHAPITRE III
Dispositions communes aux différents cas de
perte de l’agrément
Art. 543
Bien qu’une application correcte des principes mène
à cette conséquence, à savoir qu’à défaut d’agrément, il
n’est pas possible de mener une activité d’assurance ou
de réassurance, l’article 543 en projet énonce explicite-
ment ce principe en disposant que la perte d’agrément,
totale ou partielle, — quelle que soit la base juridique
sur laquelle elle intervient — emporte l’interdiction de
souscrire de nouveaux contrats dans les branches
d’assurance et les activités de réassurance concernées
par la perte d’agrément.
L’alinéa 2 de la disposition en projet confirme, pour
autant que de besoin, ce principe au cas de la liquidation
et de la faillite en rappelant que les prérogatives d’un
287
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van een liquidateur of curator inzake de voortzetting
van de activiteiten zich beperken tot de uitvoering van
de lopende verzekerings- of herverzekeringsovereen-
komsten, met uitzondering van het sluiten van nieuwe
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. Dit
heeft uiteraard geen betrekking op het sluiten van verze-
kerings- of herverzekeringsovereenkomsten in de hoe-
danigheid van verzekeringnemer of van herverzekerde.
Art. 544
Ontwerpartikel 544 zorgt voor de omzetting van het
principe van communautaire samenwerking bij verlies
van vergunning, zoals bedoeld in artikel 144, lid 2, eerste
alinea van de Richtlijn, voor wat betreft de mededeling
van informatie en de vereiste hulp, teneinde te beletten
dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
nieuwe activiteiten aanvangt op het grondgebied van
andere lidstaten waar ze actief was.
Art. 545 tot 548
Zoals hierboven vermeld, bepaalt ontwerparti-
kel 545 dat de ondernemingen die hun vergunning ver-
loren hebben — ongeacht op welke rechtsgrond — on-
derworpen blijven aan de bepalingen van de ontwerpwet
en haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen, alsook
aan de rechtstreeks toepasbare Europeesrechtelijke
bepalingen, tot al haar verplichtingen in verband met
de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten
afgewikkeld zijn. Gelet op de aard van deze verplich-
tingen en de verleende waarborgen inzake hun goede
uitvoering, kan de Bank, geval per geval, de betrokken
onderneming vrijstellen van de naleving van bepaalde
wettelijke en reglementaire of Europeesrechtelijke be-
palingen, wanneer die niet vereist is voor de vrijwaring
van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering of herverzekering.
Het principiële behoud van de toepassing van de
bepalingen van de ontwerpwet en haar uitvoeringsbe-
sluiten en —reglementen impliceert noodzakelijkerwijs
het behoud van de prerogatieven van de Bank, in het bij-
zonder in het geval van een verslechtering van de finan-
ciële positie van de onderneming. Ontwerpartikel 546,
dat artikel 144, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn
omzet, bepaalt dat de Bank, in voorkomend geval in
samenwerking met de toezichthouders van de andere
lidstaten, aan de in deze Titel bedoelde ondernemingen
alle passende maatregelen kan opleggen tot vrijwaring
van de rechten van de verzekeringnemers, de verze-
kerden en de begunstigden van de verzekerings- en
herverzekeringsovereenkomsten. Dit principe wordt
verduidelijkt door erop te wijzen dat deze maatregelen
liquidateur ou d’un curateur en matière de poursuite des
activités se limitent à l’exécution des contrats d’assu-
rance ou de réassurance en cours, à l’exclusion de la
conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance ou
de réassurance. Ceci ne concerne bien évidemment
pas la conclusion de contrats d’assurance ou de réas-
surance en qualité de preneur ou de réassuré.
Art. 544
L’article 544 en projet traduit le principe de coopé-
ration communautaire en cas de perte d’agrément qui
est prévu à l’article 144, paragraphe 2, alinéa 1er de la
Directive en ce qui concerne la communication d’infor-
mations et l’aide requise en vue d’empêcher l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance de commencer
de nouvelles opérations sur le territoire d’autres États
membres dans lesquels l’entreprise était active.
Art. 545 à 548
Comme indiqué ci-dessus, l’article 545 en projet
prévoit que les entreprises qui ont perdu leur agré-
ment — quel qu’en soit le fondement juridique — de-
meurent assujetties aux dispositions de la loi en projet
et de ses arrêtés et règlements d’exécution et aux
dispositions de droit européen directement applicables
jusqu’à ce que soient liquidés tous les engagements
relatifs aux contrats d’assurance ou de réassurance.
Eu égard à la nature des engagements concernés et
aux garanties fournies quant à leur bonne exécution,
la Banque peut, au cas par cas, dispenser l’entreprise
concernée du respect de certaines dispositions légales
et réglementaires ou de droit européen dès lors qu’elles
s’avèrent non justifiées au regard de la nécessité de
préserver les droits des créanciers d’assurance ou de
réassurance.
Le maintien de principe de l’application des dispo-
sitions prévues par la loi en projet et de ses arrêtés
et règlements d’exécution implique nécessairement
le maintien des prérogatives dont dispose la Banque,
en particulier en cas de dégradation de la situation
financière de l’entreprise. Transposant l’article 144,
paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive, l’article 546 en
projet énonce que Banque peut imposer aux entreprises
visées au présent Titre, le cas échéant avec le concours
des autorités de contrôle des autres États membres,
toutes mesures propres à sauvegarder les droits des
preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires
des contrats d’assurance et de réassurance. Ce prin-
cipe est précisé par le rappel que ces mesures incluent
nécessairement les mesures de redressement visées
288
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
noodzakelijkerwijs de in Titel IV bedoelde herstelmaat-
regelen omvatten (met inbegrip van de beperkingen
inzake de vrije beschikking over de activa), waarbij wordt
aangestipt dat de Bank deze maatregelen kan nemen
zonder vooraf een termijn vast te stellen.
In het derde lid van artikel 546 worden de in artikel
517 omschreven prerogatieven aangevuld met de be-
paling dat, wanneer een overdracht van de activiteiten
wordt gelast, in het bijzonder van de portefeuille van
levensverzekeringsovereenkomsten, de Bank haar
maatregel gepaard kan doen gaan met een aanpassing,
in de toekomst, van de gewaarborgde rendementsvoet
in levensverzekeringsovereenkomsten, zonder dat deze
aanpassing tot een lagere rendementsvoet mag leiden
dan deze die op de Belgische verzekeringsmarkt wordt
geboden op de dag dat het besluit hiertoe wordt geno-
men door de Bank. De Bank raadpleegt de FSMA over
de naleving van deze ondergrens.
Het aan artikel 144, lid 2, tweede alinea van de
Richtlijn ontleende algemene principe, dat stelt dat de
Bank alle passende maatregelen ter vrijwaring van de
rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering
kan nemen, vindt eveneens concrete toepassing in de
mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings- en
herverzekeringsovereenkomsten te beëindigen volgens
de modaliteiten en binnen de termijn die zij bepaalt. In
de praktijk blijkt de tenuitvoerlegging van een dergelijk
prerogatief eerder denkbaar voor levensverzekeringen.
Daar deze twee laatste prerogatieven — verminde-
ring van de rentevoet en einde van de overeenkomst bij
besluit van de autoriteit — van het gemeen recht afwij-
kende bepalingen vormen, die de rechten van schuld-
eisers uit hoofde van verzekering kunnen beïnvloeden,
regelt de ontwerpwet de toepassing ervan. Dit maakt
het voorwerp uit van ontwerpartikel 547.
Zo wordt in paragraaf 1 van artikel 547 principieel ge-
steld dat deze twee prerogatieven alleen mogen worden
uitgeoefend als het niet nemen van deze maatregelen
een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit
hoofde van verzekering. Het betreft de vertaling van
het zogenoemde “no creditor worse off”-principe uit
het Engels recht in verband met de afwikkeling van
kredietinstellingen in moeilijkheden op grond van de
jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens, dat overgenomen is in de recente Richtlijn
au Titre IV (incluant les limitations quant à la libre dispo-
sition des actifs) dont il est précisé que la Banque peut
les adopter sans fixation d’un délai préalable.
L’alinéa 3 de l’article 546 complète les prérogatives
prévues sous l’article 517 en prévoyant qu’en cas
d’injonction de transfert d’activités, en particulier de
portefeuille de contrats d’assurance-vie, la Banque
peut accompagner sa mesure d’une adaptation, pour
le futur, du taux de rendement garanti par des contrats
d’assurance-vie, sans toutefois qu’une telle adaptation
puisse conduire à un taux de rendement inférieur à celui
offert en Belgique par le marché de l’assurance au jour
de la décision de la Banque. L’avis de la FSMA est prévu
pour s’assurer du respect de cette limite.
Le principe général, issu de l’article 144, para-
graphe 2, alinéa 2 de la Directive, selon lequel, la
Banque peut prendre toutes mesures propres à sau-
vegarder les droits des créanciers d’assurance, se
voit également concrétiser par la possibilité pour la
Banque de mettre fin aux contrats d’assurance et de
réassurance selon les modalités et dans le délai qu’elle
détermine. Dans la pratique, la mise en œuvre d’une
telle prérogative s’avère plus concevable en ce qui
concerne les assurances-vie.
Dès lors que ces deux dernières prérogatives — dimi-
nution du taux et fin du contrat par voie de décision de
l’autorité — constituent des prérogatives dérogatoires
au droit commun, de nature à affecter les droits des
créanciers d’assurance, la loi en projet encadre leur
application. C’est l’objet de l’article 547 en projet.
Ainsi, à titre de principe le paragraphe 1er de l’ar-
ticle 547 énonce que ces deux prérogatives ne peuvent
être mises en œuvre que si, à défaut de ces mesures, le
sort des créanciers d’assurance concernés s’avérerait
moins favorable. Il s’agit là de la traduction du principe
dit “no creditor worse off” mis en avant par le droit
anglais en matière de résolution des établissements
de crédit en difficulté sur base de la jurisprudence de la
Cour européenne des Droits de l’Homme et repris par
289
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2014/59/EU6 betreffende het herstel en de afwikkeling
van banken. Krachtens dit principe mogen de afwik-
kelingsmaatregelen niet leiden tot een ongunstiger
situatie voor de schuldeisers dan het geval zou zijn bij
een faillissementsprocedure.
In paragraaf 2 worden de voorwaarden opgesomd
waaraan de twee beschouwde maatregelen moeten vol-
doen voor de naleving van het in paragraaf 1 vermelde
principe. In de bepaling onder 1° wordt gesteld dat de
portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vaststelling van
de activa waarmee de overdracht van de verzekerings-
verplichtingen gepaard gaat, geen afbreuk mag doen
aan de gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering. Met het oog op die gelijkheid moeten meer
bepaald de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in
artikel 194 bedoelde activa naar rato van de overge-
dragen verplichtingen;
— en voor het overige, indien nodig,
b) een verdeling van de overige activa naar rato van
de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen,
ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de
verzekeringsonderneming.
Voor zover nodig wordt in de bepaling verduidelijkt dat
de overgedragen verplichtingen gewaardeerd worden
op het ogenblik van de overdracht.
De bepaling drukt daarmee het idee uit dat de porte-
feuilleoverdracht in de praktijk bestaat in een overdracht
van verplichtingen, die noodzakelijkerwijs verloopt via
een overdracht “activa/passiva”. Voor de verplichtingen
kan immers alleen een overnemer worden gevonden als
de dekkingswaarden voor deze verplichtingen eveneens
worden overgedragen. Daar de in artikel 194 bedoelde
activa, namelijk de in de doorlopende inventaris opge-
nomen activa, per afzonderlijk beheer het voorwerp
uitmaken van het voorrecht voor de schuldeisers uit
hoofde van verzekering, dient de gelijkheid van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering (die het voor-
werp van hun voorrecht zien slinken als gevolg van de
overdracht) te worden gewaarborgd door vast te stellen
in welke mate de activa mogen worden overgedragen
ter dekking van de overgedragen verplichtingen. Om die
6
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader
voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/
EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG,
2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/
EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en
(EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (ook
bekend als "Bank Recovery and Resolution Directive").
la récente Directive 2014/59/UE6 en matière de redres-
sement et de résolution des banques, principe en vertu
duquel des mesures de résolution ne peuvent mener à
une situation plus défavorable pour les créanciers que
celle qu’ils connaîtraient en cas de procédure de faillite.
Le paragraphe 2 explicite les conditions auxquelles
les deux mesures considérées doivent satisfaire pour
respecter le principe énoncé au paragraphe 1er. Le 1°
énonce que le transfert de portefeuille, en particulier
la détermination des actifs qui accompagne la cession
des engagements d’assurance ne peut porter atteinte à
l’égalité entre les créanciers d’assurance. La disposition
précise qu’une telle égalité requiert
a) par gestions distinctes, une répartition des actifs
visés à l’article 194 au prorata des engagements cédés;
— et pour le surplus si nécessaire,
b) une répartition des autres actifs au prorata des
engagements cédés, non couverts par le a), par rapport
à l’ensemble des engagements d’assurance de l’entre-
prise d’assurance.
La disposition précise, pour autant que de besoin,
que l’évaluation des engagements cédés s’effectue au
moment de la cession.
La disposition traduit ainsi l’idée selon laquelle le
transfert de portefeuille consiste en réalité dans un trans-
fert d’engagements qui s’effectue nécessairement sous
la forme d’un transfert “actifs/passifs”. Les engagements
ne sont, en effet, susceptibles de trouver un acquéreur
que si les actifs destinés à les couvrir accompagnent la
cession. Dès lors que les actifs visés à l’article 194 —
c.-à-d. ceux repris à l’inventaire permanent — sont
ceux qui constituent, par gestions distinctes, l’assiette
du privilège des créanciers d’assurance, il convient
d’assurer une égalité entre les créanciers d’assurance
(dont l’assiette de leur privilège est réduite à la suite
de la cession) en précisant les limites dans lesquelles
les actifs sont autorisés à être transférés en couverture
des engagements cédés. C’est pourquoi la disposition
impose que les actifs repris à l’inventaire permanent
6
Directive du Parlement européen et du Conseil établissant un
cadre pour le redressement et la résolution des établissements de
crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive
82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement
européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE,
2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/
UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE)
no 1093/2010 et (UE) no 648/2012 (directive encore dite “Bank
Recovery and Resolution Directive”).
290
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
reden vereist de bepaling dat de activa uit de doorlo-
pende inventaris alleen per afzonderlijk beheer worden
overgedragen en enkel indien een verdeling wordt toe-
gepast naar rato van de overgedragen verplichtingen en
de andere verplichtingen die tot hetzelfde afzonderlijk
beheer behoren (zie in dat verband ontwerpartikel 230,
waarin het afzonderlijk beheer vereenvoudigd wordt).
Dit belet dus dat de verzekeringsonderneming wordt
“leeggemaakt” ten nadele van andere schuldeisers uit
hoofde van verzekering, van wie de verplichtingen die
tot hetzelfde afzonderlijk beheer behoren, niet zouden
worden overgedragen.
De tweede voorwaarde is gericht op de vrijwaring van
de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verze-
kering, van wie de verplichtingen niet zouden worden
overgedragen, zelfs al behoren ze niet tot hetzelfde
afzonderlijk beheer. Indien de waarde van de activa
van de doorlopende inventaris ontoereikend blijkt om
de overgedragen verplichtingen te dekken7, moeten
eveneens andere activa worden overgedragen. Ook
hier waarborgt de bepaling de gelijkheid van de schuld-
eisers uit hoofde van verzekering. Daarom wordt in b)
een verdeling van de overige activa gelast naar rato
van de overgedragen verplichtingen ten opzichte van
alle verzekeringsverplichtingen van de verzekerings-
onderneming. Deze overige activa maken immers niet
het voorwerp uit van het bijzonder voorrecht van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering zoals bedoeld
in ontwerpartikel 643, maar wel van het algemene
voorrecht in tweede instantie, dat wordt geregeld bij
ontwerpartikel 644, vijfde lid.
In de bepaling onder 2° worden de vereisten aange-
vuld met de bepaling dat de verzekeringsovereenkom-
sten maar kunnen worden beëindigd en een verminde-
ring van de rendementsvoet alleen kan worden opgelegd
indien de voortzetting van de verzekeringsovereenkom-
sten tot een deficitaire vereffening zou leiden. Het idee
achter deze bepaling is dat die twee maatregelen — daar
ze afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering — alleen ten uitvoer kunnen
worden gelegd als de verzekeringsonderneming zou
voldoen aan de voorwaarden voor de opening van een
faillissementsprocedure indien deze maatregelen niet
zouden worden genomen.
Om effectiviteit te verlenen aan deze voorwaarde,
wordt in de bepaling gepreciseerd dat, indien er een
batig saldo bij vereffening zou zijn, het bedrag daarvan
7
Het weze gepreciseerd dat de activa in de doorlopende inventaris
ontoereikend zouden kunnen zijn, aangezien de methode voor
de berekening van deze vereiste dekkingswaarden verschilt
van die voor de vereisten die de overnemer met het oog op de
voortzetting van het bedrijf moet naleven met betrekking tot de
overgedragen verplichtingen.
ne soient transférés que par gestions distinctes et que
moyennant le respect d’un prorata entre les engage-
ments cédés et les autres engagements relevant de la
même gestion distincte (voy. à cet égard l’article 230 en
projet qui simplifie les gestions distinctes). Ceci évite
donc de “vider” l’entreprise d’assurance au détriment
d’autres créanciers d’assurance dont les engagements
relevant d’une même gestion distincte ne se verraient
pas transférés.
La deuxième condition vise à préserver les créanciers
d’assurance dont les engagements ne se verraient pas
transférés même lorsqu’ils ne relèvent pas de la même
gestion distincte. Ainsi si la valeur des actifs repris à
l’inventaire permanent s’avère insuffisante pour couvrir
les engagements cédés7, il convient d’accompagner
le transfert d’autres actifs. Ici aussi, la disposition
préserve l’égalité entre créanciers d’assurance. C’est
pourquoi le b) impose alors une répartition des autres
actifs au prorata des engagements cédés par rapport à
l’ensemble des engagements d’assurance de l’entre-
prise d’assurance. En effet, ces autres actifs ne consti-
tuent pas l’assiette du privilège spécial des créanciers
d’assurance visé à l’article 643 en projet mais bien
l’assiette du privilège général, de second tour, organisé
par l’article 644, alinéa 5 en projet.
Le 2° complète les exigences en précisant qu’il ne
peut être mis fin aux contrats d’assurance ou une réduc-
tion de taux ne peut être ordonnée que dans l’hypothèse
où la continuité des contrats d’assurance conduirait
à une liquidation déficitaire. Ceci traduit l’idée selon
laquelle, ces deux mesures — dès lors qu’elles portent
atteinte aux droits des créanciers d’assurance — ne
peuvent être mises en œuvre que si, à défaut, l’entre-
prise d’assurance remplirait les conditions d’ouverture
d’une procédure de faillite.
Afin de conférer l’effectivité à cette condition, la
disposition précise que si un boni de liquidation devait
apparaître, son montant est alors exclusivement réparti
7
On précise que l’hypothèse d’une insuffisance des actifs repris
à l’inventaire permanent pourrait être rencontrée eu égard au
mode de calcul de cette exigence d’actifs de couverture qui dif-
fère des exigences auxquelles est tenu le cessionnaire à l’égard
des engagements cédés dans une perspective de continuité.
291
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
uitsluitend verdeeld wordt onder de schuldeisers uit
hoofde van verzekering, naar rato van de bedragen
waarop ze recht zouden hebben gehad indien hun
overeenkomsten werden voortgezet.
Het weze verduidelijkt dat deze bepaling ten goede
komt aan de overgedragen schuldeisers uit hoofde van
verzekering op wie de maatregel inzake vermindering
van de rentevoet zou zijn toegepast.
Met het oog op de gelijkheid van de schuldeisers,
stelt de bepaling bovendien dat een vermindering van
de rentevoet ertoe moet leiden dat het verlies dat voort-
vloeit uit deze vermindering verdeeld wordt over alle
schuldeisers uit hoofde van verzekering die tot hetzelfde
afzonderlijke beheer behoren.
Om de gelijkheid van de schuldeisers te handhaven
in het licht van het dubbele voorrecht dat de schuld-
eisers uit hoofde van verzekering genieten krachtens
de artikelen 643 en 644, bevat artikel 548, naar het
voorbeeld van Verordening 2015/35 (meer bepaald de
artikelen 71, lid 1, onder h) en 73, lid 1, onder f) daar-
van), een op alle situaties toepasselijke, zogenoemde
“catch-all”-bepaling, die stelt dat de Bank, in de in
artikel 542 bedoelde gevallen, waarin de vergunning
voor alle verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten
werd ingetrokken, een beperking van of een verbod op
de terugbetaling en uitkering van kapitaal of interesten
kan opleggen ten aanzien van houders van kernvermo-
gensinstrumenten, in afwachting van de maatregelen ter
vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde
van verzekering die met toepassing van de hierboven
besproken artikelen worden getroffen.
Art. 549
Artikel 549 regelt de wisselwerking tussen de
bepalingen van deze Titel en de regels inzake de
faillissementsprocedure.
Indien er ondanks of als gevolg van de tenuitvoer-
legging van de herstel- en/of afwikkelingsmaatregelen
wordt vastgesteld dat een faillissementsprocedure moet
worden geopend, voorziet de bepaling in de mogelijk-
heid voor de Bank om de situatie ter kennis te brengen
van de rechtbank van koophandel: deze mededeling
(die een afwijking vormt op de beroepsgeheimrege-
ling waaraan de Bank is onderworpen) geldt als een
aangifte van faillissement in de zin van artikel 6 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997. Met het oog op
de coherentie tussen de ontwerpbepalingen stipuleert
artikel 640 in limine dat dit artikel niet van toepassing
is bij een mededeling van de Bank op basis van artikel
549. In dat geval staat een dergelijke mededeling gelijk
met een eensluidend advies.
au profit des créanciers d’assurance au prorata des
montants auxquels ils auraient eu droit en cas de conti-
nuité de leurs contrats.
On précise que les créanciers d’assurance cédés qui
auraient subi la mesure de réduction de taux bénéficient
de cette disposition.
En outre, en vue de garantir l’égalité de traitement
entre créanciers, la disposition dispose qu’une réduction
de taux doit conduire à une répartition de la perte résul-
tant de cette diminution sur l’ensemble des créanciers
d’assurance relevant d’une même gestion distincte.
Afin de maintenir l’égalité entre créanciers à la
lumière du double privilège dont bénéficient les créan-
ciers d’assurance en application des articles 643 et
644, l’article 548 prévoit à l’instar du Règlement
2015/35 (notamment ses articles 71, paragraphe1, h)
et 73, paragraphe 1, f) ), au titre de disposition dite
“catch-all” visant à couvrir l’ensemble des situations, la
possibilité pour la Banque, dans les situations visées à
l’article 542 où l’agrément a été retiré pour l’ensemble
des activités d’assurance ou de réassurance, de limi-
ter ou d’interdire les remboursements et paiements,
de capital ou d’intérêts, à l’égard des titulaires d’ins-
truments de fonds propre de base dans l’attente des
mesures destinées à sauvegarder les droits des créan-
ciers d’assurance adoptées en application des articles
commentés ci-dessus.
Art. 549
L’article 549 organise l’interaction des dispositions
du présent Titre avec le régime de la procédure faillite.
Dès lors que malgré ou qu’à la suite de la mise en
œuvre des mesures de redressement et/ou de réso-
lution, il y a lieu de procéder au constat selon lequel
il convient d’ouvrir une procédure de faillite, la dispo-
sition prévoit la possibilité pour la Banque de porter la
situation à la connaissance du tribunal de commerce:
cette communication (qui constitue une dérogation au
régime de secret professionnel auquel est assujettie la
Banque) vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de
la loi du 8 août 1997 sur les faillites. De manière à
assurer la cohérence entre les dispositions en projet,
l’article 640 in limine précise qu’il n’est pas applicable
en cas de communication effectuée par la Banque sur
la base de l’article 549, une telle communication équi-
valant alors à un avis conforme.
292
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Aangezien de curator krachtens de voornoemde
wet van 8 augustus 1997 over zijn eigen prerogatieven
beschikt, dient de scheiding tussen de administratieve
en de juridische procedure te worden geformaliseerd,
door te bepalen dat de artikelen 545 tot 548 niet van
toepassing zijn in geval van faillissement van een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming.
BOEK III
VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDER-
NEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT
TITEL I
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
onder een andere lidstaat ressorteren
HOOFDSTUK I
Uitoefening van activiteiten in België door
verzekeringsondernemingen die onder een
andere lidstaat ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf
Onderafdeling I
Opening van bijkantoren
Allereerst dient opgemerkt dat de artikelen 550 tot
556, behoudens bijzondere gevallen, in hoofdzaak zijn
overgenomen uit de wet van 9 juli 1975. Om de lees-
baarheid ervan te verbeteren, werd de structuur van de
artikelen echter vereenvoudigd en gestroomlijnd.
Art. 550
Artikel 550 bevat het beginsel dat verzekeringsonder-
nemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en
die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactivi-
teiten in hun staat van herkomst mogen uitoefenen, die
activiteiten via de vestiging van een bijkantoor in België
mogen uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthou-
ders van die lidstaat van herkomst aan de Bank een
dossier hebben bezorgd dat bepaalde gegevens bevat
die elders in artikel 550 nader worden omschreven.
Het merendeel van de gegevens die moeten worden
opgenomen in het in artikel 550 bedoelde dossier, blijft
ongewijzigd ten opzichte van de gegevens bedoeld
Le curateur étant doté de ses propres prérogatives
organisées par la loi précitée du 8 août 1997, il convient
alors de formaliser la séparation entre la procédure
administrative et la procédure judiciaire en précisant que
les articles 545 à 548 ne sont pas applicables en cas
d’entreprise d’assurance ou de réassurance déclarée
en faillite.
LIVRE III
DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE
RÉASSURANCE DE DROIT ETRANGER
TITRE IER
Des entreprises d’assurance ou de réassurance
relevant du droit d’un autre État membre
CHAPITRE IER
Exercice d’activités en Belgique par des
entreprises d’assurance relevant du droit d’un
autre État membre
Section Ire
Accès à l’activité
Sous-section Ire
Ouverture de succursales
À titre de remarque liminaire, on relève que, sauf cas
particuliers, les articles 550 à 556 constituent essentiel-
lement la reprise de dispositions déjà présentes dans
la loi du 9 juillet 1975. Pour en améliorer la lisibilité,
la structure des articles a toutefois été simplifiée et
rationalisée.
Art. 550
L’article 550 énonce le principe selon lequel les
entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre
État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit
national à exercer dans leur État d’origine des activités
d’assurance, peuvent, par voie d’installation de succur-
sales, exercer ces activités en Belgique, à condition que
les autorités de contrôle de cet État d’origine ait com-
muniqué à la Banque un dossier contenant certaines
informations que l’article 550 explicite par ailleurs.
La majorité des éléments d’information composant le
dossier visé à l’article 550 reste inchangée par rapport
aux éléments d’information visés par l’article 67, § 1er
293
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in artikel 67, § 1 van de wet van 9 juli 1975. Er dient
evenwel te worden opgemerkt dat de Richtlijn (artikel
148) nieuwe gegevens invoert. Inzonderheid moet het
dossier voortaan een verklaring bevatten waaruit blijkt
dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitska-
pitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals
berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van
de Richtlijn. Voor wat betreft de wijzigingen die door de
Richtlijn worden aangebracht in de inhoud van het ken-
nisgevingsdossier, zij verwezen naar de commentaar bij
de artikelen 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° en 109.
Om onnodige herhaling te vermijden, werd artikel
550 herschikt. Voor de communautaire verzekeringson-
dernemingen die hun activiteiten in België wensen uit te
oefenen via een bijkantoor, zou de nieuwe structuur van
dit artikel bovendien tot een beter begrip moeten leiden
van de Belgische regels die op hen van toepassing zijn.
Artikel 550, § 1 — dat overgenomen is uit artikel 67,
§ 1, 1° tot 5° van de wet van 9 juli 1975 — betreft de “ge-
meenschappelijke basis” van gegevens die in het ken-
nisgevingsdossier moeten worden opgenomen, d.w.z.
de gegevens die moeten worden verstrekt ongeacht
welke risico’s het Belgische bijkantoor dekt. In paragraaf
1 wordt verwezen naar de artikelen 108, § 1, twee-
de lid, 1° tot 4° en 109; naar dit laatste artikel wordt enkel
verwezen voor wat betreft de gegevens die bestaan
uit de verklaring dat de verzekeringsonderneming het
solvabiliteits kapitaalvereiste en minimumkapitaalver-
eiste zoals berekend overeenkomstig de artikelen
100 en 129 van de Richtlijn dekt en uit de vermelding
van de verzekeringstakken waarvoor de verzekerings-
onderneming een vergunning heeft verkregen van de
toezichthouder van de lidstaat van herkomst. Artikel
550, § 1 zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van arti-
kel 146, lid 1 van de Richtlijn.
Artikel 550, § 2 is overgenomen uit artikel 67, § 1, 6°
en 7° van de wet van 9 juli 1975 en somt de dossierge-
gevens op die specifiek zijn voor België. Deze gegevens
moeten enkel worden verstrekt indien de verzekerings-
onderneming haar Belgische bijkantoor arbeidsongeval-
lenrisico’s of risico’s met betrekking tot de verplichte
aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wil
laten dekken, met uitzondering van de aansprakelijkheid
van de vervoerder. In artikel 550, § 2, 1° wordt gebruik
gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 207 van de
Richtlijn wordt geboden. Artikel 550, § 2, 2° zorgt voor
de omzetting van artikel 145, lid 3 van de Richtlijn.
de la loi du 9 juillet 1975. On relèvera toutefois que la
Directive (article 148) introduit de nouveaux éléments.
En particulier, le dossier doit désormais inclure une
attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dis-
pose du capital de solvabilité requis et du minimum de
capital requis calculés conformément aux articles 100 et
129 de la Directive. Il y a lieu de renvoyer, concernant
les modifications apportées par la Directive au contenu
du dossier de notification, aux commentaires des
articles 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° et 109.
Afin d’éviter d’inutiles répétitions au sein de la loi
en projet, l’article 550 a été restructuré. Cette nouvelle
structure devrait par ailleurs permettre aux entreprises
d’assurance communautaires souhaitant exercer leur
activité en Belgique par la voie d’une succursale,
d’appréhender plus facilement les règles belges qui
leur sont applicables.
L’article 550, § 1er — qui reprend l’article 67, § 1er,
1° à 5° de la loi du 9 juillet 1975 — vise le “socle com-
mun” des informations devant composer le dossier de
notification, c’est-à-dire les informations devant être
fournies quelques soient les risques couverts par la
succursale belge. Le paragraphe 1er procède par renvoi
aux articles 108, § 1er , alinéa 2, 1° à 4° et 109, le renvoi à
ce dernier étant limité aux informations consistant dans
l’attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dis-
pose du capital de solvabilité requis et du minimum de
capital requis calculés conformément aux articles 100 et
129 de la Directive et dans l’indication des branches
d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assurance a
été agréée par l’autorité de contrôle de l’État membre
d’origine. L’article 550, § 1er assure la transposition
partielle de l’article 146, paragraphe 1er de la Directive.
L’article 550, § 2 qui reprend l’article 67, § 1er, 6° et
7° de la loi du 9 juillet 1975 — détaille, quant à lui, les
éléments d’information du dossier qui présentent des
spécificités belges. Ces informations ne doivent être
fournies que dans l’hypothèse où l’entreprise d’assu-
rance entend faire couvrir par sa succursale belge les
risques en matière d’assurance d’accidents du travail ou
d’assurance obligatoire de la responsabilité en matière
de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la
responsabilité du transporteur. L’article 550, § 2, 1° fait
ici usage de la possibilité laissée ouverte par l’article
207 de la Directive. L’article 550, § 2, 2° assure, quant
à lui, la transposition de l’article 145, paragraphe 3 de
la Directive.
294
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 551 tot 553
De artikelen 551, 552 en 553 zijn respectievelijk
overgenomen uit de paragrafen 2, 3 en 5 van artikel
67 van de wet van 9 juli 1975, met enkele wijzigingen
van legistieke aard. De artikelen 2 en 3 zorgen voor de
omzetting van artikel 146, lid 3 van de Richtlijn.
Art. 554
Artikel 554 is overgenomen uit artikel 67, § 4 van de
wet van 9 juli 1975 voor wat betreft de verplichting voor
de verzekeringsonderneming om aan de Bank de wijzi-
gingen mee te delen die zij van plan is aan te brengen in
de gegevens die opgenomen zijn in het informatiedossier
bedoeld in artikel 550, en dit minstens één maand voor
het aanbrengen van deze wijzigingen. Dit artikel zorgt
voor de omzetting van artikel 145, lid 4 van de Richtlijn
voor wat betreft de gegevens die aan de toezichthou-
der van de lidstaat van ontvangst worden verstrekt. De
verplichting om eveneens de bevoegde autoriteiten van
de lidstaat van herkomst in te lichten, waarin voorzien
is in het genoemde artikel 145, lid 4, moet worden op-
genomen in de wet van die lidstaat.
Art. 555
Artikel 555 is overgenomen uit artikel 66 van de wet
van 9 juli 1975 voor wat betreft de verplichting voor de
Bank om de lijst van de in dit artikel bedoelde Belgische
bijkantoren van verzekerings ondernemingen op te
stellen.
Onderafdeling II
Vrije dienstverrichting
Behoudens in bijzondere gevallen zijn de artikelen
556 tot 561 in hoofdzaak overgenomen uit de wet van
9 juli 1975. Om de leesbaarheid ervan te verbeteren,
werd de structuur van de artikelen echter vereenvoudigd
en gestroomlijnd.
Art. 556
Artikel 556 is in hoofdzaak overgenomen uit de arti-
kelen 64, § 1 en 68, § 1 van de wet van 9 juli 1975 en
zorgt voor de omzetting van artikel 148, lid 1 en artikel
207 van de Richtlijn.
De paragrafen 1 en 2 van artikel 556 hebben de-
zelfde structuur als artikel 550. Paragraaf 1 heeft aldus
Art. 551 à 553
Les articles 551, 552 et 553 constituent, respective-
ment, la reprise des paragraphes 2, 3 et 5 de l’article
67 de la loi du 9 juillet 1975, moyennant quelques modi-
fications d’ordre légistique. Les articles 2 et 3 assurent
la transposition de l’article 146, paragraphe 3 de la
Directive.
Art. 554
L’article 554 constitue la reprise de l’article 67, § 4 de
la loi du 9 juillet 1975 en ce qu’il requiert que l’entre-
prise d’assurance notifie à la Banque toute modification
qu’elle entend apporter aux informations contenues
dans le dossier d’information visé à l’article 550 et ce,
un mois au moins avant que cette modification ne soit
effectuée. Il transpose l’article 145, paragraphe 4 de
la Directive en ce qui concerne l’information donnée
à l’autorité de contrôle de l’État d’accueil. L’obligation,
prévue audit article 145, paragraphe 4, d’informer
également les autorités compétentes de l’État membre
d’origine relève de l’objet de la loi de cet État.
Art. 555
L’article 555 constitue la reprise de l’article 66 de la
loi du 9 juillet 1975, en ce qu’il prévoit que la Banque
établit la liste des succursales belges des entreprises
d’assurance visées.
Sous-section II
Libre prestation de services
Sauf cas particuliers, les articles 556 à 561 consti-
tuent essentiellement la reprise de dispositions déjà
présentes dans la loi du 9 juillet 1975. Pour plus de lisi-
bilité toutefois, la structure des articles a été simplifiée
et rationalisée.
Art. 556
L’article 556 constitue essentiellement la reprise des
articles 64, § 1er et 68, § 1er de la loi du 9 juillet 1975 et
assure la transposition des articles 148, paragraphe 1er
et 207 de la Directive.
Les paragraphes premier et deuxième de l’ar-
ticle 556 suivent la même structure que celle adoptée à
295
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betrekking op de “gemeenschappelijke basis” van ge-
gevens die in het kennisgevingsdossier moeten worden
opgenomen, terwijl paragraaf 2 de dossiergegevens
opsomt die specifiek zijn voor België. Bijgevolg dient te
worden verwezen naar de commentaar bij artikel 550 en
dus bij de artikelen 115, 1° en 2° en 116.
Artikel 556, § 2, 1° is overgenomen uit artikel 68,
§ 1, 5° van de wet van 9 juli 1975 en betreft de verze-
keringsondernemingen die arbeidsongevallenrisico’s
dekken. De verzekeringsondernemingen die in België
dergelijke risico’s dekken via het vrij verrichten van dien-
sten, dienen een vertegenwoordiger aan te stellen. De
functie van deze vertegenwoordiger wordt omschreven
in artikel 557. Deze verplichting — die in de wet van
9 juli 1975 is opgenomen — is specifiek voor België en
vloeit niet voort uit de Richtlijn, maar wordt er wel door
toegestaan (artikel 207).
Artikel 556, § 2, 2° is overgenomen uit artikel 68,
§ 1, 4° van de wet van 9 juli 1975 en betreft de verze-
keringsondernemingen die dekking verlenen voor de
aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen. Er zij opgemerkt
dat de schaderegelaar bedoeld in artikel 556, § 2, 2°, b)
en de vertegenwoordiger bedoeld in punt c) van ditzelfde
artikel onderscheiden functies zijn. Om verwarring te
vermijden tussen de rol en het statuut van deze twee
types van vertegenwoordigers, wordt in het voorliggende
wetsontwerp dezelfde term gebruikt als in de Richtlijn
en als in Richtlijn 2009/103/EG.
Artikel 556, § 2, 2°, b) — dat artikel 148, lid 2, onder
a) van de Richtlijn omzet — betreft aldus de “schadere-
gelaar” die aangesteld dient te worden overeenkomstig
artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG8 (zoals omgezet
door de wet van 21 november 1989). Krachtens deze
richtlijn is de schaderegelaar belast met de behandeling
en de afwikkeling van schadegevallen die voortvloeien
uit ongevallen die zich hebben voorgedaan in een
andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats van
de benadeelden en veroorzaakt zijn door de deelne-
ming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk
zijn gestald en verzekerd in een lidstaat (zie artikel 21,
lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2009/103/EG). Deze
schaderegelaar moet voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/103/EG. Het toezicht op de aanstelling van
de schaderegelaar valt onder de bevoegdheid van de
toezichthouder van de lidstaat van herkomst.
8
Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de
wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het
verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle
op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid.
l’article 550. Le paragraphe premier vise ainsi le “socle
commun” des informations devant composer le dossier
de notification tandis que le second paragraphe spécifie
les éléments d’information du dossier qui présentent
des spécificités belges. Il y a donc lieu de renvoyer aux
commentaires article 550 et, dès lors, des articles 115,
1° et 2° et 116.
L’article 556, § 2, 1° qui constitue la reprise l’article 68,
§ 1er, 5° de la loi du 9 juillet 1975 — vise les entreprises
d’assurance couvrant les risques d’accident du travail.
Il y a lieu de relever l’obligation, pour les entreprises
d’assurance couvrant ces risques en Belgique en libre
prestation de services, de désigner un représentant. Le
rôle de ce représentant est défini à l’article 557. Cette
obligation — qui figure sous la loi du 9 juillet 1975 — est
une spécifité belge ne résultant pas de la Directive, mais
néanmoins permise par celle-ci (article 207).
L’article 556, § 2, 2° qui constitue la reprise de
l’article 68, § 1er, 4° de la loi du 9 juillet 1975 — vise les
entreprises d’assurance couvrant la responsabilité en
matière de véhicules terrestres automoteurs. Il y a lieu
de relever que l’article 556, § 2, 2°, b) et c) visent deux
types de représentants différents. Pour éviter toute
confusion entre le rôle et le statut de ces représentants,
le présent projet de loi utilise le même vocable que celui
de la Directive et de la directive 2009/103/CE.
Ainsi, l’article 556, § 2, 2°, b) — qui assure la
transposition de l’article 148, paragraphe 2 , a) de la
Directive — vise le “représentant chargé du règlement
des sinistres” désigné conformément à l’article 21 de la
directive 2009/103/CE8 (telle que transposée par la loi du
21 novembre 1989). En application de cette directive, le
représentant chargé du règlement des sinistres a pour
mission de traiter et de régler les sinistres résultant d’un
accident survenu dans un État membre autre que l’État
membre de résidence de la personne lésée et causés
par la circulation des véhicules assurés dans un État
membre et y ayant leur stationnement habituel (cf article
21, paragraphe 1er, al. 2 de la directive 2009/103/CE).
Il doit répondre aux conditions fixées par la directive
2009/103/CE. Le contrôle de la désignation du repré-
sentant chargé du règlement des sinistres relève de la
compétence de l’autorité de contrôle de l’État membre
d’origine.
8
Directive 2009/103/CE du Parlement et du Conseil du
16 septembre 2009 concernant l'assurance de la responsabi-
lité civile résultant de la circulation de véhicules automobiles
et le contrôle de l'obligation d'assurer cette responsabilité.
296
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 556, § 2, 2°, c) daarentegen betreft de verte-
genwoordiger die moet worden aangesteld overeen-
komstig artikel 152 van de Richtlijn. De functie van
deze vertegenwoordiger wordt omschreven in artikel
557 van de ontwerptekst. Het toezicht op de aanstelling
van deze vertegenwoordiger valt onder de bevoegdheid
van de Bank.
Art. 557
Artikel 557, §§ 1 en 3 zijn van toepassing op de
verzekeringsondernemingen die in het kader van het
vrij verrichten van diensten in België overeenkomsten
uitgeven met betrekking tot de verplichte aansprakelijk-
heidsverzekering inzake motorrijtuigen.
Artikel 557, § 1, eerste lid zorgt voor de omzetting van
artikel 151 van de Richtlijn en bepaalt dat de voornoem-
de ondernemingen ervoor dienen te zorgen dat perso-
nen die een schadevordering indienen die ontstaan is
uit voorvallen die zich op het Belgische grondgebied
hebben voorgedaan, in de praktijk in een nadeliger po-
sitie verkeren dan de personen die eenzelfde vordering
zouden indienen bij een Belgisch bijkantoor.
Hiertoe dienen de ondernemingen een vertegenwoor-
diger aan te stellen die moet voldoen aan de voorwaar-
den van artikel 557, § 1, tweede en vierde lid.
Artikel 557, § 2 is overgenomen uit artikel 68, § 1,
5°, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 en voorziet
eveneens in de verplichting voor verzekeringsonder-
nemingen die in het kader van het vrij verrichten van
diensten arbeidsongevallenrisico’s dekken, om een
vertegenwoordiger aan te stellen die voldoet aan de
voorwaarden van artikel 557, § 1.
Artikel 557, § 3 zorgt voor de omzetting van artikel
152, §§ 3 en 4 van de Richtlijn.
Aangezien het voorliggende wetsontwerp geen be-
palingen bevat die inhouden dat de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 557, § 1 voor rekening van de niet-
levensverzekeringsonderneming die hem heeft aange-
steld, andere activiteiten dient te verrichten dan deze
die omschreven zijn in artikel 557, § 1, derde en vierde
lid, mag artikel 152, lid 2 van de Richtlijn als omgezet
worden beschouwd.
Art. 558 tot 560
De artikelen 558, 559 en 560 zijn respectievelijk over-
genomen uit de paragrafen 2, 4 en 3 van artikel 68 van
de wet van 9 juli 1975, met enkele wijzigingen van
legistieke aard.
L’article 556, § 2, 2°, c) vise, quant à lui, le représen-
tant désigné conformément à l’article 152 de la Directive.
Le rôle de ce représentant est défini à l’articlel 557 en
projet. Le contrôle de la désignation de ce représentant
relève de la compétence de la Banque.
Art. 557
L’article 557, §§ 1er et 3 s’appliquent aux entreprises
d’assurance qui pratiquent en libre prestation de ser-
vices en Belgique l’assurance obligatoire de la respon-
sabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs.
L’article 557, § 1er, alinéa 1er — qui transpose l’article
151 de la Directive — impose aux entreprises précitées
de s’assurer que les personnes présentant une de-
mande d’indemnisation au titre d’évènements survenant
sur le territoire belge ne soient pas placées, d’un point
de vue pratique, dans une situation moins favorable que
les personnes qui présenteraient une demande similaire
auprès d’une succursale belge.
A cette fin, les entreprises doivent désigner un repré-
sentant qui doit répondre aux conditions visées à l’article
557, § 1er, alinéas 2 à 4.
L’article 557, § 2 — qui constitue la reprise de l’article
68, § 1 er, 5°, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 — prévoit
également l’obligation pour les entreprises d’assurance
couvrant les risques liés aux accidents du travail en libre
prestation de services, de désigner un représentant
répondant aux conditions visées à l’article 557, § 1er.
L’article 557, § 3 constitue la transposition de l’article
152, §§ 3 et 4 de la Directive.
Dès lors qu’il n’y a aucune disposition qui exige du
représentant visé à l’article 557, § 1er qu’il entreprenne,
pour le compte de l’entreprise d’assurance non-vie qui
l’a désigné, des activités autres que celles décrites à
l’article 557, § 1er, alinéas 3 et 4, l’article 152, para-
graphe 2 de la Directive peut être considéré comme
transposé.
Art. 558 à 560
Les articles 558, 559 et 560 constituent, respecti-
vement, la reprise des paragraphes 2, 4 et 3 de l’ar-
ticle 68 de la loi du 9 juillet 1975, moyennant quelques
modifications d’ordre légistique.
297
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wanneer de verzekeringsonderneming een wijziging
wenst aan te brengen in de gegevens bedoeld in artikel
556 van de ontwerptekst, dient zij daartoe de procedure
te volgen van Onderafdeling II. Overeenkomstig artikel
149 van de Richtlijn — waarvan artikel 560 de omzetting
vormt — bestaat er geen verplichting in hoofde van de
verzekeringsonderneming om de Bank rechtstreeks in
kennis te stellen van dergelijke wijzigingen (in tegenstel-
ling tot de regeling die geldt voor verzekeringsonderne-
mingen die hun activiteit in België uitoefenen via een
bijkantoor — zie artikel 554).
Art. 561
Artikel 561, dat overgenomen is uit artikel 66 van de
wet van 9 juli 1975, bepaalt dat de Bank de lijst opstelt
van de in dat artikel bedoelde verzekeringsondernemin-
gen die in het kader van het vrij verrichten van diensten
verzekeringsactiviteiten uitoefenen in België.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 562
Artikel 562 bevat het beginsel dat verzekerings-
ondernemingen die in België werkzaam zijn via een
bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten, blijvend moeten voldoen aan de voorwaarden
die bij of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van
het voorliggende wetsontwerp zijn vastgesteld. In de
praktijk zijn dit voornamelijk de verplichtingen die gel-
den voor verzekeringsondernemingen die in België,
via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten
van diensten, arbeidsongevallenrisico’s of risico’s met
betrekking tot de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen
wensen te dekken. Deze verplichtingen vloeien voort uit
de artikelen 550, § 2 en 556, § 2 van het voorliggende
wetsontwerp (namelijk in hoofdzaak de verplichtingen
ten aanzien van het Fonds voor Arbeidsongevallen,
het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en het
Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars) en uit artikel
557 (namelijk de verplichting om een vertegenwoordi-
ger aan te stellen die voldoet aan de voorwaarden van
artikel 557).
Art. 563
Artikel 563 voert een bepaling in die nieuw is ten
opzichte van de wet van 9 juli 1975. Dit artikel bepaalt
dat de verzekeringsondernemingen die in België ver-
zekeringsactiviteiten uitoefenen via een bijkantoor of
in het kader van het vrij verrichten van diensten, bij de
uitoefening van hun activiteiten in België aan hun naam
Toute modification que l’entreprise d’assurance en-
tend apporter aux informations visées à l’article 556 en
projet est soumise à la procédure prévue à la Sous-
section II. En application de l’article 149 de la Directive
— dont l’article 560 assure la transposition — il n’existe
pas d’obligation dans le chef de l’entreprise d’assurance
de notifier directement à la Banque les modifications
visées (contrairement au régime applicable aux entre-
prises d’assurance exerçant leur activité en Belgique
par la voie d’une succursale — voyez l’article 554).
Art. 561
L’article 561 constitue la reprise de l’article 66 de la
loi du 9 juillet 1975, en ce qu’il prévoit que la Banque
établit la liste des entreprises d’assurance visées qui
exercent des activités d’assurance en libre prestation
de services en Belgique.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 562
L’article 562 énonce le principe selon lequel les entre-
prises d’assurance opérant en Belgique par la voie de
succursale ou en libre prestation de services doivent
en permanence satisfaire aux conditions prévues par
ou en vertu des articles 550, 556 et 557 du présent
projet de loi. En pratique, sont essentiellement visées
les obligations incombant aux entreprises d’assurance
souhaitant faire couvrir en Belgique, par la voie d’une
succursale ou en libre prestation de services, les risques
d’accident du travail ou de la responsabilité en matière
de véhicules terrestres automoteurs. Ces obligations
découlent des articles 550, § 2 et 556, § 2 du présent
projet de loi (à savoir, principalement, les obligations
à l’égard du Fonds des accidents du travail, du Fonds
commun de garantie automobile et du Bureau belge
des assureurs automobiles) et de l’article 557 (à savoir
l’obligation de désigner un représentant satisfaisant aux
conditions visées par l’article 557).
Art. 563
L’article 563 introduit une disposition nouvelle par rap-
port à la loi du 9 juillet 1975. Il prévoit que les entreprises
d’assurance qui exercent en Belgique des activités
d’assurance par la voie d’une succursale ou en libre
prestation de services, font, dans l’exercice de leurs
activités en Belgique, accompagner leur dénomination
298
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hun lidstaat van herkomst moeten toevoegen. Indien
de verzekeringsactiviteiten worden uitgeoefend via een
bijkantoor, dienen zij aan hun naam eveneens hun zetel
toe te voegen.
Deze bepaling moet ervoor zorgen dat communau-
taire ondernemingen die in België werkzaam zijn, dui-
delijk geïdentificeerd kunnen worden door het publiek.
Art. 564
Artikel 564, eerste lid is overgenomen uit artikel 64,
§ 2 van de wet van 9 juli 1975 en bevat de verplichting
voor verzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn via
een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten
van diensten, om de wettelijke en reglementaire bepa-
lingen na te leven die in België van toepassing zijn om
redenen van algemeen belang. Het gaat enerzijds om
de bepalingen die van toepassing zijn op de verzeke-
ringsondernemingen bij de uitoefening van hun verze-
keringsverrichtingen, en anderzijds om de bepalingen
die van toepassing zijn op de verzekeringsverrichtingen
zelf, en dit om redenen van algemeen belang.
Artikel 564, tweede lid zorgt voor de omzetting van
artikel 156 van de Richtlijn en bepaalt dat de betrok-
ken verzekeringsondernemingen met alle beschikbare
communicatiemiddelen in België reclame mogen maken
voor hun diensten, maar enkel op voorwaarde dat zij de
om redenen van algemeen belang vastgestelde voor-
schriften inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame
in acht nemen. Het gaat hier om een specifieke toepas-
sing van het beginsel dat neergelegd is in het eerste lid.
Artikel 564, derde lid is overgenomen uit artikel 64,
§ 3 van de wet van 9 juli 1975 en bepaalt dat de Bank
aan de communautaire verzekeringsondernemingen
die in België verzekeringsactiviteiten uitoefenen via een
bijkantoor, meedeelt welke bepalingen bij haar weten
van algemeen belang zijn. De betrokken bepalingen
zijn de wettelijke en reglementaire bepalingen van
algemeen belang die in België van toepassing zijn op
de verzekeringsondernemingen en hun verrichtingen.
Bij de opstelling van deze lijst dient het advies van de
FSMA te worden ingewonnen.
Artikel 564, vierde lid vormt een aanvulling op het
eerste lid, aangezien het betrekking heeft op andere
activiteiten dan de verzekerings activiteiten die onder
het Europees paspoort vallen, die in België zouden
worden uitgeoefend. Dit vierde lid bevat de verplichting,
voor de betrokken verzekeringsondernemingen, om de
wettelijke en reglementaire verplichtingen na te leven
de la mention de leur État d’origine. Dans le cas où les
activités d’assurance sont exercées par la voie d’une
succursale, la dénomination de l’entreprise d’assurance
est également accompagnée de la mention de son
siège social.
Cette disposition vise à permettre au public l’identi-
fication exacte de l’entreprise communautaire opérant
en Belgique.
Art. 564
L’article 564, alinéa 1er constitue la reprise de l’article
64, § 2 de la loi du 9 juillet 1975. Il rappelle l’obligation
pour les entreprises d’assurance relevant du droit d’un
autre État membre et opérant en Belgique par la voie
d’une succursale ou en libre prestation de services,
de respecter les dispositions légales et réglementaires
applicables en Belgique pour des raisons d’intérêt géné-
ral. Ces dernières incluent, d’une part, les dispositions
applicables aux entreprises d’assurance dans l’exercice
de leurs opérations d’assurance et, d’autre part, les
dispositions applicables aux opérations d’assurance
elles-mêmes et ce, pour des raisons d’intérêt général.
L’article 564, alinéa 2 qui assure la transposition de
l’article 156 de la Directive — rappelle que les entre-
prises d’assurance visées peuvent faire de la publicité
pour leurs services, par tous les moyens de communi-
cation disponibles en Belgique, mais uniquement dans
la mesure où elles respectent les règles arrêtées pour
des raisons d’intérêt général qui régissent la forme et
le contenu de cette publicité. Il s’agit d’une application
particulière du principe énoncé sous l’alinéa 1er.
L’article 564, alinéa 3 constitue la reprise de l’article
64, § 3 de la loi du 9 juillet 1975. Il prévoit que la Banque
donne aux entreprises d’assurance communautaires
qui exercent en Belgique des activités d’assurance par
la voie d’une succursale, communication des disposi-
tions qui, à sa connaissance, ont le caractère d’intérêt
général. Les dispositions visées sont les dispositions
légales et réglementaires de cette nature applicables
en Belgique aux entreprises d’assurance et à leurs
opérations. L’élaboration de cette liste requiert l’avis
de la FSMA.
L’article 564, alinéa 4 complète l’alinéa 1er puisqu’il
vise les activités autres que les activités d’assurance
couvertes par le passeport européen, qui seraient
exercées en Belgique. Il rappelle l’obligation, pour les
entreprises d’assurance concernées, de respecter les
dispositions légales et réglementaires applicables en
Belgique à ces “autres activités”. Sont ainsi visées tant
299
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die in België van toepassing zijn op die “andere activi-
teiten”. Dit zijn zowel de bepalingen die deze activiteiten
regelen, als de hiermee samenhangende bepalingen
(zoals dit bijvoorbeeld het geval zou kunnen zijn voor
de bepalingen met betrekking tot de bescherming van
persoonsgegevens). Dit artikel doet geen afbreuk aan
de regels die het type van activiteiten regelen dat door
een verzekeringsonderneming kan worden uitgeoefend.
In dit verband dient gewezen te worden op artikel 18, lid
1, onder a) van de Richtlijn, dat inhoudt dat de verzeke-
ringsondernemingen hun maatschappelijk doel dienen
te beperken tot het verzekeringsbedrijf en verrichtingen
die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting
van elke andere handelsactiviteit. De omzetting van dit
beginsel in de nationale wetgeving waaronder de buiten-
landse onderneming ressorteert, houdt in werkelijkheid
een beperking in van de reikwijdte van de wetgevingen
die effectief van toepassing kunnen zijn.
Afdeling III
Toezicht
Art. 565
Artikel 565 bevat het beginsel dat de verzekerings-
ondernemingen die in België werkzaam zijn via een
bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten, onderworpen zijn aan het toezicht van de
Bank voor wat betreft de naleving van de verplichtingen
die voortvloeien uit de bepalingen van de artikelen 550,
556 en 557.
Artikel 565 laat het toezicht dat op die verzekerings-
ondernemingen wordt uitgeoefend krachtens andere
specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen die
niet onder het prudentieel toezicht als dusdanig vallen,
onverlet. Men denke hier bijvoorbeeld aan het toezicht
dat door de Bank wordt uitgeoefend op de bijkantoren
van verzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren en die onder de toepassing vallen
van de wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het ge-
bruik van het financiële stelsel voor het witwassen van
geld en de financiering van terrorisme.
Art. 566
Het toezicht op de verzekeringsondernemingen wordt
uitgeoefend via een passende combinatie van onder-
zoeken aan de hand van documenten en inspecties ter
plaatse.
Artikel 566 is overgenomen uit artikel 69 van de wet
van 9 juli 1975 en zorgt voor de gedeeltelijke omzetting
van artikel 34 van de Richtlijn. Dit artikel omschrijft de
les dispositions qui régissent ces activités, que celles
qui s’y appliquent de manière connexe (comme cela
pourrait être le cas, par exemple, pour les dispositions
relatives à la protection des données à caractère
personnel). Cet article est sans préjudice des règles
régissant le type d’activités pouvant être exercées par
une entreprise d’assurance. Il y a lieu de rappeler, à cet
égard, l’article 18, paragraphe 1er, a) de la Directive en
vertu duquel les entreprises d’assurance ont l’obligation
de limiter leur objet social à l’activité d’assurance et aux
opérations qui en découlent directement, à l’exclusion
de toute autre activité commerciale. La transposition
de ce principe dans la législation nationale dont relève
l’entreprise étrangère limite, en réalité, la portée des lé-
gislations susceptibles d’être effectivement concernées.
Section III
Contrôle
Art. 565
L’article 565 énonce le principe selon lequel les
entreprises d’assurance opérant en Belgique par la voie
de succursale ou en libre prestation de services sont
soumises au contrôle de la Banque pour ce qui concerne
le respect des obligations découlant des dispositions
visées aux articles 550, 556 et 557.
L’article 565 n’affecte pas le contrôle dont ces entre-
prises d’assurance font par ailleurs l’objet en vertu de
dispositions légales ou réglementaires spécifiques ne
relevant pas du domaine du contrôle prudentiel en tant
que tel. On pense ainsi au contrôle exercé par la Banque
à l’égard des succursales d’entreprises d’assurance re-
levant du droit d’un autre État membre et qui sont visées
par la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de
l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment
de capitaux et du financement du terrorisme.
Art. 566
Le contrôle des entreprises d’assurance combine
de manière appropriée les examens sur pièces et les
inspections sur place.
L’article 566 constitue la reprise de l’article 69 de la
loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition partielle
de l’article 34 de la Directive. Il décrit les prérogatives
300
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bevoegdheden inzake de toegang tot de informatie
waarover de Bank in het kader van de uitoefening van
het in artikel 565 bedoelde toezicht beschikt.
De Bank beschikt over inspectiebevoegdheden en
kan zich ook alle inlichtingen en documenten doen
verstrekken die vereist zijn voor het toezicht op de
naleving van de artikelen 550, 556 en 557. In het kader
van het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend
met toepassing van artikel 565, dienen de verzekerings-
agenten, —makelaars of —tussenpersonen bovendien,
op eenvoudig verzoek van de Bank, alle inlichtingen
te verstrekken over de verzekeringsovereenkomsten
waarvoor zij als tussenpersoon zijn opgetreden en die
betrekking hebben op in België gelegen risico’s.
Art. 567
Artikel 567, § 1 is overgenomen uit artikel 70 van
de wet van 9 juli 1975 en zorgt voor de omzetting van
artikel 33 van de Richtlijn. Dit artikel verleent aan de
autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegdheid
om inspecties en controles ter plaatse te verrichten bij
in België gevestigde bijkantoren. Aangezien dit preroga-
tief deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar
gezag, leek het aangewezen om in deze mogelijkheid
te voorzien voor een buitenlandse autoriteit, zoals opge-
legd door artikel 33 van de Richtlijn. De Bank kan aan
deze verificatie deelnemen.
De omzetting van artikel 39, lid 6, tweede alinea van
de Richtlijn, die slechts gedeeltelijk werd verwezenlijkt
door ontwerpartikel 106, wordt vervolledigd via para-
graaf 2 van ontwerpartikel 567. In deze paragraaf wordt
bepaald dat een portefeuilleoverdracht moet worden
bekendgemaakt in België wanneer België de lidstaat
van de verbintenis of van het risico is (zie in dit verband
de definities van ontwerpartikel 15, 36° en 37°). Hoewel
de goedkeuring van een portefeuilleoverdracht in het
geval van een verzekeringsonderneming die onder
een andere lidstaat ressorteert, tot de bevoegdheid
van de autoriteit van de lidstaat van herkomst behoort,
bepaalt de ontwerpbepaling dat de Bank, in het kader
van een doeltreffende internationale samenwerking, een
bekendmaking dient te verrichten volgens de modalitei-
ten van artikel 106, d.w.z. bij uittreksel in het Belgisch
Staatsblad, en daarvan melding dient te maken op haar
website. Er weze opgemerkt dat de tegenwerpbaarheid
van deze overdrachten aan derden en de mogelijkheid
tot opzegging in hoofde van de verzekeringnemers
aan bod komen in de artikelen 17 en 18 van de wet
van 4 april 2015 betreffende de verzekeringen. De ver-
wijzingen in deze wet naar de in het besproken artikel
bedoelde bekendmakingen worden aangepast door de
wijzigingsbepalingen van het voorliggende ontwerp.
en matière d’accès à l’information dont dispose la
Banque dans le cadre de l’exercice du contrôle visé à
l’article 565.
La Banque dispose de prérogatives en matière d’ins-
pection et peut également se faire communiquer tous
renseignements et fournir tous documents en vue du
contrôle du respect des articles 550, 556 et 557. Dans
le cadre du contrôle exercé par la Banque en application
de l’article 565, les agents, courtiers ou intermédiaires
d’assurance sont par ailleurs tenus de fournir, sur simple
demande de la Banque, tous renseignements concer-
nant les contrats d’assurance à propos desquels ils sont
intervenus en qualité d’intermédiaire et qui sont relatifs
à des risques situés en Belgique.
Art. 567
L’article 567, § 1er constitue la reprise de l’article
70 de la loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition
de l’article 33 de la Directive. Il s’agit de permettre
l’accomplissement par l’autorité de l’État d’origine de
ses prérogatives en matière d’inspection et de contrôle
sur place auprès des succursales situées en Belgique.
Dès lors qu’une telle prérogative relève de l’exercice
de la puissance publique, il convenait d’en aménager
la possibilité par une autorité étrangère, ce qu’impose
l’article 33 de la Directive. La Banque peut participer à
cette vérification.
Le paragraphe 2 de l’article 567 en projet complète la
transposition de l’article 39, paragraphe 6, alinéa 2 de
la Directive — qui n’était que partiellement réalisée par
l’article 106 en projet —, en prévoyant une publicité en
Belgique en ce qui concerne les transferts de porte-
feuille lorsque la Belgique est l’État d’engagement ou
que le risque y est situé (Voy. à cet égard les définitions
visées à l’article 15, 36° et 37° en projet). Même si
s’agissant d’une entreprise d’assurance relevant du
droit d’un autre État membre, l’autorisation du transfert
de portefeuille relève de la compétence de l’autorité
de l’État d’origine, dans le cadre d’une coopération
internationale efficace, la disposition en projet prévoit
que la Banque assure la publicité selon les modalités
prévues par l’article 106, c.-à-d. par voie d’un extrait au
Moniteur belge, complété d’une indication sur le site
internet de la Banque. On relève que l’opposabilité de
ces transferts aux tiers et la faculté de résiliation dans
le chef des preneurs font l’objet des articles 17 et 18 de
la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances dont les
références à la publication ici envisagée sont adaptées
par les dispositions modificatives du présent projet.
301
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 568 tot 572
De artikelen 568 tot 572 zorgen voor de omzetting
van artikel 155 van de Richtlijn.
Het gaat om de — streng afgebakende — bevoegd-
heden waarover de Bank beschikt wanneer zij vaststelt
dat een verzekeringsonderneming die in België een
bijkantoor heeft of daar in het kader van het vrij ver-
richten van diensten werkzaam is, niet voldoet aan de
wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van
toepassing zijn binnen het bevoegdheidsgebied van de
Bank. Dit zijn bijvoorbeeld de bepalingen van artikel
562 van het voorliggende wetsontwerp– namelijk de
verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn en die
gelden voor de betrokken verzekeringsondernemin-
gen — en om de elders vastgelegde bepalingen van
algemeen belang waarvan de Bank toezicht houdt op
de naleving ervan, met toepassing van andere wettelijke
en reglementaire bepalingen, zoals bijvoorbeeld de wet
van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van
het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de
financiering van terrorisme.
De procedure waarin de Richtlijn voorziet, bestaat uit
verschillende stappen.
In geval van niet-naleving van de wettelijke en regle-
mentaire bepalingen die in België van toepassing zijn
binnen het bevoegdheidsgebied van de Bank, dient deze
laatste eerst en vooral, nadat zij de FSMA daarvan in
kennis heeft gesteld, de verzekeringsonderneming die
de betrokken bepalingen niet heeft nageleefd, aan te
manen om de vastgestelde toestand te verhelpen binnen
een termijn die zij bepaalt. Indien de toestand na die
termijn niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthou-
ders van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan op
de hoogte. In principe dienen deze autoriteiten passende
maatregelen te nemen opdat de verzekeringsonderne-
ming een einde maakt aan de genoemde overtredingen
en dienen zij de Bank hiervan in kennis te stellen.
Indien de verzekeringsonderneming, ondanks de
door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen,
of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die
lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken
op de in België geldende wettelijke en reglementaire
bepalingen, kan de Bank, na de toezichthouders van de
lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte te hebben
gebracht, passende maatregelen nemen om verdere
onregelmatigheden te voorkomen of te beteugelen. Voor
zover zulks evenredig blijkt, omvatten deze maatregelen
Section IV
Mesures exceptionnelles
Art. 568 à 572
Les articles 568 à 572 assurent la transposition de
l’article 155 de la Directive.
Il s’agit des prérogatives — strictement encadrées
— de la Banque lorsqu’elle constate que l’entreprise
d’assurance ayant une succursale ou opérant par voie
de libre prestation de services en Belgique ne respecte
pas les dispositions légales et réglementaires appli-
cables en Belgique dans le domaine de compétence de
la Banque. Sont ainsi visées tant les dispositions visées
à l’article 562 du présent projet de loi — à savoir les
obligations découlant de la Directive qui sont imposées
aux entreprises d’assurance concernées — que les
dispositions applicables par ailleurs au titre d’intérêt
général et au respect desquelles la Banque est chargée
de veiller en application d’autres dispositions légales
et réglementaires, telle que, par exemple, la loi du
11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du
système financier aux fins du blanchiment de capitaux
et du financement du terrorisme.
Le processus prévu par la Directive se compose de
plusieurs étapes.
En cas de manquement aux dispositions légales
et réglementaires applicables en Belgique dans le
domaine de compétence de la Banque, cette dernière
doit tout d’abord, après en avoir informé la FSMA, mettre
l’entreprise d’assurance, auteur du manquement, en
demeure de remédier à la situation constatée dans un
délai qu’elle fixe. Si, au terme de ce délai, il n’a pas été
remédié à la situation, la Banque en informe les auto-
rités de contrôle de l’État membre d’origine concerné.
En principe, ces dernières doivent prendre les mesures
appropriées pour que l’entreprise d’assurance mette fin
auxdits manquements et en informer la Banque.
Si, en dépit des mesures prises par l’État membre
d’origine, ou parce que ces mesures apparaissent ina-
déquates ou qu’elles font défaut dans cet État, l’entre-
prise d’assurance persiste à enfreindre les dispositions
légales et réglementaires applicables en Belgique,
la Banque peut, après en avoir informé les autorités
de contrôle de l’État membre d’origine, prendre les
mesures appropriées pour prévenir ou réprimer de nou-
velles irrégularités. Ces mesures incluent, pour autant
que cela s’avère proportionné, la possibilité pour la
302
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de mogelijkheid voor de Bank om de onderneming te
verbieden in België nog nieuwe verzekeringsovereen-
komsten te sluiten.
Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de
maatregelen die door de toezichthouders van de lid-
staat van herkomst zijn genomen, ontoereikend zijn,
voorziet de Richtlijn (artikel 155, lid 3, tweede alinea) in
de mogelijkheid om de zaak aan EIOPA voor te leggen,
overeenkomstig de procedure voor de schikking van
meningsverschillen waarin artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010 voorziet. Dit is wat bepaald wordt in artikel
569, § 1, derde lid van de ontwerptekst.
Aangezien artikel 155, lid 7 van de Richtlijn, die in
een motiveringsplicht voorziet, betrekking heeft op de
maatregelen die krachtens artikel 155, leden 2 tot 6 wor-
den genomen, zij hier opgemerkt, voor zover nodig, dat
deze verplichting werd omgezet via het gemeen recht
dat van toepassing is op de administratieve autoriteiten,
namelijk de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdruk-
kelijke motivering van de bestuurshandelingen.
De artikelen 568 en 569 doen geen afbreuk aan de
bevoegdheid van de Bank om in spoedeisende geval-
len passende maatregelen te nemen om de onregel-
matigheden op haar grondgebied te voorkomen of te
beteugelen. Overeenkomstig artikel 155, lid 4 van de
Richtlijn, kan de Bank in spoedeisende gevallen de
in artikel 569 bedoelde maatregelen nemen zonder
de onderneming vooraf aan te manen de toestand te
verhelpen en zonder de FSMA en de toezichthouder
van de lidstaat van herkomst vooraf in kennis te stellen.
Het spoedeisende karakter zou met name gemotiveerd
kunnen worden door het feit dat het onmiddellijk nemen
van een maatregel noodzakelijk is om bescherming te
bieden tegen de instabiliteit van het financiële stelsel, die
de gemeenschappelijke belangen van de verzekering-
nemers en verzekerden in België ernstig kan schaden.
Artikel 572 is overgenomen uit artikel 71, § 4 van de
wet van 9 juli 1975. Overeenkomstig dit artikel mag de
Bank, op verzoek van de betrokken bevoegde Belgische
autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepassen op een
verzekeringsonderneming die een bijkantoor heeft in
België of daar werkzaam is in het kader van het vrij
verrichten van diensten, wanneer zij in België, in het
kader van haar verzekeringsactiviteiten, handelingen
stelt die strijdig zijn met de wettelijke of reglementaire
bepalingen die om redenen van algemeen belang van
toepassing zijn.
In overeenstemming met artikel 155, lid 5 van de
Richtlijn, doen de artikelen 569 tot 571 geen afbreuk
aan de artikelen 604 tot 609.
Banque d’interdire à l’entreprise de continuer à conclure
de nouveaux contrats d’assurance en Belgique.
En outre, si la Banque considère que les mesures
prises par les autorités de contrôle de l’État membre
d’origine concerné sont inadéquates, la Directive (article
155, paragraphe 3, al. 2) organise la possibilité de saisir
l’EIOPA selon la procédure de règlement des différends
organisée par l’article 19 du Règlement n° 1094/2010.
C’est ce que prévoit l’article 569, § 1er, alinéa 3 en projet.
Dès lors que l’article 155, paragraphe 7 de la
Directive, qui prévoit une obligation de motivation,
concerne les mesures prises en vertu de l’article 155,
paragraphes 2 à 6, on indique ici, pour autant que de
besoin, que cette obligation se trouve transposée par le
droit commun applicable aux autorités administratives,
à savoir, la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation
formelle des actes administratifs.
Les articles 568 et 569 n’affectent pas le pouvoir de la
Banque de prendre, en cas d’urgence, des mesures ap-
propriées pour prévenir ou réprimer les irrégularités sur
son territoire. Conformément à l’article 155, paragraphe
4 de la Directive, en cas d’urgence, la Banque peut
prendre les mesures visées à l’article 569 sans mettre
préalablement l’entreprise en demeure de remédier à
la situation et sans informer préalablement la FSMA
et l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine.
L’urgence pourrait, notamment, être justifiée par le fait
que la prise d’une mesure immédiate s’avère nécessaire
pour assurer une protection contre l’instabilité du sys-
tème financier susceptible de menacer gravement des
intérêts collectifs des preneurs d’assurance et assurés
en Belgique.
L’article 572 constitue la reprise de l’article 71, § 4 de
la loi du 9 juillet 1975. Il autorise la Banque à faire
application, à la demande des autorités belges com-
pétentes concernées, des articles 568 à 570 à l’égard
d’une entreprise d’assurance ayant une succursale
ou opérant par voie de libre prestation de services en
Belgique, lorsqu’elle accomplit en Belgique, dans le
cadre de ses activités d’assurance, des actes contraires
aux dispositions légales ou réglementaires applicables
pour des raisons d’intérêt général.
En conformité avec l’article 155, paragraphe 5 de la
Directive, les articles 569 à 571 sont sans préjudice des
articles 604 à 609.
303
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 573
Artikel 573 is overgenomen uit artikel 72, § 2 van de
wet van 9 juli 1975. In dit artikel wordt in overeenstem-
ming met artikel 144, lid 2, eerste alinea van de Richtlijn
bepaald dat de Bank, bij intrekking van de toelating van
een verzekeringsonderneming door de toezichthouder
van de lidstaat van herkomst, op verzoek van deze
autoriteit passende maatregelen kan nemen om te
beletten dat de betrokken verzekeringsonderneming in
België nieuwe overeenkomsten sluit en nieuwe werk-
zaamheden aanvangt. Artikel 573, tweede lid bepaalt
dat deze maatregelen met name kunnen bestaan in de
sluiting van het bijkantoor dat de betrokken verzeke-
ringsonderneming in België heeft gevestigd en in de
aanstelling van een voorlopige zaakvoerder die toeziet
op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in
afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming
en die gemachtigd is in het belang van de verzekering-
nemers, de verzekerden en de begunstigden in België
alle bewarende maatregelen te treffen.
Art. 574
Artikel 574 is overgenomen uit artikel 72, § 1 van
de wet van 9 juli 1975 en zorgt voor de gedeeltelijke
omzetting van de artikelen 137 tot 140 en 144, lid 2,
tweede alinea van de Richtlijn, in zoverre ze eisen dat
de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst de
bevoegdheid moeten hebben om op verzoek van de toe-
zichthouders van de lidstaat van herkomst, de beschik-
king over op het Belgische grondgebied gelokaliseerde
activa te beperken of te ontnemen.
HOOFDSTUK II
Uitoefening van activiteiten in België door
herverzekeringsondernemingen die onder een
andere lidstaat ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf
Art. 575
Artikel 575 is overgenomen uit artikel 55 van de wet
van 16 februari 2009. Net zoals dit het geval is voor
de verzekeringen, huldigt de Richtlijn (artikel 15, lid 1)
voor de herverzekeringen het beginsel van de in de
hele Unie geldende vergunning, dat inhoudt dat een
vergunning die in een bepaalde lidstaat is toegekend
overeenkomstig de Richtlijn, in de hele Unie wordt
erkend en de herverzekeringsondernemingen toelaat
Art. 573
L’article 573 constitue la reprise de l’article 72, § 2 de
la loi du 9 juillet 1975. Il prévoit, en conformité avec l’ar-
ticle 144, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive, qu’en
cas de retrait de l’agrément de l’entreprise d’assurance
par l’autorité de contrôle de l’État d’origine, la Banque
peut être appelée à prendre, à la demande de l’autorité
de contrôle de l’État membre d’origine, les mesures
appropriées en vue d’empêcher l’entreprise d’assu-
rance concernée de conclure de nouveaux contrats ou
de nouvelles opérations en Belgique. L’article 573, ali-
néa 2 précise que ces mesures incluent, notamment, la
fermeture de la succursale que l’entreprise d’assurance
concernée a établie en Belgique et la désignation d’un
gérant provisoire qui s’assure de la préservation des
avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué
sur leur destination, ce gérant étant habilité à prendre
toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des pre-
neurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires
en Belgique.
Art. 574
L’article 574 constitue la reprise de l’article 72, § 1er de
la loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition partielle
des articles 137 à 140 et 144, paragraphe 2, alinéa 2 de
la Directive en ce qu’ils requièrent que les autorités de
contrôle de l’État membre d’accueil soient habilitées
à restreindre ou interdire, à la demande des autorités
de contrôle de l’État membre d’origine, la disposition
d’actifs localisés sur le territoire belge.
CHAPITRE II
Exercice d’activités en Belgique par des
entreprises de réassurance relevant du droit d’un
autre État membre
Section Ire
Accès à l’activité
Art. 575
L’article 575 constitue la reprise de l’article 55 de
la loi du 16 février 2009. Pour rappel, tout comme en
matière d’assurance, la Directive (article 15, paragraphe
1er) consacre, en matière de réassurance, le principe de
l’agrément unique en vertu duquel un agrément octroyé
dans un État membre conformément à la Directive est
reconnu dans l’ensemble de l’Union et permet aux en-
treprises de réassurance d’y exercer ses activités, que
304
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in de hele Unie hun activiteiten uit te oefenen, hetzij
in het kader van het vrij verrichten van diensten, hetzij
via bijkantoren. Voor de herverzekeringen voorziet de
Richtlijn echter niet in een kennisgevingsprocedure voor
grensoverschrijdende activiteiten, zoals dit wel het geval
is voor de verzekeringen.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 576
In artikel 576, eerste lid bevat de verplichting voor de
herverzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn via
een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten, om de wettelijke en reglementaire bepalingen
na te leven die in België van toepassing zijn om redenen
van algemeen belang. Het gaat enerzijds om de bepa-
lingen die van toepassing zijn op de herverzekerings-
ondernemingen bij de uitoefening van hun herverzeke-
ringsverrichtingen, en anderzijds om de bepalingen die
van toepassing zijn op de herverzekeringsverrichtingen
zelf, en dit om redenen van algemeen belang.
Afdeling III
Toezicht
Art. 577
Artikel 577 voert een bepaling in die nieuw is ten
opzichte van de wet van 16 februari 2009. Dit artikel
bepaalt namelijk dat herverzekeringsondernemingen
die in België herverzekeringsactiviteiten uitoefenen via
een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten, voor de uitoefening van hun activiteiten in
België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst moe-
ten toevoegen. Indien de herverzekeringsactiviteiten
worden uitgeoefend via een bijkantoor, dienen zij aan
hun naam eveneens hun zetel toe te voegen.
Deze bepaling moet ervoor zorgen dat commu-
nautaire ondernemingen die in België werkzaam zijn,
duidelijk geïdentificeerd kunnen worden door het
publiek. Voor verzekeringsondernemingen werd een
soortgelijke bepaling ingevoerd (zie de commentaar bij
artikel 563 voor de redenen voor de invoering van deze
nieuwe bepaling).
ce soit en libre prestation de services ou par la voie de
succursales. Contrairement à la matière de l’assurance
toutefois, la Directive ne prévoit pas de procédure de
notification en cas d’activités transfrontalières.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 576
L’article 576, alinéa 1er rappelle l’obligation pour les
entreprises de réassurance relevant du droit d’un autre
État membre et opérant en Belgique par la voie d’une
succursale ou en libre prestation de services de respec-
ter les dispositions légales et réglementaires applicables
en Belgique pour des raisons d’intérêt général. Ces
dernières incluent, d’une part, les dispositions appli-
cables aux entreprises de réassurance dans l’exercice
de leurs opérations de réassurance et, d’autre part, les
dispositions applicables aux opérations de réassurance
elles-mêmes et ce, pour des raisons d’intérêt général.
Section III
Contrôle
Art. 577
L’article 577 introduit une disposition nouvelle par
rapport à la loi du 16 février 2009. Il prévoit que les en-
treprises de réassurance qui exercent en Belgique des
activités de réassurance par la voie d’une succursale
ou en libre prestation de service, font, dans l’exercice
de leurs activités en Belgique, accompagner leur déno-
mination de la mention de leur État d’origine. Dans le
cas où les activités de réassurance sont exercées par la
voie d’une succursale, la dénomination de l’entreprise
de réassurance est également accompagnée de la
mention de son siège social.
Cette disposition vise à permettre au public l’identi-
fication exacte de l’entreprise communautaire opérant
en Belgique. Une disposition similaire, a été introduite
pour les entreprises d’assurance (sur les raisons de
cette nouvelle disposition, voyez le commentaire de
l’article 563).
305
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 578
De Richtlijn legt geen specifieke procedure op voor
de grensoverschrijdende uitoefening van herverzeke-
ringsactiviteiten. De Richtlijn bepaalt ook niet dat de
lidstaat van ontvangst prudentiële verplichtingen kan
opleggen aan herverzekeringsondernemingen waaraan
in een andere lidstaat een vergunning is verleend en
die in België herverzekeringsactiviteiten uitoefenen via
een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten. Deze ondernemingen zijn in het kader van de
uitoefening van hun herverzekeringsactiviteiten in België
dus niet onderworpen aan prudentiële verplichtingen
waarop de Bank toezicht houdt.
Om de toezichthouders van de betrokken lidstaat van
herkomst in staat te stellen hun bevoegdheden op het
vlak van inspectie en controle ter plaatse uit te oefenen
bij in België gevestigde bijkantoren, biedt de Richtlijn
deze autoriteiten de mogelijkheid om bij de betrokken
bijkantoren controles en inspecties ter plaatse te ver-
richten, nadat zij de toezichthouder van de lidstaat van
ontvangst daarvan in kennis heeft gesteld, om zelf of,
in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe
machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de
financiële positie van de herverzekeringsonderneming
noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen.
Artikel 578 is overgenomen uit artikel 56 van de wet
van 16 februari 2009 en zorgt voor de omzetting van
artikel 33 van de Richtlijn.
Onderafdeling II
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 579 tot 581
De artikelen 579 tot 581 zorgen voor de omzetting
van artikel 158 van de Richtlijn.
Het gaat om de — streng afgebakende — bevoegd-
heden waarover de Bank beschikt wanneer zij vaststelt
dat een herverzekeringsonderneming die in België een
bijkantoor heeft of daar in het kader van het vrij ver-
richten van diensten werkzaam is, niet voldoet aan de
wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van
toepassing zijn binnen het bevoegdheidsgebied van de
Bank. Dit zijn bijvoorbeeld de bepalingen van algemeen
belang waarvan de Bank toezicht houdt op de naleving
ervan, met toepassing van wettelijke en reglementaire
bepalingen.
De procedure waarin de Richtlijn voorziet, bestaat uit
verschillende stappen.
Art. 578
La Directive ne soumet pas l’exercice transfrontalier
de l’activité de réassurance à une procédure spécifique.
Elle ne prévoit par ailleurs pas que l’État d’accueil
puisse imposer des obligations de nature prudentielle
aux entreprises de réassurance, agréées dans un autre
État membre, qui exercent en Belgique des activités de
réassurance par la voie d’une succursale ou en libre
prestation de service. Ces entreprises ne sont donc pas
soumises en Belgique, dans le cadre de l’exercice de
leur activité de réassurance, à des obligations de nature
prudentielle dont la Banque assurerait le contrôle.
Afin de permettre aux autorités de contrôle de l’ État
d’origine concerné d’exercer efficacement leurs pré-
rogatives en matière d’inspection et de contrôle sur
place auprès des succursales situées en Belgique, la
Directive habilite ces autorités à procéder, après en
avoir préalablement informé l’autorité de contrôle de
de l’État d’accueil, à des contrôles et inspections sur
place auprès des succursales visées en vue de vérifier
ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des
personnes qu’elles mandatent, les informations qui
sont nécessaires pour assurer le contrôle de la situation
financière de l’entreprise de réassurance.
L’article 578 constitue la reprise de l’article 56 de la loi
du 16 février 2009 et assure la transposition de l’article
33 de la Directive.
Sous-section II
Mesures exceptionnelles
Art. 579 à 581
Les articles 579 à 581 assurent la transposition de
l’article 158 de la Directive.
Il s’agit des prérogatives — strictement encadrées
— de la Banque lorsqu’elle constate que l’entreprise
de réassurance ayant une succursale ou opérant par
voie de libre prestation de services en Belgique ne
respecte pas les dispositions légales et réglementaires
applicables en Belgique dans le domaine de compé-
tence de la Banque. Sont ainsi visées les dispositions
applicables au titre d’intérêt général et au respect des-
quelles la Banque est chargée de veiller en application
de dispositions légales et réglementaires.
Le processus prévu par la Directive se compose de
plusieurs étapes.
306
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In geval van niet-naleving van de wettelijke en regle-
mentaire bepalingen die in België van toepassing zijn
binnen het bevoegdheidsgebied van de Bank, dient
deze laatste de herverzekeringsonderneming die de
betrokken bepalingen niet heeft nageleefd, eerst en
vooral aan te manen om de vastgestelde toestand te
verhelpen binnen een termijn die zij bepaalt.
Indien de onregelmatige situatie blijft aanhouden,
ondanks de door de lidstaat van herkomst getroffen
maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend
zn of die lidstaat geen maatregelen treft, kan de Bank,
na de toezichthouders van de lidstaat van herkomst
daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende
maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te
voorkomen of te beteugelen. Voor zover zulks evenredig
blijkt, omvatten deze maatregelen de mogelijkheid voor
de Bank om de onderneming te verbieden in België
nog nieuwe herverzekeringsovereenkomsten te sluiten.
Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de
maatregelen die door de toezichthouders van de lid-
staat van herkomst zijn genomen, ontoereikend zijn,
voorziet de Richtlijn (artikel 158, lid 2, derde alinea) in
de mogelijkheid om de zaak aan EIOPA voor te leggen,
overeenkomstig de procedure voor de schikking van
meningsverschillen waarin artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010 voorziet. Dit is wat bepaald wordt in artikel
579, § 1, derde lid van de ontwerptekst.
Aangezien artikel 158, lid 3 van de Richtlijn, dat in
een motiveringsplicht voorziet, betrekking heeft op de
maatregelen die krachtens artikel 158, leden 1 en 2 wor-
den genomen, zij hier opgemerkt, voor zover nodig, dat
deze verplichting werd omgezet via het gemeen recht
dat van toepassing is op de administratieve autoriteiten,
namelijk de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdruk-
kelijke motivering van de bestuurshandelingen.
In tegenstelling tot wat bepaald is voor de verzeke-
ringen, verleent de Richtlijn aan de toezichthouder van
de lidstaat van ontvangst niet de mogelijkheid om in
spoedeisende gevallen af te wijken van de procedure
van artikel 158, leden 1 en 2.
De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat
van herkomst op de hoogte vooraleer zij de hogerge-
noemde maatregelen neemt.
Art. 582
Artikel 582 voegt een bepaling in die nieuw is ten
opzichte van de wet van 16 februari 2009 en zorgt
voor de omzetting van artikel 144, lid 2, eerste alinea
van de Richtlijn, waarin bepaald wordt dat de Bank, bij
En cas de manquement aux dispositions légales
et réglementaires applicables en Belgique dans le
domaine de compétence de la Banque, cette dernière
doit, tout d’abord, mettre l’entreprise de réassurance,
auteur du manquement, en demeure de remédier à la
situation constatée dans un délai qu’elle fixe.
Si, en dépit des mesures prises par l’État membre
d’origine, ou parce que ces mesures apparaissent
inadéquates ou qu’elles font défaut dans cet État, la
situation de manquement persiste, la Banque peut,
après en avoir informé les autorités de contrôle de l’État
membre d’origine, prendre les mesures appropriées
pour prévenir ou réprimer de nouvelles irrégularités.
Ces mesures incluent, pour autant que cela s’avère
proportionné, la possibilité pour la Banque d’interdire
à l’entreprise de continuer à conclure de nouveaux
contrats de réassurance en Belgique.
En outre, si la Banque considère que les mesures
prises par les autorités de contrôle de l’État membre
d’origine concerné sont inadéquates, la Directive (article
158, paragraphe 2, al. 3) organise la possibilité de saisir
l’EIOPA selon la procédure de règlement des différends
organisée par l’article 19 du Règlement n° 1094/2010.
C’est ce que prévoit l’article 579, § 1er, alinéa 3 en projet.
Dès lors que l’article 158, paragraphe 3 de la
Directive, qui prévoit une obligation de motivation,
concerne les mesures prises en vertu de l’article 158,
paragraphes 1 et 2, on indique ici, pour autant que de
besoin, que cette obligation se trouve transposée par le
droit commun applicable aux autorités administratives,
à savoir, la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation
formelle des actes administratifs.
Contrairement à ce qui est prévu en matière d’as-
surance, la Directive ne permet pas à l’autorité de
contrôle de l’État membre d’accueil de déroger, en
cas d’urgence, à la procédure prévue à l’article 158,
paragraphes 1 et 2.
La Banque informe les autorités de contrôle de
l’État membre d’origine avant de prendre les mesures
ci-dessus.
Art. 582
L’article 582 introduit une nouvelle disposition par rap-
port à la loi du 16 février 2009 et assure la transposition
de l’article 144, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive qui
prévoit qu’en cas de retrait de l’agrément de l’entreprise de
307
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
intrekking van de vergunning van een herverzekerings-
onderneming door de toezichthouders van de lidstaat
van herkomst, op verzoek van deze autoriteit passende
maatregelen kan nemen om te beletten dat de betrokken
herverzekeringsonderneming in België nieuwe over-
eenkomsten sluit of nieuwe werkzaamheden aanvangt.
Artikel 582, tweede lid, bepaalt dat deze maatregelen
met name kunnen bestaan in de sluiting van het bijkan-
toor dat de betrokken herverzekeringsonderneming in
België heeft gevestigd en in de aanstelling van een
voorlopige zaakvoerder die toeziet op de vrijwaring van
de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een
uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd
is in het belang van de herverzekeringsbegunstigden in
België alle bewarende maatregelen te treffen.
Art. 583
Artikel 583 is overgenomen uit artikel 56, paragraaf
2 van de wet van 16 februari 2009 en zorgt voor de ge-
deeltelijke omzetting van de artikelen 137 tot 140 en 144,
lid 2, tweede alinea van de Richtlijn, voor wat betreft de
bepaling dat de toezichthouders van de lidstaat van ont-
vangst de bevoegdheid moeten hebben om op verzoek
van de toezichthouders van de lidstaat van herkomst,
de beschikking over op het Belgische grondgebied ge-
lokaliseerde activa te beperken of te verbieden.
TITEL II
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
onder een derde land ressorteren
HOOFDSTUK I
Bijkantoren in België van
verzekeringsondernemingen die onder een derde
land ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf in België
Art. 584
In de wet van 9 juli 1975 worden verzekeringsonder-
nemingen naar Belgisch recht en verzekeringsonderne-
mingen die onder een derde land ressorteren en die via
een bijkantoor een verzekeringsactiviteit in België willen
uitoefenen, samen behandeld. Teneinde de regeling
voor verzekeringsondernemingen die ressorteren onder
een derde land te verduidelijken en te verfijnen, wordt
in het voorliggende ontwerp aan deze ondernemingen
een afzonderlijke Titel gewijd, die de artikelen 162 en
volgende van de Richtlijn omzet.
réassurance par l’autorité de contrôle de l’État d’origine,
la Banque peut être appelée à prendre, à la demande
de l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine, les
mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise
de réassurance concernée de conclure de nouveaux
contrats ou de nouvelles opérations en Belgique.
L’article 582, alinéa 2 précise que ces mesures
incluent, notamment, la fermeture de la succursale
que l’entreprise de réassurance concernée a établie
en Belgique et la désignation d’un gérant provisoire qui
s’assure de la préservation des avoirs de la succursale
en attendant qu’il soit statué sur leur destination, ce
gérant étant habilité à prendre toutes mesures conser-
vatoires dans l’intérêt des bénéficiaires de réassurance
en Belgique.
Art. 583
L’article 583 constitue la reprise de l’article 56, para-
graphe 2 de la loi du 16 février 2009 et assure la transpo-
sition partielle des articles 137 à 140 et 144, paragraphe
2, alinéa 2 de la Directive en ce qu’ils requièrent que les
autorités de contrôle de l’État membre d’accueil soient
habilitées à restreindre ou interdire, à la demande des
autorités de contrôle de l’État membre d’origine, la dis-
position d’actifs localisés sur le territoire belge.
TITRE II
Des entreprises d’assurance ou de réassurance
relevant du droit de pays tiers
CHAPITRE IER
Succursales en Belgique d’entreprises
d’assurance relevant du droit de pays tiers
Section Ire
Accès à l’activité en Belgique
Art. 584
La loi du 9 juillet 1975 traite conjointement des entre-
prises d’assurance de droit belge et des entreprises
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui, par la
voie d’une succursale, souhaitent exercer une activité
d’assurance en Belgique. Afin de clarifier et d’affiner le
régime applicable aux entreprises d’assurance relevant
du droit d’un pays tiers, le présent projet leur consacre
désormais un Titre distinct qui transpose ce faisant les
articles 162 et suivant de la Directive.
308
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 584, eerste lid, herinnert aan het eerder in
artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 vermelde principe,
dat stelt dat verzekeringsondernemingen die onder een
derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid
een vergunning werd verleend in dit derde land, een
vergunning moeten verkrijgen van de Bank alvorens een
bijkantoor te openen om hun activiteiten in België uit te
oefenen. Daartoe moeten ze voldoen aan een aantal
algemene en specifieke vergunningsvoorwaarden, die
opgesomd worden in artikel 585, §§ 1 tot 3.
In overeenstemming met artikel 162, lid 2, onder b)
van de Richtlijn mogen verzekeringsondernemingen die
ressorteren onder een derde land, hun verzekeringsac-
tiviteit in België niet uitoefenen zonder er een vestiging
te hebben. Voorts beschikken de verzekeringsonderne-
mingen die ressorteren onder een derde land en die de
in artikel 584 bedoelde vergunning hebben verkregen,
niet over een Europees paspoort waarmee ze hun
activiteiten in een andere lidstaat kunnen uitoefenen.
Artikel 584 is van toepassing onverminderd de bepa-
lingen van de internationale verdragen waarbij België
partij is. Verzekeringsondernemingen die ressorteren
onder een derde land waarmee België een verdrag
gesloten heeft over de grensoverschrijdende uitoefe-
ning van het verzekeringsbedrijf, zijn dus onderworpen
aan de in dat verdrag opgenomen voorwaarden inzake
vergunning en/of bedrijfsuitoefening. Dat geldt onder
meer voor de verzekeringsondernemingen naar Zwitsers
recht die actief zijn in het directe verzekeringsbedrijf,
met uitzondering van de levensverzekeringsbranche,
gelet op het op 10 oktober 1989 tussen de Zwitserse
Bondsstaat en de Europese Unie (toen de Europese
Economische Gemeenschap) gesloten verdrag betref-
fende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering
van de levensverzekeringsbranche, dat België bindt.
Ook dient rekening te worden gehouden met de
gevolgen van de Algemene overeenkomst inzake de
handel in diensten (General Agreement on Trade in
Services — GATS), in het bijzonder de bepalingen van
de Bijlage ervan over de financiële dienstverlening en
het Memorandum van overeenstemming inzake verbin-
tenissen betreffende financiële diensten.
Artikel 584, tweede lid bepaalt dat de Koning, voor
de uitvoering van de internationale verdragen waarbij
België partij is, de voorwaarden en modaliteiten kan
bepalen waaronder de verzekeringsondernemingen
waarop deze verdragen van toepassing zijn, recht van
vestiging kunnen genieten voor de uitoefening van hun
activiteiten in België.
L’article 584, alinéa 1er rappelle le principe —
précédemment énoncé à l’article 2bis de la loi du
9 juillet 1975 — selon lequel les entreprises d’assu-
rance relevant du droit d’un pays tiers qui sont dûment
agréées en cette qualité dans ce pays doivent se faire
agréer par la Banque avant d’ouvrir une succursale en
vue d’exercer leurs activités en Belgique. À cette fin, un
certain nombre de conditions d’agrément générales et
spécifiques doivent être satisfaites. Elles sont énumé-
rées à l’article 585, §§ 1er à 3.
Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un
pays tiers ne sont pas autorisées à exercer leur activité
d’assurance en Belgique sans y avoir un établissement
et ce, conformément à l’article 162, paragraphe 2, b) de
la Directive. Par ailleurs, les entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers qui bénéficient de
l’agrément visé à l’article 584 ne bénéficient pas d’un
passeport européen leur permettant d’exercer leurs
activités dans un autre État membre.
L’article 584 s’applique sans préjudice des disposi-
tions des Traités internationaux auxquels la Belgique
est partie. Ainsi, les entreprises d’assurance relevant
du droit d’un pays tiers qui a conclu avec la Belgique un
Traité touchant à l’exercice transfrontalier de l’activité
d’assurance, bénéficient des conditions d’agrément
et/ou d’exercice prévues par ce Traité. C’est le cas
notamment des entreprises d’assurance relevant du
droit suisse qui pratiquent l’assurance directe autre que
l’assurance vie, dès lors qu’un Traité liant la Belgique
a été conclu le 10 octobre 1989 entre la Confédération
suisse et l’Union européenne (alors Communauté éco-
nomique européenne) concernant l’assurance directe
autre que l’assurance sur la vie.
On sera également attentif aux conséquences décou-
lant de l’Accord général sur le commerce des services
(General Agreement on Trade in Services — GATS), en
particulier ses dispositions contenues dans l’Annexe sur
les services financiers et le Memorandum d’accord sur
les engagements relatifs aux services financiers.
L’article 584, alinéa 2 précise que le Roi peut,
pour l’exécution de Traités internationaux auxquels la
Belgique est partie, préciser les conditions et les moda-
lités selon lesquelles les entreprises d’assurance visées
par ces Traités bénéficient d’un droit d’établissement en
vue de l’exercice de leurs activités en Belgique.
309
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 585
Artikel 585, §§ 1 tot 3 somt de verschillende (alge-
mene en specifieke) voorwaarden op waaraan verzeke-
ringsondernemingen die ressorteren onder een derde
land moeten voldoen om een vergunning te krijgen in
België. In paragrafen 4 en 5 worden de gevallen be-
schreven waarin België kan weigeren een vergunning
te verlenen aan het bijkantoor.
In artikel 585, §§ 1 en 2 worden de specifieke voor-
waarden omschreven waaraan het Belgisch bijkantoor
van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder
een derde land moet voldoen om een vergunning te
krijgen in België. Paragraaf 1 heeft betrekking op de
vergunningsvoorwaarden die van toepassing zijn op
de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
en die via verwijzing gelden voor de bijkantoren van
verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een
derde land. Er wordt verwezen naar de toelichting bij
deze bepalingen. Het volgende kan evenwel worden
opgemerkt:
Artikel 585, § 1, eerste lid, 1°, b) — dat artikel 5,
tweede lid, 4° van de wet van 9 juli 1975 overneemt —
bepaalt dat de verzekeringsonderneming in haar land
van herkomst de toestemming dient te hebben verkre-
gen om de verschillende activiteiten uit te oefenen die in
haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen.
Behalve het feit dat de onderneming in het derde land
van herkomst de hoedanigheid van “verzekeringson-
derneming” moet hebben, dient de uitoefening van de
verscheidene activiteiten die opgenomen zijn in het
programma van werkzaamheden van het bijkantoor
dus eveneens te zijn toegelaten in het derde land van
herkomst. Deze vereiste moet eveneens worden gelezen
in combinatie met paragraaf 5, tweede lid, 1°, waaruit
blijkt dat de betrokken activiteit bovendien effectief moet
worden uitgeoefend.
Artikel 585, § 1, eerste lid, 3° — dat betrekking heeft
op de eigenvermogensvereisten — dient samen te
worden gelezen met het tweede lid van dezelfde pa-
ragraaf, dat met name de artikelen 166, lid 3, eerste
alinea en 162, lid 2, onder e) van de Richtlijn omzet. Uit
de samenlezing van deze bepalingen blijkt dat de verze-
keringsonderneming, wat het minimumkapitaalvereiste
betreft, moet aantonen:
a) dat zij in staat is om voldoende in aanmerking
komend kernvermogen aan te houden om doorlopend
het in artikel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te
dekken.
b) dat het bijkantoor over het nodige in aanmerking
komende eigen vermogen beschikt om de helft van de
Art. 585
L’article 585, §§ 1er à 3 énonce les différentes condi-
tions (générales et spécifiques) auxquelles les entre-
prises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers
doivent satisfaire afin d’être agréées en Belgique. Les
paragraphes 4 et 5 spécifient les situations dans les-
quelles la Banque peut refuser d’agréer la succursale.
L’article 585, §§ 1er et 2 vise les conditions spécifiques
devant être satisfaites par la succursale belge d’une
entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers
afin d’être agréée en Belgique. Le paragraphe 1er vise les
conditions d’agrément qui sont applicables aux entre-
prises d’assurance de droit belge et qui s’appliquent,
par renvoi, aux succursales d’entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers. Il est renvoyé aux
commentaires de ces dispositions. On relève toutefois
les éléments suivants:
L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 1°, b) — qui consti-
tue la reprise de l’article 5, alinéa 2, 4° de la loi du
9 juillet 1975 — précise que l’entreprise d’assurance
doit être autorisée dans son pays d’origine à exercer
les différentes activités contenues dans son programme
d’activités. Outre la qualité d’ “entreprise d’assurance”
dans le pays tiers d’origine, l’exercice des diverses
activités contenues dans le programme d’activités de
la succursale doit donc également être autorisé dans
le pays tiers d’origine. Cette exigence doit également
être lue en combinaison avec le paragraphe 5, alinéa 2,
1° dont il ressort que l’activité concernée doit, en outre,
faire l’objet d’un exercice effectif.
L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 3° — qui vise les exi-
gences de fonds propres — est à lire conjointement avec
l’alinéa 2 du même paragraphe qui assure notamment la
transposition des articles 166, paragraphe 3, alinéa 1er
et 162, paragraphe 2, e) de la Directive. Il résulte de
cette lecture conjointe que l’entreprise d’assurance doit,
concernant le minimum de capital requis, démontrer:
a) qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres
de base éligibles nécessaires pour couvrir en perma-
nence le minimum de capital requis prévu à l’article 189;
b) que la succursale fait l’objet d’une dotation en
fonds propres éligibles nécessaires pour atteindre la
310
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste
als vastgelegd in ontwerpartikel 189, § 1, 4° te bereiken;
c) dat zij in België over activa beschikt voor het in
punt b) hierboven bedoelde bedrag;
d) dat zij de helft van de in b) bedoelde activa bij
een financiële intermediair heeft gedeponeerd, om ze
onbeschikbaar te maken. In dat verband kan worden
opgemerkt dat de Bank, bij reglement vastgesteld
met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, de voorwaarden en modaliteiten be-
paalt waaraan deze onbeschikbaarheid moet voldoen.
Met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste
moet de verzekeringsonderneming aantonen dat zij in
staat is om voldoende in aanmerking komend eigen
vermogen aan te houden om doorlopend het solvabili-
teitskapitaalvereiste te dekken, overeenkomstig artikel
151 van het wetsontwerp.
Artikel 585, § 1, eerste lid, 4° verklaart de artike-
len 39 tot 43 van het wetsontwerp toepasselijk op de
Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen
die ressorteren onder een derde land. Wat betreft artikel
42 wordt benadrukt dat uitdrukkelijk wordt verwezen
naar de basisbepaling die de organisatieverplichtingen
vaststelt en niet naar het geheel van de daaropvolgende
bepalingen die er de draagwijdte van bepalen voor wat
betreft de oprichting van comités en de invoering van
controlefuncties. Voor deze aspecten rusten deze orga-
nisatieverplichtingen in principe op het bijkantoor, onder
voorbehoud, uiteraard, van het evenredigheidsbeginsel
vermeld in artikel 42, § 2. De specifieke kenmerken van
het bijzondere geval zullen dus bepalen in welke mate
de vereisten bedoeld in artikel 42 zullen moeten worden
nageleefd.
Artikel 585, § 1, eerste lid, 5° bepaalt dat verzeke-
ringsondernemingen die ressorteren onder een derde
land zich moeten aansluiten bij een regeling voor de
bescherming van levensverzekeringen overeenkom-
stig artikel 62, indien ze niet kunnen aantonen dat de
verbintenissen van hun Belgisch bijkantoor minstens in
dezelfde mate gedekt zijn door een regeling ter bescher-
ming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering in
hun land van herkomst als door de regelingen in België,
voor wat de types van gedekte overeenkomsten en het
vastgestelde beschermingsniveau betreft.
Bij de specifieke voorwaarden wordt in artikel 585 § 2,
2° eveneens gesteld dat de verzekeringsonderneming
die ressorteert onder een derde land moet voldoen aan
alle prudentiële vereisten die op haar van toepassing
zijn in haar land van herkomst, hetgeen moet worden
bevestigd door de toezichthouder die belast is met het
moitié du seuil absolu du minimum de capital requis
prévu à l’article 189, § 1er, 4° du projet;
c) qu’elle dispose en Belgique d’actifs pour le montant
visé au point b) ci-dessus;
d) qu’elle a déposé la moitié des actifs visés au b)
ci-dessus auprès d’un intermédiaire financier, de telle
manière à les rendre indisponibles. On relève à cet
égard que la Banque détermine, par voie de règlement
pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du
22 février 1998, les conditions et modalités auxquelles
doit répondre cette indisponibilité.
Concernant le capital de solvabilité requis, l’entre-
prise d’assurance doit démontrer qu’elle est en mesure
de détenir les fonds propres éligibles nécessaires pour
détenir en permanence le capital de solvabilité requis,
conformément à l’article 151 du projet de loi.
L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 4° rend les articles 39 à
43 du projet de loi applicable aux succursales belges
d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers. Concernant l’article 42, on souligne que le renvoi
est effectué, de manière expresse, à la disposition de
base fixant les contraintes organisationnelles et non à
l’ensemble des dispositions subséquentes qui en pré-
cisent la portée, en matière d’instauration de comités
et de fonctions de contrôle. Sur ces aspects, le respect
de ces contraintes organisationnelles est, en principe,
requis dans le chef de la succursale, sous réserve,
bien évidemment, du principe de proportionnalité repris
sous l’article 42, § 2. Ce sont donc les spécificités du
cas d’espèce qui conduiront à déterminer dans quelle
mesure les exigences visées à l’article 42 devront être
respectées.
L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 5° prévoit que les entre-
prises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers
doivent adhérer à un système de protection des assu-
rances sur la vie conformément à l’article 62 si elles ne
peuvent établir que les engagements de leur succursale
belge sont couverts par un système de protection des
créanciers d’assurance au sein de leur pays d’origine
dans une mesure au moins équivalente à celle résultant
des systèmes mis en place en Belgique, quant aux types
de contrats couverts et au niveau de protection prévu.
Parmi les conditions spécifiques, on relève égale-
ment, à l’article 585, § 2, 2° la nécessité pour l’entre-
prise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers de
satisfaire à l’ensemble des exigences prudentielles qui
lui sont applicables dans son pays d’origine, ce qui doit
être confirmé par l’autorité en charge du contrôle de
311
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toezicht op de betrokken verzekeringsonderneming.
Deze bevestiging door de toezichthouder van het derde
land strookt met de ontwerpaanbevelingen van de
EIOPA in verband met het toezicht op de bijkantoren
van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder
derde landen.
Artikel 585, § 3 onderwerpt de uitreiking van een
vergunning aan een bijkantoor van een verzekerings-
onderneming die ressorteert onder een derde land aan
de naleving van twee algemene voorwaarden, die een
aanvulling vormen op de specifieke voorwaarden. Deze
algemene voorwaarden zijn gericht op de bescherming
van de schuldeisers uit hoofde van verzekering van het
Belgische bijkantoor. Voortaan dienen ook de hierna-
volgende voorwaarden te worden vervuld vooraleer de
Bank een vergunning kan verlenen aan een bijkantoor
van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder
een derde land:
1° de verzekeringsonderneming moet in haar land
van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen
worden dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht
dat bij Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaat-
regelen wordt geregeld. Met het oog op een passende
bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzeke-
ring van het bijkantoor, is het meer bepaald noodzakelijk
dat de solvabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op
de verzekeringsonderneming die ressorteert onder een
derde land op zijn minst gelijkwaardig zijn aan die van
de Richtlijn (zie het standpunt van de EIOPA in de Final
report on public consultation No. 14/048 on Guidelines
on the supervision of branches of third-country insurance
undertakings — Guideline 23 ). De beoordeling van het
systeem van prudentieel toezicht in het land van herkomst
is van essentieel belang om te garanderen dat de verze-
keringsonderneming onderworpen is aan een passend
niveau van toezicht voor al haar activiteiten, met inbegrip
van de activiteiten die ontwikkeld worden in haar bijkan-
toren of dochterondernemingen. De Bank baseert haar
oordeel op de beschikbare informatie die zij verkregen
heeft via contacten met de autoriteiten van een derde
land van de betrokken ondernemingen, of via analyses
die reeds uitgevoerd zijn door de Europese Commissie
of door andere Europese of internationale instellingen.
2° de Bank dient met de autoriteit die belast is met het
toezicht op de verzekeringsondernemingen van het derde
land van herkomst een samenwerkingsovereenkomst te
hebben ondertekend voor de uitwisseling van informatie
om een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen op de
activiteiten van het Belgische bijkantoor. De uitwisseling
van informatie die volgt uit de samenwerkingsovereen-
komst dient noodzakelijkerwijs effectief te zijn opdat
de Bank een dergelijk toezicht zou kunnen uitoefenen.
Naargelang van de kenmerken van het bijkantoor, in het
l’entreprise d’assurance concernée. Cette confirmation
à obtenir de l’autorité de contrôle du pays tiers est en
ligne avec le projet de recommandations de l’EIOPA
concernant la supervision des succursales d’entreprises
d’assurance relevant de pays tiers.
L’article 585, § 3 soumet l’octroi de l’agrément à
une succursale d’une entreprise d’assurance relevant
du droit d’un pays tiers au respect de deux conditions
générales, qui viennent compléter les conditions spé-
cifiques. Ces conditions générales visent à protéger
les créanciers d’assurance de la succursale belge.
Désormais, les conditions suivantes devront également
être satisfaites pour que la Banque puisse octroyer un
agrément à une succursale d’une entreprise d’assu-
rance relevant du droit d’un pays tiers:
1° l’entreprise d’assurance doit être soumise dans
son pays d’origine à un contrôle prudentiel de nature
équivalente à celui organisé par la Directive 2009/138/
CE et ses mesures d’exécution. En particulier, afin
d’assurer une protection adéquate des créanciers
d’assurance de la succursale, il est nécessaire que
les exigences de solvabilité applicables à l’entreprise
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers soient au
moins équivalentes à celles prévues dans la Directive
(cf la position de l’EIOPA dans le Final report on public
consultation No. 14/048 on Guidelines on the supervi-
sion of branches of third-country insurance undertakings
— Guideline 23 ). L’appréciation du système de supervi-
sion prudentielle du pays d’origine est essentielle pour
s’assurer que l’entreprise d’assurance soit soumise à
un niveau approprié de supervision couvrant l’ensemble
de ses opérations, y compris celles développées au sein
de ses succursales ou filiales. La Banque fondera son
appréciation sur base des informations disponibles, pro-
venant des contacts avec les autorités de pays tiers des
entreprises concernées, ou d’analyses déjà réalisées
par la Commission européenne ou d’autres institutions
européennes ou internationales.
2° la Banque doit avoir signé avec l’autorité en
charge du contrôle des entreprises d’assurance du
pays tiers d’origine un accord de coopération impliquant
un échange d’informations lui permettant d’exercer
un contrôle efficace des activités de la succursale
belge. L’échange d’informations résultant de l’accord
de coopération doit nécessairement être effectif pour
que la Banque puisse exercer un tel contrôle. Selon
les caractéristiques de la succursale, en particulier des
risques que ses activités génèrent pour les créanciers
312
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bijzonder de risico’s die de activiteiten van dit bijkantoor
met zich meebrengen voor de schuldeisers in België, met
name voor de verzekeringnemers, de verzekerden en de
verzekeringsbegunstigden die een overeenkomst hebben
gesloten met het bijkantoor, is de Bank gemachtigd om
af te wijken van deze voorwaarde indien zij van oordeel
is dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst niet
in verhouding staat tot de bijdrage die deze zou leveren
in het kader van het toezicht op het bijkantoor.
Artikel 585, §§ 4 en 5 heeft betrekking op de andere
gevallen waarin de Bank een vergunning kan weigeren
aan een bijkantoor van een verzekeringsonderneming
die ressorteert onder een derde land. Paragraaf 5 bevat
daarenboven, bij wijze van voorbeeld en niet-limitatief,
een lijst met criteria die de Bank bij haar analyse in
aanmerking kan nemen. Het criterium van de werkelijke
uitoefening, dat vaak gebruikt wordt door buitenlandse
toezichthouders, heeft tot doel te garanderen dat de ac-
tiviteiten van het bijkantoor behoorlijk geïntegreerd zijn
in de onderneming (moederonderneming) of de groep
waartoe de verzekeringsonderneming behoort en dat de
risico’s die aan deze activiteiten zijn verbonden, bijge-
volg op passende wijze worden opgevolgd en beheerst.
Het in de inleiding van paragraaf 4 gemaakte voor-
behoud inzake de internationale overeenkomsten die
België binden, heeft hoofdzakelijk betrekking op de
Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten
(ook bekend als “de GATS”), die wederkerigheidsclau-
sules verbiedt.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 586
Naar het voorbeeld van ontwerpartikel 63 voor de
verzekeringsondernemingen naar Belgisch , stipuleert
artikel 586 dat de Belgische bijkantoren van verzeke-
ringsondernemingen die ressorteren onder een derde
land blijvend moeten voldoen aan de door of krachtens
artikel 584 vastgelegde voorwaarden.
Art. 587
Artikel 587 heeft betrekking op de bedrijfsuitoefe-
ningsvoorwaarden die van toepassing zijn op de verze-
keringsondernemingen naar Belgisch recht en die via
verwijzing gelden voor de bijkantoren van verzekerings-
ondernemingen die ressorteren onder een derde land.
Er zij verwezen naar de commentaar bij de artikelen in
verband met deze voorwaarden.
en Belgique, spécialement les preneurs, les assurés et
les bénéficiaires d’assurance ayant contracté avec la
succursale, la Banque est habilitée à déroger à cette
condition si elle considère que la conclusion d’un tel
accord présente un caractère disproportionné au regard
de l’apport qu’il constituerait dans le cadre du contrôle
exercé sur la succursale.
L’article 585, §§ 4 et 5 visent les cas additionnels dans
lesquels la Banque peut refuser d’octroyer un agrément
à une succursale d’entreprise d’assurance relevant du
droit d’un pays tiers. Le paragraphe 5 fournit en outre,
de manière exemplative et non limitative, une liste de
critères pouvant être pris en considération par la Banque
lors de son analyse. Le critère de l’exercice effectif, usité
par des autorités de contrôle étrangères, a pour objet
de s’assurer que l’activité de la succursale soit dûment
intégrée au sein de l’entreprise (maison mère) ou du
groupe auquel appartient l’entreprise d’assurance et
que les risques propres à cette activité soient dès lors
adéquatement encadrés.
La réserve indiquée, à titre liminaire, au paragraphe
4 concernant les Accords internationaux liant la
Belgique, vise essentiellement l’Accord Général sur le
Commerce des Services (communément dénommé “le
GATS”) qui prohibe les clauses de réciprocité.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 586
À l’instar de l’article 63 en projet pour les entreprises
d’assurance de droit belge, l’article 586 précise que
les succursales belges des entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers doivent en permanence
satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu de
l’article 584.
Art. 587
L’article 587 vise les conditions d’exercice appli-
cables aux entreprises d’assurance de droit belge qui
s’appliquent, par renvoi, aux succursales d’entreprises
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. Il est
renvoyé aux commentaires des articles relatifs à ces
conditions.
313
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Punt 5° bevat echter een aantal specifieke bepalin-
gen — die artikel 164 van de Richtlijn omzetten — in
verband met de portefeuilleoverdrachten:
Wanneer een Belgisch bijkantoor van een verze-
keringsonderneming die ressorteert onder een derde
land een deel of het geheel van deze activiteiten, met
inbegrip van een deel of het geheel van haar portefeuille,
wil aan een op het grondgebied van een andere lidstaat
gevestigd bijkantoor van een andere verzekeringsonder-
neming die ressorteert onder een derde land, verleent
de Bank haar toestemming voor een portefeuilleover-
dracht enkel indien:
— de toezichthouders van de betrokken lidstaat heb-
ben ingestemd met de overdracht, en
— deze toezichthouders verklaren dat de betrokken
overnemende onderneming, na de voorgenomen over-
dracht, over voldoende in aanmerking komend eigen
vermogen beschikt om het solvabiliteitskapitaalvereiste
dat met toepassing van de wetgeving van die lidstaat is
opgelegd, te dekken;
— in alle gevallen waarin de overdragende onder-
neming een bijkantoor is dat de in artikel 584 bedoelde
vergunning heeft verkregen, kan de Bank de overdracht
alleen goedkeuren indien ze de instemming heeft ver-
kregen van de toezichthouders van de andere lidstaten
waar de risico’s zijn gelegen of, naargelang van het
geval, van de toezichthouders van de lidstaten van de
verbintenis. Indien de geraadpleegde buitenlandse toe-
zichthouders niet hebben gereageerd binnen een termijn
van drie maanden, worden zij geacht hun instemming
te hebben gegeven.
Art. 588
Een aantal bepalingen die van toepassing zijn op
ondernemingen naar Belgisch recht en die betrekking
hebben op de technische voorzieningen, de voorschrif-
ten voor de waardering van activa en passiva en de
periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels,
worden in artikel 588 via verwijzing toepasselijk ver-
klaard op bijkantoren van verzekeringsondernemingen
die ressorteren onder een derde land. Er zij verwezen
naar de commentaar bij deze bepalingen.
Art. 589
Artikel 589, § 1 bevat de regels inzake eigen vermo-
gen waaraan de Belgische bijkantoren van verzeke-
ringsondernemingen die ressorteren onder een derde
land onderworpen zijn, onder meer met betrekking tot
de samenstelling, de berekening en het bedrag ervan:
On relève toutefois au point 5° les spécificités sui-
vantes — qui assurent la transposition de l’article 164 de
la Directive — concernant les transferts de portefeuilles.
Ainsi, lorsqu’une succursale belge d’une entreprise
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers souhaite
céder tout ou partie de ces activités, en ce compris
tout ou partie de son portefeuille, à une succursale,
située sur le territoire d’un autre État membre, d’une
autre entreprise d’assurance relevant du droit d’un
pays tiers, la Banque ne donne son autorisation à un
transfert que si:
— les autorités de contrôle de l’État membre concer-
né ont donné leur accord à un tel transfert, et
— ces autorités attestent que l’entreprise cession-
naire concernée dispose, compte tenu du transfert envi-
sagé, de fonds propres éligibles suffisants pour couvrir
le capital de solvabilité requis exigé en application de
la législation de cet État.
— dans tous les cas où l’entreprise cédante est une
succursale bénéficiant de l’agrément visé à l’article
584, la Banque ne peut autoriser le transfert que si elle
a reçu l’accord des autorités de contrôle des autres
États membres où les risques sont situés ou, selon
le cas, des autorités de contrôle des États membres
de l’engagement. À défaut de réponse des autorités
étrangères consultées dans un délai de trois mois, leur
accord est présumé.
Art. 588
L’article 588 applique, par renvoi, aux succursales
d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers certaines dispositions, applicables aux entreprises
de droit belge, relatives aux provisions techniques, aux
règles de valorisation des actifs et passifs et aux infor-
mations périodiques et règles comptables. Il est renvoyé
aux commentaires de ces dispositions.
Art. 589
L’article 589, § 1er énonce les règles applicables à la
dotation en fonds propres dont doivent faire l’objet les
succursales belges d’entreprises d’assurance relevant
du droit d’un pays tiers, notamment en termes de com-
position, de calcul et de montant:
314
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° zo moet het eigen vermogen voldoen aan de
artikelen 140 tot 150, onder meer in verband met de
samenstelling van het eigen vermogen; er zij verwezen
naar de commentaar bij deze artikelen.
2° het eigen vermogen moet voldoen aan het solvabi-
liteitskapitaalvereiste (berekend overeenkomstig de ar-
tikelen 151 tot 188) en aan het minimumkapitaalvereiste
(berekend overeenkomstig artikel 189). Er zij verduide-
lijkt dat voor de toepassing van die vereisten, zowel voor
levensverzekeringen als voor niet-levensverzekeringen
alleen de verrichtingen in aanmerking worden genomen
die door het betrokken bijkantoor worden uitgevoerd. Er
zij gewezen op het verschil met de in artikel 585, § 1,
eerste lid, 3° bedoelde vergunningsvoorwaarde. Tijdens
de vergunningsfase volstaat het immers dat de verzeke-
ringsonderneming aantoont dat ze over het vereiste in
aanmerking komende eigen vermogen kan beschikken
voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste en
het minimumkapitaalvereiste. In de volgende fase, die
van de bedrijfsuitoefening, dient de naleving van deze
voorwaarde concreet te zijn ingevuld via een eigen
vermogen dat beantwoordt aan de hierboven vermelde
criteria.
3° de absolute ondergrens van het minimumkapitaal-
vereiste die van toepassing is op het eigen vermogen
stemt overeen met de helft van het in artikel 189, § 1,
4° bedoelde bedrag. Daarmee wordt bevestigd dat
de reeds in artikel 585, § 1, tweede lid, a) als vergun-
ningsvoorwaarde opgenomen regel van toepassing blijft
tijdens de fase van de bedrijfsuitoefening.
Artikel 589, § 2 verklaart artikel 323 met betrekking
tot de kapitaalopslagfactoren toepasselijk, met dien
verstande dat de opslagfactor een aanvullend vereiste
is met betrekking tot het eigenvermogensvereiste dat
met toepassing van dit artikel wordt opgelegd. De
toepassing van dit artikel op de Belgische bijkantoren
van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder
een derde land strookt met de ontwerpaanbevelingen
van de EIOPA die zijn opgenomen in de Final report
on public consultation No. 14/048 on Guidelines on
the supervision of branches of third-country insurance
undertakings. Hetzelfde geldt voor de toepassing van
artikel 91 — waarnaar artikel 589, § 3 verwijst — in
verband met de beoordeling van het eigen risico en de
solvabiliteit (own risk and solvency assessment).
1° la dotation en fonds propres doit ainsi respecter les
articles 140 à 150 relatifs notamment à la composition
des fonds propres; il est renvoyé aux commentaires de
ces articles.
2° la dotation en fonds propres doit respecter les
exigences de capital de solvabilité requis (calculé
conformément aux articles 151 à 188) et d’un minimum
de capital requis (calculé conformément à l’article 189).
Il est précisé qu’aux fins de ces exigences, seules sont
prises en considération, tant pour l’assurance-vie que
pour l’assurance non-vie, les opérations réalisées par
la succursale concernée. On relève la différence avec
la condition d’agrément visée à l’article 585, § 1er, ali-
néa 1er, 3°. Lors de la phase d’agrément, il est en effet
suffisant pour l’entreprise d’assurance de démontrer
qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres
éligibles nécessaires à la détention du capital de sol-
vabilité requis et du minimum de capital requis. Lors
de la phase ultérieure, celle de l’exercice de l’activité,
cette possibilité doit s’être matérialisée au travers d’une
dotation en fonds propre qui répond aux critères men-
tionnés ci-dessus.
3° le seuil absolu du minimum de capital requis
applicable à la dotation en fonds propres correspond à
la moitié du montant visé à l’article 189, § 1er, 4°. Il s’agit
d’une confirmation de ce que la règle, déjà énoncée
comme condition d’agrément à l’article 585, § 1er, alinéa
2, a), reste d’application durant la phase d’exercice de
l’activité.
L’article 589, § 2 rend applicable l’article 323 relatif
aux exigences de capital supplémentaire, étant entendu
que l’exigence supplémentaire vise une exigence
supplémentaire relative à la dotation en fonds propres
requise en application du présent article. L’application
de cet article aux succursales belges d’entreprises
d’assurance de pays tiers est en ligne avec le projet
de recommandations de l’EIOPA tel qu’exposé dans
le Final report on public consultation No. 14/048 on
Guidelines on the supervision of branches of third-
country insurance undertakings . Il en est de même de
l’application de l’article 91 — auquel renvoie l’article
589, § 3 — relatif aux évaluations internes des risques
et de la solvabilité (own risk and solvency assessment).
315
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 590
Artikel 590 — dat zorgt voor de omzetting van arti-
kel 169, lid 1 van de Richtlijn — bevat het beginsel dat
de in artikel 584 bedoelde bijkantoren het niet-levens-
verzekeringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf niet
gelijktijdig mogen uitoefenen.
Art. 591
Artikel 591, § 1 verduidelijkt dat het in de artikelen
190 tot 193 vermelde voorzichtigheidsbeginsel even-
eens van toepassing is op de activa van de Belgische
bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressor-
teren onder een derde land. Artikel 591 is van toepassing
op alle activa van het bijkantoor.
Paragraaf 2 verklaart de artikelen 194 en 195 via
verwijzing toepasselijk op de verbintenissen die door
het bijkantoor worden aangegaan. Dit betekent dat
het bijkantoor te allen tijde activa moet aanhouden die
gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123, voor
een bedrag dat de verplichtingen van het bijkantoor
jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering dekt
zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van
een liquidatieprocedure waarbij deze verplichtingen
beëindigd zouden worden. Deze activa moeten worden
opgenomen in een speciaal register, de zogenoemde
“doorlopende inventaris”, die dient te worden bijgehou-
den op de zetel van het bijkantoor (wat kan worden
afgeleid uit de samenlezing met artikel 588, § 1, 2°).
Voor het overige zij verwezen naar de commentaar bij
de artikelen 194 en 195.
Het weze opgemerkt dat de toepassing van artikel
591, § 2 geen afbreuk doet aan artikel 585, § 1, tweede
lid. Krachtens deze laatste bepaling moet de verzeke-
ringsonderneming die ressorteert onder een derde land
enerzijds beschikken over een bedrag van ten minste
de helft van de absolute ondergrens voor het minimum-
kapitaalvereiste en anderzijds de helft van deze activa
bij een financiële intermediair deponeren om ze onbe-
schikbaar te maken. Op te merken valt dat de in artikel
592, § 1 bedoelde artikelen niet onderworpen zijn aan
een onbeschikbaarheidsverplichting.
Met betrekking tot de lokalisering van de in artikel 591,
§ 2 bedoelde activa — namelijk de activa die worden
aangehouden voor een bedrag dat te allen tijde de ver-
plichtingen van het bijkantoor jegens de schuldeisers uit
hoofde van verzekering dekt — wordt in artikel 591 een
onderscheid gemaakt naargelang van het recht van het
derde land dat de liquidatieprocedures regelt:
Art. 590
L’article 590 — qui assure la transposition de
l’article 169, paragraphe 1erde la Directive — énonce
le principe selon lequel les succursales visées à l’ar-
ticle 584 ne peuvent exercer simultanément les activités
d’assurance non-vie et d’assurance vie.
Art. 591
L’article 591, § 1er précise que le “principe de la per-
sonne prudente”, tel que prévu aux articles 190 à 193,
s’applique également aux actifs des succursales belges
d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers. L’article 591 vise tous les actifs de la succursale.
Le paragraphe 2 applique, par renvoi, les ar-
ticles 194 et 195 aux engagements contractés par la
succursale. Il en résulte que la succursale doit détenir,
à tout moment, des actifs, évalués conformément à
l’article 123, pour un montant couvrant les engagements
de la succursale à l’égard des créanciers d’assurance
tels qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procé-
dure de liquidation lors de laquelle il serait mis fin à ces
engagements. Ces actifs doivent être repris dans un
registre spécial, appelé “inventaire permanent”, qui doit
être tenu au siège de la succursale (ce qui se déduit
d’une lecture conjointe avec l’article 588, § 1er, 2°). Il est
renvoyé aux commentaires des articles 194 et 195 pour
le surplus.
Il est à noter que l’article 591, § 2 s’applique sans
préjudice de l’article 585, § 1er, alinéa 2 en vertu duquel,
notamment, l’entreprise d’assurance relevant du droit de
pays tiers doit d’une part disposer d’actifs en Belgique
pour un montant au moins égal à la moitié du seuil
absolu du minimum de capital requis et d’autre part
déposer la moitié de ces actifs auprès d’un intermédiaire
financier, de telle manière à les rendre indisponibles. On
relève que les actifs visés à l’article 592, § 1er ne sont
pas soumis à une obligation d’indisponibilité.
Concernant la localisation des actifs visés à l’ar-
ticle 591, § 2 — à savoir les actifs détenus pour un
montant couvrant à tout moment les engagements de la
succursale à l’égard des créanciers d’assurance de la
succursale —, l’article 591 opère la distinction suivante
selon le droit du pays tiers régissant les procédures de
liquidation:
316
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de in artikel 591, § 2 bedoelde activa mogen maar in
België gelokaliseerd zijn ten belope van het minimum-
kapitaalvereiste en, voor het resterende gedeelte, in
een lidstaat, wanneer de onderneming aantoont dat het
op haar toepasselijke recht van het derde land dat de
liquidatieprocedures regelt (i) de schuldeisers uit hoofde
van verzekering van wie de rechten bij het Belgische
bijkantoor werden onderschreven, gelijkwaardig be-
handelt als de schuldeisers uit hoofde van verzekering
van wie de rechten bij de verzekeringsonderneming in
het derde land zijn onderschreven (voorwaarde inzake
“gelijke behandeling van de schuldeisers”) en (ii) aan de
schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rech-
ten bij het Belgische bijkantoor werden onderschreven,
een rang toekent die een gelijkwaardige bescherming
biedt als deze waarin de artikelen 643 en 644 van deze
wet voorzien (voorwaarde inzake “gelijkwaardigheid van
rang van de schuldeisers”).
De in artikel 591, § 2 bedoelde activa moeten allemaal
in België gelokaliseerd zijn als de onderneming niet
kan aantonen dat het recht van het derde land dat de
liquidatieprocedures regelt voldoet aan de hierboven
vermelde voorwaarden inzake “gelijke behandeling” en
“gelijkwaardigheid van rang”.
Het is de bedoeling een passende bescherming te
bieden aan de schuldeisers uit hoofde van verzeke-
ring die hun overeenkomst hebben gesloten met het
Belgische bijkantoor, gelet op de in de artikelen 617 en
626 omschreven regeling. Deze artikelen bepalen dat
een (al dan niet op insolventie berustende liquidatiepro-
cedure) van een verzekeringsonderneming die onder
een derde land ressorteert, in België alleen kan worden
erkend en uitvoerbaar verklaard als de liquidatierege-
ling van het derde land niet voldoet aan de hierboven
vermelde voorwaarden inzake “gelijke behandeling” en
“gelijkwaardigheid van rang” van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering. In het geval dat de buitenlandse
liquidatieprocedure in België niet erkend en uitvoerbaar
verklaard wordt, is het essentieel dat de activa die wor-
den aangehouden voor de dekking van de verplichtingen
van het bijkantoor jegens de schuldeisers uit hoofde van
verzekering, zich in België bevinden, zodat de schuldei-
sers hun rechten kunnen uitoefenen. Dit wordt bepaald
in artikel 591, § 3. Die benadering strookt met de logica
die gevolgd wordt in de Final report on public consul-
tation No. 14/048 on Guidelines on the supervision of
branches of third-country insurance undertakings.
Art. 592
Artikel 592 verklaart een aantal specifieke bepalin-
gen inzake niet-levensverzekeringen en levensverze-
keringen die van toepassing zijn op ondernemingen
les actifs visés à l’article 591, § 2 peuvent n’être loca-
lisés en Belgique que jusqu’à concurrence du minimum
de capital requis et, pour le surplus, au sein d’un État
membre si l’entreprise démontre que le droit du pays
tiers régissant les procédures de liquidation qui lui est
applicable (i) traite de façon équivalente les créanciers
d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès
de la succursale belge et ceux dont les droits ont été
souscrits auprès de l’entreprise d’assurance dans le
pays tiers (condition d’“égalité de traitement des créan-
ciers”) et (ii) octroie aux créanciers d’assurance dont les
droits ont été souscrits auprès de la succursale belge
un rang offrant une protection similaire à celle prévue
aux articles 643 et 644 de la présente loi (condition
d’“équivalence de rang des créanciers d’assurance”).
Les actifs visés à l’article 591, § 2 doivent tous être
localisés en Belgique, si l’entreprise ne peut pas démon-
trer que le droit du pays tiers régissant les procédures
de liquidation satisfait aux conditions d’“égalité de
traitement” et d’“équivalence de rang” des créanciers
d’assurance telles qu’énoncées ci-dessus.
Il s’agit de garantir une protection adéquate aux
créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat avec
la succursale belge et ce, tenant compte du régime
prévu aux articles 617 et 626 Pour rappel, ces articles
prévoient qu’une procédure de liquidation (fondée ou
non sur l’insolvabilité) d’une entreprise d’assurance
relevant du droit de pays tiers ne peut pas être recon-
nue en Belgique et rendue exécutoire en Belgique si le
régime de liquidation du pays tiers ne répond pas aux
conditions d’“égalité de traitement” et d’“équivalence
de rang” des créanciers d’assurance telles que men-
tionnées ci-dessus. Or, dans les cas où la procédure
de liquidation étrangère n’est pas reconnue et rendue
exécutoire en Belgique, il est essentiel que les actifs
couvrant les engagements de la succursale à l’égard
des créanciers d’assurance soient situés en Belgique
afin que ces derniers puissent exercer leurs droits. C’est
ce que prévoit l’article 591, § 3. Cette approche s’avère
conforme à la logique exprimée dans le Final report
on public consultation No. 14/048 on Guidelines on
the supervision of branches of third-country insurance
undertakings.
Art. 592
L’article 592 applique, par renvoi, aux succursales
d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers certaines dispositions, applicables aux entreprises
317
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
naar Belgisch recht, via verwijzing toepasselijk op de
bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressor-
teren onder een derde land. Deze bepalingen houden
verband met het afzonderlijk beheer, de communautaire
co-assurantie en de finite herverzekering.
Art. 593
Artikel 593 neemt artikel 12, § 3 van de wet van
9 juli 1975 over en bepaalt dat de Belgische bijkantoren
van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder
een derde land een algemeen lasthebber moeten aan-
duiden. De artikelen 81, 83 en 93 zijn van overeenkom-
stige toepassing op de lasthebber. Er zij verwezen naar
de commentaar bij deze artikelen.
Art. 594
Artikel 594 neemt artikel 27, paragraaf 2 van het
Algemeen Reglement grotendeels over en voorziet
in de omzetting van artikel 167 van de Richtlijn, dat
betrekking heeft op de voordelen die onder een derde
land ressorterende verzekeringsondernemingen die in
meerdere lidstaten een vergunning hebben verkregen,
kunnen genieten.
Krachtens artikel 594 kunnen de verzekeringson-
dernemingen die onder het recht van een derde land
ressorteren en die met toepassing van dit Hoofdstuk in
België een vergunning hebben aangevraagd of verkre-
gen en in een of meer andere lidstaten een vergunning
hebben verkregen voor de vestiging van een bijkantoor,
vragen om het voordeel te genieten van de volgende
bijzondere bepalingen, die enkel gezamenlijk kunnen
worden toegekend:
1° het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend
op basis van het geheel van de activiteiten die in de lid-
staten worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden
enkel de verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde
bijkantoren in aanmerking genomen;
2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt
het depot dat met toepassing van deze bepaling is op-
gelegd, uitgevoerd in de lidstaat van de in artikel 594,
§ 2 bedoelde toezichthouder;
3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die
tegenover het minimumkapitaalvereiste staan gelokali-
seerd zijn in een van de lidstaten waar zij hun activiteit
uitoefenen.
De in paragraaf 1 van artikel 594 bedoelde aanvraag
moet voldoen aan een aantal voorwaarden die worden
de droit belge, qui sont spécifiques en matière d’assu-
rance non-vie et en matière d’assurance-vie, qui
concernent les gestions distinctes, la coassurance
communautaire ou encore la réassurance finite.
Art. 593
L’article 593 reprend l’article 12, § 3 de la loi du
9 juillet 1975 et requiert des succursales belges d’entre-
prises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers de
désigner un mandataire général. Les articles 81, 83 et
93 sont applicables au mandataire par analogie. Il est
renvoyé aux commentaires de ces articles.
Art. 594
L’article 594 reprend pour l’essentiel l’article 27, para-
graphe 2 du Règlement Général et assure la transposi-
tion de l’article 167 de la Directive qui vise les avantages
dont peuvent bénéficier les entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers qui sont agréées dans
plusieurs États membres.
En vertu de l’article 594, les entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers qui ont sollicité ou obte-
nu un agrément en Belgique en application du présent
Chapitre et dans un ou plusieurs autres États membres
pour l’établissement d’une succursale peuvent deman-
der le bénéfice des dispositions particulières suivantes,
qui ne peuvent être accordées que conjointement:
1° le capital de solvabilité requis est calculé en fonc-
tion de l’ensemble de l’activité exercée au sein des États
membres. À cette fin, seules les opérations réalisées
par l’ensemble des succursales établies au sein d’États
membres sont prises en considération pour ce calcul;
2° par dérogation à l’article 585, alinéa 2, b), le dépôt
requis en application de cette disposition est effectué
dans l’État membre de l’autorité de contrôle visée à
l’article 594, § 2;
3° par dérogation à l’article 592, les actifs repré-
sentatifs du minimum de capital requis peuvent être
localisés dans l’un des États membres où elles exercent
leur activité.
La demande visée au paragraphe 1er de l’ar-
ticle 594 est soumise à certaines formalités qui sont
318
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
beschreven in paragraaf 2. Ze moet meer bepaald wor-
den ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van
elk van de andere betrokken lidstaten. In de aanvraag
dient te worden aangegeven welke toezichthouder be-
last zal zijn met het toezicht op de solvabiliteit voor het
geheel van de activiteiten van de bijkantoren die in de
Europese Economische Ruimte zijn gevestigd.
Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzon-
dere bepalingen kan enkel worden toegekend aan de
onderneming mits de toezichthouders van alle betrokken
lidstaten hun toestemming verlenen. Deze bijzondere
bepalingen zijn overigens pas van toepassing vanaf
de datum waarop de gekozen toezichthouder aan de
andere toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstelling
aanvaardt en dat hij toezicht zal houden op de naleving
van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren die in
de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, voor
het geheel van hun activiteiten.
In overeenstemming met de ontwerpaanbevelingen
van EIOPA, stelt de Bank, wanneer zij met toepassing
van de paragrafen 2 en 3 wordt gekozen, EIOPA daar-
van in kennis.
Afdeling III
Toezicht
Art. 595
De Belgische bijkantoren van verzekeringsonder-
nemingen die ressorteren onder een derde land zijn
onderworpen aan het toezicht van de Bank. In punt 1°
en 2° van artikel 595 worden respectievelijk de eerste en
tweede alinea van artikel 168 van de Richtlijn omgezet.
De algemene bepalingen van de artikelen
303 tot 309 van het voorliggende ontwerp betreffende
de prerogatieven van de Bank inzake toezicht, worden
via verwijzing van toepassing verklaard op het toezicht
dat wordt uitgeoefend op de Belgische bijkantoren van
verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een
derde land. Naast de informatie die de verzekerings-
ondernemingen die ressorteren onder een derde land
dienen mee te delen, kan de Bank zich alle inlichtingen
doen verstrekken over de organisatie, de werking, de
positie en de verrichtingen van de betrokken bijkantoren.
Ze kan eveneens ter plaatse inspecties verrichten en
ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk
gegeven in bezit van de onderneming.
Krachtens artikel 595, 3° zijn de in de artikelen 510 en
511 bedoelde regels in verband met het herstelplan
en het plan inzake financiering op korte termijn via
verwijzing van toepassing op de Belgische bijkantoren
précisées au paragraphe 2. Elle doit, en particulier,
être déposée auprès de la Banque et des autorités de
contrôle de chacun des autres États membres concer-
nés et spécifier l’autorité de contrôle qui sera chargée
de vérifier la solvabilité des succursales établies au sein
de l’Espace économique européen pour l’ensemble de
leurs opérations.
Le bénéfice des dispositions particulières prévues
au paragraphe 1er ne peut être octroyé à l’entreprise
qu’avec l’accord des autorités de contrôle de tous les
États membres concernés. Par ailleurs, ces dispositions
particulières ne sont applicables qu’à la date à laquelle
l’autorité de contrôle choisie confirme aux autres autori-
tés de contrôle qu’elle accepte sa désignation et qu’elle
vérifiera les exigences de solvabilité des succursales
établies au sein de l’Espace économique européen pour
l’ensemble de leurs opérations
++Conformément au projet de recommandations de
l’EIOPA en la matière, lorsqu’elle est choisie en appli-
cation des paragraphes 2 et 3, la Banque en informe
l’EIOPA.
Section III
Contrôle
Art. 595
Les succursales belges d’entreprises d’assurance
relevant du droit de pays tiers sont soumises au contrôle
exercé par la Banque. Les points 1° et 2° de l’article
595 assurent respectivement la transposition de l’article
168, alinéas 1er et 2 de la Directive.
Les dispositions générales relatives aux préroga-
tives de contrôle de la Banque, visées aux articles
303 à 309 du présent projet, sont applicables, par
renvoi, au contrôle exercé à l’égard des succursales
belges d’entreprises d’assurance relevant du droit de
pays tiers. Ainsi, outre les informations que les entre-
prises d’assurance relevant du droit de pays tiers sont
tenus par ailleurs de communiquer, la Banque peut
se faire communiquer toutes informations relatives à
l’organisation, au fonctionnement, à la situation et aux
opérations des succursales concernées. Elle peut éga-
lement procéder à des inspections sur place et prendre
connaissance et copie, sans déplacement, de toute
information détenue par l’entreprise.
Il résulte de l’article 595, 3° que les règles relatives
au programme de rétablissement et plan de financement
à court terme visées aux articles 510 et 511 sont appli-
cables par renvoi aux succursales belges d’entreprises
319
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder
een derde land. Deze regels bepalen onder meer dat,
zodra een verzekeringsonderneming die ressorteert
onder een derde land vaststelt dat het eigen vermogen
van het Belgische bijkantoor niet meer voldoet aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151,
of dat het gevaar dreigt dat dit bijkantoor er in de ko-
mende drie maanden niet meer aan voldoet, ze de Bank
daarvan onmiddellijk in kennis moet stellen en bij deze
laatste ter goedkeuring een realistisch saneringsplan
moet indienen, dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer
op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden.
Zodra een verzekeringsonderneming die ressorteert
onder een derde land vaststelt dat het eigen vermogen
van het Belgische bijkantoor niet meer voldoet aan het
minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 189, of
dat het gevaar dreigt dat dit bijkantoor er in de komende
drie maanden niet meer aan voldoet, ze de Bank daar-
van onmiddellijk in kennis moet stellen en bij deze laatste
ter goedkeuring een realistisch plan inzake financiering
op korte termijn moet indienen, dat het minimumka-
pitaalvereiste weer op peil beoogt te brengen binnen
uiterlijk drie maanden.
Het weze opgemerkt dat in de in artikel 594 bedoelde
gevallen (dat wil zeggen wanneer een verzekerings-
onderneming die ressorteert onder een derde land in
meerdere lidstaten een vergunning heeft verkregen en
het voordeel van de in dit artikel bedoelde bijzondere
bepalingen geniet), de toezichthouder die belast is met
het toezicht op de naleving van de solvabiliteitsvereis-
ten door alle bijkantoren die in verschillende lidstaten
zijn gevestigd, eveneens de in artikel 595, 3° bedoelde
prerogatieven kan uitoefenen waarop de voormelde
bepalingen betrekking hebben (goedkeuring van het her-
stelplan en het plan inzake financiering op korte termijn).
Uit de toepassing via verwijzing van de artike-
len 513 tot 515 volgt dat de Bank de vrije beschikking
over de activa van het bijkantoor van een verzekerings-
onderneming die onder een derde lidstaat ressorteert,
kan beperken of ontnemen, ongeacht waar deze activa
zich bevinden, in de in deze artikelen bedoelde gevallen
en volgens de hierin beschreven voorwaarden.
Art. 596
De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren
moet een of meer erkende revisoren of een of meer
erkende revisorenvennootschappen aanstellen over-
eenkomstig artikel 327. Op dezelfde wijze kan zij een
plaatsvervanger aanstellen. Bij aanstelling van een revi-
sorenvennootschap is artikel 326 van overeenkomstige
toepassing. Voor het overige wordt verwezen naar de
commentaar bij deze artikelen.
d’assurance relevant du droit de pays tiers. Ainsi,
notamment, dès qu’elle constate que la dotation en
fonds propres de la succursale belge ne respecte plus
les exigences de capital de solvabilité requis prévues
par l’article 151 ou qu’elle risque de ne plus l’être dans
les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance
relevant du droit de pays tiers doit en informer immédia-
tement la Banque et lui soumettre, pour approbation, un
programme de rétablissement réaliste visant à rétablir
le capital de solvabilité requis dans un délai n’excédant
pas six mois.
Dès qu’elle constate que la dotation en fonds propres
de la succursale belge ne respecte plus les exigences de
minimum de capital requis prévues par l’article 189 ou
qu’elle risque de ne plus l’être dans les trois prochains
mois, toute entreprise d’assurance relevant du droit de
pays tiers doit en informer immédiatement la Banque et
lui soumettre, pour approbation, un plan de financement
à court terme réaliste visant à rétablir, dans un délai
n’excédant pas trois mois, le minimum de capital requis.
Il y a lieu de relever que dans les cas visés à
l’article 594 (c’est-à-dire lorsqu’une entreprise d’assu-
rance relevant du droit d’un pays tiers est agréée dans
plusieurs États membres et bénéficie des dispositions
particulières visées par cet article), l’autorité de contrôle
qui est désignée pour vérifier le respect des exigences
de solvabilité de toutes les succursales établies au sein
de différents États membres peut également exercer
les prérogatives visées par les dispositions précitées
auxquelles l’article 595, 3° renvoie (approbation du
programme de rétablissement et du plan de financement
à court terme).
Il résulte de l’application par renvoi des articles 513 à
515 que la Banque peut restreindre ou interdire la libre
disposition des actifs de la succursale d’une entreprise
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, quelle
que soit leur localisation, dans les cas et aux conditions
visés par ces articles.
Art. 596
La direction des succursales visées au présent Titre
est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés
ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées
conformément à l’article 327. Elle peut désigner, pareille-
ment, un suppléant. En cas de désignation d’une société
de reviseurs, l’article 326 est applicable par analogie.
Il est renvoyé aux commentaires de ces articles pour
le surplus.
320
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 597
Artikel 597 strekt ertoe, op basis van het wederkerig-
heidsbeginsel, de Bank toe te laten met de autoriteiten
van derde landen van de verzekeringsonderneming en
met de bevoegde autoriteiten van de andere bijkantoren
van deze onderneming die buiten België zijn gevestigd,
overeen te komen welke verplichtingen en verbodsbe-
palingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het
toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze
de samenwerking en de informatie-uitwisseling met
deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en
36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georga-
niseerd. Die mogelijkheid is onontbeerlijk, met name in
het kader van het toezicht op internationale groepen.
Afdeling IV
Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de
vergunning
Art. 598
Uit artikel 598, § 1 volgt dat de artikelen 508 en 517,
respectievelijk met betrekking tot de dwingende maat-
regelen en de uitzonderlijke herstelmaatregelen, via
verwijzing van toepassing zijn op de Belgische bijkan-
toren van verzekeringsondernemingen die ressorteren
onder een derde land.
In het geval dat een bijkantoor het voordeel van de
in artikel 594 bedoelde regeling geniet, moet de Bank,
indien ze de vergunning van het Belgische bijkantoor
van een verzekeringsonderneming die ressorteert
onder een derde land intrekt wegens niet-naleving van
de regels inzake de solvabiliteitsvereisten, de andere
toezichthouders als bedoeld in artikel 594 hiervan in
kennis stellen. Artikel 598, § 1, tweede lid zorgt voor de
omzetting van artikel 170, eerste alinea van de Richtlijn.
Omgekeerd, wanneer de vergunning wordt ingetrokken
door een toezichthouder die met toepassing van arti-
kel 594, §§ 2 en 3 is aangesteld, wordt de Bank daarvan
in kennis gesteld en moet zij de vergunning die ze aan
het Belgisch bijkantoor van de betrokken onderneming
heeft afgeleverd intrekken.
Uit paragraaf 2 volgt overigens dat de Bank de ver-
gunning van een in dit Hoofdstuk bedoeld bijkantoor
ook kan herroepen indien zij van oordeel is dat voor de
bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verze-
kering of voor een gezond en voorzichtig beleid van de
verzekeringsonderneming of nog voor de stabiliteit van
het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap
naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe ge-
bruik maken van de criteria bedoeld in artikel 585, § 4.
Art. 597
L’article 597 tend à permettre à la Banque de conve-
nir, sur base de réciprocité, avec les autorités de pays
tiers de l’entreprise d’assurance et avec les autorités,
compétentes des autres succursales de cette entreprise
établies dans d’autres États que la Belgique, de règles
relatives aux obligations et interdictions concernant la
succursale en Belgique, de l’objet et de modalités de
sa surveillance ainsi que des modalités de la collabora-
tion et de l’échange d’informations avec ces autorités,
telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi
du 22 février 1998. Cette possibilité est indispensable
dans le cadre notamment du contrôle de groupes
internationaux.
Section IV
Mesures exceptionnelles, sanctions et fin de l’agrément
Art. 598
Il résulte de l’article 598, § 1er que les articles 508 et
517, relatifs respectivement aux mesures contraignantes
et aux mesures de redressement exceptionnelles, s’ap-
pliquent par renvoi aux succursales belges d’entreprises
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers.
Lorsque, dans les cas où une succursale béné-
ficie du régime visé à l’article 594, la Banque retire
son agrément à la succursale belge d’une entreprise
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers en raison
du non-respect des règles relatives aux exigences de
solvabilité, la Banque doit en informer les autres autori-
tés de contrôle visées à l’article 594. L’article 598, § 1er,
alinéa 2 assure ainsi la transposition de l’article 170,
alinéa 1 de la Directive. Réciproquement, en cas de
retrait d’agrément par une autorité de contrôle désignée
en application de l’article 594, §§ 2 et 3, la Banque en
est informée et doit retirer l’agrément qu’elle a octroyé
à la succursale belge de l’entreprise concernée.
Par ailleurs, il résulte du paragraphe 2, que la Banque
peut encore révoquer l’agrément d’une succursale visée
au présent Chapitre si elle estime que la protection des
créanciers d’assurance ou la gestion saine et prudente
de l’entreprise d’assurance ou encore la stabilité du
système financier exige la constitution d’une société
de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet,
des critères visés à l’article 585, § 4.
321
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Uitoefening van activiteiten in België
via de vestiging van een bijkantoor of
het vrij verrichten van diensten, door
herverzekeringsondernemingen die onder een
derde land ressorteren
In Hoofdstuk II wordt een essentieel onderscheid
gemaakt tussen (i) herverzekeringsondernemingen
die onder een derde land ressorteren waarvan de sol-
vabiliteitsregeling waaraan ze krachtens artikel 172, lid
3 van Richtlijn 2009/138/EG onderworpen zijn, als gelijk-
waardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze
Richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder een
lidstaat ressorteren (herverzekeringsondernemingen die
onder een “gelijkwaardig derde land” ressorteren) en (ii)
herverzekeringsondernemingen die onder een derde
land ressorteren waarvan de solvabiliteitsregeling in het
licht van de voormelde bepalingen niet als gelijkwaardig
wordt beschouwd (herverzekeringsondernemingen die
ressorteren onder een “niet-gelijkwaardig derde land”).
Artikel 600 omschrijft de regeling die van toepassing is
op herverzekeringsondernemingen die ressorteren on-
der een “gelijkwaardig derde land”, terwijl artikel 601 de
regeling beschrijft die geldt voor herverzekeringsonder-
nemingen die ressorteren onder een “niet-gelijkwaardig
derde land”.
Art. 600
Herverzekeringsondernemingen die onder een “ge-
lijkwaardig derde land” ressorteren, mogen in België, via
de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het
vrij verrichten van diensten, de herverzekeringsactivi-
teiten uitoefenen waarvoor zij in hun land van herkomst
een vergunning hebben verkregen. Zie in dit verband
met name Gedelegeerd Besluit (EU) 2015/1602 van de
Commissie van 5 juni 2015 betreffende de gelijkwaardig-
heid van het solvabiliteits- en prudentiële stelsel voor
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van
kracht in Zwitserland op basis van de artikelen 172, lid 2,
227, lid 4, en 260, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG van
het Europees Parlement en de Raad.
Deze ondernemingen zijn onderworpen aan dezelfde
regels als de onder een andere lidstaat ressorterende
herverzekeringsondernemingen die hun activiteit in
België willen uitoefenen via de vestiging van een bijkan-
toor of in het kader van het vrij verrichten van diensten.
Er wordt dan ook verwezen naar de commentaar bij
deze bepalingen.
CHAPITRE II
Activités en Belgique, par voie de succursale
ou en libre prestation de services, par des
entreprises de réassurance relevant du droit d’un
pays tiers
Le Chapitre II opère une distinction essentielle entre
(i) les entreprises de réassurance qui relèvent du droit
d’un pays tiers dont le régime de solvabilité est, en
application de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive
2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi
par cette Directive pour les entreprises relevant du droit
d’un État membre (les entreprises de réassurance qui
relèvent du droit d’un “pays tiers équivalent”) et (ii) les
entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un
pays tiers dont le régime de solvabilité n’est pas consi-
déré comme équivalent au regard des dispositions préci-
tées (les entreprises de réassurance qui relèvent du droit
d’un “pays tiers non-équivalent”). L’article 600 définit le
régime applicable aux entreprises de réassurance qui
relèvent du droit d’un “pays tiers équivalent” tandis que
l’article 601 vise le régime applicable aux entreprises
de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers
non équivalent”.
Art. 600
Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit
d’un “pays tiers équivalent” sont autorisées à exercer en
Belgique, par la voie d’installation d’une succursale ou
sous le régime de la libre prestation de services, les opé-
rations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu
un agrément dans leur État d’origine. Voy. notamment
à cet égard la Décision déléguée (UE) 2015/1602 de la
Commission du 5 juin 2015 sur l’équivalence du régime
prudentiel et de solvabilité en vigueur en Suisse pour les
entreprises d’assurance et de réassurance, fondée sur
l’article 172, paragraphe 2, l’article 227, paragraphe 4,
et l’article 260, paragraphe 3, de la directive 2009/138/
CE du Parlement européen et du Conseil.
Ces entreprises sont soumises aux mêmes règles
que les entreprises de réassurance relevant du droit
d’un autre État membre qui souhaitent exercer leur
activité en Belgique par la voie d’installation d’une
succursale ou sous le régime de la libre prestation de
services. Il est dès lors renvoyé aux commentaires de
ces dispositions.
322
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 601
Herverzekeringsondernemingen die onder een
“niet-gelijkwaardig derde land” ressorteren, mogen in
België (uitsluitend) via de vestiging van een bijkantoor,
de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij
in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben
verkregen, mits inachtneming van de bepalingen van
Hoofdstuk I van deze Titel. Er wordt dan ook verwe-
zen naar de commentaar bij de bepalingen van dit
Hoofdstuk. Herverzekeringsondernemingen die onder
een “niet-gelijkwaardig derde land” ressorteren, zijn
dus onderworpen aan dezelfde regels als de onder een
derde land ressorterende verzekeringsondernemingen
die hun activiteit in België willen uitoefenen via de ves-
tiging van een bijkantoor.
Er zij gewezen op de toepassing van de overgangs-
bepalingen van artikel 673. Krachtens die bepalingen
is artikel 600 tot 31 december 2020 van toepassing op
de herverzekeringsondernemingen die onder een derde
land ressorteren en die opgenomen zijn in de lijst die
met toepassing van artikel 172, lid 4, derde alinea van
Richtlijn 2009/138/EG gepubliceerd wordt door EIOPA.
BOEK IV
DWANGSOMMEN EN ANDERE
DWANGMAATREGELEN
In Boek IV en Boek V, Titel I, worden de artikelen
81 en 82 van de wet van 9 juli 1975 en de artikelen
73 en 74 van de wet van 16 februari 2009 herschikt.
Voor de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 is deze
herschikking ingrijpender aangezien deze — zeer oude
— wet aanleiding gaf tot verwarring wat de juridische
begrippen betreft. De bepalingen van Boek IV en Boek
V, Titel I, zijn derhalve voornamelijk gebaseerd op de
wet van 16 februari 2009 en op de verbeteringen die
in de wettelijke bepalingen ter zake zijn aangebracht
op grond van de opgedane ervaring en voor het laatst
geformaliseerd zijn in de bankwet van 25 april 2014.
De artikelen 602 en 603 zijn derhalve ontleend aan de
artikelen 73 en 74, § 1, van de wet van 16 februari 2009.
Ze bieden de mogelijkheid om bekend te maken dat
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
geen gevolg heeft gegeven aan de aanmaning om de
regelgeving die het statuut van de verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen vormt (namelijk het geheel
van regels dat bestaat uit de bepalingen van de ontwerp-
wet, haar uitvoeringsbesluit en —reglementen en de
maatregelen tot uitvoering van de Richtlijn, waaronder
Verordening 2015) na te leven. Hetzelfde geldt voor
verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings
Art. 601
Les entreprises de réassurance qui relèvent du
droit d’un “pays tiers non équivalent” sont autorisées
à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une
succursale (uniquement), les opérations de réassurance
pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur
État d’origine moyennant le respect des dispositions
du Chapitre Ier du présent Titre. Il est dès lors renvoyé
aux commentaires des dispositions de ce Chapitre.
Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit
d’un “pays tiers non équivalent” sont donc soumises
aux mêmes règles que les entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers qui souhaitent exercer
leur activité en Belgique par la voie d’installation d’une
succursale.
On gardera à l’esprit l’application des dispositions
transitoires de l’article 673 en vertu duquel jusqu’au
31 décembre 2020, l’article 600 est d’application aux
entreprises de réassurance relevant du droit d’un pays
tiers qui figurent sur la liste publié par L’EIOPA en
application de l’article 172, paragraphe 4, alinéa 3 de
la Directive 2009/138/CE.
LIVRE IV
DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES
COERCITIVES
Les dispositions du Livre IV et du Livre V, Titre Ier,
procèdent à un réaménagement des articles 81 et
82 de la loi du 9 juillet 1975 et des articles 73 et 74 de
la loi du 16 février 2009, ce réaménagement étant plus
substantiel s’agissant de la loi du 9 juillet 1975 dès lors
que cette loi, fort ancienne, entretenait des confusions
sous l’angle des concepts juridiques. Les dispositions
du Livre IV et du Livre V, Titre Ier, sont dès lors princi-
palement issues de la loi du 16 février 2009 et des per-
fectionnements des dispositions légales en la matière,
acquis au fil de l’expérience et formalisés en dernier
dans la loi bancaire du 25 avril 2014.
Les articles 602 et 603 sont ainsi issus des ar-
ticles 73 et 74, § 1er de la loi du 16 février 2009. Il s’agit
de la possibilité de publier le fait qu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance ne s’est pas conformée
à l’injonction qui lui a été faite de respecter la réglemen-
tation formant le statut des entreprises d’assurance
ou de réassurance (à savoir le corps de règles formé
par les dispositions de la loi en projet, ses arrêté royal
et règlements d’exécution et les mesures d’exécution
de la Directive dont le Règlement 2015/35). Il en va de
même concernant les sociétés holding d’assurance, les
compagnies financières mixtes et les sociétés holding
323
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
en gemengde verzekeringsholdings naar Belgisch of
buitenlands recht die in België zijn gevestigd.
Die artikelen bieden voorts de mogelijkheid om
dwangsommen op te leggen, zoals die tot op he-
den zijn vastgelegd in artikel 74, § 1 van de wet van
16 februari 2009 (en, op minder duidelijke wijze, in artikel
82 van de wet van 9 juli 1975). Naar het voorbeeld van
de oplossing die de wetgever, naar aanleiding van de
wet van 2 juli 2010, en meer recent nog, van de voor-
noemde bankwet, heeft gekozen voor de aangelegen-
heden die tot de bevoegdheid van de FSMA behoren,
worden de dwangsommen, omdat hun doel erin bestaat
ze te hanteren als dwangmiddel om een onregelmatige
situatie te verhelpen, thans niet meer gelijkgesteld met
administratieve sancties. Het opleggen ervan behoort nu
volledig tot de bevoegdheid van het directiecomité van
de Nationale Bank van België. Hierbij dient te worden
opgemerkt dat het feit dat de dwangsommen niet meer
worden aangemerkt als administratieve sancties en dat
ze derhalve niet meer onder de bevoegdheid van de
Sanctiecommissie vallen, geenszins betekent dat ze
worden opgelegd zonder enige procedurele garantie.
Zoals werd uiteengezet met betrekking tot de herstel-
maatregelen (zie de commentaar bij de artikelen 508 tot
517), bieden de algemene principes van het administra-
tief recht immers de nodige procedurele garanties voor
de onder toezicht staande ondernemingen.
BOEK V
SANCTIES
TITEL I
Administratieve boetes
De mogelijkheid om administratieve boetes op te leg-
gen die in artikel 604 wordt geboden, is overgenomen
uit artikel 74, § 2 van de wet van 16 februari 2009 (en uit
artikel 82 van de wet van 9 juli 1975), met dien verstande
dat in een betere wettelijke omkadering is voorzien
voor de vaststelling van het bedrag van de boete (de
minimum- en maximumbedragen en de criteria voor de
vaststelling van het bedrag van de boetes).
In navolging van het wettelijke kader voor kredietin-
stellingen biedt de ontwerpbepaling thans de mogelijk-
heid een sanctie op te leggen aan de natuurlijke perso-
nen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan of van
het directiecomité (of, bij ontstentenis van een dergelijk
comité, die belast zijn met de effectieve leiding) en die
voor de tekortkoming verantwoordelijk zijn.
mixte d’assurance de droit belge ou de droit étranger
établies en Belgique.
Il s’agit encore de la possibilité d’imposer des
astreintes, prévues à ce jour sous l’article 74, § 1er de
la loi du 16 février 2009 (et, de manière plus confuse,
sous l’article 82 de la loi du 9 juillet 1975). À l’instar de
la solution adoptée par le législateur pour les matières
relevant de la compétence de la FSMA, à l’occasion de
la loi du 2 juillet 2010 et plus récemment encore, dans la
loi bancaire précitée, les astreintes, de par leur finalité
consistant à mettre en œuvre un moyen de contrainte
en vue de remédier à une situation de manquement, ne
sont pas assimilées à des sanctions administratives.
Leur adoption relève dès lors de la pleine compétence
du comité de direction de la Banque nationale de
Belgique. On observera que le fait que les astreintes
ne soient plus qualifiées de sanctions administratives
et qu’elles ne relèvent dès lors pas de la compétence
de la Commission des sanctions, ne signifie nullement
que leur adoption se trouve dénuée de garantie procé-
durale. En effet, ainsi que l’on s’en est expliqué en ce
qui concerne les mesures de redressement (voy. les
commentaires des articles 508 à 517), les principes
généraux du droit administratif apportent les garanties
procédurales nécessaires aux administrés.
LIVRE V
DES SANCTIONS
TITRE IER
Des amendes administratives
L’article 604 est issu, en ce qui concerne la possibilité
d’infliger des amendes administratives, de l’article 74,
§ 2 de la loi du 16 février 2009 (et de l’article 82 de la
loi du 9 juillet 1975), moyennant notamment un meilleur
encadrement légal de la détermination du montant de
l’amende (en ce qui concerne les montants minimums et
maximums et les critères à utiliser en vue de la fixation
du montant des amendes).
À l’instar du cadre légal applicable aux établisse-
ments de crédit, la disposition en projet prévoit désor-
mais la possibilité de sanctionner les personnes phy-
siques, membres de l’organe légal d’administration ou
du comité de direction (ou en l’absence d’un tel comité,
en charge de la direction effective) responsables du
manquement.
324
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Teneinde te anticiperen op een opmerking die her-
haaldelijk geformuleerd werd door de Raad van State
over de naleving van het beginsel non bis in idem zoals
dit geïnterpreteerd wordt door het Europese Hof voor
de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van
de Europese Unie, zij erop gewezen dat het op grond
van dit beginsel niet verboden is om voor soortgelijke
feiten in een dubbele strafbaarheid te voorzien, op
strafrechtelijk en administratief vlak. Dit beginsel betreft
de tenuitvoerlegging van de eigenlijke vervolgingspro-
cedures, die door de verantwoordelijke autoriteiten
beoordeeld moeten worden met inachtneming van de
rechtspraak ter zake.
In dit verband voorziet de wetgeving in corrigerende
mechanismen, om te voorkomen dat voor dezelfde feiten
een nieuwe procedure wordt opgestart of een nieuwe
sanctie wordt opgelegd terwijl er voor de genoemde
feiten reeds een onherroepelijke beslissing is geno-
men. Behalve het feit dat de definitieve administratieve
boete die door de Sanctiecommissie van de Bank wordt
opgelegd, in mindering moet worden gebracht van het
bedrag van de eventuele strafrechtelijke boete die voor
dezelfde feiten door een strafrechter zouden worden
opgelegd (art. 36/12 van de wet van 22 februari 1998),
moet het Directiecomité van de Bank, wanneer een van
de grieven waarvoor de Sanctiecommissie wordt gevat,
een strafrechtelijke inbreuk kan vormen, de procureur
des Konings hiervan in kennis stellen, die op zijn beurt
de Bank onverwijld in kennis stelt indien hij beslist om
een strafvordering in te stellen voor de betrokken feiten
(art. 36/10, § 5 van de wet van 22 februari 1998).
TITEL II
Strafrechtelijke sancties
In de artikelen 605 tot 609 worden de artikelen 75 tot
79 van de wet van 16 februari 2009 overgenomen met
de nodige aanpassingen wat de verwijzingen betreft.
De strafbaarstellingen die in de wet van 9 juli 1975 zijn
opgenomen, konden in dit verband niet als een in-
spiratiebron dienen, met name door hun gebrek aan
duidelijkheid (zie bijvoorbeeld artikel 85, tweede lid, dat
geenszins beantwoordt aan de essentiële beginselen —
Wettigheidsbeginsel — waaraan een strafbaarstelling
moet voldoen inzake duidelijkheid en nauwkeurigheid
van de bestanddelen ervan).
Anticipant ici une observation récurrente du Conseil
d’État relative au respect du principe non bis in idem
tel qu’interprété par la Cour européenne des Droits de
l’Homme et la Cour de justice de l’Union européenne,
on fait remarquer que celui-ci n’interdit pas de prévoir
une double incrimination, sur le plan pénal et adminis-
tratif, de faits similaires. Ce principe concerne la mise en
œuvre de procédures de poursuites proprement dites,
qu’il appartient aux autorités responsables d’évaluer
dans le respect de la jurisprudence en la matière.
À cet égard, des mécanismes correctifs sont prévus
par la législation pour prévenir que les mêmes faits
fassent l’objet d’une nouvelle procédure ou sanction
alors qu’une décision irrévocable serait déjà intervenue
concernant lesdits faits. Outre l’imputation de l’amende
administrative définitive imposée par la Commission des
sanctions de la Banque sur le montant de toute amende
pénale qui serait prononcée pour les mêmes faits par un
juge pénal (art. 36/12 de la loi du 22 février 1998), dans
le cas où l’un des griefs dont est saisi la Commission
des sanctions de la Banque est susceptible de consti-
tuer une infraction pénale, le Comité de direction de
la Banque doit en informer le procureur du Roi qui, à
son tour, indique sans délai à la Banque s’il décide de
mettre en mouvement l’action publique pour les faits
concernés (art. 36/10, § 5 de la loi du 22 février 1998).
TITRE II
Des sanctions pénales
Les articles 605 à 609 constituent la reprise, moyen-
nant les adaptations requises notamment quant aux
renvois, des articles 75 à 79 de la loi du 16 février 2009.
Les incriminations prévues sous la loi du 9 juillet 1975 ne
pouvaient servir d’inspiration à cet égard, notamment en
raison de leur imprécision (voy. par exemple l’article 85,
alinéa 2 qui ne répond nullement aux principes essen-
tiels — Principe de légalité — auxquels doit répondre
une incrimination pénale en termes de précision et de
clarté de ses éléments constitutifs).
325
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK VI
VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN
GELDENDE REGELS VAN HET
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN
LIQUIDATIEPROCEDURES
Titel VI en Titel III van Boek VII van het voorliggende
ontwerp zorgen voor de omzetting van de bepalingen
van Titel IV van de Richtlijn, over de sanering en de
liquidatie van verzekeringsondernemingen. Onder voor-
behoud van enkele niet-ingrijpende wijzigingen, zijn de
bepalingen van Titel IV van de Richtlijn overgenomen
uit Richtlijn 2001/17/EG betreffende de sanering en de
liquidatie van verzekeringsondernemingen. Deze laatste
richtlijn werd samen met Richtlijn 2001/24/EG omgezet
via de wetten van 19 november en 6 december 2004.
Derhalve zij verwezen naar de parlementaire voor-
bereiding van deze twee wetten, en voornamelijk naar
het parlementair stuk dat de memorie van toelichting en
de commentaar bij de artikelen bevat (Parl.St. Kamer,
2003-2004, nr. 51, 1157/001).
Hierna worden de hoofdlijnen van de Richtlijn ter zake
geschetst, en wordt toelichting gegeven bij een aantal
belangrijke punten van de Richtlijn in verband met de
behandeling van de schuldeisers, en voornamelijk de
schuldeisers uit hoofde van verzekering. Daarna volgt
een korte, artikelsgewijze bespreking met vermelding
van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 waarop de
bepalingen van het voorliggende ontwerp gebaseerd zijn
of die in dit ontwerp zijn overgenomen. Op die manier
kan er een historiek worden opgemaakt, die het ge-
bruik van de voornoemde parlementaire voorbereiding
vergemakkelijkt.
Er zij aan herinnerd dat het internationaal privaat-
recht inzake insolventieprocedures op Europees niveau
wordt geregeld door verschillende normen, waaronder
Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van
29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna
“de Verordening”). Deze verordening is echter niet van
toepassing op verzekeringsondernemingen, kredietin-
stellingen, instellingen voor collectieve belegging en
beleggingsondernemingen die diensten verrichten die
het houden van geld of effecten behelzen.
Voor deze categorieën van ondernemingen van de
financiële sector werden de Europese regels inzake de
inter nationale bevoegdheid en de conflict regels voor
insolventieprocedures in navolging van de Verordening
vastgelegd in twee richtlijnen: de Richtlijn en Richtlijn
2001/24/EG, die respectievelijk gelden voor enerzijds
LIVRE VI
DES RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ EN
MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET
DE PROCÉDURES DE LIQUIDATION APPLICABLES
À DES ENTREPRISES D’ASSURANCE
Le Livre VI et le Titre III du Livre VII du présent projet
assurent la transposition des dispositions du Titre IV
de la Directive, consacrées à l’assainissement et la
liquidation des entreprises d’assurance. Sous réserve
de quelques modifications mineures, les dispositions du
Titre IV de la Directive constituent la reprise des disposi-
tions de la directive 2001/17/CE concernant l’assainisse-
ment et la liquidation des entreprises d’assurance. Cette
dernière directive avait fait l’objet d’une transposition,
conjointement avec celle de la directive 2001/24/CE, par
les lois des 19 novembre et 6 décembre 2004.
Dans cette mesure, on se référera utilement aux tra-
vaux préparatoires de ces deux lois, essentiellement le
document parlementaire reprenant l’exposé des motifs
et le commentaire des articles (Ch. Repr., sess. ord.
2003-2004, n° 51, p. 1157/001).
On expose, ci-après, les lignes directrices de la
Directive en la matière ainsi que ses aspects significatifs
concernant le sort des créanciers, essentiellement les
créanciers d’assurance. Le lecteur trouvera, ensuite,
un bref descriptif article par article indiquant les dispo-
sitions de la loi du 9 juillet 1975 dont sont inspirées ou
reprises les dispositions en projet, ce qui permet d’en
établir un historique facilitant le recours aux travaux
préparatoires précités.
Pour rappel, le droit international privé en matière
de procédures d’insolvabilité est régi au niveau euro-
péen par différentes normes dont le règlement (CE)
n°1346/2000 du Conseil du 29 mai 2000 relatif aux
procédures d’insolvabilité (ci-après “le Règlement”). Ce
dernier exclut toutefois de son champ d’application les
entreprises d’assurance, les établissements de crédit,
les organismes de placement collectif ainsi que les en-
treprises d’investissement dont les services impliquent
la détention de fonds ou de valeurs mobilières.
Pour ces catégories d’entreprises relevant du sec-
teur financier, le droit européen a procédé par voie de
directives visant, à l’instar du Règlement, à déterminer
les règles de compétence internationale et de conflit de
lois en matière de procédure d’insolvabilité. Ces direc-
tives sont toujours au nombre de deux: la Directive et
326
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekeringsondernemingen en anderzijds kredietinstel-
lingen, en sedert Richtlijn 2014/59/EU (dat het toepas-
singsgebied ratione personae van Richtlijn 2001/24/EG
wijzigt) voortaan ook voor beleggingsondernemingen.
Hoewel Titel IV van de Richtlijn hetzelfde doel na-
streeft als de Verordening, is in de Richtlijn voor een
andere benadering gekozen. Het uitgangspunt van
de Richtlijn is eenheid brengen in de regels inzake de
rechterlijke bevoegdheid en die inzake de wetgevende
bevoegdheid, door aan de lidstaat van herkomst een
exclusieve bevoegdheid toe te kennen (en bijgevolg
de maatregelen en procedures te erkennen die zijn
goedgekeurd conform de wetgeving van die lidstaat).
De Richtlijn verwerpt dus elke mogelijkheid van een
secundaire procedure en poneert aldus op Europees
niveau de beginselen van eenheid en universaliteit.
Naast deze uniforme regels inzake de rechterlijke
bevoegdheid en de conflictregels, wijkt de Richtlijn voor
welbepaalde specifieke materies evenwel af van het
beginsel van de toepassing van het recht van de lidstaat
van herkomst. De afwijking bestaat erin hetzij om in de
vorm van een conflictregel te bepalen welk recht van
toepassing is voor het vaststellen van de gevolgen die
een insolventieprocedure heeft voor bepaalde rechten
of overeenkomsten, hetzij de gevolgen van de (het)
insolventie procedure (recht) te beperken.
Deze uitzonderingen op de toepassing van het insol-
ventieprocedurerecht (lex fori concursus) zijn afgestemd
op die van de Verordening.
Met de overkoepelende term “insolventie procedures”
die in de Richtlijn wordt gehanteerd, worden enerzijds de
“saneringsmaatregelen” bedoeld, namelijk de herstel-
maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie
van een verzekeringsonderneming in stand te houden
of te herstellen en die bestaande rechten van derden
aantasten, en, anderzijds, de “liquidatie procedures”,
namelijk de collectieve procedures die de tegeldemaking
van de activa van de in gebreke blijvende verzekerings-
onderneming en het verdelen van de opbrengst ervan
tot doel hebben. In tegenstelling tot de bankrichtlijn
2001/24/EG, viseert de Richtlijn ook de liquidatiepro-
cedures die niet berusten op de insolventie van de ver-
zekeringsonderneming. Met andere woorden, vrijwillige
liquidatieprocedures waarvoor de interventie vereist is
van een administratieve of gerechtelijke autoriteit, vallen
ook onder de toepassing van de Richtlijn.
De Richtlijn schrijft niet voor op welke wijze de lid-
staten de rol- en taakverdeling tussen de toezichts- en
gerechtelijke autoriteiten moeten organiseren voor het
la directive 2001/24/CE qui concernent respectivement
d’une part, les entreprises d’assurance et d’autre part,
les établissements de crédit et désormais également
les entreprises d’investissement depuis la directive
2014/59/UE (modifiant le champ d’application ratione
personae de la directive 2001/24/CE).
Si l’objet du Titre IV de la Directive est bien identique
à celui du Règlement, la solution retenue par la Directive
s’en écarte toutefois en ce qu’elle unifie les règles de
compétence juridictionnelle et les règles de compétence
législative en prévoyant la compétence exclusive de
l’État membre d’origine (ainsi que son corollaire, la
reconnaissance des mesures et procédures adoptées
conformément à la législation de cet État). La Directive
rejette donc toute possibilité de procédure secondaire
et consacre ainsi, au niveau européen, les principes
d’unité et d’universalité.
À côté de ces règles uniformes de conflit de juridic-
tions et de conflit de lois prévues par ces directives,
en ce qui concerne certaines matières particulières,
la Directive déroge au principe de la loi de l’État d’ori-
gine tantôt en déterminant, au titre de règle de conflit
de lois, la loi applicable pour déterminer les effets des
procédures d’insolvabilité sur certains droits ou contrats,
tantôt en limitant les effets de la (loi de la) procédure.
En ce qui concerne ces exceptions à l’application
de la loi de la procédure (lex fori concursus), elles sont
alignées sur celles prévues par le Règlement.
Les procédures d’insolvabilité visées par la Directive
sont désignées sous les vocables de “mesures d’assai-
nissement” en ce qui concerne les mesures de redres-
sement destinées à préserver ou rétablir la situation
financière des entreprises d’assurance et qui affectent
les droit préexistants des tiers, et de “procédures de
liquidation” en ce qui concerne les procédures collec-
tives visant à la réalisation des biens de l’entreprise
d’assurance défaillant et la répartition de leur produit.
À la différence des procédures de liquidation visées
par la directive bancaire 2001/24/CE, la Directive vise
également les procédures qui ne sont pas fondées
sur l’état d’insolvabilité de l’entreprise d’assurance.
En clair, les procédures de liquidation volontaires, dès
lors qu’elles impliquent l’intervention d’une autorité
administrative ou judiciaire, entrent également dans le
champ d’application de la Directive.
La Directive ne règle pas la manière dont les États
doivent répartir les rôles et interventions respectifs entre
les autorités de contrôle et les autorités judiciaires dans
327
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
begeleiden van verzekeringsondernemingen in moei-
lijkheden. De Richtlijn zorgt immers niet voor een har-
monisatie van de saneringsmaatregelen: de nationale
wetgevingen blijven de — administratieve of rechterlijke
— aard van die maatregelen bepalen, en met name of zij
al dan niet kunnen worden getroffen door de prudentiële
toezichthouder, of zelfs door een andere administratieve
autoriteit, alsook de aan die maatregelen verbonden
procedures en de gevolgen hiervan.
In dit verband wijzen we op de keuze die de wetgever
gemaakt heeft om de wet van 31 januari 2009 betref-
fende de continuïteit van de ondernemingen niet van
toepassing te verklaren op de verzekeringsondernemin-
gen (zie Parl.St. Kamer, 2009-2010, nr. 2406/001, 7-11).
Als enige maatregel voorziet de Richtlijn, wat de
prudentiële toezichthouder betreft, in overleg tussen
de autoriteiten van de verschillende lidstaten die be-
trokken zijn bij een insolventieprocedure ten aanzien
van een verzekeringsonderneming met vestigingen op
hun grondgebied. Het overleg tussen deze autoriteiten
neemt de vorm aan van een informatie-uitwisseling
die via de prudentiële toezichthouder verloopt, die als
“natuurlijke verbindingsagent” fungeert (art. 270 en 273,
lid 3 van de Richtlijn).
Alvorens aan te vangen met de artikelsgewijze bespre-
king, behandelen we enkele belangrijke punten van Titel
IV van de Richtlijn over de behandeling van de schuld-
eisers bij liquidatie van de verzekeringsonderneming.
a) Indiening van schuldvorderingen bij een
liquidatieprocedure
Om — geografische — discriminatie van de schuld-
eisers te vermijden, bepaalt de Richtlijn dat elke schuld-
eiser, ook de overheid, die in een andere lidstaat dan
de lidstaat van herkomst is “gevestigd”, het recht heeft
zijn schuldvordering of opmerkingen over zijn schuld-
vordering in te dienen.
De Richtlijn bepaalt meer specifiek dat alle schuld-
eisers dezelfde behandeling en dezelfde rangindeling
krijgen als soortgelijke vorderingen die schuldeisers
die “gevestigd” zijn in de lidstaat van herkomst kunnen
indienen (art. 282, lid 2 van de Richtlijn).
Voor fiscale vorderingen bijvoorbeeld betekent dit dat
het niet uitmaakt of een bepaalde belastingcategorie
wel in de ene maar niet in de andere lidstaat bestaat of
dat er wel een ingekohierde belasting is in de ene maar
niet in de andere lidstaat. De regel houdt in dat wanneer
er in de lidstaat van ontvangst een schuldvordering
le traitement des entreprises d’assurance en difficultés.
En effet, la Directive ne procède pas à une harmonisa-
tion des mesures d’assainissement: les droits nationaux
continuent à déterminer la nature — administrative ou
judiciaire — de ces mesures, notamment le fait qu’elles
puissent être ou non adoptées par l’autorité de contrôle
prudentiel, voire même par une autre autorité adminis-
trative, les procédures applicables à ces mesures ainsi
que les effets qui y sont attachés.
A cet égard, on rappelle le choix effectué par le légis-
lateur en ce qui concerne la non application de la loi du
31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises
aux entreprises d’assurance (voy. Doc. Parl., Ch. Repr.,
sess. ord. 2009-2010, n° 2406/001, p. 7-11).
Tout au plus, en ce qui concerne l’autorité de contrôle
prudentiel, la Directive a instauré une concertation entre
les autorités des différents États membres concernées
par une procédure d’insolvabilité d’une entreprise
d’assurance ayant des implantations sur le territoire de
ces États. La Directive organise ainsi une concertation
entre ces autorités par un transfert d’informations tran-
sitant par l’autorité de contrôle prudentiel, cette dernière
apparaissant comme l’ “agent de liaison naturel” (art.
270 et 273, paragraphe 3 de la Directive).
Avant d’entamer un commentaire article par article,
on rappelle, ci-après, les quelques aspects significa-
tifs du Titre IV de la Directive qui concernent le sort
des créanciers en cas de liquidation de l’entreprise
d’assurance.
a) Production de créances en cas de procédure de
liquidation
Dans un but de non-discrimination — sous l’angle
géographique — des créanciers, la Directive prévoit que
tout créancier, en ce compris les autorités publiques,
“situé” dans un État membre autre que l’État d’origine
a le droit de produire sa créance ou de produire des
observations relatives à sa créance.
Plus particulièrement, la Directive dispose que tous
les créanciers “bénéficient du même traitement et du
même rang que les créances de nature équivalente
éventuellement produites par les créanciers “situés”
dans l’État d’origine” (art. 282, paragraphe 2 de la
Directive).
Pour prendre l’exemple des créances fiscales, le
fait qu’une catégorie d’impôt existe ou pour laquelle il
y a un impôt enrôlé dans un État et pas dans un autre
ne doit pas avoir d’incidence. La règle signifie qu’il ne
faut pas nécessairement avoir égard à la catégorie ou
la nature de l’impôt pour lequel il existe une créance
328
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bestaat op een belasting, het niet noodzakelijkerwijze
de categorie of de aard van die belasting is die in aan-
merking moet worden genomen: als er in de lidstaat van
herkomst geen soortgelijke belastingcategorie bestaat,
wordt nagegaan of het om een fiscale schuldvordering
gaat en zo ja, wordt ze qua rang gelijkgesteld met de
fiscale schuldvorderingen van de lidstaat van herkomst.
Als er geen soortgelijke belastingcategorie bestaat,
wordt de aard van de titularis van de schuldvordering,
namelijk de fiscale autoriteit, in aanmerking genomen
om de schuldvordering op gelijke voet te stellen met
een gelijkaardige schuldvordering in de lidstaat van
herkomst.
Deze benadering heeft tot gevolg dat ingeval er een
liquidatieprocedure wordt geopend jegens een verze-
keringsonderneming die ressorteert onder een lidstaat
waar de fiscus een voorrecht geniet en die bijkantoren
heeft in lidstaten waar de fiscus geen wettelijk voorrecht
heeft, de fiscale schuldvorderingen die in die lidstaten
zijn ontstaan, hetzelfde voorrecht krijgen als de fiscale
schuldvorderingen van de lidstaat van herkomst.
Indien de in gebreke blijvende verzekeringsonder-
neming daarentegen ressorteert onder een lidstaat
waar de fiscus geen voorrecht heeft, krijgen de fiscale
schuldvorderingen van lidstaten van herkomst geen
voorrechten en verliezen zij dus in voorkomend geval
hun fiscaal voorrecht.
b) Uitzonderingen op het recht van de lidstaat van
herkomst — Onderlinge samenhang
• De verschillende bestaande regels
De Richtlijn vult de regel inzake de rechterlijke be-
voegdheid van de lidstaat van herkomst logischerwijze
aan met een conflictregel, door te bepalen dat de pro-
cedure geregeld wordt overeen komstig het recht van de
lidstaat van herkomst (lex fori concursus), behoudens
de in de Richtlijn opgenomen uitzonderingen.
In navolging van de Verordening bevat de Richtlijn
twee types van uitzonderingen op de toepassing van de
lex fori concursus: enerzijds zijn er de materies waarop
de procedure een invloed heeft maar die krachtens
de Richtlijn door een andere wet worden geregeld.
Wanneer de Richtlijn voor deze uitzonderingen een
ander recht toepasselijk verklaart, moeten ook de
materiële regels in acht genomen worden die deze wet
bevat voor een collectieve procedure; anderzijds zijn er
de materies die de procedure onverlet laat (hierna, de
“’negatieve’ conflictregels”).
• Materies waarop de procedure een invloed heeft
maar die door een ander recht worden geregeld
dans l’État d’accueil: à défaut d’une correspondance
concernant la catégorie d’impôt, il faut alors prendre
en compte le fait qu’il s’agit d’une créance fiscale et
l’assimiler, quant au rang, aux créances fiscales de
l’État d’origine. À défaut de correspondance quant à
la catégorie d’impôt, ce sera donc la nature du titulaire
de la créance, à savoir l’autorité fiscale, qui sera prise
en compte afin d’assimiler la créance à une créance
équivalente dans l’État membre d’origine.
Cette approche a pour conséquence que dans le cas
de la liquidation d’une entreprise d’assurance relevant
du droit d’un État où le fisc bénéficie d’un privilège et qui
a des succursales dans des États où le fisc n’a aucun
privilège légal, les créances fiscales nées dans ces États
se verront accorder un privilège au même titre que les
créances fiscales de l’État d’origine.
Dans l’hypothèse inverse, si l’entreprise défaillante
relève du droit d’un État où le fisc n’a aucun privilège,
les créances fiscales d’États membres d’accueil ne
bénéficieront pas de privilège et perdront donc, le cas
échéant, leur privilège fiscal.
b) Exceptions à la loi de l’État d’origine — Articulation
• Rappel des différentes règles en présence
La Directive complète logiquement la règle de com-
pétence juridictionnelle de l’État membre d’origine
par une règle de conflit de lois en disposant que, sauf
exceptions prévues par la Directive, la procédure sera
régie conformément au droit de l’État d’origine (lex fori
concursus).
À l’instar du Règlement, il existe deux ordres d’excep-
tions à l’application de la lex fori concursus: d’une part,
les questions affectées par la procédure mais pour les-
quelles la Directive prévoit l’application d’une autre loi.
Lorsqu’il est ainsi donné compétence à une autre loi,
il convient de se référer également à ses règles maté-
rielles relatives aux procédures collectives; d’autre part,
les questions qui ne sont pas affectées par la procédure
(ci-après, les “règles de conflit “négatives””).
• Questions affectées par la procédure selon un
autre droit
329
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze specifieke conflictregels die inhouden dat er
wordt afgeweken van de toepassing van het insolven-
tieprocedurerecht (lex fori concursus) voor het vaststel-
len van de gevolgen die de insolventieprocedure heeft
voor een recht of een overeenkomst, zijn opgenomen
in de artikelen 285 en 289 van de Richtlijn. Zij stemmen
overeen met de regels van de Verordening. Zoals we
hierboven hebben opgemerkt, wanneer de Richtlijn
een andere wet toepasselijk verklaart, moeten ook de
materiële regels in acht worden genomen die deze wet
bevat voor insolventieprocedures. In die mate is lid
2 van artikel 289 overbodig en is er dus geen specifieke
omzetting nodig.
• Materies waarop de procedure geen invloed heeft
— Principe
De eerste categorie van uitzonderingen op de lex
concursus omvat de hogervermelde conflictregels, die
bepalen welk rechtsstelsel als enige de gevolgen van
een insolventieprocedure voor een recht of een over-
eenkomst vaststelt. De tweede groep uitzonderingen
verschilt in die zin van de eerste dat zij “negatieve”
conflictregels omvat die de toepasselijkheid van de lex
concursus op zich niet verwerpen maar stellen dat de
toepassing ervan geen afbreuk mag doen aan bepaalde
rechten van derden. Aldus worden die rechten onttrok-
ken aan de gevolgen van een insolventieprocedure.
— Nuancering
Voor elk van die zogenaamde “negatieve” con-
flictregels bepaalt de Richtlijn — in navolging van de
Verordening — ter compensatie van de afwijkingen die
zij inhouden op de toepassing van het insolventieproce-
durerecht, dat de vorderingen tot nietigheid, vernietiging
of niet-tegenwerpbaarheid als bedoeld in artikel 274, lid
2, onder 1) wel kunnen worden ingesteld.
Zo blijft de lex concursus bepalen of de nietigheid of
de niet-tegenwerpbaarheid kan worden gevorderd van
rechtshandelingen die nadelig zijn voor alle schuldei-
sers. Dit zijn bepalingen die doorgaans in verschillende
nationale wetgevingen zijn opgenomen en waarmee
abnormale rechtshandelingen die aan bepaalde schuld-
eisers een voordeel bieden, kunnen worden verworpen,
zoals het stellen van een zekerheid voor een eerder
aangegane schuld, de handelingen onder bezwarende
titel waarbij de begunstigde ervan op de hoogte is dat
de schuldenaar zich in staat van staking van betaling
bevindt, ...
— Uitzondering op de nuancering die tot absolute
rechtszekerheid leidt
Ces règles de conflit de lois spécifiques qui dérogent
à l’application de la loi de la procédure (lex fori concur-
sus) pour déterminer les effets d’une procédure d’insol-
vabilité sur un droit ou contrat figurent aux articles 285 et
289 de la Directive. Elles correspondent à celles prévues
par le Règlement. Comme relevé ci-dessus, lorsqu’il est
ainsi donné compétence à une autre loi, il convient de
se référer également à ses règles matérielles en matière
de procédures d’insolvabilité. Dans cette mesure, le
paragraphe 2 de l’article 289 constitue une redite inutile
ne nécessitant pas une transposition particulière.
• Questions qui ne sont pas affectées par la procédure
— Principe
À la différence des exceptions à la lex concursus
consistant dans les règles de conflit de lois susmention-
nées (règles de conflit désignant une loi qui détermine
exclusivement les effets d’une procédure d’insolvabilité
sur un droit ou un contrat), le second groupe d’excep-
tions à la loi de la procédure consiste dans des règles
de conflit dites “négatives” en ce que la compétence
de la lex concursus n’est pas en soi remise en cause,
mais plutôt que son application ne peut porter atteinte
à certains droits de tiers. Ces droits se voient ainsi, à
certaines conditions, soustraits aux effets d’une procé-
dure d’insolvabilité.
— Tempérament
Pour chacune de ces règles de conflit dites “néga-
tives”, la Directive — copiant en cela le Règlement —
prévoit qu’en contrepartie des dérogations à la loi de la
procédure qu’elles impliquent, les actions en nullité, en
annulation ou en inopposabilité visées à l’article 274,
paragraphe 2, l) peuvent néanmoins être exercées.
La lex concursus continue ainsi à déterminer si l’on
peut agir en nullité ou inopposabilité d’actes préjudi-
ciables à l’ensemble des créanciers. Il s’agit des dispo-
sitions généralement prévues dans les différents droits
nationaux en matière de faillite et permettant d’écarter
des actes anormaux créant un avantage à certains
créanciers: on peut ainsi penser à la constitution d’une
sûreté pour une dette antérieurement contractée, à des
actes à titre onéreux dont le bénéficiaire a connaissance
de l’état de cessation de paiement du débiteur, …
— Exception au tempérament conduisant à une
sécurité juridique absolue
330
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze mogelijkheid wordt echter weer afgezwakt door
artikel 290 van de Richtlijn, dat de begunstigde van de
nadelige rechtshandeling toelaat zich te verzetten tegen
haar ongeldigverklaring door te bewijzen dat “die rechts-
handeling onderworpen is aan het recht van een andere
lidstaat dan de lidstaat van herkomst (lees: de Staat waar
de procedure werd geopend), en bewijst dat dat recht in
het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om
die rechtshandeling te bestrijden”. Dit totale gebrek in
het toepasselijke recht aan welke mogelijk heid ook om
de nadelige rechtshandeling aan te vechten, situeert
zich zowel op het vlak van de insolventieregels als van
de algemeen geldende nationale regels voor de rechts-
handeling, zoals een gemeenrechtelijke actio pauliana.
c) Specifieke behandeling van de schuldvorderingen
uit hoofde van verzekering
• Voorrecht
Naast de bescherming die aan sommige schuldeisers
van de verzekeringsonderneming wordt toegekend in de
vorm van specifieke conflictregels, bevat de Richtlijn een
regel van materieel recht die in de bescherming voorziet
van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering.
Voor deze bescherming kunnen de lidstaten naar
keuze gebruik maken van een van beide methodes van
de Richtlijn of van deze beide methodes (art. 275 van
de Richtlijn): voor de vorderingen uit hoofde van ver-
zekering kunnen zij ofwel opteren voor een absoluut
voorrecht op de dekkingswaarden van de technische
voorzieningen, dat boven alle andere schuldvorderingen
gaat, ofwel kunnen zij een bijzondere rang toekennen
aan de vorderingen uit hoofde van verzekering, door
aan deze vorderingen een algemeen voorrecht toe te
kennen dat echter kan komen na de schuldvorderingen
met betrekking tot lonen, de sociale zekerheid, de fis-
cus en zakelijke rechten en na de gerechtskosten met
betrekking tot de liquidatie procedure.
De lidstaten die voor de eerste methode opteren moe-
ten aan de verzekeringsondernemingen de verplichting
opleggen om een speciaal register bij te houden van
de dekkingswaarden van de technische voorzieningen.
Indien de betrokken verzekeringsonderneming zowel
de tak “leven” als de tak “niet-leven” beoefent, dient zij
een afzonderlijk register bij te houden voor elk van deze
activiteiten (art. 276, lid 2 van de Richtlijn).
In het voorliggende ontwerp wordt geopteerd voor
beide methodes (zie de artikelen 643 en 644).
Artikel 643 stelt aldus dat de activa die met toepas-
sing van de artikelen 194 en 195 permanent worden
L’article 290 de la Directive tempère toutefois cette
possibilité en permettant au bénéficiaire de l’acte pré-
judiciable de s’opposer à son invalidation en apportant
la preuve que “cet acte est soumis au droit d’un État
membre autre que l’État membre d’origine (lire l’État
d’ouverture de la procédure), et que ce droit ne permet
par aucun moyen, d’attaquer ledit acte dans l’affaire
en cause”. L’impossibilité pour la loi applicable à l’acte
préjudiciable de le remettre en cause concerne tant les
règles en matière d’insolvabilité que les règles géné-
rales du droit national applicables à l’acte, telles qu’une
action paulienne de droit commun.
c) Sort spécifique des créances d’assurance
• Privilège
À côté de la protection de certains créanciers de
l’entreprise d’assurance consistant dans des règles de
conflit de lois spécifiques, la Directive prévoit une règle
de droit matériel assurant une protection des créances
d’assurance.
Cette protection est assurée, au choix par les États
membres, selon une des deux méthodes prévues par
la Directive, ou encore selon les deux (art. 275 de la
Directive): les États membres peuvent choisir entre
soit prévoir, au bénéfice des créances d’assurance, un
privilège absolu, qui prime toutes autres créances, sur
les actifs représentatifs des provisions techniques, soit
accorder un rang spécial aux créances d’assurance en
leur conférant un privilège général susceptible toutefois
d’être primé par les créances de salaires, de la sécurité
sociale, du fisc et les droits réels ou encore les frais de
justice relatif à la procédure de liquidation.
Les États membres qui optent pour la première
méthode doivent prévoir l’obligation pour les entreprises
d’assurance de tenir à jour un registre spécial des
actifs représentant les provisions techniques. En cas
d’exercice cumulatif des branches “vie” et “non-vie”, un
registre séparé pour chacune de ces activités doit être
tenu (art. 276, paragraphe 2 de la Directive).
L’option retenue par le présent projet consiste à cumu-
ler les deux méthodes. C’est l’objet des articles 643 et
644.
L’article 643 énonce ainsi que les actifs détenus,
en permanence, au sein de l’inventaire permanent en
331
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aangehouden in de doorlopende inventaris, per afzon-
derlijk beheer “bijzondere vermogens” vormen waarop
de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering
een bijzonder voorrecht hebben dat hen absolute voor-
rang geeft.
De activa die het voorwerp uitmaken van het bijzonder
voorrecht dat de schuldeisers uit hoofde van verze-
kering genieten, zijn deze die ingeschreven zijn in de
doorlopende inventaris waarin artikel 195 voorziet. De
verzekeringsondernemingen moeten permanent, per
afzonderlijk beheer, activa registreren — gewaardeerd
tegen hun marktwaarde — voor een bedrag dat hun
verplichtingen dekt ten aanzien van de schuldeisers uit
hoofde van verzekeringen zoals die verschuldigd zouden
zijn in het geval van een liquiditeitsprocedure tijdens
dewelke een einde zou worden gemaakt aan de verze-
keringsovereenkomsten. Deze verplichting dekt aldus
de verzekeringsverplichtingen die, in een zogenaamd
Solvency I-perspectief, zouden bepaald zijn alsof de
verzekeringsovereenkomsten beëindigd werden. Volgens
het afzonderlijke beheer (te weten een scheiding tussen
niet-levensverzekeringsactiviteiten en levensverzeke-
ringsactiviteiten en, binnen die laatste, een scheiding
tussen de overeenkomsten die vallen onder tak 23 en
die welke vallen onder de takken 26 en 27 — waarvoor
het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzeke-
ringnemer — die op hun beurt worden afgescheiden
volgens de bestaande beleggingsfondsen), zullen de
activa het voorwerp vormen van het bijzonder voorrecht
dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering genieten.
Net zoals in het gemeen recht, mag de liquidateur
of de curator overeenkomstig artikel 275, lid 2 van de
Richtlijn, op ieder bijzonder vermogen voorafname doen
van zijn bezoldiging en die van zijn personeel alsook
van alle andere vereffeningskosten.
Ingeval die bijzondere vermogens ontoereikend zou-
den zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering
volledig schadeloos te stellen, genieten deze een alge-
meen voorrecht op de overige goederen van de onder-
neming. Conform de Richtlijn komt dit algemeen voor-
recht wel na de bijzondere voorrechten en de algemene
voorrechten van werknemers, van de Schatkist en van
socialezekerheidsinstellingen en sociale verzekeraars,
evenals na de uitoefening van zakelijke rechten.
Indien er na de vereffening van een bijzonder vermo-
gen een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld
over de andere bijzondere vermogens naar rato van de
tekorten van die bijzondere vermogens. Indien er na
de vereffening van alle bijzondere vermogens nog een
beschikbaar saldo overblijft, wordt dit toegewezen aan
de massa van de schuldeisers.
application des articles 194 et 195 forment, par gestions
distinctes, des “patrimoines spéciaux” sur lesquels les
créanciers d’assurance concernés bénéficient d’un
privilège spécial conférant une priorité absolue.
Les actifs qui constituent ainsi les assiettes du privi-
lège spécial dont bénéficient les créanciers d’assurance
sont ceux inscrits à l’inventaire permanent prescrit par
l’article 195 et qui doit, en permanence, enregistrer, par
gestions distinctes, des actifs — évalués à leur valeur de
marché — pour un montant qui couvre les engagements
à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient
dus dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation
lors de laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance.
Cette obligation couvre ainsi les engagements d’assu-
rance déterminés, dans une optique dite Solvency I,
comme s’il était mis fin aux contrats d’assurance. Selon
les gestions distinctes (à savoir, une distinction activités
non-vie et activités vie et, au sein de cette dernière,
une distinction des affaires qui relèvent de la branche
23 ou encore des branches 26 et 27 pour lesquelles le
risque d’investissement est supporté par le preneur —
elles-mêmes distinctes selon les fonds d’investissement
existants), les actifs formeront les assiettes du privilège
spécial dont bénéficient les créanciers d’assurance.
Comme en droit commun, conformément à l’article
275, paragraphe 2, de la Directive, le liquidateur ou le
curateur peut prélever sur chaque patrimoine spécial sa
rémunération et celle de son personnel et tous autres
frais de liquidation.
En cas d’insuffisance des patrimoines spéciaux pour
désintéresser totalement les créanciers d’assurance,
ceux-ci bénéficient encore d’un privilège général sur le
surplus des biens de l’entreprise. Ce privilège général
est toutefois, conformément à la Directive, primé par les
privilèges spéciaux ainsi que par les privilèges généraux
des travailleurs salariés, du Trésor et des organismes
et assureurs sociaux, ainsi que par l’exercice de droits
réels.
Si la liquidation d’un patrimoine spécial laisse un
solde positif, ce solde est réparti entre les autres
patrimoines spéciaux au prorata des déficits de ces
patrimoines spéciaux. Si la liquidation de tous les patri-
moines spéciaux laisse un solde disponible, celui-ci est
attribué à la masse des créanciers.
332
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het voorliggende ontwerp zorgt voor verduidelijking
door artikel 276, lid 5, van de Richtlijn (dat overgenomen
is uit de Bijlage bij de oude richtlijn 2001/17/EG) expliciet
om te zetten. Zo regelt artikel 628 expliciet de conflictsi-
tuaties die kunnen ontstaan wanneer een actief dat deel
uitmaakt van het voorwerp van het bijzonder voorrecht
van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, het
voorwerp uitmaakt van een verrichting waarvoor er in
een zogenaamde “negatieve” conflictregel is voorzien.
Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een potentieel
conflict tussen een schuld vergelijkings overeenkomst en
het bijzonder voorrecht van de schuldeisers uit hoofde
van verzekering, regelt artikel 628, § 3 expliciet wat
er gebeurt met activa die deel uitmaken van de dek-
kingswaarden die onder de toepassing vallen van een
schuldvergelijkingsovereenkomst.
Met de woorden “onverminderd artikel 633”, wordt
er in deze bepaling op gewezen dat om de efficiëntie
van een schuldvergelijkingsovereenkomst te bepalen,
eerst de wet moet worden vastgesteld die de schuldver-
gelijking regelt. Deze wet bepaalt de volledige regeling
omtrent de schuldvergelijking , waar onder de extinctieve
werking ervan.
Daarnaast dient ook te worden bepaald welke impact
het insolventieprocedurerecht heeft op de bevoegdheid
van het recht dat van toepassing is op de schuldverge-
lijking. In dit verband geldt als principe, conform artikel
274, lid 2, onder c) van de Richtlijn, dat de lex concursus
bevoegd is om te bepalen onder welke voorwaarden er
een schuldvergelijking kan worden tegengeworpen aan
de schuldeisers.
De Richtlijn bevat een uitzondering op de toepassing
van het insolventieprocedurerecht, die inhoudt dat het
recht op schuldvergelijking onder bepaalde voorwaar-
den onverlet wordt gelaten door de opening van een
insolventieprocedure. Artikel 288 van de Richtlijn, dat
artikel 6 van Verordening nr. 1346/2000 overneemt,
bepaalt namelijk dat een insolventieprocedure het
recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van
zijn vordering met de vordering van de verzekerings-
onderneming onverlet laat, wanneer die schuldvergelij-
king is toegestaan bij het recht dat op de vordering van
de verzekerings onderneming van toepassing is.
Artikel 288 van de Richtlijn verleent op dit punt
voorrang aan het recht dat van toepassing is op de
schuldvordering van de verzekerings onderneming,
d.w.z. het recht dat van toepassing is op de schuldvor-
dering waarvan de deficiënte schuldenaar de titularis
is ten aanzien van de schuldeiser die zich beroept op
Le présent projet entend apporter une clarification
en transposant explicitement l’article 276, paragraphe
5, de la Directive (issu de l’Annexe de l’ancienne direc-
tive 2001/17/CE). Ainsi l’article 628 règle explicitement
les situations de conflit potentiel lorsqu’un actif faisant
partie de l’assiette du privilège spécial des créanciers
d’assurance fait l’objet d’une opération pour laquelle
une règle de conflit dite “négative” est prévue.
Ainsi pour prendre l’exemple d’un conflit potentiel
entre une convention de compensation et le privilège
spécial des créanciers d’assurance, l’article 628,
§ 3 entend régler explicitement le sort à donner à des
actifs faisant partie des valeurs représentatives qui
entrent dans le champ d’application d’une convention
de compensation.
Par les mots “sans préjudice de l’article 633”, la dispo-
sition entend rappeler qu’une première étape consiste,
aux fins de déterminer l’efficacité d’une convention de
compensation, à établir la loi régissant la compensa-
tion. Cette loi déterminera l’ensemble du régime de la
compensation dont ses effets extinctifs.
À côté de cette loi, il convient ensuite de déterminer
l’impact de la loi de la procédure sur la compétence de
la loi applicable à la compensation. Sur cette question,
conformément à l’article 274, paragraphe 2, c) de la
Directive, le principe consiste dans la compétence de
la lex concursus pour déterminer les conditions dans
lesquelles une compensation peut être opposée aux
créanciers.
Une dérogation à la loi de la procédure réside dans
le fait qu’à certaines conditions, la compensation
n’est pas affectée par une procédure d’insolvabilité.
Reprenant ainsi l’article 6 du règlement n° 1346/2000,
l’article 288 de la Directive dispose qu’une procédure
d’insolvabilité n’affecte pas le droit d’un créancier
d’invoquer la compensation de sa créance avec celle de
l’entreprise d’assurance lorsque cette compensation est
permise par la loi applicable à la créance de l’entreprise
d’assurance.
L’article 288 de la Directive donne, sur ce point,
la prééminence à la loi de la créance de l’entreprise
d’assurance, c’est-à-dire la loi de la créance dont le
débiteur défaillant est titulaire à l’égard du créancier
qui invoque le bénéfice de la compensation et écarte,
en principe (c’est-à-dire sous réserve de l’article 288,
333
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zijn recht op schuldvergelijking en verwerpt in principe
(d.w.z. onder voorbehoud van artikel 288, lid 2 van de
Richtlijn) de invloed van de lex concursus voor wat be-
treft de tegenwerpbaarheid van de schuldvergelijking.
Het recht dat van toepassing is op de schuldvordering
van de verzekerings onderneming — dat het recht kan
zijn van een staat die geen lid is van de Europese Unie
— en op grond waarvan er moet worden onderzocht
of de schuldvergelijking is toegestaan, omvat speci-
fieke materiële bepalingen inzake de tegenwerpbaar-
heid van de schuldvergelijking in het kader van een
insolventieprocedure.
In navolging van Verordening nr. 1346/2000, en zo-
als dit ook het geval is voor zakelijke rechten en voor
clausules van eigendomsvoorbehoud, bevat artikel
288, lid 2 van de Richtlijn een regel die inhoudt dat de
bepalingen inzake de nietigheid en de niet-tegenwerp-
baarheid van nadelige rechtshandelingen aan de andere
schuldeisers, waarin de lex concursus voorziet, nog
steeds kunnen worden toegepast, onder voorbehoud
van artikel 290.
Deze regels dienen dus gecombineerd te worden met
de toepassing van het voorrecht waarin voorzien is in
artikel 275, lid 1, onder a) van de Richtlijn.
Op de vraag of er een conflict bestaat tussen de
schuldvergelijking en het voorrecht van de schuldeisers
uit hoofde van verzekering, vinden we een antwoord in
de Richtlijn. Artikel 276, lid 5 bepaalt namelijk het vol-
gende “......... wanneer een schuldeiser recht heeft op
verrekening van zijn vordering met de vordering van de
verzekeringsonderneming, wordt de behandeling van
deze activa (lees: dekkingswaarden van de technische
voorzieningen”) in geval van liquidatie van de verzeke-
ringsonderneming met betrekking tot de methode van
artikel 275, lid 1, onder a), bepaald door de wetgeving
van de lidstaat van herkomst, behalve wanneer de arti-
kelen 286, 287 of 288 van toepassing zijn op die activa.”.
De oplossing wordt gegeven in lid 5 van artikel
276 van de Richtlijn, dat voorrang verleent aan artikel
288 van de Richtlijn indien de voorwaarden voor de
toepassing van dit artikel vervuld zijn.
Er moet dus geverifieerd worden of de wet die van
toepassing is op de schuldvordering van de verzeke-
ringsonderneming een schuldvergelijking toestaat wan-
neer er een insolventieprocedure is geopend. Er dient
dus te worden nagegaan wat de aard is van de beleg-
gingen die deel uitmaken van de in de artikelen 194 en
195 bedoelde activa (en die een schuldvordering vormen
die onder de toepassing valt van de schuldvergelijkings-
overeenkomst), en bepaald worden welke wetgeving
erop van toepassing is.
paragraphe 2 de la Directive), l’incidence de la lex
concursus en ce qui concerne la question de l’opposa-
bilité de la compensation.
La loi applicable à la créance de l’entreprise d’assu-
rance — qui peut être la loi d’un État non-membre de
l’Union européenne — sous l’angle de laquelle il faut
examiner si la compensation est permise comprend
ses dispositions matérielles particulières en matière
d’opposabilité de la compensation dans le cadre d’une
procédure d’insolvabilité.
À l’instar du règlement n° 1346/2000, comme pour
les droits réels et les clauses de réserve de propriété,
l’article 288, paragraphe 2 de la Directive reprend toute-
fois la règle selon laquelle, sous réserve de l’article 290,
les dispositions en matière de nullité et d’inopposabilité
des actes préjudiciables aux autres créanciers prévues
par la lex concursus continuent de pouvoir s’appliquer.
À ces règles, il convient donc de combiner l’appli-
cation du privilège prévu par l’article 275, paragraphe
1, a) de la Directive.
La question du conflit entre compensation et privi-
lège des créanciers d’assurance trouve réponse dans
la Directive. Ainsi, l’article 276, paragraphe 5 dispose
que “…lorsqu’un créancier est habilité à invoquer la
compensation de sa créance avec celle de l’entreprise
d’assurance, en cas de liquidation de l’entreprise d’as-
surance, le sort d’un actif (lire “représentatifs des provi-
sions techniques”) dans le cadre de la méthode prévue
à l’article 275, paragraphe 1, point a), est déterminé par
la législation de l’État membre d’origine, sauf lorsque
les articles 286, 287 ou 288 s’appliquent audit actif.”.
Ainsi, la solution est donnée par le paragraphe 5 de
l’article 276 de la Directive qui fait prévaloir l’article
288 de la Directive dès lors que les conditions d’appli-
cation de cet article sont rencontrées.
Il convient donc de vérifier si la loi qui régit la créance
de l’entreprise d’assurance permet la compensation en
cas de procédure d’insolvabilité. Il faut donc examiner
la nature des placements faisant partie des actifs visés
aux articles 194 et 195 (et qui constituent une créance
entrant dans le champ d’application de la convention de
compensation) et déterminer la législation qui les régit.
334
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De efficiëntie van de schuldvergelijking dient maar
beoordeeld te worden op grond van het Belgische recht
als de voorwaarde van artikel 288 van de Richtlijn niet
vervuld is, d.w.z. als de schuldvergelijking volgens het
betrokken buitenlands recht niet efficiënt is. Volgens
de Richtlijn (art. 276, lid 5) is het Belgische recht in dit
geval van toepassing — maar als lex concursus (recht
van de lidstaat van herkomst) — indien het gaat om een
insolventieprocedure tegen een verzekeringsonderne-
ming naar Belgisch recht.
Wanneer het Belgische recht van toepassing is, als
lex concursus, voor de beoordeling van de efficiëntie
van de schuldvergelijkings overeenkomst, kan men zich
afvragen welke inhoud er gegeven moet worden aan de
Belgische wet.
Moet het Belgische recht worden toegepast omdat
het gekozen heeft voor de optie die geboden wordt in
artikel 288, lid 1, onder a) en omdat het de schuldei-
sers uit hoofde van verzekering een absoluut bijzonder
voorrecht geeft op de in de artikelen 194 en 195 be-
doelde activa of moet het Belgische recht worden toe-
gepast met inbegrip van de bepalingen van de wet van
15 december 2004 betreffende financiële zekerheden?
Volgens deze wet van 15 december 2004 (“WFZ”) zijn
schuldvergelijkingsovereenkomsten namelijk efficiënt
onder bepaalde voorwaarden9.
Aangezien de verzekeringsondernemingen die als
in de artikelen 194 en 195 bedoelde activa beleggin-
gen aanhouden die het voorwerp uitmaken van een
schuldvergelijkings overeenkomst, erop toe moeten
zien dat de reglementair vereiste waarde van die activa
behouden blijft, dient er voor het normenconflict enkel
een oplossing te worden gevonden indien de betrok-
ken verzekeringsonderneming deze activa niet aanvult
wanneer de bestaande elementen als ontoereikend
zijn gewaardeerd. Om dubbelzinnigheid te voorkomen,
wordt in artikel 628, § 3 duidelijk bepaald dat de oplos-
sing die in dit artikel wordt aangereikt, geen afbreuk doet
aan de verplichting voor de verzekeringsondernemingen
9
Er zij aan herinnerd dat deze wet bepaalt dat schuldvergelij-
kingsovereenkomsten efficiënt zijn, behalve in twee gevallen:
1) wanneer zij zijn gesloten tussen of met natuurlijke personen
die geen kooplieden zijn (artikel 14, § 2 WFZ) en 2) in geval van
opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie van
een niet-publieke of niet-financiële rechtspersoon, ongeacht
de aard van de schuldeiser die zich op de schuldvergelijkings-
overeenkomst wil beroepen, tenzij hij zich kan beroepen op een
wanbetaling, of in geval van opening van een procedure van
gerechtelijke organisatie van een publieke of financiële rechts-
persoon, indien de schuldeiser die zich op de schuldvergelijking
beroept geen publieke of financiële rechtspersoon is, tenzij hij
zich kan beroepen op een wanbetaling (artikel 4, § 3 WFZ).
L’examen de l’efficacité de la compensation sous
l’angle du droit belge n’a de pertinence que si la
condition prévue par l’article 288 de la Directive n’est
pas rencontrée, c.-à-d. si le droit étranger concerné ne
conclut pas à l’efficacité de la compensation. Dans pareil
cas, conformément à la Directive (art. 276, paragraphe
5), le droit belge sera applicable — mais au titre de lex
concursus (loi de l’État membre d’origine) — s’agissant
d’une procédure d’insolvabilité ouverte à l’encontre
d’une entreprise d’assurance de droit belge.
Lorsque le droit belge est d’application, au titre de
lex concursus, pour trancher la question de l’efficacité
de la convention de compensation, la question se pose
de savoir quel contenu donner au droit belge.
Ainsi doit-on appliquer le droit belge en ce qu’il a fait
choix de l’option prévue par l’article 288, paragraphe 1er,
a) et qu’il prévoit ainsi un privilège spécial absolu sur
actifs visés aux articles 194 et 195 au profit des créan-
ciers d’assurance ou doit-on l’appliquer en ce compris
ses dispositions de la loi du 15 décembre 2004 sur
les sûretés financières? En effet, cette législation du
15 décembre 2004 (“LSF”) prévoit, à certaines condi-
tions9, l’efficacité des conventions de compensation.
Dès lors que les entreprises d’assurance qui ont,
au titre des actifs visés aux articles 194 et 195, des
placements faisant l’objet d’une convention de com-
pensation, doivent veiller à maintenir la valeur requise
réglementairement de ces actifs, la question de la
solution du conflit de normes ne présente un intérêt que
dans les hypothèses où les entreprises d’assurance ne
complèteraient pas ces actifs en cas d’insuffisance de
la valorisation des éléments existants. Pour lever toute
ambigüité en la matière, l’article 628, § 3 énonce clai-
rement que la solution qu’il établit est sans préjudice de
l’obligation pour les entreprises d’assurance d’évaluer
les créances sur un tiers déduction faite des dettes
9
Pour mémoire, cette loi prévoit l’efficacité des conventions de
compensation sauf dans deux hypothèses: 1) lorsqu’elles sont
conclues entre ou avec des personnes physiques non commer-
çantes (article 14, § 2 LSF) et 2) en cas d’ouverture d’une pro-
cédure de réorganisation judiciaire dans le chef d’une personne
morale non publique ou financière, quelle que soit la qualité du
créancier qui entend faire jouer la convention de compensation,
à moins qu’il ne puisse se prévaloir d’un défaut de paiement ou
en cas d’ouverture d’une procédure de réorganisation judiciaire
dans le chef d’une personne morale publique ou financière, si
le créancier qui se prévaut de la compensation n’est pas une
personne morale publique ou financière, à moins qu’il ne puisse
se prévaloir d’un défaut de paiement (article 4, § 3 LSF).
335
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
om voor de waardering van de activa die ingeschreven
zijn in het in artikel 195 bedoelde register, hun schuld-
vorderingen op een derde te ramen na aftrek van de
schulden ten aanzien van die derde.
Om eventuele normenconflicten uit te sluiten, stelt
paragraaf 4 van artikel 628 dat het Belgische recht moet
worden toegepast, met inbegrip van de bepalingen van
materieel recht die voortvloeien uit de (strikte) omzetting
van de Europese richtlijnen die de in artikel 628 be-
doelde aangelegenheden regelen. Voor deze oplossing
werd enerzijds gekozen op grond van het principe dat
het nationaal recht in overeenstemming met het com-
munautair recht moet worden uitgelegd, wat betekent
dat we ons moeten baseren op de bepalingen van
de richtlijnen die in het Belgische recht zijn omgezet,
namelijk ook Richtlijn 2002/47/EG, de zogenaamde
collateral-richtlijn, die omgezet werd door de wet van
15 december 2004, en anderzijds op grond van het
principe van de verzoenende uitlegging, dat inhoudt dat
beide richtlijnen (de Richtlijn en de collateral-richtlijn) op
een zodanige manier worden toegepast dat er zo weinig
mogelijk tegenspraak is tussen beide.
Deze oplossing houdt dus in dat nagegaan wordt of
de efficiëntie van schuldvergelijkings overeenkomsten
in een bepaalde situatie haar grondslag vindt in
de collateral-richtlijn of of de efficiëntie waarin het
Belgische recht voorziet, een specificiteit is van het
Belgische recht, die niet wordt opgelegd door deze
richtlijn, aangezien deze richtlijn in een minimale
harmonisering voorziet. Enkel wanneer de efficiëntie
van de schuldvergelijkingsovereen komst rechtstreeks
voortvloeit uit de omzetting van de collateral-richtlijn,
kan de schuld vergelijking voorrang hebben op het
absoluut voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering op de dekkingswaarden, in situaties waar
het Belgische recht als lex concursus van toepas-
sing is voor de beoordeling van de efficiëntie van de
schuldvergelijking.
Artikel 628 verschaft dus de nodige preciseringen,
die recentelijk aanleiding hebben gegeven tot debatten
in de rechtsleer (zie M. Dreesen en A. Houthoofd, “De
(vreedzame?) co-existentie van het voorrecht op de
dekkingswaarden van de technische reserves en provi-
sies, enerzijds, en nettingbedingen, anderzijds”, in Over
grenzen. Liber amicorum Herman Cousy, Antwerpen-
Cambridge, Intersentia, 2011, blz. 407 t.e.m. 424).
De definities die nodig zijn voor de omzetting van
Titel IV van de Richtlijn, werden opgenomen in artikel
15 van de ontwerpwet. Zij zijn overgenomen uit artikel 2,
§ 6, 14° tot 20° van de wet van 9 juli 1975, met enkele
niet-ingrijpende wijzigingen die voortvloeien uit de aan-
passing van de Richtlijn.
envers ce tiers pour la valorisation des actifs inscrits au
registre visé à l’article 195.
Afin de résoudre clairement le conflit de normes
potentiel, le paragraphe 4 de l’article 628, énonce qu’il
y a lieu d’appliquer le droit belge, en ce compris ses
dispositions de droit matériel issues de la (stricte) trans-
position de directives européennes dans les matières
visées audit article 628. Une telle solution résulte, d’une
part, du principe d’interprétation conforme au droit com-
munautaire qui implique de se référer aux dispositions
des directives dont est issu le droit belge, à savoir égale-
ment la directive 2002/47/CE dite directive collateral dont
la loi du 15 décembre 2004 assure la transposition et,
d’autre part, aux principes d’interprétation conciliatrice
conduisant à appliquer les deux directives concernées
(la Directive et la directive collateral) de manière à ce
qu’elles présentent le moins d’antinomie.
La solution nécessite donc d’examiner si l’efficacité
des conventions de compensation dans une situation
donnée trouve son fondement dans la directive collateral
ou si l’efficacité prévue par le droit belge constitue une
spécificité du droit belge non imposée par cette directive,
dès lors que celle-ci est d’harmonisation minimale. Ce
n’est que lorsque l’efficacité de la convention de com-
pensation résulte directement de la transposition de la
directive collateral que la compensation pourra primer
le privilège absolu des créanciers d’assurance sur les
valeurs représentatives, pour les situations où le droit
belge sera d’application au titre de lex concursus pour
déterminer l’efficacité de la compensation.
L’article 628 entend ainsi apporter les clarifications
nécessaires qui ont récemment suscité des débats
doctrinaux (voy. M. Dreesen et A. Houthoofd, “De
(vreedzame?) co-existentie van het voorrecht op de
dekkingswaarden van de technische reserves en pro-
visies, enerzijds, en nettingbedingen, anderzijds”, in
Over grenzen. Liber amicorum Herman Cousy, Anvers-
Cambridge, Intersentia, 2011, pp. 407 à 424).
Les définitions requises pour la transposition du
Titre IV de la Directive ont été reprises sous l’ar-
ticle 15 de la loi en projet. Moyennant quelques adap-
tations mineures résultant de l’évolution du texte de la
Directive, elles constituent la reprise de l’article 2, § 6,
14° à 20°, de la loi du 9 juillet 1975.
336
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL I
Saneringsmaatregelen
HOOFDSTUK I
Bevoegdheidsregeling en erkenning van
buitenlandse maatregelen
Artikel 610, dat artikel 269, leden 1 en 3 omzet, neemt
artikel 45 van de wet van 9 juli 1975 over.
Artikel 611 zorgt voor de omzetting van artikel 269,
leden 1, 3, 4 en 5 en van artikel 271, lid 3. Artikel 73/1 van
de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen.
HOOFDSTUK II
Overleg en informatieverstrekking
Afdeling I
Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Artikel 612 zet artikel 270 om. Dit artikel is geïnspi-
reerd op artikel 46 van de wet van 9 juli 1975, waarin
de door de wet van 2 juni 2010 vereiste wijzigingen zijn
aangebracht.
Artikel 613 zorgt voor de omzetting van artikel 271, lid
1, eerste alinea, en leden 2 en 3. Artikel 47 van de wet
van 9 juli 1975 wordt er grotendeels in overgenomen.
Afdeling II
Verzekeringsondernemingen die onder een derde land
ressorteren
Artikel 614 zorgt voor de omzetting van artikel
296. In dit artikel wordt artikel 48/1 van de wet van
9 juli 1975 overgenomen. Artikel 296 van de Richtlijn
moet enkel worden omgezet voor wat betreft de sa-
neringsmaatregelen, aangezien er voor wat betreft de
liquidatieprocedures geopteerd werd voor de beginselen
van eenheid en universaliteit van de procedures, zelfs
voor ondernemingen van derde landen.
TITRE IER
Des mesures d’assainissement
CHAPITRE IER
Règle de compétence et réception des mesures
étrangères
L’article 610 assure la transposition de l’article 269,
paragraphes 1 et 3. Il constitue la reprise de l’article
45 de la loi du 9 juillet 1975.
L’article 611 assure la transposition de l’article 269,
paragraphes 1, 3, 4 et 5 et de l’article 271, paragraphe
3. Il constitue la reprise de l’article 73/1 de la loi du
9 juillet 1975.
CHAPITRE II
Concertation et information
Section Ire
Entreprises d’assurance de droit belge
L’article 612 assure la transposition de l’article 270.
Il s’inspire de l’article 46 de la loi du 9 juillet 1975,
moyennant les modifications rendues nécessaires par
la loi du 2 juin 2010.
L’article 613 assure la transposition de l’article 271,
paragraphe 1er, alinéa 1er, paragraphes 2 et 3. Il reprend
largement l’article 47 de la loi du 9 juillet 1975.
Section II
Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers
L’article 614 assure la transposition de l’article
296. Il constitue la reprise de l’article 48/1 de la loi du
9 juillet 1975. On relève que l’article 296 de la Directive
ne nécessite une transposition qu’en ce qui concerne
les mesures d’assainissement puisque pour les procé-
dures de liquidation, le droit belge a retenu les principes
d’unité et d’universalité des procédures même en ce qui
concerne les entreprises de pays tiers.
337
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL II
Faillissement en andere liquidatieprocedures die op
insolventie berusten
HOOFDSTUK I
Bevoegdheidsregeling en erkenning van
buitenlandse maatregelen
Artikel 615, dat artikel 273, lid 1 omzet, neemt artikel
48/2 van de wet van 9 juli 1975 over.
In artikel 616 wordt artikel 273, lid 2 omgezet.
Artikel 73/2 van de wet van 9 juli 1975 wordt in dit artikel
overgenomen.
Artikel 617 bevat de voorwaarden voor de erkenning
van buitenlandse rechterlijke beslissingen tot opening
van een liquidatieprocedure die berust op de insolventie
van verzekeringsondernemingen die onder derde lan-
den ressorteren. De bepaling is geïnspireerd op artikel
48/9 van de wet van 9 juli 1975, waarvan de redactionele
kwaliteit werd verbeterd door verwijzingen te vermijden.
HOOFDSTUK II
Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Afdeling I
Overleg en informatieverstrekking
Artikel 618 zet artikel 273, lid 3 om en neemt artikel
48/4 van de wet van 9 juli 1975 over.
Artikel 619 zorgt voor de omzetting van artikel 280, lid
1, eerste alinea en lid 2 en van artikel 283, lid 1. Artikel
48/5 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen.
Artikel 620, eerste lid, zet artikel 281 om, terwijl
het tweede lid van dit artikel zorgt voor de omzet-
ting van artikel 283, lid 1. Artikel 48/6 van de wet van
9 juli 1975 wordt in deze bepaling overgenomen.
Afdeling II
Procedurele aspecten en toepasselijk recht
Met artikel 621 wordt artikel 274, lid 1 omgezet. Artikel
48/3 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen.
TITRE II
De la faillite et autres procédures de liquidation
fondées sur l’insolvabilité
CHAPITRE I
e — Règle de compétence et réception des
procédures étrangères
L’article 615 assure la transposition de l’article 273,
paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/2 de
la loi du 9 juillet 1975.
L’article 616 assure la transposition de l’article 273,
paragraphe 2. Il constitue la reprise de l’article 73/2 de
la loi du 9 juillet 1975.
L’article 617 règle les conditions de reconnaissance
des décisions judiciaires étrangères d’ouverture de
procédure de liquidation fondée sur l’insolvabilité
d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays
tiers. La disposition est inspirée de l’article 48/9 de la
loi du 9 juillet 1975 en en améliorant la rédaction par
l’évitement de renvoi.
CHAPITRE II
Entreprises d’assurance de droit belge
Section Ire
Concertation et information
L’article 618 assure la transposition de l’article 273,
paragraphe 3. Il constitue la reprise de l’article 48/4 de
la loi du 9 juillet 1975.
L’article 619 assure la transposition de l’article 280,
paragraphes 1er, alinéa 1er et 2 et de l’article 283, para-
graphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/5 de la
loi du 9 juillet 1975.
L’article 620 assure, en son alinéa 1er, la transposition
de l’article 281 et, en son alinéa 2, la transposition de
l’article 283, paragraphe 1er. La disposition constitue la
reprise de l’article 48/6 de la loi du 9 juillet 1975.
Section II
Eléments de procédure et loi applicable
L’article 621 assure la transposition de l’article 274,
paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/3 de
la loi du 9 juillet 1975.
338
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 622, paragraaf 1 en paragraaf 2, eerste lid,
zorgen voor de omzetting van artikel 282, leden 1 tot
3 en van artikel 283, lid 2. Artikel 48/7 van de wet van
9 juli 1975 wordt erin overgenomen. In paragraaf 2,
tweede lid van de ontwerpbepaling wordt artikel 48/16,
paragraaf 2 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen
voor wat betreft de regels voor de gelijkstelling van niet-
communautaire “buitenlandse” schuldeisers.
Artikel 623, dat artikel 284 omzet, neemt 48/8 van de
wet van 9 juli 1975 over.
HOOFDSTUK III
Verzekeringsondernemingen die onder een derde
land ressorteren
Artikel 624 zorgt eveneens voor de omzetting van
artikel 296, tweede alinea. Artikel 48/10 van de wet van
9 juli 1975 wordt erin overgenomen.
TITEL III
Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten
betreffende verzekeringsondernemingen die onder
een derde land ressorteren
Artikel 625, dat artikel 296, eerste alinea, omzet,
neemt artikel 48/13 van de wet van 9 juli 1975 over.
Artikel 626 is geïnspireerd op artikel 48/14 van de wet
van 9 juli 1975, waarvan de redactionele kwaliteit werd
verbeterd door verwijzingen te vermijden
Artikel 627 zorgt voor de omzetting van artikel 296,
tweede en derde alinea. Artikel 48/15 van de wet van
9 juli 1975 wordt erin overgenomen.
TITEL IV
Vereffening van bijzondere vermogens
Artikel 628 zet artikel 276, lid 5 om. Deze bepaling
wordt verder nog nader toegelicht.
In artikel 629 wordt artikel 48/17 van de wet van
9 juli 1975 overgenomen. Het eerste en tweede lid van
dit artikel zorgen voor de omzetting van artikel 276, lid
6. In het derde lid van dit artikel wordt artikel 276, lid
7 omgezet.
L’article 622 assure, en son paragraphe 1er et para-
graphe 2, alinéa 1er, la transposition de l’article 282,
paragraphes 1er à 3 et de l’article 283, paragraphe 2.
Il constitue la reprise de l’article 48/7 de la loi du
9 juillet 1975. Le paragraphe 2, alinéa 2 de la disposition
en projet constitue quant à lui la reprise de l’article de
l’article 48/16, paragraphe 2 de la loi du 9 juillet 1975 en
ce qui concerne les règles d’assimilation relatives aux
créanciers “étrangers” non communautaires.
L’article 623 assure la transposition de l’article
284. Il constitue la reprise de l’article 48/8 de la loi du
9 juillet 1975.
CHAPITRE III
Entreprises d’assurance relevant du droit d’un
pays tiers
L’article 624 assure également la transposition de
l’article 296, alinéa 2. Il constitue la reprise de l’article
48/10 de la loi du 9 juillet 1975.
TITRE III
Des procédures de liquidation non fondées
sur l’insolvabilité concernant des entreprises
d’assurance relevant du droit de pays tiers
L’article 625 assure la transposition de l’article 296,
alinéa 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/13 de la
loi du 9 juillet 1975.
L’article 626 est inspiré de l’article 48/14 de la loi du
9 juillet 1975 en améliorant la rédaction par l’évitement
de renvoi.
L’article 627 assure la transposition de l’article 296,
alinéas 2 et 3. Il constitue la reprise de l’article 48/15 de
la loi du 9 juillet 1975.
TITRE IV
De la liquidation des patrimoines spéciaux
L’article 628 assure la transposition de l’article 276,
paragraphe 5. Cette disposition est plus amplement
commentée ci-dessus.
L’article 629 constitue la reprise de l’article 48/17 de la
loi du 9 juillet 1975. Ses alinéas 1er et 2 assurent la trans-
position de l’article 276, paragraphe 6. Son alinéa 3 as-
sure la transposition de l’article 276, paragraphe 7.
339
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL V
Gemeenschappelijke regels betreffende
saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures
HOOFDSTUK I
Uitzonderingen op en nuanceringen van
de toepassing van het Belgische recht als
procedurerecht
In artikel 630 wordt artikel 48/19 van de wet van
9 juli 1975 overgenomen. Het eerste lid, 1° tot 3° van dit
artikel zorgt voor de omzetting van artikel 285. Het eerste
lid, 4° en het tweede lid zorgen voor de omzetting van
artikel 289, lid 1. Het eerste lid, 5° van dit artikel zorgt
voor de omzetting van artikel 292.
Artikel 631 zet artikel 286, leden 1 tot 3 om.
Artikel 48/20 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin
overgenomen.
Artikel 632 zorgt voor de omzetting van artikel 287, le-
den 1 en 2. Artikel 48/21 van de wet van 9 juli 1975 wordt
erin overgenomen.
Artikel 633 zorgt voor de omzetting van artikel 288,
lid 1. Artikel 48/22 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin
overgenomen.
In artikel 634 wordt artikel 48/23 overgenomen.
Paragraaf 1 van dit artikel zorgt voor de omzetting van
de artikelen 286, lid 4, 287, lid 3 en 288, lid 2. In het
tweede lid wordt artikel 290 omgezet.
Artikel 635 zorgt voor de omzetting van artikel 291.
Artikel 48/24 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin
overgenomen.
HOOFDSTUK II
Informatieverstrekking
In artikel 636 wordt artikel 73/3 van de wet van
9 juli 1975 overgenomen. Dit artikel zorgt voor de om-
zetting van de artikelen 271, lid 1, tweede alinea, 271,
lid 2, 280, lid 1, tweede alinea, en 280, lid 2.
TITRE V
Des règles communes aux mesures
d’assainissement et aux procédures de liquidation
CHAPITRE IER
Exceptions et tempéraments à l’application
de la loi belge comme loi
de la procédure
L’article 630 constitue la reprise de l’article 48/19 de
la loi du 9 juillet 1975. Son alinéa 1er, 1° à 3° assure la
transposition de l’article 285. Ses alinéas 1er, 4° et 2 as-
surent la transposition de l’article 289, paragraphe 1er.
Son alinéa 1er, 5° assure la transposition de l’article 292.
L’article 631 assure la transposition de l’article 286,
paragraphes 1er à 3. Il constitue la reprise de l’article
48/20 de la loi du 9 juillet 1975.
L’article 632 assure la transposition de l’article 287,
paragraphes 1 et 2. Il constitue la reprise de l’article
48/21 de la loi du 9 juillet 1975.
L’article 633 assure la transposition de l’article 288,
paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/22 de
la loi du 9 juillet 1975.
L’article 634 constitue la reprise de l’article 48/23. Son
paragraphe 1er assure la transposition des articles 286,
paragraphe 4, 287, paragraphe 3 et 288, paragraphe 2.
Son alinéa 2 assure la transposition de l’article 290.
L’article 635 assure la transposition de l’article
291. Il assure la reprise de l’article 48/24 de la loi du
9 juillet 1975.
CHAPITRE II
Information
L’article 636 constitue la reprise de l’article 73/3 de
la loi du 9 juillet 1975. Il assure la transposition des
articles 271, paragraphe 1er, alinéa 2, 271, paragraphe 2,
280, paragraphe 1er, alinéa 2, et 280, paragraphe 2.
340
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK III
Saneringscommissarissen en liquidateurs
Afdeling I
Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Artikel 637 zorgt voor de omzetting van artikel 293,
lid 1. Artikel 73/5 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin
overgenomen.
In artikel 638 wordt artikel 73/6 van de wet van
9 juli 1975 overgenomen. Paragrafen 1 en 2 van dit arti-
kel zorgen voor de omzetting van artikel 293, leden 2 en
3. In paragraaf 3 van dit artikel wordt artikel 294, lid 1,
eerste alinea omgezet.
Afdeling II
Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Artikel 639 zorgt voor de omzetting van artikel 294,
lid 1, tweede alinea en lid 2. Artikel 48/25 van de wet
van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen.
BOEK VII
MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN
LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I
Bijzondere regels in geval van een
faillissementsprocedure
Art. 640
Met name als gevolg van voorstellen geformuleerd
in de rechtsleer (J.-P. DEGUÉE, “Le particularisme des
procédures collectives dans le domaine des établis-
sements de crédit”, in Faillite et concordat judiciaire:
un droit aux contours incertains et aux interférences
multiples, Centre J. Renauld, U.C.L., vol. 9, Bruylant-
Academia, 2002, n°s 23 à 39), die zich op haar beurt heeft
laten leiden door de op dat ogenblik in het Franse recht
gebruikte oplossing (J. DJOUDI, “Le traitement des éta-
blissements de crédit en difficulté”, J.C.P. Éd. G., n° 22,
1996, p. 215, n° 20), heeft de wet van 6 december 2004,
door invoeging van een artikel 109/18 in de wet van
22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen, zich gebogen over de vraag hoe een
efficiënte wisselwerking kan gerealiseerd worden tussen
de gerechtelijke overheden en de betrokken toezicht-
houders in het kader van insolventieprocedures, en dit
CHAPITRE III
Commissaires à l’assainissement et liquidateurs
Section Ire
Réception des mesures et procédures étrangères
L’article 637 assure la transposition de l’article 293,
paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 73/5 de
la loi du 9 juillet 1975.
L’article 638 constitue la reprise de l’article 73/6 de la
loi du 9 juillet 1975. Ses paragraphes 1er et 2 assurent la
transposition de l’article 293, paragraphes 2 et 3. Son
paragraphe 3 assure la transposition de l’article 294,
paragraphe 1er, alinéa 1er.
Section II
Commissaires à l’assainissement et liquidateurs belges
L’article 639 assure la transposition de l’article 294,
paragraphe 1er, alinéa 2 et paragraphe 2. Il constitue la
reprise de l’article 48/25 de la loi du 9 juillet 1975.
LIVRE VII
DES ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES
PROCÉDURE DE LIQUIDATION
TITRE IER
Des règles particulières en cas de procédure
de faillite
Art. 640
Suite notamment aux suggestions formulées par la
doctrine (J.-P. DEGUÉE, “Le particularisme des procé-
dures collectives dans le domaine des établissements
de crédit”, in Faillite et concordat judiciaire: un droit
aux contours incertains et aux interférences multiples,
Centre J. Renauld, U.C.L., vol. 9, Bruylant-Academia,
2002, n°s23 à 39), s’inspirant elle-même de la solution
de droit français à ce moment (J. DJOUDI, “Le traitement
des établissements de crédit en difficulté”, J.C.P. Éd. G.,
n°22, 1996, p. 215, n°20), la loi du 6 décembre 2004, en
insérant un article 109/18 dans la loi du 22 mars 1993 re-
lative au statut et au contrôle des établissements de
crédit, s’était penchée sur la question de l’instauration
d’une interaction efficiente entre les autorités judiciaires
et les autorités de contrôle concernées dans le cadre
des procédures d’insolvabilité, tout en prenant en
compte la complémentarité de leurs missions. Cette
341
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
rekening houdend met de complementariteit van hun
opdrachten. Deze benadering werd om dezelfde rede-
nen ook opgenomen in de controlewet van 9 juli 1975,
via invoeging van een artikel 48/18. Om het risico op
slecht functioneren en op conflicten tussen beide types
van autoriteiten te vermijden, heeft de wetgever voor-
zien in een procedure van advies voorafgaand aan de
opening van een faillissementsprocedure tegen een
verzekeringsonderneming. Die procedure maakt het
voorwerp uit van artikel 48/18 van de wet van 9 juli 1975.
De parlementaire voorbereiding van de wet van
6 december 2004 (Parl.St. Kamer, 2003-2004,
51 1157/001, 33) vermeldde in dit verband het volgende:
“De onduidelijkheid over het al dan niet in aanmerking
nemen van de administratieve tussenkomst bemoeilijkt
de situatie waarin de rechter zich bevindt: mag of moet
hij ervan uitgaan dat er nog een herstel mag worden
verhoopt indien de CBFA nog niet alle initiatieven binnen
haar mogelijkheden heeft genomen en de vergunning
niet heeft ingetrokken, en moet of mag hij hierop zijn
beslissing baseren om geen faillissement uit te spreken
op basis van de gegevens waarover hij zelf beschikt
en waarvan hij kan vermoeden dat ze onvolledig zijn?
Of mag of moet hij daarentegen abstractie maken van
het optreden van de Commissie en het faillissement
uitspreken zonder rekening te houden met de admi-
nistratieve stappen of met een mogelijke preventieve
tussenkomst?”.
Rekening houdend met de evolutie van het normatief
kader dat het voorwerp uitmaakt van dit ontwerp, te we-
ten de instelling van een volledig pakket instrumenten
voor het herstel van een in moeilijkheden verkerende
verzekeringsonderneming en van instrumenten ter
ondersteuning van de geordende afwikkeling van ver-
zekeringsondernemingen in geval van beëindiging van
de vergunning, dient de wisselwerking tussen, enerzijds,
de administratieve overheden die betrokken zijn bij het
toezicht en de afwikkeling van verzekeringsonderne-
mingen, en, anderzijds, de gerechtelijke overheden, te
worden herbekeken.
De logica die ten grondslag ligt aan het beheer van
het in gebreke blijven van verzekeringsondernemingen
bestaat er immers in om voorrang te geven aan de ef-
ficiëntie van de afwikkelingsmaatregelen met het oog op
de optimalisering van de redding van de onderneming
in haar geheel of van bepaalde van haar onderdelen
(er zij in dit verband verwezen naar de commentaar bij
Boek II, Titel VII).
In dit verband is het aangewezen de opening van een
faillissementsprocedure op te schorten tot de beëindiging
van de administratieve procedure. Dit is de oplossing
die voorkomt in het Franse recht, waar de opening van
approche, par identité de motifs, s’était également vue
consacrée dans la loi de contrôle du 9 juillet 1975 par
l’insertion d’un article 48/18. En vue d’éviter les risques
de dysfonctionnements, voire de conflits entre les deux
types d’autorité, le législateur avait organisé une pro-
cédure d’avis préalable à l’ouverture d’une procédure
de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance.
C’était l’objet de l’article 48/18 de la loi du 9 juillet 1975.
Les travaux préparatoires de la loi du
6 décembre 2004 (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2003-
2004, 51 1157/001, p. 33) indiquait ainsi: “L’incertitude
concernant la prise en compte par le juge de l’action
administrative place celui-ci devant une situation diffi-
cile: le juge peut-il ou doit-il présumer que si la CBFA
n’a pas encore épuisé tous ses moyens d’actions et a
maintenu l’agrément, c’est que l’espoir d’un redresse-
ment est encore possible et sur cette base s’abstenir de
déclarer une faillite sur base de ses propres éléments
d’informations qu’il peut supposer incomplets? Ou à
l’opposé, peut-il ou doit-il faire abstraction de l’action
de la Commission et déclarer la faillite sans prendre en
compte l’action administrative ou une possible interven-
tion préventive?”.
Eu égard à l’évolution du cadre normatif faisant l’objet
du présent projet, à savoir l’instauration d’un dispositif
complet d’instruments en vue du redressement d’une
entreprise d’assurance en difficulté ainsi que des ins-
truments aidant à leur résolution ordonnée en cas de fin
d’agrément, l’interaction entre les autorités administra-
tives impliquées dans les processus de supervision et de
résolution des entreprises d’assurance d’une part, et les
autorités judiciaires d’autre part, doit être reconsidérée.
En effet, la logique qui sous-tend la gestion des
défaillances d’entreprises d’assurance consiste à faire
prévaloir l’efficacité des mesures de résolution aux
fins d’optimiser le sauvetage de l’entreprise dans son
ensemble ou de certaines de ses composantes (on
renvoie à cet égard aux commentaires relatifs au Livre
II, Titre VII).
Dans ce contexte, il convient de suspendre l’ouver-
ture d’une procédure de faillite jusqu’à l’issue de la
procédure administrative. C’est la solution que consacre
le droit français qui soumet l’ouverture d’une procédure
342
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een gerechtelijke insolventieprocedure onderworpen is
aan het eensluidend advies van de Autorité de contrôle
prudentielle et de résolution (Zie artikel L310-25 van
de Franse “Code des assurances”). Door voorrang te
verlenen aan de administratieve procedure, wil men
een oplossing bieden voor de samenloop van de twee
procedures, namelijk de herstel-/afwikkelingsprocedure
en de gerechtelijke insolventieprocedure (wat ook de
kwalificatie of de gevolgen van deze laatste procedure
zijn; zie bijvoorbeeld in het Franse recht, de gerechtelijke
herstelprocedures en de gerechtelijke vereffening).
De noodzaak om de mogelijkheid tot opening van
een faillissementsprocedure tegen een verzekeringson-
derneming op te schorten tot een eensluidend advies
is uitgebracht door de toezichthouder, kan ook worden
verklaard door de herstelmaatregelen waarover de
toezichthouder beschikt. In het stadium dat voorafgaat
aan de afwikkeling, zal de toezichthouder immers in
principe actie ondernemen die zou moeten leiden tot een
herstel van de financiële positie van de in moeilijkheden
verkerende verzekeringsonderneming (herstelfase).
Gedurende deze fase dient de toezichthouder een reeks
herstelmaatregelen te nemen teneinde de vastgestelde
tekortkomingen te verhelpen (zie met name de artikelen
504 tot 517 van het voorliggende ontwerp).
Ofwel leidt de herstelfase tot een herstel van de in
moeilijkheden verkerende verzekeringsonderneming.
Ofwel, in de gevallen waarin de herstelmaatregelen
de financiële positie van de onderneming niet kunnen
verhelpen en deze toestand dermate ernstig is dat het
voortbestaan van de onderneming in gevaar is, zal de
afwikkelingsfase die het voorwerp uitmaakt van Boek
II, Titel VII, in werking treden.
Om iedere ongewenste samenloop te vermijden tus-
sen het optreden van de toezichthouder en de mogelijk-
heid tot opening van een faillissementsprocedure (men
kan met name denken aan de ruime mogelijkheden van
ontneming van beheer bepaald in artikel 6 van de fail-
lissementswet), voorziet het voorliggende ontwerp dat
de opening van een faillissementsprocedure tegen een
verzekeringsonderneming moet worden onderworpen
aan het eensluidend advies van de toezichthouder.
Deze kan op die manier nagaan of de procedure wel
een bestaansreden heeft en eventueel oordelen dat
dit niet het geval is, hetzij omdat de financiële positie
van de verzekeringsonderneming voldoet en er geen
herstelmaatregelen vereist zijn, hetzij omdat de geno-
men maatregelen om hieraan te verhelpen van dien
aard zijn dat een herstel zal volgen, hetzij nog dat de
verslechtering van de financiële positie de toepassing
rechtvaardigt van de afwikkelingsinstrumenten waarin
elders is voorzien (men denke hier aan de maatregelen
waarin de artikelen 546 tot 548 voorzien.
d’insolvabilité de type judiciaire à l’avis conforme de
l’Autorité de contrôle prudentielle et de résolution (Voy.
l’article L310-25 du Code français des assurances).
La prévalence de l’action administrative entend ainsi
résoudre le chevauchement des deux procédures, à
savoir la procédure de redressement/résolution et la
procédure judiciaire d’insolvabilité (quelle que soit la
qualification ou les effets de cette dernière; voy. ainsi en
droit français, les procédures de redressement judiciaire
et de liquidation judiciaire).
La nécessité de suspendre la possibilité d’ouverture
d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise
d’assurance jusqu’à l’avis conforme de l’autorité de
contrôle s’explique également par les instruments de
redressement dont dispose l’autorité de contrôle. En
effet, à un stade précédant une résolution, l’autorité
de contrôle est, en principe, amenée à conduire une
phase de redressement à l’issue de laquelle l’on peut
attendre un rétablissement de la situation financière
de l’entreprise d’assurance en difficulté. Durant cette
phase, l’autorité de contrôle est appelée à mettre en
œuvre une série de mesures de redressement destinées
à remédier à la situation de manquement constaté (voy.
notamment les articles 504 à 517 du présent projet).
Soit la phase de redressement aboutit à redresser
l’entreprise d’assurance en difficulté. Soit, dans les cas
où les mesures de redressement ne peuvent restaurer
la situation financière de l’entreprise et que celle-ci
s’avère à ce point grave que la pérennité de l’entreprise
est menacée, la phase de résolution faisant l’objet du
Livre II, Titre VII est amenée à prendre le relais.
Afin d’éviter toutes interférences entre l’action de l’au-
torité de contrôle et la possibilité d’une ouverture d’une
procédure de faillite (on pense notamment aux larges
possibilités de saisine prévue par l’article 6 de la loi sur
les faillites), le présent projet prévoit ainsi de soumettre
l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une
entreprise d’assurance à l’avis conforme de l’autorité
de contrôle. Celle-ci sera ainsi en mesure d’estimer si
la procédure n’a pas lieu d’être, soit que la situation
financière de l’entreprise d’assurance est satisfaisante
et qu’elle ne requiert pas de mesure de redressement,
soit que les mesures mises en œuvre pour y remédier
sont de nature à la restaurer, soit encore que la dégra-
dation de la situation financière justifie l’application des
instruments de résolution prévus par ailleurs (on pense
ici aux mesures prévues aux articles 546 à 548).
343
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wat de procedurele modaliteiten voor het verkrijgen
van het advies van de toezichthouder betreft, neemt de
ontwerpbepaling de regeling van artikel 48/18 van de
wet van 9 juli 1975 over.
Wat dit aspect betreft, dient het verband te worden
gelegd met ontwerpartikel 549, dat bepaalt dat wanneer
de verslechtering van de financiële situatie van een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de
vergunning werd ingetrokken dit rechtvaardigt, de Bank
de situatie uit eigen beweging ter kennis kan brengen
van de rechtbank van koophandel. Deze mededeling
geldt als een aangifte van faillissement in de zin van
artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997.
Voor zover nodig wordt in ontwerpartikel 640 in limine
gepreciseerd dat het eensluidend advies niet vereist is
wanneer de mededeling wordt verricht met toepassing
van artikel 549.
Art. 641
Artikel 641 heeft als doel een indicatie te geven aan
de rechtbank van koophandel over de persoon van de
curator evenals over de persoon die aan de curator zou
worden toegevoegd op basis van artikel 27, vierde lid,
van de faillissementswet, met betrekking tot de techni-
sche competenties die vereist zouden zijn met het oog
op het vereffenen van de verzekeringsonderneming, en
in het bijzonder met betrekking tot de bijzondere ken-
merken en de graad van techniciteit van de activa en
passiva van de verzekeringsonderneming waarvan het
faillissement zou worden uitgesproken, in het bijzonder
de specificiteit van de verplichtingen van de onderne-
ming met betrekking tot de levensverzekeringsactiviteit.
Dit advies is niet bindend en heeft enkel tot doel de
rechtbank te informeren teneinde haar toe te laten de
meest gepaste beslissing te nemen.
TITEL II
Bijzondere regels in geval van een
liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het
Wetboek van Vennootschappen
Art. 642
In paragraaf 1 van artikel 642 wordt bepaald dat
voor elke (vrijwillige of gerechtelijke) ontbinding die tot
vereffening leidt, het eensluidend advies van de Bank
is vereist. In deze bepaling wordt ook gepreciseerd
dat deze verplichting niet geldt in geval van ontbin-
ding van rechtswege met toepassing van artikel 542,
d.w.z. wanneer de ontbinding voortvloeit uit het verlies
van de vergunning voor alle verzekeringstakken en/
of —activiteiten.
S’agissant des modalités procédurales en vue de
recevoir l’avis de l’autorité de contrôle, la disposition
en projet reprend le dispositif de l’article 48/18 de la loi
du 9 juillet 1975.
On doit sur cet aspect faire le lien avec l’article 549 en
projet qui prévoit, lorsque la détérioration de la situation
financière d’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance dont l’agrément a été retiré le justifie, que la
Banque peut, d’initiative, porter la situation à la connais-
sance du tribunal de commerce. Cette communication
vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites. Pour autant que de besoin,
l’article 640 in limine précise que l’avis conforme n’est
pas requis en cas de communication effectuée en appli-
cation de l’article 549.
Art. 641
L’article 641 a pour objet de fournir une indication au
tribunal de commerce sur la personne du curateur ainsi
que de la personne qui lui serait adjointe sur base de
l’article 27, alinéa 4 de la loi sur les faillites, au regard
des compétences techniques qui seraient requises en
vue de liquider l’entreprise d’assurance , en particulier
au regard de la particularité et du degré de technicité
des actifs et passifs de l’entreprise d’assurance dont la
faillite serait prononcée, en particulier de la spécificité
des engagements de l’entreprise dans le domaine de
l’activité vie. Cet avis n’est pas liant et n’a pour objet
que d’éclairer le tribunal aux fins de lui permettre de
prendre la décision la plus appropriée.
TITRE II
Des règles particulières en cas de procédure de
liquidation au sens de l’article 183 du Code
des sociétés
Art. 642
L’article 642 prévoit, en son paragraphe 1er, la
nécessité d’obtenir l’avis conforme de la Banque pré-
alablement à toute dissolution (volontaire ou judiciaire)
entraînant l’entrée en liquidation. Comme le précise
la disposition, cette obligation n’est pas d’application
lorsque la dissolution est de plein droit en application
de l’article 542, c.-à-d. lorsque la dissolution résulte de
la perte de l’agrément pour l’ensemble des branches
d’assurance et/ou activité d’assurance.
344
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Paragraaf 2 bepaalt in navolging van artikel 48/12,
§ 2 van de wet van 9 juli 1975 dat de liquidateur wordt
benoemd met goedkeuring van de Bank.
Overeenkomstig artikel 273, lid 3 van de Richtlijn
regelt paragraaf 3 de communicatie tussen de toezicht-
houders onderling en met de FSMA.
TITEL III
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende
de verschillende liquidatieprocedures en andere
gevallen van samenloop
De artikelen 643 en 644 zorgen voor de omzetting van
artikel 275 van de Richtlijn voor wat betreft de bescher-
ming die aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering
wordt verleend in de vorm van een wettelijk voorrecht.
Deze bescherming vormt de hoeksteen van het be-
schermingssysteem dat voor de schuldeisers uit hoofde
van verzekering wordt ingevoerd. Zij dient noodzakelij-
kerwijs als richtsnoer voor de interpretatie met betrek-
king tot de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor
een geordende afwikkeling van de verzekeringsonder-
nemingen waarvan de vergunning werd beëindigd (zie
de artikelen 546 tot 548 van Boek II, Titel VII, Hoofdstuk
III), in de mate dat deze instrumenten — wanneer zij
afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering — maar ten uitvoer kunnen wor-
den gelegd indien het niet nemen van deze maatregelen
een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit
hoofde van verzekering.
Er zij verwezen naar de commentaar hierboven
betreffende de behandeling van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering (zie de algemene toelichting
bij Boek VI).
BOEK V
II
SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN
OPHEFFINGSBEPALINGEN
TITEL I
Overgangsbepalingen
Titel I voorziet in de nodige bepalingen om de over-
gang tussen het regime van de wetten van 9 juli 1975 en
16 februari 2009 en hun uitvoeringsbesluiten- en regle-
menten enerzijds en de bepalingen van het voorliggende
ontwerp anderzijds te regelen. Het gaat met name om de
Le paragraphe 2 consacre, à l’instar de l’article 48/12,
§ 2 de la loi du 9 juillet 1975, la nomination du liquidateur
moyennant l’approbation de la Banque.
Conformément à l’article 273, paragraphe 3 de la
Directive, le paragraphe 3 règle la communication entre
autorités de contrôle ainsi qu’à l’égard de la FSMA.
TITRE III
Dispositions communes aux différentes procédures
de liquidation et autres situations de concours
Les articles 643 et 644 assurent la transposition de
l’article 275 de la Directive en ce qui concerne la pro-
tection des créanciers d’assurance conférée par voie
de privilège légal.
Cette protection constitue la pierre angulaire du
système de protection instauré au bénéfice des
créanciers d’assurance. Elle sert nécessairement de
guide d’interprétation concernant la mise en œuvre
des instruments en vue d’une résolution ordonnée
des entreprises d’assurance dont l’agrément a pris fin
(voy. les articles 546 à 548 prévus sous le Livre II, Titre
VII, Chapitre III), dans la mesure où ces instruments
— lorsqu’ils portent atteinte aux droits des créanciers
d’assurance — ne peuvent être mis en œuvre que si le
sort des créanciers d’assurance concernés s’avérerait
moins favorable à défaut de telles mesures.
On renvoie aux commentaires effectués ci-dessus
concernant le sort des créanciers d’assurance (voy. le
commentaire général du Livre VI).
LIVRE V
II
DISPOSITIONS FINALES, MODIFICATIVES,
TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES
TITRE IER
Dispositions transitoires
Le Titre I prévoit les dispositions nécessaires en vue
d’assurer la transition entre le régime issu des lois du
9 juillet 1975 et du 16 février 2009 et de leurs arrêtés et
règlements d’exécution et les dispositions du présent
projet. Il s’agit en particulier des règles classiques
345
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
klassieke regels die de continuïteit waarborgen van de
reglementaire en administratieve handelingen die con-
form de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 wor-
den gesteld en waarvan de juridische grondslag dezelfde
blijft in de nieuwe ontwerpwet. Daarnaast worden er in
deze Titel bepalingen uit de Richtlijn zelf overgenomen,
die zorgen voor een soepele overgang tussen het vroe-
gere regime en het door de Richtlijn ingevoerde regime,
met betrekking tot bepaalde vereisten inzake eigen ver-
mogen, openbaarmaking of technische voorzieningen.
Art. 645, 647, 648, 649 en 650
De ontwerpartikelen 645, 647, 648 en 650 waarborgen
de continuïteit van de reglementaire en administratieve
handelingen die conform de wetten van 9 juli 1975 en
16 februari 2009 worden gesteld en waarvan de juridi-
sche grondslag dezelfde blijft in de nieuwe ontwerpwet.
De artikelen 645 en 648 vormen een toepassing van
dit principe op de specifieke gevallen waarin reeds een
vergunning werd verleend.
Strikt genomen waarborgt ontwerpartikel 649 niet
de continuïteit van een rechtshandeling die onder de
oude regelgeving is aangenomen: de bepaling heeft
eigenlijk betrekking op de verzekeringsondernemin-
gen waarvoor artikel 38 van het koninklijk besluit
van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement
betreffende de controle op de verzekeringsonderne-
mingen voorzag in een vrijstelling van de vergunning
als herverzekeringsonderneming voor de uitoefening
van hun herverzekeringsactiviteiten. Voor die verzeke-
ringsondernemingen voorziet artikel 649 in een vergun-
ning van rechtswege als herverzekeringsonderneming.
Aangezien de ontwerpwet stringenter zal zijn voor deze
ondernemingen, zullen zij moeten nagaan in welke
mate zij in staat zullen zijn het nieuwe wettelijke kader
na te leven — in voorkomend geval in het licht van de
toepassing van ontwerpartikel 667 — om te bepalen of
zij al dan niet gebruik wensen te maken van de mogelijk-
heid om van rechtswege een vergunning te verkrijgen
overeenkomstig artikel 649.
Art. 646
Ontwerpartikel 646 voorziet in de nodige over-
gangsbepalingen voor verzekeringsondernemingen
die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling
zijn onderworpen (paragrafen 1 en 2) en voor lokale
verzekeringsondernemingen (paragraaf 3).
qui assurent la continuité des actes réglementaires et
administratifs posés sous les lois du 9 juillet 1975 et
du 16 février 2009 et dont la base juridique trouve une
correspondance sous la loi nouvelle en projet. Il s’agit
encore des dispositions issues de la Directive elle-
même et qui assurent une transition souple entre le
régime antérieur et le régime qu’elle établit, concernant
certaines exigences tant en matière de fonds propres,
de publicité ou encore d’exigences relatives aux provi-
sions techniques.
Art. 645, 647, 648, 649 et 650
Les articles 645, 647, 648 et 650 en projet assurent la
continuité des actes réglementaires et administratifs po-
sés sous la loi du 9 juillet 1975 et la loi 16 février 2009 et
dont la base juridique trouve une correspondance sous
la loi nouvelle en projet. Les articles 645 et 648 consti-
tuent une application de ce principe aux cas particuliers
des agréments antérieurement octroyés.
S’agissant de l’article 649 en projet cette disposition
n’assure pas, à proprement parler, la continuité d’un
acte juridique adopté sous l’ancienne réglementation:
la disposition vise, en réalité, les entreprises d’assu-
rance pour lesquelles l’article 38 de l’arrêté royal du
22 février 1991 portant règlement général du contrôle
des entreprises d’assurances prévoyait une dispense
d’agrément en qualité d’entreprise de réassurance
pour l’exercice de leur activité de réassurance. Pour
ces entreprises d’assurance, l’article 649 prévoit un
agrément de plein droit en qualité d’entreprise de
réassurance. Dès lors que l’application de loi en projet
s’avérera plus contraignante pour ces entreprises, elles
devront évaluer leur capacité de respecter le nouveau
cadre légal — le cas échéant, à la lumière du bénéfice
de l’article 667 en projet — pour déterminer si elles
entendent utiliser le bénéfice de l’agrément de plein
droit conféré par l’article 649 ou y renoncer.
Art. 646
L’article 646 en projet prévoit les dispositions tran-
sitoires nécessaires aux entreprises d’assurance sou-
mises à un régime particulier en raison de leur taille
(paragraphes 1er et 2) et aux entreprises d’assurance
locales (paragraphe 3).
346
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 651
De rechtspersonen die op 7 mei 2014 (datum van
inwerkingtreding van de wet van 25 april 2014 houdende
diverse bepalingen) een functie uitoefenden van lid van
het wettelijk bestuursorgaan van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, mochten op grond van de
overgangsbepaling van artikel 197 van de voornoemde
wet van 25 april 2014 hun lopende mandaat blijven
uitoefenen tot het verstreek.
Ontwerpartikel 653 voorziet in het behoud van de
overgangsperiode van artikel 197 van de wet van
25 april 2014 houdende diverse bepalingen. Tijdens
deze periode worden de voorwaarden inzake profes-
sionele betrouwbaarheid en deskundigheid beoordeeld
in hoofde van hun vaste vertegenwoordiger. Wat de
artikelen 198 en 199 van deze wet betreft, die voorzagen
in een overgangsperiode voor de verplichting om een
directiecomité op te richten, moet er in het voorliggende
ontwerp niet in een specifieke bepaling worden voorzien
aangezien de vastgestelde overgangsperiode eindigt
op 1 januari 2016, datum van inwerkingtreding van het
voorliggende ontwerp.
Art. 652
De paragrafen 1 en 2 van de bepaling voorzien in
een periode van zes maanden om de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen de nodige tijd te geven
om een remuneratiecomité en een risicocomité op te
richten en om te voldoen aan de vereisten met betrek-
king tot de risicobeheerfunctie.
Artikel 652 voorziet in een overgangsperiode, die
eindigt op 30 juni 2016, voor leningen, kredieten of
borgstellingen en verzekeringsovereenkomsten die niet
voldoen aan de voorschriften van artikel 93 van de wet.
Art. 653
Ontwerpartikel 653 zorgt voor de omzetting van artikel
51, lid 2, derde alinea van de Richtlijn inzake de aparte
bekendmaking van de kapitaalopslagfactor of het effect
van de specifieke parameters die de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming overeenkomstig artikel
166 moet hanteren.
Art. 651
Les personnes morales qui, au 7 mai 2014 (date
d’entrée en vigueur de la loi du 25 avril 2014 portant
des dispositions diverses), exerçaient une fonction
de membre de l’organe légal d’administration d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance, étaient,
en application de la disposition transitoire contenue à
l’article 197 de la loi précitée du 25 avril 2014, autorisées
à poursuivre l’exercice de leur mandat en cours jusqu’à
l’expiration de celui-ci.
L’article 653 en projet assure le maintien de la
période transitoire prévue par l’article 197 de la loi du
25 avril 2014 portant des dispositions diverses. On
rappelle que pendant cette période, les conditions
d’honorabilité professionnelle et d’expertise s’appré-
cient dans le chef de leur représentant permanent. On
précise que s’agissant des articles 198 et 199 de cette
loi qui assuraient une période transitoire concernant
l’obligation de constituer un comité de direction, il n’y
a pas lieu de prévoir une disposition spécifique dans
le présent projet dès lors que la période transitoire qui
était prévue s’achève au 1er janvier 2016, date d’entrée
en vigueur du présent projet.
Art. 652
Les paragraphes 1er et 2 de la disposition prévoient
une période de six mois afin de permettre aux entre-
prises d’assurance et de réassurance de disposer du
temps nécessaire à la mise en place des comités de
rémunération et des risques ainsi qu’au respect des
exigences relatives à la fonction de gestion des risques.
L’article 652, § 3 en projet organise une période
transitoire, venant à échéance le 30 juin 2016, pour les
prêts, crédits ou garanties et contrats d’assurance qui
ne respectent pas le prescrit de l’article 93 de la loi.
Art. 653
L’article 653 en projet assure la transposition de l’ar-
ticle 51, paragraphe 2, alinéa 3 de la Directive en matière
de publication séparée concernant des exigences de
capital supplémentaire ou l’effet des paramètres spéci-
fiques que l’entreprise d’assurance ou de réassurance
est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166.
347
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 654
Ontwerpartikel 654 maakt gebruik van de optie die
in artikel 129, lid 3, tweede alinea van de Richtlijn wordt
geboden.
Art. 655
Ontwerpartikel 655 voorziet in het behoud van de
maximale rentevoeten als bepaald onder de vroegere
regelgeving en dit voor wat betreft zowel de rentevoeten
met betrekking tot de verrichtingen van lange duur als
die met betrekking tot de verrichtingen van korte duur,
tot nieuwe maximale rentevoeten worden vastgelegd
met toepassing van de nieuwe wet.
Art. 656
Ontwerpartikel 656 bepaalt dat de verzekeringsonder-
nemingen als bedoeld in artikel 223, te weten die welke
binnen bepaalde limieten tegelijk levensverzekeringsac-
tiviteiten en niet-levensverzekeringsactiviteiten mogen
uitoefenen, hun herverzekeringsactiviteiten samen met
hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten hetzij met hun
niet-levensverzekeringsactiviteiten mogen beheren; de
overige bepalingen met betrekking tot de gelijktijdige
uitoefening van de levens- en niet-levensverzekerings-
activiteiten blijven van toepassing.
Art. 657
Ter wille van de transparantie verplicht ontwerpar-
tikel 657 de onderlinge verzekeringsverenigingen als
bedoeld in artikel 244 om tegen 31 december 2017 hun
statuten, verzekeringsovereenkomsten en alle voor het
publiek bestemde documenten formeel aan te passen
voor wat de vermelding van hun rechtsvorm betreft.
Art. 658
Ontwerpartikel 658 zorgt voor de omzetting van
artikel 308ter, leden 1 tot 4 van de Richtlijn, die be-
trekking hebben op de zogenaamde verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen in “run off”, die op
1 januari 2016 hun voornemen kenbaar zouden hebben
gemaakt om hun activiteiten stop te zetten en bijgevolg
niet langer nieuwe verzekerings- en herverzekerings-
overeenkomsten sluiten, en die voldoen aan de in dat
artikel bepaalde voorwaarden, inzonderheid het feit dat
ze zich ten aanzien van de Bank ertoe verbinden om hun
lopende activiteiten te staken tegen 1 januari 2019 of dat
ze onderworpen zijn aan saneringsmaatregelen en dat
een voorlopige bewindvoerder is aangesteld.
Art. 654
L’article 654 en projet fait usage de l’option laissée
ouverte par l’article 129, paragraphe 3, alinéa 2 de la
Directive.
Art. 655
L’article 655 en projet consacre le maintien des taux
maximums définis sous la réglementation antérieure
et ce, tant en ce qui concerne taux relatifs aux opéra-
tions de longue durée que ceux relatifs aux opérations
de courte durée, jusqu’à la fixation de nouveaux taux
maximums en application de la loi nouvelle.
Art. 656
L’article 656 en projet permet aux entreprises d’assu-
rance visées à l’article 223, à savoir celles qui peuvent,
dans certaines limites, exercer conjointement des activi-
tés vie et non-vie, de gérer leur activité de réassurance
corrélative conjointement; les autres dispositions rela-
tives à l’exercice simultané des activités d’assurance
vie et non-vie demeurant applicables.
Art. 657
Dans un souci de transparence, l’article 657 en
projet impose aux associations d’assurance mutuelle
visées à l’article 244 d’adapter formellement, pour le
31 décembre 2017, leurs statuts, contrats d’assurance
et tous documents à destination du public, en ce qui
concerne l’indication de leur forme juridique.
Art. 658
L’article 658 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphes 1er à 4 de la Directive qui
concernent les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance, dites en “run off”, qui auraient, au 1er janvier 2016,
manifesté leur intention de cesser leurs activités et ces-
sé en conséquence de souscrire tous nouveaux contrats
d’assurance ou de réassurance et qui remplissent les
conditions prévues audit article, en particulier le fait
qu’elles s’engagent auprès de la Banque à mettre fin
aux activités en cours pour le 1er janvier 2019 ou qu’elles
fassent l’objet de mesures d’assainissement et qu’un
administrateur provisoire ait été désigné.
348
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze overgangsbepaling heeft weinig praktisch
nut, maar toch is een omzetting van de Richtlijn op dit
punt noodzakelijk, aangezien er niet kan van worden
uitgegaan dat er zich geen toepassingsgevallen zullen
voordoen.
Art. 659
De paragrafen 1 en 2 van ontwerpartikel 659 zorgen
voor de omzetting van respectievelijk de leden 5 en
7 van artikel 308ter van de Richtlijn.
Het gaat om de termijnen waarbinnen de in artikel
312 bedoelde informatie moet worden verstrekt, waarbij
de ontwerpbepaling een onderscheid maakt tussen een
jaarlijkse of minder frequente periodiciteit (paragraaf 1)
of eenmaal per kwartaal (paragraaf 2).
Art. 660
Ontwerpartikel 660 zorgt voor de omzetting van artikel
308ter, lid 6 van de Richtlijn. Het betreft de termijnen
waarbinnen de in de artikelen 95 en 96 bedoelde in-
formatie moet worden verstrekt, en die tijdelijk worden
verlengd, met evenwel een degressie van die verlenging.
Art. 661
Ontwerpartikel 661, dat zorgt voor de omzetting van
artikel 308ter, lid 8 van de Richtlijn, verklaart de artikelen
659 en 660 van toepassing op het niveau van de groep,
met dien verstande dat de termijnen worden aangepast
overeenkomstig de Richtlijn.
Art. 662 en 663
De ontwerpartikelen 662 en 663 zorgen voor de om-
zetting van artikel 308ter, leden 9 en 10 van de Richtlijn,
die respectievelijk gewijd zijn aan de gelijkstelling met
Tier 1- en Tier 2-kernvermogen van kernvermogens-
bestanddelen die uitgegeven zijn vóór 18 januari 2015.
Die datum stemt overeen met de inwerkingtreding van
Verordening 2015/35.
Aangezien geoordeeld werd dat de bepalingen van
de Richtlijn voor wat deze aspecten betreft getuigden
van een maximale harmonisatie, voorziet het voorlig-
gende ontwerp niet in een progressieve vermindering
(bijvoorbeeld gedurende de vijf jaar die voorafgaan aan
de vervaldag) van de bedragen ten belope waarvan
de kernvermogensbestanddelen met vaste looptijd
Cette disposition transitoire présente peu d’intérêt
pratique mais une transposition de la Directive sur ce
point s’avère néanmoins nécessaire dès lors qu’on ne
peut prédire la non-survenance de cas d’application.
Art. 659
Les paragraphes 1er et 2 de l’article 659 en projet
assurent la transposition respectivement des para-
graphes 5 et 7 de l’article 308ter de la Directive.
Il s’agit des délais dans lesquels les informations
visées à l’article 312 doivent être fournies, la disposi-
tion en projet distinguant selon que la périodicité soit
annuelle ou moins fréquente (paragraphe 1er) ou qu’elle
soit trimestrielle (paragraphe 2).
Art. 660
L’article 660 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphe 6 de la Directive. Il s’agit
des délais dans lesquels les informations visées aux
articles 95 et 96 doivent être fournies et qui se trouvent
temporairement prolongées avec néanmoins dégressi-
vité de cet allongement.
Art. 661
L’article 661 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphe 8 de la Directive en ce qu’il
rend applicables les articles 659 et 660 au niveau du
groupe moyennant l’adaptation des délais conformé-
ment à la Directive.
Art. 662 et 663
Les articles 662 et 663 en projet assurent la trans-
position de l’article 308ter, paragraphes 9 et 10 de
la Directive respectivement consacrés à l’assimila-
tion à des fonds propres de base de niveau 1 et de
niveau 2 pour des éléments de fonds propres de base
émis avant le 18 janvier 2015, date qui correspond à
l’entrée en vigueur du Règlement 2015/35.
Dès lors qu’il a été considéré que les dispositions de
la Directive étaient, sur ces aspects, d’harmonisation
maximale, le présent projet ne prévoit pas une diminution
progressive (par exemple durant les cinq années précé-
dant l’échéance) des montants à concurrence desquels
les éléments de fonds propres de base à échéance
fixe peuvent bénéficier des assimilations prévues, à
349
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bij wijze van overgangsmaatregel met Tier 1- of Tier
2-kernvermogen gelijkgesteld kunnen worden overeen-
komstig de artikelen 662 en 663. Om te vermijden dat
ze plotseling geconfronteerd worden met een situatie
van ontoereikendheid van het eigen vermogen, zullen
de ondernemingen die in aanmerking komen voor de
toepassing van deze overgangsbepalingen, ervoor
zorgen dat ze een beleid vastleggen en uitvoeren dat
anticipeert op het feit dat hun eigenvermogensbehoeften
het hoofd moeten kunnen bieden aan hun wettelijke en
reglementaire verplichtingen ter zake. Bij ontstentenis
zal de Bank haar toevlucht moeten nemen tot corrige-
rende maatregelen, met name het opleggen van een
kapitaalopslag.
Art. 664
Ontwerpartikel 664 zorgt voor de omzetting van artikel
308ter, lid 11 van de Richtlijn.
Art. 665
Ontwerpartikel 665 zorgt voor de omzetting van artikel
308ter, lid 12 van de Richtlijn.
Art. 666
Ontwerpartikel 666 zorgt voor de omzetting van artikel
308ter, lid 13 van de Richtlijn.
Art. 667
Ontwerpartikel 667 zorgt voor de omzetting van artikel
308ter, lid 14 van de Richtlijn, dat betrekking heeft op
het geval van de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen waarvan de solvabiliteitsmargevereisten
als bepaald in de wet van 9 juli 1975 of de wet van
16 februari 2009, worden nageleefd, maar die niet vol-
doen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste in het eerste
jaar van toepassing van de ontwerpwet. In dat geval
verlangt de Bank dat de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen
neemt om uiterlijk op 31 december 2017 het in aan-
merking komend eigen vermogen ter dekking van het
solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan
het solvabiliteitskapitaalvereiste. De bepaling legt een
monitoringprocedure op die inhoudt dat de onderneming
tussentijdse verslagen moet indienen, die aantonen
welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking
komend eigen vermogen ter dekking van het solvabili-
teitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of om haar
titre transitoire, par les articles 662 et 663. Afin d’éviter
d’être confrontées à une situation d’insuffisance en
fonds propres survenant abruptement, les entreprises
bénéficiant desdites dispositions transitoires veilleront
à adopter et à mettre en œuvre une politique d’anticipa-
tion de leurs besoins en fonds propres à même de faire
face à leurs obligations légales et réglementaires en la
matière. À défaut, il s’indiquera que la Banque recoure à
l’application de mesures correctrices, notamment sous
l’angle d’exigences de capital supplémentaire.
Art. 664
L’article 664 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphe 11 de la Directive.
Art. 665
L’article 665 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphe 12 de la Directive.
Art. 666
L’article 666 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphe 13 de la Directive.
Art. 667
L’article 667 en projet assure la transposition de
l’article 308ter, paragraphe 14 de la Directive qui
concerne l’hypothèse d’entreprises d’assurance ou
de réassurance dont les exigences de marge de sol-
vabilité prévues sous la loi du 9 juillet 1975 ou la loi du
16 février 2009 sont respectées mais qui ne respectent
pas le capital de solvabilité requis durant la première
année d’application de la loi en projet. Dans pareil
cas, la Banque exige de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures
nécessaires pour établir le niveau de fonds propres éli-
gibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire
son profil de risque afin de garantir le respect de l’exi-
gence de capital de solvabilité au 31 décembre 2017.
La disposition impose une procédure de suivi par voie
de rapports intermédiaires destinés à démontrer les
progrès accomplis en vue de rétablir le niveau de fonds
propres éligibles correspondant au capital de solvabilité
requis ou de réduire le profil de risque afin de garantir
la conformité du capital de solvabilité requis. À défaut
350
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan
het solvabiliteitskapitaalvereiste. Wanneer uit deze ver-
slagen blijkt dat er geen vooruitgang is geboekt, trekt de
Bank de verlenging van de termijn waarin de bepaling
voorziet (31 december 2017), in.
Art. 668
Ontwerpartikel 668 zorgt voor de omzetting van artikel
308quater van de Richtlijn dat, om de overgang van het
oude regelgevingskader (Solvency I) naar de nieuwe
regeling van de Richtlijn (Solvency II) te versoepelen,
een uitzonderingsregeling instelt met betrekking tot de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor de levens-
verzekerings- en —herverzekeringsverplichtingen (in
de zin van respectievelijk artikel 15, 17° en 24° van de
ontwerpwet) die voldoen aan de volgende voorwaarden:
Zo bepaalt het eerste lid, dat lid 3 van artikel
308quater omzet, welke verzekerings- en herverze-
keringsverplichtingen in aanmerking komen voor de
overgangsmaatregel; het gaat om de verzekerings- en
herverzekeringsverplichtingen:
1° die voortvloeien uit overeenkomsten die vóór
1 januari 2016 zijn gesloten (met uitzondering van
de verlengingen van overeenkomsten vanaf die da-
tum). Hoewel artikel 308quater, lid 3 van de Richtlijn
bepaalt dat verplichtingen die in aanmerking komen
voor de overgangsmaatregel, verplichtingen zijn die
vóór de eerste datum van toepassing van de Richtlijn
zijn gesloten en dat die datum krachtens artikel 311,
tweede alinea, 1 april 2015 is, wordt in het ontwerp toch
1 januari 2016 als datum gekozen, om de maatregel in
overeenstemming te brengen met deze waarin artikel
308quinquies voorziet. Hierdoor wordt een in de Richtlijn
gemaakte technische fout rechtgezet;
2° waarvoor de technische voorzieningen tot
1 januari 2016 zijn vastgesteld overeenkomstig de
vroegere wettelijke regeling (wet van 9 juli 1975 / wet
van 16 februari 2009);
3° waarvoor de matchingopslag als bedoeld in artikel
129 niet wordt toegepast.
Paragraaf 2 van de ontwerpbepaling verduidelijkt wat
de uitzonderingsregeling die bij wijze van overgangs-
maatregel is vastgesteld, inhoudt. Deze regeling maakt
het mogelijk om, in elke valuta, de matchingopslag te
berekenen als een deel van het verschil tussen twee
waarden, namelijk:
1° enerzijds de rentevoet die de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming op 31 december 2015 heeft
de tels progrès démontrés par ces rapports, la Banque
retire le bénéfice du délai (31 décembre 2017) prévu
par la disposition.
Art. 668
L’article 668 en projet assure la transposition de l’ar-
ticle 308quater de la Directive qui, aux fins d’assouplir le
passage de l’ancien régime réglementaire (Solvency I)
au nouveau régime de la Directive (Solvency II), établit
un régime dérogatoire concernant la courbe pertinente
des taux d’intérêt sans risque pour les engagements
d’assurance-vie et de réassurance vie (au sens res-
pectivement de l’article 15, 17° et 24° de la loi en projet)
répondant à certaines conditions.
Ainsi, l’alinéa 1er, en ce qu’il transpose le para-
graphe 3 de l’article 308quater, définit les engagements
d’assurance et de réassurance admissibles à la dispo-
sition transitoire; il s’agit des engagements d’assurance
ou de réassurance:
1° qui découlent de contrats conclus avant le 1er jan-
vier 2016 (à l’exclusion des renouvellements de contrats
qui ont lieu à partir de cette date). Bien que la Directive,
en son article 308quater, paragraphe 3, définit les enga-
gements éligibles à la mesure transitoire comme étant
ceux conclus avant la première date d’application de la
Directive et que cette date correspond, en application
de son article 311, alinéa 2, au 1er avril 2015, le projet
retient néanmoins la date du 1er janvier 2016 afin d’ali-
gner la mesure sur celle prévue à l’article 308quinquies,
corrigeant en cela une erreur technique contenue dans
la Directive;
2° pour lesquels, les provisions techniques consti-
tuées, jusqu’au 1er janvier 2016, ont été déterminées
en conformité avec le régime légal antérieur (loi du
9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009);
3° pour lesquels l’ajustement égalisateur visé à
l’article 129 n’est pas appliqué.
Le paragraphe 2 de la disposition en projet précise
en quoi consiste le régime dérogatoire transitoire. Ce
régime permet, dans chaque devise, de calculer l’ajus-
tement comme une part de la différence entre deux
valeurs que sont:
1° d’une part, le taux d’intérêt déterminé par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance au
351
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
vastgesteld overeenkomstig de vroegere wettelijke re-
geling (wet van 9 juli 1975 / wet van 16 februari 2009).
Die datum stemt overeen met de laatste datum van
toepassing van Richtlijn 2002/83/EG;
2° en anderzijds de jaarlijkse effectieve rente, bere-
kend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt
toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van ver-
zekerings- en herverzekeringsverplichtingen, resulteert
in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste
schatting van de portefeuille van die verzekerings- en
herverzekeringsverplichtingen met inachtneming van
de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in
artikel 126, § 2. Met andere woorden, het gaat er hier
om een unieke discontovoet voor alle betrokken kas-
stromen te bepalen.
Dit aldus berekende verschil neemt aan het eind van
elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op
1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032.
Om van deze overgangsregeling te kunnen genieten,
moeten de aanvragende ondernemingen aan de hand
van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt
aantonen dat zij op grond van geloofwaardige progno-
ses met betrekking tot de marktomstandigheden en hun
risicotolerantielimieten, in staat zijn om gedurende de
volledige overgangsperiode te voldoen aan de solvabili-
teitsvereisten, rekening houdend met de toepassing van
de voornoemde regels inzake lineaire vermindering. De
aldus verstrekte beoordelingen moeten verplicht reke-
ning houden met coherente en realistische hypothesen
en met verschillende economische omstandigheden.
Paragraaf 3 verduidelijkt de te volgen procedure om
de toestemming van de Bank te verkrijgen om van de
vermelde overgangsregeling te genieten.
Zoals aangegeven in het inleidende gedeelte van
de bepaling, wordt verduidelijkt dat deze maatregel
enkel betrekking heeft op de takken “leven” en dat hij
bovendien, overeenkomstig artikel 308quater, lid 4,
b) — juncto artikel 308quinquies, lid 5, a) — van de
Richtlijn, niet mag worden gecumuleerd met het genot
van de overgangsmaatregel betreffende de vaststel-
ling van de waarde van de technische voorzieningen
als bepaald in ontwerpartikel 669. Terwijl de in artikel
308quater bepaalde overgangsmaatregel de nieuwe
regeling tijdelijk beoogt te versoepelen aan de hand
van de discontovoet, doet artikel 308quinquies dit
aan de hand van de vaststelling van de waarde van
de technische voorzieningen. Het kwam er derhalve
op aan te voorzien in een verbod op de cumulatie van
deze twee overgangsregelingen. Het is dit verbod op
31 décembre 2015 conformément au régime légal anté-
rieur (loi du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009), cette
date correspondant à la dernière date d’application de
la directive 2002/83/CE;
2° et d’autre part, le taux annuel effectif, calculé
comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était
appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’enga-
gements d’assurance et de réassurance, donnerait
une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation
du portefeuille de ces engagements d’assurance et
de réassurance pour laquelle la valeur temporelle de
l’argent est prise en compte en suivant la courbe perti-
nente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126,
§ 2. En d’autres termes, il s’agit là de la détermination
d’un taux d’actualisation unique pour l’ensemble des
cash-flows concernés.
Cette différence ainsi calculée diminue d’une manière
linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100 % pour la
première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à
0 % au 1er janvier 2032.
Aux fins de bénéficier de ce régime transitoire,
les entreprises demanderesses doivent démontrer,
au moyen d’un dossier dont la Banque détermine
le contenu, qu’elles sont, sur la base de projections
crédibles des conditions de marché et de leurs limites
de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire aux
exigences de solvabilité, tout au long de la période
transitoire, compte tenu de l’application des modalités
de diminution linéaire précitées. Les évaluations ainsi
soumises doivent donc nécessairement tenir compte
d’hypothèses cohérentes et réalistes et de différentes
circonstances économiques.
Le paragraphe 3 précise la procédure à suivre afin
d’obtenir l’autorisation de la Banque de bénéficier dudit
régime transitoire.
Comme l’indique la partie liminaire de la disposi-
tion, on précise que la présente mesure ne concerne
que les branches “vie” et qu’elle ne peut en outre,
conformément à l’article 308quater, paragraphe 4,
b) — juncto article 308quinquies, paragraphe 5, a)
— de la Directive, être cumulée avec le bénéfice de
la disposition transitoire relative à la détermination
de la valeur des provisions techniques prévues sous
l’article 669 en projet. Alors que la mesure transitoire
prévue sous l’article 308quater concrétise un assou-
plissement temporaire du nouveau régime par la voie
du taux d’actualisation, l’article 308quinquies le fait par
le biais de la détermination de la valeur des provisions
techniques. Il y avait donc lieu de prévoir une interdiction
de cumul de ces deux régimes transitoires. C’est cette
interdiction de cumul — dont le respect s’apprécie par
352
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
cumulatie — waarvan de naleving afzonderlijk wordt
beoordeeld voor elk type van verplichtingen die onder
de uitzonderingsregeling vallen — dat in ontwerpartikel
670 wordt uitgedrukt.
Ontwerpartikel 671 bepaalt de verplichtingen tot
informatieverstrekking voor de ondernemingen die van
de overgangsmaatregel genieten.
Art. 669
Ontwerpartikel 669 zorgt voor de omzetting van artikel
308quinquies van de Richtlijn die, teneinde de overgang
naar de nieuwe regeling te versoepelen, een uitzonde-
ringsregeling instelt met betrekking tot de vaststelling
van de waarde van de technische voorzieningen met
betrekking tot de op 1 januari 2016 bestaande verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen. Mits de Bank
haar toestemming verleent, bestaat deze regeling in de
toepassing van een aftrek op het bedrag van de techni-
sche voorzieningen dat vereist zou zijn met toepassing
van de nieuwe regelgeving die het voorwerp uitmaakt
van het voorliggende ontwerp.
Het tweede lid, dat lid 2 van artikel 308quinquies
omzet, bepaalt waaruit de aftrek bestaat die kan worden
toegepast op de technische voorzieningen. Het komt
er in een eerste fase op aan het verschil te berekenen
tussen:
1° enerzijds, het bedrag berekend per
1 januari 2016 met toepassing van de bepalingen van
de ontwerpwet (na aftrek van de schuldvorderingen die
voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en
effectiseringsvehikels); en
2° anderzijds, het bedrag berekend per
31 december 2015 overeenkomstig de vroegere
wettelijke regeling (wet van 9 juli 1975 / wet van
16 februari 2009), na aftrek van de schuldvorderingen
die voortvloeien uit de herverzekeringsovereenkomsten.
Voor zover nodig zij vermeld dat, indien “knipperlicht-
voorzieningen” worden opgelegd door deze wettelijke
regeling, zij verplicht moeten worden opgenomen in de
berekening.
Het maximaal aftrekbare gedeelte op de technische
voorzieningen stemt overeen met dit aldus berekende
verschil, dat evenwel lineair moet verminderen tussen
2016 en 2032, teneinde de overgang naar de toepas-
sing van de nieuwe regeling gelijkmatig in de tijd af te
vlakken.
Uit de lineariteit van dit mechanisme volgt dat de te
respecteren functie permanent is. Paragraaf 1, vijfde lid,
engagements concernés par le régime dérogatoire —
qu’exprime l’article 670 en projet.
L’article 671 en projet précise les obligations en
matière d’information dans le chef des entreprises
bénéficiant de la mesure transitoire.
Art. 669
L’article 669 en projet assure la transposition de
l’article 308quinquies de la Directive qui établit, aux fins
d’assouplir le passage au nouveau régime, un régime
dérogatoire concernant la détermination de la valeur
des provisions techniques en ce qui concerne les enga-
gements d’assurance ou de réassurance existants au
1er janvier 2016. Ce régime consiste, moyennant l’autori-
sation de la Banque, dans une déduction applicable en
ce qui concerne le montant des provisions techniques
qui serait requis en application de la réglementation
nouvelle faisant l’objet du présent projet.
L’alinéa 2, qui transpose le paragraphe 2 de l’article
308quinquies, définit en quoi consiste la déduction qui
peut être apportée aux provisions techniques. Il s’agit,
dans un premier temps, de calculer la différence entre:
1° d’une part, le montant calculé au 1er janvier 2016 en
application des dispositions de la loi en projet (après
déduction des créances découlant des contrats de
réassurance et des véhicules de titrisation); et
2° d ’autre par t, le montant calculé au
31 décembre 2015 conformément au régime légal
antérieur (loi du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009),
après déduction des créances découlant des contrats
de réassurance. Pour autant que de besoin, on indique
que dans la mesure où les provisions “clignotants” sont
imposées par ce régime légal, elles sont nécessaire-
ment inclues dans le calcul.
La part déductible maximale des provisions tech-
niques correspond à cette différence ainsi calculée qui
est toutefois appelée à diminuer, d’une manière linéaire,
entre 2016 et 2032 afin de lisser uniformément dans le
temps le passage à l’application du nouveau régime.
Il résulte de la linéarité de ce mécanisme que la
fonction à respecter est permanente. Le paragraphe 1er,
353
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bepaalt evenwel de gevallen waarin deze functie kan
worden gewijzigd en aldus worden herberekend, hetzij
op verzoek van de Bank hetzij met haar toestemming,
wanneer het risicoprofiel van de onderneming wezen-
lijk is veranderd als gevolg van een verwerving of een
overdracht van op 1 januari 2016 bestaande verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen. Zodoende zou
de portefeuilleverwerving of —overdracht kunnen leiden
tot een verplaatsing van de betrokken functie (die er de
hoekcoëfficiënt niet van wijzigt).
Net als voor ontwerpartikel 668, is voor de toepassing
van deze aftrek de toestemming van de Bank vereist.
Zo bepaalt paragraaf 2 dat deze overgangsregeling
enkel kan worden toegepast als wordt aangetoond, aan
de hand van een dossier waarvan de Bank de inhoud
bepaalt, dat de aanvragende ondernemingen op grond
van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de
marktomstandigheden en hun risicotolerantielimieten, in
staat zijn om gedurende de volledige overgangsperiode
te voldoen aan de regels inzake lineaire vermindering
van de aftrek. De aldus verstrekte beoordelingen moe-
ten dus verplicht rekening houden met coherente en
realistische hypothesen en met verschillende econo-
mische omstandigheden, inzonderheid met betrekking
tot de conjunctuur inzake rentevoeten. De genoemde
paragraaf bepaalt de procedure die gevolgd moet wor-
den om de toestemming van de Bank te verkrijgen om
van deze overgangsregeling te genieten.
De bepaling (paragraaf 2, vierde lid) preciseert dat
de Bank de aftrek kan beperken indien de toepassing
ervan zou kunnen resulteren in een vermindering van
de financiële middelen die overeenkomstig de vroe-
gere wettelijke regeling (wet van 9 juli 1975 / wet van
16 februari 2009) zijn vereist voor de onderneming.
Evenzo kan de Bank, om te garanderen dat de on-
derneming de voornoemde regels inzake lineaire ver-
mindering van de aftrek naleeft, aan haar toestemming
voorwaarden verbinden waarvan de niet-naleving haar
toelaat een einde te maken aan de gegeven toestem-
ming. Zo zou zij de onderneming kunnen onderwerpen
aan stresstests die dit vermogen beoordelen.
Teneinde de tenuitvoerlegging van het mechanisme
vlot te laten verlopen, voorziet de bepaling nog in de
mogelijkheid voor de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen om te verzoeken om de toepassing van
de overgangsmaatregel tijdens de periode van 16 jaar. In
een dergelijk geval zal de onderneming die een derge-
lijke toestemming heeft gekregen, moeten voldoen aan
de functie die werd vastgesteld alsof het mechanisme
was toegepast vanaf het eerste jaar (2016).
alinéa 5 prévoit néanmoins les cas où cette fonction
peut connaître une modification et être ainsi recalculée
soit à la demande de la Banque soit moyennant son
autorisation, lorsque le profil de risque de l’entreprise
connaît un changement sensible à la suite d’une acqui-
sition ou d’une cession d’engagements d’assurance ou
de réassurance qui existaient au 1er janvier 2016. De la
sorte, l’acquisition ou la cession de portefeuille pourrait
mener à un déplacement de la fonction concernée (qui
n’en modifie pas le coefficient angulaire).
Tout comme pour l’article 668 en projet, le bénéfice
de cette déduction requiert l’autorisation de la Banque.
Ainsi, le paragraphe 2 prévoit que le bénéfice de ce ré-
gime transitoire ne peut être octroyé que s’il est démon-
tré, au moyen d’un dossier dont la Banque détermine
le contenu, que les entreprises demanderesses sont,
sur la base de projections crédibles des conditions de
marché et de leurs limites de tolérance aux risques, en
mesure de satisfaire aux modalités de réduction linéaire
de la déduction, tout au long de la période transitoire.
Les évaluations ainsi soumises doivent donc néces-
sairement tenir compte d’hypothèses cohérentes et
réalistes et de différentes circonstances économiques,
en particulier s’agissant de la conjoncture en matière de
taux d’intérêts. Ledit paragraphe précise la procédure
à suivre afin d’obtenir l’autorisation de la Banque de
bénéficier de ce régime transitoire.
La disposition (paragraphe 2, alinéa 4) précise que la
Banque peut limiter la déduction si son application est
susceptible de se traduire par de moindres exigences
en matière de ressources financières applicables à
l’entreprise conformément au régime légal antérieur (loi
du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009).
De même, afin de s’assurer du respect par l’entre-
prise des modalités de diminution linéaire de la déduc-
tion précitées, la Banque peut également assortir son
autorisation de conditions dont le non-respect lui permet
de mettre fin à l’autorisation donnée. Il pourrait en être
ainsi de la soumission à des tests de résistance évaluant
cette capacité.
Afin d’organiser la souplesse nécessaire à la mise
en œuvre du mécanisme, la disposition prévoit encore
la possibilité pour les entreprises d’assurance ou de
réassurance de demander le bénéfice de la mesure
transitoire au cours de la période de 16 ans. En pareille
hypothèse, l’entreprise qui aurait obtenu une telle
autorisation devra se conformer à la fonction détermi-
née comme si le mécanisme avait été appliqué dès la
première année (2016).
354
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Paragraaf 3 zorgt voor de omzetting van artikel
308quinquies, lid 5, onder c) van de Richtlijn door de
ondernemingen die de overgangsaftrek toepassen op
de technische voorzieningen, te verplichten om in hun
verslag over hun solvabiliteit en hun financiële positie
als bedoeld in de artikelen 95 en 96, aan te geven dat ze
deze overgangsregeling toepassen en dat ze het effect
kwantificeren dat het niet toepassen van deze maatregel
zou hebben op hun financiële positie.
Art. 670
Zoals verduidelijkt in de commentaar bij artikel 668,
zorgt ontwerpartikel 670 voor de omzetting van de arti-
kelen 308quater, lid 4, onder b) en 308quinquies, lid 5,
onder a) van de Richtlijn, krachtens dewelke de twee
uitzonderingsregelingen die zijn omgezet in respec-
tievelijk de artikelen 668 en 669, niet kunnen worden
gecumuleerd voor dezelfde verplichtingen.
Art. 671
Ontwerpartikel 671 zorgt voor de omzetting van artikel
308sexies van de Richtlijn. Het eerste lid van de bepa-
ling zet aldus de derde alinea van dat artikel 308sexies
om, door een jaarlijkse verplichting tot verslag op te
leggen aan de ondernemingen die de in artikel 668 of
669 bedoelde overgangsmaatregelen genieten, om aan
te geven welke maatregelen er zijn getroffen en welke
vooruitgang er is geboekt om aan het einde van de
overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste
te voldoen. Overeenkomstig de Richtlijn verduidelijkt de
bepaling dat de Bank de toestemming intrekt om de be-
trokken overgangsmaatregel toe te passen wanneer uit
dit verslag blijkt dat de naleving van het solvabiliteitska-
pitaalvereiste tegen het einde van de overgangsperiode
een weinig realistisch perspectief vormt.
In het verlengde hiervan bepaalt het tweede lid (dat
de eerste alinea van artikel 308sexies omzet) dat de
ondernemingen de Bank in kennis stellen zodra ze
vaststellen dat ze niet zouden voldoen aan het sol-
vabiliteitskapitaalvereiste zonder de toepassing van
die overgangsmaatregelen. De Bank eist dan dat de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming de nodige maatregelen treft om de naleving van
het solvabiliteitskapitaalvereiste aan het einde van de
overgangsperiode te garanderen.
Het derde lid (dat zorgt voor de omzetting van de
tweede alinea van artikel 308sexies alsook van artikel
308quinquies, lid 5, onder b), dat een herhaling vormt
van de voornoemde alinea) bepaalt dat de betrokken
onderneming, binnen twee maanden na de vaststelling
Le paragraphe 3 assure la transposition de l’ar-
ticle 308quinquies, paragraphe 5, c) de la Directive en
imposant que les entreprises qui appliquent la déduction
transitoire aux provisions techniques indiquent dans leur
rapport sur leur solvabilité et leur situation financière
visé aux articles 95 et 96 qu’elles appliquent ce régime
transitoire et quantifient l’incidence sur leur situation
financière qui résulterait de sa non application.
Art. 670
Comme précisé sous le commentaire de l’article 668,
l’article 670 en projet assure la transposition des
articles 308quater, paragraphe 4, b) et 308quinquies,
paragraphe 5, a) de la Directive, en vertu desquels les
deux régimes dérogatoires respectivement transposés
aux articles 668 et 669 ne peuvent être cumulés s’agis-
sant des mêmes engagements.
Art. 671
L’article 671 en projet assure la transposition de
l’article 308sexies de la Directive. L’alinéa 1er de la dis-
position transpose ainsi l’alinéa 3 dudit article 308sexies
en imposant une obligation annuelle de rapport à charge
des entreprises qui bénéficient des mesures transi-
toires visées aux article 668 ou 669 afin d’exposer les
mesures prises et les progrès accomplis pour garantir
le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin
de la période transitoire. Conformément à la Directive,
la disposition précise que la Banque retire l’autorisation
d’appliquer la mesure transitoire concernée lorsqu’il
ressort de ce rapport que le respect de l’exigence de
capital de solvabilité à la fin de la période transitoire
constitue une perspective irréaliste.
Dans le prolongement, l’alinéa 2 (qui transpose l’ali-
néa 1er de l’article 308sexies) prévoit que les entreprises
informent la Banque dès qu’elles constatent qu’elles
ne respecteraient pas l’exigence de capital de solvabi-
lité sans l’application de ces mesures transitoires. La
Banque exige alors de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée qu’elle prenne les mesures
nécessaires pour garantir le respect de l’exigence de
capital de solvabilité à la fin de la période transitoire.
L’alinéa 3 (qui transpose l’alinéa 2 de l’ar-
ticle 308sexies ainsi que l’article 308quinquies,
paragraphe 5, b) en raison de la répétition contenue
dans la Directive) prévoit que dans deux mois suivant
le constat du non-respect de l’exigence de capital de
355
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat zonder de toepassing van de overgangsmaatrege-
len als bedoeld in de artikelen 668 of 669 niet aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste zou worden voldaan, bij
de Bank een geleidelijke-invoeringsplan indient — met
de mogelijkheid om het te actualiseren — waarin wordt
aangegeven welke maatregelen er zijn gepland om aan
het einde van de overgangsperiode het in aanmerking
komend eigen vermogen ter dekking van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risico-
profiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste. De ondernemingen die de
toepassing van de overgangsmaatregel met betrekking
tot de technische voorzieningen genieten, dienen daar-
enboven jaarlijks een verslag in waarin wordt aangege-
ven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruit-
gang er is geboekt met het geleidelijke-invoeringsplan.
Art. 672
Ontwerpartikel 672, § 1, dat zorgt voor de omzetting
van artikel 308ter, lid 17 van de Richtlijn, vermeldt welke
van de voornoemde overgangsbepalingen van toepas-
sing zijn op het niveau van de groep.
Paragraaf 2 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter,
lid 16 van de Richtlijn.
Art. 673
Ontwerpartikel 673 zorgt voor de omzetting van artikel
172, leden 4 tot 6 van de Richtlijn voor wat betreft de
gelijkwaardigheid van de solvabiliteitsregelingen die van
toepassing zijn op herverzekeringsondernemingen die
onder derde landen ressorteren.
Art. 674
Ontwerpartikel 674 legt de termijn vast voor de for-
mele aanpassing van de contractuele bepalingen van
de overeenkomsten die behoren tot tak 27 van Bijlage II.
TITEL II
Slotbepalingen en diverse bepalingen
Art. 675
Ontwerpartikel 675 voorziet in een interpretatieve
bepaling met betrekking tot artikel 2, § 1quater van de
wet van 9 juli 1975, dat geherformuleerd wordt om er de
betekenis aan te geven die door de wetgever werd be-
vestigd in 2010 (Parl.St. Kamer, nr. 52/2292-001, 34-35),
solvabilité sans le bénéfice des mesures transitoires
visées aux articles 668 ou 669, l’entreprise concernée
présente à la Banque un plan — avec possibilité de
l’actualiser — de mise en œuvre progressive exposant
les mesures prévues afin d’établir le niveau de fonds
propres éligibles correspondant au capital de solvabilité
requis ou de réduire son profil de risque afin de garantir
le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin
de la période transitoire. Les entreprises bénéficiant
de la mesure transitoire en matière de provisions tech-
niques présentent, en outre, chaque année un rapport
exposant les mesures prises et les progrès accomplis
dans le cadre de ce plan de mise en œuvre progressive.
Art. 672
L’article 672, § 1er en projet assure la transposition
de l’article 308ter, paragraphe 17 de la Directive en
énonçant les dispositions transitoires précitées qui
s’appliquent au niveau du groupe.
Le paragraphe 2 assure la transposition de l’ar-
ticle 308ter, paragraphe 16 de la Directive.
Art. 673
L’article 673 en projet assure la transposition de
l’article 172, paragraphes 4 à 6 de la Directive en ce
qui concerne l’équivalence des régimes de solvabilité
applicables à des entreprises de réassurance relevant
du droit de pays tiers.
Art. 674
L’article 674 en projet règle la question du délai
d’adaptation formelle des dispositions contractuelles
concernant les contrats relevant de la branche 27 de
l’Annexe II.
TITRE II
Dispositions finales et diverses
Art. 675
L’article 675 en projet reformule, au titre d’une
disposition interprétative, l’article 2, § 1erquater de la
loi du 9 juillet 1975 tel que sa portée a été affirmée
par le législateur en 2010 (Doc. Parl., Ch. Repr. Doc
n° 52/2292-001, pp. 34-35), à savoir soumettre les
356
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
namelijk dat voor de zogenaamde lokale verzekerings-
ondernemingen een vereenvoudigde regeling geldt (zie
in dit verband ook het advies van de Commissie voor
Verzekeringen van 18 juni 2014 (Doc. C/2014-6), dat
beschikbaar is op de website http://www.fsma.be/fr/
About %20FSMA/Advisory %20bodies/cvv/adv.aspx).
Ter herinnering, lokale ondernemingen zijn die welke
hun activiteiten beperken tot de gemeente van hun zetel
of tot die gemeente en de omliggende gemeenten. Ze
maken in het voorliggende ontwerp het voorwerp uit van
Boek II, Titel III, Hoofdstuk III, waarvan de bepalingen
voorzien in een vereenvoudigde regeling die van toepas-
sing is op die verzekeringsondernemingen.
Aangezien de lokale verzekeringsondernemingen
vanuit een zeer formeel oogpunt, bij gebrek aan een
met toepassing van artikel 2, § 1quater van de wet van
9 juli 1975 vastgesteld koninklijk besluit, worden geacht
alle bepalingen van de wet van 9 juli 1975 en haar
uitvoeringsbesluiten en —reglementen na te leven, en
aangezien de bedoeling van de wetgever er precies in
bestond om met de invoering van paragraaf 1quater bij
de wet van 26 april 2010 een einde te maken aan de
volledige toepassing van de wet, dient de rechtszeker-
heid te worden verzekerd door duidelijker aan te geven
wat de bedoeling is van de wetgever.
De ontwerpbepaling schept aldus rechtszekerheid ten
aanzien van de betrokken verzekeringsondernemingen,
door, voor het verleden, de strafrechtelijke inbreuken
die verbonden zijn aan de niet-naleving van de bepa-
lingen van de wet van 9 juli 1975, niet van toepassing
te verklaren.
Art. 676
Ontwerpartikel 676 voorziet in de wettelijke basis
om bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit
de regels inzake de aanvullende pensioenen vast te
stellen die voortvloeien uit koninklijk besluit nr. 50 van
24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings-
pensioen voor werknemers.
Momenteel zijn deze regels opgenomen in het
koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende
de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de
werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van
24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings-
pensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld
in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van
Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een
arbeidsovereenkomst, dat doorgaans het “besluit 69”
wordt genoemd.
entreprises d’assurance dites locales à un régime sim-
plifié (Voy. encore à cet égard, l’avis de la Commission
des assurances du 18 juin 2014 (Doc. C/2014-6, dispo-
nible sur le site http://www.fsma.be/fr/About %20FSMA/
Advisory %20bodies/cvv/adv.aspx). Pour rappel, les
entreprises locales sont celles qui restreignent leurs
activités à la commune de leur siège social ou à cette
commune et aux communes limitrophes. Elles font
l’objet, au sein du présent projet, du Livre II, Titre III,
Chapitre III dont les dispositions prévoient un régime
simplifié applicable à ces entreprises d’assurance.
Dès lors que d’un point de vue très formel, à défaut
d’arrêté royal pris en application de l’article 2, § 1erquater
de la loi du 9 juillet 1975, les entreprises d’assurance
locales sont censées devoir respecter l’ensemble des
dispositions de la 9 juillet 1975 et de ses arrêtés et règle-
ments d’exécution et que la volonté de législateur, en
adoptant, par une loi 26 avril 2010, le paragraphe 1erqua-
ter , était précisément d’écarter une application complète
de la loi, il convient d’assurer la sécurité juridique en
réaffirmant plus clairement la volonté du législateur.
La disposition en projet établit ainsi la sécurité juri-
dique à l’égard des entreprises d’assurance concer-
nées en écartant, pour le passé, les incriminations
pénales liées au non-respect de dispositions de la loi
du 9 juillet 1975.
Art. 676
L’article 676 en projet a pour objet de fournir une base
légale pour réglementer, par arrêté royal délibéré en
Conseil des ministres, les règles relatives aux pensions
complémentaires découlant de l’arrêté royal n° 50 du
24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de
survie des travailleurs salariés.
Actuellement, ces règles font l’objet de l’arrêté royal
du 14 novembre 2003 concernant l’octroi d’avantages
extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté
royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de
retraite et de survie des travailleurs salariés et aux
personnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du
Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en
dehors d’un contrat de travail, communément dénommé
“arrêté 69”.
357
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De inwerkingtreding van het nieuwe prudentiële
toezichtskader zal een aanpassing vereisen van de
prudentiële regels die in het voornoemde besluit zijn
opgenomen, met name wat betreft de winstdelingen en
de financiering van het reservefonds.
Art. 677
Onverminderd de Europeesrechtelijke bepalingen
kunnen de regels die van toepassing zijn op de ver-
zekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand op
grond van ontwerpartikel 677 worden versoepeld bij een
in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en na advies
van de Bank en de FSMA.
Art. 678
Dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 300 van
de Richtlijn, door te voorzien in een systeem voor de
indexering van de in euro luidende bedragen die in het
wetsontwerp zijn opgenomen. De gekozen optie be-
staat erin de herziening die met toepassing van artikel
300 van de Richtlijn door de Europese Commissie in het
Publicatieblad van de Europese Unie werd gepubliceerd,
binnen een termijn van zes maand na deze publicatie
toepasselijk te maken.
Art. 679
Artikel 679 bekrachtigt het koninklijk besluit van
11 juni 2015 houdende aanwijzing van de bevoegde
autoriteit verantwoordelijk voor het uitvoeren van de
vergunning en het toezicht op de centrale effecten-
bewaarinstellingen, dat uitvoering geeft aan artikel
40 van de wet van 25 april 2014 tot wijziging van de
wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het orga-
niek statuut van de Nationale Bank van België, de wet
van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de
financiële sector en de financiële diensten, de wet van
22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen, de wet
van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf,
de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het
toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van
21 december 2009 op het statuut van de betalings-
instellingen en van de instellingen voor elektronisch
geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaan-
bieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch
geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van
28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/
EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter
van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties
L’entrée en vigueur du nouveau cadre de contrôle
prudentiel nécessitera une adaptation des règles pru-
dentielles contenues dans l’arrêté précité, notamment
en ce qui concerne les participations bénéficiaires et
l’alimentation du fonds de réserve.
Art. 677
L’article 677 en projet permet, sans préjudice des
dispositions de droit européen, d’assouplir, par voie
d’arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et sur
avis de la Banque et de la FSMA, les règles applicables
aux sociétés mutualistes d’assurance.
Art. 678
Cet article assure la transposition de l’article 300 de
la Directive en prévoyant un système d’indexation
des montants prévus par la loi en projet en euros.
L’option retenue consiste à rendre applicable la révision
publiée au Journal officiel de l’Union européenne par
la Commission européenne en application de l’article
300 de la Directive dans un délai de six mois à compter
de cette publication.
Art. 679
L’article 679 a pour objet de confirmer l’arrêté royal
du 11 juin 2015 portant désignation de l’autorité com-
pétente en charge de l’agrément et de la surveillance
des dépositaires centraux de titres pris en exécution de
l’article 40 de la loi du 25 avril 2014 modifiant la loi du
22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque
nationale de Belgique, la loi du 2 août 2002 relative
à la surveillance du secteur financier et aux services
financiers, la loi du 22 mars 1993 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit, la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances, la loi du 16 février 2009 relative à la
réassurance, la loi du 6 avril 1995 relative au statut
et au contrôle des entreprises d’investissement, la loi
du 21 décembre 2009 relative au statut des établisse-
ments de paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de
services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement,
la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la Directive
98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère
définitif du règlement dans les systèmes de paiement
et de règlement des opérations sur titres et la loi du
15 décembre 2004 relative aux suretés financières et
358
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van
15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en
houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkeze-
kerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot
financiële instrumenten. Via het koninklijk besluit van
11 juni 2015 wordt de bevoegde autoriteit aangewezen
die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening
aan en het toezicht op de centrale effectenbewaarin-
stellingen, overeenkomstig artikel 11 van Verordening
(EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de
Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van
de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende
centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van
Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening
(EU) nr. 236/2012, die op 28 augustus 2014 in het
Publicatieblad van de Europese Unie werd bekendge-
maakt en op 17 september 2014 in werking is getreden.
TITEL III
wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK I
Wijziging in de wet van 12 juli 1957 betreffende
het rust- en overlevingspensioen voor bedienden
Art. 680
Ontwerpartikel 680 past in de wet van 12 juli 1957 be-
treffende het rust- en overlevingspensioen voor bedien-
den een aantal verwijzingen aan als gevolg van de ver-
vanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK II
Wijzigingen in de arbeidsongevallenwet van
10 april 1971
Art. 681 tot 684 en 686
De ontwerpartikelen 681 tot 684 en 686 passen in
de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 een aantal
verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de
wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
Wat ontwerpartikel 686 betreft en om de reikwijdte
van artikel 91, § 2, 2°, van de wet van 10 april 1971 te
verduidelijken, zij gepreciseerd dat het, gelet op artikel
91, § 1 van dezelfde wet, niet nodig is dat de Nationale
Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten een termijn vastleggen vooraleer zij hun
portant des dispositions fiscales diverses en matière de
conventions constitutives de sureté réelle et de prêts
portant sur des instruments financiers. L’arrêté royal du
11 juin 2015 désigne l’autorité compétente chargée de
l’agrément et de la surveillance des dépositaires cen-
traux de titres, conformément à l’article 11 du Règlement
(UE) n° 909/2014 du Parlement Européen et du Conseil
du 23 juillet 2014 concernant l’amélioration du règle-
ment de titres dans l’Union européenne et les dépo-
sitaires centraux de titres, et modifiant les Directives
98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le Règlement (UE)
n° 236/2012, publié au Journal officiel de l’Union euro-
péenne le 28 août 2014 et qui est entré en vigueur le
17 septembre 2014.
TITRE III
dispositions Modificatives
CHAPITRE IER
Modification de la loi du 12 juillet 1957 relative à la
pension de retraite et de survie des employés
Art. 680
L’article 680 en projet réalise, dans la loi du
12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de
survie des employés, l’ajustement rendu nécessaire,
en termes de références, à la suite du remplacement
de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
CHAPITRE II
Modifications de la loi du 10 avril 1971 sur les
accidents du travail
Art. 681 à 684 et 686
Les articles 681 à 684 et 686 en projet réalisent,
dans la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail,
les ajustements rendus nécessaires, en termes de
références, à la suite du remplacement de la loi du
9 juillet 1975 par la loi en projet.
S’agissant de l’article 686 en projet et dans le souci
de clarifier la portée de l’article 91, § 2, 2°, de la loi du
10 avril 1971, on précise que, eu égard à l’article 91, § 1er,
de la même loi, la fixation, par la Banque nationale de
Belgique ou par l’Autorité des services et marchés finan-
ciers, d’un délai préalable à l’adoption de leurs mesures
359
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
respectieve maatregelen vaststellen, aangezien deze
termijn voortvloeit uit de toepassing van het genoemde
artikel 91, § 1.
Art. 685
Ontwerpartikel 685 brengt een tekstuele verbete-
ring aan die inherent is aan de zogenoemde “Twin
Peaks”-hervorming.
HOOFDSTUK III
Wijziging in de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte
aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen
Art. 687
Het huidige artikel 10, § 2 van de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte aanspra-
kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat
de Koning de nationale of gewestelijke instellingen van
openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer kan vrij-
stellen van de verplichting om een verzekeringsovereen-
komst te sluiten ter dekking van hun burgerrechtelijke
aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen.
Aan deze bepaling werd uitvoering gegeven
door het koninklijk besluit van 27 januari 1998 hou-
dende uitvoering van artikel 10, § 2 van de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte aanspra-
kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
Artikel 2 van het voornoemd koninklijk besluit bepaalt
dat de instellingen voor gemeenschappelijk vervoer die
gebruik wensen te maken van de vrijstelling, technische
voorzieningen moeten aanleggen en deze voorzie-
ningen moeten dekken met gelijkwaardige activa, en
wel onder dezelfde voorwaarden als de verzekeraars.
De instellingen voor gemeenschappelijk vervoer
moeten ten aanzien van het Belgisch Bureau van de
Autoverzekeraars ook dezelfde verbintenissen aangaan
als verzekeringsondernemingen.
De praktijk heeft echter uitgewezen dat de instel-
lingen voor gemeenschappelijk vervoer hun aanspra-
kelijkheid inzake motorrijtuigen laten dekken door een
verzekeringsovereenkomst die zij hebben gesloten bij
een onderneming die een vergunning heeft verkregen.
Ofwel gaat het om een volwaardige overeenkomst BA
Auto, ofwel om een waarborg die deel uitmaakt van een
ruimere overeenkomst, bijvoorbeeld een overeenkomst
ter dekking van de bedrijfsaansprakelijkheid van de
instelling.
respectives n’est pas nécessaire dès lors qu’un tel délai
résulte de l’application dudit article 91, § 1er.
Art. 685
L’article 685 en projet apporte une correction d’ordre
rédactionnel inhérente à la réforme dite “Twin Peaks”.
CHAPITRE III
Modification de la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance
obligatoire de la responsabilité en matière de
véhicules automoteurs
Art. 687
L’actuel article 10, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 re-
lative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en
matière de véhicules automoteurs permet au Roi de
dispenser les organismes d’intérêt public de transport
en commun nationaux ou régionaux de souscrire un
contrat d’assurance couvrant leur responsabilité civile
en matière de véhicules automoteurs.
Cette possibilité a été mise en œuvre par l’arrêté royal
du 27 janvier 1998 portant exécution de l’article 10, § 2,
de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance
obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules
automoteurs.
L’article 2 de l’arrêté royal précité impose aux orga-
nismes de transport qui souhaitent bénéficier de la
dispense de constituer des provisions techniques et de
représenter celles-ci par des actifs équivalents dans les
mêmes conditions que le ferait un assureur. Les orga-
nismes de transport doivent aussi prendre, vis-à-vis du
Bureau belge des assureurs automobiles, les mêmes
engagements que les entreprises d’assurance.
La pratique a cependant démontré que les orga-
nismes de transport en commun couvrent leur responsa-
bilité en matière de véhicules automoteurs par un contrat
d’assurance souscrit auprès d’une entreprise agréée.
Il s’agit soit d’un contrat RC automobile à part entière
soit d’une garantie prise dans le cadre d’un contrat plus
étendu, par exemple celui couvrant la responsabilité
exploitation de l’organisme.
360
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Daarnaast zij ook opgemerkt dat de overeenkomsten
die door instellingen voor gemeenschappelijk vervoer
worden gesloten, meestal in veel grotere vrijstellingen
voorzien (het bedrag ervan kan oplopen tot verschillende
honderdduizenden euro’s) dan de overeenkomsten voor
individuele verbruikers. Dergelijke vrijstellingen zijn niet
in strijd met de geldende reglementering.
Het gevolg van die situatie is dat de bepalingen van
het voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1998 in
de praktijk enkel van toepassing zijn op het bedrag van
de vrijstelling. Zowel voor de instelling voor gemeen-
schappelijk vervoer als voor de toezichthouder leidt dit
tot een gecompliceerd beheer voor bedragen die relatief
klein zijn ten opzichte van de schadelast.
Bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijk-
heidsverzekeringen kunnen de vrijstellingen en an-
dere excepties echter niet worden tegengeworpen
aan de benadeelde. Artikel 151, § 1 van de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen bepaalt im-
mers het volgende: “Bij de verplichte burgerrechtelijke
aansprakelijkheidsverzeke-ringen kunnen de excepties,
vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht
voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die
hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het
schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde niet
worden tegengeworpen”.
Indien die bepaling van toepassing is op de overeen-
komsten die worden gesloten door instellingen van open-
baar nut voor gemeenschappelijk vervoer, is het toezicht
dat momenteel wordt uitgeoefend op grond van het
voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1998 over-
bodig. De verplichting voor deze instellingen voor ge-
meenschappelijk vervoer om technische voorzieningen
aan te leggen, kan eventueel bijdragen tot de solvabiliteit
van de verzekeringsonderneming, die zekerheid heeft
dat zij het bedrag van de vrijstelling terug zal kunnen
vorderen, of van de instelling voor gemeenschappelijk
vervoer zelf. In het eerste geval vormt de maatregel
een doublure met de maatregelen met betrekking tot
het toezicht dat op de verzekeringsonderneming wordt
uitgeoefend en in het tweede geval valt deze buiten de
bevoegdheid van de Bank.
De vraag is dus alleen of de vrijstellingen en andere
excepties die opgenomen zijn in de overeenkomsten
die door instellingen van openbaar nut voor gemeen-
schappelijk vervoer worden gesloten, tegengeworpen
kunnen worden aan de benadeelden. Het antwoord
op deze vraag staat niet vast, aangezien de huidige
dekkingen vaak worden verleend in het kader van een
niet-verplichte verzekering ter dekking van de bedrijfs-
aansprakelijkheid van de betrokken instellingen.
Outre cette différence, on notera que les contrats
des organismes de transport prévoient le plus souvent
des franchises beaucoup plus élevées (jusqu’à plu-
sieurs centaines de milliers d’euros) que les contrats à
destination des consommateurs individuels. De telles
franchises ne sont pas contraires à la réglementation
en vigueur.
La conséquence de cette situation est que les dis-
positions de l’arrêté royal du 27 janvier 1998 précité ne
s’appliquent concrètement qu’au montant de la fran-
chise. Il s’ensuit, à la fois pour l’organisme de transport
et pour l’autorité de contrôle, une gestion compliquée
pour des montants relativement faibles par rapport à la
charge des sinistres.
Or, dans les assurances obligatoires de la respon-
sabilité civile, les franchises et autres exceptions ne
sont pas opposables à la personne lésée en raison de
l’article 151, § 1er de la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances. Celui-ci précise en effet que “Dans les
assurances obligatoires de la responsabilité civile, les
exceptions, franchises, nullités et déchéances dérivant
de la loi ou du contrat, et trouvant leur cause dans un fait
antérieur ou postérieur au sinistre, sont inopposables à
la personne lésée”.
Si cette disposition est applicable aux contrats sous-
crits par les organismes d’intérêt public de transport en
commun, le contrôle tel qu’il est actuellement opéré sur
la base de l’arrêté royal du 27 janvier 1998 précité est
superflu. L’obligation faite à ces organismes de transport
en commun de constituer une provision technique peut
éventuellement contribuer à la solvabilité de l’entreprise
d’assurance, qui est certaine de récupérer le montant de
la franchise, ou de l’organisme de transport lui-même.
Toutefois, dans le premier cas, la mesure fait double
emploi avec celles concernant la surveillance applicable
à l’entreprise d’assurance et, dans le second cas, elle
ne relève pas des compétences de la Banque.
La seule question qui se pose est donc de savoir
si les franchises et autres exceptions prévues par les
contrats souscrits par les organismes d’intérêt public de
transport en commun sont opposables aux personnes
lésées. La réponse à cette question n’est pas certaine
dans la mesure où les couvertures actuelles relèvent
souvent d’une assurance non obligatoire couvrant la
responsabilité exploitation des organismes concernés.
361
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Om het desbetreffende toezicht te stroomlijnen
zonder de huidige concrete situatie te wijzigen, wordt
bepaald dat de nationale of gewestelijke instellingen
van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer
enkel een vrijstelling kunnen genieten indien ze een
verzekering hebben afgesloten ter dekking van hun
burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen
(eerste lid van het ontwerpartikel).
Die dekking moet niet noodzakelijk onder de voor-
noemde wet van 21 november 1989 vallen, maar moet
de slachtoffers vergoeden onder dezelfde voorwaarden
als die van deze wet (tweede lid van het ontwerpartikel).
Voor wat betreft de vrijstellingen en andere excep-
ties zijn de regels van artikel 151, § 1 van de wet van
4 april 2014 uitdrukkelijk overgenomen (derde en vierde
lid van het ontwerpartikel).
HOOFDSTUK IV
Wijzigingen in de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en
de landsbonden van ziekenfondsen
Art. 688 en 690 tot 693
De ontwerpartikelen 688 en 690 tot 693 passen in de
wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen
en de landsbonden van ziekenfondsen een aantal ver-
wijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet
van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
Art. 689
Ontwerpartikel 689 past in dezelfde wet een aantal
verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van
de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen door de wet van
25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op
kredietinstellingen.
HOOFDSTUK V
Wijzigingen in de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst
Art. 694
Ontwerpartikel 694 past in de wet van 25 juni 1992 op
de landverzekeringsovereenkomst een aantal verwijzin-
gen aan als gevolg van de vervanging van de wet van
9 juli 1975 door de ontwerpwet.
Pour rationaliser le contrôle en cette matière sans
modifier la situation concrète actuelle, il est prévu de
dispenser les organismes d’intérêt public de transport
en commun nationaux ou régionaux uniquement dans
le cas où ils ont souscrit un assurance couvrant leur res-
ponsabilité civile en matière de véhicules automoteurs
(alinéa 1er en projet).
Cette couverture ne doit pas nécessairement rele-
ver de la loi 21 novembre 1989 précitée mais elle doit
indemniser les victimes dans les mêmes conditions que
cette loi (alinéa 2 en projet).
Pour ce qui concerne les franchises et autres
exceptions, les règles de l’article 151, § 1er, de la loi du
4 avril 2014 sont expressément reproduites (alinéas
3 et 4 en projet).
CHAPITRE IV
Modifications de la loi du 6 août 1990
relative aux mutualités et aux unions nationales
de mutualité
Art. 688 et 690 à 693
Les articles 688 et 690 à 693 en projet réalisent,
dans la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux
unions nationales de mutualité, les ajustements rendus
nécessaires, en termes de références, à la suite du rem-
placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
Art. 689
L’article 689 en projet réalise, dans la même loi, l’ajus-
tement rendu nécessaire, en termes de références, à la
suite du remplacement de la loi du 22 mars 1993 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit par
la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit.
CHAPITRE V
Modifications de la loi du 25 juin 1992 sur le
contrat d’assurance terrestre
Art. 694
L’article 694 en projet réalise, dans la loi du
25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, l’ajus-
tement rendu nécessaire, en termes de références, à
la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par
la loi en projet.
362
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK VI
Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het financiële
stelsel voor het witwassen van geld en de
financiering van terrorisme
Art. 695
Ont werpar tikel 695 past in de wet van
11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van
het financiële stelsel voor het witwassen van geld en
de financiering van terrorisme een aantal verwijzingen
aan als gevolg van de vervanging van de wet van
9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK VII
Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake
het statuut van en het toezicht op de
beleggingsondernemingen
Art. 696 en 697
De ontwerpartikelen 696 en 697 passen in de wet
van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht
op de beleggingsondernemingen een aantal verwijzin-
gen aan als gevolg van de vervanging van de wet van
9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK VII
Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de
Nationale Bank van België
Art. 698 en 705
Ontwerpartikel 698 voegt in artikel 35 van de wet van
22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut
van de Nationale Bank van België een paragraaf 3 toe
om duidelijkheid te verschaffen over het gebruik dat
de Bank mag maken van de vertrouwelijke informatie
waarover zij in het kader van haar wettelijke opdrachten
beschikt. Dat gebruik wordt beperkt door de toepasse-
lijke bepalingen van het recht van de Unie en door de
restricties waarin bij of krachtens de wet uitdrukkelijk
is voorzien.
In dit verband zij erop gewezen dat de richtlijnen
betreffende het toezicht op de financiële instellingen
voorzien in een finaliteitsbeginsel voor het gebruik van
de door de prudentiële toezichthouder verzamelde
informatie.
CHAPITRE VI
Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à
la prévention de l’utilisation du système financier
aux fins du blanchiment de capitaux et du
financement du terrorisme
Art. 695
L’article 695 en projet réalise, dans la loi du
11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du
système financier aux fins du blanchiment de capitaux
et du financement du terrorisme, l’ajustement rendu
nécessaire, en termes de références, à la suite du rem-
placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
CHAPITRE VII
Modifications de la loi du 6 avril 1995 relative
au statut et au contrôle des entreprises
d’investissement
Art. 696 et 697
Les articles 696 et 697 en projet réalisent, dans la
loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’investissement, les ajustements rendus
nécessaires, en termes de références, à la suite du rem-
placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
CHAPITRE VII
Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant
le statut organique de la Banque nationale de
Belgique
Art. 698 et 705
L’article 698 en projet introduit un paragraphe 3 à
l’article 35 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut
organique de la Banque nationale de Belgique afin de
clarifier l’usage que celle-ci peut faire des informations
confidentielles qu’elle détient dans le cadre de ses mis-
sions légales. Cet usage est limité par les dispositions
applicables du droit de l’Union et par des restrictions
expressément prévues par ou en vertu de la loi.
A cet égard, on rappelle que les directives relatives
au contrôle des établissements financiers prévoient un
principe de finalité concernant l’usage des informations
collectées en qualité d’autorité de contrôle prudentielle.
363
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De wet van 8 december 1992 tot bescherming van
de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwer-
king van persoonsgegevens, evenals artikel 25 van
de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht
op de financiële sector en de financiële diensten zijn
voorbeelden van in aanmerking te nemen beperkingen.
Tevens dient rekening te worden gehouden met
beperkingen die voortvloeien uit de naleving van de
algemene rechtsbeginselen, zoals het beginsel van
behoorlijk bestuur, dat inhoudt dat belangenconflicten
en eventuele contractuele beperkingen voorkomen
moeten worden.
Voor het overige verplaatsen de ontwerpartikelen
698 en 705 de inhoud van artikel 36/13 naar artikel
35 van dezelfde wet om een betere samenhang te ga-
randeren tussen de verschillende bepalingen over de
beroepsgeheimregeling van de Bank.
Art. 699 en706, 4°
De ontwerpartikelen 699 en 706, 4° zorgen voor
de omzetting in Belgisch recht van de bepalingen in-
zake vertrouwelijkheid van Richtlijn 2014/59/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 be-
treffende de totstandbrenging van een kader voor
het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen
en beleggingsondernemingen, voor wat betreft de
beroepsgeheimregeling van de Nationale Bank van
België. Zij brengen tevens een aantal aanpassingen
aan die nodig zijn voor de uitvoering van Richtlijn
2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik
van het financiële stelsel voor het witwassen van geld
of terrorismefinanciering.
Wat het nieuwe artikel 35/1 betreft, ingevoegd bij
ontwerpartikel 699, zij eraan herinnerd dat de afwijking
met betrekking tot de minister van Financiën waarin
paragraaf 1, 2°, c) voorziet, van toepassing is binnen
de grenzen van het recht van de Europese Unie en
met name van artikel 3, lid 6 en artikel 90, lid 4 van
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging
van een kader voor het herstel en de afwikkeling van
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. De
afwijking waarin paragraaf 1, 2°, d), voorziet, bevat een
niet-uitputtende lijst van personen aan wie de Bank
vertrouwelijke informatie mag meedelen voor zover dit
noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een
afwikkelingsmaatregel. In dit verband kan de Bank bij-
voorbeeld ook vertrouwelijke informatie meedelen aan
alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks, op
permanente basis of incidenteel, diensten verlenen of
La loi du 8 décembre 1992 relative à la protection
de la vie privée à l’égard des traitements de données
à caractère personnel, de même que l’article 25 de la
loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur
financier et aux services financiers sont des exemples
de limitations à prendre en compte.
Il convient également de tenir compte de limitations
découlant du respect des principes généraux du droit
tel que le principe de bonne administration qui impose
de prévenir les conflits d’intérêts et d’éventuelles limi-
tations contractuelles.
Pour le reste, les articles 698 et 705 en projet opèrent
quant à eux un déplacement du contenu de l’article
36/13 vers l’article 35 de la même loi afin d’assurer
une meilleure cohérence entre les différentes disposi-
tions relatives au régime du secret professionnel de la
Banque.
Art. 699 et 706, 4°
Les articles 699 et 706, 4°, en projet effectuent la
transposition en droit belge des dispositions relatives
à la confidentialité de la Directive 2014/59/UE du
Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 éta-
blissant un cadre pour le redressement et la résolution
des établissements de crédit et des entreprises d’in-
vestissement, en ce qui concerne le régime du secret
professionnel de la Banque nationale de Belgique. Ils
effectuent également certains ajustements nécessaires
à la mise en œuvre de la Directive 2015/849/UE du
Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 rela-
tive à la prévention de l’utilisation du système financier
aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement
du terrorisme.
S’agissant du nouvel article 35/1, introduit par l’article
699 en projet, on rappelle que la dérogation relative au
ministre des Finances prévue au paragraphe 1er, 2°,
c), s’applique dans les limites du droit de l’union euro-
péenne et notamment des articles 3, paragraphe 6 et 90,
paragraphe 4 de la Directive 2014/59/UE du Parlement
européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un
cadre pour le redressement et la résolution des établis-
sements de crédit et des entreprises d’investissement.
S’agissant de la dérogation prévue au paragraphe 1er,
2°, d), elle comprend une liste non-exhaustive de per-
sonnes auxquelles la Banque peut communiquer des
informations confidentielles pour autant que cela s’avère
nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une
action de résolution. Dans ce cadre, la Banque peut, à
titre d’exemple, également communiquer des informa-
tions confidentielles à toute personne fournissant ou
ayant fourni des services, directement ou indirectement,
364
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hebben verleend aan een persoon als bedoeld in artikel
84 van de voornoemde Richtlijn 2014/59/EU.
Art. 706, 3°
Ontwerpartikel 706, 3° voert een uitzondering in op
de beroepsgeheimregeling van de Bank, in haar hoeda-
nigheid van prudentiële autoriteit, voor het verstrekken
van vertrouwelijke informatie aan de Controledienst
voor de ziekenfondsen en de landsbonden van zieken-
fondsen. Deze afwijking wordt gerechtvaardigd door de
bevoegdheden van de Dienst, die vastgelegd zijn in ont-
werpartikel 303, § 3 en de wet van 6 augustus 1990 be-
treffende de ziekenfondsen en de landsbonden van
ziekenfondsen.
Art. 702
Ontwerpartikel 702 zorgt voor de samenhang, wat
het toepassingsgebied betreft, met artikel 102, eerste
lid, 1° van de ontwerpwet.
Art. 703
Ontwerpartikel 703 zorgt voor de omzetting van arti-
kel 53, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees
Parlement en de Raad betreffende toegang tot het be-
drijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht
op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en
van artikel 31 van de Richtlijn.
Er zij gepreciseerd dat wat de bekendmaking van
de resultaten van stresstest betreft, de woorden “met
inachtneming van het recht van de Europese Unie”
erop wijzen dat een dergelijke bekendmaking enkel
mag gebeuren met inachtneming van de vereisten
inzake beroepsgeheim waarin de richtlijnen voorzien.
Op dit vlak bestaat er een verschil tussen de CRD IV-
richtlijn en de Solvency II-richtlijn: in artikel 53, lid 3 van
de eerstgenoemde richtlijn wordt namelijk voorzien in
een uitzondering op de beroepsgeheimregeling, terwijl
dit voor de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen niet het geval is. Concreet betekent dit dat er
in het kader van de bekendmaking van resultaten van
stresstests geen individuele gegevens over een verze-
keringsonderneming bekendgemaakt mogen worden.
Art. 704
Ontwerpartikel 704 zorgt voor de omzetting van
artikel 71 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees
Parlement en de Raad betreffende toegang tot het
de façon permanente ou occasionnelle, à une personne
visée à l’article 84 de la Directive 2014/59/UE précitée.
Art. 706, 3°
L’article 706, 3° en projet vise à introduire une excep-
tion à l’obligation au régime de secret professionnel
applicable à la Banque, en sa qualité d’autorité pruden-
tielle, pour la transmission d’informations confidentielles
à l’Office de contrôle des mutualités et des unions natio-
nales de mutualités. Cette dérogation est justifiée par les
compétences de l’Office prévue à l’article 303, § 3 en
projet et la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et
aux unions nationales de mutualités.
Art. 702
L’article 702 en projet assure la cohérence, en termes
de champ d’application, avec l’article 102, alinéa 1er, 1°,
de la loi en projet.
Art. 703
L’article 703 en projet assure la transposition de
l’article 53, paragraphe 3 de la Directive 2013/36/UE du
Parlement européen et du Conseil concernant l’accès à
l’activité des établissements de crédit et la surveillance
prudentielle des établissements de crédit et des entre-
prises d’investissement et de l’article 31 de la Directive.
On précise que s’agissant de la publication de résul-
tats de tests de résistance, les mots “dans le respect du
droit de l’Union européenne” indiquent qu’une telle pu-
blication ne peut s’effectuer que dans le respect des exi-
gences prévues par les directives en matière de secret
professionnel, une différence existant à cet égard entre
la directive CRD IV et la Directive Solvency II, la pre-
mière établissant, en son article 53, paragraphe 3 une
exception au régime de secret professionnel, ce qui
n’est pas le cas en matière d’entreprises d’assurance
ou de réassurance. Cela signifie concrètement que la
divulgation de données individuelles relatives à une
entreprise d’assurance sera impossible dans le cadre
de la publication de résultats de tests de résistance.
Art. 704
L’article 704 en projet effectue la transposition de
l’article 71 de la Directive 2013/36/UE du Parlement
européen et du Conseil concernant l’accès à l’activité
365
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht
op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.
Art. 700, 701, 706 tot 709
De ontwerpartikelen 700, 701, 706 tot 709 passen
in dezelfde wet een aantal verwijzingen aan als gevolg
van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de
ontwerpwet.
HOOFDSTUK IX
Wijzigingen in de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de
financiële sector en de financiële diensten
Art. 710 tot 712
De ontwerpartikelen 710 tot 712 passen in de wet
van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de
financiële sector en de financiële diensten een aantal
verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de
wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK X
Wijzigingen in de programmawet (I) van
24 december 2002: wet op de aanvullende
pensioenen voor zelfstandigen
Art. 713 en 714
De ontwerpartikelen 713 en 714 passen in de pro-
grammawet (I) van 24 december 2002: wet op de
aanvullende pensioenen voor zelfstandigen een aantal
verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de
wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK XI
Wijziging in de wet van 28 april 2003 betreffende
de aanvullende pensioenen en het
belastingstelsel van die pensioenen en van
sommige aanvullende voordelen inzake sociale
zekerheid
Art. 715
Ontwerpartikel 715 past in de wet van 28 april 2003 be-
treffende de aanvullende pensioenen en het belasting-
stelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende
des établissements de crédit et la surveillance pruden-
tielle des établissements de crédit et des entreprises
d’investissement.
Art. 700, 701, 706 à 709
Les articles 700, 701, 706 à 709 en projet réalisent,
dans la même loi, les ajustements rendus nécessaires,
en termes de références, à la suite du remplacement de
la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
CHAPITRE IX
Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services
financiers
Art. 710 à 712
Les articles 710 à 712 en projet réalisent, dans la
loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur
financier et aux services financiers, les ajustements
rendus nécessaires, en termes de références, à la
suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la
loi en projet.
CHAPITRE X
Modifications de la loi programme (I) du
24 décembre 2002: loi sur les pensions
complémentaires des indépendants
Art. 713 et 714
Les articles 713 et 714 en projet réalisent, dans la loi
programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pen-
sions complémentaires des indépendants, les ajuste-
ments rendus nécessaires, en termes de références, à
la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par
la loi en projet.
CHAPITRE XI
Modification de la loi du 28 avril 2003 relative
aux pensions complémentaires et au régime
fiscal de celles-ci et de certains avantages
complémentaires en matière de sécurité sociale
Art. 715
L’article 715 en projet réalise, dans la loi du
28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et
au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages
366
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voordelen inzake sociale zekerheid een aantal verwij-
zingen aan als gevolg van de vervanging van de wet
van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK XII
Wijzigingen in de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening
Art. 716 tot 718 en 720
De ontwerpartikelen 716 tot 718 en 720 passen in de
wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening een aantal
verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de
wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
Art. 719
In artikel 227 van de wet van 27 oktober 2006 betref-
fende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensi-
oenvoorziening had de wetgever voorzien in de moge-
lijkheid om de optie die geboden wordt in artikel 4 van
Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van
en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoor-
ziening, ten uitvoer te leggen door middel van een ko-
ninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Er werd geen dergelijk besluit genomen vóór de in artikel
308ter, lid 15 van de Richtlijn vastgelegde einddatum
(23 mei 2014). De opheffing van artikel 227 wordt derhalve
gerechtvaardigd door het feit dat de Belgische wetgever
niet langer gebruik kan maken van de optie.
HOOFDSTUK XII
Wijzigingen in de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen
voor collectieve belegging die voldoen aan de
voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de
instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 721 en 722
De ontwerpartikelen 721 en 722 passen in de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col-
lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen een aantal verwijzingen aan als ge-
volg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door
de ontwerpwet.
complémentaires en matière de sécurité sociale, l’ajus-
tement rendu nécessaire, en termes de références, à
la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par
la loi en projet.
CHAPITRE XII
Modifications de la loi du 27 octobre 2006 relative
au contrôle des institutions de retraite
professionnelle
Art. 716 à 718 et 720
Les articles 716 à 718 et 720 en projet réalisent,
dans la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des
institutions de retraite professionnelle, les ajustements
rendus nécessaires, en termes de références, à la suite
du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en
projet.
Art. 719
Le législateur belge avait prévu, par l’article 227 de
la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des insti-
tutions de retraite professionnelle, la faculté de mettre
en œuvre l’option prévue par l’article 4 de la Directive
2003/41/CE du Parlement européen et du Conseil du
3 juin 2003 concernant les activités et la surveillance
des institutions de retraite professionnelle par le biais
d’un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Un tel arrêté n’a pas été pris avant la date limite du
23 mai 2014 prévue à l’article 308ter, paragraphe 15 de
la Directive. L’abrogation de l’article 227 est donc jus-
tifiée par le fait que l’option ne peut plus être levée par
le législateur belge.
CHAPITRE XII
Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent
aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux
organismes de placement en créances
Art. 721 et 722
Les articles 721 et 722 en projet réalisent, dans
la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de pla-
cement collectif qui répondent aux conditions de la
Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances, les ajustements rendus nécessaires, en
termes de références, à la suite du remplacement de
la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
367
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK XIV
Wijziging in de wet van
26 december 2013 houdende diverse bepalingen
inzake de thematische volksleningen
Art. 723
Ont werpar tikel 723 past in de wet van
26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake
de thematische volksleningen een aantal verwijzingen
aan als gevolg van de vervanging van de wet van
9 juli 1975 door de ontwerpwet.
HOOFDSTUK XV
Wijzigingen in de wet van 4 april 2014 betreffende
de verzekeringen
Art. 724 tot 735
De ontwerpartikelen 724 tot 735 passen in de wet
van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (“Wet
Verzekeringen”) een aantal verwijzingen aan als gevolg
van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de
ontwerpwet.
Art. 728, 2°
Ontwerpartikel 728, 2° brengt in artikel 22 van de
Wet Verzekeringen een wijziging aan om een zo billijk
mogelijke oplossing te bieden voor een situatie waarvan
de gevolgen nadelig zouden kunnen blijken te zijn voor
de verzekeringsbegunstigden.
Zo is gebleken dat sommige verzekeringsonder-
nemingen levensverzekeringsovereenkomsten met
flexibele premies hadden afgesloten die op de markt
werden gebracht tussen 1989 en 1997 (en zelfs later)
en waarvoor de verzekeringsondernemingen voor
de volledige duur van de overeenkomst een mini-
mumrente van meer dan 3,75 % waarborgden. Maar,
sinds 1 januari 1993 verbiedt de toepasselijke regle-
mentering de verzekeringsondernemingen om voor
flexibele premies een waarborg inzake tarief toe te
kennen vóór de storting ervan (oud artikel 24 van het
koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de
levensverzekeringsactiviteit (hierna het “Besluit Leven
1992”) en huidig artikel 26 van het koninklijk besluit van
14 november 2003 betreffende de levensverzekerings-
activiteit (hierna het “Besluit Leven 2003”)), en sinds
1 januari 1999 mag de toegekende technische rente-
voet niet hoger zijn dan 3,75 % (oud artikel 22 van het
Besluit Leven 1992 en huidig artikel 24 van het Besluit
Leven 2003).
CHAPITRE XIV
Modification de la loi du
26 décembre 2013 portant diverses dispositions
concernant les prêts-citoyens thématiques
Art. 723
L’article 723 en projet réalise, dans la loi du
26 décembre 2013 portant diverses dispositions concer-
nant les prêts-citoyens thématiques, l’ajustement rendu
nécessaire, en termes de références, à la suite du rem-
placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
CHAPITRE XV
Modifications de la loi du 4 avril 2014 sur les
assurances
Art. 724 à 735
Les articles 724 à 735 en projet réalisent, dans la loi
du 4 avril 2014 sur les assurances (“Loi assurances”),
les ajustements rendus nécessaires, en termes de
références, à la suite du remplacement de la loi du
9 juillet 1975 par la loi en projet.
Art. 728, 2°
L’article 728, 2° en projet apporte une modification à
l’article 22 de la Loi assurances afin de solutionner le
plus équitablement une situation dont les conséquences
pourraient s’avérer préjudiciables pour les bénéficiaires
d’assurance.
Ainsi, il est apparu que certaines entreprises d’assu-
rance avaient conclu des contrats d’assurance vie à
primes flexibles, commercialisés entre 1989 et 1997 (et
même postérieurement) et pour lesquels les entreprises
d’assurance avaient garanti un taux d’intérêt minimal
supérieur à 3,75 % pour la durée totale du contrat. Or,
depuis le 1er janvier 1993, la réglementation applicable
interdit aux entreprises d’assurance de consentir
une garantie tarifaire pour des primes flexibles avant
leur versement (ancien article 24 de l’arrêté royal du
17 décembre 1992 relatif à l’activité d’assurance sur la
vie (ci-après, l’“Arrêté Vie 1992”) et actuel article 26 de
l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité
d’assurance sur la vie (ci-après, l’“Arrêté Vie 2003”), et
depuis le 1er janvier 1999, le taux technique octroyé ne
peut excéder 3,75 % (ancien article 22 de l’Arrêté Vie
1992 et actuel article 24 de l’Arrêté Vie 2003).
368
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Hieruit volgt dat de door deze verzekeringsonderne-
mingen aangeboden tariefvoorwaarden een schending
inhouden van (i) het verbod op een waarborg inzake
tarief voor alle betrokken overeenkomsten die sinds
1 januari 1993 zijn afgesloten en (ii) de regels inzake
de maximumrente voor alle premiestortingen die sinds
1 juli 1999 in het kader van deze overeenkomsten zijn
uitgevoerd.
Voor deze situatie biedt artikel 22 van de Wet
Verzekeringen (bepaling die voorheen was vastge-
legd in artikel 19bis van de wet van 9 juli 1975) geen
passende oplossing. Deze bepaling vermeldt immers
het volgende: “De algemene, bijzondere en speciale
voorwaarden, de verzekeringsovereenkomsten in hun
geheel, evenals alle clausules afzonderlijk, die niet in
overeenstemming zijn met de bepalingen van deel 2 en
deel 3 en hun uitvoeringsbesluiten en —reglementen,
of met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 en haar
uitvoeringsbesluiten en —reglementen, worden vanaf
het sluiten van de overeenkomst geacht te zijn opgesteld
in overeenstemming met, al naargelang het geval, de
bepalingen van deel 2 en deel 3 en hun uitvoeringsbe-
sluiten en —reglementen, dan wel met de bepalingen
van de wet van 9 juli 1975 en haar uitvoeringsbesluiten
en —reglementen.”.
HOOFDSTUK XVI
Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op kredietinstellingen
Art. 736, 737, 739, 741, 748 en 752
De ontwerpartikelen 736, 737, 739, 741, 748 en
752 passen in de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en het toezicht op kredietinstellingen een aantal
verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de
wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet.
Art. 737, 1°
In de definitie onder 26° wordt een extra begrip opge-
nomen, namelijk “consortium”. Dit begrip kwam reeds
voor in de wet van 25 april 2014, met name in twee
bepalingen betreffende het aanvullende conglomeraat-
stoezicht, zonder echter te zijn gedefinieerd.
Art. 738 en 740
De ontwerpartikelen 738 en 740 wijzigen de artikelen
9 en 72 van de wet van 25 april 2014 om te preciseren
op welke personen artikel 72 van de voornoemde wet
van toepassing is.
Il en résulte que les conditions tarifaires offertes par
ces entreprises d’assurance violent (i) pour tous les
contrats concernés conclus à partir du 1er janvier 1993,
l’interdiction de garantie tarifaire et (ii) pour tous les
versements de prime effectués dans le cadre de ces
contrats depuis le 1er juillet 1999, les règles en matière
de taux d’intérêt maximal.
Face à une telle situation, l’article 22 de la Loi
Assurances (disposition anciennement prévue sous
l’article 19bis de la loi du 9 juillet 1975) n’offre pas une
solution adéquate. En effet, cette disposition énonce
que “Les conditions générales, particulières et spé-
ciales, les contrats d’assurance dans leur ensemble,
ainsi que toutes les clauses prises séparément qui ne
sont pas conformes aux dispositions des parties 2 et
3 et de leurs arrêtés et règlements d’exécution, ou aux
dispositions de la loi du 9 juillet 1975 et de ses arrêtés
et règlements d’exécution, sont censés avoir été établis
dès la conclusion du contrat en conformité, selon le cas,
avec les dispositions des parties 2 et 3 et de leurs arrêtés
et règlements d’exécution, ou avec les dispositions de
la loi du 9 juillet 1975 et de ses arrêtés et règlements
d’exécution.”.
CHAPITRE XVI
Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit
Art. 736, 737, 739, 741, 748 et 752
Les articles 736, 737, 739, 741, 748 et 752 en projet
réalisent, dans la loi du 25 avril 2014 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit, les ajuste-
ments rendus nécessaires, en termes de références, à
la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par
la loi en projet.
Art. 737, 1°
À la définition prévue par le 26° est adjointe la notion
de “consortium”. Cette notion apparaissait déjà, sans
toutefois y être définie, dans la loi du 25 avril 2014, en
l’occurrence dans deux dispositions portant sur la sur-
veillance complémentaire des conglomérats.
Art. 738 et 740
Les articles 738 et 740 en projet modifient les articles
9 et 72 de la loi du 25 avril 2014 afin de préciser les
personnes auxquelles s’applique l’article 72 de la loi
précitée.
369
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 742
In de structuur van artikel 170 van de wet van
25 april 2014 worden een aantal onderdelen verplaatst
om de bedoeling van het artikel beter tot zijn recht te
laten komen.
Door de opheffing van het derde lid van paragraaf 1,
heeft deze paragraaf uitsluitend nog betrekking op de
mogelijke duplicatie tussen het geconsolideerde ban-
kentoezicht en het verzekeringsgroepstoezicht.
De nieuwe paragraaf 1/1, die een licht aangepaste
versie is van het door het voorliggende ontwerp op-
geheven derde lid van paragraaf 1, vormt een eerste
oplossing voor de duplicatie tussen het geconsolideerde
bankentoezicht en het aanvullende conglomeraats-
toezicht. Deze oplossing is uitdrukkelijk opgenomen
in artikel 120, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU, maar zal
in de praktijk wellicht nooit worden toegepast, door de
heersende onduidelijkheid over het begrip “gelijkwaar-
digheid”. Paragraaf 2 van artikel 170 vormt de tweede
oplossing voor de duplicatie tussen het geconsolideerde
bankentoezicht en het aanvullende conglomeraatstoe-
zicht en is een typisch Belgische invulling van artikel
120, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU. Beide oplossingen
kunnen voortaan zowel voor conglomeraten van het
holdingtype als voor conglomeraten met aan het hoofd
een kredietinstelling worden toegepast, aangezien het
duplicatieprobleem zich in beide gevallen kan voordoen.
Verder worden de procedurele stappen waarin artikel
170 voorziet, verduidelijkt in die zin dat nu beter wordt
verwoord dat voor het oplossen van zowel de duplica-
tie tussen het geconsolideerde bankentoezicht en het
verzekeringsgroepstoezicht als de duplicatie tussen
het geconsolideerde bankentoezicht en het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht, een overeenkomst (en
niet louter overleg) vereist is met de andere betrokken
bevoegde autoriteiten.
De overige kleine wijzigingen zijn louter tekstuele
verbeteringen.
Bij al deze wijzigingen werd gestreefd naar een zo
groot mogelijke coherentie met de tekst van de ont-
werpartikelen 344 tot 346, die langs verzekeringszijde
de spiegelbepalingen vormen van artikel 170 van de
wet van 25 april 2014.
Art. 742
Dans la structure de l’article 170 de la loi du
25 avril 2014, certaines subdivisions sont déplacées afin
de mieux rendre compte de la finalité de la disposition.
Le paragraphe 1er porte désormais, de par l’abroga-
tion de son alinéa 3, exclusivement sur la duplication
éventuelle entre le contrôle consolidé bancaire et la
surveillance du groupe en assurance.
Le paragraphe 1/1 nouveau, version légèrement
remaniée du paragraphe 1er, alinéa 3, abrogé par
le présent projet, constitue une première solution
pour résoudre la duplication entre le contrôle conso-
lidé bancaire et la surveillance complémentaire des
conglomérats. Cette solution figure expressément à
l’article 120, paragraphe 1, de la Directive 2013/36/
UE, mais ne connaîtra vraisemblablement jamais
d’application en pratique, en raison du manque de clarté
quant à la notion d’“équivalence”. Le paragraphe 2 de
l’article 170 constitue la seconde manière de résoudre
la duplication entre le contrôle consolidé bancaire et la
surveillance complémentaire des conglomérats, et est
une manière typiquement belge de donner substance à
l’article 120, paragraphe 1er, de la Directive 2013/36/UE.
Les deux solutions peuvent désormais être appliquées
tant pour les conglomérats de type “compagnie” que
pour ceux chapeautés par un établissement de crédit,
le problème de la duplication pouvant se poser pour les
deux situations.
Par ailleurs, les étapes de procédure prévues par
l’article 170 sont clarifiées en ce sens que la disposition
explique désormais plus clairement que la résolution
tant de la duplication entre le contrôle consolidé ban-
caire et le contrôle de groupe en assurance que de celle
entre le contrôle consolidé bancaire et la surveillance
complémentaire des conglomérats, requiert un accord
(et non simplement une concertation) avec les autres
autorités compétentes concernées.
Les autres petites modifications sont des améliora-
tions purement rédactionnelles.
L’ensemble de ces modifications vise à réaliser une
convergence maximale avec le texte des articles 344 à
346 en projet, constituant les équivalents en matière
d’assurance de l’article 170 de la loi du 25 avril 2014.
370
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 743
Op basis van artikel 111, lid 5 van Richtlijn 2013/36/
EU, kan de toezichthouder (de Bank of de ECB) in uit-
zonderlijke gevallen als consoliderende toezichthouder
voor het geconsolideerde toezicht worden aangewezen,
ook al is er in het geconsolideerde geheel geen enkele
Belgische kredietinstelling aanwezig, maar enkel een
Belgische (gemengde) financiële holding. De toepas-
selijkheid van het Belgische recht voor wat betreft het
geconsolideerde toezicht vloeit in dat geval voort uit de
aanwezigheid van de Belgische holding in het geconso-
lideerde geheel. Deze techniek strookt volledig met de
filosofie van de artikelen 205 tot 207 en artikel 212 van
de wet van 25 april 2014, waarin een quasi-statuut voor
(gemengde) financiële holdings naar Belgisch recht
werd uitgewerkt.
Art. 744
De mogelijkheid om geconsolideerd toezicht uit te
oefenen op kredietinstellingen in geval van een con-
sortium was opgenomen in het koninklijk besluit van
12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde
basis op kredietinstellingen, beleggingsondernemingen
en beheervennootschappen van instellingen voor col-
lectieve belegging, maar werd tot nu toe niet overge-
nomen in de wet van 25 april 2014. Door de invoeging
van dit nieuwe artikel staat deze mogelijkheid opnieuw
open voor de toezichthouder. Een consortiumstructuur
wordt in principe op dezelfde manier behandeld als
een holdingsstructuur, vanwaar de verwijzing naar de
“kredietinstellingen zoals bedoeld in artikel 165, 2°”.
Toch kan de toezichthouder die bevoegd is voor het
geconsolideerde toezicht op het consortium voldoende
rekening houden met de concrete omstandigheden,
meer bepaald met het nut en de efficiëntie van het ge-
consolideerde toezicht voor het consortium in kwestie.
Waar nodig kan de toezichthouder gebruik maken van
de algemene afwijkingsbevoegdheid waarin voorzien is
in artikel 203, § 2 van de wet van 25 april 2014 om de
concrete modaliteiten van dit geconsolideerde toezicht
te preciseren.
Art. 745
Ontwerpartikel 745 stemt de tekst van artikel 194,
§ 2, 4° van de wet van 25 april 2014 af op de over-
eenkomstige bepaling in het ontwerp van wet op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
Art. 743
Dans des cas exceptionnels, sur la base de l’ar-
ticle 111, paragraphe 5 de la Directive 2013/36/UE,
l’autorité de contrôle (la Banque ou la BCE) peut être
désignée comme autorité de surveillance sur base
consolidée pour le contrôle consolidé, même si cela ne
repose pas sur la présence d’un établissement de crédit
belge dans l’ensemble consolidé, mais uniquement sur
la présence d’une compagnie financière (mixte) belge.
Dans ce cas, l’applicabilité du droit belge en ce qui
concerne le contrôle consolidé résulte de la présence
de la compagnie belge au sein de l’ensemble consolidé.
Cette technique se situe dans le droit fil de la philoso-
phie des articles 205 à 207 et de l’article 212 de la loi
du 25 avril 2014, qui ont établi un quasi-statut pour les
compagnies financières (mixtes) de droit belge.
Art. 744
La possibilité d’exercer le contrôle consolidé sur les
établissements de crédit dans le cas d’un consortium
était prévue par l’arrêté royal du 12 août 1994 relatif au
contrôle sur base consolidée des établissements de
crédit, des entreprises d’investissement et des sociétés
de gestion d’organismes de placement collectif, mais
n’avait jusqu’à présent pas été reprise dans la loi du
25 avril 2014. L’insertion de ce nouvel article permet
de rétablir cette possibilité dans le chef de l’autorité de
contrôle. La structure consortiale est en principe traitée
de la même manière qu’une structure de compagnie, ce
qui explique la référence aux “établissements de crédit
visés à l’article 165, 2°”. Cela dit, l’autorité de contrôle
chargée du contrôle sur base consolidée du consortium
peut adéquatement tenir compte des circonstances
concrètes, et en particulier de l’utilité et de l’efficacité
du contrôle sur base consolidée pour le consortium en
question. Si besoin est, l’autorité de contrôle peut faire
usage de son pouvoir général de dérogation prévu à
l’article 203, § 2, de la loi du 25 avril 2014 pour préciser
les modalités de ce contrôle sur base consolidée.
Art. 745
L’article 745 en projet vise à aligner le texte de l’article
194, § 2, 4° de la loi du 25 avril 2014 sur la disposition
correspondante de la loi relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance en
projet.
371
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 746
Ontwerpartikel 746 brengt een correctie aan in de
vertaling.
Art. 747
Ontwerpartikel 747, 1° brengt een correctie aan in
een verwijzing.
Ontwerpartikel 747, 2° regelt de uitzonderlijke ge-
vallen waarin de toezichthouder (de Bank of de ECB)
op basis van artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG,
als coördinator voor het aanvullende conglomeraats-
toezicht kan worden aangewezen, ook al is er in het
conglomeraat geen enkele Belgische kredietinstelling
of andere Belgische gereglementeerde onderneming
aanwezig die op solobasis onderworpen is aan het toe-
zicht van de toezichthouder, maar enkel een Belgische
gemengde financiële holding. De toepasselijkheid van
het Belgische recht voor wat betreft het aanvullende
conglomeraatstoezicht vloeit in dat geval voort uit de
aanwezigheid van de Belgische holding in het conglo-
meraat. Deze techniek strookt volledig met de filosofie
van de artikelen 205 tot 207 en het artikel 212 van de
wet van 25 april 2014, waarin een quasi-statuut voor
(gemengde) financiële holdings naar Belgisch recht
werd uitgewerkt.
Art. 749 tot 751
De ontwerpartikelen brengen correcties in de verta-
ling aan evenals een technische correctie.
HOOFDSTUK XVI
Wijzigingen in het Wetboek van Economisch
Recht
Art. 753 tot 758
De ontwerpartikelen 753 tot 758 passen in het
Wetboek van Economisch Recht een aantal verwijzin-
gen aan als gevolg van de vervanging van de wet van
9 juli 1975 door de ontwerpwet.
Art. 746
L’article 746 en projet réalise une correction dans la
traduction.
Art. 747
L’article 747, 1° en projet réalise une correction en
termes de référence.
S’agissant de l’article 747, 2°, en projet, il vise à
régler les cas exceptionnels dans lesquels, sur la base
de l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/
CE, l’autorité de contrôle (la Banque ou la BCE) peut
être désignée comme coordinateur pour la surveillance
complémentaire des conglomérats, même si cela ne
repose pas sur la présence dans le conglomérat d’un
établissement de crédit belge ou d’une autre entre-
prise réglementée belge soumise sur une base solo au
contrôle de l’autorité de contrôle, mais uniquement sur
la présence d’une compagnie financière mixte belge.
Dans ce cas, l’applicabilité du droit belge en ce qui
concerne la surveillance complémentaire des conglo-
mérats résulte de la présence de la compagnie belge
dans le conglomérat. Cette technique se situe dans le
droit fil de la philosophie des articles 205 à 207 et de
l’article 212 de la loi du 25 avril 2014, qui ont établi un
quasi-statut pour les compagnies financières (mixtes)
de droit belge.
Art. 749 à 751
Les articles en projet réalisent des corrections dans
la traduction ainsi qu’une correction d’ordre technique.
CHAPITRE XVI
Modifications au Code de droit économique
Art. 753 à 758
Les articles 753 à 758 en projet réalisent, dans le
Code de droit économique, les ajustements rendus
nécessaires, en termes de références, à la suite du rem-
placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
372
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK XVI
I — Overige bepalingen
Art. 759 en 760
Naar aanleiding van de vervanging van de wet van
9 juli 1975 door de ontwerpwet, strekken de ontwerpar-
tikelen 759 en 760 ertoe een dynamische lezing te ver-
zekeren van de wettelijke bepalingen die niet gewijzigd
zijn door dit wetsontwerp en verwijzingen bevatten naar
de wet van 9 juli 1975 of naar het koninklijk besluit van
22 februari 1991 houdende algemeen reglement betref-
fende de controle op de verzekeringsondernemingen.
TITEL IV
opheffingsbepalingen
Art. 761 en 762
Deze bepalingen heffen respectievelijk de wet van
9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 op.
BOEK IX
INWERKINGTREDING
Art. 763
Artikel 763 regelt de inwerkingtreding van de bepalin-
gen van de ontwerpwet; de datum van inwerkingtreding
wordt principieel vastgelegd op 1 januari 2016. Bij wijze
van uitzondering voorziet de bepaling in een eerdere
datum van inwerkingtreding, namelijk de dag waarop de
wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt,
voor de artikelen die de artikelen van de Richtlijn die
vermeld zijn in artikel 308bis van de Richtlijn omzetten.
Dit is, Dames en Heren, de draagwijdte van het ont-
werp dat de Regering de eer heeft u ter goedkeuring
voor te leggen.
De minister van Economie,
Kris PEETERS
De minister van Binnenlandse Zaken,
Jan JAMBON
CHAPITRE XVI
I — Autres dispositions
Art. 759 et 760
Les articles 759 et 760 en projet visent à assurer
une lecture dynamique des dispositions légales non
modifiées par le présent projet de loi et comprenant des
références à la loi du 9 juillet 1975 ou à l’arrêté royal
du 22 février 1991 portant règlement général relatif au
contrôle des entreprises d’assurances, à la suite du rem-
placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet.
TITRE IV
dispositions abrogatoires
Art. 761 et 762
Ces dispositions abrogent respectivement la loi du
9 juillet 1975 et la loi du 16 février 2009.
LIVRE IX
ENTRÉE EN VIGUEUR
Art. 763
L’article 763 règle l’entrée en vigueur des disposi-
tions de la loi en projet en fixant, à titre de principe,
la date d’entrée en vigueur au 1er janvier 2016. A titre
d’exception, la disposition prévoit une date d’entrée en
vigueur antérieure, à savoir le jour de publication au
Moniteur belge de la loi, pour ses articles qui assurent
la transposition des articles de la Directive mentionnés
sous l’article 308bisde la Directive.
Voici, Mesdames et Messieurs, la portée du projet
que le Gouvernement a l’honneur de soumettre à votre
approbation.
Le ministre de l’Economie,
Kris PEETERS
Le ministre de l’Intérieur,
Jan JAMBON
373
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT
De minister van Justitie,
Koen GEENS
Le ministre des Finances,
Johan VAN OVERTVELDT
Le ministre de la Justice,
Koen GEENS
374
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
VOORONTWERP VAN WET
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet op het statuut van en het toezicht
op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
BOEK I
ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I
Doel
Artikel 1
De artikelen 692, 708 en 712 van deze wet regelen een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
De overige bepalingen van deze wet, met inbegrip van de
Bijlagen ervan, regelen een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2
Deze wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van:
1° Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot
en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekerings-
bedrijf (Solvabiliteit II);
2° Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en
de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de
Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/
EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entitei-
ten in een financieel conglomeraat, wat de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen betreft;
3° Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en
de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen
2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG)
nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat
de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autori-
teit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensi-
oenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese
Autoriteit voor effecten en markten) betreft.
4° Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van
een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietin-
stellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van
Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/
EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG,
2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen
(EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees
Parlement en de Raad, en in het bijzonder de artikelen 84 en
90 ervan.
AVANT-PROJET DE LOI
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi relatif au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de reassurance
LIVRE IER
DISPOSITIONS GÉNÉRALES
TITRE IER
Objet
Article 1er
Les articles 692, 708 et 712 de la présente loi règlent une
matière visée à l’article 78 de la Constitution.
Les autres dispositions de la présente loi, en ce compris
ses Annexes, règlent une matière visée à l’article 74 de la
Constitution.
Art. 2
La présente loi assure la transposition partielle:
1° de la directive 2009/138/CE du Parlement européen et
du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de
l’assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité
II);
2° de la directive 2011/89/UE du Parlement européen et
du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives
98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce
qui concerne la surveillance complémentaire des entités
financières des conglomérats financiers, pour ce qui concerne
les entreprises d’assurance ou de réassurance;
3° de la directive 2014/51/UE du Parlement européen et
du Conseil du 16 avril 2014 modifiant les directives 2003/71/
CE et 2009/138/CE et les règlements (CE) n° 1060/2009,
(UE) n° 1094/23010 et (UE) n° 1095/2010 en ce qui concerne
les compétences de l’Autorité européenne de surveillance
(Autorité européenne des assurances et des pensions pro-
fessionnelles) et de l’Autorité européenne de surveillance
(Autorité européenne des marchés financiers).
4° de la directive 2014/59/UE du Parlement européen
et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le
redressement et la résolution des établissements de crédit
et des entreprises d’investissement et modifiant la directive
82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement
européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/
CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et
2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du
Conseil (UE) no 1093/2010 et (UE) no 648/2012, en particulier
ses articles 84 et 90.
375
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 3
Om de verzekeringnemers, de verzekerden en de begun-
stigden van verzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen te
beschermen en om de soliditeit en de goede werking van het
financiële stelsel te verzekeren, regelt deze wet de vestiging
en de activiteiten van, alsook het toezicht op de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen die in België werkzaam
zijn, met inbegrip van bepaalde modaliteiten en voorwaarden
die specifiek zijn voor verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten en -verrichtingen.
Art. 4
Deze wet doet geen afbreuk aan de verplichtingen die
voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
voortvloeien uit de bijzondere wetten die hun werkzaamhe-
den regelen.
Art. 5
Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbe-
sluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
1° verzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen
rekening het verzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk het bedrijf
dat bestaat in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten of
het uitvoeren van verzekeringsverrichtingen;
2° herverzekeringsonderneming: onderneming die voor
eigen rekening het herverzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk:
a) het bedrijf dat bestaat in het overnemen van risico’s die
door een verzekeringsonderneming of een andere herverze-
keringsonderneming worden overgedragen;
b) in het geval van de groep van “underwriters” bekend
onder de naam “Lloyd’s”: het bedrijf dat er voor een andere
verzekerings- of herverzekeringsonderneming dan Lloyd’s in
bestaat de risico’s over te nemen die door een lid van Lloyd’s
worden overgedragen.
Met het herverzekeringsbedrijf wordt gelijkgesteld de
dekking die een herverzekeringsonderneming voor eigen
rekening biedt aan een instelling voor bedrijfspensioenvoor-
ziening die onder de toepassing valt van de titels II en III van
de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
Art. 3
La présente loi a pour objet de régler, dans l’objectif de
garantir la protection des preneurs d’assurance, des assurés
et des bénéficiaires de contrats et d’opérations d’assurance,
et d’assurer la solidité et le bon fonctionnement du système
financier, en particulier, l’établissement, l’activité et le contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance opérant en
Belgique, en ce compris certaines modalités et conditions
inhérentes aux contrats et opérations d’assurance ou de
réassurance.
Art. 4
La présente loi est sans préjudice des obligations qui
incombent aux entreprises d’assurance ou de réassurance
en application des lois particulières régissant les opérations
qu’elles pratiquent.
Art. 5
Pour l’application de la présente loi et des arrêtés et règle-
ments pris pour son exécution, est définie comme:
1° entreprise d’assurance, l’entreprise qui, pour son
compte propre, exerce l’activité d’assurance, à savoir l’acti-
vité qui consiste à conclure des contrats ou à effectuer des
opérations d’assurance;
2° entreprise de réassurance, l’entreprise qui, pour son
compte propre, exerce l’activité de réassurance, à savoir:
a) l’activité qui consiste à accepter des risques cédés
par une entreprise d’assurance ou une autre entreprise de
réassurance;
b) s’agissant de l’association de souscripteurs dénommée
“Lloyd’s”, l’activité consistant, pour une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance autre que la Lloyd’s, à accepter les
risques cédés par tout membre de la Lloyd’s.
Est assimilée à une activité de réassurance la couverture,
par une entreprise de réassurance, pour son propre compte,
d’une institution de retraite professionnelle relevant du champ
d’application des titres II et III de la loi du 27 octobre 2006 rela-
tive au contrôle des institutions de retraite professionnelle.
376
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL II
Toepassingsgebied
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 6
Deze wet is van toepassing op verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen naar Belgisch of buitenlands recht
die in België werkzaam zijn of willen zijn, via een bijkantoor
of zonder er gevestigd te zijn.
Art. 7
§ 1. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf en het levens-
verzekeringsbedrijf betreft, is deze wet van toepassing op de
activiteiten van de takken die respectievelijk vermeld zijn in
Bijlage I en Bijlage II bij deze wet.
§ 2. Onder het niet-levensverzekeringsbedrijf valt ook de
activiteit van hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende
personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of
gewone verblijfplaats bevinden. Deze activiteit bestaat erin
dat tegen voorafgaande betaling van een premie de verbinte-
nis wordt aangegaan om onmiddellijke hulp te verlenen aan
de begunstigde van een hulpverleningsovereenkomst wan-
neer deze in moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich
voordoen van een onzeker voorval, in de gevallen en onder
de voorwaarden die in de overeenkomst zijn bepaald.
De hulp kan bestaan uit prestaties in geld of in natura.
De prestaties in natura kunnen ook worden verstrekt met
gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de
prestatieverstrekker.
Onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de
loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp
als tussenpersoon vallen niet onder de hulpverleningsactiviteit.
HOOFDSTUK II
Uitsluitingen
Afdeling I
Wettelijke regelingen
Art. 8
Deze wet is niet van toepassing op verzekeringsovereen-
komsten en -verrichtingen die deel uitmaken van een wettelijke
socialezekerheidsregeling en waarvoor de ondernemingen
niet voor eigen risico handelen.
Meer in het bijzonder is deze wet niet van toepassing op:
TITRE II
Champ d’application
CHAPITRE IER
Dispositions générales
Art. 6
La présente loi est applicable aux entreprises d’assurance
ou de réassurance de droit belge ou de droit étranger qui
opèrent ou souhaitent opérer en Belgique, par la voie d’une
succursale ou sans y être établies.
Art. 7
§ 1er. En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie et
l’activité d’assurance-vie, la présente loi s’applique aux acti-
vités des branches mentionnées respectivement à l’Annexe
I et à l’Annexe II à la présente loi.
§ 2. L’activité d’assurance non-vie inclut également l’acti-
vité consistant à fournir une assistance aux personnes en
difficulté au cours de déplacements, d’absences de leur domi-
cile ou de leur résidence habituelle. Cette activité comporte,
moyennant le paiement préalable d’une prime, l’engagement
de mettre immédiatement une aide à la disposition du béné-
ficiaire d’un contrat d’assistance lorsque celui-ci se trouve
en difficulté par suite d’un événement fortuit, dans les cas et
dans les conditions prévus par le contrat.
L’aide peut comporter des prestations en espèces ou en
nature. Les prestations en nature peuvent également être
fournies par l’utilisation du personnel ou du matériel propres
au prestataire.
L’activité d’assistance ne couvre pas les services d’entre-
tien ou de maintenance, les services après-vente ou la simple
indication ou mise à disposition, en tant qu’intermédiaire,
d’une aide.
CHAPITRE II
Exclusions
Section Ire
Régimes légaux
Art. 8
La présente loi n’est pas applicable aux contrats et opéra-
tions d’assurance faisant partie d’un régime légal de sécurité
sociale pour lesquels les entreprises n’opèrent pas à leurs
propres risques.
En particulier, la présente loi n’est pas applicable:
377
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de maatschappijen van onderlinge bijstand die erkend
zijn overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 en die niet onder
de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen
en de landsbonden van ziekenfondsen vallen;
2° de ziekenfondsen, de landsbonden van ziekenfondsen
en de maatschappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in
de voornoemde wet van 6 augustus 1990 die geen verzeke-
ringen mogen aanbieden en waarvan de diensten als bedoeld
in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van
6 augustus 1990 voldoen aan elk van de voorwaarden van
artikel 67, eerste lid, van de wet van 26 april 2010 houdende
diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende
ziekteverzekering (I);
3° de gemeenschappelijke fondsen, private ondernemin-
gen met vaste premies en openbare instellingen, voor wat
betreft de verrichtingen bedoeld in de wetten betreffende de
rust- en overlevingspensioenen van arbeiders, bedienden,
mijnwerkers, zeelieden en zelfstandigen.
Afdeling II
Niet-levensverzekering
Art. 9
Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet
niet van toepassing op de ondernemingen die de volgende
verrichtingen uitvoeren:
1° verrichtingen van voorzorgs- en bijstandsinstellingen
waarvan de prestaties verschillen naargelang van de be-
schikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair
wordt bepaald;
2° verrichtingen van een organisatie die geen rechtsper-
soonlijkheid bezit, die de onderlinge waarborg van haar leden
tot doel hebben, zonder tot de betaling van premies of de
vorming van technische reserves aanleiding te geven;
3° verrichtingen op het gebied van exportkredietverzeke-
ring voor rekening of met garantie van de staat, of wanneer
de staat de verzekeraar is.
Art. 10
§ 1. Deze wet is niet van toepassing op ondernemingen die
een hulpverleningsactiviteit uitoefenen die aan alle volgende
voorwaarden voldoet:
1° de hulp wordt verleend bij een ongeval met of defect aan
een wegvoertuig dat zich voordoet op Belgisch grondgebied;
2° de verplichting tot hulpverlening blijft beperkt tot de
volgende verrichtingen:
1° aux sociétés mutualistes qui sont reconnues confor-
mément à la loi du 23 juin 1894 et qui ne sont pas visées par
la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions
nationales de mutualités;
2° aux mutualités, aux unions nationales de mutualités et
aux sociétés mutualistes visées par la loi du 6 août 1990 pré-
citée qui ne peuvent pas proposer des assurances et dont
les services visés à l’article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du
6 août 1990 précitée répondent à chacune des conditions
prévues à l’article 67, alinéa 1er, de la loi du 26 avril 2010 por-
tant des dispositions diverses en matière de l’organisation de
l’assurance maladie complémentaire (I);
3° aux caisses communes, entreprises privées à primes
fixes et institutions publiques, pour ce qui concerne les opé-
rations visées par les lois relatives au régime de retraite et
de survie des ouvriers, des employés, des ouvriers mineurs,
des marins et des travailleurs indépendants.
Section II
Assurance non-vie
Art. 9
En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie, la pré-
sente loi n’est pas applicable aux entreprises qui effectuent
les opérations suivantes:
1° les opérations des organismes de prévoyance et de se-
cours dont les prestations sont variables selon les ressources
disponibles et qui exigent de chacun de leurs adhérents une
contribution forfaitaire appropriée;
2° les opérations effectuées par une organisation n’ayant
pas la personnalité juridique et qui ont pour objet la garantie
mutuelle de ses membres, sans donner lieu au paiement de
primes ni à la constitution de réserves techniques;
3° les opérations d’assurance-crédit à l’exportation pour
le compte ou avec la garantie de l’État, ou lorsque l’État est
l’assureur.
Art. 10
§ 1er. La présente loi n’est pas applicable aux entreprises
qui exercent une activité d’assistance pour autant que celle-ci
remplisse toutes les conditions suivantes:
1° l’assistance est fournie à l’occasion d’un accident ou
d’une panne affectant un véhicule routier, lorsque l’accident
ou la panne survient sur le territoire belge;
2° l’engagement au titre de l’assistance est limité aux
opérations suivantes:
378
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
a) technische hulp ter plaatse, waarvoor de verlener van de
dekking in de meeste gevallen eigen personeel en uitrusting
gebruikt;
b) het vervoer van het voertuig naar de plaats van reparatie
die het dichtst bij is of het meest geschikt is voor het uitvoeren
van de reparatie, alsmede het eventuele vervoer van bestuur-
der en passagiers, normaliter met hetzelfde hulpmiddel, naar
de dichtstbijzijnde plaats van waaruit zij hun reis met andere
middelen kunnen voortzetten;
c) het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid door
bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrek-
punt of hun oorspronkelijke bestemming binnen het Belgische
grondgebied;
3° de hulpverlening wordt niet uitgevoerd door een on-
derneming die aan deze wet is onderworpen wegens an-
dere activiteiten die rechtvaardigen dat zij aan deze wet is
onderworpen.
§ 2. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a) en b),
is de voorwaarde dat het ongeval of het defect zich heeft
voorgedaan op Belgisch grondgebied, niet van toepassing
wanneer de onderneming een instelling is waarvan de be-
gunstigde lid is, en de hulpverlening of het vervoer van het
voertuig enkel op vertoon van de lidmaatschapskaart, zonder
betaling van een extra premie, wordt uitgevoerd door een
soortgelijke instelling van het betrokken land op grond van
een reciprociteitsovereenkomst.
Art. 11
Deze wet is niet van toepassing op onderlinge verzeke-
ringsverenigingen die niet-levensverzekeringsactiviteiten
uitoefenen en die met een andere onderlinge verzekerings-
vereniging een overeenkomst hebben gesloten die voorziet
in de volledige herverzekering van de door hen gesloten
verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de
contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft
van de cederende onderneming door de overnemende onder-
neming voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten
voortvloeiende verplichtingen. In dit geval is de overnemende
onderneming onderworpen aan de bepalingen van deze wet.
Afdeling III
Levensverzekering
Art. 12
Wat het levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet
van toepassing op de volgende ondernemingen:
1° voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de presta-
ties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en
waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald;
a) le dépannage sur place, pour lequel le fournisseur de
la garantie utilise, dans la plupart des circonstances, son
personnel et son matériel propres;
b) l’acheminement du véhicule jusqu’au lieu de réparation
le plus proche ou le plus approprié où la réparation pourra
être effectuée, ainsi que l’éventuel accompagnement, nor-
malement par le même moyen de secours, du conducteur et
des passagers, jusqu’au lieu le plus proche d’où ils pourront
poursuivre leur voyage par d’autres moyens;
c) l’acheminement du véhicule, éventuellement accompa-
gné par le conducteur et les passagers, jusqu’à leur domicile,
leur point de départ ou leur destination originelle à l’intérieur
du territoire belge;
3° l’assistance n’est pas fournie par une entreprise sou-
mise à la présente loi en raison d’autres activités justifiant
son assujettissement à la présente loi.
§ 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 2°, a) et b),
la condition que l’accident ou la panne soient survenu sur
le territoire belge n’est pas requise lorsque l’entreprise est
un organisme dont le bénéficiaire est membre et que le
dépannage ou l’acheminement du véhicule est effectué sur
simple présentation de la carte de membre, sans paiement
de surprime, par un organisme similaire du pays concerné
sur la base d’un accord de réciprocité.
Art. 11
La présente loi n’est pas applicable aux associations d’as-
surance mutuelle exerçant des activités d’assurance non-vie
qui ont conclu avec une autre association mutuelle d’assu-
rance une convention comportant la réassurance intégrale
des contrats d’assurance qu’elles souscrivent ou la cession
des engagements contractuels impliquant la substitution de
l’entreprise cessionnaire à l’entreprise cédante pour l’exé-
cution des engagements résultant desdits contrats. Dans ce
cas, l’entreprise cessionnaire est assujettie aux dispositions
de la présente loi.
Section III
Assurance-vie
Art. 12
En ce qui concerne l’activité d’assurance-vie, la présente
loi n’est pas applicable aux entreprises suivantes:
1° les organismes de prévoyance et de secours qui
accordent des prestations variables selon les ressources
disponibles et exigent de chacun de leurs adhérents une
contribution forfaitaire appropriée;
379
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° andere organisaties dan de in artikel 6 bedoelde onder-
nemingen die ten doel hebben aan al dan niet in loondienst
werkzame personen, die in het kader van een onderneming
of van een groep van ondernemingen of van een beroep of
meerdere beroepen omvattende sector zijn gegroepeerd,
uitkeringen te verstrekken bij overlijden, bij leven of bij be-
eindiging of vermindering van de activiteiten, ongeacht of de
uit deze verrichtingen voortvloeiende verplichtingen al dan
niet volledig en voortdurend door wiskundige voorzieningen
zijn gedekt;
3° organisaties die uitsluitend uitkeringen bij overlijden
waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitkeringen niet
groter is dan het gemiddelde bedrag van de begrafeniskosten
voor een sterfgeval of wanneer deze uitkeringen in natura
geschieden.
Afdeling IV
Herverzekering
Art. 13
Deze wet is niet van toepassing op de herverzekeringsac-
tiviteit die een lidstaat om belangrijke redenen van openbaar
belang uitoefent of volledig garandeert in de hoedanigheid
van herverzekeraar in laatste instantie en wanneer een situ-
atie op de markt, waarin het onmogelijk is om een adequate
herverzekeringsdekking te verkrijgen, een dergelijk optreden
noodzakelijk maakt.
Art. 14
Deze wet is niet van toepassing op herverzekeringsonder-
nemingen die op 10 december 2007 het sluiten van nieuwe
herverzekeringsovereenkomsten hebben gestaakt en uitslui-
tend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de
beëindiging van hun activiteit.
Deze ondernemingen dienen zich aan te melden bij de
Bank en op te geven onder welk soort herverzekeringsactiviteit
de door hen beheerde verzekeringsportefeuille valt.
De Bank maakt een lijst op van de in dit artikel bedoelde
herverzekeringsondernemingen en deelt deze lijst mee aan
de toezichthouders van de andere lidstaten.
TITEL III
Definities
Art. 15
Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbe-
sluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
1° “Verordening 1094/2010”: Verordening (EU)
nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese
2° les organisations, autres que les entreprises visées à
l’article 6, qui ont pour objet de fournir aux travailleurs, sala-
riés ou non, groupés dans le cadre d’une entreprise ou d’un
groupement d’entreprises ou d’un secteur professionnel ou
interprofessionnel, des prestations en cas de décès, en cas
de vie ou en cas de cessation ou de réduction d’activités, que
les engagements résultant de ces opérations soient ou non
couverts intégralement et à tout moment par des provisions
mathématiques;
3° les organisations qui garantissent uniquement des pres-
tations en cas de décès, lorsque le montant de ces prestations
n’excède pas la valeur moyenne des frais funéraires pour un
décès ou lorsque ces prestations sont fournies en nature.
Section IV
Réassurance
Art. 13
La présente loi n’est pas applicable à l’activité de réas-
surance exercée ou totalement garantie par un État membre
agissant, pour des raisons relevant d’un intérêt public impor-
tant, en qualité de réassureur en dernier ressort, y compris
lorsque ce rôle est rendu nécessaire par une situation où
il est impossible d’obtenir une couverture de réassurance
adéquate sur le marché.
Art. 14
La présente loi n’est pas applicable aux entreprises de
réassurance qui, au 10 décembre 2007, ont cessé de sous-
crire de nouveaux contrats de réassurance et se limitent à
administrer leur portefeuille existant en vue de mettre un
terme à leur activité.
Ces entreprises sont tenues de se faire connaître auprès
de la Banque, en précisant le type d’activité de réassurance
relatif au portefeuille de contrats qu’elles administrent.
La Banque dresse une liste des entreprises de réassurance
visées au présent article et la communique aux autorités de
contrôle des autres États membres.
TITRE III
Définitions
Art. 15
Aux fins de l’application de la présente loi et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution, on entend par:
1° “Règlement 1094/2010”: le Règlement (UE)
n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du
24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de
380
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor ver-
zekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit
nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG
van de Commissie;
2° “Verordening 2015/35”: Gedelegeerde Verordening (EU)
2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling
van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en
de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het
verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);
3° “Richtlijn 2002/87/EG”: Richtlijn 2002/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 be-
treffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen,
verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in
een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen
73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG
en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG
en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad;
4° “Richtlijn 2009/65/EG”: Richtlijn 2009/65/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coör-
dinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging
in effecten (icbe’s);
5° “Richtlijn 2009/103/EG”: Richtlijn 2009/103/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 be-
treffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid
waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen
aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen
deze aansprakelijkheid;
6° “Richtlijn 2009/138/EG”: Richtlijn 2009/138/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 be-
treffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings-
en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II);
7° “uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG”: het
geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen ter uitvoering
van Richtlijn 2009/138/EG;
8° “Richtlijn 2013/36/EU”: Richtlijn 2013/36/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende
toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudenti-
eel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemin-
gen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking
van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
9° “Hypotheekwet”: de wet van 16 december 1851 die Titel
XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt;
10° “wet van 6 april 1995”: de wet van 6 april 1995 inzake het
statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
11° “wet van 22 februari 1998”: de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank
van België;
surveillance (Autorité européenne des assurances et des
pensions professionnelles), modifiant la décision n° 716/2009/
CE et abrogeant la décision 2009/79/CE de la Commission;
2° “Règlement 2015/35”: le règlement délégué (UE)
2015/35 de la Commission du 10 octobre 2014 complétant la
directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil
sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance
et leur exercice (Solvabilité II);
3° “Directive 2002/87/CE”: la directive 2002/87/CE du
Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2002 rela-
tive à la surveillance complémentaire des établissements
de crédit, des entreprises d’assurance et des entreprises
d’investissement appartenant à un conglomérat financier,
et modifiant les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/
CEE, 92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les
directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement européen
et du Conseil;
4° “Directive 2009/65/CE”: la directive 2009/65/CE du
Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant
coordination des dispositions législatives, réglementaires et
administratives concernant certains organismes de placement
collectif en valeurs mobilières (OPCVM);
5° “Directive 2009/103/CE”: la directive 2009/103/CE du
Parlement et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant
l’assurance de la responsabilité civile résultant de la circu-
lation de véhicules automobiles et le contrôle de l’obligation
d’assurer cette responsabilité;
6° “Directive 2009/138/CE”: la directive 2009/138/CE du
Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur
l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et
leur exercice (Solvabilité II);
7° “mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE”:
l’ensemble des mesures d’exécution prises en exécution de
la Directive 2009/138/CE;
8° “Directive 2013/36/UE”: la directive 2013/36/UE du
Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concer-
nant l’accès des établissements de crédit et la surveillance
prudentielle des établissements de crédit et des entreprises
d’investissement modifiant la directive 2002/87/CE et abro-
geant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE;
9° “Loi hypothécaire”: la loi du 16 décembre 1851 formant
le Titre XVIII du Livre III du Code civil;
10° “loi du 6 avril 1995”: la loi du 6 avril 1995 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’investissement;
11° “loi du 22 février 1998”: la loi du 22 février 1998 fixant
le statut organique de la Banque nationale de Belgique;
381
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
12° “wet van 2 augustus 2002”: de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten;
13° “Wet Verzekeringen”: de wet van 4 april 2014 betref-
fende de verzekeringen;
14° “wet van 25 april 2014”: de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
15° “verzekeringsovereenkomst”:
a) hetzij een overeenkomst als gedefinieerd in artikel 5,
14° van de Wet Verzekeringen, met uitzondering van de
kapitalisatieovereenkomsten die onder tak 26 als vermeld in
Bijlage II vallen;
b) hetzij een overeenkomst die onder de takken 24 tot 28 als
vermeld in Bijlage II valt;
c) hetzij een verrichting die onder tak 29 als vermeld in
Bijlage II valt;
d) hetzij elke verbintenis die door een verzekeringsonder-
neming wordt aangegaan en die een soortgelijke prestatie
omvat als deze waarin de overeenkomsten en verrichtingen
die onder de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II vallen,
voorzien;
16° “niet-levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die
betrekking heeft op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I;
17° “levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die be-
trekking heeft op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II;
18° “verzekeringnemer”: de persoon die de overeenkomst
sluit met de verzekeringsonderneming;
19° “verzekerde”: de persoon als gedefinieerd in artikel 5,
17° van de Wet Verzekeringen;
20° “begunstigde”: de persoon in wiens voordeel de ver-
zekeringsprestaties zijn bedongen;
21° “verzekeringscaptive”: een verzekeringsonderneming
die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die
noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigendom is
van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft
uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de onder-
nemingen waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of
meer andere ondernemingen van de groep waarvan zij deel
uitmaakt, verzekeringsdekking te bieden;
22° “herverzekeringscaptive”: een herverzekeringsonder-
neming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming
die noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
noch een groep van verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigen-
dom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel
heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de
12° “loi du 2 août 2002”: la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services financiers;
13° “Loi assurances”: la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances;
14° “loi du 25 avril 2014”: la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit;
15° “contrat d’assurance”:
a) soit un contrat tel que défini à l’article 5, 14° de la Loi
assurances, à l’exception des contrats de capitalisation rele-
vant de la branche 26 mentionnée à l’Annexe II;
b) soit un contrat relevant des branches 24 à 28 mention-
nées à l’Annexe II;
c) soit une opération relevant de la branche 29 mentionnée
à l’Annexe II;
d) soit tout engagement pris par une entreprise d’assu-
rance et comportant une prestation similaire à celles prévues
par les contrats et opérations relevant des branches 21 à
29 mentionnées à l’Annexe II;
16° “assurance non-vie”: l’activité d’assurance se rappor-
tant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I;
17° “assurance-vie”: l’activité d’assurance se rapportant
aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II;
18° “preneur d’assurance”: la personne qui conclut le
contrat avec l’entreprise d’assurance;
19° “assuré”: la personne telle que définie à l’article 5, 17°
de la Loi assurances;
20° “bénéficiaire”: la personne en faveur de laquelle sont
stipulées les prestations d’assurance;
21° “entreprise captive d’assurance”: une entreprise
d’assurance qui est détenue soit par une entreprise financière
autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou
qu’un groupe d’entreprises d’assurance ou de réassurance au
sens de l’article 339, 2°, soit par une entreprise non financière
et qui a pour objet la fourniture d’une couverture d’assurance
portant exclusivement sur les risques de l’entreprise ou des
entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les risques
d’une ou plusieurs autres entreprises du groupe dont elle
fait partie;
22° “entreprise captive de réassurance”: une entreprise
de réassurance détenue soit par une entreprise financière
autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou
qu’un groupe d’entreprises d’assurance ou de réassurance
au sens de l’article 339, 2°, soit par une entreprise non finan-
cière et qui a pour objet la fourniture d’une couverture de
réassurance portant exclusivement les risques de l’entreprise
382
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ondernemingen waartoe zij behoort of voor de risico’s van
een of meer ondernemingen van de groep waarvan zij deel
uitmaakt, herverzekeringsdekking te bieden;
23° “herverzekering “niet-leven””: de herverzekerings-
activiteiten die betrekking hebben op de takken 1 tot 18 als
vermeld in Bijlage I;
24° “herverzekering “leven””: de herverzekeringsactiviteiten
die betrekking hebben op de takken 21 tot 29 als vermeld in
Bijlage II;
25° “effectiseringsvehikel” (“special purpose vehicle”): een
onderneming, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid
en anders dan een bestaande verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, die risico’s van verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen overneemt en die zijn blootstelling
aan deze risico’s volledig financiert door emissieprocedures
of andere financieringsmechanismen waarbij de terugbe-
talingsrechten van de geldgevers van dit soort emissies of
financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de herver-
zekeringsverplichtingen van de onderneming;
26° “onderlinge verzekeringsvereniging”: een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming die de vennootschapsvorm
als bedoeld in de artikelen 244 tot 271 van deze wet heeft
aangenomen;
27° “lidstaat”: een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
28° “derde land””: een staat die geen partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte;
29° “lidstaat van herkomst”: een van de volgende lidstaten:
a) bij niet-levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is
gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;
b) bij levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is
gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbinte-
nis aangaat;
c) bij herverzekeringen: de lidstaat waar de zetel van de
herverzekeringsonderneming is gevestigd;
30° “land van herkomst”: een van de volgende derde
landen:
a) bij niet-levensverzekeringen: het derde land waar de
zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het
risico dekt;
b) bij levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is
gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbinte-
nis aangaat;
ou des entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les
risques d’une ou de plusieurs entreprises du groupe dont
elle fait partie;
23° “réassurance non-vie”: les activités de réassurance
se rapportant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I;
24° “réassurance vie”: les activités de réassurance se
rapportant aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II;
25° “véhicule de titrisation” (“special purpose vehicle”):
toute entreprise, qu’elle soit dotée de la personnalité juridique
ou non, autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance existante, qui prend en charge les risques transférés
par des entreprises d’assurance ou de réassurance et qui
finance en totalité son exposition à ces risques par l’émission
d’une dette ou tout autre mécanisme de financement, où les
droits au remboursement de ceux ayant fait un versement
dans le cadre de cette dette ou de cet autre mécanisme de
financement sont subordonnés aux obligations de réassu-
rance d’une telle entreprise;
26° “association d’assurance mutuelle”: une entreprise
d’assurance ou de réassurance qui a adopté la forme sociale
visée aux articles 244 à 271 de la présente loi;
27° “État membre”: un État partie à l’Accord sur l’Espace
économique européen (EEE);
28° “pays tiers”: un État qui n’est pas partie à l’accord sur
l’Espace économique européen;
29° “État membre d’origine”: l’un des États membres
suivants:
a) en matière d’assurance non-vie, l’État membre dans
lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance
qui couvre le risque;
b) en matière d’assurance-vie, l’État membre dans lequel
est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui prend
l’engagement;
c) en matière de réassurance, l’État membre dans lequel
est situé le siège social de l’entreprise de réassurance;
30° “pays d’origine”: l’un des pays tiers suivants:
a) en matière d’assurance non-vie, le pays tiers dans
lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance
qui couvre le risque;
b) en matière d’assurance-vie, le pays tiers dans lequel
est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui prend
l’engagement;
383
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
c) bij herverzekeringen: het derde land waar de zetel van
de herverzekeringsonderneming is gevestigd;
31° “lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waar een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft
of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die
niet de lidstaat van herkomst is; in het geval van levens- en
niet-levensverzekeringen wordt onder “lidstaat van dienstver-
richting” verstaan respectievelijk de lidstaat van de verbintenis
of de lidstaat van het risico, wanneer de verbintenis of het
risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of
een bijkantoor in een andere lidstaat;
32° “land van ontvangst”: het derde land waar een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft
of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die
niet de lidstaat of het land van herkomst is; in het geval van
levens- en niet-levensverzekeringen wordt onder “derde land
van dienstverrichting” verstaan respectievelijk het derde land
van de verbintenis of het derde land van het risico, wanneer
de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzeke-
ringsonderneming of een bijkantoor in een ander land;
33° “bijkantoor”: een agentschap of bijkantoor van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die gevestigd
is op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat
van herkomst of op het grondgebied van een derde land;
Wordt met een bijkantoor gelijkgesteld, elke duurzame
aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van
een andere lidstaat dan haar lidstaat van herkomst of op het
grondgebied van een derde land, ook indien die aanwezigheid
niet de vorm heeft van een bijkantoor, maar enkel bestaat uit
een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderne-
ming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd
is om duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een
agentschap zou doen.
34° “vestiging” van een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming: de zetel van een onderneming of een van haar
bijkantoren;
35° “vrije dienstverrichting”: de activiteit waarbij een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming vanuit haar
zetel of vanuit een in een lidstaat of een derde land gelegen
bijkantoor, in een andere lidstaat of in een ander derde land
gelegen risico’s dekt;
36° “lidstaat of derde land van het risico”: naargelang van
het geval, een van de volgende lidstaten of derde landen:
a) de lidstaat of het derde land waar de goederen zich
bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft hetzij op
onroerend goed, hetzij op onroerend goed en op de inhoud
daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringsover-
eenkomst wordt gedekt;
b) de lidstaat of het derde land van registratie, wanneer de
verzekering betrekking heeft op voer- en vaartuigen van om
het even welk type;
c) en matière de réassurance, le pays tiers dans lequel est
situé le siège social de l’entreprise de réassurance;
31° “État membre d’accueil”: l’État membre, autre que l’État
membre d’origine, dans lequel une entreprise d’assurance
ou de réassurance a une succursale ou fournit des services
d’assurance ou de réassurance; pour l’assurance-vie et
pour l’assurance non-vie, on entend par l’État membre de
fourniture des services, respectivement, l’État membre de
l’engagement ou l’État membre où le risque est situé, lorsque
ledit engagement ou risque est couvert par une entreprise
d’assurance ou une succursale située dans un autre État
membre;
32° “pays d’accueil”: le pays tiers, autre que l’État membre
ou le pays d’origine, dans lequel une entreprise d’assurance
ou de réassurance a une succursale ou fournit des services
d’assurance ou de réassurance; pour l’assurance-vie et pour
l’assurance non-vie, on entend par le pays tiers de fourniture
des services, respectivement, le pays tiers de l’engagement
ou le pays tiers où le risque est situé, lorsque ledit engagement
ou risque est couvert par une entreprise d’assurance ou une
succursale située dans un autre pays;
33° “succursale”: toute agence ou succursale d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance qui est située sur
le territoire d’un État membre autre que son État membre
d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers;
Est assimilée à une succursale toute présence permanente
d’une entreprise sur le territoire d’un État membre autre que
son État membre d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers,
même lorsque cette présence n’a pas pris la forme d’une suc-
cursale mais s’exerce par le moyen d’un simple bureau géré
par le personnel propre de l’entreprise ou par une personne
indépendante mais mandatée pour agir en permanence pour
l’entreprise comme le ferait une agence.
34° “établissement” d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance: son siège ou une de ses succursales;
35° “libre prestation de services”: l’activité par laquelle une
entreprise d’assurance ou de réassurance couvre, à partir
de son siège social ou d’une succursale située dans un État
membre ou un pays tiers, des risques situés dans un autre
État membre ou un autre pays tiers;
36° “État membre ou pays tiers où le risque est situé”:
selon le cas, l’un des États membres ou pays tiers suivants:
a) l’État membre ou le pays tiers où se trouvent les biens,
lorsque l’assurance est relative soit à des immeubles, soit à
des immeubles et à leur contenu, dans la mesure où celui-ci
est couvert par la même police d’assurance;
b) l’État membre ou le pays tiers d’immatriculation, lorsque
l’assurance est relative à des véhicules de toute nature;
384
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In afwijking van het voorgaande lid wordt, wanneer
een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijk-
heidsverzekering inzake motorrijtuigen vanuit een lidstaat
naar een andere lidstaat wordt verzonden, de lidstaat van
bestemming, vanaf de aanvaarding van de levering door de
koper, gedurende een periode van dertig dagen beschouwd
als de lidstaat van het risico, zelfs indien het motorrijtuig in
de lidstaat van bestemming niet officieel is geregistreerd;
c) de lidstaat of het derde land waar de verzekeringnemer
de overeenkomst heeft gesloten, indien het een overeen-
komst betreft met een looptijd van vier maanden of minder
die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie gelopen
risico’s, ongeacht de tak;
d) in alle gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd in a), b)
of c): de lidstaat of het derde land waar een van de volgende
elementen zich bevindt:
i) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;
ii) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de
vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst
betrekking heeft;
37° lidstaat of derde land van de verbintenis: naargelang
van het geval, de lidstaat of het derde land waar een van de
volgende elementen zich bevindt:
a) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;
b) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de
vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst
betrekking heeft;
38° “algemeen lasthebber”: een natuurlijke persoon aan
wie voldoende bevoegdheden zijn verleend om de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming of, in het geval van
Lloyd’s, de betrokken “underwriters” te verbinden ten opzichte
van derden en om haar of hen tegenover de autoriteiten en de
rechterlijke instanties van de lidstaat of het land van ontvangst
te vertegenwoordigen;
39° “moederonderneming”: een onderneming die de ken-
merken bezit van een moedervennootschap als gedefinieerd
in artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen;
40° “dochteronderneming”: een onderneming die de ken-
merken bezit van een dochtervennootschap als gedefinieerd
in artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen; elke
dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook
beschouwd als een dochteronderneming van de moederon-
derneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
41° “nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer na-
tuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door zeggenschap
of deelneming, of een situatie waarin twee of meer natuurlijke
of rechtspersonen via een zeggenschapsband duurzaam
verbonden zijn met eenzelfde persoon;
Par dérogation à l’alinéa précédent, lorsqu’un véhicule
automoteur visé à l’article 1er de la loi du 21 novembre 1989 re-
lative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière
de véhicules automoteurs, est expédié d’un État membre
dans un autre État membre, l’État membre de destination est
réputé être celui où le risque est situé, dès acceptation de
la livraison par l’acheteur, pour une période de trente jours,
même si le véhicule n’a pas été officiellement immatriculé
dans l’État membre de destination;
c) l’État membre ou le pays tiers où le preneur a souscrit la
police, s’il s’agit d’un contrat d’une durée inférieure ou égale
à quatre mois, relatif à des risques encourus au cours d’un
voyage ou de vacances, quelle que soit la branche concernée;
d) dans tous les cas non expressément couverts sous a),
b) ou c), l’État membre ou le pays tiers où l’un des éléments
suivants est situé:
i) la résidence habituelle du preneur;
ii) l’établissement du preneur auquel le contrat se rap-
porte si le preneur est une personne morale;
37° État membre ou pays tiers de l’engagement: selon
le cas, l’État membre ou le pays tiers où l’un des éléments
suivants est situé:
a) la résidence habituelle du preneur;
b) l’établissement du preneur auquel le contrat se rap-
porte si le preneur est une personne morale;
38° “mandataire général”: une personne physique dotée
des pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise d’assurance
ou de réassurance à l’égard des tiers ou, dans le cas du
Lloyd’s, des souscripteurs intéressés, et pour la ou les repré-
senter dans les relations avec les autorités et les juridictions
de l’État membre ou du pays d’accueil;
39° “entreprise mère”: une entreprise qui répond aux
conditions de la société mère telle que définie à l’article 6 du
Code des sociétés;
40° “filiale”: une entreprise qui répond aux conditions de
la société filiale telle que définie à l’article 6 du Code des
sociétés; toute filiale d’une filiale est également considérée
comme une filiale de l’entreprise mère qui est à la tête de
ces entreprises;
41° “liens étroits”: une situation dans laquelle deux per-
sonnes physiques ou morales ou plus sont liées par un lien de
contrôle ou une participation, ou une situation dans laquelle
deux personnes physiques ou morales ou plus sont liées de
manière permanente à une seule et même personne par un
lien de contrôle;
385
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
42° “zeggenschapsband”: de band die bestaat tussen
een moederonderneming en een dochteronderneming, als
bedoeld in artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen,
of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtsper-
soon en een onderneming;
43° “deelneming”: het rechtstreeks of door middel van een
zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van
de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;
44° “gekwalificeerde deelneming”: het rechtstreeks of on-
rechtstreeks bezit van ten minste 10 % van het kapitaal van
een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden
aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan
wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis
uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin
wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend over-
eenkomstig de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op
de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen en haar
uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met
stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg
van het vast overnemen van financiële instrumenten en/of
het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsga-
rantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins
worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van
de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun
verwerving worden overgedragen;
45° “intragroeptransactie”: een verrichting waarbij een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming direct of indi-
rect steunt op andere ondernemingen in dezelfde groep of
op een natuurlijke of rechtspersoon die door nauwe banden
verbonden is met de ondernemingen in die groep, om te
voldoen aan een verplichting, al dan niet contractueel en al
dan niet tegen betaling;
46° “gereglementeerde markt”: een van de volgende
markten:
a) in het geval van een markt in een lidstaat: een geregle-
menteerde markt in de zin van artikel 2, eerste lid, 5° of 6°
van de wet van 2 augustus 2002;
b) in het geval van een markt in een derde land: een
financiële markt die aan de volgende voorwaarden voldoet:
— de markt is erkend door de lidstaat van herkomst van
de verzekeringsonderneming en beantwoordt aan vereisten
die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2004/39/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 be-
treffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging
van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en
van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de
Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van
de Raad; en
— de financiële instrumenten die op deze markt worden
verhandeld, zijn van een kwaliteit die vergelijkbaar is met die
van de instrumenten die op de gereglementeerde markt(en)
van de lidstaat van herkomst worden verhandeld;
42° “lien de contrôle”: le lien qui existe entre une entreprise
mère et une entreprise filiale, tel que visé à l’article 5 du Code
des sociétés, ou une relation de même nature entre toute
personne physique ou morale et une entreprise;
43° “participation”: le fait de détenir, directement ou par le
biais d’un lien de contrôle, au moins 20 % des droits de vote
ou du capital d’une entreprise;
44° “participation qualifiée”: la détention, directe ou indi-
recte, de 10 % au moins du capital d’une société ou des
droits de vote attachés aux titres émis par cette société, ou
toute autre possibilité d’exercer une influence notable sur la
gestion de la société dans laquelle est détenue une participa-
tion; le calcul des droits de vote s’établit conformément aux
dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des
participations importantes, ainsi qu’à celles de ses arrêtés
d’exécution; il n’est pas tenu compte des droits de vote ou des
actions détenues à la suite de la prise ferme d’instruments
financiers et/ou du placement d’instruments financiers avec
engagement ferme, pour autant que, d’une part, ces droits ne
soient pas exercés ni utilisés autrement pour intervenir dans
la gestion de l’émetteur et que, d’autre part, ils soient cédés
dans un délai d’un an après leur acquisition;
45° “transaction intragroupe”: toute transaction par laquelle
une entreprise d’assurance ou de réassurance recourt direc-
tement ou indirectement à d’autres entreprises du même
groupe ou à toute personne physique ou morale liée aux
entreprises de ce groupe par des liens étroits, pour l’exécution
d’une obligation, contractuelle ou non, à titre onéreux ou non;
46° “marché réglementé”: l’un des marchés suivants:
a) dans le cas d’un marché situé dans un État membre,
un marché réglementé au sens de l’article 2, alinéa 1er, 5° ou
6°, de la loi du 2 août 2002;
b) dans le cas d’un marché situé dans un pays tiers, un
marché financier qui remplit les conditions suivantes:
— il est reconnu par l’État membre d’origine de l’entreprise
d’assurance et satisfait à des exigences comparables à celles
prévues par la directive 2004/39/CE du Parlement européen
et du Conseil du 21 avril 2004 concernant les marchés d’ins-
truments financiers, modifiant les directives 85/611/CEE et
93/6/CEE du Conseil et la directive 2000/12/CE du Parlement
européen et du Conseil et abrogeant la directive 93/22/CEE; et
— les instruments financiers qui y sont négociés sont
d’une qualité comparable à celle des instruments négociés
sur le marché ou les marchés réglementés de l’État membre
d’origine;
386
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
47° “beleggingsonderneming”: een beleggingsonderne-
ming in de zin van artikel 44 van de wet van 6 april 1995;
48° “financiële instelling”: een onderneming die geen kre-
dietinstelling is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in
het verwerven van deelnemingen of het uitoefenen van een
of meer van de werkzaamheden als bedoeld in de punten
2 tot 12 en 15 van de lijst opgenomen in artikel 4 van de wet
van 25 april 2014;
49° “financiële onderneming”: een van de volgende
entiteiten:
a) een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of
een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° of een
gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15)
van Richtlijn 2002/87/EG;
b) een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, van de wet
van 25 april 2014, een financiële instelling of een onderneming
die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van
artikel 89, lid 1, onder b) ii), van Verordening nr. 575/2013 van
het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 be-
treffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening
(EU) nr. 648/2012;
c) een beleggingsonderneming;
50° “collectieve beleggingsonderneming”: een collectieve
beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de
wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor
collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen;
51° “beheervennootschap van instellingen voor collec-
tieve belegging”: een beheervennootschap van instellingen
voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de
wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor
collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen;
52° “alternatieve instelling voor collectieve belegging of
“AICB””: een instelling voor collectieve belegging in de zin
van artikel 3, 2° van de wet van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun
beheerders;
53° “beheerder van alternatieve instellingen voor collec-
tieve belegging”: een beheerder van alternatieve instellingen
voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de
wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook
“AICB-beheerder” genoemd;
54° “uitbesteding”: een overeenkomst van om het even
welke vorm tussen een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en een al dan niet onder toezicht staande
dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener hetzij
rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding een
47° “entreprise d’investissement”: une entreprise d’inves-
tissement au sens de l’article 44 de la loi du 6 avril 1995;
48° “établissement financier”: une entreprise autre qu’un
établissement de crédit, dont l’activité principale consiste à
prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des
activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à
l’article 4 de la loi du 25 avril 2014;
49° “entreprise financière”: l’une des entités suivantes:
a) une entreprise d’assurance ou de réassurance ou une
société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5°, ou
une compagnie financière mixte au sens de l’article 2, point
15) de la Directive 2002/87/CE;
b) un établissement de crédit au sens de l’article 1er,
§ 3 de la loi du 25 avril 2014, un établissement financier, ou
une entreprise de services bancaires auxiliaires au sens de
l’article 89, paragraphe 1er, b), ii), du Règlement n°575/2013 du
Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant
les exigences prudentielles applicables aux établissements
de crédit et aux entreprises d’investissement et modifiant le
règlement (UE) n°648/2012;
c) une entreprise d’investissement;
50° “organisme de placement collectif”: un organisme
de placement collectif au sens de l’article 3, 1° de la loi du
3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif
répondant aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux
organismes de placement en créances;
51° “société de gestion d’organismes de placement col-
lectif”: une société de gestion d’organismes de placement
collectif au sens de l’article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 rela-
tive aux organismes de placement collectif répondant aux
conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances;
52° “organisme de placement collectif alternatif ou
“OPCA””: un organisme de placement collectif au sens de
l’article 3, 2° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes
de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires;
53° “gestionnaire d’organismes de placement collectif
alternatifs”: un gestionnaire d’organismes de placement
collectif alternatifs au sens de l’article 3, 13° de la loi du
19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif
alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après également “ges-
tionnaire d’OPCA”;
54° “sous-traitance”: un accord, quelle que soit sa forme,
conclu entre une entreprise d’assurance ou de réassurance
et un prestataire de services, soumis ou non à un contrôle,
en vertu duquel ce prestataire de services exécute, soit
directement, soit en recourant lui-même à la sous-traitance,
387
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
proces, een dienst of een activiteit uitvoert die anders door
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf zou
worden uitgevoerd;
55° “functie”: in een governancesysteem: een interne
capaciteit om praktische taken uit te voeren; een governance-
systeem omvat de risicobeheerfunctie, de compliancefunctie,
de interneauditfunctie en de actuariële functie;
56° “verzekeringstechnisch risico”: het risico op verliezen
of op een ongunstige verandering in de waarde van verze-
keringsverplichtingen door een ondeugdelijke prijsstelling en
inadequate hypothesen met betrekking tot de voorzieningen;
57° “marktrisico”: het risico op verliezen of op een ongun-
stige verandering in de financiële positie als direct of indirect
gevolg van schommelingen in het niveau en in de volatiliteit
van de marktprijzen van activa, verplichtingen en financiële
instrumenten;
58° “kredietrisico”: het risico op verliezen of op een on-
gunstige verandering in de financiële positie als gevolg van
schommelingen in de kredietwaardigheid van emittenten
van effecten, tegenpartijen en debiteuren waaraan verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen in de vorm van een
tegenpartijrisico, spreadrisico of marktrisicoconcentraties
blootstaan;
59° “gekwalificeerde centrale tegenpartij”: een centrale
tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeen-
komstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het
Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende
otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters of
die overeenkomstig artikel 25 van die Verordening erkend is;
60° “operationeel risico”: het risico op verliezen door inade-
quate of falende interne procedures, personeel of systemen
of door externe gebeurtenissen;
61° “liquiditeitsrisico”: “het risico dat verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen geen beleggingen en an-
dere activa te gelde kunnen maken om aan hun financiële
verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden;
62° “concentratierisico”: alle risicoposities waaraan een
potentieel verlies verbonden is dat groot genoeg is om de
solvabiliteit of de financiële positie van verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen in gevaar te brengen;
63° “risicomatigingstechnieken”: alle technieken waarmee
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun risico’s
deels of in hun geheel kunnen overdragen aan een andere
partij;
64° “diversificatie-effecten”: de vermindering van de risico-
positie van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
en -groepen die verband houdt met de diversificatie van hun
activiteiten en die voortvloeit uit het feit dat het tegenvallende
un processus, un service ou une activité qui, autrement, serait
exécuté par l’entreprise d’assurance ou de réassurance
elle-même;
55° “fonction” dans un système de gouvernance: une capa-
cité interne d’accomplir des tâches concrètes; un système de
gouvernance comprend la fonction de gestion des risques,
la fonction de vérification de la conformité, la fonction d’audit
interne et la fonction actuarielle;
56° “risque de souscription”: le risque de perte ou de
changement défavorable de la valeur des engagements
d’assurance en raison d’hypothèses inadéquates en matière
de tarification et de provisionnement;
57° “risque de marché”: le risque de perte ou de change-
ment défavorable de la situation financière résultant, direc-
tement ou indirectement, de fluctuations affectant le niveau
et la volatilité de la valeur de marché des actifs, des passifs
et des instruments financiers;
58° “risque de crédit”: le risque de perte, ou de changement
défavorable de la situation financière, résultant de fluctua-
tions affectant la qualité de crédit d’émetteurs de valeurs
mobilières, de contreparties ou de tout débiteur auquel les
entreprises d’assurance ou de réassurance sont exposées
sous forme de risque de contrepartie, de risque lié à la fluc-
tuation de la marge ou de concentration du risque de marché;
59° “contrepartie centrale éligible”: une contrepartie cen-
trale qui a été soit agréée conformément à l’article 14 du
règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du
Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à
gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux,
soit reconnue conformément à l’article 25 dudit règlement;
60° “risque opérationnel”: le risque de perte résultant de
processus ou procédures internes, de membres du personnel
ou de systèmes inadéquats ou défaillants, ou d’événements
extérieurs;
61° “risque de liquidité”: le risque, pour les entreprises
d’assurance ou de réassurance, de ne pas pouvoir réaliser
leurs investissements et autres actifs en vue d’honorer leurs
engagements financiers au moment où ceux-ci deviennent
exigibles;
62° “risque de concentration”: toutes les expositions au
risque qui sont assorties d’un potentiel de perte suffisamment
important pour menacer la solvabilité ou la situation financière
des entreprises d’assurance ou de réassurance;
63° “techniques d’atténuation du risque”: toutes les tech-
niques qui permettent aux entreprises d’assurance ou de
réassurance de transférer tout ou partie de leurs risques à
une autre partie;
64° “effets de diversification”: la réduction de l’exposition
au risque qu’entraîne le fait, pour les entreprises et groupes
d’assurance ou de réassurance, de diversifier leurs activités,
dès lors que le résultat défavorable d’un risque peut être
388
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
resultaat uit hoofde van het ene risico kan worden gecom-
penseerd met het meevallende resultaat uit hoofde van een
ander risico, wanneer er geen volledige correlatie tussen
deze risico’s bestaat;
65° “kansverdelingsprognose”: een wiskundige functie
waarbij een volledige reeks van elkaar uitsluitende toekom-
stige gebeurtenissen wordt gekoppeld aan een kans dat deze
zich daadwerkelijk voordoen;
66° “risicomaatstaf”: een wiskundige functie waarbij een
financieel bedrag wordt gekoppeld aan een bepaalde kansver-
delingsprognose en die monotoon toeneemt met de omvang
van de risicopositie die aan deze kansverdelingsprognose
ten grondslag ligt;
67° “externe kredietbeoordelingsinstelling” of “EKBI”:
een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad
geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank die
kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing van die
Verordening zijn ontheven;
68° “technische voorzieningen”: reserves aangelegd door
de onderneming ter nakoming van de verzekerings- of herver-
zekeringsverplichtingen die op haar rusten ten aanzien van de
verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden van
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten betreffende
zowel de lopende als de vervallen overeenkomsten die nog
niet volledig vereffend zijn;
69° “financiële informatie”: de kwantitatieve gegevens die
met toepassing van deze wet of de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG worden opgevraagd, met inbegrip
van de boekhoudkundige gegevens;
70° “saneringsmaatregelen”: de maatregelen die bestemd
zijn om de financiële positie van een verzekeringsonderne-
ming in stand te houden of te herstellen en die de bestaande
rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming
zelf aantasten. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht
bestaan deze maatregelen in:
a) de daden van beschikking als bedoeld in artikel 519 van
deze wet;
b) de in artikel 517, § 1, 4° en 7° van deze wet bedoelde
maatregelen;
c) de in de artikelen 546 en 547 bedoelde maatregelen die
buiten een liquidatieprocedure zijn vastgesteld;
71° “liquidatieprocedure”: een collectieve procedure die
het te gelde maken van de activa van een verzekerings-
onderneming en het verdelen van de opbrengst onder de
schuldeisers, aandeelhouders of vennoten behelst, en die
noodzakelijkerwijs een optreden van administratieve of rech-
terlijke instanties behelst, ongeacht of de procedure op insol-
ventie berust en of de procedure vrijwillig dan wel verplicht
is. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze
procedure overeen met een faillissement als geregeld bij de
compensé par le résultat plus favorable d’un autre risque,
lorsque ces risques ne sont pas parfaitement corrélés;
65° “distribution de probabilité prévisionnelle”: une fonction
mathématique qui affecte à un ensemble exhaustif d’évé-
nements futurs mutuellement exclusifs une probabilité de
réalisation;
66° “mesure de risque”: une fonction mathématique qui
affecte un montant monétaire à une distribution de probabilité
prévisionnelle donnée et qui augmente de façon monotone
avec le niveau d’exposition au risque sous-tendant cette
distribution de probabilité prévisionnelle;
67° “établissement externe d’évaluation du crédit”
ou “EEEC”: une agence de notation de crédit qui est
enregistrée ou certifiée conformément au Règlement (CE)
n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil ou une
banque centrale émettant des notations de crédit qui sont
dispensées de l’application dudit règlement;
68° “provisions techniques”: réserves constituées par
l’entreprise pour faire face à ses engagements d’assurance
ou de réassurance vis-à-vis des preneurs, des assurés et
des bénéficiaires des contrats d’assurance ou bénéficiaires
des contrats de réassurance, concernant tant les contrats
en cours que les contrats échus et non entièrement liquidés;
69° “informations financières”: les données quantitatives
exigées en application de la présente loi ou des mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, en ce compris les
données comptables;
70° “mesures d’assainissement”: les mesures destinées
à préserver ou à rétablir la situation financière d’une entre-
prise d’assurance et qui affectent les droits préexistants des
parties autres que l’entreprise d’assurance elle-même. Pour
les entreprises de droit belge, ces mesures correspondent
a) aux actes de disposition visés à l’article 519 de la pré-
sente loi;
b) aux mesures visées à l’article 517, § 1er, 4° et 7° de la
présente loi;
c) aux mesures visées aux articles 546 et 547 adoptées
en dehors d’une procédure de liquidation;
71° “procédure de liquidation”: une procédure collective
entraînant la réalisation des actifs d’une entreprise d’assu-
rance et la répartition du produit entre les créanciers, les
actionnaires ou associés et entraînant nécessairement une
intervention d’autorités administratives ou judiciaires, que la
procédure soit fondée ou non sur l’insolvabilité et que la pro-
cédure soit volontaire ou obligatoire. Pour les entreprises de
droit belge, une telle procédure correspond à la faillite régie
par la loi du 8 août 1997 sur les faillites et aux procédures
389
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
faillissementswet van 8 augustus 1997 en met de collectieve
liquidatieprocedures als bedoeld in Boek IV, Titel IX, van het
Wetboek van Vennootschappen;
72° “saneringsautoriteiten”: de administratieve of rechter-
lijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van sanerings-
maatregelen. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht zijn
dit de Koning en de Bank wat hun respectieve bevoegdheden
inzake saneringsmaatregelen betreft;
73° “liquidatieautoriteiten”: de administratieve of rechter-
lijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatie-
procedures. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht is
dit de rechtbank van koophandel wat haar bevoegdheid op
het gebied van faillissementen en gedwongen ontbindingen
betreft en de Bank wat haar bevoegdheid in alle andere liqui-
datieprocedures betreft;
74° “saneringscommissaris”: elke persoon of elk orgaan
aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaat-
regelen te beheren;
75° “liquidateur”: elke persoon of elk orgaan aangesteld
door een liquidatieautoriteit of aangewezen overeenkomstig
de wettelijke of statutaire regels om liquidatieprocedures te
beheren;
76° “schuldvordering uit hoofde van verzekering”: ieder
bedrag dat door een verzekeringsonderneming verschuldigd
is aan verzekerden, verzekeringnemers, begunstigden of
benadeelden die een rechtstreekse vordering hebben tegen
de verzekeringsonderneming en dat uit een verzekerings-
overeenkomst voortvloeit, met inbegrip van de gereserveerde
bedragen voor de voornoemde personen, zolang niet alle
elementen van de schuld bekend zijn. De terug te betalen
premies die een verzekeringsonderneming als gevolg van
de niet-sluiting, de annulering of de opzegging van die
verzekeringsovereenkomsten overeenkomstig het op die
overeenkomsten toepasselijke recht verschuldigd is vóór de
opening van de liquidatieprocedure, worden ook beschouwd
als schuldvorderingen uit hoofde van verzekering;
77° “strategische beslissing”: een beslissing die een zeker
belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben
op de onderneming, in de mate dat zij gevolgen heeft voor
verschillende functies van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, en die betrekking heeft op elke investering,
desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsre-
latie van de onderneming, met name een beslissing tot aan-
koop of oprichting van een andere onderneming, tot oprichting
van een joint venture, tot vestiging in een andere lidstaat of
derde land, tot het sluiten van een samenwerkingsovereen-
komst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak,
tot het aangaan van een fusie of een splitsing. Bij reglement
vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslis-
singen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin
van deze wet, met name rekening houdend met het risicopro-
fiel en de aard van de activiteiten van de ondernemingen. Zij
maakt deze nadere bepalingen openbaar;
collectives de liquidation visées au Livre IV, Titre IX, du Code
des sociétés;
72° “autorités d’assainissement”: les autorités adminis-
tratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures
d’assainissement. Pour les entreprises de droit belge,
ces autorités sont le Roi et la Banque en ce qui concerne
leurs compétences respectives en matière de mesures
d’assainissement;
73° “autorités de liquidation”: les autorités administratives
ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liqui-
dation. Pour les entreprises de droit belge, une telle autorité
correspond au tribunal de commerce en ce qui concerne sa
compétence en matière de faillite et de dissolution forcée et à
la Banque pour ce qui concerne sa compétence dans toutes
les autres procédures de liquidation;
74° “commissaire à l’assainissement”: toute personne ou
tout organe nommé par une autorité d’assainissement en vue
de gérer des mesures d’assainissement;
75° “liquidateur”: toute personne ou tout organe nommé
par une autorité de liquidation ou désigné conformément aux
règles légales et statutaires en vue de gérer des procédures
de liquidation;
76° “créance d’assurance”: tout montant qui est dû par
une entreprise d’assurance à des assurés, des preneurs
d’assurance, des bénéficiaires ou à toute personne lésée
disposant d’un droit d’action direct à l’encontre de l’entreprise
d’assurance et qui résulte d’un contrat d’assurance, y compris
les montants mis en réserve pour les personnes précitées,
tant que tous les éléments de la dette ne sont pas encore
connus. Les primes à rembourser dues par une entreprise
d’assurance par suite de la non-conclusion, de l’annulation
ou de la résiliation de contrats d’assurance, conformément
à la loi applicable à ces contrats, avant l’ouverture de la
procédure de liquidation, sont aussi considérées comme des
créances d’assurance;
77° “décision stratégique”: , une décision, dès lors qu’elle
est d’une certaine importance et dès lors susceptible d’avoir
un impact plus global sur l’entreprise dans la mesure où dif-
férentes fonctions de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance seraient touchées ou remises en question à la suite de
pareille décision, qui concerne tout investissement, désinves-
tissement, participation ou relation de coopération stratégique
de l’entreprise, notamment, une décision d’acquisition ou de
constitution d’une autre entreprise, de constitution d’une joint
venture, d’établissement dans un autre État membre ou pays
tiers, de conclusion d’accords de coopération, d’apport ou
d’acquisition d’une branche d’activité, de fusion ou de scis-
sion. La Banque, par voie de règlement pris en application de
l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser
les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au
sens de la présente loi en tenant notamment compte du profil
de risque et de la nature des activités des entreprises. Elle
publie ces précisions;
390
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
78° “winstdeling”: bedrag van alle of een deel van de winst
van de verzekeringsonderneming die aan de verzekerings-
overeenkomsten wordt toegekend;
79° “verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand”:
een maatschappij als bedoeld in de artikelen 43bis, § 5 en
70, §§ 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende
de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
80° “toezichthouder”: de overheidsinstantie of over-
heidsinstanties die op grond van het nationaal recht van
een lidstaat met toepassing van Richtlijn 2009/138/CE ge-
machtigd is of zijn toezicht uit te oefenen op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;
81° “autoriteit van een derde land”: autoriteit die belast is
het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen in een derde land;
82° “de Bank”: de Nationale Bank van België, als bedoeld
in de wet van 22 februari 1998;
83° “de FSMA”, de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten, als bedoeld in artikel 44 van de wet van
2 augustus 2002;
84° “de Controledienst voor de ziekenfondsen”: de
Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden
van ziekenfondsen als bedoeld in artikel 49 van de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de lands-
bonden van ziekenfondsen;
85° “Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds”: het
Gemeenschappelijk Waarborgfonds als bedoeld in artikel
19bis-2 van de wet van 21 november 1989 betreffende de ver-
plichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
86° “Belgisch Bureau”: het Belgisch nationaal verzeke-
ringsbureau als bedoeld in artikel 19bis-1 van de wet van
21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijk-
heidsverzekering inzake motorrijtuigen;
87° “Fonds voor arbeidsongevallen”: het Fonds voor
Arbeidsongevallen als bedoeld in artikel 57 van de wet van
10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen;
88° “ESRB”: het Europees Comité voor Systeemrisico’s
opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees
Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende
macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het
financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité
voor systeemrisico’s;
89° “EIOPA”: de Europese Autoriteit voor verzekeringen
en bedrijfspensioenen als bedoeld in Verordening 1094/2010;
90° “EBA”: de Europese Bankautoriteit opgericht
bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees
Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting
van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese
78° “participation bénéficiaire”: montant de tout ou partie
des bénéfices de l’entreprise d’assurance qui est octroyé aux
contrats d’assurance;
79° “société mutualiste d’assurance”: une société visée
aux articles 43bis, § 5, et 70, §§ 6, 7 et 8, de la loi du
6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales
de mutualités;
80° “autorité de contrôle”: l’autorité publique ou les autori-
tés publiques habilitées, en vertu du droit national d’un État
membre en application de la Directive 2009/138/CE, à contrô-
ler les entreprises d’assurance ou de réassurance;
81° “autorité de pays tiers”: une autorité en charge du
contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance au
sein d’un pays tiers;
82° “la Banque”: la Banque nationale de Belgique, visée
dans la loi du 22 février 1998;
83° “la FSMA”: l’Autorité des services et marchés finan-
ciers, visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002;
84° “l’Office de contrôle des mutualités”: l’Office de
contrôle des mutualités et des unions nationales de mutuali-
tés, tel que visé à l’article 49 de la loi du 6 août 1990 relative
aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
85° “Fonds commun de garantie belge”: le Fonds
commun de Garantie visé à l’article 19bis-2 de la loi du
21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la
responsabilité en matière de véhicules automoteurs;
86° “Bureau belge”: le Bureau national belge d’assurance
visé à l’article 19bis-1 de la loi du 21 novembre 1989 relative
à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de
véhicules automoteurs;
87° “Fonds des accidents du travail”: le Fonds des acci-
dents du travail visé à l’article 57 de la loi du 10 avril 1971 rela-
tive aux accidents du travail;
88° “CERS”: le Comité européen du risque systémique
institué par le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement
européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la
surveillance macroprudentielle du système financier dans
l’Union européenne et instituant un Comité européen du
risque systémique;
89° “EIOPA”, l’Autorité européenne des assurances
et des pensions professionnelles, instituée par le
Règlement 1094/2010;
90° “ABE”: l’Autorité bancaire européenne instituée dans
le règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen
et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité
européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne),
391
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en
tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie.
TITEL IV
Gereserveerde namen
Art. 16
In België mogen alleen de volgende ondernemingen
publiekelijk gebruikmaken van de termen “verzekeringson-
derneming”, “herverzekeringsonderneming”, “verzekeraar” of
“herverzekeraar” of meer in het algemeen van de termen die
verwijzen naar het statuut van verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, inzonderheid in hun naam, in de opgave
van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame:
1° i n B e l g i ë g e ve s t i g d e ve r z e ke r i n g s - o f
herverzekeringsondernemingen;
2° verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar
buitenlands recht die in België werkzaam zijn overeenkomstig
de artikelen 556 en 600.
Evenwel,
1° geldt het eerste lid, wat de termen “verzekering” en
“herverzekering” betreft, niet voor de organisaties naar inter-
nationaal publiekrecht die actief zijn in de verzekerings- of
herverzekeringssector en waarbij een of meer lidstaten zijn
aangesloten;
2° geldt het eerste lid, wat de termen “verzekeringsonder-
neming” en “herverzekeringsonderneming” betreft, niet voor
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder
een buitenlands recht ressorteren en die in België geen ver-
zekerings- of herverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen
en die openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die
verzoeken om beleggingsinstrumenten toe te laten tot de
verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van
de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van
beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsin-
strumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde
markt, voor wat de voornoemde openbare aanbiedingen of
verzoeken tot toelating van beleggingsinstrumenten betreft;
3° mogen verzekeringsholdings gebruikmaken van de
term “verzekering” in de uitdrukking “verzekeringsholding”
of in soortgelijke uitdrukkingen; ook gemengde financiële
holdings en gemengde verzekeringsholdings mogen van
de term “verzekering” gebruikmaken in de uitdrukkingen
“bankverzekeringsholding” of “verzekeringsbankieren” of in
soortgelijke uitdrukkingen.
Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen die onder een buitenlands
recht ressorteren en die gerechtigd zijn om in België de in
het eerste lid bedoelde termen te gebruiken, eisen dat er aan
hun naam een verklarende vermelding wordt toegevoegd.
modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision
2009/78/CE de la Commission.
TITRE IV
Dénominations réservées
Art. 16
Peuvent seuls faire usage public en Belgique des termes
“entreprise d’assurance”, “entreprise de réassurance”,
“assureur” ou “réassureur” ou plus généralement des termes
faisant référence au statut d’entreprise d’assurance ou de
réassurance, notamment dans leur dénomination sociale,
dans la désignation de leur objet, dans leurs titres, effets ou
documents ou dans leur publicité:
1° les entreprises d’assurance ou de réassurance établies
en Belgique;
2° les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
étranger opérant en Belgique conformément aux articles
556 et 600.
Toutefois,
1° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne les
termes “assurance” et “réassurance” aux organisations de
droit international public actives dans le secteur de l’assu-
rance ou de la réassurance dont un ou plusieurs des États
membres sont membres;
2° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne
les termes “entreprise d’assurance” et “entreprise de réas-
surance”, aux entreprises d’assurance ou de réassurance
relevant d’un droit étranger et non autorisées à exercer des
activités d’assurance ou de réassurance en Belgique et qui
procèdent à des offres publiques d’instruments de place-
ment ou à des admissions d’instruments de placement à la
négociation sur un marché réglementé au sens de la loi du
16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de
placement et aux admissions d’instruments de placement
à la négociation sur un marché réglementé, et ce, pour les
besoins des offres et admissions d’instruments de placement
précitées;
3° les sociétés holding d’assurance peuvent faire usage du
terme “assurance” dans l’expression “holding d’assurance” ou
dans des expressions similaires; les compagnies financières
mixtes et les sociétés holding mixtes d’assurance peuvent,
de leur côté, faire usage du terme “assurance” dans les
expressions “holding de bancassurance” ou “assurfinance”
ou dans des expressions similaires.
Dans les cas où il y aurait un risque de confusion, la Banque
peut imposer aux entreprises d’assurance ou de réassurance
relevant d’un droit étranger habilités à user en Belgique des
termes prévus à l’alinéa 1er, l’adjonction à leur dénomination
d’une mention explicative.
392
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Dit artikel doet geen afbreuk aan artikel 265 van de wet
van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
BOEK II
VERZEKERINGS- OF
HERVERZEKERINGSONDERNEMINGEN NAAR
BELGISCH RECHT
TITEL I
Toegang tot het bedrijf
HOOFDSTUK I
Vergunning
Afdeling I
Vergunningsplicht
Art. 17
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die in
België een onder deze wet vallende verzekeringsactiviteit of
herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen, moet, vooraleer
deze aan te vatten, een vergunning verkrijgen.
Art. 18
De in artikel 17 bedoelde vergunning wordt verleend:
1° wat het verzekeringsbedrijf betreft, voor een of meer tak-
ken als vermeld in Bijlage I of Bijlage II; de vergunning geldt
voor de volledige tak, tenzij de aanvrager slechts een gedeelte
van de tot deze tak behorende risico’s wenst te dekken;
2° wat het herverzekeringsbedrijf betreft, voor de herverze-
keringsactiviteit “niet-leven”, voor de herverzekeringsactiviteit
“leven” of voor beide types van herverzekeringsactiviteiten.
De vergunning bedoeld in het eerste lid, 1° kan binnen de
door de Bank bepaalde grenzen gecumuleerd worden met
de vergunning bedoeld in het eerste lid, 2°.
Art. 19
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
overeenkomstig artikel 17 een vergunning heeft verkregen,
dient voorafgaandelijk een uitbreiding van haar vergunning
aan te vragen wanneer zij haar activiteiten wenst uit te brei-
den, respectievelijk:
1° tot een of meer andere verzekeringstakken;
2° tot andere delen van verzekeringstakken;
3° tot andere herverzekeringsactiviteiten,
Le présent article est sans préjudice de l’article 265 de la
loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.
LIVRE II
DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE
RÉASSURANCE DE DROIT BELGE
TITRE IER
De l’accès à l’activité
CHAPITRE IER
Agrément
Section Ire
Obligation d’agrément
Art. 17
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
entendent exercer en Belgique une activité d’assurance ou
de réassurance relevant de la présente loi sont tenues, avant
de commencer leur activité, de se faire agréer.
Art. 18
L’agrément visé à l’article 17 est accordé:
1° en ce qui concerne l’activité d’assurance, pour une ou
plusieurs branches mentionnées à l’Annexe I ou à l’Annexe
II; il couvre la branche entière sauf si le demandeur ne désire
garantir qu’une partie des risques relevant de cette branche;
2° en ce qui concerne l’activité de réassurance, pour l’acti-
vité de réassurance non-vie, pour l’activité de réassurance vie
ou pour les deux types d’activité de réassurance.
L’agrément visé à l’alinéa 1er, 1° peut, dans les limites fixées
par la Banque, être cumulé avec celui visé à l’alinéa 1er, 2°.
Art. 19
Toute entreprise d’assurance ou de réassurance agréée
conformément à l’article 17, est tenue de solliciter préalable-
ment une extension de son agrément lorsqu’elle souhaite
étendre ses activités, respectivement:
1° à une ou plusieurs autres branches d’assurance;
2° à d’autres parties de branches d’assurance;
3° à d’autres activités de réassurance,
393
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dan deze die door de eerder verleende vergunning zijn
gedekt.
Art. 20
De verzekeringsondernemingen die onder de toepassing
van deze wet vallen, mogen onverminderd artikel 21, § 2, de in
artikel 10 bedoelde hulpverleningsactiviteit slechts uitoefenen
indien zij een vergunning hebben verkregen voor tak 18 als
vermeld in Bijlage I. In dat geval is deze wet van toepassing
op die activiteit.
Art. 21
§ 1. De risico’s die tot een tak behoren kunnen niet in een
andere tak worden ingedeeld, met uitzondering van de in dit
artikel vermelde gevallen.
§ 2. Een verzekeringsonderneming die een vergunning
heeft verkregen voor een hoofdrisico dat tot een in Bijlage I
vermelde tak behoort, mag ook risico’s verzekeren die tot
een andere tak behoren zonder dat voor deze risico’s een
vergunning is vereist, mits deze risico’s als bijkomende
risico’s kunnen worden beschouwd en aan alle volgende
voorwaarden voldoen:
1° deze risico’s hangen samen met het hoofdrisico;
2° ze hebben betrekking op een persoon, een goed of een
object die of dat verzekerd is tegen het hoofdrisico;
3° ze zijn gedekt door de dezelfde overeenkomst als een
hoofdrisico of door een samenhangende overeenkomst die
slechts bestaat en uitwerking heeft voor zover de hoofdverze-
keringsovereenkomst zelf bestaat en uitwerking heeft.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de risico’s die tot
de in Bijlage I vermelde takken 14, 15 en 17 behoren, niet als
bijkomende risico’s van andere takken worden beschouwd.
De rechtsbijstandsverzekering bedoeld in tak 17 als ver-
meld in Bijlage I kan echter als een bijkomend risico van tak
18 worden beschouwd wanneer de voorwaarden van para-
graaf 2 en een van de volgende twee voorwaarden vervuld
zijn:
1° het hoofdrisico heeft alleen betrekking op het bieden van
hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis
zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats
bevinden;
2° de verzekering heeft betrekking op geschillen of risico’s
die voortvloeien uit of samenhangen met het gebruik van
zeeschepen.
que celles couvertes par l’agrément antérieurement
accordé.
Art. 20
Les entreprises d’assurance soumises à la présente loi
ne peuvent pratiquer l’activité d’assistance visée à l’ar-
ticle 10 qu’à la condition qu’elles aient reçu un agrément pour
la branche 18 mentionnée à l’Annexe I et ce sans préjudice
de l’article 21, § 2. Dans ce cas, la présente loi s’applique à
cette activité.
Art. 21
§ 1er. Les risques compris dans une branche ne peuvent
être classés dans une autre branche, sauf les cas prévus au
présent article.
§ 2. Une entreprise d’assurance qui a obtenu l’agrément
pour un risque principal appartenant à une branche men-
tionnée à l’Annexe I peut également garantir des risques
compris dans une autre branche sans avoir besoin d’obtenir
l’agrément pour ces risques, dès lors que ceux-ci peuvent
être considérés comme accessoires moyennant le respect
de l’ensemble des conditions suivantes:
1° ces risques sont liés au risque principal;
2° ils concernent une personne, un bien ou un objet qui
est couvert contre le risque principal;
3° ils sont garantis par le même contrat qu’un risque prin-
cipal ou par un contrat connexe qui n’a d’existence et d’effet
que dans la mesure où le contrat d’assurance principal a
lui-même existence et effet.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les risques compris
dans les branches 14, 15 et 17 mentionnées à l’Annexe I ne
peuvent être considérés comme des risques accessoires
d’autres branches.
Toutefois, l’assurance protection juridique visée à la
branche 17 mentionnée à l’Annexe I peut être considérée
comme un risque accessoire de la branche 18 lorsque les
conditions énoncées au paragraphe 2 et l’une des deux
conditions suivantes sont remplies:
1° le risque principal ne concerne que l’assistance four-
nie aux personnes en difficulté au cours de déplacements,
d’absences de leur domicile ou de leur résidence habituelle;
2° l’assurance concerne des litiges ou des risques qui
résultent de l’utilisation de navires maritimes ou qui sont en
rapport avec cette utilisation.
394
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Procedure
Art. 22
Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voor-
gelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet
aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name
het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden
bevat, alsook een beschrijving van het governancesysteem
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
van de nauwe banden die zij met andere personen heeft. De
aanvragers verstrekken alle inlichtingen die nodig zijn om hun
aanvraag te kunnen beoordelen.
Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaar-
den houdt de Bank rekening met de voorwaarden die de FSMA
stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij
overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de
wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt.
Art. 23
De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de
identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen
of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrecht-
streeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde
deelneming bezitten in het kapitaal van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming. De kennisgeving moet ver-
melden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze
personen bezitten.
Bij gebreke van gekwalificeerde deelneming heeft de in het
eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit
van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.
Art. 24
§ 1. Wanneer de te dekken risico’s behoren tot tak 10 als
vermeld in Bijlage I, voegt de onderneming die de vergunning
aanvraagt, bij haar aanvraag eveneens:
1° het bewijs van haar aansluiting bij het Belgisch Bureau
en bij het Gemeenschappelijk Waarborgfonds;
2° voor zover de te dekken risico’s niet alleen betrekking
hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder, de naam
en het adres van alle schaderegelaars die overeenkomstig
artikel 12 van de voornoemde wet van 21 november 1989 in
elke andere lidstaat zijn aangewezen, evenals het bewijs
dat deze schaderegelaars voldoen aan de voorwaarden van
artikel 12, § 1, tweede lid in fine en § 5 van de voornoemde
wet van 21 november 1989.
§ 2. Wanneer de te dekken risico’s betrekking hebben op
de arbeidsongevallenverzekering als bedoeld in de arbeids-
ongevallenwet van 10 april 1971, voegt de onderneming bij
haar aanvraag:
Section II
Procédure
Art. 22
La demande d’agrément est soumise à la Banque, accom-
pagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions
qu’elle fixe et qui comporte notamment le programme d’acti-
vités visé à l’article 35 ainsi que la description du système
de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance et de ses liens étroits avec d’autres personnes. Les
demandeurs fournissent tous renseignements nécessaires
à l’appréciation de leur demande.
La Banque fixe les conditions visées à l’alinéa 1er en
tenant compte des conditions que la FSMA impose en ce qui
concerne l’organisation et les procédures dont elle assure le
contrôle conformément à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et
§ 2, de la loi du 2 août 2002.
Art. 23
Le demandeur communique également à la Banque l’iden-
tité des personnes physiques ou morales qui, directement ou
indirectement, agissant seules ou de concert avec d’autres,
détiennent dans le capital de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance une participation qualifiée, conférant ou non le
droit de vote. La communication comporte l’indication des
quotités du capital et des droits de vote détenues par ces
personnes.
À défaut de participation qualifiée, la communication visée
à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt principaux action-
naires et leur quotité dans le capital.
Art. 24
§ 1er. Lorsque les risques à couvrir relèvent de la branche
10 mentionnée à l’Annexe I, l’entreprise qui sollicite l’agré-
ment joint également à sa demande:
1° la preuve de son affiliation au Bureau belge et au Fonds
commun de garantie;
2° pour autant que les risques à couvrir ne concernent
pas uniquement la responsabilité du transporteur, le nom et
l’adresse de tous les représentants chargés du règlement des
sinistres désignés dans chaque autre État membre, confor-
mément à l’article 12 de la loi du 21 novembre 1989 précitée,
ainsi que la preuve que ces représentants répondent aux
conditions visées à l’article 12, § 1er, alinéa 2 in fine et § 5,
de la loi du 21 novembre 1989 précitée.
§ 2. Lorsque les risques à couvrir concernent l’assu-
rance contre les accidents du travail visée par la loi du
10 avril 1971 sur les accidents du travail, l’entreprise joint à
sa demande:
395
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen in ken-
nis werd gesteld van de voorgenomen activiteit;
2° het bewijs dat aan het Fonds voor arbeidsongevallen een
verklaring werd overgemaakt waaruit blijkt dat de onderneming
op het eerste verzoek van het Fonds voor Arbeidsongevallen
een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeidson-
gevallenwet van 10 april 1971 zal vestigen.
Art. 25
Indien de onderneming vóór de vergunningsaanvraag een
verzekeringsactiviteit uitoefende waarvoor overeenkomstig
deze wet geen vergunning is vereist, voegt zij bij haar aan-
vraag ook de volgende documenten:
1° een gedetailleerde staat van de technische reserves
en overeenstemmende beleggingen op het ogenblik van de
indiening van de vergunningsaanvraag;
2° een staat van de nog niet geregelde schadegevallen die
aangegeven zijn vóór het begin van het kalenderjaar tijdens
hetwelk de aanvraag wordt ingediend.
Indien de onderneming vóór de aanvraag een andere
activiteit uitoefende, kan de Bank alle inlichtingen verlangen
over haar financiële positie en haar verrichtingen, van welke
aard die ook zijn.
Art. 26
De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over
een vergunningsaanvraag die uitgaat van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderne-
ming is van een onderneming die van de FSMA een vergun-
ning heeft verkregen, hetzij de dochteronderneming van de
moederonderneming van een onderneming die van de FSMA
een vergunning heeft verkregen, hetzij onder de controle staat
van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een onder-
neming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen.
Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de
dochteronderneming is van een andere verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een
beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheer-
vennootschap van instellingen voor collectieve belegging,
waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig het
recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming
van de moederonderneming van een andere verzekerings-
of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling,
een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een
beheervennootschap van instellingen voor collectieve be-
legging, waaraan overeenkomstig het recht van een andere
lidstaat een vergunning is verleend, hetzij onder de controle
staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze
die de controle hebben over een andere verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een
beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheer-
vennootschap van instellingen voor collectieve belegging,
1° la preuve que le Fonds des accidents du travail a été
informé de l’activité envisagée;
2° la preuve qu’une déclaration a été transmise au Fonds
des accidents du travail aux termes de laquelle l’entreprise
constituera, à la première demande du Fonds des accidents
du travail, la garantie bancaire visée à l’article 60 de la loi du
10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Art. 25
Si l’entreprise exerçait avant la demande d’agrément une
activité d’assurance qui ne requiert pas un agrément confor-
mément à la présente loi, elle joint en outre à sa demande
les documents suivants:
1° un état détaillé des réserves techniques et des place-
ments correspondants au moment de l’introduction de la
demande d’agrément;
2° un état des sinistres déclarés avant le début de l’année
civile au cours de laquelle est déposée la demande, et non
encore réglés.
Si l’entreprise exerçait avant la demande une autre acti-
vité, la Banque peut exiger tous renseignements au sujet de
la situation financière et de ses opérations quelles qu’elles
soient.
Art. 26
La Banque consulte la FSMA avant de se prononcer sur
la demande d’agrément sollicité par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance qui est soit la filiale d’une entreprise
agréée par la FSMA, soit la filiale de l’entreprise mère d’une
entreprise agréée par la FSMA, soit encore contrôlée par les
mêmes personnes physiques ou morales qu’une entreprise
agréée par la FSMA.
Lorsque l’agrément est sollicité par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance qui est soit la filiale d’une autre
entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un établis-
sement de crédit, d’une entreprise d’investissement, d’un
gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’orga-
nismes de placement collectif, agréé conformément au droit
d’un autre État membre, soit la filiale de l’entreprise mère
d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un
établissement de crédit, d’une entreprise d’investissement,
d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’orga-
nismes de placement collectif, agréé conformément au droit
d’un autre État membre, soit encore contrôlé par les mêmes
personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent
une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, un
établissement de crédit, une entreprise d’investissement, un
gestionnaire d’OPCA ou une société de gestion d’organismes
de placement collectif, agréé conformément au droit d’un
autre État membre, avant de se prononcer sur la demande,
la Banque consulte les autorités compétentes de ces autres
396
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat
een vergunning is verleend, raadpleegt de Bank, vooraleer
te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten
die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht
op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de
kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de AICB-
beheerders of de beheervennootschappen van instellingen
voor collectieve belegging.
De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten als
bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van
de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de
verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties,
overeenkomstig de artikelen 39 en 40, wanneer deze aan-
deelhouder een onderneming is als bedoeld in het eerste of
tweede lid of de bij de leiding van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming betrokken persoon eveneens betrok-
ken is bij de leiding van een van de in het eerste of tweede
lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die
tot dezelfde groep behoort, of wanneer de verantwoordelijke
voor een onafhankelijke controlefunctie een dergelijke functie
uitoefent bij een van de ondernemingen bedoeld in het eerste
of tweede lid of bij een onderneming die tot dezelfde groep
behoort. Deze autoriteiten delen elkaar alle informatie mee
die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van
de in dit lid bedoelde aandeelhouders, bij de leiding betrok-
ken personen en verantwoordelijken voor de onafhankelijke
controlefuncties.
Art. 27
§ 1. Op advies van de FSMA beslist de Bank over de ver-
gunningsaanvraag, voor wat betreft:
1° het passende karakter van de organisatie van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name
van haar integriteitsbeleid, als bedoeld in de artikelen 42 tot
60, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels be-
doeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van
2 augustus 2002;
2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die
lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming, van het directiecomité of, bij
ontstentenis van een directiecomité, van de personen die be-
last zijn met de effectieve leiding, evenals van de personen die
verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties,
indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden
voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van
artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht
staat van de Bank.
De FSMA verstrekt haar advies over de voornoemde aan-
gelegenheden binnen een termijn van een maand te rekenen
vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde
adviesaanvraag, waarbij alle van de vergunningaanvragende
onderneming ontvangen stukken zijn gevoegd. Afwezigheid
van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór
États membres qui contrôlent les entreprises d’assurance ou
de réassurance, les établissements de crédit, les entreprises
d’investissement, les gestionnaires d’OPCA ou les sociétés
de gestion d’organismes de placement collectif.
De même, la Banque consulte préalablement les auto-
rités visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2, aux fins d’évaluer
les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et
des responsables des fonctions de contrôle indépendantes
conformément aux articles 39 et 40, lorsque l’actionnaire est
une entreprise visée à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou que la
personne participant à la direction de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance prend part également à la direction de
l’une des entreprises visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou
d’une entreprise qui appartient au même groupe, ou que le
responsable d’une fonction de contrôle indépendante exerce
une telle fonction au sein de l’une des entreprises visées à
l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou au sein d’une entreprise qui
appartient au même groupe. Ces autorités se communiquent
mutuellement toutes informations utiles pour l’évaluation des
qualités requises des actionnaires et des personnes partici-
pant à la direction ainsi que des responsables des fonctions
de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.
Art. 27
§ 1er. La Banque se prononce sur la demande d’agrément
sur avis de la FSMA en ce qui concerne:
1° le caractère adéquat de l’organisation de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance, notamment de sa politique
d’intégrité, telle que visée aux articles 42 à 60, sous l’angle
du respect des règles visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°,
et § 2, de la loi du 2 août 2002;
2° l’honorabilité professionnelle des personnes appelées
à être membres de l’organe légal d’administration de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, du comité de direction
ou, en l’absence de comité de direction, des personnes
appelées à être chargées de la direction effective, ainsi que
des personnes appelées à être responsables des fonctions
de contrôle indépendantes, si ces personnes sont proposées
pour la première fois pour une telle fonction dans une entre-
prise relevant du contrôle de la Banque par application de
l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998.
La FSMA rend son avis sur les questions précitées dans
un délai d’un mois à compter de la réception de la demande
d’avis formulée par la Banque, accompagnée de toutes
les pièces reçues de l’entreprise qui sollicite l’agrément.
L’absence d’avis dans ce délai est considéré comme un avis
positif. Avant l’expiration du délai d’un mois, la FSMA peut
397
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA
de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies
uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn
zal verstrekken.
§ 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies
van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde
aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de af-
wijking vermeld in de motivering van de beslissing over de
vergunningsaanvraag. Het voornoemde advies van de FSMA
over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid, wordt gevoegd bij de
kennisgeving van de beslissing over de vergunningsaanvraag.
Art. 28
De Bank verleent een vergunning aan de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen die voldoen aan de voorwaar-
den van Hoofdstuk II van deze Titel.
De Bank spreekt zich uit over de aanvraag binnen zes
maanden na de indiening van een volledig dossier.
De beslissingen inzake vergunning worden binnen vijf-
tien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een
aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met
inachtneming van de termijnen bedoeld in het tweede lid.
Art. 29
Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig
beleid kan de Bank voorwaarden verbinden aan de vergun-
ning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen
activiteiten en, onder meer, de vergunning die voor een tak is
aangevraagd, beperken tot sommige van de activiteiten die in
het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden
zijn opgenomen.
Art. 30
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens
bedoeld in artikel 22 en de eventuele wijzigingen daarin ter
beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegd-
heden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van
2 augustus 2002 uit te oefenen.
Art. 31
De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen waaraan krachtens dit Boek een
vergunning is verleend. Die lijst en alle daarin aangebrachte
wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt en ter
kennis gebracht van EIOPA en de FSMA.
De bekendmaking vermeldt de verzekeringstakken of de-
len van verzekeringstakken of de herverzekeringsactiviteiten
waarvoor de vergunning wordt verleend en, in voorkomend ge-
val, de met toepassing van artikel 29 opgelegde beperkingen.
cependant informer la Banque qu’elle communiquera son
avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l’expiration
dudit délai.
§ 2. Si la Banque ne tient pas compte de l’avis de la FSMA
sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en
fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la
décision relative à la demande d’agrément. L’avis précité de la
FSMA relatif au point 1° du paragraphe 1er, alinéa 1er est joint à
la notification de la décision relative à la demande d’agrément.
Art. 28
La Banque agrée les entreprises d’assurance et de réas-
surance répondant aux conditions fixées au Chapitre II du
présent Titre.
La Banque statue sur la demande dans les six mois de
l’introduction d’un dossier complet.
Sans excéder les délais visés à l’alinéa 2, les décisions
en matière d’agrément sont notifiées aux demandeurs dans
les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec
accusé de réception.
Art. 29
La Banque peut en vue d’une gestion saine et prudente
assortir l’agrément de conditions relatives à l’exercice de
certaines des activités projetées et, entre autres, limiter l’agré-
ment demandé pour une branche à certaines des activités
reprises dans le programme d’activités visé à l’article 35.
Art. 30
Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance
est agréée, la Banque met à la disposition de la FSMA, de
manière à lui permettre d’exercer les compétences visées
à l’article 45, § 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, les
informations visées à l’article 22, ainsi que toute modification
apportée à ces informations.
Art. 31
La Banque établit une liste des entreprises d’assurance ou
de réassurance agréées en vertu du présent Livre. Cette liste
et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées
sur son site internet et notifiées à l’EIOPA et à la FSMA.
La publication mentionne les branches ou les parties de
branche d’assurance ou les activités de réassurance pour
lesquelles l’agrément est octroyé et, le cas échéant, les limites
imposées en application de l’article 29.
398
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wanneer de vergunning wordt verleend aan een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die een rechtstreekse
of onrechtstreekse dochteronderneming is van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die ressorteert onder
een derde land, stelt de Bank ook de Europese Commissie en
de toezichthouders van de andere lidstaten in kennis. Deze
kennisgeving bevat de structuur van de betrokken groep.
HOOFDSTUK II
Vergunningsvoorwaarden
Afdeling I
Algemene bepalingen
Art. 32
Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de
Bank ook rekening met het vermogen van de onderneming
die de vergunning aanvraagt om te voldoen aan de in Titel II
van dit Boek bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om
haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de
voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van de sec-
tor van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
en van het financiële stelsel evenals voor de bescherming van
de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden.
Afdeling II
Vennootschapsvorm en doel
Art. 33
Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt
opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap, een
coöperatieve vennootschap, een onderlinge verzekerings-
vereniging, een Europese vennootschap of een Europese
coöperatieve vennootschap.
Verzekeringsondernemingen die overeenkomstig artikel
34, § 2 een niet-levensverzekeringsactiviteit uitoefenen mogen
ook worden opgericht in de vorm van een verzekeringsmaat-
schappij van onderlinge bijstand.
Voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen die opgericht zijn in een van de in dit artikel bedoelde
vormen zonder onderworpen te zijn aan het Wetboek van
Vennootschappen, gelden niettemin de verplichtingen die
rusten op naamloze vennootschappen uit hoofde van de
artikelen 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179,
195 en 1012 van het Wetboek van Vennootschappen.
Art. 34
§ 1. Onverminderd artikel 18, derde lid,
Lorsque l’agrément est octroyé à une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance qui est la filiale directe ou indirecte
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance relevant
du droit d’un État tiers, la Banque informe également la
Commission européenne et les autorités de contrôle des
autres États membres. Cette information comprend la struc-
ture du groupe concerné.
CHAPITRE II
Conditions d’agrément
Section Ire
Généralités
Art. 32
Outre les conditions prévues par le présent Chapitre, la
Banque tient également compte de l’aptitude de l’entreprise
qui sollicite l’agrément à satisfaire aux conditions d’exercice
de l’activité visées au Titre II du présent Livre ainsi qu’à réa-
liser ses objectifs de développement dans les conditions que
requièrent le bon fonctionnement du secteur des entreprises
d’assurance ou de réassurance et du système financier ainsi
que la protection des preneurs d’assurance, des assurés et
des bénéficiaires.
Section II
Forme sociétaire et objet
Art. 33
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont
constituées sous la forme d’une société anonyme, d’une
société coopérative, d’une association d’assurance mutuelle,
d’une société européenne ou d’une société coopérative
européenne.
En outre, les entreprises d’assurance qui exercent une
activité d’assurance non-vie conformément à l’article 34,
§ 2, peuvent être constituées sous la forme d’une société
mutualiste d’assurance.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance consti-
tuées sous une des formes visées au présent article sans être
régies par le Code des sociétés, sont néanmoins soumises
aux obligations qui incombent aux sociétés anonymes en vertu
des articles 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179,
195, et 1012 du Code des sociétés.
Art. 34
§ 1er. Sans préjudice de l’article 18, alinéa 3,
399
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° beperken de verzekeringsondernemingen hun doel
tot de verzekeringsactiviteit en de verrichtingen die daar
rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere
handelsactiviteit;
2° beperken de herverzekeringsondernemingen hun doel
tot het herverzekeringsbedrijf en de daarmee samenhangende
verrichtingen, met inbegrip van de functie van holding en
activiteiten met betrekking tot de financiële sector, in de zin
van artikel 2, punt 8, van Richtlijn 2002/87/EG.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 beperken de verzeke-
ringsmaatschappijen van onderlinge bijstand hun activiteiten
tot de ziekteverzekeringen in de zin van tak 2 als vermeld in
Bijlage 1 en, aanvullend, tot de hulpverlening die behoort tot
tak 18 als vermeld in Bijlage 1.
Aansluiting bij de in het eerste lid bedoelde verzekeringen
is voorbehouden aan de volgende personen:
1° wat de maatschappijen van onderlinge bijstand betreft
die met toepassing van artikel 43bis, § 5 van de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de lands-
bonden van ziekenfondsen zijn opgericht, de personen die
zijn aangesloten bij het ziekenfonds of de ziekenfondsen die
bij de verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zijn
aangesloten;
2° wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge
bijstand betreft die met toepassing van artikel 70, §§ 6, 7 en
8 van de voormelde wet van 6 augustus 1990 zijn opgericht,
de in diezelfde paragrafen bedoelde personen.
Afdeling III
Programma van werkzaamheden
Art. 35
§ 1. Het in artikel 22 bedoelde programma van werkzaam-
heden bevat gegevens of bewijsstukken betreffende:
1° de aard van de risico’s of de verbintenissen die de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming voornemens
is te dekken;
2° de aard van de herverzekeringsovereenkomsten die de
herverzekeringsonderneming voornemens is te sluiten met
cederende ondernemingen;
3° de leidende beginselen van de verzekeringsonderne-
ming op het gebied van herverzekering en van de herverze-
keringsonderneming op het gebied van retrocessie;
4° de kernvermogensbestanddelen die de absolute onder-
grens van het minimumkapitaalvereiste vormen;
5° de te verwachten kosten voor de tenuitvoerlegging
van het governancesysteem, met name de inrichtingskosten
van de administratieve diensten en van het productienet, de
1° les entreprises d’assurance limitent leur objet à l’activité
d’assurance et aux opérations qui en découlent directement,
à l’exclusion de toute autre activité commerciale;
2° les entreprises de réassurance limitent leur objet à
l’activité de réassurance et aux opérations liées, en ce com-
pris une fonction de société holding et des activités liées au
secteur financier, au sens de l’article 2, point 8) de la directive
2002/87/CE.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les sociétés mutua-
listes d’assurance limitent leurs activités aux assurances
maladies au sens de la branche 2 mentionnée à l’Annexe 1 et,
à titre complémentaire, à l’assistance relevant de la branche
18 mentionnée à l’Annexe 1.
L’affiliation aux assurances visées à l’alinéa 1er est réservée
aux personnes suivantes:
1° en ce qui concerne les sociétés mutualistes créées en
application de l’article 43bis, § 5, de la loi du 6 août 1990 rela-
tive aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, les
personnes affiliées auprès de la ou des mutualité(s) affiliée(s)
à la société mutualiste d’assurance;
2° en ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance
créées en application de l’article 70, §§ 6, 7 et 8, de la loi du
6 août 1990 précitée, les personnes visées dans ces mêmes
paragraphes.
Section III
Programme d’activités
Art. 35
§ 1er. Le programme d’activités visé à l’article 22 comprend
les indications ou justifications concernant les éléments
suivants:
1° la nature des risques ou des engagements que l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance se propose de couvrir;
2° le type de contrats de réassurance que l’entreprise de
réassurance se propose de conclure avec des entreprises
cédantes;
3° les principes directeurs de l’entreprise d’assurance en
matière de réassurance et de l’entreprise de réassurance en
matière de rétrocession;
4° les éléments des fonds propres de base correspondant
au seuil absolu du minimum de capital requis;
5° les prévisions relatives aux frais nécessaires à la mise
en œuvre du système de gouvernance, notamment les frais
d’installation des services administratifs et du réseau de
400
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
technische en financiële middelen ter dekking daarvan en,
indien de te dekken risico’s behoren tot tak 18 als vermeld in
Bijlage I, de middelen waarover de verzekeringsonderneming
beschikt om de beloofde hulp te verlenen.
§ 2. Naast de vereisten van paragraaf 1 bevat het pro-
gramma van werkzaamheden voor de eerste drie boekjaren:
1° een balansprognose;
2° een raming van het solvabiliteitskapitaalvereiste als
bepaald in artikel 151, op basis van de in 1° bedoelde ba-
lansprognose, evenals de voor deze raming gehanteerde
berekeningsmethode;
3° een raming van het minimumkapitaalvereiste als
bepaald in artikel 189, op basis van de in 1° bedoelde ba-
lansprognose, evenals de voor deze raming gehanteerde
berekeningsmethode;
4° een raming van de financiële middelen ter dekking van
de technische voorzieningen, het minimumkapitaalvereiste
en het solvabiliteitskapitaalvereiste;
5° voor niet-levensverzekeringen en herverzekeringen ook
het volgende:
a) een raming van de beheerkosten, met uitzondering van
de inrichtingskosten, met name de lopende algemene kosten
en de provisies;
b) een raming van de premies of bijdragen en van de
schadegevallen;
6° voor levensverzekeringen ook een gedetailleerde prog-
nose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven, zowel
voor het directe verzekeringsbedrijf als voor aangenomen her-
verzekering en overdrachten uit hoofde van herverzekering.
Art. 36
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming waaraan een vergunning is verleend, een vergunning
aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten met toe-
passing van artikel 19, legt zij overeenkomstig artikel 35 een
programma van werkzaamheden voor.
Afdeling IV
Eigen vermogen
Art. 37
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming toont
aan:
1° dat zij voldoende in aanmerking komend kernvermogen
aanhoudt om de absolute ondergrens te dekken van het in
artikel 189, § 1, 4° bepaalde minimumkapitaalvereiste;
production, les moyens techniques et financiers destinés à
faire face à ces frais et, si les risques à couvrir relèvent de la
branche 18 mentionnée à l’Annexe I, les moyens dont l’entre-
prise d’assurance dispose pour la fourniture de l’assistance
promise.
§ 2. Outre les éléments requis au paragraphe 1er, le pro-
gramme d’activités contient, pour les trois premiers exercices:
1° un bilan prévisionnel;
2° les prévisions relatives au capital de solvabilité requis,
tel que prévu à l’article 151, sur la base du bilan prévisionnel
visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul utilisée pour établir
ces prévisions;
3° les prévisions relatives au minimum de capital requis,
tel que prévu à l’article 189, sur la base du bilan prévisionnel
visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul utilisée pour établir
ces prévisions;
4° les prévisions relatives aux moyens financiers destinés
à la couverture des provisions techniques, du minimum de
capital requis et du capital de solvabilité requis;
5° pour l’assurance non-vie et la réassurance:
a) les prévisions relatives aux frais de gestion autres que
les frais d’installation, notamment les frais généraux courants
et les commissions;
b) les prévisions relatives aux primes ou aux cotisations
et aux sinistres;
6° pour l’assurance-vie: un plan faisant apparaître d’une
manière détaillée les prévisions de recettes et de dépenses
tant pour les opérations directes que pour les acceptations
en réassurance et les cessions en réassurance.
Art. 36
L’entreprise d’assurance ou de réassurance agréée
présente un programme d’activités conformément à l’ar-
ticle 35 lorsqu’elle sollicite un agrément pour l’extension de
ses activités en application de l’article 19.
Section IV
Fonds propres
Art. 37
L’entreprise d’assurance ou de réassurance démontre:
1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles néces-
saires pour atteindre le seuil absolu du minimum de capital
requis prévu à l’article 189, § 1er, 4°;
401
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend
eigen vermogen aan te houden om doorlopend het solvabi-
liteitskapitaalvereiste te dekken, overeenkomstig artikel 151;
3° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend
kernvermogen aan te houden om doorlopend het in arti-
kel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te dekken.
Art. 38
§ 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar
activiteiten overeenkomstig artikel 19, toont aan dat zij be-
schikt over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen
om het respectievelijk in de artikelen 151 en 189 bepaalde
solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste
aan te houden.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzekerings-
onderneming die levensverzekeringsactiviteiten uitoefent en
die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar
activiteiten, overeenkomstig artikel 223, tweede lid, tot de ri-
sico’s die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I,
het volgende aan:
1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend
kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimum-
kapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en
de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste
voor niet-levensverzekeringsondernemingen, als bedoeld in
artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken;
2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de
minimumverplichtingen van punt 1°, in overeenstemming met
artikel 225, § 2, tweede lid.
§ 3. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzekerings-
onderneming die niet-levensverzekeringsactiviteiten uitoefent
voor de risico’s die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in
Bijlage I, en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding
van haar activiteiten tot levensverzekeringsrisico’s, overeen-
komstig artikel 223, tweede lid, het volgende aan:
1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend
kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimum-
kapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en
de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste
voor niet-levensverzekeringsondernemingen, als bedoeld in
artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken;
2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de
minimumverplichtingen van punt 1°, in overeenstemming met
artikel 225, § 2, tweede lid.
2° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres éli-
gibles nécessaires pour couvrir en permanence le capital de
solvabilité requis, conformément à l’article 151;
3° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres de
base éligibles nécessaires pour couvrir en permanence le
minimum de capital requis prévu à l’article 189.
Art. 38
§ 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, qui
sollicite un agrément pour l’extension de ses activités confor-
mément à l’article 19, apporte la preuve qu’elle dispose des
fonds propres éligibles nécessaires pour détenir le capital de
solvabilité requis et le minimum de capital requis respective-
ment prévus aux articles 151 et 189.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise d’assu-
rance exerçant des activités d’assurance-vie qui sollicite
un agrément pour l’extension de ses activités aux risques
compris dans les branches 1 ou 2 mentionnées à l’Annexe I
conformément à l’article 223, alinéa 2, démontre:
1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles néces-
saires pour atteindre à la fois le seuil absolu du minimum de
capital requis dans le cas des entreprises d’assurance-vie et
le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des
entreprises d’assurance non-vie, tels que visés à l’article 189,
§ 1er, 4°, d);
2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les obliga-
tions minimales visées au 1° en conformité avec l’article 225,
§ 2, alinéa 2.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise d’assu-
rance exerçant des activités d’assurance non-vie pour les
risques compris dans les branches 1 ou 2 mentionnées à
l’Annexe I, qui sollicite un agrément pour l’extension de
ses activités aux risques d’assurance-vie conformément à
l’article 223, alinéa 2, démontre:
1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles néces-
saires pour atteindre à la fois le seuil absolu du minimum de
capital requis dans le cas des entreprises d’assurance-vie et
le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des
entreprises d’assurance non-vie, tels que visés à l’article 189,
§ 1er, 4°, d);
2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les obliga-
tions minimales visées au 1° en conformité avec l’article 225,
§ 2, alinéa 2.
402
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Aandeelhouders of vennoten
Art. 39
De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank niet
overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 23 bedoelde
natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig
beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
te garanderen.
De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en
voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming te garanderen, gebeurt aan de hand van de
volgende criteria:
1° de betrouwbaarheid van de in artikel 23 bedoelde na-
tuurlijke of rechtspersonen;
2° de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid
van elke in artikel 40 bedoelde persoon die het bedrijf van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming feitelijk
gaat leiden;
3° de financiële soliditeit van de in artikel 23 bedoelde
natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de
aard van de uitgeoefende en voorgenomen activiteiten binnen
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
4° of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële
verplichtingen die voortvloeien uit deze wet, haar uitvoerings-
besluiten en -reglementen en de maatregelen tot uitvoering
van Richtlijn 2009/138/EG, inzonderheid of de groep waarvan
zij deel zal uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht
en effectieve uitwisseling van informatie tussen de toezicht-
houders mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoor-
delijkheden tussen de toezichthouders kan worden bepaald;
5° of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat
geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd
gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te
wassen of terrorisme te financieren in verband met de voor-
genomen verwerving, of dat de voorgenomen verwerving het
risico daarop zou kunnen vergroten.
Afdeling VI
Leiding
Art. 40
§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de personen
belast met de effectieve leiding en de verantwoordelijken voor
de onafhankelijke controlefuncties zijn uitsluitend natuurlijke
personen.
Section V
Détenteurs du capital
Art. 39
L’agrément est refusé si la Banque a des raisons de
considérer que les personnes physiques ou morales visées
à l’article 23 ne présentent pas les qualités nécessaires en
vue de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
L’appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir
une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance s’effectue au regard des critères suivants:
1° l’honorabilité des personnes physiques ou morales
visées à l’article 23;
2° l’honorabilité professionnelle et l’expertise de toute
personne visée à l’article 40 qui assurera la direction des
activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance;
3° la solidité financière des personnes physiques ou
morales visées à l’article 23, au regard notamment du type
d’activités exercées et envisagées au sein de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance;
4° la capacité de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations
prudentielles découlant de la présente loi, des arrêtés et
règlements pris pour son exécution et des mesures d’exécu-
tion de la Directive 2009/138/CE, en particulier l’existence,
au sein du groupe auquel elle appartiendra, d’une structure
qui permet d’exercer une surveillance effective, d’échanger
réellement des informations entre les autorités de contrôle
et de déterminer le partage des responsabilités entre les
autorités de contrôle;
5° l’existence de motifs raisonnables de soupçonner
qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux
ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu
en rapport avec l’acquisition envisagée, ou que l’acquisition
envisagée pourrait en augmenter le risque.
Section VI
Dirigeants
Art. 40
§ 1er. Les membres de l’organe légal d’administration des
entreprises d’assurance ou de réassurance, les personnes
chargées de la direction effective ainsi que les responsables
des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement
des personnes physiques.
403
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De in het eerste lid bedoelde personen moeten perma-
nent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste
professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid
beschikken.
§ 2. De effectieve leiding van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming moet worden toevertrouwd aan ten
minste twee natuurlijke personen.
Art. 41
Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 is van toepassing
op de in artikel 40 bedoelde personen.
Afdeling VII
Organisatie
Onderafdeling I
Algemene beginselen
Art. 42
§ 1. Om een doeltreffend en voorzichtig beleid te garande-
ren, beschikt iedere verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming over een passend governancesysteem, waaronder
toezichtsmaatregelen, dat met name berust op:
1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste
niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen,
enerzijds, de effectieve leiding van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming en, anderzijds, het toezicht op
die leiding, en die binnen de onderneming voorziet in een
passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven,
transparante en coherente regeling voor de toewijzing van
verantwoordelijkheden;
2° een passende administratieve en boekhoudkundige
organisatie en interne controle, waaronder met name controle-
procedures die een redelijke mate van zekerheid verschaffen
over de betrouwbaarheid van de het verslaggevingsproces;
3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de me-
ting, het beheer en de opvolging van en de interne verslag-
geving over de risico’s waaraan de onderneming blootstaat
of zou kunnen blootstaan, met inbegrip van de voorkoming
van belangenconflicten;
4° onafhankelijke controlefuncties, namelijk passende on-
afhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risicobeheer,
compliance en actuariaat;
5° een passend integriteitsbeleid;
6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend
risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin
er risico’s worden genomen, het door de onderneming vast-
gestelde tolerantieniveau te boven gaat;
Les personnes visées à l’alinéa 1er doivent disposer en
permanence de l’honorabilité professionnelle nécessaire et
de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction.
§ 2. La direction effective des entreprises d’assurance ou
de réassurance doit être confiée à deux personnes physiques
au moins.
Art. 41
L’article 20 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux
personnes visées à l’article 40.
Section VII
Organisation
Sous-section Ire
Principes généraux
Art. 42
§ 1er. Toute entreprise d’assurance ou de réassurance
dispose d’un système de gouvernance adéquat, dont des
mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion
efficace et prudente de l’entreprise, reposant notamment sur:
1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut
niveau, sur une distinction claire entre la direction effective
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’une part,
et le contrôle sur cette direction d’autre part, et prévoyant, au
sein de l’entreprise, une séparation adéquate des fonctions
et un dispositif d’attribution des responsabilités qui est bien
défini, transparent et cohérent;
2° une organisation administrative et comptable et un
contrôle interne adéquats, impliquant notamment des procé-
dures de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable
quant à la fiabilité du processus de reporting de l’information
3° des procédures efficaces d’identification, de mesure,
de gestion, de suivi et de reporting interne des risques aux-
quels l’entreprise est ou pourrait être exposée , y compris la
prévention des conflits d’intérêts;
4° des fonctions de contrôle indépendantes, à savoir des
fonctions clés d’audit interne, de gestion des risques, de
vérification de la conformité (compliance) et actuarielle indé-
pendantes adéquates;
5° une politique d’intégrité adéquate;
6° une politique de rémunération assurant une gestion
saine et efficace des risques, prévenant la prise de risques
excédant le niveau de tolérance fixé par l’entreprise;
404
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
7° voor de activiteiten van de onderneming passende
controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied;
8° een passend intern waarschuwingssysteem dat met
name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome
melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes
van de onderneming;
9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van
de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de gegevens en
de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig
mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale activiteit
binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat;
10° de invoering van passende structuren en systemen om
te voldoen aan de verzoeken om informatie die de Bank aan de
onderneming richt met toepassing van de artikelen 201 en 312.
11° de invoering van procedures om een verslechtering van
de financiële omstandigheden vast te stellen en om de Bank
onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering
zich voordoet.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem
is uitputtend uitgewerkt en staat in verhouding tot de aard,
de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan het
bedrijfsmodel en aan de activiteiten van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zijn verbonden.
§ 3. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken
onderneming en, in voorkomend geval, de groep of subgroep
waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, het vol-
ledige in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem bevat
en, in het bijzonder, schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor
het risicobeheer, de interne controle, de interne audit en, in
voorkomend geval, de uitbesteding.
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van
de Bank, mag het memorandum dat op het niveau van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opge-
steld, deel uitmaken van het memorandum van die groep,
onverminderd de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn
2009/138/EG.
§ 4. In de Onderafdelingen II tot IV wordt bepaald welke
de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde
algemene verplichtingen in specifieke domeinen.
Art. 43
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtsperso-
nen, of indien de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming deel uitmaakt van een groep, mogen die banden of de
juridische structuur van de groep geen belemmering vormen
voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming
of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming
deel uitmaakt.
7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le
domaine informatique appropriés aux activités de l’entreprise;
8° un système adéquat d’alerte interne prévoyant notam-
ment un mode de transmission spécifique, indépendant
et autonome, des infractions aux normes et aux codes de
conduite de l’entreprise;
9° la mise en place de mesures adéquates de continuité
de l’activité afin d’assurer le maintien des données et des
fonctions critiques ou leur rétablissement le plus rapidement
possible ainsi que la reprise dans un délai raisonnable de
l’exercice des activités normales;
10° la mise en place de structures et systèmes appropriés
en vue de satisfaire aux demandes d’informations requises
par la Banque en application des articles 201 et 312.
11° la mise en place de procédures permettant de détecter
une détérioration des conditions financières et d’informer
immédiatement la Banque lorsque celle-ci se produit.
§ 2. Le système de gouvernance visé au paragraphe 1er
présente un caractère exhaustif et est proportionné à la nature,
à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents au modèle
d’entreprise et aux activités de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance.
§ 3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance établit
un mémorandum de gouvernance qui inclut pour l’entreprise
concernée et, le cas échéant, le groupe ou sous-groupe dont
elle est l’entreprise mère supérieure, l’ensemble du système
de gouvernance visé au paragraphe 1er et, en particulier des
politiques écrites relatives à la gestion des risques, au contrôle
interne, à l’audit interne et, le cas échéant, à la sous-traitance.
Sans préjudice des mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, si l’entreprise d’assurance ou de réassurance
fait partie d’un groupe soumis au contrôle de la Banque, le
mémorandum établi au niveau de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance peut faire partie du mémorandum de ce
groupe.
§ 4. Les dispositions des Sous-sections II à IV, précisent,
dans des domaines particuliers, la portée des obligations
générales visées aux paragraphes 1er et 2.
Art. 43
S’il existe des liens étroits entre l’entreprise d’assurance
ou de réassurance et d’autres personnes physiques ou
morales, ou si l’entreprise d’assurance ou de réassurance
fait partie d’un groupe, ces liens ou la structure juridique du
groupe ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel
individuel de l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait
partie l’entreprise.
405
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die
onder een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon
geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de
tenuitvoerlegging ervan geen belemmering vormen voor het
individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het
toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt.
Onderafdeling II
Vennootschapsorganen
Art. 44
Het wettelijk bestuursorgaan draagt de eindverantwoorde-
lijkheid voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan
met name
1° de strategie en de doelstellingen van de onderneming;
2° het risicobeleid, met inbegrip van de algemene
risicotolerantielimieten.
Art. 45
§ 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die is opgericht als naamloze vennootschap richt een direc-
tiecomité op in de zin van artikel 524bis van het Wetboek van
Vennootschappen, waaraan alle bestuursbevoegdheden van
de raad van bestuur worden overgedragen. Deze bevoegd-
heidsdelegatie kan evenwel niet slaan op de vaststelling van
het algemeen beleid noch op de handelingen die bij andere
bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of bij deze
wet zijn voorbehouden aan de raad van bestuur.
Behoudens toepassing van artikel 56, § 3 is het directie-
comité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn
van de raad van bestuur, met dien verstande dat de artikelen
40, 41, 81, 83 en 94 van toepassing zijn op de leden van het
directiecomité die in voorkomend geval geen lid zijn van de
raad van bestuur.
§ 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad van
bestuur zijn geen lid van het directiecomité.
§ 3. De functie van voorzitter van de raad van bestuur mag
niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité.
§ 4. Het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 525 van het
Wetboek van Vennootschappen mag niet worden opgedragen
aan een niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur.
Art. 46
§ 1. De statuten van de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die anders dan als naamloze vennootschap
zijn opgericht, voorzien in de oprichting, binnen het wettelijk
Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance a des liens
étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit
d’un pays tiers, les dispositions législatives, réglementaires et
administratives applicables à cette personne ou leur mise en
oeuvre ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel
individuel de l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait
partie l’entreprise.
Sous-section II
Organes sociétaires
Art. 44
L’organe légal d’administration assume la responsabilité
finale de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
À cette fin, l’organe légal d’administration définit et super-
vise, notamment:
1° la stratégie et les objectifs de l’entreprise;
2° la politique en matière de risques, en ce compris les
limites de tolérance générale aux risques.
Art. 45
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
constituées sous la forme de société anonyme mettent en
place un comité de direction au sens de l’article 524bis du
Code des sociétés auquel est délégué l’ensemble des pou-
voirs de gestion du conseil d’administration. Cette délégation
ne peut toutefois porter ni sur la détermination de la politique
générale, ni sur les actes réservés au conseil d’administration
par les autres dispositions du Code des sociétés ou par la
présente loi.
Le comité de direction est composé, sauf application de
l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont membres
du conseil d’administration, étant entendu que les articles 40,
41, 81, 83 et 94 sont applicables aux membres du comité de
direction qui ne sont pas, le cas échéant, membres du conseil
d’administration.
§ 2. Le conseil d’administration compte une majorité d’ad-
ministrateurs qui ne sont pas membres du comité de direction.
§ 3. La fonction de président du conseil d’administration
ne peut être exercée par un membre du comité de direction.
§ 4. La gestion journalière visée à l’article 525 du Code
des sociétés ne peut être confiée à un membre non exécutif
du conseil d’administration.
Art. 46
§ 1er. Les statuts des entreprises d’assurance ou de
réassurance constituées sous une autre forme que celle de
société anonyme prévoient la constitution, au sein de l’organe
406
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bestuursorgaan, van een orgaan, “directiecomité” genaamd,
waaraan alle bestuursbevoegdheden van het wettelijk be-
stuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de
vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen
die bij het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn
voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan.
Behoudens toepassing van artikel 56, § 3 is het directie-
comité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn
van het wettelijk bestuursorgaan, met dien verstande dat de
artikelen 40, 41, 81, 83 en 94 van toepassing zijn op de leden
van het directiecomité die in voorkomend geval geen lid zijn
van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk be-
stuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 bedoelde
directiecomité.
§ 3. De functie van voorzitter van het wettelijk bestuurs-
orgaan mag niet worden uitgeoefend door een lid van het
directiecomité.
§ 4. Het dagelijks bestuur mag aan een niet-uitvoerend lid
van het wettelijk bestuursorgaan niet worden opgedragen.
Art. 47
De Bank kan op grond van de omvang en het risicoprofiel
van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met
name ten opzichte van de betrokken groep, toestaan dat
geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen
van de artikelen 45 en 46.
De afwijking kan met name betrekking hebben op:
1° de verplichting om een directiecomité op te richten,
onverminderd de naleving van artikel 40, § 2; in dit geval
worden de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn
opgelegd aan het directiecomité en zijn leden, uitgevoerd
door de personen die belast zijn met de effectieve leiding;
2° het combineren van de functies van lid van het directie-
comité en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan.
Onderafdeling III
Oprichting van comités binnen het wettelijk
bestuursorgaan
Art. 48
Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan
richt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
binnen dit orgaan de volgende comités op:
1° een auditcomité;
2° een remuneratiecomité,
3° een risicocomité,
légal d’administration, d’un organe dénommé “comité de
direction”, auquel est délégué l’ensemble des pouvoirs de
gestion de l’organe légal d’administration à l’exclusion de la
détermination de la politique générale, des actes réservés à
l’organe légal d’administration par le Code des sociétés ou
par la présente loi.
Le comité de direction est composé, sauf application de
l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont membres
de l’organe légal d’administration, étant entendu que les
articles 40, 41, 81, 83 et 94 sont applicables aux membres du
comité de direction qui ne sont pas, le cas échéant, membres
de l’organe légal d’administration.
§ 2. L’organe légal d’administration compte une majorité
de membres qui ne sont pas membres du comité de direction
visé au paragraphe 1er.
§ 3. La fonction de président de l’organe légal d’admi-
nistration ne peut être exercée par un membre du comité de
direction.
§ 4. La gestion journalière ne peut être confiée à un
membre non exécutif de l’organe légal d’administration.
Art. 47
La Banque peut, en fonction de la taille et du profil de
risques, notamment au regard du groupe concerné, d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance, autoriser celle-ci
à déroger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par
les articles 45 et 46.
La dérogation peut notamment porter:
1° sur l’obligation de constituer un comité de direction,
sans préjudice du respect de l’article 40, § 2; dans ce cas,
les obligations incombant, par ou en vertu de la présente loi,
au comité de direction et à ses membres sont assumées par
les personnes chargées de la direction effective;
2° sur un cumul des fonctions de membre du comité de
direction et de président de l’organe légal d’administration.
Sous-section III
Mise en place de comités au sein de l’organe légal
d’administration
Art. 48
Sans préjudice des missions de l’organe légal d’admi-
nistration, les entreprises d’assurance ou de réassurance
constituent, au sein de cet organe, les comités suivants:
1° un comité d’audit;
2° un comité de rémunération;
3° un comité des risques,
407
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk
bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn en waarvan
minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 526ter
van het Wetboek van Vennootschappen.
Art. 49
§ 1. Naast de vereisten van artikel 48 beschikken de leden
van het auditcomité over een collectieve deskundigheid op
het gebied van de activiteiten van de betrokken verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming en op het gebied van
boekhouding en audit. Minstens één lid van het auditcomité
beschikt over deskundigheid op het gebied van boekhouding
en/of audit.
§ 2. Het auditcomité heeft minstens de volgende taken:
1° monitoring van het financiëleverslaggevingsproces;
2° monitoring van de doeltreffendheid van de systemen
voor interne controle en risicobeheer van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
3° monitoring van de interne audit en van de desbetref-
fende activiteiten;
4° monitoring van de wettelijke controle van de jaarreke-
ning en de geconsolideerde jaarrekening, met inbegrip van
de opvolging van de vragen en aanbevelingen geformuleerd
door de erkend commissaris;
5° beoordeling en monitoring van de onafhankelijkheid van
de erkend commissaris, waarbij inzonderheid wordt gelet op
de verlening van bijkomende diensten aan de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of aan een persoon waarmee
zij een nauwe band heeft.
Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan
geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, ten
minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 199,
tweede lid en artikel 201 bedoelde jaarrekening en geconso-
lideerde jaarrekening en periodieke informatie opstelt die de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming respectievelijk
aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste
halfjaar overmaakt.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig ar-
tikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de elementen
in de in deze paragraaf opgenomen lijst op technische punten
preciseren en aanvullen.
§ 3. De erkend commissaris:
1° meldt aan het auditcomité jaarlijks alle bijkomende
diensten die voor de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming en voor de vennootschappen waarmee de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming een nauwe band heeft,
werden verricht;
exclusivement composés de membres de l’organe légal
d’administration qui n’en sont pas membres exécutifs et
dont au moins un membre est indépendant au sens de
l’article 526ter du Code des sociétés.
Art. 49
§ 1er. Outre les exigences prévues à l’article 48, les
membres du comité d’audit disposent d’une compétence col-
lective dans le domaine d’activités de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance concernée et en matière de comptabilité et
d’audit. Au moins un membre du comité d’audit est compétent
en matière de comptabilité et/ou d’audit.
§ 2. Le comité d’audit est au moins chargé des missions
suivantes:
1° le suivi du processus d’élaboration de l’information
financière;
2° le suivi de l’efficacité des systèmes de contrôle interne
et de gestion des risques de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance;
3° le suivi de l’audit interne et de ses activités;
4° le suivi du contrôle légal des comptes annuels et des
comptes consolidés, en ce compris le suivi des questions et
recommandations formulées par le commissaire agréé;
5° l’examen et suivi de l’indépendance du commissaire
agréé, en particulier pour ce qui concerne la fourniture de
services complémentaires à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance ou à une personne avec laquelle elle a un lien
étroit.
Le comité d’audit fait régulièrement rapport à l’organe légal
d’administration sur l’exercice de ses missions, au moins lors
de l’établissement par celui-ci des comptes annuels et conso-
lidés et des informations périodiques visées aux articles 199,
alinéa 2 et 201 respectivement transmis par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance à la fin de l’exercice social
et à la fin du premier semestre social.
La Banque peut, par voie de règlement pris conformément
à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser et
compléter sur des points d’ordre technique les éléments
énumérés dans la liste reprise au présent paragraphe.
§ 3. Le commissaire agréé:
1° communique chaque année au comité d’audit les
services additionnels fournis à l’entreprise d’assurance ou
de réassurance et aux sociétés avec lesquelles l’entreprise
d’assurance ou de réassurance a un lien étroit;
408
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° voert met het auditcomité overleg over de bedreigingen
voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die
zijn genomen om deze bedreigingen in te perken, zoals door
hem onderbouwd;
3° bevestigt zijn onafhankelijkheid van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming jaarlijks schriftelijk aan het
auditcomité.
Art. 50
§ 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat
het een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven over het
beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die
daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermo-
gensbehoeften en de liquiditeitspositie.
§ 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over
het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan
moet worden vastgesteld en over elke daarin aangebrachte
wijziging.
§ 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden
van beslissingen over beloning, met name beslissingen die
gevolgen hebben voor de risico’s en het risicobeheer van de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken.
Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het
remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van
aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, alsook
met het algemeen belang.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen
over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn
voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent
het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de be-
loning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke
controlefuncties.
Art. 51
De leden van het risicocomité bezitten individueel de no-
dige kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden om
de strategie en de risicotolerantie van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming te begrijpen en te bevatten.
Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuurs-
orgaan over de huidige en toekomstige risicotolerantie en
risicostrategie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in
de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van
deze strategie door het directiecomité.
2° examine avec le comité d’audit les risques pesant sur
son indépendance et les mesures de sauvegarde prises pour
atténuer ces risques, consignés par lui;
3° confirme chaque année par écrit son indépendance au
comité d’audit par rapport à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Art. 50
§ 1er. Le comité de rémunération est composé de manière
à lui permettre d’exercer un jugement compétent et indépen-
dant sur les politiques et les pratiques de rémunération et sur
les incitants créés au regard de la maîtrise des risques, des
besoins en fonds propres et de la position de liquidité.
§ 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la politique
de rémunération à adopter par l’organe légal d’administration
ainsi que sur toute modification qui y est apportée.
§ 3. Le comité de rémunération est chargé de préparer les
décisions concernant les rémunérations, notamment celles
qui ont des répercussions sur le risque et la gestion des
risques dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée et sur lesquelles l’organe légal d’administration
est appelé à se prononcer. Lors de la préparation de ces
décisions, le comité de rémunération tient compte des inté-
rêts à long terme des actionnaires, des investisseurs et des
autres parties prenantes de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance ainsi que de l’intérêt public.
L’alinéa 1er est également d’application pour les décisions
concernant les rémunérations des personnes en charge des
fonctions de contrôle indépendantes. Le comité de rému-
nération assure, en outre, une supervision directe en ce qui
concerne les rémunérations allouées aux responsables des
fonctions de contrôle indépendantes.
Art. 51
Les membres du comité des risques disposent individuelle-
ment des connaissances, des compétences, de l’expérience
et des aptitudes nécessaires pour leur permettre de com-
prendre et d’appréhender la stratégie et le niveau de tolérance
au risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
Le comité des risques conseille l’organe légal d’adminis-
tration pour les aspects concernant la stratégie et le niveau
de tolérance en matière de risques, tant actuels que futurs.
Il assiste l’organe légal d’administration lorsque celui-ci
supervise la mise en œuvre de cette stratégie par le comité
de direction.
409
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 52
§ 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
op geconsolideerde basis voldoet aan ten minste twee van
de volgende drie criteria:
a) gemiddeld aantal werknemers gedurende het betrokken
boekjaar van minder dan 250 personen,
b) balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 000 000 euro,
c) jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan
50 000 000 euro,
is niet verplicht de in artikel 48 bedoelde comités op te
richten binnen haar wettelijk bestuursorgaan maar in dat geval
moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitge-
voerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer
de voorzitter van dit orgaan ingevolge een met toepassing van
artikel 47 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt
hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet
waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in
artikel 48 bedoelde comités.
§ 2. De Bank kan aan ondernemingen die niet voldoen aan
de voorwaarde van paragraaf 1 maar die zo georganiseerd
zijn dat het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité vol-
doende ondersteund worden bij hun respectieve taken inzake
beloningsbeleid als bedoeld in de artikelen 77, § 5 en 80, § 3,
een vrijstelling verlenen van de verplichting om binnen het
wettelijk bestuursorgaan een remuneratiecomité op te richten.
§ 3. De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming die een dochteronderneming of een
kleindochteronderneming is van een gemengde financiële
holding, van een gemengde verzekeringsholding, van een
verzekeringsholding, van een financiële holding, van een
andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van
een kredietinstelling, van een beleggingsonderneming, van
een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van
instellingen voor collectieve belegging, afwijkt van de bepalin-
gen van deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden
vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover
er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer
comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 49 tot 51, die
bevoegd zijn voor de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming en voldoen aan de vereisten van deze wet.
§ 4. Onverminderd de artikelen 49, § 1 en 51, eerste lid,
kunnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van het
risicocomité en het auditcomité.
Art. 53
De bepalingen van deze Onderafdeling doen geen afbreuk
aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen
over het auditcomité en het remuneratiecomité in genoteerde
vennootschappen in de zin van artikel 4 van dat Wetboek.
Art. 52
§ 1er. Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance
répondant sur base consolidée à au moins deux des trois
critères suivants:
a) un nombre moyen de salariés inférieur à 250 personnes
sur l’ensemble de l’exercice concerné,
b) un total du bilan inférieur ou égal à 43 000 000 euros,
c) un chiffre d’affaires net annuel inférieur ou égal à
50 000 000 euros ,
la constitution des comités visés à l’article 48 au sein de
l’organe légal d’administration n’est pas obligatoire, mais les
fonctions attribuées à ces comités sont alors exercées par
l’organe légal d’administration dans son ensemble. Lorsque,
suite à une dérogation accordée en application de l’article 47,
le président de cet organe est un membre exécutif, il ne pré-
side pas l’organe légal d’administration lorsque celui-ci agit
en qualité d’un des comités visés à l’article 48.
§ 2. La Banque peut octroyer une dérogation à l’obligation
d’établir un comité de rémunération au sein de l’organe légal
d’administration aux entreprises qui ne répondent pas à la
condition visée au paragraphe 1er mais dont l’organisation
permet un support adéquat de l’organe légal d’administration
et du comité de direction dans leurs tâches respectives en
matière de politique de rémunération telles que visées aux
articles 77, § 5 et 80, § 3.
§ 3. La Banque peut, à l’égard des entreprises d’assurance
ou de réassurance qui sont filiales ou sous-filiales d’une
compagnie financière mixte, d’une société holding mixte
d’assurance, d’une société holding d’assurance, d’une com-
pagnie financière, d’une autre entreprise d’assurance ou de
réassurance, d’un établissement de crédit, d’une entreprise
d’investissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société
de gestion d’organismes de placement collectif, accorder des
dérogations aux dispositions de la présente Sous-section et
fixer des conditions spécifiques à l’octroi de ces dérogations,
pour autant qu’aient été constitués au sein des groupes ou
sous-groupes concernés un ou plusieurs comités au sens des
articles 49 à 51 dont les attributions s’étendent à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et répondent aux exigences
de la présente loi.
§ 4. Sans préjudice des articles 49, § 1er et 51, alinéa 1er, les
entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent prévoir
qu’un seul comité assure les missions dévolues au comité
des risques et au comité d’audit.
Art. 53
Les dispositions de la présente Sous-section sont sans
préjudice des dispositions du Code des sociétés relatives
au comité d’audit et au comité de rémunération au sein de
sociétés cotées au sens de l’article 4 de ce Code.
410
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling IV
Onafhankelijke controlefuncties
Art. 54
§ 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken
over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties:
1° een compliancefunctie;
2° een risicobeheerfunctie;
3° een interneauditfunctie;
4° een actuariële functie.
De personen die de in het eerste lid bedoelde functies
uitoefenen zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden en
operationele functies van de onderneming en beschikken
over de nodige bevoegdheden en middelen om hun functie
naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze
personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van
de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk
van de resultaten van de activiteiten waarop toezicht wordt
gehouden.
De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het
eerste lid bedoelde functies rapporteren minstens eenmaal
per jaar rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan over
de uitvoering van hun taak, en lichten het directiecomité in;
voor de interneauditfunctie kan dit in voorkomend geval via
het auditcomité gebeuren.
§ 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter van de
in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank rekening met
de bepalingen van artikel 42, § 2.
Art. 55
§ 1. De compliancefunctie moet ervoor zorgen dat de
onderneming, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan,
haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en
verzekerings- of herverzekeringsagenten en -subagenten, de
wettelijke en reglementaire bepalingen die de verzekerings-
of herverzekeringsactiviteit regelen, inzonderheid de regels
inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op die
activiteit, naleven.
De compliancefunctie beoordeelt ook de mogelijke gevol-
gen van wijzigingen in het rechtskader voor de activiteiten
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
identificeert en beoordeelt compliancerisico’s.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van
artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
Sous-section IV
Fonctions de contrôle indépendantes
Art. 54
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
prennent les mesures nécessaires pour disposer en perma-
nence des fonctions de contrôle indépendantes adéquates
suivantes:
1° une fonction de vérification de la conformité (compliance);
2° une fonction de gestion des risques;
3° une fonction d’audit interne;
4° une fonction actuarielle.
Les personnes qui assurent l’exercice des fonctions visées
à l’alinéa 1er sont indépendantes des unités et fonctions opé-
rationnelles de l’entreprise et disposent des prérogatives et
ressources nécessaires au bon accomplissement de leurs
fonctions. La rémunération de ces personnes est fixée en
fonction de la réalisation des objectifs liés à leurs fonctions,
indépendamment des performances des domaines d’activités
contrôlés.
Les personnes responsables des fonctions visées à l’alinéa
1er font directement rapport à l’organe légal d’administration
au moins une fois par an, sur l’exécution de leur mission, avec
information du comité de direction et, pour la fonction d’audit
interne le cas échéant via le comité d’audit.
§ 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des fonc-
tions visées au paragraphe 1er, la Banque tient compte des
dispositions de l’article 42, § 2.
Art. 55
§ 1er. La fonction de vérification de la conformité (com-
pliance) est destinée à assurer le respect, par l’entreprise,
les membres de son organe légal d’administration, ses diri-
geants effectifs, ses salariés, ses mandataires et agents et
sous-agents d’assurance ou de réassurance, des dispositions
légales et réglementaires régissant l’activité d’assurance
ou de réassurance, en particulier les règles d’intégrité et de
conduite qui s’appliquent à cette activité.
La fonction de vérification de la conformité comprend éga-
lement l’évaluation de l’impact possible de tout changement
de l’environnement juridique sur les activités de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance, ainsi que l’identification et
l’évaluation du risque de non-conformité.
L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de
l’article 87bis de la loi du 2 août 2002.
411
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Naast de in artikel 54, § 1, derde lid bedoelde rap-
portering, licht de persoon die verantwoordelijk is voor de
compliancefunctie het wettelijk bestuursorgaan en het direc-
tiecomité regelmatig in over de naleving van de in paragraaf
1 bedoelde wettelijke en reglementaire bepalingen en richt
deze persoon daarover aanbevelingen aan deze organen.
Art. 56
§ 1. De risicobeheerfunctie wordt zo opgezet dat het in
het tweede lid bedoelde risicobeheersysteem ten uitvoer kan
worden gelegd.
Het risicobeheersysteem bestaat uit strategieën, pro-
cessen en rapporteringsprocedures die nodig zijn om op
individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan de
onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, alsook de
onderlinge afhankelijkheid tussen die risico’s voortdurend
te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te
rapporteren.
§ 2. Het risicobeheersysteem is perfect geïntegreerd in de
organisatiestructuur en de besluitvormingsprocedures van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en wordt
op passende wijze in acht genomen door de personen die
de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutel-
functies vervullen.
Meer in het bijzonder zijn de personen die belast zijn met de
risicobeheerfunctie actief betrokken bij de uitstippeling van de
risicostrategie van de onderneming en bij alle beleidsbeslis-
singen die een significante invloed hebben op de risico’s en
kunnen zij een volledig beeld geven van het hele scala van
risico’s die de onderneming loopt.
§ 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid van
het directiecomité waarvan de risicobeheerfunctie de enige
functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is.
In afwijking van het eerste lid,
1° op grond van de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s die inherent zijn aan de activiteiten van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en rekening
houdend met een passende organisatie van de risicobeheer-
functie op het niveau van de groep waarvan de onderneming
deel uitmaakt, kan de Bank toestaan dat een lid van het
hoger kaderpersoneel binnen de onderneming de risicobe-
heerfunctie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen
belangenconflict bestaat;
2° mag het lid van het directiecomité dat verantwoordelijk
is voor de risicobeheerfunctie, ook de verantwoordelijkheid op
zich nemen voor de compliancefunctie evenals voor de taken
van de actuariële functie die geen risico’s kunnen opleveren,
op voorwaarde dat de drie onafhankelijke controlefuncties los
van elkaar worden uitgeoefend en dat dit geen belangencon-
flicten doet rijzen.
§ 2. Outre la communication visée à l’article 54, § 1er, ali-
néa 3, la personne responsable de la fonction de vérification
de la conformité (compliance) informe régulièrement et émet
des recommandations à l’organe légal d’administration et au
comité de direction sur le respect des dispositions légales et
réglementaires visées au paragraphe 1er.
Art. 56
§ 1er. La fonction de gestion des risques est structurée de
manière à permettre la mise en œuvre du système de gestion
des risques visé à l’alinéa 2.
Le système de gestion des risques comprend les stra-
tégies, processus et procédures d’information nécessaires
pour déceler, mesurer, contrôler, gérer et déclarer, en per-
manence, les risques, aux niveaux individuel et agrégé,
auxquels l’entreprise est ou pourrait être exposée ainsi que
les interdépendances entre ces risques.
§ 2. Le système de gestion des risques est parfaitement
intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de
prise de décision de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance et dûment pris en compte par les personnes qui
dirigent effectivement l’entreprise ou qui occupent d’autres
fonctions clés.
En particulier, les personnes qui assurent la fonction de
gestion des risques participent activement à l’élaboration de la
stratégie en matière de risque de l’entreprise ainsi qu’à toutes
les décisions de gestion ayant une incidence significative en
matière de risque et peuvent fournir une vue complète de
toute la gamme des risques auxquels est exposée l’entreprise.
§ 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par un
membre du comité de direction dont c’est la seule fonction
particulière pour laquelle il est individuellement responsable.
Par dérogation à l’alinéa 1er,
1° eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des
risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance, et compte tenu du caractère approprié de
l’organisation de la fonction de gestion des risques au niveau
du groupe dont fait partie l’entreprise concernée, la Banque
peut autoriser qu’un membre du personnel de l’entreprise
faisant partie de l’encadrement supérieur assume la fonction
de gestion des risques à condition qu’il n’existe dans son chef
aucun conflit d’intérêts;
2° le membre du comité de direction responsable de la
fonction de gestion des risques peut assurer également la
responsabilité de la fonction de vérification de la conformité
(compliance) ainsi que la responsabilité des tâches de la
fonction actuarielle qui ne sont pas génératrices de risques,
à la condition que l’exercice des trois fonctions de contrôle
indépendantes demeure assuré distinctement et ne soit pas
générateur de conflits d’intérêts.
412
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor verzekerings- herverzekeringsondernemingen met
een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, dient voor de
toepassing van lid 2, 2° de voorafgaande toestemming van
de Bank te worden gevraagd.
Art. 57
Naast de rapportering bedoeld in de artikelen 54, § 1, derde
lid en 55, § 2, lichten de personen die verantwoordelijk zijn
voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie, zonder
dit aan het directiecomité te moeten voorleggen, uit eigen
beweging het wettelijk bestuursorgaan in over hun bezorgd-
heid en waarschuwen zij het in voorkomend geval indien
specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de
onderneming hebben of zouden kunnen hebben, met name
haar reputatie zouden kunnen schaden.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijk-
heden die voor het wettelijk bestuursorgaan voortvloeien uit
deze wet en de Europese regelgeving.
Art. 58
§ 1. De interneauditfunctie bezorgt aan het wettelijk be-
stuursorgaan en aan het directiecomité een onafhankelijke
beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de
interne controle, het risicobeheer en het governancesysteem
van de onderneming.
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar-
borgt in een auditcharter ten minste dat de interneauditfunctie
onafhankelijk is en dat haar taken betrekking hebben op alle
activiteiten en entiteiten van de onderneming, ook in geval
van uitbesteding.
§ 2. De persoon die verantwoordelijk is voor de interneau-
ditfunctie deelt zijn bevindingen en aanbevelingen mee aan
het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité.
Art. 59
§ 1. De actuariële functie heeft de volgende taken:
1° coördineren van de berekening van de technische
voorzieningen;
2° ervoor zorgen dat de methodologieën, onderliggende
modellen en hypothesen die gehanteerd worden voor de
berekening van de technische voorzieningen, adequaat zijn;
3° beoordelen van de toereikendheid en de kwaliteit van
de gegevens die gebruikt worden bij de berekening van de
technische voorzieningen;
4° toetsen van de beste schattingen aan de ervaring;
Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
présentent un total de bilan supérieur à 3 milliards d’euros,
le bénéfice de l’alinéa 2, 2° est subordonné à l’autorisation
préalable de la Banque.
Art. 57
Outre la communication visée aux articles 54, § 1er, ali-
néa 3 et 55, § 2, les personnes responsables des fonctions
de gestion des risques et de vérification de la conformité
(compliance) font part d’initiative à l’organe légal d’adminis-
tration, sans devoir en référer au comité de direction, de pré-
occupations et l’avertissent, le cas échéant, en cas d’évolution
des risques affectant ou susceptible d’affecter l’entreprise,
notamment de porter atteinte à sa réputation.
L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabilités de
l’organe légal d’administration en vertu de la présente loi et
de la réglementation européenne.
Art. 58
§ 1er. La fonction d’audit interne a pour objet de fournir à
l’organe légal d’administration et au comité de direction une
évaluation indépendante de la qualité et de l’efficience du
contrôle interne, de la gestion des risques et du système de
gouvernance de l’entreprise.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance garan-
tissent dans une charte d’audit, au minimum, l’indépendance
de la fonction d’audit interne et l’étendue de ses missions à
toute activité et entité de l’entreprise, y compris en cas de
sous-traitance.
§ 2. La personne responsable de la fonction d’audit interne
communique ses conclusions et recommandations à l’organe
légal d’administration et au comité de direction.
Art. 59
§ 1er. La fonction actuarielle a pour tâche de:
1° coordonner le calcul des provisions techniques;
2° garantir le caractère approprié des méthodologies, des
modèles sous- jacents et des hypothèses utilisés pour le
calcul des provisions techniques;
3° apprécier la suffisance et la qualité des données utilisées
dans le calcul des provisions techniques;
4° comparer les meilleures estimations aux observations
empiriques;
413
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5° informatie verstrekken aan het wettelijk bestuursor-
gaan en aan het directiecomité over de betrouwbaarheid
en geschiktheid van de berekening van de technische
voorzieningen;
6° toezien op de berekening van de technische voorzienin-
gen in de gevallen bedoeld in artikel 137, tweede lid;
7 ° a d v i e s u i t b r e n g e n o v e r h e t a l g e m e e n
onderschrijvingsbeleid;
8° advies uitbrengen over de geschiktheid van de
herverzekeringsregelingen;
9° ertoe bijdragen dat het in artikel 84 bedoelde risicobe-
heersysteem doeltreffend wordt toegepast, in het bijzonder
wat betreft de risicomodellering die ten grondslag ligt aan
de berekening van de kapitaalvereisten als bedoeld in de
artikelen 74 en 75, en wat betreft de in artikel 91 bedoelde
beoordeling;
10° advies uitbrengen over het winstdelings- en restorno-
beleid evenals over de naleving van de regelgeving ter zake.
§ 2. De actuariële functie wordt uitgeoefend door personen
die kennis hebben van actuariële en financiële wiskunde die
in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s die aan de activiteiten van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zijn verbonden, en die kunnen
aantonen dat zij over relevante ervaring met de toepasselijke
beroeps- en andere normen beschikken.
Art. 60
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 48 tot 59 kan
de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel
12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat
moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur,
een passende interne controle, een passende onafhankelijke
risicobeheerfunctie, een passende onafhankelijke interneau-
ditfunctie, een passende actuariële functie, en, op advies van
de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie,
en nadere regels vaststellen overeenkomstig de Europese
regelgeving.
Afdeling VII
Hoofdbestuur
Art. 61
Het hoofdbestuur van een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming is in België gevestigd.
5° informer l’organe légal d’administration et le comité de
direction de la fiabilité et du caractère adéquat du calcul des
provisions techniques;
6° superviser le calcul des provisions techniques dans les
cas visés à l’article 137, alinéa 2;
7° émettre un avis sur la politique globale de souscription;
8° émettre un avis sur l’adéquation des dispositions prises
en matière de réassurance;
9° contribuer à la mise en œuvre effective du système de
gestion des risques visé à l’article 84, en particulier pour ce qui
concerne la modélisation des risques sous-tendant le calcul
des exigences de capital prévu aux articles 74 et 75, et pour
ce qui concerne l’évaluation visée à l’article 91;
10° émettre un avis sur la politique de participations
bénéficiaires et de ristournes ainsi que sur le respect de la
réglementation en la matière.
§ 2. La fonction actuarielle est exercée par des personnes
qui ont une connaissance des mathématiques actuarielles et
financières à la mesure de la nature, de l’ampleur et de la
complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance et qui peuvent démontrer une
expérience pertinente à la lumière des normes profession-
nelles et autres normes applicables.
Art. 60
La Banque peut, sans préjudice des dispositions des
articles 48 à 59, préciser, par voie de règlement pris en appli-
cation de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, ce
qu’il y a lieu d’entendre par structure de gestion adéquate,
contrôle interne adéquat, fonction de gestion des risques
indépendante adéquate, fonction d’audit interne indépendante
adéquate, fonction actuarielle adéquate et, sur avis de la
FSMA, fonction de vérification de la conformité (compliance)
indépendante adéquate, et élaborer des règles plus précises
conformément à la réglementation européenne.
Section VII
Administration centrale
Art. 61
L’administration centrale des entreprises d’assurance ou
de réassurance est située en Belgique.
414
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IX
Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering
Art. 62
De verzekeringsondernemingen sluiten zich aan bij een
regeling voor de bescherming van levensverzekeringen die
door hen gefinancierd wordt en die bij in gebreke blijven
garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering
met betrekking tot levensverzekeringsovereenkomsten met
gewaarborgd rendement die vallen onder tak 21 als vermeld
in Bijlage II of met betrekking tot alle andere categorieën
van overeenkomsten die vallen onder een dergelijke, door
of krachtens de wet ingestelde regeling, schadeloos worden
gesteld op de voorwaarden van deze regelingen.
TITEL II
Bedrijfsuitoefenings-voorwaarden
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 63
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet
blijvend voldoen aan de door of krachtens Hoofdstuk II van
Titel I van dit Boek vastgelegde voorwaarden.
HOOFDSTUK II
Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Art. 64
Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarma-
king van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in
onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die
besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwa-
lificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten,
waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of
aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 %
zou bereiken of overschrijden, dan wel de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zijn dochteronderneming zou
worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met
vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en
de in het tweede lid bedoelde relevante informatie.
De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor
de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding
staat tot en afgestemd is op de aard van de kandidaat-verwer-
ver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de
in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.
Section IX
Protection des créanciers d’assurance
Art. 62
Les entreprises d’assurance adhèrent à un système de
protection des assurances sur la vie financé par elles et
visant à assurer, en cas de défaillance, une indemnisation
des créanciers d’assurance en ce qui concerne les contrats
d’assurance sur la vie avec rendement garanti relevant de la
branche 21 mentionnée à l’Annexe II ou toute autre catégorie
de contrats couverts par un tel système mis en place par ou
vertu de la loi, et ce aux conditions déterminées par les règles
régissant ces systèmes.
TITRE II
Des conditions d’exercice de l’activité
CHAPITRE IER
Généralités
Art. 63
Les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent
en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en
vertu du Chapitre II du Titre Ier du présent Livre.
CHAPITRE II
Modifications dans la structure du capital
Art. 64
Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité
des participations importantes, toute personne physique ou
morale agissant seule ou de concert avec d’autres, qui a pris
la décision soit d’acquérir, directement ou indirectement, une
participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou
de réassurance de droit belge, soit de procéder, directement
ou indirectement, à une augmentation de cette participation
qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance
de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote
ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les seuils
de 20 %, de 30 % ou de 50 % ou que l’entreprise d’assurance
ou de réassurance devienne sa filiale, est tenue de notifier
par écrit au préalable à la Banque le montant envisagé de sa
participation et les informations pertinentes visées à l’alinéa 2.
La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant
les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la
nature du candidat acquéreur et de l’acquisition envisagée,
qui sont nécessaires pour procéder à l’évaluation et qui
doivent lui être communiquées au moment de la notification
visée à l’alinéa 1er.
415
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 65
§ 1. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk
geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisge-
ving en van alle in artikel 64 bedoelde informatie, alsook na de
eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf
2 bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging.
Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode
afloopt.
De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt om
de in artikel 66 bedoelde beoordeling te verrichten, bedraagt
ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum
van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van
alle documenten die vereist zijn op basis van de in artikel 64,
tweede lid bedoelde lijst.
§ 2. De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode, doch
niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie
opvragen die noodzakelijk is om haar beoordeling af te ron-
den. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke
aanvullende informatie nodig is.
Vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie
tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-
verwerver wordt de beoordelingsperiode onderbroken. De
onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Het staat
de Bank vrij om na het verstrijken van de uiterste datum die
overeenkomstig het vorige lid is vastgesteld, aanvullende ver-
zoeken ter vervollediging of verduidelijking van de informatie te
formuleren, maar deze verzoeken mogen geen onderbreking
van de beoordelingsperiode tot gevolg hebben.
§ 3. De Bank kan de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde
onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen:
1° indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese
Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-commu-
nautaire reglementering onderworpen is; of
2° indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechts-
persoon is die niet aan toezicht onderworpen is krachtens:
a) Richtlijn 2009/138/EG;
b) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instel-
lingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s);
c) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en
de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve
beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen
2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG)
nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010;
d) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële
instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en
Richtlijn 2011/61/EU;
Art. 65
§ 1er. Diligemment, et en toute hypothèse dans un délai
de deux jours ouvrables après la réception de la notification
et des informations complètes visées à l’article 64, ainsi
qu’après l’éventuelle réception ultérieure des informations
visées au paragraphe 2, la Banque en accuse réception par
écrit au candidat acquéreur. L’accusé de réception indique
la date d’expiration de la période d’évaluation.
La période d’évaluation dont dispose la Banque pour
procéder à l’évaluation visée à l’article 66 est de maximum
soixante jours ouvrables à compter de la date de l’accusé de
réception de la notification et de tous les documents requis
sur la base de la liste visée à l’article 64, alinéa 2.
§ 2. La Banque peut, pendant la période d’évaluation, et au
plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d’éva-
luation, demander un complément d’information nécessaire
pour mener à bien son évaluation. Cette demande est faite par
écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
Pendant la période comprise entre la date de la demande
d’informations par la Banque et la réception d’une réponse du
candidat acquéreur à cette demande, la période d’évaluation
est suspendue. Cette suspension ne peut excéder vingt jours
ouvrables. La Banque peut formuler, au-delà de la date limite
déterminée conformément à l’alinéa précédent, d’autres de-
mandes visant à recueillir des informations complémentaires
ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent
toutefois lieu à une suspension de la période d’évaluation.
§ 3. La Banque peut porter la suspension visée au para-
graphe 2, alinéa 2, à trente jours ouvrables:
1° si le candidat acquéreur est établi hors de la l’Espace
économique européen ou relève d’une réglementation non
communautaire; ou
2° si le candidat acquéreur est une personne physique ou
morale qui n’est pas soumise à une surveillance en vertu de:
a) la Directive 2009/138/CE;
b) la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du
Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions
législatives, réglementaires et administratives concernant
certains organismes de placement collectif en valeurs mobi-
lières (OPCVM);
c) la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du
Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d’inves-
tissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et
2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et
(UE) n° 1095/2010;
d) la directive 2014/65/UE du parlement européen et du
Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d’instruments
financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive
2011/61/UE;
416
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
e) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van
kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstel-
lingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn
2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG
en 2006/49/EG.
Art. 66
Bij de beoordeling van de in artikel 64 bedoelde kennis-
geving en informatie, en van de in artikel 65, § 2 bedoelde
aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een
gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming die het doelwit is van de voorgenomen
verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed
van de kandidaat-verwerver op de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, de geschiktheid van de kandidaat-
verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen
verwerving aan alle in artikel 39, tweede lid bedoelde criteria.
De Bank kan zich in de loop van de in artikel 65 bedoelde
beoordelingsperiode verzetten tegen de voorgenomen
verwerving indien zij gegronde redenen heeft om aan te ne-
men, op grond van de criteria van artikel 39, tweede lid, dat
de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en
voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming te waarborgen, of indien de informatie die de
kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling besluit
zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, stelt zij
de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis bin-
nen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te
overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan
een passende motivering van het besluit voor het publiek
toegankelijk worden gemaakt.
Indien de Bank zich na afloop van de beoordelingsperiode
niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt
deze geacht te zijn goedgekeurd.
De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen
verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in voor-
komend geval verlengen.
Art. 67
Voor het verrichten van de in artikel 65 bedoelde beoorde-
ling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere
betrokken toezichthouder en, in voorkomend geval, met de
FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende
personen of instellingen is:
1° een verzekeringsonderneming, een herverzekerings-
onderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderne-
ming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van
instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergun-
ning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat,
of, al naargelang het geval, door de FSMA;
e) la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du
Conseil du 26 juin 2013 concernant l’accès à l’activité des
établissements de crédit et la surveillance prudentielle des
établissements de crédit et des entreprises d’investissement,
modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives
2006/48/CE et 2006/49/CE.
Art. 66
En procédant à l’évaluation de la notification et des informa-
tions visées à l’article 64 et des informations complémentaires
visées à l’article 65, § 2, la Banque apprécie, afin de garantir
une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance visée par l’acquisition envisagée et en
tenant compte de l’influence probable du candidat acquéreur
sur l’entreprise d’assurance ou de réassurance, le caractère
approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de
l’acquisition envisagée en appliquant l’ensemble des critères
visés à l’article 39, alinéa 2.
La Banque peut, dans le courant de la période d’évaluation
visée à l’article 65, s’opposer à la réalisation de l’acquisition si
elle a des motifs raisonnables de considérer, sur la base des
critères fixés à l’article 39, alinéa 2, que le candidat acquéreur
ne présente pas les qualités nécessaires en vue de garantir
une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance ou si les informations fournies par le candidat
acquéreur sont incomplètes.
Si la Banque décide, au terme de l’évaluation, de s’opposer
à l’acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat
acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans
dépasser la période d’évaluation. Un exposé approprié des
motifs de la décision peut être rendu accessible au public à
la demande du candidat acquéreur.
Si, au terme de la période d’évaluation, la Banque ne s’est
pas opposée à l’acquisition envisagée, celle-ci est réputée
approuvée.
La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclusion
de l’acquisition envisagée et, le cas échéant, le proroger.
Art. 67
La Banque procède à l’évaluation visée à l’article 65 en
pleine concertation avec toute autre autorité de contrôle
concernée et, le cas échéant, avec la FSMA si le candidat
acquéreur est:
1° une entreprise d’assurance, une entreprise de réassu-
rance, un établissement de crédit, une entreprise d’investis-
sement, un gestionnaire d’OPCA ou une société de gestion
d’organismes de placement collectif agréés selon le droit d’un
autre État membre, ou, selon le cas, par la FSMA;
417
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° de moederonderneming van een van de in punt 1° be-
doelde ondernemingen;
3° een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft
over een van de in punt 1° bedoelde ondernemingen.
Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig
mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel
belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op
verzoek alle relevante informatie en, uit eigen beweging, alle
essentiële informatie.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank
in haar besluit steeds de eventuele standpunten of bedenkin-
gen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor
de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de
FSMA.
Art. 68
Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om
niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwali-
ficeerde deelneming in een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf
schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de
voorgenomen deelneming na de afstoting. Een dergelijke
persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing
om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig
te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden
stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van
20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.
Art. 69
Indien de bij de artikelen 64 of 68 voorgeschreven voor-
afgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een
deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in
artikel 66, tweede lid bedoelde verzet, kan de voorzitter van
de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar zetel
heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516,
§§ 1 en 4 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde
maatregelen nemen.
De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
Artikel 516, § 3 van het Wetboek van Vennootschappen
is van toepassing.
Art. 70
Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarma-
king van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in
onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon
die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft
verworven in een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een
2° l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des qua-
lités visées au 1°;
3° une personne physique ou morale contrôlant une entre-
prise ayant une des qualités visées au 1°.
À cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais,
avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente
pour l’évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur de-
mande toute information pertinente et, de sa propre initiative,
toute information essentielle.
Dans les cas visés à l’alinéa 1er, toute décision de la
Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés
par l’autorité compétente responsable du candidat acquéreur
ou, selon le cas, par la FSMA.
Art. 68
Toute personne physique ou morale qui a pris la décision
de cesser de détenir, directement ou indirectement, une
participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou
de réassurance le notifie par écrit au préalable à la Banque
et lui communique le montant envisagé de sa participation
après la cession. Une telle personne notifie de même à la
Banque sa décision de diminuer sa participation qualifiée de
telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de
capital détenue descende en dessous des seuils de 20 %,
de 30 % ou de 50 %, ou que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance cesse d’être sa filiale après la cession.
Art. 69
En cas d’abstention de procéder aux notifications préa-
lables prescrites par les articles 64 ou 68 ou en cas d’acqui-
sition ou d’accroissement d’une participation en dépit de
l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2, le président du
tribunal de commerce dans le ressort duquel l’entreprise
d’assurance ou de réassurance a son siège, statuant comme
en référé, peut prendre les mesures visées à l’article 516,
§§ 1er et 4 du Code des sociétés.
La procédure est engagée par citation émanant de la
Banque.
L’article 516, § 3, du Code des sociétés est d’application.
Art. 70
Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la publi-
cité des participations importantes, toute personne physique
ou morale agissant seule ou de concert avec d’autres, qui
a acquis, directement ou indirectement, une participation
dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit
belge, ou qui a procédé, directement ou indirectement, à une
418
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor
het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in
het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het
kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwa-
lificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk
kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de
verwerving of de vergroting van de deelneming.
Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuur-
lijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of
onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de
stemrechten of het kapitaal in een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming, die geen gekwalificeerde deelneming
was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde
kennisgeving te verrichten.
De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid
vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwer-
vers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het
percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die na de
verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de
vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank over-
eenkomstig artikel 64, tweede lid, op haar website publiceert.
Art. 71
Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de
verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een
stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld
in artikel 64 tot gevolg hebben.
Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie
mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan heb-
ben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten
aanzien van de in artikel 39, tweede lid bedoelde beoorde-
lingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor
de in artikel 23 bedoelde personen.
Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten minste
eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling
overleg handelende aandeelhouders of vennoten die recht-
streeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming be-
zitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel
stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee
voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden
stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of ver-
vreemding hebben ontvangen overeenkomstig artikel 515 van
het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke
kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven.
Art. 72
Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de
invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die recht-
streeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming
bezit in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
een gezond en voorzichtig beleid van die verzekerings- of
augmentation de sa participation dans une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge, de telle façon que la
proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue
atteigne ou dépasse le seuil de 5 % des droits de vote ou du
capital, sans pour autant détenir une participation qualifiée,
est tenue de le notifier par écrit à la Banque dans un délai
de dix jours ouvrables après l’acquisition ou l’augmentation
de la participation.
La même notification est requise dans un délai de dix jours
ouvrables de toute personne physique ou morale qui a cessé
de détenir, directement ou indirectement, seul ou agissant
de concert avec d’autres personnes, une participation de
plus de 5 % du capital ou des droits de vote d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance, qui ne constituait pas une
participation qualifiée.
Les notifications visées aux alinéas 1er et 2 indiquent
l’identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de titres
acquis ou cédés et le pourcentage des droits de vote et du
capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance détenus
suite à l’acquisition ou à la cession, ainsi que les informations
nécessaires dont la liste est publiée par la Banque sur son
site internet conformément à l’article 64, alinéa 2.
Art. 71
Les entreprises d’assurance ou de réassurance com-
muniquent à la Banque, dès qu’elles en ont connaissance,
les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui
entraînent le franchissement vers le haut ou vers le bas de
l’un des seuils visés à l’article 64.
De même elles communiquent immédiatement à la Banque
toutes informations dont elles ont connaissance, de nature à
influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au
regard des critères d’appréciation visés à l’article 39, alinéa 2.
La même obligation d’information incombe aux personnes
visées à l’article 23.
Dans les mêmes conditions et au moins une fois par an,
elles communiquent à la Banque l’identité des actionnaires
ou associés qui possèdent, directement ou indirectement,
agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées
dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des
droits de vote ainsi détenus. Elles communiquent de même
à la Banque la quotité des actions ou parts ainsi que celle
des droits de vote y afférents dont l’acquisition ou l’aliénation
leur est déclarée conformément à l’article 515 du Code des
sociétés dans le cas où les statuts ne prescrivent pas leur
déclaration à la Banque.
Art. 72
Lorsque la Banque a des raisons de considérer que
l’influence exercée par une personne physique ou morale
détenant, directement ou indirectement, une participation
qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance
est de nature à compromettre la gestion saine et prudente
419
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsonderneming kan belemmeren, kan zij, on-
verminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen:
1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden
aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeel-
houder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belangheb-
bende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen wor-
den opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte
wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder
of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis
is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om,
binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten
in zijn bezit over te dragen.
Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overge-
dragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te
sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt.
Het sekwester brengt dit ter kennis van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die het register van de aandelen
op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van
de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege
het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een
gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming en in het belang van de houder van
de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle
rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedra-
gen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden
slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien deze
gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde
aanmaning.
Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al
dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor
dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te
gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog
niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van
de voornoemde houder vereist.
De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader
van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toege-
voegd aan het voornoemde sekwester.
De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door
de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwes-
ter kan zijn vergoeding aftrekken van de bedragen die hem
worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem
worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht
of na uitvoering van de in dit artikel bedoelde verrichtingen.
Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°,
eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitge-
oefend door de oorspronkelijke houder of door een andere
persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening
van deze houder, of niettegenstaande een schorsing van
hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de
rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de
verzekeringsonderneming haar zetel heeft, op verzoek van de
Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene
vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of
de cette entreprise, et sans préjudice des autres mesures
prévues par la présente loi, elle peut:
1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés aux
actions ou parts détenues par l’actionnaire ou l’associé en
question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder
la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est
notifiée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou
à l’associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu’elle
a été notifiée; la Banque peut rendre sa décision publique;
2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé en cause
de céder, dans le délai qu’elle fixe, les droits d’associé qu’il
détient.
À défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut
ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés
auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine. Le
séquestre en donne connaissance à l’entreprise d’assurance
ou de réassurance qui modifie en conséquence le registre
des actions ou parts d’associés nominatives et qui n’accepte
l’exercice des droits qui y sont attachés que par le seul
séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt d’une gestion saine et
prudente de l’entreprise d’assurances ou de réassurance et
dans celui du détenteur des droits d’associés ayant fait l’objet
du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou
parts d’associés Les sommes encaissées par le séquestre
au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par
lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l’injonction
à l’alinéa 1er, 2°.
La souscription à des augmentations de capital ou à
d’autres titres conférant ou non le droit de vote, l’option
en matière de dividende payable en titres de la société, la
réponse à des offres publiques d’acquisition ou d’échange
et la libération de titres non entièrement libérés sont subor-
donnés à l’accord du détenteur précité.
Les droits d’associés acquis en vertu de ces opérations
font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus.
La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est
à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer sa
rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité
de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme
conséquence des opérations visées par le présent article.
Lorsque des droits de vote ont été exercés par le déten-
teur originaire ou par une personne, autre que le séquestre,
agissant pour le compte de ce détenteur après l’échéance
du délai fixé conformément à l’alinéa 1er, 2°, première phrase,
ou nonobstant une suspension de leur exercice prononcée
conformément à l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans
le ressort duquel l’entreprise d’assurances a son siège peut,
sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie
des délibérations de l’assemblée générale si, sans les droits
de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou
420
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslis-
singen, zonder de onwettig uitgeoefende stemrechten niet
zou zijn bereikt.
Art. 73
Indien de deelneming in een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming wordt verworven door een onderneming die
onder een derde land ressorteert, waardoor de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming een dochteronderneming
van deze onderneming wordt, stelt de Bank de Europese
Commissie en de toezichthouders van de andere lidstaten
daarvan in kennis.
HOOFDSTUK III
Algemene werkingsvoorwaarden
Afdeling I
Minimum eigen vermogen
Art. 74
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
houdt in aanmerking komend eigen vermogen aan in de zin
van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkom-
stig artikel 151 vastgestelde solvabiliteitskapitaalvereiste te
dekken.
Art. 75
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
houdt bovendien in aanmerking komend kernvermogen aan
in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het
overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaal-
vereiste te dekken.
Afdeling II
Bewaring van documenten
Art. 76
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
bewaart alle documenten die betrekking hebben op haar
activiteiten op haar zetel of op elke andere plaats die vooraf
door de Bank is goedgekeurd in overleg met de FSMA.
Onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende
de bewaring van documenten, kan de Bank bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998 de termijn en de modaliteiten bepalen voor
de bewaring van de in het eerste lid bedoelde documenten.
de majorité requis par lesdites délibérations n’auraient pas
été réunis.
Art. 73
Lorsque l’acquisition d’une participation dans une entre-
prise d’assurance ou de réassurance est effectuée par une
entreprise relevant du droit d’un pays tiers, de telle sorte que
l’entreprise d’assurance ou de réassurance en devient la
filiale, la Banque en informe la Commission européenne et
les autorités de contrôle des autres États membres.
CHAPITRE III
Conditions générales de fonctionnement
Section Ire
Fonds propres minimum
Art. 74
Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent
des fonds propres éligibles au sens des articles 140 à
150 couvrant en permanence le capital de solvabilité requis
fixé conformément à l’article 151.
Art. 75
Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent
en outre des fonds propres de base éligibles au sens des
articles 140 à 150 couvrant en permanence le minimum de
capital requis fixé conformément à l’article 189.
Section II
Conservation de documents
Art. 76
Les entreprises d’assurance et de réassurance conservent
les documents relatifs à leurs activités à leur siège ou en tout
autre lieu préalablement autorisé par la Banque en concer-
tation avec la FSMA.
Sans préjudice d’autres dispositions légales régissant la
conservation de documents, la Banque peut fixer, par voie
de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi
du 22 février 1998, le délai et les modalités de conservation
des documents visés à l’alinéa 1er.
421
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Leiding en leiders
Onderafdeling I
Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Art. 77
§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en
minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van het in
artikel 42 bedoelde governancesysteem van de onderneming
en de mate waarin het voldoet aan de verplichtingen die door
of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de maat-
regelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd.
Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen
neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht
uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toe-
zicht op de beslissingen die door het directiecomité en door
de effectieve leiding van de onderneming worden genomen.
§ 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzon-
der de goede werking van de in artikel 54 bedoelde onafhan-
kelijke controlefuncties.
§ 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan
wordt de individuele en collectieve deskundigheid van de
leden van de in artikel 48 bedoelde comités gerechtvaardigd.
§ 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene begin-
selen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regel-
matig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk
voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die
beoordeling kan het een beroep doen op de onafhankelijke
controlefuncties.
§ 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in
artikel 42, § 3 bedoelde governancememorandum geactua-
liseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememo-
randum aan de Bank wordt overgemaakt.
§ 7. Het wettelijk bestuursorgaan keurt een schriftelijk vast-
gelegd beleid goed dat waarborgt dat de informatie die met
toepassing van de artikelen 312 tot 316 aan de Bank wordt
meegedeeld, altijd adequaat is;
§ 8. Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 95 be-
doelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie
goed voordat het gepubliceerd wordt. Het waakt erover dat
dit verslag jaarlijks geactualiseerd wordt en dat het geactua-
liseerde verslag aan de Bank wordt overgemaakt.
§ 9. Het wettelijk bestuursorgaan besluit welke maatregelen
moeten worden getroffen naar aanleiding van de bevindingen
en aanbevelingen van de interne audit en zorgt ervoor dat
deze maatregelen worden uitgevoerd.
Section III
Direction et dirigeants
Sous-section Ire
Contrôle et évaluation par l’organe légal d’administration
Art. 77
§ 1er. L’organe légal d’administration évalue périodique-
ment, et au moins une fois par an, l’efficacité du système de
gouvernance de l’entreprise visé à l’article 42 et sa conformité
aux obligations prévues par ou en vertu de la présente loi et,
le cas échéant, par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE. Il veille à ce que le comité de direction prenne
les mesures nécessaires pour remédier aux éventuels
manquements.
§ 2. L’organe légal d’administration exerce un contrôle
effectif sur le comité de direction et assure la surveillance des
décisions prises par le comité de direction et les dirigeants
effectifs de l’entreprise.
§ 3. L’organe légal d’administration évalue en particulier le
bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes
visées à l’article 54.
§ 4. Le rapport annuel de l’organe légal d’administration
justifie la compétence individuelle et collective des membres
des comités visés à l’article 48.
§ 5. L’organe légal d’administration adopte et évalue régu-
lièrement, et au moins une fois par an, les principes généraux
de la politique de rémunération et assure la surveillance de
sa mise en oeuvre. Dans le cadre de cette évaluation, il peut
recourir aux fonctions de contrôle indépendantes.
§ 6. L’organe légal d’administration s’assure de la mise
à jour du mémorandum de gouvernance visé à l’article 42,
§ 3, et de la transmission à la Banque du mémorandum de
gouvernance actualisé.
§ 7. L’organe légal d’administration approuve une politique
écrite garantissant l’adéquation permanente des informations
communiquées à la Banque en application des articles 312 à
316;
§ 8. L’organe légal d’administration approuve, avant sa
publication, le rapport sur la solvabilité et la situation financière
visé à l’article 95. Il s’assure de la mise à jour annuelle de ce
rapport et de la transmission à la Banque du rapport actualisé.
§ 9. L’organe légal d’administration détermine quelles
actions doivent être prises à la suite des conclusions et
recommandations de l’audit interne et veille à ce que ces
actions soient menées à bien.
422
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 78
§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet in het bijzonder toe op
de integriteit van de boekhoudsystemen en van de systemen
voor financiële verslaggeving, met inbegrip van de regelingen
voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt
de werking van de interne controle minstens eenmaal per
jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate
van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het
verslaggevingsproces, zodat met name de jaarrekening en
de financiële informatie in overeenstemming zijn met de
geldende regelgeving.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op het
publicatie- en communicatieproces dat door of krachtens deze
wet en, in voorkomend geval, door de Europese regelgeving
is opgelegd.
Art. 79
De erkend commissaris brengt verslag uit bij het wettelijk
bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité,
over belangrijke kwesties die bij de uitoefening van zijn wette-
lijke controle van de jaarrekening naar voren zijn gekomen, en
inzonderheid over ernstige tekortkomingen in de interne con-
trole met betrekking tot het financiëleverslaggevingsproces .
Onderafdeling II
Door het directiecomité te nemen maatregelen
Art. 80
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk
bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van
het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor
de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van
artikel 42.
§ 2. Het directiecomité brengt minstens eenmaal per jaar
verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend com-
missaris en de Bank, over de beoordeling van de doeltref-
fendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem
en over de maatregelen die in voorkomend geval worden
genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het
verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan
de wettelijke en reglementaire bepalingen.
§ 3. Onverminderd zijn andere taken, voert het directieco-
mité het beloningsbeleid uit dat door het wettelijk bestuurs-
orgaan wordt vastgelegd.
§ 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maatregelen
om ervoor te zorgen dat de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming de risico’s bedoeld in Afdeling IV van dit
Hoofdstuk beheerst.
§ 5. Het directiecomité van de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming verklaart aan de Bank dat de informatie
die haar wordt bezorgd overeenkomstig de artikelen 312 tot
Art. 78
§ 1er. L’organe légal d’administration veille en particulier
à l’intégrité des systèmes de comptabilité et de déclaration
de l’information financière, en ce compris les dispositifs de
contrôle opérationnel et financier. Il évalue le fonctionnement
du contrôle interne au moins une fois par an et s’assure que ce
contrôle procure un degré de certitude raisonnable quant à la
fiabilité du processus de reporting de l’information, de manière
à ce que, notamment, les comptes annuels et l’information
financière soient conformes à la réglementation en vigueur.
§ 2. L’organe légal d’administration supervise le processus
de publication et de communication requis par ou en vertu
de la présente loi et, le cas échéant, par la réglementation
européenne.
Art. 79
Le commissaire agréé fait rapport à l’organe légal d’admi-
nistration, le cas échéant, par l’intermédiaire du comité d’audit
sur les questions importantes apparues dans l’exercice de sa
mission de contrôle légal des comptes, et en particulier sur
les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du
processus de reporting de l’information financière.
Sous-section II
Mesures à prendre par le comité de direction
Art. 80
§ 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal
d’administration et sous sa surveillance, le comité de direction
prend les mesures nécessaires pour assurer le respect et la
mise en œuvre des dispositions de l’article 42.
§ 2. Le comité de direction fait rapport au moins une fois par
an à l’organe légal d’administration, au commissaire agréé et
à la Banque concernant l’évaluation de l’efficacité du système
de gouvernance visé à l’article 42 et les mesures prises le
cas échéant pour remédier aux déficiences qui auraient été
constatées. Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont
aux dispositions légales et réglementaires.
§ 3. Sans préjudice de ses autres tâches, il met en œuvre
la politique de rémunération adoptée par l’organe légal
d’administration.
§ 4. Le comité de direction met également en œuvre les
mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des risques
visés à la Section IV du présent Chapitre.
§ 5. Le comité de direction de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance déclare à la Banque que les informations qui
lui sont transmises conformément aux articles 312 à 316 sont
423
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
316 volledig is en de situatie van de onderneming correct
weergeeft, rekening houdend met haar risicoprofiel, en dat zij
is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens
deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Onderafdeling III
Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe
functies
Art. 81
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel
tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan
en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van
een directiecomité, van de personen belast met de effectieve
leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhan-
kelijke controlefuncties.
In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste ken-
nisgeving delen de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen aan de Bank alle documenten en informatie mee
die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de
benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 41 over
de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele
betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel
tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid
bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun
benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
§ 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde per-
sonen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd
aan de Bank.
Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die
voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf
1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepas-
sing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder
het toezicht staat van de Bank, raadpleegt de Bank eerst de
FSMA.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een
termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
§ 3. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
stellen de Bank in kennis van de eventuele taakverdeling
tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de
leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een direc-
tiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding.
Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld
in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de
paragrafen 1 en 2.
complètes et reflètent correctement la situation de l’entreprise
compte tenu de son profil de risque et qu’elles sont établies
conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu
de la présente loi, aux mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE et aux instructions de la Banque
Sous-section III
Nominations, démissions et exercice de fonctions
extérieures
Art. 81
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
informent préalablement la Banque de la proposition de
nomination des membres de l’organe légal d’administration
et des membres du comité de direction ou, en l’absence de
comité de direction, des personnes chargées de la direction
effective, ainsi que des personnes responsables des fonctions
de contrôle indépendantes.
Dans le cadre de l’information requise en vertu de l’alinéa
1er, les entreprises d’assurance ou de réassurance commu-
niquent à la Banque tous les documents et informations lui
permettant d’évaluer si les personnes dont la nomination est
proposée disposent de l’honorabilité professionnelle néces-
saire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction
conformément à l’article 41.
L’alinéa 1er est également applicable à la proposition de
renouvellement de la nomination des personnes qui y sont
visées ainsi qu’au non-renouvellement de leur nomination,
à leur révocation, à leur licenciement ou à leur démission.
§ 2. La nomination des personnes visées au paragraphe
1er est soumise à l’approbation préalable de la Banque.
Lorsqu’il s’agit de la nomination d’une personne qui
est proposée pour la première fois à une fonction visée au
paragraphe 1er dans une entreprise relevant du contrôle
de la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du
22 février 1998, la Banque consulte préalablement la FSMA.
La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai
d’une semaine à compter de la réception de la demande
d’avis.
§ 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance infor-
ment la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre
les membres de l’organe légal d’administration, entre les
membres du comité de direction ou, en l’absence de comité
de direction, entre les personnes chargées de la direction
effective.
Les modifications importantes intervenues dans la réparti-
tion des tâches visée à l’alinéa 1er, donnent lieu à l’application
des paragraphes 1er et 2.
424
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 82
De personen die verantwoordelijk zijn voor de in arti-
kel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet
zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuurs-
orgaan uit hun functie worden verwijderd.
Art. 83
§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, bij ont-
stentenis van een directiecomité, de personen belast met de
effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening
van hun functies in de onderneming.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 42 mogen de le-
den van de organen van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en alle personen die, onder welke benaming of
in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het
beleid van de onderneming, al dan niet ter vertegenwoordi-
ging van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
onder de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in
dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waar-
nemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid
van een handelsvennootschap of een vennootschap met
handelsvorm, een onderneming met een andere Belgische
of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse
openbare instelling die industriële, commerciële of financiële
activiteiten uitoefent.
§ 3. De externe functies als bedoeld in paragraaf 2 worden
beheerst door de interne regels die de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming invoert en doet naleven teneinde:
1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de ef-
fectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming, door de uitoefening van die functies niet langer
voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding
waar te nemen;
2° te voorkomen dat bij de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming belangenconflicten zouden optreden
alsook risico’s die gepaard gaan met de uitoefening van
die functies, onder andere op het vlak van transacties van
ingewijden;
3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die
functies.
De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, hoe die
verplichtingen ten uitvoer moeten worden gelegd.
§ 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden
benoemd op voordracht van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, moeten leden van het directiecomité van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn, dan
wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen.
§ 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen
lid zijn van het directiecomité van de verzekerings- of
Art. 82
Les personnes qui sont responsables des fonctions de
contrôle indépendantes visées à l’article 54 ne peuvent être
démises de leur fonction sans l’accord préalable de l’organe
légal d’administration.
Art. 83
§ 1er. Les membres de l’organe légal d’administration et,
en l’absence de comité de direction, les personnes en charge
de la direction effective consacrent le temps nécessaire à
l’exercice de leurs fonctions au sein de l’entreprise.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l’article 42,
les membres des organes de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance et toutes personnes qui, sous quelque dénomi-
nation et en quelque qualité que ce soit, prennent part à son
administration ou sa gestion peuvent, en représentation ou
non de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, exercer
des mandats d’administrateur ou de gérant ou prendre part
à l’administration ou à la gestion au sein d’une société com-
merciale ou à forme commerciale, d’une entreprise d’une
autre forme de droit belge ou étranger ou d’une institution
publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle,
commerciale ou financière, aux conditions et dans les limites
prévues au présent article.
§ 3. Les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont
régies par des règles internes que l’entreprise d’assurance ou
de réassurance adopte et fait respecter en vue de poursuivre
les objectifs suivants:
1° éviter que l’exercice de ces fonctions par des personnes
participant à la direction effective de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance ne porte atteinte à la disponibilité requise
pour l’exercice de la direction effective;
2° prévenir dans le chef de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance la survenance de conflits d’intérêts ainsi
que les risques qui s’attachent à l’exercice de ces fonctions,
notamment sur le plan des opérations d’initiés;
3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions.
La Banque fixe les modalités de ces obligations par voie
de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2, de
la loi du 22 février 1998.
§ 4. Les mandataires sociaux nommés sur présentation de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance doivent être des
membres du comité de direction de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance ou des personnes désignées par le comité
de direction.
§ 5. Les membres de l’organe légal d’administration qui
ne sont pas membres du comité de direction de l’entreprise
425
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat uitoe-
fenen in een vennootschap waarin de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming een deelneming bezit, tenzij zij niet
deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap.
§ 6. De leden van het directiecomité, of, bij ontstentenis
van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de
effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, mogen geen mandaat uitoefenen dat een
deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in:
1° een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1, van
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement
en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereis-
ten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, waarmee
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe
banden heeft;
2° een instelling voor belegging in schuldvorderin-
gen die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve
belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn
2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuld-
vorderingen of een instelling voor collectieve belegging die
geregeld is bij statuten in de zin van de voornoemde wet van
3 augustus 2012 of de wet van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun
beheerders;
3° een onderneming met een activiteit in het verlengde
van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf, zoals verze-
keringsbemiddeling of schaderegeling;
4° een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun familie,
in het kader van het normale beheer van hun vermogen, een
significant belang bezitten.
De personen die deelnemen aan de effectieve leiding
van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand,
mogen daarenboven deelnemen aan het dagelijks bestuur
van een ziekenfonds, van een landsbond van ziekenfondsen
of van een andere maatschappij van onderlinge bijstand als
bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 waarbij
de leden van deze verzekeringsmaatschappij van onderlinge
bijstand zich kunnen aansluiten.
§ 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
brengen de functies die buiten de verzekerings- of herverze-
keringsonderneming worden uitgeoefend door de in paragraaf
1 bedoelde personen, zonder uitstel ter kennis van de Bank,
ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalin-
gen van dit artikel.
De Bank bepaalt de modaliteiten van de in het eerste lid
bedoelde kennisgeving.
d’assurance ou de réassurance ne peuvent exercer un man-
dat dans une société dans laquelle l’entreprise d’assurance
ou de réassurance détient une participation que s’ils ne par-
ticipent pas à la gestion courante de cette société.
§ 6. Les membres du comité de direction ou, en l’absence
de comité de direction, les personnes qui participent à la direc-
tion effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
ne peuvent exercer un mandat comportant une participation
à la gestion courante que s’il s’agit:
1° d’une société visée à l’article 89, paragraphe 1er, du
règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et
du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences pru-
dentielles applicables aux établissements de crédit et aux
entreprises d’investissement et modifiant le règlement (UE)
n° 648/2012, avec laquelle l’entreprise d’assurance a des
liens étroits;
2° d’un organisme de placement en créance à forme statu-
taire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes
de placement collectif qui répondent aux conditions de la
directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en
créances ou d’un organisme de placement collectif à forme
statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 précitée ou de la
loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement
collectif alternatifs et à leurs gestionnaires;
3° d’une entreprise dont l’activité se situe dans le pro-
longement de l’activité d’assurance ou de réassurance,
telle l’intermédiation en assurances et en réassurance ou le
règlement de sinistres;
4° d’une société patrimoniale dans laquelle de telles per-
sonnes ou leur famille détiennent, dans le cadre de la gestion
normale de leur patrimoine, un intérêt significatif.
Les personnes qui participent à la direction effective d’une
société mutualiste d’assurance, peuvent en outre participer à
la gestion journalière d’une mutualité, d’une union nationale
de mutualités ou d’une autre société mutualiste visée par la
loi du 6 août 1990 précitée auprès de laquelle les membres
de cette société mutualiste d’assurance, peuvent s’affilier.
§ 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
notifient sans délai à la Banque les fonctions exercées en
dehors de l’entreprise d’assurance ou de réassurance par
les personnes visées au paragraphe 1er aux fins du contrôle
du respect des dispositions prévues au présent article.
La Banque précise les modalités de la communication
prévue à l’alinéa 1er.
426
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Risicobeheer
Art. 84
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zorgt
ervoor dat haar risico’s worden beheerst overeenkomstig de
bepalingen van deze Afdeling.
Art. 85
§ 1. Het risicobeheersysteem waarin artikel 56 voorziet,
bestrijkt de risico’s waarmee rekening moet worden gehou-
den bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste
overeenkomstig artikel 151, § 4, alsook de risico’s waarmee
bij die berekening niet of onvolledig rekening wordt gehouden.
§ 2. Bovendien bestrijkt het risicobeheersysteem minstens
de volgende gebieden:
1° onderschrijving en reservering;
2° beheer van activa/passiva (asset-liability management
– ALM);
3° beleggingen, in het bijzonder in afgeleide instrumenten
en vergelijkbare verbintenissen;
4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;
5° beheer van het operationeel risico;
6° herverzekering en andere risicomatigingstechnieken.
De in artikel 42, § 3 bedoelde schriftelijk vastgelegde
beleidslijnen voor het risicobeheer bestaan uit beleidslijnen
voor de in deze paragraaf opgesomde gebieden.
Art. 86
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen de in artikel 129 bedoelde matchingopslag of de in
artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing toepassen, stellen
zij een liquiditeitsplan op met een raming van de inkomende
en uitgaande kasstromen in verband met de activa en passiva
waarop die opslagen en aanpassingen worden toegepast.
Art. 87
Met betrekking tot het beheer van activa/passiva voeren
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een
regelmatige beoordeling uit van:
1° de gevoeligheid van hun technische voorzieningen
en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de
Section IV
Gestion des risques
Art. 84
Les entreprises d’assurance ou de réassurance assurent
la maîtrise de leurs risques conformément aux dispositions
de la présente Section.
Art. 85
§ 1er. Le système de gestion des risques prévu à l’article 56,
couvre les risques à prendre en considération dans le calcul
du capital de solvabilité requis conformément à l’article 151,
§ 4, ainsi que les risques n’entrant pas ou n’entrant pas plei-
nement dans ce calcul.
§ 2. En outre, le système de gestion des risques couvre
au moins les domaines suivants:
1° la souscription et le provisionnement;
2° la gestion actif-passif (asset-liability management
– ALM);
3° les investissements, en particulier dans les instruments
dérivés et engagements similaires;
4° la gestion du risque de liquidité et de concentration;
5° la gestion du risque opérationnel;
6° la réassurance et les autres techniques d’atténuation
du risque.
Les politiques écrites concernant la gestion des risques
visées à l’article 42, § 3, comprennent des politiques couvrant
les domaines énumérés au présent paragraphe.
Art. 86
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance
appliquent l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 ou la
correction pour volatilité visée à l’article 131, elles établissent
un plan de liquidité comportant une prévision des flux de
trésorerie entrants et sortants au regard des actifs et passifs
faisant l’objet de ces ajustements et corrections.
Art. 87
En ce qui concerne la gestion des actifs et des passifs,
les entreprises d’assurance ou de réassurance évaluent
régulièrement:
1° la sensibilité de leurs provisions techniques et de
leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-tendant
427
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hypothesen die ten grondslag liggen aan de extrapolatie van
de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in
artikel 126, § 2;
2° bij toepassing van de in artikel 129 bedoelde
matchingsopslag:
a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en
hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypo-
thesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de
matchingsopslag, met inbegrip van de berekening van de
fundamentele spread als bedoeld in artikel 130, § 1, 2°, en
het mogelijke effect van een gedwongen verkoop van activa
op hun in aanmerking komend eigen vermogen;
b) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en
hun in aanmerking komend eigen vermogen voor wijzigingen
in de samenstelling van de toegewezen activaportefeuille;
c) het effect dat een verlaging van de matchingopslag tot
nul zal teweegbrengen;
3° bij toepassing van de in artikel 131 genoemde
volatiliteitsaanpassing:
a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en
hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypo-
thesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de
volatiliteitsaanpassing, en het mogelijke effect van een ge-
dwongen verkoop van activa op hun in aanmerking komend
eigen vermogen;
b) het effect dat een verlaging van de volatiliteitsaanpassing
tot nul zal teweegbrengen.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leg-
gen de in het eerste lid bedoelde beoordelingen jaarlijks
voor aan de Bank in het kader van de informatieverstrekking
bedoeld in artikel 312. Indien de verlaging van de matching-
opslag of de volatiliteitsaanpassing tot nul, zou resulteren in
niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste, dient de
onderneming ook een analyse in van de maatregelen die
zij zou kunnen nemen om het niveau van het in aanmerking
komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste te herstellen of het risicoprofiel te verlagen
om te garanderen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt
nageleefd.
Wanneer de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpas-
sing wordt toegepast, omvat het schriftelijk vastgelegde
beleid inzake risicobeheer als bedoeld in artikel 42, § 3,
een beleid inzake de criteria voor de toepassing van de
volatiliteitsaanpassing.
Art. 88
Wat het beleggingsrisico betreft, tonen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen aan dat zij voldoen aan de
bepalingen van de artikelen 190 tot 198.
l’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans
risque visée à l’article 126, § 2;
2° en cas d’application de l’ajustement égalisateur visé
à l’article 129:
a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs
fonds propres éligibles aux hypothèses sous-tendant le
calcul de l’ajustement égalisateur, y compris le calcul de la
marge fondamentale visé à l’article 130, § 1er, 2°, et les effets
potentiels d’une vente forcée d’actifs sur leurs fonds propres
éligibles;
b) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs
fonds propres éligibles aux modifications de la composition
du portefeuille assigné d’actifs;
c) les conséquences d’une réduction de l’ajustement
égalisateur à zéro;
3° en cas d’application de la correction pour volatilité visée
à l’article 131:
a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs
fonds propres éligibles aux hypothèses sous-tendant le calcul
de la correction pour volatilité et les conséquences potentielles
d’une vente forcée d’actifs sur leurs fonds propres éligibles;
b) les conséquences d’une réduction de la correction pour
volatilité à zéro.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sou-
mettent chaque année les évaluations visées à l’alinéa 1er, à
la Banque dans le cadre de la communication d’informations
visée à l’article 312. Dans le cas où la réduction de l’ajus-
tement égalisateur ou de la correction pour volatilité à zéro
aurait pour effet le non-respect du capital de solvabilité requis,
l’entreprise soumet également une analyse des mesures
qu’elle pourrait prendre en vue de rétablir le niveau de fonds
propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis
ou de réduire le profil de risque afin de garantir la conformité
du capital de solvabilité requis.
Lorsque la correction pour volatilité visée à l’article 131 est
appliquée, la politique écrite en matière de gestion du risque
visée à l’article 42, § 3, comprend une politique sur les critères
d’application de la correction pour volatilité.
Art. 88
En ce qui concerne le risque d’investissement, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance démontrent qu’elles
satisfont aux dispositions des articles 190 à 198.
428
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 89
Om overmatig vertrouwen in externe kredietbeoordelings-
instellingen te vermijden, beoordelen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen bij het gebruik van externe
kredietbeoordelingen bij de berekening van de technische
voorzieningen en het solvabiliteitskapitaalvereiste de ge-
schiktheid van deze externe kredietbeoordelingen, in het
kader van hun risicobeheer, door in voorkomend geval ge-
bruik te maken van aanvullende beoordelingen teneinde te
voorkomen dat zij zich automatisch laten leiden door deze
externe beoordelingen.
Art. 90
Bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk intern model
dat goedgekeurd is overeenkomstig de artikelen 167 en 168,
vervult de risicobeheerfunctie de volgende extra taken:
1° ontwerpen en toepassen van het interne model;
2° toetsen en valideren van het interne model;
3° bijhouden van informatie over het interne model en over
de daarin aangebrachte wijzigingen;
4° analyseren van de werking van het interne model en
opstellen van samenvattende verslagen daarover.
5° verstrekken van informatie aan het wettelijk bestuurs-
orgaan en het directiecomité over de werking van het interne
model en daarbij aangeven waar verbeteringen noodzakelijk
zijn, en op de hoogte houden van deze organen van de
vorderingen die gemaakt zijn bij het verhelpen van eerder
geconstateerde zwakke punten.
Afdeling V
Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own
Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
§ 1. In het kader van haar risicobeheersysteem beoordeelt
elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar eigen
risico en solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment
of “ORSA”).
Deze beoordeling heeft minstens betrekking op:
1° de algehele solvabiliteitsbehoeften, waarbij rekening
wordt gehouden met het specifieke risicoprofiel evenals met
de algemene risicotolerantielimieten en de strategie van
de onderneming, die goedgekeurd zijn door het wettelijk
bestuursorgaan;
2° of de in Afdeling II van Hoofdstuk VI vastgelegde
kapitaalvereisten en de in Afdeling I, Onderafdeling II van
Art. 89
Afin de se prémunir d’un excès de confiance dans les
établissements externes d’évaluation du crédit lorsqu’elles
utilisent les évaluations externes du crédit pour le calcul des
provisions techniques et du capital de solvabilité requis, les
entreprises d’assurance ou de réassurance vérifient, dans le
cadre de leur gestion des risques, le bien-fondé des évalua-
tions externes de crédit en usant, le cas échéant, d’évalua-
tions supplémentaires afin de se préserver d’une dépendance
automatique à l’égard de ces évaluations externes.
Art. 90
Pour les entreprises d’assurance ou de réassurance utili-
sant un modèle interne partiel ou intégral qui a été approuvé
conformément aux articles 167 et 168, la fonction de gestion
des risques recouvre les tâches supplémentaires suivantes:
1° la conception et la mise en œuvre du modèle interne;
2° le test et la validation du modèle interne;
3° le suivi documentaire du modèle interne et de toute
modification qui lui est apportée;
4° l’analyse de la performance du modèle interne et la
production de rapports de synthèse concernant cette analyse;
5° l’information de l’organe légal d’administration et du
comité de direction sur la performance du modèle interne
en suggérant les éléments à améliorer, et la communication
à ces organes de l’état d’avancement des efforts déployés
pour remédier aux faiblesses détectées.
Section V
Évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own
Risk and Solvency Assessment)
Art. 91
§ 1er. Dans le cadre de son système de gestion des risques,
l’entreprise d’assurance ou de réassurance procède à une
évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own Risk
and Solvency Assessment ou “ORSA”).
Cette évaluation porte au moins sur les éléments suivants:
1° le besoin global de solvabilité, compte tenu du profil de
risque spécifique ainsi que des limites générales de la tolé-
rance au risque et de la stratégie de l’entreprise, approuvées
par l’organe légal d’administration;
2° le respect permanent des exigences de capital prévues
à la Section II du Chapitre VI et des exigences concernant les
429
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Hoofdstuk VI vastgelegde vereisten inzake technische voor-
zieningen permanent worden nageleefd;
3° de mate waarin het risicoprofiel van de onderneming
afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 151 en
berekend met de standaardformule overeenkomstig de artike-
len 153 tot 166, of met een geheel of gedeeltelijk intern model
overeenkomstig de artikelen 167 tot 188.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°,
beschikt de onderneming over procedures die in verhouding
staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s
die aan haar activiteiten verbonden zijn en waarmee zij de
korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij blootstaat of zou
kunnen blootstaan, op adequate wijze kan identificeren en
beoordelen. De onderneming toont de relevantie aan van de
methodes die zij gebruikt voor deze beoordeling.
§ 3. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de
in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de
artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toe-
past, beoordeelt zij de naleving van de kapitaalvereisten, als
bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, waarbij deze opslagen,
aanpassingen en overgangsmaatregelen zowel wel als niet
in aanmerking worden genomen.
§ 4. Bij gebruikmaking van een intern model wordt de be-
oordeling in het in paragraaf 1, tweede lid, 3° bedoelde geval
samen met de herkalibratie verricht waarbij de resultaten van
het interne model worden afgestemd op de risicomaatstaf en
de kalibratie van het solvabiliteitskapitaalvereiste.
§ 5. De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit
maakt integraal deel uit van de strategie van de onderneming
en wordt systematisch in aanmerking genomen bij de strate-
gische beslissingen van de onderneming.
§ 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
verrichten de in paragraaf 1 bedoelde beoordeling minstens
eenmaal per jaar en verrichten deze onverwijld na een signi-
ficante wijziging in hun risicoprofiel.
§ 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
stellen de Bank in het kader van de informatieverstrekking
met toepassing van artikel 312 in kennis van de conclusies
van elke beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit.
§ 8. De beoordeling van het eigen risico en de solvabi-
liteit dient niet om een kapitaalvereiste te berekenen. Het
solvabiliteitskapitaalvereiste mag alleen worden aangepast
overeenkomstig de artikelen 323, 373 tot 379 en 383.
provisions techniques prévues à la Section Ire, Sous-section II
du Chapitre VI;
3° la mesure dans laquelle le profil de risque de l’entre-
prise s’écarte des hypothèses qui sous-tendent le capital
de solvabilité requis prévu à l’article 151, qu’il soit calculé à
l’aide de la formule standard conformément aux articles 153 à
166 ou en recourant à un modèle interne, partiel ou intégral,
conformément aux articles 167 à 188.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l’entreprise
concernée met en place des procédures proportionnées à la
nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents
à son activité et qui lui permettent d’identifier et d’évaluer de
manière adéquate les risques auxquels elle est ou pourrait
être exposée à court et long termes. L’entreprise démontre la
pertinence des méthodes qu’elle utilise pour cette évaluation.
§ 3. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
applique l’ajustement égalisateur visé à l’article 129, la cor-
rection pour volatilité visée à l’article 131 ou les mesures tran-
sitoires visées aux articles 668 et 669, elle évalue la confor-
mité avec les exigences de capital visées au paragraphe 1er,
alinéa 2, 2°, à la fois en tenant compte et sans tenir compte
de ces ajustements et corrections et mesures transitoires.
§ 4. Dans le cas visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°,
lorsqu’un modèle interne est utilisé, l’évaluation est effectuée
parallèlement au recalibrage qui aligne les résultats du modèle
interne sur la mesure de risque et le calibrage qui sous-tendent
le capital de solvabilité requis.
§ 5. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité fait
partie intégrante de la stratégie d’entreprise et il en est tenu
systématiquement compte dans les décisions stratégiques
de l’entreprise.
§ 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
procèdent à l’évaluation visée au paragraphe 1er au moins
une fois par an, ainsi qu’immédiatement à la suite de toute
évolution notable de leur profil de risque.
§ 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance infor-
ment la Banque des conclusions de chaque évaluation interne
des risques et de la solvabilité, dans le cadre des informations
à fournir en application de l’article 312.
§ 8. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité ne
sert pas à calculer un montant de capital requis. Le capital
de solvabilité requis n’est ajusté que conformément aux
articles 323, 373 à 379 et 383.
430
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling VI
Uitbesteding
Art. 92
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die functies, activiteiten of operationele taken uitbesteedt,
blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming van al haar
verplichtingen uit hoofde van deze wet of de maatregelen tot
uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
De uitbesteding van operationele taken mag niet tot het
volgende leiden:
1° er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de kwali-
teit van het governancesysteem van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° het operationele risico neemt onnodig toe;
3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de
Bank om na te gaan of de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming de verplichtingen nakomt die door of krachtens
deze wet of door de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn
2009/138/EG zijn opgelegd;
4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienstver-
lening aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de be-
gunstigden van verzekeringsovereenkomsten of de personen
die bij de uitvoering van de herverzekeringsovereenkomsten
zijn betrokken, wordt ondermijnd.
Vóór de uitbesteding van functies, activiteiten of operati-
onele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen de Bank tijdig in
kennis daarvan en van latere belangrijke ontwikkelingen met
betrekking tot deze taken.
Afdeling VII
Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen
die nietig kunnen worden verklaard
Art. 93
§ 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen rechtstreeks of onrechtstreeks leningen, kredieten of
borgstellingen verlenen aan en verzekeringsovereenkomsten
sluiten voor
1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of aan alle
personen die deelnemen aan hun effectieve leiding en aan
de algemene lasthebbers;
2° de in artikel 23, eerste lid bedoelde personen en aan
de leden van hun verschillende organen en aan de personen
die deelnemen aan hun effectieve leiding;
Section VI
Recours à la sous-traitance
Art. 92
L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui sous-traite
des fonctions, activités ou tâches opérationnelles conserve
l’entière responsabilité du respect de l’ensemble des obli-
gations qui lui incombe en vertu de la présente loi ou des
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
La sous-traitance de tâches opérationnelles ne peut pas
entraîner l’une des conséquences suivantes:
1° compromettre gravement la qualité du système de
gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance;
2° accroître indûment le risque opérationnel;
3° compromettre la capacité de la Banque de vérifier que
l’entreprise d’assurance ou de réassurance respecte ses
obligations prévues par ou en vertu de la présente loi ou par
les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE;
4° nuire à la prestation continue d’un niveau de service sa-
tisfaisant à l’égard des preneurs d’assurance, des assurés et
des bénéficiaires de contrats d’assurance ou des personnes
concernées par l’exécution des contrats de réassurance.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent
préalablement et en temps utile la Banque de leur intention de
sous-traiter des fonctions, activités ou tâches opérationnelles,
qui sont importantes ou critiques, ainsi que de toute évolution
ultérieure importante concernant ces tâches.
Section VII
Opérations sujettes à limitations ou à interdiction et
paiements sujets à nullité
Art. 93
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne
peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts,
des crédits ou des garanties et des contrats d’assurance
1° aux membres de leur organe légal d’administration ou
à toutes personnes participant à leur direction effective ainsi
qu’aux mandataires généraux;
2° aux personnes visées à l’article 23, alinéa 1er ainsi
qu’aux membres de leurs différents organes et aux personnes
participant à leur direction effective;
431
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° be-
doelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of
een functie uitoefenen als bedoeld in 1°;
4° personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde
personen. Worden in dit verband als “verbonden personen”
beschouwd: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal
recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote
worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad,
onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en
met de normale marktwaarborgen.
Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten en
borgstellingen moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven
binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat
stelt zich ertegen te verzetten, wanneer zij op cumulatieve
basis voor een bepaalde persoon, onderneming of instelling
meer bedragen dan 100 000 euro. Ongeacht het orgaan
dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks
of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben,
geen zitting hebben.
De in het tweede lid bedoelde leningen, kredieten en borg-
stellingen worden ter kennis gebracht van de Bank volgens
de frequentie en de regels die zij bepaalt.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde verrichtingen niet
tegen de normale marktvoorwaarden worden gesloten, kan
de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden
aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking
hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan
die de beslissing hebben genomen, tegenover de onderne-
ming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van
Vennootschappen en niettegenstaande paragraaf 1, mogen
rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of
borgstellingen worden verleend, ook niet via een krediet- of
een borgtochtverzekeringsovereenkomst, aan personen om
hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te
schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op
dividenden van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming of van een vennootschap waarmee er een nauwe
band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten
te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten
te verwerven.
Art. 94
In geval van faillissement van een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming zijn, met betrekking tot de boedel, alle
betalingen nietig en zonder gevolg die deze onderneming,
hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de
leden van haar wettelijk bestuursorgaan in de vorm van tan-
tièmes of andere winstdeelnemingen, in de loop van de twee
jaren die voorafgaan aan het tijdstip dat door de rechtbank
is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen
heeft gestaakt.
3° aux entreprises ou institutions dans lesquelles les per-
sonnes visées au 1° détiennent une participation qualifiée ou
exercent une fonction visée au 1°;
4° aux personnes apparentées aux personnes visées au
1°. Sont considérées, à cette fin, comme “personnes appa-
rentées”, les conjoints, les partenaires considérés selon leur
droit national comme l’équivalent d’un conjoint et les parents
au premier degré,
qu’aux conditions, à concurrence des montants et moyen-
nant les garanties normales du marché.
Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 1er doivent
faire l’objet d’une information expresse, dans un délai per-
mettant à l’organe légal d’administration de s’y opposer,
lorsqu’ils excèdent, sur base cumulée pour une personne,
une entreprise ou une institution donnée, le montant de
100 000 euros. Quel que soit l’organe appelé à statuer, les
membres ayant un intérêt personnel ou fonctionnel direct ou
indirect ne peuvent siéger.
Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 2 sont notifiés
à la Banque selon la périodicité et les modalités que celle-ci
détermine.
La Banque peut, si les opérations visées à l’alinéa 1er,
n’ont pas été conclues aux conditions normales du marché,
exiger l’adaptation des conditions convenues à la date où
ces opérations ont sorti leurs effets. À défaut, les membres
de l’organe légal d’administration qui ont pris la décision
sont solidairement responsables de la différence envers
l’entreprise.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du Code des sociétés
et nonobstant le paragraphe 1er, aucun prêt, crédit ou garantie,
en ce compris par la voie d’un contrat d’assurance-crédit
ou d’assurance-caution, ne peut être consenti, directement
ou indirectement, à une personne en vue de lui permettre,
directement ou indirectement, d’acquérir ou de souscrire des
actions ou parts ou tous autres titres conférant un droit aux
dividendes, de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou
d’une société avec laquelle il existe un lien étroit, ou conférant
le droit d’acquérir de tels titres.
Art. 94
En cas de faillite d’une entreprise d’assurance ou de réas-
surance, sont nuls et sans effet relativement à la masse, les
paiements effectués par cette entreprise, soit en espèces,
soit autrement, à ses membres de l’organe légal d’admi-
nistration, à titre de tantièmes ou autres participations aux
bénéfices, au cours des deux années qui précèdent l’époque
déterminée par le tribunal comme étant celle de la cessation
de ses paiements.
432
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de rechtbank
erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk
grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.
Afdeling VII
Mededeling van informatie over de situatie van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming
Art. 95
Rekening houdend met de informatie vereist in artikel 312,
§ 3 en de beginselen van artikel 312, § 4, publiceren de ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen jaarlijks een
verslag over hun solvabiliteit en financiële positie (Solvency
and Financial condition Report of “SFCR” ).
Art. 96
§ 1. Het in artikel 95 bedoelde verslag over de solvabiliteit
en de financiële positie bevat de volgende informatie:
1° een beschrijving van de activiteiten en de resultaten
van de onderneming;
2° een beschrijving van het governancesysteem en een
beoordeling van de mate waarin het is afgestemd op het
risicoprofiel van de onderneming;
3° een beschrijving, voor elke risicocategorie afzonderlijk,
van de risicopositie, -concentratie, -matiging en -gevoeligheid;
4° een beschrijving, voor de activa, technische voorzienin-
gen en andere passiva afzonderlijk, van de voor de waardering
ervan gehanteerde grondslagen en methodes, met een uitleg
over de belangrijkste verschillen met de grondslagen en me-
thodes die voor de waardering ervan worden gehanteerd in
de financiële staten;
5° een beschrijving van de wijze waarop het reglementair
kapitaal wordt beheerd, waaronder minstens de volgende
elementen:
a) de structuur en het bedrag van het kapitaal, alsook de
kwaliteit ervan;
b) het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van
het minimumkapitaalvereiste;
c) de in artikel 162 bedoelde optie voor de berekening van
het solvabiliteitskapitaalvereiste;
d) informatie die inzicht verschaft in de belangrijkste ver-
schillen tussen de hypothesen die ten grondslag liggen aan
respectievelijk de standaardformule en enig door de onder-
neming gehanteerd intern model voor de berekening van haar
solvabiliteitskapitaalvereiste;
L’alinéa 1er ne s’applique pas si le tribunal reconnaît
qu’aucune faute grave et caractérisée de ces personnes n’a
contribué à la faillite.
Section VII
Communication d’informations sur la situation de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance
Art. 95
Les entreprises d’assurance ou de réassurance publient
annuellement, en tenant compte des informations requises
à l’article 312, § 3, et des principes énoncés à l’article 312,
§ 4, un rapport sur leur solvabilité et leur situation financière
(Solvency and Financial Condition Report ou “SFCR” ).
Art. 96
§ 1er. Le rapport sur la solvabilité et la situation financière
visé à l’article 95 contient les informations suivantes:
1° une description de l’activité et des résultats de
l’entreprise;
2° une description du système de gouvernance et une
appréciation de son adéquation au profil de risque de
l’entreprise;
3° une description, effectuée séparément pour chaque
catégorie de risque, de l’exposition au risque, des concentra-
tions de risque, de l’atténuation du risque et de la sensibilité
au risque;
4° une description, effectuée séparément pour les actifs,
les provisions techniques et les autres passifs, des bases
et méthodes utilisées aux fins de leur évaluation, assortie
d’une explication de toute différence majeure existant dans
les bases et méthodes utilisées aux fins de leur évaluation
dans les états financiers;
5° une description de la façon dont le capital réglementaire
est géré, comprenant au moins les éléments suivants:
a) la structure et le montant du capital, ainsi que sa qualité;
b) les montants du capital de solvabilité requis et du mini-
mum de capital requis;
c) l’option visée à l’article 162 qui est utilisée pour le calcul
du capital de solvabilité requis;
d) des informations permettant de bien comprendre les
principales différences existant entre les hypothèses sous-
jacentes de la formule standard et celles de tout modèle
interne utilisé par l’entreprise pour calculer son capital de
solvabilité requis;
433
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
e) wanneer tijdens de rapporteringsperiode niet wordt
voldaan aan het minimumkapitaalvereiste of duidelijk niet
is voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, en zelfs als
de problemen inmiddels zijn opgelost: het bedrag van het
tekort, met een uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan,
waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen
zijn getroffen.
§ 2. Wanneer de matchingopslag als bedoeld in arti-
kel 129 wordt toegepast, bevat de in paragraaf 1, 4° bedoelde
beschrijving ook een beschrijving van de matchingopslag en
van de portefeuille van verplichtingen en toegewezen activa
waarop de matchingopslag wordt toegepast, alsook een kwan-
tificering van het effect van een wijziging van de matching-
opslag tot nul op de financiële positie van de onderneming.
De in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving bevat ook een
verklaring waarin wordt aangegeven of de in artikel 131 be-
doelde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast door de on-
derneming, evenals een kwantificering van het effect van een
wijziging van de volatiliteitsaanpassing tot nul op de financiële
positie van de onderneming.
§ 3. De in paragraaf 1, 5°, a) bedoelde beschrijving bevat
een analyse van alle belangrijke veranderingen ten opzichte
van de vorige rapporteringsperiode en een uitleg over alle be-
langrijke verschillen in de waarde van de betrokken elementen
in de financiële staten, evenals een korte beschrijving van de
overdraagbaarheid van het kapitaal.
§ 4. In de in paragraaf 1, 5°, b) bedoelde informatie over
het solvabiliteitskapitaalvereiste worden het bedrag dat over-
eenkomstig de bepalingen van Afdeling II van Hoofdstuk VI
is berekend, en het bedrag van de eventuele kapitaalop-
slagfactor die overeenkomstig artikel 323 is opgelegd, of het
effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming krachtens artikel 166 dient
te hanteren, afzonderlijk vermeld. Daarbij wordt beknopte
informatie gevoegd over de reden waarom de Bank die kapi-
taalopslagfactor heeft opgelegd.
In de informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt
in voorkomend geval vermeld dat het definitieve bedrag ervan
beoordeeld moet worden in het kader van het toezicht dat
door de Bank wordt uitgeoefend.
§ 5. De krachtens dit artikel vereiste informatie wordt inte-
graal gepubliceerd of, mits de Bank dit toestaat, onder verwij-
zing naar informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig
is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire
bepalingen gepubliceerd is.
Art. 97
§ 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed
zijn op de relevantie van de informatie die krachtens de arti-
kelen 95 en 96 wordt meegedeeld, maken de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen passende informatie bekend
over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkeling.
e) en cas de manquement à l’exigence de minimum de
capital requis ou de manquement significatif à l’exigence
de capital de solvabilité requis, survenu durant la période
examinée et nonobstant le fait que le problème aurait été
résolu par la suite, le montant de l’écart constaté assorti d’une
explication relative à son origine et à ses conséquences, ainsi
qu’à toute mesure corrective qui aurait été prise.
§ 2. Dans le cas où l’ajustement égalisateur visé à l’ar-
ticle 129 est appliqué, la description visée au paragraphe 1er,
4° inclut une description de l’ajustement égalisateur et du
portefeuille d’obligations ainsi que des actifs du portefeuille
assigné auxquels s’applique l’ajustement égalisateur, ainsi
qu’une quantification des effets d’une annulation de l’ajus-
tement égalisateur sur la situation financière de l’entreprise.
La description visée au paragraphe 1er, 4° comprend éga-
lement une déclaration indiquant si la correction pour volatilité
visée à l’article 131 est utilisée par l’entreprise concernée ainsi
qu’une quantification des effets d’une annulation de la correc-
tion pour volatilité sur la situation financière de l’entreprise.
§ 3. La description visée au paragraphe 1er, 5°, a), com-
prend une analyse de tout changement important survenu par
rapport à la précédente période examinée et une explication
de toute différence importante observée, dans les états finan-
ciers, dans la valeur des éléments considérés, ainsi qu’une
brève description de la transférabilité du capital.
§ 4. La publication du capital de solvabilité requis visée
au paragraphe 1er, 5°, b), indique séparément le montant
calculé conformément aux dispositions de la Section II du
Chapitre VI, et le montant de toute exigence de capital sup-
plémentaire imposée conformément à l’article 323, ou l’effet
des paramètres spécifiques que l’entreprise d’assurance ou
de réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166.
Cette publication est assortie d’une information concise quant
à la raison pour laquelle la Banque a imposé cette exigence
de capital supplémentaire.
La publication du capital de solvabilité requis est assortie,
le cas échéant, d’une indication selon laquelle son montant
définitif reste subordonné à une évaluation dans le cadre du
contrôle exercé par la Banque.
§ 5. Les informations exigées en vertu du présent article
sont publiées in extenso ou, moyennant l’autorisation de la
Banque, par référence à des informations équivalentes, dans
leur nature et dans leur portée, publiées en vertu d’autres
dispositions légales ou réglementaires.
Art. 97
§ 1er. En cas d’événement majeur affectant significati-
vement la pertinence des informations communiquées en
vertu des articles 95 et 96, les entreprises d’assurance ou
de réassurance publient des informations appropriées sur la
nature et les effets dudit événement majeur.
434
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval
als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt:
1° de vaststelling dat het minimumkapitaalvereiste niet
wordt nageleefd en het feit dat de Bank de onderneming niet
in staat acht om haar een realistisch plan inzake financiering
op korte termijn voor te leggen of dat zij dit plan niet ontvangt
binnen een maand na de datum waarop de niet-naleving werd
vastgesteld;
2° de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
duidelijk niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank geen
realistisch saneringsplan ontvangt binnen twee maanden na
de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld,.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, maakt de onder-
neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en
geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan,
waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen
zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie
realistisch geacht plan inzake financiering op korte termijn,
de niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste drie maan-
den na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt
het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode
bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oor-
zaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke
corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere
corrigerende maatregelen zijn gepland.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de onder-
neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en
geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan,
waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen
zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realis-
tisch geacht saneringsplan de duidelijke niet-naleving van het
solvabiliteitskapitaalvereiste zes maanden na de vaststelling
ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende be-
drag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt
daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan,
waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen
zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen
zijn gepland.
Art. 98
Naast de al krachtens de artikelen 95 tot 97 verplicht
bekend te maken informatie of uitleg over hun solvabiliteit
en hun financiële positie mogen verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen uit eigen beweging ook alle andere
informatie en uitleg hierover bekendmaken.
Art. 99
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be-
schikken over passende structuren en systemen om aan de
vereisten van de artikelen 95 tot 97 te voldoen, en over een
schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeen-
komstig de artikelen 95 tot 97 bekendgemaakte informatie
altijd adequaat is.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins considérées
comme un événement majeur les circonstances suivantes:
1° l’observation d’un écart par rapport au minimum de capi-
tal requis et le fait que la Banque considère que l’entreprise
ne sera pas en mesure de lui soumettre un plan réaliste de
financement à court terme ou qu’elle n’obtient pas ce plan
dans un délai d’un mois à compter de la date où l’écart a
été observé;
2° l’observation d’un écart important par rapport au capital
de solvabilité requis et le fait que la Banque n’obtient pas de
programme réaliste de rétablissement dans un délai de deux
mois à compter de la date où l’écart a été observé.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, l’entreprise publie
immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une
explication quant à son origine et ses conséquences et quant
à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un
plan de financement à court terme initialement considéré
comme réaliste, un écart par rapport au minimum de capital
requis n’a pas été corrigé trois mois après qu’il a été constaté,
le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai,
avec une explication quant à son origine et ses conséquences
y compris quant aux mesures correctives prises et à toute
nouvelle mesure corrective prévue.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 2°, l’entreprise publie
immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une
explication quant à son origine et ses conséquences et quant
à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit
d’un programme de rétablissement initialement considéré
comme réaliste, un écart important par rapport au capital de
solvabilité requis n’a pas été corrigé six mois après qu’il a
été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration
de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses
conséquences, y compris quant aux mesures correctives
prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue.
Art. 98
Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
publier à leur initiative toute information ou explication relative
à leur solvabilité et à leur situation financière dont la publi-
cation n’est pas déjà exigée en vertu des articles 95 à 97.
Art. 99
Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent
en place des structures et des systèmes appropriés pour
satisfaire aux exigences énoncées aux articles 95 à 97 ,
ainsi qu’une politique écrite visant à garantir l’adéquation
permanente de toute information publiée conformément aux
articles 95 à 97.
435
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 100
De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming informatie als bedoeld in artikel 96, § 1,
1° tot 4°, en § 2, niet bekendmaakt indien:
1° door de bekendmaking van die informatie de concur-
renten van de onderneming duidelijk onterecht worden
bevoordeeld;
2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de
verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een
geheimhoudingsplicht heeft.
Wanneer de Bank heeft toegestaan dat bepaalde infor-
matie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de betrokken
onderneming dit in haar verslag over haar solvabiliteit en
haar financiële positie, met opgave van de redenen hiervoor.
In het geval van een verzekeringsonderneming kan de
in dit artikel bedoelde toestemming maar worden verleend
of geweigerd nadat de Bank het advies van de FSMA heeft
gevraagd. Deze laatste verleent haar advies binnen vijftien
dagen na de ontvangst van het verzoek. Afwezigheid van
advies binnen deze termijn geldt als een gunstig advies.
Art. 101
De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de
in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement
vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998.
HOOFDSTUK IV
Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere
verrichtingen
Art. 102
De voorafgaande toestemming van de Bank is vereist voor:
1° de strategische beslissingen van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming is betrokken, evenals splitsingen van verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen;
3° de overdracht van alle of een deel van de activiteiten,
met inbegrip van de volledige of de gedeeltelijke overdracht
van een portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen
die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten worden overgedragen.
De Bank beslist binnen drie maanden na ontvangst van
een volledig dossier van het project. Zij mag haar toestem-
ming enkel weigeren om redenen die verband houden met
het vermogen van de onderneming om te voldoen aan de
bepalingen die door of krachtens deze wet of de maatregelen
Art. 100
La Banque peut autoriser une entreprise d’assurance
ou de réassurance à ne pas publier une information visée à
l’article 96, § 1er, 1° à 4°, et § 2, dans les cas où:
1° la publication de cette information conférerait aux
concurrents de l’entreprise concernée un avantage indu
important;
2° l’entreprise est tenue à une obligation de confidentialité
en raison d’obligations à l’égard des preneurs d’assurance
ou de relations avec d’autres contreparties.
Lorsque la non-publication d’une information est auto-
risée par la Banque, l’entreprise concernée l’indique dans
son rapport sur sa solvabilité et sa situation financière et en
explique les raisons.
Dans le cas d’une entreprise d’assurance, l’autorisation
visée au présent article n’est accordée ou refusée qu’après
que la Banque ait sollicité l’avis de la FSMA. Cette dernière
rend son avis dans les quinze jours de la réception de la
demande. L’absence d’avis endéans ce délai équivaut à un
avis favorable.
Art. 101
La Banque peut préciser le contenu et les modalités de
présentation des informations prévues à la présente Section,
par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998.
CHAPITRE IV
Transfert de portefeuille et autres opérations
particulières
Art. 102
Sont soumises à l’autorisation préalable de la Banque:
1° les décisions stratégiques d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance;
2° les fusions impliquant une entreprise d’assurance ou de
réassurance ainsi que les scissions d’entreprises d’assurance
ou de réassurance;
3° la cession de tout ou partie des activités, en ce com-
pris tout ou partie d’un portefeuille impliquant la cession des
droits et obligations découlant des contrats d’assurance ou
de réassurance.
La Banque se prononce dans les trois mois de la réception
d’un dossier complet du projet. Elle ne peut refuser son autori-
sation que pour des motifs tenant à la capacité de l’entreprise
à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la pré-
sente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
436
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd of die
verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van
de onderneming of indien de beslissing de stabiliteit van het
financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet bin-
nen de voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming
geacht te zijn verkregen, onverminderd artikel 104, § 1, 2°.
Wanneer ze betrekking hebben op verzekeringsovereen-
komsten ter dekking van in België gelegen risico’s of verbin-
tenissen, zijn de in het eerste lid, 3° bedoelde overdrachten
ten gunste van een verzekeringsonderneming van een derde
land slechts toegestaan indien het Belgische bijkantoor van
die verzekeringsonderneming als overnemer optreedt en
daardoor gehouden is tot naleving van de wettelijke en regle-
mentaire beperkingen die inherent zijn aan de overgedragen
risico’s en verbintenissen.
Art. 103
De Bank bepaalt per geval, naargelang van de specifieke
kenmerken van de verrichting en van de betrokken onderne-
ming of de betrokken ondernemingen, de inhoud van het dos-
sier over de in artikel 102 bedoelde verrichtingen. Het dossier
over de in artikel 102, eerste lid, 3° bedoelde verrichtingen
bevat ten minste:
1° de identificatie van de tegenpartij bij de overeenkomst
tot overdracht;
2° een beschrijving van de over te dragen overeenkomsten;
3° de over te dragen actief- en passiefbestanddelen;
4° de vermelding van de lidstaten en de derde landen waar
de over te dragen risico’s en verbintenissen gelegen zijn;
5° de vermelding van de lidstaten waar de overdragende
onderneming een bijkantoor heeft dat bij de overdracht be-
trokken is;
6° alle andere informatie die door de Bank wordt opge-
vraagd in het kader van de goedkeuring van de overdracht.
Art. 104
§ 1. Behoudens de in artikel 102, tweede lid bedoelde
voorwaarden kan de toestemming van de Bank maar worden
verleend voor verrichtingen als bedoeld in artikel 102, eerste
1, 3°, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° indien de overnemende onderneming onder een andere
lidstaat ressorteert, dienen de toezichthouders van die lidstaat
te hebben verklaard dat deze onderneming, mede gelet op
de voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking
komend eigen vermogen bezit ter dekking van het solvabili-
teitskapitaalvereiste als bedoeld in de wetgeving die op deze
onderneming van toepassing is;
2° wanneer de toestemming wordt gevraagd door een
verzekeringsonderneming, in haar hoedanigheid van
CE ou tenant à la gestion saine et prudente de l’entreprise ou
si la décision est susceptible d’affecter de façon significative la
stabilité du système financier. Sans préjudice de l’article 104,
§ 1er, 2°, si elle n’intervient pas dans le délai fixé ci-dessus,
l’autorisation est réputée acquise.
En outre, lorsqu’elles portent sur des contrats d’assurance
relatifs à des risques ou des engagements situés en Belgique,
les cessions visées à l’alinéa 1er, 3° au bénéfice d’une entre-
prise d’assurance d’un pays tiers ne sont autorisées que si la
succursale belge de cette entreprise d’assurance intervient
en qualité de cessionnaire impliquant le respect dans son
chef des contraintes légales et réglementaires inhérentes
aux risques et engagements cédés.
Art. 103
La Banque détermine, au cas par cas, en fonction des par-
ticularités de l’opération et de l’entreprise concernée ou des
entreprises concernées, le contenu du dossier relatif aux opé-
rations visées à l’article 102. À tout le moins, le dossier relatif
aux opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3° contient:
1° l’identification de la contrepartie à la convention de
cession;
2° une description des contrats à transférer;
3° les éléments d’actif et de passif à transférer;
4° l’indication des États membres et des pays tiers où les
risques et les engagements à transférer sont situés;
5° l’indication des États membres dans lesquels l’entre-
prise cédante possède une succursale concernée par le
transfert;
6° toute autre information demandée par la Banque en vue
de l’autorisation de la cession.
Art. 104
§ 1er. Outre les conditions visées à l’article 102, alinéa 2,
l’accord de la Banque ne peut être donné concernant des
opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3°, que s’il est
satisfait aux conditions suivantes:
1° si l’entreprise cessionnaire relève du droit d’un autre
État membre, les autorités de contrôle de cet État ont attesté
que cette entreprise possède, compte tenu de la cession envi-
sagée, les fonds propres éligibles nécessaires pour couvrir
le capital de solvabilité requis en vertu de la législation dont
cette entreprise relève;
2° lorsque l’autorisation est demandée par une entreprise
d’assurance, en qualité d’entreprise cédante, la cession
437
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
overdragende onderneming, is voor de gehele of de gedeel-
telijke overdracht van een portefeuille van verzekeringsover-
eenkomsten die afgesloten zijn via een in een andere lidstaat
gevestigd bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van
diensten, bovendien de voorafgaande instemming vereist van
de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst.
Hiertoe deelt de Bank onverwijld het voorstel van overdracht
mee aan de toezichthouders van de betrokken lidstaten.
Indien die toezichthouders niet gereageerd hebben binnen
een termijn van drie maanden na hun raadpleging, worden
zij geacht te hebben ingestemd.
§ 2. Wanneer de Bank geraadpleegd wordt door de toe-
zichthouders van een lidstaat over een verrichting als bedoeld
in artikel 102, eerste lid, 3° waarbij een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming naar Belgisch recht als overnemer
optreedt, levert de Bank binnen drie maanden na de ontvangst
van het verzoek, een attest af waarin al dan niet bevestigd
wordt dat de overnemende onderneming, mede gelet op de
voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend
eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalver-
eiste als bedoeld in artikel 151 bezit.
Art. 105
De Bank stelt de FSMA in kennis van de aanvragen tot
goedkeuring van overdrachten van verzekeringsovereenkom-
sten die zij ontvangt met toepassing van artikel 102, eerste
lid, 3°, alsook van haar beslissingen daarover.
Art. 106
De Bank publiceert in het Belgisch Staatsblad een uittrek-
sel van elke beslissing tot goedkeuring, met toepassing van
artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, van een fusie of een overdracht
van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit verzeke-
rings- of herverzekeringsovereenkomsten. Onverminderd de
artikelen 17 en 18 van de Wet Verzekeringen is elke gehele
of gedeeltelijke overdracht van de rechten en verplichtingen
die voortvloeien uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan
derden, met name aan de verzekeringnemers, de verzekerden
en de begunstigden, zodra de goedkeuring van de Bank in
het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is.
De in het eerste lid bedoelde uittreksels worden ter infor-
matie ook op de website van de Bank gepubliceerd.
Het is niet mogelijk om de overdrachten die de Bank heeft
goedgekeurd krachtens artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, nietig
of niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens artikel 1167 van
het Burgerlijk Wetboek of van de artikelen 17, 18 of 20 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997.
de tout ou partie d’un portefeuille de contrats d’assurance
souscrits par la voie d’une succursale située dans une autre
État membre ou du régime de libre prestation de services,
requiert, en outre, l’accord préalable des autorités de contrôle
des États membres d’accueil concernés. À cette fin, la Banque
communique sans délai le projet de cession aux autorités
de contrôle des États membres concernés. En l’absence de
réaction de ces autorités dans un délai de trois mois suivant
leur consultation, l’accord de ces autorités est présumé.
§ 2. Lorsque la Banque est consultée par les autorités
de contrôle d’un État membre concernant une opération
visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° à laquelle une entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge intervient en
qualité de cessionnaire, la Banque émet, dans les trois mois
de la réception de la demande, une attestation indiquant si
l’entreprise cessionnaire possède, compte tenu de la cession
envisagée, les fonds propres éligibles nécessaires pour cou-
vrir le capital de solvabilité requis visé à l’article 151.
Art. 105
La Banque informe la FSMA des demandes d’autorisation
de cession de contrats d’assurance dont elle est saisie en
application de l’article 102, alinéa 1er, 3°, ainsi que des déci-
sions qu’elle prend les concernant.
Art. 106
La Banque procède à la publication au Moniteur belge
d’un extrait de toute décision d’autorisation, en application de
l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, d’une fusion ou d’une cession
de droits et obligations découlant de contrats d’assurance ou
de réassurance. Sans préjudice des articles 17 et 18 de la
Loi assurances, toute cession totale ou partielle des droits
et obligations résultant de ces opérations est opposable aux
tiers, notamment les preneurs d’assurance, les assurés et
les bénéficiaires, dès la publication au Moniteur belge de
l’autorisation de la Banque.
Les extraits visés à l’alinéa 1er font également l’objet d’une
publicité à titre d’information sur le site internet de la Banque.
Les cessions autorisées par la Banque en vertu de
l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, ne peuvent faire l’objet d’une
nullité ou inopposabilité en vertu de l’article 1167 du Code
civil ou des articles 17, 18 ou 20 de la loi du 8 août 1997 sur
les faillites.
438
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK V
Uitoefening van verzekerings- of
herverzekeringsactiviteiten in het buitenland
Afdeling I
Opening of verwerving van dochterondernemingen in het
buitenland
Art. 107
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die
voornemens is om rechtstreeks of onrechtstreeks, in het bui-
tenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten
die het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf uitoefent, stelt
de Bank daarvan in kennis.
De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming voegt bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving
informatie over de activiteiten, de organisatie, de leiding en
de aandeelhoudersstructuur van de betrokken onderneming.
Afdeling II
Opening van bijkantoren in het buitenland
Onderafdeling I
Opening van bijkantoren in het buitenland door een
verzekeringsonderneming
Art. 108
§ 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondge-
bied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen
om er een verzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor
zij in België een vergunning heeft verkregen, stelt de Bank
daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de
volgende gegevens:
1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzeke-
ringsonderneming voornemens is het bijkantoor te vestigen;
2° het programma van werkzaamheden, waarin minstens
de aard van de voorgenomen verrichtingen en de organisa-
tiestructuur van het bijkantoor worden beschreven;
3° de naam, het adres en de bevoegdheden van de in pa-
ragraaf 2 bedoelde algemene lasthebber van het bijkantoor,
en, in voorkomend geval, van de andere personen die met de
effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, evenals van
de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties
van het bijkantoor;
4° het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten
kunnen worden opgevraagd en afgeleverd bij de verzekerings-
onderneming, met name de mededelingen aan de algemene
lasthebber;
CHAPITRE V
Exercice d’activités d’assurance ou de réassurance à
l’étranger
Section Ire
Ouverture ou acquisition de filiales à l’étranger
Art. 107
L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui projette
d’acquérir ou de constituer, directement ou indirectement,
une filiale à l’étranger exerçant l’activité d’assurance ou de
réassurance notifie son intention à la Banque.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance joint à la noti-
fication visée à l’alinéa 1er une information sur les activités,
l’organisation, les dirigeants et la structure de l’actionnariat
de l’entreprise concernée.
Section II
Ouverture de succursales à l’étranger
Sous-section Ire
Ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise
d’assurance
Art. 108
§ 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’ouvrir une
succursale sur le territoire d’un autre État membre en vue
d’exercer une activité d’assurance pour laquelle elle est
agréée en Belgique notifie son intention à la Banque.
Cette notification est assortie d’un dossier comportant les
informations suivantes:
1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise d’assu-
rance envisage d’établir la succursale;
2° le programme d’activités, dans lequel sont au moins
décrits le type d’opérations envisagées et la structure de
l’organisation de la succursale;
3° le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général
de la succursale visé au paragraphe 2 et, le cas échéant,
des autres personnes chargées de la direction effective de
la succursale ainsi que des responsables des fonctions de
contrôle indépendantes de la succursale;
4° l’adresse à laquelle les documents peuvent être récla-
més et délivrés à l’entreprise d’assurance dans l’État membre
d’accueil, notamment les communications au mandataire
général;
439
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkantoor de
risico’s wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in
Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de
vervoerder, een verklaring waarin staat dat zij is toegetreden
tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van
de lidstaat van ontvangst;
6° ingeval de verzekeringsonderneming door haar bijkan-
toor de arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken, het bewijs,
indien dit van de lidstaat van ontvangst wordt verlangd, dat
de specifieke voorschriften die in het nationaal recht van die
lidstaat zijn opgenomen met betrekking tot de dekking van
dit type risico’s, worden nageleefd.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonderneming
wijst een algemene lasthebber aan voor het bijkantoor. In
geval van verzaking aan het mandaat of afzetting van de al-
gemene lasthebber, of in geval van zijn overlijden, neemt de
verzekeringsonderneming de nodige maatregelen om binnen
een maand in zijn vervanging te voorzien.
De algemene lasthebber, evenals, in voorkomend geval,
de overige personen die belast zijn met de effectieve leiding
van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onaf-
hankelijke controlefuncties van het bijkantoor beschikken
permanent over de vereiste professionele betrouwbaarheid
en de passende deskundigheid voor de uitoefening van hun
functie. De artikelen 41 en 81 en 82 zijn op hen van overeen-
komstige toepassing.
§ 3. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het
project bij beslissing die is ingegeven door de niet-naleving
van de vereisten van paragraaf 2 of door de nadelige gevolgen
voor het governancesysteem, de financiële positie, met name
gelet op de risico’s die verbonden zijn aan de voorgenomen
activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming.
De beslissing van de Bank wordt uiterlijk drie maanden na
ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1,
tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief
of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de
verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing
niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij
geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de
verzekeringsonderneming.
§ 4. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in
kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een
definitieve beslissing tot verzet werd genomen met toepas-
sing van paragraaf 3.
§ 5. Met uitzondering van paragraaf 4 is dit artikel mutatis
mutandis van toepassing op de opening van bijkantoren in
een derde land, met dien verstande dat de Bank zich ook kan
verzetten tegen de uitvoering van het project van de verze-
keringsonderneming indien zij redenen heeft om te twijfelen
aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf
waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening
houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling
5° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire
couvrir par sa succursale les risques relevant de la branche
10 mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabi-
lité du transporteur, une déclaration selon laquelle elle est
devenue membre du bureau national et du fonds national de
garantie de l’État membre d’accueil;
6° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire
couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail,
la preuve, si elle est exigée par l’État membre d’accueil,
du respect des dispositions spécifiques prévues par le droit
national de cet État membre en ce qui concerne la couverture
de ce type de risques.
§ 2. L’entreprise d’assurance visée au paragraphe 1er
désigne un mandataire général de la succursale. En cas de
renonciation au mandat ou de révocation du mandataire géné-
ral ou en cas de son décès, l’entreprise d’assurance prend
les mesures nécessaires pour pourvoir à son remplacement
dans le mois.
Le mandataire général ainsi que, le cas échéant, les autres
personnes chargées de la direction effective de la succursale
et les responsables des fonctions de contrôle indépendantes
de la succursale disposent en permanence de l’honorabi-
lité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à
l’exercice de leur fonction. Les articles 41 et 81 et 82 leur sont
applicables par analogie.
§ 3. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par
décision motivée par le non-respect des exigences prévues
au paragraphe 2 ou par les répercussions préjudiciables sur
le système de gouvernance, la situation financière, notamment
compte tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le
contrôle de l’entreprise d’assurance.
La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assu-
rance par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de
réception au plus tard trois mois après la réception du dossier
complet comprenant les informations prévues au paragraphe
1er, alinéa 2. Si la Banque n’a pas notifié de décision dans
ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de
l’entreprise.
§ 4. La Banque communique à la Commission européenne
et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels
une décision définitive d’opposition a été prise en application
du paragraphe 3.
§ 5. Le présent article, à l’exception du paragraphe 4,
s’applique mutatis mutandis à l’ouverture de succursales
dans un pays tiers, étant entendu que la Banque peut éga-
lement s’opposer à la réalisation du projet de l’entreprise
d’assurance si elle a des raisons de douter du respect des
règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays
tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de
coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de
440
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
betreffende de samenwerking met de toezichthouders van
het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit
te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit
derde land is gevestigd.
Art. 109
Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat
is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van
het project heeft verzet overeenkomstig artikel 108, § 3,
aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat van
ontvangst, binnen drie maanden na ontvangst ervan, alle in
artikel 108, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals
een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solva-
biliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt
zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van
Richtlijn 2009/138/EG.
De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderneming
schriftelijk op de hoogte van de mededeling van het in het
eerste lid bedoelde dossier en van de datum waarop de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst er de
ontvangst van hebben bevestigd.
Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ont-
vangst aan de Bank de voorwaarden hebben meegedeeld
waaronder de activiteiten van het bijkantoor om redenen
van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoe-
fend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken
verzekeringsonderneming.
Art. 110
Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde
land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit
van het derde land, regels vaststellen voor de opening van en
het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wenselijke infor-
matie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van
Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.
Art. 111
Wanneer het vestigingskantoor van het bijkantoor een
lidstaat is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvan-
gen vanaf de datum waarop de Bank de in artikel 109, derde
lid bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het
verstrijken van een termijn van twee maanden die aanvangt
op de datum van ontvangst door de toezichthouders van de
lidstaat van ontvangst van de met toepassing van artikel 109,
eerste lid meegedeelde informatie.
Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde
land is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvan-
gen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend
overeenkomstig artikel 108, § 3 tegen het voornemen om
een bijkantoor te openen, onverminderd de naleving van de
wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het
verzekeringsbedrijf.
la possibilité d’exercer un contrôle effectif de la succursale
sur le territoire de ce pays tiers.
Art. 109
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État
membre, la Banque, si elle ne s’est pas opposée à la réalisa-
tion du projet conformément à l’article 108,§ 3, communique
à l’autorité compétente de l’État membre d’accueil concerné
dans les trois mois de leur réception, toutes les informations
requises par l’article 108, § 1er, alinéa 2 ainsi qu’une attes-
tation indiquant que l’entreprise d’assurance dispose du
capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis
calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive
2009/138/CE.
La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance concer-
née de la communication du dossier visée à l’alinéa 1er et de
la date à laquelle les autorités compétentes de l’État membre
d’accueil en ont accusé réception.
Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre
d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles, pour
des raisons d’intérêt général, les activités de la succursale
peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque
communique ces informations à l’entreprise d’assurance
concernée.
Art. 110
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays
tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité du pays tiers
concernée, des modalités d’ouverture et de contrôle de la suc-
cursale ainsi que des échanges d’informations souhaitables
dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4,
de la loi du 22 février 1998.
Art. 111
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État
membre, les activités de la succursale peuvent débuter à partir
de la date à laquelle la Banque a reçu la communication visée
à l’article 109, alinéa 3 et au plus tard à l’échéance d’un délai
de deux mois prenant cours à la date de la réception par les
autorités de contrôle de l’État membre d’accueil des informa-
tions communiquées en application de l’article 109, alinéa 1er.
Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays
tiers, sans préjudice du respect des dispositions légales de ce
pays en matière d’accès à l’activité d’assurance, les activités
de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle
le projet d’ouverture de la succursale n’a pas fait l’objet d’une
opposition conformément à l’article 108, § 3.
441
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 112
De verzekeringsonderneming stelt de Bank en, in voorko-
mend geval, de toezichthouders van de betrokken lidstaten
van ontvangst minstens een maand op voorhand in kennis van
alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie
die met toepassing van artikel 108, § 1, tweede lid, 2°, 3°et
4° werd meegedeeld. Artikel 108, § 3 is van toepassing op
deze wijzigingen.
Onderafdeling II
Opening van een bijkantoor in het buitenland door een
herverzekeringsonderneming
Art. 113
Iedere herverzekeringsonderneming die op het grondge-
bied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen
om er een herverzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor
zij in België een vergunning heeft, stelt de Bank daarvan in
kennis.
Art. 114
De artikelen 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° en §§ 2, 3 en 5,
110, 111, tweede lid en 112 zijn mutatis mutandis van toepas-
sing op de opening van bijkantoren in het buitenland door
een herverzekeringsonderneming, met dien verstande dat:
1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld
in artikel 110 kunnen worden gesloten met de toezichthouders
van de lidstaten van ontvangst;
2° artikel 111, tweede lid ook van toepassing is wanneer
het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is.
Afdeling III
Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in
het buitenland
Onderafdeling I
Verrichten van diensten in het buitenland door een
verzekeringsonderneming
Art. 115
§ 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grond-
gebied van een andere lidstaat een verzekeringsactiviteit
wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning
heeft verkregen, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt
de Bank daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de
volgende gegevens:
Art. 112
L’entreprise d’assurance notifie à la Banque et, le cas
échéant, aux autorités de contrôle des États membres
d’accueil concernées toutes modifications qu’elle entend
apporter aux informations communiquées en application de
l’article 108, § 1er, alinéa 2, 2°, 3°et 4° et ce, un mois au moins
avant qu’elles ne soient effectuées. L’article 108, § 3 est
applicable en ce qui concerne ces modifications.
Sous-section II
Ouverture d’une succursale à l’étranger par une entreprise
de réassurance
Art. 113
L’entreprise de réassurance qui projette d’ouvrir une suc-
cursale sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays
tiers en vue d’y exercer une activité de réassurance pour
laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique, notifie son
intention à la Banque.
Art. 114
Les articles 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° et §§ 2, 3 et 5,
110, 111, alinéa 2 et 112 s’appliquent mutatis mutandis à
l’ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise de
réassurance, étant entendu que:
1° des accords de coopération visés à l’article 110 peuvent
également être conclus par la Banque avec les autorités de
contrôle des États membres d’accueil;
2° l’article 111, alinéa 2 s’applique également lorsque l’État
d’implantation de la succursale est un État membre.
Section III
Prestation de services d’assurance ou de réassurance à
l’étranger
Sous-section Ire
Prestation de services à l’étranger par une entreprise
d’assurance
Art. 115
§ 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’exercer sur le
territoire d’un autre État membre, sans y établir de succursale,
une activité d’assurance pour laquelle elle est agréée en
Belgique, notifie son intention à la Banque.
Cette notification est assortie d’un dossier comportant les
informations suivantes:
442
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzeke-
ringsonderneming voornemens is haar activiteit uit te oefenen;
2° het type verzekeringsverrichtingen dat zij van plan is uit
te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten en
de takken waartoe deze verrichtingen behoren;
3° ingeval de verzekeringsonderneming in het kader van
het vrij verrichten van diensten de risico’s wil laten dekken die
behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering
van de aansprakelijkheid van de vervoerder, en indien de
lidstaat van ontvangst verlangt dat deze gegevens worden
meegedeeld, een verklaring waarin staat dat de verzeke-
ringsonderneming is toegetreden tot het nationaal bureau en
het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst.
§ 2. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van
het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige
gevolgen van het grensoverschrijdend verrichten van de
verzekeringsactiviteit voor het governancesysteem, de finan-
ciële positie, met name gelet op de risico’s die verbonden
zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de
verzekeringsonderneming.
De beslissing van de Bank wordt uiterlijk een maand na
ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1,
tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief
of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de
verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing
niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij
geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de
verzekeringsonderneming.
§ 3. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in
kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een
definitieve beslissing tot verzet werd genomen met toepas-
sing van paragraaf 2.
§ 4. Met uitzondering van paragraaf 3 is dit artikel mutatis
mutandis van toepassing op de uitoefening van het verzeke-
ringsbedrijf op het grondgebied van een derde land zonder er
een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat
1° de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van
het project van de verzekeringsonderneming indien zij rede-
nen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor
de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde
land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen
activiteit en met de regeling betreffende de samenwerking met
de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid
om effectief toezicht uit te oefenen op de grensoverschrij-
dende activiteit die op het grondgebied van dit derde land
wordt uitgeoefend;
2° de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde termijn in dit
geval drie maanden bedraagt.
Art. 116
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens-
overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend,
1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise d’assu-
rance envisage d’exercer son activité;
2° le type d’opérations d’assurance qu’elle compte exercer
dans le cadre de la libre prestation de services et les branches
dont ces opérations relèvent;
3° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire
couvrir, dans le cadre de la libre prestation de services, les
risques relevant de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I,
à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, et si l’État
membre d’accueil exige la communication de ces informa-
tions, une déclaration selon laquelle l’entreprise d’assurance
est devenue membre du bureau national et du fonds national
de garantie de l’État membre d’accueil.
§ 2. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet
par décision motivée par les répercussions préjudiciables de
la prestation transfrontalière de l’activité d’assurance sur le
système de gouvernance, la situation financière, notamment
compte tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le
contrôle de l’entreprise d’assurance.
La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assu-
rance par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de
réception au plus tard un mois après la réception du dossier
complet comprenant les informations prévues au para-
graphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a pas notifié de décision
dans ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de
l’entreprise d’assurance.
§ 3 . La Banque communique à la Commission européenne
et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels
une décision définitive d’opposition a été prise en application
du paragraphe 2.
§ 4. Le présent article, à l’exception du paragraphe 3, s’ap-
plique mutatis mutandis à l’exercice de l’activité d’assurance
sur le territoire d’un pays tiers, sans y établir de succursale,
étant entendu que
1° la Banque peut également s’opposer à la réalisation
du projet de l’entreprise d’assurance si elle a des raisons de
douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites
sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité
envisagée et du régime de coopération avec les autorités de
contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle
effectif en ce qui concerne l’activité transfrontalière exercée
sur le territoire de ce pays tiers;
2° le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2 est porté à trois
mois.
Art. 116
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance
transfrontalière s’exerce est un État membre, la Banque, si elle
443
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de
uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig arti-
kel 115, § 2, aan de toezichthouder van de betrokken lidstaat
van ontvangst, binnen een maand na ontvangst ervan, alle
in artikel 115, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals
een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabi-
liteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals
berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn
2009/138/EG. Zij deelt eveneens de verzekeringstakken mee
waarvoor de verzekeringsonderneming een vergunning heeft
verkregen van de Bank.
De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderneming
schriftelijk op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde
mededeling.
Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ont-
vangst aan de Bank de voorwaarden hebben meegedeeld
waaronder de grensoverschrijdende activiteiten om redenen
van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoe-
fend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken
verzekeringsonderneming.
Art. 117
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens-
overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een
derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autori-
teit van het derde land, regels vaststellen voor het toezicht op
die activiteit, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling,
met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1,
Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.
Art. 118
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens-
overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend,
een lidstaat is, mogen de grensoverschrijdende activiteiten
aanvangen vanaf de datum waarop de onderneming in kennis
werd gesteld door de Bank van de in artikel 116, eerste lid
bedoelde mededeling.
Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens-
overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een
derde land is, mogen de grensoverschrijdende activiteiten
aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangete-
kend overeenkomstig artikel 115, § 2 tegen het voornemen om
grensoverschrijdende activiteiten uit te oefenen, onverminderd
de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake
de toegang tot het verzekeringsbedrijf.
Art. 119
Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied
van een andere lidstaat of van een derde land een verzeke-
ringsactiviteit uitoefent zonder er een bijkantoor te vestigen,
stelt de Bank op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij
wenst aan te brengen in de informatie die met toepassing van
ne s’est pas opposée à la réalisation du projet conformément à
l’article 115, § 2, communique à l’autorité de contrôle de l’État
d’accueil concerné dans le mois de leur réception, toutes les
informations requises par l’article 115, § 1er, alinéa 2 ainsi
qu’une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance
dispose du capital de solvabilité requis et du minimum de
capital requis calculés conformément aux articles 100 et
129 de la Directive 2009/138/CE. Elle communique égale-
ment les branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise
d’assurance a été agréée par la Banque.
La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance concer-
née de la communication visée à l’alinéa 1er.
Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre
d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles, pour
des raisons d’intérêt général, les activités transfrontalières
peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque
communique ces informations à l’entreprise d’assurance
concernée.
Art. 117
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance
transfrontalière s’exerce est un pays tiers, la Banque peut
convenir avec l’autorité du pays tiers concernée, des moda-
lités de contrôle de cette activité ainsi que des échanges
d’informations souhaitables dans le respect des dispositions
du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998.
Art. 118
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance
transfrontalière s’exerce est un État membre, les activités
transfrontalières peuvent débuter à partir de la date à laquelle
l’entreprise a été avisée par la Banque de la communication
prévue à l’article 116, alinéa 1er.
Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance
transfrontalière s’exerce est un pays tiers, sans préjudice
du respect des dispositions légales de ce pays en matière
d’accès à l’activité d’assurance, les activités transfrontalières
peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’acti-
vités transfrontalières n’a pas fait l’objet d’une opposition
conformément à l’article 115, § 2.
Art. 119
L’entreprise d’assurance qui exerce sur le territoire d’un
autre État membre ou d’un pays tiers, sans y établir de suc-
cursale, une activité d’assurance, notifie préalablement à la
Banque toutes modifications qu’elle entend apporter aux infor-
mations communiquées en application de l’article 115, § 1er,
444
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
artikel 115, § 1, tweede lid, 2°, werd meegedeeld. Artikel 115,
§ 2 is van toepassing op deze wijzigingen.
Onderafdeling II
Verrichten van diensten in het buitenland door een
herverzekeringsonderneming
Art. 120
Iedere herverzekeringsonderneming die op het grond-
gebied van een andere lidstaat of van een derde land een
herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen waarvoor zij
in België een vergunning heeft, zonder er een bijkantoor te
vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.
Art. 121
De artikelen 115, § 1, tweede lid, en §§ 2 en 4, 117, 118,
tweede lid en 119 zijn mutatis mutandis van toepassing op de
uitoefening van een grensoverschrijdende herverzekeringsac-
tiviteit in het buitenland, zonder er een bijkantoor te vestigen,
met dien verstande dat:
1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld
in artikel 117 kunnen worden gesloten met de toezichthouders
van de lidstaten van ontvangst waar de grensoverschrijdende
herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend;
2° de in artikel 115, § 2, tweede lid bedoelde termijn in dit
geval drie maanden bedraagt;
3° artikel 118, tweede lid ook van toepassing is wanneer
de staat waarin de grensoverschrijdende herverzekeringsac-
tiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is.
Afdeling IV
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de
bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat
Art. 122
Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt
de Bank, afzonderlijk voor verrichtingen die in het kader van
de opening van een bijkantoor worden uitgevoerd en deze
die in het kader van het vrij verrichten van diensten worden
uitgevoerd, in kennis van het bedrag aan premies, schade-
gevallen en provisies, zonder aftrek van herverzekering, per
vestigingsland van een bijkantoor en per lidstaat op het grond-
gebied waarvan een grensoverschrijdende verzekerings- of
herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, en wel als volgt:
1° voor niet-levensverzekeringen: per business line,
overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG;
alinéa 2. L’article 115, § 2 est applicable en ce qui concerne
ces modifications.
Sous-section II
Prestation de services à l’étranger par une entreprise de
réassurance
Art. 120
L’entreprise de réassurance qui projette d’exercer sur le
territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans
y établir de succursale, une activité de réassurance pour
laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique, notifie son
intention à la Banque.
Art. 121
Les articles 115, § 1er, alinéa 2, et §§ 2 et 4, 117, 118, ali-
néa 2 et 119 s’appliquent mutatis mutandis à l’exercice d’une
activité de réassurance transfrontalière à l’étranger, sans y
établir une succursale, étant entendu que:
1° des accords de coopération visés à l’article 117 peuvent
également être conclus par la Banque avec les autorités de
contrôle des États membres d’accueil dans lesquels l’activité
de réassurance transfrontalière est exercée;
2° le délai visé à l’article 115, § 2, alinéa 2 est porté à
trois mois;
3° l’article 118, alinéa 2 s’applique également lorsque
l’État dans lequel l’activité de réassurance transfrontalière
est exercée est un État membre.
Section IV
Dispositions communes à l’exercice de l’activité dans un
autre État membre
Art. 122
Chaque entreprise d’assurance ou de réassurance com-
munique à la Banque, de manière distincte pour les opérations
effectuées dans le cadre de l’ouverture d’une succursale et
pour celles effectuées dans le cadre de la libre prestation
de services, le montant des primes, sinistres et commis-
sions, sans déduction de la réassurance, par État membre
d’implantation d’une succursale et par État membre sur le
territoire duquel une activité d’assurance ou de réassurance
transfrontalière est exercée. Cette communication s’effectue
comme suit:
1° pour l’assurance non-vie, par lignes d’activité, conformé-
ment aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE;
445
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° voor levensverzekeringen: per business line, overeen-
komstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
3° voor herverzekeringen “niet-leven”;
4° voor herverzekeringen “leven”.
Wat betreft tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering
van de aansprakelijkheid van de vervoerder, stelt de betrok-
ken verzekeringsonderneming de Bank ook in kennis van de
frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen.
De Bank deelt de in het eerste en tweede lid bedoelde
informatie binnen een redelijke termijn in geaggregeerde
vorm mee aan de toezichthouders van elke van de betrokken
lidstaten die daarom verzoeken.
HOOFDSTUK VI
Reglementaire normen en verplichtingen
Afdeling I
Waarderingsregels
Onderafdeling I
Algemene regels
Art. 123
Met het oog op de naleving van de door of krachtens dit
Hoofdstuk opgelegde vereisten, waarderen de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen hun activa en passiva als
volgt:
1° de activa worden gewaardeerd tegen het bedrag waar-
voor ze kunnen worden geruild in het kader van een afgesloten
transactie, bij normale concurrentievoorwaarden, tussen goed
geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen;
2° de passiva worden gewaardeerd tegen het bedrag
waarvoor ze kunnen worden overgedragen of afgewikkeld
in het kader van een afgesloten transactie, bij normale con-
currentievoorwaarden, tussen goed geïnformeerde, tot een
transactie bereid zijnde partijen.
Bij de waardering van de in punt 2° bedoelde passiva wordt
niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
2° pour l’assurance vie, par lignes d’activité, conformément
aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE;
3° pour la réassurance non-vie;
4° pour la réassurance vie.
En ce qui concerne la branche 10 mentionnée à l’Annexe I,
à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, l’entreprise
d’assurance concernée informe également la Banque de la
fréquence et du coût moyen des sinistres.
La Banque communique les informations visées aux
alinéas 1er et 2 dans un délai raisonnable et sous une forme
agrégée aux autorités de contrôle de chacun des États
membres concernés qui lui en font la demande.
CHAPITRE VI
Normes et obligations réglementaires
Section Ire
Règles de valorisation
Sous-section Ire
Règles générales
Art. 123
Aux fins du respect des exigences prévues par ou en vertu
du présent Chapitre, les entreprises d’assurance ou de réas-
surance valorisent leurs actifs et leurs passifs comme suit:
1° les actifs sont valorisés au montant pour lequel ils
pourraient être échangés dans le cadre d’une transaction
conclue, dans des conditions de concurrence normales, entre
des parties informées et consentantes;
2° les passifs sont valorisés au montant pour lequel ils
pourraient être transférés ou réglés dans le cadre d’une
transaction conclue, dans des conditions de concurrence
normales, entre des parties informées et consentantes.
Lors de la valorisation des passifs au titre du 2°, aucun
ajustement visant à tenir compte de la qualité de crédit propre
à l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’est effectué.
446
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling II
Regels betreffende de technische voorzieningen
§ 1 – Algemene bepalingen
Art. 124
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be-
rekenen en boeken onder de benaming technische voorzie-
ningen al hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
jegens verzekeringnemers, verzekerden en begunstigden van
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.
De technische voorzieningen hebben zowel betrekking op
de lopende als op de vervallen overeenkomsten die nog niet
volledig vereffend zijn.
Art. 125
Technische voorzieningen worden op een prudente, be-
trouwbare en objectieve wijze berekend.
De waarde van de technische voorzieningen stemt overeen
met het huidige bedrag dat een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar verze-
kerings- of herverzekeringsverplichtingen met onmiddellijke
ingang aan een andere verzekerings- of herverzekeringson-
derneming zou overdragen.
De berekening van de technische voorzieningen maakt
gebruik van en strookt met de informatie van de financi-
ele markten en de algemeen beschikbare gegevens over
verzekerings technische risico’s (marktconsistentie).
De berekening van de technische voorzieningen wordt
uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 126 tot 137, de ter
uitvoering ervan genomen maatregelen en de uitvoerings-
verordeningen van Richtlijn 2009/138/EG, uitgaande van
de beginselen die zijn vastgesteld in dit artikel en rekening
houdend met de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 123.
Art. 126
§ 1. De waarde van de technische voorzieningen is gelijk
aan de som van de beste schatting (best estimate) en de
risicomarge (risk margin) zoals respectievelijk beschreven in
de paragrafen 2 en 3.
§ 2. De beste schatting stemt overeen met het kansge-
wogen gemiddelde van de toekomstige kasstromen, waar-
bij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld
(verwachte contante waarde van de toekomstige kasstro-
men) en gebruik wordt gemaakt van de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur.
Bij de berekening van de beste schatting wordt uitgegaan
van geactualiseerde en betrouwbare informatie en realistische
Sous-section II
Règles relatives aux provisions techniques
§ 1er – Dispositions générales
Art. 124
Les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent
et comptabilisent, sous le nom de provisions techniques, tous
leurs engagements d’assurance ou de réassurance vis-à-vis
des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires
des contrats d’assurance ou bénéficiaires des contrats de
réassurance.
Les provisions techniques concernent tant les contrats
en cours que les contrats échus et non entièrement liquidés.
Art. 125
Les provisions techniques sont calculées d’une manière
prudente, fiable et objective.
La valeur des provisions techniques correspond au mon-
tant actuel que les entreprises d’assurance ou de réassurance
devraient payer si elles transféraient avec effet immédiat leurs
engagements d’assurance ou de réassurance à une autre
entreprise d’assurance ou de réassurance.
Le calcul des provisions techniques utilise, en étant cohé-
rent avec elles, les informations fournies par les marchés
financiers et les données généralement disponibles sur les
risques de souscription (cohérence avec le marché).
Suivant les principes énoncés au présent article et compte
tenu de ceux énoncés à l’article 123, le calcul des provisions
techniques est effectué conformément aux articles 126 à
137, aux règles prises pour leur exécution et aux Règlements
d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Art. 126
§ 1er. La valeur des provisions techniques est égale à la
somme de la meilleure estimation (best estimate) et de la
marge de risque (risk margin) respectivement décrites aux
paragraphes 2 et 3.
§ 2. La meilleure estimation correspond à la moyenne
pondérée par leur probabilité des flux de trésorerie futurs,
compte tenu de la valeur temporelle de l’argent (valeur
actuelle attendue des flux de trésorerie futurs), estimée sur la
base de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque.
Le calcul de la meilleure estimation est fondé sur des
informations actualisées et crédibles et sur des hypothèses
447
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
hypothesen en worden adequate, toepasselijke en relevante
actuariële en statistische methodes gebruikt.
De kasstroomprognose die bij de berekening van de beste
schatting wordt gebruikt, houdt rekening met alle instroom en
uitstroom van kasmiddelen die nodig zijn om te voldoen aan
de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende
de looptijd ervan.
De beste schatting wordt bruto berekend, zonder aftrek van
de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings-
overeenkomsten en effectiseringsvehikels. Overeenkomstig
artikel 136 worden deze bedragen apart berekend.
§ 3. De risicomarge wordt zodanig berekend dat de waarde
van de technische voorzieningen gelijk is aan het bedrag dat
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zouden
vragen voor de overname en de nakoming van de verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen.
Art. 127
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
waarderen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk.
Wanneer de toekomstige kasstromen in verband met
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen echter op be-
trouwbare wijze kunnen worden gerepliceerd met behulp van
financiële instrumenten met een waarneembare betrouwbare
marktwaarde, wordt de waarde van de technische voorzienin-
gen voor die toekomstige kasstromen bepaald op basis van
de marktwaarde van deze financiële instrumenten. In dit geval
zijn geen afzonderlijke berekeningen van de beste schatting
en de risicomarge vereist.
§ 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk
ramen, wordt de risicomarge berekend door vaststelling van
de kosten om een bedrag aan in aanmerking komend eigen
vermogen te verschaffen dat gelijk is aan het solvabiliteitskapi-
taalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan.
Voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
wordt bij de bepaling van de kosten voor het verschaffen van
dit bedrag hetzelfde percentage gehanteerd (kapitaalkos-
tenpercentage – Cost-of-Capital rate). Een verordening tot
uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG legt dit percentage vast
en herziet het periodiek.
Het gehanteerde kapitaalkostenpercentage is gelijk aan
de opslag op de relevante risicovrije rente die een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming zou betalen die over-
eenkomstig Onderafdeling III van dit Hoofdstuk een bedrag
aan in aanmerking komend eigen vermogen aanhoudt dat
gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste dat nodig is om
te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplich-
tingen gedurende de volledige looptijd ervan.
réalistes et il fait appel à des méthodes actuarielles et statis-
tiques adéquates, applicables et pertinentes.
La projection en matière de flux de trésorerie utilisée dans
le calcul de la meilleure estimation tient compte de toutes les
entrées et sorties de trésorerie nécessaires pour faire face
aux engagements d’assurance ou de réassurance pendant
toute la durée de ceux-ci.
La meilleure estimation est calculée brute, sans déduction
des créances découlant des contrats de réassurance et des
véhicules de titrisation. Ces montants sont calculés séparé-
ment, conformément à l’article 136.
§ 3. La marge de risque est calculée de manière à garantir
que la valeur des provisions techniques est équivalente au
montant que des entreprises d’assurance ou de réassurance
demanderaient pour reprendre et honorer les engagements
d’assurance ou de réassurance.
Art. 127
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance pro-
cèdent à une évaluation séparée de la meilleure estimation
et de la marge de risque.
Cependant, lorsque les flux futurs de trésorerie liés aux
engagements d’assurance ou de réassurance peuvent
être, de manière fiable, répliqués au moyen d’instruments
financiers pour lesquels il existe une valeur de marché fiable
observable, la valeur des provisions techniques liées à ces
futurs flux de trésorerie est déterminée à l’aide de la valeur
de marché de ces instruments financiers. Dans ce cas, il n’est
pas nécessaire de procéder à un calcul séparé de la meilleure
estimation et de la marge de risque.
§ 2. Lorsqu’elles procèdent à une évaluation séparée de la
meilleure estimation et de la marge de risque, les entreprises
d’assurance ou de réassurance calculent la marge de risque
en déterminant le coût que représente la mobilisation d’un
montant de fonds propres éligibles égal au capital de solva-
bilité requis pour faire face aux engagements d’assurance ou
de réassurance pendant toute la durée de ceux-ci.
Le taux utilisé pour déterminer le coût que représente la
mobilisation de ce montant de fonds propres éligibles (taux
du coût du capital) est le même pour toutes les entreprises
d’assurance ou de réassurance. Un règlement d’exécution
de la Directive 2009/138/CE fixe et révise périodiquement
ce taux.
Le taux du coût du capital utilisé est égal au taux supplé-
mentaire, s’ajoutant au taux d’intérêt sans risque pertinent,
que supporterait une entreprise d’assurance ou de réas-
surance détenant un montant de fonds propres éligibles,
conformément à la Sous-section III du présent Chapitre égal
au capital de solvabilité requis qui est nécessaire pour faire
face aux engagements d’assurance ou de réassurance pen-
dant toute la durée de ceux-ci.
448
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2 – Extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur (risk-free interest rate term structure)
Art. 128
Bij de bepaling van de relevante risicovrije rentetermijn-
structuur als bedoeld in artikel 126, § 2 wordt gebruikgemaakt
van informatie van relevante financiële instrumenten, en deze
relevante risicovrije rentetermijnstructuur dient met die infor-
matie consistent te zijn. De markten voor de desbetreffende
relevante financiële instrumenten en voor obligaties dienen zo-
danige looptijden te hebben dat zij kunnen worden beschouwd
als diepe, liquide en transparante markten. Wanneer het
looptijden betreft waarbij de markten voor zowel de relevante
financiële instrumenten als voor obligaties niet langer als diep,
liquide en transparant kunnen worden beschouwd, wordt de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur geëxtrapoleerd.
Het geëxtrapoleerde deel van de relevante risicovrije ren-
tetermijnstructuur is gebaseerd op forward rates die vloeiend
van een forward rate of een reeks forward rates voor de lang-
ste looptijden waartegen de relevante financiële instrumenten
en obligaties in een diepe, liquide en transparante markt te
vinden zijn, convergeren naar een ultimate forward rate.
§ 3 – Matchingopslag (matching adjustment) in verband
met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
Art. 129
§ 1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
kunnen een matchingopslag in verband met de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur toepassen voor de berekening
van de beste schatting van een portefeuille van levensver-
zekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inbegrip
van lijfrenten die voortvloeien uit niet-levensverzekerings- of
-herverzekeringsovereenkomsten, mits de Bank hiervoor
voorafgaandelijk toestemming heeft verleend, indien aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
hebben een uit obligaties of andere effecten met vergelijkbare
kasstroomkarakteristieken samengestelde activaportefeuille
toegewezen ter dekking van de beste schatting van de por-
tefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen,
en behouden die toewijzing gedurende de looptijd van de
verplichtingen, tenzij het de bedoeling is de replicatie van de
verwachte kasstromen tussen activa en passiva te behouden
wanneer die kasstromen wezenlijk zijn veranderd;
2° de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsver-
plichtingen waarvoor de matchingopslag wordt toegepast en
de toegewezen activaportefeuille worden afzonderlijk van de
andere activiteiten van de ondernemingen geïdentificeerd,
beheerd en georganiseerd, en de toegewezen activaporte-
feuille kan niet worden gebruikt ter dekking van verliezen die
ontstaan bij andere activiteiten van de ondernemingen;
3° de verwachte kasstromen uit de toegewezen acti-
vaportefeuille corresponderen met elk van de verwachte
§ 2 – Extrapolation de la courbe pertinente des taux d’inté-
rêt sans risque (risk-free interest rate term structure)
Art. 128
La détermination de la courbe pertinente des taux d’inté-
rêt sans risque visée à l’article 126, § 2, fait usage des
informations tirées d’instruments financiers pertinents et
reste cohérente avec elles. Cette détermination tient compte
des instruments financiers pertinents pour les échéances
auxquelles les marchés desdits instruments financiers, y
compris les marchés obligataires, sont profonds, liquides et
transparents. Pour les échéances auxquelles les marchés des
instruments financiers pertinents ou des obligations ne sont
plus profonds, liquides et transparents, la courbe pertinente
des taux d’intérêt sans risque est extrapolée.
La partie extrapolée de la courbe pertinente des taux d’inté-
rêt sans risque se fonde sur des taux à terme convergents
sans à-coups depuis un taux, ou un ensemble de taux à terme,
pour les échéances les plus longues auxquelles il est possible
d’observer l’instrument financier pertinent et les obligations
libellés, sur un marché profond, liquide et transparent, jusqu’à
l’ultime taux à terme (ultimate forward rate).
§ 3 – Ajustement égalisateur (Matching adjustment) de la
courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
Art. 129
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent appliquer un ajustement égalisateur de la courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque pour calculer la
meilleure estimation d’un portefeuille d’engagements d’assu-
rance ou de réassurance vie, y compris les rentes découlant
de contrats d’assurance ou de réassurance non-vie, sous
réserve de l’accord préalable la Banque, lorsque les condi-
tions suivantes sont remplies:
1° les entreprises d’assurance ou de réassurance ont
assigné un portefeuille d’actifs, composé d’obligations ou
d’autres titres ayant des caractéristiques similaires en flux
de trésorerie, en couverture de la meilleure estimation du
portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance
et conservent cette affectation jusqu’à l’échéance desdits
engagements, sauf à vouloir maintenir l’équivalence des flux
de trésorerie escomptés entre actifs et passifs si ces flux ont
sensiblement changé;
2° le portefeuille d’engagements d’assurance ou de
réassurance auquel l’ajustement égalisateur est appliqué et
le portefeuille affecté d’actifs sont identifiés, gérés et orga-
nisés séparément des autres activités des entreprises, et le
portefeuille affecté d’actifs ne peut être utilisé pour couvrir les
pertes résultant d’autres activités des entreprises;
3° les flux de trésorerie escomptés du portefeuille affecté
d’actifs répondent dans la même devise, point par point, aux
449
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herver-
zekeringsverplichtingen in dezelfde valuta, en een eventuele
mismatch levert geen wezenlijke risico’s op in verhouding tot
de risico’s die eigen zijn aan de verzekerings- of herverzeke-
ringsactiviteit waarop een matchingsopslag wordt toegepast;
4° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de por-
tefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen,
resulteren niet in toekomstige premiebetalingen;
5° de enige aan de portefeuille van verzekerings- of herver-
zekeringsverplichtingen verbonden verzekeringstechnische
risico’s zijn het langleven-, het kosten-, het herzienings- en
het overlijdensrisico;
6° indien het aan de portefeuille van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekeringstech-
nische risico het overlijdensrisico omvat, neemt de beste
schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverze-
keringsverplichtingen in het geval van een overeenkomstig
artikel 151, §§ 2 tot 5 gekalibreerde overlijdensrisicostress
met niet meer dan 5 % toe;
7° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de
portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtin-
gen, voorzien enkel in een afkoopoptie op voorwaarde dat de
afkoopwaarde niet hoger is dan de waarde van de activa die
beschikbaar zijn ter dekking van de verzekerings- of herver-
zekeringsverplichtingen op het moment dat de afkoopoptie
wordt uitgeoefend, berekend overeenkomstig artikel 123;
8° de kasstromen uit de toegewezen activaportefeuille zijn
vastgelegd en kunnen niet door de emittenten van de effecten
of door derden worden gewijzigd;
9° de aan verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten
verbonden verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
worden niet in afzonderlijke delen opgesplitst wanneer ze voor
de toepassing van deze paragraaf deel uitmaken van de por-
tefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen.
Onverminderd het eerste lid, 8°, kunnen verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen gebruikmaken van activa
met vastgelegde maar inflatiegebonden kasstromen, op
voorwaarde dat deze activa de inflatiegebonden kasstromen
van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsver-
plichtingen repliceren.
Indien emittenten of derde partijen de kasstromen van
activa mogen wijzigen op voorwaarde dat beleggers met de
compensatie die ze via herinvesteringen in activa van een-
zelfde of een betere kredietkwaliteitscategorie ontvangen,
dezelfde kasstromen kunnen genereren, sluit dit recht de
activa niet uit van toegang tot de toegewezen portefeuille als
bedoeld in het eerste lid, 8°.
§ 2. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
de matchingopslag op een portefeuille van verzekerings-
of herverzekeringsverplichtingen toepassen, mogen niet
opnieuw teruggrijpen naar een methode waarbij geen mat-
chingopslag wordt gebruikt. Wanneer een verzekerings- of
flux de trésorerie escomptés du portefeuille d’engagements
d’assurance ou de réassurance et aucune rupture d’équiva-
lence ne donne lieu à des risques qui sont réels par rapport
aux risques inhérents à l’activité d’assurance ou de réassu-
rance auxquels l’ajustement égalisateur s’applique;
4° les contrats sous-jacents du portefeuille d’engagements
d’assurance ou de réassurance ne donnent pas droit au
versement de primes futures;
5° les seuls risques de souscription liés au portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance sont le risque
de longévité, le risque de dépenses, le risque de révision et
le risque de mortalité;
6° lorsque le risque de souscription lié au portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance inclut le
risque de mortalité, la meilleure estimation du portefeuille des
engagements d’assurance ou de réassurance ne doit pas
augmenter de plus de 5 % dans le cadre d’un choc de risque
de mortalité calibré conformément à l’article 151, §§ 2 à 5;
7° les contrats sous-jacents des portefeuilles d’enga-
gements d’assurance ou de réassurance ne comprennent
qu’une option de rachat à la condition que la valeur de rachat
n’excède pas la valeur des actifs, évaluée conformément à
l’article 123, couvrant les engagements d’assurance ou de
réassurance à la date où s’exerce l’option de rachat;
8° les flux de trésorerie des actifs constituant le portefeuille
affecté d’actifs sont fixes et ne peuvent être modifiés par les
émetteurs des titres ni par des tiers;
9° les engagements d’assurance ou de réassurance d’un
contrat d’assurance ou de réassurance ne sont pas divisés
en différentes parties lors de la composition du portefeuille
des engagements d’assurance ou de réassurance aux fins
du présent paragraphe.
Nonobstant l’alinéa 1er, 8°, l’entreprise d’assurance ou de
réassurance peut utiliser des actifs dont les flux de trésorerie
sont fixes, à part une indexation sur l’inflation, pourvu que
ces actifs correspondent aux flux de trésorerie du portefeuille
d’engagements d’assurance ou de réassurance, qui sont
fonction de l’inflation.
Dans le cas où les émetteurs ou des tierces parties ont
le droit de modifier les flux d’un actif de manière telle que
l’investisseur reçoive une indemnisation suffisante pour lui
permettre d’obtenir les mêmes flux de trésorerie en réinves-
tissant dans des actifs d’un niveau de qualité de crédit équi-
valent ou meilleur, le droit de modifier les flux de trésorerie
n’exclut pas que l’actif soit éligible au portefeuille assigné
conformément à l’alinéa 1er, 8°.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
appliquent l’ajustement égalisateur à un portefeuille d’enga-
gements d’assurance ou de réassurance ne peuvent revenir
à une méthode qui ignore l’ajustement égalisateur. Si une
entreprise d’assurance ou de réassurance qui applique
450
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsonderneming die een matchingopslag toe-
past, niet meer in staat is om te voldoen aan de voorwaarden
van paragraaf 1, stelt zij de Bank daarvan onverwijld in kennis
en treft zij de nodige maatregelen om weer aan die voorwaar-
den te voldoen. Indien de onderneming niet in staat is om
binnen twee maanden na de datum van niet-naleving opnieuw
aan deze voorwaarden te voldoen, past zij de matchingsop-
slag niet meer toe op haar verzekerings- of herverzekerings-
verplichtingen en mag zij deze matchingsopslag pas opnieuw
toepassen na een periode van nog eens 24 maanden.
§ 3. De matchingopslag wordt niet op verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur voor de berekening van de
beste schatting van die verplichtingen een volatiliteitsaanpas-
sing als bedoeld in artikel 131 omvat of een overgangsmaat-
regel ten aanzien van de risicovrije rentevoeten als bedoeld
in artikel 668.
Art. 130
§ 1. Voor elke munteenheid wordt de matchingopslag als
bedoeld in artikel 129 berekend in overeenstemming met de
volgende beginselen:
1° de matchingopslag is gelijk aan het verschil tussen:
a) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke
discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kas-
stromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverze-
keringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is
aan de overeenkomstig artikel 123 berekende waarde van de
toegewezen activaportefeuille;
b) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke
discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kas-
stromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzeke-
ringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan
de waarde van de beste schatting van de portefeuille van
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inacht-
neming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking
van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur;
2° in de matchingopslag mag niet de fundamentele spread
zijn verrekend die de risico’s weerspiegelt die door de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming worden gedragen;
3° niettegenstaande punt 1°, wordt de fundamentele
spread in voorkomend geval verhoogd om te waarborgen
dat de matchingopslag voor activa waarvan de kwaliteit lager
is dan die van activa van hoge kwaliteit niet groter is dan de
matchingopslag voor activa van hoge kwaliteit en dezelfde
looptijd, en uit dezelfde activacategorie;
4° het gebruik van externe krediet beoordelingen bij de
berekening van de matchingopslag is in overeen stemming
met de specificaties die met toepassing van artikel 111, lid 1,
onder n) van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd.
l’ajustement égalisateur n’est plus capable de remplir les
conditions prévues au paragraphe 1er, elle en informe immé-
diatement la Banque et prend les mesures nécessaires pour
revenir au respect de ces conditions. Si elle se montre inca-
pable de revenir au respect des conditions dans un délai de
deux mois à compter de la date du non-respect, l’entreprise
cesse d’appliquer l’ajustement égalisateur à ses engage-
ments d’assurance ou de réassurance et ne peut appliquer
à nouveau un tel ajustement qu’après un délai de 24 mois
supplémentaires.
§ 3. L’ajustement égalisateur n’est pas appliqué aux enga-
gements d’assurance ou de réassurance lorsque la courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque utilisée pour calculer
la meilleure estimation desdits engagements fait intervenir
une correction pour volatilité en vertu de l’article 131 ou une
mesure transitoire sur les taux d’intérêt sans risque en vertu
de l’article 668.
Art. 130
§ 1er. Dans chaque devise, l’ajustement égalisateur visé à
l’article 129 est calculé conformément aux principes suivants:
1° l’ajustement égalisateur est égal à la différence entre
les montants suivants:
a) le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique
d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du
portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance,
donnerait une valeur égale à la valeur calculée conformément
à l’article 123 du portefeuille assigné d’actifs;
b) le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique
d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie
du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassu-
rance, donnerait une valeur égale à la valeur de la meilleure
estimation du portefeuille d’engagements d’assurance ou de
réassurance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent
est prise en compte en suivant la courbe pertinente des taux
d’intérêt sans risque;
2° l’ajustement égalisateur ne peut pas inclure la marge
fondamentale (fundamental spread) reflétant les risques
assumés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance;
3° nonobstant le 1°, la marge fondamentale (fundamental
spread) est augmentée, le cas échéant, de manière à ce
que l’ajustement égalisateur pour les actifs dont la qualité
est inférieure à celle des actifs de bonne qualité ne dépasse
pas l’ajustement égalisateur pour les actifs de bonne qualité
et de même durée et de même catégorie;
4° le recours à des évaluations externes de crédit dans le
calcul de l’ajustement égalisateur est conforme aux spécifi-
cations définies en application de l’article 111, paragraphe 1er,
n) de la Directive 2009/138/CE.
451
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, dient de fun-
damentele spread:
1° gelijk te zijn aan de som van:
a) de kredietspread die de kans op wanbetaling voor de
activa weerspiegelt;
b) de kredietspread die het verwachte verlies als gevolg
van de afwaardering van de activa weergeeft;
2° voor vorderingen op de centrale overheden en cen-
trale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 30 % van
het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van
de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en
dezelfde kredietwaardigheid en uit dezelfde activacategorie,
zoals gemeten op de financiële markten;
3° voor andere activa dan vorderingen op de centrale
overheden en centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn
dan 35 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten
opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde
looptijd en dezelfde krediet waardigheid en uit dezelfde activa-
categorie, zoals gemeten op de financiële markten.
De kans op wanbetaling als bedoeld in het eerste lid, 1°,
a), wordt berekend op basis van de langetermijnwanbeta-
lingsstatistieken die voor het bewuste actief relevant zijn
in verhouding tot de looptijd, de krediet waardigheid en de
betrokken activacategorie.
Indien uit de wanbetalingsstatistieken als bedoeld in het
tweede lid geen betrouwbare kredietspread kan worden af-
geleid, is de fundamentele spread gelijk aan het deel van het
langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de
risicovrije rentevoet als bedoeld in de punten 2° en 3°.
§ 4 – Volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) van de
relevante risicovrije rentetermijnstructuur
Art. 131
§ 1. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming een volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur wil toepassen bij de berekening van de
beste schatting als bedoeld in artikel 126, § 2, brengt zij de
Bank daarvan voorafgaandelijk op de hoogte.
De Bank kan de toepassing van de in het eerste lid bedoel-
de volatiliteitsaanpassing te allen tijde verbieden of beperken
of er voorwaarden aan verbinden indien zij vaststelt dat de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet voldoet
aan de voorwaarden van dit artikel of van de Europese veror-
deningen die met toepassing van artikel 86, lid 1, onder i), van
Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld of dat haar risicoprofiel
wezenlijk verschilt van de voorwaarden voor de toepassing
van de volatiliteitsaanpassing waarin de bepalingen van de
genoemde verordeningen voorzien.
§ 2. Voor elke betrokken munteenheid is de volatiliteits-
aanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, 2°, la marge fondamentale
(fundamental spread) est:
1° égale à la somme des éléments suivants:
a) la marge de crédit correspondant à la probabilité de
défaut des actifs;
b) la marge de crédit correspondant à la perte attendue
d’une dégradation des actifs;
2° pour les expositions sur les administrations centrales
et les banques centrales des États membres, supérieure ou
égale à 30 % de la moyenne à longue échéance de la marge
par rapport au taux d’intérêt sans risque d’actifs de même
durée, de même qualité de crédit et de même catégorie, telle
qu’elle s’observe sur les marchés financiers;
3° pour les actifs autres que les expositions sur les
administrations centrales et les banques centrales des États
membres, supérieure ou égale à 35 % de la moyenne à
longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt
sans risque d’actifs de même durée, de même qualité de
crédit et de même catégorie, telle qu’elle s’observe sur les
marchés financiers.
La probabilité de défaut visée à l’alinéa 1er, 1°, a), est
fondée sur des statistiques de défaut à longue échéance qui
sont pertinentes pour l’actif en question, selon sa durée, sa
qualité de crédit et sa catégorie.
Lorsqu’aucune marge de crédit fiable ne peut être tirée des
statistiques de défaut visées au deuxième alinéa, la marge
fondamentale est égale à la part de la moyenne à longue
échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans
risque que fixent les 2° et 3°.
§ 4 – Correction pour volatilité (Volatility adjustment) de la
courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque
Art. 131
§ 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance qui
a l’intention d’utiliser la correction pour volatilité de la courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque pour calculer la
meilleure estimation visée à l’article 126, § 2 en informe
préalablement la Banque.
La Banque peut, à tout moment, interdire, restreindre ou
conditionner l’usage de la correction pour volatilité visée à
l’alinéa 1er si elle constate que l’entreprise d’assurance ou
de réassurance ne respecte pas les conditions prévues par
le présent article ou par les règlements européens pris en
application de l’article 86, paragraphe 1er, i), de la Directive
2009/138/CE ou que son profil de risque diffère substantielle-
ment des conditions d’application de la correction de volatilité
telle que prévues par les dispositions desdits règlements.
§ 2. Pour chaque devise concernée, la correction pour vola-
tilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est
452
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gebaseerd op de spread tussen de rentevoet die verdiend
kan worden op de activa die deel uitmaken van een referen-
tieportefeuille voor die munteenheid en de rentevoeten die
gelden voor de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor
die munteenheid.
De referentieportefeuille voor een munteenheid is re-
presentatief voor de activa in die munteenheid waar de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben
belegd ter dekking van de beste schatting van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen in die munteenheid.
§ 3. De volatiliteitsaanpassing die op de relevante risico-
vrije rentetermijnstructuur wordt toegepast, komt overeen
met 65 % van de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die
munteenheid.
De voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteen-
heid wordt berekend als het verschil tussen de spread als
bedoeld in paragraaf 2 en het deel van die spread dat terug
te voeren is op een realistische inschatting van te verwachten
verliezen of op een onverwacht kredietrisico, of andere aan
de activa verbonden risico’s.
De volatiliteitsaanpassing wordt alleen toegepast op de
rentevoeten van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
die niet worden berekend via extrapolatie overeenkomstig
artikel 128. De extrapolatie van de relevante risicovrije rente-
termijnstructuur is gebaseerd op deze aangepaste risicovrije
rentevoeten.
§ 4. Voor elk betrokken land wordt de volatiliteitsaan-
passing van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in para-
graaf 3 voor de munteenheid van dat land, vóór toepassing
van de 65 %-factor, verhoogd met het verschil tussen de voor
risico’s gecorrigeerde spread voor dat land en tweemaal de
voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid, op
voorwaarde dat het verschil positief is en de voor risico’s ge-
corrigeerde spread voor dat land meer dan 100 basispunten
bedraagt.
De verhoogde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast op
de berekening van de beste schatting van verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen van producten die op de
verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken
land worden verkocht. De voor risico’s gecorrigeerde spread
voor dat land wordt op dezelfde manier berekend als de voor
risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid van het
betrokken land, met dien verstande dat hij gebaseerd is op een
referentieportefeuille die representatief is voor de activa waar
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben
belegd ter dekking van de beste schatting van de verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op
de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken
land worden verkocht en uitgedrukt zijn in de munteenheid
van dat land.
§ 5. De volatiliteitsaanpassing wordt niet op de verzeke-
ringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur voor het berekenen van de beste schat-
ting van die verplichtingen een matchingopslag als bedoeld
in artikel 129 omvat.
fonction de l’écart entre le taux d’intérêt qu’il serait possible
de tirer des actifs inclus dans un portefeuille de référence
dans cette devise et les taux de la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque correspondante dans cette devise.
Le portefeuille de référence dans une devise est repré-
sentatif des actifs qui sont libellés dans ladite devise et dans
lesquels les entreprises d’assurance ou de réassurance ont
investi pour couvrir la meilleure estimation des engagements
d’assurance ou de réassurance libellés dans cette devise.
§ 3. Le montant de la correction pour volatilité de la courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque correspond à 65 %
de l’écart “devises” moyennant correction du risque.
L’écart “devises” moyennant correction du risque est
calculé sur la base de la différence entre l’écart visé au para-
graphe 2 et la partie de cet écart imputable à une évaluation
réaliste des pertes escomptées, du risque de crédit non
escompté ou de tout autre risque lié aux actifs.
La correction pour volatilité n’est applicable qu’aux taux
de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque qui ne
sont pas calculés au moyen d’une extrapolation conformé-
ment à l’article 128. L’extrapolation de la courbe pertinente
des taux d’intérêt sans risque est fonction des taux d’intérêt
sans risque ajustés.
§ 4. Pour chaque pays concerné, la correction pour volatilité
des taux d’intérêt sans risque visés au paragraphe 3 dans la
devise de ce pays est, avant application du facteur de 65 %,
augmentée de la différence entre l’écart “pays” moyennant
correction du risque et le double de l’écart “devises” moyen-
nant correction du risque, lorsque cette différence est positive
et que l’écart “pays” moyennant correction du risque est
supérieur à 100 points de base.
L’augmentation de la correction pour volatilité s’applique
au calcul de la meilleure estimation des engagements
d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur le
marché de l’assurance ou de la réassurance de ce pays.
L’écart “pays” moyennant correction du risque est calculé de
la même manière que l’écart “devises” moyennant correction
du risque de ce pays mais sur la base d’un portefeuille de
référence qui est représentatif du portefeuille d’actifs dans
lesquels les entreprises d’assurance ou de réassurance ont
investi pour couvrir la meilleure estimation des engagements
d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur le
marché de l’assurance ou de la réassurance de ce pays et
libellés dans la devise de ce pays.
§ 5. La correction pour volatilité ne s’applique pas aux
engagements d’assurance si la courbe pertinente des taux
d’intérêt sans risque à utiliser pour calculer la meilleure
estimation de ces engagements fait intervenir l’ajustement
égalisateur prévu à l’article 129.
453
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 6. Bij wijze van uitzondering op artikel 151 heeft het
solvabiliteitskapitaalvereiste geen betrekking op het risico op
verlies van het kernvermogen ten gevolge van wijzigingen in
de volatiliteitsaanpassing.
§ 5 – Overige bepalingen betreffende de technische
voorzieningen
Art. 132
Indien de technische informatie als bedoeld in artikel
77sexies, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG door de Europese
Commissie in overeenstemming met lid 2 van hetzelfde artikel
is vastgesteld, gebruiken de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die technische informatie voor het berekenen
van de beste schatting overeenkomstig de artikelen 126 en
127, het berekenen van de matchingopslag overeenkomstig
artikel 130, en het berekenen van de volatiliteitsaanpassing
overeenkomstig artikel 131.
Indien met betrekking tot munteenheden en nationale
markten de in artikel 77sexies, lid 1, onder c), van Richtlijn
2009/138/EG bedoelde aanpassing niet in de uitvoerings-
handelingen als bedoeld in lid 2 van hetzelfde artikel is opge-
nomen, wordt geen volatiliteitsaanpassing van de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur toegepast voor het berekenen
van de beste schatting.
Art. 133
Naast hetgeen in de artikelen 126 en 127 is bepaald, ne-
men verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij de
berekening van hun technische voorzieningen het volgende
in aanmerking:
1° alle kosten die worden gemaakt bij het nakomen van
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen;
2° inflatie, waaronder kosten- en schadegevalleninflatie;
3° alle door de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen verwachte betalingen aan verzekeringnemers
en begunstigden, waaronder toekomstige discretionaire
winstdelingen, ongeacht of deze betalingen contractueel ge-
garandeerd zijn, tenzij ze onder artikel 145, tweede lid vallen.
Art. 134
Bij de berekening van hun technische voorzieningen hou-
den de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen reke-
ning met de waarde van financiële garanties en contractuele
opties in verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen han-
teren met betrekking tot de kans dat de verzekeringnemers
gebruik zullen maken van de contractuele opties die hen
worden geboden, zoals het recht op reductie van de prestaties
§ 6. Par dérogation à l’article 151, le capital de solvabilité
requis ne couvre pas le risque de perte de fonds propres de
base découlant d’une variation de la correction pour volatilité.
§ 5 – Autres dispositions relatives aux provisions
techniques
Art. 132
Lorsque les informations techniques visées à l’article
77sexies, paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE sont
adoptées par la Commission européenne conformément au
paragraphe 2 du même article, les entreprises d’assurance
ou de réassurance font usage de ces informations techniques
pour calculer la meilleure estimation conformément aux
articles 126 et 127, l’ajustement égalisateur conformé ment
à l’article 130, et la correction pour volatilité conformément
à l’article 131.
En ce qui concerne les devises pour lesquelles et les
marchés nationaux sur lesquels l’ajustement visé à l’article
77sexies, paragraphe 1er, c) de la Directive 2009/138/CE,
n’est pas prévu dans les actes d’exécution visés au para-
graphe 2 du même article, aucune correction pour volatilité
n’est appliquée à la courbe pertinente des taux d’intérêts
sans risque à utiliser pour calculer la meilleure estimation.
Art. 133
Outre les dispositions des articles 126 et 127, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance tiennent compte des
éléments suivants lorsqu’elles calculent leurs provisions
techniques:
1° toutes les dépenses qui seront engagées aux fins
d’honorer les engagements d’assurance ou de réassurance;
2° l’inflation, y compris l’inflation relative aux dépenses
et aux sinistres;
3° l’ensemble des paiements aux preneurs d’assurance
et bénéficiaires, y compris les participations discrétionnaires
que les entreprises d’assurance ou de réassurance prévoient
de verser dans l’avenir, que ces paiements soient ou non
garantis contractuellement, à moins qu’ils ne relèvent de
l’article 145, alinéa 2.
Art. 134
Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les
entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte
de la valeur des garanties financières et de toute option
contractuelle incluses dans les contrats d’assurance ou de
réassurance.
Toute hypothèse retenue par les entreprises d’assurance
ou de réassurance concernant la probabilité que les preneurs
d’assurance exercent les options contractuelles qui leur sont
offertes, y compris le droit de réduction des prestations et le
454
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
en het afkooprecht, realistische hypothesen die uitgaan van
actuele en betrouwbare informatie. In de hypothesen wordt
expliciet dan wel impliciet rekening gehouden met de moge-
lijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële
en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking
van deze opties.
Art. 135
Bij de berekening van hun technische voorzieningen de-
len de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun
verze kerings- of herverzekeringsverplichtingen op in homo-
gene risicogroepen en ten minste in business lines.
Art. 136
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen de schuldvorderingen berekenen die voortvloeien uit
herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels,
nemen zij de artikelen 125 tot 135 in acht.
Bij de berekening van de schuldvorderingen die voort-
vloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiserings-
vehikels, houden de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen rekening met het tijdsverschil tussen de verhaalde
bedragen en de rechtstreekse betalingen.
De uitkomst van deze berekening wordt gecorrigeerd voor
de verwachte verliezen door wanbetaling van de tegenpartij.
Deze correctie wordt gebaseerd op een beoordeling van de
kans op wanbetaling door de tegenpartij en het daaruit resul-
terende gemiddelde verlies (“loss-given-default”).
Art. 137
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beschikken over interne processen en procedures om de
adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen van de
gegevens waarvan gebruik wordt gemaakt bij de berekening
van hun technische voorzieningen.
Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
in specifieke omstandigheden over onvoldoende degelijke ge-
gevens beschikken om een betrouwbare actuariële methode
toe te passen op een set of subset van hun verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen of op schuldvorderingen die
voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectise-
ringsvehikels, mogen passende benaderingen, met inbegrip
van ad-hocbenaderingen, worden gebruikt voor de berekening
van de beste schatting.
Art. 138
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be-
schikken over processen en procedures die ervoor zorgen dat
hun beste schattingen en de hypothesen voor de berekening
van de beste schattingen regelmatig worden getoetst aan de
praktijkervaring.
droit de rachat, est réaliste et fondée sur des informations
actuelles et crédibles. Elle tient compte, explicitement ou
implicitement, de l’impact que pourraient avoir d’éventuels
changements des conditions financières et non financières
sur l’exercice de ces options.
Art. 135
Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les
entreprises d’assurance ou de réassurance segmentent leurs
engagements d’assurance ou de réassurance en groupes
de risques homogènes et, au minimum, par ligne d’activité.
Art. 136
Lorsqu’elles calculent les créances découlant des contrats
de réassurance et des véhicules de titrisation, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance se conforment aux
articles 125 à 135.
Lorsqu’elles calculent les créances découlant des contrats
de réassurance et des véhicules de titrisation, les entreprises
d’assurance ou de réassurance tiennent compte de la diffé-
rence temporelle qui existe entre les recouvrements et les
paiements directs.
Le résultat de ce calcul est ajusté afin de tenir compte des
pertes probables pour défaut de la contrepartie. Cet ajuste-
ment est fondé sur une évaluation de la probabilité de défaut
de la contrepartie et de la perte moyenne en résultant (perte
en cas de défaut).
Art. 137
Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent
en place des processus et procédures internes de nature à
garantir le caractère approprié, l’exhaustivité et l’exactitude
des données utilisées dans le calcul de leurs provisions
techniques.
Lorsque, dans des circonstances particulières, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance ne disposent pas de
suffisamment de données d’une qualité appropriée pour
appliquer une méthode actuarielle fiable à un ensemble ou
à un sous-ensemble de leurs engagements d’assurance ou
de réassurance, ou de créances découlant de contrats de
réassurance et de véhicules de titrisation, des approximations
adéquates, y compris par approches au cas par cas, peuvent
être utilisées pour le calcul de la meilleure estimation.
Art. 138
Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent
en place des processus et procédures en vue d’assurer une
comparaison régulière de leurs meilleures estimations et des
hypothèses sous-tendant le calcul de ces dernières avec les
données tirées de l’expérience.
455
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Wanneer bij deze toetsing blijkt dat de door de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming verrichte berekeningen
van de beste schatting systematisch afwijken van de prak-
tijkervaring, corrigeert de betrokken onderneming de gehan-
teerde actuariële methodes en/of hypothesen naar behoren.
Art. 139
Op verzoek van de Bank tonen de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen aan dat hun technische voorzienin-
gen toereikend zijn, dat de gehanteerde methodes toepas-
selijk en relevant zijn en dat de onderliggende statistische
gegevens adequaat zijn.
Onderafdeling III
Eigen vermogen
Art. 140
Het eigen vermogen is de som van het in artikel 141 be-
doelde kernvermogen en het in artikel 142 bedoelde aanvul-
lend eigen vermogen.
Art. 141
Kernvermogen bestaat uit de volgende bestanddelen:
1° het positieve verschil van de activa ten opzichte van de
opeisbare passiva (liabilities), die gewaardeerd worden over-
eenkomstig artikel 123 en Onderafdeling II van deze Afdeling;
2° achtergestelde passiva.
Het in 1° bedoelde verschil wordt verminderd met het
bedrag van de eigen aandelen die door de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming worden aangehouden.
Art. 142
§ 1. Aanvullend eigen vermogen bestaat uit bestanddelen
die geen kernvermogen vormen en die kunnen worden op-
gevraagd om verliezen te compenseren.
Aanvullend eigen vermogen kan bestaan uit de volgende
bestanddelen, voor zover deze geen kernvermogen vormen:
1° het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapi-
taal of van het maatschappelijk fonds dat niet is opgevraagd;
2° kredietbrieven en garanties;
3° andere juridisch bindende verplichtingen jegens de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Lorsque cette comparaison met en évidence un écart
systématique entre les données tirées de l’expérience et les
calculs des meilleures estimations de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance, l’entreprise concernée apporte les ajus-
tements qu’il convient aux méthodes actuarielles utilisées et/
ou aux hypothèses retenues.
Art. 139
Sur demande de la Banque, les entreprises d’assurance ou
de réassurance démontrent le caractère approprié du niveau
de leurs provisions techniques, ainsi que l’applicabilité et la
pertinence des méthodes qu’elles appliquent et l’adéquation
des données statistiques sous-jacentes.
Sous-section III
Fonds propres
Art. 140
Les fonds propres correspondent à la somme des fonds
propres de base visés à l’article 141 et des fonds propres
auxiliaires visés à l’article 142.
Art. 141
Les fonds propres de base se composent des éléments
suivants:
1° l’excédent des actifs par rapport aux passifs exigibles
(liabilities), évalués conformément à l’article 123 et à la Sous-
section II de la présente Section;
2° les passifs subordonnés.
L’excédent visé au 1° est diminué du montant de ses
propres actions que l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance détient.
Art. 142
§ 1er. Les fonds propres auxiliaires se composent d’élé-
ments, autres que les fonds propres de base, qui peuvent
être appelés pour absorber des pertes.
Les fonds propres auxiliaires peuvent inclure les éléments
suivants, dans la mesure où il ne s’agit pas d’éléments de
fonds propres de base:
1° la fraction non versée du capital social ou le fonds initial
qui n’a pas été appelé;
2° les lettres de crédit et les garanties;
3° tout autre engagement, juridiquement contraignant, reçu
par les entreprises d’assurance ou de réassurance.
456
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bij onderlinge verzekeringsverenigingen met variabele
bijdragen kan het aanvullend eigen vermogen ook de sup-
pletiebijdragen omvatten die zij van hun leden kunnen eisen
in de volgende twaalf maanden.
§ 2. Wanneer een bestanddeel van het aanvullend eigen
vermogens gestort of opgevraagd is, wordt het behandeld als
een actief en maakt het geen deel meer uit van het aanvullend
eigen vermogen.
Art. 143
§ 1. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat bij
de bepaling van het eigen vermogen in aanmerking wordt
genomen, dient vooraf door de Bank te worden goedgekeurd.
§ 2. Het bedrag toegewezen aan elk bestanddeel van het
aanvullend eigen vermogen weerspiegelt het vermogen van
het betrokken bestanddeel om verliezen te compenseren en is
gebaseerd op prudente en realistische hypothesen. Indien een
bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen een vaste
nominale waarde heeft, is het bedrag van dat bestanddeel
gelijk aan zijn nominale waarde, mits het het vermogen van
het bestanddeel om verliezen te compenseren weerspiegelt.
§ 3. De Bank verleent haar goedkeuring aan een van de
volgende elementen:
1° een financieel bedrag voor elk bestanddeel van het
aanvullend eigen vermogen;
2° een methode om het bedrag van elk bestanddeel van het
aanvullend eigen vermogen te bepalen. In dit geval verleent
de Bank slechts voor een bepaalde periode haar goedkeu-
ring aan het bedrag dat overeenkomstig deze methode is
vastgesteld.
§ 4. Bij elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermo-
gen baseert de Bank haar goedkeuring op de beoordeling
van het volgende:
1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband
met hun mogelijkheid en bereidheid te betalen;
2° de invorderbaarheid van het vermogens bestanddeel,
waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van
het betrokken bestanddeel en met de omstandigheden
waaronder het bestanddeel niet zal kunnen worden gestort
of opgevraagd;
3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van der-
gelijk aanvullend eigen vermogen, voor zover die informatie
op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte
afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen.
Dans le cas d’une association d’assurance mutuelle à
cotisations variables, les fonds propres auxiliaires peuvent
également inclure toute créance future que cette association
d’assurance mutuelle peut détenir sur ses membres par voie
de rappel de cotisations durant les douze mois à venir.
§ 2. Lorsqu’un élément des fonds propres auxiliaires a
été payé ou appelé, il est assimilé à un actif et cesse de faire
partie des fonds propres auxiliaires.
Art. 143
§ 1er. Le montant des éléments des fonds propres auxiliaires
à prendre en considération pour déterminer les fonds propres
sont soumis à l’approbation préalable de la Banque.
§ 2. Le montant attribué à chaque élément de fonds propres
auxiliaires reflète la capacité d’absorption des pertes de l’élé-
ment concerné et est fondé sur des hypothèses prudentes
et réalistes. Lorsqu’une valeur nominale fixe est attachée à
un élément de fonds propres auxiliaires, le montant de cet
élément est égal à sa valeur nominale, pourvu que celle-ci
reflète convenablement sa capacité d’absorption des pertes.
§ 3. La Banque approuve l’un ou l’autre des éléments
suivants:
1° un montant monétaire pour chaque élément de fonds
propres auxiliaires;
2° une méthode de calcul du montant de chaque élément
de fonds propres auxiliaires, auquel cas l’approbation par
la Banque du montant ainsi calculé est donnée pour une
période déterminée.
§ 4. Pour chaque élément de fonds propres auxiliaires, la
Banque fonde son approbation sur l’évaluation des éléments
suivants:
1° le statut des contreparties concernées, eu égard à leur
capacité et à leur disposition à payer;
2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds
propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément
considéré, ainsi que toute circonstance qui pourrait empêcher
qu’il soit payé ou appelé avec succès;
3° toute information sur l’issue des appels émis dans le
passé par les entreprises d’assurance ou de réassurance
pour des fonds propres auxiliaires semblables, dans la mesure
où cette information peut être raisonnablement utilisée pour
estimer l’issue attendue de futurs appels.
457
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 144
Naast de vereisten van artikel 68 van Verordening 2015/35,
wordt direct, indirect en synthetisch bezit van eigenvermo-
gensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector
afgetrokken van de eigenvermogensbestanddelen van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming indien deze
entiteiten een wederzijdse deelneming hebben in de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, die volgens de Bank
bedoeld is om het eigen vermogen van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming kunstmatig te verhogen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° “financiële sector”: de financiële sector als gedefinieerd
in artikel 338, 9°;
2° “synthetisch bezit”: een belegging in een financieel
instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband houdt
met de waarde van de door een entiteit uit de financiële sector
uitgegeven kapitaalinstrumenten.
Art. 145
Surplusfondsen zijn geaccumuleerde winsten die nog niet
beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekering-
nemers en de begunstigden.
Surplusfondsen worden niet als verzekerings- of herver-
zekeringsverplichtingen beschouwd wanneer deze voldoen
aan de criteria van artikel 147, § 1.
Art. 146
§ 1. Eigenvermogensbestanddelen worden in drie tiers
ingedeeld. De indeling van deze bestanddelen is afhankelijk
van de vraag of ze kernvermogens- of aanvullendeigenver-
mogensbestanddelen zijn en de mate waarin ze de volgende
kenmerken bezitten:
1° het bestanddeel blijft, ook bij liquidatie, beschikbaar of
kan op verzoek opgevraagd worden om verliezen volledig te
compenseren (permanente beschikbaarheid);
2° bij liquidatie is het totale bedrag van het bestanddeel
beschikbaar om verliezen te compenseren en wordt de terug-
betaling van het bestanddeel aan de houder ervan geweigerd
totdat alle andere verplichtingen, waaronder verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers en
begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereen-
komsten, zijn nagekomen (achterstelling).
§ 2. Bij de beoordeling van de mate waarin de eigenver-
mogensbestanddelen op dit moment en in de toekomst de
kenmerken bezitten die zijn vastgelegd in paragraaf 1, 1° en
2°, wordt voldoende rekening gehouden met de duur van het
bestanddeel, inzonderheid of het bestanddeel gedateerd is
Art. 144
Outre les exigences prévues par l ’article 68 du
Règlement 2015/35, les détentions directes, indirectes et
synthétiques, détenues par une entreprise d’assurance ou
de réassurance dans des instruments de fonds propres
d’entités du secteur financier sont déduites de ses éléments
de fonds propres lorsqu’il existe une détention croisée entre
ces entités et l’entreprise d’assurance ou de réassurance et
que la Banque estime que cette participation vise à accroître
artificiellement les fonds propres de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance.
Pour l’application du présent article, on entend:
1° “secteur financier” au sens défini par l’article 338, 9°;
2° par “détention synthétique”, un investissement effectué
dans un instrument financier dont la valeur est directement
liée à la valeur des instruments de capital émis par une entité
du secteur financier.
Art. 145
Les fonds excédentaires sont constitués de bénéfices
accumulés qui n’ont pas encore été rendus disponibles pour
distribution aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires.
Les fonds excédentaires ne sont pas considérés comme
des engagements d’assurance ou de réassurance dans la
mesure où ils satisfont aux critères énoncés à l’article 147,
§ 1er.
Art. 146
§ 1er. Les éléments de fonds propres sont classés en trois
niveaux. Le classement de ces éléments est fonction de leur
caractère de fonds propres de base ou de fonds propres
auxiliaires et de la mesure dans laquelle ils présentent les
caractéristiques suivantes:
1° l’élément est disponible, ou peut être appelé sur
demande pour absorber complètement des pertes, que ce
soit dans le cadre d’une exploitation continue ou en cas de
liquidation (disponibilité permanente);
2° en cas de liquidation, le montant total de l’élément est
disponible pour l’absorption des pertes et le remboursement
de l’élément est refusé à son détenteur jusqu’à ce que tous les
autres engagements, y compris les engagements d’assurance
ou de réassurance vis-à-vis des preneurs d’assurance et des
bénéficiaires des contrats d’assurance ou de réassurance,
aient été honorés (subordination).
§ 2. Pour évaluer dans quelle mesure les éléments de
fonds propres présentent les caractéristiques définies au
paragraphe 1er, 1° et 2°, au moment considéré et à l’avenir,
il importe de prendre dûment en considération la durée de
l’élément, en particulier s’il a une durée déterminée ou non.
458
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
of niet. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel gedateerd
is, wordt rekening gehouden met de relatieve duur van het
bestanddeel in vergelijking met de duur van de verzeke-
rings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming
(voldoende looptijd).
Bovendien wordt rekening gehouden met de volgende
elementen:
1° of het bestanddeel vrij is van vereisten of stimulansen
om de nominale som terug te betalen (afwezigheid van sti-
mulansen voor terugbetaling);
2° of het bestanddeel vrij is van verplichte vaste kosten
(afwezigheid van verplichte inherente kosten);
3° of het bestanddeel niet bezwaard is (afwezigheid van
bezwaringen).
Art. 147
§ 1. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier
1 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146,
§ 1, 1° en 2° bezitten, rekening houdend met de elementen
bedoeld in artikel 146, § 2.
§ 2. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier
2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1,
2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in
artikel 146, § 2.
Aanvullendeigenvermogensbestanddelen wor den inge-
deeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van
artikel 146, § 1, 1° et 2° bezitten, rekening houdend met de
elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
§ 3. Kern- en aanvullendeigenvermogensbestanddelen
die niet onder de paragrafen 1 en 2 vallen, worden ingedeeld
in Tier 3.
Art. 148
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen delen
hun eigenvermogensbestanddelen in op basis van de criteria
van artikel 147.
Daartoe verwijzen de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen in voorkomend geval naar de lijst van eigenver-
mogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74,
76 78 van Verordening 2015/35.
Wanneer een eigenvermogensbestanddeel niet in deze lijst
voorkomt, wordt het overeen komstig het eerste lid beoordeeld
en ingedeeld door de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen. Deze indeling wordt ter goedkeuring voorgelegd
aan de Bank.
Lorsque l’élément de fonds propres a une durée déterminée,
sa durée relative, en comparaison de la durée des engage-
ments d’assurance ou de réassurance de l’entreprise, est
prise en considération (durée suffisante).
Les facteurs suivants sont, en outre, pris en considération,
à savoir si l’élément est exempt:
1° de toute obligation de rembourser ou incitation à
rembourser son montant nominal (absence d’incitation à
rembourser);
2° de charges fixes obligatoires (absence de charges
financières obligatoires inhérentes);
3° de contraintes (absence de contraintes).
Art. 147
§ 1er. Les éléments des fonds propres de base sont classés
au niveau 1 lorsqu’ils présentent, en substance, les caracté-
ristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, compte tenu
des facteurs visés à l’article 146, § 2.
§ 2. Les éléments des fonds propres de base sont classés
au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, la caractéris-
tique exposée à l’article 146, § 1er, 2°, en tenant compte des
facteurs visés à l’article 146, § 2.
Les éléments des fonds propres auxiliaires sont classés
au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, les carac-
téristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, en tenant
compte des facteurs visés à l’article 146, § 2.
§ 3. Tout élément des fonds propres de base ou auxiliaires
qui ne relève pas des paragraphes 1er et 2 est classé au
niveau 3.
Art. 148
Les entreprises d’assurance ou de réassurance classent
leurs éléments de fonds propres sur la base des critères
énoncés à l’article 147.
À cet effet, les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance se réfèrent, le cas échéant, à la liste des éléments
de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et 78 du
Règlement 2015/35.
Lorsqu’un élément de fonds propres ne relève pas de cette
liste, il est évalué et classé par les entreprises d’assurance ou
de réassurance conformément à l’alinéa 1er. Ce classement
est soumis à l’approbation de la Banque.
459
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 149
Onverminderd artikel 148 en de lijst van eigenvermogens-
bestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 78 van
Verordening 2015/35, gelden de volgende indelingen voor het
verzekeringsspecifieke eigen vermogen:
1° surplusfondsen die onder artikel 145, tweede lid vallen,
worden ingedeeld in Tier 1;
2° kredietbrieven en garanties die door een onafhankelijke
trustee ten behoeve van schuldeisers uit hoofde van ver-
zekering in trust worden gehouden en afgegeven zijn door
kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/
EU een vergunning is verleend, worden ingedeeld in Tier 2;
3° suppletiebijdragen die onderlinge verzekeringsvereni-
gingen van reders met variabele bijdragen die uitsluitend de
risico’s verzekeren die ingedeeld zijn in de takken 6, 12 en
17 als vermeld in Bijlage I, van hun leden kunnen eisen in de
volgende twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2.
Overeenkomstig artikel 147, § 2, tweede lid, worden sup-
pletiebijdragen die onder linge verzekeringsverenigingen
met variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen in de
volgende twaalf maanden en die niet onder het eerste lid,
3° vallen, ingedeeld in Tier 2, wanneer zij in hoge mate de
kenmerken van artikel 146, § 1, 1° en 2° bezitten, rekening
houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2.
Art. 150
§ 1. Wat de naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste
betreft, gelden voor de in aanmerking komende bedragen van
de bestanddelen van Tier 2 en Tier 3 kwantitatieve grenzen.
Die grenzen zijn zodanig dat gewaarborgd wordt dat ten min-
ste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmer-
king komend eigen vermogen is meer dan een derde van het
totale bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen;
2° het in aanmerking komende bedrag van Tier 3-bestand-
delen is minder dan een derde van het totale bedrag van het
in aanmerking komend eigen vermogen.
§ 2. Wat de naleving van het minimumkapitaalvereiste
betreft, geldt dat het bedrag van de in Tier 2 ingedeelde
in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter
dekking van het minimumkapitaalvereiste is gebonden aan
kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat ten minste
gewaarborgd wordt dat het aandeel van Tier 1-bestanddelen
in het in aanmerking komend kernvermogen meer is dan de
helft van het totale bedrag van het in aanmerking komend
kernvermogen.
§ 3. Het in aanmerking komend bedrag van het eigen ver-
mogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals
Art. 149
Sans préjudice de l’article 148 et de la liste des éléments
de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et 78 du
Règlement 2015/35, les classements suivants sont appli-
qués en ce qui concerne les fonds propres spécifiques à
l’assurance:
1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145, ali-
néa 2 sont classés au niveau 1;
2° les lettres de crédit et les garanties détenues en fidu-
cie par un fiduciaire indépendant au bénéfice de créanciers
d’assurance et fournies par des établissements de crédit
agréés conformément à la Directive 2013/36/UE sont classées
au niveau 2;
3° toute créance future que les associations d’assurance
mutuelle à cotisations variables de propriétaires de navires,
qui assurent uniquement les risques classés sous les
branches 6, 12 et 17 mentionnées à l’Annexe I, peuvent détenir
sur leurs membres par voie de rappel de cotisations durant
les douze mois à venir, est classée au niveau 2.
Conformément à l’article 147, § 2, alinéa 2, toute créance
future que les associations d’assurance mutuelle à cotisa-
tions variables peuvent détenir sur leurs membres par voie
de rappel de cotisations durant les douze mois à venir et qui
n’est pas couverte par l’alinéa 1er, 3°, est classée au niveau
2 lorsqu’elle présente, en substance, les caractéristiques
exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, en tenant compte des
facteurs visés à l’article 146, § 2.
Art. 150
§ 1er. Pour ce qui concerne la conformité au capital de
solvabilité requis, les montants éligibles des éléments de
niveau 2 et de niveau 3 sont soumis à des limites quantitatives.
Ces limites sont telles qu’elles garantissent, au moins, que
les conditions suivantes sont réunies:
1° la part des éléments de niveau 1 compris dans les fonds
propres éligibles représente plus du tiers du montant total des
fonds propres éligibles;
2° le montant éligible des éléments de niveau 3 représente
moins du tiers du montant total des fonds propres éligibles.
§ 2. Pour ce qui concerne la conformité au minimum de
capital requis, le montant des éléments de fonds propres de
base éligibles pour couvrir le minimum de capital requis qui
sont classés au niveau 2 est soumis à des limites quantitatives.
Ces limites sont telles qu’elles garantissent, au moins, que la
part des éléments de niveau 1 compris dans les fonds propres
de base éligibles représente plus de la moitié du montant total
des fonds propres de base éligibles.
§ 3. Le montant des fonds propres éligible pour couvrir le
capital de solvabilité requis prévu à l’article 151 est égal à la
460
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
vastgelegd in artikel 151 is gelijk aan de som van het bedrag
van Tier 1, het in aanmerking komend bedrag van Tier 2 en
het in aanmerking komend bedrag van Tier 3.
§ 4. Het in aanmerking komend bedrag van het kernver-
mogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste zoals
vastgelegd in artikel 189 is gelijk aan de som van het bedrag
van Tier 1 en het in aanmerking komend bedrag van de in
Tier 2 ingedeelde kernvermogensbestanddelen.
Afdeling II
Kapitaalvereisten
Onderafdeling I
Algemene bepalingen betreffende het
solvabiliteitskapitaalvereiste
Art. 151
§ 1. Het solvabiliteitskapitaalvereiste waaraan de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen moeten voldoen,
wordt overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 berekend.
§ 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op
basis van de veronderstelling dat de betrokken onderneming
haar bedrijf blijvend zal uitoefenen.
Het solvabiliteitskapitaal kan worden berekend aan de hand
van de standaardmethode of aan de hand van interne model-
len, volgens de regels die respectievelijk zijn vastgesteld in
de Onderafdelingen II en III.
§ 3. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt zo gekalibreerd
dat rekening gehouden wordt met alle kwantificeerbare risico’s
waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
blootstaat.
Het dekt bestaande verzekeringen, alsmede nieuwe verze-
keringen die naar verwachting in de volgende twaalf maanden
zullen worden afgesloten. Wat de bestaande verzekeringen
betreft, dekt het uitsluitend onverwachte verliezen
Het solvabiliteitskapitaalvereiste stemt overeen met de
Value at Risk (VaR) van het kernvermogen van de verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouw-
baarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar.
§ 4. Het solvabiliteitskapitaalvereiste omvat ten minste de
volgende risico’s:
1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”;
2° het verzekeringstechnisch risico “leven”;
3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”;
4° het marktrisico;
somme du montant des éléments de niveau 1, du montant
éligible des éléments de niveau 2 et du montant éligible des
éléments de niveau 3.
§ 4. Le montant des fonds propres de base éligible pour
couvrir le minimum de capital requis prévu à l’article 189 est
égal à la somme du montant des éléments de niveau 1 et
du montant éligible des éléments de fonds propres de base
classés au niveau 2.
Section II
Exigences de capital
Sous-Section Ire
Dispositions générales concernant le capital de solvabilité
requis
Art. 151
§ 1er. Le capital de solvabilité requis que les entreprises
d’assurance ou de réassurance détiennent est calculé confor-
mément aux paragraphes 2 à 5.
§ 2. Le calcul du capital de solvabilité requis se fonde sur
l’hypothèse d’une continuité de l’exploitation de l’entreprise
concernée.
Le capital de solvabilité peut être calculé au moyen de la
méthode standard ou au moyen de modèles internes selon les
modalités respectivement précisées aux Sous-sections II et III.
§ 3. Le capital de solvabilité requis est calibré de manière
à garantir que tous les risques quantifiables auxquels l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance est exposée soient pris
en considération.
Il couvre le portefeuille en cours, ainsi que le nouveau
portefeuille dont la souscription est attendue dans les douze
mois à venir. Pour ce qui concerne le portefeuille en cours, il
couvre seulement les pertes non anticipées.
Le capital de solvabilité requis correspond à la valeur en
risque (Value-at-Risk) des fonds propres de base de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance, avec un niveau de
confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an.
§ 4. Le capital de solvabilité requis couvre au minimum
les risques suivants:
1° le risque de souscription en non-vie;
2° le risque de souscription en vie;
3° le risque de souscription en santé;
4° le risque de marché;
461
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
5° het kredietrisico;
6° het operationeel risico.
Tot het in het eerste lid, 6°, bedoelde operationele ri-
sico worden ook juridische risico’s gerekend, maar niet de
risico’s die voortvloeien uit strategische beslissingen en
reputatierisico’s.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit bepalen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste andere
risico’s dient te omvatten dan deze bedoeld in het eerste lid.
§ 5. Bij de berekening van hun solvabiliteitskapitaalvereiste
houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
rekening met het effect van risicomatigingstechnieken, mits
in het solvabiliteitskapitaalvereiste afdoende rekening wordt
gehouden met krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit
het gebruik van dergelijke technieken.
Art. 152
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
berekenen hun solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste een-
maal per jaar en melden de uitkomst van deze berekening
aan de Bank.
Om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 74 en
151 controleren de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen het bedrag van hun in aanmerking komend eigen
vermogen en hun solvabiliteitskapitaalvereiste continu.
Indien het risicoprofiel van een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die
ten grondslag lagen aan het gemelde solvabiliteitskapitaal-
vereiste, berekent deze onderneming het solvabiliteitskapi-
taalvereiste onverwijld op nieuw en meldt zij dit aan de Bank.
§ 2. Wanneer er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk
veranderd is sinds de datum waarop het solvabiliteitskapi-
taalvereiste voor het laatst is gemeld, mag de Bank deze
onderneming verplichten het solvabiliteitskapitaalvereiste
opnieuw te berekenen.
Onderafdeling II
Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de
standaardformule
Art. 153
Het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de
standaardformule is de som van de volgende bestanddelen:
1° het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic solvency
capital requirement) als bedoeld in artikel 154;
2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico (Capital
requirement for operational risk), als bedoeld in artikel 163;
5° le risque de crédit;
6° le risque opérationnel.
Le risque opérationnel visé à l’alinéa 1er, 6°, comprend les
risques juridiques, mais ne comprend ni les risques découlant
des décisions stratégiques, ni les risques de réputation.
Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
peut imposer que le capital de solvabilité requis couvre
d’autres risques que ceux visés à l’alinéa 1er.
§ 5. Lorsqu’elles calculent leur capital de solvabilité requis,
les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent
compte de l’impact des techniques d’atténuation des risques,
sous réserve que le risque de crédit et les autres risques inhé-
rents à l’emploi de ces techniques soient pris en considération
de manière adéquate dans le capital de solvabilité requis.
Art. 152
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance cal-
culent leur capital de solvabilité requis au moins une fois par
an et notifient le résultat de ce calcul à la Banque.
Aux fins du respect des articles 74 et 151, les entreprises
d’assurance ou de réassurance surveillent en permanence
le montant de leurs fonds propres éligibles et leur capital de
solvabilité requis.
Si le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance s’écarte significativement des hypothèses qui
sous-tendent le capital de solvabilité requis notifié, cette
entreprise recalcule sans délai son capital de solvabilité requis
et le notifie à la Banque.
§ 2. Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil
de risque d’une entreprise d’assurance ou de réassurance a
changé significativement depuis la date de la dernière notifi-
cation du capital de solvabilité requis, la Banque peut exiger
de cette entreprise qu’elle recalcule le capital de solvabilité
requis.
Sous-section II
Capital de solvabilité requis calculé selon la formule
standard
Art. 153
Le capital de solvabilité requis calculé selon la formule
standard est la somme des éléments suivants:
1° le capital de solvabilité requis de base (Basic solvency
capital requirement), prévu à l’article 154;
2° l’exigence de capital pour risque opérationnel (Capital
requirement for operational risk), prévue à l’article 163;
462
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de correctie voor het vermogen van de technische voor-
zieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om
verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing
capacity), als bedoeld in artikel 164.
Art. 154
§ 1. Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste bestaat uit
afzonderlijke risicomodules die overeenkomstig punt 1 van
Bijlage III geaggregeerd worden.
Het bestaat uit ten minste de volgende risicomodules:
1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”;
2° het verzekeringstechnisch risico “leven”;
3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”;
4° het marktrisico;
5° het tegenpartijrisico.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit bepalen dat andere modules dan deze bedoeld in het
eerste lid dienen te worden gebruikt.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3°,
worden de verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen
ondergebracht in de verzekeringstechnische risicomodule
die het best rekening houdt met de technische aard van de
onderliggende risico’s.
§ 3. De correlatiecoëfficiënten voor de aggregatie van
de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules, en de kalibratie
van de kapitaalvereisten voor elke risicomodule afzonderlijk
resulteren in een algeheel solvabiliteitskapitaalvereiste dat
voldoet aan de beginselen van artikel 151.
§ 4. Elk van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules
wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf met
een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode
van één jaar.
In voorkomend geval wordt bij de opzet van een risicomo-
dule rekening gehouden met diversificatie-effecten.
§ 5. Voor alle verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen worden voor de risicomodules dezelfde opzet en
specificaties gebruikt, zowel wat het kernsolvabiliteitskapi-
taalvereiste als de in artikel 165 bedoelde vereenvoudigde
berekeningen betreft.
§ 6. Wat de risico’s betreft die voortvloeien uit catastrofes,
mogen geografische specificaties in voorkomend geval wor-
den gebruikt voor de berekening van de modules “verzeke-
ringstechnisch risico “leven””, “verzekeringstechnisch risico
“niet-leven”” en “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten””.
§ 7. Mits de Bank hiermee instemt, mogen de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen bij de berekening van de
3° l’ajustement pour tenir compte de la capacité d’absorp-
tion (Adjustment for the loss-absorbing capacity) de pertes
des provisions techniques et des impôts différés (Deferred
taxes), prévu à l’article 164.
Art. 154
§ 1er. Le capital de solvabilité requis de base se compose de
modules de risque individuels qui sont agrégés conformément
au point 1 de l’Annexe III.
Il comprend au moins les modules de risque suivants:
1° le risque de souscription en non-vie;
2° le risque de souscription en vie;
3° le risque de souscription en santé;
4° le risque de marché;
5° le risque de contrepartie.
Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
peut imposer l’usage d’autres modules que ceux visés à
l’alinéa 1er.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, 1°, 2° et 3°, les opérations
d’assurance ou de réassurance sont affectées au module de
risque de souscription qui reflète le mieux la nature technique
des risques sous-jacents.
§ 3. Les coefficients de corrélation appliqués aux fins de
l’agrégation des modules de risque visés au paragraphe 1er,
ainsi que le calibrage des exigences de capital pour chaque
module de risque aboutissent à un capital de solvabilité requis
global satisfaisant aux principes énoncés à l’article 151.
§ 4. Chacun des modules de risque visés au paragraphe 1er
est calibré sur la base d’une mesure de la valeur en risque
(Value-at-Risk), avec un niveau de confiance de 99,5 % à
l’horizon d’un an.
S’il y a lieu, il est tenu compte des effets de diversification
dans la conception de chaque module de risque.
§ 5. Pour toutes les entreprises d’assurance ou de réas-
surance, la même conception et les mêmes spécifications
sont utilisées pour les modules de risque, tant pour le capital
de solvabilité requis de base que pour tout calcul simplifié
prévu à l’article 165.
§ 6. En ce qui concerne les risques résultant de catas-
trophes, des spécifications géographiques peuvent, s’il y a
lieu, être utilisées aux fins du calcul des modules “risque de
souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et
“risque de souscription en santé”.
§ 7. Sous réserve de l’accord de la Banque, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance peuvent, lorsqu’elles
463
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
modules “verzekeringstechnisch risico “leven””, “verzekerings-
technisch risico “niet-leven”” en “verzekeringstechnisch risico
“ziektekosten”” binnen de opzet van de standaardformule een
subset van de parameters ervan vervangen door parameters
die specifiek zijn voor de betrokken onderneming.
Dergelijke parameters worden gekalibreerd op basis van
de interne gegevens van de betrokken onderneming of van
gegevens die rechtstreeks relevantie hebben voor de ver-
richtingen van die onderneming, met gebruikmaking van
standaardmethodes.
Bij het verlenen van haar goedkeuring controleert de Bank
de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de gebruikte
gegevens.
Art. 155
Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeenkomstig
de artikelen 156 tot 160 berekend.
Art. 156
§ 1. De module “verzekeringstechnisch risico “niet-leven””,
(Non-life underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat
voortvloeit uit verzekerings verplich tingen “niet-leven” en houdt
rekening met de gedekte gevaren en de processen die in het
kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.
Deze module houdt rekening met de onzekerheid in de
resultaten van de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen met betrekking tot hun bestaande verzekerings- of
herverzekeringsverplichtingen, alsmede met betrekking tot de
nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de komende
twaalf maanden zullen worden afgesloten.
§ 2. Overeenkomstig punt 2 van Bijlage III wordt de module
berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor
ten minste de volgende submodules:
1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun-
stige verandering (adverse change) in de waarde van de
verzekerings verplichtingen door schom melingen in het tijdstip,
de frequentie en de ernst van de verzekerde gebeurtenissen
en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen (premie-
en voorzieningenrisico “niet-leven”);
2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun-
stige verandering (adverse change) in de waarde van de
verzekerings verplichtingen door duidelijke onzekerheid over
de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die
verband houdt met extreme of uitzonderlijke gebeurtenissen
(catastroferisico “niet-leven”).
Art. 157
De module “verzekeringstechnisch risico “leven”” (life un-
derwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit
calculent les modules “risque de souscription en vie”, “risque
de souscription en non-vie” et “risque de souscription en
santé”, remplacer, dans la conception de la formule standard,
un sous-ensemble des paramètres de celle-ci par des para-
mètres propres à l’entreprise concernée.
Ces paramètres sont calibrés sur la base des données
internes de l’entreprise concernée ou de données directement
pertinentes pour les opérations de cette entreprise, sur la base
de méthodes standardisées.
Avant de donner son accord, la Banque vérifie l’exhaustivi-
té, l’exactitude et le caractère approprié des données utilisées.
Art. 155
Le capital de solvabilité requis de base est calculé confor-
mément aux articles 156 à 160.
Art. 156
§ 1er. Le module “risque de souscription en non-vie” (Non-
life underwriting risk) reflète le risque découlant des engage-
ments d’assurance non-vie, compte tenu des périls couverts
et des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité.
Il tient compte de l’incertitude pesant sur les résultats des
entreprises d’assurance ou de réassurance dans le cadre de
leurs engagements d’assurance ou de réassurance existants,
ainsi que du nouveau portefeuille dont la souscription est
attendue dans les douze mois à venir.
§ 2. Le module est calculé, conformément au point 2 de
l’Annexe III, sous la forme d’une combinaison des exigences
de capital applicables aux sous-modules suivants au moins:
1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant la date de sur-
venance, la fréquence et la gravité des événements assurés,
ainsi que la date et le montant des règlements de sinistres
(risque de primes et de réserve en non-vie);
2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux
événements extrêmes ou exceptionnels, qui pèse sur les
hypothèses retenues en matière de prix et de provisionnement
(risque de catastrophe en non-vie).
Art. 157
Le module “risque de souscription en vie” (life underwriting
risk) reflète le risque découlant des engagements d’assurance
464
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
uit levensverzekeringsverplichtingen en houdt rekening met
de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de
bedrijfsuitoefening worden toegepast.
Overeenkomstig punt 3 van Bijlage III wordt de module
berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor
ten minste de volgende submodules:
1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke-
ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de
trend of de volatiliteit van de sterftecijfers, wanneer een stijging
van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van
verzekeringsverplichtingen (overlijdensrisico – mortality risk);
2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke-
ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de
trend of de volatiliteit van sterftecijfers, wanneer een daling
van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van
verzekeringsverplichtingen (langlevenrisico);
3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke-
ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de
trend of de volatiliteit van invaliditeits-, ziekte- en morbidi-
teitscijfers (invaliditeits- en morbiditeitsrisico – disability and
morbidity risk);
4° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke-
ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de
trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van ver-
zekerings- of herverzekeringsovereenkomsten (kostenrisico
“leven” – life expense risk);
5° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verze-
keringsverplichtingen door schommelingen in het niveau,
de trend of de volatiliteit van de op de lijfrente toegepaste
herzieningspercentages, als gevolg van veranderingen in het
wettelijk kader of in de gezondheidstoestand van de verze-
kerde (herzieningsrisico – revision risk);
6° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke-
ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau of de
volatiliteit van de percentages van voortijdige beëindiging,
beëindiging, verlenging of afkoop van de overeenkomsten
(risico van voortijdige beëindiging – lapse risk);
7° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun-
stige verandering (adverse change) in de waarde van de
verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over
de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die
verband houdt met extreme of onregelmatige gebeurtenissen
(catastroferisico “leven” – life catastrophe risk).
vie, compte tenu des périls couverts et des procédés appli-
qués dans l’exercice de cette activité.
Il est calculé, conformément au point 3 de l’Annexe III,
comme résultant de la combinaison des exigences de capital
applicables au moins aux sous-modules suivants:
1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau,
l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de mortalité,
lorsqu’une augmentation de ces taux entraîne une augmen-
tation de la valeur des engagements d’assurance (risque de
mortalité – mortality risk);
2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau,
l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de mortalité,
lorsqu’une baisse de ces taux entraîne une augmentation de
la valeur des engagements d’assurance (risque de longévité);
3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau,
l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux d’invalidité,
de maladie et de morbidité (risque d’invalidité et de morbidité
– disability and morbidity risk);
4° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le
niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des dépenses
encourues pour la gestion des contrats d’assurance ou de
réassurance (risque de dépenses en vie – life expense risk);
5° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau,
l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de révision
applicables aux rentes, sous l’effet d’un changement de
l’environnement juridique ou de l’état de santé de la personne
assurée (risque de révision – revision risk);
6° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau ou
la volatilité des taux de cessation, d’échéance, de renouvel-
lement et de rachat des polices (risque de cessation – lapse
risk);
7° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux
événements extrêmes ou irréguliers, qui pèse sur les hypo-
thèses retenues en matière de prix et de provisionnement
(risque de catastrophe en vie – life catastrophe risk).
465
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 158
De module “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten””
(health underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat
voortvloeit uit ziektekostenverzekeringsverplichtingen, on-
geacht of hij een soortgelijke technische grondslag heeft als
die van levensverzekeringen, en houdt rekening met zowel
de gedekte gevaren als de processen die in het kader van de
bedrijfsuitoefening worden toegepast.
De module dekt minstens de volgende risico’s:
1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verze-
keringsverplichtingen door schommelingen in het niveau,
de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten;
2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige
verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke-
ringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de
frequentie en de ernst van de verzekerde gebeurtenissen en
in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen ten tijde
van de vorming van de voorzieningen;
3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun-
stige verandering (adverse change) in de waarde van de
verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over
de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen
door de uitbraak van grote epidemieën en door een onge-
bruikelijke accumulatie van risico’s onder dergelijke extreme
omstandigheden.
Art. 159
De module “marktrisico” (market risk) heeft betrekking op
het risico dat voortvloeit uit het niveau of de volatiliteit van
de marktprijzen van financiële instrumenten die van invloed
zijn op de waarde van de activa en passiva van de betrok-
ken onderneming. Het houdt naar behoren rekening met elke
structurele mismatch tussen activa en passiva, inzonderheid
wat betreft de looptijd ervan.
Overeenkomstig punt 4 van Bijlage III wordt de module
berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor
ten minste de volgende submodules:
1° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva
en financiële instrumenten voor veranderingen in de rente-
termijnstructuur of in de volatiliteit van de rente (renterisico
– interest rate risk);
2° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva
en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau
of in de volatiliteit van de marktprijzen van aandelen (aande-
lenrisico – equity risk);
3° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva
en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau
Art. 158
Le module “risque de souscription en santé” (health unde-
rwriting risk) reflète le risque découlant de la souscription
d’engagements d’assurance santé, qu’il s’exerce ou non
sur une base technique similaire à celle de l’assurance vie,
compte tenu des périls couverts et des procédés appliqués
dans l’exercice de cette activité.
Il couvre au moins les risques suivants:
1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engage-
ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le
niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des dépenses
encourues pour la gestion des contrats d’assurance ou de
réassurance;
2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de fluctuations affectant la date de sur-
venance, la fréquence et la gravité des événements assurés,
ainsi que la date et le montant des règlements de sinistres au
moment du provisionnement;
3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement
défavorable (adverse change) de la valeur des engagements
d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux
épidémies majeures et à l’accumulation inhabituelle de
risques qui se produit dans ces circonstances extrêmes, qui
pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et de
provisionnement.
Art. 159
Le module “risque de marché” (market risk) reflète le risque
lié au niveau ou à la volatilité de la valeur de marché des ins-
truments financiers ayant un impact sur la valeur des actifs et
des passifs de l’entreprise concernée. Il reflète correctement
toute inadéquation structurelle entre les actifs et les passifs,
en particulier au regard de leur duration.
Il est calculé, conformément au point 4 de l’Annexe III,
comme résultant de la combinaison des exigences de capital
applicables au moins aux sous-modules suivants:
1° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des
instruments financiers aux changements de la courbe des
taux d’intérêt ou de la volatilité des taux d’intérêt (risque de
taux d’intérêt – interest rate risk);
2° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des
instruments financiers aux changements du niveau ou de
la volatilité de la valeur de marché des actions (risque sur
actions – equity risk);
3° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des
instruments financiers aux changements du niveau ou de la
466
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
of in de volatiliteit van de marktprijzen van vastgoed (vast-
goedrisico – property risk);
4° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva
en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau
of in de volatiliteit van de kredietspreads ten opzichte van de
risicovrije rentetermijnstructuur (spreadrisico – spread risk);
5° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en
financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in
de volatiliteit van wisselkoersen (valutarisico – currency risk);
6° extra risico’s die een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming loopt hetzij door een gebrek aan diversificatie
in de activaportefeuille, hetzij door een sterke blootstelling
aan het risico van wanbetaling van een enkele emittent van
effecten of een groep van verbonden emittenten (marktrisi-
coconcentraties – market risk concentrations).
Art. 160
De module “tegenpartijrisico” (counterparty default risk)
heeft betrekking op potentiële verliezen als gevolg van
onverwachte wanbetaling of een verslechtering van de kre-
dietwaardigheid van de tegenpartijen en debiteuren van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de volgende
twaalf maanden.
De module “tegenpartijrisico” omvat risicomatigings-
overeenkomsten, zoals herverzekeringsregelingen, effec-
tiseringen en afgeleide instrumenten, alsook vorderingen
op tussenpersonen en andere kredietrisico’s die niet onder
de submodule “spreadrisico” vallen. De module houdt op
passende wijze rekening met waarborgen of andere zeker-
heden die worden gehouden door of voor rekening van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de daaraan
verbonden risico’s.
De module “tegenpartijrisico” houdt voor elke tegenpartij
rekening met de algehele blootstelling van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming aan het tegenpartijrisico,
ongeacht de rechtsvorm van diens contractuele verplichtingen
jegens deze onderneming.
Art. 161
De submodule “aandelenrisico” (equity risk) die wordt
berekend volgens de standaardformule omvat een sym-
metrische aanpassing van het aandelenkapitaalvereiste om
het risico te dekken dat voortvloeit uit veranderingen in de
aandelenprijzen.
De symmetrische aanpassing van het standaardvereiste
voor aandelenkapitaal, dat gekalibreerd is in overeenstem-
ming met artikel 154, § 4, om de risico’s te dekken die
voortvloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, is
gebaseerd op een functie van de huidige stand van een
volatilité de la valeur de marché des actifs immobiliers (risque
sur actifs immobiliers – property risk);
4° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des
instruments financiers aux changements du niveau ou de
la volatilité des marges (“spreads”) de crédit par rapport à
la courbe des taux d’intérêt sans risque (risque de marge –
spread risk);
5° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des
instruments financiers aux changements du niveau ou de la
volatilité des taux de change (risque de change – currency
risk);
6° les risques supplémentaires supportés par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance du fait soit d’un manque de
diversification de son portefeuille d’actifs, soit d’un exposition
importante au risque de défaut d’un seul émetteur de valeurs
mobilières ou d’un groupe d’émetteurs liés (concentrations
du risque de marché – market risk concentrations).
Art. 160
Le module “risque de contrepartie” (counterparty default
risk) reflète les pertes possibles suite au défaut inattendu
ou la détérioration de la qualité de crédit des contreparties
et débiteurs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
durant les douze mois à venir.
Le module “risque de contrepartie” couvre les contrats d’at-
ténuation des risques, tels que les accords de réassurance,
les titrisations et les instruments dérivés, et les paiements
à recevoir des intermédiaires ainsi que tout autre risque de
crédit ne relevant pas du sous-module “risque de marge”. Il
prend en compte, de manière appropriée, les garanties ou
autres sûretés détenues par l’entreprise d’assurance ou de
réassurance ou pour son compte, et les risques qui y sont liés.
Pour chaque contrepartie, le module “risque de contre-
partie” tient compte de l’exposition globale au risque de
contrepartie encourue par l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée à l’égard de cette contrepartie,
indépendamment de la forme juridique de ses obligations
contractuelles envers cette entreprise.
Art. 161
Le sous-module “risque sur actions” (equity risk) calculé
selon la formule standard comprend un mécanisme d’ajus-
tement symétrique de l’exigence de capital pour actions qui
sert à couvrir le risque découlant des variations du cours
des actions.
L’ajustement symétrique de l’exigence standard de capital
pour actions, calibrée conformément à l’article 154, § 4, qui
couvre le risque découlant des variations du cours des actions
est fonction du niveau actuel d’un indice approprié du cours
des actions et de la moyenne pondérée de cet indice. La
467
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
passende aandelenindex en het gewogen gemiddelde van
die index. Het gewogen gemiddelde wordt berekend over een
passende periode die dezelfde is voor alle verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
De symmetrische aanpassing van het standaardvereiste
voor aandelenkapitaal, ter dekking van de risico’s die voort-
vloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, mag niet
resulteren in de toepassing van een aandelenkapitaalvereiste
dat meer dan 10 procentpunten lager of hoger is dan het
standaardvereiste voor aandelenkapitaal.
Art. 162
§ 1. Levensverzekeringsondernemingen mogen voor de
berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste een sub-
module “aandelenrisico op basis van looptijd” toepassen
(duration-based equity risk), wanneer:
1° hetzij deze ondernemingen pensioenuitkeringen verle-
nen die worden uitbetaald tegen de datum van pensionering of
te verwachten pensionering, waarbij de voor deze uitkeringen
betaalde premies voor de verzekeringnemers van de belasting
aftrekbaar zijn volgens de nationale wetgeving van de lidstaat
die aan de onderneming een vergunning heeft verleend;
2° en wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) alle met die activiteiten overeenkomende activa en
verplichtingen zijn afgescheiden en worden gescheiden van
de overige activiteiten van de verzekeringsondernemingen
beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid
tot overdracht bestaat;
b) de activiteiten van de onderneming als bedoeld in 1° en
2°, ten aanzien waarvan de in dit artikel bedoelde benadering
wordt gevolgd, worden alleen uitgeoefend in de lidstaat waar
de betrokken onderneming een vergunning heeft verkregen;
c) de gemiddelde looptijd van de aan deze activiteiten
verbonden verplichtingen van de onderneming bedraagt
meer dan twaalf jaar.
§ 2. De in dit artikel bedoelde submodule “aandelenri-
sico op basis van looptijd” (duration-based equity risk) wordt
gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf , over een
periode die strookt met de voor de betrokken onderneming
typische aanhoudingsperiode van aandelenbeleggingen,
met een betrouwbaarheidsgraad die de verzekeringnemers
en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is
aan die van artikel 151, indien de in dit artikel voorgeschreven
benadering alleen wordt gevolgd ten aanzien van de activa en
verplichtingen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a). Bij de bereke-
ning van het solvabiliteitskapitaalvereiste worden deze activa
en verplichtingen volledig in aanmerking genomen voor de
beoordeling van de diversificatie-effecten, onverminderd de
noodzaak om de belangen van de verzekeringnemers en de
begunstigden in andere lidstaten te beschermen.
Onder voorbehoud van de goedkeuring van de Bank wordt
de benadering van het eerste lid alleen gebruikt indien de
moyenne pondérée est calculée sur une période appropriée,
qui est la même pour toutes les entreprises d’assurance ou
de réassurance.
L’ajustement symétrique de l’exigence standard de capital
pour actions qui couvre le risque découlant des variations du
cours des actions ne peut pas entraîner l’application d’une
exigence de capital pour actions qui soit supérieure ou
inférieure de plus de dix points de pourcentage à l’exigence
standard de capital pour actions.
Art. 162
§ 1er. Les entreprises d’assurance vie peuvent appliquer
au calcul du capital de solvabilité requis un sous-module
“risque sur actions fondé sur la durée” (duration-based equity
risk), lorsque:
1° soit ces entreprises fournissent des prestations de
retraite versées en référence à la mise à la retraite, ou à
l’approche de la mise à la retraite, si les primes versées au
titre de ces prestations bénéficient d’une déduction d’impôt
accordée aux preneurs d’assurance par la législation natio-
nale de l’État membre ayant agréé l’entreprise d’assurance;
2° et lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies:
a) tous les actifs et engagements correspondant à ces
activités sont cantonnés, gérés et organisés séparément des
autres activités des entreprises d’assurance, sans aucune
possibilité de transfert;
b) les activités de l’entreprise visées aux 1° et 2°, aux-
quelles s’applique l’approche visée au présent article, ne
sont exercées que dans l’État membre ayant agréé ladite
entreprise;
c) la durée moyenne des engagements de l’entreprise
correspondant à ces activités excède douze ans.
§ 2. Le sous-module “risque sur actions fondé sur la durée”
(duration-based equity risk) visé au présent article est cali-
bré en usant d’une mesure de la valeur en risque, sur une
période donnée adaptée à la période typique de conservation
des placements en actions par l’entreprise concernée, avec
un niveau de confiance assurant aux preneurs d’assurance
et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalent au
niveau prévu à l’article 151, sous réserve que l’approche
prévue au présent article ne soit utilisée que pour des actifs
et engagements visés au paragraphe 1er, 2°, a). Lors du calcul
du capital de solvabilité requis, ces actifs et engagements
sont pleinement pris en compte dans l’évaluation des effets
de diversification, sans préjudice de la nécessité de préserver
les intérêts des preneurs d’assurance et des bénéficiaires
dans d’autres États membres.
Sous réserve de l’approbation de la Banque, l’approche
exposée au premier alinéa n’est utilisée que lorsque la
468
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
solvabiliteits- en de liquiditeitspositie, alsmede de strategieën,
processen en verslaggevingsprocedures van de betrokken
onderneming met betrekking tot haar beheer van activa en
verplichtingen van zodanige aard zijn dat doorlopend vaststaat
dat de onderneming in staat is aandelenbeleggingen aan te
houden gedurende een periode die strookt met de voor die
onderneming typische aanhoudingsperiode van aandelenbe-
leggingen. De onderneming moet in staat zijn om ten behoeve
van de Bank aan te tonen dat deze voorwaarde vervuld is
met een betrouwbaarheidsgraad die verzekeringnemers en
begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan
die van artikel 151.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
gebruikmaken van de bepalingen van dit artikel, vallen niet
terug op de benadering van de artikelen 155 tot 160, behalve
onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onder
voorbehoud van goedkeuring door de Bank.
Art. 163
Het kapitaalvereiste voor het operationele risico (operati-
onal risk) houdt rekening met de operationele risico’s, voor
zover daarmee al geen rekening is gehouden in de risicomo-
dules bedoeld in artikel 154 . Dit vereiste wordt gekalibreerd
overeenkomstig artikel 151, § 3.
Bij levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleg-
gingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer, wordt
in de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele
risico rekening gehouden met het bedrag aan jaarlijkse kosten
dat voor deze verzekerings verplichtingen wordt gemaakt.
Bij andere dan de in het tweede lid bedoelde verzekerings-
of herverzekeringsverrichtingen wordt bij de berekening van
het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening
gehouden met het volume van deze verrichtingen wat be-
treft verdiende premies en technische voorzieningen die
voor deze verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen
worden aange houden. In dit geval bedraagt het kapitaalver-
eiste voor het operationele risico niet meer dan 30 % van het
kernsolvabiliteitskapitaalvereiste voor deze verzekerings- of
herverzekeringsverrichtingen.
Art. 164
Bij de in artikel 153, 3°, bedoelde correctie voor het ver-
mogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde
belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren
(adjustment for the loss-absorbing capacity), wordt rekening
gehouden met de potentiële compensatie van onverwachte
verliezen door middel van een gelijktijdige verlaging van de
technische voorzieningen of uitgestelde belastingen dan wel
een combinatie van de twee.
Bij deze correctie wordt rekening gehouden met het risi-
comatigingseffect van toekomstige discretionaire uitkeringen
uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten, voor zover de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen
aantonen dat dergelijke uitkeringen mogen worden verlaagd
position en matière de solvabilité et de liquidité, ainsi que les
stratégies, les processus et les procédures de déclaration de
l’entreprise concernée au regard de sa gestion des actifs et
des engagements, sont de nature à garantir, en permanence,
que celle-ci est en mesure de conserver des placements en
actions pendant une période adaptée à la période typique de
conservation des placements en actions par cette entreprise.
L’entreprise doit être en mesure de démontrer à la Banque
que cette condition est vérifiée avec le niveau de confiance
nécessaire pour assurer aux preneurs d’assurance et aux
bénéficiaires un niveau de protection équivalant au niveau
prévu à l’article 151.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font
usage des dispositions du présent article ne reviennent pas
à l’approche énoncée aux articles 155 à 160, sauf dans des
circonstances dûment justifiées et à condition que la Banque
l’autorise.
Art. 163
L’exigence de capital pour risque opérationnel (operational
risk) reflète les risques opérationnels, dans la mesure où ceux-
ci ne sont pas déjà pris en considération dans les modules
de risque visés à l’article 154. Cette exigence est calibrée
conformément à l’article 151, § 3.
Dans le cas des contrats d’assurance vie où le risque
d’investissement est supporté par le preneur d’assurance, le
calcul de l’exigence de capital pour risque opérationnel tient
compte du montant des dépenses annuelles encourues aux
fins de ces engagements d’assurance.
Dans le cas des opérations d’assurance ou de réassurance
autres que celles visées à l’alinéa 2, le calcul de l’exigence
de capital pour risque opérationnel tient compte du volume
de ces opérations, en termes d’encaissement de primes et
de provisions techniques détenues pour faire face aux enga-
gements d’assurance ou de réassurance correspondants.
L’exigence de capital pour risque opérationnel ne dépasse
alors pas 30 % du capital de solvabilité requis de base afférent
aux opérations d’assurance ou de réassurance concernées.
Art. 164
L’ajustement visant à tenir compte de la capacité d’absorp-
tion des pertes (Adjustment for the loss-absorbing capacity)
des provisions techniques et des impôts différés (deferred
taxes), visé à l’article 153, 3°, reflète la compensation poten-
tielle de pertes non anticipées par une baisse simultanée
des provisions techniques ou des impôts différés ou d’une
combinaison des deux.
Cet ajustement tient compte de l’effet d’atténuation des
risques inhérent aux prestations discrétionnaires futures
des contrats d’assurance, dans la mesure où les entreprises
d’assurance ou de réassurance peuvent démontrer qu’elles
ont la possibilité de réduire ces prestations pour couvrir des
469
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
om onverwachte verliezen te dekken. Het risicomatigingsef-
fect van de toekomstige discretionaire uitkeringen bedraagt
niet meer dan de som van de technische voorzieningen en
uitgestelde belastingen in verband met deze toekomstige
discretionaire uitkeringen.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de waarde van
de toekomstige discretionaire uitkeringen onder ongunstige
omstandigheden vergeleken met de waarde van dergelijke
uitkeringen volgens de hypothesen die aan de berekening
van de beste schatting ten grondslag liggen.
Art. 165
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mo-
gen voor een bepaalde submodule of risicomodule een ver-
eenvoudigde berekening toepassen wanneer dit op grond van
de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan
ze blootstaan gerechtvaardigd is en het onevenredig zou zijn
om alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te
verplichten de standaardberekening toe te passen.
Vereenvoudigde berekeningen worden gekali breerd over-
eenkomstig artikel 151, § 3.
Art. 166
Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan
worden berekend volgens de standaardformule bedoeld in
Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt
van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening
volgens de standaardformule, mag de Bank de betrokken
onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten
bij de berekening van de modules “verzekeringstechnisch
risico “leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven””
en verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” volgens de
standaardformule, een subset van de parameters ervan te
vervangen door parameters die specifiek zijn voor die on-
derneming (undertaking-specific parameters), als bepaald
in artikel 154, § 7. Die specifieke parameters worden zodanig
berekend dat gewaarborgd wordt dat de onderneming voldoet
aan artikel 151, § 3.
Onderafdeling III
Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van
geheel of gedeeltelijk interne modellen
Art. 167
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen hun solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen aan de
hand van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goed-
gekeurd is door de Bank.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen gedeeltelijk interne modellen gebruiken voor de bere-
kening van een of meer van de volgende elementen:
pertes non anticipées au moment où celles-ci surviennent.
L’effet d’atténuation des risques inhérent aux prestations
discrétionnaires futures n’excède pas la somme des provi-
sions techniques et des impôts différés afférents auxdites
prestations discrétionnaires futures.
Aux fins de l’alinéa 2, la valeur des prestations discrétion-
naires futures dans des circonstances défavorables est com-
parée à la valeur de telles prestations selon les hypothèses
qui sous-tendent le calcul de la meilleure estimation.
Art. 165
Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
procéder à un calcul simplifié pour un sous-module ou module
de risque spécifique dès lors que la nature, l’ampleur et la
complexité des risques auxquels elles sont confrontées le
justifient et qu’il serait disproportionné d’exiger de toutes
les entreprises d’assurance ou de réassurance qu’elles se
conforment au calcul standard.
Les calculs simplifiés sont calibrés conformément à
l’article 151, § 3.
Art. 166
Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de
solvabilité requis conformément à la formule standard telle
que visée à la Sous-section II, parce que le profil de risque
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent
le calcul selon cette formule, la Banque peut, par décision
motivée, exiger de l’entreprise concernée qu’elle remplace
un sous-ensemble de paramètres utilisés dans le calcul
selon la formule standard par des paramètres propres à cette
entreprise (undertaking-specific parameters) au moment de
calculer, conformément à l’article 154, § 7, les modules “risque
de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et
“risque de souscription en santé”. Ces paramètres particuliers
sont calculés de façon à garantir que l’entreprise se conforme
à l’article 151, § 3.
Sous-section III
Capital de solvabilité requis calculé selon des modèles
internes intégraux ou partiels
Art. 167
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent calculer leur capital de solvabilité requis à l’aide d’un
modèle interne intégral ou partiel approuvé par la Banque.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent utiliser des modèles internes partiels pour calculer
un ou plusieurs des éléments suivants:
470
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° een of meer risicomodules of sub modules van het
kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de artike-
len 154 tot 160;
2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico als
beschreven in artikel 163;
3° de in artikel 164 bedoelde correctie.
Voorts mogen deelmodellen worden gebruikt voor het
gehele bedrijf van de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen of voor slechts een of meer belangrijke
bedrijfsonderdelen.
§ 3. Bij een goedkeuringsaanvraag dienen de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen ten minste gegevens te
voegen die bewijzen dat het interne model voldoet aan de
vereisten van de artikelen 174 tot 187.
Wanneer de goedkeuringsaanvraag betrekking heeft op
een gedeeltelijk intern model, worden de vereisten van de
artikelen 174 tot 187 aangepast om rekening te houden met
het beperkte toepassingsgebied van het model.
§ 4. De Bank neemt binnen zes maanden na ont-
vangst van de volledige aanvraag een beslissing over de
goedkeuringsaanvraag.
§ 5. De Bank verleent alleen haar goedkeuring als zij ervan
overtuigd is dat de systemen voor de identificering, de meting,
de bewaking, het beheer en de melding van de risico’s waar-
aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming bloot-
staat, passend zijn, en zij er inzonderheid van overtuigd is dat
het interne model aan de vereisten van paragraaf 3 voldoet.
§ 6. Een beslissing van de Bank om de aanvraag voor het
gebruik van een intern model af te wijzen, wordt met redenen
omkleed.
§ 7. Na van de Bank de goedkeuring te hebben verkre-
gen voor het gebruik van een intern model, kan van de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, bij een
met redenen omkleed besluit, worden verlangd dat zij een
schatting verstrekken van hun solvabiliteitskapitaalvereiste
als berekend volgens de standaardformule, overeenkomstig
Onderafdeling II.
Art. 168
§ 1. Bij een gedeeltelijk intern model verleent de Bank al-
leen goedkeuring als dit model voldoet aan de vereisten van
artikel 167 en aan de volgende aanvullende voorwaarden:
1° de betrokken onderneming geeft een goede verklaring
voor het beperkte toepassings gebied van het model;
2° het solvabiliteitskapitaalvereiste dat eruit voortvloeit,
vormt een betere afspiegeling van het risicoprofiel van de
betrokken onderneming en voldoet inzonderheid aan de
beginselen van Onderafdeling I;
1° un ou plusieurs des modules ou sous-modules de
risque du capital de solvabilité requis de base prévus aux
articles 154 à 160;
2° l’exigence de capital pour risque opérationnel définie
à l’article 163;
3° l’ajustement prévu à l’article 164.
Une modélisation partielle peut, en outre, être appliquée
à l’ensemble de l’activité de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance concernée, ou seulement à une ou plusieurs de
ses unités opérationnelles majeures.
§ 3. À toute demande d’approbation, les entreprises
d’assurance ou de réassurance joignent au minimum la
documentation prouvant que le modèle interne satisfait aux
exigences énoncées aux articles 174 à 187.
Lorsque la demande d’approbation concerne un modèle
interne partiel, les exigences énoncées aux articles 174 à
187 sont adaptées afin de tenir compte du champ d’application
limité du modèle.
§ 4. La Banque prend une décision sur toute demande
d’approbation dans un délai de six mois suivant la réception
de la demande complète.
§ 5. La Banque ne donne son approbation que si elle a
l’assurance que les systèmes d’identification, de mesure,
de contrôle, de gestion et de déclaration des risques de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont adéquats et,
en particulier, que le modèle interne satisfait aux exigences
visées au paragraphe 3.
§ 6. Toute décision de rejet d’une demande d’approbation
d’un modèle interne prise par la Banque est motivée.
§ 7. Après approbation de leur modèle interne par la
Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent être tenues, par décision motivée, de communiquer à
la Banque une estimation de leur capital de solvabilité requis
calculé en application de la formule standard, conformément
à la Sous-section II.
Art. 168
§ 1er. Un modèle interne partiel n’est approuvé par la
Banque que lorsqu’il satisfait aux exigences énoncées à
l’article 167 et aux conditions additionnelles suivantes:
1° son champ d’application limité est dûment justifié par
l’entreprise concernée;
2° le capital de solvabilité requis qui en résulte reflète mieux
le profil de risque de l’entreprise concernée et, en particulier,
satisfait aux principes énoncés à la Sous-section Ire;
471
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de opzet ervan sluit zodanig aan bij de beginselen van
Onderafdeling I, dat het gedeeltelijk interne model volledig
kan worden geïntegreerd in de standaardformule voor de
berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste.
§ 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het ge-
bruik van een gedeeltelijk intern model dat slechts bepaalde
submodules van een bepaalde risicomodule, of een aantal
bedrijfs onderdelen van een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming met betrekking tot een bepaalde risicomodule
of delen van beide bestrijkt, mag de Bank de betrokken ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming verplichten een
realistisch overgangsplan in te dienen om het toepassings-
gebied van haar model uit te breiden.
Het overgangsplan vermeldt hoe de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming het toepassingsgebied van haar
model zodanig denkt uit te breiden tot andere submodules
of bedrijfsonderdelen dat daarmee het belangrijkste deel
van haar verzekeringsverrichtingen met betrekking tot deze
specifieke risicomodule wordt bestreken.
Art. 169
In het kader van de eerste goedkeuringsprocedure voor
een intern model keurt de Bank de beleidslijn voor de wijziging
van het model van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming goed. De verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen mogen hun interne model overeenkomstig deze
beleidslijn wijzigen.
In de beleidslijn wordt aangegeven welke wijzigingen in het
interne model ingrijpend en welke niet-ingrijpend zijn.
Ingrijpende wijzigingen in het interne model en wijzigin-
gen in de beleidslijn voor de wijziging van het model moeten
systematisch vooraf door de Bank worden goedgekeurd
overeenkomstig artikel 167.
Niet-ingrijpende wijzigingen in het interne model moeten
niet vooraf door de Bank worden goedgekeurd, voor zover
deze in overeen stemming zijn met de genoemde beleidslijn.
Art. 170
Het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming verleent goedkeuring voor de
indiening bij de Bank van de in artikel 167 bedoelde aanvraag
voor goedkeuring van het interne model en de aanvraag voor
goedkeuring van latere ingrijpende wijzigingen in dit model.
Het wettelijk bestuursorgaan draagt de verantwoordelijk-
heid voor de invoering van systemen die ervoor zorgen dat
het interne model naar behoren blijft werken.
3° sa conception est conforme aux principes énoncés à la
Sous-section Ire, de manière à permettre sa pleine intégration
à la formule standard de calcul du capital de solvabilité requis.
§ 2. Lorsqu’elle évalue une demande d’utilisation d’un
modèle interne partiel ne couvrant que certains sous-modules
d’un module de risque donné ou que certaines unités opé-
rationnelles de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
en ce qui concerne un module de risque donné, ou l’un et
l’autre pour partie, la Banque peut exiger de cette entreprise
d’assurance ou de réassurance qu’elle soumette un plan de
transition réaliste en vue d’étendre le champ d’application
de son modèle.
Le plan de transition expose comment l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance projette d’étendre le champ d’appli-
cation de son modèle à d’autres sous-modules ou unités
opérationnelles, de façon à garantir que le modèle couvre
une part prédominante de ses opérations d’assurance en ce
qui concerne le module de risque donné.
Art. 169
Dans le cadre de la procédure d’approbation initiale
d’un modèle interne, la Banque approuve la politique de
modification du modèle de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent modifier leur modèle interne conformément à cette
politique.
Cette politique comprend une spécification des modifi-
cations mineures et des modifications majeures du modèle
interne.
Les modifications majeures du modèle interne, ainsi que
les changements apportés à la politique de modification de
celui-ci, sont systématiquement soumis à l’autorisation pré-
alable de la Banque, conformément à l’article 167.
Les modifications mineures du modèle interne ne sont
pas soumises à l’autorisation préalable de la Banque, dans
la mesure où elles sont élaborées conformément à ladite
politique.
Art. 170
L’organe légal d’administration de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance avalise la demande d’approbation du
modèle interne par la Banque visée à l’article 167, ainsi que
la demande d’approbation de toute modification majeure
ultérieurement apportée à ce modèle.
Il incombe à l’organe légal d’administration de mettre en
place des systèmes garantissant le bon fonctionnement du
modèle interne de manière continue.
472
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 171
Na overeenkomstig artikel 167 goedkeuring te hebben
verkregen, vallen de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen voor de berekening van het gehele of een deel van
het solvabiliteitskapitaalvereiste niet terug op de standaard-
formule van Onderafdeling II, behalve onder naar behoren
gemotiveerde omstandigheden en onder voorbehoud van
goedkeuring door de Bank.
Art. 172
Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
nadat ze van de Bank goedkeuring heeft verkregen voor het
gebruik van een intern model, de vereisten van de artike-
len 174 tot 187 niet meer naleeft, dient zij bij de Bank onverwijld
hetzij een plan in om de situatie binnen een redelijke termijn
te herstellen, hetzij informatie waaruit blijkt dat dit geen noe-
menswaardige gevolgen heeft.
Ingeval de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
het in het eerste lid bedoelde plan niet uitvoert, mag de Bank
deze onderneming verplichten om het solvabiliteitskapitaalver-
eiste weer volgens de standaardformule van Onderafdeling II
te berekenen.
Art. 173
Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet
kan worden berekend volgens de standaardformule van
Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypo-
thesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de
standaardformule , mag de Bank de betrokken onderneming
bij een met redenen omkleed besluit verplichten om een intern
model te gebruiken voor de berekening van haar solvabili-
teitskapitaalvereiste of de relevante risicomodules daarvan.
Art. 174
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen tonen
aan dat hun interne model algemeen wordt gebruikt in en een
belangrijke rol speelt in hun governancesysteem als bedoeld
in artikel 42, en inzonderheid:
1° in hun risicobeheersysteem als bedoeld in artikel 84 en
in hun besluitvormings procedures;
2° in hun processen voor de beoordeling en allocatie van
het economisch en solvabiliteitskapitaal, waaronder de in
artikel 91 bedoelde beoordeling.
Voorts tonen de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen aan dat de frequentie waarmee het solvabiliteitskapi-
taalvereiste met het interne model wordt berekend, aansluit bij
de frequentie waarmee zij hun interne model gebruiken voor
de andere in het eerste lid vermelde doeleinden.
Art. 171
Une fois reçue l’approbation demandée conformément à
l’article 167, les entreprises d’assurance ou de réassurance ne
reviennent pas à la formule standard pour calculer l’ensemble
de leur capital de solvabilité requis ou une partie quelconque
de celui-ci, comme prévu à la Sous-section II, sauf circons-
tances dûment justifiées et sous réserve de l’approbation de
la Banque.
Art. 172
Si, après avoir reçu de la Banque l’approbation nécessaire
à l’utilisation d’un modèle interne, une entreprise d’assurance
ou de réassurance cesse de se conformer aux exigences
énoncées aux articles 174 à 187, elle présente sans délai à
la Banque un plan de retour à la conformité dans un délai
raisonnable ou elle démontre sans délai que la non-conformité
n’a qu’un effet négligeable.
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne
met pas en œuvre le plan visé à l’alinéa 1er, la Banque peut
exiger que cette entreprise en revienne à la formule standard
pour calculer son capital de solvabilité requis, conformément
à la Sous-section II.
Art. 173
Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de sol-
vabilité requis en application de la formule standard confor-
mément à la Sous-section II, parce que le profil de risque
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le
calcul selon la formule standard, la Banque peut, par décision
motivée, exiger de l’entreprise concernée qu’elle utilise un
modèle interne pour calculer son capital de solvabilité requis
ou les modules de risque pertinents de celui-ci.
Art. 174
Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé-
montrent qu’elles utilisent largement leur modèle interne
et que celui-ci joue un rôle important dans leur système de
gouvernance visé à l’article 42, en particulier:
1° dans leur système de gestion des risques prévu à
l’article 84 et dans leurs processus décisionnels;
2° dans leurs processus d’évaluation et d’allocation du
capital économique et du capital de solvabilité, y compris
l’évaluation visée à l’article 91.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé-
montrent en outre que la fréquence à laquelle le capital de
solvabilité requis est calculé à l’aide du modèle interne est
cohérente avec la fréquence à laquelle leur modèle interne
est utilisé aux autres fins visées à l’alinéa 1er.
473
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het wettelijk bestuursorgaan is er verantwoordelijk voor
dat de opzet en de werking van het interne model adequaat
blijft en dat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming correct tot uiting blijft komen in
het interne model.
Art. 175
Het interne model, en inzonderheid de berekening van de
kansverdelingsprognose die eraan ten grondslag ligt, voldoen
aan de criteria van de artikelen 176 tot 183.
Art. 176
De methodes die gebruikt worden voor de berekening van
de kansverdelingsprognose, berusten op adequate, toepas-
selijke en relevante actuariële en statistische methodes en
sluiten aan bij de methodes die gebruikt worden voor de
berekening van technische voorzieningen.
De methodes die gebruikt worden voor de berekening van
de kansverdelingsprognose, berusten op actuele en betrouw-
bare informatie en op realistische hypothesen.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
kunnen tegenover de Bank de juistheid aantonen van de
hypothesen die aan hun interne model ten grondslag liggen.
Art. 177
Voor het interne model worden juiste, volledige en gepaste
gegevens gebruikt.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen wer-
ken de bij de berekening van de kansverdelingsprognose
gebruikte gegevensbestanden ten minste eenmaal per jaar bij.
Art. 178
Voor de berekening van de kansverdelingsprognose wordt
geen specifieke methode voorgeschreven.
Ongeacht de gekozen berekeningsmethode is het interne
model voldoende in staat om risico’s zodanig te classificeren
dat gewaarborgd is dat het overeenkomstig artikel 174 al-
gemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt in
het governancesysteem van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, en met name in haar risicobe-
heersysteem en besluitvormingsprocedures en bij de allocatie
van haar kapitaal.
Het interne model bestrijkt alle materiële risico’s waaraan
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
blootstaat. Het bestrijkt minstens de risico’s die in artikel 151,
§ 4, zijn opgesomd.
Il incombe à l’organe légal d’administration de garantir
l’adéquation permanente de la conception et du fonctionne-
ment du modèle interne et de veiller à ce que le modèle interne
continue à refléter de manière adéquate le profil de risque
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée.
Art. 175
Le modèle interne et, en particulier, le calcul de la distribu-
tion de probabilité prévisionnelle qui le sous-tendent satisfont
aux critères fixés aux articles 176 à 183.
Art. 176
Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de
probabilité prévisionnelle sont fondées sur des techniques
actuarielles et statistiques adéquates, applicables et perti-
nentes et elles sont cohérentes avec les méthodes utilisées
pour calculer les provisions techniques.
Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de
probabilité prévisionnelle sont fondées sur des informations
actuelles crédibles et sur des hypothèses réalistes.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont en
mesure de justifier, auprès de la Banque, les hypothèses qui
sous-tendent leur modèle interne.
Art. 177
Les données utilisées aux fins du modèle interne sont
exactes, exhaustives et appropriées.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance actualisent
au moins une fois par an les séries de données qu’elles
utilisent aux fins du calcul de la distribution de probabilité
prévisionnelle.
Art. 178
Aucune méthode particulière n’est prescrite pour le calcul
de la distribution de probabilité prévisionnelle.
Indépendamment de la méthode de calcul retenue, la
capacité du modèle interne à classer les risques est suffisante
pour garantir qu’il est largement utilisé et qu’il joue un rôle
important dans le système de gouvernance de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée, et notamment
dans son système de gestion des risques et ses processus
décisionnels, ainsi que dans l’allocation de son capital confor-
mément à l’article 174.
Le modèle interne couvre tous les risques importants aux-
quels l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
est exposée. Il couvre au minimum les risques répertoriés à
l’article 151, § 4.
474
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 179
Wat de diversificatie-effecten betreft, mogen de verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen in hun interne
model rekening houden met afhankelijkheden binnen de risi-
cocategorieën en dwars door risicocategorieën heen, mits de
Bank overtuigd is van de deugdelijkheid van het systeem dat
gebruikt wordt voor de meting van deze diversificatie-effecten.
Art. 180
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen ten volle rekening houden met het effect van risi-
comatigingstechnieken op hun interne model, zolang de
krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik
van deze risicomatigingstechnieken correct tot uiting komen
in het interne model.
Art. 181
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be-
oordelen in hun model nauwkeurig de bijzondere risico’s die
verbonden zijn aan financiële garanties en contractuele opties,
wanneer deze van wezenlijk belang zijn. Ook beoordelen
zij de risico’s die verbonden zijn aan de opties die aan de
verzekeringnemer worden geboden, en aan de contractuele
opties voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Daartoe houden zij rekening met de mogelijke gevolgen van
toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële
omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties.
Art. 182
In hun interne model mogen de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen rekening houden met beheeracti-
viteiten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
zij die onder bepaalde omstandigheden zullen verrichten.
In het in het eerste lid bedoelde geval houdt de betrok-
ken onderneming rekening met de tijd die nodig is voor de
uitvoering van dergelijke activiteiten.
Art. 183
In hun interne model houden de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen rekening met alle door hen verwachte
betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, onge-
acht of deze contractueel gegarandeerd zijn.
Art. 184
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mo-
gen voor de interne modellering een andere periode of risi-
comaatstaf hanteren dan die waarin artikel 151, § 3 voorziet,
op voorwaarde dat de resultaten van hun interne model hen
in staat stellen het solvabiliteitskapitaalvereiste te berekenen
Art. 179
Pour ce qui concerne les effets de diversification, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir compte
dans leur modèle interne des dépendances existant au sein de
catégories de risques données, ainsi qu’entre catégories de
risques, sous réserve que la Banque juge adéquat le système
utilisé pour mesurer ces effets de diversification.
Art. 180
Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
tenir pleinement compte de l’effet des techniques d’atténua-
tion du risque dans leur modèle interne, pour autant que le
risque de crédit et les autres risques découlant de l’utilisation
des techniques d’atténuation du risque soient pris en consi-
dération de manière adéquate dans le modèle interne.
Art. 181
Les entreprises d’assurance ou de réassurance évaluent
avec précision, dans leur modèle interne, les risques particu-
liers liés aux garanties financières et à toute option contrac-
tuelle lorsqu’ils ne sont pas négligeables. Elles évaluent
également les risques liés aux options offertes au preneur
d’assurance, ainsi qu’aux options contractuelles qui sont
offertes aux entreprises d’assurance ou de réassurance. À
cet effet, elles tiennent compte de l’impact que pourraient
avoir d’éventuels changements des conditions financières et
non financières sur l’exercice de ces options.
Art. 182
Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent
tenir compte, dans leur modèle interne, des décisions futures
de gestion qu’elles pourraient raisonnablement mettre en
œuvre dans des circonstances particulières.
Dans le cas prévu à l’alinéa 1er, l’entreprise concernée
tient compte du temps nécessaire à la mise en œuvre de
ces décisions.
Art. 183
Les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent
compte, dans leur modèle interne, de tous les paiements aux
preneurs d’assurance et aux bénéficiaires qu’elles s’attendent
à devoir effectuer, que ces paiements soient ou non contrac-
tuellement garantis.
Art. 184
Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent,
à des fins de modélisation interne, se référer à un autre
horizon temporel ou utiliser une autre mesure du risque que
ceux prévus à l’article 151, § 3, à condition que les résultats
produits par leur modèle interne leur permettent de procéder
475
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
op een wijze die verzekeringnemers en begunstigden een
bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
Waar dit uitvoerbaar is, leiden de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen aan de hand van de VaR-maatstaf
als bedoeld in artikel 151, § 3, het solvabiliteitskapitaalvereiste
rechtstreeks af uit de kansverdelingsprognose die hun interne
model oplevert.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen hun solvabiliteitskapitaalvereiste niet rechtstreeks kunnen
afleiden uit de kansverdelingsprognose die hun interne model
oplevert, mag de Bank toestaan dat bij de berekening van het
solvabiliteitskapitaalvereiste benaderingen gebruikt worden,
voor zover deze onder nemingen tegenover de Bank kunnen
aantonen dat de verzekeringnemers een bescherming wordt
geboden die gelijkwaardig is aan die van artikel 151.
De Bank mag de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen verplichten hun interne model toe te passen op
relevante benchmarkportefeuilles en daarbij gebruik te maken
van hypothesen die niet zozeer op interne als wel op externe
gegevens berusten, teneinde de kalibratie van het interne
model te controleren en na te gaan of de specificaties ervan
in overeenstemming zijn met de vaste marktpraktijk.
Art. 185
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
beoordelen ten minste eenmaal per jaar voor elk belangrijk
bedrijfsonderdeel de oorzaken en bronnen van winsten en
verliezen.
Zij tonen aan op welke wijze de categorisatie van risico’s in
hun interne model de oorzaken en bronnen van winsten en ver-
liezen verklaart. De categorisatie van risico’s en de toeschrij-
ving van winsten en verliezen weerspiegelen het risicoprofiel
van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 186
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
voorzien in een regelmatige modelvalideringscyclus waarbij
de werking van het interne model wordt gecontroleerd, de
voortdurende deugdelijkheid van de specificaties ervan wordt
beoordeeld en de resultaten ervan aan de praktijkervaring
worden getoetst.
Het modelvalideringsproces omvat een doeltreffende sta-
tistische procedure voor de validering van het interne model,
waarmee de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
tegenover de Bank kunnen aantonen dat de resulterende
kapitaalvereisten deugdelijk zijn.
De toegepaste statistische methodes toetsen de deugde-
lijkheid van de kansverdelingsprognose niet alleen aan de
à un calcul du capital de solvabilité requis garantissant aux
preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de pro-
tection équivalent à celui prévu à l’article 151.
Lorsque c’est possible, les entreprises d’assurance ou de
réassurance déduisent directement leur capital de solvabilité
requis de la distribution de probabilité prévisionnelle générée
par leur modèle interne, sur la base de la mesure de la valeur
en risque prévue à l’article 151, § 3.
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance
ne peuvent déduire directement leur capital de solvabilité
requis de la distribution de probabilité prévisionnelle générée
par leur modèle interne, la Banque peut autoriser l’emploi
d’approximations dans le processus de calcul du capital de
solvabilité requis, pour autant que ces entreprises soient en
mesure de démontrer à la Banque que les preneurs d’assu-
rance bénéficient d’un niveau de protection équivalent à celui
prévu à l’article 151.
La Banque peut exiger des entreprises d’assurance ou de
réassurance qu’elles appliquent leur modèle interne à des
portefeuilles de référence pertinents, en utilisant des hypo-
thèses fondées sur des données externes plutôt qu’internes,
afin de contrôler le calibrage du modèle interne et de vérifier
que ses spécifications correspondent bien aux pratiques du
marché généralement admises.
Art. 185
Les entreprises d’assurance ou de réassurance examinent,
au moins une fois par an, les origines et les causes des profits
et pertes enregistrés par chacune de leurs unités opération-
nelles majeures.
Elles démontrent comment la catégorisation des risques
retenue dans leur modèle interne explique les origines et les
causes de ces profits et pertes. La catégorisation des risques
et l’attribution des profits et des pertes reflètent le profil de
risque des entreprises d’assurance ou de réassurance.
Art. 186
Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent
en place un cycle régulier de validation de leur modèle, qui
comprend un suivi du fonctionnement du modèle interne, un
contrôle de l’adéquation permanente de ses spécifications
et une confrontation des résultats qu’il produit aux données
tirées de l’expérience.
Le processus de validation du modèle comporte la vali-
dation du modèle interne par un procédé statistique efficace
permettant aux entreprises d’assurance ou de réassurance
de démontrer à la Banque que les exigences de capital en
résultant sont appropriées.
Les méthodes statistiques utilisées servent à vérifier
le caractère approprié de la distribution de probabilité
476
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
feitelijke verlieservaring, maar ook aan alle materiële nieuwe
gegevens en informatie die daaraan gerelateerd zijn.
Het modelvalideringsproces omvat een analyse van de
stabiliteit van het interne model en inzonderheid een toetsing
van de gevoeligheid van de resultaten van het interne model
voor wijzigingen in de voornaamste onderliggende hypothe-
sen. Het proces omvat ook een beoordeling van de juistheid,
volledigheid en adequaatheid van de gegevens waarvan het
interne model gebruik maakt.
Art. 187
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen do-
cumenteren de opzet en operationele bijzonderheden van
hun interne model.
Uit die documentatie blijkt dat de artikelen 174 tot 186 wor-
den nageleefd.
In de documentatie wordt een gedetailleerde beschrijving
gegeven van de theorie, de hypothesen en de wiskundige en
empirische grondslagen van het interne model.
Eventuele omstandigheden waaronder het interne model
niet doeltreffend werkt, worden in de documentatie vermeld.
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen do-
cumenteren alle overeenkomstig artikel 169 aangebrachte
ingrijpende wijzigingen in hun interne model.
Art. 188
Het gebruik van een model of gegevens van een derde
partij wordt niet als een goede reden beschouwd om af te
wijken van de vereisten waaraan het interne model moet
voldoen overeenkomstig de artikelen 174 tot 187.
Onderafdeling IV
Minimumkapitaalvereiste
Art. 189
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
voldoen aan een minimumkapitaalvereiste dat berekend wordt
overeenkomstig de volgende beginselen:
1° het wordt op een duidelijke en eenvoudige wijze
berekend, en wel zodanig dat de berekening kan worden
gecontroleerd;
2° het komt overeen met een bedrag aan in aan merking
komend kernvermogen waaronder de verzekeringnemers en
de begunstigden bloot staan aan een ontoelaatbaar risiconi-
veau, indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
haar activiteiten zou mogen voortzetten;
prévisionnelle par rapport non seulement à l’historique des
pertes, mais aussi à toutes les données et informations nou-
velles non négligeables y afférentes.
Le processus de validation du modèle comporte une
analyse de la stabilité du modèle interne et, en particulier, un
test de la sensibilité des résultats qu’il produit à une modi-
fication des hypothèses fondamentales qui le sous-tendent.
Il comprend également une évaluation de l’exactitude, de
l’exhaustivité et du caractère approprié des données utilisées
dans le modèle interne.
Art. 187
Les entreprises d’assurance ou de réassurance établissent
une documentation décrivant les détails de la conception et
du fonctionnement de leur modèle interne.
Cette documentation démontre qu’il est satisfait aux
articles 174 à 186.
La documentation fournit une description détaillée de la
théorie, des hypothèses et des fondements mathématiques
et empiriques qui sous-tendent le modèle interne.
La documentation fait mention de toutes les circonstances
dans lesquelles le modèle interne ne fonctionnerait pas
efficacement.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance assurent
le suivi documentaire de toute modification majeure apportée
à leur modèle interne, conformément à l’article 169.
Art. 188
L’utilisation d’un modèle ou de données provenant d’un
tiers n’est pas considérée comme un motif d’exonération
des exigences auxquelles le modèle interne doit répondre
conformément aux articles 174 à 187.
Sous-section IV
Minimum de capital requis
Art. 189
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
détiennent un minimum de capital requis calculé conformé-
ment aux principes suivants:
1° il est calculé d’une manière claire et simple, et de telle
sorte que son calcul puisse faire l’objet d’un audit;
2° il correspond à un montant de fonds propres de base
éligibles en-deçà duquel les preneurs d’assurance et les
bénéficiaires seraient exposés à un niveau de risque inac-
ceptable si l’entreprise d’assurance ou de réassurance était
autorisée à poursuivre son activité;
477
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de in paragraaf 2 bedoelde lineaire functie die wordt
gebruikt voor de berekening van het minimumkapitaalvereiste,
wordt gekalibreerd volgens de VaR van het kernvermogen van
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
met een betrouwbaarheidsgraad van 85 % over een periode
van één jaar;
4° het heeft een absolute ondergrens:
a) van 2 500 000 EUR voor niet-levensverzekeringsonder-
nemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives, behalve
wanneer alle of sommige van de risico’s van een van de tak-
ken 10 tot 15 als vermeld in Bijlage I worden gedekt, in welk
geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 3 700 000 EUR,
b) van 3 700 000 EUR voor levensverzekeringsonderne-
mingen, met inbegrip van verzekeringscaptives,
c) van 3 600 000 EUR voor herverzekeringsondernemin-
gen, behalve voor herverzekeringscaptives, in welk geval de
ondergrens niet lager mag zijn dan 1 200 000 EUR,
d) die gelijk is aan de som van de in a) en b) vermelde
bedragen voor de verzekerings ondernemingen bedoeld in
artikel 223, eerste lid.
§ 2. Onverminderd paragraaf 3, wordt het minimumkapitaal-
vereiste berekend als een lineaire functie van een set of subset
van de volgende variabelen: de technische voorzieningen van
de onderneming, de geschreven premies, het risicokapitaal,
de uitgestelde belastingen en de administratieve uitgaven.
De gebruikte variabelen worden gemeten onder aftrek van
herverzekering.
§ 3. Onverminderd paragraaf 1, 4°, mag het minimumkapi-
taalvereiste niet dalen onder 25 %, noch uitstijgen boven 45 %
van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onder neming,
berekend overeenkomstig Onderafdeling II of Onderafdeling
III van deze Afdeling, met inbegrip van de eventueel overeen-
komstig artikel 323 opgelegde opslagfactor.
§ 4. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
berekenen hun minimumkapitaalvereiste ten minste eenmaal
per kwartaal en melden de uitkomst van deze berekening
aan de Bank.
Indien het minimumkapitaalvereiste van een onderneming
wordt bepaald door een van beide in paragraaf 3 bedoelde
grenswaarden, verstrekt de onderneming aan de Bank de in-
formatie die nodig is voor een deugdelijk inzicht in de redenen
die hieraan ten grondslag liggen.
3° la fonction linéaire, visée au paragraphe 2, utilisée pour
calculer le minimum de capital requis est calibrée selon la
valeur en risque des fonds propres de base de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée, avec un niveau
de confiance de 85 % à l’horizon d’un an;
4° il a un seuil absolu:
a) de 2 500 000 EUR pour les entreprises d’assurance
non-vie, y compris les entreprises captives d’assurance, sauf
dans le cas où tout ou partie des risques visés dans l’une des
branches 10 à 15 mentionnées à l’Annexe I sont couverts,
auquel cas il ne peut être inférieur à 3 700 000 EUR;
b) de 3 700 000 EUR pour les entreprises d’assurance vie,
y compris les entreprises captives d’assurance;
c) de 3 600 000 EUR pour les entreprises de réassurance,
sauf dans le cas des entreprises captives de réassurance,
auquel cas il ne peut être inférieur à 1 200 000 EUR;
d) correspondant à la somme des montants énoncés aux
a) et b) pour les entreprises d’assurance visées à l’article
223, alinéa 1er.
§ 2. Sous réserve du paragraphe 3, le minimum de capital
requis est calculé comme la fonction linéaire d’un ensemble
ou d’un sous-ensemble des variables suivantes: provisions
techniques de l’entreprise, primes souscrites, capital sous
risque, impôts différés et dépenses administratives. Les
variables utilisées sont mesurées déduction faite de la
réassurance.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, 4°, le minimum
de capital requis ne descend pas au-dessous de 25 % et
ne dépasse pas 45 % du capital de solvabilité requis de
l’entreprise, calculé conformément à la Sous-section II ou
à la Sous-section III de la présente Section, y compris tout
capital supplémentaire imposé conformément à l’article 323.
§ 4. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
calculent leur minimum de capital requis au moins une fois
par trimestre et notifient le résultat de ce calcul à la Banque.
Lorsque l’une des limites visées au paragraphe 3 déter-
mine le minimum de capital requis d’une entreprise, cette
dernière fournit à la Banque des informations permettant de
bien en comprendre les raisons.
478
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Beleggingen
Onderafdeling I
Prudent person”-beginsel
Art. 190
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beleg-
gen al hun activa overeenkomstig het in deze Onderafdeling
beschreven “prudent person”-beginsel.
De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en na
advies van de FSMA voor wat betreft tak 23 als vermeld in
Bijlage II, verduidelijken wat moet worden verstaan onder
“prudent person”.
Art. 191
Wat de gehele activaportefeuille betreft, beleggen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen alleen in
activa en instrumenten waarvan zij de risico’s goed kunnen
identificeren, meten, bewaken, beheren, beheersen en rap-
porteren en op adequate wijze in aanmerking kunnen nemen
bij de beoordeling van hun algehele solvabiliteitsbehoefte
overeenkomstig artikel 91, § 1, tweede lid, 1°.
Alle activa, met inbegrip van de activa ter dekking van het
minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste,
worden zodanig belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liqui-
diteit, het rendement en de congruentie van de portefeuille als
geheel gewaarborgd zijn. Bovendien worden de activa zoda-
nig gelokaliseerd dat hun beschikbaarheid gewaarborgd is.
De activa die tegenover de technische voorzieningen
staan, worden eveneens belegd op een wijze die strookt met
de aard en looptijd van de verzekerings- of herverzekerings-
verplichtingen. Deze activa worden belegd in het belang van
alle verzekeringnemers en begunstigden.
Bij een belangenconflict zorgen de verzekeringsonderne-
mingen of de entiteit die hun activaportefeuille beheert, ervoor
dat de belegging in het belang van de verzekeringnemers en
de begunstigden wordt gedaan.
Art. 192
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing
op de activa die aangehouden worden voor levens-
verzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico
door de verzekeringnemer wordt gedragen, onverminderd
artikel 191 en de artikelen 19 en 20 van de Wet Verzekeringen.
Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet,
rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van rechten van
deelneming in een ICBE in de zin van Richtlijn 2009/65/EG,
of aan de waarde van activa die zijn opgenomen in een door
Section III
Investissements
Sous-section Ire
Principe de la personne prudente
Art. 190
Les entreprises d’assurance ou de réassurance inves-
tissent tous leurs actifs conformément au principe de la “per-
sonne prudente”, comme indiqué à la présente Sous-section.
La Banque peut, par voie de règlement pris conformément
à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 et sur avis
de la FSMA en ce qui concerne la branche 23 mentionnée à
l’Annexe II, préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par “personne
prudente”.
Art. 191
Pour l’ensemble du portefeuille d’actifs, les entreprises
d’assurance ou de réassurance n’investissent que dans des
actifs et instruments présentant des risques qu’elles peuvent
identifier, mesurer, suivre, gérer, contrôler et déclarer de
manière adéquate ainsi que prendre en compte de manière
appropriée dans l’évaluation de leur besoin global de solva-
bilité conformément à l’article 91, § 1er, alinéa 2, 1°.
Tous les actifs, en ce compris les actifs couvrant le
minimum de capital requis et le capital de solvabilité requis,
sont investis de façon à garantir la sécurité, la qualité, la
liquidité, la rentabilité et la congruence du portefeuille dans
son ensemble. En outre, la localisation de ces actifs est telle
qu’elle garantit leur disponibilité.
Les actifs détenus aux fins de la couverture des provisions
techniques sont également investis d’une façon adaptée à
la nature et à la durée des engagements d’assurance ou de
réassurance. Ils sont investis dans le meilleur intérêt de tous
les preneurs d’assurance et de tous les bénéficiaires.
En cas de conflit d’intérêts, les entreprises d’assurance,
ou les entités qui gèrent leur portefeuille d’actifs, veillent à ce
que l’investissement soit réalisé au mieux des intérêts des
preneurs d’assurance et des bénéficiaires.
Art. 192
Les dispositions du présent article s’appliquent aux actifs
détenus en représentation des contrats d’assurance vie dans
le cadre desquels le risque d’investissement est supporté par
le preneur d’assurance, sans préjudice de l’article 191 et des
articles 19 et 20 de la Loi assurances.
Lorsque les prestations prévues par un contrat sont
directement liées à la valeur de parts d’un OPCVM au sens
de la Directive 2009/65/CE ou à la valeur d’actifs contenus
dans un fonds interne détenu par l’entreprise d’assurance,
479
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de verzekeringsonderneming gehouden intern fonds, dat ge-
woonlijk in fracties is verdeeld, worden de technische voorzie-
ningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk
gedekt door deze rechten van deelneming of fracties, dan
wel, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa.
Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet,
rechtstreeks gekoppeld zijn aan een aandelenindex of aan
een andere referentiewaarde dan die bedoeld in het tweede
lid, worden de technische voorzieningen met betrekking tot
deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door de fracties
die geacht worden de referentiewaarde te vertegenwoordigen
of, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door activa met een
toereikende veiligheid en verhandelbaarheid die zo nauw
mogelijk aansluiten bij die waarop de betrokken referentie-
waarde is gebaseerd.
Wanneer de uitkeringen als bedoeld in het tweede en
derde lid een gegarandeerd rendement of een andere gega-
randeerde uitkering behelzen, is artikel 193 van toepassing
op de activa die tegenover de desbetreffende aanvullende
technische voorzieningen staan.
Art. 193
Onverminderd artikel 191 zijn het tweede tot vijfde lid van
dit artikel van toepassing op de andere activa dan die welke
onder artikel 192 vallen.
Het gebruik van afgeleide instrumenten is toegestaan, voor
zover deze bijdragen tot een vermindering van de risico’s of
een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken.
Beleggingen en activa die niet zijn toegelaten tot de handel
op een gereglementeerde financiële markt, worden tot een
prudent niveau beperkt.
De activa worden naar behoren gediversifieerd zodanig dat
een bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een
bepaalde emittent of groep van ondernemingen, of een be-
paald geografisch gebied en bovenmatige risicoaccumulatie
in de portefeuille als geheel worden vermeden.
Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent
of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de
verzekerings - of herverzekeringsondernemingen niet bloot-
stellen aan bovenmatige risicoconcentratie.
Onderafdeling II
Bijhouden van een doorlopende inventaris
Art. 194
De verzekeringsondernemingen houden te allen tijde activa
aan die vrij zijn van alle lasten en die gewaardeerd worden
overeenkomstig artikel 123, voor een bedrag dat de verplich-
tingen jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering
dekt zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een
liquidatieprocedure waarbij de verzekeringsovereenkomsten
généralement divisé en parts, les provisions techniques
concernant ces prestations sont représentées le plus étroi-
tement possible par ces parts ou, lorsque des parts ne sont
pas établies, par ces actifs.
Lorsque les prestations prévues par un contrat sont directe-
ment liées à un indice d’actions ou à une valeur de référence
autre que celles visées à l’alinéa 2, les provisions techniques
afférentes à ces prestations sont représentées aussi étroi-
tement que possible soit par les parts réputées représenter
la valeur de référence, soit, lorsque des parts ne sont pas
établies, par des actifs d’une sûreté et d’une négociabilité
appropriées correspondant le plus étroitement possible à
ceux sur lesquels se fonde la valeur de référence en question.
Lorsque les prestations visées aux alinéas 2 et 3 com-
prennent une garantie de performance financière ou toute
autre prestation garantie, les actifs détenus pour couvrir les
provisions techniques supplémentaires correspondantes sont
soumis aux dispositions de l’article 193.
Art. 193
Sans préjudice de l’article 191, les alinéas 2 à 5 du présent
article sont applicables en ce qui concerne les actifs autres
que ceux relevant de l’article 192.
L’utilisation d’instruments dérivés est possible dans la
mesure où ils contribuent à réduire les risques ou favorisent
une gestion efficace du portefeuille.
Les investissements et les actifs qui ne sont pas admis
à la négociation sur un marché financier réglementé sont
maintenus à des niveaux prudents.
Les actifs font l’objet d’une diversification appropriée de
façon à éviter une dépendance excessive vis-à-vis d’un actif,
d’un émetteur ou d’un groupe d’entreprises donnés ou d’une
zone géographique donnée et à éviter un cumul excessif de
risques dans l’ensemble du portefeuille.
Les investissements dans des actifs émis par un même
émetteur ou par des émetteurs appartenant à un même
groupe ne peuvent pas exposer les entreprises d’assurance
ou de réassurance à une concentration excessive de risques.
Sous-section II
Tenue d’un inventaire permanent
Art. 194
Les entreprises d’assurance détiennent, à tout moment,
des actifs libres de toute charge, évalués conformément à
l’article 123, pour un montant qui couvre les engagements
à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient
dus dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation lors
de laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance. Ce
480
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
beëindigd zouden worden. Voor de overeenkomsten die val-
len onder de takken als vermeld in Bijlage II stemt dit bedrag
overeen met de inventariswaarde waarvan de Koning, op
advies van de Bank en de FSMA, ieder wat hun bevoegdheden
betreft, de berekeningswijze kan bepalen.
Art. 195
De verzekeringsondernemingen houden op hun zetel een
speciaal register bij, “doorlopende inventaris” genoemd, van
de activa bedoeld in artikel 194, voor elk afzonderlijk beheer
als bedoeld in artikel 230.
Wanneer de in de doorlopende inventaris opgenomen
activa bezwaard zijn met een ten gunste van een derde ge-
vestigd zakelijk recht waardoor een gedeelte van het bedrag
van die activa niet beschikbaar is voor de dekking van de
verplichtingen, wordt daarvan melding gemaakt in het register
en wordt het niet-beschikbare bedrag niet meegeteld bij de
berekening van het in artikel 194 bedoelde vereiste.
De verzekeringsondernemingen delen de toestand van de
doorlopende inventaris van elk afzonderlijk beheer aan de
Bank mee met inachtneming van de vorm en de inhoud die
door haar zijn voorgeschreven en op de drager en binnen de
termijn die door haar zijn bepaald.
Onderafdeling III
Lokalisatie van de activa
Art. 196
De activa van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen zijn binnen of buiten de Europese Economische
Ruimte gelokaliseerd.
Art. 197
§ 1. In afwijking van artikel 196 mogen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen de activa die zij aanhouden
ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking
tot risico’s die in de Europese Economische Ruimte zijn gele-
gen, maar buiten die Ruimte lokaliseren wanneer het gaat om:
1° onroerende goederen;
2° effecten en wanneer
a) de rechten die voor de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming voortvloeien uit de bewaargeving van deze
effecten bij een in bewaring nemende tussenpersoon vormen
een zakelijk recht op grond waarvan zij op deze effecten
aanspraak kunnen maken, met uitsluiting van het eenvoudige
vorderingsrecht; en
b) de betrokken in bewaring nemende tussenpersoon geeft
aan de Bank een verklaring af dat hij zich ertoe verbindt gevolg
te geven aan alle beslissingen om de vrije beschikking over
montant correspond pour les contrats relevant des branches
mentionnées à l’Annexe II à la valeur d’inventaire dont le Roi
est habilité, sur avis de la Banque et de la FSMA, chacune
dans son domaine de compétence, à déterminer les moda-
lités de calcul.
Art. 195
Les entreprises d’assurance tiennent à leur siège un
registre spécial, appelé “inventaire permanent”, des actifs
visés à l’article 194 selon les gestions distinctes visées à
l’article 230.
Lorsque les actifs inscrits à l’inventaire permanent sont
grevés d’un droit réel au profit d’un tiers avec pour consé-
quence de rendre indisponible une partie du montant de ces
actifs pour la couverture des engagements, il est fait état de
cette situation dans le registre et il n’est pas tenu compte du
montant non disponible dans le calcul de l’exigence visée à
l’article 194.
Les entreprises d’assurance communiquent la situation
de l’inventaire permanent de chaque gestion distincte à la
Banque en respectant la forme et le contenu prescrits par
celle-ci et sur le support et dans le délai qu’elle fixe.
Sous-section III
Localisation des actifs
Art. 196
Les actifs des entreprises d’assurance ou de réassurance
sont localisés dans ou en dehors de l’Espace économique
européen.
Art. 197
§ 1er. Par dérogation à l’article 196, les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance ne peuvent localiser les actifs
détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes à
des risques situés dans l’Espace économique européen en
dehors de cet Espace que lorsqu’il s’agit:
1° de biens immobiliers;
2° de valeurs mobilières et que
a) les droits conférés à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance à la suite du dépôt de ces valeurs auprès d’un
intermédiaire dépositaire sont constitutifs d’un droit réel
permettant l’exercice d’une revendication sur ces valeurs, à
l’exclusion d’un simple droit de créance; et
b) l’intermédiaire dépositaire concerné fournit à la Banque
une attestation selon laquelle il s’engage à faire suite à toutes
décisions de restreindre ou interdire la libre disposition des
481
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming te beperken of te ontnemen, die met toepassing van de
artikelen 513 en 517, § 1, 6° zijn genomen.
§ 2. In afwijking van artikel 196 kan de Bank bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998 eisen dat de activa die worden aange-
houden ter dekking van de technische voorzieningen met
betrekking tot de verzekeringsrisico’s die buiten de Europese
Economische Ruimte zijn aangegaan, binnen die Ruimte
gelokaliseerd zijn.
Zo niet worden de regels betreffende de dekking van de
technische voorzieningen voor deze risico’s en betreffende
de lokalisatie ervan vastgesteld volgens de regels van het
land van het risico.
Art. 198
Voor herverzekeringsovereenkomsten die worden geslo-
ten met een onderneming die ressorteert onder een derde
land met een toezichtsregeling die niet gelijkwaardig wordt
geacht in de zin van artikel 600, kan de Bank bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998 verlangen dat:
1° de technische voorzieningen zonder aftrek van herver-
zekering worden gevormd en dat de activa ter dekking van de
technische voorzieningen als zekerheden worden verstrekt of
dat de cederende onderneming een gelijkwaardige waarborg
verleent;
2° de activa ter dekking van de schuldvorderingen uit hoof-
de van deze overeenkomsten, in de Europese Economische
Ruimte zijn gelegen.
HOOFDSTUK VII
Periodieke informatieverstrekking
en boekhoudregels
Art. 199
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leg-
gen hun jaarrekening neer bij de Bank.
Onverminderd artikel 200 bepaalt de Koning, op advies
van de Bank en de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden
betreft:
1° de regels op grond waarvan de verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen hun boekhouding voeren, de
diverse balansposten ramen en hun jaarrekening opstellen
en hun jaarverslag opmaken;
2° de regels die de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen in acht moeten nemen bij de opstelling, de
controle en de openbaarmaking van hun geconsolideerde
actifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance pronon-
cées en application des articles 513 et 517, § 1er, 6°.
§ 2. Par dérogation à l’article 196, la Banque peut, par
voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2,
de la loi du 22 février 1998, imposer que les actifs détenus
pour couvrir les provisions techniques afférentes aux risques
d’assurance souscrits en dehors de l’Espace économique
européen soient localisés dans cet Espace.
À défaut, les règles afférentes à la représentation des pro-
visions techniques de ces risques et à leur localisation sont
déterminées selon les règles du pays du risque.
Art. 198
En ce qui concerne les contrats de réassurance conclus
avec une entreprise qui relève du droit d’un pays tiers et dont
le régime de contrôle n’est pas réputé équivalent au sens
de l’article 600, la Banque peut, par voie de règlement pris
conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
exiger que:
1° les provisions techniques soient constituées brutes de
réassurance et que les actifs représentatifs fassent l’objet
d’un nantissement ou que l’entreprise cédante fournisse une
garantie équivalente;
2° les actifs représentatifs des créances détenues au titre
de ces contrats soient situés dans l’Espace économique
européen.
CHAPITRE VII
Informations périodiques et règles comptables
Art. 199
Les entreprises d’assurance ou de réassurance déposent
leurs comptes annuels à la Banque.
Sans préjudice de l’article 200, le Roi détermine, sur avis
de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de
compétence:
1° les règles selon lesquelles les entreprises d’assurance
ou de réassurance tiennent leur comptabilité, procèdent aux
évaluations des divers postes de bilan et établissent leurs
comptes annuels et présentent leur rapport annuel;
2° les règles à respecter par les entreprises d’assurance
ou de réassurance pour l’établissement, le contrôle et la
publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour
482
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
jaarrekening, evenals bij de opstelling en de openbaarmaking
van de verslagen over het beheer en de controle van die
geconsolideerde jaarrekening.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de toepas-
singsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in
het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten.
Art. 200
De in artikel 223 bedoelde verzekerings ondernemingen
stellen hun jaarrekening zodanig op dat de bronnen van de
resultaten van levensverzekeringen en niet-levensverzeke-
ringen gescheiden tot uiting komen. Alle opbrengsten, met
name premies, uitbetalingen van herverzekeraars, inkomsten
uit beleggingen, en uitgaven, met name verzekeringsuit-
keringen, toevoegingen aan de technische voorzieningen,
herverzekerings premies en werkingskosten voor de verzeke-
rings- en herverzekeringsverrichtingen, worden op basis van
hun oorsprong onderverdeeld. De bestanddelen die beide
activiteiten gemeen hebben, worden geboekt volgens kosten-
verdelingsmethodes die door de Bank moeten zijn aanvaard.
Art. 201
Naast de verplichtingen inzake verslaggeving waarin de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voor-
zien, en onverminderd de artikelen 312 tot 316, leggen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de
Bank periodiek de financiële informatie voor die zij bepaalt
en die wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn
vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequen-
tie bepaalt. Bovendien kan de Bank voorschrijven dat haar
geregeld eventuele andere cijfergegevens of uitleg worden
verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze
wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of
van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG
zijn nageleefd.
Art. 202
Onverminderd artikel 80, § 5, verklaart het directiecomité
of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast
met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, aan de Bank dat de in artikel 201 bedoelde
periodieke informatie die haar aan het einde van het eerste
halfjaar en aan het einde van het boekjaar wordt bezorgd
door de onderneming, opgesteld is volgens de voorschriften
die door of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn
vastgesteld.
Daartoe is vereist dat de periodieke informatie, voor wat
de boekhoudkundige gegevens betreft:
l’établissement et la publication des rapports de gestion et
de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
La Banque peut, par voie de règlement pris en application
de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les
modalités d’application des règles définies par les arrêtés
royaux visés à l’alinéa 2.
Art. 200
Les entreprises d’assurances visées à l’article 223 éta-
blissent leurs comptes annuels de façon à faire apparaître
séparément les sources de résultats pour l’assurance et la
réassurance vie et non-vie. L’ensemble des produits, notam-
ment les primes, les interventions des réassureurs et les
revenus financiers, et des charges, notamment les prestations
d’assurance, les dotations aux provisions techniques, les
primes de réassurance et les frais de fonctionnement pour
les opérations d’assurance et de réassurance, est ventilé en
fonction de leur origine. Les éléments communs aux deux
activités sont comptabilisés selon des méthodes de répartition
qui sont acceptées par la Banque.
Art. 201
Outre les obligations en matière de communication d’infor-
mations prévues par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE et sans préjudice des articles 312 à 316, les
entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent
périodiquement à la Banque les informations financières
qu’elle détermine et qui sont établies conformément aux
règles fixées par la Banque, qui en détermine également
la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la trans-
mission régulière de toutes autres informations chiffrées
ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des
dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris
en exécution de celles-ci ou des mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE.
Art. 202
Sans préjudice de l’article 80, § 5, le comité de direction ou,
en l’absence de comité de direction, les personnes chargées
la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance, déclare à la Banque que les informations périodiques
visées à l’article 201 qui lui sont transmises par l’entreprise à
la fin du premier semestre social et à la fin de l’exercice social,
sont établies conformément aux prescriptions prévues par ou
en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive
2009/138/Ce et aux instructions de la Banque.
Il est à cet effet requis que les informations périodiques
soient pour ce qui concerne les données comptables qui y
figurent:
483
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° volledig is, d.w.z. dat zij alle gegevens bevat uit de
boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij wordt
opgesteld,
2° juist is, d.w.z. dat zij exact overeenstemt met de gege-
vens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke informatie wordt opgesteld.
Art. 203
Voor bepaalde categorieën van verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen of in specifieke gevallen kan de
Bank afwijkingen toestaan van de in artikel 199, tweede lid
en artikel 201 bedoelde regels.
HOOFDSTUK VII
Herstelplannen
Afdeling I
Opmaak van herstelplannen
Art. 204
Indien ze dit gerechtvaardigd acht in het licht van mogelijke
risico’s op een aanzienlijke verslechtering van de financiële
positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming, met name op grond van haar bedrijfsmodel, haar juri-
dische structuur, inherente kenmerken van de groep waarvan
ze deel uitmaakt, haar risicoprofiel, de kenmerken van de
door haar in de handel gebrachte producten, kan de Bank
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verplich-
ten een herstelplan op te stellen met maatregelen die door
de onderneming kunnen worden uitgevoerd voor het herstel
van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering
ervan, en dit plan te actualiseren.
Het herstelplan houdt rekening met verschillende scena-
rio’s van ernstige macro-economische of financiële crisis,
waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek
zijn voor de onderneming, en, in voorkomend geval, crises
waarbij entiteiten van de groep waarvan de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming deel uitmaakt, betrokken zijn.
Het herstelplan dekt de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming en haar Belgische en buitenlandse
dochterondernemingen.
Wanneer ze een dergelijk plan oplegt, houdt de Bank
rekening met het feit dat de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming in voorkomend geval betrokken is in een
groepstoezicht in de zin van artikel 343 of in een aanvullend
toezicht op een financieel conglomeraat in de zin van artikel
451, op een andere verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, een verzekeringsholding, een gemengde verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding, die onder
een andere lidstaat ressorteert en waarvoor een herstelplan
is goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteit.
1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels elles sont établies;
2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base des-
quels elles sont établies.
Art. 203
La Banque peut, pour certaines catégories d’entreprises
d’assurance ou de réassurance ou dans des cas particuliers,
autoriser des dérogations aux règles prévues aux articles
199, alinéa 2 et 201.
CHAPITRE VII
Plans de redressement
Section Ire
Etablissement des plans de redressement
Art. 204
Lorsqu’elle l’estime justifié au regard de risques potentiels
d’une dégragation significative de la situation financière d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment sur la
base de son modèle d’entreprise, de sa structure juridique,
de caractéristiques inhérentes au groupe dont elle fait partie,
de son profil de risque, des caractéristiques des produits
commercialisés, la Banque peut imposer à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance d’établir et de mettre à jour
un plan de redressement prévoyant les mesures susceptibles
d’être mises en oeuvre par l’entreprise afin de rétablir sa
situation financière à la suite d’une détérioration significative
de celle-ci.
Le plan de redressement envisage différents scénarios de
crise macro-économique ou financière grave, y compris des
événements d’ampleur systémique, des crises spécifiques
à l’entreprise et, le cas échéant, des crises impliquant des
entités du groupe dont l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance fait partie.
Le plan de redressement couvre l’entreprise d’assurance
ou de réassurance et ses filiales belges et étrangères.
Lorsqu’elle impose un tel plan, la Banque tient compte
de ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est,
le cas échéant, incluse dans un contrôle de groupe au sens
de l’article 343 ou d’une surveillance complémentaire d’un
conglomérat financier au sens de l’article 451 , d’une autre
entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une société
holding d’assurance, d’une société holding mixte d’assurance
ou d’une compagnie financière mixte relevant du droit d’un
autre État membre, pour laquelle un plan de redressement a
été approuvé par l’autorité compétente concernée.
484
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 205
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming neemt in
het herstelplan de nodige voorwaarden en procedures op om
de snelle en doeltreffende uitvoering van de maatregelen te
verzekeren en zodoende haar financiële positie te herstellen,
zonder dat dit voor het Belgische of internationale financiële
stelsel significante negatieve gevolgen heeft.
Het herstelplan bevat kwalitatieve en kwantitatieve indi-
catoren van een potentiële verslechtering van de financiële
positie van de onderneming, met aanduiding van de tijdstippen
waarop ze onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende
maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedu-
res voor de periodieke monitoring van de in het tweede lid
bedoelde indicatoren, alsook voor het onderzoek van de in
overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip
van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonder-
lijke overheidssteun.
Art. 206
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming actuali-
seert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder
geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestruc-
tuur, haar activiteiten of haar financiële positie, die een aan-
zienlijke invloed kan hebben op de uitvoering van het plan.
De Bank kan eisen dat de onderneming het herstelplan
vaker actualiseert.
Art. 207
Naargelang het geval kan de Bank nadere regels bepalen
voor:
1° de minimuminhoud van het herstelplan;
2° de informatie die door de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming aan de Bank moet worden meegedeeld,
en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
Afdeling II
Beoordeling van herstelplannen
Art. 208
§ 1. Het herstelplan dat met toepassing van artikel 204 is
vereist, wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming onderzocht en
goedgekeurd vooraleer het aan de Bank wordt voorgelegd.
Art. 205
L’entreprise d’assurance ou de réassurance prévoit dans
le plan de redressement les conditions et procédures néces-
saires pour assurer la mise en oeuvre rapide et efficace des
mesures propres à rétablir sa situation financière, et ce, sans
effets négatifs significatifs sur le système financier belge ou
international.
Le plan de redressement comporte des indicateurs quanti-
tatifs et qualitatifs d’une détérioration potentielle de la situation
financière de l’entreprise, avec l’indication des moments
auxquels elle examine si des mesures correctrices prévues
dans le plan doivent être mises en œuvre.
À cet effet, le plan de redressement définit des procédures
appropriées pour le suivi régulier de l’évolution des indica-
teurs visés à l’alinéa 2, ainsi que pour l’examen des mesures
correctrices à envisager, en ce compris l’éventuel processus
d’escalade à suivre.
Le plan de redressement n’envisage aucun soutien finan-
cier exceptionnel des pouvoirs publics.
Art. 206
L’entreprise d’assurance ou de réassurance actualise le
plan de redressement au moins une fois par an et, en toute
hypothèse, après toute modification de sa structure juridique
ou organisationnelle, de ses activités ou de sa situation finan-
cière, susceptible d’avoir un impact significatif sur la mise en
oeuvre du plan.
La Banque peut exiger que l’entreprise actualise plus
fréquemment le plan de redressement.
Art. 207
Selon les cas d’espèce, la Banque peut préciser:
1° le contenu minimal du plan de redressement;
2° les informations à transmettre par l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance à la Banque et la fréquence à
laquelle celles-ci lui sont transmises.
Section II
Evaluation des plans de redressement
Art. 208
§ 1er. Le plan de redressement requis en application de
l’article 204 est examiné et approuvé par l’organe légal
d’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance avant qu’il ne soit soumis à la Banque.
485
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming legt
het herstelplan als bedoeld in paragraaf 1 aan de Bank voor
binnen vier maanden te rekenen vanaf de beslissing waarvan
zij met toepassing van artikel 204 in kennis werd gesteld.
Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald,
legt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan
de Bank een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden
volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ont-
staan van de verplichting tot actualisering van het plan, met
dien verstande dat de Bank deze termijn kan verlengen tot
maximum zes maanden.
Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de ver-
plichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de
financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de Bank
hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd
plan voor binnen de termijn die haar door de Bank wordt
meegedeeld.
Art. 209
§ 1. Binnen drie maanden na ontvangst van het herstel-
plan onderzoekt de Bank dit plan en beoordeelt zij of het
voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de arti-
kelen 204 tot 207.
Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstelplan
toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:
1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatre-
gelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële
positie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
of de groep waarvan ze deel uitmaakt, in stand te houden of
te herstellen;
2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn op-
genomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd
in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het
mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële
stelsel worden vermeden, mede in scenario’s van gelijktijdige
uitvoering van herstelplannen van andere ondernemingen.
Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de Bank
bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de financie-
ring van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in
het bijzonder aan de structuur van haar eigen vermogen, in
verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisa-
tiestructuur en tot haar risicoprofiel.
§ 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan wezenlijke
tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen
zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis en, nadat
zij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt
te formuleren, nodigt zij haar uit om binnen twee maanden
§ 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance soumet
le plan de redressement visé au paragraphe 1er à la Banque
dans les quatre mois à compter de la décision qui lui a été
notifiée en application de l’article 204.
Sous réserve de ce qui est prévu à l’alinéa 3, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance soumet un plan actualisé à
la Banque dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné
naissance à l’obligation de mise à jour du plan, étant entendu
que la Banque peut étendre ce délai jusqu’à six mois.
Dans l’hypothèse où le fait ayant donné naissance à
l’obligation de mise à jour du plan est une modification de
la situation financière de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance susceptible d’avoir un impact significatif sur le
plan, celle-ci en informe la Banque sans délai et soumet un
plan actualisé dans le délai que lui communique la Banque.
Art. 209
§ 1er. Dans les trois mois de la réception du plan de redres-
sement, la Banque examine ce plan et évalue s’il satisfait aux
exigences prévues par ou en vertu des articles 204 à 207.
À cet effet, la Banque évalue notamment si le plan de
redressement permet de raisonnablement s’attendre à ce que:
1° la mise en œuvre des mesures prévues dans le plan
est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position
financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou
du groupe dont elle fait partie;
2° le plan et les différentes options qui y sont prévues
sont susceptibles d’être mis en œuvre rapidement et de
manière efficace dans des situations de crise financière, en
évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs
significatifs sur le système financier, en ce compris dans des
scénarios impliquant la mise en œuvre concomitante de plans
de redressement d’autres entreprises.
Dans son évaluation du plan de redressement, la Banque
porte une attention particulière sur l’adéquation du finan-
cement de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, en
particulier la structure de ses fonds propres, par rapport au
degré de complexité de sa structure organisationnelle et à
son profil de risque.
§ 2. Si la Banque considère qu’un plan de redresse-
ment présente des lacunes importantes ou qu’il existe des
obstacles significatifs à sa mise en œuvre, elle en informe
l’entreprise d’assurance ou de réassurance et, après lui avoir
donné l’opportunité d’exprimer son point de vue, l’invite à
soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel
486
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of
belemmeringen zijn verholpen. De Bank kan de voornoemde
termijn met maximum één maand verlengen.
§ 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïdentifi-
ceerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren
zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene
plan, kan zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van
deze bevinding specifieke wijzigingen in het herstelplan aan
te brengen.
Art. 210
Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodi-
ging bedoeld in artikel 209, § 2, of indien de Bank oordeelt dat
het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig
artikel 209, § 2, de door haar geïdentificeerde tekortkomin-
gen of belemmeringen niet verhelpt of het onmogelijk is om
deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning
overeenkomstig artikel 209, § 3, of nog indien geen gevolg
werd gegeven aan de aanmaning die met toepassing van
artikel 209, § 3 werd verricht, stelt de Bank de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming daarvan in kennis.
In deze gevallen kan de Bank de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming gelasten elke maatregel te treffen die
ze noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan
deze tekortkomingen of belemmeringen en kan ze inzonder-
heid eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming maatregelen treft om:
1° haar risicoprofiel aan te passen, met name door haar
tariferingsbeleid en/of haar onderschrijvingsbeleid of nog haar
herverzekerings- en retrocessiebeleid te wijzigen;
2° een snelle herkapitalisatie mogelijk te maken;
3° wijzigingen aan te brengen in haar financieringsstrategie
en/of in haar beleggingsbeleid;
4° wijzigingen aan te brengen in haar governancesysteem.
De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Afdeling III
Uitvoering van herstelplannen
Art. 211
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing naar
aanleiding van het onderzoek dat met toepassing van ar-
tikel 205 werd gevoerd om een corrigerende maatregel te
nemen in het kader van de, in voorkomend geval gedeeltelijke,
tenuitvoerlegging van haar herstelplan en van elke beslissing
om dit niet te doen.
il est remédié à ces lacunes ou obstacles. La Banque peut
prolonger le délai précité d’un mois au maximum.
§ 3. Si la Banque considère que le plan révisé conformé-
ment au paragraphe 2 ne permet pas de remédier efficace-
ment aux lacunes ou obstacles qu’elle a identifiés, elle peut
enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’ap-
porter, dans les trente jours de la notification de ce constat,
des modifications spécifiques au plan de redressement.
Art. 210
Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne
donne pas suite, dans le délai imparti, à l’invitation visée à
l’article 209, § 2, ou si la Banque considère que le plan de
redressement révisé soumis conformément à l’article 209, § 2,
ne permet pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu’elle a
identifiés ou qu’il n’est pas possible d’y remédier efficacement
par une injonction donnée conformément à l’article 209, § 3 ou
encore qu’il n’a pas été donné suite à l’injonction donnée
en application de l’article 209, § 3, la Banque en informe
l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
La Banque peut alors enjoindre à l’entreprise d’assurance
ou de réassurance de prendre toute mesure qu’elle juge
nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou
obstacles et notamment requérir que l’entreprise d’assurance
ou de réassurance prenne des mesures pour:
1° adapter son profil de risque, notamment en modifiant sa
politique tarifaire et/ou sa politique de souscription ou encore
sa politique de réassurance et de rétrocession;
2° permettre une recapitalisation rapide;
3° modifier sa stratégie de financement et/ou sa politique
d’investissement;
4° modifier son système de gouvernance.
La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance.
Section III
Mise en œuvre des plans de redressement
Art. 211
§ 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance informe
la Banque sans délai de toute décision faisant suite à l’examen
mené en application de l’article 205 de prendre une mesure
correctrice dans le cadre de la mise en œuvre, le cas échéant
partielle, de son plan de redressement ou de s’abstenir de
prendre une telle mesure.
487
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze
wet haar toekent, kan de Bank de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming opdragen om een of meer in haar
herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen
indien ze nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen
te nemen.
HOOFDSTUK IX
Specifieke bepalingen met betrekking tot het
verzekerings- of herverzekeringsbedrijf
Afdeling I
Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen
Onderafdeling I
Bijzondere bepalingen met betrekking tot
niet-levensverzekeringen
Art. 212
Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze
ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling
van de winst.
De Koning kan, op advies van de Bank en de FSMA, de
regels bepalen die de verzekeringsondernemingen in acht
moeten nemen voor de winstverdeling en -toekenning, met
inbegrip van de groepen van overeenkomsten of verplichtin-
gen waarop die regels van toepassing zijn, evenals de voor
toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzeke-
ringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De
Bank kan deze groepen van overeenkomsten of verplich-
tingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Onderafdeling II
Bijzondere bepalingen met betrekking tot
levensverzekeringen
Art. 213
Voor de toepassing van deze Onderafdeling en van de ter
uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen wordt
verstaan onder:
1° technische rentevoet: een jaarlijkse rentevoet van een
beleggingswet tegen samengestelde intrest, die gebruikt
wordt voor de bepaling van de actuele waarde van een uit-
gestelde premie of prestatie;
2° voorvalswet (van een verzekerde gebeurtenis): een wet
met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat de verzekerde
gebeurtenis zich voordoet;
3° toeslag: elk ander tariferingselement dan de techni-
sche rentevoet en de voorvalswetten van de verzekerde
§ 2. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont confé-
rés par la présente loi, la Banque peut enjoindre à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance de prendre une ou plusieurs
mesures correctrices prévues dans son plan de redressement
si elle reste en défaut de prendre les mesures adéquates de
sa propre initiative.
CHAPITRE IX
Dispositions spécifiques liées à l’activité d’assurance
ou de réassurance
Section Ire
Dispositions particulières relatives à l’assurance
Sous-section Ire
Dispositions particulières en matière d’assurance non-vie
Art. 212
Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut être
garantie, de quelque manière que ce soit, avant la date de la
répartition du bénéfice.
Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, déter-
miner les règles à suivre par les entreprises d’assurance en
ce qui concerne la répartition et l’attribution des participa-
tions bénéficiaires en ce compris les groupes de contrats ou
d’engagements auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que
les informations que les entreprises d’assurance fournissent
à la Banque aux fins de leur contrôle. La Banque peut, par
la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de
contrats ou d’engagements.
Sous-section II
Dispositions particulières en matière d’assurance-vie
Art. 213
Aux fins de la présente Sous-section et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution, on entend par:
1° taux d’intérêt technique: un taux annuel d’une loi de
placement à intérêts composés, utilisée pour déterminer la
valeur actuelle d’une prime ou d’une prestation différées;
2° loi de survenance (d’un événement assuré): une loi de
probabilité de réalisation de l’événement assuré;
3° chargement: tout élément tarifaire intervenant dans le
rapport entre les engagements de l’entreprise d’assurance
488
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gebeurtenissen waarmee rekening wordt gehouden in de
verhouding tussen de verplichtingen van de verzekeringson-
derneming en de premies die daar tegenover staan;
4° technische grondslagen: het geheel van de technische
rentevoeten, de voorvalswetten en de toeslagen waarmee
rekening wordt gehouden bij de opstelling van de tarieven of
de vorming van de reserves;
5° afkoop (van een overeenkomst): opzegging van de
overeenkomst door de verzekering nemer;
6° reductie (van een overeenkomst): vermindering van de
actuele waarde van de verzekerde prestaties ten gevolge van
de stopzetting van de premiebetaling;
7° afkoopwaarde (op een bepaald ogenblik): door de
verzekeringsonderneming te storten uitkering bij afkoop van
de overeenkomst;
8° reductiewaarde (op een bepaald ogenblik): uitkering
die bij reductie verzekerd blijft;
9° winstverdeling: afstand van winstdeling aan de
overeenkomsten;
10° winsttoekenning: definitieve maar, in voorkomend
geval, voorwaardelijke, toewijzing van de winstdeling aan
bepaalde overeenkomsten.
Art. 214
Voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt van
haar activiteit, deelt de verzekeringsonderneming vóór de toe-
passing ervan, aan de Bank de grondslagen en de methodes
mee die zij gebruikt voor het opstellen van haar tarifering, de
berekening van de afkoopwaarden, de reductiewaarden en
de technische voorzieningen, alsook de vergoedingen die
ze toepast. De Bank bezorgt deze informatie aan de FSMA.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de in het
eerste lid bedoelde types van producten bepalen.
Art. 215
De premies voor nieuwe zaken zijn op basis van redelijke
actuariële hypothesen voldoende om de levensverzekerings-
onderneming in staat te stellen aan al haar verplichtingen te
voldoen en met name toereikende technische voorzieningen
te vormen.
Hiertoe kan rekening worden gehouden met alle aspecten
van de financiële positie van de levensverzekeringsonder-
neming, zonder dat de inbreng van andere middelen dan
de premies en de opbrengst daarvan een systematisch en
permanent karakter heeft, op een wijze waardoor de solva-
biliteit van de betrokken onderneming op termijn in gevaar
zou kunnen komen.
et les primes qui en sont les contreparties, autre que les taux
d’intérêts techniques et les lois de survenance des événe-
ments assurés;
4° bases techniques: l’ensemble des taux d’intérêt tech-
niques, des lois de survenance et des chargements interve-
nant dans la détermination des tarifs ou la constitution des
réserves;
5° rachat (d’un contrat): résiliation du contrat par le preneur
d’assurance;
6° réduction (d’un contrat): diminution de la valeur actuelle
des prestations assurées consécutive à la cessation de paie-
ment des primes ;
7° valeur de rachat (à un instant déterminé): prestation
à verser par l’entreprise d’assurance en cas de rachat du
contrat;
8° valeur de réduction (à un instant déterminé): prestation
restant assurée en cas de réduction;
9° répartition de la participation bénéficiaire: cession, au
profit de contrats, d’une participation bénéficiaire;
10° attribution de la participation bénéficiaire: octroi
définitif mais, le cas échéant, conditionnel de la participation
bénéficiaire à des contrats déterminés.
Art. 214
Pour chaque type de produits faisant l’objet de son activité,
l’entreprise d’assurance communique à la Banque, préala-
blement à leur mise en application, les bases et méthodes
utilisées pour l’établissement de la tarification, le calcul des
valeurs de rachat, de réduction et des provisions techniques,
ainsi que les indemnités qu’elle applique. La Banque com-
munique ces informations à la FSMA.
La Banque peut déterminer, par la voie d’un règlement pris
en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
les types de produits visés à l’alinéa 1er.
Art. 215
Les primes pour les affaires nouvelles doivent être suf-
fisantes, selon des hypothèses actuarielles raisonnables,
pour permettre à l’entreprise d’assurance vie de satisfaire à
l’ensemble de ses engagements, et notamment de constituer
les provisions techniques adéquates.
À cet effet, il peut être tenu compte de tous les aspects de
la situation financière de l’entreprise d’assurance vie sans
que l’apport de ressources étrangères à ces primes et à
leurs produits revête un caractère systématique et permanent
susceptible de mettre en cause à long terme la solvabilité de
cette entreprise.
489
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 216
§ 1. Voor levensverzekerings overeen komsten mogen de
verzekerings ondernemingen geen technische rentevoet waar-
borgen die hoger is dan een maximum dat overeenkomstig
de bepalingen van deze paragraaf is vastgesteld.
De maximale technische rentevoet is gelijk aan 85 % van
het gemiddelde over de laatste 24 maanden van de rende-
menten van lineaire Belgische overheidsobligaties op 10 jaar,
waarbij het resultaat op de dichtstbijzijnde 25 bp (basispunten)
wordt afgerond. De maximale technische rentevoet wordt
berekend op 1 juni van elk jaar. Hij mag niet hoger zijn dan
3,75 % en niet lager dan 0,75 %.
Indien de overeenkomstig het tweede lid berekende maxi-
male technische rentevoet minstens 25 bp hoger of lager is
dan de geldende maximale technische rentevoet, stelt de
Bank de FSMA daarvan in kennis. De FSMA verstrekt aan
de Bank binnen vijftien dagen haar advies over de wijziging
van de maximale technische rentevoet voor de in het eerste
lid bedoelde overeenkomsten.
Binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies van de
FMSA of, bij gebreke van advies, binnen vijftien dagen na het
verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, legt de
Bank aan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekerin-
gen behoren, een gemotiveerd voorstel voor tot wijziging van
de maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid
bedoelde overeenkomsten. Het advies van de FSMA wordt
bij het voorstel van de Bank gevoegd.
Binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van de
Bank, kan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen
behoren, de door de Bank voorgestelde maximale technische
rentevoet afwijzen of wijzigen in een met redenen omkleed
besluit. In geval van afwijzing is de maximale technische ren-
tevoet die welke op het tijdstip van de afwijzing van kracht is.
Zodra zij de beslissing van de minister heeft ontvangen,
of, bij gebreke van beslissing, bij het verstrijken van de in
het vijfde lid bedoelde termijn, publiceert de Bank in het
Belgisch Staatsblad en op haar website de nieuwe maxi-
male technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde
verzekeringsovereenkomsten. Deze rentevoet is van kracht
vanaf 1 januari na die publicatie.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 mogen de verzekerings-
ondernemingen gedurende een periode van ten hoogste acht
jaar en voor een welbepaalde, op de datum van de verbintenis
gevestigde prestatie, een technische rentevoet waarborgen
die hoger is dan de in paragraaf 1 bedoelde maximale tech-
nische rentevoet, voor zover de looptijd van en de inkomsten
uit de activa van de onderneming dit toelaten.
De Koning bepaalt op advies van de Bank en de FSMA de
voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf.
§ 3. Indien de maximale technische rentevoet wordt ge-
wijzigd met toepassing van paragraaf 1, is die rentevoet van
toepassing:
Art. 216
§ 1er. Pour ce qui concerne les contrats d’assurance sur la
vie, les entreprises d’assurance ne peuvent garantir un taux
d’intérêt technique supérieur à un maximum fixé conformé-
ment aux dispositions du présent paragraphe.
Le taux technique maximum est égal à 85 % de la moyenne
sur les 24 derniers mois des rendements des obligations
linéaires de l’État belge à 10 ans, le résultat étant arrondi aux
25 pdb (point de base) les plus proches. Le taux technique
maximum est calculé le 1er juin de chaque année. Il ne peut
être supérieur à 3,75 % ni inférieur à 0,75 %.
Si le taux technique maximum calculé conformément à
l’alinéa 2 est supérieur ou inférieur d’au moins 25 pdb au
taux technique maximum en vigueur, la Banque en informe la
FSMA. Dans les quinze jours, celle-ci transmet à la Banque
son avis sur la modification du taux technique maximum des
contrats visés à l’alinéa 1er.
Dans les quinze jours de la réception de l’avis de la FMSA
ou, à défaut d’avis, dans les quinze jours de l’expération du
délai visé à l’alinéa 3, la Banque transmet au ministre ayant
les assurances dans ses attributions une proposition motivée
de modification du taux technique maximum des contrats
visés à l’alinéa 1er, L’avis de la FSMA est joint à la proposition
de la Banque.
Dans les deux mois de la réception de la proposition de la
Banque, le ministre ayant les assurances dans ses attribu-
tions peut, par décision motivée, rejeter ou modifier le taux
technique maximum proposé par la Banque. En cas de rejet,
le taux technique maximum est celui en vigueur au moment
dudit rejet.
Dès réception de la décision du ministre ou, à défaut de
décision, à l’expiration du délai visé à l’alinéa 5, la Banque
publie au Moniteur belge et sur son site Internet le nouveau
taux technique maximum des contrats d’assurance visés à
l’alinéa 1er. Ce taux est applicable à partir du 1er janvier qui
suit cette publication.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les entreprises
d’assurance peuvent garantir, pour une durée n’excédant pas
huit ans et pour une prestation déterminée et constituée à la
date de l’engagement, un taux technique supérieur au taux
technique maximum visé au paragraphe 1er dans la mesure où
la durée et les revenus des actifs de l’entreprise le permettent.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, les
conditions d’application du présent paragraphe.
§ 3. Dans le cas où le taux d’intérêt technique maximum
est modifié en application du paragraphe 1er, ce taux est
applicable:
490
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° op de overeenkomsten die vanaf de datum van inwer-
kingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten;
2° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwer-
kingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor
de te vestigen prestatie niet bepaald wordt bij het sluiten
ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van
inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort;
3° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwer-
kingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor
de te vestigen prestatie bepaald wordt bij het sluiten ervan,
voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwer-
kingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort en die
overeenstemmen met een verhoging of een herziening van
de waarborg die vanaf die datum geldt.
Wanneer de overeenkomst tot verschillende van de in
het eerste lid bedoelde categorieën behoort of wanneer
de te vestigen prestatie enkel wordt bepaald voor een duur
die korter is dan de totale duur van de overeenkomst, zijn
de bepalingen van het eerste lid van toepassing op elke bij
deze overeenkomst betrokken partij alsof het om één enkele
overeenkomst ging.
§ 4. De verrichtingen met flexibele premies worden voor
de tarifering als een geheel van verrichtingen tegen koop-
som beschouwd en geen enkele waarborg inzake tarief mag
worden toegekend voor flexibele premies vóór hun storting.
Art. 217
Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze
ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling
van de winst.
Art. 218
Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of
meer fondsen met aangewezen activa verbonden zijn. In dat
geval verbindt de verzekeringsonderneming zich ertoe om
bovenop de tariefgrondslagen, een deel van de gerealiseerde
winst afkomstig uit beleggingen in deze aangewezen activa,
als winstdeling te verdelen en toe te kennen.
Art. 219
Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of
meer beleggingsfondsen die door een of meer verzekerings-
ondernemingen worden beheerd, verbonden zijn. In dat geval
wordt het beleggingsrisico gedragen door de verzekering-
nemer en mag er geen winstdeling worden toegekend die
afkomstig is van winst op de beleggingen.
Art. 220
In het kader van het beheer van collectieve pensioenfond-
sen die behoren tot tak 27 als vermeld in Bijlage II, mag een
1° aux contrats souscrits à partir de la date d’entrée en
vigueur du nouveau taux;
2° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en vigueur
du nouveau taux pour lesquels la prestation à constituer n’est
pas déterminée lors de leur conclusion, pour ce qui concerne
les primes versées à partir de la date d’entrée en vigueur du
nouveau taux;
3° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en vigueur
du nouveau taux pour lesquels la prestation à constituer est
déterminée lors de leur conclusion, pour ce qui concerne les
primes versées à partir de la date d’entrée en vigueur du
nouveau taux et qui correspondent à une augmentation ou une
révision de la garantie intervenue à partir de cette même date.
Lorsque le contrat relève de plusieurs des catégories
visées à l’alinéa 1er ou que la prestation à constituer n’est
déterminée que pour une durée inférieure à la durée totale du
contrat, les dispositions de l’alinéa 1er s’appliquent à chaque
partie du contrat concernée comme s’il s’agissait d’un seul
contrat.
§ 4. Les opérations à primes flexibles sont considérées,
quant à la tarification, comme un ensemble d’opérations à
prime unique et aucune garantie tarifaire ne peut être consen-
tie pour des primes flexibles avant leur versement.
Art. 217
Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut être
garantie, de quelque manière que ce soit, avant la date de la
répartition du bénéfice.
Art. 218
Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plusieurs
fonds à actifs dédiés. Dans ce cas, l’entreprise d’assurance
s’engage, en plus des bases tarifaires, à répartir et à attribuer,
sous la forme de participation bénéficiaire, une part du béné-
fice réalisé provenant des placements de ces actifs dédiés.
Art. 219
Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plusieurs
fonds d’investissement gérés par une ou plusieurs entreprises
d’assurance. Dans ce cas, le risque d’investissement est
supporté par le preneur d’assurance et aucune participation
bénéficiaire ne peut être octroyée provenant d’un bénéfice
sur les placements.
Art. 220
Dans le cadre de la gestion de fonds collectifs de retraite re-
levant de la branche 27 mentionnée à l’Annexe II, l’entreprise
491
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekeringsonderneming enkel fondsen met betrekking tot
pensioenverplichtingen en solidariteitstoezeggingen beheren
van:
1° een instelling voor bedrijfspensioenvoor-
ziening als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen
voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° een openbaar bestuur als bedoeld in artikel 134, 1°, van
de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
3° een overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 138, eerste
lid, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006;
4° een instelling of externe dienst van een openbaar
bestuur of een overheidsbedrijf opgericht overeenkomstig
de artikelen 136, § 1, en 138, van de voornoemde wet van
27 oktober 2006;
5° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een
solidariteitstoezegging, als bedoeld in artikel 47 van de wet
van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen
en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige
aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid;
6° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een
solidariteitsstelsel, als bedoeld in artikel 56 van de program-
mawet (I) van 24 december 2002.
De verzekeringsonderneming kan aan het beheer van
collectieve pensioenfondsen een waarborg verbinden met
betrekking tot het rendement of het behoud van het kapitaal.
Art. 221
Met het oog op de toepassing van deze wet bepaalt de
Koning, op advies van de Bank en de FSMA, de regels die
de verzekeringsondernemingen moeten volgen voor wat
betreft de uitoefening van de levensverzekeringsactiviteiten
als vermeld in Bijlage II.
In bijzonder stelt de Koning regels vast voor:
1° de bestanddelen van de technische grondslagen en de
wijze waarop deze bestanddelen worden vastgesteld;
2° de begrippen “afkoopwaarde” en “reductiewaarde”,
evenals de berekeningswijze ervan;
3° de berekening van de prestatie bij opzegging of afkoop
van de overeenkomst;
4° de berekening van de prestatie bij overlijden ten gevolge
van een niet-gedekt risico;
5° de beperkingen van het voorschot op en de inpandge-
ving van de verzekerde prestaties;
6° de winstverdeling en -toekenning alsook de toekenning
van restorno’s, met inbegrip van het bepalen van de groepen
d’assurance ne peut gérer que les fonds relatifs aux engage-
ments de pension et aux engagements de solidarité:
1° d’une institution de retraite professionnelle visée à
l’article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle
des institutions de retraite professionnelle;
2° d’une administration publique visée à l’article 134, 1°,
de la loi du 27 octobre 2006 précitée;
3° d’un organisme public visé à l’article 138, alinéa 1er, de
la loi du 27 octobre 2006 précitée;
4° d’une institution ou d’un service externe d’une
administration publique ou d’un organisme public créé
conformément aux articles 136, § 1er, et 138, de la loi du
27 octobre 2006 précitée;
5° d’une personne morale chargée de la gestion d’un
engagement de solidarité, telle que visée à l’article 47 de la
loi loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires
et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en
matière de sécurité sociale;
6° d’une personne morale chargée de la gestion d’un
régime de solidarité, telle que visée à l’article 56 de la loi-
programme (I) du 24 décembre 2002.
L’entreprise d’assurance peut assortir la gestion des
fonds collectifs de retraite d’une garantie de rendement ou
de conservation du capital.
Art. 221
En vue de l’application de la présente loi, le Roi détermine,
sur avis de la Banque et de la FSMA, les règles à suivre par
les entreprises d’assurance en ce qui concerne l’exercice des
activités d’assurance sur la vie mentionnées à l’Annexe II.
En particulier, le Roi fixe les règles concernant:
1° les éléments constituant les bases techniques et la
manière dont ils sont établis;
2° les notions de valeur de rachat et de valeur de réduction,
ainsi que leur mode de calcul;
3° le calcul de la prestation en cas de résiliation ou de
rachat du contrat;
4° le calcul de la prestation en cas de décès lors de la
survenance d’un risque non couvert;
5° les limites concernant l’avance sur et la mise en gage
des prestations assurées;
6° la répartition et l’attribution des participations béné-
ficiaires, ainsi que l’octroi de ristournes, en ce compris la
492
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van overeenkomsten of verplichtingen waarop deze regels
van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden
benodigde informatie die de verzekeringsondernemingen aan
de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van
overeenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998;
7° de inventaris van de samenstelling van elk fonds met
aangewezen activa;
8° de verzekeringsovereenkomsten voor de toekenning
van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld
bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende
het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
Onderafdeling III
Gelijktijdige uitoefening van levens- en
niet-levensverzekeringsactiviteiten
Art. 222
Het is verzekeringsondernemingen niet toegestaan gelijktij-
dig de in Bijlage I bedoelde niet-levensverzekeringsactiviteiten
en de in Bijlage II bedoelde levensverzekerings activiteiten
uit te oefenen.
Art. 223
In afwijking van artikel 222 mogen de verzekeringsonder-
nemingen die op 15 maart 1979 gelijktijdig niet-levens- en
levens verzekeringsactiviteiten uitoefenden, deze activiteiten
voortzetten.
In afwijking van artikel 222 kunnen de ondernemingen
waaraan een vergunning is verleend om levensverzekerings-
activiteiten uit te oefenen, ook een vergunning verkrijgen voor
niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op
de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I.
Evenzo kunnen ondernemingen waaraan uitsluitend voor
de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I, een
vergunning is verleend, tevens een vergunning verkrijgen om
levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen.
Art. 224
De in artikel 223 bedoelde ondernemingen voeren een
gescheiden beheer voor levensverzekeringsactiviteiten en
niet-levensverzekeringsactiviteiten.
Indien deze ondernemingen ook herverzekeringsactivitei-
ten uitoefenen, voeren zij bovendien een gescheiden beheer
voor enerzijds de verzekerings- en -herverzekeringsactivitei-
ten “niet-leven” en anderzijds de verzekerings- en herverze-
keringsactiviteiten “leven”.
détermination des groupes de contrats ou d’engagements
auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que les informations
que les entreprises d’assurance fournissent à la Banque
aux fins de leur contrôle; La Banque peut, par la voie d’un
règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi
du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de contrats ou
d’engagements;
7° l’inventaire de la composition de chaque fonds à actifs
dédiés;
8° les contrats d’assurance relatifs à l’octroi d’avantages
extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal
n°50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de
survie des travailleurs salariés.
Sous-section III
Exercice simultané des activités d’assurance
vie et non-vie
Art. 222
Il est interdit à toute entreprise d’assurance d’exercer
simultanément les activités d’assurance non-vie visées à
l’Annexe I et les activités d’assurance vie visées à l’Annexe II.
Art. 223
Par dérogation à l’article 222, les entreprises d’assurance
qui, à la date du 15 mars 1979, exerçaient simultanément les
activités d’assurance vie et non-vie peuvent poursuivre ces
activités.
Par dérogation à l’article 222, les entreprises qui ont
reçu l’agrément pour l’exercice de l’activité d’assurance vie
peuvent obtenir un agrément pour l’exercice d’activités d’as-
surance non-vie restreintes aux risques visés aux branches
1 et 2 mentionnées à l’Annexe I.
De même, les entreprises agréées uniquement pour les
risques visés aux branches 1 et 2 mentionnées à l’Annexe
I peuvent obtenir un agrément pour l’exercice de l’activité
d’assurance vie.
Art. 224
Les entreprises visées à l’article 223 gèrent séparément
les activités vie et les activités non-vie.
En outre, si ces entreprises exercent également des activi-
tés de réassurance, elles gèrent séparément, d’une part, les
activités d’assurance et de réassurance non-vie et, d’autre
part, les activités d’assurance et de réassurance vie.
493
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De in artikel 223 bedoelde ondernemingen zien erop toe
dat zij de respectieve belangen van levensverzekeringnemers
en niet-levensverzekeringnemers respecteren. Dit houdt in-
zonderheid in dat zij slechts winstdeling, een premierestorno
of een gelijkwaardig voordeel toekennen aan levensverzeke-
ringsovereenkomsten op grond van de inkomsten die aan de
levensverzekeringsactiviteit zijn verbonden, alsof de onder-
neming uitsluitend deze activiteit zou uitoefenen. Dit geldt
eveneens voor de niet-levensverzekeringsactiviteit.
Art. 225
§ 1. Onverminderd artikel 37, 2° en 3°, berekenen de in
artikel 223 bedoelde verzekerings ondernemingen:
1° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven” voor
hun levensverzekerings- of -herverzekeringsactiviteiten, alsof
de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou
uitoefenen;
2° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet-leven”
voor hun niet-levensverzekerings- of -herverzekeringsacti-
viteiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze
activiteiten zou uitoefenen.
§ 2. De in artikel 223, bedoelde verzekerings ondernemingen
dekken ten minste het geheel van de volgende vereisten met
een overeenkomstig bedrag aan in aanmerking komende
kernvermogensbestanddelen:
1° het theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven” voor
hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit “leven”;
2° het theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet-
leven” voor hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit
“niet-leven”.
De in de eerste lid bedoelde financiële minimumverplich-
tingen respectievelijk voor de levens- en niet-levensverzeke-
ringsactiviteit mogen niet door de andere activiteit worden
gedragen.
§ 3. Zolang aan de in paragraaf 2 bedoelde financiële
minimumverplichtingen is voldaan en onder voorbehoud van
kennisgeving ervan aan de Bank, mag de onderneming ter
dekking van het in artikel 37, 2° bedoelde solvabiliteitska-
pitaalvereiste de nog beschikbare in aanmerking komende
eigenvermogensbestanddelen voor de ene of voor de andere
activiteit gebruiken.
Art. 226
De in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemingen
stellen een document op waarin de in aanmerking komende
kernvermogensbestanddelen ter dekking van elk van beide in
artikel 225 bedoelde theoretische minimumkapitaalvereisten
duidelijk zijn onderscheiden, overeenkomstig artikel 150, § 4.
Les entreprises visées à l’article 223 veillent à respecter
les intérêts respectifs des preneurs d’assurance vie et d’assu-
rance non-vie. En particulier, elles n’accordent de participation
bénéficiaire, de ristourne de prime ou d’avantage équivalent
aux contrats d’assurance sur la vie qu’en fonction des reve-
nus liés à cette activité comme si l’entreprise n’exerçait que
cette activité. Il en va de même pour ce qui concerne l’activité
d’assurance non-vie.
Art. 225
§ 1er. Sans préjudice de l’article 37, 2° et 3°, les entreprises
d’assurance visées à l’article 223 calculent:
1° un montant notionnel du minimum de capital requis en
vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance ou de
réassurance vie, calculé comme si l’entreprise concernée
n’exerçait que ces activités;
2° un montant notionnel du minimum de capital requis en
non-vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance
ou de réassurance non-vie, calculé comme si l’entreprise
concernée n’exerçait que ces activités.
§ 2. Les entreprises d’assurance visées à l’article 223,
couvrent au minimum le total des exigences suivantes par
un montant équivalent d’éléments de fonds propres de base
éligibles:
1° le montant notionnel du minimum de capital requis en
vie, pour l’activité d’assurance et de réassurance vie;
2° le montant notionnel du minimum de capital requis en
non-vie, pour l’activité d’assurance et de réassurance non-vie.
Les obligations financières minimales visées à l’alinéa 1er
se rapportant respectivement à l’activité vie et à l’activité non-
vie ne peuvent être supportées par l’autre activité.
§ 3. Aussi longtemps que sont remplies les obligations
financières minimales visées au paragraphe 2 et sous réserve
d’en informer la Banque, l’entreprise peut utiliser, pour cou-
vrir le capital de solvabilité requis visé à l’article 37, 2°, les
éléments de fonds propres éligibles encore disponibles pour
l’une ou l’autre activité.
Art. 226
Les entreprises d’assurance visées à l’article 223 éta-
blissent un document dans lequel les éléments de fonds
propres de base éligibles couvrant chaque montant notionnel
du minimum de capital requis visé à l’article 225 sont claire-
ment identifiés, conformément à l’article 150, § 4.
494
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de vorm en
inhoud bepalen van het in het eerste lid bedoelde document.
Art. 227
Wanneer het bedrag aan in aanmerking komende
kernvermogensbestanddelen voor één van de activiteiten
ontoereikend is voor de dekking van de in artikel 225, § 1,
bedoelde financiële minimumverplichtingen, mag de Bank
op de betrokken activiteit de maatregelen als bedoeld in de
artikelen 508 tot 517, met uitzondering van artikel 510, toepas-
sen, ongeacht de resultaten van de andere activiteit.
In afwijking van artikel 225, § 2, kunnen deze maatregelen
een goedkeuring tot overdracht van in aanmerking komende
kernvermogensbestanddelen van de ene activiteit naar de
andere inhouden.
Art. 228
Wanneer een niet-levensverzekeringsonderneming finan-
ciële, commerciële of administratieve banden heeft met een
levensverzekeringsonderneming, ziet de Bank erop toe dat de
verdeling van de kosten en inkomsten tussen de niet-levens-
en de levensverzekeringsactiviteiten niet wordt vertekend
ten gevolge van overeenkomsten of afspraken tussen deze
ondernemingen.
Art. 229
De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 verlangen
dat de verzekeringsondernemingen alle documenten of sta-
ten bijhouden die het haar mogelijk maken toe te zien op de
naleving van de vereisten van de artikelen 224 tot 228.
Onderafdeling IV
Afzonderlijke beheren
Art. 230
Naast de verplichting om overeenkomstig artikel 224 een
gescheiden beheer te voeren voor levens- en niet-levensver-
zekeringsactiviteiten, voeren de verzekerings ondernemingen
afzonderlijke beheren waarbij per beleggingsfonds een on-
derscheid wordt gemaakt tussen de verzekeringsactiviteiten
die behoren tot de takken 23, 26 en 27 als vermeld in Bijlage
II, waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de ver-
zekeringnemer, en de andere activiteiten die in de genoemde
Bijlage zijn opgenomen en die één enkel afzonderlijk beheer
vormen.
La Banque peut préciser, par la voie d’un règlement pris
conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
la forme et le contenu du document visé à l’alinéa 1er.
Art. 227
Si le montant des éléments de fonds propres de base éli-
gibles affectés à l’une des activités ne suffit pas à couvrir les
obligations financières minimales visées à l’article 225, § 1er, la
Banque peut appliquer à l’activité déficitaire les mesures pré-
vues aux articles 508 à 517 à l’exception de l’article 510 quels
que soient les résultats obtenus dans l’autre activité.
Par dérogation à l’article 225, § 2, ces mesures peuvent
comporter l’autorisation d’un transfert d’éléments de fonds
propres de base éligibles d’une activité à l’autre.
Art. 228
Lorsqu’une entreprise d’assurance non-vie a des liens
financiers, commerciaux ou administratifs avec une entreprise
d’assurance vie, la Banque veille à ce que la répartition des
frais et des revenus entre les activités vie et non-vie ne soient
pas faussée par des conventions ou des arrangements passés
entre ces entreprises.
Art. 229
La Banque peut imposer aux entreprises d’assurance, par
la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998, la tenue de tout document
ou état lui permettant de contrôler le respect des exigences
énoncées aux articles 224 à 228.
Sous-section IV
Gestions distinctes
Art. 230
Outre l’obligation de gérer séparément les activités vie et
non-vie conformément à l’article 224, les entreprises d’assu-
rance établissent des gestions distinctes identifiant séparé-
ment, par fonds d’investissement, les activités d’assurance
qui ressortissent des branches 23, 26 et 27 mentionnées à
l’Annexe II, pour lesquelles le risque d’investissement est
supporté par le preneur, des autres activités qui ressortissent
de ladite Annexe et qui constituent une seule gestion distincte.
495
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 231
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming ver-
meldt te allen tijde tot welke afzonderlijk beheer of tot welke
afzonderlijke beheren elke overeenkomst en elk schadegeval
behoort.
De Koning bepaalt na advies van de Bank en de FSMA voor
wat hun respectieve bevoegdheden betreft, de verplichtingen
van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
inzake de verzameling van gegevens over de afzonderlijke
beheren, met inbegrip van de methodes voor de uitsplitsing
van de technische voorzieningen en de activa over de verschil-
lende afzonderlijke beheren en de voorwaarden waaronder
de activa ter dekking van de technische voorzieningen van
een afzonderlijk beheer mogen worden overgedragen naar
een ander afzonderlijk beheer.
Onderafdeling V
Communautaire medeverzekering
§ 1 – Toepassingsgebied
Art. 232
Deze Onderafdeling is van toepassing op communautaire
medeverzekeringsverrichtingen die betrekking hebben op een
of meer risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3 tot 16 als ver-
meld in Bijlage I en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het risico is een groot risico als gedefinieerd in
artikel 233;
2° het risico wordt gedekt door verscheidene, als “medever-
zekeraars” optredende verze keringsondernemingen zonder
hoofdelijke aansprakelijkheid, door middel van één enkele
overeenkomst tegen één premie voor het gehele risico, en
voor dezelfde tijdsduur; één van hen is de eerste verzekeraar;
3° het risico is gelegen op het Belgische grondgebied of
op het grondgebied van verscheidene lidstaten, waarvan er
één België is;
4° voor de dekking van het risico wordt de eerste verzeke-
raar behandeld als ware hij de verzekeringsonderneming die
het volledige risico dekt;
5° ten minste één van de medeverzekeraars neemt deel
aan de overeenkomst via zijn zetel of een bijkantoor dat in een
andere lidstaat dan die van de eerste verzekeraar is gevestigd;
6° de eerste verzekeraar neemt de leidende rol die hem
volgens de geldende gebruiken inzake medeverzekering
toekomt, volledig op zich; hij stelt inzonderheid de verzeke-
rings- en tariferingsvoorwaarden vast.
Art. 231
L’entreprise d’assurance ou de réassurance identifie à tout
moment la ou les gestions distinctes auxquelles appartiennent
chaque contrat et chaque sinistre.
Le Roi détermine sur avis de la Banque et de la FSMA en
ce qui concerne leur domaine de compétence respectif, les
obligations des entreprises d’assurance ou de réassurance
en matière de collecte de données relativement aux ges-
tions distinctes, en ce compris les méthodes de ventilation
des provisions techniques et des actifs entre les différentes
gestions distinctes et les conditions dans lesquelles les actifs
représentatifs des provisions techniques d’une gestion dis-
tincte peuvent être transférés à une autre gestion distincte.
Sous-section V
Coassurance communautaire
§ 1er – Champ d’application
Art. 232
La présente Sous-section s’applique aux opérations de
coassurance communautaire qui concernent un ou plusieurs
risques classés dans les branches 3 à 16 mentionnées à
l’Annexe I et qui répondent aux conditions suivantes:
1° le risque est un grand risque tel que défini à l’article 233;
2° le risque est couvert par plusieurs entreprises d’assu-
rance en qualité de “coassureurs”, dont un est l’apériteur,
sans qu’il y ait de solidarité entre eux, au moyen d’un contrat
unique, moyennant une prime globale et pour une même
durée;
3° le risque est situé sur le territoire de la Belgique ou de
plusieurs États membres dont l’un est la Belgique;
4° pour garantir le risque, l’apériteur est traité comme s’il
était l’entreprise d’assurance qui couvre la totalité du risque;
5° au moins un des coassureurs participe au contrat par
l’intermédiaire de son siège ou d’une succursale établi dans
un État membre autre que celui de l’apériteur;
6° l’apériteur assume pleinement le rôle directeur qui lui
revient dans la pratique de la coassurance et, en particulier,
détermine les conditions d’assurance et de tarification.
496
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 233
Voor de toepassing van artikel 232 wordt verstaan onder
grote risico’s:
1° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 4, 5, 6, 7, 11 en
12 als vermeld in Bijlage I;
2° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 14 en 15 als
vermeld in Bijlage I, wanneer de verzekeringnemer beroeps-
halve een industriële of commerciële activiteit dan wel een
vrij beroep uitoefent en de risico’s op die activiteit betrekking
hebben;
3° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3, 8, 9, 10,
13 en 16 als vermeld in Bijlage I, voor zover de verzekeringne-
mer ten minste twee van de drie volgende criteria overschrijdt:
a) een balanstotaal van 6 200 000 EUR;
b) een netto-omzet van 12 800 000 EUR;
c) een personeelsbestand van gemiddeld 250 personeels-
leden gedurende het boekjaar.
Wanneer de verzekeringnemer deel uitmaakt van een
groep ondernemingen waarvan de geconsolideerde jaarreke-
ning overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG wordt opgesteld,
worden de in het eerste lid, 3°, vermelde criteria op basis van
de geconsolideerde jaarrekening toegepast.
Art. 234
Op medeverzekeringsverrichtingen die niet aan de voor-
waarden van artikel 232 voldoen, blijven de bepalingen van
deze wet, met uitzondering van die van deze Onderafdeling,
van toepassing.
§ 2 – Uitoefening van het bedrijf
Art. 235
De artikelen 556 tot 561 zijn enkel van toepassing op de
eerste verzekeraar die in België communautaire medever-
zekeringsverrichtingen wenst uit te oefenen als bedoeld in
deze Onderafdeling.
Art. 236
Het bedrag van de technische voorzieningen wordt door
de in België gevestigde medeverzekeraars bepaald volgens
de regels die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld.
De technische voorzieningen zijn echter ten minste gelijk
aan die welke door de eerste verzekeraar zijn bepaald volgens
de regels die gelden in zijn lidstaat van herkomst.
Art. 233
Par grands risques aux fins de l’article 232, on entend:
1° les risques classés sous les branches 4, 5, 6, 7, 11 et
12 mentionnées à l’Annexe I;
2° les risques classés sous les branches 14 et 15 mention-
nées à l’Annexe I lorsque le preneur d’assurance exerce à
titre professionnel une activité industrielle, commerciale ou
libérale et que les risques sont relatifs à cette activité;
3° les risques classés sous les branches 3, 8, 9, 10, 13 et
16 mentionnées à l’Annexe I, pour autant que le preneur
d’assurance dépasse les limites chiffrées d’au moins deux
des critères suivants:
a) un total de bilan de 6 200 000 EUR;
b) un montant net du chiffre d’affaires de 12 800 000 EUR;
c) un nombre de 250 employés en moyenne au cours de
l’exercice.
Si le preneur d’assurance fait partie d’un ensemble
d’entreprises pour lequel des comptes consolidés sont établis
conformément à la directive 83/349/CEE, les critères énon-
cés à l’alinéa 1er, 3°, sont appliqués sur la base des comptes
consolidés.
Art. 234
Les opérations de coassurance qui ne répondent pas aux
conditions de l’article 232 demeurent soumises aux disposi-
tions de la présente loi, à l’exclusion de celles figurant dans
la présente Sous-section.
§ 2 – Exercice de l’activité
Art. 235
Les articles 556 à 561 ne sont applicables qu’à l’apériteur
qui désire exercer en Belgique des opérations de coassurance
communautaire visées par la présente Sous-section.
Art. 236
Le montant des provisions techniques est déterminé par
les coassureurs établis en Belgique suivant les règles fixées
par ou en vertu de la présente loi.
Toutefois, les provisions techniques sont au moins égales
à celles déterminées par l’apériteur suivant les règles de son
État membre d’origine.
497
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 237
De in België gevestigde medeverzekeraars bezorgen aan
de Bank, per betrokken land, statistische gegevens waaruit
de omvang blijkt van de communautaire verzekeringsver-
richtingen waaraan zij deelnemen.
De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de aard van
de voornoemde gegevens, evenals de frequentie waarmee en
de drager waarop ze zullen worden meegedeeld.
Art. 238
In geval van vereffening van een verzekeringsonderneming
worden de verplichtingen die voortvloeien uit de deelneming
aan een communautaire medeverzekeringsovereenkomst
op dezelfde wijze nagekomen als de verplichtingen die
voortvloeien uit de andere verzekerings overeenkomsten van
deze onderneming, zonder onderscheid naar nationaliteit van
verzekerden en begunstigden.
Afdeling II
Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen
Onderafdeling I
Finite herverzekering
Art. 239
Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt onder
“finite herverzekering” verstaan een herverzekering krachtens
dewelke het expliciete maximale verliespotentieel, uitgedrukt
als hoogste overgedragen economisch risico, dat voortvloeit
uit een significante overdracht van zowel verzekeringstech-
nische risico’s als tijdsrisico, hoger is, voor een beperkt maar
significant bedrag, dan de premie die geldt voor de volledige
looptijd van de overeenkomst, in combinatie met ten minste
een van de volgende twee kenmerken:
1° op expliciete en concrete wijze rekening houden met de
tijdswaarde van het geld;
2° contractuele bepalingen die tot doel hebben de verdeling
van de economische effecten tussen de twee partijen in de tijd
te effenen met het oog op het bereiken van het nagestreefde
niveau van risico-overdracht.
Art. 240
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kun-
nen slechts finite herverzekeringsovereenkomsten sluiten of
finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, wanneer ze in
staat zijn de uit deze overeenkomsten of activiteiten voort-
vloeiende risico’s naar behoren te identificeren, te meten, te
bewaken, te beheren, te beheersen en te rapporteren.
Art. 237
Les coassureurs établis en Belgique fournissent à la
Banque, par pays concerné, les éléments statistiques faisant
apparaître l’importance des opérations de coassurance com-
munautaire auxquelles ils participent.
La Banque détermine, par la voie d’un règlement pris
conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
la nature des éléments précités, ainsi que la fréquence à
laquelle et le support sur lequel ils lui sont communiqués.
Art. 238
En cas de liquidation d’une entreprise d’assurance, les
engagements résultant de la participation à un contrat de
coassurance communautaire sont exécutés de la même façon
que les engagements résultant des autres contrats d’assu-
rance de cette entreprise, sans distinction selon la nationalité
des assurés et des bénéficiaires.
Section II
Dispositions particulières relatives à la réassurance
Sous-section Ire
Réassurance finite
Art. 239
Aux fins de l’application de la présente Sous-section, on
entend par “réassurance finite” toute réassurance en vertu
de laquelle la perte maximale potentielle, exprimée comme le
risque économique maximal transféré, découlant d’un trans-
fert significatif à la fois du risque de souscription et du risque
de timing, excède la prime sur toute la durée du contrat, pour
un montant limité, mais important, conjointement avec l’une
au moins des deux caractéristiques suivantes:
1° la prise en considération explicite et matérielle de la
valeur temporelle de l’argent;
2° des dispositions contractuelles visant à lisser dans le
temps un partage des effets économiques entre les deux par-
ties en vue d’atteindre un niveau cible de transfert de risque.
Art. 240
Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent
conclure des contrats de réassurance finite ou exercer des
activités de réassurance finite que si elles sont en mesure de
déceler, de mesurer, de surveiller, de gérer, de contrôler et
de signaler de manière appropriée les risques découlant de
ces contrats ou activités.
498
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 241
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Europese
Commissie als bepaald in artikel 210, lid 2 van Richtlijn
2009/138/EG, kan de Koning de in artikel 240 bedoelde ver-
eisten preciseren en aanvullen.
§ 2. Onder dezelfde voorwaarden kan de Koning op advies
van de Bank specifieke bepalingen voor de uitoefening van
finite herverzekeringsactiviteiten vaststellen die betrekking
hebben op:
1° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten over-
eenkomsten moeten worden opgenomen;
2° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige proce-
dures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten
op het gebied van risicobeheer;
3° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten
en de statistische-informatievereisten;
4° de vorming van technische voorzienin gen om ervoor
te zorgen dat deze adequaat, betrouwbaar en objectief zijn;
5° de beleggingen in activa ter dekking van de technische
voorzieningen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehou-
den met de aard van de door de herverzekeringsonderneming
verrichte activiteiten, inzonderheid de aard, het bedrag en de
duur van de verwachte betalingen in verband met schade-
gevallen, om de toereikendheid, de liquiditeit, de veiligheid, het
rendement en de congruentie van haar activa te waarborgen;
6° de regels betreffende het eigen vermogen en betreffende
het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalver-
eiste waaraan de herverzekeringsonderneming moet voldoen
met betrekking tot haar finite herverzekeringsactiviteiten.
Onderafdeling II
Effectiseringsvehikels
Art. 242
De effectiseringsvehikels die zich op het Belgische grond-
gebied wensen te vestigen, dienen daarvoor voorafgaandelijk
een vergunning te verkrijgen van de Bank.
Art. 243
Onverminderd de bevoegdheden van de Europese
Commissie als bepaald in artikel 211, lid 2, van Richtlijn
2009/138/EG, kan de Koning, op advies van de Bank, de
voorwaarden vaststellen voor de verlening van vergunningen
aan effectiseringsvehikels.
De Koning kan inzonderheid bepalingen vaststellen met
betrekking tot:
1° de reikwijdte van de vergunning;
Art. 241
§ 1er. Sans préjudice des compétences de la Commission
européenne telles que prévues par l’article 210, paragraphe 2,
de la Directive 2009/138/CE, le Roi peut, préciser et compléter
les exigences visées à l’article 240.
§ 2. Dans les mêmes conditions, le Roi, sur avis de la
Banque, peut arrêter des dispositions spécifiques pour
l’exercice d’activités de réassurance finite dans les domaines
suivants:
1° les conditions obligatoires devant être incluses dans
tous les contrats conclus;
2° les procédures administratives et comptables saines, les
mécanismes de contrôle interne appropriés et les exigences
en matière de gestion des risques;
3° les exigences en matière comptable, prudentielle et
d’informations statistiques;
4° l’établissement de provisions techniques afin de garantir
leur adéquation, leur fiabilité et leur objectivité;
5° l’investissement d’actifs couvrant les provisions tech-
niques de manière à garantir qu’il est tenu compte du type
d’opérations effectuées par l’entreprise de réassurance, et en
particulier de la nature, du montant et de la durée des sinistres
attendus, afin de garantir la suffisance, la liquidité, la sécurité,
la rentabilité et la congruence de ses actifs;
6° les règles relatives aux fonds propres, ainsi qu’aux
exigences de capital de solvabilité requis et au minimum de
capital requis que doit détenir l’entreprise de réassurance en
relation avec des activités de réassurance finite.
Sous-section II
Véhicules de titrisation
Art. 242
Les véhicules de titrisation qui entendent s’établir sur le
territoire belge sont tenus de se faire préalablement agréer
par la Banque.
Art. 243
Sans préjudice des compétences de la Commission
européenne prévues par l’article 211, paragraphe 2, de la
Directive 2009/138/CE, le Roi peut, sur avis de la Banque,
fixer les conditions de l’agrément des véhicules de titrisation.
En particulier, le Roi peut arrêter des dispositions dans les
domaines suivants:
1° la portée de l’agrément;
499
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten over-
eenkomsten moeten worden opgenomen;
3° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten als
bedoeld in artikel 40, voor de personen die het effectiserings-
vehikel leiden;
4° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten
voor de aandeelhouders of vennoten die een gekwalificeerde
deelneming bezitten in het effectiseringsvehikel;
5° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige proce-
dures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten
op het gebied van risicobeheer;
6° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten
en de statistische-informatievereisten;
7° de solvabiliteitsvereisten voor effectiseringsvehikels.
Bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de in dit
artikel bedoelde vereisten op technische en niet-essentiële
punten preciseren en aanvullen.
TITEL III
Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën
van verzekeringsondernemingen
HOOFDSTUK I
Onderlinge verzekeringsverenigingen
Afdeling I
Algemene bepalingen
Art. 244
Dit Hoofdstuk is van toepassing op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die de
rechtsvorm van een onderlinge verzekeringsvereniging heb-
ben aangenomen.
Art. 245
Onderlinge verzekeringsverenigingen hebben een bur-
gerlijk karakter.
Ze hebben rechtspersoonlijkheid. Deze is verworven vanaf
de dag waarop hun statuten worden bekendgemaakt op de
in artikel 247 voorschreven wijze.
De bevoegdheden die door deze wet aan de rechtbank
van koophandel worden toegekend worden in het geval van
de onderlinge verzekeringsverenigingen uitgeoefend door de
rechtbank van eerste aanleg.
2° les conditions obligatoires devant être incluses dans
tous les contrats conclus;
3° les exigences de compétence et d’honorabilité visées à
l’article 40 pour les personnes gérant le véhicule de titrisation;
4° les exigences de compétence et d’honorabilité pour les
actionnaires ou associés détenant une participation qualifiée
dans le véhicule de titrisation;
5° les procédures administratives et comptables saines, les
mécanismes de contrôle interne appropriés et les exigences
en matière de gestion des risques;
6° les exigences en matière comptable, prudentielle et
d’informations statistiques;
7° les exigences de solvabilité des véhicules de titrisation.
Par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut, sur des points
techniques et non essentiels, préciser et compléter les exi-
gences visées au présent article.
TITRE III
Dispositions particulières relatives à certaines catégories
d’entreprises d’assurance
CHAPITRE IER
Associations d’assurance mutuelle
Section Ire
Dispositions générales
Art. 244
Le présent Chapitre est applicable aux entreprises d’assu-
rance ou de réassurance de droit belge qui ont adopté la forme
d’association d’assurance mutuelle.
Art. 245
Les associations d’assurance mutuelle ont un caractère
civil.
Elles jouissent de la personnalité juridique. Celle-ci leur est
acquise à compter du jour où leurs statuts sont publiés de la
manière prescrite à l’article 247.
Les compétences conférées par la présente loi au tribunal
de commerce sont, dans le cas des associations d’assurance
mutuelle, exercées par le tribunal de première instance.
500
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 246
Een onderlinge verzekeringsvereniging mag “gemeen-
schappelijke verzekeringskas” worden genoemd wanneer zij
verrichtingen uitvoert die geregeld worden door:
1° de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
2° de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de
schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen
op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in
de overheidssector;
3° het koninklijk besluit van 14 november 2003 betref-
fende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan
de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van
24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen
voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32,
eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst.
Art. 247
De statuten van de onderlinge verzekeringsverenigingen
vermelden op straffe van nietigheid:
1° de naam en de zetel van de vereniging;
2° het doel waarvoor de vereniging is opgericht;
3° de voorwaarden en de wijze van toelating, ontslag en
uitsluiting van de vennoten;
4° de omvang van de persoonlijke verbintenissen die door
de vennoten worden aangegaan met betrekking tot de vorming
en instandhouding van een maatschappelijk fonds;
5° het feit dat er vanaf de rekeningen van de vennoten al-
leen betalingen aan leden mogen worden verricht indien dit
verenigbaar is met de kapitaalvereisten die vastgesteld zijn
met toepassing van de artikelen 151 tot 189 of, na ontbinding
van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan;
6° het feit dat de Bank ten minste een maand van tevoren
in kennis wordt gesteld van elke betaling vanaf de rekeningen
van de vennoten voor andere doeleinden dan de individuele
opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze
termijn de voorgenomen betaling kan verbieden;
7° de organisatie en het bestuur van de vereniging, de
wijze van benoeming, de bevoegdheden en de duur van het
mandaat van de personen die met dat bestuur belast zijn;
8° de wijze van vaststelling en inning van de bijdragen of
de premies, evenals van de eventuele supplementen voor de
afwikkeling van de schadegevallen;
9° de wijze waarop de rekeningen worden opgemaakt en
goedgekeurd;
Art. 246
Les associations d’assurance mutuelle peuvent porter le
nom de “caisse commune d’assurance” lorsqu’elles effectuent
les opérations régies par:
1° la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
2° la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la répara-
tion des dommages résultant des accidents du travail, des
accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies
professionnelles dans le secteur public;
3° l’arrêté royal du 14 novembre 2003 concernant l’octroi
d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par
l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de
retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes
visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur
les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail.
Art. 247
Les statuts des associations d’assurance mutuelle men-
tionnent à peine de nullité:
1° la dénomination et le siège de l’association;
2° l’objet en vue duquel l’association est instituée;
3° les conditions et le mode d’admission, de démission et
d’exclusion des associés;
4° l’étendue des engagements personnels assumés par
les associés quant à la constitution et au maintien d’un fonds
social;
5° le fait qu’il n’est possible d’effectuer des paiements en
faveur des membres à partir des comptes des associés que
si cela ne contrevient pas aux exigences de capital fixées en
application des articles 151 à 189 ou, après dissolution de
l’entreprise, que si toutes ses autres dettes ont été réglées;
6° le fait que la Banque est avertie au moins un mois à
l’avance de tout paiement effectué à partir des comptes des
associés à d’autres fins que la résiliation individuelle de l’affi-
liation et qu’elle peut, pendant ce délai, interdire le paiement;
7° l’organisation et l’administration de l’association, le
mode de nomination, les pouvoirs et la durée du mandat des
personnes chargées de cette administration;
8° le mode de fixation et de recouvrement des cotisations
ou des primes ainsi que des suppléments éventuels en vue
du règlement des sinistres;
9° le mode d’établissement et d’approbation des comptes;
501
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
10° de procedure die gevolgd moet worden in geval van
wijzigingen in de statuten of van vereffening van de vereniging,
onverminderd de bepalingen van deze wet.
Op advies van de Bank en de FSMA kan de Koning
alle andere bepalingen vaststellen die moeten worden
opgenomen in de statuten van Belgische onderlinge
verzekeringsverenigingen.
De statuten en de wijzigingen erin worden in de Bijlagen
bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Afdeling II
Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen
Art. 248
Een onderlinge verzekeringsvereniging kan gebruikmaken
van de mogelijkheid die in de artikelen 774 en 775 van het
Wetboek van Vennootschappen wordt geboden om een an-
dere rechtsvorm aan te nemen.
Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging gebruik-
maakt van de voornoemde mogelijkheid, zijn de bepalingen
van deze Afdeling van toepassing. Deze bepalingen zijn
van toepassing in afwijking van de artikelen 776 tot 788 van
hetzelfde Wetboek, behalve wanneer er uitdrukkelijk naar
verwezen wordt in deze Afdeling.
Art. 249
Een onderlinge verzekeringsvereniging kan enkel worden
omgezet in een van de rechtsvormen van handelsvennoot-
schappen, als bedoeld in artikel 33.
Art. 250
Het voorstel tot omzetting wordt toegelicht in een verslag
dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt opgemaakt en
wordt vermeld in de agenda van de algemene vergadering die
een besluit moet nemen over de omzetting. Dit verslag bevat
tevens een nauwkeurige beschrijving en een verantwoording:
1° van de maatregelen die de rechten van de leden van de
vennootschap in haar nieuwe vorm regelen;
2° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de
verzekeringen, van de aanpassingen die in dit verband in de
verzekerings- of herverzekerings overeenkomsten moeten
worden aangebracht;
3° van de wijze van verdeling van de aandelen of de deelbe-
wijzen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap
in haar nieuwe vorm vertegenwoordigen.
Bij dat verslag worden ontwerpstatuten van de vennoot-
schap in haar nieuwe vorm gevoegd, evenals een staat van
activa en passiva van de vereniging, die niet meer dan drie
10° la procédure à suivre en cas de modification des
statuts ou de liquidation de l’association, sans préjudice des
dispositions de la présente loi.
Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, détermi-
ner toutes autres dispositions que doivent contenir les statuts
des associations belges d’assurance mutuelle.
Les statuts et leurs modifications sont publiés aux Annexes
du Moniteur belge.
Section II
Transformation des associations d’assurance mutuelle
Art. 248
Une association d’assurance mutuelle peut faire usage de
la faculté prévue aux articles 774 et 775 du Code des sociétés
d’adopter une autre forme juridique.
Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fait usage de
la faculté précitée, les dispositions de la présente Section sont
d’application. Ces dispositions s’appliquent par dérogation
aux articles 776 à 788 du même Code, sauf dans la mesure où
il y est fait expressément référence dans la présente Section.
Art. 249
Une association d’assurance mutuelle ne peut être
transformée que dans l’une des formes de société à forme
commerciale visées à l’article 33.
Art. 250
La proposition de transformation fait l’objet d’un rapport
justificatif établi par l’organe légal d’administration et qui est
inscrit à l’ordre du jour de l’assemblée générale appelée à
statuer sur la transformation. Ce rapport contient également
une description précise et une justification:
1° des mesures réglant les droits des membres dans la
société sous sa nouvelle forme;
2° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux assu-
rances, des adaptations devant être apportées aux contrats
d’assurance ou de réassurance dans ce cadre;
3° du mode de répartition des actions ou parts représen-
tatives du capital social de la société sous sa nouvelle forme.
A ce rapport sont joints un projet de statuts de la société
sous sa nouvelle forme et un état résumant la situation active
et passive de l’association, arrêté à une date ne remontant
502
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
maanden voordien is vastgesteld en waarin aangegeven wordt
hoeveel het maatschappelijk kapitaal van de vereniging na
haar omzetting in een vennootschap bedraagt.
Het maatschappelijk kapitaal mag niet hoger zijn dan het
nettoactief, zoals dat blijkt uit het voornoemde verslag.
Het bedrag van het nettoactief mag bij de omzetting niet
worden terugbetaald aan of verdeeld worden onder de aan-
deelhouders of vennoten.
Art. 251
De erkend commissaris van de onderlinge verzekeringsver-
eniging brengt verslag uit over de in artikel 250 bedoelde staat
en vermeldt met name of deze de toestand van de vereniging
op volledige, getrouwe en juiste wijze weergeeft.
Art. 252
De ontwerpverslagen bedoeld in de artikelen 250 en
251 worden overgemaakt aan de Bank.
Wanneer de betrokken onderlinge verzekeringsvereniging
een verzekerings onderneming is, maakt de Bank de in het
eerste lid bedoelde verslagen onverwijld over aan de FSMA
voor advies. Deze laatste bezorgt haar advies aan de Bank
binnen twee maanden na de ontvangst van de in het eerste
lid bedoelde verslagen. Indien er binnen deze termijn geen
advies wordt verleend, wordt de FSMA geacht geen bezwaar
te hebben tegen de voorgenomen omzetting.
Binnen drie maanden na de ontvangst van de in het eerste
lid bedoelde verslagen verzet de Bank zich tegen de voorge-
nomen omzetting wanneer:
1° in het advies van de FSMA wordt geconcludeerd dat
de voorgenomen omzetting afbreuk doet aan de rechten
van de verzekerden, van de verzekeringnemers of van de
begunstigden;
2° de Bank van oordeel is dat de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming door de voorgenomen omzetting
niet langer voldoet aan de verplichtingen die haar door of
krachtens deze wet zijn opgelegd.
De Bank maakt haar bezwaar kenbaar met een aangete-
kende brief, waarbij zij de motivering van haar besluit voegt,
en, in voorkomend geval, het advies van de FSMA.
Art. 253
De leden van de onderlinge verzekeringsvereniging
worden, met inachtneming van de statutaire regels voor
statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de
vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die
moet beraadslagen over het besluit tot omzetting.
pas à plus de trois mois et indiquant quel sera le capital social
après la transformation en société.
Le capital social ne pourra être supérieur à l’actif net tel
qu’il résulte de l’état précité.
Le montant de l’actif net ne peut faire l’objet d’aucun
remboursement ou distribution aux actionnaires ou associés
à l’occasion de la transformation.
Art. 251
Le commissaire agréé de l’association d’assurance
mutuelle fait rapport sur l’état visé à l’article 250 et indique
notamment s’il traduit d’une manière complète, fidèle et cor-
recte la situation de l’association.
Art. 252
Les projets de rapports visés aux articles 250 et 251 sont
communiqués à la Banque.
Lorsque l’association d’assurance mutuelle concernée est
une entreprise d’assurance, la Banque transmet, sans délai,
les rapports visés à l’alinéa 1er, à la FSMA pour avis. Cette
dernière remet son avis à la Banque dans les deux mois de
la réception des rapports visés à l’alinéa 1er . A défaut d’avis
dans ce délai, la FSMA est réputée ne pas s’opposer au projet
de transformation.
Dans les trois mois de la réception des rapports visés à
l’alinéa 1er, la Banque s’oppose au projet de transformation
lorsque:
1° l’avis de la FSMA conclut que ce projet porte préjudice
aux droits des assurés, des preneurs ou des bénéficaires;
2° la Banque estime que, par ce projet, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ne satisfait plus aux obligations qui
lui sont imposées par ou en vertu de la présente loi.
La Banque notifie l’opposition par lettre recommandée
à la poste en y joignant les motifs de sa décision et, le cas
échéant, l’avis de la FSMA.
Art. 253
Les membres de l’association d’assurance mutuelle sont
convoqués à une assemblée générale appelée à délibérer
sur la décision de transformation dans le respect des règles
statutaires prévues pour les modifications aux statuts ou, si
elles sont plus strictes, pour la mise en liquidation
.
503
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In geval van oproeping per brief wordt een afschrift van de
verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en van de com-
missaris bij de oproepingsbrief gevoegd. Deze documenten
worden eveneens kosteloos verstrekt aan de leden van de
vereniging die hiertoe een schriftelijke aanvraag indienen.
Art. 254
Tot omzetting van de onderlinge verzekeringsvereniging
wordt besloten door de algemene vergadering. Behalve
indien de statuten strengere voorschriften inzake quorum en
meerderheid bevatten, kan de algemene vergadering enkel
geldig beraadslagen indien minstens de helft van de leden
met stemrecht aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de ver-
gadering, en indien het besluit minstens vier vijfden van de
uitgebrachte stemmen verkrijgt.
Indien het door de statuten of de wet vereiste quorum niet
wordt bereikt, wordt overgegaan tot een tweede bijeenroe-
ping. Deze tweede bijeenroeping voldoet aan de regels van
artikel 253. De tweede algemene vergadering beraadslaagt
volgens dezelfde stemvoorwaarden, ongeacht het aantal
aanwezige of vertegenwoordigde leden met stemrecht. In de
oproeping tot de algemene vergadering wordt de tekst van
dit artikel opgenomen.
Art. 255
De omzetting vereist de eenparige instemming van de
aanwezige leden indien de onderlinge verzekeringsvereni-
ging niet ten minste twee jaar bestaat of indien in de statuten
is bepaald dat zij geen andere rechtsvorm mag aannemen.
Zodanige bepaling van de statuten kan enkel onder dezelfde
voorwaarden worden gewijzigd.
Art. 256
Onmiddellijk na het besluit tot omzetting worden de statuten
van de vennootschap in haar nieuwe vorm, met inbegrip van
de bepalingen tot wijziging van haar doel en van de oorspron-
kelijke samenstelling van de organen, vastgesteld volgens
dezelfde regels inzake aanwezigheid en meerderheid als die
welke voor de omzetting voorgeschreven zijn. Gebeurt dit niet,
dan blijft de omzetting zonder gevolg.
Art. 257
Zodra de besluiten als bedoeld in de artikelen 253 tot
256 zijn goedgekeurd:
1° is de onderlinge verzekeringsvereniging omgezet en
worden haar leden van rechtswege en met onmiddellijke
ingang aandeelhouders of vennoten van de vennootschap
in haar nieuwe vorm, op de wijze die is voorgesteld in het
verslag bedoeld in artikel 250, waarbij de leden geacht worden
van rechtswege te voldoen aan alle eventuele voorwaarden
om vennoot of aandeelhouder van de vennootschap in haar
nieuwe vorm te worden;
En cas de convocation par lettre, une copie des rapports de
l’organe légal d’administration et du commissaire est annexée
à la convocation. Ces documents sont également transmis
gratuitement aux membres de l’association qui en formulent
la demande par écrit.
Art. 254
La transformation de l’association d’assurance mutuelle
est décidée par l’assemblée générale. Sauf si les statuts pré-
voient des conditions de quorum et de majorité plus strictes,
l’assemblée générale ne peut valablement délibérer que si au
moins la moitié des membres titulaires d’un droit de vote sont
présents ou représentés à la réunion et si la décision recueille
au moins quatre cinquièmes des voix émises.
Si le quorum requis par les statuts ou par la loi n’est pas
atteint, il est procédé à une seconde convocation. Cette
seconde convocation satisfait aux règles visées à l’article
253. La deuxième assemblée générale délibère quel que
soit le nombre de membres titulaires d’un droit de vote pré-
sents ou représentés, aux mêmes conditions de vote. Les
convocations à l’assemblée générale reproduisent le texte
du présent article.
Art. 255
La transformation requiert l’accord unanime des membres
présents si l’association d’assurance mutuelle n’existe pas
depuis deux ans au moins ou si les statuts prévoient qu’elle
ne pourra adopter une autre forme. Une telle clause des
statuts ne peut être modifiée que dans les mêmes conditions.
Art. 256
Immédiatement après la décision de transformation, les
statuts de la société sous sa nouvelle forme, en ce compris
les clauses qui modifieraient son objet social ainsi que la
composition initiale des organes, sont arrêtés aux mêmes
conditions de présence et de majorité que celles requises pour
la transformation. A défaut, la transformation est sans effet.
Art. 257
Dès l’approbation des décisions visées aux articles 253 à
256:
1° l’association d’assurance mutuelle est transformée et
ses membres deviennent de plein droit et avec effet immédiat
actionnaires ou associés de la société sous sa nouvelle forme
de la manière proposée dans le rapport visé à l’article 250,
ces membres étant réputés satisfaire de plein droit à toutes
les conditions éventuellement requises pour devenir associés
ou actionnaires de la société sous sa nouvelle forme;
504
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° verliezen de leden van de vereniging alle rechten die zij
nog zouden kunnen hebben, zelfs voor de toekomst of onder
voorwaarde, ingevolge hun vroegere hoedanigheid van lid;
3° behouden de verzekeringnemers, de verzekerden en
alle derden bij de verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten evenwel hun op die datum in het kader van de
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten verworven
rechten; deze overeenkomsten worden voor de toekomst van
rechtswege aangepast op de wijze die voorgesteld is in het
verslag bedoeld in artikel 250;
4° voor zover de vennootschap de wettelijke en reglemen-
taire vereisten ter zake vervult of blijft vervullen, behoudt zij
in haar nieuwe vorm alle vergunningen voor de uitoefening
van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten waarvan de
vereniging houder was vóór haar omzetting.
Art. 258
Ieder besluit tot omzetting wordt, op straffe van nietigheid,
bij authentieke akte vastgesteld. In die authentieke akte wordt
de conclusie overgenomen van het verslag dat door de erkend
commissaris werd opgesteld overeen komstig artikel 251.
De authentieke akte van omzetting en de statuten van de
vennootschap in haar nieuwe vorm worden tegelijk bekend-
gemaakt overeenkomstig de artikelen 67, paragrafen 1 tot 3,
en 73 van het Wetboek van Vennootschappen. De akte van
omzetting wordt bekendgemaakt in haar geheel; de statuten
worden bij uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig de
artikelen 67 tot 69 en 72 van hetzelfde Wetboek.
Onverminderd de onmiddellijke tegenwerpbaarheid van
de in artikel 257, 3° bedoelde contractuele aanpassingen,
kan de omzetting aan derden worden tegengeworpen vol-
gens de bepalingen van artikel 76 van het Wetboek van
Vennootschappen.
Van de volmachten, alsook van de verslagen van het wet-
telijk bestuursorgaan en van de erkend commissaris, wordt
het origineel dan wel een expeditie neergelegd tegelijk met
de akte waarop zij betrekking hebben. Eenieder kan daarvan
kennis nemen of een afschrift verkrijgen volgens de voor-
waarden van artikel 67, paragraaf 3, van het Wetboek van
Vennootschappen.
Art. 259
De bepalingen van artikel 784 van het Wetboek van
Vennootschappen zijn van toepassing, met uitzondering van
het eerste lid.
Art. 260
De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de on-
derlinge verzekeringsvereniging die wordt omgezet, zijn,
niettegenstaande enig anders luidend beding, jegens de
belang hebbenden hoofdelijk gehouden:
2° les membres de l’association perdent tous les droits
qu’ils pourraient encore avoir, même à l’avenir ou sous condi-
tion, en raison de leur ancienne qualité de membre;
3° les preneurs d’assurance, assurés et tout tiers aux
contrats d’assurance ou de réassurance conservent cepen-
dant les droits acquis à cette date en vertu des contrats
d’assurance ou de réassurance, ces contrats étant, pour
l’avenir, adaptés de plein droit de la manière proposée dans
le rapport visé à l’article 250;
4° pour autant qu’elle respecte ou continue à respecter les
exigences légales et réglementaires en la matière, la société
sous sa nouvelle forme continue à bénéficier des agréments
pour exercer des activités d’assurance ou de réassurance
dont l’association était titulaire avant sa transformation.
Art. 258
Toute décision de transformation est, à peine de nullité,
constatée par acte authentique. L’acte authentique reproduit
la conclusion du rapport du commissaire agréé établi confor-
mément à l’article 251.
L’acte authentique de transformation et les statuts de la
société sous sa nouvelle forme sont publiés simultanément
conformément aux articles 67, paragraphes 1er à 3, et 73,
du Code des sociétés. L’acte de transformation est publié
en entier; les statuts le sont par extrait conformément aux
articles 67 à 69 et 72 du même Code.
Sans préjudice de l’opposabilité immédiate des adapta-
tions contractuelles visées à l’article 257, 3°, la transformation
est opposable aux tiers aux conditions prévues à l’article
76 du Code des sociétés.
Les procurations, ainsi que les rapports de l’organe légal
d’administration et du commissaire agréé, sont déposés en
expédition ou en original en même temps que l’acte auquel
ils se rapportent. Chacun pourra en prendre connaissance
ou en obtenir copie aux conditions prévues à l’article 67,
paragraphe 3, du Code des sociétés.
Art. 259
Les dispositions de l’article 784 du Code des sociétés sont
applicables, à l’exception de l’alinéa 1er.
Art. 260
Les membres de l’organe légal d’administration de
l’association d’assurance mutuelle qui est transformée sont
tenus solidairement envers les intéressés, nonobstant toute
stipulation contraire:
505
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° tot betaling van het eventuele verschil tussen het net-
toactief dat opgenomen is in de in artikel 250 bedoelde staat
en het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar
nieuwe vorm;
2° voor de overwaardering van het nettoactief dat opge-
nomen is in de in artikel 250 bedoelde staat;
3° tot vergoeding van de schade die het onmiddellijk en
rechtstreeks gevolg is, hetzij van de nietigheid van de omzet-
tingsverrichting wegens niet-naleving van de regels bepaald
in de artikelen 403, 2° tot 4° en 454, 2° tot 4° van het Wetboek
van Vennootschappen, die van naar analogie worden toege-
past, of in artikel 258, eerste lid, hetzij van het ontbreken of
de onjuistheid van de vermeldingen voor geschreven in artikel
453, eerste lid, met uitzondering van 6° en 9° tot 12° van
hetzelfde Wetboek of van artikel 258, eerste lid.
Afdeling III
Fusie door overneming van onderlinge
verzekeringsverenigingen
Art. 261
Onverminderd de artikelen 102 tot 106 kan een onderlinge
verzekeringsvereniging door overneming fuseren met een
andere onderlinge verzekeringsvereniging.
Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging door
overneming fuseert met een andere onderlinge verzeke-
ringsvereniging, zijn de in boek XI van het Wetboek van
Vennootschappen vervatte bepalingen betreffende fusie
door overneming van toepassing. Deze bepalingen zijn van
toepassing onder voorbehoud van de afwijkingen en met
inachtneming van de nadere bepalingen die in deze Afdeling
zijn opgenomen. In dat geval wordt onder de in het genoemde
Wetboek gebruikte termen “vennootschap” en “venno(o)t(en)”
respectie velijk de “onderlinge verzekeringsvereniging” en haar
“leden” verstaan.
Art. 262
In afwijking van artikel 671 van het Wetboek van
Vennootschappen is fusie door overneming van onderlinge
verzekeringsverenigingen de rechtshandeling waarbij het
gehele vermogen van één of meer onderlinge verzekerings-
verenigingen, zowel de rechten als de verplichtingen, als
gevolg van ontbin ding zonder vereffening op een andere
onderlinge verzekeringsvereniging overgaat en waarbij de
leden van de overgenomen vereniging(en) als tegenprestatie
de hoedanig heid verkrijgen van leden van de overnemende
onderlinge verzekeringsvereniging.
1° de la différence éventuelle entre l’actif net repris à l’état
prévu à l’article 250 et le capital social de la société sous sa
nouvelle forme;
2° de la surévaluation de l’actif net repris à l’état prévu à
l’article 250;
3° de la réparation du préjudice qui est une suite immédiate
et directe soit de la nullité de l’opération de transformation en
raison de la violation des règles prévues aux articles 403, 2°
à 4°, et 454, 2° à 4°, du Code des sociétés, appliquées par
analogie, ou de l’article 258, alinéa 1er, soit de l’absence ou
du caractère erronné des énonciations prescrites par l’article
453, alinéa 1er, à l’exception des 6° et 9° à 12°, du même Code
ou de l’article 258, alinéa 1er.
Section III
Fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle
Art. 261
Sans préjudice des articles 102 à 106, une association
d’assurance mutuelle peut fusionner par absorption avec une
autre association d’assurance mutuelle.
Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fusionne par
absorption avec une autre association d’assurance mutuelle,
les dispositions du livre XI du Code des sociétés qui régissent
la fusion par absorption sont d’application. Ces dispositions
s’appliquent sous réserve des dérogations et moyennant les
précisions mentionnées à la présente Section. Dans ce cas,
les termes “société” et “associé(s)” utilisés dans ledit Code
s’entendent respectivement de l’“association d’assurance
mutuelle” et de ses “membres”.
Art. 262
Par dérogation à l’article 671 du Code des sociétés, la
fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle
est l’opération par laquelle une ou plusieurs associations
d’assurance mutuelle transfèrent à une autre association
d’assurance mutuelle, par suite d’une dissolution sans
liquidation, l’intégralité de leur patrimoine, activement et
passivement, moyennant l’acquisition, par les membres de
la ou des associations absorbées, de la qualité de membres
de l’association d’assurance mutuelle absorbante.
506
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 263
De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om ken-
nis te nemen van de in artikel 689 van het Wetboek van
Vennootschappen bedoelde vorderingen betreffende de fusie
van onderlinge verzekeringsverenigingen.
Art. 264
In afwijking van artikel 693, tweede lid, van het Wetboek
van Vennootschappen wordt in het fusievoorstel ten minste
vermeld:
1° de rechtsvorm, de naam, het doel en de zetel van de te
fuseren onderlinge verzekeringsverenigingen;
2° een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoor-
ding voor de maatregelen tot regeling van de rechten en ver-
plichtingen van de leden van de overgenomen vereniging bin-
nen de overnemende vereniging, alsmede een nauwkeurige
omschrijving van en een verantwoording voor de financiële
gevolgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en
de overnemende vereniging, met name met betrekking tot het
recht van de leden op restorno’s, de verplichting tot betaling
van bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht van
de leden op het verenigingsvermogen;
3° de datum vanaf dewelke de rechten en verplichtingen
van de leden van de overgenomen vereniging binnen de
overnemende vereniging ingaan;
4° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de
verzekeringen, een nauwkeurige omschrijving van en een
verantwoording voor de aanpassingen die in het kader van de
fusie in de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten
moeten worden aangebracht;
5° de datum vanaf dewelke de handelingen van de over-
genomen vereniging boekhoudkundig geacht worden te zijn
verricht voor rekening van de overnemende vereniging;
6° de rechten die de overnemende vereniging toekent aan
de leden van de over te nemen vereniging die bijzondere
rechten hebben, of de jegens hen voorgestelde maatregelen;
7° de bezoldiging die wordt toegekend aan de erkend
commissarissen voor het opstellen van het in artikel 266 be-
doelde verslag;
8° ieder bijzonder voordeel toegekend aan de leden van de
beheers- en bestuursorganen van de te fuseren verenigingen.
Het fusievoorstel wordt door elke vereniging die bij de
fusie betrokken is, uiterlijk zes weken voor de algemene ver-
gadering die over de fusie moet besluiten, ter griffie van de
rechtbank van eerste aanleg neergelegd.
Art. 263
Le tribunal de première instance est compétent pour
connaître des actions visées à l’article 689 du Code des socié-
tés relatives à la fusion d’associations d’assurance mutuelle.
Art. 264
Par dérogation à l’article 693, alinéa 2, du Code des socié-
tés, le projet de fusion mentionne au moins:
1° la forme, la dénomination, l’objet et le siège social des
associations d’assurance mutuelle appelées à fusionner;
2° une description précise et une justification des me-
sures réglant les droits et les obligations des membres de
l’association absorbée dans l’association absorbante, et des
conséquences financières de la fusion pour les membres des
associations absorbée et absorbante, notamment en ce qui
concerne le droit des membres aux ristournes, l’obligation au
paiement de contributions complémentaires en cas de déficit
et le droit des membres sur l’avoir social;
3° la date à partir de laquelle les droits et obligations des
membres de l’association absorbée dans l’association absor-
bante prennent cours;
4° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances, une description précise et une justification des
adaptations devant être apportées aux contrats d’assurance
ou de réassurance dans le cadre de la fusion;
5° la date à partir de laquelle les opérations de l’asso-
ciation absorbée sont, du point de vue comptable, consi-
dérées comme accomplies pour le compte de l’association
absorbante;
6° les droits que l’association absorbante reconnaît aux
membres de l’association à absorber qui ont des droits spé-
ciaux ou les mesures proposées à leur égard;
7° les émoluments attribués aux commissaires agréés
chargés de la rédaction du rapport prévu à l’article 266;
8° tout avantage particulier attribué aux membres des
organes de gestion et d’administration des associations
appelées à fusionner.
Six semaines au moins avant l’assemblée générale appe-
lée à se prononcer sur la fusion, le projet de fusion est déposé
au greffe du tribunal de première instance par chacune des
associations appelées à fusionner.
507
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 265
In afwijking van artikel 694 van het Wetboek van
Vennootschappen wordt in het omstandig schriftelijk verslag
dat door het wettelijk bestuursorgaan van elke onderlinge
verzekeringsvereniging wordt opgesteld, de stand van het
vermogen van de te fuseren verenigingen uiteen gezet en
worden tevens uit een juridisch en economisch oogpunt
toegelicht en verantwoord: de wenselijkheid van de fusie, de
voorwaarden en de wijze waarop ze zal geschieden en de
gevolgen ervan, alsook de maatregelen tot regeling van de
rechten van de leden van de overgenomen vereniging binnen
de overnemende vereniging, inzonderheid het recht op res-
torno’s, de verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen
in geval van deficit en het recht op het verenigingsvermogen.
Art. 266
In afwijking van artikel 695, tweede en derde lid van het
Wetboek van Vennootschappen brengt de erkend commis-
saris met name verslag uit over de financiële gevolgen van de
fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende
onderlinge verzekeringsvereniging.
Dit verslag moet ten minste:
1° aangeven of de financiële en boekhoud kundige gege-
vens uit het in artikel 265 bedoelde verslag van het wettelijk
bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toereikend zijn om de
algemene vergadering die over het fusievoorstel moet stem-
men, duidelijkheid te verschaffen;
2° beschrijven welke gevolgen de fusie heeft voor het recht
van de leden op restorno’s, voor hun verplichting tot betaling
van bijkomende bijdragen in geval van deficit en voor hun
recht op het verenigingsvermogen.
Art. 267
In elke onderlinge verzekeringsvereniging worden de leden
van de vereniging, met inachtneming van de statutaire regels
voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de
vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die
moet beraadslagen over het besluit tot fusie.
Artikel 697, § 1, tweede lid, en § 2, eerste lid, 4°, van het
Wetboek van Vennootschappen is van toepassing op de
onderlinge verzekeringsverenigingen.
Art. 268
Voor fusies door overneming van onderlinge verzekerings-
verenigingen zijn de in artikel 699, § 1, 1°, van het Wetboek
van Vennootschappen bedoelde regels inzake quorum en
meerderheid van toepassing, met dien verstande dat de
woorden “maatschappelijk kapitaal” en “kapitaal” door de
woorden “maatschappelijk fonds” moeten worden vervangen.
Art. 265
Par dérogation à l’article 694 du Code des sociétés,
le rapport écrit et circonstancié établi par l’organe légal
d’administration de chaque association d’assurance mutuelle
expose la situation patrimoniale des associations appelées
à fusionner et explique et justifie, du point de vue juridique et
économique, l’opportunité, les conditions, les modalités et
les conséquences de la fusion, ainsi que les mesures réglant
les droits des membres de l’association absorbée dans
l’association absorbante, en particulier le droit aux ristournes,
l’obligation au paiement de contributions complémentaires en
cas de déficit et le droit sur l’avoir social.
Art. 266
Par dérogation à l’article 695, alinéas 2 et 3 du Code des
sociétés, le commissaire agréé fait notamment rapport sur les
conséquences financières de la fusion pour les membres de
l’association d’assurance mutuelle absorbée et de l’associa-
tion d’assurance mutuelle absorbante.
Ce rapport doit au moins:
1° indiquer si les informations financières et comptables
contenues dans le rapport de l’organe légal d’administration
visé à l’article 265 sont fidèles et suffisantes pour éclairer
l’assemblée générale appelée à voter sur le projet de fusion;
2° décrire les conséquences de la fusion sur le droit des
membres aux ristournes, sur leurs obligations au paiement
de contributions complémentaires en cas de déficit et sur leur
droit sur l’avoir social.
Art. 267
Dans chaque association d’assurance mutuelle, les
membres de l’association sont convoqués à une assemblée
générale appelée à délibérer sur la décision de fusion, dans
le respect des règles statutaires prévues pour la modification
aux statuts ou, si elles sont plus strictes, pour la mise en
liquidation.
L’article 697, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 1er, 4°, du Code
des sociétés est applicable aux associations d’assurance
mutuelle.
Art. 268
Pour la fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle, les conditions de quorum et de majorité visées à
l’article 699, § 1er, 1°, du Code des sociétés s’appliquent
étant entendu qu’il faut substituer aux mots “capital social”
et “capital” les mots “fonds social”.
508
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 699, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is
niet van toepassing op fusies door overneming van onderlinge
verzekeringsverenigingen.
Art. 269
In afwijking van artikel 701 van het Wetboek van
Vennootschappen worden eventuele wijzigingen in de sta-
tuten van de overnemende onderlinge verzekeringsvereni-
ging, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar
doel, vastgesteld volgens de regels inzake aanwezigheid en
meerderheid die krachtens de statuten van de overnemende
vereniging vereist zijn.
Art. 270
Voor de toepassing van artikel 704, eerste lid, van het
Wetboek van Vennootschappen geldt voor de fusie door
overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen de in
artikel 264, 5°, bedoelde datum als de in artikel 693, tweede
lid, 5°, van hetzelfde Wetboek bedoelde datum.
Art. 271
Artikel 211 van het WIB 1992 is van toepassing op fusies
door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen,
in de mate dat de betrokken verenigingen onderworpen zijn
aan de vennootschaps belasting.
HOOFDSTUK II
Ondernemingen die wegens hun omvang aan een
bijzondere regeling zijn onderworpen
Afdeling I
Toepassingsgebied
Art. 272
Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekerings-
ondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de jaarlijkse inkomsten uit de geboekte brutopremies
van de onderneming bedragen niet meer dan 5 000 000 EUR;
2° de totale technische voorzieningen van de onderne-
ming, of van de groep in de zin van artikel 339, 2° waarvan
ze deel uitmaakt, zonder aftrek van de schuldvorderingen
die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en ef-
fectiseringsvehikels, als bedoeld in artikel 125, bedragen niet
meer dan 25 000 000 EUR;
3° het bedrijf van de onderneming omvat geen verzeke-
ringsactiviteiten ter dekking van aansprakelijkheids-, krediet-
en borgtocht verzekeringsrisico’s, tenzij deze bijkomende
risico’s vormen in de zin van artikel 21, § 2;
L’article 699, § 3, du Code des sociétés n’est pas appli-
cable à la fusion par absorption d’associations d’assurance
mutuelle.
Art. 269
Par dérogation à l’article 701 du Code des sociétés,
les modifications éventuelles des statuts de l’association
d’assurance mutuelle absorbante, y compris les clauses qui
modifieraient son objet social, sont arrêtées aux conditions
de présence et de majorité requises par les statuts de l’asso-
ciation absorbante.
Art. 270
Pour l’application de l’article 704, alinéa 1er, du Code des
sociétés, la date visée à l’article 693, alinéa 2, 5°, du même
Code est, pour la fusion par absorption d’associations d’assu-
rance mutuelle, la date visée à l’article 264, 5°.
Art. 271
L’article 211 du CIR 1992 est applicable à la fusion par
absorption d’associations d’assurance mutuelle dans la
mesure où les associations concernées sont soumises à
l’impôt des sociétés.
CHAPITRE II
Entreprises soumises à un régime particulier en raison
de leur taille
Section Ire
Champ d’application
Art. 272
Le présent Chapitre s’applique aux entreprises d’assu-
rance qui satisfont aux conditions suivantes:
1° l’encaissement annuel de primes brutes émises par
l’entreprise n’excède pas 5 000 000 EUR;
2° le total des provisions techniques de l’entreprise, ou
du groupe au sens de l’article 339, 2° dont elle fait partie,
déduction non faite des créances découlant des contrats
de réassurance et des véhicules de titrisation, visées à
l’article 125, n’excède pas 25 000 000 EUR;
3° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’activités
d’assurance couvrant les risques de responsabilité civile, de
crédit et de caution, sauf si ceux-ci constituent des risques
accessoires au sens de l’article 21, § 2;
509
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° het bedrijf van de onderneming omvat geen
herverzekeringsverrichtingen;
5° de onderneming oefent noch rechtstreeks, noch on-
rechtstreeks, activiteiten uit in het buitenland.
Art. 273
Een verzekerings onderneming die gedurende drie ach-
tereenvolgende jaren een van de in artikel 272 bedoelde
bedragen overschrijdt, kan zich niet langer beroepen op de
bepalingen van dit Hoofdstuk.
Een onderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van
Titel II van dit Boek een vergunning als verzekerings-
onderneming aanvraagt, kan zich niet beroepen op de bepa-
lingen van dit Hoofdstuk indien een van de in artikel 272 ge-
noemde bedragen naar verwachting in de volgende vijf jaar
zal worden overschreden.
Art. 274
Een verzekerings onderneming die overeenkomstig
Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning heeft ver-
kregen, kan om de toepassing verzoeken van de bepalingen
van dit Hoofdstuk wanneer de Bank van oordeel is dat deze
onderneming naast de voorwaarden van artikel 272 ook de
volgende voorwaarden vervult:
1° geen van de in artikel 272 genoemde bedragen werd in
de drie jaar vóór het verzoek overschreden;
2° naar verwachting zal geen van de in artikel 272 ge-
noemde bedragen worden overschreden in de vijf jaar na
het verzoek.
Tot staving van haar verzoek verstrekt de onderneming de
informatie die vereist is om na te gaan of voldaan is aan de
voorwaarden van het eerste lid.
Afdeling II
Ondernemingen die een overeenkomst hebben
gesloten die voorziet in de volledige en systematische
herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in
de overdracht van de verplichtingen
Art. 275
§ 1. Deze wet, met uitzondering van de in deze Afdeling
bedoelde bepalingen en de Boeken IV en V, is niet van toepas-
sing op niet-levensverzekeringsondernemingen die voldoen
aan de voorwaarden van de artikelen 272 en 273 en die met
een verzekerings - of herverzekeringsonderneming waaraan
met toepassing van Titel II van dit Boek een vergunning is
verleend of waaraan met toepassing van Titel I van Boek III
toestemming is verleend, een overeenkomst hebben gesloten
die voorziet in de volledige en systematische herverzekering
van de door hen gesloten verzekerings overeenkomsten of
4° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’opérations
de réassurance;
5° l’entreprise n’exerce, directement ou indirectement,
aucune activité à l’étranger.
Art. 273
Les entreprises d’assurance qui, pendant trois années
consécutives, dépassent l’un des montants visés à l’ar-
ticle 272 ne peuvent plus se prévaloir des dispositions du
présent Chapitre.
Une entreprise qui sollicite l’agrément en qualité d’entre-
prise d’assurance conformément au Chapitre Ier du Titre II du
présent Livre ne peut se prévaloir des dispositions du présent
Chapitre si, selon les prévisions, l’un des seuils énoncés à
l’article 272 est susceptible d’être dépassé au cours des cinq
années suivantes.
Art. 274
Une entreprise d’assurance agréée conformément au
Chapitre Ier du Titre II du présent Livre peut demander à
bénéficier des dispositions du présent Chapitre lorsque, outre
les conditions de l’article 272, elle satisfait, à l’appréciation
de la Banque, aux conditions suivantes:
1° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’a été dépassé
pendant les trois années précédant la demande;
2° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’est, selon
les prévisions, susceptible d’être dépassé au cours des cinq
années suivant la demande.
L’entreprise fournit, à l’appui de sa demande, les informa-
tions nécessaires à la vérification des conditions prévues à
l’alinéa 1er.
Section II
Entreprises qui ont conclu une convention comportant
la réassurance intégrale et systématique des contrats
d’assurance ou la cession des engagements
Art. 275
§ 1er. La présente loi, à l’exception des dispositions visées
à la présente Section et des Livres IV et V, n’est pas appli-
cable aux entreprises d’assurance non-vie qui satisfont aux
conditions des articles 272 et 273 et qui ont conclu avec une
entreprise d’assurance ou de réassurance agréée en applica-
tion du Titre II du présent Livre ou autorisée en application du
Titre Ier du Livre III une convention comportant la réassurance
intégrale et systématique des contrats d’assurance qu’elles
souscrivent ou la cession des engagements contractuels
impliquant la substitution de l’entreprise cessionnaire à
510
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de
vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming
door de overnemende onderneming voor de nakoming van
de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen.
Die overeenkomst bevat de verplichting, voor de overne-
mende onderneming, om de Bank minstens drie maanden
voor de vervaldag in kennis te stellen van de beëindiging of de
niet-verlenging ervan, evenals van elke bepaling die tot gevolg
zou hebben dat de cederende overneming het voordeel van
de toepassing van deze paragraaf verliest.
§ 2. Het voordeel van de bepalingen van paragraaf 1 kan
maar worden toegekend indien er een voorafgaande inschrij-
ving heeft plaatsgevonden.
Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht,
wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan
de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name
het bewijs bevat dat voldaan is aan de voorwaarden van
paragraaf 1, alsook een kopie van de overeenkomst met de
identiteitsgegevens van de overnemende onderneming.
De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaanvraag
binnen twee maanden na indiening van een volledig dossier.
De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijf-
tien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een
aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met
inachtneming van de termijn bedoeld in het derde lid.
De Bank maakt een lijst op van de verzekerings-
ondernemingen die met toepassing van dit artikel zijn inge-
schreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen
worden op haar website bekendgemaakt.
De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing.
§ 3. De in deze Afdeling bedoelde verzekerings-
ondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar verzoek,
alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de
in deze Afdeling bedoelde inschrijvingsvoorwaarden.
Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op in-
dividuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de
aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van
indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale
verzekerings ondernemingen moet worden verstrekt.
De ondernemingen delen aan de Bank op eigen initi-
atief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg zou-
den kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de
inschrijvingsvoorwaarden.
De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn van
toepassing.
§ 4. Wanneer de Bank vaststelt dat een in deze Afdeling
bedoelde verzekerings onderneming niet werkt overeenkom-
stig de bepalingen van dit artikel of de ter uitvoering ervan
genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt
l’entreprise cédante pour l’exécution des engagements
résultant desdits contrats.
Cette convention mentionne l’obligation, pour l’entreprise
cessionnaire, d’avertir la Banque, au moins trois mois avant
l’échéance, de sa résiliation ou de son non-renouvelle-
ment, ainsi que de toute disposition qui aurait pour effet de
faire perdre à l’entreprise cédante le bénéfice du présent
paragraphe.
§ 2. Le bénéfice des dispositions du paragraphe 1er est
subordonné à l’octroi d’une inscription préalable.
La demande d’inscription est adressée à la Banque,
accompagnée d’un dossier administratif répondant aux
conditions fixées par la Banque et qui comporte notamment
la preuve que les conditions prévues par la paragraphe 1er
sont satisfaites, ainsi qu’une copie de la convention identifiant
l’entreprise cessionnaire.
La Banque statue sur la demande d’inscription dans les
deux mois de l’introduction d’un dossier complet.
Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions en
matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs dans
les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec
accusé de réception.
La Banque établit une liste des entreprises d’assurance
inscrites en application du présent article. Cette liste et toutes
les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son
site Internet.
Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application.
§ 3. Les entreprises visées à la présente Section four-
nissent à la Banque, à sa demande, toutes les informations
nécessaires en vue de vérifier le respect des conditions
d’inscription prévues à la présente Section.
Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur une base
individuelle ou par voie de règlement pris conformément à
l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi du 22 février 1998, la
nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de
transmission des informations dont elle exige la communica-
tion de la part des entreprises locales d’assurance.
Les entreprises communiquent à la Banque d’initiative,
sans délai, tout élément susceptible de conduire au non-res-
pect des conditions d’inscription.
Les articles 304, alinéa 2, 1° et 305 à 307 sont applicables.
§ 4. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise
d’assurance visée à la présente Section ne fonctionne pas
en conformité avec les dispositions du présent article ou
des mesures prises pour son exécution, ou qu’elle dispose
511
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in
de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeen-
komstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen
deze toestand moet worden verholpen.
Indien de onderneming de toestand niet heeft verholpen
bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid
vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maat-
regelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1° tot
7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518,
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 293 is van toepassing.
§ 5. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en de
artikelen 105 en 106 zijn van toepassing.
Afdeling III
Andere verzekeringsondernemingen
Art. 276
Voor de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderne-
mingen die niet in aanmerking komen voor de toepassing van
de bepalingen van artikel 275, zijn de bepalingen van deze wet
van toepassing onder de voorwaarden en met inachtneming
van de preciseringen en beperkingen die in deze Afdeling
zijn opgenomen.
Bovendien bepaalt de Koning, met inachtneming van de
preciseringen en beperkingen die Hij vastlegt, welke bepalin-
gen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/
EG van toepassing zijn op de in dit Hoofdstuk bedoelde
verzekerings ondernemingen.
De in dit artikel bedoelde ondernemingen worden afzon-
derlijk vermeld in de lijst bedoeld in artikel 31.
Art. 277
De artikelen 37 en 38 zijn van toepassing met dien ver-
stande dat verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten
worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de
artikelen 286 en 287.
Art. 278
De artikelen 45 en 46 zijn niet van toepassing.
De effectieve leiding wordt toevertrouwd aan ten minste
twee natuurlijke personen.
De verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn
opgelegd aan het directiecomité, rusten op de personen die
belast zijn met de effectieve leiding.
In afwijking van het eerste lid kan de Bank, op grond van de
omvang en het risicoprofiel van de verzekerings onderneming,
d’éléments indiquant que cette entreprise risque de ne plus
fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des
douze prochains mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être
remédié à cette situation.
Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er, l’en-
treprise n’a pas remédié à la situation, la Banque peut prendre
une ou plusieurs des mesures énumérées à l’article 517, § 1er,
1° à 7°. Les paragraphes 2 à 7 du même article et l’article 518,
alinéa 1er, sont applicables par analogie.
L’article 293 est applicable.
§ 5. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les articles
105 et 106 sont applicables.
Section III
Autres entreprises d’assurance
Art. 276
Pour les entreprises d’assurance visées au présent
Chapitre qui ne bénéficient pas des dispositions de l’article
275, les dispositions de la présente loi sont applicables dans
les conditions et moyennant les précisions et restrictions
prévues à la présente Section.
Le Roi détermine en outre, moyennant les précisions et
restrictions qu’Il spécifie, les dispositions des mesures d’exé-
cution de la Directive 2009/138/CE qui sont applicables aux
entreprises d’assurance visées au présent Chapitre.
La liste visée à l’article 31 mentionne distinctement les
entreprises visées au présent article.
Art. 277
Les articles 37 et 38 sont d’application étant entendu que
les références aux articles 151 et 189 doivent être entendues
comme l’étant respectivement aux articles 286 et 287.
Art. 278
Les articles 45 et 46 ne sont pas d’application.
La direction effective est confiée à deux personnes phy-
siques au moins.
Les obligations incombant, par ou en vertu de la présente
loi, au comité de direction sont assumées par les personnes
chargées de la direction effective.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, en fonction
de la taille et du profil de risque de l’entreprise d’assurance,
512
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verlangen dat een directiecomité wordt opgericht overeen-
komstig de artikelen 45 en 46.
Art. 279
Onverminderd de verplichtingen waarin het Wetboek van
Vennootschappen voorziet voor genoteerde vennootschap-
pen, zijn de artikelen 48 tot 53 en 56, § 3 niet van toepassing.
De taken die door de artikelen 49 tot 51 zijn toegewezen
aan het auditcomité, het remuneratiecomité en het risicoco-
mité, worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan
als geheel, met uitzondering van de leden ervan die belast
zijn met de effectieve leiding of, in voorkomend geval, van de
uitvoerende leden ervan.
Art. 280
De artikelen 74 en 75 zijn van toepassing met dien ver-
stande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moe-
ten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de
artikelen 285 en 286.
Art. 281
§ 1. Artikel 83 is niet van toepassing.
§ 2. De in deze Afdeling bedoelde ondernemingen zien
erop toe dat de leden van het wettelijk bestuursorgaan,
van de effectieve leiding en, in voorkomend geval, van het
directiecomité, blijk geven van voldoende beschikbaarheid
bij de uitvoering van hun taken, rekening houdend met de
omvang en de complexiteit van de verrichtingen die door de
onderneming worden uitgevoerd, en zich niet in een belangen-
conflictsituatie bevinden, rekening houdend met de diverse
mandaten of functies die zij bekleden.
De onderneming stelt interne regels vast en ziet toe op de
naleving van die regels, met het oog op de naleving van de
doelstellingen van het eerste lid en op de openbaarmaking
van de uitoefening van externe functies door de in het eerste
lid bedoelde personen.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de wijze
bepalen waarop de in deze paragraaf bedoelde verplichtingen
moeten worden uitgevoerd.
Art. 282
De artikelen 86 tot 91 zijn niet van toepassing.
Art. 283
De artikelen 95 tot 97 en 99 tot 101 zijn niet van toepassing.
imposer la constitution d’un comité de direction conformément
aux articles 45 et 46.
Art. 279
Sans préjudice des obligations prévues par le Code des
sociétés en ce qui concerne les sociétés cotées, les articles
48 à 53 et 56, § 3 ne sont pas d’application.
Les fonctions attribuées au comité d’audit, au comité de
rémunération et au comité des risques par les articles 49 à
51 sont exercées par l’organe légal d’administration dans son
ensemble, à l’exclusion de ses membres qui sont chargés
de la direction effective ou, le cas échéant, de ses membres
exécutifs.
Art. 280
Les articles 74 et 75 sont d’application étant entendu que
les références aux articles 151 et 189 doivent être entendues
comme l’étant respectivement aux articles 285 et 286.
Art. 281
§ 1er. L’article 83 n’est pas d’application.
§ 2. Les entreprises visées à la présente Section veillent à
ce que les membres de l’organe légal d’administration, de la
direction effective et, le cas échéant, du comité de direction,
fassent preuve d’une disponibilité suffisante dans l’exercice
de leurs fonctions compte tenu de l’ampleur et de la com-
plexité des opérations effectuées par l’entreprise et ne soient
pas dans des situations de conflit d’intérêts compte tenu des
divers mandats ou fonctions qu’ils exercent.
L’entreprise adopte et fait respecter des règles internes
en vue du respect des objectifs visés à l’alinéa 1er et de la
publication de l’exercice de fonctions extérieures par les
personnes visées à l’alinéa 1er.
La Banque peut fixer les modalités des obligations visées
au présent paragraphe par la voie de règlement adopté en
application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
Art. 282
Les articles 86 à 91 ne sont pas d’application.
Art. 283
Les articles 95 à 97 et 99 à 101 ne sont pas d’application.
513
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, eisen
dat de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen, volgens de
frequentie die zij bepaalt, informatie bekendmaken over hun
solvabiliteit en hun financiële positie.
Art. 284
De artikelen 107 tot 122 zijn niet van toepassing.
Art. 285
§ 1. In afwijking van de artikelen 151 tot 188 is het solvabi-
liteitskapitaalvereiste waaraan de in deze Afdeling bedoelde
ondernemingen moeten voldoen, minstens gelijk aan de som
van de volgende bedragen:
1° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten, met uitzonde-
ring van die welke betrekking hebben op lopende renten en
op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel of vorst:
25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie af-
gesloten boekjaren;
2° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking
hebben op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel
en vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste
zeven afgesloten boekjaren;
3° voor levensverzekeringsactiviteiten, met uitzondering
van die welke betrekking hebben op de dekking van bijko-
mende risico’s in de zin van artikel 21, § 2, en voor de lopende
renten van de niet-levensverzekeringsactiviteiten, de som van:
a) 4 % van de technische voorzieningen van het vorige
boekjaar, met dien verstande dat dit percentage verminderd
wordt tot 1 % voor de activiteiten waarvoor het beleggings-
risico wordt gedragen door de verzekeringnemer en voor de
activiteiten die tot tak 25 van Bijlage II behoren;
b) 0,3 % van de niet-negatieve risicokapitalen van het
voorbije boekjaar.
4° voor de levensverzekeringsactiviteiten die betrekking
hebben op de dekking van bijkomende risico’s in de zin van
artikel 21, § 2: 25 % van de gemiddelde schadelast van de
laatste drie afgesloten boekjaren.
Het solvabiliteitskapitaalvereiste is minstens gelijk aan het
bedrag dat met toepassing van artikel 189, § 1, 4° is vastge-
steld, ongeacht het bedrag dat met toepassing van het eerste
lid is vastgesteld.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de Bank,
bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis,
§ 2 van de wet van 22 februari 1998:
1° de wijze van berekening van de schadelast;
2° de limieten waarbinnen met de uitbetalingen van de
herverzekeringsondernemingen en de effectiseringsvehikels
La Banque peut, par la voie de règlement adopté en
application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
imposer aux entreprises visées par la présente Section, selon
la fréquence qu’elle détermine, la publication d’informations
relatives à leur solvabilité et leur situation financière.
Art. 284
Les articles 107 à 122 ne sont pas d’application.
Art. 285
§ 1er. Par dérogation aux articles 151 à 188, le capital de
solvabilité requis que les entreprises visées à la présente
Section détiennent est au moins égal à la somme des mon-
tants suivants:
1° pour les activités d’assurances non-vie à l’exception
de celles relatives aux rentes en cours et à la couverture
des risques de catastrophes naturelles, tempêtes, grêle ou
gelées: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des
trois derniers exercices clôturés;
2° pour les activités d’assurance non-vie relatives à la
couverture des risques de catastrophes naturelles, de tem-
pêtes, grêle et gelées: 25 % de la moyenne de la charge des
sinistres des sept derniers exercices clôturés;
3° pour les activités d’assurance-vie, à l’exception de
celles relatives à la couverture de risques accessoires au sens
de l’article 21, § 2, et pour les rentes en cours des activités
d’assurance non-vie, la somme de:
a) 4 % des provisions techniques de l’exercice précé-
dent, ce pourcentage étant réduit à 1 % pour les activités
pour lesquelles le risque de placement est supporté par le
preneur d’assurance et les activités relevant de la branche
25 de l’Annexe II;
b) 0,3 % des capitaux sous risque non négatifs de l’exer-
cice précédent.
4° pour les activités d’assurance-vie relatives à la couver-
ture des risques accessoires au sens de l’article 21, § 2: 25 %
de la moyenne de la charge des sinistres des trois derniers
exercices clôturés.
Quel que soit le montant déterminé en application de
l’alinéa 1er, le capital de solvabilité requis est au moins égal
au montant déterminé en application de l’article 189, § 1er, 4°.
§ 2. Aux fins du présent article, la Banque précise, par la
voie d’un règlement adopté en application de l’article 12bis,
§ 2 de la loi du 22 février 1998:
1° le mode de calcul de la charge des sinistres;
2° les limites endéans lesquelles les interventions des
entreprises de réassurance et des véhicules de titrisation sont
514
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
rekening wordt gehouden bij de berekening van de bedoelde
schadelast, de technische voorzieningen en de risicokapitalen.
Art. 286
In afwijking van artikel 189 voldoen de in deze Afdeling
bedoelde ondernemingen aan een minimumkapitaal vereiste
dat minstens gelijk is aan 60 % van het overeenkomstig artikel
285 berekende solvabiliteitskapitaalvereiste.
Art. 287
§ 1. De artikelen 140 tot 150 zijn niet van toepassing.
§ 2. De volgende elementen worden in aanmerking geno-
men voor de samenstelling van het in artikel 285 bedoelde
solvabiliteitskapitaalvereiste:
1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de
uitgiftepremies, of, voor de onderlinge verzekeringsverenigin-
gen, het gestorte deel van het maatschappelijk fonds plus de
ledenrekeningen;
2° de (wettelijke en vrije) reserves die niet tegenover de
verplichtingen staan of die niet zijn ingedeeld als voorzienin-
gen voor egalisatie en catastrofen;
3° de overgebrachte resultaten;
4° het fonds voor toekomstige toewijzingen wanneer dit
kan worden gebruikt ter dekking van eventuele verliezen en
wanneer het niet beschikbaar is gesteld voor uitkering aan
de verzekeringnemers;
5° de achtergestelde leningen;
6° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maat-
schappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds, zodra
het gestorte gedeelte 25 % van dat kapitaal of fonds bedraagt;
7° bij onderlinge verzekerings verenigingen met variabele
bijdragen, de suppletiebijdragen die zij van hun leden kunnen
eisen in de volgende twaalf maanden;
8° de latente nettomeerwaarden die voortvloeien uit de
waardering van activa, voor zover deze latente nettomeer-
waarden geen uitzonderlijk karakter hebben.
Van de in het eerste lid bedoelde elementen worden de
eigen aandelen van de verzekeringsonderneming evenals
de in het eerste lid, 5° bedoelde elementen afgetrokken die
uitgegeven zijn door en rechtstreeks worden gehouden door
de verzekeringsonderneming.
De in het eerste lid, 5° tot 8° bedoelde elementen mogen
enkel in aanmerking worden genomen mits de Bank daarvoor
voorafgaandelijk haar toestemming heeft verleend en indien
prises en compte dans le calcul de la charge des sinistres
visée, des provisions techniques et des capitaux sous risques.
Art. 286
Par dérogation à l’article 189, les entreprises visées par
la présente Section détiennent un minimum de capital requis
au moins égal à 60 % du capital de solvabilité requis calculé
conformément à l’article 285.
Art. 287
§ 1er Les articles 140 à 150 ne sont pas applicables.
§ 2. Les éléments suivants sont pris en considération pour
la constitution du capital de solvabilité requis visé à l’article
285:
1° le capital social versé, majoré des primes d’émission
ou, s’il s’agit d’associations d’assurance mutuelle, le fonds
initial effectif versé additionné des comptes de sociétaires;
2° les réserves (légales et libres) ne correspondant pas aux
engagements ou qui ne sont pas classées comme provisions
pour égalisation et catastrophes;
3° les résultats reportés;
4° le fonds pour dotations futures lorsqu’il peut être utilisé
pour couvrir des pertes éventuelles et qu’il n’a pas été affecté
à la participation des preneurs d’assurance;
5° les emprunts subordonnés;
6° la moitié de la fraction non versée du capital social ou
du fonds initial, dès que la partie versée atteint 25 % de ce
capital ou de ce fonds;
7° dans le cas d’une association d’assurance mutuelle à
cotisations variables, toute créance future que cette asso-
ciation peut détenir sur ses membres par voie de rappel de
cotisations durant les douze mois à venir;
8° les plus-values latentes nettes provenant de l’évaluation
d’éléments d’actif, dans la mesure où ces plus-values latentes
nettes n’ont pas un caractère exceptionnel.
Il est déduit des éléments visés à l’alinéa 1er, les actions
propres de l’entreprise d’assurance, ainsi que les éléments
visés au 5°, de l’alinéa 1er émis par et détenus directement
par l’entreprise d’assurance.
Les éléments visés aux 5° à 8° de l’alinéa 1er, ne peuvent
être pris en considération que moyennant l’accord préalable
de la Banque et à la condition que le total de ces éléments
515
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
het totaal van die elementen niet meer bedraagt dan 60 %
van het solvabiliteitskapitaalvereiste. De Bank verleent haar
goedkeuring op grond van:
1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband
met hun vermogen en bereidheid om te betalen;
2° de invorderbaarheid van het vermogensbestanddeel,
waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van
het betrokken bestanddeel en met alle omstandigheden die
zouden kunnen beletten dat het bestanddeel wordt gestort
of opgevraagd;
3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door
de verzekeringsondernemingen van dergelijk aanvullend ei-
gen vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze
kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige
opvragingen te beoordelen.
§ 3. Voor de samenstelling van het minimumkapitaalver-
eiste mogen de in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot 4° bedoelde
elementen in aanmerking worden genomen.
§ 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de overige
voorwaarden bepalen waaraan de in dit artikel bedoelde
eigenvermogensbestanddelen moeten voldoen.
Art. 288
In afwijking van de artikelen 125 tot 139 berekenen en
boeken de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen hun
technische voorzieningen volgens de regels van het konink-
lijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
De in het eerste lid bedoelde technische voorzieningen
moeten op elk ogenblik gedekt zijn door gelijkwaardige
activa die de verzekeringsonderneming in volle eigendom
toebehoren.
In afwijking van artikel 123 kan de Bank, bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, de regels voor de waardering van de dek-
kingswaarden bepalen.
Artikel 194 is van toepassing met dien verstande dat de
activa overeenkomstig het derde lid worden gewaardeerd.
Art. 289
De artikelen 204 tot 211 zijn niet van toepassing.
Art. 290
De artikelen 313 tot 316 zijn niet van toepassing.
Voor de toepassing van artikel 312 gelden de volgende
regels:
n’excède pas la 60 % du capital de solvabilité requis. La
Banque fonde son approbation sur:
1° le statut des contreparties concernées, eu égard à leur
capacité et à leur disposition à payer;
2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds
propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément consi-
déré, ainsi que de toute circonstance qui pourrait empêcher
qu’il soit payé ou appelé avec succès;
3° toute information sur l’issue des appels émis dans le
passé par les entreprises d’assurance pour des éléments de
fonds propres semblables, dans la mesure où cette informa-
tion peut être raisonnablement utilisée pour estimer l’issue
attendue des futurs appels.
§ 3. Peuvent être pris en considération pour la constitution
du minimum de capital requis, les éléments visés au para-
graphe 1er, alinéa 1er, 1° à 4°.
§ 4. La Banque peut, par la voie d’un règlement pris
conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998,
déterminer les autres conditions auxquelles les éléments de
fonds propres visés au présent article doivent répondre.
Art. 288
Par dérogation aux articles 125 à 139, les entreprises
visées par la présente Section calculent et comptabilisent
leurs provisions techniques selon les règles de l’arrêté royal
du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entre-
prises d’assurance et de réassurance.
Les provisions techniques visées à l’alinéa 1er sont repré-
sentées à tout moment par des actifs équivalents appartenant
en pleine propriété à l’entreprise d’assurance.
Par dérogation à l’article 123, la Banque peut, par voie
de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la
loi du 22 février 1998 déterminer les règles d’évaluation des
valeurs représentatives.
L’article 194 est applicable étant entendu que les actifs
sont évalués conformément à l’alinéa 3.
Art. 289
Les articles 204 à 211 ne sont pas d’application.
Art. 290
Les articles 313 à 316 ne sont pas d’application.
Pour l’application de l’article 312, les règles suivantes
sont applicables:
516
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de frequentie van de van tevoren bepaalde tijdstippen
als bedoeld in paragraaf 2, 1°, a) van het genoemde arti-
kel 312 mag niet hoger zijn dan jaarlijks;
2° de Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toe-
zichtsdoeleinden benodigde informatie beperken;
3° De Bank kan een onderneming vrijstellen van de
verplichting om itemgewijs informatie als bedoeld in het
genoemde artikel 312 te verstrekken, op voorwaarde dat de
onderneming in staat is om haar deze informatie op eerste
verzoek te verstrekken.
Art. 291
Artikel 324 is niet van toepassing.
Art. 292
De artikelen 510 en 511 zijn van toepassing met dien ver-
stande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moe-
ten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de
artikelen 285 en 286.
Art. 293
Indien een onderneming waarop de bepalingen van deze
Afdeling van toepassing zijn, niettegenstaande de geogra-
fische beperking van haar activiteiten, activiteiten uitoefent
in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de
lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in
kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen
om te beletten dat de onderneming deze activiteiten blijft
uitoefenen op hun grondgebied.
HOOFDSTUK III
Lokale verzekeringsondernemingen
Afdeling I
Toepassingsgebied
Art. 294
Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekeringsonder-
nemingen die hun verzekeringsactiviteiten beperken tot de
gemeente waar hun zetel is gevestigd of tot die gemeente en
de omliggende Belgische gemeenten. Deze ondernemingen
worden “lokale verzekeringsondernemingen” genoemd.
Art. 295
Met uitzondering van de bepalingen van dit hoofdstuk en
van de Boeken IV en V zijn de lokale verzekeringsonderne-
mingen vrijgesteld van de toepassing van deze wet.
1° les moments prédéfinis visés au paragraphe 2, 1°, a)
dudit article 312, ne peuvent avoir une fréquence supérieure
à un an;
2° la Banque peut limiter la communication régulière des
informations requises à des fins de contrôle;
3° la Banque peut dispenser une entreprise de l’obliga-
tion de communiquer des informations visées audit article
312 poste par poste à condition que l’entreprise soit en mesure
de lui fournir ces informations à la première demande.
Art. 291
L’article 324 n’est pas d’application.
Art. 292
Les articles 510 et 511 sont applicables étant entendu que
les références aux articles 151 et 189 doivent s’entendre
comme étant faites respectivement aux articles 285 et 286.
Art. 293
Si, en violation de la limitation géographique de ses activi-
tés, une entreprise bénéficiant des dispositions de la présente
Section exerce des activités à l’étranger, la Banque informe
les autorités de contrôle des États membres dans lesquels
des activités sont exercées et leur demande de prendre les
mesures appropriées pour empêcher l’entreprise de pour-
suivre ces opérations sur leur territoire.
CHAPITRE III
Entreprises locales d’assurance
Section Ire
Champ d’application
Art. 294
Le présent Chapitre est applicable aux entreprises
d’assurance qui restreignent leurs activités d’assurance
à la commune de leur siège et aux communes belges
limitrophes. Ces entreprises sont dénommées “entreprises
locales d’assurance”.
Art. 295
À l’exception de celles prévues par le présent Chapitre et
des dispositions des Livres IV et V, les entreprises locales
d’assurance sont dispensées de l’application de la présente
loi.
517
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Inschrijving
Art. 296
De toegang tot het verzekeringsbedrijf voor een lokale
verzekeringsonderneming wordt afhankelijk gesteld van het
verkrijgen van een voorafgaandelijke inschrijving.
Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht,
wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de
door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name een
beschrijving bevat van de beleidsstructuur van de onderne-
ming en het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van
artikel 298.
De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaanvraag
binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier.
De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijf-
tien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een
aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met
inachtneming van de termijnen bedoeld in het derde lid.
De Bank maakt een lijst op van de lokale verzekerings-
ondernemingen die met toepassing van dit Hoofdstuk zijn
ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen
worden op haar website bekendgemaakt.
De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing.
Art. 297
Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig Titel I
van dit Boek een vergunning heeft verkregen, kan afstand
doen van haar vergunning en vragen om ingeschreven te
worden overeenkomstig dit Hoofdstuk, indien:
1° zij voldoet aan alle in artikel 298 opgesomde voorwaarden;
2° de in artikel 298, 3°, d) genoemde ondergrens in de
laatste drie jaar vóór de aanvraag niet werd overschreden
en naar verwachting niet zal worden overschreden in de vijf
jaar na de aanvraag;
3° zij afstand doet van haar vergunning overeenkomstig
artikel 538, met dien verstande dat paragraaf 6 van het ge-
noemde artikel 538 niet van toepassing is wanneer de onder-
neming met toepassing van dit Hoofdstuk is ingeschreven.
Section II
Inscription
Art. 296
L’accès aux activités d’assurance par une entreprise
locale d’assurance est subordonné à l’octroi d’une inscription
préalable.
La demande d’inscription est adressée à la Banque,
accompagnée d’un dossier administratif répondant aux
conditions fixées par la Banque et qui comporte notamment
la description de la structure de gestion de l’entreprise et
la preuve que les conditions prévues par l’article 298 sont
satisfaites.
La Banque statue sur la demande d’inscription dans les
six mois de l’introduction d’un dossier complet.
Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions en
matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs dans
les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec
accusé de réception.
La Banque établit une liste des entreprises locales d’assu-
rance inscrites en application du présent Chapitre. Cette liste
et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées
sur son site Internet.
Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application.
Art. 297
Une entreprise d’assurance agréée conformément au
Titre Ier du présent Livre peut renoncer à son agrément et de-
mander son inscription conformément au présent Chapitre si:
1° elle remplit toutes les conditions énumérées à l’article
298;
2° le seuil énoncé à l’article 298, 3°, d) n’a pas été dépassé
durant les trois années précédant la demande et, selon les
prévisions, n’est pas susceptible d’être dépassé au cours des
cinq années suivant la demande;
3° elle renonce à son agrément conformément à l’ar-
ticle 538, le paragraphe 6 dudit article 538 n’étant pas appli-
cable dès lors que l’entreprise est inscrite en application du
présent Chapitre.
518
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de
inschrijving
Art. 298
Om ingeschreven te kunnen worden moeten lokale ver-
zekeringsondernemingen aan de volgende voorwaarden
voldoen:
1° opgericht zijn in de vorm van een onderlinge verzeke-
ringsvereniging of een coöperatieve vennootschap;
2° een effectieve leiding hebben ingesteld die uit ten minste
twee personen bestaat die gezamenlijk optreden en waarop
artikel 40, § 1, tweede lid van deze wet en artikel 20 van de
wet van 25 april 2014 van toepassing zijn;
3° hun activiteiten op de volgende wijze beperken:
a) de verzekerde goederen beantwoorden aan de definitie
van eenvoudige risico’s als bedoeld in artikel 5 van het ko-
ninklijk besluit van 24 december 1992 tot uitvoering van de
wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst,
en zijn gelegen in de gemeente waar de lokale verzekerings-
onderneming haar zetel heeft of in de omliggende Belgische
gemeenten;
b) de verzekerde gevaren behoren tot de takken 8, 9 en
16 als vermeld in Bijlage I en, op voorwaarde dat zij in de zin
van artikel 21, § 2 bijkomend zijn bij de voornoemde gevaren,
tot de takken 1, 3, 13, 17 en 18 als vermeld in dezelfde Bijlage;
c) zij beperken hun doel tot de directe verzekeringsver-
richtingen als bedoeld in a) en b) en de verrichtingen die daar
rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere
handelsactiviteit;
d) het jaarlijks incasso voor de verrichtingen bedoeld in a)
en b) bedraagt niet meer dan één miljoen euro.
4° al hun directe verzekeringsactiviteiten herverzekeren
bij een onderneming die in België het herverzekeringsbedrijf
mag uitoefenen, ten belope van minstens 90 %, of 100 % voor
aansprakelijkheidsrisico’s en natuurrampen;
5° de verzekeringsactiviteiten vóór 1 januari 2016 overeen-
komstig de bepalingen onder 3° en 4° uitoefenen.
Afdeling IV
Toezicht
Art. 299
§ 1. De lokale verzekeringsondernemingen verstrekken
aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is
om na te gaan of voldaan is aan de in artikel 298 bedoelde
inschrijvingsvoorwaarden.
Section III
Conditions d’octroi et de maintien de l’inscription
Art. 298
L’inscription des entreprises locales d’assurance est subor-
donnée au respect des conditions suivantes:
1° être constituée sous la forme d’association d’assurance
mutuelle ou de société coopérative;
2° avoir mis en place une direction effective constituée de
deux personnes au moins agissant conjointement, l’article
40, § 1er, alinéa 2 de la présente loi et l’article 20 de la loi du
25 avril 2014 leur étant applicable;
3° limiter leurs activités de la manière suivante:
a) les biens assurés répondent à la définition des
risques simples visée à l’article 5 de l’arrêté royal
du 24 décembre 1992 portant exécution de la loi du
25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, et sont situés
dans la commune où l’entreprise locale d’assurance a son
siège ou dans les communes belges limitrophes;
b) les périls assurés relèvent des branches 8, 9 et 16 men-
tionnées à l’Annexe I et, à condition qu’ils soient accessoires
au sens de l’article 21, § 2, aux périls précités, des branches
1, 3, 13, 17 et 18 mentionnées à la même Annexe;
c) limiter leur objet aux opérations d’assurance directe
telles que visées aux a) et b) et aux opérations qui en
découlent directement à l’exclusion de toute autre activité
commerciale;
d) limiter l’encaissement annuel concernant les opérations
visées aux a) et b) à un montant d’un million d’euros.
4° faire réassurer l’ensemble de leurs activités d’assurance
directe par une entreprise autorisée à exercer l’activité de
réassurance en Belgique à concurrence d’au moins 90 %,
ce pourcentage étant porté à 100 % pour les risques de res-
ponsabilité et catastrophes naturelles;
5° exercer les activités d’assurance conformément aux 3°
et 4° antérieurement au 1er janvier 2016.
Section IV
Contrôle
Art. 299
§ 1er. Les entreprises locales d’assurance fournissent à la
Banque, à sa demande, toutes les informations nécessaires
en vue de vérifi er le respect des conditions d’inscription
prévues à l’article 298.
519
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op in-
dividuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig
artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de
aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van
indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale
verzekeringsondernemingen moet worden verstrekt.
De lokale verzekeringsondernemingen delen aan de Bank
op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot ge-
volg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan
de inschrijvingsvoorwaarden.
De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn van
toepassing.
§ 2. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en de
artikelen 105 en 106 zijn van toepassing.
Afdeling V
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 300
Wanneer de Bank vaststelt dat een lokale verzekeringson-
derneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit
Hoofdstuk of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen,
of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het
gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf
maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalin-
gen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet
worden verholpen.
Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand niet
heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van
het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer
van de maatregelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517,
§ 1, 1° tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en
artikel 518, eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling VI
Beëindiging van de inschrijving
Art. 301
§ 1. Een ingeschreven lokale verzekeringsonderneming
kan afstand doen van de inschrijving voor al haar activiteiten.
Artikel 538, §§ 2 tot 5 is van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand
niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing
van artikel 300, eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank
de inschrijving herroepen voor alle verzekeringstakken die
zij uitoefent.
Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur une base
individuelle ou par voie de règlement pris conformément à
l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi du 22 février 1998, la
nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de
transmission des informations dont elle exige la communica-
tion de la part des entreprises locales d’assurance.
Les entreprises locales d’assurance communiquent à la
Banque d’initiative, sans délai, tout élément susceptible de
conduire au non-respect des conditions d’inscription.
Les articles 304, alinéa 2, 1° et 305 à 307 sont applicables.
§ 2. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les articles
105 et 106 sont applicables.
Section V
Mesures exceptionnelles
Art. 300
Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance
locale ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions
du présent Chapitre ou des mesures prises pour son exé-
cution, ou qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette
entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec
ces dispositions au cours des douze prochains mois, elle
fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.
Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er,
l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié à la situa-
tion, la Banque peut prendre une ou plusieurs des mesures
énumérées à l’article 517, § 1er, 1° à 7°. Les paragraphes 2 à
7 du même article et l’article 518, alinéa 1er sont applicables
par analogie.
Section VI
Fin de l’inscription
Art. 301
§ 1er. Une entreprise d’assurance locale inscrite a la faculté
de renoncer à l’inscription pour l’ensemble de ses activités.
L’article 538, §§ 2 à 5 est applicable par analogie.
§ 2. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’article 300,
alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié
à la situation, la Banque peut révoquer l’inscription pour
l’ensemble des branches d’assurance pratiquées.
520
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de lokale verze-
keringsonderneming van rechtswege ontbonden en in veref-
fening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende
van het Wetboek van Vennootschappen.
§ 3. Het faillissement of de vrijwillige of gerechtelijke ontbin-
ding, in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek
van Vennootschappen, van een lokale verzekeringsonderne-
ming heeft de doorhaling van haar inschrijving tot gevolg voor
alle verzekeringstakken die zij uitoefent.
Art. 302
§ 1. Het is verboden nieuwe verzekeringsovereenkomsten
te sluiten wanneer de inschrijving is beëindigd.
Overeenkomstig het eerste lid en artikel 301, § 3, staan
artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en arti-
kel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 enkel
toe dat de lopende verzekeringsovereenkomsten worden
uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe
verzekeringsovereenkomsten.
§ 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming, niette-
genstaande de geografische beperking van haar activitei-
ten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de
toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden
uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende
maatregelen te treffen om te beletten dat de lokale verzeke-
ringsonderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun
grondgebied.
§ 3. Artikel 545 is van overeenkomstige toepassing.
TITEL IV
Toezicht op de ondernemingen
HOOFDSTUK I
Toezicht door de Bank
Afdeling I
Algemene beginselen
Art 303
§ 1. De Bank waakt erover dat elke verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming werkt overeenkomstig de bepalingen
van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en
de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onver-
minderd de bevoegdheden die aan de FSMA zijn toegekend
op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet
van 2 augustus 2002.
§ 2. Bij de uitoefening van haar algemene taken
1° houdt de Bank afdoende rekening met de gevolgen die
haar besluiten, inzonderheid in noodsituaties, kunnen hebben
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise locale d’assu-
rance est dissoute de plein droit et entre en liquidation confor-
mément aux articles 183 et suivants du Code des sociétés.
§ 3. La faillite ou la dissolution volontaire ou judiciaire au
sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés d’une entre-
prise locale d’assurance entraîne la radiation de son inscrip-
tion pour l’ensemble des branches d’assurance pratiquées.
Art. 302
§ 1er. La fin de l’inscription emporte interdiction de souscrire
de nouveaux contrats d’assurance.
Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 301, § 3, l’ar-
ticle 187 du Code des sociétés et l’article 46 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécution de
contrats d’assurance en cours, à l’exclusion de la conclusion
de tous nouveaux contrats d’assurance.
§ 2. Si, en violation de la limitation géographique de ses
activités, l’entreprise d’assurance locale exerce des activités
à l’étranger, la Banque informe les autorités de contrôle des
États membres dans lesquels des activités sont exercées
et leur demande de prendre les mesures appropriées pour
empêcher l’entreprise locale d’assurance de poursuivre ces
opérations sur leur territoire.
§ 3. L’article 545 est d’application par analogie.
TITRE IV
DU Contrôle des entreprises
CHAPITRE IER
Contrôle par la Banque
Section Ire
Principes généraux
Art. 303
§ 1er. La Banque veille à ce que chaque entreprise d’assu-
rance ou de réassurance opère conformément aux dispo-
sitions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en
exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens
directement applicables, sans préjudice des compétences
dévolues à la FSMA en vertu de l’article 45, § 1er, alinéa 1er,
3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002.
§ 2. Dans l’exercice de ses missions générales, la Banque
1° tient dûment compte de l’incidence potentielle de ses
décisions sur la stabilité du système financier de tous les
521
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere
betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip
beschikbare informatie;
2° baseert haar toezicht op een toekomstgerichte, risico-
gebaseerde benadering;
3° past zij overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de
wettelijke en reglementaire vereisten toe, rekening houdend
met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s
die inherent zijn aan de activiteit van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, worden de door deze wet
opgelegde toezichtstaak en de desbetreffende prerogatieven
die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatrege-
len van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, toevertrouwd
aan de Controledienst voor de ziekenfondsen voor wat de
verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft.
Art. 304
Met het oog op haar opdracht kan de Bank zich naast
de informatie die de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen overeenkomstig de bepalingen van Afdeling
III verstrekken, alle inlichtingen doen verstrekken over de
organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse
kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit
van de onderneming,
1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire be-
palingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare
Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut
van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, in-
zonderheid de bepalingen inzake de solvabiliteitsvereisten,
de technische voorzieningen, de activa en het in aanmerking
komend eigen vermogen, zijn nageleefd en of de boekhouding
en jaarrekening, alsmede de haar door de onderneming voor-
gelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
2° om het passende karakter te toetsen van het gover-
nancesysteem en inzonderheid van de beleidsstructuren,
de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de in-
terne controle en het beleid inzake het prospectieve beheer
van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de
onderneming;
3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de
onderneming gezond en voorzichtig is en dat haar positie of
haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit
niet in gevaar kunnen brengen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven om-
vatten ook de toegang tot de agenda’s en de notulen van de
vergaderingen van de verschillende organen van de onderne-
ming en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende
documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe
beoordeling van de werking van de genoemde organen.
autres États membres concernés, en particulier dans les
situations d’urgence et ce, en se fondant sur les informations
disponibles au moment considéré;
2° fonde son contrôle sur une approche prospective et
basée sur les risques;
3° conformément au principe de proportionnalité, applique
les exigences légales et réglementaires eu égard à la nature,
à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, la mission de
contrôle prévue par la présente loi et les prérogatives y
afférentes prévues par ou en vertu de la présente loi et par
les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont
confiées à l’Office de contrôle des mutualités en ce qui
concerne les sociétés mutualistes d’assurance.
Art. 304
Aux fins de sa mission, outre les informations que les
entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent
conformément aux dispositions de la Section III, la Banque
peut se faire communiquer toutes informations relatives
à l’organisation, au fonctionnement, à la situation et aux
opérations des entreprises d’assurance ou de réassurance.
Elle peut procéder à des inspections sur place et prendre
connaissance et copie, sans déplacement, de toute informa-
tion détenue par l’entreprise, en vue
1° de vérifier le respect des dispositions légales et régle-
mentaires et des règlements européens directement appli-
cables, relatives au statut des entreprises d’assurance ou
de réassurance, en particulier les dispositions relatives aux
exigences en matière de solvabilité, de provisions techniques,
d’actifs et de fonds propres éligibles, ainsi que l’exactitude
et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels de
même que des états et autres informations qui lui sont trans-
mis par l’entreprise;
2° de vérifier le caractère adéquat du système de gouver-
nance, et en particulier des structures de gestion, de l’orga-
nisation administrative et comptable, du contrôle interne et de
la politique en matière de gestion prospective des besoins en
fonds propres et de la liquidité de l’entreprise;
3° de s’assurer que la gestion de l’entreprise est saine et
prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas
de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa
solvabilité.
Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent éga-
lement l’accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des
réunions des différents organes de l’entreprise et de leurs
comités internes, ainsi qu’aux documents y afférents et aux
résultats de l’évaluation interne et/ou externe du fonctionne-
ment desdits organes.
522
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 305
In het kader van het door de Bank uitgeoefende toezicht en
met name van de inspecties, zijn de personeelsleden van de
Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming alle inlichtingen
en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering
van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er
gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van
de onderneming die zij aanduiden.
Art. 306
De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle docu-
menten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze
vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zonder
uitdrukkelijke toestemming van de Bank.
De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de
straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 307
Onverminderd artikel 92, tweede lid, 3°, kan de Bank
in geval van uitbesteding ook haar inspectieprerogatieven
uitoefenen als bedoeld in artikel 304, tweede lid, bij de on-
dernemingen waarop de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen een beroep doen als dienstverleners (uitbeste-
ding – outsourcing) om na te gaan of de voorwaarden voor
die dienstverlening geen afbreuk doen aan de naleving door
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van hun
wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen
305 en 310 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie,
ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners.
De toezichthouders van een andere lidstaat waarvan de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder
hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in
België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbe-
steding – outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstver-
leners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen,
in voorkomend geval door middel van personen die zij daartoe
machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar
prerogatieven namens deze toezichthouders uitoefenen.
Art. 308
Met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toezicht
op de verzekeringsondernemingen sluiten de Bank en de
FSMA enerzijds en de Bank en de Controledienst voor de
ziekenfondsen anderzijds, een overeenkomst. Zij maken deze
overeenkomst bekend op hun respectieve websites.
Deze overeenkomsten bepalen de modaliteiten van de
samenwerking tussen, respectievelijk, de Bank en de FSMA,
en de Bank en de Controledienst voor de ziekenfondsen in
alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging,
Art. 305
Dans le cadre de son contrôle et notamment des inspec-
tions, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des
dirigeants et des employés de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance toutes informations et explications qu’ils estiment
nécessaires pour l’exercice de leurs missions et peuvent, à
cette fin, requérir la tenue d’entretiens avec des dirigeants
ou membres du personnel de l’entreprise qu’ils désignent.
Art. 306
Les rapports d’inspection et plus généralement tous les
documents émanant de la Banque dont elle indique qu’ils sont
confidentiels ne peuvent être divulgués par les entreprises
d’assurance ou de réassurance sans le consentement exprès
de la Banque.
Le non-respect de cette obligation est puni des peines
prévues par l’article 458 du Code pénal.
Art. 307
Sans préjudice de l’article 92, alinéa 2, 3°, en cas de
recours à la sous-traitance, la Banque peut également
exercer ses prérogatives d’inspection visées à l’article 304,
alinéa 2 auprès des entreprises auxquelles les entreprises
d’assurance ou de réassurance recourent en qualité de
prestataires de services (sous-traitance – outsourcing) afin
de vérifier si les conditions de ces prestations ne sont pas
de nature à porter atteinte au respect par les entreprises
d’assurance ou de réassurance de leurs obligations légales
et réglementaires. Les prérogatives visées aux articles 305 et
310 peuvent également, par analogie, être exercées à l’égard
de ces prestataires de services.
Les autorités de contrôle d’un autre État membre dont
les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ressor-
tissent de leurs compétences de contrôle recourent à des
entreprises en qualité de prestataires de services (sous-trai-
tance – outsourcing) situées en Belgique peuvent exercer
à l’égard de ces prestataires de services les prérogatives
prévues à l’alinéa 1er , le cas échéant par l’intermédiaire des
personnes qu’elles mandatent à cet effet. À leur demande,
la Banque peut exercer ces prérogatives pour le compte de
de ces autorités
Art. 308
En vue d’assurer un contrôle efficace et coordonné des
entreprises d’assurance, la Banque et la FSMA, d’une part,
la Banque et l’Office de contrôle des mutualités, d’autre part,
concluent un protocole. Elles publient ce protocole sur leur
site internet respectif.
Ces protocoles déterminent les modalités de la collabora-
tion entre, respectivement, la Banque et la FSMA, et la Banque
et l’Office de contrôle des mutualités dans tous les cas où la
loi prévoit un avis, une consultation, une information ou tout
523
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
informatie of ander contact tussen deze instellingen of waar
overleg tussen deze instellingen noodzakelijk is om een een-
vormige toepassing van de wetgeving te verzekeren.
Art. 309
Relaties tussen een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en een bepaalde cliënt behoren niet tot de
bevoegdheid van de Bank tenzij het toezicht op die onder-
neming dit vergt.
Afdeling II
Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten
Art. 310
§ 1. De Bank kan bij de bijkantoren van verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in
een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande ken-
nisgeving aan de toezichthouders van die staat, de in arti-
kel 304, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle
inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen
of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor,
alsook alle gegevens die het toezicht op de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming kunnen vergemakkelijken. De
toezichthouders van de lidstaat van ontvangst kunnen aan
die toetsing deelnemen.
Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste
lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij
aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken.
De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden
door de onderneming gedragen.
Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van
de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te
verrichten.
Wanneer de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst haar
echter verhinderen haar recht op die controles uit te oefenen of
indien de autoriteiten van die lidstaat niet kunnen deelnemen
aan die controles, kan de Bank overeenkomstig artikel 19 van
Verordening 1094/2010 de zaak aan EIOPA voorleggen en
om haar bijstand verzoeken.
§ 2. Wanneer de in artikel 307, eerste lid bedoelde dienst-
verleners in een andere lidstaat zijn gevestigd, is paragraaf
1 van overeenkomstige toepassing op de bij hen verrichte
controles.
Art. 311
Wanneer de toezichthouders van een lidstaat van ont-
vangst vaststellen dat een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming dat op haar grondgebied een bijkantoor heeft
of aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van
diensten, de op haar toepasselijke wettelijke bepalingen van
die lidstaat niet naleeft, neemt de Bank op verzoek van deze
autre contact entre ces institutions, ainsi que dans les cas où
une concertation entre ces institutions est nécessaire pour
assurer une application uniforme de la législation.
Art. 309
La Banque ne connaît des relations entre une entreprise
d’assurance ou de réassurance et un client déterminé que
dans la mesure requise pour le contrôle de cette entreprise.
Section II
Contrôle des activités exercées dans un autre État membre
Art. 310
§ 1er. La Banque peut procéder auprès des succursales
des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge
établies dans un autre État membre, moyennant l’information
préalable des autorités de contrôle de cet État, aux inspections
visées à l’article 304, alinéa 2, ainsi qu’à toute inspection
en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations
relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi
que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Les autorités
de contrôle de l’État membre d’accueil peuvent participer à
cette vérification.
La Banque peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé
les autorités visées à l’alinéa 1er, charger un expert, qu’elle
désigne, d’effectuer les vérifications et expertises utiles.
La rémunération et les frais de l’expert sont à charge de
l’entreprise.
Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder
aux vérifications et expertises visées à l’alinéa 1er qu’elle leur
précise.
Lorsqu’il lui est néanmoins interdit par les autorités de
l’État membre d’accueil d’exercer son droit à ces vérifica-
tions ou que les autorités de cet État ne sont pas en mesure
de participer à ces vérifications, la Banque peut saisir
l’EIOPA, et solliciter son aide conformément à l’article 19 du
Règlement 1094/2010.
§ 2. Lorsque les prestataires de services visés à l’article
307, alinéa 1er sont situés dans un autre État membre, le para-
graphe 1er est applicable par analogie en ce qui concerne les
vérifications à leur égard.
Art. 311
À la demande des autorités de contrôle d’un État membre
d’accueil qui constatent qu’une entreprise d’assurance ou de
réassurance ayant une succursale ou opérant dans le cadre
de la libre prestation de services sur son territoire ne respecte
pas les dispositions légales de cet État membre qui lui sont
applicables, la Banque prend, dans les plus brefs délais,
524
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toezichthouders onverwijld alle passende maatregelen om
ervoor te zorgen dat de onderneming een einde maakt aan
deze onregelmatige situatie.
De Bank kan inzonderheid een of meer van de in de arti-
kelen 517 en 603 bedoelde maatregelen nemen.
De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van
ontvangst op de hoogte van de getroffen maatregelen.
In de gevallen bedoeld in artikel 155, lid 3 van Richtlijn
2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen
en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening 1094/2010.
Afdeling III
Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie
Art. 312
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
verstrekken aan de Bank alle voor toezichtsdoeleinden beno-
digde informatie, rekening houdend met de doelstellingen van
het toezicht die vastgelegd zijn in artikel 303. Deze informatie
bevat ten minste de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering
van de volgende taken in het kader van de tenuitvoerlegging
van het in Afdeling IV bedoelde toezichtsproces:
1° beoordelen van het door de ondernemingen toegepaste
governancesysteem, de door hen uitgeoefende activiteiten,
de voor solvabiliteitsdoeleinden gehanteerde waarde-
ringsgrondslagen, de risico’s waaraan zij blootstaan en hun
risicobeheersystemen, hun kapitaalstructuur, kapitaalbehoef-
ten en kapitaalbeheer;
2° in het kader van de uitoefening van haar rechten en
functies met betrekking tot het toezicht elke passende beslis-
sing nemen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank:
1° de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en
de wijze van indiening van de in paragraaf 1 bedoelde in-
formatie vaststellen, op individuele basis of bij reglement
vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998, en deze informatie bij de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen opvragen:
a) op van tevoren bepaalde tijdstippen;
b) wanneer er zich van tevoren omschreven gebeurtenis-
sen voordoen;
c) bij onderzoek naar de situatie van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° alle informatie inwinnen over overeen komsten die in het
bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die
met derden worden aangegaan;
toutes les mesures appropriées pour que l’entreprise mette
fin à cette situation irrégulière.
En particulier, la Banque peut prendre une ou plusieurs
des mesures visées aux articles 517 et 603.
La Banque informe les autorités de contrôle de l’État
membre d’accueil des mesures qui ont été prises.
Dans les cas visés à l’article 155, paragraphe 3 de la
Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA,
et solliciter son aide conformément à l’article 19 du
Règlement 1094/2010.
Section III
Informations aux fins du contrôle
Art. 312
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance four-
nissent à la Banque toutes les informations nécessaires aux
fins du contrôle, compte tenu des objectifs du contrôle établis
à l’article 303. Ces informations comprennent au minimum les
informations nécessaires à l’exécution des tâches suivantes,
dans le cadre de la mise en œuvre du processus de contrôle
visé à la Section IV:
1° évaluer le système de gouvernance appliqué par les
entreprises, leurs activités, les principes d’évaluation qu’elles
appliquent à des fins de solvabilité, les risques auxquels elles
sont exposées et leurs systèmes de gestion des risques, la
structure de leur capital, leurs besoins en capital et la gestion
de leur capital;
2° prendre toute décision appropriée qu’appelle l’exercice
de ses droits et fonctions en matière de contrôle.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut:
1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un règle-
ment pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du
22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence
et les modalités de transmission des informations visées au
paragraphe 1er, dont elle exige la communication de la part
des entreprises d’assurance ou de réassurance aux moments
suivants:
a) à des moments prédéfinis;
b) lorsque des événements prédéfinis se produisent;
c) lors d’enquêtes concernant la situation d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance;
2° obtenir toute information relative aux contrats détenus
par des intermédiaires ou aux contrats conclus avec des tiers;
525
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° informatie opvragen bij externe deskundigen;
4° eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg
dan deze bedoeld in paragraaf 1 worden verstrekt, indien zij
deze gegevens nodig heeft om te kunnen nagaan of de bepa-
lingen van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen
besluiten en reglementen en van de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG zijn nageleefd.
§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie be-
staat uit:
1° kwalitatieve of kwantitatieve elementen of een passende
combinatie daarvan;
2° historische, huidige of prospectieve elementen of een
passende combinatie daarvan;
3° gegevens uit interne of externe bronnen of een passende
combinatie daarvan.
§ 4. Voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie
worden de volgende beginselen in acht genomen:
1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de
omvang en de complexiteit van de activiteiten van de betrok-
ken onderneming, en met name met de risico’s die aan die
activiteit verbonden zijn;
2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig,
vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;
3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.
Art. 313
Niettegenstaande de van tevoren bepaalde tijdstippen
als bedoeld in artikel 312, § 2, 1°, a) maar onverminderd arti-
kel 189, § 4, kan de Bank toestaan dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming de voor toezichtsdoeleinden be-
nodigde informatie niet vaker dan eenmaal per jaar meedeelt
wanneer het verstrekken van die informatie een belasting zou
vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang
en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de
activiteit van de onderneming.
Art. 314
De Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toezichts-
doeleinden benodigde informatie beperken of de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen vrijstellen van deze
verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken wanneer:
1° het verstrekken van die informatie een belasting zou
vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang
en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de
activiteit van de onderneming;
2° het verstrekken van die informatie niet nodig is voor het
effectieve toezicht op de onderneming;
3° exiger des informations de la part d’experts externes;
4° prescrire la transmission régulière d’informations
chiffrées ou descriptives autres que celles visées au para-
graphe 1er, lorsque ces informations sont nécessaires à la
vérification du respect des dispositions de la présente loi ou
des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi
que des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
§ 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et
2 comprennent:
1° des éléments qualitatifs ou quantitatifs, ou toute combi-
naison appropriée de ces éléments;
2° des éléments historiques, actuels ou prospectifs, ou
toute combinaison appropriée de ces éléments;
3° des données provenant de sources internes ou externes,
ou toute combinaison appropriée de ces données.
§ 4. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 res-
pectent les principes suivants:
1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité des
activités de l’entreprise concernée et notamment les risques
inhérents à cette activité;
2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui est
important, comparables et cohérentes dans la durée;
3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles.
Art. 313
Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’article 312,
§ 2, 1°, a) mais sans préjudice de l’article 189, § 4, la Banque
peut autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance
à ne communiquer les informations à des fins de contrôle
qu’une fois par an au maximum lorsque la fourniture de ces
informations représenterait une charge disproportionnée
compte tenu de la nature, de l’ampleur et de la complexité
des risques inhérents à l’activité de l’entreprise.
Art. 314
La Banque peut limiter la communication régulière des
informations requises à des fins de contrôle ou dispenser des
entreprises d’assurance ou de réassurance de cette obligation
de communication d’informations poste par poste, lorsque:
1° la fourniture de ces informations représenterait une
charge disproportionnée compte tenu de la nature, de
l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité
de l’entreprise;
2° la fourniture de ces informations n’est pas nécessaire
au contrôle effectif de l’entreprise;
526
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de vrijstelling niet schadelijk is voor de stabiliteit van de
betrokken financiële stelsels in de Europese Unie; en
4° de onderneming informatie op ad-hocbasis kan
verstrekken.
Art. 315
De artikelen 313 en 314, voor zover zij het itemgewijs
verstrekken van informatie betreffen, zijn niet van toepassing
wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 339, 2°,
tenzij die onderneming tegenover de Bank aantoont dat het
frequenter verstrekken van informatie dan eenmaal per jaar
of het itemgewijs verstrekken van informatie niet aangewezen
is, gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de
risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de groep en
rekening houdend met de doelstelling van financiële stabiliteit.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan enkel aan de
volgende ondernemingen worden verleend:
1° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van
de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt “niet-
leven” vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die
ondernemingen gebaseerd is op de geboekte brutopremies;
2° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van
de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt “leven”
vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die onder-
nemingen gebaseerd is op de bruto technische voorzieningen.
Bij het bepalen of ondernemingen voor die vrijstellingen in
aanmerking komen, geeft de Bank voorrang aan de kleinste
ondernemingen.
Art. 316
Voor de toepassing van de artikelen 313 en 314 beoordeelt
de Bank in het kader van het prudentieel toezichtsproces of
het verstrekken van informatie een belasting vormt die niet in
verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit
van de risico’s waaraan de onderneming blootstaat, waarbij
ten minste rekening wordt gehouden met:
1° het volume van de premies, de technische voorzieningen
en de activa van de onderneming;
2° de volatiliteit van de schadegevallen en schadevergoe-
dingen die gedekt worden door de onderneming;
3° de marktrisico’s die voortvloeien uit de beleggingen van
de onderneming;
4° de risicoconcentratie;
5° het totaal aantal levens- en niet-levensverzekeringstak-
ken waarvoor een vergunning is verleend;
3° la dispense ne nuit pas à la stabilité des systèmes
financiers concernés dans l’Union européenne; et
4° l’entreprise est en mesure de fournir des informations
de façon ad hoc.
Art. 315
Les articles 313 et 314, en ce qu’ils concernent la communi-
cation d’informations poste par poste, ne sont pas applicables
lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie
d’un groupe au sens de l’article 339, 2°, à moins que cette
entreprise démontre à la Banque que la communication
d’informations à une fréquence supérieure à une fois l’an
ou poste par poste est inappropriée, eu égard à la nature, à
l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité
du groupe et compte tenu de l’objectif de stabilité financière.
La dispense visée à l’alinéa 1er n’est permise qu’aux
entreprises suivantes:
1° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas plus
de 20 % du marché belge d’assurance ou de réassurance
non-vie, étant entendu que la part de marché de ces entre-
prises repose sur des primes brutes émises;
2° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas plus
de 20 % du marché belge de l’assurance ou de la réassurance
vie, étant entendu que la part de marché de ces entreprises
repose sur les provisions techniques brutes.
La Banque donne priorité aux plus petites entreprises
lorsqu’elle détermine l’éligibilité de ces entreprises à ces
dispenses.
Art. 316
Aux fins des articles 313 et 314, dans le cadre du proces-
sus de contrôle prudentiel, la Banque évalue si la fourniture
d’informations représente une charge disproportionnée eu
égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques
à laquelle l’entreprise est exposée, compte tenu, au moins:
1° du volume des primes, des provisions techniques et des
actifs de l’entreprise;
2° de la volatilité des sinistres et des indemnisations cou-
verts par l’entreprise;
3° des risques de marché auxquels les investissements
de l’entreprise donnent lieu;
4° du niveau de concentrations du risque;
5° du nombre total de branches d’assurance vie et non-vie
pour lesquelles l’agrément est accordé;
527
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
6° mogelijke effecten van het beheer van de activa van de
onderneming op de financiële stabiliteit;
7° de systemen en structuren van de onderneming om
informatie te verstrekken voor toezichtsdoeleinden, en de
schriftelijk vast gelegde beleidslijn bedoeld in artikel 77, § 7;
8° de geschiktheid van het governancesysteem van de
onderneming;
9° het niveau van het eigen vermogen ter dekking van het sol-
vabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;
10° het feit of de onderneming al dan niet een verzeke-
ringscaptive of herverzekeringscaptive is die uitsluitend de
risico’s dekt van de industriële of commerciële groep waartoe
zij behoort.
Art. 317
§ 1. Ten minste drie weken vóór de bijeenkomst van de
algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het
beslissingsorgaan van de onderneming, stellen de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis
van de ontwerpen van wijzigingen in de statuten, alsook van
de beslissingen die zij van plan zijn tijdens die vergadering
te nemen en die een weerslag zouden kunnen hebben op de
overeenkomsten in het algemeen.
De Bank kan eisen dat de door haar geformuleerde opmer-
kingen over die ontwerpen ter kennis worden gebracht van
de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het
beslissingsorgaan van de onderneming.
§ 2. Binnen een maand na de goedkeuring ervan door de
algemene vergadering, of, bij ontstentenis, door het bevoegde
besluitvormingsorgaan, stellen de verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen de Bank in kennis van de wijzigingen
in de statuten en van de beslissingen die een weerslag kunnen
hebben op de overeenkomsten.
Binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de
datum waarop zij er kennis van heeft gekregen, kan de Bank
zich verzetten tegen de uitvoering van alle beslissingen of
wijzigingen als bedoeld in het eerste lid die strijdig zouden zijn
met de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsmaatrege-
len of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
Afdeling IV
Procedure van prudentieel toezicht
Onderafdeling I
Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie
Art. 318
In het kader van haar opdracht als bedoeld in arti-
kel 303 onderzoekt en evalueert de Bank op regelmatige
6° des effets potentiels de la gestion des actifs de l’entre-
prise sur la stabilité financière;
7° des systèmes et structures de l’entreprise lui permettant
de communiquer des informations aux fins du contrôle et de
la politique écrite visée à l’article 77, § 7;
8° de l’adéquation du système de gouvernance de
l’entreprise;
9° du niveau des fonds propres couvrant le capital de
solvabilité requis et le minimum de capital requis;
10° du fait que l’entreprise est ou non une entreprise cap-
tive d’assurance ou de réassurance couvrant uniquement les
risques associés au groupe commercial ou industriel auquel
elle appartient.
Art. 317
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
communiquent à la Banque au moins trois semaines avant la
réunion de l’assemblée générale ou, à son défaut, de l’organe
de décision de l’entreprise, les projets de modifications aux
statuts, ainsi que les décisions qu’elles se proposent de
prendre lors de cette réunion et qui sont susceptibles d’avoir
une incidence sur les contrats en général.
La Banque peut exiger que les observations qu’elle formule
concernant ces projets soient portées à la connaissance de
l’assemblée générale ou, à son défaut, de l’organe de déci-
sion de l’entreprise.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance com-
muniquent à la Banque dans le mois suivant leur approbation
par l’assemblée générale ou, à son défaut, par l’organe de
décision compétent, les modifications aux statuts ainsi que
les décisions qui peuvent avoir une incidence sur les contrats.
La Banque peut, dans un délai d’un mois à partir de la
date où elle en a eu connaissance, s’opposer à l’exécution
de toutes décisions ou modifications visées à l’alinéa 1er,
qui violeraient les dispositions de la présente loi ou de ses
mesures d’exécution ou des mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE.
Section IV
Processus de surveillance prudentielle
Sous-section Ire
Procédure de contrôle et d’évaluation prudentiels
Art. 318
Dans le cadre de sa mission visée à l’article 303, la Banque
examine et évalue, sur une base régulière, les stratégies, les
528
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
basis de strategieën, processen en rapporteringsprocedures
die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen heb-
ben vastgesteld om te voldoen aan de bepalingen die door
of krachtens deze wet zijn opgelegd en aan de bepalingen
van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG.
Daarbij worden de kwalitatieve vereisten inzake het go-
vernancesysteem beoordeeld, worden de risico’s beoordeeld
waaraan de betrokken ondernemingen blootstaan of zouden
kunnen blootstaan en wordt het vermogen van deze onderne-
mingen beoordeeld om deze risico’s te beoordelen rekening
houdend met de omgeving waarin zij werkzaam zijn.
Art. 319
De Bank onderzoekt en evalueert met name, overeenkom-
stig de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG,
of voldaan is aan:
1° de in artikel 42 beschreven vereisten inzake het gover-
nancesysteem, met name de interne beoordeling van het
eigen risico en de solvabiliteit;
2° de vereisten inzake de technische voorzieningen, als
beschreven in de artikelen 124 tot 139;
3° de kapitaalvereisten als beschreven in de artike-
len 151 tot 189;
4° de beleggingsvoorschriften als beschreven in de arti-
kelen 190 tot 198;
5° de vereisten inzake de kwantiteit en de kwaliteit van het
eigen vermogen, als beschreven in de artikelen 140 tot 150;
6° wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming een volledig of gedeeltelijk intern model gebruikt:
de vereisten die gesteld worden aan volledig of gedeeltelijk
interne modellen, als beschreven in de artikelen 167 tot 188.
In dit verband zorgt de Bank voorpassende monitoringin-
strumenten waarmee ze een verslechtering van de financiële
positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
kan detecteren en waarmee ze kan nagaan hoe deze ver-
slechtering wordt verholpen.
Art. 320
De Bank beoordeelt ook de adequaatheid van de methodes
en praktijken van de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen om mogelijke gebeurtenissen of toekomstige
veranderingen in de economische conjunctuur in kaart te
brengen die de algehele financiële positie van de betrokken
onderneming zouden kunnen aantasten.
Ze beoordeelt het vermogen van de ondernemingen om
het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke gebeurtenissen
of toekomstige veranderingen in de economische conjunctuur.
processus et les procédures de communication d’informations
établis par les entreprises d’assurance ou de réassurance
en vue de se conformer aux dispositions prévues par ou en
vertu de la présente loi ainsi qu’aux dispositions des mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Cet examen et cette évaluation comprennent l’appréciation
des exigences qualitatives relatives au système de gouver-
nance, l’appréciation des risques auxquels les entreprises
concernées sont exposées ou pourraient être exposées et
l’appréciation de leur capacité à mesurer ces risques compte
tenu de l’environnement dans lequel elles opèrent.
Art. 319
En particulier, la Banque examine et évalue, conformément
aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, s’il
est satisfait:
1° aux exigences concernant le système de gouvernance
prévues à l’article 42, notamment l’évaluation interne des
risques et de la solvabilité;
2° aux exigences concernant les provisions techniques
prévues aux articles 124 à 139;
3° aux exigences de capital prévues aux articles 151 à 189;
4° aux règles d’investissement prévues aux articles 190 à
198;
5° aux exigences concernant la quantité et la qualité des
fonds propres prévues aux articles 140 à 150;
6° lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
utilise un modèle interne intégral ou partiel, aux exigences
applicables aux modèles internes intégraux et partiels prévues
aux articles 167 à 188.
À cet égard, la Banque met en place les outils de suivi
appropriés, qui lui permettent de détecter toute détérioration
de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance et de vérifier de quelle manière il y est porté
remède.
Art. 320
La Banque évalue également l’adéquation des méthodes
et pratiques appliquées par les entreprises d’assurance ou
de réassurance en vue de détecter les éventuels aléas ou
changements de la conjoncture économique qui pourraient
avoir un impact défavorable sur la situation financière globale
de l’entreprise concernée.
Elle évalue la capacité desdites entreprises à surmonter
ces éventuels aléas ou changements de la conjoncture
économique.
529
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 321
De Bank bepaalt de frequentie en de omvang van de in
de artikelen 318 tot 320 bedoelde onderzoeken en evaluaties
en houdt daarbij rekening met de omvang van de betrokken
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, en met
de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten.
Onderafdeling II
Stresstests
Art. 322
Indien zij van oordeel is dat de stresstests die overeen-
komstig artikel 23 van Verordening 1094/2010 worden uit-
gevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onderwerpt de
Bank de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan
specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de
bijzondere kenmerken van de verzekerings- en herverzeke-
ringssector in België, om de in de artikelen 318 tot 321 be-
doelde toetsings- en evaluatieprocedure en de uitoefening
van het groepstoezicht als bedoeld in Hoofdstuk II van Titel
V te vergemakkelijken.
Onderafdeling III
Prudentiële maatregelen – Opslagfactor van het
kapitaalvereiste
Art. 323
§ 1. Op grond van de resultaten van de toetsings- en eva-
luatieprocedure of van de stresstests die overeenkomstig de
artikelen 318 tot 322 worden uitgevoerd, kan de Bank voor
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een spe-
cifieke kapitaalopslagfactor van het kapitaalvereiste opleggen
bovenop de vereisten die door of krachtens deze wet of de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opge-
legd, om rekening te houden met de risico’s waaraan deze
onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan.
§ 2. De kapitaalopslagfactor als bedoeld in paragraaf 1 kan
enkel worden opgelegd in de volgende uitzonderlijke gevallen:
1° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant
afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met de standaardfor-
mule overeenkomstig de artikelen 153 tot 166 is berekend, en:
a) dat het vereiste om op grond van artikel 173 een intern
model te gebruiken, niet is aangewezen of dat het gebruik
ervan ondoeltreffend is gebleken; of
b) dat overeenkomstig artikel 170 een volledig of ge-
deeltelijk intern model wordt ontwikkeld, dat echter nog niet
operationeel is;
Art. 321
La Banque détermine la fréquence et l’ampleur des
examens et évaluations visés aux articles 318 à 320 en
tenant compte de la taille des entreprises d’assurance ou de
réassurance concernées, et de la nature, du volume et de la
complexité de leurs activités.
Sous-section II
Tests de résistance
Art. 322
Si elle estime que les tests de résistance effectués confor-
mément à l’article 23 du Règlement 1094/2010 ne fournissent
pas des résultats suffisants, la Banque peut soumettre les
entreprises d’assurance ou de réassurance à des tests de
résistance prudentiels spécifiques prenant en compte les
particularités du secteur de l’assurance et de la réassurance
en Belgique, aux fins de faciliter la procédure de contrôle et
d’évaluation visée aux articles 318 à 321 ainsi que l’exercice
du contrôle de groupe visé au Chapitre II du Titre V.
Sous-section III
Mesures prudentielles – Exigence de capital
supplémentaire
Art. 323
§ 1er. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle
et d’évaluation ou des tests de résistance effectués confor-
mément aux articles 318 à 322, la Banque peut imposer à
une entreprise d’assurance ou de réassurance une exigence
spécifique de capital, qui s’ajoute aux exigences requises par
ou en vertu de la présente loi ou des mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE, afin de tenir compte des risques
auxquels cette entreprise est ou pourrait être exposée.
§ 2. L’exigence de capital supplémentaire prévue au
paragraphe 1er ne peut être imposée que dans les cas excep-
tionnels suivants:
1° la Banque estime que le profil de risque de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des
hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis,
calculé à l’aide de la formule standard conformément aux
articles 153 à 166 et
a) que l’exigence de recourir à un modèle interne en vertu
de l’article 173 est inappropriée ou que son utilisation s’est
révélée inefficace; ou
b) qu’un modèle interne, partiel ou intégral, est en cours de
développement conformément à l’article 170, sans toutefois
être encore effectif;
530
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt
van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabi-
liteitskapitaalvereiste zoals dit met een intern model of een
gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot
188 is berekend, omdat met bepaalde kwantificeerbare risico’s
onvoldoende rekening wordt gehouden en het niet binnen een
passend tijdskader gelukt is om het model beter af te stemmen
op het gegeven risicoprofiel;
3° de Bank is van oordeel dat het governancesysteem van
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant
afwijkt van de normen van artikel 42, dat de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming door deze afwijkingen niet
in staat is de risico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen
blootstaan, adequaat te onderkennen, te meten, te bewaken,
te beheren en te rapporteren, en dat er geen andere maatre-
gelen zijn die binnen een passend tijdskader tot voldoende
verbetering zouden leiden;
4° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming past
de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in artikel
131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen
668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toe, en de Bank
is van oordeel dat het risicoprofiel van die onderneming sig-
nificant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen
aan die aanpassingen en overgangsmaatregelen.
§ 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2° wordt
de kapitaalopslagfactor zo berekend dat gewaarborgd is dat
de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3.
In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3° staat de kapitaal-
opslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voort-
vloeien uit de tekortkomingen die aanleiding hebben gegeven
tot het besluit van de Bank om de opslagfactor op te leggen.
In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 4° staat de kapitaal-
opslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voort-
vloeien uit de afwijking met betrekking tot het risicoprofiel.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° zorgt
de Bank ervoor dat de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming alles in het werk stelt om de tekortkomingen te
verhelpen die tot de toepassing van een kapitaalopslagfactor
hebben geleid.
§ 5. De kapitaalopslagfactoren die met toepassing van dit
artikel zijn opgelegd, worden ten minste eenmaal per jaar
door de Bank geëvalueerd. Zij worden opgeheven wanneer
de onderneming de tekortkomingen heeft verholpen die tot
de toepassing van deze factoren hebben geleid.
§ 6. Behalve voor wat betreft de berekening van de risico-
marge als bedoeld in artikel 127, § 2 wanneer de kapitaalop-
slagfactor werd opgelegd in de gevallen bedoeld in paragraaf
2, 3°, wordt het solvabiliteitsvereiste opgevat als het bedrag
van dit vereiste, vermeerderd met de kapitaalopslagfactor die
met toepassing van dit artikel wordt opgelegd.
2° la Banque estime que le profil de risque de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des
hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis,
calculé à l’aide d’un modèle interne ou d’un modèle interne
partiel conformément aux articles 167 à 188, parce que cer-
tains risques quantifiables sont insuffisamment pris en compte
et que le modèle n’a pas été adapté dans un délai approprié
de manière à mieux refléter le profil de risque;
3° la Banque estime que le système de gouvernance de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte signifi-
cativement des normes prévues à l’article 42, que l’entreprise
d’assurance ou de réassurance n’est de ce fait pas en mesure
de déceler, de mesurer, de contrôler, de gérer et de déclarer
de manière adéquate les risques auxquels elle est ou pourrait
être exposée et que l’application d’autres mesures n’est pas,
en soi, susceptible de remédier suffisamment aux carences
constatées dans un délai approprié;
4° l’entreprise d’assurance ou de réassurance applique
l’ajustement égalisateur visé à l’article 129, la correction
pour volatilité visée à l’article 131 ou les mesures transitoires
visées aux articles 668 et 669 et la Banque estime que le profil
de risque de cette entreprise s’écarte significativement des
hypothèses sous-tendant ces ajustements et corrections et
mesures transitoires.
§ 3. Dans les cas visés au paragraphe 2, 1° et 2°, l’exigence
de capital supplémentaire est calculée de façon à garantir que
l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3.
Dans les cas visés au paragraphe 2, 3°, l’exigence de capi-
tal supplémentaire est proportionnée aux risques importants
découlant des carences qui ont fondé la Banque à prendre
la décision de l’imposer.
Dans les cas visés au paragraphe 2, 4°, l’exigence de capi-
tal supplémentaire est proportionnée aux risques importants
découlant de l’écart constaté concernant le profil de risque.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 2, 2° et 3°, la Banque
veille à ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance
mette tout en oeuvre pour remédier aux carences qui ont
justifié de lui imposer une exigence de capital supplémentaire.
§ 5. La Banque revoit les exigences de capital supplémen-
taire imposées en application du présent article, au moins une
fois par an. Elle y met fin lorsque l’entreprise a remédié aux
carences qui ont conduit à la lui imposer.
§ 6. Sauf pour ce qui concerne le calcul de la marge de
risque visée à l’article 127, § 2 lorsque l’exigence de capital
supplémentaire a été imposée dans les cas visés au para-
graphe 2, 3°, le capital de solvabilité requis s’entend de son
montant majoré de l’exigence de capital supplémentaire
imposée en application du présent article.
531
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling V
Informatieverstrekking aan EIOPA
Art. 324
Onverminderd artikel 35 van Verordening 1094/2010, ver-
strekt de Bank jaarlijks de volgende informatie aan EIOPA:
1° de gemiddelde kapitaalopslagfactor per onderneming
en de verdeling van de kapitaalopslagfactoren zoals de
Bank deze in het voorgaande jaar heeft opgelegd, berekend
als een percentage van het solvabiliteits kapitaalvereiste en
afzonderlijk aangegeven voor:
a) verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen;
b) levensverzekeringsondernemingen;
c) niet-levensverzekeringsondernemingen;
d) verzekeringsondernemingen die zowel levensverze-
kerings- als niet-levens verzekeringsactiviteiten uitoefenen;
e) herverzekeringsondernemingen;
2° voor alle in punt 1° van deze paragraaf genoemde
gegevens: de verdeling van de kapitaalopslagfactoren die
respectievelijk op grond van artikel 323, § 2, 1°, 2° of 3° , zijn
opgelegd;
3° het aantal verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om
regelmatig informatie te verstrekken en het aantal verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen dat is vrijgesteld van
de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken met
toepassing van de artikelen 313 en 314 , alsmede het volume
van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen
en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het
totale volume van de kapitaalvereisten, premies, technische
voorzieningen en activa van de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen naar Belgisch recht;
4° het aantal groepen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de
verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het
aantal groepen dat overeenkomstig artikel 423 is vrijgesteld
van de verplichting om itemgewijs de informatie te verstrek-
ken, alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies,
technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten
als een percentage van het totale volume van de kapitaal-
vereisten, premies, technische voorzieningen en activa van
alle groepen.
Section V
Informations à fournir à l’EIOPA
Art. 324
Sans préjudice de l’article 35 du Règlement 1094/2010,
la Banque fournit annuellement les informations suivantes
à l’EIOPA:
1° le montant moyen des exigences de capital supplémen-
taire par entreprise et la répartition des exigences de capital
supplémentaire imposées par la Banque durant l’année
précédente, en pourcentage du capital de solvabilité requis
et selon la ventilation suivante:
a) les entreprises d’assurance ou de réassurance;
b) les entreprises d’assurance vie;
c) les entreprises d’assurance non-vie;
d) les entreprises d’assurance exerçant leurs activités à
la fois en vie et en non-vie;
e) les entreprises de réassurance;
2° pour chacune des publications prévues au 1° du présent
paragraphe, la proportion d’exigences de capital supplémen-
taire imposées respectivement en vertu de l’article 323, § 2,
1°, 2° ou 3°;
3° le nombre d’entreprises d’assurance ou de réassu-
rance qui bénéficient de la limitation à l’obligation de donner
régulièrement des informations et le nombre d’entreprises
d’assurance ou de réassurance qui bénéficient de l’exemption
de fournir des informations poste par poste en application des
articles 313 et 314, ainsi que leur volume d’exigences de capi-
tal, primes, provisions techniques et actifs, respectivement
exprimés en pourcentage du volume total des exigences de
capital, primes, provisions techniques et actifs des entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge;
4° le nombre de groupes qui bénéficient de la limitation à
l’obligation de donner régulièrement des informations et le
nombre de groupes qui bénéficient de l’exemption de donner
des informations poste par poste prévue à l’article 423, ainsi
que leur volume d’exigences de capital, primes, provisions
techniques et actifs, respectivement exprimés en pourcentage
du volume total des exigences de capital, primes, provisions
techniques et actifs de l’ensemble des groupes.
532
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Revisoraal toezicht
Afdeling I
Aanstelling en erkenning van de commissarissen
Art. 325
§ 1. Onverminderd artikel 87ter van de wet van
2 augustus 2002 mag de opdracht van commissaris als
bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen, in een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming enkel worden
toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer
revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de
Bank overeenkomstig artikel 327.
In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die met
toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris
moeten hebben, stelt de algemene vergadering van vennoten
een of meer erkend revisoren of erkende revisorenvennoot-
schappen aan als bedoeld in het eerste lid.
Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel.
De voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen met
betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze
vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de
opdracht van commissaris in deze ondernemingen. Voor de
toepassing van het Wetboek van Vennootschappen met be-
trekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering
van vennoten de algemene vergadering van aandeelhouders
in vennootschappen waar de wet die niet instelt.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
mogen plaats vervangende commissarissen aanstellen, die
in geval van langdurige verhindering van de commissaris
diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en
van artikel 326 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
Art. 326
Een erkende revisorenvennootschap doet voor de uit-
oefening van de opdracht van commissaris als bedoeld
in artikel 325, een beroep op een erkend revisor die zij
aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van
Vennootschappen. De voorschriften van deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de ver-
plichtingen en de verbodsbepalingen voor commissarissen
alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke
sancties regelen, gelden zowel voor de erkende reviso-
renvennootschappen als voor de erkend revisoren die hen
vertegen woordigen.
Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsver-
vangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die
voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
CHAPITRE II
Contrôle revisoral
Section Ire
Désignation et agrément des commissaires
Art. 325
§ 1er. Sans préjudice de l’article 87ter de la loi du
2 août 2002, les fonctions de commissaire prévues par le
Code des sociétés ne peuvent être confiées, dans les entre-
prises d’assurance ou de réassurance, qu’à un ou plusieurs
réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés
par la Banque conformément à l’article 327.
Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
ne sont pas tenues d’avoir un commissaire en application
dudit Code, l’assemblée générale des associés nomme un ou
plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs
agréés comme prévu à l’alinéa 1er.
Ils exercent les fonctions et portent le titre de commissaire.
Les dispositions du Code des sociétés relatives aux commis-
saires-reviseurs de sociétés anonymes sont applicables à la
désignation et aux fonctions de commissaire exercées dans
ces entreprises. Pour l’application du Code des sociétés
relativement à ce qui précède, l’assemblée générale des
associés remplace l’assemblée générale des actionnaires
dans les sociétés où la loi n’organise pas celle-ci.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent
les fonctions de commissaire en cas d’empêchement durable
de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de
l’article 326 sont applicables à ces suppléants.
Art. 326
Les sociétés de réviseurs agréées exercent les fonctions
de commissaire prévues à l’article 325 par l’intermédiaire
d’un réviseur agréé qu’elles désignent conformément à
l’article 132 du Code des sociétés. Les dispositions de la
présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont
relatives à la désignation, aux fonctions, aux obligations et
aux interdictions des commissaires ainsi qu’aux sanctions,
autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers sont
applicables simultanément aux sociétés de réviseurs et aux
réviseurs agréés qui les représentent.
Une société de réviseurs agréée peut désigner un repré-
sentant suppléant parmi ses membres remplissant les condi-
tions pour être désignés.
533
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 327
De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het
reglement vast voor de erkenning van revisoren en
revisorenvennootschappen.
Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raad-
pleging van de erkend revisoren via hun representatieve
beroepsvereniging.
Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de Bank op de
hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen
een erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap
wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn opdracht
bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming alsook
telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een
erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap, met
opgave van de motivering.
Art. 328
Voor de aanstelling van erkend commissarissen en plaats-
vervangend erkend commissarissen bij verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen is de voorafgaande instem-
ming vereist van de Bank. Deze instemming moet worden
gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling
voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennoot-
schap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als
op haar vertegenwoordiger.
Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van
een opdracht.
Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de
wet geschiedt door de voorzitter van de rechtbank van koop-
handel of het hof van beroep, kiest deze uit een lijst van erkend
revisoren waaraan de Bank haar goedkeuring heeft gehecht.
Art. 329
De Bank kan haar instemming overeenkomstig arti-
kel 328 met een erkend commissaris, een plaatsvervangend
erkend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of
een vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoor-
diger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen
bij beslissing die gemotiveerd is door redenen die verband
houden met hun statuut of hun opdracht als erkend revisor
of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of
krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht
van commissaris.
Wanneer een erkend commissaris ontslag neemt, worden
de Bank en de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de
motivering.
Het erkenningsreglement regelt de procedure.
Art. 327
La Banque arrête, par voie de règlement pris en application
de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le règlement
d’agrément des réviseurs et des sociétés de réviseurs.
Le règlement d’agrément est pris après consultation
des réviseurs agréés représentés par leur organisation
professionnelle.
L’Institut des Réviseurs d’Entreprises informe la Banque
de l’ouverture de toute procédure disciplinaire à l’encontre
d’un réviseur agréé ou d’une société de réviseurs agréée pour
manquement commis dans l’exercice de ses fonctions auprès
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que
de toute mesure disciplinaire prise à l’encontre d’un réviseur
agréé ou d’une société de réviseurs agréée et de ses motifs.
Art. 328
La désignation des commissaires agréés et des commis-
saires agréés suppléants auprès des entreprises d’assurance
ou de réassurance est subordonnée à l’accord préalable de la
Banque. Cet accord doit être recueilli par l’organe social qui
fait la proposition de désignation. En cas de désignation d’une
société de réviseurs agréée, l’accord porte conjointement sur
la société et son représentant.
Le même accord est requis pour le renouvellement du
mandat.
Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commissaire
est faite par le Président du Tribunal de Commerce ou la
Cour d’appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de réviseurs
agréés sur laquelle la Banque a donné son accord.
Art. 329
La Banque peut, en tout temps, révoquer, par décision
motivée par des raisons tenant à leur statut ou à l’exercice de
leurs fonctions de réviseur agréé ou de société de réviseurs
agréée, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi,
l’accord donné, conformément à l’article 328, à un commis-
saire agréé, un commissaire agréé suppléant, une société
de réviseurs agréée ou un représentant ou représentant
suppléant d’une telle société. Cette révocation met fin aux
fonctions de commissaire.
En cas de démission d’un commissaire agréé, la Banque
et l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont préalable-
ment informées de cette démission, ainsi que de ses motifs.
Le règlement d’agrément règle, pour le surplus, la
procédure.
534
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commis-
saris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een
erkende revisorenvennootschap, zorgt de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of de erkende revisorenven-
nootschap, met inachtneming van artikel 328, binnen twee
maanden voor zijn vervanging.
Het voorstel om een erkend commissaris in een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming van zijn opdracht te
ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het
Wetboek van Vennootschappen, wordt ter advies voorgelegd
aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene
vergadering.
Afdeling II
Opdracht van de erkend commissarissen
Art. 330
De erkend commissarissen als bedoeld in Afdeling I verle-
nen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun
eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig
deze Afdeling, volgens de regels van het vak en de richtlijnen
van de Bank.
De erkend commissarissen en de erkende revisorenven-
nootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de
onderneming waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefe-
nen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
Art. 331
De erkend commissarissen beoordelen de internecontro-
lemaatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen hebben getroffen overeenkomstig artikel 42, § 1er,
2°, en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.
Art. 332
De erkend commissarissen brengen verslag uit bij de Bank
over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke
financiële informatie die de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen aan het einde van het eerste halfjaar aan
de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis
hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke
informatie per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke
opzichten is opgesteld volgens de voorschriften die door of
krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld .
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële
informatie per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in
overeenstemming is met de boekhouding en de inventaris-
sen inzake:
En l’absence d’un commissaire agréé suppléant ou d’un
représentant suppléant d’une société de réviseurs agréée
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société de
réviseurs agréée pourvoit, dans le respect de l’article 328,
au remplacement dans les deux mois.
La proposition de révocation des mandats de commissaire
agréé dans les entreprises d’assurance ou de réassurance,
telle que réglée par les articles 135 et 136 du Code des
sociétés, est soumise à l’avis de la Banque. Cet avis est
communiqué à l’assemblée générale.
Section II
Mission des commissaires agréés
Art. 330
Les commissaires agréés visés à la Section Ire collaborent
au contrôle exercé par la Banque sous leur responsabilité per-
sonnelle et exclusive et conformément à la présente Section,
aux règles de la profession et aux instructions de la Banque.
Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs
agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises rele-
vant de leurs fonctions auprès des succursales à l’étranger
de l’entreprise qu’ils contrôlent.
Art. 331
Les commissaires agréés évaluent les mesures de
contrôle interne adoptées par les entreprises d’assurance
ou de réassurance conformément à l’article 42, § 1er, 2° et ils
communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque.
Art. 332
Les commissaires agréés font rapport à la Banque sur
les résultats de l’examen limité des informations financières
périodiques transmises par les entreprises d’assurance ou
de réassurance à la Banque à la fin du premier semestre
social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont
il apparaîtrait que ces informations périodiques n’ont pas,
sous tous égards significativement importants, été établies
conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de
la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE
et aux instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que les informations financières
périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui
est des données comptables y figurant, , sous tous égards
significativement importants, conformes à la comptabilité et
aux inventaires, en ce sens qu’elles sont:
535
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat
uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de
periodieke financiële informatie wordt opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld.
Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit
zou blijken dat de periodieke financiële informatie per einde
halfjaar niet is opgesteld, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, met toepassing van de boeking- en waar-
deringsregels voor de opstelling van de periodieke informatie
met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier
bedoelde periodieke informatie nader bepalen.
Art. 333
De erkend commissarissen brengen eveneens verslag
uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de
periodieke financiële informatie die de verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen aan het einde van het boekjaar
aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat deze
periodieke informatie in alle materieel belangrijke opzichten
werd opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens
de wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG
en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële
informatie per einde van het boekjaar, voor wat de boek-
houdkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke
opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de
inventarissen, inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat
uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de
periodieke financiële informatie wordt opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld.
Zij bevestigen dat de periodieke financiële informatie per
einde van het boekjaar werd opgesteld, voor wat de boekhoud-
kundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings-
en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening.
De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader
bepalen.
Art. 334
De erkend commissarissen brengen bij de Bank op haar
verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de
activiteiten en de financiële structuur van de onderneming;
de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming gedragen.
1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels elles sont établies,
2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base des-
quels elles sont établies.
Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que les informations financières pério-
diques arrêtées en fin de semestre n’ont pas été établies, pour
ce qui est des données comptables y figurant, par application
des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé
à l’établissement des informations périodiques afférentes
au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en
l’occurrence les informations périodiques visées.
Art. 333
Les commissaires agréés font également rapport à la
Banque sur les résultats du contrôle des informations finan-
cières périodiques transmises par les entreprises d’assurance
ou de réassurance à la Banque à la fin de l’exercice social,
confirmant que ces informations périodiques sont, sous tous
égards significativement importants, établies conformément
aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux
instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que les informations financières
périodiques arrêtées en fin d’exercice sont, pour ce qui est
des données comptables y figurant, sous tous égards signi-
ficativement importants, conformes à la comptabilité et aux
inventaires, en ce sens qu’elles sont:
1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels elles sont établies,
2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exactement
avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base des-
quels elles sont établies.
Ils confirment également que les informations financières
périodiques arrêtées en fin d’exercice ont été établies, pour
les données comptables y figurant, par application des règles
de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement
des comptes annuels.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les
informations périodiques visés.
Art. 334
Les commissaires agréés font à la Banque, à sa demande,
des rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités
et la structure financière de l’entreprise, rapports dont les frais
d’établissement sont supportés par l’entreprise d’assurance
ou de réassurance en question.
536
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 335
In het kader van hun opdracht bij een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of een revisorale opdracht bij
een met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verbonden onderneming, brengen de erkend commissaris-
sen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis
krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval,
ontwikkelingen:
1° die de positie van de onderneming financieel of op het
vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organi-
satie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze
beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
2° die de bedrijfscontinuïteit van de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming kunnen aantasten;
3° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het
solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen leiden;
4° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het
minimumkapitaalvereiste kunnen leiden;
5° die een overtreding van het Wetboek van
Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen;
6° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering
van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.
Art. 336
De erkend commissarissen delen aan de leiders van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen
mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 334.
Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing.
Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die
zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken
die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
Art. 337
Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw infor-
matie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 335, kunnen
geen burger rechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke
vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties
worden uitgesproken.
Art. 335
Dans le cadre de leur mission auprès d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance, ou d’une mission révisorale
auprès d’une entreprise liée à une entreprise d’assurance
ou de réassurance, les commissaires agréés font d’initiative
rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des
faits ou, le cas échéant, des évolutions:
1° qui influencent ou peuvent influencer de façon significa-
tive la situation de l’entreprise sous l’angle financier ou sous
l’angle de son organisation administrative et comptable ou
de son contrôle interne;
2° qui peuvent porter atteinte à la continuité de l’exploitation
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance;
3° qui peuvent entraîner le non-respect des dispositions
relatives au capital de solvabilité requis;
4° qui peuvent entraîner le non-respect des dispositions
relatives au minimum de capital requis;
5° qui peuvent constituer des violations du Code des socié-
tés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements
pris pour son exécution;
6° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves
en matière de certification des comptes.
Art. 336
Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports
qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 334.
Ces communications sont soumises à l’article 306.
Ils transmettent à la Banque copie des communications
qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des ques-
tions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
Art. 337
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être
intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre
les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une
information visée sous l’article 335.
537
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL V
Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen en
aanvullend toezicht op financiële conglomeraten
HOOFDSTUK I
Definities
Art. 338
Onverminderd artikel 15 wordt voor de toepassing van
deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen
ervan verstaan onder:
1° moederonderneming: een moederonderneming in de zin
van artikel 15, 39°, alsmede iedere onderneming die, naar de
mening van de Bank, feitelijk een overheersende invloed op
een andere onderneming uitoefent;
2° dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin
van artikel 15, 40°, alsmede iedere onderneming waarop, naar
de mening van de Bank, een moederonderneming feitelijk een
overheersende invloed uitoefent. Alle dochterondernemingen
van dochterondernemingen worden eveneens geacht doch-
terondernemingen te zijn van de moederonderneming die aan
het hoofd staat van die ondernemingen;
3° deelneming: een deelneming in de zin van artikel 15, 43°,
alsmede het rechtstreeks of onrechtstreeks in bezit hebben
van stemrechten of kapitaal van een andere onderneming
waarop naar de mening van de Bank feitelijk een aanzienlijke
invloed wordt uitgeoefend;
4° verbonden onderneming: een dochteronderneming of ie-
dere andere onderneming waarin een deelneming bestaat, of
een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in
de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen;
5° verzekeringsholding: een moederonderneming die geen
gemengde financiële holding is, en waarvan de hoofdactivi-
teit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen
in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen
zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming is;
6° gemengde verzekeringsholding: een moederonderne-
ming die geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
verzekerings- of hervezekeringsonderneming van een derde
land, verzekeringsholding of gemengde financiële holding
is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één
verzekerings- of herverzekeringsonderneming telt;
7° gemengde financiële holding: een moeder onderneming
die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het
hoofd van een financieel conglomeraat staat;
TITRE V
Du contrôle des groupes d’assurance et de réassurance
et de la surveillance complémentaire des conglomérats
financiers
CHAPITRE IER
Définitions
Art. 338
Sans préjudice de l’article 15, pour l’application du présent
Titre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il
y a lieu d’entendre par:
1° entreprise mère: outre une entreprise mère au sens de
l’article 15, 39°, toute entreprise qui exerce effectivement, de
l’avis de la Banque, une influence dominante sur une autre
entreprise;
2° entreprise filiale: outre une entreprise filiale au sens de
l’article 15, 40°, toute entreprise sur laquelle une entreprise
mère exerce effectivement, de l’avis de la Banque, une
influence dominante. Toute entreprise filiale d’une entreprise
filiale est également considérée comme filiale de l’entreprise
mère qui est à la tête de ces entreprises;
3° participation: outre une participation au sens de l’article
15, 43°, le fait de détenir directement ou indirectement des
droits de vote ou du capital dans une autre entreprise sur
laquelle, de l’avis de la Banque, une influence notable est
effectivement exercée;
4° entreprise liée: une entreprise qui est soit une entreprise
filiale, soit une autre entreprise dans laquelle une participation
est détenue, soit une entreprise avec laquelle un consortium
est formé au sens de l’article 10 du Code des sociétés;
5° société holding d’assurance: une entreprise mère qui
n’est pas une compagnie financière mixte et dont l’activité
principale consiste à acquérir et à détenir des participations
dans des entreprises filiales lorsque ces entreprises filiales
sont exclusivement ou principalement des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance, ou des entreprises d’assurance
ou de réassurance de pays tiers, l’une au moins de ces
entreprises filiales étant une entreprise d’assurance ou de
réassurance;
6° société holding mixte d’assurance: une entreprise mère,
autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance,
qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays
tiers, qu’une société holding d’assurance ou qu’une compa-
gnie financière mixte, qui compte parmi ses filiales au moins
une entreprise d’assurance ou de réassurance;
7° compagnie financière mixte: une entreprise mère,
autre qu’une entreprise réglementée, qui est à la tête d’un
conglomérat financier;
538
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
8° gereglementeerde onderneming: een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een
beleggingsonderneming, een beheervennootschap van in-
stellingen voor collectieve belegging of een beheerder van
alternatieve instellingen voor collectieve belegging;
9° financiële sector: de sector die bestaat uit een of meer
van de volgende ondernemingen:
a) een gereglementeerde onderneming die een kredietin-
stelling is, een financiële instelling in de zin van artikel 3, 41°
van de wet van 25 april 2014, een onderneming die neven-
diensten verricht in de zin van artikel 164, § 1, 4° van diezelfde
wet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële
sector, die “de banksector” wordt genoemd;
b) een gereglementeerde onderneming die een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming is, een verzekerings-
holding; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële
sector, die “de verzekeringssector” wordt genoemd;
c) een gereglementeerde onderneming die een beleggings-
onderneming is, een onderneming die nevendiensten verricht
in de zin van artikel 46, 2°, van de wet van 6 april 1995, een
financiële instelling in de zin van artikel 46, 29°, van diezelfde
wet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële
sector, die “de beleggings dienstensector” wordt genoemd.
10° financiële instelling: worden met financiële instellingen
als bedoeld in artikel 15, 48° gelijkgesteld, de instellingen
voor postcheque- en girodiensten, de AICB-beheerders, de
beheervennootschappen van instellingen voor collectieve
belegging, de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel
36/1, 14° van de wet van 22 februari 1998 en de instellingen
waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke
operationele beheer van diensten die verstrekt worden door
dergelijke vereffeningsinstellingen.
Art. 339
Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toe-
passing van Hoofdstuk II van deze Titel en van de uitvoerings-
besluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
1° deelnemende onderneming: een onderneming die een
moederonderneming is of een andere onderneming die een
deelneming bezit, of een onderneming waarmee een consor-
tium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek
van Vennootschappen;
2° groep: een groep ondernemingen,
a) die bestaat uit een deelnemende onderneming, haar
dochterondernemingen en de entiteiten waarin de deelne-
mende onderneming of haar dochterondernemingen een
deelneming aanhouden, alsook ondernemingen die een
consortium vormen in de zin van artikel 10 van het Wetboek
van Vennootschappen;
b) die stoelt op de totstandbrenging, middels contract of op
een andere wijze, van nauwe en duurzame financiële banden
8° entreprise réglementée: une entreprise d’assurance ou
de de réassurance, un établissement de crédit, une entreprise
d’investissement, une société de gestion d’organismes de
placement collectif, un gestionnaire d’organismes de place-
ment collectif alternatifs;
9° secteur financier: le secteur composé d’une ou de plu-
sieurs des entreprises suivantes:
a) une entreprise réglementée ayant le statut d’établisse-
ment de crédit, un établissement financier au sens de l’article
3, 41° de la loi du 25 avril 2014, une entreprise de services
auxiliaires au sens de l’article 164, § 1er, 4° de cette même loi;
ces entreprises font toutes partie du même secteur financier
qualifié de “secteur bancaire”;
b) une entreprise réglementée ayant le statut d’entreprise
d’assurance ou de réassurance, une société holding d’assu-
rance; ces entreprises font toutes partie du même secteur
financier qualifié de “secteur des assurances”;
c) une entreprise réglementée ayant le statut d’entreprise
d’investissement, une entreprise qui fournit des services
auxiliaires au sens de l’article 46, 2°, de la loi du 6 avril 1995,
un établissement financier au sens de l’article 46, 29°, de la
même loi; ces entreprises font toutes partie du même secteur
financier qualifié de “secteur des services d’investissement”.
10° établissement financier: sont assimilés à des éta-
blissements financiers au sens de l’article 15, 48°, les
offices de chèques postaux, les gestionnaires d’OPCA, les
sociétés de gestion d’organismes de placement collectif, les
organismes de liquidation visés à l’article 36/1,14°, de la loi
du 22 février 1998 ainsi que les organismes dont l’activité
consiste à assurer, en tout ou en partie, la gestion opération-
nelle de services fournis par de tels organismes de liquidation.
Art. 339
Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’application du
Chapitre II du présent Titre et des arrêtés et règlements pris
pour son exécution, il y a lieu d’entendre par:
1° entreprise participante: une entreprise qui est soit une
entreprise mère, soit une autre entreprise qui détient une
participation, soit une entreprise avec laquelle un consortium
est formé au sens de l’article 10 du Code des sociétés;
2° groupe: un groupe d’entreprises,
a) soit composé d’une entreprise participante, de ses
filiales et des entités dans lesquelles l’entreprise participante
ou ses filiales détiennent une participation, ainsi que des
entreprises qui forment un consortium au sens de l’article
10 du Code des sociétés;
b) soit fondé sur l’établissement, par voie contractuelle
ou sous une autre forme, de relations financières fortes
539
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
tussen die ondernemingen, met inbegrip van onderlinge
waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsvereni-
gingen, waarbij:
i. een van deze ondernemingen via centrale coördinatie
feitelijk een overheersende invloed uitoefent op de besluiten,
ook financiële besluiten, van de andere ondernemingen die
deel uitmaken van de groep; alsmede
ii. voor de vorming en ontbinding van dergelijke banden ter
wille van deze Titel vooraf toestemming moet worden verleend
door de groepstoezichthouder,
met dien verstande dat de onderneming die de gecen-
traliseerde coördinatie uitoefent, wordt beschouwd als de
moederonderneming en de andere ondernemingen als
dochterondernemingen;
3° groepstoezichthouder: de toezichthouder die verant-
woordelijk is voor het toezicht op het niveau van de verze-
kerings- of herverzekeringsgroep en overeenkomstig artikel
406 is aangewezen;
4° college van toezichthouders: een permanente maar
flexibele structuur voor samenwerking en coördinatie tussen
de toezichthouders van de betrokken lidstaten en voor de
vergemakkelijking van de besluitvorming met betrekking tot
groepstoezicht;
5° betrokken toezichthouder: de toezichthouder van een
lidstaat waar een dochteronderneming haar zetel heeft.
Art. 340
Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toe-
passing van Hoofdstuk III van deze Titel en van de uitvoe-
ringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
1° groep: een geheel van ondernemingen dat gevormd
wordt door een moederonderneming, haar dochteronderne-
mingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming
of haar dochter ondernemingen rechtstreeks of onrecht streeks
een deelneming aanhouden, alsook de onder nemingen waar-
mee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen
die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd
of waarin deze laatste ondernemingen een deel neming
aanhouden;
2° financieel conglomeraat: een groep of subgroep
waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een
gereglementeerde onderneming is en die aan de volgende
voorwaarden voldoet:
a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan het
hoofd van de groep of subgroep staat:
i. is deze onderneming de moederonderneming van een
onderneming in de financiële sector, een onderneming die
houdster is van een deelneming in een onderneming in de
et durables entre ces entreprises et qui peut inclure des
mutuelles ou des associations de type mutuel, à condition:
i. qu’une de ces entreprises exerce effectivement, au
moyen d’une coordination centralisée, une influence domi-
nante sur les décisions, y compris les décisions financières,
des autres entreprises faisant partie du groupe, et
ii. que l’établissement et la suppression desdites relations,
aux fins du présent Titre, soient soumis à l’approbation préa-
lable du contrôleur du groupe,
étant entendu que l’entreprise qui exerce la coordination
centralisée est considérée comme l’entreprise mère et les
autres entreprises comme des filiales;
3° contrôleur du groupe: l’autorité de contrôle chargée
d’exercer le contrôle au niveau du groupe d’assurance ou
de réassurance, déterminée conformément à l’article 406;
4° collège des contrôleurs: une structure permanente, mais
souple, de coopération et de coordination entre les autorités
de contrôle des États membres concernés visant à faciliter la
prise de décisions relatives au contrôle d’un groupe;
5° autorité de contrôle concernée: l’autorité de contrôle
d’un État membre dans lequel une entreprise filiale a son
siège social.
Art. 340
Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’application
du Chapitre III du présent Titre et des arrêtés et règlements
pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par:
1° groupe: l’ensemble des entreprises constitué par
l’entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles
l’entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation
directe ou indirecte, ainsi que les entreprises qui constituent
un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières
ou dans lesquelles elles détiennent une participation;
2° conglomérat financier: un groupe ou un sous-groupe
dans lequel l’une au moins des filiales est une entreprise
réglementée et qui satisfait aux conditions suivantes:
a) lorsqu’une entreprise réglementée est à la tête du groupe
ou du sous-groupe:
i. cette entreprise est l’entreprise mère d’une entreprise
du secteur financier, ou d’une entreprise qui détient une par-
ticipation dans une entreprise du secteur financier, ou d’une
540
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financiële sector, dan wel een onderneming die met een
onderneming in de financiële sector verbonden is onder de
vorm van een consortium;
ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of sub-
groep een onderneming uit de verzekeringssector en is ten
minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een
onderneming uit de banksector of de beleggingsdiensten-
sector, en
iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten
van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de
verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en
de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel
452, § 3; of
b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep geen
gereglementeerde onderneming staat:
i. vinden de activiteit van de groep of subgroep in hoofdzaak
plaats in de financiële sector in de zin van artikel 452, § 2;
ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of sub-
groep een onderneming uit de verzekeringssector en ten
minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een on-
derneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector,
en
iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten
van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de
verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en
de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel
452, § 3;
3° bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van de
lidstaten die krachtens wettelijke of reglementaire bepalin-
gen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op geregle-
menteerde ondernemingen, hetzij op individuele, hetzij op
groepswijde basis;
4° relevante bevoegde autoriteiten:
a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor
het sectorale groepstoezicht op gereglementeerde onderne-
mingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat,
en met name op de moederneming die aan het hoofd van
een sector staat;
b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de onder a)
bedoelde autoriteiten;
c) in voorkomend geval, andere betrokken bevoegde au-
toriteiten die naar het oordeel van de onder a) en onder b)
bedoelde autoriteiten relevant zijn.
Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel 21bis,
lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te stellen techni-
sche reguleringsnormen, wordt in het punt c) bedoelde oordeel
in het bijzonder rekening gehouden met het marktaandeel dat
de gereglementeerde ondernemingen van het financieel con-
glomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit
entreprise liée à une entreprise du secteur financier sous la
forme d’un consortium;
ii. l’une au moins des entités du groupe ou du sous-
groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et l’une
au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une
entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services
d’investissement; et
iii. les activités consolidées et/ou agrégées des entités
du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de
l’assurance, et des entités du secteur bancaire et du secteur
des services d’investissement sont importantes au sens de
l’article 452, § 3; ou
b) lorsqu’il n’y a pas d’entreprise réglementée à la tête du
groupe ou du sous-groupe:
i. les activités du groupe ou du sous-groupe s’exercent prin-
cipalement dans le secteur financier au sens de l’article 452,
§ 2;
ii. l’une au moins des entités du groupe ou du sous-
groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et l’une
au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une
entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services
d’investissement; et
iii. les activités consolidées et/ou agrégées des entités
du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de
l’assurance, et des entités du secteur bancaire et du secteur
des services d’investissement sont importantes au sens de
l’article 452, § 3;
3° autorités compétentes: les autorités nationales des
États membres habilitées, en vertu de dispositions légales
ou réglementaires, à surveiller les entreprises réglementées,
que ce soit sur une base individuelle ou à l’échelle du groupe;
4° autorités compétentes relevantes:
a) les autorités compétentes responsables du contrôle du
groupe sectoriel applicable aux entreprises réglementées
qui font partie d’un conglomérat financier, et en particulier à
l’entreprise mère à la tête d’un secteur;
b) le coordinateur, s’il ne figure pas parmi les autorités
visées au point a);
c) le cas échéant, d’autres autorités compétentes concer-
nées qui, de l’avis des autorités visées aux points a) et b),
sont pertinentes.
Jusqu’à l’entrée en vigueur de normes techniques de
réglementation adoptées conformément à l’article 21bis,
paragraphe 1, point b) de la Directive 2002/87/CE, l’avis visé
au point c) tient compte en particulier de la part de marché
détenue par les entreprises réglementées du conglomérat
financier dans les autres États membres, en particulier si elle
541
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een
andere lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming
in het financieel conglomeraat;
5° coördinator: de bevoegde autoriteit die belast is met
het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht;
6° Gemengd Comité: het comité bedoeld in artikel 54 van
respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het
Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot
oprichting van een Europese toezichthoudende autori-
teit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit
nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van
de Commissie, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening
(EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad
van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toe-
zichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten
en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot
intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie.
7° Europees Comité voor Financiële Conglomeraten: het
comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/EG;
8° sectorale regelgeving: deze wet, de wet van 25 april 2014,
de wet van 6 april 1995, de wet van 3 augustus 2012 betref-
fende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggings-
portefeuilles, evenals de uitvoeringsbesluiten en – reglemen-
ten van deze wetten, met uitsluiting van de bepalingen inzake
het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde
ondernemingen in een financieel conglomeraat; de verge-
lijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in
andere lidstaten;
9° intragroeptransacties: verrichtingen die rechtstreeks of
onrechtstreeks worden uitgevoerd, al dan niet tegen beta-
ling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere
ondernemingen die deel uitmaken van hetzelfde financieel
conglomeraat of met die ondernemingen door nauwe ban-
den verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, en
die al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een
contractuele verplichting;
10° risicoconcentratie: het geheel van de posities ingeno-
men door ondernemingen in een financieel conglomeraat,
die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die
groot genoeg zijn om de financiële positie in het algemeen
en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde
ondernemingen in het financieel conglomeraat in gevaar te
brengen, en die voortvloeien uit tegenpartij- of kredietrisico’s,
beleggingsrisico’s, verzekeringsrisico’s, marktrisico’s, of an-
dere belangrijke risico’s, of een combinatie of wisselwerking
van deze risico’s;
11° sectoraal groepstoezicht: het toezicht op gereglemen-
teerde ondernemingen in uitvoering van Hoofdstuk II van deze
Titel, de artikelen 165 tot 184 van de wet van 25 april 2014,
artikel 95 van de wet van 6 april 1995 of artikel 241 van de
wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van
beleggingsportefeuilles, en het toezicht in uitvoering van
vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken
in andere lidstaten;
dépasse 5 %, ainsi que de l’importance au sein du conglo-
mérat financier de toute entreprise réglementée établie dans
un autre État membre;
5° coordinateur: l’autorité compétente chargée d’assurer
la surveillance complémentaire des conglomérats;
6° comité mixte: le comité visé à l’article 54 respectivement
du Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen
et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité
européenne de surveillance (Autorité européenne des
banques), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant
la décision 2009/78/CE de la Commission, du Règlement (UE)
n° 1094/2010 et du Règlement (UE) n°1095/2010 du Parlement
européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une
Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne
des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/
CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission;
7° Comité européen des conglomérats financiers: le comité
institué par l’article 21 de la Directive 2002/87/CE;
8° réglementation sectorielle: la présente loi, la loi du
25 avril 2014, la loi du 6 avril 1995, la loi du 3 août 2012 rela-
tive à certaines formes de gestion collective de portefeuilles
d’investissement, ainsi que les arrêtés et règlements pris en
exécution de ces lois, à l’exception des dispositions relatives
à la surveillance complémentaire des entreprises réglemen-
tées faisant partie d’un conglomérat; les réglementations et
pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur
dans d’autres États;
9° transactions intragroupe: les opérations effectuées
directement ou indirectement, à titre onéreux ou non, entre
des entreprises réglementées et d’autres entreprises faisant
partie du même conglomérat financier ou des personnes
physiques ou morales liées à ces entreprises par des liens
étroits, que ces opérations concernent ou non l’exécution
d’une obligation contractuelle;
10° concentration des risques: l’ensemble des positions
qui ont été prises par des entreprises d’un conglomérat
financier, qui sont susceptibles de donner lieu à des pertes,
qui sont suffisamment importantes pour compromettre la
situation financière en général et la solvabilité en particulier
des entreprises réglementées faisant partie dudit conglomérat
financier, et qui résultent de risques de contrepartie/de crédit,
d’investissement, d’assurance, de marché ou d’autres risques
importants, ou d’une combinaison ou d’une interaction de
ces risques;
11° surveillance sectorielle du groupe: la surveillance
exercée sur les entreprises réglementées en application du
Chapitre II du présent Titre, les articles 165 à 184 de la loi du
25 avril 2014, l’article 95 de la loi du 6 avril 1995 ou l’article
241 de la loi relative à certaines formes de gestion collective
de portefeuilles d’investissement, ainsi que la surveillance
exercée en application de réglementations et de pratiques
de contrôle nationales comparables en vigueur dans d’autres
États;
542
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
12° Verordening 342/2014: Gedelegeerde Verordening
(EU) nr. 342/2014 van de Commissie van 21 januari 2014 tot
aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees
Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 575/2013 van
het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van techni-
sche reguleringsnormen voor de toepassing van de bereke-
ningsmethoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor
financiële conglomeraten.
13° Verordening […/2015]: gedelegeerde verordening (EU)
nr. […/2015] van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvul-
ling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement
en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnor-
men tot specificering van de definities van en coördinering
van het aanvullende toezicht op risicoconcentratie en
intragroepstransacties.
Art. 341
Met het oog op een zo efficiënt mogelijk groepstoezicht
en een zo efficiënt mogelijk aanvullend conglomeraats-
toezicht, kan de Bank individuele afwijkingen toestaan op
de bepalingen van deze Titel en, in voorkomend geval, op
de met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van
22 februari 1998 vastgestelde reglementen, voor zover deze
in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van,
naargelang van het geval, Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn
2002/87/EG. In dat geval stelt zij de Europese Commissie
daarvan in kennis.
Art. 342
De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vast-
gesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het
groepstoezicht zoals opgenomen in Hoofdstuk II van deze
Titel en van het aanvullende conglomeraatstoezicht, zoals
opgenomen in Hoofdstuk III van deze titel, nader bepalen.
HOOFDSTUK II
Toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van
een verzekerings- of herverzekeringsgroep
Afdeling I
Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het
groepstoezicht
Onderafdeling I
Toepassingsgevallen van het groepstoezicht
Art. 343
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar
Belgisch recht die deel uitmaken van een groep, zijn onder-
worpen aan een toezicht op groepsniveau, overeenkomstig
12° Règlement 342/2014: le règlement délégué (UE)
n° 342/2014 de la Commission du 21 janvier 2014 complétant
la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil
et le règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et
du Conseil par des normes techniques de la réglementation
pour l’application aux conglomérats financiers des méthodes
de calcul des exigences en matière d’adéquation des fonds
propres.
13° Règlement […/2015]: le règlement délégué (UE)
n° […. /2015] de la Commission du 28 juillet 2015 complétant
la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil
par des normes techniques de réglementation précisant les
définitions de la concentration de risques et des transactions
intragroupe et coordonnant leur surveillance complémentaire.
Art. 341
En vue d’un contrôle de groupe et d’une surveillance com-
plémentaire des conglomérats aussi efficaces que possible,
la Banque peut autoriser des dérogations individuelles aux
dispositions du présent Titre, ainsi que, le cas échéant, aux
règlements pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi
du 22 février 1998, pour autant qu’elles restent conformes
aux dispositions pertinentes en la matière de, selon le cas,
la Directive 2009/138/CE et la Directive 2002/87/CE. Dans ce
cas, elle en informe la Commission européenne.
Art. 342
La Banque peut, le cas échéant par voie de règlement
pris en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du
22 février 1998, préciser les modalités pratiques du contrôle
de groupe telles que prévues au Chapitre II du présent Titre,
et de la surveillance complémentaire des conglomérats telles
que prévues au Chapitre III du présent Chapitre
CHAPITRE II
Contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou
de réassurance
Section Ire
Cas d’application, portée et niveaux du contrôle de groupe
Sous-section Ire
Cas d’application du contrôle de groupe
Art. 343
Les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
belge qui font partie d’un groupe sont soumises à un contrôle
au niveau du groupe, conformément au présent Chapitre, aux
543
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dit Hoofdstuk, de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan
en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
Het toezicht op groepsniveau wordt uitgeoefend op ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch
recht:
1° die een deelnemende onderneming in ten minste één
verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de Europese
Economische Ruimte of van een derde land zijn, overeenkom-
stig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk;
2° waarvan de moederonderneming een verzekerings-
holding of een gemengde financiële holding in de Europese
Economische Ruimte is, overeenkomstig de Afdelingen I tot
IV van dit Hoofdstuk;
3° waarvan de moederonderneming een verzekeringshol-
ding of een gemengde financiële holding van een derde land
of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een
derde land is, overeenkomstig Afdeling V van dit Hoofdstuk;
4° waarvan de moederonderneming een gemengde ver-
zekeringsholding in de Europese Economische Ruimte of
van een derde land is, overeenkomstig Afdeling VI van dit
Hoofdstuk.
Het toezicht op groepsniveau doet geen afbreuk aan het
toezicht dat op individuele basis wordt uitgeoefend op verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen die betrokken zijn
in het toezicht op groepsniveau, behoudens andersluidende
bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoe-
ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd.
De Bank kan evenwel rekening houden met de implicaties van
het toezicht op groepsniveau bij de bepaling van de inhoud
en de modaliteiten van het toezicht op individuele basis op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 344
In de gevallen bedoeld in artikel 343, tweede lid, 1° en 2°,
waarin de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding in de Europese Economische Ruimte hetzij een ver-
bonden onderneming van een gereglementeerde entiteit of
een gemengde financiële holding is die overeenkomstig artikel
5, lid 2 van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht is
onderworpen, hetzij zelf een gereglementeerde entiteit of een
gemengde financiële holding is die aan hetzelfde toezicht is
onderworpen, kan de groepstoezichthouder, na overleg met
de andere betrokken toezichthouders, besluiten op het niveau
van deze deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, deze verzekeringsholding of deze gemengde
financiële holding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde
toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en
391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet
uit te oefenen.
arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi qu’aux
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Le contrôle au niveau du groupe s’exerce sur les entre-
prises d’assurance ou de réassurance de droit belge:
1° qui sont une entreprise participante dans au moins une
entreprise d’assurance ou de réassurance dans l’Espace
économique européen ou d’un pays tiers, conformément aux
Sections Ire à IV du présent Chapitre;
2° dont l’entreprise mère est une société holding d’assu-
rance ou une compagnie financière mixte dans l’Espace
économique européen, conformément aux Sections Ire à IV
du présent Chapitre;
3° dont l’entreprise mère est une société holding d’assu-
rance ou une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou
une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers,
conformément à la Section V du présent Chapitre;
4° dont l’entreprise mère est une société holding mixte
d’assurance dans l’Espace économique européen ou d’un
pays tiers, conformément à la Section VI du présent Chapitre.
Le contrôle au niveau du groupe ne porte pas préjudice au
contrôle, sur une base individuelle, des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau
d’un groupe, sauf dispositions contraires prévues par ou en
vertu du présent Chapitre ou par les mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE. La Banque peut toutefois tenir
compte des implications du contrôle au niveau du groupe
dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle
sur une base individuelle des entreprises d’assurance ou de
réassurance.
Art. 344
Dans les cas visés à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, lorsque
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la
société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
dans l’Espace économique européen est soit une entreprise
liée d’une entité réglementée ou d’une compagnie financière
mixte assujettie à une surveillance complémentaire confor-
mément à l’article 5, § 2, de la directive 2002/87/CE, soit
elle-même une entité réglementée ou une compagnie finan-
cière mixte assujettie à la même surveillance, le contrôleur
du groupe, peut, après consultation des autres autorités de
contrôle concernées, décider de ne pas effectuer le contrôle
de la concentration de risques visé aux articles 388 et 389, le
contrôle des transactions intragroupe visé aux articles 390 et
391 ou les deux, au niveau de cette entreprise d’assurance
ou de réassurance participante, de cette société holding
d’assurance ou de cette compagnie financière mixte.
544
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 345
Alle bepalingen van dit Hoofdstuk die van toepassing zijn
op groepsniveau wegens de positie van de verzekerings-
holding naar Belgisch recht, zijn ook van toepassing op het
niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch
recht voor zover:
1° de verzekeringssector de belangrijkste sector is binnen
het financieel conglomeraat;
2° minstens één van de dochterondernemingen een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming is;
3° de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het
aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang
van de verzekeringssector gemeten overeenkomstig artikel
452, § 3.
Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in
haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de be-
trokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op
de dochterondernemingen en verkrijgt zij de instemming van
de consoliderende toezichthouder van de banksector en de
beleggingsdienstensector.
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de
Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel
genomen besluiten.
Art. 346
Onverminderd artikel 347 kan de Bank, wanneer een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan het
hoofd staat van een financieel conglomeraat of wanneer een
gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderwor-
pen is aan gelijkwaardige bepalingen van Hoofdstuk II en
Hoofdstuk III van deze Titel, met name als het gaat om risi-
cogebaseerd toezicht, in haar hoedanigheid van groepstoe-
zichthouder besluiten op deze gemengde financiële holding
alleen de relevante bepalingen van Hoofdstuk III van deze
Titel toe te passen.
Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in
haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de be-
trokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op
de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, met
de consoliderende toezichthouder van de banksector en de
beleggingsdienstensector.
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de
Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel
genomen besluiten.
Art. 345
Toute disposition du présent Chapitre qui s’applique au
niveau du groupe en raison de la situation de la société
holding d’assurance de droit belge s’applique également
au niveau d’une compagnie financière mixte de droit belge
pour autant que:
1° le secteur des assurances soit le principal secteur au
sein du conglomérat financier;
2° l’une des filiales au moins soit une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance;
3° la Banque exerce aussi bien le contrôle au niveau du
groupe que la surveillance complémentaire du conglomérat.
Pour l’application de l’alinéa 1er, l’importance du secteur
des assurances est mesurée conformément à l’article 452,
§ 3.
Pour l’application du présent article, la Banque, en sa
qualité de contrôleur du groupe, se concerte avec les autori-
tés de contrôle concernées chargées du contrôle des filiales
et obtient l’accord de l’autorité de surveillance sur base
consolidée du secteur bancaire et du secteur des services
d’investissement.
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe
l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu du présent
article.
Art. 346
Sans préjudice de l’article 347, lorsqu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance à la tête d’un conglomérat
financier ou lorsqu’une compagnie financière mixte de droit
belge est soumise à des dispositions équivalentes du Chapitre
II et du Chapitre III du présent Titre, plus particulièrement en
termes de surveillance fondée sur le risque, la Banque, en sa
qualité de contrôleur du groupe peut décider de n’appliquer
à cette compagnie financière mixte que les dispositions per-
tinentes du Chapitre III du présent Titre.
Pour l’application du présent article, la Banque, en sa
qualité de contrôleur de groupe, se concerte avec les autori-
tés de contrôle concernées chargées du contrôle des filiales
et, le cas échéant, avec l’autorité de surveillance sur base
consolidée du secteur bancaire et du secteur des services
d’investissement.
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe
l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu du présent
article.
545
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 347
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin
de verzekeringssector de belangrijkste sector is en waarover
de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze besluiten,
na overleg met de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel
340, 3°, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake
risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen
383 tot 401 en 417 tot 424, of onderdelen daarvan, zal bij
wijze van afwijking de groep als gedefinieerd in artikel 340,
1° die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking
worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht
op groepsniveau;
2° voor de naleving van de artikelen 459 tot 466 worden
de groepsrisico’s die voortvloeien uit intragroeptransacties
en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat,
als een bijkomende risicocategorie behandeld. Deze risico’s
worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming
van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezicht-
houdende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve
of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de
voornoemde artikelen;
3° voor de naleving van artikel 467 kunnen de bedoelde
stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat
worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis
van artikel 322.
De praktische modaliteiten voor de toepassing van het
eerste lid worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatie-
regeling die met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin
van artikel 340, 4° is gesloten binnen het college dat op de
vereiste wijze is samengesteld op basis van artikel 474.
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de
Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens het eerste
lid genomen besluiten.
Onderafdeling II
Reikwijdte van het groepstoezicht
Art. 348
De uitoefening van het groepstoezicht overeenkomstig dit
Hoofdstuk betekent niet dat toezicht op individuele basis moet
worden uitgeoefend op de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen van een derde land, op de verzekeringshol-
ding, op de gemengde financiële holding of op de gemengde
verzekeringsholding die onder het toezicht op groepsniveau
vallen, onverminderd Afdeling IV van dit Hoofdstuk wat ver-
zekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft.
Art. 347
Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance fait
partie d’un conglomérat financier dans lequel le secteur des
assurances est le principal secteur et sur lequel la Banque
exerce tant le contrôle au niveau du groupe que la surveil-
lance complémentaire du conglomérat, celle-ci peut décider,
après concertation avec les autorités compétentes au sens de
l’article 340, 3°, que les mesures suivantes sont d’application:
1° en ce qui concerne les obligations et compétences
relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites
aux articles 383 à 401 et 417 à 424, ou des parties de ceux-ci,
le groupe, tel que défini à l’article 340, 1° et qui constitue le
conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en consi-
dération au titre de la portée pertinente pour le contrôle au
niveau du groupe;
2° pour le respect des articles 459 à 466, les risques de
groupe qui découlent des transactions intragroupe et de la
concentration des risques au sein du conglomérat financier
sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires.
Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique,
tout en respectant les directives ou normes édictées par les
Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures
quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence
dans les articles précités;
3° pour le respect de l’article 467, les tests de résistance
visés peuvent être intégrés au niveau du conglomérat financier
dans les tests de résistance requis sur la base de l’article 322.
Les modalités pratiques relatives à l’application de l’alinéa
1er sont consignées par écrit dans un règlement de coordi-
nation conclu avec les autorités compétentes relevantes au
sens de l’article 340, 4°, au sein du collège constitué de la
manière requise sur la base de l’article 474.
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe
l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu de l’alinéa
1er.
Sous-section II
Portée du contrôle de groupe
Art. 348
L’exercice du contrôle du groupe conformément au présent
Chapitre n’implique pas le contrôle sur une base individuelle
des entreprises d’assurance ou de réassurance d’un pays
tiers, de la société holding d’assurance, de la compagnie
financière mixte ou de la société holding mixte d’assurance
incluses dans le contrôle au niveau du groupe, sans préjudice
de la Section IV du présent Chapitre en ce qui concerne les
sociétés holding d’assurance ou les compagnies financières
mixtes.
546
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 349
§ 1. De groepstoezichthouder kan per geval besluiten om
bij het in artikel 343 bedoelde toezicht op groepsniveau een
onderneming niet in aanmerking te nemen:
1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land
waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven
van de benodigde informatie, onverminderd het bepaalde in
artikel 371;
2° indien de bij het toezicht te betrekken onderneming in
het licht van de doeleinden van het groepstoezicht van te
verwaarlozen betekenis is; of
3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in
het licht van de doeleinden van het groepstoezicht ongepast
of misleidend zou zijn.
Wanneer verscheidene ondernemingen van dezelfde groep
individueel genomen buiten beschouwing mogen worden
gelaten op grond van het eerste lid, 2°, moeten deze toch bij
het toezicht op groepsniveau in aanmerking worden genomen
indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
§ 2. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoe-
zichthouder, in de in paragraaf 1, eerste lid, 2° of 3° bedoelde
gevallen van mening is dat een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming niet bij het toezicht op groepsniveau in
aanmerking moet worden genomen, raadpleegt zij de andere
betrokken toezichthouders alvorens een besluit te nemen.
Art. 350
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming op grond van artikel 349, § 1, eerste lid, 2° of 3° of van
een bepaling van het recht van een andere lidstaat die voorziet
in de omzetting van artikel 214, lid 2, eerste alinea, onder b)
of c), van Richtlijn 2009/138/EG, niet bij het groepstoezicht
in aanmerking wordt genomen, dient de onderneming naar
Belgisch recht die aan het hoofd van de groep staat, aan
de toezichthouders van de lidstaat waar deze niet in het
groepstoezicht opgenomen onderneming is gevestigd, alle
informatie te verstrekken die naar haar mening het toezicht op
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
kan vergemakkelijken.
Onderafdeling III
Niveaus
§ 1 – Uiteindelijke moederonderneming op het niveau van
de Europese Economische Ruimte
Art. 351
Wanneer de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
verzekeringsholding of gemengde financiële holding zelf
een dochteronderneming van een andere verzekerings- of
Art. 349
§ 1er. Le contrôleur du groupe peut décider, au cas par cas,
de ne pas inclure une entreprise dans le contrôle au niveau
du groupe visé à l’article 343:
1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers où
des obstacles de nature juridique empêchent le transfert
des informations nécessaires, sans préjudice de l’article 371;
2° lorsque l’entreprise à inclure ne présente qu’un intérêt
négligeable au regard des objectifs du contrôle de groupe; ou
3° lorsque l’inclusion de l’entreprise est inappropriée ou
pourrait constituer une source de confusion, au regard des
objectifs du contrôle de groupe.
Lorsque plusieurs entreprises du même groupe, consi-
dérées individuellement, peuvent être exclues sur la base
de l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu de les inclure dans le contrôle
au niveau du groupe dès lors que, collectivement, elles pré-
sentent un intérêt non négligeable.
§ 2. Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance ne devrait pas être incluse dans le contrôle au niveau
du groupe par application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou
3°, elle consulte les autres autorités de contrôle concernées
avant d’arrêter une décision.
Art. 350
Lorsqu’en application de l’article 349, § 1er, alinéa 1er, 2°
ou 3° ou d’une disposition du droit d’un autre État membre
assurant la transposition de l’article 214, paragraphe 2,
alinéa 1er, point b) ou c), de la Directive 2009/138/CE, une
entreprise d’assurance ou de réassurance n’est pas incluse
dans le contrôle du groupe, l’entreprise de droit belge qui se
trouve à la tête du groupe est tenue de fournir à l’autorité de
contrôle de l’État membre où cette entreprise non incluse
dans le contrôle du groupe est située, toute information que
celle-ci estime de nature à faciliter le contrôle de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée.
Sous-section III
Niveaux
§ 1er – Entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace
économique européen
Art. 351
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante, la société holding d’assurance ou la compa-
gnie financière mixte visée à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°,
est elle-même une entreprise filiale d’une autre entreprise
547
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsonderneming, een andere verzekeringshol-
ding of een andere gemengde financiële holding met zetel in
de Europese Economische Ruimte is, zijn de bepalingen die
door of krachtens de Afdelingen II tot IV van dit Hoofdstuk
zijn vastgelegd, alleen van toepassing op het niveau van de
uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonder-
neming in de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke
moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde fi-
nanciële moederholding in de Europese Economische Ruimte.
Art. 352
Wanneer de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moeder-
verzekerings- of -herverzekeringsonderneming op het niveau
van de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke
moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde
financiële moederholding op het niveau van de Europese
Economische Ruimte een dochteronderneming van een
overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan
aanvullend toezicht onderworpen onderneming is, kan de
groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken
toezichthouders, besluiten op het niveau van deze uiteindelijke
moederonderneming, moederverzekeringsholding of moeder-
holding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de
risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde
toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen.
§ 2 – Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau
Art. 353
§ 1. Onverminderd de artikelen 351 en 352, wanneer de
zetel van de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonder-
neming op het niveau van de Europese Economische Ruimte
niet in België is gelegen, kan de Bank, na raadpleging van de
groepstoezichthouder en deze uiteindelijke moederonderne-
ming op het niveau van de Europese Economische Ruimte,
besluiten de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde
verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekerings-
holding of gemengde financiële holding aan het toezicht op
groepsniveau te onderwerpen overeenkomstig de bepalingen
die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd.
De in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde
financiële holding, wordt als uiteindelijke moederonderneming
op Belgisch niveau aangemerkt.
De Bank legt haar besluit uit aan de groepstoezichthouder
en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau
van de Europese Economische Ruimte.
§ 2. De Bank mag paragraaf 1 niet toepassen en mag
geen besluiten handhaven die met toepassing van paragraaf
1 zijn genomen wanneer de in artikel 351 bedoelde uitein-
delijke moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte overeenkomstig artikel 237 of 243 van
Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om haar
d’assurance ou de réassurance, d’une autre société holding
d’assurance ou d’une autre compagnie financière mixte
ayant son siège social dans l’Espace économique euro-
péen, les dispositions prévues par ou en vertu des Sections
II à IV du présent Chapitre ne s’appliquent qu’au niveau de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance mère supérieure
dans l’Espace économique européen, de la société holding
d’assurance mère supérieure ou de la compagnie financière
mixte mère supérieure dans l’Espace économique européen.
Art. 352
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance mère
supérieure au niveau de l’Espace économique européen, la
société holding d’assurance mère supérieure ou la compa-
gnie financière mixte mère supérieure au niveau de l’Espace
économique européen, visée à l’article 351 est une entreprise
filiale d’une entreprise assujettie à une surveillance com-
plémentaire conformément à l’article 5, § 2, de la directive
2002/87/CE, le contrôleur du groupe, peut, après consultation
des autres autorités de contrôle concernées, décider de ne
pas effectuer le contrôle de la concentration de risques visé
aux articles 388 et 389 ou le contrôle des transactions intra-
groupe visé aux articles 390 et 391 ou les deux, au niveau
de cette entreprise, société ou compagnie mère supérieure.
§ 2 – Entreprise mère supérieure au niveau belge
Art. 353
§ 1er. Sans préjudice des articles 351 et 352, lorsque
l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace écono-
mique européen visée à l’article 351 n’a pas son siège social
en Belgique, la Banque peut décider, après consultation du
contrôleur du groupe et de cette entreprise mère supérieure
au niveau de l’Espace économique européen, d’assujettir
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte visée
à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, au contrôle au niveau du
groupe conformément aux dispositions prévues par ou en
vertu du présent Chapitre et par les mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE.
Cette entreprise d’assurance ou de réassurance, la société
holding d’assurance ou la compagnie financière mixte visée
à l’alinéa 1er est qualifiée d’entreprise mère supérieure au
niveau belge.
La Banque explique sa décision au contrôleur du groupe
et à l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace
économique européen.
§ 2. La Banque n’est pas autorisée à faire application du
paragraphe 1er ou à maintenir une décision prise en applica-
tion du paragraphe 1er lorsque l’entreprise mère supérieure
au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article
351 a obtenu, conformément aux articles 237 ou 243 de la
Directive 2009/138/CE, l’autorisation d’assujettir sa filiale
548
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dochteronderneming, die de uiteindelijke moederonderne-
ming op Belgisch niveau is, aan de artikelen 238 en 239 van
Richtlijn 2009/138/EG te onderwerpen.
Art. 354
§ 1. Wanneer zij artikel 353 toepast, kan de Bank het
groepstoezicht op de uiteindelijke moederonderneming
op Belgisch niveau beperken tot een of meer van de
Onderafdelingen I, II of III van Afdeling II van dit Hoofdstuk.
§ 2. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van
Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uitein-
delijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen,
wordt de keuze van de methode voor de berekening van de
solvabiliteit op het niveau van de groep die overeenkomstig
artikel 220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezicht-
houder met betrekking tot de in artikel 351 bedoelde uitein-
delijke moederonderneming op het niveau van de Europese
Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief erkend en
door de Bank toegepast.
§ 3. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van
Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de
uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te
passen en de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moeder-
onderneming op het niveau van de Europese Economische
Ruimte overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5 van
Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen die deel uitmaken van die groep, op basis van
een intern model te berekenen, wordt dit besluit als definitief
erkend en door de Bank toegepast.
Wanneer de Bank in een dergelijke situatie van mening is
dat het risicoprofiel van de uiteindelijke moederonderneming
op Belgisch niveau duidelijk afwijkt van het op het niveau van
de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne
model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet
komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij besluiten een
opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de groep dat voor de uiteindelijke moederonderneming op
Belgisch niveau uit de toepassing van dit model voortvloeit,
of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing
van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat
deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep op basis van de standaardformule berekent.
De Bank legt de krachtens het tweede lid genomen beslui-
ten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke
moederonderneming op Belgisch niveau.
§ 4. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van
Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uitein-
delijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen,
is het deze onderneming niet toegestaan overeenkomstig
artikel 382 een aanvraag in te dienen om één of meer van
haar dochterondernemingen aan de artikelen 384 en 385 te
onderwerpen.
entreprise mère supérieure au niveau belge aux articles 238 et
239 de la Directive 2009/138/CE.
Art. 354
§ 1er. Lorsqu’elle fait application de l’article 353, la Banque
peut limiter le contrôle de groupe de l’entreprise mère supé-
rieure au niveau belge à une ou plusieurs des Sous-sections
Ire, II ou III de la Section II du présent Chapitre.
§ 2. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise
mère supérieure au niveau belge les dispositions de la Sous-
section 1ère de la Section II du présent Chapitre, le choix de la
méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe, effec-
tué conformément à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE
par le contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise
mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen
visée à l’article 351, est considéré comme déterminant et est
appliqué par la Banque.
§ 3. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise
mère supérieure au niveau belge les dispositions de la
Sous-section 1ère de la Section II du présent Chapitre et que
l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace écono-
mique européen visée à l’article 351 a obtenu, conformément
à l’article 231 ou 233, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/
CE, l’autorisation de calculer sur la base d’un modèle interne
le capital de solvabilité requis du groupe et le capital de solva-
bilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance
faisant partie du groupe, cette décision est considérée comme
déterminante et est appliquée par la Banque.
Dans ce cas, lorsque la Banque considère que le profil
de risque de l’entreprise mère supérieure au niveau belge
s’écarte significativement du modèle interne approuvé au
niveau de l’Espace économique européen, elle peut décider
d’imposer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge,
en conséquence de l’application de ce modèle et aussi
longtemps que cette entreprise ne répond pas de manière
satisfaisante aux préoccupations de la Banque, une exigence
de capital supplémentaire en ce qui concerne le capital de
solvabilité requis du groupe de cette entreprise ou, dans des
circonstances exceptionnelles, lorsque cette exigence de
capital supplémentaire serait inappropriée, exiger de cette
entreprise qu’elle calcule le capital de solvabilité requis du
groupe sur la base de la formule standard.
La Banque explique les décisions prises en vertu de l’alinéa
2 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure
au niveau belge.
§ 4. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise
mère supérieure au niveau belge les dispositions de la
Sous-section 1ère de la Section II du présent Chapitre, cette
entreprise n’est pas autorisée à demander, conformément à
l’article 382, l’autorisation d’assujettir l’une quelconque de
ses filiales aux articles 384 et 385.
549
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 355
Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoedanig-
heid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij ar-
tikel 216, lid 1 of lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG heeft toepast,
deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders
overeenkomstig artikel 409, § 1.
§ 3 – Moederonderneming die meerdere lidstaten bestrijkt
Art. 356
§ 1. In geval van toepassing van artikel 353, mag de Bank
een overeenkomst sluiten met toezichthouders van andere
lidstaten waar een andere verbonden uiteindelijke moeder-
onderneming op nationaal niveau aanwezig is, teneinde
groepstoezicht uit te oefenen op het niveau van een subgroep
die meerdere lidstaten bestrijkt.
Wanneer er overeenkomstig het eerste lid een overeen-
komst is gesloten, mag geen groepstoezicht worden uitgeoe-
fend op het niveau van de uiteindelijke moederondernemingen
op nationaal niveau die in andere lidstaten aanwezig zijn dan
de lidstaat waar de in het eerste lid bedoelde subgroep is
gevestigd.
§ 2. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in
paragraaf 1 bedoelde overeenkomst kunnen overeenkomen
het groepstoezicht op het niveau van de subgroep die meer-
dere lidstaten bestrijkt, te beperken tot een of meer afdelingen
van Hoofdstuk II van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG.
Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de
in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen
218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG toe te passen, wordt
de keuze van de methode voor de berekening van de solva-
biliteit op het niveau van de groep, die overeenkomstig artikel
220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder
met betrekking tot de uiteindelijke moederonderneming op het
niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt,
als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders
die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst
toegepast.
Ingeval de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de
in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen
218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG te passen en ingeval
de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de
Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of
artikel 233, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG toestemming
heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken
van de groep op basis van een intern model te berekenen,
wordt dat besluit als definitief erkend en door de Bank en de
toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde
overeenkomst toegepast.
Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij
de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, in het in het derde
lid bedoelde geval van mening zijn dat het risicoprofiel van
de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, duidelijk afwijkt
Art. 355
Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en
qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait application de
l’article 216, paragraphe 1er ou paragraphe 4 de la Directive
2009/138/CE, la Banque en informe le collège des contrôleurs
conformément à l’article 409, § 1er.
§ 3 – Entreprise mère couvrant plusieurs États membres
Art. 356
§ 1er. En cas d’application de l’article 353, la Banque
peut conclure un accord avec les autorités de contrôle dans
les autres États membres où se trouve une autre entreprise
mère supérieure liée au niveau national, en vue d’exercer
un contrôle du groupe au niveau d’un sous-groupe couvrant
plusieurs États membres.
En cas de conclusion d’un accord conformément à l’ali-
néa 1er, aucun contrôle du groupe n’est effectué au niveau
des entreprises mères supérieures au niveau national qui se
trouvent dans des États membres différents de l’État membre
où est situé le sous-groupe visé à l’alinéa 1er.
§ 2. La Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord
visé au paragraphe 1er peuvent convenir de limiter le contrôle
du groupe au niveau du sous-groupe couvrant plusieurs États
membres, à une ou plusieurs sections du Chapitre II du Titre
III de la Directive 2009/138/CE.
Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties
à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer les
articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, le choix de la
méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe, effec-
tué conformément à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE
par le contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise
mère supérieure au niveau de l’Espace économique euro-
péen, est considéré comme déterminant et est appliqué par
la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé
au paragraphe 1er.
Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties
à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer les
articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, et que l’entre-
prise mère supérieure au niveau de l’Espace économique
européen a obtenu, conformément à l’article 231 ou 233,
paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation de
calculer sur la base d’un modèle interne le capital de solva-
bilité requis du groupe et le capital de solvabilité requis des
entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie du
groupe, cette décision est considérée comme déterminante
et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
parties à l’accord visé au paragraphe 1er.
Dans le cas visé à l’alinéa 3, lorsque la Banque et les
autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe
1er considèrent que le profil de risque du sous-groupe cou-
vrant plusieurs États membres s’écarte significativement du
550
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte
goedgekeurde interne model, en zolang deze subgroep niet
afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank
en van de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf
1 bedoelde overeenkomst, kunnen zij besluiten op het uit
de toepassing van dit model voortvloeiende solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de subgroep die meerdere lidstaten
bestrijkt, een opslagfactor toe te passen of, in uitzonderlijke
omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke
opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze subgroep die
meerdere lidstaten bestrijkt, het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de subgroep op basis van de standaardformule berekent.
De Bank legt de krachtens het vierde lid genomen besluiten
uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moe-
deronderneming op het niveau van de Europese Economische
Ruimte.
§ 3. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de met
toepassing van dit artikel gesloten overeenkomst, leggen de
genoemde overeenkomst uit aan de groepstoezichthouder en
aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van
de Europese Economische Ruimte.
§ 4. De in dit artikel bedoelde overeenkomst mag geen
betrekking hebben op een uiteindelijke moederonderneming
op Belgisch niveau of op een ander nationaal niveau die met
toepassing van de artikelen 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/
EG onderworpen is aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn
2009/138/EG.
Art. 357
Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoedanig-
heid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij
artikel 217, lid 1 of artikel 217, lid 2 juncto artikel 216, lid 4,
tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG heeft toegepast,
deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders
overeenkomstig artikel 409, § 1.
Afdeling II
Domeinen van het groepstoezicht
Onderafdeling I
Groepssolvabiliteit
§ 1– Algemene bepalingen
Art. 358
§ 1. Op de groepssolvabiliteit wordt toezicht uitgeoefend
overeenkomstig dit artikel en Onderafdeling III van deze
Afdeling.
§ 2. In het in artikel 343, tweede lid, 1° bedoelde geval zorgt de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
modèle interne approuvé au niveau de l’Espace économique
européen, elles peuvent décider d’imposer au sous-groupe
couvrant plusieurs États membres, en conséquence de l’appli-
cation de ce modèle et aussi longtemps que ce sous-groupe
ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations
de la Banque et des autorités de contrôle parties à l’accord
visé au paragraphe 1er , une exigence de capital supplémen-
taire en ce qui concerne le capital de solvabilité requis du
sous-groupe couvrant plusieurs États membres ou, dans
des circonstances exceptionnelles, lorsque cette exigence
de capital supplémentaire serait inappropriée, exiger de ce
sous-groupe couvrant plusieurs États membres qu’il calcule
le capital de solvabilité requis du sous-groupe sur la base de
la formule standard.
La Banque explique les décisions prises en vertu de l’alinéa
4 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure
au niveau de l’Espace économique européen.
§ 3. La Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord
conclu en application du présent article, exposent ledit accord
au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au
niveau de l’Espace économique européen.
§ 4. L’accord visé au présent article ne peut pas porter sur
une entreprise mère supérieure au niveau belge ou à un autre
niveau national qui est assujettie aux articles 238 et 239 de
la Directive 2009/138/CE par application des articles 237 ou
243 de la Directive 2009/138/CE.
Art. 357
Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en sa
qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait application de
l’article 217, paragraphe 1er ou de l’article 217, paragraphe
2 juncto article 216, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive
2009/138/CE, la Banque en informe le collège des contrôleurs
conformément à l’article 409, § 1er.
Section II
Domaines du contrôle de groupe
Sous-Section Ire
Solvabilité du groupe
§ 1er- Dispositions générales
Art. 358
§ 1er. Le contrôle de la solvabilité du groupe est exercé
conformément au présent article, ainsi qu’à la Sous-Section III
de la présente Section.
§ 2. Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 1°, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante veille à ce que
551
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen
vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan
het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als berekend
overeenkomstig de artikelen 361 tot 380.
In het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval zorgt
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die deel
uitmaakt van de groep ervoor dat er in de groep in aanmerking
komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste
gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als
berekend overeenkomstig artikel 381.
De in deze paragraaf bedoelde vereisten zijn overeen-
komstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het toezicht van
de groepstoezichthouder onderworpen.
§ 3. De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming die zich in het in artikel 343, tweede lid, 1° be-
doelde geval bevindt, en, indien aan het hoofd van de groep
geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat,
de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding
die zich in het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval
bevindt, beschikken over procedures om een verslechtering
van de vereisten als respectievelijk bedoeld in het eerste lid en
het tweede lid vast te stellen en om de groepstoezichthouder
onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering
zich voordoet.
Zodra zij vaststelt dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het gevaar
dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt
nageleefd, stelt de in het eerste lid bedoelde onderneming de
groepstoezichthouder daarvan onmiddellijk in kennis.
Binnen twee maanden na de in het tweede lid bedoelde
vaststelling of de kennisgeving door de groepstoezichthouder
van het feit dat hij een dergelijke vaststelling heeft gedaan,
dient de in het eerste lid bedoelde onderneming bij de groeps-
toezichthouder ter goedkeuring een realistisch saneringsplan
in, dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep weer
op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden. Na
overleg met de betrokken toezichthouders kan de groepstoe-
zichthouder deze termijn met drie maanden verlengen indien
hij dit nodig acht. Artikel 510, §§ 2 en 3 is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 359
Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoe-
zichthouder, ervan in kennis wordt gesteld dat het solvabili-
teitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd
of dat het gevaar dreigt dat het in de komende drie maanden
niet meer wordt nageleefd, deelt zij dit mee aan de betrokken
toezichthouders in het college van toezichthouders, dat de
situatie van de groep vervolgens analyseert.
Art. 360
§ 1. De deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
le groupe dispose en permanence d’un montant de fonds
propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité requis
du groupe calculé conformément aux articles 361 à 380.
Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe veille
à ce que le groupe dispose en permanence d’un montant de
fonds propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité
requis du groupe calculé conformément à l’article 381.
Les exigences visées au présent paragraphe sont sou-
mises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe, confor-
mément à la Section III du présent Chapitre.
§ 3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance partici-
pante dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 1°, et, lorsque le
groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de
réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie
financière mixte dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°,
mettent en place des procédures leur permettant de détecter
une détérioration des exigences visées, respectivement, à
l’alinéa 1er et à l’alinéa 2, et d’informer immédiatement le
contrôleur du groupe lorsqu’une telle détérioration se produit.
Dès qu’elle constate que le capital de solvabilité requis
du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus l’être
dans les trois mois à venir, l’entreprise visée à l’alinéa 1er en
informe immédiatement le contrôleur du groupe.
Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 2, ou de
la notification par le contrôleur du groupe qu’il a procédé
à un tel constat, l’entreprise visée à l’alinéa 1er soumet au
contrôleur du groupe, pour approbation, un programme de
rétablissement réaliste visant à rétablir la capital de solvabilité
requis du groupe dans un délai n’excédant pas six mois. Le
contrôleur du groupe peut, s’il l’estime nécessaire et après
concertation avec les autorités de contrôle concernées,
prolonger ce délai de trois mois. L’article 510, §§ 2 et 3 est
applicable par analogie.
Art. 359
Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
est informée que le capital de solvabilité requis du groupe
n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus l’être dans les
trois mois à venir, elle en informe les autorités de contrôle
concernées au sein du collège des contrôleurs, qui analyse
la situation du groupe.
Art. 360
§ 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance partici-
pante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise
552
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voe-
ren de in artikel 358, § 2 bedoelde berekeningen minstens
eenmaal per jaar uit.
De voor de berekening benodigde gegevens en de re-
sultaten van de berekening worden aan de groepstoezicht-
houder voorgelegd door de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van
de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming
staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële
holding of de tot de groep behorende verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming die door de groepstoezichthouder na
overleg met de betrokken toezichthouders en met de groep
zelf is aangewezen.
§ 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt
continu bewaakt door de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door
de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding.
Wanneer het risicoprofiel van de groep in significante mate.
afwijkt van de hypothesen die aan het laatst gemelde solvabi-
liteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, wordt
dit solvabiliteitskapitaalvereiste onmiddellijk herberekend en
aan de groepstoezichthouder meegedeeld.
Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de groep
in significante mate is gewijzigd sinds de datum waarop de
laatste melding van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder
een herberekening van het dit solvabiliteitskapitaalvereiste
verlangen.
§ 2 – Keuze van de methode voor de berekening van de
groepssolvabiliteit en algemene beginselen
Art. 361
De solvabiliteit op het niveau van de groep van een deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt
berekend overeenkomstig de technische beginselen die in
de artikelen 362 tot 371 zijn beschreven en volgens bereke-
ningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 tot 376 en in
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
In afwijking van het eerste lid kan de groepstoezichthouder,
na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep
zelf, besluiten om voor deze groep berekeningsmethode
2 als bedoeld in de artikelen 377 tot 380 en in de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of een combinatie
van de berekeningsmethodes 1 en 2 toe te passen indien
de uitsluitende toepassing van methode 1 ongepast zou zijn.
Art. 362
§ 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assu-
rance ou la compagnie financière mixte effectuent au moins
une fois par an les calculs visés à l’article 358, § 2.
Les données nécessaires à ce calcul et les résultats
obtenus sont fournis au contrôleur du groupe, par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le
groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou
de réassurance, par la société holding d’assurance, par la
compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assurance
ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le
contrôleur du groupe après consultation des autorités de
contrôle concernées et du groupe lui-même.
§ 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou,
lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou
la compagnie financière mixte surveillent en permanence le
montant du capital de solvabilité requis du groupe. Lorsque
le profil de risque du groupe s’écarte significativement des
hypothèses qui sous-tendaient le dernier capital de solvabilité
requis notifié par le groupe, ce capital est recalculé sans délai
et notifié au contrôleur du groupe.
Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil de
risque du groupe a significativement changé depuis la date
de la dernière notification du capital de solvabilité requis du
groupe, le contrôleur du groupe peut exiger que ce capital
soit recalculé.
§ 2 – Choix de la méthode de calcul de la solvabilité du
groupe et principes généraux
Art. 361
Le calcul de la solvabilité au niveau du groupe d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance participante est
effectué conformément aux principes techniques énoncés
aux articles 362 à 371 et selon la première méthode de calcul
définie aux articles 372 à 376 et par les mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE.
Par dérogation à l’alinéa 1er, le contrôleur du groupe,
peut décider, après consultation des autorités de contrôle
concernées et du groupe lui-même, d’appliquer à ce groupe
la seconde méthode de calcul définie aux articles 377 à
380 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE, ou une combinaison des première et seconde méthodes
de calcul, si l’application exclusive de la première méthode
est inappropriée.
Art. 362
§ 1er. Le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance participante tient compte de
553
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wordt rekening gehouden met het proportionele deel dat de
deelnemende onderneming in met haar verbonden onder-
nemingen bezit.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder “propor-
tioneel deel” het volgende verstaan:
1° ofwel, bij toepassing van methode 1 voor de berekening
van de groepssolvabiliteit, de percentages die worden gebruikt
voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening;
2° ofwel, bij toepassing van methode 2 voor de berekening
van de groepssolvabiliteit, het gedeelte van het geplaatste
kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks het eigendom is
van de deelnemende onderneming.
Ongeacht welke methode wordt toegepast voor de be-
rekening van de groepssolvabiliteit, wordt echter, indien de
verbonden onderneming een dochteronderneming is die
onvoldoende in aanmerking komend eigen vermogen bezit
om haar solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, het totale
solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking
genomen.
In afwijking van het derde lid kan de groepstoezichthouder
toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderne-
ming op proportionele grondslag in aanmerking wordt geno-
men indien hij na overleg met de betrokken toezichthouders
van oordeel is dat de aansprakelijkheid van de moederonder-
neming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft,
strikt tot dat gedeelte van het kapitaal is beperkt.
§ 2. In de onderstaande gevallen bepaalt de groepstoe-
zichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders
en de groep zelf, het proportionele deel dat in aanmerking
wordt genomen:
1° indien tussen sommige van de ondernemingen in een
groep geen kapitaalbanden bestaan;
2° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft
bepaald dat het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit van
stemrechten of kapitaal van een onderneming als een deel-
neming moet worden aangemerkt, omdat naar haar mening
feitelijk een aanzienlijke invloed op deze onderneming wordt
uitgeoefend;
3° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft
bepaald dat een onderneming een moederonderneming van
een andere onderneming is, omdat de Bank of die andere
toezichthouder van oordeel is dat die onderneming feitelijk een
overheersende invloed op die andere onderneming uitoefent.
Art. 363
§ 1. Het is niet toegestaan eigen vermogen dat voor de
dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking
komt, meerdere malen te gebruiken voor de verschillende
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die bij de
berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming betrokken zijn.
la part proportionnelle détenue par l’entreprise participante
dans ses entreprises liées.
Aux fins de l’alinéa 1er, la part proportionnelle correspond:
1° lorsque la première méthode de calcul de la solvabilité
du groupe est utilisée, aux pourcentages retenus pour l’éta-
blissement des comptes consolidés; ou
2° lorsque la seconde méthode de calcul de la solvabilité
du groupe est utilisée, à la fraction du capital souscrit qui
est détenue, directement ou indirectement, par l’entreprise
participante.
Toutefois, indépendamment de la méthode de calcul de
la solvabilité du groupe utilisée, lorsque l’entreprise liée est
une entreprise filiale qui ne dispose pas de fonds propres
éligibles suffisants pour couvrir son capital de solvabilité
requis, la totalité du déficit de solvabilité de la filiale doit être
prise en compte.
Par dérogation à l’alinéa 3, le contrôleur du groupe peut
autoriser qu’il soit tenu compte du déficit de solvabilité de la
filiale sur une base proportionnelle s’il estime, après consul-
tation des autorités de contrôle concernées, que la respon-
sabilité de l’entreprise mère détenant une part de capital est
limitée strictement à cette part de capital.
§ 2. Le contrôleur du groupe détermine, après consultation
des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même,
la part proportionnelle qui doit être prise en considération
dans les cas suivants:
1° lorsqu’il n’y a pas de lien en capital entre certaines des
entreprises appartenant à un groupe;
2° lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle a
établi que le fait de détenir, directement ou indirectement, des
droits de vote ou du capital dans une entreprise est assimilable
à une participation car elle estime qu’une influence notable
est effectivement exercée sur cette entreprise;
3° lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle a
établi qu’une entreprise est l’entreprise mère d’une autre
entreprise, car elle estime que la première exerce effective-
ment une influence dominante sur la seconde.
Art. 363
§ 1er. Le double emploi des fonds propres éligibles en
couverture du capital de solvabilité requis des différentes
entreprises d’assurance ou de réassurance prises en compte
dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance participante est interdit.
554
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Daartoe worden bij de berekening van de groepssolva-
biliteit en voor zover de in de artikelen 372 tot 380 en in de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG beschre-
ven berekeningsmethodes daarin niet voorzien, de volgende
bedragen van de berekening uitgesloten:
1° de waarde van activa van de deelnemende verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die de financiering
vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking
komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalver-
eiste van één van de met haar verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;
2° de waarde van activa van een met de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de fi-
nanciering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in
aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van die deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
3° de waarde van activa van een met de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de fi-
nanciering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in
aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van andere met die deelnemende verzekerings-
of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 mogen de onderstaande
vermogensbestanddelen alleen in de berekening van de
groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover zij in aanmer-
king komen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalver-
eiste van de betrokken verbonden onderneming:
1° surplusfondsen uit hoofde van artikel 145, tweede lid,
die gegenereerd worden in een verbonden levensverzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de
groepssolvabiliteit wordt berekend;
2° het geplaatste maar niet-gestorte aandelenkapitaal van
een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming
van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend.
De volgende bestanddelen worden in elk geval van de
berekening van de groepssolvabiliteit uitgesloten:
1° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal dat een
potentiële verplichting van de zijde van de deelnemende
onderneming vormt;
2° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
dat een potentiële verplichting van de zijde van een verbonden
verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt;
3° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van een
verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat
een potentiële verplichting van de zijde van een andere met
À cet effet, lors du calcul de la solvabilité du groupe, si
les méthodes de calcul définies aux articles 372 à 380 et par
les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ne le
prévoient pas, les montants suivants sont exclus:
1° la valeur de tout actif de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante qui correspond au financement
de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité
requis d’une de ses entreprises d’assurance ou de réassu-
rance liées;
2° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance participante qui correspond au financement de fonds
propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis de
cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante;
3° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance participante qui correspond au financement de fonds
propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis de
toute autre entreprise d’assurance ou de réassurance liée de
cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, les éléments sui-
vants peuvent être pris en compte dans le calcul de la solvabi-
lité du groupe dans la mesure où ils sont éligibles pour couvrir
le capital de solvabilité requis de l’entreprise liée concernée:
1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145, ali-
néa 2, d’une entreprise d’assurance-vie ou de réassurance
liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance partici-
pante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée;
2° les fractions souscrites mais non versées du capital
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour
laquelle la solvabilité du groupe est calculée.
Toutefois, les éléments suivants doivent dans tous les cas
être exclus du calcul de la solvabilité du groupe:
1° les fractions souscrites mais non versées du capital qui
représentent une obligation potentielle incombant à l’entre-
prise participante;
2° les fractions souscrites mais non versées du capital
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
qui représentent une obligation potentielle incombant à une
entreprise d’assurance ou de réassurance liée;
3° les fractions souscrites mais non versées du capital
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée qui
représentent une obligation potentielle incombant à une autre
555
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dezelfde deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming verbonden verzekerings- of herverzekeringson-
derneming vormt.
§ 3. Indien de Bank of een andere toezichthouder van
mening is dat bepaald ander dan in paragraaf 2 bedoeld
eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabili-
teitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of
herverzekeringsonderneming in aanmerking komt, niet ef-
fectief beschikbaar mag worden gesteld voor de dekking
van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de
groepssolvabiliteit wordt berekend, mag dat eigen vermogen
slechts in de berekening worden opgenomen voor zover het
in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitska-
pitaalvereiste van de verbonden onderneming.
§ 4. De som van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde
eigenvermogensbestanddelen mag het solvabiliteitskapitaal-
vereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekerings-
onderneming niet overschrijden.
§ 5. In aanmerking komend eigen vermogen van een ver-
bonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, en waarvan
de inaanmerkingneming voorafgaande toestemming vereist,
naargelang van het geval, van de Bank, overeenkomstig ar-
tikel 143, of van een andere toezichthouder, overeenkomstig
artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG, mag alleen in de bere-
kening worden betrokken voor zover daarvoor toestemming
is verkregen, naargelang van het geval, van de Bank of van
de toezichthouder die voor het toezicht op die verbonden
onderneming verantwoordelijk is.
Art. 364
Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen
vermogen dat afkomstig is van de wederzijdse financiering
tussen de deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming en:
1° een daarmee verbonden onderneming;
2° een daarin deelnemende onderneming;
3° een andere verbonden onderneming van een van haar
deelnemende ondernemingen.
Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt geen
rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen
van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming van de deelnemende verzekerings- of herverzekerings-
onderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend,
entreprise d’assurance ou de réassurance liée de la même
entreprise d’assurance ou de réassurance participante.
§ 3. Lorsque, la Banque ou une autre autorité de contrôle
considère que certains fonds propres éligibles pour couvrir le
capital de solvabilité requis d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance liée, autres que ceux visés au paragraphe 2,
ne peuvent être effectivement rendus disponibles pour couvrir
le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité
du groupe est calculée, ces fonds propres ne peuvent être
inclus dans le calcul que dans la mesure où ils sont éligibles
pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise liée.
§ 4. La somme des fonds propres visés aux paragraphes
2 et 3 ne peut pas dépasser le capital de solvabilité requis de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance liée.
§ 5. Les fonds propres éligibles d’une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance liée à l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe
est calculée, lorsqu’ils sont soumis à l’approbation préalable,
selon le cas, de la Banque, conformément à l’article 143, ou
d’une autre autorité de contrôle conformément à l’article 90 de
la Directive 2009/138/CE, ne peuvent être inclus dans le calcul
que dans la mesure où ils ont été dûment approuvés, selon
le cas, par la Banque ou par l’autorité de contrôle en charge
du contrôle de cette entreprise liée.
Art. 364
Dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance participante, il n’est tenu
compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour
couvrir le capital de solvabilité requis qui proviendrait d’un
financement réciproque entre l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante et:
1° une entreprise liée;
2° une entreprise participante;
3° une autre entreprise liée de l’une quelconque de ses
entreprises participantes.
Dans le calcul de la solvabilité du groupe, il n’est tenu
compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour
couvrir le capital de solvabilité requis d’une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du
groupe est calculée lorsque l’élément en question provient
556
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wanneer het desbetreffende eigen vermogen afkomstig is
van de wederzijdse financiering met een andere met die
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verbonden onderneming.
Er wordt ten minste geacht van wederzijdse financiering
sprake te zijn wanneer een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming of een van de met haar verbonden ondernemin-
gen houdster is van aandelen in, of leningen verstrekt aan
een andere onderneming die, rechtstreeks of onrechtstreeks,
houdster is van voor de dekking van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van de
eerste onderneming.
Art. 365
De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig
artikel 123.
§ 3 – Toepassing van de methodes voor de berekening
van de groepssolvabiliteit
Art. 366
Wanneer meerdere verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen met de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming verbonden zijn, wordt elk van
deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen in aanmerking genomen bij de berekening van de
groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Wanneer de verbonden verzekerings- of herverzekerings-
onderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België
heeft, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit van
de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming met betrekking tot de verbonden onderneming rekening
gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het
voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen
vermogen als voorgeschreven in die andere lidstaat.
Art. 367
§ 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de
deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die middels een verzekeringstussenholding of een gemengde
financiële holding een deelneming bezit in een verbonden
verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde
land, wordt met de positie van die verzekeringsholding of die
gemengde financiële holding rekening gehouden.
Louter voor deze berekening wordt de verzekeringstussen-
holding of de gemengde financiële tussenholding behandeld
als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming die onderworpen is aan de voorschriften van de artikelen
151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste
en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot
150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabili-
teitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen.
d’un financement réciproque avec une autre entreprise liée de
cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante.
Le financement réciproque est réputé exister au moins
lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance, ou
l’une quelconque de ses entreprises liées, détient des parts
dans une autre entreprise qui, directement ou indirectement,
détient des fonds propres éligibles en couverture du capital
de solvabilité requis de la première entreprise, ou lorsqu’elle
accorde des prêts à cette autre entreprise.
Art. 365
Les actifs et passifs sont évalués conformément à
l’article 123.
§ 3 – Application des méthodes de calcul de la solvabilité
du groupe
Art. 366
Lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réassu-
rance sont liées à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante, il est tenu compte de chacune d’elles dans le
calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance participante.
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance liée à
son siège social dans un État membre autre que la Belgique,
le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante tient compte, en ce qui
concerne cette entreprise liée, du capital de solvabilité requis
et des fonds propres éligibles pour le couvrir, tels que définis
dans cet autre État membre.
Art. 367
§ 1er. Pour le calcul de la solvabilité du groupe de l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance participante qui détient,
par l’intermédiaire d’une société holding d’assurance ou
d’une compagnie financière mixte, une participation dans une
entreprise d’assurance ou de réassurance liée ou dans une
entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers,
la situation de cette société holding d’assurance ou de cette
compagnie financière mixte est prise en compte.
Aux seules fins de ce calcul, la société holding d’assurance
intermédiaire ou la compagnie financière mixte intermédiaire
est traitée comme une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance soumise aux règles énoncées aux articles 151 à 188 en
ce qui concerne le capital de solvabilité requis, et aux mêmes
conditions que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce
qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital
de solvabilité requis.
557
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Indien de verzekeringstussenholding of de gemengde
financiële tussenholding in het in paragraaf 1 bedoelde geval
achtergestelde schuldvorderingen of ander in aanmerking ko-
mend eigen vermogen bezit waarvoor overeenkomstig artikel
150 een begrenzing geldt, worden deze bestanddelen slechts
als in aanmerking komend eigen vermogen erkend ten belope
van het bedrag dat wordt verkregen door de in artikel 150 vast-
gelegde begrenzing toe te passen op het totale in aanmerking
komend eigen vermogen op groepsniveau in vergelijking met
het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.
In aanmerking komend eigen vermogen van een verze-
keringstussenholding of van een gemengde financiële tus-
senholding dat de voorafgaande toestemming van de Bank
overeenkomstig artikel 143 of van een andere toezichthouder
overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG zou
vereisen, indien het in bezit van een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming zou zijn, mag alleen in de berekening
van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover daar-
voor toestemming is verkregen van de groepstoezichthouder.
Art. 368
§ 1. Bij de berekening overeenkomstig de artikelen 377 tot
380 van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming van een derde land,
wordt louter voor deze berekening de onderneming van het
derde land op dezelfde wijze behandeld als een verbonden
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Wanneer het derde land waar deze onderneming haar
zetel heeft, de betrokken onderneming onderwerpt aan een
vergunning en haar een solvabiliteitsregeling oplegt die ten
minste gelijkwaardig is aan die van de artikelen 75 tot 135 van
Richtlijn 2009/138/EG, wordt bij de berekening van de groeps-
solvabiliteit met betrekking tot deze onderneming rekening
gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het
voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen
vermogen, als voorgeschreven door het betrokken derde land.
§ 2. Indien de Europese Commissie geen gedelegeerde
handeling heeft vastgesteld met toepassing van artikel 227, lid
4 of lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG, om de gelijkwaardigheid
te erkennen van de solvabiliteitsregeling van een derde land
met die van Richtlijn 2009/138/EG, verifieert de groepstoe-
zichthouder, op verzoek van de deelnemende onderneming
of op eigen initiatief, of de regeling van het derde land ten
minste gelijkwaardig is.
Hierbij raadpleegt de groepstoezichthouder, hierin bijge-
staan door EIOPA, de betrokken toezichthouders alvorens een
besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit wordt
genomen op grond van de criteria die krachtens artikel 227,
lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld.
De groepstoezichthouder neemt ten aanzien van een
derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in
een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen
besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belang-
rijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is vastgelegd in
§ 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, si la société hol-
ding d’assurance intermédiaire ou la compagnie financière
mixte intermédiaire détient des créances subordonnées ou
d’autres fonds propres éligibles soumis aux limites prévues
par l’article 150, ceux-ci sont considérés comme des fonds
propres éligibles à concurrence des montants résultant de
l’application des limites prévues par l’article 150 à l’encours
total des fonds propres au niveau du groupe rapporté au
capital de solvabilité requis au niveau du groupe.
Les fonds propres éligibles d’une société holding d’assu-
rance intermédiaire ou d’une compagnie financière mixte
intermédiaire, qui nécessiteraient l’approbation préalable
de la Banque conformément à l’article 143, ou d’une autre
autorité de contrôle conformément à l’article 90 de la Directive
2009/138/CE s’ils étaient détenus par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance, ne peuvent être pris en compte
dans le calcul de la solvabilité du groupe que dans la mesure
où ils ont été dûment approuvés par le contrôleur du groupe.
Art. 368
§ 1er. Pour le calcul, conformément aux articles 377 à 380,
de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance participante d’une entreprise d’assurance ou
de réassurance d’un pays tiers, cette dernière est traitée, aux
seules fins de ce calcul, comme une entreprise d’assurance
ou de réassurance liée.
Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise
a son siège social la soumet à un régime d’agrément et lui
impose un régime de solvabilité au moins équivalent à celui
établi par les articles 75 à 135 de la Directive 2009/138/CE,
le calcul de la solvabilité du groupe tient compte, en ce qui
concerne cette entreprise, du capital de solvabilité requis et
des fonds propres éligibles pour le couvrir tels que définis par
le pays tiers concerné.
§ 2. Si la Commission européenne n’a pas adopté d’acte
délégué, en application de l’article 227, paragraphe 4 ou
paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, reconnaissant
l’équivalence du régime de solvabilité d’un pays tiers à
celui instauré par la Directive 2009/138/CE, le contrôleur du
groupe vérifie, à la demande de l’entreprise participante ou
de sa propre initiative, si le régime du pays tiers est au moins
équivalent.
Pour ce faire, le contrôleur du groupe, assisté par l’EIOPA,
consulte les autorités de contrôle concernées, avant de se
prononcer sur l’équivalence. La décision est prise sur la base
des critères adoptés en vertu de l’article 227, paragraphe 3 de
la Directive 2009/138/CE.
Le contrôleur du groupe ne prend aucune décision à
l’égard d’un pays tiers qui contredise une décision prise
antérieurement à l’égard dudit pays tiers, à moins qu’il ne
soit nécessaire de prendre en compte des modifications
significatives apportées au régime de contrôle instauré par
558
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG en in de
toezichtsregeling van het derde land.
§ 3. Wanneer de Europese Commissie met toepassing van
artikel 227, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG een gedelegeerde
handeling heeft vastgesteld waarin de toezichtsregeling van
een derde land als voorlopig gelijkwaardig wordt aangemerkt,
wordt dat derde land geacht gelijkwaardig te zijn voor de
toepassing van paragraaf 1, tweede lid.
Art. 369
Indien de Bank het oneens is met het krachtens artikel
227, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG genomen besluit, kan zij
binnen drie maanden na kennisgeving van het besluit door
de groepstoezichthouder de zaak aan EIOPA voorleggen en
om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010.
Art. 370
Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deel-
nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in
een kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële
instelling, mag de deelnemende verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming mutatis mutandis de methodes 1 of 2 van
Bijlage V toepassen.
Methode 1 van deze Bijlage wordt echter alleen toegepast
mits de groepstoezichthouder daarmee heeft ingestemd ge-
let op het bevredigende niveau van geïntegreerd beheer en
interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie
zouden vallen. De gekozen methode wordt consequent toe-
gepast in de tijd.
De groepstoezichthouder mag evenwel op verzoek van de
deelnemende onderneming of uit eigen beweging een in het
eerste lid bedoelde deelneming van het voor de dekking van
de groepssolvabiliteit van de deelnemende onderneming in
aanmerking komend eigen vermogen aftrekken.
Art. 371
Wanneer, naargelang van het geval, de Bank of een andere
toezichthouder niet beschikt over de voor de berekening van
de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming benodigde informatie over een
verbonden onderneming, wordt de boekwaarde van deze
onderneming in de deelnemende verzekerings- of herverze-
keringsonderneming in mindering gebracht op het voor de
dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend
eigen vermogen.
In dat geval worden met deze deelneming verband hou-
dende latente meerwaarden niet als voor de dekking van de
groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen
aanvaard.
les articles 75 à 135 de la Directive 2009/138/CE, et au régime
de contrôle du pays tiers.
§ 3. Lorsque la Commission européenne a adopté, en
application de l’article 227, paragraphe 5 de la Directive
2009/138/CE, un acte délégué déterminant que le régime
de contrôle d’un pays tiers est provisoirement équivalent, ce
pays tiers est réputé équivalent aux fins de l’application du
paragraphe 1er, alinéa 2.
Art. 369
Si la Banque est en désaccord avec la décision prise en
vertu de l’article 227, paragraphe 2 de la Directive 2009/128/
CE, elle peut, dans un délai de trois mois à compter de la
notification de la décision du contrôleur du groupe, saisir
l’EIOPA et solliciter son aide conformément à l’article 19 du
Règlement n° 1094/2010.
Art. 370
Pour le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance participante d’un établisse-
ment de crédit, d’une entreprise d’investissement ou d’un
établissement financier, l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante peut appliquer mutatis mutandis
la méthode n° 1 ou la méthode n° 2 énoncées à l’Annexe V.
Toutefois, la méthode n° 1 décrite dans cette Annexe ne
peut être appliquée qu’à la condition que le contrôleur du
groupe y ait marqué son accord en raison du niveau satis-
faisant de gestion intégrée et de contrôle interne des entités
qui relèveraient de la consolidation. La méthode choisie est
appliquée d’une manière constante dans le temps.
Le contrôleur du groupe peut, à la demande de l’entreprise
participante ou de sa propre initiative, déduire toute participa-
tion visée à l’alinéa 1er des fonds propres éligibles en couver-
ture de la solvabilité du groupe de l’entreprise participante.
Art. 371
Lorsque, selon le cas, la Banque ou une autre autorité
de contrôle ne dispose pas des informations relatives à une
entreprise liée, nécessaires au calcul de la solvabilité du
groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance
participante, la valeur comptable de cette entreprise dans
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
est déduite des fonds propres éligibles à la couverture de la
solvabilité du groupe.
Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette
participation n’est considérée comme un élément des fonds
propres éligibles pour couvrir la solvabilité du groupe.
559
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 4 – Methode voor de berekening van de groepssolvabi-
liteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen
Art. 372
De berekening van de groepssolvabiliteit van de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de
hand van de berekeningsmethode op basis van consolidatie
van jaarrekeningen, of “methode 1 voor de berekening van
de groepssolvabiliteit”, wordt uitgevoerd aan de hand van de
geconsolideerde jaarrekening.
De groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings-
of herverzekeringsonderneming is het verschil tussen:
1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de
dekking van het op basis van geconsolideerde gegevens
berekende solvabiliteitskapitaalvereiste; en
2° het op basis van geconsolideerde gegevens berekende
solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.
De voorschriften van de artikelen 140 tot 150 en van de
artikelen 151 tot 188, zijn respectievelijk van toepassing voor
de berekening van het voor de dekking van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen en
van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende
solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.
Art. 373
Het op basis van geconsolideerde gegevens berekende
solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau van de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of het
“geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep”,
wordt berekend aan de hand van de standaardformule of van
een goedgekeurd intern model. Deze berekening moet stroken
met de algemene beginselen vervat in de artikelen 151 en
152 en in de artikelen 153 tot 166 indien de standaardformule
wordt gehanteerd, of in de artikelen 167 tot 188 indien een
intern model wordt gebruikt, evenals in de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG.
Het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep is ten minste gelijk aan de som van:
1° het in artikel 189 bedoelde minimumkapitaalvereiste
van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming; en
2° het propor tionele deel van de minimum-
kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen.
Dit minimum wordt gedekt door het in aanmerking komend
eigen kernvermogen dat overeenkomstig artikel 150, § 4, is
bepaald.
Om uit te maken of dit in aanmerking komend eigen
vermogen het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep kan dekken, zijn de beginselen
§ 4 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée
sur la consolidation comptable
Art. 372
Le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante sur base de la méthode
de calcul fondée sur la consolidation comptable, ou “première
méthode de calcul de la solvabilité du groupe”, est effectué
sur la base des comptes consolidés.
La solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante est égale à la différence entre:
1° les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de
solvabilité requis, calculés sur la base de données conso-
lidées; et
2° le capital de solvabilité requis au niveau du groupe,
calculé sur la base de données consolidées.
Les règles énoncées aux articles 140 à 150 et aux articles
151 à 188 s’appliquent, respectivement, au calcul des fonds
propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis et
au calcul du capital de solvabilité requis au niveau du groupe
sur la base de données consolidées.
Art. 373
Le capital de solvabilité requis au niveau du groupe de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante sur
la base de données consolidées, ou “capital de solvabilité
requis du groupe sur une base consolidée”, est calculé sur la
base de la formule standard ou d’un modèle interne approuvé.
Ce calcul doit être compatible avec les principes généraux
énoncés aux articles 151 et 152et aux articles 153 à 166 en
cas de recours à la formule standard, ou aux articles 167 à
188 en cas de recours à un modèle interne, ainsi que par les
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE.
Le capital de solvabilité requis du groupe sur une base
consolidée est au moins égal à la somme:
1° du minimum de capital requis, visé à l’article 189, de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante; et
2° de la part proportionnelle du minimum de capital requis
des entreprises d’assurance et de réassurance liées.
Ce minimum doit être couvert par les fonds propres de
base éligibles fixés par l’article 150, § 4.
Afin de déterminer si ces fonds propres éligibles permettent
d’assurer la couverture du minimum de capital de solvabilité
requis du groupe sur une base consolidée, les principes
560
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van de paragrafen 2 en 3 van deze Onderafdeling van over-
eenkomstige toepassing. Artikel 511 is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 374
§ 1. Indien een deelnemende verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de
verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding of
een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag
indienen om zowel het geconsolideerde solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste
van de tot de groep behorende verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen op basis van een intern model te mogen
berekenen, bepalen de Bank en de betrokken toezichthouders
in onderling overleg of zij deze aanvraag al dan niet inwilligen
en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt
ingewilligd.
De in de eerste lid bedoelde aanvraag wordt bij de groeps-
toezichthouder ingediend.
De groepstoezichthouder stelt de betrokken toezicht-
houders onverwijld in kennis en bezorgt hen de volledige
aanvraag.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen
zes maanden na de datum van ontvangst door de groeps-
toezichthouder van de volledige aanvraag, met de betrokken
toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te
nemen. De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager
een document met een volledige opgave van de redenen
waarop dit gezamenlijk besluit is gebaseerd.
§ 2. Indien er binnen zes maanden na de ontvangst door
de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag geen ge-
zamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder
op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onverminderd
paragraaf 3.
De groepstoezichthouder houdt naar behoren rekening met
de standpunten en voorbehouden die de betrokken toezicht-
houders binnen de termijn van zes maanden hebben geuit.
De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager en aan
de betrokken toezichthouders een document met een volle-
dige opgave van de redenen waarop zijn besluit is gebaseerd.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de betrokken
toezichthouders toegepast.
§ 3. Tijdens de in paragraaf 1, vierde lid bedoelde periode
van zes maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit
is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen
overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht
het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19,
lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt
hij zijn besluit in overeenstemming met het eventuele besluit
énoncés aux paragraphes 2 et 3 de la présente Sous-section
sont applicables par analogie. L’article 511 est applicable par
analogie.
Art. 374
§ 1er. Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réas-
surance participante et ses entreprises liées, ou l’ensemble
des entreprises liées d’une société holding d’assurance ou
d’une compagnie financière mixte, demandent l’autorisation
de calculer, sur la base d’un modèle interne, le capital de
solvabilité requis du groupe sur base consolidée et le capital
de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réas-
surance du groupe, la Banque coopère avec les autorités de
contrôle concernées pour décider d’accorder ou non cette
autorisation et, le cas échéant, pour en définir les conditions.
La demande visée à l’alinéa 1er est adressée au contrôleur
du groupe.
Le contrôleur du groupe informe sans délai les autorités
de contrôle concernées et leur communique la demande
complète.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir,
avec les autorités de contrôle concernées, à une décision
conjointe sur la demande dans un délai de six mois à comp-
ter de la réception de la demande complète par le contrôleur
du groupe. Le contrôleur du groupe fournit au demandeur
un document précisant l’ensemble des motivations de cette
décision conjointe.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 3, à défaut d’adoption
d’une décision conjointe dans les six mois suivant la récep-
tion par le contrôleur du groupe de la demande complète, le
contrôleur du groupe se prononce lui-même sur la demande.
Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis et
des réserves exprimés par les autorités de contrôle concer-
nées dans le délai de six mois.
Le contrôleur du groupe transmet au demandeur et aux
autorités de contrôle concernées un document précisant la
motivation complète de sa décision.
Cette décision est considérée comme déterminante et est
appliquée par les autorités de contrôle concernées.
§ 3. Pendant la période de six mois visée au paragraphe 1er,
alinéa 4, et aussi longtemps qu’une décision conjointe n’a
pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010.
Le contrôleur du groupe diffère sa décision en attendant
une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à
l’article 19, paragraphe 3, dudit règlement et arrête sa propre
décision en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette
561
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de
Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
EIOPA neemt haar besluit binnen één maand.
Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepas-
sing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde
alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt
de groepstoezichthouder een definitief besluit. Dit besluit
wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken
toezichthouders toegepast. De termijn van zes maanden wordt
beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel
19, lid 2, van de genoemde verordening.
Art. 375
Wanneer de Bank, bij toepassing van artikel 374, van
mening is dat het risicoprofiel van een onder haar toezicht
staande verzekerings- of herverzekeringsonderneming
duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen
aan het op het niveau van de groep van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming goedgekeurde
interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende
tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij
overeenkomstig artikel 323 besluiten een opslagfactor toe
te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze
onderneming uit de toepassing van het genoemde interne
model voortvloeit.
In uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van
de in het eerste lid bedoelde opslagfactor niet gepast is, kan de
Bank verlangen dat de betrokken onderneming haar solvabi-
liteitskapitaalvereiste berekent op basis van de in de artikelen
151 tot 166 bedoelde standaardformule. Overeenkomstig
artikel 323, § 2, kan de Bank op het uit de toepassing van de
standaardformule voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste
van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming een kapitaalopslagfactor toepassen.
De Bank legt eventuele in het eerste en het tweede lid
bedoelde besluiten uit aan zowel de verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming als aan de andere leden van het
college van toezichthouders.
Art. 376
Bij het bepalen of het geconsolideerde solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep van de deelnemende verzekerings-
of herverzekeringsonderneming het risicoprofiel van de groep
adequaat weergeeft, besteedt de Bank, in haar hoedanigheid
van groepstoezichthouder, bijzondere aandacht aan elk geval
waarin de in artikel 323, § 2 bedoelde omstandigheden zich
op groepsniveau kunnen voordoen, met name indien:
1° specifieke risico’s op groepsniveau onvoldoende gedekt
zouden zijn door de standaardformule of het gebruikte interne
model omdat deze moeilijk te kwantificeren zijn;
décision est considérée comme déterminante et est appliquée
par la Banque et les autorités de contrôle concernées.
L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois.
Si, en application de l’article 41, paragraphes 2 et 3,
et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement
n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe d’experts
est rejetée, le contrôleur du groupe prend une décision défi-
nitive. Cette décision est considérée comme déterminante
et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées. La période de six mois est le délai de conciliation
au sens de l’article 19, § 2, dudit règlement.
Art. 375
En cas d’application de l’article 374, lorsque la Banque
considère que le profil de risque d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance qu’elle est chargée de contrôler s’écarte
significativement des hypothèses qui sous-tendent le modèle
interne approuvé au niveau du groupe de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante, elle peut imposer à
cette entreprise, conformément à l’article 323 et aussi long-
temps que l’entreprise ne répond pas de manière satisfaisante
aux préoccupations de la Banque, une exigence de capital
supplémentaire s’ajoutant à son capital de solvabilité requis
tel qu’il résulte de l’application dudit modèle.
Dans des circonstances exceptionnelles, lorsque l’exi-
gence de capital supplémentaire visée à l’alinéa 1er serait
inappropriée, la Banque peut exiger de l’entreprise concer-
née qu’elle calcule son capital de solvabilité requis sur la
base de la formule standard visée aux articles 151 à 166.
Conformément à l’article 323, § 2, la Banque peut imposer
une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital
de solvabilité requis de cette entreprise d’assurance ou de
réassurance résultant de l’application de la formule standard.
La Banque explique toute décision visée aux alinéas 1er et
2 à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi qu’aux
autres membres du collège des contrôleurs.
Art. 376
Pour déterminer si le capital de solvabilité du groupe de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante,
requis sur une base consolidée, reflète de manière appro-
priée le profil de risque du groupe, la Banque, en sa qualité
de contrôleur du groupe, accorde une attention particulière
à toute situation où les circonstances visées à l’article 323,
§ 2, sont susceptibles de se présenter au niveau du groupe
et, notamment, aux cas où:
1° un risque spécifique existant au niveau du groupe ne
serait, du fait qu’il est difficilement quantifiable, pas suffi-
samment pris en compte par la formule standard ou par le
modèle interne utilisé;
562
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° een kapitaalopslagfactor die met toepassing van arti-
kel 323 of 374, of van artikel 37 van Richtlijn 2009/138/EG
naargelang van het geval door de Bank of door een andere
toezichthouder op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
is toegepast.
Wanneer het risicoprofiel van de groep niet adequaat wordt
weergegeven, kan op het geconsolideerde solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast.
Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 5 – Methode voor de berekening van de groepssolvabi-
liteit op basis van aftrek en aggregatie
Art. 377
§ 1. In geval van toepassing van de berekeningsmethode
op basis van aftrek en aggregatie, of “methode 2 voor de be-
rekening van de groepssolvabiliteit”, is de groepssolvabiliteit
van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming het verschil tussen:
1° het geaggregeerde in aanmerking komend eigen ver-
mogen van de groep als bepaald in paragraaf 2; en
2° de waarde in de deelnemende verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen en het geaggregeerde
solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als bepaald in
paragraaf 3.
§ 2. Het geaggregeerde in aanmerking komend eigen
vermogen van de groep is gelijk aan de som van:
1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dek-
king van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en
2° het proportionele deel van de deelnemende verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming in het eigen vermogen
dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
§ 3. Het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van
de groep is gelijk aan de som van:
1° het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en
2° het proportionele deel van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
2° une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant à
leur capital de solvabilité requis est imposée aux entreprises
d’assurance ou de réassurance liées par, selon le cas, la
Banque ou une autre autorité de contrôle en application,
respectivement, de l’article 323 ou 374, ou de l’article 37 de
la Directive 2009/138/CE.
Lorsque le profil de risque du groupe n’est pas suffisam-
ment pris en compte, une exigence de capital supplémentaire
s’ajoutant au capital de solvabilité requis du groupe sur une
base consolidée peut être imposée.
L’article 323 ainsi que les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie.
§ 5 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée
sur la déduction et l’agrégation
Art. 377
§ 1er. En cas d’application de la méthode de calcul fondée
sur la déduction et l’agrégation, ou “seconde méthode de
calcul de la solvabilité du groupe”, la solvabilité du groupe
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante,
est égale à la différence entre:
1° les fonds propres éligibles du groupe sur une base
agrégée, tels que définis au paragraphe 2, et
2° la somme de la valeur des entreprises d’assurance ou
de réassurance liées dans l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante et du capital de solvabilité requis du
groupe sur une base agrégée tel que défini au paragraphe 3.
§ 2. Les fonds propres éligibles du groupe sur une base
agrégée correspondent à la somme:
1° des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de
solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance participante; et
2° de la part proportionnelle de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance participante dans les fonds propres éligibles
pour couvrir le capital de solvabilité requis des entreprises
d’assurance ou de réassurance liées.
§ 3. Le capital de solvabilité requis du groupe sur une base
agrégée correspond à la somme:
1° du capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante; et
2° de la part proportionnelle du capital de solvabilité requis
des entreprises d’assurance ou de réassurance liées.
563
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art 378
Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen geheel of ten dele bestaat
in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in
de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverze-
keringsonderneming van de verbonden verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen de waarde van die onrecht-
streekse eigendom meegenomen, met inachtneming van
de desbetreffende successieve belangen, en worden in de
in artikel 377, § 2, 2°, en § 3, 2°, bedoelde bestanddelen de
overeenkomstige proportionele delen meegenomen van
respectievelijk het eigen vermogen dat in aanmerking komt
voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 379
Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden onder-
nemingen van een verzekeringsholding of een gemengde
financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om het
solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern
model te mogen berekenen, zijn de artikelen 374 en 375 van
overeenkomstige toepassing.
Art. 380
Bij het bepalen of het overeenkomstig artikel 377, § 3 be-
rekende geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van
de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming het risicoprofiel van de groep adequaat
weergeeft, besteden de Bank en de betrokken toezichthou-
ders bijzondere aandacht aan eventuele specifieke risico’s
op groepsniveau die onvoldoende gedekt zouden zijn omdat
ze moeilijk te kwantificeren zijn.
Wanneer het risicoprofiel van de groep duidelijk afwijkt van
de hypothesen die aan het geaggregeerde solvabiliteitska-
pitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, kan op het
geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep
een opslagfactor worden toegepast.
Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6 – Berekening van de groepssolvabiliteit voor verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen die dochteronder-
neming zijn van een verzekeringsholding of een gemengde
financiële holding
Art. 381
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
de dochteronderneming van een verzekeringsholding of een
gemengde financiële holding is, wordt de solvabiliteit van
de groep op het niveau van de verzekeringsholding of de
Art 378
Lorsque la participation dans les entreprises d’assurance
ou de réassurance liées correspond, intégralement ou partiel-
lement, à une propriété indirecte, la valeur dans l’entreprise
d’assurance ou de réassurance participante des entreprises
d’assurance ou de réassurance liées intègre la valeur de
cette propriété indirecte, compte tenu des intérêts successifs
pertinents, et les éléments visés à l’article 377, § 2, 2°, et § 3,
2°, comprennent les parts proportionnelles correspondantes,
respectivement, des fonds propres éligibles pour couvrir le
capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou
de réassurance liées et du capital de solvabilité requis des
entreprises d’assurance ou de réassurance liées.
Art. 379
Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance et ses entreprises liées, ou l’ensemble des entreprises
liées d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie
financière mixte, demandent l’autorisation de calculer le capi-
tal de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de
réassurance du groupe sur la base d’un modèle interne, les
articles 374 et 375 sont applicables par analogie.
Art. 380
Pour déterminer si le capital de solvabilité requis du groupe
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
sur une base agrégée, calculé conformément à l’article 377,
§ 3, reflète de manière adéquate le profil de risque du groupe,
la Banque et les autorités de contrôle concernées accordent
une attention particulière aux risques spécifiques existant au
niveau du groupe qui, du fait qu’ils sont difficilement quanti-
fiables, ne seraient pas suffisamment pris en compte.
Lorsque le profil de risque du groupe s’écarte significative-
ment des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité
requis du groupe sur une base agrégée, une exigence de
capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité
requis du groupe sur une base agrégée peut être imposée.
L’article 323 ainsi que les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie.
§ 6 – Calcul de la solvabilité du groupe pour les entreprises
d’assurance ou de réassurance filiales d’une société holding
d’assurance ou d’une compagnie financière mixte
Art. 381
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance est
la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compa-
gnie financière mixte, la solvabilité du groupe est calculée au
niveau de la société holding d’assurance ou de la compagnie
564
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gemengde financiële holding berekend overeenkomstig de
bepalingen van deze Onderafdeling en de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG.
Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt de moe-
deronderneming behandeld als betrof het een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de
voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot
het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden
als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor
de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking
komend eigen vermogen.
§ 7 – Berekening van de solvabiliteit van groepen met een
gecentraliseerd risicobeheer
Art. 382
De artikelen 384 en 385 zijn van toepassing op elke
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de
dochteronderneming van een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming is of die de dochteronderneming van een
verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is,
indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
1° de dochteronderneming ten aanzien waarvan de
groepstoezichthouder geen besluit overeenkomstig artikel
349, heeft genomen, valt onder het toezicht op groepsniveau
dat overeenkomstig Titel III van Richtlijn 2009/138/EG door
de groepstoezichthouder op het niveau van de moederonder-
neming wordt uitgeoefend;
2° de risicobeheerprocedures en de internecontrolemecha-
nismen van de moederonderneming bestrijken de dochteron-
derneming, en de moederonderneming toont ten genoegen
van de Bank aan dat er van een prudente bedrijfsvoering van
de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming
sprake is;
3° de moederonderneming heeft de instemming verkregen
als bedoeld in artikel 397;
4° de moederonderneming heeft de instemming verkregen
als bedoeld in artikel 405;
5° de moederonderneming heeft een aanvraag ingediend
om aan de artikelen 384 en 385 te worden onderworpen
en deze aanvraag is ingewilligd volgens de procedure van
artikel 383.
Art. 383
§ 1. Bij een aanvraag van toestemming om een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderne-
ming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
of de dochteronderneming van een verzekerings- of herverze-
keringsholding, aan de voorschriften van de artikelen 384 en
385 te onderwerpen, bepaalt de Bank in het college van toe-
zichthouders, in overleg met de betrokken toezichthouders,
of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en onder welke
eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd.
financière mixte conformément aux dispositions de la présente
Sous-section et aux mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE.
Aux fins du calcul visé à l’alinéa 1er, l’entreprise mère est
traitée comme une entreprise d’assurance ou de réassurance
soumise aux règles énoncées aux articles 151 à 188 en ce
qui concerne le capital de solvabilité requis, et aux mêmes
conditions que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce
qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital
de solvabilité requis.
§ 7 – Calcul de la solvabilité des groupes à gestion cen-
tralisée des risques
Art. 382
Les articles 384 et 385 s’appliquent à toute entreprise
d’assurance ou de réassurance qui est la filiale d’une entre-
prise d’assurance ou de réassurance ou qui est la filiale d’une
société holding d’assurance ou d’une compagnie financière
mixte, lorsque toutes les conditions suivantes sont réunies:
1° la filiale, à l’égard de laquelle le contrôleur du groupe
n’a pas pris la décision visée à l’article 349, est incluse dans
le contrôle au niveau du groupe réalisé par ce contrôleur au
niveau de l’entreprise mère conformément au Titre III de la
Directive 2009/138/CE;
2° les procédures de gestion des risques et les méca-
nismes de contrôle interne de l’entreprise mère couvrent
la filiale et la Banque est satisfaite de la gestion prudente
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale par
l’entreprise mère;
3° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 397;
4° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 405;
5° l’entreprise mère a demandé l’autorisation d’être
assujettie aux articles 384 et 385 et sa demande a fait l’objet
d’une décision favorable prise conformément à la procédure
prévue à l’article 383.
Art. 383
§ 1er. En cas de demande d’autorisation d’assujettissement
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance ou filiale d’une
société holding d’assurance ou de réassurance, aux règles
énoncées aux articles 384 et 385, la Banque travaille au
sein du collège des contrôleurs, en pleine concertation avec
les autorités de contrôle concernées, en vue de décider s’il
convient ou non d’accorder l’autorisation demandée et, le
cas échéant, pour en définir les conditions.
565
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend
bij de Bank. Zij stelt de toezichthouders in het college van
toezichthouders in kennis en bezorgt hen onverwijld de vol-
ledige aanvraag.
§ 2. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om
binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de vol-
ledige aanvraag door de toezichthouders in het college van
toezichthouders, met die toezichthouders een gezamenlijk
besluit over de aanvraag te nemen.
Wanneer de Bank en de betrokken toezichthouders een
gezamenlijk besluit hebben genomen als bedoeld in het eerste
lid, bezorgt de Bank aan de aanvrager het besluit met een
volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd.
Het gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en door de
Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
§ 3. Indien er binnen drie maanden na de ontvangst van
de volledige aanvraag door de toezichthouders in het college
van toezichthouders geen gezamenlijk besluit is genomen,
neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit
over de aanvraag, onverminderd paragraaf 4.
De groepstoezichthouder houdt naar behoren rekening
met de standpunten en voorbehouden die de Bank en de
toezichthouders van de lidstaten waar een dochteronder-
neming haar zetel heeft, hebben geuit, en met de door de
andere toezichthouders in het college van toezichthouders
geuite voorbehouden.
Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd en een uitleg van elke aanzienlijke
afwijking van de voorbehouden van de Bank of van de toe-
zichthouders. De groepstoezichthouder bezorgt een kopie van
het besluit aan de Bank en aan de betrokken toezichthouders.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de
betrokken toezichthouders toegepast.
§ 4. Tijdens de in paragraaf 2 bedoelde periode van drie
maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen,
kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig
artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht
het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19,
lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt
hij zijn besluit in overeenstemming met het eventuele besluit
van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de
Bank en de betrokken toezichthouders toegepast.
EIOPA neemt haar besluit binnen één maand.
Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepas-
sing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde
alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt
de groepstoezichthouder een definitief besluit. Dit besluit
wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken
toezichthouders toegepast. De termijn van drie maanden
wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van
artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening.
La demande visée à l’alinéa 1er est adressée à la Banque.
Elle informe les autorités de contrôle au sein du collège des
contrôleurs et leur communique la demande complète sans
délai.
§ 2. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour
parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège
des contrôleurs, à une décision conjointe sur la demande
dans un délai de trois mois à compter de la réception de la
demande complète par les autorités de contrôle au sein du
collège des contrôleurs.
Lorsque la Banque et les autorités de contrôle concer-
nées sont arrivées à la décision conjointe visée à l’alinéa
1er, la Banque fournit au demandeur la décision précisant
l’ensemble des motivations. Cette décision conjointe est
considérée comme déterminante et est appliquée par la
Banque et les autorités de contrôle concernées.
§ 3. Sans préjudice du paragraphe 4, à défaut d’adoption
d’une décision conjointe dans les trois mois de la réception
de de la demande complète par les autorités de contrôle au
sein du collège des contrôleurs, le contrôleur du groupe se
prononce lui-même sur la demande.
Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis
et des réserves exprimés par la Banque et les autorités de
contrôle des États membres dans lequel une filiale à son
siège social, ainsi que des réserves exprimées par les autres
autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs.
La décision est dûment motivée et comporte une explica-
tion de toute divergence importante par rapport aux réserves
exprimées par la Banque ou les autorités de contrôle. Le
contrôleur du groupe transmet une copie de la décision à la
Banque et aux autorités de contrôle concernées. La décision
est considérée comme déterminante et est appliquée par la
Banque et les autorités de contrôle concernées.
§ 4. Pendant la période de trois mois visée au para-
graphe 2, et aussi longtemps qu’une décision conjointe n’a
pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010.
Le contrôleur du groupe diffère sa décision en attendant
une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à
l’article 19, paragraphe 3, dudit règlement et arrête sa propre
décision en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette
décision est considérée comme déterminante et est appliquée
par la Banque et les autorités de contrôle concernées.
L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois.
Si, en application de l’article 41, paragraphes 2 et 3,
et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement
n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe d’experts est
rejetée, le contrôleur du groupe prend une décision définitive.
Cette décision est considérée comme déterminante et est
appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concer-
nées. La période de trois mois est le délai de conciliation au
sens de l’article 19, § 2, dudit règlement.
566
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 384
§ 1. Onverminderd de artikelen 374 en 375, wordt het solva-
biliteitskapitaalvereiste van de dochterverzekerings- of herver-
zekeringsonderneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde
aanvraag is ingewilligd, berekend overeenkomstig dit artikel.
§ 2. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herver-
zekeringsonderneming wordt berekend op basis van een
overeenkomstig de artikelen 374 en 375 op groepsniveau
goedgekeurd intern model en indien de Bank van mening
is dat het risicoprofiel van deze onder haar toezicht staande
onderneming duidelijk afwijkt van dit model, en zolang deze
onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgd-
heden van de Bank, kan de Bank in de in artikel 323 bedoelde
gevallen voorstellen een opslagfactor toe te passen op het sol-
vabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze dochteronderneming
uit de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzonderlijke
omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke
opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming
haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de
standaardformule als bedoeld in de artikelen 151 tot 166.
De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezicht-
houders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel
doet, aan zowel de dochterverzekerings- of herverzekerings-
onderneming als aan het college van toezichthouders mee.
§ 3. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in
paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming wordt berekend op basis van de in de
artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule en indien de
Bank van mening is dat het risicoprofiel van die onderneming
duidelijk afwijkt van de hypothesen die aan de standaardfor-
mule ten grondslag liggen, en zolang deze onderneming niet
afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank,
kan de Bank in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat
de onderneming een subset van de parameters die in de stan-
daardformule voor de berekening worden gebruikt, vervangt
door parameters die kenmerkend zijn voor die onderneming
bij de berekening van de modules “verzekeringstechnisch
risico leven”, “verzekeringstechnisch risico niet-leven” en
“verzekeringstechnisch risico ziektekosten”, zoals uiteengezet
in artikel 166, of, in de in artikel 323 bedoelde gevallen, op
het solvabiliteitskapitaalvereiste van die onderneming een
opslagfactor toepassen.
De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezicht-
houders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel
doet, aan zowel de dochterverzekerings- of herverzekerings-
onderneming als aan het college van toezichthouders mee.
§ 4. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met
de toezichthouders in het college van toezichthouders tot
overeenstemming te komen over het voorstel dat zij over-
eenkomstig paragraaf 1 of 2 heeft gedaan, of over andere
mogelijke maatregelen.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en
de betrokken toezichthouders toegepast.
Art. 384
§ 1er. Sans préjudice des articles 374 et 375, le capital de
solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article
383, est calculé conformément au présent article.
§ 2. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe
1er est calculé sur la base d’un modèle interne approuvé au
niveau du groupe conformément aux articles 374 et 375 et que
la Banque considère que le profil de risque de cette entreprise
qu’elle est chargée de contrôler s’écarte significativement de
ce modèle, elle peut, dans les cas visés à l’article 323 et aussi
longtemps que cette entreprise ne répond pas de manière
satisfaisante aux préoccupations de la Banque, proposer
d’établir une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant
au capital de solvabilité requis de cette filiale résultant de
l’application de ce modèle ou, dans des circonstances excep-
tionnelles où l’exigence de capital supplémentaire ne serait
pas appropriée, exiger de l’entreprise qu’elle calcule son
capital de solvabilité requis sur la base de la formule standard
visée aux articles 151 à 166.
La Banque discute de sa proposition au sein du collège
des contrôleurs et en communique les raisons à l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège
des contrôleurs.
§ 3. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe
1er est calculé sur la base de la formule standard visée aux
articles 151 à 166 et que la Banque considère que son profil
de risque s’écarte significativement des hypothèses qui
sous-tendent cette formule, elle peut, dans des circonstances
exceptionnelles et aussi longtemps que l’entreprise ne
répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de
la Banque, proposer que l’entreprise remplace un sous-en-
semble de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule
standard par des paramètres spécifiques à cette entreprise
lors du calcul des modules “risque de souscription en vie”,
“risque de souscription en non-vie”, et “risque de souscrip-
tion en santé”, comme indiqué à l’article 166, ou, dans les
cas visés à l’article 323, lui imposer une exigence de capital
supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de
cette entreprise.
La Banque discute de sa proposition au sein du collège
des contrôleurs et en communique les raisons à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des
contrôleurs.
§ 4. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour
parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège
des contrôleurs, à un accord sur la proposition qu’elle a for-
mulée conformément au paragraphe 1er ou 2, ou sur d’autres
mesures éventuelles.
Cet accord est considéré comme déterminant et est appli-
qué par la Banque et les autorités de contrôle concernées.
567
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 5. Tijdens een termijn van een maand na de formulering
van het voorstel als bedoeld in paragraaf 1 of 2, en zolang
er geen overeenkomst is gesloten in het college van toe-
zichthouders, kan de Bank, indien zij het oneens is met de
groepstoezichthouder, de zaak aan EIOPA voorleggen en
om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen
een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn
van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode
in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010.
De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat
EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in
overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en
de betrokken toezichthouders toegepast.
Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de doch-
terverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het
college van toezichthouders.
Art. 385
§ 1. In geval van niet-naleving van het solvabiliteitskapitaal-
vereiste van een dochterverzekerings- of herverzekeringson-
derneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is
ingewilligd, en onverminderd artikel 510, bezorgt de Bank aan
het college van toezichthouders onverwijld het saneringsplan
dat de dochteronderneming heeft ingediend om binnen zes
maanden na de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalver-
eiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen
vermogen weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig
te verlagen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer wordt
nageleefd.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de
toezichthouders in het college van toezichthouders tot over-
eenstemming te komen over het voorstel dat zij met het oog
op de goedkeuring van het saneringsplan heeft geformuleerd,
en dit binnen vier maanden na de datum waarop voor het
eerst is vastgesteld dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet
wordt nageleefd.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de
Bank over de goedkeuring van het saneringsplan, waarbij
naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten
en voorbehouden van de toezichthouders in het college van
toezichthouders, onverminderd het vierde lid.
Tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van vier
maanden, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in
het college van toezichthouders, kan de Bank, indien zij het
oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring
van het saneringsplan, met name over de verlenging van de
herstelperiode, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar
bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand
§ 5. Pendant un délai d’un mois à compter de formulation
de la proposition visée au paragraphe 1er ou 2, et aussi long-
temps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège
des contrôleurs, la Banque peut, en cas de désaccord avec
le contrôleur du groupe, saisir l’EIOPA et solliciter son aide
conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010.
L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter
de cette saisine. La période d’un mois est le délai de conci-
liation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement
no 1094/2010.
La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle
décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du
Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se
conformant à cette décision de l’EIOPA.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des
contrôleurs.
Art. 385
§ 1er. En cas de non-conformité au capital de solvabilité
requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale
qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 383 et sans
préjudice de l’article 510, la Banque communique sans délai
au collège des contrôleurs le programme de rétablissement
soumis par la filiale en vue, dans un délai de six mois après
la constatation de sa non-conformité au capital de solvabilité
requis, de rétablir le niveau de fonds propres éligibles ou de
réduire son profil de risque afin d’assurer sa conformité au
capital de solvabilité requis.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour par-
venir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des
contrôleurs, à un accord sur la proposition qu’elle a formulée
quant à l’approbation du programme de rétablissement, et ce,
dans un délai de quatre mois à compter du premier constat
de non-conformité au capital de solvabilité requis.
Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord, la
Banque décide si le programme de rétablissement doit être
approuvé, en tenant dûment compte de l’avis et des réserves
exprimés par les autorités de contrôle au sein du collège des
contrôleurs.
Pendant le délai de quatre mois visé à l’alinéa 2, et aussi
longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège
des contrôleurs, en cas de désaccord avec le contrôleur du
groupe sur l’approbation du programme de rétablissement,
notamment une prolongation du délai de rétablissement, la
Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance confor-
mément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. L’EIOPA
arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de
568
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van vier
maanden maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode
in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010.
De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat
EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in
overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en
de betrokken toezichthouders toegepast.
Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de doch-
terverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het
college van toezichthouders.
§ 2. Indien de Bank bij een in paragraaf 1 bedoelde
dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming over-
eenkomstig artikel 510 een verslechtering van de financiële
omstandigheden vaststelt, stelt zij het college van toezicht-
houders onverwijld in kennis van de maatregelen die zij
voorstelt te nemen. Behalve in noodsituaties moeten de te
nemen maatregelen worden besproken in het college van
toezichthouders.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de
toezichthouders in het college van toezichthouders tot over-
eenstemming te komen over de te nemen maatregelen die
zij heeft voorgesteld, en dit binnen één maand na het tijdstip
van de inkennisstelling.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de
Bank over de goedkeuring van de voorgestelde maatrege-
len, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de
standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het
college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid.
Behalve in noodsituaties geldt dat de Bank, tijdens de in het
tweede lid bedoelde termijn van een maand, en zolang er geen
overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders,
indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder over
de goedkeuring van de krachtens het eerste lid voorgestelde
maatregelen, de zaak aan EIOPA kan voorleggen en om
haar bijstand kan verzoeken overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen
een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn
van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode
in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010.
De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat
EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in
overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA.
Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en
de betrokken toezichthouders toegepast.
cette saisine. La période de quatre mois est le délai de conci-
liation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement
no 1094/2010.
La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle
décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du
Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se
conformant à cette décision de l’EIOPA.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des
contrôleurs.
§ 2. Si la Banque détecte une dégradation des condi-
tions financières dans une entreprise d’assurance ou de
réassurance filiale visée au paragraphe 1er, conformément
à l’article 510, elle notifie sans délai au collège des contrô-
leurs les mesures qu’elle propose de prendre. Sauf dans des
situations d’urgence, les mesures à prendre sont débattues
au sein du collège des contrôleurs.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour par-
venir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des
contrôleurs, à un accord sur les mesures à prendre qu’elle
a proposées, et ce, dans un délai d’un mois à compter de la
notification.
Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord, la
Banque décide si les mesures proposées doivent être approu-
vées, en tenant dûment compte de l’avis et des réserves
exprimés par les autorités de contrôle au sein du collège
des contrôleurs.
Sauf situations d’urgence, pendant le délai d’un mois
visé à l’alinéa 2, et aussi longtemps qu’un accord n’a pas
été conclu au sein du collège des contrôleurs, en cas de
désaccord avec le contrôleur du groupe sur l’approbation
des mesures proposées en vertu de l’alinéa 1er, la Banque
peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa
décision dans un délai d’un mois à compter de cette saisine.
La période d’un mois est le délai de conciliation au sens de
l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010.
La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle
décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du
Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se
conformant à cette décision de l’EIOPA.
Cette décision est considérée comme déterminante et
est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle
concernées.
569
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen
waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de doch-
terverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het
college van toezichthouders.
§ 3. In geval van niet-naleving van het minimumkapitaalver-
eiste van een in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of
herverzekeringsonderneming, en onverminderd artikel 511,
bezorgt de Bank aan het college van toezichthouders on-
verwijld het plan inzake financiering op korte termijn dat de
dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft
ingediend om binnen drie maanden na de datum waarop voor
het eerst is vastgesteld dat het minimumkapitaalvereiste niet
wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen
ter dekking van het minimumkapitaalvereiste weer op peil
te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het
minimumkapitaalvereiste weer wordt nageleefd. Ook het col-
lege van toezichthouders moet in kennis worden gesteld van
alle maatregelen die worden genomen om toe te zien op de
naleving van het minimumkapitaalvereiste op het niveau van
de dochteronderneming.
Art. 386
Overeenkomstig artikel 239, lid 4 van Richtlijn 2009/138/
EG kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht-
houder, indien zij het oneens is over de elementen bedoeld
in artikel 239, lid 4, eerste alinea van Richtlijn 2009/138/EG,
met de toezichthouder van een dochterverzekerings- of her-
verzekeringsonderneming met zetel in een andere lidstaat en
waarvoor de in artikel 237 bedoelde aanvraag is ingewilligd, de
zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken
overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
Art. 387
§ 1. De voorschriften waarin de artikelen 384 en 385 voor-
zien, zijn niet meer van toepassing indien:
1° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel
382, 1°;
2° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel
382, 2°, en de groep nalaat om binnen een passende termijn
weer aan deze voorwaarde te voldoen;
3° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel
382, 3° en 4°.
Indien de groepstoezichthouder in het in het eerste lid, 1°
bedoelde geval na raadpleging van het college van toezicht-
houders besluit de dochteronderneming niet langer in het
door hem uitgeoefende groepstoezicht te betrekken, stelt hij
de Bank en de moederonderneming onmiddellijk daarvan in
kennis.
Voor de toepassing van artikel 382, 2°, 3° en 4°, behoort het
tot de verantwoordelijkheid van de moederonderneming om
ervoor te zorgen dat doorlopend aan de voorwaarden wordt
La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des
contrôleurs.
§ 3. En cas de non-conformité au minimum de capital
requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale
visée au paragraphe 1er et sans préjudice de l’article 511, la
Banque communique sans délai au collège des contrôleurs
le plan de financement à court terme soumis par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance filiale en vue, dans un délai
de trois mois après la première constatation de sa non-confor-
mité au minimum de capital requis, de rétablir le niveau de
fonds propres éligibles permettant d’atteindre le minimum de
capital requis ou de réduire son profil de risque afin d’assurer
sa conformité au minimum de capital requis. Le collège des
contrôleurs est aussi tenu informé de toute mesure prise
pour faire appliquer le minimum de capital requis au niveau
de la filiale.
Art. 386
Conformément à l’article 239, paragraphe 4 de la Directive
2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, peut, en cas de désaccord sur les points visés à
l’article 239, paragraphe 4, alinéa 1er, de la Directive 2009/138/
CE avec l’autorité de contrôle d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance filiale ayant son siège social dans un autre
État membre et qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article
237 de la Directive 2009/138/CE, saisir l’EIOPA et solliciter
son assistance, conformément à l’article 19 du Règlement
no 1094/2010.
Art. 387
§ 1er. Les règles énoncées aux articles 384 et 385 cessent
d’être applicables dans les cas suivants:
1° la condition visée à l’article 382, 1° n’est plus respectée;
2° la condition visée à l’article 382, 2° n’est plus respectée
et le groupe ne rétablit pas le respect de cette condition dans
un délai approprié;
3° les conditions visées à l’article 382, 3° et 4° ne sont
plus respectées.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, lorsque le contrôleur du
groupe décide, après avoir consulté le collège des contrô-
leurs, de ne plus inclure la filiale dans le contrôle du groupe
qu’il effectue, il en informe immédiatement la Banque et
l’entreprise mère.
Aux fins de l’article 382, 2°, 3° et 4°, l’entreprise mère a la
responsabilité de veiller à ce que les conditions soient respec-
tées en permanence. Si ce n’est pas le cas, l’entreprise mère
570
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voldaan. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, stelt
zij de groepstoezichthouder en de Bank daar onverwijld van
in kennis. De moederonderneming legt een plan voor opdat
binnen een passende termijn weer aan de voorwaarden
wordt voldaan.
Onverminderd het derde lid verifieert de groepstoezicht-
houder ten minste eenmaal per jaar uit eigen beweging of
nog steeds aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4°
is voldaan. De groepstoezichthouder verricht een dergelijke
verificatie ook op verzoek van de Bank wanneer deze zich
ernstig zorgen maakt over de vraag of nog steeds aan deze
voorwaarden is voldaan.
Wanneer de verrichte verificatie tekortkomingen aan het
licht brengt, verlangt de groepstoezichthouder van de moe-
deronderneming dat deze een plan voorlegt opdat binnen een
passende termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan.
Indien de groepstoezichthouder na raadpleging van het
college van toezichthouders vaststelt dat het in het derde of
vijfde lid bedoelde plan ontoereikend is, of later constateert
dat het niet binnen de overeengekomen termijn wordt uitge-
voerd, concludeert hij dat niet langer aan de voorwaarden van
artikel 382, 2°, 3° en 4° is voldaan en stelt hij de Bank daar
onverwijld van in kennis.
§ 2. De regeling waarin de artikelen 384 en 385 voorzien,
wordt opnieuw van toepassing indien de moederonderneming
een nieuwe aanvraag indient en de aanvraag volgens de
procedure van artikel 382 wordt ingewilligd.
Onderafdeling II
Risicoconcentratie en intragroeptransacties
§ 1 – Risicoconcentratie
Art. 388
§ 1. Het toezicht op de risicoconcentratie op het niveau van
de verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend
overeenkomstig dit artikel en artikel 389, en overeenkomstig
Onderafdeling III van deze Afdeling.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,
de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings
rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar iedere
significante risicoconcentratie op het niveau van de groep aan
de groepstoezichthouder, tenzij artikel 352 van toepassing is.
De benodigde informatie wordt aan de groepstoezicht-
houder meegedeeld door de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de
groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming
staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële
holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
in de groep die daartoe door de groepstoezichthouder na
overleg met de betrokken toezichthouders en de groep is
aangewezen.
en informe sans délai le contrôleur du groupe et la Banque.
L’entreprise mère présente un plan visant à rétablir le respect
des conditions dans un délai approprié.
Sans préjudice de l’alinéa 3, le contrôleur du groupe véri-
fie au moins une fois par an, de sa propre initiative, que les
conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4° continuent d’être
respectées. Le contrôleur du groupe procède également à
cette vérification à la demande de la Banque, lorsque cette
dernière a de sérieux doutes concernant le respect permanent
de ces conditions.
Lorsque la vérification fait apparaître des déficiences, le
contrôleur du groupe impose à l’entreprise mère de présenter
un plan visant à rétablir le respect des conditions dans un
délai approprié.
Lorsque, après avoir consulté le collège des contrôleurs,
le contrôleur du groupe estime que le plan visé à l’alinéa
3 ou à l’alinéa 5 est insuffisant ou, ultérieurement, qu’il n’est
pas mis en œuvre dans le délai convenu, il en conclut que
les conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4° ne sont plus
respectées et il en informe sans délai la Banque.
§ 2. Le régime prévu aux articles 384 et 385 s’applique
à nouveau lorsque l’entreprise mère présente une nouvelle
demande et obtient une décision favorable conformément à
la procédure prévue à l’article 382.
Sous-Section II
Concentration de risques et transactions intragroupe
§ 1er – Concentration des risques
Art. 388
§ 1er. Le contrôle de la concentration de risques au niveau
du groupe d’assurance ou de réassurance est exercé confor-
mément au présent article et à l’article 389, ainsi qu’à la
Sous-Section III de la présente Section.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les
sociétés holding d’assurance et les compagnies financières
mixtes déclarent régulièrement, et au moins annuellement,
au contrôleur du groupe toute concentration de risques signi-
ficatives au niveau du groupe, à moins que l’article 352 ne
s’applique.
Les informations nécessaires sont soumises au contrôleur
du groupe par l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société
holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe
désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consul-
tation des autorités de contrôle concernées et du groupe.
571
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De in het eerste lid bedoelde risicoconcentraties zijn over-
eenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel
toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen.
Art. 389
Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep
bepaalt de groepstoezichthouder welke types risico’s in elk
geval moeten worden gerapporteerd.
Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de
types risico’s houden de groepstoezichthouder en de betrok-
ken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en
risicobeheerstructuur van de groep.
Met het oog op de aanmerking als significante risicocon-
centratie die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoe-
zichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en
de groep, passende drempels vast op basis van het solvabili-
teitskapitaalvereiste, de technische voorzieningen, of beide.
Bij het toezicht op de risicoconcentraties let de groeps-
toezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico’s in de
groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau
of het volume van de risico’s.
§ 2 – Intragroeptransacties
Art. 390
§ 1. Het toezicht op de intragroeptransacties wordt uitge-
oefend overeenkomstig dit artikel en artikel 391, en overeen-
komstig Onderafdeling III van deze Afdeling.
§ 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,
de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings
rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle
significante intragroeptransacties door verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen in een groep aan de groepstoe-
zichthouder, met inbegrip van verrichtingen met een natuur-
lijke persoon die nauwe banden heeft met een onderneming
van die groep, tenzij artikel 352 van toepassing is.
Bovendien moeten zeer significante intragroeptransacties
zo spoedig mogelijk worden gerapporteerd.
De benodigde informatie wordt aan de groepstoezicht-
houder meegedeeld door de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de
groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming
staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële
holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
in de groep die door de groepstoezichthouder na overleg met
de betrokken toezichthouders en de groep is aangewezen.
De intragroeptransacties zijn overeenkomstig Afdeling III
van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groeps-
toezichthouder onderworpen.
Les concentrations de risques visées à l’alinéa 1er sont
soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe
conformément à la Section III du présent Chapitre.
Art. 389
Le contrôleur du groupe, identifie, après avoir consulté
les autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe, le
type de risque qui doit être déclaré en toutes circonstances.
Pour définir le type de risque ou donner leur avis sur
celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités de contrôle
concernées tiennent compte du groupe concerné et de sa
structure de gestion des risques.
Pour identifier les concentrations de risques significatives
à déclarer, le contrôleur du groupe, après avoir consulté les
autorités de contrôle concernées et le groupe, impose des
seuils appropriés basés sur le capital de solvabilité requis,
sur les provisions techniques ou sur les deux.
Lors du contrôle des concentrations de risques, le contrô-
leur du groupe est particulièrement attentif au risque possible
de contagion dans le groupe, au risque de conflit d’intérêts
et au niveau ou au volume des risques.
§ 2 – Transactions intragroupe
Art. 390
§ 1er. Le contrôle des transactions intragroupe est exercé
conformément au présent article et à l’article 391, ainsi qu’à
la Sous-Section III de la présente Section.
§ 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les
sociétés holding d’assurance et les compagnies financières
mixtes déclarent régulièrement, et au moins annuellement,
au contrôleur du groupe toutes les transactions intragroupe
significatives effectuées par les entreprises d’assurance ou de
réassurance du groupe, y compris celles effectuées avec une
personne physique ayant des liens étroits avec une entreprise
du groupe, à moins que l’article 352 ne s’applique.
En outre, les transactions intragroupe très significatives
doivent être déclarées aussi rapidement que possible.
Les informations nécessaires sont soumises au contrôleur
du groupe par l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une
entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société
holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou
par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe
désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consul-
tation des autorités de contrôle concernées et du groupe.
Les transactions intragroupes sont soumises au contrôle
prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section
III du présent Chapitre.
572
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 391
Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep
bepaalt de groepstoezichthouder welke types intragroeptrans-
acties in elk geval moeten worden gerapporteerd.
Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de
types intragroeptransacties houden de groepstoezichthouder
en de betrokken toezichthouders rekening met de specifieke
groeps- en risicobeheerstructuur van de groep.
Met het oog op de aanmerking als intragroeptransacties die
moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoezichthouder,
na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep,
passende drempels vast op basis van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste, de technische voorzieningen, of beide.
Bij het toezicht op de intragroeptransacties let de groeps-
toezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico’s in de
groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau
of het volume van de risico’s.
Onderafdeling III
Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of
herverzekeringsgroep
§ 1 – Algemene bepalingen
Art. 392
De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen en de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen waarvan de moederonderneming een verzekerings-
holding of een gemengde financiële holding in de Europese
Economische Ruimte is, moet op het niveau van de groep
voldoen aan de vereisten van Afdeling VII, Hoofdstuk II, Titel I
van dit Boek en aan Afdeling III, Hoofdstuk III, Titel II van dit
Boek, zodat de regelingen, procedures en mechanismen die
zij krachtens deze bepalingen moeten opzetten, samenhang
vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in
het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsgroep
betrokken ondernemingen op andere ondernemingen kan
beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor
de uitoefening van het groepstoezicht nodig zijn, onderling
uitgewisseld kunnen worden, en dat kan worden ingegaan
op de informatieverzoeken van de groepstoezichthouder. Zij
passen die regelingen, procedures en mechanismen even-
eens toe in hun niet onder deze wet vallende dochteronderne-
mingen. Ook deze regelingen, procedures en mechanismen
zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze
dochterondernemingen moeten de voor de uitoefening van
het groepstoezicht relevante gegevens en informatie kunnen
verstrekken.
Art. 393
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar-
van de moederonderneming een verzekeringsholding of
Art. 391
Le contrôleur du groupe identifie, après avoir consulté les
autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe, le type
de transactions intragroupe qui doivent être déclarées en
toutes circonstances.
Pour définir le type de transactions intragroupe ou donner
leur avis sur celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités
de contrôle concernées tiennent compte du groupe concerné
et de sa structure de gestion des risques.
Pour identifier les transactions intragroupe à déclarer,
le contrôleur du groupe, après avoir consulté les autorités
de contrôle concernées et le groupe, impose des seuils
appropriés basés sur le capital de solvabilité requis, sur les
provisions techniques ou sur les deux.
Lors du contrôle des transactions intragroupe, le contrôleur
du groupe est particulièrement attentif au risque possible de
contagion dans le groupe, au risque de conflit d’intérêts et
au niveau ou au volume des risques.
Sous-Section III
Système de gouvernance au niveau du groupe
d’assurance ou de réassurance
§ 1er – Généralités
Art. 392
Les entreprises d’assurance ou de réassurance partici-
pantes ainsi que les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance dont l’entreprise mère est une société holding d’assu-
rance ou une compagnie financière mixte dans l’Espace
économique européen doivent satisfaire au niveau du groupe
aux exigences prévues à la Section VII, Chapitre II, Titre Ier
du présent Livre ainsi qu’à la Section III, Chapitre III, Titre II
du présent Livre, de manière à assurer la cohérence et la
bonne intégration des dispositifs, processus et mécanismes
qu’elle sont tenues de mettre en place en vertu de ces
dispositions, à évaluer l’influence des entreprises incluses
dans le contrôle du groupe d’assurance ou de réassurance
sur d’autres entreprises et à échanger entre elles toutes les
données et informations nécessaires à l’exercice du contrôle
du groupe, ainsi qu’à satisfaire aux demandes d’informations
requises par le contrôleur du groupe. Elles mettent en oeuvre
ces dispositifs, processus et mécanismes également dans
leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente loi. Lesdits
dispositifs, processus et mécanismes sont cohérents et bien
intégrés et lesdites filiales doivent être en mesure de fournir
toute donnée et toute information utiles à l’exercice du contrôle
du groupe.
Art. 393
L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’entre-
prise mère est une société holding d’assurance ou une
573
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
een gemengde financiële holding is waarvan de zetel buiten
België is gevestigd, ziet toe op de naleving door haar moe-
deronderneming van de verplichtingen met betrekking tot het
groepstoezicht die voor die verzekeringsholding of gemengde
financiële holding voortvloeien uit Richtlijn 2008/139/EG en
haar uitvoeringsmaatregelen.
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet
van de in het eerste lid bedoelde moederonderneming de
medewerking verkrijgen voor het opzetten van een passende
beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het groepstoezicht zo
efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat
de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het
Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten
en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis of
aan het toezicht op groepsniveau dat van toepassing is op de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste governanceme-
morandum dient, wat betreft het toezicht op groepsniveau,
te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan het bepaalde in
het eerste en het tweede lid.
§ 2 – Risicobeheer en interne controle
Art. 394
Onverminderd artikel 392 worden de risicobeheer- en
internecontrolesystemen en verslaggevingsprocedures in
alle ondernemingen die overeenkomstig dit Hoofdstuk in het
groepstoezicht zijn betrokken, consequent toegepast, zodat
deze systemen en procedures op het niveau van de groep
kunnen worden gecontroleerd.
Onverminderd artikel 392 omvat de internecontrolesysteem
van de groep ten minste het volgende:
1° adequate procedures met betrekking tot de groepssol-
vabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en
te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar
behoren af te stemmen op de risico’s;
2° gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen
om de intragroeptransacties en de risicoconcentratie te be-
waken en te beheren.
Art. 395
De in de artikelen 392 en 394 bedoelde verslaggevings-
systemen en -procedures zijn overeenkomstig Afdeling III van
dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoe-
zichthouder onderworpen.
§ 3 -Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit
van de groep
Art. 396
De deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de
compagnie financière mixte dont le siège social est établi en
dehors de la Belgique, veille au respect par son entreprise
mère des obligations relatives au contrôle du groupe, qui
incombent à cette société holding d’assurance ou cette com-
pagnie financière mixte conformément à la Directive 2008/139/
CE et à ses mesures d’exécution.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit obtenir
la coopération de l’entreprise mère visée à l’alinéa 1er afin
de mettre en place une structure de gestion adéquate qui
contribue à ce que le contrôle du groupe puisse être exercé
de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que
l’influence de l’entreprise mère ne soit pas contraire au
Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas
préjudice au contrôle sur base individuelle ou au contrôle au
niveau du groupe applicable à l’entreprise d’assurance ou
de réassurance.
Dans le mémorandum de gouvernance requis en vertu
de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui concerne
le contrôle au niveau du groupe, comment il est satisfait aux
alinéas 1er et 2.
§ 2 – Gestion des risques et contrôle interne
Art. 394
Sans préjudice de l’article 392, les systèmes de gestion
des risques et de contrôle interne ainsi que les procédures de
déclaration sont appliqués de façon cohérente dans toutes les
entreprises incluses dans le contrôle de groupe conformément
au présent Chapitre afin que ces systèmes et procédures
puissent être contrôlés au niveau du groupe.
Sans préjudice de l’article 392, le système de contrôle
interne d’un groupe comporte au moins les éléments suivants:
1° des procédures adéquates en ce qui concerne la solva-
bilité du groupe, permettant d’identifier et de mesurer tous les
risques importants encourus et de rattacher d’une manière
appropriée les fonds propres éligibles aux risques;
2° des procédures saines de déclaration et de comptabilité
pour contrôler et gérer les transactions intragroupe ainsi que
la concentration de risques.
Art. 395
Les systèmes et les procédures de déclaration visés
aux articles 392 et 394 sont soumis au contrôle prudentiel
du contrôleur du groupe conformément à la Section III du
présent Chapitre.
§ 3 – Evaluation interne des risques et de la solvabilité
du groupe
Art. 396
L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’as-
surance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou
574
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voert
de bij artikel 91 voorgeschreven beoordeling op het niveau
van de groep uit.
Wanneer de berekening van de solvabiliteit op het niveau
van de groep wordt uitgevoerd volgens berekeningsmethode
1 als bedoeld in de artikelen 372 en 373, dan zorgt de deel-
nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding ervoor
dat de groepstoezichthouder een helder inzicht heeft in het
verschil tussen de som van de verschillende solvabiliteitska-
pitaalvereisten van alle verbonden verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen van de groep en het geconsolideerde
solvabiliteits-kapitaalvereiste van de groep.
Art. 397
De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding mag, als de groepstoezichthouder daarmee instemt,
alle bij artikel 91 voorgeschreven beoordelingen tegelijkertijd
op het niveau van de groep en op het niveau van een dochter-
onderneming van de groep uitvoeren en mag één enkel do-
cument opstellen dat op alle beoordelingen betrekking heeft.
Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instemming te
geven, raadpleegt de groepstoezichthouder de leden van het
college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening
houdt met hun standpunten en voorbehouden.
De instemming die overeenkomstig het eerste lid door de
groepstoezichthouder wordt gegeven, ontslaat de betrokken
dochterondernemingen niet van de verplichting om ervoor te
zorgen dat aan de vereisten van artikel 91 is voldaan.
In geval van toepassing van dit artikel, doet de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de
verzekeringsholding of de gemengde financiële holding het
enig document tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthou-
ders toekomen.
Art. 398
De op groepsniveau uitgevoerde beoordeling van het eigen
risico en de solvabiliteit is overeenkomstig Afdeling III van dit
Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezicht-
houder onderworpen.
Onderafdeling IV
Bekendmaking van informatie
§ 1– Verslag over de solvabiliteit en de financiële positie
van de groep
Art. 399
De deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming of, indien aan het hoofd van de groep geen
la compagnie financière mixte procède au niveau du groupe
à l’évaluation requise par l’article 91.
Lorsque le calcul de solvabilité est mené au niveau du
groupe selon la première méthode de calcul définie aux
articles 372 et 373, l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance participante, la société holding d’assurance ou la
compagnie financière mixte fournit au contrôleur du groupe
une analyse appropriée de la différence entre la somme
des différents montants de capital de solvabilité requis pour
toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance liées
appartenant au groupe et le capital de solvabilité requis pour
le groupe sur une base consolidée.
Art. 397
L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante,
la société holding d’assurance ou la compagnie financière
mixte peut, moyennant l’accord du contrôleur du groupe,
procéder en même temps à toutes les évaluations imposées
conformément à l’article 91 au niveau du groupe et au niveau
de toute filiale du groupe et rédiger un document unique
couvrant toutes les évaluations.
Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa 1er, le contrôleur
du groupe consulte les membres du collège des contrôleurs
et tient dûment compte de leurs avis et de leurs réserves.
L’accord donné par le contrôleur du groupe conformément
à l’alinéa 1er n’exempte pas les filiales concernées de l’obli-
gation de veiller au respect des exigences de l’article 91.
En cas d’application du présent article, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante, la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte soumet le
document unique simultanément à toutes les autorités de
contrôle concernées.
Art. 398
L’évaluation interne des risques et de la solvabilité menée
au niveau du groupe est soumise au contrôle prudentiel du
contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent
Chapitre.
Sous-section IV
Informations à destination du public
§ 1er- Rapport sur la solvabilité et la situation financière
du groupe
Art. 399
L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise
575
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de ver-
zekeringsholding of de gemengde financiële holding maakt
jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de financiële
positie op het niveau van de groep openbaar.
Dit verslag bevat de informatie die krachtens Verordening
2015/35 en de andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG is vereist. Deze informatie wordt integraal
gepubliceerd of, mits de groepstoezichthouder dit toestaat,
onder verwijzing naar informatie die qua aard en strekking
gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of
reglementaire bepalingen gepubliceerd is.
Art. 400
§ 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed
zijn op de relevantie van de informatie die in het verslag
over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep is
opgenomen, maakt de deelnemende verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep
geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat,
de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding
passende informatie bekend over de aard en de gevolgen
van die belangrijke ontwikkelingen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval
als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt: een significante
niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep en het feit dat de groepstoezichthouder binnen twee
manden na de datum waarop de niet-naleving werd vastge-
steld, geen realistisch saneringsplan ontvangt.
In het in het eerste lid bedoelde geval maakt de onder-
neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en
geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan,
waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen
zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie re-
alistisch geacht saneringsplan, de significante niet-naleving
van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep zes maan-
den na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt
het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode
bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oor-
zaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke
corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere
corrigerende maatregelen zijn gepland.
Art. 401
Naast de al krachtens de artikelen 383 et 384 verplicht
bekend te maken informatie of uitleg over de solvabiliteit en
de financiële positie van de groep mag de deelnemende ver-
zekerings- of herverzekeringsonderneming, of, indien aan het
hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekerings-
onderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde
financiële holding op eigen initiatief ook alle andere informatie
en uitleg hierover bekendmaken.
d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assu-
rance ou la compagnie financières mixte publie annuellement
un rapport sur la solvabilité et la situation financière au niveau
du groupe.
Ce rapport comprend les informations exigées par le
Règlement 2015/35 et par les autres mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE. Elles sont publiées in extenso
ou, moyennant l’autorisation du contrôleur du groupe, par
référence à des informations équivalentes, dans leur nature
et leur portée, publiées en vertu d’autres dispositions légales
ou réglementaires.
Art. 400
§ 1er. En cas d’événement majeur affectant significati-
vement la pertinence des informations comprises dans le
rapport sur la solvabilité et la situation financière du groupe,
l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou,
lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance, la société holding d’assurance
ou la compagnie financière mixte publient des informations
appropriées sur la nature et les effets dudit événement majeur.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins considérés
comme un événement majeur l’observation d’un écart impor-
tant par rapport au capital de solvabilité requis du groupe et le
fait que le contrôleur du groupe n’obtient pas de programme
réaliste de rétablissement dans un délai de deux mois à
compter de la date où l’écart a été observé.
Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise publie immé-
diatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une expli-
cation quant à son origine et ses conséquences et quant à
toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un
programme de rétablissement initialement considéré comme
réaliste, un écart important par rapport au capital de solvabilité
requis du groupe n’a pas été corrigé six mois après qu’il a
été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration
de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses
conséquences, y compris quant aux mesures correctives
prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue.
Art. 401
L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante
ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’as-
surance ou de réassurance, la société holding d’assurance
ou la compagnie financière mixte peut publier à son initiative
toute information ou explication relative à la solvabilité et à la
situation financière du groupe dont la publication n’est pas
déjà exigée en vertu des articles 383 et 384.
576
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 402
Onverminderd de artikelen 392 en 394 beschikt de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het
hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekerings-
onderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde
financiële holding, over passende structuren en systemen om
aan de vereisten van de artikelen 399 en 400 te voldoen, en
over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de
overeenkomstig de artikelen 399 en 400 bekendgemaakte
informatie altijd adequaat is.
Art. 403
De groepstoezichthouder kan toestaan dat een deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een
verzekeringsholding of een gemengde financiële holding
informatie als bedoeld in artikel 399 niet bekendmaakt indien:
1° door de bekendmaking van die informatie de concur-
renten van de betrokken onderneming duidelijk onterecht
worden bevoordeeld;
2° de onderneming wegens verplichtingen jegens de
verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een
geheimhoudingsplicht heeft.
Wanneer de groepstoezichthouder heeft toegestaan dat
bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verze-
keringsholding of de gemengde financiële holding dit in het
verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de
groep, met opgave van de redenen hiervoor.
Art. 404
De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de
in deze Onderafdeling bedoelde informatie preciseren bij re-
glement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van
de wet van 22 februari 1998.
§ 2 – Enig verslag over de solvabiliteit en de financiële
positie
Art. 405
Een deelnemende verzekerings- of herverzekeringson-
derneming, een verzekeringsholding of, indien aan het hoofd
van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming staat, een gemengde financiële holding kan, mits de
groepstoezichthouder daarmee instemt, één enkel verslag
over haar solvabiliteit en haar financiële positie verstrekken,
dat het volgende bevat:
1° de informatie op het niveau van de groep die overeen-
komstig artikel 399 openbaar moet worden gemaakt;
2° de informatie voor elk van de dochterondernemingen bin-
nen de groep, die individueel te identificeren moet zijn en die
naargelang van het geval overeenkomstig de artikelen 95 tot
Art. 402
Sans préjudice des articles 392 et 394, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ou, lorsque le groupe n’est pas
dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la
société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte
met en place des structures et des systèmes appropriés pour
satisfaire aux exigences énoncées aux articles 399 et 40099,
ainsi qu’une politique écrite visant à garantir l’adéquation
permanente de toute information publiée conformément aux
articles 399 et 400.
Art. 403
Le contrôleur du groupe peut autoriser une entreprise
d’assurance ou de réassurance participante, une société hol-
ding d’assurance ou une compagnie financière mixte à ne pas
publier une information visée à l’article 399, dans les cas où:
1° la publication de cette information conférerait aux
concurrents de l’entreprise concernée un avantage indu
important;
2° l’entreprise est tenue à une obligation de confidentialité
en raison d’obligations à l’égard des preneurs d’assurance
ou de relations avec d’autres contreparties.
Lorsque la non-publication d’une information est autorisée
par le contrôleur du groupe, l’entreprise d’assurance ou de
réassurance participante, la société holding d’assurance ou
la compagnie financière l’indique dans son rapport sur la
solvabilité et la situation financière du groupe et en explique
les raisons.
Art. 404
La Banque peut préciser le contenu et les modalités de
présentation des informations prévues à la présente Sous-
section, par voie de règlement adopté en application de
l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
§ 2 – Rapport unique sur la solvabilité et la situation
financière
Art. 405
Une entreprise d’assurance ou de réassurance partici-
pante, une société holding d’assurance ou, lorsque le groupe
n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réas-
surance, une compagnie financière mixte peut, moyennant
l’accord du contrôleur du groupe, publier un rapport unique
sur sa solvabilité et sa situation financière contenant les
éléments suivants
1° les informations au niveau du groupe qui sont à publier
conformément à l’article 399;
2° les informations pour toute filiale du groupe qui doivent
être individuellement indentifiables et qui doivent être publiées
conformément, selon le cas, aux articles 95 à 101 de la
577
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
101 van deze wet of de artikelen 51, 53, 54 en 55 van Richtlijn
2009/138/EG, en overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen
van deze richtlijn openbaar moet worden gemaakt.
Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instemming te
geven, raadpleegt de groeps-toezichthouder de leden van het
college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening
houdt met hun standpunten en voorbehouden.
Art. 406
Indien het in artikel 405 bedoelde verslag niet de informatie
bevat die de Bank van een dochterverzekerings- of herver-
zekeringsonderneming naar Belgisch recht van de groep
verlangt, en indien wezenlijke informatie ontbreekt, kan de
Bank van de betrokken dochteronderneming verlangen dat
zij de nodige aanvullende informatie openbaar maakt.
Afdeling III
Uitoefening van het groepstoezicht
Onderafdeling I
Aanwijzing van de groepstoezichthouder
Art. 407
§ 1. Onder de betrokken toezichthouders wordt één enkele
toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk is voor de
coördinatie en uitoefening van het groepstoezicht, hierna de
“groepstoezichthouder” genoemd.
§ 2. Het toezicht op het niveau van een verzekerings- of
herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door de Bank
wanneer zij de toezichthouder is van alle verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen in de groep.
In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaalde
in artikel 408, de functie van groepstoezichthouder als volgt
uitgeoefend:
1° indien aan het hoofd van de groep een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat, door
de Bank;
2° indien aan het hoofd van een groep geen verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat:
a) indien de moederonderneming van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming een verzekeringsholding of een
gemengde financiële holding is, door de Bank;
b) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsonder-
nemingen in de Europese Economische Ruimte, waaronder
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht, dezelfde verzekeringsholding of gemengde
financiële holding als moederonderneming hebben en aan
een van deze ondernemingen een vergunning is verleend
in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde
présente loi ou aux articles 51, 53, 54 et 55 de la Directive
2009/138/CE, ainsi qu’aux mesures d’exécution de cette
directive.
Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa 1er, le contrôleur
du groupe consulte les membres du collège des contrôleurs
et tient dûment compte de leurs avis et réserves
Art. 406
Lorsque le rapport visé à l’article 405 ne contient pas
les informations que la Banque demande d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale du
groupe, elle peut, si cette omission est substantielle, exiger
que cette entreprise filiale concernée publie les informations
complémentaires nécessaires.
Section III
Exercice du contrôle du groupe
Sous-section Ire
Détermination du contrôleur du groupe
Art. 407
§ 1er. Un contrôleur unique, responsable de la coordination
et de l’exercice du contrôle du groupe, dénommé “contrô-
leur du groupe”, est désigné parmi les autorités de contrôle
concernées.
§ 2. Le contrôle au niveau d’un groupe d’assurance ou de
réassurance est exercé par la Banque lorsqu’elle est l’auto-
rité de contrôle de toutes les entreprises d’assurance ou de
réassurance du groupe.
Dans tous les autres cas et sous réserve de l’article 408,
la tâche de contrôleur de groupe est exercée comme suit:
1° dans le cas où le groupe est dirigé par une entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge, par la Banque;
2° dans le cas où le groupe n’est pas dirigé par une entre-
prise d’assurance ou de réassurance de droit belge:
a) lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance a
pour entreprise mère une société holding d’assurance ou une
compagnie financière mixte, par la Banque;
b) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réas-
surance dans l’Espace économique européen, dont une
entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ont
pour entreprise mère la même société holding d’assurance ou
compagnie financière mixte et que l’une de ces entreprises a
été agréée dans l’État membre dans lequel la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte a son siège
578
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in die
lidstaat;
c) indien meerdere verzekeringsholdings of gemengde
financiële holdings met zetel in verschillende lidstaten aan
het hoofd van de groep staan en er in elk van deze lidstaten,
waaronder België, een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming is, door de toezichthouder van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal;
d) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen in de Europese Economische Ruimte, waar-
onder België, dezelfde verzekeringsholding of gemengde
financiële holding als moederonderneming hebben en aan
geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend
in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde
financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met
het hoogste balanstotaal; of
e) indien de groep een groep is zonder moederonderne-
ming, of in elk geval dat niet bedoeld is in de punten a) tot d),
door de toezichthouder die een vergunning heeft verleend
aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met
het hoogste balanstotaal.
Art. 408
§ 1. In bijzondere gevallen kunnen de Bank en de betrokken
toezichthouders gezamenlijk besluiten om af te wijken van
de criteria van artikel 407 indien de toepassing ervan, gelet
op de structuur van de groep en het relatieve belang van de
activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen in de verschillende landen, ongepast zou zijn, en een
andere toezichthouder als groepstoezichthouder aanwijzen.
De Bank kan verzoeken om een discussie te openen
over de vraag of de in artikel 407 bedoelde criteria gepast
zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan eenmaal
per jaar plaats, op initiatief van de Bank of van de betrokken
toezichthouder.
De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie
maanden na het verzoek om opening van een discussie, met
de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over
de keuze van de groepstoezichthouder te nemen. Alvorens
hun besluit te nemen, bieden de Bank en de betrokken
toezichthouders de groep de gelegenheid haar standpunt
kenbaar te maken.
Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als
groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het gezamenlijk
besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is
gebaseerd, voor aan de groep.
§ 2. Tijdens de in paragraaf 1, derde lid bedoelde termijn
van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit
social, par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance dans cet État membre;
c) lorsque le groupe est dirigé par plusieurs sociétés hol-
ding d’assurance ou compagnies financières mixtes ayant leur
siège social dans différents États membres, et qu’il y a une
entreprise d’assurance ou de réassurance dans chacun de
ces États membres, dont la Belgique, par l’autorité de contrôle
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le
total du bilan le plus élevé;
d) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de
réassurance dans l’Espace économique européen, dont la
Belgique, ont pour entreprise mère la même société holding
d’assurance ou compagnie financière mixte et qu’aucune
de ces entreprises n’a été agréée dans l’État membre dans
lequel la société holding d’assurance ou compagnie finan-
cière mixte a son siège social, par l’autorité de contrôle de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total
du bilan le plus élevé; ou
e) lorsque le groupe n’a pas d’entreprise mère, ou dans
des circonstances qui ne sont pas visées aux points a) à d),
par l’autorité de contrôle qui a agréé l’entreprise d’assurance
ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé.
Art. 408
§ 1er. Dans des cas particuliers, la Banque et les autori-
tés de contrôle concernées peuvent prendre conjointement
la décision de déroger aux critères mentionnés à l’article
407 lorsqu’il apparaît inapproprié de les appliquer compte
tenu de la structure du groupe et de l’importance relative des
activités des entreprises d’assurance ou de réassurance dans
les différents pays, et désigner une autre autorité de contrôle
comme contrôleur du groupe.
La Banque peut exiger l’ouverture d’une discussion quant
au point de savoir si les critères visés à l’article 407 sont
appropriés. Ce type de discussion, à l’initiative de la Banque
ou d’une autorité de contrôle concernée, a lieu au maximum
une fois par an.
La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir,
avec les autorités de contrôle concernées, à une décision
conjointe sur le choix du contrôleur du groupe au plus tard
trois mois après la demande d’ouverture de la discussion.
Avant de prendre leur décision, la Banque et les autorités
de contrôle concernées donnent au groupe la possibilité
d’exprimer son avis.
Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par appli-
cation du présent paragraphe, elle communique au groupe la
décision conjointe avec sa motivation complète.
§ 2. Pendant le délai de trois mois visé au paragraphe 1er,
alinéa 3, et aussi longtemps qu’une décision commune n’a
579
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen
overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
In geval van toepassing van het eerste lid schorten de Bank
en de betrokken toezichthouders hun gezamenlijk besluit op
en wachten zij het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkom-
stig artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 1094/2010 neemt. De
in paragraaf 1, derde lid bedoelde termijn van drie maanden
wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van
artikel 19, lid 2, van Verordening nr. 1094/2010.
De Bank en de betrokken toezichthouders nemen hun
gezamenlijk besluit in overeenstemming met het besluit van
EIOPA. Dit gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend
en wordt door de Bank en de betrokken toezichthouders
toegepast.
Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als
groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het gezamen-
lijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop
het is gebaseerd, voor aan de groep en aan het college van
toezichthouders.
§ 3. Indien er met toepassing van dit artikel geen geza-
menlijk besluit is genomen, wordt de functie van groepstoe-
zichthouder uitgeoefend door de toezichthouder die overeen-
komstig artikel 407 is bepaald.
Onderafdeling II
Rechten en plichten van de groepstoezichthouder
en van de betrokken toezichthouders – College van
toezichthouders
Art. 409
§ 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die
haar door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaat-
regelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, verricht de
Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, de
volgende taken:
1° zij coördineert de vergaring en verspreiding van infor-
matie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden
en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van
informatie die van belang is voor het toezicht door een betrok-
ken toezichthouder;
2° zij oefent het prudentieel toezicht uit op en beoordeelt
de financiële positie van de groep;
3° zij beoordeelt de naleving door de groep van de voor-
schriften inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroep-
transacties, die door of krachtens Afdeling II van dit Hoofdstuk
en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG zijn opgelegd;
4° zij beoordeelt het governancesysteem van de groep,
overeenkomstig Onderafdeling III van Afdeling II van dit
Hoofdstuk, en de vraag of de leden van het wettelijk be-
stuursorgaan, het directiecomité of, in voorkomend geval,
pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément
à l’article 19 du Règlement no 1094/2010.
En cas d’application de l’alinéa 1er, la Banque et les auto-
rités de contrôle concernées diffèrent leur décision conjointe
en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée
conformément à l’article 19, paragraphe 3, du Règlement
no 1094/2010. Le délai de trois mois visé au paragraphe 1er,
alinéa 3, est le délai de conciliation au sens de l’article 19,
paragraphe 2 du Règlement no 1094/2010.
La Banque et les autorités de contrôle concernées arrêtent
leur propre décision conjointe en se conformant à la décision
de l’EIOPA. Cette décision conjointe est considérée comme
déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités
de contrôle concernées.
Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par appli-
cation du présent paragraphe, elle communique au groupe
et au collège des contrôleurs la décision commune avec sa
motivation complète.
§ 3. Si aucune décision conjointe n’a été prise en appli-
cation du présent article, la tâche du contrôleur du groupe
est exercée par l’autorité de contrôle définie conformément
à l’article 407.
Sous-section II
Droits et obligations du contrôleur du groupe et des
autorités de contrôle concernées – Collège des contrôleurs
Art. 409
§ 1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches
qui lui sont dévolues par ou en vertu de la présente loi ainsi
que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE, la Banque assure, en sa qualité de contrôleur du groupe,
les tâches suivantes:
1° elle coordonne la collecte et la diffusion des informations
utiles ou essentielles, dans la marche normale des affaires
comme dans les situations d’urgence, y compris la diffusion
des informations importantes pour le contrôle exercé par une
autorité de contrôle concernée;
2° elle assure le contrôle prudentiel et l’évaluation de la
situation financière du groupe;
3° elle évalue le respect, par le groupe, des règles relatives
à la solvabilité, à la concentration de risques et aux transac-
tions intragroupe prévues par ou en vertu de la Section II du
présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE;
4° elle évalue le système de gouvernance du groupe,
conformément à la Sous-Section III de la Section II du présent
Chapitre, ainsi que le respect, par les membres de l’organe
légal d’administration, du comité de direction ou, le cas
580
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de effectieve leiding van de deelnemende onderneming naar
Belgisch recht aan de vereisten van de artikelen 40, 81 en
443, § 1 voldoen;
5° zij plant en coördineert, aan de hand van regelmatige
bijeenkomsten die minstens eenmaal per jaar plaatsvinden,
of aan de hand van andere passende middelen, de toezichts-
activiteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in
samenwerking met de betrokken toezichthouders en rekening
houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de
risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van alle onder-
nemingen die deel uitmaken van de groep;
6° zij voert de andere taken uit en neemt de andere maat-
regelen en besluiten die door of krachtens deze wet en door
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG aan de
groepstoezichthouder zijn toegewezen, met name het leiden
van het validatieproces van een intern model op groepsniveau
overeenkomstig de artikelen 374 en 377 tot 380 en het leiden
van het proces voor het toestaan van de toepassing van de
in de artikelen 383 tot 387 vastgelegde regeling.
§ 2. Wanneer een betrokken toezichthouder niet samen-
werkt met de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht-
houder, in de mate die voor de uitvoering van de in paragraaf
1 bedoelde taken wordt vereist, kan de Bank de zaak aan
EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeen-
komstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
Art. 410
Om de uitvoering van de groepstoezichtstaken als be-
doeld in artikel 409 te vergemakkelijken, richt de Bank, in
haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, een door haar
voorgezeten college van toezichthouders op.
Dit college van toezichthouders zorgt ervoor dat de sa-
menwerking, de informatie-uitwisseling en de onderlinge
raadpleging tussen de toezichthouders die lid zijn van het
college van toezichthouders verlopen overeenkomstig de
bepalingen van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG en haar
uitvoeringsmaatregelen, teneinde de convergentie van hun
besluiten en activiteiten te bevorderen.
Art. 411
Het college van toezichthouders is samengesteld uit:
1° de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder;
2° de betrokken toezichthouders;
3° EIOPA, overeenkomstig artikel 21 van Verordening
nr. 1094/2010;
4° op de voorwaarden die door de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, de toezichthouders
die belast zijn met het toezicht op een belangrijk bijkantoor of
een verbonden onderneming in de groep, met dien verstande
échéant, de la direction effective de l’entreprise participante
de droit belge, des exigences énoncées aux articles 40, 81 et
443, § 1er;
5° elle planifie et coordonne, par des réunions régulières
se tenant au moins une fois l’an ou par tout autre moyen
approprié, les activités de contrôle, dans la marche normale
des affaires comme dans les situations d’urgence, en coo-
pération avec les autorités de contrôle concernées, en tenant
compte de la nature, de l’ampleur et de la complexité des
risques inhérents à l’activité de toutes les entreprises faisant
partie du groupe;
6° elle effectue les autres tâches et prend les autres
mesures et décisions incombant au contrôleur du groupe
par ou en vertu de la présente loi ainsi que par les mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, notamment mener
le processus de validation de tout modèle interne au niveau
du groupe conformément aux articles 374 et 377 à 380 et
mener le processus conduisant à autoriser l’application du
régime prévu par les articles 383 à 387.
§ 2. Lorsqu’une autorité de contrôle concernée ne coopère
pas avec la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
dans la mesure exigée aux fins de l’exécution des tâches
visées au paragraphe 1er, la Banque peut saisir l’EIOPA et
demander son assistance conformément à l’article 19 du
Règlement n° 1094/2010.
Art. 410
Afin de faciliter l’exercice des tâches de contrôle du groupe
visées à l’article 409, la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe, constitue un collège des contrôleurs qu’elle préside.
Dans le but de promouvoir la convergence de leurs
activités et décisions respectives, le collège des contrôleurs
veille à ce que la coopération, les échanges d’informations
et les consultations entre les autorités de contrôle membres
du collège des contrôleurs se déroulent conformément aux
dispositions du Titre III de la Directive 2009/138/CE ainsi qu’à
ses mesures d’exécution.
Art. 411
Le collège des contrôleurs est composé:
1° de la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe;
2° des autorités de contrôle concernées;
3° de l’EIOPA conformément à l’article 21 du Règlement
n° 1094/2010;
4° dans les conditions définies par les mesures d’exécu-
tion de la Directive 2009/138/CE, les autorités de contrôle
chargées du contrôle d’une succursale importante ou d’une
entreprise liée au sein du groupe, étant entendu que leur
581
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
dat hun deelname zich beperkt tot het doel van een efficiënte
uitwisseling van informatie tussen toezichthouders.
EIOPA wordt voor de toepassing van deze Onderafdeling
als een betrokken toezichthouder beschouwd.
Met het oog op de doeltreffende werking van het college
van toezichthouders kan het nodig zijn dat bepaalde activitei-
ten door een beperkt aantal toezichthouders van het college
worden uitgevoerd.
Art. 412
Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze
wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG zijn vastgelegd, stoelt de oprichting en werking van het
college van toezichthouders op coördinatieafspraken tussen
de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en
de betrokken toezichthouders.
Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze
wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG zijn vastgelegd, worden in de in het eerste lid bedoelde
coördinatieafspraken de procedures gespecificeerd voor:
1° het besluitvormingsproces tussen de Bank, in haar
hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken
toezichthouders, overeenkomstig de artikelen 34, 376, 407 en
408;
2° het overleg uit hoofde van de artikelen 359 en 413;
3° het overleg tussen de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders, met
name als in de gevallen bedoeld in de artikelen 343 tot 357,
360 tot 362, 368, 369, 388 tot 406, 421, 445 tot 448;
4° de samenwerking met andere toezichthouders dan de
betrokken toezichthouders.
Onverminderd de rechten en plichten die door of krachtens
deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG zijn vastgelegd voor de Bank, in haar hoedanig-
heid van groepstoezichthouder, en voor de betrokken toezicht-
houders, kunnen in de coördinatieafspraken nog andere taken
worden toevertrouwd aan de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder, of aan andere toezichthouders of aan
EIOPA, ingeval dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep
en het geen afbreuk doet aan de toezichtsactiviteiten van de
leden van het college van toezichthouders ten opzichte van
hun individuele verantwoordelijkheden.
Art. 413
Wanneer een betrokken toezichthouder de zaak heeft
voorgelegd aan EIOPA met toepassing van artikel 248, lid 4,
tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG, neemt de Bank, in
haar hoedanigheid van groepstoezichtouder, haar definitieve
besluit over het meningsverschil over een met toepassing van
participation se limite à la réalisation de l’objectif consistant à
assurer un échange efficace des informations entre autorités
de contrôle.
L’EIOPA est considérée comme une autorité de contrôle
concernée pour l’application de la présente Sous-section.
Le bon fonctionnement du collège des contrôleurs peut
exiger que certaines activités soient menées par un nombre
réduit d’autorités de contrôle au sein de celui-ci.
Art. 412
Sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu
de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, la création et le fonctionnement du collège
des contrôleurs sont basés sur des accords de coordination
conclus par la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
et les autorités de contrôle concernées.
Sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu
de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, les accords de coordination visés à l’alinéa 1er
précisent les procédures à suivre:
1° par la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
et les autorités de contrôle concernées pour prendre les
décisions visées aux articles 374, 376, 407 et 408;
2° pour la consultation requise par les articles 359 et 413;
3° pour la consultation entre la Banque, en sa qualité de
contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle concernées,
notamment dans les cas visés aux articles 343 à 357, 360 à
362, 368, 369, 388 à 406, 421, 445 à 448;
4° en matière de coopération avec d’autres autorités de
contrôle que les autorités de contrôle concernées.
Sans préjudice des droits et devoirs conférés à la Banque,
en sa qualité de contrôleur du groupe, et aux autorités de
contrôle concernées, par ou en vertu de la présente loi et
par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE,
les accords de coordination peuvent confier des tâches
supplémentaires à la Banque, en sa qualité de contrôleur
du groupe, ou à d’autres autorités de contrôle ou à l’EIOPA
lorsqu’il en résulte un contrôle plus efficace du groupe et pour
autant que les activités de contrôle des membres du collège
des contrôleurs, pour ce qui relève de leur responsabilité
individuelle, ne s’en trouvent pas entravées.
Art. 413
Lorsqu’une autorité de contrôle concerné a saisi l’EIOPA
en application de l’article 248, paragraphe 4, alinéa 2 de la
Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur
du groupe, arrête sa décision finale sur la divergence de vues
concernant un accord de coordination conclu en application
582
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
artikel 412 gemaakte coördinatieafspraak, binnen een termijn
van twee maanden na de ontvangst van het advies van EIOPA.
Zij neemt haar definitieve besluit in overeenstemming met het
eventuele besluit van EIOPA. Zij bezorgt haar besluit aan de
betrokken toezichthouders.
Art. 414
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder belegt
de Bank ten minste in de volgende gevallen onverwijld een
vergadering van alle betrokken toezichthouders:
1° wanneer zij kennis heeft dat in belangrijke mate wordt
afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer
wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het
toezicht op groepsniveau valt;
2° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt
afgeweken van het op basis van geconsolideerde gegevens
berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau of
van het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de
groep, naargelang van de methode die overeenkomstig de
artikelen 372 tot 380 wordt gebruikt;
3° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke
omstandigheden.
Art. 415
De Bank verstrekt in haar hoedanigheid van groepstoe-
zichthouder informatie aan EIOPA die van belang is voor de
evaluatie van de werking van de colleges van toezichthou-
ders, die EIOPA uitvoert overeenkomstig artikel 248, lid 6 van
Richtlijn 2009/138/EG. Zij verstrekt ook informatie over de in
het kader van deze werking gerezen moeilijkheden.
Art. 416. §
1. De Bank neemt in haar hoedanigheid van betrokken
toezichthouder deel aan het college van toezichthouders dat
overeenkomstig artikel 248, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG
is opgericht door een toezichthouder van een andere lidstaat
in zijn hoedanigheid van groepstoezichthouder.
Zij werkt samen met de groepstoezichthouder, in de mate
die vereist is voor de uitvoering van de taken die hem met
toepassing van artikel 248, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG
en haar uitvoeringsmaatregelen zijn opgelegd. Wanneer de
groepstoezichthouder de voornoemde taken niet vervult,
kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bij-
stand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010.
Bij verschil van mening met de groepstoezichthouder of
een andere betrokken toezichthouder over de coördinatie-
afspraak over de oprichting en de werking van het college
van toezichthouders waaraan zij deelneemt, kan de Bank,
de l’article 412, dans un délai de deux mois à compter de la
réception de l’avis de l’EIOPA. Elle prend sa décision finale
en se conformant à la décision de l’EIOPA. Elle transmet sa
décision aux autorités de contrôle concernées.
Art. 414
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
convoque immédiatement une réunion de toutes les autorités
de contrôle concernées au moins dans les circonstances
suivantes:
1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une violation
sérieuse de l’exigence relative au capital de solvabilité requis
ou d’une violation de l’exigence relative au minimum de capi-
tal requis, dans le chef d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance incluse dans le contrôle au niveau du groupe;
2° lorsqu’elle constate un écart important par rapport au
capital de solvabilité requis au niveau du groupe, calculé sur
la base des données consolidées, ou au capital de solvabilité
requis du groupe sur une base agrégée, selon la méthode
de calcul appliquée conformément aux articles 372 à 380;
3° lorsqu’elle a connaissance de toute autre circonstance
exceptionnelle.
Art. 415
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, trans-
met à l’EIOPA les informations pertinentes pour l’examen du
fonctionnement des collèges des contrôleurs, auquel l’EIOPA
procède conformément à l’article 248, paragraphe 6 de la
Directive 2009/138/CE. Elle transmet également des informa-
tions sur les difficultés rencontrées dans ce fonctionnement.
Art. 416. §
1er. La Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle concer-
née, participe au collège des contrôleurs constitué, conformé-
ment à l’article 248, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/
CE, par une autorité de contrôle d’un autre État membre en
qualité de contrôleur du groupe.
Elle coopère avec le contrôleur du groupe dans la mesure
exigée aux fins de l’exécution des tâches qui incombent à
celui-ci en application de l’article 248, paragraphe 1er de
la Directive 2009/138/CE et de ses mesures d’exécution.
Lorsque le contrôleur du groupe ne s’acquitte pas des
tâches précitées, la Banque peut saisir l’EIOPA et demander
son assistance conformément à l’article 19 du Règlement
n° 1094/2010.
En cas de divergence de vues avec le contrôleur du groupe
ou une autre autorité de contrôle concernée concernant l’ac-
cord de coordination régissant la création et le fonctionnement
du collège de contrôleurs auquel elle participe, la Banque,
583
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in haar hoedanigheid van betrokken toezichthouder, de zaak
voorleggen aan EIOPA en om haar bijstand verzoeken over-
eenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
Bovendien kan de Bank, in haar hoedanigheid van toe-
zichthouder belast met het toezicht op een belangrijk bijkan-
toor of op een verbonden onderneming van de groep, op de
voorwaarden vastgelegd in de uitvoeringsmaatregelen van
Richtlijn 2009/138/EG, deelnemen aan het college van toe-
zichthouders dat is opgericht om het toezicht op het niveau
van de genoemde groep te vergemakkelijken. In dat geval
beperkt haar deelneming zich tot het doel van een efficiënte
uitwisseling van informatie tussen toezichthouders.
§ 2. De Bank belegt ten minste in de volgende gevallen on-
verwijld een vergadering van het college van toezichthouders:
1° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt af-
geweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer
wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht die onder het toezicht op groepsniveau valt;
2° wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke
omstandigheden.
Onderafdeling III
Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen
toezichthouders
Art. 417
De Bank werkt zowel in haar hoedanigheid van groepstoe-
zichthouder als van betrokken toezichthouder nauw samen
met de toezichthouders van de verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen die deel uitmaken van verzekerings- of
herverzekeringsgroep, met name in gevallen waarin een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming met financiële
moeilijkheden wordt geconfronteerd.
Zij kan op eigen initiatief of op verzoek vertrouwelijke in-
formatie meedelen aan deze toezichthouders of hen vragen
haar vertrouwelijke informatie mee te delen, wanneer deze
informatie van belang is om de uitoefening van de toezichtsta-
ken die aan haar of aan deze toezichthouders zijn opgelegd
krachtens Richtlijn 2009/138/EG of haar uitvoeringsmaatre-
gelen, mogelijk te maken of te vergemakkelijken. De in dit lid
bedoelde informatie omvat onder meer informatie over het
optreden van de groep en de toezichthouders, en informatie
die door de groep is verstrekt.
Indien een in het eerste lid bedoelde toezichthouder na-
laat relevante informatie mee te delen of indien een verzoek
tot samenwerking van de Bank, en met name om relevante
informatie uit te wisselen, is afgewezen of niet binnen twee
weken gevolg heeft gekregen, kan de Bank de zaak aan
EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening
nr. 1094/2010.
en sa qualité d’autorité de contrôle concernée, peut saisir
l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article
19 du Règlement n° 1094/2010.
En outre, la Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle
chargée du contrôle d’une succursale importante ou d’une
entreprise liée au sein du groupe peut, dans les conditions
définies par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE, participer au collège des contrôleurs mis en place pour
faciliter le contrôle au niveau dudit groupe. Dans ce cas, sa
participation se limite à la réalisation de l’objectif consistant à
assurer un échange efficace des informations entre autorités
de contrôle.
§ 2. La Banque convoque immédiatement une réunion
du collège des contrôleurs au moins dans les circonstances
suivantes:
1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une viola-
tion sérieuse de l’exigence relative au capital de solvabilité
requis ou d’une violation de l’exigence relative au minimum
de capital requis, dans le chef d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance de droit belge incluse dans le contrôle au
niveau du groupe;
2° lorsque qu’elle a connaissance de toute autre circons-
tance exceptionnelle.
Sous-section III
Coopération et échange d’informations entre les autorités
de contrôle
Art. 417
La Banque, que ce soit en sa qualité de contrôleur
du groupe ou d’autorité de contrôle concernée, coopère
étroitement avec les autorités de contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe
d’assurance ou de réassurance, en particulier dans les cas
où une entreprise d’assurance ou de réassurance connaît
des difficultés financières.
Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou
demander à ces autorités de contrôle des informations confi-
dentielles lorsque celles-ci sont pertinentes pour permettre et
faciliter l’exercice des tâches de contrôle qui lui sont confiées
ou à ces autorités en vertu de la Directive 2009/138/CE ou
ses mesures d’exécution. Les informations visées au présent
alinéa comprennent, sans s’y limiter, les informations concer-
nant des actions du groupe et des autorités de contrôle, ainsi
que les informations fournies par le groupe.
Si une autorité de contrôle visée à l’alinéa 1er omet de com-
muniquer des informations pertinentes, ou si une demande de
coopération de la Banque, en particulier d’échange d’informa-
tions pertinentes, est rejetée ou n’est pas suivie d’effet dans
un délai de deux semaines, la Banque peut saisir l’EIOPA
conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010.
584
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 418
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder verschaft
de Bank aan de betrokken toezichthouders en aan EIOPA
informatie over de verzekerings- of herverzekeringsgroep,
overeenkomstig de artikelen 95 en 96 en Onderafdeling V van
deze Afdeling, inzonderheid over de juridische structuur, het
governancesysteem en de organisatiestructuur van de groep.
Art. 419
Wanneer de Bank niet de groepstoezichthouder is die met
toepassing van artikel 407 is aangewezen, kan de groepstoe-
zichthouder haar verzoeken om van een moederonderneming
naar Belgisch recht alle informatie te vragen die relevant is
voor de uitoefening door de groepstoezichthouder van zijn
coördinatierechten en -plichten als omschreven in Richtlijn
2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die infor-
matie aan hem door te geven.
Wanneer de Bank overeenkomstig artikel 407 de groeps-
toezichthouder is en de moederonderneming haar zetel
in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank de
toezichthouder van die lidstaat verzoeken om van die moe-
deronderneming alle informatie te vragen die relevant is
voor de uitoefening van haar coördinatierechten en -plichten
als omschreven in deze wet, Richtlijn 2009/138/EG en haar
uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan haar door te
geven.
Art. 420
Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming naar Belgisch recht en hetzij een kredietinstelling, hetzij
een beleggingsonderneming, hetzij beide, rechtstreeks of
onrechtstreeks verbonden zijn, dan wel een gemeenschap-
pelijke deelnemende onderneming hebben, werkt de Bank
nauw samen met de toezichthouders van die kredietinstelling
of beleggingsonderneming.
Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de
Bank, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie die de
uitoefening van hun respectieve taken mogelijk kan maken
en kan vergemakkelijken en die het mogelijk maakt toezicht
uit te oefenen op de activiteiten en de financiële positie van
alle ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen,
meedelen of deze toezichthouders vragen haar dergelijke
informatie mee te delen.
Onderafdeling IV
Overleg tussen toezichthouders
Art. 421
Onverminderd Onderafdeling III van deze Afdeling
pleegt de Bank in het college van toezichthouders over-
leg met de toezichthouders van de verzekerings- of
Art. 418
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, trans-
met aux autorités de contrôle concernées et à l’EIOPA
les informations concernant le groupe d’assurance ou de
réassurance, conformément aux articles 95 et 96 et à la
Sous-section V de la présente Section, en particulier sur
sa structure juridique, son système de gouvernance et sa
structure organisationnelle.
Art. 419
Lorsque la Banque n’est pas le contrôleur du groupe dési-
gné en application de l’article 407, elle peut être invitée, par
le contrôleur du groupe, à demander à une entreprise mère
de droit belge toute information utile pour l’exercice par le
contrôleur du groupe de ses droits et obligations de coordi-
nation définis par la Directive 2009/138/CE et à ses mesures
d’exécution, et à la lui transmettre.
Lorsque la Banque est le contrôleur du groupe conformé-
ment à l’article 407 et que l’entreprise mère a son siège social
dans un État membre autre que la Belgique, la Banque peut
inviter l’autorité de contrôle de cet État membre à demander à
cette entreprise mère toute information utile pour l’exercice de
ses droits et obligations de coordination définis par la présent
loi, la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution,
et à la lui transmettre.
Art. 420
Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance de
droit belge et un établissement de crédit ou une entreprise
d’investissement ou les deux, sont directement ou indirec-
tement liés ou ont une entreprise participante commune, la
Banque collabore étroitement avec les autorités de contrôle
de cet établissement de crédit ou entreprise d’investissement.
Sans préjudice de leurs compétences respectives, la
Banque peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou
demander à ces autorités toutes les informations susceptibles
de permettre et faciliter l’exercice de leurs tâches respectives
et de permettre la surveillance de l’activité et de la situation
financière de l’ensemble des entreprises soumises à leur
surveillance.
Sous-section IV
Consultation entre autorités de contrôle
Art. 421
Sans préjudice de la Sous-Section III de la présente
Section, la Banque consulte, au sein du collège des contrô-
leurs, les autorités de contrôle des entreprises d’assurance
585
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsondernemingen die onder het toezicht op
groepsniveau vallen, voordat zij een besluit neemt over de
volgende aangelegenheden:
1° veranderingen in het aandeelhouderschap, de organi-
satie of de beleidsstructuur van een verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming die goedkeuring of machtiging door
de Bank vereisen; en
2° de verlenging van de herstelperiode overeenkomstig
artikel 510;
3° de belangrijkste sancties en buitengewone maatregelen
die door de Bank zijn getroffen, zoals onder meer het toepas-
sen van een opslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste
op grond van artikel 323 en het opleggen van enigerlei beper-
king op het gebruik van een intern model voor de berekening
van het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van de artikelen
167 tot 188.
4° alle besluiten die gebaseerd zijn op van een andere
toezichthouder ontvangen informatie.
De Bank kan besluiten geen overleg als bedoeld in het
eerste lid te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat
overleg de doeltreffendheid van haar besluit in gevaar zou
kunnen brengen. In dat geval stelt de Bank de betrokken
toezichthouders onverwijld daarvan in kennis zodra zij haar
besluit heeft genomen.
In afwijking van het tweede lid moet de Bank de groeps-
toezichthouder altijd raadplegen wanneer zij van plan is een
besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°.
Onderafdeling V
Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te
verstrekken informatie
Art. 422
§ 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,
de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings,
hun dochterondernemingen en alle andere ondernemingen
die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, verstrekken
aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthou-
der, alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de
toezichtstaken die door of krachtens deze wet aan de groeps-
toezichthouder zijn toegewezen, en de informatie die nodig is
om met het oog op de uitoefening van de rechten en plichten
van de groepstoezichthouder met betrekking tot het toezicht
op groepsniveau, elke passende beslissing te kunnen nemen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank:
1° op individuele basis of bij reglement vastgesteld over-
eenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998,
de aard, de reikwijdte, het model, de frequentie en de wijze
van indiening vaststellen van de in paragraaf 1 bedoelde
informatie, en deze informatie bij de in paragraaf 1 bedoelde
ondernemingen opvragen:
ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du
groupe, avant de prendre une des décisions suivantes:
1° les modifications de la structure de l’actionnariat, de
l’organisation ou de la gestion d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance, qui requièrent l’approbation ou l’autori-
sation de la Banque; et
2° la prolongation du délai de rétablissement conformément
à l’article 510;
3° les principales sanctions et les mesures exceptionnelles
prises par la Banque, y compris l’application d’une exigence
de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité
requis conformément à l’article 323 et l’application de toute
limitation de l’utilisation d’un modèle interne pour le calcul
du capital de solvabilité requis conformément aux articles
167 à 188.
4° toute décision fondée sur les informations reçues d’une
autre autorité de contrôle.
La Banque peut décider de ne pas opérer de consultation
visée à l’alinéa 1er en cas d’urgence ou lorsque cette consul-
tation risquerait de compromettre l’efficacité de sa décision.
Dans ce cas, la Banque en informe sans délai les autorités
de contrôle concernées dès qu’elle a pris sa décision.
Par dérogation à l’alinéa 2, la Banque doit toujours consul-
ter le contrôleur du groupe lorsqu’elle envisage de prendre
une décision visée à l’alinéa 1er, 2° ou 3°.
Sous-section V
Informations à fournir aux fins de l’exercice du contrôle au
niveau du groupe
Art. 422
§ 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les
sociétés holding d’assurance et les compagnies financières
mixtes, leurs filiales et toutes les autres entreprises incluses
dans le contrôle au niveau du groupe, fournissent à la Banque,
en sa qualité de contrôleur du groupe, toutes les informations
nécessaires aux fins de l’exercice des tâches de contrôle
qui incombent au contrôleur du groupe par ou en vertu de la
présente loi, ainsi que les informations nécessaires à la prise
de toute décision appropriée qu’appelle l’exercice des droits
et fonctions du contrôleur du groupe en matière de contrôle
au niveau du groupe.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut:
1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un règle-
ment pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du
22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence
et les modalités de transmission des informations visées au
paragraphe 1er, dont elle exige la communication de la part des
entreprises visées au paragraphe 1er aux moments suivants:
586
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
a) op van tevoren bepaalde tijdstippen;
b) wanneer zich van tevoren omschreven gebeurtenissen
voordoen;
c) bij onderzoek naar de positie van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar aanleiding van haar op-
name in het toezicht op groepsniveau.
2° alle informatie inwinnen over overeenkomsten die in het
bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die
met derden worden gesloten;
3° informatie opvragen bij externe deskundigen;
4° voorschrijven dat haar geregeld andere dan de in para-
graaf 1 bedoelde cijfergegevens of uitleg worden verstrekt,
wanneer deze informatie nodig is om te kunnen nagaan of
de voorschriften van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten
en -reglementen ervan zijn nageleefd.
Artikel 312, § 3 is van toepassing op de in de paragrafen
1 en 2 bedoelde informatie.
§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie voldoet
aan de volgende beginselen:
1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de
omvang en de complexiteit van de activiteiten van de verze-
kerings- of herverzekeringsgroep en met name met de risico’s
die aan die activiteiten verbonden zijn;
2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig,
vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;
3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.
Art. 423
Niettegenstaande de in artikel 422, § 2, a), bedoelde van
tevoren bepaalde tijdstippen kan de Bank, in haar hoedanig-
heid van groepstoezichthouder, de regelmatige rapportering
van de voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie
met een frequentie van minder dan een jaar op groepsniveau
beperken, als alle verzekerings- of herverzekeringsonderne-
mingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de
toepassing van artikel 313 genieten, rekening houdend met
de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die
verbonden zijn aan de activiteiten van de groep.
Art. 424
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan
de Bank op groepsniveau een vrijstelling verlenen van de
verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken, als
alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in
het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing
van artikel 314 genieten, rekening houdend met de aard, de
a) à des moments prédéfinis;
b) lorsque des événements prédéfinis se produisent;
c) lors d’enquêtes concernant la situation d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance en raison de son inclusion
dans le contrôle au niveau du groupe.
2° obtenir toute information relative aux contrats détenus
par des intermédiaires ou aux contrats conclus avec des tiers;
3° exiger des informations de la part d’experts externes;
4° prescrire la transmission régulière d’informations chif-
frées ou descriptives autres que celles visées au paragraphe
1er, lorsque ces informations sont nécessaires à la vérification
du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés
et règlements pris en exécution de celle-ci.
L’article 312, § 3 est applicable aux informations visées
aux paragraphes 1er et 2.
§ 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 res-
pectent les principes suivants:
1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité des
activités du groupe d’assurance ou de réassurance et notam-
ment les risques inhérents aux activités de celui-ci;
2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui est
important, comparables et cohérentes dans la durée;
3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles.
Art. 423
Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’article 422,
§ 2, a), la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut
limiter la communication régulière des informations à des fins
de contrôle d’une fréquence inférieure à un an au niveau du
groupe, dès lors que toutes les entreprises d’assurance ou de
réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe
bénéficient de l’application de l’article 313, eu égard à la
nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents
à l’activité du groupe.
Art. 424
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut
dispenser de l’obligation de communiquer des informations
poste par poste au niveau du groupe, dès lors que toutes les
entreprises d’assurance ou de réassurance incluses dans le
contrôle au niveau du groupe bénéficient de l’application de
l’article 314, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité
587
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn
aan de activiteiten van de groep en met de doelstelling van
financiële stabiliteit.
Art. 425
Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht-
houder, informatie als bedoeld in de artikelen 422, 423 en
424 nodig heeft die reeds aan een andere toezichthouder
is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met deze toezichthouder
in contact teneinde dubbele informatieverstrekking door de
onderneming aan de diverse bij het toezicht op groepsniveau
betrokken toezichthouders te voorkomen.
Art. 426
De ondernemingen die met toepassing van artikel 349 niet
in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, moeten aan
de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder,
alle gegevens en inlichtingen verstrekken die deze dienstig
acht voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau.
Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere
ondernemingen de controle hebben over een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de
dochterondernemingen van die ondernemingen moeten,
indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet in
het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de Bank en de
andere betrokken toezichthouders alle gegevens en inlich-
tingen verstrekken die nuttig zijn voor de uitoefening van het
toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Art. 427
Onverminderd de artikelen 422 tot 426, mag de Bank zich
alleen zelf rechtstreeks tot de ondernemingen in de groep
wenden om de informatie die nodig is voor de uitoefening van
het toezicht op groepsniveau te verkrijgen, indien deze infor-
matie aan de in het groepstoezicht betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming is gevraagd, maar door deze
onderneming niet binnen een redelijke termijn is verstrekt.
Art. 428
§ 1. De Bank kan ter plaatse inspecties verrichten en ter
plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven
in bezit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die onder het toezicht op groepsniveau valt, haar verbonden
ondernemingen, haar moederonderneming of de met haar
moederonderneming verbonden ondernemingen, om na te
gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en
door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn
vastgelegd, zijn nageleefd en, met name, om na te gaan of
de in de artikelen 422, 423 en 424 bedoelde informatie juist
en volledig is. Artikel 304 is van toepassing.
des risques inhérents à l’activité du groupe ainsi qu’à l’objectif
de stabilité financière.
Art. 425
Lorsqu’elle a besoin d’informations visées aux articles 422,
423 et 424, qui ont déjà été fournies à une autre autorité de
contrôle, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe
s’adresse, dans la mesure du possible, à cette autorité afin
d’éviter toute duplication dans le chef de l’entreprise dans la
communication d’informations aux diverses autorités partici-
pant au contrôle au niveau du groupe.
Art. 426
Les entreprises qui ne sont pas incluses dans le contrôle au
niveau du groupe en application de l’article 349, sont tenues
de communiquer à la Banque, en sa qualité de contrôleur du
groupe tous les renseignements et informations que celle-ci
estime nécessaires pour l’exercice du contrôle au niveau du
groupe.
Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjoin-
tement avec d’autres, une entreprise d’assurance ou de
réassurance de droit belge, ainsi que les filiales de ces
entreprises, sont tenues, si ces entreprises et ces filiales ne
sont pas incluses dans le contrôle au niveau du groupe, de
communiquer à la Banque et aux autres autorités de contrôle
concernées les informations et renseignements utiles à
l’exercice du contrôle de cette entreprise d’assurance ou de
réassurance.
Art. 427
Sans préjudice des articles 422 à 426, la Banque ne
peut s’adresser directement aux entreprises du groupe pour
obtenir les informations nécessaires à l’exercice du contrôle
au niveau du groupe que lorsque ces informations ont été
demandées à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
soumise au contrôle des groupes et que cette entreprise n’a
pas communiqué ces informations dans un délai raisonnable.
Art. 428
§ 1er. La Banque peut procéder à des inspections sur
place et prendre connaissance et copie, sans déplacement,
de toute information détenue par l’entreprise d’assurance ou
de réassurance soumise à un contrôle au niveau du groupe,
par ses entreprises liées, par son entreprise mère ou par les
entreprises liées à son entreprise mère, en vue de vérifier le
respect des dispositions prévues par ou en vertu du présent
Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE et, notamment, en vue de vérifier le caractère
correct et complet des informations visées aux articles 422,
423 et 424. L’article 304 est applicable.
588
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Zij kan op kosten van deze ondernemingen de commissaris
van deze ondernemingen of een door haar daartoe erkende
deskundige met deze verificaties belasten.
De artikelen 305, 306 en 307 zijn van toepassing.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen
hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank de
toezichthouder van die lidstaat om de inspectie ter plaatse uit
te voeren. De Bank verricht deze inspectie zelf als zij daarvoor
de toestemming krijgt van de toezichthouder van die lidstaat.
Wanneer deze laatste de inspectie zelf wenst te verrichten, of
daartoe een revisor of een deskundige aanstelt, kan de Bank
niettemin aan de inspectie deelnemen indien zij dat wenst.
Indien het door de Bank overeenkomstig het eerste lid
geformuleerde verzoek geen gevolg heeft gekregen binnen
twee weken, of indien zij om praktische redenen niet kan
deelnemen aan de inspectie ter plaatse, kan de Bank de
zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken
overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen
hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten
van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkingsover-
eenkomsten die de Bank met de betrokken autoriteiten van
dit derde land heeft gesloten, in voorkomend geval overeen-
komstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of
die de Europese Commissie overeenkomstig het bepaalde bij
artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten.
Art. 429
§ 1. Wanneer het toezicht op het niveau van de verzeke-
rings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een
toezichthouder die onder een andere lidstaat dan België res-
sorteert, verstrekken de verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen, de verzekeringsholdings, de gemengde finan-
ciële holdings en hun dochterondernemingen naar Belgisch
recht aan deze toezichthouder de gegevens en inlichtingen die
deze dienstig acht voor de uitoefening van de toezichtstaken
waarmee hij als groepstoezichthouder is belast overeenkom-
stig Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen.
Wanneer deze toezichthouder ressorteert onder een derde
land en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit
samenwerkingsovereenkomsten die de Bank of de Europese
Commissie met toepassing van artikel 264 van Richtlijn
2009/138/EG heeft gesloten, is het eerste lid van overeen-
komstige toepassing.
§ 2. Wanneer het toezicht op het niveau van de verzeke-
rings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een
toezichthouder die onder een andere lidstaat dan België
ressorteert, kan die toezichthouder, om na te gaan of de
bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door
de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn
vastgelegd, zij, nageleefd, ter plaatse in de in paragraaf 1 be-
doelde ondernemingen naar Belgisch recht, de gegevens en
inlichtingen toetsen die zij heeft ontvangen, of kan zij erkend
Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger le commis-
saire de ces entreprises ou un expert désigné par elle à cette
fin, de procéder à ces vérifications.
Les articles 305, 306 et 307 sont applicables.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un autre État membre, la Banque
demande à l’autorité de contrôle de cet État membre d’effec-
tuer l’inspection sur place. La Banque procède elle-même à
cette inspection si elle en a reçu l’autorisation de la part de
l’autorité de contrôle de cet État membre. Lorsque cette der-
nière effectue elle-même l’inspection, ou désigne un réviseur
ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le
souhaite, y participer.
Lorsque la demande formulée par la Banque conformé-
ment à l’alinéa 1er n’a pas été suivi d’effet dans un délai de
deux semaines, ou lorsqu’elle se voit en pratique empêchée
de participer à l’inspection sur place, la Banque peut saisir
l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article
19 du Règlement n° 1094/2010.
§ 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de
la vérification sur place sont réglées dans des accords de
coopération que la Banque conclut avec les autorités de pays
tiers concernées, le cas échéant conformément à l’article
36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission
européenne a conclus conformément aux dispositions de
l’article 264 de la Directive 2009/138/CE.
Art. 429
§ 1er. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assu-
rance ou de réassurance est exercée par une autorité de
contrôle qui relève d’un État membre, autre que la Belgique,
les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés
holding d’assurance, les compagnies financières mixtes et
leurs filiales de droit belge communiquent à cette autorité de
contrôle les informations et renseignements que celle-ci juge
nécessaires pour l’exercice des tâches de contrôle qui lui
incombent en sa qualité de contrôleur du groupe conformé-
ment à la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers et
que l’obligation d’information découle d’accords de coopé-
ration conclus par la Banque ou la Commission européenne
en application de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE,
l’alinéa 1er est applicable par analogie.
§ 2. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assurance
ou de réassurance est exercée par une autorité de contrôle qui
relève d’un État membre, autre que la Belgique, cette autorité
peut, en vue de vérifier le respect des dispositions prévues
par ou en vertu du présent Chapitre ainsi que par les mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, procéder sur place
dans les entreprises de droit belge visées au paragraphe 1er,
à la vérification des informations et renseignements qu’elle
a reçus, ou peut charger des commissaires agréés ou des
589
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
commissarissen of door haar erkende deskundigen hiermee
belasten. De bepalingen van artikel 428, § 2 zijn van over-
eenkomstige toepassing.
Wanneer deze toezichthouder onder een derde land res-
sorteert, zijn de bepalingen van artikel 428, § 3 van overeen-
komstige toepassing.
Onderafdeling VI
Revisoraal toezicht
Art. 430
Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de
opdracht van erkend commissaris van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming is van overeenkomstige toepas-
sing op verzekerings- of herverzekering ondernemingen die
aan een toezicht op groepsniveau zijn onderworpen overeen-
komstig artikel 343.
Art. 431
§ 1. In een verzekeringsholding of in een gemengde fi-
nanciële holding naar Belgisch recht die onder het door de
Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de
opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van
Vennootschappen toevertrouwd aan een of meer revisoren
of revisorenvennootschappen die overeenkomstig artikel
327 door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commis-
saris bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
De artikelen 325 tot 329 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De commissarissen aangesteld bij een in paragraaf
1 bedoelde verzekeringsholding of gemengde financiële
holding verlenen hun medewerking aan de uitoefening van
het toezicht op groepsniveau waarmee de Bank is belast, op
hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeen-
komstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de
richtlijnen van de Bank.
Art. 432
De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 be-
doelde onderneming beoordelen het passend karakter op het
niveau van de groep van de internecontrolemaatregelen als
bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en delen hun bevindingen ter
zake mee aan de Bank.
Art. 433
De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 be-
doelde onderneming brengen verslag uit aan de Bank over
de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke
staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank
bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben
van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten niet
experts agréés par elles d’y procéder. Les dispositions de
l’article 428, § 2 sont applicables par analogie.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers, les
dispositions de l’article 428, § 3 sont applicables par analogie.
Sous-section VI
Contrôle révisoral
Art. 430
Les dispositions des articles 330 à 337 concernant les
fonctions de commissaire agréé d’une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance sont applicables par analogie aux
entreprises d’assurance ou de réassurance soumises à un
contrôle au niveau du groupe conformément à l’article 343.
Art. 431
§ 1er. Dans une société holding d’assurance ou dans
une compagnie financière mixte de droit belge incluse dans
un contrôle au niveau du groupe exercé par la Banque, les
fonctions de commissaire visées au Code des sociétés sont
confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs
sociétés de réviseurs, qui, conformément à l’article 327, sont
agréés par la Banque pour les fonctions de commissaire
auprès d’une entreprise d’assurance ou de réassurance. Les
articles 325 à 329 sont applicables par analogie.
§ 2. Les commissaires désignés auprès d’une société
holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte
visée au paragraphe 1er, prêtent leur coopération à l’exercice
du contrôle au niveau du groupe dont est chargée la Banque,
sous leur responsabilité personnelle et exclusive et confor-
mément au présent paragraphe, aux règles de la profession
et aux instructions de la Banque.
Art. 432
Les commissaires désignés dans une entreprise visée
à l’article 431 évaluent le caractère adéquat au niveau du
groupe des mesures de contrôle interne visées à l’article 42,
§ 1er, 2° et ils communiquent leurs conclusions à la Banque.
Art. 433
Les commissaires agréés désignés dans une entreprise
visée à l’article 431 font rapport à la Banque sur les résul-
tats de l’examen limité des états périodiques transmis par
la société holding d’assurance ou la compagnie financière
mixte à la Banque à la fin du premier semestre social, confir-
mant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaî-
trait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards
590
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens
de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoe-
ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies
van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde
halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in
alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn
met de boekhouding en de inventarissen inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat-
ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan deze periodieke staten worden opgesteld.
Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit
zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn
opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft,
met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor
de opstelling van de periodieke staten met betrekking tot het
laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke
staten nader bepalen.
Art. 434
De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel
431 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de
Bank over de resultaten van de controle van de periodieke
staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt,
waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle
materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de
voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van
de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde
van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens
betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstem-
ming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat-
ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
de periodieke staten worden opgesteld,
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
Zij bevestigen dat de periodieke staten per einde van het
boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waar-
deringsregels voor de opstelling van de jaarrekening.
significativement importants, été établis conformément aux
prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions
de la Banque.
Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtées
en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comp-
tables y figurant, complets et corrects et sont, sous tous
égards significativement importants, conformes à la comp-
tabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis,
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec
la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels
ils sont établis.
Ils confirment également n’avoir pas connaissance de
faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en
fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui est des
données comptables y figurant, par application des règles
de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établis-
sement des états périodiques afférents au dernier exercice.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états
périodiques visés.
Art. 434
Les commissaires agréés désignés dans une entreprise
visée à l’article 431 font également rapport à la Banque sur
les résultats du contrôle des états périodiques transmis par
la société holding d’assurance ou la compagnie financière
mixte à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant
que ces états périodiques sont, sous tous égards significati-
vement importants, établis conformément aux prescriptions
prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en
fin d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables
y figurant, sous tous égards significativement importants,
conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens
qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis,
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec
la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels
ils sont établis.
Ils confirment également que les états périodiques arrêtés
en fin d’exercice ont été établis, pour les données comptables
y figurant, par application des règles de comptabilisation et
d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels.
591
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader
bepalen.
Art. 435
De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel
431 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar
verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de
activiteiten en de financiële structuur op het niveau van de
verzekerings- of herverzekeringsgroep; de kosten voor de
opstelling van dit verslag worden door de verzekeringsholding
of de gemengde financiële holding gedragen.
Art. 436
In het kader van hun opdracht bij een in artikel 431 be-
doelde onderneming of een revisorale opdracht bij een met
een dergelijke onderneming verbonden onderneming, bren-
gen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit
bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten
of, in voorkomend geval, ontwikkelingen:
1° die de positie van de verzekerings- of herverzekerings-
groep financieel of op het vlak van haar administratieve en
boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle,
op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
2° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het
solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau kunnen leiden;
3° die een overtreding van het Wetboek van
Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering
ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen
voor wat de verzekeringsholding of de gemengde financiële
holding betreft;
4° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering
van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren
van voorbehoud.
Art. 437
De erkend commissarissen delen aan de leiders van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen
mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 435.
Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing.
Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die
zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken
die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
Art. 438
Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw infor-
matie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 436, kunnen
geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke
vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties
worden uitgesproken.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les
états périodiques visés.
Art. 435
Les commissaires agréés désignés dans une entreprise
visée à l’article 431 font à la Banque, à sa demande, des
rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités et
la structure financière au niveau du groupe d’assurance ou
de réassurance, rapports dont les frais d’établissement sont
supportés par la société holding d’assurance ou la compagnie
financière mixte.
Art. 436
Dans le cadre de leur mission auprès d’une entreprise
visée à l’article 431, ou d’une mission révisorale auprès d’une
entreprise liée à une telle entreprise, les commissaires agréés
font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des
décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions:
1° qui influencent ou peuvent influencer de façon signifi-
cative la situation du groupe d’assurance ou de réassurance
sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation
administrative et comptable ou de son contrôle interne;
2° qui peuvent entraîner le non-respect des dispositions
relatives au capital de solvabilité requis au niveau du groupe;
3° qui peuvent constituer des violations du Code des socié-
tés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements
pris pour son exécution en ce qui concerne la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte;
4° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves
en matière de certification des comptes consolidés.
Art. 437
Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports
qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 435.
Ces communications sont soumises à l’article 306.
Ils transmettent à la Banque copie des communications
qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des ques-
tions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
Art. 438
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être
intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre
les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une
information visée sous l’article 436.
592
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 439
Wanneer de moederonderneming van een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een
verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met
zetel in een andere lidstaat is, die onder het door de Bank
uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht
bepaald bij de artikelen 432 tot 436 op overeenkomstige wijze
uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare
taak bij deze verzekeringsholding of gemengde financiële
holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke
commissaris wordt de in de artikelen 432 tot 436 bedoelde
opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld
bij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar
Belgisch recht die een dochteronderneming is van deze ver-
zekeringsholding of gemengde financiële holding.
Art. 440
De commissarissen aangesteld bij verzekerings- of herver-
zekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of gemengde
financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de
artikelen 430 en 431, hebben voor de uitoefening van hun
opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage
in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het
toezicht op groepsniveau betrokken dochterondernemingen,
als van de in artikel 349 bedoelde ondernemingen.
Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is
van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis
hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.
Onderafdeling VII
Prudentiële maatregelen
Art. 441
Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn
betrokken, de voorschriften die door of krachtens dit Hoofdstuk
of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn
opgelegd niet naleven, of indien die voorschriften in acht
worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt
te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties
of de risicoconcentraties de financiële positie van de ge-
noemde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
bedreigen, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van
groepstoezichthouder,
1° ten aanzien van de deelnemende verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, de nodige
maatregelen als bedoeld in Titel VI van deze wet om de vast-
gestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten;
2° ten aanzien van de moederverzekeringsholding of de
gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, de
nodige maatregelen als bedoeld in de artikelen 508, § 1 en
517, § 1, 1° tot 5° om de vastgestelde situatie zo spoedig
mogelijk recht te zetten.
Art. 439
Lorsque l’entreprise mère d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance de droit belge, est une société holding
d’assurance ou une compagnie financière mixte dont le
siège est établi dans un autre État membre et incluse dans le
contrôle au niveau du groupe exercé par la Banque, la mission
définie aux articles 432 à 436 est exercée par analogie par le
commissaire désigné avec une tâche comparable auprès de
cette société holding d’assurance ou compagnie financière
mixte. A défaut d’un tel commissaire, la mission visée aux
articles 432 à 436 est exercée par le commissaire désigné
auprès de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de
droit belge filiale de cette société holding d’assurance ou
compagnie financière mixte.
Art. 440
Les commissaires désignés auprès d’entreprises d’assu-
rance ou de réassurance, de sociétés holding d’assurance
ou de compagnies financières mixtes de droit belge confor-
mément aux articles 430 et 431, ont, pour l’exercice de leur
mission, telle que visée à ces articles, accès à et peuvent
prendre connaissance de tous les documents et pièces éma-
nant tant des filiales incluses dans le contrôle au niveau du
groupe que des entreprises visées à l’article 349.
Les dispositions de l ’article 35 de la loi du
22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les informa-
tions dont ils ont pris connaissance en exécution de l’alinéa 1er.
Sous-section VII
Mesures prudentielles
Art. 441
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance de
droit belge soumises à un contrôle au niveau du groupe, ne
se conforment pas aux exigences prévues par ou en vertu du
présent Chapitre ou des mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE, ou lorsque ces exigences sont respectées
mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être
compromise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les
concentrations de risques menacent la situation financière
desdites entreprises d’assurance ou de réassurance, la
Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe prend,
1° à l’égard de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
participante de droit belge, les mesures visées au Titre VI de
la présente loi qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié
dès que possible à la situation constatée;
2° à l’égard de la société holding d’assurance ou de la
compagnie financière mixte entreprise mère de droit belge,
les mesures visées aux articles 508, § 1er et 517, § 1er, 1° à 5°
qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible
à la situation constatée.
593
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Indien de Bank in het in het eerste lid bedoelde geval niet
de groepstoezichthouder is, neemt zij de in dit lid bedoelde
maatregelen respectievelijk ten aanzien van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding of
de gemengde financiële holding, op verzoek van de groeps-
toezichthouder of op eigen initiatief beweging, rekening
houdend met de bevindingen van de groepstoezichthouder
met betrekking tot de naleving van de bepalingen die van
toepassing zijn op die entiteiten.
Indien nodig coördineert de Bank de met toepassing
van dit artikel genomen maatregelen met de betrokken toe-
zichthouders, met inbegrip van, naargelang het geval, de
groepstoezichthouder.
Art. 442
Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoe-
zichthouder, vaststelt dat de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België
die in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau
zijn betrokken, de voorschriften van Richtlijn 2009/138/EG
of van haar uitvoeringsmaatregelen niet naleven, of indien
die voorschriften in acht worden genomen maar de groeps-
solvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de
intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële
positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen bedreigen, deelt zij haar bevindingen mee aan
de toezichthouder van de lidstaat waar, naargelang van het
geval, de deelnemende moederverzekerings- of -herverze-
keringsonderneming of de moederverzekeringsholding of de
gemengde financiële moederholding, haar zetel heeft, opdat
deze toezichthouder de in zijn nationale wetgeving bepaalde
maatregelen neemt die nodig zijn om de vastgestelde situatie
zo spoedig mogelijk recht te zetten.
Afdeling IV
Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings
Art. 443
Onverminderd artikel 348 zijn de artikelen 39, 40, 41, 45,
§ 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het direc-
tiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en
4, 46, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van
het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan,
en §§ 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 93 et 94 eveneens van
overeenkomstige toepassing op alle verzekeringsholdings
naar Belgisch recht en alle gemengde financiële holding
naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn
betrokken.
Onverminderd artikel 441 zijn de artikelen 508, § 1 en
517 van toepassing op de verzekeringsholding naar Belgisch
recht en op de gemengde financiële holding naar Belgisch
recht bij overtreding van de bepalingen van het eerste lid.
Lorsque, dans la situation visée à l’alinéa 1er, la Banque
n’est pas le contrôleur du groupe, elle prend les mesures qui y
sont visées, respectivement, à l’égard de l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ou de la société holding d’assurance
ou de la compagnie financière mixte, à la demande du contrô-
leur du groupe ou de sa propre initiative, tenant compte des
constatations formulées par le contrôleur du groupe quant au
respect des dispositions applicables à ces entités.
S’il y a lieu, la Banque coordonne les mesures prises en
application du présent article avec les autorités de contrôle
concernées, en ce compris, selon le cas, avec le contrôleur
du groupe.
Art. 442
Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe,
constate que les entreprises d’assurance ou de réassurance
ayant leur siège social dans un État membre autre que la
Belgique, et soumises à un contrôle au niveau du groupe
qu’elle est chargée d’exercer, ne se conforment pas aux
exigences prévues par la Directive 2009/138/CE ou par ses
mesures d’exécution, ou lorsque ces exigences sont respec-
tées mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être
compromise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les
concentrations de risques menacent la situation financière
desdites entreprises d’assurance ou de réassurance, elle
communique ses constatations à l’autorité de contrôle de
l’État membre dans lequel, selon le cas, l’entreprise d’assu-
rance ou de réassurance participante ou la société holding
d’assurance ou la compagnie financière mixte entreprise
mère a son siège social, afin que cette autorité de contrôle
prenne les mesures prévues par sa législation nationale qui
sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à
la situation constatée.
Section IV
Sociétés holding d’assurance et compagnies financières
mixtes
Art. 443
Sans préjudice de l’article 348, les articles 39, 40, 41, 45,
§ 1er, étant entendu qu’au moins trois membres du comité de
direction sont membres de l’organe légal d’administration, et
§§ 3 et 4, 46, § 1er, étant entendu qu’au moins trois membres
du comité de direction sont membres de l’organe légal d’admi-
nistration, et §§ 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 93 et 94 sont
applicables par analogie à toute société holding d’assurance
de droit belge et toute compagnie financière mixte de droit
belge incluses dans un contrôle au niveau du groupe.
Sans préjudice de l’article 441, les articles 508, § 1er et
517 sont applicables à la société holding d’assurance de droit
belge et à la compagnie financière mixte de droit belge en cas
de violation des dispositions visées à l’alinéa 1er.
594
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 444
In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de
Bank de lijst op van de verzekeringsholdings die betrokken
zijn in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau.
Zij maakt deze lijst over aan de toezichthouders van de
andere lidstaten, aan EIOPA en aan de Europese Commissie.
Afdeling V
Moederondernemingen met zetel in een derde land
Art. 445
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
als moederonderneming een verzekeringsholding, een ge-
mengde financiële holding van een derde land of een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land
heeft, verifieert de Bank, indien zij de toezichthouder is die
de groepstoezichthouder zou zijn indien de criteria van artikel
247, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing waren
(hierna “de fungerend groepstoezichthouder” genoemd) of
deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming onder-
worpen is aan een door een toezichthouder van een derde
land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht
waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet voor de deel-
nemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
of voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of
een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat is.
De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde verificatie
wanneer de Europese Commissie geen gedelegeerde han-
deling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 260, lid 3 of
5 van Richtlijn 2009/138/EG om te bepalen of het prudentieel
regime van het betrokken derde land gelijkwaardig is aan
dat waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet. Zij
doet dit op verzoek van de moederonderneming of van de
dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming of op
haar eigen initiatief.
Voor de in het tweede lid bedoelde verificatie wordt de
Bank, in haar hoedanigheid van fungerend groepstoezicht-
houder, bijgestaan door EIOPA overeenkomstig artikel 33, lid
2 van Verordening nr. 1094/2010. Zij raadpleegt de betrokken
toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardig-
heid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de
criteria die overeenkomstig artikel 260, lid 2 van Richtlijn
2009/138/EG zijn vastgesteld.
In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthouder
neemt de Bank ten aanzien van een derde land geen enkel
besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten
aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks
noodzakelijk is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de
toezichtsregeling die is vastgelegd in Richtlijn 2009/138/EG
of in de toezichtsregeling van het derde land.
Art. 444
La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, établit
la liste des sociétés holding d’assurance incluses dans le
contrôle au niveau du groupe qu’elle exerce.
Elle communique cette liste aux autorités de contrôle
des autres États membres, à l’EIOPA et à la Commission
européenne.
Section V
Entreprises mères ayant leur siège social dans un pays
tiers
Art. 445
Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance a
pour entreprise mère une société holding d’assurance, une
compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, la Banque,
lorsqu’elle est l’autorité de contrôle qui jouerait le rôle de
contrôleur du groupe si les critères énoncés à l’article 247,
paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE devaient s’appli-
quer (ci-après dénommé “contrôleur f.f. du groupe”), vérifie si
cette entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise
à un contrôle par une autorité de pays tiers, équivalent à
celui prévu par le Titre III de la Directive 2009/138/CE pour
les entreprises d’assurance et de réassurance participantes
ou les entreprises d’assurance et de réassurance dont
l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou
une compagnie financière mixte dont le siège social est situé
dans un État membre.
La Banque procède à la vérification visée à l’alinéa 1er
lorsque la Commission européenne n’a pas adopté d’acte
délégué conformément à l’article 260, paragraphe 3 ou
5 de la Directive 2009/138/CE déterminant l’équivalence du
régime prudentiel du pays tiers concerné, à celui établi par le
Titre III de la Directive 2009/138/CE. Elle agit à la demande
de l’entreprise mère ou de l’entreprise d’assurance ou de
réassurance filiale, ou de sa propre initiative.
Aux fins de la vérification prévue à l’alinéa 2, la Banque, en
sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, est assistée par l’EIOPA
conformément à l’article 33, paragraphe 2, du Règlement
n° 1094/2010. Elle consulte les autorités de contrôle concer-
nées avant de se prononcer sur l’équivalence. La décision
est prise sur la base des critères adoptés en vertu de l’article
260, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE.
La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe ne
prend aucune décision à l’égard d’un pays tiers qui s’oppose
à une décision prise antérieurement à l’égard dudit pays
tiers, à moins qu’il ne soit nécessaire de prendre en compte
des modifications significatives dans le régime de contrôle
instauré par la Directive 2009/138/CE ou dans le régime de
contrôle du pays tiers.
595
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 446
Overeenkomstig artikel 260, lid 1, vierde alinea van Richtlijn
2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en
om haar bijstand verzoeken, overeenkomstig artikel 19 van
Verordening nr. 1094/2010, wanneer zij het oneens is met het
door de fungerend groepstoezichthouder genomen besluit
over de gelijkwaardigheid van de regeling voor het prudentieel
toezicht van een derde land.
Art. 447
Wanneer er sprake is van gelijkwaardig toezicht in de
zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, vertrouwt de
Bank op het gelijkwaardige toezicht op groepsniveau dat
wordt uitgeoefend door de toezichthouders van het derde
land, met dien verstande dat de artikelen 441 en 442 en de
Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk van overeenkomstige
toepassing zijn op de samenwerking met de toezichthouders
van derde landen.
Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de Europese
Commissie overeenkomstig artikel 260, lid 7 van Richtlijn
2009/138/EG heeft vastgesteld dat er sprake is van tijdelijke
gelijkwaardigheid, tenzij er in een lidstaat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming is met een balanstotaal dat gro-
ter is dan het balanstotaal van de moederonderneming in een
derde land. In dat geval wordt de functie van groepstoezicht-
houder uitgeoefend door de fungerend groepstoezichthouder.
Art. 448
§ 1. Indien er geen sprake is van gelijkwaardig toezicht
in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, past de
Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, op
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan
de moederonderneming een verzekeringsholding, een ge-
mengde financiële holding van een derde land of een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land
is, op overeenkomstige wijze de bepalingen toe die door of
krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd.
De in de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk bedoelde
algemene beginselen en methodes zijn van toepassing op het
niveau van de verzekeringsholding, de gemengde financiële
holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
van het derde land.
Uitsluitend voor de berekening van de groepssolvabi-
liteit wordt de moederonderneming behandeld alsof het
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming was die
onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als die van de
artikelen 140 tot 150, wat het voor de dekking van het solvabi-
liteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen
betreft en aan:
1° een overeenkomstig de beginselen van artikel 366 be-
paald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzeke-
ringsholding of een gemengde financiële holding betreft;
Art. 446
Conformément à l’article 260, paragraphe 1er, alinéa 4 de
la Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA
et solliciter son assistance, conformément à l’article 19 du
Règlement no 1094/2010, lorsqu’elle est en cas de désaccord
avec la décision prise par le contrôleur f.f. du groupe sur
l’équivalence du régime de contrôle prudentiel d’un pays tiers.
Art. 447
En cas d’équivalence de contrôle, au sens de l’article
260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque s’appuie sur le
contrôle au niveau du groupe exercé de façon équivalente par
les autorités de pays tiers, étant entendu que les articles 441 et
442 ainsi que les Sections III et IV du présent Chapitre sont
applicables par analogie à la coopération avec les autorités
de pays tiers.
L’alinéa 1er est également applicable en cas d’équivalence
temporaire déterminée par la Commission européenne confor-
mément à l’article 260, paragraphe 7 de la Directive 2009/138/
CE, sauf si une entreprise d’assurance ou de réassurance
située dans un État membre présente un bilan total supérieur
au bilan total de l’entreprise mère située dans un pays tiers.
Dans ce cas, la tâche du contrôleur du groupe est exercée
par le contrôleur f.f. du groupe.
Art. 448
§ 1er. À défaut de contrôle équivalent au sens de l’article
260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de
contrôleur du groupe, applique à l’entreprise d’assurance ou
de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding
d’assurance, une compagnie financière mixte d’un pays tiers
ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays
tiers, de manière analogue les dispositions prévues par ou
en vertu du présent Chapitre.
Les principes généraux et méthodes visés aux Sections Ire
à IV du présent Chapitre s’appliquent au niveau de la société
holding d’assurance, de la compagnie financière mixte ou de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance du pays tiers.
Aux seules fins du calcul de la solvabilité du groupe, l’entre-
prise mère est considérée comme une entreprise d’assurance
ou de réassurance soumise aux mêmes conditions que celles
établies aux articles 140 à 150, en ce qui concerne les fonds
propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis
et à l’une des exigences suivantes:
1° un capital de solvabilité requis déterminé conformément
aux principes de l’article 366 s’il s’agit d’une société holding
d’assurance ou d’une compagnie financière mixte;
596
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° een overeenkomstig de beginselen van artikel 367 be-
paald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming van een derde land
betreft.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de Bank, in haar
hoedanigheid van groepstoezichthouder, gemachtigd om na
overleg met de betrokken toezichthouders, andere methodes
toepassen die een passend toezicht op de in het eerste lid
bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming
waarborgen en de mogelijkheid bieden de doeleinden van
het toezicht op groepsniveau als omschreven in Titel III van
Richtlijn 2009/138/EG te verwezenlijken.
De Bank kan meer bepaald verlangen dat een verzeke-
ringsholding met zetel in de Europese Economische Ruimte
of een gemengde financiële holding met zetel in de Europese
Economische Ruimte wordt opgericht, en op de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen in de groep aan het hoofd
waarvan deze verzekeringsholding of gemengde financiële
holding staat, dit Hoofdstuk toepassen.
De Bank deelt aan de betrokken toezichthouders en aan de
Europese Commissie alle besluiten mee die overeenkomstig
deze paragraaf worden genomen.
Art. 449
Wanneer de in artikel 445 bedoelde moederonderneming
zelf een dochteronderneming van een verzekeringsholding of
een gemengde financiële holding met zetel in een derde land,
dan wel een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
van een derde land is, voert de Bank als fungerend groeps-
toezichthouder de verificatie als bedoeld in artikel 445 alleen
uit op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die
een verzekeringsholding van een derde land, een gemengde
financiële holding van een derde land of een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van een derde land is.
In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthou-
der kan de Bank evenwel, bij gebreke van een gelijkwaardig
toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/
EG, een nieuwe verificatie uitvoeren op een lager niveau
waar er een moederonderneming van verzekerings- of her-
verzekeringsondernemingen bestaat, ongeacht of het een
verzekeringsholding van een derde land, een gemengde
financiële holding van een derde land of een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming van een derde land betreft. Zij
legt haar besluit uit aan de groep.
Artikel 448 is van overeenkomstige toepassing.
2° un capital de solvabilité requis déterminé conformément
aux principes de l’article 367 s’il s’agit d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la Banque, en sa
qualité de contrôleur du groupe, est habilitée, après consulta-
tion des autorités de contrôle concernées, à appliquer d’autres
méthodes garantissant un contrôle approprié de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance visée au paragraphe 1er et
permettant la réalisation des objectifs de contrôle au niveau du
groupe conformément au Titre III de la Directive 2009/138/CE.
La Banque peut, en particulier, exiger la constitution d’une
société holding d’assurance ayant son siège social dans
l’Espace économique européen ou d’une compagnie finan-
cière mixte ayant son siège social dans l’Espace économique
européen et appliquer le présent Chapitre aux entreprises
d’assurance ou de réassurance du groupe dirigé par cette
société holding d’assurance ou cette compagnie financière
holding mixte.
La Banque communique aux autorités de contrôle concer-
nées et à la Commission européenne toute décision prise en
application du présent paragraphe.
Art. 449
Lorsque l’entreprise mère visée à l’article 445 est elle-
même filiale d’une société holding d’assurance ou d’une
compagnie financière mixte ayant son siège social dans un
pays tiers ou d’une entreprise d’assurance ou de réassu-
rance d’un pays tiers, la Banque, en sa qualité de contrôleur
f.f. du groupe, procède à la vérification prévue par l’article
445 uniquement au niveau de l’entreprise mère supérieure
qui est une société holding d’assurance d’un pays tiers, une
compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise
d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers.
La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, peut
toutefois, en l’absence d’un contrôle équivalent au sens de
l’article 260 de la Directive 2009/108/CE, procéder à une nou-
velle vérification à un niveau inférieur où existe une entreprise
mère d’entreprises d’assurance ou de réassurance, que ce
soit au niveau d’une société holding d’assurance d’un pays
tiers, d’une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou
d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays
tiers. Elle explique sa décision au groupe.
L’article 448 est applicable par analogie.
597
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling VI
Gemengde verzekeringsholdings
Art. 450
§ 1. Wanneer een of meer verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen naar Belgisch recht als moederonder-
neming een gemengde verzekeringsholding hebben, kan de
Bank alle gegevens en inlichtingen vragen die zij nodig acht
voor de uitoefening van haar toezicht op individuele basis
en op groepsniveau, op deze verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde
verzekeringsholding, hetzij via de dochterverzekerings- of
herverzekeringsondernemingen. In dit laatste geval blijft de
gemengde verzekeringsholding samen met de rapporterende
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verantwoorde-
lijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte
informatie.
Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde verzeke-
ringsholding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt
zij over een passende administratieve en boekhoudkundige
organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en
conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de
te verstrekken gegevens en inlichtingen.
§ 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 ver-
strekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.
Indien de gemengde verzekeringsholding of een van haar
dochterondernemingen in een andere lidstaat dan België is
gevestigd, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie
in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel
429. Indien die gemengde verzekeringsholding of een van de
dochterondernemingen daarvan een kredietinstelling of een
beleggingsonderneming is, kan ook de procedure van artikel
420 worden gevolgd.
Wanneer de gemengde verzekeringsholding of een van
haar dochterondernemingen haar zetel buiten de Europese
Economische Ruimte heeft, worden de modaliteiten voor
de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd
in samenwerkingsovereenkomsten tussen de Bank en de
betrokken autoriteiten van derde landen, in voorkomend
geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van
22 februari 1998, of in samenwerkingsovereenkomsten die
de Europese Commissie heeft gesloten overeenkomstig het
bepaalde in artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG.
§ 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 ver-
strekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juist-
heid en volledigheid:
1° wanneer de rapporterende onderneming een vennoot-
schap naar Belgisch recht is, door de erkend commissaris
van deze onderneming;
2° wanneer de rapporterende onderneming haar zetel
buiten België heeft, door de erkend commissaris van de
Section VI
Sociétés holding mixtes d’assurance
Art. 450
§ 1er. Lorsqu’une ou plusieurs entreprises d’assurance ou
de réassurance de droit belge ont pour entreprise mère une
société holding mixte d’assurance, la Banque peut demander
toutes les données et informations qu’elle juge nécessaires
pour l’exercice de son contrôle sur base individuelle et au
niveau du groupe, de ces entreprises d’assurance ou de
réassurance, soit directement à la société holding mixte
d’assurance, soit par l’intermédiaire des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance filiales. Dans ce dernier cas, la
société holding mixte d’assurance demeure, avec l’entreprise
d’assurance ou de réassurance faisant rapport, responsable
du caractère correct et de la communication ponctuelle des
informations fournies.
Si la société holding mixte d’assurance visée à l’alinéa
1er est une entreprise de droit belge, elle dispose d’une
organisation administrative et comptable et d’un contrôle
interne adéquats, afin de garantir que les informations et
renseignements à fournir soient corrects et conformes aux
règles applicables.
§ 2. La Banque peut contrôler sur place les données et
informations fournies en application du paragraphe 1er.
Si la société holding mixte d’assurance ou une de ses
filiales est établie dans un État membre autre que la Belgique,
le contrôle sur place des informations se fait selon la procé-
dure énoncée à l’article 429. Si cette société holding mixte
d’assurance ou une de ses filiales est un établissement de
crédit ou une entreprise d’investissement, la procédure énon-
cée à l’article 420 peut également être appliquée.
Lorsque la société holding mixte d’assurance ou une de
ses filiales a son siège social en dehors de l’Espace écono-
mique européen, les modalités d’exécution des dispositions
du paragraphe 1er sont réglées dans des accords de coopé-
ration que la Banque conclut avec les autorités de pays tiers
concernés, le cas échéant conformément à l’article 36/16,
§ 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission euro-
péenne a conclus conformément aux dispositions de l’article
264 de la Directive 2009/138/CE.
§ 3. La Banque peut faire vérifier le caractère correct et
complet des informations et renseignements communiqués
en application du paragraphe 1er:
1° lorsque l’entreprise faisant rapport est une société de
droit belge, par le commissaire de cette entreprise;
2° lorsque l’entreprise faisant rapport a établi son siège
social en dehors de la Belgique, par le commissaire agréé de
598
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht die een dochteronderneming van de gemengde verze-
keringsholding is.
Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van
gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor
de erkend commissarissen het recht bedoeld in artikel 440 op
overeenkomstige wijze van toepassing.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en inlichtingen
moeten de Bank met name in staat stellen de volgende as-
pecten te beoordelen: de soliditeit van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, de invloed van de gemengde
verzekeringsholding op het beleid van de dochterverzeke-
rings- of -herverzekeringsondernemingen, en de transacties
tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en
de gemengde verzekeringsholding.
§ 5. De in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen beschikken over passende risicobe-
heerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip
van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen,
met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking
en controle van transacties met hun gemengde moederver-
zekeringsholding en de met haar verbonden ondernemingen.
Zij rapporteren alle belangrijke transacties met deze entiteiten.
Deze procedures en belangrijke transacties worden door de
Bank gecontroleerd.
De artikelen 390, 391, 417 tot 430, 441, leden 1, 2°, 2 en 3,
en 442 zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien de aard en de omvang van de in het eerste lid be-
doelde transacties een bedreiging vormen voor de financiële
positie van de dochterverzekerings- of -herverzekeringson-
derneming naar Belgisch recht, neemt de Bank passende
maatregelen. Onverminderd eventuele andere maatregelen
kan zij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet.
HOOFDSTUK III
Aanvullend conglomeraatstoezicht
Afdeling I
Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het
aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Toepassingsgevallen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht
Art. 451
In de mate en op de wijze bepaald in dit Hoofdstuk en de
uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge que
la société holding mixte d’assurance a pour filiale.
En ce qui concerne les informations et renseignements
émanant de compagnies mixtes et de leurs filiales, le droit
visé à l’article 440 s’applique par analogie aux commissaires
agréés.
§ 4. Les informations et renseignements visés au para-
graphe 1er doivent permettre à la Banque d’apprécier, notam-
ment, la solidité des entreprise d’assurance ou de réassu-
rance, l’influence de la société holding mixte d’assurance sur
la gestion des entreprises d’assurance ou de réassurance
filiales, et les opérations des entreprises d’assurance ou de
réassurance avec la société holding mixte d’assurance.
§ 5. Les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées au paragraphe 1er disposent de processus de gestion
des risques, ainsi que de mécanismes de contrôle interne
adéquats, y compris de procédures saines d’information et
de comptabilité, afin de détecter, de mesurer, de suivre et de
contrôler de manière appropriée les transactions effectuées
avec leur société holding mixte d’assurance mère et les entre-
prises liées à celle-ci. Elles déclarent toutes les transactions
d’importance significative effectuées avec ces entités. Ces
procédures et transactions d’importance significative font
l’objet d’un contrôle par la Banque.
Les articles 390, 391, 417 à 430, 441, alinéas 1er, 2°, 2 et
3, et 442 sont applicables par analogie.
Si la nature et l’ampleur des transactions visées à l’ali-
néa 1er compromettent la situation financière de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale, la
Banque prend des mesures appropriées. Sans préjudice
d’autres mesures éventuelles, elle peut exiger qu’il soit mis
fin à ces opérations.
CHAPITRE III
Surveillance complémentaire des conglomérats
Section Ire
Cas d’application, portée et niveaux de la surveillance
complémentaire des conglomérats
Sous-section Ire
Cas d’application de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 451
Dans la mesure et selon les modalités prévues par le pré-
sent Chapitre et ses arrêtés et règlements d’exécution, les
entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge:
599
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° die aan het hoofd staan van een financieel conglome-
raat; of
2° met als moederonderneming een gemengde financiële
holding met zetel in een lidstaat
onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht.
Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen doch-
teronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde
gemengde financiële holding, is het aanvullende conglome-
raatstoezicht alleen van toepassing op de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht voor zover
de Bank, met toepassing van artikel 471 bevoegd is voor het
aanvullende conglomeraatstoezicht.
Het aanvullende conglomeraatstoezicht doet geen afbreuk
aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde on-
derneming die binnen de reikwijdte van het het aanvullende
conglomeraatstoezicht valt, behoudens andersluidende be-
palingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd.
Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties
van het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling
van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
Art. 452
§ 1. Om te bepalen of een groep een financieel conglo-
meraat is in de zin van artikel 340, 2°, zijn de in de volgende
paragrafen bepaalde drempels van toepassing.
§ 2. De activiteiten van een groep worden geacht in
hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin
van artikel 340, 2°, b), i), indien de verhouding tussen het
gezamenlijk balanstotaal van de tot de financiële sector
behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke
balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen
groter is dan 40 %.
§ . 3. De activiteiten van de tot een groep behorende on-
dernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht
significant te zijn in de zin van artikel 340, 2°, a), iii) of b), iii),
indien:
1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee verhoudin-
gen groter is dan 10 %: de verhouding tussen het gezamenlijke
balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren
tot diezelfde financiële sector en het gezamenlijke balansto-
taal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de
financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke
solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep
die behoren tot diezelfde financiële sector en de gezamen-
lijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende
ondernemingen uit de financiële sector;
2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemin-
gen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep
groter is dan 6 miljard euro;
1° qui sont à la tête d’un conglomérat financier; ou
2° dont l’entreprise mère est une société financière mixte
ayant son siège dans un état membre
sont soumises à une surveillance complémentaire des
conglomérats.
Si plusieurs entreprises réglementées sont des filiales
de la compagnie financière mixte visée à l’alinéa 1er, 2°, la
surveillance complémentaire des conglomérats s’applique
uniquement à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
de droit belge, pour autant que la Banque soit compétente
pour la surveillance complémentaire des conglomérats en
application de l’article 471.
La surveillance complémentaire des conglomérats ne porte
pas préjudice au contrôle individuel de toute entreprise régle-
mentée qui relève de la portée de la surveillance complémen-
taire des conglomérats, sauf dispositions contraires prévues
par ou en vertu du présent Chapitre. Il peut toutefois être tenu
compte des implications de la surveillance complémentaire
des conglomérats dans la détermination du contenu et des
modalités du contrôle individuel des entreprises d’assurance
ou de réassurance.
Art. 452
§ 1er. Pour déterminer si un groupe est un conglomérat
financier au sens de l’article 340, 2°, les seuils définis aux
paragraphes suivants sont d’application.
§ 2. Les activités d’un groupe sont réputées s’exercer prin-
cipalement dans le secteur financier au sens de l’article 340,
2°, b), i), si le rapport entre le total du bilan commun des
entreprises du groupe appartenant au secteur financier et
le total du bilan commun de l’ensemble des entreprises du
groupe dépasse 40 %.
§ 3. Les activités des entreprises d’un groupe qui font
partie du même secteur financier sont réputées importantes
au sens de l’article 340, 2°, a), iii) ou b), iii) si
1° soit la moyenne des deux rapports suivants est supé-
rieure à 10 %: le rapport entre le total du bilan commun
de l’ensemble des entreprises du groupe qui font partie
dudit même secteur financier et le total du bilan commun de
l’ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au
secteur financier, et le rapport entre les exigences de solva-
bilité communes de l’ensemble des entreprises du groupe
qui font partie dudit même secteur financier et les exigences
de solvabilité communes de l’ensemble des entreprises du
groupe qui appartiennent au secteur financier;
2° soit le total du bilan commun des entreprises qui font
partie du secteur financier le moins important au sein du
groupe est supérieur à 6 milliards d’euros.
600
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° worden de banksector en de beleggingsdienstensector
samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde
financiële sector;
2° wordt onder de kleinste financiële sector in een finan-
cieel conglomeraat verstaan, de financiële sector met het
kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste financiële
sector in een financieel conglomeraat, de sector met het
grootste gemiddelde.
§ 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onder-
linge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel
conglomeraat aan te merken of kunnen besluiten de bepa-
lingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/
EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de
werkingssfeer van het aanvullende conglomeraatstoezicht
brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen
in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglome-
raatstoezicht onnodig, ongepast of misleidend is, in de hierna
volgende gevallen:
1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, 2° bedoelde
drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1° be-
doelde gemiddelde onder de 10 % blijft;
2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde
gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in para-
graaf 3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag van 6 miljard euro blijft.
Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid
worden aan de andere bevoegde autoriteiten meegedeeld,
en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden,
door de bevoegde autoriteiten openbaar gemaakt.
§ 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kunnen
de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om:
1° voor de berekening van de drempels een onderneming
buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met
toepassing van artikel 458, § 2 kunnen worden weggelaten
voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten, tenzij de
entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er
aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft
om zich aan de regulering te onttrekken;
2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels van de
paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie opeenvolgende
jaren aan voldaan heeft, als een financieel conglomeraat aan
te merken teneinde een plotse verandering van toezichtregime
te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder ge-
nomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante
wijzigingen in de structuur van de groep;
3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten
beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn
voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat
Pour l’application de l’alinéa 1er:
1° le secteur bancaire et le secteur des services d’inves-
tissement sont agrégés et considérés comme faisant partie
du même secteur financier;
2° le secteur financier le moins important au sein d’un
conglomérat financier s’entend du secteur financier qui pré-
sente la moyenne la plus basse et le secteur financier le plus
important au sein d’un conglomérat financier s’entend du
secteur qui présente la moyenne la plus élevée.
§ 4. Les autorités compétentes relevantes peuvent décider,
d’un commun accord, de ne pas considérer un groupe comme
un conglomérat financier ou de ne pas appliquer les dispo-
sitions des articles 7, 8 et 9 et 9bis de la Directive 2002/87/
CE, si elles estiment que l’inclusion du groupe dans le champ
d’application de la surveillance complémentaire des conglo-
mérats ou l’application de ces dispositions n’est pas néces-
saire, ou inappropriée ou source de confusion eu égard aux
objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats
et ce, dans les cas suivants:
1° si le groupe atteint le seuil visé au paragraphe 3, alinéa
1er, 2°, mais que la moyenne visée au paragraphe 3, alinéa
1er, 1° ne dépasse pas les 10 %;
2° si le groupe atteint la moyenne visée au paragraphe 3,
alinéa 1er, 1°, mais que le secteur le moins important reste
sous le montant de 6 milliards d’euros visé au paragraphe 3,
alinéa 1er, 2°.
Les décisions qui sont prises en application de l’alinéa
1er sont communiquées aux autres autorités compétentes, et
celles-ci sont publiées, sauf circonstances exceptionnelles,
par les autorités compétentes.
§ 5. Pour l’application des paragraphes 2 à 4, les autori-
tés compétentes relevantes peuvent décider d’un commun
accord:
1° de ne pas inclure une entreprise dans le calcul des
seuils, pour la même raison que cette entreprise peut, en
application de l’article 458, § 2 ne pas être incluse dans le
calcul des exigences de solvabilité, sauf dans le cas où l’entité
a été transférée d’un État membre dans un pays tiers et où
il y a des indications qu’elle a changé d’implantation à seule
fin d’éviter la réglementation;
2° de considérer comme un conglomérat financier un
groupe qui ne satisfait plus aux seuils prévus aux para-
graphes 2 à 4, mais qui y a satisfait pendant trois années
consécutives, de manière à éviter un brusque changement
de régime de surveillance, ou de prendre une autre décision,
voire de reconsidérer une décision antérieure, en cas de
modification importante et durable de la structure du groupe;
3° d’exclure une ou plusieurs participations dans le secteur
le moins important si ces participations sont déterminantes
pour l’identification d’un groupe en tant que conglomérat
601
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op
de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Indien een groep overeenkomstig de paragrafen 2 tot
4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, worden de
in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen
genomen op basis van een voorstel van de Bank indien deze
coördinator is.
§ 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf
3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde autoriteiten
in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het
gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door,
of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende an-
dere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere
parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht een betere weergave zijn van
het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn: de
inkomensstructuur, activiteiten buiten balanstelling van de
groep en totaal beheerd vermogen. De Bank bepaalt in haar
hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen
te worden berekend.
§ 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht
onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan
een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde
drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende
jaren als volgt vervangen: 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en
6 miljard euro wordt 5 miljard euro, om plotse veranderingen
van toezichtregime te voorkomen.
In afwijking van het eerste lid kan de Bank, in haar hoeda-
nigheid van coördinator, na instemming van de andere rele-
vante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels
niet of niet meer toe te passen in de voornoemde periode van
drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het
aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het
gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het
geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende
ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaar-
rekening, volgens de voorschriften bepaald door de Bank,
indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep
deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het
bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geag-
gregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor
een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde
jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor
de berekeningen.
De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden
berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving
die op de betrokken gereglementeerde ondernemingen van
toepassing is.
§ 9. De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis
de vrijstellingen van de toepassing van het aanvullende con-
glomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren
waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen
van financiële groepen.
financier et si, collectivement, elles présentent un intérêt
négligeable au regard des objectifs de la surveillance
complémentaire.
Si un groupe est qualifié de conglomérat financier confor-
mément aux paragraphes 2 à 4, les décisions visées à l’ali-
néa 1er du présent paragraphe sont prises sur la base d’une
proposition de la Banque si elle est coordinateur.
§ 6. Pour l’application du paragraphe 2 et du paragraphe 3,
alinéa 1er, 1°, les autorités compétentes relevantes peuvent,
dans des cas exceptionnels et d’un commun accord, rem-
placer ou compléter le paramètre fondé sur le total du bilan
commun par l’un des paramètres suivants ou par plusieurs
d’entre eux, si elles estiment que ces paramètres, eu égard
aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglo-
mérats, reproduisent mieux l’activité du groupe; ces para-
mètres sont la structure des revenus, les activités hors bilan
du groupe et les actifs totaux sous gestion. La Banque, en
sa qualité de coordinateur, définit le mode de calcul de ces
paramètres.
§ 7. Si un conglomérat financier soumis à la surveillance
complémentaire ne satisfait plus à un ou plusieurs des seuils
fixés aux paragraphes 2 à 4, ces seuils sont remplacés pour
les trois années suivantes, par les seuils suivants: 40 %
devient 35 %, 10 % devient 8 % et 6 milliards d’euros devient
5 milliards d’euros, afin d’éviter de brusques changements
de régime.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque, en sa qualité de
coordinateur, peut décider, avec l’accord des autres autorités
compétentes relevantes, de ne pas ou de ne plus appliquer
ces seuils inférieurs durant la période de trois ans précitée, en
tenant compte des objectifs de la surveillance complémentaire
des conglomérats.
§ 8. Les calculs relatifs au total du bilan commun, tels que
visés dans le présent article, sont effectués sur la base du
total du bilan agrégé des entreprises faisant partie du groupe,
en partant de leurs comptes annuels les plus récents, selon
les règles définies par la Banque si elle est coordinateur. Les
entreprises dans lesquelles le groupe détient des participa-
tions sont prises en compte à concurrence du montant de leur
total de bilan qui correspond à la part proportionnelle agrégée
détenue par le groupe. Si, pour un groupe déterminé ou des
parties du groupe, des comptes consolidés sont établis, les
calculs sont effectués à partir de ces comptes.
Les exigences de solvabilité visées dans le présent article
sont calculées selon les dispositions de la réglementation
sectorielle qui est applicable aux entreprises réglementées
concernées.
§ 9. Les autorités compétentes réévaluent sur une base
annuelle les dispenses à l’application de la surveillance
complémentaire du conglomérat et examinent les indicateurs
quantitatifs prévus au présent article ainsi que les évaluations,
fondées sur les risques, des groupes financiers.
602
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 453
§ 1. De Bank gaat na of verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die overeenkomstig het Belgisch recht een
vergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een finan-
cieel conglomeraat. Daartoe werkt de Bank nauw samen met
de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende
gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het
Europees recht een vergunning hebben verkregen. Indien de
Bank van oordeel is dat de betrokken groep een financieel
conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglomeraat-
stoezicht onderworpen is, dan deelt zij dit mee aan de andere
relevante bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité.
§ 2. In haar hoedanigheid van coördinator, stelt de Bank de
moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een
moederonderneming, de gereglementeerde onderneming met
het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector
in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een
financieel conglomeraat, alsmede van haar aanwijzing als co-
ordinator. Zij informeert hierover eveneens de bevoegde auto-
riteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde
ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een
vergunning hebben verkregen, de bevoegde autoriteiten van
de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel
heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo zij dit noodzakelijk
acht in het licht van de doelstellingen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen.
Onderafdeling II
Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 454
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen voldoen aan de vereisten van de artike-
len 459 tot 467 op het niveau van het financieel conglomeraat.
Deze reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht
stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglemen-
teerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de
groep als gedefinieerd in artikel 340, 1° vertrekkende vanuit de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het hoofd
van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde
financiële holding met zetel in de Europese Economische
Ruimte.
Art 455
Het aanvullende conglomeraatstoezicht heeft niet tot
gevolg dat op een gemengde financiële holding en op elke
andere in de reikwijdte van dit toezicht opgenomen onderne-
ming individueel toezicht wordt uitgeoefend.
Art. 453
§ 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance ou
de réassurance agréées conformément au droit belge, font
partie d’un conglomérat financier. Elle opère à cet effet en
étroite collaboration avec les autorités compétentes d’autres
entreprises réglementées appartenant à ce groupe qui sont
agréées conformément au droit européen. Si la Banque
estime que le groupe en question est un conglomérat financier
et que ce dernier Ne soit pas déjà soumis à une surveillance
complémentaire des conglomérats, elle en avise les autres
autorités compétentes relevantes et le comité mixte.
§ 2. La Banque, en sa qualité de coordinateur, informe
l’entreprise mère du groupe ou, à défaut d’entreprise mère,
l’entreprise réglementée qui affiche le total du bilan le plus
élevé dans le secteur financier le plus important du groupe,
du fait que le groupe a été identifié comme conglomérat
financier et qu’elle a été désignée comme coordinateur. Elle
en informe également les autorités compétentes des autres
entreprises réglementées appartenant à ce groupe qui sont
agréées conformément au droit européen, les autorités
compétentes de l’État dans lequel la compagnie financière
mixte a son siège social, le comité mixte, ainsi que, si elle
le juge nécessaire eu égard aux objectifs de la surveillance
complémentaire des conglomérats, les autorités de pays tiers.
Sous-section II
Portée de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 454
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées
à l’article 451 répondent aux exigences visées aux ar-
ticles 459 à 467 au niveau du conglomérat financier. Cette
portée de la surveillance complémentaire des conglomérats
correspond à toutes les entreprises, réglementées ou non,
qui font partie du groupe tel que défini à l’article 340, 1°, en
prenant comme point de départ l’entreprise d’assurance ou
de réassurance qui se situe à la tête du conglomérat financier
ou la compagnie financière mixte dont le siège est établi dans
l’Espace économique européen.
Art 455
La surveillance complémentaire des conglomérats
n’entraîne pas l’exercice d’un contrôle individuel sur une
compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise
reprise dans la portée de cette surveillance.
603
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling III
Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Art. 456
Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uitmaakt
van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvul-
lend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de Bank, in
haar hoedanigheid van coördinator, de in artikel 451 bedoelde
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel
uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen
van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doel-
stellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het
aanvullende conglomeraatstoezicht op het ander financieel
conglomeraat.
Afdeling II
Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Aanvullend solvabiliteitstoezicht
Art. 457
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend
solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Dit aanvul-
lend toezicht slaat op:
1° de naleving van het vereiste dat er steeds eigen
vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel
conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsver-
eisten; het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op
het niveau van het financieel conglomeraat worden berekend
volgens een van de methodes bepaald in Bijlage V, en met
naleving van de bepalingen en beginselen opgenomen in
Verordening 342/2014;
2° het passende karakter van de beheersprocedures
en de internecontroleprocedures met betrekking tot de
solvabiliteit van de groep, overeenkomstig het bepaalde in
Onderafdeling V van deze Afdeling;
3° het passende karakter van de strategieën inzake eigen
vermogen.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden ge-
controleerd door de Bank, in haar hoedanigheid van coör-
dinator, overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Zij
zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde berekening ten
minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van
de berekening en de voor de berekening benodigde gege-
vens worden aan haar voorgelegd door de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming, door de gemengde financiële
Sous-section III
Niveaux de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Art. 456
Lorsqu’un conglomérat financier fait lui-même partie
d’un autre conglomérat financier soumis à une surveillance
complémentaire des conglomérats, la Banque, en sa qua-
lité de coordinateur, peut exempter, en tout ou en partie,
les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à
l’article 451 qui font partie du sous-groupe, de la surveillance
complémentaire des conglomérats si les objectifs de cette
dernière sont atteints de manière suffisante par la surveillance
complémentaire exercée sur l’autre conglomérat financier.
Section II
Domaines de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Sous-section Ire
Surveillance complémentaire de la solvabilité
Art. 457
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à
l’article 451 sont soumises à une surveillance complémen-
taire de la solvabilité au niveau du groupe. La surveillance
complémentaire porte sur:
1° le respect de l’exigence que les fonds propres soient en
permanence disponibles au niveau du conglomérat financier
et au moins égaux aux exigences de solvabilité; les fonds
propres et les exigences de solvabilité au niveau du conglomé-
rat financier sont calculés selon l’une des méthodes définies
à l’Annexe V, et dans le respect des dispositions et principes
repris dans le Règlement 342/2014;
2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des
dispositifs de contrôle interne relatifs à la solvabilité du groupe,
conformément aux dispositions de la Sous-section V de la
présente Section;
3° le caractère adéquat des stratégies en matière de fonds
propres.
Les prescriptions visées à l’alinéa 1er relèvent du contrôle
de la Banque, en sa qualité de coordinateur, conformément
à la Section IV de ce Chapitre. Elle veille à ce que le calcul
visé à l’alinéa 1er soit effectué au moins une fois par an. Les
résultats du calcul et les données pertinentes sur lesquelles
il est fondé lui sont soumis par l’entreprise d’assurance ou de
réassurance, par la compagnie financière mixte, ou par une
entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier
604
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende
gereglementeerde onderneming die de Bank na overleg met
de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het finan-
cieel conglomeraat heeft aangewezen.
Art. 458
§ 1. In afwijking van de reikwijdte van het in artikel 454 be-
doelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden voor de
toepassing van artikel 457, eerste lid, 1° alle ondernemingen
in de groep die tot de financiële sector behoren, in het aanvul-
lende solvabiliteitstoezicht opgenomen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Bank in haar
hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande
gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte
van het aanvullende solvabiliteitstoezicht van artikel 457,
eerste lid, 1° te laten:
1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land
waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorge-
ven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale
regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde au-
toriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren
indien de doeltreffende uitoefening van hun toezichthoudende
taken wordt belemmerd;
2° indien de onderneming in het licht van de doeleinden
van het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglemen-
teerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te
verwaarlozen betekenis is;
3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming
in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglome-
raatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn.
Indien in het onder het eerste lid, 2° bedoelde geval ver-
scheidene ondernemingen uit te sluiten zijn, moeten deze
toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk
van niet te verwaarlozen betekenis zijn.
§ 3. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator,
van mening is dat een verzekerings- of herzekeringsonder-
neming niet zou mogen worden opgenomen in het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht met toepassing van paragraaf
2, eerste lid, 3°, raadpleegt zij de andere relevante bevoegde
autoriteiten voordat zij een besluit neemt, behoudens in
spoedeisende gevallen.
Onderafdeling II
Aanvullend toezicht op risicoconcentratie
Art. 459
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvul-
lend toezicht op de risicoconcentratie. Onverminderd de
désignée par la Banque après consultation des autres auto-
rités compétentes relevantes et du conglomérat financier.
Art. 458
§ 1er. Par dérogation à la portée de la surveillance com-
plémentaire des conglomérats visée à l’article 454, toutes
les entreprises du groupe, faisant partie du secteur financier,
relèvent de la surveillance complémentaire de la solvabilité
pour l’application de l’article 457, alinéa 1er, 1°.
§ 2. Par dérogation au 1er paragraphe, la Banque, en sa
qualité de coordinateur, peut décider, dans les cas suivants,
de ne pas inclure une entreprise donnée dans la portée
de la surveillance complémentaire de la solvabilité visée à
l’article 457, alinéa 1er, 1°:
1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers où des
obstacles juridiques empêchent le transfert des informations
nécessaires, sans préjudice des règles sectorielles faisant
obligation aux autorités compétentes de refuser l’agrément
lorsque l’exercice effectif de leur fonction de surveillance est
empêché;
2° lorsque l’entreprise présente un intérêt négligeable au
regard des objectifs que poursuit la surveillance complé-
mentaire des entreprises réglementées appartenant à un
conglomérat financier;
3° lorsque son inclusion est inappropriée ou risque d’in-
duire une confusion, au regard des objectifs de la surveillance
complémentaire des conglomérats.
Lorsque plusieurs entreprises sont à exclure dans le cas
visé à l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu toutefois de les inclure dès
lors que, collectivement, elles présentent un intérêt non
négligeable.
§ 3. Lorsque la Banque, en sa qualité de coordinateur,
estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne
devrait pas être incluse dans la surveillance complémentaire
des conglomérats par application du paragraphe 2, alinéa 1er,
3°, elle consulte les autres autorités compétentes relevantes
avant d’arrêter une décision, sauf en cas d’urgence.
Sous-section II
Surveillance complémentaire en matière de concentration
des risques
Art. 459
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à
l’article 451 sont soumises à une surveillance complémentaire
en matière de concentration des risques. Sans préjudice des
605
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bepalingen van Verordening […/2015], slaat dit aanvullende
toezicht op:
1° de identificatie en de rapportering van significante
risicoconcentraties;
2° het passend karakter van de beheersprocedures en
de internecontroleprocedures met betrekking tot de risico-
concentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in
Onderafdeling V van deze Afdeling.
Bij het toezicht wordt inzonderdheid aandacht besteed aan
de volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico
in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de
omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau
en de omvang van de risicoconcentratie.
Art. 460
§ 1. De Bank, stelt, in haar hoedanigheid van coördinator,
voor de toepassing van artikel 459, eerste lid, 1°, in overleg
met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raad-
pleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast
voor het identificeren en het rapporteren van elke significante
risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Zij legt
de drempels vast op basis van een of beide van volgende
parameters: het reglementaire eigen vermogen en de tech-
nische voorzieningen.
Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicocon-
centraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan
10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel
conglomeraat.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 459 kan de Bank,
in haar hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen
of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter
beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een
financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale
regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan zij
ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepa-
lingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van
het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk
de andere relevante bevoegde autoriteiten.
Onderafdeling III
Aanvullend toezicht op intragroeptransacties
Art. 461
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend
toezicht op de intragroeptransacties. Onverminderd de
bepalingen van Verordening […/2015], slaat dit aanvullende
toezicht op:
1° de identificatie en de rapportering van significante
intragroeptransacties;
dispositions reprises dans le Règlement […/2015], la surveil-
lance complémentaire porte sur:
1° l’identification et le reporting des concentrations de
risque importantes;
2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des
dispositifs de contrôle interne en matière de concentration
des riques du groupe conformément aux dispositions de la
Sous-section V de la présente Section.
La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants:
le risque dit de contagion au sein du groupe, l’existence de
conflits d’intérêts, les contournements de la réglementation
sectorielle, ainsi que le niveau et l’ampleur de la concentration
des risques.
Art. 460
§ 1er. La Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, pour
l’application de l’ article 459, alinéa 1er, 1°, en conceration avec
les autres autorités compétentes relevantes et après consul-
tation du conglomérat financier, les seuils pour l’identification
et le reporting de chaque concentration de risques importante
au sein du conglomérat financier. Elle détermine les seuils
sur la base des deux paramètres suivants ou de l’un de ces
paramètres seulement: les fonds propres réglementaires et
les provisions techniques.
Si aucun seuil n’a été fixé, les concentrations de risques
sont réputées importantes si elles excèdent 10 % de l’exi-
gence de solvabilité du conglomérat financier en question.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 459, la
Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des
normes de limitation ou d’autres mesures de surveillance
équivalentes pour la maîtrise de la concentration des risques
au niveau d’un conglomérat financier. Afin de s’opposer au
contournement de la réglementation sectorielle en matière
de concentration des risques, elle peut également décider,
conformément à l’article 347, d’appliquer par analogie les
dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomé-
rat financier. Elle consulte préalablement les autres autorités
compétentes relevantes.
Sous-section III
Surveillance complémentaire des transactions intragroupe
Art. 461
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à
l’article 451 sont soumises à une surveillance complémentaire
des transactions intragroupe. Sans préjudice des dispositions
reprises dans le Règlement […/2015], la surveillance complé-
mentaire porte sur:
1° l’identification et le reporting des transactions intra-
groupe importantes;
606
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° het passend karakter van de beheersprocedures en
de internecontroleprocedures met betrekking tot intragroep-
transacties, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling
V van deze Afdeling.
Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan
volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de
groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling
van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang
van de intragroeptransacties.
Art. 462
§ 1. Voor de toepassing van artikel 461, eerste lid, 1° stelt
de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met
de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging
van het financieel conglomeraat, passende drempels vast
voor het identificeren en het rapporteren van significante
intragroeptransacties. Zij legt de drempels vast op basis van
een of beide van volgende parameters: het reglementaire
eigen vermogen en de technische voorzieningen.
Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroep-
transacties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan
5 % van het solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel
conglomeraat.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 461 kan de Bank,
in haar hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen
of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen
ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht inzake intragroeptransacties.
Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake
intragroeptransacties tegen te gaan, kan zij ook beslissen,
overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter zake
naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel
conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere
relevante bevoegde autoriteiten.
Onderafdeling IV
Periodieke rapportering
Art. 463
§ 1. Voor het in Onderafdelingen I, II en III van deze Afdeling
geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan
de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, volgens de
modaliteiten die zij bepaalt en minstens tweemaal per jaar,
de volgende staten voorgelegd:
1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financi-
ele positie van het financieel conglomeraat en die minstens
bestaat uit de balans en de resultatenrekening;
2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen be-
paald bij of in uitvoering van de artikelen 457, eerste lid, 1°,
460, § 2, en 462, § 2, en een staat met opgave van de
2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des
dispositifs de contrôle interne en matière d’transactions intra-
groupe, conformément aux dispositions de la Sous-section V
de la présente Section.
La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants:
le risque dit de contagion au sein du groupe, l’existence de
conflits d’intérêts, les contournements de la réglementation
sectorielle, ainsi que le niveau et l’ampleur des transactions
intragroupe.
Art. 462
§ 1er. Pour l’application de l’article 461, alinéa 1er, 1°, la
Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, en concertation
avec les autres autorités compétentes relevantes et après
consultation du conglomérat financier, des seuils adéquats
pour l’identification et le reporting de toute opération intra-
groupe importante. Elle détermine les seuils sur la base des
deux paramètres suivants ou de l’un de ces paramètres
seulement: les fonds propres réglementaires et les provisions
techniques.
Si aucun seuil n’a été fixé, les transactions intragroupe sont
réputées importantes si elles excèdent 5 % de l’exigence de
solvabilité du conglomérat financier en question.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 461, la
Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des
normes de limitation ou d’autres mesures de surveillance
équivalentes pour la réalisation des objectifs de la surveillance
complémentaire du conglomérat en matière d’transactions
intragroupe. Afin de s’opposer au contournement de la régle-
mentation sectorielle en matière d’transactions intragroupe,
elle peut également décider, conformément à l’article 347,
d’appliquer, par analogie, les dispositions sectorielles en la
matière au niveau du conglomérat financier. Elle consulte
préalablement les autres autorités compétentes relevantes.
Sous-section IV
Reporting périodique
Art. 463
§ 1er. Pour la surveillance complémentaire des conglo-
mérats réglée par les Sous-sections I, II et III de la présente
Section, les états suivants sont soumis à la Banque, en sa
qualité de coordinateur, selon les modalités qu’elle détermine,
et au moins deux fois par an:
1° un état comptable portant sur la situation financière du
conglomérat financier et comprenant au moins le bilan et le
compte de résultats.
2° un état constatant le respect des normes définies par
ou en exécution des articles 457, alinéa 1er, 1°, 460, § 2, et
462, § 2, ainsi qu’un état indiquant les concentrations de
607
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
significante risicoconcentraties en significante intragroep-
transacties bedoeld in de artikelen 459, eerste lid, 1°, en
461, eerste lid, 1°.
Te dien einde bepaalt de Bank, in haar hoedanigheid van
coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde au-
toriteiten, de categorieën verrichtingen, risico’s en posities die
voor de opvolging van de significante risicoconcentraties en
intragroeptransacties moeten worden gerapporteerd; zij kan
daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risico-
beheerstructuur van het betrokken financieel conglomeraat.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden gerappor-
teerd door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
door de gemengde financiële holding of door een tot het
financieel conglomeraat behorende gereglementeerde on-
derneming, die de Bank, na overleg met de andere relevante
bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat
heeft aangewezen.
Onderafdeling V
Risicobeheer- en internecontroleprocedures
Art. 464
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen zorgen ervoor dat het financieel
conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en inter-
necontroleprocedures en over een passende administratieve
en boekhoudkundige organisatie.
Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en internecon-
troleprocedures aanwezig te zijn op geconsolideerd en
gesubconsolideerd niveau bij de in artikel 451 bedoelde moe-
derondernemingen, ongeacht of het om de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming gaat of om de gemengde finan-
ciële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat,
en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitma-
ken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer-
en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed
geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende
ondernemingen op de gereglementeerde ondernemingen
kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die
voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn,
kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen pas-
sen die risicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens
toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen.
Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn
samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze doch-
terondernemingen moeten de voor het toezicht relevante
gegevens en informatie kunnen verstrekken.
risques importantes et les transactions intragroupe impor-
tantes visées aux articles 459, alinéa 1er, 1°, et 461, alinéa 1er,
1°.
À cette fin, la Banque détermine, en sa qualité de coordi-
nateur, en concertation avec les autres autorités compétentes
relevantes, les catégories d’opérations, de risques et de posi-
tions qui doivent être notifiées pour le suivi des concentrations
des risques et transactions intragroupe importantes; elle peut
à cet égard tenir compte des spécificités de la structure de
groupe et de la structure de la gestion des risques du conglo-
mérat financier concerné.
§ 2. Les états visés au paragraphe 1er sont notifiés par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance, la compagnie
financière mixte, ou une entreprise réglementée faisant par-
tie du conglomérat financier désignée par la Banque après
consultation des autres autorités compétentes relevantes et
du conglomérat financier.
Sous-section V
Procédures de gestion des risques et dispositions de
contrôle interne
Art. 464
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à
l’article 451 veillent à ce que le conglomérat financier dispose
de procédures de gestion des risques et de dispositifs de
contrôle interne, ainsi que d’une organisation administrative
et comptable, qui soient adéquats.
En particulier, ces procédures de gestion des risques et
ces dispositifs de contrôle interne doivent être présents au
niveau consolidé et sous-consolidé dans les entreprises
mères visées à l’article 451, qu’il s’agisse de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance ou de la compagnie financière
mixte à la tête du conglomérat financier, ainsi que dans toutes
les entreprises réglementées faisant partie du conglomérat
financier, de telle sorte que les procédures de gestion des
risques et les dispositifs de contrôle interne soient cohérents
et bien intégrés, que l’influence exercée par les entreprises du
groupe sur les entreprises réglementées puisse être évaluée
et que toutes les données et informations importantes pour
la surveillance complémentaire du conglomérat puissent être
obtenues. Ces entreprises mères appliquent ces procédures
de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne éga-
lement dans leurs filiales non réglementées. Ces procédures
de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne sont
également cohérents et bien intégrés, et ces filiales doivent
aussi pouvoir fournir les données et informations pertinentes
pour la surveillance.
608
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 465
§ 1. De risicobeheerprocedures omvatten:
1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en
periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de
bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico’s
die op het niveau van het financieel conglomeraat worden
gelopen;
2° een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de
toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de
gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep
en de in Onderafdeling I van deze Afdeling bedoelde
solvabiliteitsvereisten;
3° passende procedures die waarborgen dat de risi-
cobeheer- en risico-opvolgingssystemen voldoende zijn
geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de
ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met
elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het
financieel conglomeraat de risico’s correct worden geïdenti-
ficeerd, opgevolgd en beheerst;
4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen
tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwik-
keling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen
en -plannen.
§ 2. De internecontroleprocedures omvatten:
1° passende procedures voor het opvolgen van de solvabi-
liteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico’s
correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen
vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico’s;
2° het passende karakter van de procedures en systemen
voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de
intragroeptransacties en risicoconcentraties.
§ 3. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen beschikken over een passende boek-
houdkundige en administratieve organisatie die de juistheid
en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor
het aanvullende conglomeraatstoezicht verstrekte gegevens
en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen.
Art. 466
De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen zorgen voor een transparante groeps-
structuur. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
de gemengde financiële holding of een tot het financieel
conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die
de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, na overleg
met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het
financieel conglomeraat heeft aangewezen, doen daartoe
het volgende:
Art. 465
§ 1er. Les procédures de gestion des risques comprennent:
1° une administration et une gestion adéquates, avec
approbation et évaluation périodique de la stratégie et de
la politique par les organes compétents, et portant sur tous
les risques importants encourus au niveau du conglomérat
financier;
2° une politique de solvabilité adéquate, qui veille notam-
ment à anticiper pour le groupe les conséquences futures
de la stratégie d’exploitation suivie sur le profil de risque du
groupe et les exigences de solvabilité visées à la Sous-section
I er de la présente Section;
3° des procédures adéquates garantissant que les sys-
tèmes de gestion et de suivi des risques sont suffisamment
intégrés à l’organisation du groupe et que les systèmes
utilisés dans les entreprises du groupe concordent entre
eux, de telle sorte qu’au niveau du conglomérat financier,
les risques fassent l’objet d’une identification, d’un suivi et
d’une maîtrise corrects.
4° des dispositifs régulièrement mis à jour pour participer
à la réalisation et, le cas échéant, au développement de
mécanismes et de plans de redressement et de résolution
des défaillances appropriés.
§ 2. Les dispositifs de contrôle interne comprennent:
1° des procédures adéquates pour le suivi de la solvabi-
lité au niveau du groupe, de telle sorte que tous les risques
importants fassent l’objet d’une identification et d’un suivi
corrects et que les fonds propres soient suffisants au regard
des risques encourus;
2° l’examen du caractère adéquat des procédures et des
systèmes pour l’identification, la mesure, le suivi et la maîtrise
des transactions intragroupe et des concentrations de risques.
§ 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées
à l’article 451 disposent d’une organisation administrative et
comptable qui garantisse le caractère correct et conforme aux
règles en vigueur des renseignements et informations commu-
niqués pour la surveillance complémentaire du conglomérat
et de l’établissement des comptes annuels.
Art. 466
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées
à l’article 451 veillent à la transparence de la structure du
groupe. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, la
compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée
faisant partie du conglomérat financier que la Banque, en
sa qualité de coordinateur, a désignée après concertation
avec les autres autorités compétentes relevantes et avec le
conglomérat financier, procèdent à cet égard comme suit:
609
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° zij delen aan de Bank regelmatig bijzonderheden mee
omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de be-
drijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle
gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde
dochterondernemingen en significante bijkantoren;
2° zij maken op het niveau van het financieel conglomeraat
jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de
regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur
voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle geregle-
menteerde ondernemingen deze informatie ook openbaar
maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing
naar gelijkwaardige informatie.
Onderafdeling VI
Stresstests
Art. 467
In haar hoedanigheid van coördinator beoordeelt de Bank
minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau
van het financieel conglomeraat. Zij stemt haar beoordeling
af op de stresstest die worden georganiseerd voor de belang-
rijkste financiële sector vertegenwoordigd in het financieel
conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde
autoriteiten.
Voor het toepassen van deze stresstests houdt de Bank
rekening met parameters die specifieke risico’s verbonden
aan financiële conglomeraten kunnen identificeren.
De Bank deelt de resultaten van de stresstests mee aan
het Gemengd Comité.
Onderafdeling VII
Governance
Art. 468
§ 1. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvullen-
de conglomeraatstoezicht uitoefent op een in artikel 451 be-
doelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, dan
zijn de in dit artikel 451 bedoelde moederondernemingen die
hun zetel in België hebben verantwoordelijk voor de naleving
van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waar-
mee zij belast zijn als hoofd van het financieel conglomeraat,
vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemin-
gen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken
van het financieel conglomeraat met het oog op het naleven
van de verplichtingen die voortvloeien uit het aanvullende
conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit
van het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet
in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en zijn
uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het
1° elles communiquent régulièrement à la Banque les
particularités de leur structure juridique, de leur dispositif
d’organisation d’entreprise et de leur structure de gestion
englobant toutes les entreprises réglementées, les filiales non
réglementées et les succursales d’importance significative;
2° elles publient une fois par an au niveau du conglomérat
financier une description de la structure juridique, du dispositif
d’organisation d’entreprise et de leur structure de gestion
destinée au public et veillent à ce que toutes les entreprises
réglementées publient également ces informations soit inté-
gralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes.
Sous-section VI
Tests de résistance
Art. 467
La Banque, en sa qualité de coordinateur, évalue au
moins une fois par an la nécessité de tests de résistance au
niveau du conglomérat financier. À cette fin, elle aligne son
évaluation sur les tests de résistance qui sont organisés pour
le secteur financier le plus important représenté au sein du
conglomérat financier et se concerte avec les autres autorités
compétentes relevantes.
Pour l’application de ces tests de résistance, la Banque
prend en considération des paramètres qui peuvent iden-
tifier des risques spécifiques associés aux conglomérats
financiers.
La Banque communique les résultats des tests de résis-
tance au comité mixte.
Sous-section VII
Gouvernance
Art. 468
§ 1er. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article 471, la
surveillance complémentaire des conglomérats sur une entre-
prise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 451,
les entreprises mères visées audit article 451 qui ont leur
siège social en Belgique sont responsables du respect des
obligations relatives à la surveillance complémentaire des
conglomérats.
Dans l’exercice de la coordination et du contrôle qui
leur incombent en tant qu’entreprises faîtières du conglo-
mérat financier, les entreprises mères visées à l’alinéa 1er
édictent des directives pour les entreprises qui font partie du
conglomérat financier en vue du respect des obligations qui
découlent de la surveillance complémentaire des conglomé-
rats et de l’obligation d’assurer la stabilité du conglomérat
financier. Ces directives ne peuvent pas être contraires au
Code des sociétés et ses arrêtes d’exécution et ne peuvent
porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur
610
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverze-
keringsondernemingen die deel uitmaken van het financieel
conglomeraat.
§ 2. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming bedoeld in artikel 451 met als
moederonderneming een gemengde financiële holding met
zetel buiten België, waakt deze verzekerings- of herverze-
keringsonderneming over de naleving door haar moeder-
onderneming van de verplichtingen met betrekking tot het
aanvullende conglomeraatstoezicht.
De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient van
de bedoelde moederonderneming de medewerking te verkrij-
gen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die
ertoe bijdraagt dat het aanvullende conglomeraatstoezicht zo
efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat
de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het
Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten
en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat
van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming of het aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 3. In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste internal go-
vernancememorandum dient, wat betreft het niveau van het
financieel conglomeraat, te worden uitgewerkt hoe voldaan
wordt aan de beginselen vervat in de paragrafen 1 en 2.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken
de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de
krachtens artikel 463 van deze wet vereiste rapportering,
evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende inlichtin-
gen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
§ 5. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen
dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan zij per geval
nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot
4 van overeenkomstige toepassing zijn.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5 raad-
pleegt de Bank, in voorkomend geval, de andere bevoegde
autoriteiten.
§ 7. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de Bank
het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch
recht, dient deze verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming na te gaan of de invloed van haar moederonderneming
niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn
uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht
op individuele basis waaraan deze verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming is onderworpen.
Art. 469
§ 1. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve
leiding, van de in artikel 451 bedoelde moederondernemingen
naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het aanvullende
les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font partie
du conglomérat financier.
§ 2. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article 471, la
surveillance complémentaire des conglomérats sur une entre-
prise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 451 dont
l’entreprise mère est une compagnie financière mixte dont le
siège social est établi en dehors de la Belgique, cette entre-
prise d’assurance ou de réassurance veille au respect par
son entreprise mère des obligations relatives à la surveillance
complémentaire des conglomérats.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit obtenir
la coopération de l’entreprise mère visée afin de mettre en
place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce
que la surveillance complémentaire des conglomérats puisse
être exercée de la manière la plus efficace possible, et veille
à ce que l’influence de l’entreprise mère ne soit pas contraire
au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte
pas préjudice au contrôle sur base individuelle applicable à
l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou à la surveil-
lance complémentaire des conglomérats.
§ 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis
en vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui
concerne le niveau du conglomérat financier, comment il est
satisfait aux principes figurant aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. Dans les cas visés aux paragraphes 1er et 2, les entre-
prises mères responsables précitées fournissent le reporting
requis en vertu de l’article 463 de la présente loi, ainsi que, à
la demande de la Banque, toutes les informations complémen-
taires utiles pour l’exercice de la surveillance complémentaire
des conglomérats.
§ 5. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article 471,
la surveillance complémentaire des conglomérats dans des
cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut
préciser au cas par cas comment les principes visés aux
paragraphes 1er à 4 s’appliquent par analogie.
§ 6. Pour l’application des paragraphes 1er, 2 et 5, la Banque
consulte, le cas échéant, les autres autorités compétentes.
§ 7. Lorsqu’une autre autorité compétente que la Banque
exerce la surveillance complémentaire des conglomérats sur
une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge,
il incombe à cette entreprise d’assurance ou de réassurance
de vérifier si l’influence de son entreprise mère n’est pas
contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et
ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel
cette entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise.
Art. 469
§ 1er. Le comité de direction, le cas échéant la direction
effective des entreprises mères visées à l’article 451 de
droit belge qui sont incluses dans le contrôle de groupe
611
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de Bank, verklaart
dat de in artikel 468, § 4 bedoelde rapporteringen in over-
eenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen.
Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen
dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de
inventarissen op basis waarvan deze staten worden opge-
steld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité,
in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het
nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten vol-
gens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn
met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor
de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor
de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het
einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en
waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde
jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
§ 2. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing op het
directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding,
van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen wat
betreft de maatregelen opgenomen in de artikelen 464 tot 466.
Art. 470
Onverminderd het beginsel vervat in artikel 455 en wan-
neer het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend
wordt door de Bank, zijn de volgende artikelen van deze wet
op overeenkomstige wijze van toepassing op de gemengde
financiële holding naar Belgisch recht: de artikelen 39, 40,
41, 45, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van
het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en
§§ 3 en 4, 46, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden
van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan,
en §§ 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 508, § 1 en 517.
Afdeling III
Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht
Onderafdeling I
Aanwijzing van de coördinator
Art. 471
§ 1. Teneinde een passend aanvullend conglomeraatstoe-
zicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van
de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat
waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, één
enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is
voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende
conglomeraatstoezicht.
§ 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel
451, eerste lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringson-
dernemingen wordt als volgt uitgeoefend:
ou la surveillance complémentaire des conglomérats
exercée par la Banque, déclare que les reportings visés à
l’article 468, § 4 sont conformes à la comptabilité et aux
inventaires. Il est à cette effet requis que les états soient
complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données
figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base
desquels ils sont établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire
qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les
inventaires sur la base desquels ils sont établis. Le comité de
direction, le cas échéant la direction effective, confirme avoir
fait le nécessaire pour que les états précités soient établis
selon les instructions en vigueur, ainsi que par application
des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à
l’établissement des comptes consolidés, ou, s’agissant des
états qui ne se rapportent pas à la fin de l’exercice comptable,
par application des règles de comptabilisation et d’évaluation
qui ont présidé à l’établissement des comptes consolidés
afférents au dernier exercice.
§ 2. L’article 80 est applicable par analogie au comité de
direction, le cas échéant à la direction effective, des entre-
prises mères visées au paragraphe 1er en ce qui concerne
les mesures figurant aux articles 464 à 466.
Art. 470
Sans préjudice du principe figurant à l’article 455, et
lorsque la surveillance complémentaire du conglomérat est
exercée par la Banque, les articles suivants sont applicables
par analogie à la compagnie financière mixte de droit belge:
les articles 39, 40, 41, 45, § 1er, étant entendu qu’au moins
trois membres du comité de direction sont membres de
l’organe légal d’administration, et §§ 3 et 4, 46, § 1er, étant
entendu qu’au moins trois membres du comité de direction
sont membres de l’organe légal d’administration, et §§ 3 et
4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 508, § 1er et 517.
Section III
Exercice de la surveillance complémentaire des
conglomérats
Sous-section Ire
Détermination du coordinateur
Art. 471
§ 1er. Afin de garantir une surveillance complémentaire
des conglomérats appropriée, il est procédé à la désignation,
parmi les autorités compétentes des États membres concer-
nés, en ce compris celles de l’État membre où la compagnie
financière mixte a son siège social, d’un coordinateur unique
qui est responsable de la coordination et de l’exercice de la
surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 2. La surveillance complémentaire des conglomérats
exercée sur les entreprises d’assurance ou de réassurance
visées à l’article 451, alinéa 1er, est exercée comme suit:
612
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° door de Bank in het in artikel 451, eerste lid, 1° bedoelde
geval;
2° indien aan het hoofd van het financieel conglomeraat
een Belgische gemengde financiële holding staat, door de
Bank, onverminderd de punten 3° tot 7°;
3° indien naast een Belgische verzekerings- of herverze-
keringsonderneming ten minste één andere Belgische gere-
glementeerde onderneming eenzelfde Belgische gemengde
financiële holding aan het hoofd van het financieel conglome-
raat heeft, door de Belgische bevoegde autoriteit belast met
het prudentieel toezicht op de Belgische gereglementeerde
onderneming met het grootste balanstotaal;
4° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van
het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat
dan België heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming
heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de
bevoegde autoriteit van dat land;
5° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van
het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat
dan België heeft en in deze lidstaat ten minste twee dochter-
ondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming
zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de
bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming
in de belangrijkste financiële sector;
6° indien meerdere gemengde financiële holdings, met
zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het
financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een
gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde auto-
riteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste
balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen
plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de be-
voegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in
de belangrijkste financiële sector;
7° indien ten minste twee gereglementeerde ondernemin-
gen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiële
holding als moederonderneming hebben en aan geen van
deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat
waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de
bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming
met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële
sector.
8° indien het financiële conglomeraat een groep is zonder
moederonderneming aan het hoofd, of in alle andere dan de
voormelde gevallen, door de bevoegde autoriteit die belast is
met het toezicht op de gereglementeerde onderneming met
het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector.
Art. 472
De Bank en de andere relevante bevoegde autoriteiten kun-
nen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen
om van de in artikel 471 bepaalde bevoegdheidsregeling af
te wijken, indien de toepassing ervan, gelet op de structuur
van het financieel conglomeraat en het relatieve belang van
1° par la Banque dans le cas visé à l’article 451, alinéa 1er, 1°;
2° si le conglomérat financier est chapeauté par une com-
pagnie financière mixte belge, par la Banque, sans préjudice
des points 3° à 7°:
3° si, outre une entreprise d’assurance ou de réassurance
belge, au moins une autre entreprise réglementée belge a une
même compagnie financière mixte belge à la tête du conglo-
mérat financier, par l’autorité compétente belge chargée du
contrôle prudentiel de l’entreprise réglementée belge dont le
total de bilan est le plus élevé;
4° si la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat
financier a son siège social dans un autre État membre que
la Belgique et qu’elle a dans cet État membre une filiale qui
est une entreprise réglementée, par l’autorité compétente
de ce pays;
5° si la compagnie financière mixte à la tête du conglomé-
rat financier a son siège social dans un autre État membre
que la Belgique et qu’elle a dans cet État membre au moins
deux filiales qui sont des entreprises réglementées, avec
chacune une autorité compétente différente, par l’autorité
compétente de l’entreprise réglementée du secteur financier
le plus important;
6° si plusieurs compagnies financières mixtes ayant leur
siège social dans différents États membres sont à la tête du
conglomérat financier, et qu’il y ait une entreprise réglementée
dans chacun de ces États membres, par l’autorité compétente
de l’entreprise réglementée ayant le total de bilan le plus élevé
si les activités de ces entreprises se situent dans le même
secteur financier, ou par l’autorité compétente de l’entreprise
réglementée du secteur financier le plus important;
7° si au moins deux entreprises réglementées ayant leur
siège social dans un État membre ont comme entreprise
mère la même compagnie financière mixte et qu’aucune de
ces entreprises ne dispose d’un agrément dans l’État où la
compagnie financière mixte a son siège social, par l’autorité
compétente de l’entreprise réglementée dont le total de bilan
est le plus élevé dans le secteur financier le plus important;
8° si le conglomérat financier est un groupe sans entreprise
mère à la tête du groupe, ainsi que dans tous les cas autres
que les cas précités, par l’autorité compétente chargée du
contrôle de l’entreprise réglementée dont le total de bilan
est le plus élevé dans le secteur financier le plus important.
Art. 472
La Banque et les autres autorités compétentes relevantes
peuvent, dans des cas particuliers, convenir de commun
accord de déroger aux règles de compétence définies à
l’article 471, si leur application, compte tenu de la structure du
conglomérat financier et l’importance relative de l’activité du
613
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de activiteiten van de groep in de verschillende lidstaten, niet
passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten
met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij raadplegen
het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslissing
te nemen.
Onderafdeling II
Rechten en plichten van de coördinator – College
Art. 473
§ 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die
haar door of krachtens deze wet en door Richtlijn 2002/87/
EG worden toegewezen, omvatten de taken van de Bank, in
haar hoedanigheid van coördinator:
1° het coördineren van de vergaring en de verspreiding
van relevante en essentiële informatie, in normale omstandig-
heden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding
van informatie die van belang is voor het toezicht door een
bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving;
2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiële
positie van het financieel conglomeraat;
3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van de
artikelen 457 tot 462 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie
en intragroeptransacties, en op de naleving van de in arti-
kel 463 bedoelde rapporteringsverplichtingen;
4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur,
de organisatie en de internecontroleprocedures van het finan-
cieel conglomeraat, als bedoeld in de artikelen 464 tot 466;
5° het plannen en coördineren van toezichtsactiviteiten, in
normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwer-
king met de andere relevante bevoegde autoriteiten;
6° het nemen van maatregelen en sancties ten aanzien
van de gemengde financiële holding.
§ 2. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen, in voor-
komend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten,
overeenkomen de Bank, in haar hoedanigheid van coördi-
nator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in
paragraaf 1 bedoelde taken.
Art. 474
§ 1. In haar hoedanigheid van coördinator richt de Bank
voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op
om vorm te geven aan de uit hoofde van dit Hoofdstuk vereiste
samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator
en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van
het recht van de Unie, de passende coördinatie en samen-
werking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van
derde landen.
groupe dans les différents États membres, n’est pas adéquate,
et charger une autre autorité compétente de la surveillance
complémentaire des conglomérats. Elles consultent le conglo-
mérat financier avant de prendre une décision en la matière.
Sous-section II
Droits et obligations du coordinateur – Collège
Art. 473
§ 1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches
qui lui sont dévolues par ou en vertu de la présente loi ainsi
que par la Directive 2002/87/CE, les tâches de la Banque en
sa qualité de coordinateur comprennent:
1° la coordination de la collecte et de la diffusion des infor-
mations pertinentes et essentielles, en continuité d’exploita-
tion comme dans les situations d’urgence, en ce compris la
diffusion des informations importantes pour la surveillance
par une autorité compétente en vertu de la réglementation
sectorielle;
2° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la situation
financière du conglomérat financier;
3° le contrôle du respect des dispositions des ar-
ticles 457 à 462 en matière de solvabilité, de concentration des
risques et d’transactions intragroupes, ainsi que du respect
des obligations de reporting visées à l’article 463;
4° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la structure,
de l’organisation et des dispositifs de contrôle interne du
conglomérat financier, tels que visés aux articles 464 à 466;
5° la planification et la coordination d’activités de surveil-
lance, en continuité d’exploitation comme dans les situations
d’urgence, en coopération avec les autres autorités compé-
tentes relevantes;
6° la prise de mesures et de sanctions à l’égard de la
compagnie financière mixte.
§ 2. Les autorités compétentes relevantes peuvent, le cas
échéant en concertation avec d’autres autorités compétentes,
convenir de confier à la Banque, en sa qualité de coordina-
teur, d’autres tâches de surveillance que celles prévues au
paragraphe 1er.
Art. 474
§ 1er. La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit
un collège pour la surveillance complémentaire des conglo-
mérats afin de concrétiser la coopération prévue au présent
Chapitre et l’accomplissement des missions de coordinateur
et, s’il y a lieu, la coordination et la coopération appropriées
avec les autorités de surveillance concernées des pays tiers,
dans le respect des exigences de confidentialité et du droit
de l’Union.
614
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deel-
nemen aan een college opgericht krachtens artikel 248, lid 2,
van Richtlijn 2009/138/EG of artikel 116 van Richtlijn 2013/36/
EU, dan zal het college op het niveau van het financieel
conglomeraat functioneren binnen het college opgericht
voor de belangrijkste financiële sector. De banksector en de
beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen
beschouwd.
De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie wor-
den apart opgenomen in de schriftelijke coördinatieafspraken
die worden ingesteld voor het sectorale college. In haar hoe-
danigheid van coördinator beslist de Bank, als voorzitter van
dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan
een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen.
Art. 475
Onverminderd de in de overige bepalingen van dit
Hoofdstuk bedoelde samenwerkings overeenkomsten en
coördinatieafspraken , sluit de Bank, in haar hoedanigheid
van coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de over-
eenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking
van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij
dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de
modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van
de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling
onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de pro-
cedures regelen voor de besluitvorming tussen de relevante
bevoegde autoriteiten.
Art. 476
In haar hoedanigheid van coördinator stelt de Bank lijsten op
van de gemengde financiële holdings die betrokken zijn bij het
door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
Zij maakt deze lijsten over aan de bevoegde autoriteiten van
de andere lidstaten, EIOPA, EBA en de Europese Commissie.
Art. 477
Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtsbe-
voegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de
sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de Bank als
coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving
bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de relevante
bevoegde autoriteiten.
§ 2. Lorsque des autorités compétentes relevantes parti-
cipent déjà à un collège établi en vertu de l’article 248, para-
graphe 2 de la Directive 2009/138/CE ou de l’article 116 de
la Directive 2013/36/UC, le collège fonctionnera au niveau du
conglomérat financier au sein du collège établi pour le secteur
financier le plus important. Le secteur bancaire et le secteur
des services d’investissement sont agrégés à cette fin.
Les modalités de la coordination évoquée au paragraphe 1er
sont établies de manière distincte dans des accords de coor-
dination écrits constitués pour le collège sectoriel. La Banque,
en sa qualité de coordinateur, décide, en tant que président
de ce collège sectoriel, quelles autres autorités compétentes
participent à une réunion ou à toute activité dudit collège.
Art. 475
Sans préjudice des accords de coopération et de coordina-
tion visés dans les autres dispositions du présent Chapitre, la
Banque, en sa qualité de coordinateur, conclut avec d’autres
autorités compétentes les accords qui sont nécessaires à la
réalisation de la surveillance complémentaire des conglomé-
rats telle que définie dans le présent Chapitre. Ces accords
règlent au besoin les modalités de l’exercice de ce contrôle,
en ce compris les modalités de coopération et d’échange
d’informations entre autorités compétentes. Ils peuvent en
particulier régler les procédures de prise de décision entre
les autorités compétentes relevantes.
Art. 476
La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit des listes
des compagnies financières mixtes concernées par la sur-
veillance complémentaire des conglomérats exercée par elle.
Elle communique ces listes aux autorités compétentes des
autres États membres, à l’EIOPA, à l’ABE et à la Commission
européenne.
Art. 477
Sans préjudice de la délégation de compétences et de
responsabilités de surveillance spécifiques conformément à
la réglementation sectorielle, la désignation de la Banque en
sa qualité de coordinateur ne porte pas préjudice aux tâches
et responsabilités des autorités compétentes relevantes telles
que définies par la réglementation sectorielle.
615
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Onderafdeling III
Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de
bevoegde autoriteiten
Art. 478
De Bank, ongeacht of zij optreedt als coördinator of als
bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn, werkt nauw
samen met de andere bevoegde autoriteiten, ongeacht of deze
optreden als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder
coördinator te zijn.
De Bank kan aan deze bevoegde autoriteiten, op eigen
initiatief of op verzoek, alle informatie, met inbegrip van ver-
trouwelijke informatie, meedelen of vragen, wanneer deze
essentieel of relevant is om de uitoefening toe te laten of te
vergemakkelijken van de toezichtstaken die aan haar of aan
deze autoriteiten werden toevertrouwd krachtens de secto-
rale regelgeving en het aanvullende conglomeraatstoezicht
krachtens Richtlijn 2002/87/EG.
Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en
uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende
aspecten:
1° de juridische structuur, de regeling voor de bedrijfsor-
ganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden
voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-geregle-
menteerde dochterondernemingen en belangrijke bijkantoren
in de zin van artikel 354 van Verordening 2015/35 die tot het
financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwa-
lificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke
moederonderneming, alsmede de bevoegde autoriteiten voor
de gereglementeerde ondernemingen in de groep;
2° de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie;
3° de financiële positie van het financieel conglomeraat,
met name de toereikendheid van het eigen vermogen,
de intragroeptransacties, de risicoconcentratie en de
winstgevendheid;
4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het
financieel conglomeraat;
5° de organisatie en de risicobeheer- en internecontrole-
procedures op het niveau van het financieel conglomeraat;
6° de procedures voor de vergaring van informatie bij de
ondernemingen in het financieel conglomeraat en de verifi-
catie van deze informatie;
7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde on-
dernemingen of bij andere ondernemingen in het financieel
conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gere-
glementeerde ondernemingen kunnen hebben;
8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die
de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de secto-
rale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG hebben getroffen.
Sous-section III
Coopération et échange d’informations entre les autorités
compétentes
Art. 478
La Banque, que ce soit en sa qualité de coordinateur ou
d’autorité compétente sans être coordinateur, coopère étroi-
tement avec les autres autorités compétentes, qu’elles soient
coordinateur ou autorité compétente sans être coordinateur.
Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou
demander à ces autorités compétentes toutes informations,
y comprises les informations confidentielles, lorsque celles-
ci sont essentielles ou pertinentes pour permettre et faciliter
l’exercice des tâches de surveillance qui lui sont confiées ou
sont confiées à ces autorités en vertu de la réglementation
sectorielle et de la surveillance complémentaire des conglo-
mérats en vertu de la Directive 2002/87/CE.
Cette coopération recouvre au moins la collecte et
l’échange d’informations sur les éléments suivants:
1° la structure juridique du groupe, son dispositif d’organi-
sation d’entreprise et sa structure de gestion englobant toutes
les entreprises réglementées, les filiales non réglementées
et les succursales importantes au sens de l’article 354 du
Règlement 2015/35 appartenant au conglomérat financier, les
détenteurs de participations qualifiées au niveau de l’entre-
prise mère faîtière, ainsi que les autorités compétentes pour
les entreprises réglementées dudit groupe;
2° les stratégies du conglomérat financier;
3° la situation financière du conglomérat financier, notam-
ment en ce qui concerne l’adéquation des fonds propres, les
transactions intragroupe, la concentration des risques et la
rentabilité;
4° les principaux actionnaires et la direction du conglomérat
financier;
5° l’organisation, la gestion des risques et les systèmes de
contrôle interne à l’échelle du conglomérat financier;
6° les procédures de collecte d’informations auprès des
entreprises du conglomérat financier et de vérification des-
dites informations;
7° les évolutions négatives que connaissent des entre-
prises réglementées ou d’autres entreprises du conglomérat
financier et qui sont de nature à nuire gravement auxdites
entreprises réglementées;
8° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles
décidées par les autorités compétentes conformément à la
réglementation sectorielle ou à la Directive 2002/87/CE.
616
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank kan tevens informatie uitwisselen met het ESRB
wat betreft de uitoefening van het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een
financieel conglomeraat.
Art. 479
§ 1. Indien de Bank in het geval van een moederonderne-
ming naar Belgisch recht niet zelf op grond van artikel 471 het
aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan haar
verzocht worden, door de met dit toezicht belaste bevoegde
autoriteiten, om bij de moederonderneming de inlichtingen
op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die
inlichtingen aan hen door te geven.
§ 2. Indien de Bank op grond van artikel 471 het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moederonderne-
ming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan
de Bank aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen
om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen
die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan
haar door te geven.
Art. 480
Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lid-
staat het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op
een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een
dochteronderneming is van een gemengde financiële holding
naar Belgisch recht, gaat de Bank na, wanneer zij daartoe
het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe zij mede-
werking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen
die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit
met het oog op het betrekken van de gemengde financiële
holdings in het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Art. 481
Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door
de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog op het
vergemakkelijken van het aanvullende conglomeraatstoezicht
met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 483,
§ 1, betekent geenszins dat de Bank een afzonderlijk toezicht
uitoefent op deze ondernemingen.
Onderafdeling IV
Overleg tussen bevoegde autoriteiten
Art. 482
Onverminderd haar verantwoordelijkheden als omschreven
in de sectorale regelgeving, pleegt de Bank, voordat zij een
besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangele-
genheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de
toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten:
La Banque peut également échanger des informations
avec le CERS en ce qui concerne l’exercice du contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance qui font partie
d’un conglomérat financier.
Art. 479
§ 1er. Lorsque la Banque, dans le cas d’une entreprise
mère de droit belge, n’exerce pas elle-même la surveillance
complémentaire des conglomérats en vertu de l’article 471,
elle peut être invitée, par les autorités compétentes chargées
d’exercer ce contrôle, à demander à l’entreprise mère toute
information pertinente pour l’exercice de ce contrôle, et à la
leur transmettre.
§ 2. Lorsqu’en vertu de l’article 471, la Banque exerce la
surveillance complémentaire du conglomérat et que l’entre-
prise mère a son siège social dans un État membre autre que
la Belgique, la Banque peut inviter l’autorité compétente de
cet État membre à demander à cette entreprise mère toute
information pertinente pour l’exercice de ce contrôle, et à la
lui transmettre.
Art. 480
Lorsqu’une autorité compétente d’un autre État membre
exerce la surveillance complémentaire des conglomérats sur
une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est filiale
d’une compagnie financière mixte de droit belge, la Banque
vérifie, lorsque cette autorité compétente le lui demande,
comment elle peut prêter sa coopération pour l’applica-
tion des mesures qui existeraient dans l’État membre de
l’autorité compétente en vue de l’inclusion des compagnies
financières mixtes dans la surveillance complémentaire des
conglomérats.
Art. 481
La collecte, l’échange ou la détention d’informations par
la Banque et les autorités compétentes en vue de faciliter
la surveillance complémentaire des conglomérats en ce qui
concerne les entreprises citées à l’article 483, § 1er, ne signi-
fient pas que la Banque exerce une fonction de contrôle sur
ces entreprises prises individuellement.
Sous-section IV
Consultation entre autorités compétentes
Art. 482
Sans préjudice de ses responsabilités telles qu’elles sont
définies par la réglementation sectorielle, la Banque procède
à une concertation sur les points figurant ci-après, avant de
prendre une décision intéressant les missions de contrôle
exercées par d’autres autorités compétentes:
617
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur, de organi-
satie of het bestuur van gereglementeerde ondernemingen in
een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging
door de bevoegde autoriteiten vereisen;
2° voorgenomen belangrijke sancties of buitengewone
maatregelen.
De Bank kan besluiten geen overleg te plegen in spoed-
eisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid
van haar besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt
de Bank de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld
van in kennis.
Onderafdeling V
Voor de uitoefening van het aanvullende
conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie
Art. 483
§ 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rappor-
tering, dient de Bank toegang te krijgen, door de betrok-
ken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, en
gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen
en alle andere in het financieel conglomeraat opgenomen
ondernemingen, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot
alle inlichtingen die nuttig zijn voor het door haar uitgeoefende
aanvullende conglomeraatstoezicht.
De overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvullende
conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen, moeten de
Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, alle gegevens
en inlichtingen verstrekken die zij dienstig acht voor haar
aanvullende conglomeraatstoezicht.
Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere
ondernemingen de controle hebben over een verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de
dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten,
indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet
vallen onder het toepassingsgebied van het aanvullende
conglomeraatstoezicht, de Bank en de andere bevoegde auto-
riteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn
voor de uitoefening van het toezicht op deze verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
§ 2. De Bank kan eisen dat de in paragraaf 1 bedoelde
inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een andere
lidstaat dan België haar worden meegedeeld door de naar
Belgisch recht opgerichte verzekerings- of herverzekeringson-
derneming of gemengde financiële holding, of dat inlichtingen
omtrent ondernemingen met zetel in een derde land haar
worden meegedeeld door een verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, of gemengde financiële holding met zetel
in een lidstaat.
§ 3. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming naar Belgisch recht buiten het financieel conglomeraat
1° des modifications de l’actionnariat, de l’organisation ou
de la direction des entreprises réglementées faisant partie
d’un conglomérat financier requérant l’approbation ou l’auto-
risation des autorités compétentes;
2° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles
envisagées.
La Banque peut décider de ne pas se concerter avec ses
homologues en cas d’urgence ou lorsque cette concerta-
tion risque de compromettre l’efficacité des décisions. En
pareil cas, la Banque informe sans délai les autres autorités
compétentes.
Sous-section V
Informations à fournir aux fins de l’exercice de la
surveillance complémentaire des conglomérats
Art. 483
§ 1er. Sans préjudice du reporting périodique applicable, la
Banque doit avoir accès, dans ses contacts directs ou indirects
avec les entreprises d’assurance ou de réassurance, et les
compagnies financières mixtes concernées, leurs filiales et
toutes les autres entreprises incluses dans le conglomérat
financier, à toute information utile pour l’exercice de sa sur-
veillance complémentaire des conglomérats.
Les entreprises qui ne sont pas incluses dans la surveil-
lance complémentaire des conglomérats conformément à
l’article 458, § 2, sont tenues de communiquer à la Banque,
en sa qualité de coordinateur, tous les renseignements et
informations que celle-ci estime nécessaires pour sa surveil-
lance complémentaire des conglomérats.
Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjoin-
tement avec d’autres, une entreprise d’assurance ou de
réassurance de droit belge, ainsi que les filiales de ces
entreprises, sont tenues, si ces entreprises et ces filiales ne
tombent pas dans le champ d’application de la surveillance
complémentaire des conglomérats, de communiquer à la
Banque et aux autres autorités compétentes les informations
et renseignements utiles à l’exercice du contrôle de cette
entreprise d’assurance ou de réassurance.
§ 2. La Banque peut exiger que les informations visées
au paragraphe 1er concernant les entreprises dont le siège
social est établi dans un État membre autre que la Belgique
lui soient communiquées par l’entreprise d’assurance ou de
réassurance, ou la compagnie financière mixte constituée
selon le droit belge, ou que les informations relatives aux
entreprises dont le siège social est établi dans un pays tiers
lui soient communiquées par une entreprise d’assurance ou
de réassurance, ou une compagnie financière mixte ayant
leur siège social dans un État membre.
§ 3. Si une entreprise d’assurance ou de réassurance de
droit belge est laissée en dehors du conglomérat financier
618
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wordt gelaten door een andere bevoegde autoriteit die
optreedt als coördinator, kan de Bank eisen dat de moeder-
onderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat
haar de gegevens en inlichtingen bezorgt die zij dienstig acht
voor de uitoefening van haar toezicht op die verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
Art. 484
Wanneer de Bank, in het kader van het door haar uitge-
oefende individuele toezicht, groepstoezicht of aanvullende
conglomeraatstoezicht, informatie wenst te verkrijgen die in
uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd
is aan een andere bevoegde autoriteit, richt zij zich in de
mate van het mogelijke tot die bevoegde autoriteit voor het
verkrijgen van die informatie.
Art. 485
Zonder dat zij hiertegen bezwaren van privaatrechtelijke
aard kunnen tegenwerpen, met name betreffende geheimhou-
dingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de in
het aanvullende conglomeraatstoezicht opgenomen onderne-
mingen, alsook de overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het
aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen
die tot een financieel conglomeraat behoren elkaar alle nuttige
gegevens en inlichtingen mee.
Art. 486
§ 1. De Bank kan de naleving van de bij dit Hoofdstuk
bepaalde verplichtingen , en de juistheid en volledigheid van
de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in
de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen. Zij kan op
kosten van deze ondernemingen commissarissen of door haar
daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen
hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank
de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit
te voeren. De Bank verricht deze controle zelf als zij daarvoor
de toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteit
van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst
te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe
aanstelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen
indien zij dat wenst.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen
hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten
van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkings-
overeenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse
autoriteiten heeft gesloten, in voorkomend geval overeen-
komstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of
die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse
autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij
artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG.
par une autre autorité compétente qui agit en qualité de
coordinateur, la Banque peut exiger que l’entreprise mère
qui chapeaute le conglomérat financier lui communique
les informations et renseignements qu’elle juge utiles pour
l’exercice de son contrôle de cette entreprise d’assurance
ou de réassurance.
Art. 484
Lorsque la Banque, dans le cadre du contrôle sur base
individuelle, du contrôle des groupes ou de la surveillance
complémentaire des conglomérats, souhaite obtenir des
informations qui ont déjà été communiquées en exécution de
la réglementation sectorielle à une autre autorité compétente,
elle s’adresse dans la mesure du possible à cette autorité
compétente pour obtenir ces informations.
Art. 485
Sans pouvoir y opposer d’objections tirées du droit privé,
tenant notamment à des engagements de confidentialité ou
à la nature de leurs liens, les entreprises incluses dans la
surveillance complémentaire des conglomérats, ainsi que les
entreprises appartenant à un conglomérat financier écartées
de la surveillance complémentaire des conglomérats confor-
mément à l’article 458, § 2 se communiquent mutuellement
les informations et renseignements utiles.
Art. 486
§ 1er. La Banque peut procéder à la vérification sur place
du respect des obligations visées par le présent Chapitre,
ainsi que du caractère correct et complet des informations et
renseignements communiqués, dans les entreprises visées
à l’article 483, § 1er Elle peut, aux frais de ces entreprises,
charger des commissaires ou des experts étrangers agréés
par elle à cet effet, de procéder à ces vérifications.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er
ont leur siège social dans un autre État membre, la Banque
demande à l’autorité compétente de cet État membre d’effec-
tuer ce contrôle. La Banque procède elle-même à ce contrôle
si elle en a reçu l’autorisation de la part de l’autorité compé-
tente de cet État membre. Lorsque cette dernière souhaite
effectuer elle-même ce contrôle, ou désigne un réviseur agréé
ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le
souhaite, y être associée.
§ 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont
leur siège social dans un pays tiers, les modalités de la vérifi-
cation sur place sont réglées dans des accords de coopération
que la Banque a conclus avec les autorités étrangères concer-
nées, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de
la loi du 22 février 1998 ou que la Commission européenne
a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de
la Directive 2009/138/CE.
619
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 487
§ 1. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt
uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit
is die onder een andere lidstaat dan België ressorteert,
verstrekken de Belgische verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen en gemengde financiële holdings en hun
dochterondernemingen deze bevoegde autoriteit de gegevens
en inlichtingen die deze dienstig acht voor het aanvullende
conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij direct,
hetzij indirect.
Wanneer deze autoriteit onder een derde land ressorteert
en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit
samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrok-
ken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
§ 2. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt
uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit
is die onder een andere lidstaat dan België ressorteert, kan
deze bevoegde autoriteit, om de naleving na te gaan van de
bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd,
ter plaatse in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen
met zetel in België overgaan tot een toetsing van de gegevens
en inlichtingen die zij heeft ontvangen, of erkende commis-
sarissen of door haar erkende deskundigen hiermee belasten.
De bepalingen van artikel 485, § 2 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Wanneer deze autoriteit onder een derde land ressorteert,
zijn de bepalingen van artikel 485, § 3 van overeenkomstige
toepassing.
Onderafdeling VI
Revisoraal toezicht
Art. 488
Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de
opdracht van erkend commissaris bij een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming op individuele basis is van over-
eenkomstige toepassing met betrekking tot verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen bedoeld in artikel artikel 451,
eerste lid, 1° voor het aanvullende conglomeraatstoezicht
waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen zijn onderworpen.
Art 489
§ 1. In een gemengde financiële holding naar Belgisch recht
als bedoeld in artikel 451, eerste lid, 2°, die betrokken is in
het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraats-
toezicht, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in
het Wetboek van Vennootschappen , toevertrouwd aan een
of meer revisoren of revisorenvennootschappen die door
de Bank zijn erkend overeenkomstig, naargelang van het
geval, artikel 327 van deze wet, artikel 222 van de wet van
25 april 2014, of artikel 96 van de wet van 6 april 1995. Het
Art. 487
§ 1er. Lorsque la surveillance complémentaire des conglo-
mérats est exercée par une autorité qui est une autorité com-
pétente relevant d’un État membre, autre que la Belgique,
les entreprises d’assurance ou de réassurance et les com-
pagnies financières mixtes et leurs filiales de droit belge
communiquent à cette autorité compétente les informations
et renseignements que celle-ci juge utiles pour l’exercice de
la surveillance complémentaire des conglomérats dont elle
est chargée, soit directement, soit indirectement.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers et que
l’obligation d’information découle d’accords de coopération
conclus par la Banque avec l’autorité étrangère concernée,
l’alinéa 1er est applicable par analogie.
§ 2. Lorsque la surveillance complémentaire des conglo-
mérats est exercée par une autorité compétente qui relève
d’un État membre, autre que la Belgique, cette autorité peut,
en vue de vérifier le respect des dispositions prévues par ou
en vertu du présent Chapitre, procéder sur place dans les
entreprises visées à l’article 483, § 1er, ayant leur siège social
en Belgique, à la vérification des informations et renseigne-
ments qu’elle a reçus ou charger des commissaires agréés
ou des experts agréés par elle d’y procéder. Les dispositions
de l’article 485, § 2, sont applicables par analogie.
Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers, les
dispositions de l’article 485, § 3 sont applicables par analogie.
Sous-section VI
Contrôle révisoral
Art. 488
Les dispositions des articles 330 à 337 concernant les
fonctions de commissaire agréé d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance sur une base individuelle sont applicables
par analogie en ce qui concerne les entreprises d’assurance
ou de réassurance visées à l’article 451, alinéa 1er, 1° pour
la surveillance complémentaire des conglomérats dont font
l’objet les entreprises d’assurance ou de réassurance.
Art 489
§ 1er. Dans une compagnie financière mixte de droit
belge visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, et incluse dans la
surveillance complémentaire des conglomérats exercée par
la Banque, les fonctions de commissaire visées au Code
des sociétés, sont, confiées à un ou plusieurs réviseurs ou
à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui sont agréés
par la Banque conformément, selon le cas, à l’article 327 de
la présente loi, à l’article 222 de la loi du 25 avril 2014 ou à
l’article 96 de la loi du 6 avril 1995. Le collège de réviseurs ou
620
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aan-
gesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn
samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij samen, erkend
zijn in elk van de financiële sectoren waarin het financieel
conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan
met verwijzing naar de in artikel 452 bedoelde drempels be-
palen wat onder significante activiteit moet worden verstaan.
De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal
toezicht zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De erkende commissarissen aangesteld bij de in pa-
ragraaf 1 bedoelde gemengde financiële holdings verlenen
hun medewerking aan het aanvullende conglomeraatstoezicht
waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende
verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf,
volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank.
Art. 490
De erkende commissarissen aangesteld bij de in arti-
kel 489 bedoelde gemengde financiële holdings beoordelen
het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de
internecontroleprocedures en de administratieve en boek-
houdkundige organisatie als bedoeld in de artikelen 464 tot
466 en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.
Art. 491
De erkende commissarissen aangesteld bij een in arti-
kel 489 bedoelde onderneming brengen verslag uit bij de
Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de in
artikel 463 bedoelde staten die de gemengde financiële
holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank
bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben
van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten per
einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten zijn
opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de
wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde half-
jaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle
materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met
de boekhouding en de inventarissen, inzake
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat-
ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
deze staten worden opgesteld, en
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan deze staten worden opgesteld.
Zij bevestigen eveneens geen kennis te hebben van
feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde
halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige
gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waar-
deringsregels voor de opstelling van de periodieke staten
les sociétés de réviseurs, désignés auprès d’une compagnie
financière mixte, doivent présenter une composition telle qu’ils
soient, soit individuellement, soit conjointement, agréés dans
chacun des secteurs financiers dans lesquels le conglomérat
financier exerce une activité significative. La Banque peut, par
référence aux seuils visés à l’article 452, déterminer ce qu’il y
a lieu d’entendre par activité significative. Les dispositions de
la réglementation sectorielle en matière de contrôle révisoral
sont applicables par analogie.
§ 2. Les commissaires agréés désignés auprès des
compagnies financières mixtes visées au paragraphe 1er
prêtent leur coopération à la surveillance complémentaire
des conglomérats dont est chargée la Banque, sous leur
responsabilité personnelle et exclusive et conformément
au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux
instructions de la Banque.
Art. 490
Les commissaires agréés désignés dans les compagnies
financières mixtes visées à l’article 489 évaluent le caractère
adéquat des procédures de gestion des risques, des dispo-
sitifs de contrôle interne et de l’organisation administrative et
comptable, visés aux articles 464 à 466, et communiquent
leurs conclusions en la matière à la Banque.
Art. 491
Les commissaires agréés désignés dans une société
visée à l’article 489 font rapport à la Banque sur les résul-
tats de l’examen limité des états transmis par la compagnie
financière mixte conformément à l’article 463 à la Banque
à la fin du premier semestre social, confirmant qu’ils n’ont
pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états
périodiques arrêtés en fin de semestre, n’ont pas, sous tous
égards significativement importants, été établis conformément
aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi et aux
instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin de
semestre sont, pour ce qui est des données comptables,
sous tous égards significativement importants, conformes
à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis, et
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec
la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels
ils sont établis.
Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits
dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de
semestre n’ont pas été établis, pour ce qui est des données
comptables y figurant, par application des règles de comp-
tabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement
621
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier
bedoelde periodieke staten nader bepalen.
Art. 492
De erkende commissarissen aangesteld bij een in arti-
kel 489 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij
de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke
staten die de gemengde financiële holding aan het einde van
het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat
deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten
zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens
de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld.
Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het
boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in
alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn
met de boekhouding en de inventarissen, inzake:
1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat-
ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan
deze staten worden opgesteld, en
2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct
weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis
waarvan deze staten worden opgesteld.
Zij bevestigen eveneens dat de periodieke staten per einde
van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoud-
kundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings-
en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening.
De Bank kan de hier bedoelde staten nader bepalen.
Art. 493
De erkende commissarissen aangesteld bij een in ar-
tikel 489 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op
haar verzoek een bijzonder verslag uit over de in de artike-
len 457 tot 460 en de artikelen 490 tot 492 bedoelde aspecten.
Art. 494
In het kader van hun opdracht bij de gemengde financiële
holding, of een revisorale opdracht bij een met de gemengde
financiële holding verbonden onderneming, brengen de
erkende commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de
Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in
voorkomend geval, ontwikkelingen:
1° die een betekenisvolle invloed hebben of kunnen hebben
op de situatie van de groep vanuit financieel oogpunt of vanuit
het oogpunt van zijn administratieve en boekhoudkundige
organisatie of van zijn interne controle;
2° die een schending kunnen uitmaken van het Wetboek
van Vennootschappen, van de statuten of van deze wet of
des états périodiques afférents au dernier exercice. La
Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états
périodiques visés.
Art. 492
Les commissaires agréés désignés dans une entreprise
visée à l’article 489 font également rapport à la Banque sur
les résultats du contrôle des états périodiques transmis par la
compagnie financière mixte à la Banque à la fin de l’exercice
social, confirmant qu’ils sont, sous tous égards significative-
ment importants, établis conformément aux prescriptions pré-
vues par ou en vertu de la loi et aux instructions de la Banque.
Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin d’exer-
cice comptable sont, pour ce qui est des données comptables,
sous tous égards significativement importants, conformes
à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont:
1° complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les
données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires
sur la base desquels ils sont établis, et
2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec
la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels
ils sont établis.
Ils confirment également que les états périodiques arrêtés
en fin d’exercice ont été établis, pour les données comptables
y figurant, par application des règles de comptabilisation et
d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels.
La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les
états visés.
Art. 493
Les commissaires agréés désignés dans une entreprise
visée à l’article 489 font à la Banque, à sa demande, des rap-
ports spéciaux portant sur les aspects visés aux articles 457 à
460 et aux articles 490 à 492.
Art. 494
Dans le cadre de leur mission auprès de la compagnie
financière mixte, ou d’une mission révisorale auprès d’une
entreprise liée à la compagnie financière mixte, les commis-
saires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils
constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des
évolutions:
1° qui influencent ou peuvent influencer de façon signifi-
cative la situation du groupe sous l’angle financier ou sous
l’angle de son organisation administrative et comptable ou
de son contrôle interne;
2° qui peuvent constituer une violation du Code des
sociétés, des statuts ou de la présente loi et des arrêtés et
622
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de besluiten en reglementen die in uitvoering van deze wet
worden genomen met betrekking tot de gemengde financiële
holding;
3° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering
van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren
van voorbehoud.
Art. 495
De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden
door de gemengde financiële holding, door de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht of door
beide samen gedragen.
Art. 496
De erkende commissarissen delen aan de leiding van de
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen
mee die zij richten aan de Bank in overeenstemming met arti-
kel 494. Deze mededelingen zijn onderworpen aan artikel 306.
Zij bezorgen aan de Bank een kopie van de mededelingen
die zij richten aan deze leiding en die zaken betreffen die van
belang kunnen zijn voor het door haar uitgeoefende toezicht.
Art. 497
Geen enkele burgerlijke, straf- of disciplinaire vordering
mag worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie
mag worden uitgesproken tegen de erkende commissarissen
die te goeder trouw zijn overgegaan tot de mededeling van
gegevens bedoeld in artikel 495.
Art. 498
Wanneer de moederonderneming een in artikel 451, eer-
ste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding is, met zetel
in een andere lidstaat, die betrokken is in het door de Bank
uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht , wordt de
opdracht bepaald bij de artikelen 489, § 2 tot 494 op over-
eenkomstige wijze uitgeoefend door de erkende commissaris
die met een vergelijkbare taak bij deze gemengde financiële
holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke
commissaris wordt de bedoelde opdracht uitgeoefend door
de commissaris die aangesteld is bij een gereglementeerde
onderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht van
de Bank staat en dochteronderneming is van de bedoelde
gemengde financiële holding.
Art. 499
De erkende commissarissen aangesteld bij verzeke-
rings- of herverzekeringsondernemingen, of gemengde
financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de
artikelen 488 tot 498, hebben voor de uitoefening van hun
opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage
règlements pris pour son exécution en ce qui concerne la
compagnie financière mixte;
3° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves
en matière de certification des comptes annuels consolidés.
Art. 495
Les frais pour l’établissement de ces rapports sont pris
en charge par la compagnie financière mixte, par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge ou par les
deux ensemble.
Art. 496
Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports
qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 494.
Ces communications sont soumises à l’article 306.
Ils transmettent à la Banque copie des communications
qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des ques-
tions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
Art. 497
Aucune action civile, pénale, ou disciplinaire ne peut être
intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre
les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à la
communication d’une information visée sous l’article 495.
Art. 498
Lorsque l’entreprise mère est une compagnie financière
mixte visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, dont le siège est établi
dans un autre État membre et incluse dans la surveillance
complémentaire des conglomérats exercé par la Banque, la
mission définie aux articles 489, § 2 à 494 est exercée par
analogie par le commissaire agréé désigné avec une tâche
comparable auprès de cette compagnie financière mixte. À
défaut d’un tel commissaire, la mission visée est exercée par
le commissaire désigné auprès d’une entreprise réglementée
de droit belge qui se trouve sous le contrôle de la Banque et
est une filiale de la compagnie financière mixte visée.
Art. 499
Les commissaires agréés désignés auprès d’entreprises
d’assurance ou de réassurance, ou de compagnies finan-
cières mixtes de droit belge conformément aux articles 488 à
498, ont, pour l’exercice de leur mission telle que visée à ces
articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous
623
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in
het financieel conglomeraat opgenomen dochteronderne-
mingen, als van de in artikel 483, § 1, tweede lid bedoelde
ondernemingen.
Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is
van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis
hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.
Afdeling IV
Andere financiële groepen
Art. 500
Indien in andere dan de in artikel 451 bedoelde gevallen
een onderneming een deelneming of een andere kapitaal-
binding heeft met één of meer andere ondernemingen, of,
buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op der-
gelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en
een van de voormelde ondernemingen een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht is, kan de
Bank, in haar hoedanigheid van relevante bevoegde autori-
teit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten,
in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend
conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de gereglemen-
teerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde
autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit
aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder
welke artikelen van dit Hoofdstuk betreffende het aanvul-
lende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen
hun beslissing met inachtneming van de doelstellingen van
het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in dit
Hoofdstuk en houden daarbij rekening met de internationale
beginselen inzake aanvullend conglomeraatstoezicht.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid moet
voldaan worden aan de voorwaarden van artikel 340, 2°, a)
ii) en iii) of b), ii) en iii).
Art. 501
De bevoegde autoriteit die belast is met het aanvullende
conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met
overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 471.
Indien met toepassing van artikel 500, eerste lid beslist
wordt een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen,
is het bepaalde bij artikel 453, § 2 op overeenkomstige wijze
van toepassing.
Afdeling V
Moederondernemingen uit derde landen
Art. 502
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
naar Belgisch recht met als moederonderneming een
les documents et pièces émanant tant des filiales reprises
dans le conglomérat financier que des entreprises visées à
l’article 483, § 1er, alinéa 2.
Les dispositions de l ’article 35 de la loi du
22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les informa-
tions dont ils ont pris connaissance en exécution de l’alinéa 1er.
Section IV
Autres groupes financiers
Art. 500
Si, dans des cas autres que ceux visés à l’article 451, une
entreprise a une participation dans, ou un autre lien en capital
avec, une ou plusieurs autres entreprises, ou, en dehors de
toute participation ou de tout autre lien en capital, exerce une
influence notable sur de telles entreprises, et que l’une des
entreprises précitées soit une entreprise d’assurance ou de
réassurance de droit belge, la Banque peut, en sa qualité
d’autorité compétente relevante, décider en concertation
avec les autres autorités compétentes relevantes d’exercer
une surveillance complémentaire des conglomérats sur les
entreprises réglementées du groupe. Les autorités compé-
tentes relevantes définissent conjointement les modalités
de cette surveillance complémentaire des conglomérats, et
déterminent en particulier les articles du présent Chapitre
concernant la surveillance complémentaire des conglomé-
rats qui sont applicables. Elles prennent leur décision dans
le respect des objectifs de la surveillance complémentaire
des conglomérats tels que définis par le présent Chapitre, et
tiennent compte dans ce cadre des principes internationaux
en matière de surveillance complémentaire des conglomérats.
Pour l’application des dispositions de l’alinéa 1er, il doit
être satisfait aux conditions de l’article 340, 2°, a), ii) et iii),
ou b), ii) et iii).
Art. 501
L’autorité compétente chargée de la surveillance com-
plémentaire des conglomérats est désignée par application
analogue des dispositions de l’article 471.
Si, par application de l’article 500, alinéa 1er, il est décidé
de procéder à une surveillance complémentaire des conglo-
mérats, les dispositions de l’article 453, § 2, sont applicables
par analogie.
Section V
Entreprises mères établies dans un pays tiers
Art. 502
Les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit
belge dont l’entreprise mère est une entreprise réglementée
624
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een fi-
nancieel conglomeraat of een gemengde financiële holding
met zetel in een derde land, die niet reeds onderworpen zijn
aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het door de Bank
of een andere bevoegde autoriteit uitgeoefende aanvullende
conglomeraatstoezicht, overeenkomstig dit Hoofdstuk, 0wor-
den aan een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen
overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling.
Art. 503
§ 1. De Bank verifieert of de in artikel 502 bedoelde ver-
zekerings- of herverzekeringsondernemingen onderworpen
zijn aan een door een bevoegde autoriteit van een derde land
uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het aanvullende
conglomeraatstoezicht overeenkomstig de bepalingen van
dit Hoofdstuk.
Zij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in
artikel 502 bedoelde moederondernemingen of van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht.
Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de Bank de
andere bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaar-
digheid van het bedoelde toezicht.
Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de Bank rekening
met de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité over-
eenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening 1093/2010,
Verordening 1094/2010 of Verordening 1095/2010, over het
aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn
2002/87/EG:
§ 2. Indien met overeenkomstige toepassing van het
bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG een andere
bevoegde autoriteit dan de Bank coördinator is, geschiedt de
verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde auto-
riteit en kan de Bank haar bevindingen en zienswijze over de
in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere
bevoegde autoriteit meedelen.
Wanneer de Bank van mening verschilt over een door een
andere bevoegde autoriteit overeenkomstig het eerste lid
genomen besluit, is artikel 17, naargelang van het geval, van
Verordening 1094/2010, van Verordening 1093/2010 of van
Verordening 1095/2010 van toepassing.
§ 3. Indien de procedure in de paragrafen 1 en 2 leidt tot
de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen naar Belgisch recht onderworpen aan een aanvullend
conglomeraatstoezicht, met overeenkomstige toepassing
van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, door de Bank
indien zij de bevoegde autoriteit is die belast zou zijn met het
aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige
toepassing van de bepalingen van artikel 471.
In afwijking van het eerste lid kan de Bank, na overleg met
de andere relevante bevoegde autoriteiten, ook beslissen
een andere passende toezichtsmethode toe te passen die
à la tête d’un conglomérat financier ou une compagnie
financière mixte ayant son siège social dans un pays tiers,
et qui ne font pas déjà l’objet ou ne relèvent pas encore de la
portée de la surveillance complémentaire des conglomérats
conformément au présent Chapitre, exercée par la Banque
ou par une autre autorité compétente, sont soumises à une
surveillance complémentaire des conglomérats conformé-
ment aux dispositions de la présente Section.
Art. 503
§ 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance ou
de réassurance visées à l’article 502 sont soumises à un
contrôle exercé par une autorité compétente d’un pays tiers,
équivalent à la surveillance complémentaire des conglomérats
conformément aux dispositions du présent Chapitre.
Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des
entreprises mères visées à l’article 502 ou de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance de droit belge.
Avant de prendre sa décision, la Banque consulte les
autres autorités compétentes sur l’équivalence ou non du
contrôle visé.
En ce qui concerne cette équivalence, la Banque tient
compte des directives établies par le comité mixte confor-
mément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010, du
Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010, relatives
à la surveillance complémentaire des conglomérats confor-
mément à la Directive 2002/87/CE.:
§ 2. Si, par application analogue des dispositions de
l’article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre autorité
compétente que la Banque est le coordinateur, la vérification et
la consultation sont effectuées par cette autre autorité compé-
tente, la Banque pouvant lui communiquer ses constatations
et son point de vue sur l’équivalence visée au paragraphe 1er.
Lorsque la Banque a un avis différent quant à une décision
prise par une autre autorité compétente conformément à l’ali-
néa 1er, l’article 17, selon le cas, du Règlement 1094/2010, du
Règlement 1093/2010 ou du Règlement 1095/2010 s’applique.
§ 3. Si la procédure prévue aux paragraphes 1er et 2 per-
met de conclure à l’absence d’équivalence, les entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge concernées
sont soumises à une surveillance complémentaire des
conglomérats par application analogue des dispositions du
paragraphe 1er, alinéa 1er, effectuée par la Banque si elle est
l’autorité compétente qui serait chargée de la surveillance
complémentaire des conglomérats par application analogue
des dispositions de l’article 471.
Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, après concer-
tation avec les autres autorités compétentes relevantes,
également décider d’appliquer une autre méthode de contrôle
625
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf
2, eerste lid dient te verwezenlijken.
De Bank kan meer bepaald eisen dat de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht en de
eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opge-
richt naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht
in een groep met aan het hoofd een gemengde financiële
holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en de be-
palingen van dit Hoofdstuk toepassen op het niveau van het
financieel conglomeraat met aan het hoofd deze gemengde
financiële holding.
In dat geval stelt de Bank de overige relevante bevoegde
autoriteiten en de Europese Commissie in kennis van elke
beslissing genomen met toepassing van het tweede en het
derde lid.
Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de
Bank de nodige overeenkomsten met de relevante bevoegde
autoriteiten.
TITEL VI
In moeilijkheden of in een onregelmatige
situatie verkerende verzekerings- of
herverzekerings-ondernemingen
HOOFDSTUK I
Evenwicht van de tarieven
Art. 504
Indien de Bank vaststelt of indien een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming haar ervan in kennis stelt dat de
toepassing van één van haar tarieven verlieslatend is of dreigt
te worden, kan de Bank eisen dat de betrokken onderneming
dit tarief in evenwicht brengt.
Dit in evenwicht brengen van het tarief kan een aanpassing
van de dekkingsvoorwaarden inhouden.
In afwijking van artikel 41 van de Wet Verzekeringen en
onverminderd het opzeggingsrecht van de verzekeringnemer,
wordt de tariefverhoging voor levensverzekerings- en -her-
verzekeringsovereenkomsten toegepast overeenkomstig het
bepaalde in artikel 216, § 3.
Art. 505
Wanneer de overeenkomsten waarop artikel 504 betrek-
king heeft, andere dan beroepsgebonden ziekteverzeke-
ringsovereen-komsten in de zin van artikel 202 van de Wet
Verzekeringen zijn, raadpleegt de Bank de FSMA vooraleer
een beslissing te nemen.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een
termijn van een maand na ontvangst van het verzoek om
adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des dispositions
visées au paragraphe 2, alinéa 1er.
La Banque peut en particulier exiger que les entreprises
d’assurance ou de réassurance de droit belge et les éven-
tuelles autres entreprises réglementées constituées selon le
droit d’un État membre soient incluses dans un groupe ayant
à sa tête une compagnie financière mixte constituée selon
le droit d’un État membre, et appliquer les dispositions du
présent Chapitre au niveau du conglomérat financier ayant à
sa tête cette compagnie financière mixte.
Dans ce cas, la Banque avise les autres autorités com-
pétentes relevantes et la Commission européenne de toute
décision prise en application des alinéas 2 et 3.
Pour l’application des alinéas 1er à 4, la Banque conclut
les accords nécessaires avec les autorités compétentes
relevantes.
TITRE VI
Des entreprises d’assurance ou de réassurance en
difficulté ou en situation irrégulière
CHAPITRE IER
Mise en équilibre des tarifs
Art. 504
Si la Banque constate ou si une entreprise d’assurance ou
de réassurance l’informe que l’application d’un de ses tarifs
donne lieu ou risque de donner lieu à des pertes, la Banque
peut exiger que cette entreprise mette ce tarif en équilibre.
La mise en équilibre du tarif peut comporter une adaptation
des conditions de couverture.
Par dérogation à l’article 41 de la Loi assurances et sans
préjudice du droit de résiliation dans le chef du preneur
d’assurance, le relèvement d’un tarif s’applique pour ce qui
concerne les contrats d’assurance et de réassurance vie, de
la manière prévue à l’article 216, § 3.
Art. 505
Lorsque les contrats concernés par l’article 504 consistent
dans des contrats d’assurance-maladie non liés à l’activité
professionnelle au sens de l’article 202 de la Loi assurances,
la Banque consulte la FSMA avant de prendre sa décision.
La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai
d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis.
626
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
advies. Bij gebreke van advies binnen deze termijn wordt
ervan uitgegaan dat zij geen opmerkingen heeft.
Art. 506
De verhoging van een tarief is niet onderworpen aan de
verplichting tot prijsverhogingsaangifte als bedoeld in de wet
van 22 januari 1945 betreffende de economische reglemen-
tering en de prijzen, en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 507
De Bank stelt de FSMA en de Prijzencommissie in
kennis van de beslissing tot tariefverhoging van een
verzekerings onderneming.
De Bank laat tevens in het Belgisch Staatsblad een uit-
treksel van de beslissing publiceren, waarin het percentage
van de toegestane verhoging wordt vermeld.
HOOFDSTUK II
Herstelmaatregelen
Afdeling I
Dwingende maatregelen
Art. 508
§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de
bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -regle-
menten of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/
EG, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat
het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende
twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze
bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand
moet worden verholpen.
§ 2 Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen,
kan de Bank te allen tijde:
1° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake
waardering of waardeaanpassing voor de berekening van de
eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens
deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG;
2° de verdeling van winstdelingen en restorno’s of de toe-
kenning van verdeelde winstdelingen beperken of verbieden,
na raadpleging van de FSMA;
3° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van
interesten, aan aandeelhouders of houders van kernkapitaal-
instrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing
van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot
À défaut d’avis dans ce délai, il est considéré qu’elle n’a pas
d’observation à formuler.
Art. 506
Le relèvement d’un tarif n’est pas soumis à l’obliga-
tion de déclaration des hausses de prix visée par la loi du
22 janvier 1945 sur la réglementation économique et les prix
et par ses arrêtés d’exécution.
Art. 507
La Banque informe la FSMA et la Commission des prix de la
décision de relèvement du tarif d’une entreprise d’assurance.
La Banque fait également procéder à la publication au
Moniteur belge d’un extrait de la décision indiquant le pour-
centage du relèvement autorisé.
CHAPITRE II
Mesures de redressement
Section Ire
Mesures contraignantes
Art. 508
§ 1er. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance ne fonctionne pas en conformité
avec les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règle-
ments pris pour son exécution ou les mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE, ou qu’elle dispose d’éléments
indiquant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner
en conformité avec ces dispositions au cours des douze pro-
chains mois, la Banque fixe le délai dans lequel il doit être
remédié à cette situation.
§ 2. Aussi longtemps qu’il n’a pas été remédié par l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance à la situation visée au
paragraphe 1er, la Banque peut, à tout moment:
1° imposer l’application de règles particulières en matière
d’évaluation ou d’ajustement de valeur pour le calcul des
exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de la
présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE;
2° limiter ou interdire la répartition de participations aux
bénéfices et de ristournes ou l’attribution de participations
bénéficiaires réparties, après consultation de la FSMA;
3° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou
tout paiement, notamment d’intérêts, aux actionnaires ou
aux titulaires d’instruments de fonds propres de base, dans
la mesure où la suspension des versements qui en résulterait
627
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van
de bepalingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997;
4° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare
winst opleggen;
5° eisen dat de variabele component van de beloning van
de personen waarop het beloningsbeleid van toepassing is,
beperkt wordt tot een percentage van de winst;
6° specifieke liquiditeitsnormen opleggen, die dwingen-
der zijn dan deze waarin voorzien is door reglementen die
in voorkomend geval met toepassing van deze wet zijn
vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mis-
matches tussen activa en passiva van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
7° eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming het risico dat verbonden is aan bepaalde activiteiten of
producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend
geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leg-
gen van haar bedrijf of haar net;
8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter be-
perking van de blootstellingen die van toepassing zijn op de
activa en die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is
door of krachtens deze wet;
9° een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of
een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is
door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG , met name voor de rapportering
over risico’s, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen
dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet of
door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG;
§ 3.Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatregelen
die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen
de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft
genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredi-
gend zijn, heft zij volgens de modaliteiten die zij bepaalt, alle
of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing
van paragraaf 2 heeft besloten.
Afdeling II
Uitvoering van het herstelplan
Art. 509
Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
de toestand bedoeld in artikel 508, § 1 niet heeft verholpen,
en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van
het genoemde artikel, kan de Bank te allen tijde en volgens
de modaliteiten die zij bepaalt, eisen dat de onderneming het
n’entraîne pas les conditions d’ouverture d’une procédure
de liquidation en application des dispositions de la loi du
8 août 1997 sur les faillites;
4° imposer la mise en réserve totale ou partielle des béné-
fices distribuables;
5° imposer de limiter la composante de la rémunération
variable des personnes visées par la politique de rémunéra-
tion à un pourcentage du bénéfice;
6° imposer des normes spécifiques de liquidité, plus
contraignantes que celles définies par des règlements le cas
échéant adoptés en application de la présente loi, en ce com-
pris des limitations aux asymétries d’échéance entre actifs
et passifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance;
7° imposer que l’entreprise d’assurance ou de réassurance
diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou
à son organisation, le cas échéant en imposant la cession de
tout ou partie de ses activités ou de son réseau;
8° imposer des normes en matière de concentration des
risques ou de limitation des expositions applicables aux actifs
plus contraignantes que celles définies par ou en vertu de la
présente loi;
9° imposer une obligation d’information (reporting) supplé-
mentaire ou imposer une fréquence d’information (reporting)
plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de la présente
loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/
CE, notamment en matière de risques, de fonds propres ou
de positions de liquidité;
10° imposer la publication d’informations plus complètes
et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de la
présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive
2009/138/CE;
§ 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises par
l’entreprise d’assurance ou de réassurance dans le délai fixé
en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation
constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités
qu’elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en
application du paragraphe 2.
Section II
Mise en œuvre du plan de redressement
Art. 509
Aussi longtemps que l’entreprise d’assurance ou de réas-
surance n’a pas remédié à la situation visée à l’article 508,
§ 1er, et sans préjudice des mesures visées au paragraphe
2 dudit article, la Banque peut à tout moment, et selon les
modalités qu’elle détermine, requérir que l’entreprise mette
628
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
met toepassing van artikel 204 opgestelde herstelplan geheel
of gedeeltelijk uitvoert.
Afdeling III
Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn
Art. 510
§ 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het solvabiliteits-
kapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151, of dat het gevaar
dreigt dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan
voldoet, stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis.
Binnen twee maanden na de vaststelling bedoeld in het eer-
ste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een
dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij
de Bank ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in om
het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of
haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan
aan het solvabiliteitskapitaalvereiste binnen uiterlijk zes maan-
den. De Bank kan deze termijn met drie maanden verlengen
indien zij dit nodig acht.
§ 2. Het saneringsplan bevat ten minste voor de volgende
drie boekjaren een gedetailleerde beschrijving van de vol-
gende elementen of de desbetreffende rechtvaardigingen:
1° een raming van de te verwachten beheerkosten, met
name van de algemene kosten en de commissies;
2° een raming van de ontvangsten en uitgaven, zowel wat
het rechtstreekse verzekeringsbedrijf als de aangenomen
herverzekeringen en de overdrachten uit hoofde van herver-
zekering betreft;
3° een balansprognose;
4° een raming van de financiële middelen ter dekking van
de technische voorzieningen, en van het solvabiliteitskapi-
taalvereiste en het minimumkapitaalvereiste;
5° het algemene onderschrijvings- en tariferingsbeleid;
6° het algemene herverzekerings- of retrocessiebeleid;
7° de relevante bepalingen van het ter uitvoering van de
artikelen 204 tot 206 opgestelde herstelplan.
De Bank kan alle aanvullende informatie of rechtvaardi-
gingen eisen die zij noodzakelijk acht voor de beoordeling
van het plan.
§ 3. In uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als be-
doeld in artikel 138, lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG, die als
zodanig worden aangemerkt door EIOPA, kan de Bank de in
en œuvre tout ou partie du plan de redressement élaboré en
application de l’article 204.
Section III
Programme de rétablissement et plan de financement à
court terme
Art. 510
§ 1er. Dès qu’elle constate que son capital de solvabi-
lité requis n’est plus conforme aux exigences prévues par
l’article 151 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois
prochains mois, toute entreprise d’assurance ou de réassu-
rance en informe immédiatement la Banque.
Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de
la notification effectuée par la Banque selon laquelle elle a
procédé à un tel constat, l’entreprise soumet à la Banque,
pour approbation, un programme de rétablissement réaliste
visant à rétablir le niveau de fonds propres éligibles couvrant
le capital de solvabilité requis ou réduire son profil de risque
afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis
dans un délai n’excédant pas six mois. La Banque peut, si
elle l’estime nécessaire, prolonger ce délai de trois mois.
§ 2. Le programme de rétablissement comprend au moins
pour les trois exercices financiers subséquents, une descrip-
tion détaillée des éléments suivants, ou les justifications y
afférentes:
1° une estimation prévisionnelle des frais de gestion,
notamment des frais généraux et des commissions;
2° une estimation des recettes et des dépenses, tant pour
les affaires directes que pour les acceptations et les cessions
en réassurance;
3° un bilan prévisionnel;
4° une estimation des ressources financières devant servir
à la couverture des provisions techniques, ainsi que du capital
de solvabilité requis et du minimum de capital requis;
5° la politique générale de souscription et de tarification;
6° la politique générale en matière de réassurance ou de
rétrocession;
7° les dispositions pertinentes du plan de redressement
établi en exécution des articles 204 à 206.
La Banque peut exiger tout complément d’information
ou de justification qu’elle estime nécessaire à l’évaluation
du plan.
§ 3. En cas de situation défavorable exceptionnelle telle que
visée à l’article 138, paragraphe 4 de la Directive 2009/138/
CE et déclarée comme telle par l’EIOPA, la Banque peut
629
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
paragraaf 1, tweede lid bedoelde termijn voor de desbetref-
fende onderneming verlengen met een periode van maximum
zeven jaar, rekening houdend met alle relevante factoren,
en met name met de gemiddelde looptijd van de technische
voorzieningen.
De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in
bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen
er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het
in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het
solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan
het solvabiliteitskapitaalvereiste.
De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt ingetrok-
ken als uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke
vooruitgang is geboekt door de onderneming in het licht van
de in het tweede lid bedoelde doelstellingen.
Art. 511
§ 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het minimumkapi-
taalvereiste als bedoeld in artikel 189, of dat het gevaar dreigt
dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet,
stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis.
Binnen een maand na de vaststelling bedoeld in het eerste
lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een
dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming
bij de Bank ter goedkeuring een realistisch plan inzake fi-
nanciering op korte termijn in om het in aanmerkend komend
kernvermogen binnen uiterlijk drie maanden op het niveau
van het minimumkapitaalvereiste terug te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan
het minimumkapitaalvereiste.
§ 2. Het plan inzake financiering op korte termijn bevat ten
minste voor de volgende drie boekjaren een gedetailleerde
beschrijving van de in artikel 510, § 2 bedoelde elementen
en de desbetreffende rechtvaardigingen.
Art. 512
Zolang het in artikel 510 bedoelde saneringsplan of het
in artikel 511 bedoelde plan inzake financiering op korte ter-
mijn loopt en de Bank van oordeel is dat de rechten van de
verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden of
de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsover-
eenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, onthoudt zij
zich van de afgifte van de in artikel 109, eerste lid en artikel
116, eerste lid bedoelde solvabiliteitsattesten.
prolonger, pour l’entreprise affectée, le délai visé au para-
graphe 1er, alinéa 2 d’une durée maximale de sept ans compte
tenu de tous les facteurs pertinents et notamment de la durée
moyenne des provisions techniques.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
soumet tous les trois mois à la Banque un rapport intermé-
diaire exposant les mesures prises et les progrès accomplis
pour rétablir le niveau de fonds propres éligibles corres-
pondant au capital de solvabilité requis ou pour réduire son
profil de risque afin de garantir la conformité du capital de
solvabilité requis.
La prolongation visée à l’alinéa 1er est retirée lorsque le
rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès significatif n’a
été accompli par l’entreprise au regard des objectifs visés à
l’alinéa 2.
Art. 511
§ 1er. Dès qu’elle constate que son minimum de capital
requis n’est plus conforme aux exigences prévues par
l’article 189 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois
prochains mois, toute entreprise d’assurance ou de réassu-
rance en informe immédiatement la Banque.
Dans le mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de la notifica-
tion effectuée par la Banque selon laquelle elle a procédé à
un tel constat, l’entreprise soumet à la Banque, pour appro-
bation, un plan de financement à court terme réaliste visant
à rétablir, dans un délai n’excédant pas trois mois, les fonds
propres de base éligibles au moins au niveau du minimum de
capital requis ou à réduire son profil de risque pour garantir
la conformité du minimum de capital requis.
§ 2. Le plan de financement à court terme comporte au
moins, pour les trois exercices financiers subséquents, une
description détaillée des éléments visés à l’article 510, § 2 et
les justifications s’y rapportant.
Art. 512
Aussi longtemps que le programme de rétablissement
visé à l’article 510 ou le plan de financement à court terme
visé à l’article 511 est en cours et que la Banque estime que
les droits des preneurs d’assurance, des assurés ou des
bénéficiaires ou le respect des droits découlant des contrats
de réassurance, sont menacés, elle s’abstient de délivrer les
attestations de solvabilité visées aux articles 109, alinéa 1er
et 116, alinéa 1er.
630
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Beperking van de bevoegdheid om over de activa te
beschikken
Art. 513
Onverminderd de andere maatregelen die door of krach-
tens de wet zijn vastgelegd, kan de Bank de vrije beschikking
over de activa van een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming, waar zij zich ook bevinden, beperken of ontnemen
in de volgende gevallen:
1° indien de onderneming zich niet conformeert aan de
bepalingen van de artikelen 124 tot 139 voor wat de technische
voorzieningen betreft;
2° in de uitzonderlijke omstandigheid dat de Bank, wanneer
de onderneming een saneringsplan heeft ingediend of moet
indienen krachtens artikel 510, van oordeel is dat de financiële
positie van de onderneming verder zal verslechteren;
3° indien niet meer wordt voldaan aan het overeenkomstig
artikel 189 vastgestelde minimumkapitaalvereiste;
4° indien de solvabiliteitspositie van de onderneming blijft
verslechteren of de belangen van de verzekeringnemers,
de verzekerden of de begunstigden van de verzekerings-
overeenkomsten of de naleving van de rechten die uit de
herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrag
komen, ondanks de uitvoering van een saneringsplan of een
plan inzake financiering op korte termijn.
Art. 514
§ 1. Het verbod op de vrije beschikking over de in België
gelokaliseerde activa dat met toepassing van artikel 513 wordt
opgelegd, wordt door de volgende bepalingen beheerst:
1° Zonder dat een dergelijke mededeling een voorwaarde
uitmaakt voor het verbod, bezorgt de onderneming aan de
Bank een volledige inventaris van haar activa, met inbegrip
van de andere activa dan deze die ter dekking van de tech-
nische voorzieningen worden aangehouden. Voor elke daad
van beschikking of toewijzing met betrekking tot die activa is
de voorafgaande toestemming van de Bank vereist.
2° Voor de activa die op een rekening zijn ingeschreven,
beveelt de Bank de in bewaring nemende instelling de reke-
ning te blokkeren. Voor de andere voor bewaargeving vatbare
activa beveelt de Bank de onderneming ze onmiddellijk in
bewaring te geven op een bijzondere rekening ter verwezen-
lijking van de blokkering van de activa bij een kredietinstelling,
beursvennootschap of buitenlandse beleggingsonderneming
waarvan de vergunning het in ontvangst nemen van tegoeden
dekt en die onder een lidstaat ressorteert.
De in bewaring nemende instellingen mogen de activa die
ze voor rekening van de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming in bewaring houden, slechts teruggeven op
Section IV
Limitation du pouvoir de disposer des actifs
Art. 513
Sans préjudice des autres mesures prévues par ou en
vertu de la loi, la Banque peut restreindre ou interdire la libre
disposition des actifs d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance, quelle que soit leur localisation, dans les cas
suivants:
1° si l’entreprise ne se conforme pas aux dispositions
des articles 124 à 139 en ce qui concerne les provisions
techniques;
2° dans la circonstance exceptionnelle où, lorsque l’entre-
prise a soumis ou est tenue de soumettre un programme de
rétablissement en vertu de l’article 510, la Banque est d’avis
que la situation financière de l’entreprise va se détériorer
davantage;
3° si le minimum de capital requis n’est plus conforme aux
dispositions de l’article 189;
4° si, malgré la mise en œuvre d’un programme de réta-
blissement ou d’un plan de financement à court terme, la
solvabilité de l’entreprise continue à se détériorer ou que
les intérêts des preneurs d’assurance, des assurés ou des
bénéficiaires des contrats d’assurance ou le respect des
droits découlant des contrats de réassurance sont menacés.
Art. 514
§ 1er. L’interdiction de la libre disposition des actifs localisés
en Belgique en application de l’article 513 est régie par les
dispositions suivantes:
1° Sans qu’une telle communication ne constitue un préa-
lable à l’interdiction, l’entreprise communique à la Banque un
inventaire complet de ses actifs, en ce compris les actifs autres
que ceux détenus pour couvrir les provisions techniques. Tout
acte de disposition ou d’affectation de ces actifs est subor-
donné à l’autorisation préalable de la Banque.
2° Pour les actifs faisant l’objet d’une inscription en
compte, la Banque ordonne à l’organisme dépositaire le
blocage du compte. Pour les autres actifs susceptibles de
dépôt, la Banque ordonne à l’entreprise le dépôt immédiat
sur un compte spécial matérialisant le blocage des actifs
ouvert auprès d’un établissement de crédit, d’une société
de bourse ou d’une entreprise d’investissement étrangère
dont l’agrément couvre la réception d’avoirs, relevant du droit
d’un État membre.
Les organismes dépositaires ne peuvent restituer les actifs
qu’ils détiennent pour compte de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance que sur production de l’autorisation de
631
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
voorlegging van de toestemming van de Bank. Deze laatste
brengt de in bewaring nemende instellingen op de hoogte
van de verplichtingen die krachtens dit artikel op hen rusten.
Deze instellingen worden verantwoordelijk gehouden voor de
geldelijke verliezen die voortvloeien uit de niet-naleving van de
op hen rustende verplichtingen die vastgesteld zijn in dit lid.
3° De in België gestorte bedragen ter uitvoering van vorde-
ringen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
worden gestort op een bijzondere geblokkeerde rekening bij
een kredietinstelling naar Belgisch recht of die onder een
lidstaat ressorteert, en vallen onder dezelfde regeling als de
activa bedoeld in 1°.
4° Wat de andere activa betreft die niet voor bewaargeving
vatbaar zijn, kan de Koning, op advies van de Bank, de regels
vaststellen inzake de bewarende maatregelen die op deze
activa van toepassing kunnen zijn.
5° De onroerende activa zijn onderworpen aan een wet-
telijke hypotheek ten bate van de gezamenlijke schuldeisers
uit hoofde van verzekering of herverzekering.
De inschrijving wordt gevorderd door de Bank, onder
de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van de
hypotheekwet.
De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd met
instemming van de Bank, onder de voorwaarden bepaald in
de artikelen 92 tot 95 van de hypotheekwet.
De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling en ver-
mindering komen ten laste van de betrokken onderneming.
6° De Bank kan zich met een aangetekende brief aan de
hypotheekbewaarders verzetten tegen de doorhaling of de
vermindering van de hypotheek verleend door een derde ten
bate van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
§ 2. De roerende dekkingswaarden die het voorwerp
uitmaken van de bepalingen van paragraaf 1 zijn niet voor
beslag vatbaar, tenzij in het voordeel van de schuldeisers die
houders zijn van rechten die te goeder trouw zijn verkregen
krachtens een formaliteit vervuld vóór de toewijzing van de
betreffende waarden als dekkingswaarden.
Art. 515
De Bank stelt de toezichthouders van de betrokken lidsta-
ten van ontvangst vooraf in kennis van haar voornemen om de
vrije beschikking over de activa te beperken of te ontnemen.
De Bank kan de toezichthouders van de lidstaten op het
grondgebied waarvan de activa van de onderneming gelokali-
seerd zijn, verzoeken de nodige maatregelen te nemen om de
effectiviteit te verzekeren van de beperking van of het verbod
op de vrije beschikking over die activa. De Bank bepaalt op
welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.
la Banque. Celle-ci informe les organismes dépositaires des
obligations qui leur incombent en vertu du présent article.
Ces organismes sont tenus responsables des pertes de
valeur résultant du non-respect de leurs obligations prévues
au présent alinéa.
3° Les sommes versées en Belgique en exécution des
créances de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont
versées sur un compte spécial et bloqué auprès d’un établis-
sement de crédit de droit belge ou relevant du droit d’un État
membre, et suivent le même régime que les actifs visés au 1°.
4° En ce qui concerne les autres actifs non susceptibles
de dépôt, le Roi peut, sur avis de la Banque, fixer les règles
relatives aux mesures conservatoires auxquelles ils peuvent
être soumis.
5° Les actifs immobiliers sont soumis à une hypothèque
légale au profit de l’ensemble des créanciers d’assurance
ou de réassurance.
L’inscription est requise par la Banque dans les conditions
prévues aux articles 82 à 87 de la loi hypothécaire.
L’inscription est radiée ou réduite du consentement de la
Banque dans les conditions prévues aux articles 92 à 95 de
la loi hypothécaire.
Les frais et droits relatifs à l’inscription, à la radiation et à
la réduction sont à charge de l’entreprise concernée.
6° La Banque peut, par lettre recommandée adressée aux
conservateurs des hypothèques, s’opposer à la radiation ou
la réduction de l’hypothèque consentie par un tiers au profit
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance.
§ 2. Les valeurs représentatives mobilières qui font l’objet
des dispositions du paragraphe 1er sont insaisissables, sauf
au profit des créanciers titulaires de droits acquis de bonne foi
en vertu d’une formalité accomplie avant l’affectation desdites
valeurs au titre de valeurs représentatives.
Art. 515
La Banque informe préalablement les autorités de contrôle
des États membres d’accueil concernés de son intention de
restreindre ou d’interdire la libre disposition des actifs.
La Banque peut demander aux autorités de contrôle des
États membres sur le territoire desquels sont situés les actifs
de l’entreprise de prendre les mesures nécessaires en vue
d’assurer l’effectivité de la restriction ou de l’interdiction de
la libre disposition de ces actifs. La Banque désigne les actifs
visés par ces mesures.
632
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 516
Op verzoek van een toezichthouder van een lidstaat kan de
Bank overeenkomstig artikel 513 de vrije beschikking over de
activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die onder die lidstaat ressorteert, beperken of ontnemen in-
dien die activa op het Belgische grondgebied gelokaliseerd
zijn en door deze toezichthouder zijn aangeduid.
Afdeling V
Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Art. 517
§ 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming niet of niet langer voldoet aan
de met toepassing van artikel 508, § 2 genomen maatregelen,
of dat zij de toestand na het verstrijken van de met toepassing
van artikel 508, § 1 vastgestelde termijn niet heeft verholpen,
kan de Bank, onverminderd de andere bepalingen die door
of krachtens deze wet zijn vastgesteld:
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle
organen van de onderneming, alsook voor die van de perso-
nen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of
bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen
waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig
acht, voorleggen aan alle organen van de onderneming,
inclusief de algemene vergadering.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per-
sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of
beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de
speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het
nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor
derden.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commis-
saris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met
opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn
toestemming vereist is, zijn alle handelingen en beslissingen
zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal
commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden
zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder
de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig,
tenzij hij die bekrachtigt.
De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vast-
gesteld door de Bank en gedragen door de onderneming.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris
aanstellen;
2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de
leden van het wettelijk bestuursorgaan en/of in voorkomend
geval van de personen belast met de effectieve leiding van
Art. 516
À la demande d’une autorité de contrôle d’un État membre,
la Banque peut restreindre ou interdire conformément à
l’article 513 la libre disposition des actifs appartenant à une
entreprise d’assurance ou de réassurance relevant du droit
de cet État qui sont localisés sur le territoire belge et que cette
autorité a désignés.
Section V
Mesures de redressement exceptionnelles
Art. 517
§ 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par ou
en vertu de la présente loi, lorsque la Banque constate qu’une
entreprise d’assurance ou de réassurance ne se conforme
pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en
application de l’article 508, § 2, ou qu’à l’issue du délai fixé
en application de l’article 508, § 1er, elle n’a pas remédié à la
situation, la Banque peut:
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spéciale, de
celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les
organes de l’entreprise et pour ceux des personnes chargées
de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des
opérations soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération
de tous les organes de l’entreprise, y compris l’assemblée
générale, toute proposition qu’il juge opportune.
Les membres des organes d’administration et de gestion et
les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des
actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’auto-
risation requise du commissaire spécial sont responsables
solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’entreprise
ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du
commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis
à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans
cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins
que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes
conditions toute décision d’assemblée générale prise sans
avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial
est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
La rémunération du commissaire spécial est fixée par la
Banque et supportée par l’entreprise.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des
membres de l’organe légal d’administration et/ou, le cas
échéant, des personnes chargées de la direction effective
633
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, binnen een
termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen ver-
vanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en
beleidsorganen van de onderneming een of meer voorlopige
bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of colle-
giaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben
van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing
bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de
Bank een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders
aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle
of een deel van de leiders van de onderneming.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige
bestuurder(s) of zaakvoerder(s) een algemene vergadering
bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
De Bank kan volgens de modaliteiten die zij bepaalt eisen
dat de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) aan haar
verslag uitbrengen over de financiële positie van de onder-
neming en over de maatregelen die zij in het kader van hun
opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie
aan het begin en aan het einde van die opdracht.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of
zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen
door de betrokken onderneming.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s)
te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek
van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten,
wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet
langer de nodige waarborgen biedt;
3° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelas-
ten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene
vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan
zij de agenda vaststelt;
4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of on-
rechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de onderneming
geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden. Deze schor-
sing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige
of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende
overeenkomsten tot gevolg hebben, zonder dat deze schor-
sing langer mag duren dan twee maanden of een reden mag
zijn voor niet-betaling van de premies die reeds verschuldigd
waren vóór de datum van de schorsingsmaatregel.
De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per-
sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of
beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn
hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit
voor de onderneming of voor derden.
Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch
Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige
handelingen en beslissingen nietig;
5° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ge-
lasten de aandelen over te dragen die zij bezit;
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, dans un
délai qu’elle fixe et, à défaut d’un tel remplacement dans ce
délai, substituer à l’ensemble des organes d’administration
et de gestion de l’entreprise un ou plusieurs administrateurs
ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement
selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La
Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut
procéder à la désignation d’un ou plusieurs administrateurs ou
gérants provisoires sans procéder préalablement à l’injonction
de remplacer tout ou partie des dirigeants de l’entreprise.
Moyennant l’autorisation de la Banque, le ou les admi-
nistrateurs ou gérants provisoires peuvent convoquer une
assemblée générale et en établir l’ordre du jour.
La Banque peut requérir, selon les modalités qu’elle déter-
mine, que le ou les administrateurs ou gérants provisoires lui
fassent rapport sur la situation financière de l’entreprise et sur
les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que
sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
La rémunération du ou des administrateurs ou gérants
provisoires est fixée par la Banque et supportée par l’entre-
prise concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les
administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la
demande d’une majorité des actionnaires ou associés lorsque
ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente
plus les garanties nécessaires;
3° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
de convoquer, dans le délai qu’elle fixe, une assemblée géné-
rale des actionnaires, dont elle établit l’ordre du jour;
4° suspendre, pour la durée qu’elle détermine, l’exercice
direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’entreprise
ou interdire cet exercice. Cette suspension peut, dans la
mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension
totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours, sans
qu’une telle suspension ne puisse excéder deux mois ni
constituer une cause de non versement des primes dues
avant la date de la mesure de suspension.
Les membres des organes d’administration et de gestion
et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent
des actes ou prennent des décisions en violation de la sus-
pension ou de l’interdiction sont responsables solidairement
du préjudice qui en est résulté pour l’entreprise ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension ou l’interdiction au
Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre
de celle-ci sont nuls;
5° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
de céder des droits d’associés qu’elle détient;
634
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
6° de vrije beschikking over de activa van de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming beperken of ontnemen, in
welk geval de artikelen 514 en 515 van toepassing zijn;
7° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelas-
ten een deel of het geheel van haar activiteiten over te dragen,
met inbegrip van een deel of het geheel van haar portefeuille,
waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit
vervallen of lopende verzekerings- of herverzekeringsover-
eenkomsten worden overgedragen, alsmede de activa die ter
dekking van die verplichtingen worden aangehouden, binnen
de termijn die de Bank bepaalt. In dat geval zijn de artikelen
102 tot 106 en artikel 547, § 2, 1° van toepassing;
8° de vergunning herroepen, voor één of meer of voor alle
verzekeringstakken waarvoor de verzekeringsonderneming
een vergunning heeft verkregen, of voor een deel of het geheel
van de activiteiten waarvoor de herverzekeringsonderneming
een vergunning heeft verkregen.
§ 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing
van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen
of indien de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers
uit hoofde van verzekering dit vereist, de maatregelen als
bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf
een termijn op te leggen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank
hebben voor de onderneming uitwerking vanaf de datum van
de kennisgeving ervan met een aangetekende brief of een
brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van
de bekendmaking ervan of de vervulling van de formaliteiten
overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
§ 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen
ook nemen wanneer een verzekerings- of herverzekeringson-
derneming een vergunning heeft verkregen door middel van
valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
§ 5. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een
verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijzonder
mechanisme heeft ingesteld met als doel of gevolg fiscale
fraude door derden te bevorderen, zijn artikel 508, evenals
paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit
artikel van toepassing.
§ 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels
bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van de wet van
2 augustus 2002, kan de Bank de vergunning herroepen op
verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels
bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.
§ 7. De rechtbank van koophandel spreekt op verzoek van
elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in
paragraaf 1, 1° en 4°.
De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de onderne-
ming. Indien verantwoord om ernstige redenen, kan de eiser
in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de ge-
wraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en
het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien
van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling
6° restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance, les articles 514 et
515 étant applicables;
7° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
de transférer une partie ou l’ensemble de ses activités, en
ce compris tout ou partie de son portefeuille impliquant ainsi
la cession des droits et obligations découlant des contrats
d’assurance ou de réassurance, échus ou en cours, ainsi que
les actifs détenus en couverture de ces obligations dans le
délai fixé par la Banque. En ce cas les articles 102 à 106 et
l’article 547, § 2, 1° sont d’application;
8° révoquer l’agrément, pour une, plusieurs ou l’ensemble
des branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assu-
rance est agréée ou pour tout ou partie des activités pour
lesquelles l’entreprise de réassurance est agréée.
§ 2. Nonobstant les conditions d’application du paragraphe
1er, en cas d’extrême urgence ou lorsque la sauvegarde des
droits des créanciers d’assurance le requiert, la Banque peut
adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu’un
délai soit préalablement fixé.
§ 3. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er
sortissent leurs effets à l’égard de l’entreprise à dater de leur
notification à celle-ci par lettre recommandée ou avec accusé
de réception et, à l’égard des tiers, à dater de leur publication
ou formalités accomplies conformément aux dispositions du
paragraphe 1er.
§ 4. La Banque peut également adopter les mesures visées
au présent article dans le cas où une entreprise d’assurance
ou de réassurance a obtenu un agrément au moyen de
fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier.
§ 5. L’article 508, ainsi que le paragraphe 1er, 1°, 2°, 4° et 6°
et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables
au cas où la Banque a connaissance du fait qu’une entreprise
d’assurance ou de réassurance a mis en place un mécanisme
particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude
fiscale par des tiers.
§ 6. En cas d’infraction grave et systématique aux règles
visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, ou § 2, de la loi du
2 août 2002, la Banque peut révoquer l’agrément sur demande
de la FSMA selon la procédure et les modalités fixées par
l’article 36bis de cette même loi.
§ 7. Le tribunal de commerce prononce à la requête de
tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er, 1° et 4°.
L’action en nullité est dirigée contre l’entreprise. Si des
motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut sol-
liciter en référé la suspension provisoire des actes ou déci-
sions attaqués. L’ordonnance de suspension et le jugement
prononçant la nullité produisent leurs effets à l’égard de tous.
Au cas où l’acte ou la décision suspendu ou annulé a fait
635
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
of beslissing bekendgemaakt is, worden het schorsingsbevel
en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde
wijze bekendgemaakt.
Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die
een derde te goeder trouw ten aanzien van de onderneming
heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietig-
heid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken
rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op
schadevergoeding.
De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld
na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum
waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen
worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of
hem bekend zijn.
Art. 518
De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissingen
genomen overeenkomstig de artikelen 504 tot 517 en houdt
de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep
tegen deze beslissingen.
Zij brengt hiervan tevens de toezichthouders op de hoogte
van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming een bijkantoor heeft gevestigd of activitei-
ten uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten.
HOOFDSTUK III
Maatregelen ter bescherming van het financiële stelsel
Afdeling I
Daden van beschikking
Art. 519
Indien een van de in artikel 508, § 1, vermelde toestanden
van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of in-
ternationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de
omvang van de verbintenissen van de betrokken verzekerings-
of herverzekeringsonderneming of haar rol in het financiële
stelsel, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit,
hetzij op verzoek van de Bank, hetzij op eigen initiatief, na het
advies te hebben ingewonnen van de Bank, elke daad van
beschikking vaststellen, ten gunste van de Staat om of het
even welke andere publiek- of privaatrechtelijke Belgische of
buitenlandse persoon, met name elke overdracht, verkoop of
inbreng met betrekking tot:
1° activa, passiva of één of meer bedrijfstakken en meer al-
gemeen, alle of een deel van de rechten en verplichtingen van
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
2° al dan niet stemrechtverlenende aandelen die al dan niet
het kapitaal vertegenwoordigen, die door de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zijn uitgegeven.
l’objet d’une publication, l’ordonnance de suspension et le
jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans
les mêmes formes.
Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits
acquis de bonne foi par un tiers à l’égard de l’entreprise, le
tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l’égard de ces
droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages
et intérêts s’il y a lieu.
L’action en nullité ne peut plus être intentée après l’expi-
ration d’un délai de six mois à compter de la date à laquelle
les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui
invoque la nullité ou sont connus de lui.
Art. 518
La Banque informe la FSMA des décisions prises confor-
mément aux articles 504 à 517 et tient la FSMA informée des
suites données aux recours pris contre ces décisions.
Elle en informe également les autorités de contrôle des
autres États membres dans lesquels l’entreprise d’assurance
ou de réassurance a établi des succursales ou exerce des
activités sous le régime de la libre prestation de services.
CHAPITRE III
Mesures de sauvegarde du système financier
Section Ire
Actes de disposition
Art. 519
Lorsqu’une des situations énoncées à l’article 508, § 1er,
est susceptible d’affecter la stabilité du système financier
belge ou international en raison du volume des engagements
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ou
de son rôle dans le système financier, le Roi peut, par arrêté
délibéré en Conseil des ministres, soit à la demande de la
Banque, soit d’initiative, après avis de la Banque, arrêter
tout acte de disposition, en faveur de l’État ou de toute autre
personne, belge ou étrangère, de droit public ou de droit
privé, notamment tout acte de cession, de vente ou d’apport
portant sur:
1° des actifs, des passifs ou une ou plusieurs branches
d’activités et plus généralement, tout ou partie des droits et
obligations de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée;
2° des titres ou parts, représentatifs ou non du capital,
conférant ou non un droit de vote, émis par l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
636
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 520
Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti-
kel 519 wordt genomen, bepaalt de schadeloosstelling die
betaald moet worden aan de eigenaars van de goederen of
de houders van de rechten waarop de in het besluit vastge-
stelde daad van beschikking betrekking heeft. Indien de bij
het koninklijk besluit aangewezen overnemer een andere
persoon is dan de Staat, komt de prijs die volgens de met
de Staat gesloten overeenkomst verschuldigd is door de
overnemer, als vergoeding toe aan de genoemde eigenaars
of houders, volgens de verdeelsleutel die in hetzelfde besluit
is vastgelegd.
Art. 521
Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti-
kel 519 wordt genomen, wordt ter kennis gebracht van de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De
maatregelen waarin dit besluit voorziet, worden bovendien
bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Dit bericht wordt bovendien bekendgemaakt op de website
van de betrokken onderneming.
Zodra zij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft
ontvangen, verliest de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming de vrije beschikking over de activa waarop de in
het koninklijk besluit vastgestelde daden van beschikking
betrekking hebben.
Art. 522
Het is niet mogelijk om de in artikel 519 bedoelde daden
niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens de artikelen 17,
18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 of
artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek.
Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mo-
gen de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastge-
stelde maatregelen noch tot gevolg hebben dat de bepalingen
van een tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming en één of meer derden gesloten overeenkomst worden
gewijzigd, noch dat een einde wordt gesteld aan een dergelijke
overeenkomst, noch dat aan één van de betrokken partijen
het recht wordt verleend om de overeenkomst eenzijdig te
beëindigen.
Ten aanzien van de door de Koning met toepassing van
artikel 519 vastgestelde maatregelen geldt geen enkele sta-
tutaire of contractuele goedkeuringsclausule en geen enkel
statutair of contractueel recht van voorkoop, geen enkele
optie tot aankoop van een derde, en geen enkele statutaire
of contractuele clausule die de wijziging van de controle over
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
verhindert.
De Koning is gemachtigd om alle overige regelingen te
treffen die nodig zijn om de goede uitvoering van de met toe-
passing van artikel 519 genomen maatregelen te verzekeren.
Art. 520
L’arrêté royal pris en application de l’article 519 définit
l’indemnité payable aux propriétaires des biens ou aux titu-
laires des droits faisant l’objet de l’acte de disposition prévu
par l’arrêté. Si le cessionnaire désigné par l’arrêté royal est
une personne autre que l’État, le prix dû par le cessionnaire
aux termes de la convention conclue avec l’État revient auxdits
propriétaires ou titulaires à titre d’indemnité, selon la clef de
répartition définie par le même arrêté.
Art. 521
L’arrêté royal pris en application de l’article 519 est notifié
à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Les
mesures prévues par cet arrêté font, en outre, l’objet d’une
publication par avis au Moniteur belge. Cet avis est en outre
publié sur le site internet de l’entreprise concernée.
Dès le moment où elle a reçu la notification visée à l’alinéa
1er, l’entreprise d’assurance ou de réassurance perd la libre
disposition des actifs visés par les actes de disposition prévus
par l’arrêté royal.
Art. 522
Les actes visés à l’article 519 ne peuvent faire l’objet d’une
inopposabilité en vertu des articles 17, 18 ou 20 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites ou de l’article 1167 du Code civil.
Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les
mesures arrêtées par le Roi en application de l’article 519 ne
peuvent avoir pour effet de modifier les termes d’une
convention conclue entre l’entreprise d’assurance ou de
réassurance et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une
telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la
résilier unilatéralement.
Sont inopérantes à l’égard des mesures arrêtées par le
Roi en application de l’article 519, toute clause statutaire ou
conventionnelle d’agrément ou de préemption, toute option
d’achat d’un tiers, ainsi que toute clause statutaire ou conven-
tionnelle empêchant la modification du contrôle de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance.
Le Roi est habilité à prendre toutes autres dispositions
nécessaires en vue d’assurer la bonne exécution des mesures
prises en application de l’article 519.
637
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 523
De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de personen
die in naam van de Staat of op diens verzoek optreden in het
kader van de in deze Afdeling bedoelde maatregelen, wegens
of met betrekking tot hun beslissingen, daden of handelingen
in het kader van deze maatregelen, is beperkt tot gevallen van
bedrog of zware fout in hun hoofde.
Het al dan niet bestaan van een zware fout wordt beoor-
deeld op grond van de concrete omstandigheden van het
betrokken geval, en met name van de hoogdringendheid
waarmee die personen werden geconfronteerd, van de prak-
tijken op de financiële markten, van de complexiteit van het
betrokken geval, van de bedreigingen voor de bescherming
van het spaarwezen en van het gevaar voor schade aan de
nationale economie ingevolge de discontinuïteit van de betrok-
ken verzekerings- of herverzekeringsonderneming.
Art. 524
Alle geschillen waartoe de in deze Afdeling bedoelde
daden en de in artikel 523 bedoelde aansprakelijkheid aan-
leiding zouden kunnen geven, behoren tot de uitsluitende
bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, die uitsluitend
het Belgische recht toepassen.
Art. 525
Voor de toepassing van de Collectieve arbeidsovereen-
komst nr. 32bis gesloten op 7 juni 1985 in de Nationale
Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de
werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de over-
gang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot
regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen
worden bij overname van activa na faillissement, worden de
daden die krachtens artikel 519, 1°, zijn verricht, beschouwd
als daden die door de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming zelf zijn gesteld.
Art. 526
Onverminderd de algemene rechtsbeginselen die hij zou
kunnen inroepen, kan de raad van bestuur van de verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming afwijken van de
statutaire beperkingen van zijn bestuursbevoegdheden indien
een van de in artikel 508, § 1, eerste lid, vermelde toestan-
den van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of
internationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens
de omvang van de verbintenissen van de betrokken verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming of haar rol in het
financiële stelsel. De raad van bestuur stelt een bijzonder
verslag op waarin wordt verantwoord waarom deze bepaling
wordt toegepast, en waarin de genomen beslissingen worden
uiteengezet; dit verslag wordt binnen twee maanden bezorgd
aan de algemene vergadering.
Art. 523
La responsabilité civile des personnes, agissant au nom de
l’État ou à sa demande, intervenant dans le cadre des opéra-
tions visées par la présente Section, encourue en raison de
ou en relation avec leurs décisions, actes ou comportements
dans le cadre de ces opérations est limitée aux cas de dol et
de faute lourde dans leur chef.
L’existence d’une faute lourde est appréciée en tenant
compte des circonstances concrètes du cas d’espèce et
notamment de l’urgence à laquelle ces personnes étaient
confrontées, des pratiques des marchés financiers, de la
complexité du cas d’espèce, des menaces sur la protection
de l’épargne et du risque de dommage à l’économie nationale
qu’entraînerait la discontinuité de l’entreprise d’assurance ou
de réassurance concernée.
Art. 524
Tous les litiges auxquels les actes visés dans la présente
Section, ainsi que la responsabilité visée à l’article 523,
pourraient donner lieu relèvent de la compétence exclusive
des tribunaux belges, lesquels appliqueront exclusivement
la loi belge.
Art. 525
Pour l’application de la Convention collective de travail
n° 32bis conclue le 7 juin 1985 au sein du Conseil national
du travail, concernant le maintien des droits des travailleurs
en cas de changement d’employeur du fait d’un transfert
conventionnel d’entreprise et réglant les droits des travail-
leurs repris en cas de reprise de l’actif après faillite, les actes
accomplis en vertu de l’article 519, 1°, sont considérées
comme des actes accomplis par l’entreprise d’assurance ou
de réassurance elle-même.
Art. 526
Sans préjudice des principes généraux de droit qu’il
pourrait invoquer, le conseil d’administration de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance peut déroger aux restrictions
statutaires à ses pouvoirs de gestion lorsqu’une des situa-
tions énoncées à l’article 508, § 1er, alinéa 1er, est susceptible
d’affecter la stabilité du système financier belge ou interna-
tional en raison du volume des engagements de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée ou de son rôle
dans le système financier. Le conseil d’administration établit
un rapport spécial justifiant le recours à la présente disposition
et exposant les décisions prises; ce rapport est transmis dans
les deux mois à l’assemblée générale.
638
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Gerechtelijke controle
Art. 527
Voor de toepassing van deze Afdeling en van de ter uit-
voering ervan genomen besluiten en reglementen, dient te
worden verstaan onder:
1° koninklijk besluit: het koninklijk besluit dat na overleg in
de Ministerraad is vastgesteld met toepassing van artikel 519;
2° daad van beschikking: de beslissing tot overdracht of
de andere daad van beschikking waarin het koninklijk besluit
voorziet;
3° rechtbank: de rechtbank van eerste aanleg te Brussel;
4° eigenaars: de natuurlijke of rechtspersonen die op de
datum van het koninklijk besluit eigenaar zijn van de activa of
aandelen dan wel houder zijn van de rechten die het voorwerp
uitmaken van de daad van beschikking;
5° derde-overnemer: de natuurlijke of rechts persoon, an-
dere dan de Belgische Staat, die volgens het koninklijk besluit
de activa, aandelen of rechten die het voorwerp uitmaken van
de daad van beschikking zal verwerven;
6° schadeloosstelling: de schadeloosstelling die door
het koninklijk besluit ten voordele van de eigenaars wordt
vastgesteld als tegenprestatie voor de daad van beschikking.
Art. 528
Elke daad van beschikking wordt vooraf door de rechtbank
gecontroleerd overeenkomstig deze Afdeling.
Het koninklijk besluit treedt in werking op de dag waarop
het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad.
Art. 529
§ 1. De Belgische Staat dient ter griffie van de rechtbank
een verzoekschrift in teneinde te laten vaststellen dat de daad
van beschikking in overeenstemming is met de wet en dat de
schadeloosstelling haar billijk voorkomt, met name rekening
houdend met de criteria bepaald in artikel 533, § 4.
§ 2. Op straffe van nietigheid bevat dit verzoekschrift:
1° de identiteit van de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming;
2° in voorkomend geval, de identiteit van de
derde-overnemer;
3° de verantwoording van de daad van beschikking in het
licht van de criteria vastgesteld in artikel 519;
Section II
Contrôle judiciaire
Art. 527
Pour l’application de la présente Section et des arrêtés et
règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par:
1° l’arrêté royal: l’arrêté royal délibéré en Conseil des
ministres pris en application de l’article 519;
2° l’acte de disposition: la décision de la cession ou l’autre
acte de disposition prévu par l’arrêté royal;
3° le tribunal: le tribunal de première instance de Bruxelles;
4° les propriétaires: les personnes physiques ou morales
qui, à la date de l’arrêté royal, sont propriétaires des actifs,
titres ou parts, ou titulaires des droits, faisant l’objet de l’acte
de disposition;
5° le tiers-cessionnaire: la personne physique ou morale
autre que l’État belge qui, aux termes de l’arrêté royal, est
appelée à acquérir les actifs, titres ou parts, ou droits, faisant
l’objet de l’acte de disposition;
6° l’indemnité compensatoire: l’indemnité que l’arrêté royal
prévoit en faveur des propriétaires en contrepartie de l’acte
de disposition.
Art. 528
Tout acte de disposition fait l’objet d’un contrôle préalable
par le tribunal conformément à la présente Section.
L’arrêté royal entre en vigueur le jour de la publication au
Moniteur belge du jugement visé à l’article 534.
Art. 529
§ 1er. L’État belge dépose au greffe du tribunal une requête
tendant à faire constater que l’acte de disposition est conforme
à la loi et que l’indemnité compensatoire paraît juste compte
tenu notamment des critères prévus à l’article 533, § 4.
§ 2. À peine de nullité, la requête contient:
1° l’identité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée;
2° le cas échéant, l’identité du tiers-cessionnaire;
3° la justification de l’acte de disposition au regard des
critères énoncés à l’article 519;
639
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° de schadeloosstelling, de elementen op grond waarvan
zij werd vastgesteld, met name wat het variabele deel betreft
waaruit zij zou zijn samengesteld en, in voorkomend geval,
de sleutel voor de verdeling onder de eigenaars;
5° in voorkomend geval, de vereiste toelatingen van over-
heidsinstanties en alle andere opschortende voorwaarden
waaraan de daad van beschikking is onderworpen;
6° in voorkomend geval, de prijs die met de derde-overne-
mer is overeengekomen voor de activa of aandelen die het
voorwerp uitmaken van de daad van beschikking, alsook de
mechanismen voor prijsherziening of -aanpassing;
7° de opgave van dag, maand en jaar;
8° de handtekening van de persoon die de Belgische Staat
vertegenwoordigt of van de advocaat van de Belgische Staat.
Bij het verzoekschrift wordt een kopie van het koninklijk
besluit gevoegd.
§ 3. De bepalingen van Titel Vbis van Boek II van Deel IV
van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van de artike-
len 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van toepassing op het
verzoekschrift.
Art. 530
De procedure die is ingeleid met het in artikel 529 bedoelde
verzoekschrift, sluit alle andere gelijktijdige of toekomstige
beroepen of rechtsvorderingen tegen het koninklijk besluit of
tegen de daad van beschikking uit, met uitzondering van de
vordering bedoeld in artikel 537.
Ingevolge de indiening van het verzoekschrift vervalt elke
andere procedure gericht tegen het koninklijk besluit of de
daad van beschikking, die voorheen zou zijn ingeleid en nog
hangende zou zijn voor een ander gewoon of administratief
rechtscollege.
Art. 531
§ 1. Binnen vierentwintig uur na de indiening van het
verzoekschrift als bedoeld in artikel 529, bepaalt de voorzit-
ter van de rechtbank bij beschikking dag en uur van de in
artikel 533 bedoelde rechtszitting, die moet plaatsvinden
binnen zeven dagen na de indiening van het verzoekschrift.
In deze beschikking worden alle in artikel 529, § 2, bepaalde
vermeldingen opgenomen.
§ 2. De beschikking wordt door de griffie bij gerechtsbrief
ter kennis gebracht van de Belgische Staat, van de betrok-
ken verzekerings- of herverzekeringsonderneming alsook,
in voorkomend geval, van de derde-overnemer. Zij wordt
tezelfdertijd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Deze bekendmaking geldt als kennisgeving aan de even-
tuele andere eigenaars dan de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming.
4° l’indemnité compensatoire, les bases sur lesquelles
celle-ci a été déterminée, notamment en ce qui concerne la
partie variable qui la composerait et, le cas échéant, la clef
de répartition entre les propriétaires;
5° le cas échéant, les autorisations d’autorités publiques
requises et toutes les autres conditions suspensives aux-
quelles l’acte de disposition est subordonné;
6° le cas échéant, le prix convenu avec le tiers-cession-
naire pour les actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de
disposition et les mécanismes de révision ou d’ajustement
de ce prix;
7° l’indication des jour, mois et an;
8° la signature de la personne qui représente l’État belge
ou de son avocat.
Une copie de l’arrêté royal est jointe à la requête.
§ 3. Les dispositions du Titre Vbis du Livre II de la quatrième
Partie du Code judiciaire, y compris les articles 1034bis à
1034sexies, ne sont pas applicables à la requête.
Art. 530
La procédure introduite par la requête visée à l’ar-
ticle 529 exclut tous autres recours ou actions, simultanés ou
futurs, contre l’arrêté royal ou contre l’acte de disposition, à
l’exception de la demande visée à l’article 537.
Le dépôt de la requête rend sans objet toute autre procé-
dure, dirigée contre l’arrêté royal ou l’acte de disposition, qui
aurait été antérieurement introduite et serait encore pendante
devant une autre juridiction judiciaire ou administrative.
Art. 531
§ 1er. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête
visée à l’article 529, le président du tribunal fixe, par voie d’or-
donnance, les jour et heure de l’audience visée à l’article 533,
laquelle doit avoir lieu dans les sept jours qui suivent le dépôt
de la requête. Cette ordonnance reproduit l’intégralité des
mentions prévues à l’article 529, § 2.
§ 2. L’ordonnance est notifiée par le greffe par pli judiciaire
à l’État belge, à l’entreprise d’assurance ou de réassurance
concernée ainsi que, le cas échéant, au tiers-cessionnaire.
Elle est simultanément publiée au Moniteur belge. Cette
publication vaut notification à l’égard des propriétaires autres,
le cas échéant, que l’entreprise d’assurance ou de réassu-
rance concernée.
640
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Bovendien wordt de beschikking door de betrokken verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig
uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd.
Art. 532
De in artikel 531, § 2, bedoelde personen kunnen ter griffie
kosteloos inzage nemen van het in artikel 529 bedoelde ver-
zoekschrift en de bijlagen ervan, tot het in artikel 534 bedoelde
vonnis wordt uitgesproken.
Art. 533
§ 1. Tijdens de zitting die door de voorzitter van de recht-
bank is vastgelegd, alsook tijdens eventuele latere zittingen
die de rechtbank nuttig acht, hoort de rechtbank de Belgische
Staat, de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming, in voorkomend geval de derde-overnemer alsook de
eigenaars die vrijwillig tussenkomen in de procedure.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk II van
Titel III van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek,
mag geen enkele andere persoon dan deze bedoeld in het
vorige lid, optreden in de procedure.
§ 3. Na de partijen te hebben gehoord, gaat de rechtbank
na of de daad van beschikking in overeenstemming is met de
wet en of de schadeloosstelling haar billijk voorkomt.
§ 4. De rechtbank houdt rekening met de daadwerkelijke
situatie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringson-
derneming op het ogenblik dat de daad van beschikking wordt
aangenomen, met name met haar financiële situatie zoals
die was of zou zijn geweest indien haar geen rechtstreekse
of onrechtstreekse overheidssteun zou zijn verleend. Ten
behoeve van dit lid worden met overheidssteun gelijkgesteld,
de dringende voorschotten van liquide middelen evenals
de garanties die door een publiekrechtelijk rechtspersoon
worden verleend.
§ 5. De rechtbank spreekt zich uit in een en hetzelfde vonnis
dat wordt gewezen binnen twintig dagen na de rechtszitting
die door de voorzitter van de rechtbank is vastgelegd.
Art. 534
Het vonnis waarmee de rechtbank vaststelt dat de daad
van beschikking in overeenstemming is met de wet en de
schadeloosstelling haar billijk voorkomt, geldt als akte van
eigendomsoverdracht van de activa en aandelen die het voor-
werp uitmaken van de daad van beschikking, evenwel onder
voorbehoud van de opschortende voorwaarden bedoeld in
artikel 529, § 2, 5°.
Art. 535
Tegen het in artikel 534 bedoelde vonnis is geen beroep,
verzet of derdenverzet mogelijk.
Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée publie également
l’ordonnance sur son site internet.
Art. 532
Les personnes visées à l’article 531, § 2 peuvent, jusqu’au
prononcé du jugement visé à l’article 534, consulter gratuite-
ment au greffe la requête visée à l’article 529 ainsi que ses
annexes.
Art. 533
§ 1er. Lors de l’audience fixée par le président du tribunal
et lors d’éventuelles audiences postérieures que le tribunal
estime utile de fixer, le tribunal entend l’État belge, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée, le cas échéant le
tiers-cessionnaire ainsi que les propriétaires qui interviennent
volontairement à la procédure.
§ 2. Par dérogation aux dispositions du Chapitre II du
Titre III du Livre II de la quatrième Partie du Code judiciaire,
aucune autre personne que celles visées à l’alinéa précédent
ne peut intervenir à la procédure.
§ 3. Après avoir entendu les observations des parties, le
tribunal vérifie si l’acte de disposition est conforme à la loi et
si l’indemnité compensatoire paraît juste.
§ 4. Le tribunal tient compte de la situation concrète de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée au
moment de l’adoption de l’acte de disposition, et notamment
de sa situation financière telle qu’elle était ou aurait été si les
aides publiques, dont il a bénéficié directement ou indirec-
tement, n’avaient pas été consenties. Pour l’application du
présent alinéa, sont assimilées à des aides publiques, les
avances de liquidités d’urgence et garanties consenties par
une personne morale de droit public.
§ 5. Le tribunal statue par un seul et même jugement qui
est rendu dans les vingt jours qui suivent l’audience fixée par
le président du tribunal.
Art. 534
Le jugement par lequel le tribunal constate que l’acte de
disposition est conforme à la loi et que l’indemnité compen-
satoire paraît juste, est translatif de la propriété des actifs,
titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition, sous
réserve cependant des conditions suspensives visées à
l’article 529, § 2, 5°.
Art. 535
Le jugement visé à l’article 534 n’est susceptible ni d’appel
ni d’opposition ni de tierce opposition.
641
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Het vonnis wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van
de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming en, in voorkomend geval, de derde-
overnemer, en wordt tezelfdertijd bij uittreksel bekendgemaakt
in het Belgisch Staatsblad.
Deze bekendmaking van het vonnis geldt als kennisgeving
aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming, en maakt de daad
van beschikking zonder verdere formaliteiten tegenstelbaar
aan derden.
Bovendien wordt het vonnis door de betrokken verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig
uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd.
Art. 536
Na kennisgeving van het in artikel 534 bedoelde vonnis,
geeft de Belgische Staat of, in voorkomend geval, de derde-
overnemer, de schadeloosstelling in bewaring bij de Deposito-
en Consignatiekas, zonder dat hiervoor enige formaliteit moet
worden vervuld.
De Belgische Staat ziet erop toe dat in het Belgisch
Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin beves-
tigd wordt dat voldaan is aan de opschortende voorwaarden
bedoeld in artikel 529, § 2, 5°.
Zodra het in het tweede lid bedoelde bericht is gepubli-
ceerd, stort de Deposito- en Consignatiekas, op de door de
Koning vastgestelde wijze, het bedrag van de in bewaring
gegeven schadeloosstelling aan de eigenaars, onverminderd
eventueel regelmatig derdenbeslag op of verzet tegen het
gedeponeerde bedrag.
Art. 537
De eigenaars kunnen bij de rechtbank een vordering tot
herziening van de schadeloosstelling indienen, en dit op
straffe van verval binnen twee maanden te rekenen vanaf
de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in ar-
tikel 534 bedoelde vonnis. Deze vordering heeft geen enkel
gevolg ten aanzien van de eigendomsoverdracht van de
activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad
van beschikking.
De vordering tot herziening wordt voor het overige gere-
geld door het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 533, § 4, is van
toepassing.
Il est notifié par pli judiciaire à l’État belge, à l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée ainsi que, le cas
échéant, au tiers-cessionnaire, et est simultanément publié
par extrait au Moniteur belge.
Cette publication vaut notification à l’égard des proprié-
taires autres, le cas échéant, que l’entreprise d’assurance
ou de réassurance concernée, et emporte l’opposabilité de
l’acte de disposition aux tiers, sans autre formalité.
Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entreprise
d’assurance ou de réassurance concernée publie également
le jugement sur son site Internet.
Art. 536
Suite à la notification du jugement visé à l’article 534,
l’État belge ou, le cas échéant, le tiers-cessionnaire dépose
l’indemnité compensatoire à la Caisse des dépôts et consi-
gnations, sans qu’aucune formalité ne soit requise à cet égard.
Un avis confirmant la réalisation des conditions suspen-
sives visées à l’article 529, § 2, 5°, est publié au Moniteur
belge par les soins de l’État belge.
Dès la publication visée à l’alinéa 2, la Caisse des dépôts et
consignations est tenue de remettre aux propriétaires, suivant
les modalités arrêtées par le Roi, le montant de l’indemnité
compensatoire consignée, sans préjudice des éventuelles
saisies-arrêt ou oppositions régulièrement effectuées sur le
montant consigné.
Art. 537
Les propriétaires peuvent introduire devant le tribunal, à
peine de déchéance dans un délai de deux mois à comp-
ter de la publication au Moniteur belge du jugement visé
à l’article 534, une demande en révision de l’indemnité
compensatoire. Cette demande n’exerce aucun effet sur le
transfert de propriété des actifs, titres ou parts faisant l’objet
de l’acte de disposition.
La demande en révision est, pour le surplus, régie par le
Code judiciaire. L’article 533, § 4, est applicable.
642
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL VII
Beëindiging van de vergunning
HOOFDSTUK I
Doorhaling van de vergunning
Afdeling I
Afstand van de vergunning
Art. 538
§ 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
die krachtens deze wet een vergunning heeft verkregen, kan
volledig of gedeeltelijk afstand doen van haar vergunning.
§ 2. Het verzoek tot afstand wordt aan de Bank gericht
en vermeldt de verzekeringstakken en herverzekeringsacti-
viteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. Bij het verzoek
wordt een plan gevoegd waarin wordt aangegeven op welke
wijze de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen die
voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereen-
komsten die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor
om afstand van de vergunning wordt verzocht.
Bij gebreke van een dergelijk plan of wanneer zij van oor-
deel is dat het in het eerste lid bedoelde plan niet de nodige
waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers
uit hoofde van verzekering of herverzekering, kan de Bank alle
maatregelen treffen ter omkadering van de correcte afwikke-
ling van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van
de onderneming en met name alle maatregelen ter vrijwaring
van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzeke-
ring of herverzekering. Deze maatregelen omvatten de in de
artikelen 509 tot 517 bedoelde maatregelen.
Wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde
plan voldoende waarborgen biedt voor de bescherming van
de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering,
haalt de Bank de vergunning door voor alle of een deel van
de takken en activiteiten waarvoor om afstand wordt verzocht.
§ 3. De Bank bepaalt de datum waarop de met toepassing
van dit artikel uitgesproken doorhaling uitwerking heeft.
Wanneer het een verzekeringsonderneming betreft,
raadpleegt de Bank de FSMA over de toereikendheid van
de waarborgen voor de bescherming van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering vooraleer deze datum te bepalen.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank uiterlijk binnen
twintig dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek
om advies.
§ 4. Op de website van de Bank wordt bekendgemaakt
dat de vergunning is doorgehaald als gevolg van het feit dat
de onderneming afstand heeft gedaan van haar vergunning.
§ 5. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming
waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd
doorgehaald, verstrekt aan de Bank een geactualiseerde
TITRE VII
De la fin de l’agrément
CHAPITRE IER
Radiation de l’agrément
Section Ire
Renonciation à l’agrément
Art. 538
§ 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance
agréée en vertu de la présente loi a la faculté de renoncer à
tout ou partie de son agrément.
§ 2. La demande de renonciation est adressée à la Banque
et indique les branches d’assurance et activités de réas-
surance pour lesquelles la renonciation est demandée. La
demande est accompagnée d’un plan précisant la manière
dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses
engagements résultant des contrats d’assurance ou de réas-
surance relevant des activités pour lesquelles la renonciation
de l’agrément est demandée.
À défaut d’un tel plan ou lorsqu’elle estime que le plan
visé à l’alinéa 1er ne présente pas les garanties suffisantes
au regard de la protection des créanciers d’assurance ou
de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures
visant à encadrer une liquidation correcte des engagements
d’assurance ou de réassurance de l’entreprise et notamment,
toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers
d’assurance ou de réassurance. Ces mesures incluent les
mesures prévues aux articles 509 à 517.
Lorsqu’elle estime que le plan visé à l’alinéa 1er présente les
garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers
d’assurance ou de réassurance, la Banque radie l’agrément
pour tout ou partie des branches et activités pour lesquelles
la renonciation est demandée.
§ 3. La Banque fixe la date des effets de la radiation pro-
noncée en application du présent article.
Lorsqu’il s’agit d’une entreprise d’assurance, la Banque
consulte la FSMA sur la présence de garanties suffisantes au
regard de la protection des créanciers d’assurance, avant de
fixer cette date. La FSMA communique son avis à la Banque
au plus tard dans un délai de vingt jours à compter de la date
à laquelle elle a reçu la demande d’avis.
§ 4. La radiation faisant suite à la renonciation est publiée
sur le site internet de la Banque.
§ 5. L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont
l’agrément a été radié en application du présent article fournit
à la Banque une actualisation du plan visé au paragraphe 2,
643
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
versie van het in paragraaf 2, eerste lid bedoelde plan, op
de voorwaarden, met name inzake frequentie en inhoud, die
geval per geval door de Bank worden bepaald.
§ 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd
doorgehaald, worden vermeld in een specifieke rubriek van
de in artikel 31 bedoelde lijst. Wijzigingen in deze rubriek
worden ter kennis gebracht van de toezichthouders van de
andere lidstaten.
Afdeling II
Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit
Art. 539
§ 1. Bij een beslissing die met een aangetekende brief of
met een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht,
kan de Bank de vergunning doorhalen van verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.
1° die hun activiteiten niet hebben aangevat binnen twaalf
maanden nadat zij de vergunning hebben verkregen;
2° die al meer dan 6 maanden geen activiteiten meer
uitoefenen;
§ 2. Paragraaf 1 is van toepassing op de verzekeringstak(ken)
of de herverzekeringsactiviteit(en) waarop de in paragraaf
1 bedoelde situatie betrekking heeft.
Afdeling III
Doorhaling van rechtswege
Art. 540
De vergunning van een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming wordt van rechtswege doorgehaald voor alle
verzekeringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten wanneer
deze onderneming:
1° failliet wordt verklaard;
2° het voorwerp uitmaakt van een vrijwillige of gerechte-
lijke ontbinding in de zin van de artikelen 181 en 182 van het
Wetboek van Vennootschappen.
HOOFDSTUK II
Herroeping van de vergunning
Art. 541
Onverminderd de gevallen waarin de herroeping van de
vergunning wordt uitgesproken met toepassing van artikel 517,
§ 1, 8°, herroept de Bank de vergunning voor alle verzeke-
ringstakken en verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten
alinéa 1er selon les conditions, notamment de fréquence et de
contenu, fixées, au cas par cas, par la Banque.
§ 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance dont
l’agrément a été radié en application du présent article sont
mentionnées sous une rubrique spécifique de la liste visée
à l’article 31. Toute modification de cette rubrique est portée
à la connaissance des autorités de contrôle des autres États
membres.
Section II
Radiation pour non exercice de l’activité
Art. 539
§ 1er. La Banque peut radier par décision notifiée par lettre
recommandée ou avec accusé de réception, l’agrément des
entreprises d’assurance ou de réassurance
1° qui n’ont pas entamé leurs activités dans les douze
mois de l’agrément;
2° qui ont cessé d’exercer leurs activités depuis plus de
6 mois;
§ 2. Le paragraphe 1er est applicable à la ou les branches
d’assurance ou la ou les activités de réassurance concernées
par la situation visée au paragraphe 1er.
Section III
Radiation de plein droit
Art. 540
L’agrément des entreprises d’assurance ou de réassu-
rance est radié de plein droit en ce qui concerne l’ensemble
des branches d’assurance et/ou des activités de réassurance
en cas de:
1° faillite prononcée à leur encontre;
2° dissolution volontaire ou judiciaire au sens des articles
181 et 182 du Code des sociétés.
CHAPITRE II
Révocation de l’agrément
Art. 541
Sans préjudice des cas de révocation de l’agrément pro-
noncée en application de l’article 517, § 1er, 8°, la Banque
révoque l’agrément en ce qui concerne l’ensemble des
branches et activités d’assurance ou de réassurance
644
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
niet langer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en
de Bank van oordeel is dat het met toepassing van artikel
511 voorgelegde plan voor financiering op korte termijn dui-
delijk inadequaat is of dat de betrokken onderneming er niet
in slaagt om het goedgekeurde plan te volgen binnen drie
maanden na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan
het minimumkapitaalvereiste.
Art. 542
Wanneer de vergunning met toepassing van artikel 517,
§ 1, 8° of van artikel 541 wordt herroepen voor alle verze-
keringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten, wordt de
onderneming van rechtswege ontbonden en in vereffening
gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van
het Wetboek van Vennootschappen.
HOOFDSTUK III
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de
verschillende gevallen van verlies van de vergunning
Art. 543
Bij volledige of gedeeltelijke afstand, doorhaling of her-
roeping van de vergunning is het verboden nieuwe over-
eenkomsten te sluiten in de verzekeringstakken en voor de
herverzekeringsactiviteiten waarop het verlies van de vergun-
ning betrekking heeft.
Overeenkomstig het eerste lid en artikel 540, staan artikel
187 van het Wetboek van Vennootschappen en artikel 46 van
de faillissementswet van 8 augustus 1997 enkel toe dat de
lopende verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten
worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van
nieuwe verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.
Art. 544
De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van de
andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzekerings-
onderneming activiteiten uitoefent, in kennis van het verlies
van de vergunning.
Zij verzoekt deze laatste passende maatregelen te treffen
om te beletten dat de verzekerings- of herverzekeringson-
derneming op hun grondgebied nieuwe activiteiten aanvangt.
Art. 545
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die niet langer over een vergunning beschikken op grond
van artikel 517, § 1, 8° of van de bepalingen van deze Titel,
blijven onderworpen aan deze wet en haar uitvoeringsbe-
sluiten en -reglementen evenals aan de bepalingen van de
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, tot al haar
lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne
dispose plus du minimum de capital requis et que la Banque
considère que le plan de financement à court terme présenté
en application de l’article 511 est manifestement insuffisant
ou que l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan
approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation de la
non-conformité du minimum de capital requis.
Art. 542
Lorsque l’agrément est révoqué en application de
l’article 517, § 1er, 8° ou de l’article 541 pour l’ensemble des
branches d’assurance et/ou activités de réassurance, l’entre-
prise est dissoute de plein droit et entre en liquidation confor-
mément aux articles 183 et suivants du Code des sociétés.
CHAPITRE III
Dispositions communes aux différents cas de perte de
l’agrément
Art. 543
La renonciation à l’agrément, la radiation ou la révocation
de l’agrément, totale ou partielle, emporte interdiction de
souscrire de nouveaux contrats dans les branches d’assu-
rance et les activités de réassurance concernées par la perte
d’agrément.
Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 540, les articles
187 du Code des sociétés et 46 de la loi du 8 août 1997 sur les
faillites ne permettent que l’exécution de contrats d’assurance
ou de réassurance en cours, à l’exclusion de la conclusion
de tous nouveaux contrats d’assurance ou de réassurance.
Art. 544
La Banque informe la FSMA et les autorités de contrôle
des autres États membres où l’entreprise d’assurance ou de
réassurance exerce des activités de la perte de l’agrément.
Elle demande à ces dernières de prendre les mesures
appropriées pour empêcher l’entreprise d’assurance ou de
réassurance de commencer de nouvelles opérations sur leur
territoire.
Art. 545
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne
disposent plus d’un agrément en vertu de l’article 517, § 1er, 8°
ou des dispositions du présent Titre, restent soumises à la
présente loi et aux arrêtés et règlements pris pour son exé-
cution ainsi qu’aux dispositions des mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE jusqu’à ce que soient liquidés tous
645
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten en alle
desbetreffende verplichtingen afgewikkeld zijn, tenzij de Bank
hen vrijstelt van de toepassing van bepaalde voorschriften.
Art. 546
De Bank kan, in voorkomend geval in samenwerking met de
toezichthouders van de andere lidstaten, aan de in deze Titel
bedoelde ondernemingen alle passende maatregelen opleg-
gen tot vrijwaring van de rechten van de verzekeringnemers,
de verzekerden en de begunstigden van de verzekerings- en
herverzekeringsovereenkomsten.
Zij kan met name alle maatregelen treffen als bedoeld in
Titel IV, inzonderheid deze bedoeld in artikel 517, § 1, zonder
vooraf een termijn vast te stellen.
Indien er een overdracht is opgelegd op grond van artikel
517, § 1, 7°, kan de Bank haar maatregel gepaard doen gaan
met een aanpassing, in de toekomst, van de gewaarborgde
rendementsvoet in levensverzekeringsovereenkomsten, zon-
der dat deze aanpassing tot een lagere rendementsvoet mag
leiden dan deze die op de Belgische verzekeringsmarkt wordt
geboden op de dag dat het besluit hiertoe wordt genomen door
de Bank. De Bank raadpleegt de FSMA over de naleving van
de voormelde ondergrens van de rendementsvoet.
De maatregelen bedoeld in het eerste lid omvatten ook de
mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings- en herverze-
keringsovereenkomst te beëindigen volgens de modaliteiten
en binnen de termijn die zij bepaalt.
Art. 547
§ 1. De Bank mag de in artikel 546, derde lid bedoelde
aanpassing van de rendementsvoet enkel doorvoeren en de
overeenkomsten enkel beëindigen overeenkomstig artikel
546, vierde lid, indien het niet nemen van deze maatregelen
een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit hoofde
van verzekering.
§ 2. Voor de toepassing van met name paragraaf 1, moe-
ten de maatregelen bedoeld in artikel 546, inzonderheid de
portefeuilleoverdracht, die in voorkomend geval gepaard gaat
met een vermindering van de rendementsvoet, voldoen aan
de volgende voorwaarden:
1° de portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vaststelling
van de activa waarmee de overdracht van de verzekerings-
verplichtingen gepaard gaat, mag geen afbreuk doen aan de
gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van verzekering.
Deze gelijkheid vereist:
a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in ar-
tikel 194 bedoelde activa naar rato van de overgedragen
verplichtingen;
en voor het overige, indien nodig,
ses contrats d’assurance ou de réassurance, ainsi que tous
les engagements y afférents, à moins que la Banque ne les
en dispense pour certaines dispositions.
Art. 546
La Banque peut imposer aux entreprises visées au pré-
sent Titre, le cas échéant avec le concours des autorités de
contrôle des autres États membres, toutes mesures propres
à sauvegarder les droits des preneurs d’assurance, des
assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance et de
réassurance.
Elle peut notamment prendre toutes mesures visées au
Titre IV, en particulier celles visées à l’article 517, § 1er sans
que la fixation préalable d’un délai ne soit nécessaire.
En cas de transfert imposé sur la base de l’article 517, § 1er,
7°, la Banque peut accompagner sa mesure d’une adaptation,
pour le futur, du taux de rendement garanti par des contrats
d’assurance-vie, sans toutefois qu’une telle adaptation puisse
conduire à taux de rendement inférieur à celui offert en
Belgique par le marché de l’assurance au jour de la décision
de la Banque. La Banque consulte la FSMA sur le respect de
la limite précitée du taux de rendement.
Les mesures visées à l’alinéa 1er incluent également la
possibilité pour la Banque de mettre fin aux contrats d’assu-
rance et de réassurance selon les modalités et dans le délai
qu’elle détermine.
Art. 547
§ 1er. La Banque ne peut procéder à l’adaptation du taux
de rendement visée à l’article 546, alinéa 3 ou mettre fin
aux contrats tel que prévu à l’article 546, alinéa 4 que si, à
défaut de ces mesures, le sort des créanciers d’assurance
concernés s’avérerait moins favorable.
§ 2. Aux fins notamment du paragraphe 1er, les mesures
visées à l’article 546, en particulier le transfert de portefeuille,
le cas échéant accompagné d’une réduction de taux de ren-
dement, doivent respecter les conditions suivantes:
1° le transfert de portefeuille, en particulier la détermina-
tion des actifs qui accompagne la cession des engagements
d’assurance ne peut porter atteinte à l’égalité entre les créan-
ciers d’assurance. Cette égalité requiert:
a) par gestions distinctes, une répartition des actifs visés
à l’article 194 au prorata des engagements cédés;
et pour le surplus si nécessaire,
646
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
b) een verdeling van de overige activa naar rato van
de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen,
ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de
verzekeringsonderneming,
zoals deze overgedragen verplichtingen gewaardeerd
worden op het ogenblik van de overdracht.
2° de verzekeringsovereenkomsten kunnen maar worden
beëindigd en er kan maar een vermindering van de rende-
mentsvoet worden opgelegd indien de voortzetting van de
verzekeringsovereenkomsten tot een deficitaire vereffening
zou leiden. Bovendien wordt de vermindering van de rende-
mentsvoet op een zodanige wijze uitgevoerd dat het verlies
dat voortvloeit uit de vermindering van de rendementsvoet
verdeeld wordt over alle schuldeisers uit hoofde van verze-
kering die tot hetzelfde afzonderlijke beheer behoren.
Indien er niettegenstaande het tweede lid, 2°, een batig
saldo bij vereffening zou zijn, wordt het bedrag daarvan
uitsluitend verdeeld onder de schuldeisers uit hoofde van
verzekering, naar rato van de bedragen waarop ze recht
zouden hebben gehad indien hun overeenkomsten werden
voortgezet.
Art. 548
Naast de soortgelijke maatregelen waarin de uitvoerings-
maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien, kan de
Bank een beperking van of een verbod op de terugbetaling
en uitkering van kapitaal of interesten opleggen ten aanzien
van houders van kernvermogensinstrumenten, in afwachting
van de maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de
schuldeisers uit hoofde van verzekering die met toepassing
van de artikelen 546 en 547 worden getroffen.
Van het in het eerste lid bedoelde prerogatief kan maar ge-
bruik worden gemaakt in de gevallen bedoeld in artikel 542 en
op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de situatie
van de schuldeisers van de verzekeringsonderneming zoals
die voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 643 en 644.
Art. 549
Ingeval de financiële situatie van een in deze Titel bedoelde
verzekerings- of herverzekeringsonderneming verslechtert,
kan de Bank de situatie uit eigen beweging ter kennis brengen
van de rechtbank van koophandel. Deze mededeling geldt als
een aangifte van faillissement in de zin van artikel 6 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997.
De artikelen 545 tot 548 zijn niet van toepassing bij door-
haling van de vergunning van een failliet verklaarde verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming.
b) une répartition des autres actifs au prorata des engage-
ments cédés, non couverts par le a), par rapport à l’ensemble
des engagements d’assurance de l’entreprise d’assurance,
tels que ces engagements cédés sont évalués au moment
de la cession.
2° il ne peut être mis fin aux contrats d’assurance ou une
réduction de taux ne peut être ordonnée que dans l’hypo-
thèse où la continuité des contrats d’assurance conduirait à
une liquidation déficitaire. La réduction de taux est, en outre,
effectuée de manière à répartir sur l’ensemble des créanciers
d’assurance relevant d’une même gestion distincte, la perte
résultant de la diminution de taux.
Si nonobstant l’alinéa 2, 2°, un boni de liquidation devait
apparaître, son montant est exclusivement réparti au profit
des créanciers d’assurance au prorata des montants auxquels
ils auraient eu droit en cas de continuité de leurs contrats.
Art. 548
Outre les mesures similaires prévues par les mesures
d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut
ordonner des limitation et interdictions de remboursement
et paiement, de capital ou d’intérêts, à l’égard des titulaires
d’instruments de fonds propre de base, dans l’attente des
mesures destinées à sauvegarder les droits des créanciers
d’assurance adoptées en application des articles 546 et 547.
L’usage de la prérogative visée à l’alinéa 1er est limité aux
situations visées à l’article 542 et tient compte de la situation
des créanciers de l’entreprise d’assurance telle qu’elle résulte
de l’application des articles 643 et 644.
Art. 549
En cas de détérioration de la situation financière d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance visée au présent
Titre, la Banque peut, d’initiative, porter la situation à la
connaissance du tribunal de commerce. Cette communi-
cation vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites.
Les articles 545 à 548 ne sont pas applicables en cas de
radiation de l’agrément d’une entreprise d’assurance ou de
réassurance déclarée en faillite.
647
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK III
VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDER-
NEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT
TITEL I
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder
een andere lidstaat ressorteren
HOOFDSTUK I
Uitoefening van activiteiten in België door
verzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf
Onderafdeling I
Opening van bijkantoren
Art. 550
§ 1. Verzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht
verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen
uitoefenen, mogen die activiteiten via de vestiging van een
bijkantoor in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezicht-
houders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier
hebben bezorgd dat mutatis mutandis de gegevens bevat als
bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° evenals de
aanvullende gegevens bedoeld in artikel 109.
§ 2. Dit dossier bevat eveneens:
1° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkantoor
arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken:
a) het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen door
de verzekeringsonderneming in kennis werd gesteld van de
voorgenomen activiteit;
b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten
aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen toe heeft ver-
bonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds
een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeids-
ongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op
de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de
verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven.
2° ingeval de verzekeringsonderneming overeenkomsten
met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering
van de aansprakelijkheid van de vervoerder, een verklaring
waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij
het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het
Belgisch Bureau.
LIVRE III
DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE
RÉASSURANCE DE DROIT ETRANGER
TITRE IER
Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant
du droit d’un autre État membre
CHAPITRE IER
Exercice d’activités en Belgique par des entreprises
d’assurance relevant du droit d’un autre État membre
Section Ire
Accès à l’activité
Sous-section Ire
Ouverture de succursales
Art. 550
§ 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un
autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit
national à exercer dans leur État d’origine des activités d’assu-
rance peuvent, par voie d’installation de succursales, exercer
ces activités en Belgique, à condition que les autorités de
contrôle de cet État d’origine aient communiqué à la Banque
le dossier contenant, mutatis mutandis, les éléments d’infor-
mation visés à l’article 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° ainsi que
les éléments d’information additionnels visés à l’article 109.
§ 2. Ce dossier comprend également:
1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire
couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail:
a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé de
l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail;
b) la preuve que l’entreprise d’assurance s’est engagée
à l’égard du Fonds des accidents du travail à constituer, à
la première demande dudit Fonds, une garantie bancaire
telle que visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les
accidents du travail en vue de pourvoir à la réparation des
accidents du travail dans les cas où l’entreprise d’assurance
est restée en défaut.
2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend pratiquer
l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhi-
cules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la responsabilité
du transporteur, une déclaration selon laquelle l’entreprise
est devenue membre du Fonds commun de garantie belge
et du Bureau belge.
648
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 551
De Bank beschikt over een termijn van twee maanden
vanaf de ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 550 om
aan de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de
betrokken onderneming de in artikel 564 bedoelde bepalingen
van algemeen belang mee te delen.
Art. 552
De activiteiten die in hoofde van het bijkantoor zijn toe-
gestaan, mogen in België worden aangevat vanaf de datum
waarop de toezichthouder van de lidstaat van herkomst de in
artikel 551 bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk
bij het verstrijken van de in artikel 551 bedoelde termijn van
twee maanden.
Art. 553
De Bank bezorgt aan de FSMA binnen de in artikel 551 be-
doelde termijn het in artikel 550 bedoelde informatiedos-
sier evenals alle latere wijzingen in de daarin opgenomen
gegevens.
Art. 554
De verzekeringsonderneming die in België een bijkantoor
heeft geopend, deelt aan de Bank alle wijzigingen mee die zij
van plan is aan te brengen in de gegevens die opgenomen zijn
in het informatiedossier bedoeld in artikel 550, en dit minstens
één maand voor het aanbrengen van deze wijzigingen.
Art. 555
De Bank stelt de lijst op van de in artikel 550 bedoelde
bijkantoren van verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle
daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website
bekendgemaakt.
Onderafdeling II
Vrije dienstverrichting
Art. 556
§ 1. Verzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht
verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen
uitoefenen, mogen die activiteiten in het kader van het vrij
verrichten van diensten in België uitoefenen, op voorwaarde
dat de toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de
Bank het dossier hebben bezorgd met de gegevens als be-
doeld in artikel 115, § 1 ,1° et 2° en de aanvullende gegevens
bedoeld in artikel 116.
§ 2. Dit dossier bevat eveneens:
Art. 551
La Banque dispose d’un délai de deux mois à partir de la
réception des informations visées à l’article 550 pour indi-
quer aux autorités de contrôle de l’État membre d’origine
de l’entreprise concernée, les dispositions d’intérêt général
visées à l’article 564.
Art. 552
Les activités autorisées dans le chef de la succursale
peuvent débuter en Belgique à partir de la date à laquelle
l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine a reçu la com-
munication visée à l’article 551 et au plus tard à l’échéance
du délai de deux mois visé à l’article 551.
Art. 553
La Banque communique à la FSMA dans le délai visé à
l’article 551 le dossier d’information visé à l’article 550 ainsi
que toute modification ultérieure apportée aux informations
qu’il contient.
Art. 554
L’entreprise d’assurance qui a ouvert une succursale en
Belgique notifie à la Banque toute modification qu’elle entend
apporter aux informations contenues dans le dossier d’infor-
mation visé à l’article 550 et ce, un mois au moins avant que
cette modification ne soit effectuée.
Art. 555
La Banque établit la liste des succursales d’entreprises
d’assurance visées à l’article 550. Cette liste ainsi que toutes
les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son
site internet.
Sous-section II
Libre prestation de services
Art. 556
§ 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un
autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit
national à exercer dans leur État d’origine des activités
d’assurance, peuvent exercer ces activités en Belgique sous
le régime de la libre prestation de services, à condition que les
autorités de contrôle de cet État d’origine aient communiqué
à la Banque le dossier contenant les éléments d’information
visés à l’article 115, § 1er, 1° et 2° ainsi que les éléments
d’information additionnels visés à l’article 116.
§ 2. Ce dossier comprend également:
649
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° ingeval de verzekeringsonderneming arbeidsongeval-
lenrisico’s wil dekken:
a) het bewijs dat het Fonds voor Arbeidsongevallen door
de verzekeringsonderneming in kennis werd gesteld van de
voorgenomen activiteit;
b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten
aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen toe heeft ver-
bonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds
een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeids-
ongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op
de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de
verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven;
c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld
in artikel 557, §§ 2 en 3;
2° ingeval de verzekeringsonderneming overeenkomsten
met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van
de aansprakelijkheid van de vervoerder:
a) een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich
heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk
Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau;
b) de naam en het adres van de schaderegelaar bedoeld
in artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG;
c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld
in artikel 557, §§ 1 en 3.
Art. 557
§ 1. De verzekeringsonderneming die in het kader van
het vrij verrichten van diensten overeenkomsten met betrek-
king tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de
aansprakelijkheid van de vervoerder, zorgt ervoor dat het
feit dat zij haar activiteiten in België niet via een bijkantoor
uitoefent, er niet toe leidt dat personen die een schadevor-
dering indienen die ontstaan is uit voorvallen die zich op het
Belgische grondgebied hebben voorgedaan, in een nadeliger
positie verkeren.
Hiertoe stelt de onderneming een vertegenwoordiger aan
die zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats in België
heeft en over de nodige professionele betrouwbaarheid en
deskundigheid beschikt om zijn opdracht uit te voeren.
Deze vertegenwoordiger verzamelt alle nodige informatie
over de schadedossiers en beschikt over voldoende bevoegd-
heid om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen
tegenover personen die een schadevergoeding kunnen eisen,
met inbegrip van de betaling van deze schadevergoeding,
en om de onderneming voor de Belgische rechtbanken en
autoriteiten te vertegenwoordigen of zo nodig te laten ver-
tegenwoordigen in verband met deze schadevorderingen.
1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend couvrir
les risques d’accident du travail:
a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé de
l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail;
b) la preuve que l’entreprise d’assurance s’est engagée à
l’égard du Fonds des accidents du travail à constituer, à la pre-
mière demande dudit Fonds, une garantie bancaire telle que
visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents
du travail en vue de pourvoir à la réparation des accidents du
travail lorsque l’entreprise d’assurance est restée en défaut;
c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’article 557,
§§ 2 et 3;
2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend pratiquer
l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de
véhicules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la respon-
sabilité du transporteur:
a) une déclaration selon laquelle l’entreprise est devenue
membre du Fonds commun de garantie belge et du Bureau
belge;
b) le nom et l’adresse du représentant chargé du règlement
des sinistres visé à l’article 21 de la Directive 2009/103/CE;
c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’article 557,
§§ 1er et 3.
Art. 557
§ 1er. L’entreprise d’assurance qui entend pratiquer en libre
prestation de services l’assurance obligatoire de la respon-
sabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à
l’exclusion de la responsabilité du transporteur, s’assure que
les personnes présentant une demande d’indemnisation au
titre d’événements survenant sur le territoire belge ne soient
pas placées dans une situation moins favorable du fait que
l’entreprise n’exerce pas son activité en Belgique par l’inter-
médiaire d’une succursale.
À cette fin, l’entreprise désigne un représentant qui a son
domicile ou sa résidence habituelle en Belgique et dispose
d’une honorabilité professionnelle et d’une expertise adé-
quate pour l’exercice de sa mission.
Ce représentant réunit toutes les informations nécessaires
en relation avec les dossiers d’indemnisation et dispose de
pouvoirs suffisants pour représenter l’entreprise d’assurance
auprès des personnes qui peuvent réclamer une indemnisa-
tion, y compris le paiement de celle-ci, et pour la représenter
ou, si cela est nécessaire, la faire représenter, pour ce qui
concerne ces demandes d’indemnisation devant les juridic-
tions et les autorités belges.
650
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze vertegenwoordiger beschikt ook over de bevoegdheid
om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen bij
de bevoegde Belgische autoriteiten voor de controle op het
bestaan en de geldigheid van overeenkomsten met betrek-
king tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen.
§ 2. De verzekeringsonderneming die in het kader van het
vrij verrichten van diensten arbeidsongevallenrisico’s wil laten
dekken, stelt voor wat betreft de verzekeringsovereenkomsten
met betrekking tot arbeidsongevallen, een vertegenwoordiger
aan die mutatis mutandis voldoet aan de voorwaarden van
paragraaf 1.
§ 3. De functie van de vertegenwoordiger bedoeld in
paragraaf 1 kan worden vervuld door de schaderegelaar die
overeenkomstig artikel 556, § 2, 2°, b) wordt aangesteld, voor
zover de voorwaarden van paragraaf 1 zijn vervuld.
De aanstelling door een verzekeringsonderneming van een
vertegenwoordiger met toepassing van de paragrafen 1 of
2 wordt niet beschouwd als de opening van een bijkantoor.
Art. 558
De verzekeringsonderneming mag haar activiteiten in
België aanvatten in het kader van het vrij verrichten van dien-
sten vanaf de datum waarop ze door de toezichthouders van
haar lidstaat van herkomst in kennis werd gesteld van de me-
dedeling aan de Bank van het dossier bedoeld in artikel 556.
Art. 559
De Bank bezorgt aan de FSMA het in artikel 556 bedoelde
dossier evenals alle latere wijzigingen in de daarin opgeno-
men gegevens.
Art. 560
Wanneer de verzekeringsonderneming voornemens is
een wijziging aan te brengen in de in artikel 556 bedoelde
gegevens, volgt zij daartoe de procedure waarin deze Afdeling
voorziet.
Art. 561
De Bank stelt de lijst op van de in artikel 556 bedoelde
verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aange-
brachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.
Ce représentant dispose également du pouvoir de repré-
senter l’entreprise d’assurance devant les autorités belges
compétentes pour le contrôle de l’existence et de la validité de
contrats relatifs à l’assurance obligatoire de la responsabilité
en matière de véhicules automoteurs.
§ 2. L’entreprise d’assurance qui entend faire couvrir en
libre prestation de services les risques liés aux accidents du
travail désigne un représentant qui répond, mutatis mutandis,
aux conditions visées au paragraphe 1er en ce qui concerne
les contrats d’assurance relatifs aux accidents du travail.
§ 3. Le rôle du représentant visé au paragraphe 1er peut être
assuré par le représentant chargé du règlement des sinistres
désigné conformément à l’article 556, § 2, 2°, b), pour autant
que les conditions visées au paragraphe 1er soient satisfaites.
La désignation par une entreprise d’assurance d’un repré-
sentant en application des paragraphes 1er ou 2 ne constitue
pas en soi l’ouverture d’une succursale.
Art. 558
L’entreprise d’assurance peut commencer ses activités en
libre prestation de service en Belgique à partir de la date à
laquelle elle a été avisée par les autorités de contrôle de son
État membre d’origine de la communication à la Banque du
dossier visé à l’article 556.
Art. 559
La Banque communique à la FSMA le dossier visé à
l’article 556 ainsi que toute modification ultérieure apportée
aux informations qu’il contient.
Art. 560
Toute modification que l’entreprise d’assurance entend
apporter aux informations visées à l’article 556 est soumise
à la procédure prévue à la présente Section.
Art. 561
La Banque établit la liste des entreprises d’assurance
visées à l’article 556. Cette liste ainsi que toutes les modifica-
tions qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.
651
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art 562
§ 1. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderne-
mingen moeten blijvend voldoen aan de voorwaarden die
door of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van deze wet
zijn vastgesteld.
§ 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de
activiteiten van de verzekeringsonderneming haar financiële
soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van
de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.
Art. 563
De in de artikelen 550 en 556 bedoelde verzekeringson-
dernemingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in
België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen
en, in het geval van artikel 550, hun zetel.
Art. 564
§ 1. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk
aan de naleving, bij de uitoefening van in België toegestane
verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire
bepalingen die om redenen van algemeen belang in België
van toepassing zijn op verzekeringsondernemingen en hun
verrichtingen.
De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen
mogen inzonderheid met alle beschikbare communicatiemid-
delen in België reclame maken voor hun diensten, mits zij de
om redenen van algemeen belang vastgestelde voorschriften
inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame naleven.
De Bank deelt aan de in artikel 550 bedoelde verzeke-
ringsondernemingen mee welke bepalingen bij haar weten
van algemeen belang zijn. Hiertoe wint zij het advies van de
FSMA in.
De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan
de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan in
België toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke
en reglementaire bepalingen die in België van toepassing
zijn op die activiteiten.
§ 2. De artikelen 199 tot 203 zijn van toepassing op de in
artikel 550 bedoelde verzekeringsondernemingen.
Section II
Exercice de l’activité
Art 562
§ 1er. Les entreprises d’assurance visées au présent
Chapitre doivent en permanence satisfaire aux conditions
prévues par ou en vertu des articles 550, 556 et 557 de la
présente loi.
§ 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que
les activités de l’entreprise d’assurance pourraient porter
atteinte à sa solidité financière, elle en informe les autorités
de contrôle de l’État membre d’origine.
Art. 563
Les entreprises d’assurance visées aux articles 550 et
556 font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique,
accompagner leur dénomination de la mention de leur État
d’origine et, dans le cas de l’article 550, de leur siège social.
Art. 564
§ 1er. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas
préjudice au respect, dans l’exercice des activités d’assu-
rance autorisées en Belgique, des dispositions légales et
réglementaires applicables en Belgique aux entreprises
d’assurance et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt
général.
En particulier, les entreprises d’assurance visées au
présent Chapitre peuvent faire de la publicité pour leurs ser-
vices, par tous les moyens de communication disponibles, en
Belgique, pour autant qu’elles respectent les règles arrêtées
pour des raisons d’intérêt général qui régissent la forme et
le contenu de cette publicité.
La Banque donne aux entreprises d’assurance visées
à l’article 550 communication des dispositions qui, à sa
connaissance, ont ce caractère. Elle recueille à cet effet
l’avis de la FSMA.
Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas
davantage préjudice au respect, dans l’exercice d’activités
autres que les activités d’assurance autorisées en Belgique,
des dispositions légales et réglementaires applicables, en
Belgique, à ces activités.
§ 2. Les articles 199 à 203 sont applicables aux entreprises
d’assurance visées à l’article 550.
652
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Toezicht
Art. 565
Behalve het toezicht waaraan zij onderworpen zijn krach-
tens andere wettelijke of reglementaire bepalingen die hun
activiteiten regelen, staan de in dit Hoofdstuk bedoelde
verzekeringsondernemingen onder het toezicht van de Bank
voor wat betreft de naleving van de artikelen 550, 556 en 557.
Art. 566
Op verzoek van de Bank dienen de verzekeringsonder-
nemingen alle inlichtingen en documenten te verstrekken
die vereist zijn voor het toezicht op de naleving van de in
artikel 562 bedoelde bepalingen.
Met hetzelfde doel kan de Bank ook in het Belgische bij-
kantoor inspecties ter plaatse verrichten of een kopie maken
van alle gegevens waarover het bijkantoor van de verzeke-
ringsonderneming beschikt.
In het kader van het toezicht waarin deze Afdeling voorziet,
dienen de verzekeringsagenten, -makelaars of -tussenperso-
nen aan de Bank op eenvoudig verzoek alle inlichtingen te
verstrekken over de verzekeringsovereenkomsten waarvoor
zij als tussenpersonen zijn opgetreden en die betrekking
hebben op in België gelegen risico’s.
In de gevallen bedoeld in het tweede lid brengt de Bank de
toezichthouders van de lidstaat van herkomst voorafgaandelijk
op de hoogte.
Art. 567
§ 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst
kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te
hebben gesteld, bij de in artikel 550 bedoelde bijkantoren
controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in
voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen,
de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van
de verzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of
op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie.
§ 2. Portefeuilleoverdrachten waarbij rechten en verplich-
tingen worden overgedragen van verzekeringsovereenkom-
sten waarvoor de lidstaat van de verbintenis of van het risico
België is, en die verricht worden door de in dit Hoofdstuk
bedoelde verzekeringsondernemingen en toegelaten zijn door
de toezichthouders van hun lidstaat van herkomst, worden
bekendgemaakt in België. Deze bekendmaking wordt op
verzoek van deze autoriteiten door de Bank verricht volgens
de modaliteiten van artikel 106.
Section III
Contrôle
Art. 565
Outre le contrôle dont elles font l’objet par ailleurs en vertu
de dispositions légales ou réglementaires régissant leurs acti-
vités, les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre
sont soumises au contrôle de la Banque en ce qui concerne
le respect des articles 550, 556 et 557.
Art. 566
Sur demande de la Banque, les entreprises d’assurance
doivent soumettre tous renseignements et fournir tous docu-
ments en vue du contrôle du respect des dispositions visées
à l’article 562.
Dans le même but, la Banque peut également procéder à
des inspections sur place dans la succursale belge ou prendre
copie de toute information en possession de la succursale de
l’entreprise d’assurance.
Dans le cadre du contrôle prévu à la présente Section, les
agents, courtiers ou intermédiaires d’assurance sont tenus de
fournir à la Banque, sur simple demande, tous renseignements
concernant les contrats d’assurance à propos desquels ils
sont intervenus en qualité d’intermédiaires et qui sont relatifs
à des risques situés en Belgique.
Dans les cas visés à l’alinéa 2, la Banque informe préala-
blement les autorités de contrôle de l’État membre d’origine.
Art. 567
§ 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre d’origine
sont habilitées, après en avoir préalablement informé la
Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place
auprès des succursales visées à l’article 550 en vue de vérifier
ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes
qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour
assurer le contrôle de la situation financière de l’entreprise
d’assurance. La Banque peut participer à cette vérification.
§ 2. Les cessions de portefeuille impliquant la cession
de droits et obligations de contrats d’assurance à propos
desquels l’État d’engagement est la Belgique ou le risque y
est situé, effectuées par les entreprises d’assurance visées
au présent Chapitre, autorisées par les autorités de contrôle
de leur État membre d’origine font l’objet d’une publicité en
Belgique. Cette publicité est, à la demande de ces autori-
tés, effectuée par la Banque selon les modalités prévues à
l’article 106.
653
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 568
Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekeringsonder-
neming die onder een andere lidstaat ressorteert en die in
België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het
vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in
de artikelen 562 en 564 bedoelde bepalingen, voor zover de
inhoud van deze bepalingen onder de bevoegdheid van de
Bank valt, maant zij de verzekeringsonderneming aan om,
binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand
te verhelpen.
De Bank stelt de FSMA in kennis van haar voornemen om
het vorige lid toe te passen.
Indien de toestand na de termijn bedoeld in het eerste lid
niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthouders van de
betrokken lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte.
Art. 569
§ 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de
Bank passende maatregelen nemen, met name de maatre-
gelen waarin artikel 517 voorziet.
Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank
de onderneming ook verbieden nieuwe verzekeringsover-
eenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de
onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbe-
palingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en
voor de duur die zij bepaalt.
Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toe-
zichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende
maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie
als bedoeld in artikel 568 te verhelpen, kan zij de zaak over-
eenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA
voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
Artikel 517, § 5 is van toepassing.
§ 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat
van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 be-
doelde maatregelen neemt.
Art. 570
In spoedeisende gevallen kan de Bank de in artikel 569,
§ 1 bedoelde maatregelen nemen zonder vooraf een termijn
vast te stellen; zij stelt de toezichthouders van de lidstaat van
herkomst hiervan in kennis onmiddellijk nadat zij de genoemde
maatregelen heeft genomen.
Section IV
Mesures exceptionnelles
Art. 568
Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assu-
rance relevant du droit d’un autre État membre opérant en
Belgique par la voie d’une succursale ou sous le régime
de la libre prestation de services ne se conforme pas aux
dispositions visées aux articles 562 et 564, dans la mesure
où les matières visées par ces dispositions relèvent de la
compétence de la Banque, elle met l’entreprise d’assurance
en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à
la situation constatée.
La Banque informe la FSMA de son intention de faire
application de l’alinéa précédent.
Si, au terme du délai visé à l’alinéa 1er, il n’a pas été remédié
à la situation, la Banque en informe les autorités de contrôle
de l’État membre d’origine concerné.
Art. 569
§ 1er. En cas de persistance des manquements, la Banque
peut prendre les mesures appropriées, notamment celles
prévues par l’article 517.
Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée la Banque
peut également interdire à l’entreprise de conclure de nou-
veaux contrats d’assurance en Belgique et faire procéder, aux
frais de l’entreprise, à la publication de la mesure d’interdiction
dans les journaux de son choix ou dans les lieux et pendant
la durée qu’elle détermine.
En outre, si la Banque considère que l’autorité de contrôle
de l’État membre d’origine n’a pas pris les mesures adéquates
en vue de remédier à la situation de non-conformité visée à
l’article 568 elle peut saisir l’EIOPA, et demander son assis-
tance conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010.
L’article 517, § 5 est applicable.
§ 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État
membre d’origine avant de prendre les mesures prévues au
paragraphe 1er.
Art. 570
En cas d’urgence, la Banque peut prendre les mesures
visées à l’article 569, § 1er sans qu’un délai ne soit préala-
blement fixé et en informant les autorités de contrôle de l’État
membre d’origine immédiatement après avoir pris lesdites
mesures.
654
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 571
De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de
maatregelen die zij op grond van de artikelen 569 en 570 heeft
genomen, alsook het Fonds voor arbeidsongevallen wanneer
deze maatregelen worden genomen ten aanzien van onder-
nemingen die arbeidsongevallenrisico’s dekken.
De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan EIOPA
het aantal en de aard van de gevallen mee waarin maatrege-
len zijn genomen overeenkomstig de artikelen 569 en 570.
Art. 572
De Bank kan, op verzoek van de betrokken bevoegde
Belgische autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepassen
op een in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderneming
wanneer zij in België, in het kader van haar verzekeringsac-
tiviteiten, handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met de
wettelijke of reglementaire bepalingen van algemeen belang
als bedoeld in artikel 564, eerste lid.
Art. 573
Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een
verzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar
lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze
autoriteit, passende maatregelen om te beletten dat de betrok-
ken verzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkom-
sten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt.
Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank
inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze
verzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij kan
een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de vrij-
waring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van
een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in
het belang van de verzekeringnemers, de verzekerden en de
begunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen.
De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissing tot
doorhaling of herroeping van de vergunning van de verzeke-
ringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat,
evenals van de maatregelen die zij met toepassing van dit
artikel neemt.
Art. 574
Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst
van een verzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan
de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de vrije
beschikking over de op het Belgische grondgebied gelo-
kaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid,
beperken of ontnemen.
Art. 571
La Banque informe immédiatement la FSMA des mesures
qu’elle a prises sur la base des articles 569 et 570, ainsi que
le Fonds des accidents du travail lorsque ces mesures sont
prises à l’égard d’entreprises couvrant les risques d’accident
du travail.
La Banque communique à la Commission européenne et
à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels des
mesures ont été prises conformément aux articles 569 et 570.
Art. 572
La Banque peut, à la demande des autorités belges com-
pétentes concernées, faire application des articles 568 à
570 à l’égard d’une entreprise d’assurance visée au présent
Chapitre lorsqu’elle a accompli en Belgique, dans le cadre
de ses activités d’assurance, des actes contraires aux dispo-
sitions légales ou réglementaires d’intérêt général telles que
visées à l’article 564, alinéa 1er.
Art. 573
En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de
l’entreprise d’assurance par l’autorité de contrôle de son
État membre d’origine, la Banque prend, à la demande de
cette autorité, les mesures appropriées en vue d’empêcher
l’entreprise d’assurance concernée de conclure de nouveaux
contrats ou opérations en Belgique.
En particulier, la Banque peut ordonner, après en avoir
donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que
cette entreprise d’assurance a établie en Belgique. Elle peut
désigner un gérant provisoire qui s’assure de la préservation
des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur
leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures
conservatoires dans l’intérêt des preneurs d’assurance, des
assurés et des bénéficiaires en Belgique.
La Banque informe la FSMA de la décision de radiation
ou de révocation de l’agrément de l’entreprise d’assurance
par l’autorité de contrôle de son État membre, ainsi que des
mesures qu’elle prend en application du présent article.
Art. 574
Si les autorités de contrôle de l’État membre d’origine
d’une entreprise d’assurance le requièrent, la Banque peut
restreindre ou interdire conformément aux articles 513 à 515 la
libre disposition des actifs localisés sur le territoire belge que
ces autorités ont désignés.
655
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK II
Uitoefening van activiteiten in België door
herverzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf
Art. 575
Herverzekeringsondernemingen die onder een andere
lidstaat dan België ressorteren, mogen in België, via de ves-
tiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrich-
ten van diensten, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen
waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning
hebben verkregen.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 576
De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan
de naleving, bij de uitoefening van herverzekeringsactiviteiten
in België, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die
om redenen van algemeen belang in België van toepassing
zijn op herverzekeringsondernemingen en hun verrichtingen.
De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk
aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan
herverzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire
bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten.
De artikelen 199 tot 202 zijn van toepassing op de in artikel
575 bedoelde herverzekeringsondernemingen die hun acti-
viteiten in België uitoefenen via de vestiging een bijkantoor.
Art. 577
De in artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen
moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan
hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen en, wanneer
zij hun activiteiten via een bijkantoor uitoefenen, hun zetel.
CHAPITRE II
Exercice d’activités en Belgique par des entreprises de
réassurance relevant du droit d’un autre État membre
Section Ire
Accès à l’activité
Art. 575
Les entreprises de réassurance relevant du droit d’un
État membre autre que la Belgique peuvent y exercer, par la
voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la
libre prestation de services, les opérations de réassurance
pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État
membre d’origine.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 576
Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas préju-
dice au respect, dans l’exercice des activités de réassurance
exercées en Belgique, des dispositions légales et réglemen-
taires applicables en Belgique aux entreprises de réassurance
et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général.
Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas davan-
tage préjudice au respect, dans l’exercice des activités autres
que les activités de réassurance, des dispositions légales
et réglementaires applicables, en Belgique, à ces activités.
Les articles 199 à 202 sont applicables aux entreprises de
réassurance visées à l’article 575 qui exercent leur activité en
Belgique par la voie d’installation d’une succursale.
Art. 577
Les entreprises de réassurance visées à l’article 575 font,
dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner
leur dénomination de la mention de leur État d’origine ainsi
que, lorsqu’elles exercent leurs activités par la voie d’une
succursale, de la mention de leur siège social.
656
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling III
Toezicht
Onderafdeling I
Algemene bepalingen
Art. 578
§ 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kun-
nen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben
gesteld, bij de in artikel 575 bedoelde bijkantoren controles
en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend
geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gege-
vens die voor het toezicht op de financiële positie van de
herverzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren
of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie.
§ 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de
activiteiten van de herverzekeringsonderneming haar finan-
ciële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders
van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.
Onderafdeling II
Uitzonderingsmaatregelen
Art. 579
Wanneer de Bank vaststelt dat een herverzekeringsonder-
neming die onder een andere lidstaat ressorteert en die in
België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het
vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in
België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die
tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de
herverzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die
zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
De Bank stelt de betrokken toezichthouders van de lidstaat
van herkomst hiervan in kennis.
Art. 580
§ 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de
Bank passende maatregelen nemen, met name de maatre-
gelen waarin artikel 517 voorziet.
Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de
onderneming ook verbieden nieuwe herverzekeringsover-
eenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de
onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbe-
palingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en
voor de duur die zij bepaalt.
Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toe-
zichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende
maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie
Section III
Contrôle
Sous-section Ire
Généralités
Art. 578
§ 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre d’origine
sont habilitées, après en avoir préalablement informé la
Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place
auprès des succursales visées à l’article 575 en vue de vérifier
ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes
qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour
assurer le contrôle de la situation financière de l’entreprise de
réassurance. La Banque peut participer à cette vérification.
§ 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que
les activités de l’entreprise de réassurance pourraient porter
atteinte à sa solidité financière, elle en informe les autorités
de contrôle de l’État membre d’origine.
Sous-section II
Mesures exceptionnelles
Art. 579
Lorsque la Banque constate qu’une entreprise de réassu-
rance relevant du droit d’un autre État membre opérant en
Belgique par la voie d’une succursale ou sous le régime de la
libre prestation de services ne se conforme pas aux disposi-
tions légales et réglementaires applicables en Belgique dans
le domaine de compétence de la Banque, elle met l’entreprise
de réassurance en demeure de remédier, dans le délai qu’elle
détermine, à la situation constatée.
La Banque en informe les autorités de contrôle de l’État
membre d’origine concernées.
Art. 580
§ 1er. En cas de persistance des manquements, la Banque
peut prendre les mesures appropriées, notamment celles
prévues par l’article 517.
Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée, la Banque
peut également interdire à l’entreprise de conclure de nou-
veaux contrats de réassurance en Belgique et faire procéder,
aux frais de l’entreprise, à la publication de la mesure d’inter-
diction dans les journaux de son choix ou dans les lieux et
pendant la durée qu’elle détermine.
En outre, si la Banque considère que l’autorité de contrôle
de l’État membre d’origine n’a pas pris les mesures adéquates
en vue de remédier à la situation de non-conformité visée à
657
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
als bedoeld in artikel 26 te verhelpen, kan zij de zaak over-
eenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA
voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
Artikel 517, § 5 is van toepassing]
§ 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat
van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 be-
doelde maatregelen neemt.
Art. 581
De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de
maatregelen die zij op grond van de artikelen 25 en 26 heeft
genomen.
Art. 582
Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een
herverzekeringsonderneming door de toezichthouder van
haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van
deze toezichthouder, passende maatregelen om te beletten
dat de betrokken herverzekeringsonderneming in België
nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt.
Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank
inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze
herverzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij
kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de
vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting
van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd
is in het belang van de herverzekeringsbegunstigden in België
alle bewarende maatregelen te treffen.
Art. 583
Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst
van een herverzekeringsonderneming daarom verzoeken,
kan de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de
vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied ge-
lokaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid,
beperken of ontnemen.
l’article 26 elle peut saisir l’EIOPA, et demander son assis-
tance conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010.
L’article 517, § 5 est applicable.
§ 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État
membre d’origine avant de prendre les mesures prévues au
paragraphe 1er.
Art. 581
La Banque informe immédiatement la FSMA des mesures
qu’elle a prises sur la base des articles 25 et 26.
Art. 582
En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de
l’entreprise de réassurance par l’autorité de contrôle de
son État membre d’origine, la Banque prend, à la demande
de cette autorité de contrôle, les mesures appropriées en
vue d’empêcher l’entreprise de réassurance concernée de
conclure de nouveaux contrats ou opérations en Belgique.
En particulier, elle peut ordonner, après en avoir donné
avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cette
entreprise de réassurance a établie en Belgique. Elle peut
désigner un gérant provisoire qui s’assure de la préservation
des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur
leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures
conservatoires dans l’intérêt des bénéficiaires de réassurance
en Belgique.
Art. 583
Si les autorités de contrôle de l’État membre d’origine
d’une entreprise de réassurance le requièrent, la Banque peut
restreindre ou interdire conformément aux articles 513 à 515 la
libre disposition des actifs localisés sur le territoire belge que
ces autorités ont désigné.
658
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL II
Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder
een derde land ressorteren
HOOFDSTUK I
Bijkantoren in België van verzekeringsondernemingen
die onder een derde land ressorteren
Afdeling I
Toegang tot het bedrijf in België
Art. 584
Onverminderd de bepalingen van de internationale verdra-
gen waarbij België partij is, moeten de verzekeringsonderne-
mingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in
die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde
land, alvorens een bijkantoor te openen om hun activiteiten in
België uit te oefenen, een vergunning verkrijgen van de Bank.
Voor de uitvoering van de internationale verdragen waarbij
België partij is, kan de Koning de voorwaarden en modaliteiten
bepalen waaronder de verzekeringsondernemingen waarop
deze verdragen van toepassing zijn, een recht van vestiging
en vrij verrichten van diensten kunnen genieten voor de uit-
oefening van hun activiteiten in België.
Art. 585
§ 1. In verband met de toekenning van de vergunning
als bedoeld in artikel 584, zijn de volgende artikelen van
toepassing:
1° de artikelen 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1° en
35, met dien verstande dat
a) artikel 18, derde lid niet van toepassing is;
b) de verzekeringsonderneming in haar land van herkomst
gemachtigd is om de activiteiten uit te oefenen die in haar
programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
c) het administratief dossier bovendien de naam, het adres
en de bevoegdheden bevat van de algemeen lasthebber als
bedoeld in artikel 593;
d) de verwijzing naar artikel 23 geldt voor de verzekerings-
onderneming waarvan het bijkantoor afhangt;
2° artikel 31, met dien verstande dat de in deze Titel
bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst
worden vermeld;
3° artikel 37, 2° en 3°;
4° de artikelen 39 tot 43, met dien verstande dat
de verwijzing naar de artikelen 39 en 43 geldt voor de
TITRE II
Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant
du droit de pays tiers
CHAPITRE IER
Succursales en Belgique d’entreprises d’assurance
relevant du droit de pays tiers
Section Ire
Accès à l’activité en Belgique
Art. 584
Sans préjudice des dispositions des Traités internationaux
auxquels la Belgique est partie, les entreprises d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers dûment agréées en cette
qualité dans ce pays doivent, avant d’ouvrir une succursale
en vue d’exercer leurs activités en Belgique, se faire agréer
auprès de la Banque.
Le Roi peut, pour l’exécution de Traités internationaux
auxquels la Belgique est partie, préciser les conditions et
les modalités selon lesquelles les entreprises d’assurance
visées par ces Traités bénéficient d’un droit d’établissement
ou de prestation de services en vue de l’exercice de leurs
activités en Belgique.
Art. 585
§ 1er. Aux fins de l’octroi de l’agrément visé à l’article 584,
sont applicables:
1° les articles 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1° et
35, étant entendu que
a) l’article 18, alinéa 3 n’est pas applicable;
b) l’entreprise d’assurance est autorisée dans son pays
d’origine à exercer les activités contenues dans son pro-
gramme d’activités;
c) le dossier administratif comporte en outre le nom,
l’adresse et les pouvoirs du mandataire général visé à
l’article 593;
d) la référence faite à l’article 23 vaut pour l’entreprise
d’assurance dont relève la succursale;
2° l’article 31, les succursales visées au présent Titre étant
mentionnées à une rubrique spéciale de la liste;
3° l’article 37, 2° et 3°;
4° les articles 39 à 43, étant entendu que la référence faite
à les articles 39 et 43 vaut pour l’entreprise d’assurance dont
659
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verzekeringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt en
dat de verwijzing naar de artikelen 40 tot 42 geldt voor het
bijkantoor in België;
5° artikel 62, voor zover de verzekeringsonderneming
niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch
bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een
regeling ter bescherming van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering in haar land van herkomst als door de regelingen
in België, voor wat de types van gedekte overeenkomsten en
het vastgestelde beschermingsniveau betreft.
Naast het vereiste bedoeld in het eerste lid, 3°, toont de
onderneming aan
a) dat haar bijkantoor over het nodige in aanmerking ko-
mende eigen vermogen beschikt om de helft van de absolute
ondergrens van het minimumkapitaalvereiste als vastgelegd
in artikel 189, § 1, 4° te bereiken;
b) dat zij in België over activa beschikt voor het in a) be-
doelde bedrag en dat zij bovendien de helft van deze activa
bij een financiële intermediair heeft gedeponeerd, om ze
onbeschikbaar te maken. De Bank bepaalt, bij reglement
vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998, de voorwaarden en modaliteiten waar-
aan deze onbeschikbaarheid moet voldoen.
§ 2. De vergunning als bedoeld in paragraaf 1 kan slechts
worden toegekend indien voldaan is aan de volgende
voorwaarden:
1° de statuten van de betrokken verzekeringsonderneming
zijn niet strijdig met de bepalingen van deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten en -reglementen; inzonderheid mogen
de statuten niet toestaan dat andere activiteiten worden uit-
geoefend dan deze die bedoeld zijn in artikel 34, 1°;
2° de toezichthouder die belast is met het toezicht op de
verzekeringsonderneming in het derde land, bevestigt dat
de onderneming voldoet aan de prudentiële vereisten die op
haar van toepassing zijn in dat land.
§ 3. Onverminderd de paragrafen 1 en 2 kan aan een
bijkantoor van een verzekeringsonderneming die onder
een derde land ressorteert slechts een vergunning worden
toegekend indien voldaan is aan de volgende algemene
voorwaarden:
1° de verzekeringsonderneming is in haar land van
herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat
gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn
2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen wordt geregeld;
2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een
derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend
voor de uitwisseling van informatie om op de activiteiten van
het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen
uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien
zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis
van de verzekeringsonderneming en van de groep waartoe zij
behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie
relève la succursale et que la référence faite aux articles 40 à
42 vaut pour la succursale en Belgique;
5° l’article 62 dans la mesure où l’entreprise d’assurance
ne peut établir que les engagements de sa succursale belge
sont couverts par un système de protection des créanciers
d’assurance au sein de son pays d’origine dans une mesure
au moins équivalente à celle résultant des systèmes mis en
place en Belgique, quant aux types de contrats couverts et
au niveau de protection prévu.
Outre l’exigence visée à l’alinéa 1er, 3°, l’entreprise
démontre
a) que sa succursale fait l’objet d’une dotation en fonds
propres éligibles nécessaires pour atteindre la moitié du seuil
absolu du minimum de capital requis prévu à l’article 189,
§ 1er, 4°;
b) qu’elle dispose en Belgique d’actifs pour le montant
visé au a) et qu’elle a, en outre, déposé la moitié de ces
actifs auprès d’un intermédiaire financier, de telle manière à
les rendre indisponibles. La Banque détermine, par voie de
règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi
du 22 février 1998, les conditions et modalités auxquelles doit
répondre cette indisponibilité.
§ 2. L’octroi de l’agrément visé au paragraphe 1er est éga-
lement soumis au respect des conditions suivantes:
1° les statuts de l’entreprise d’assurance concernée ne
sont pas contraires aux dispositions de la présente loi et de
ses arrêtés et règlement d’exécution; en particulier, les statuts
ne peuvent autoriser une activité autre que celles visées à
l’article 34, 1°;
2° l’autorité de contrôle en charge du contrôle de l’entre-
prise d’assurance dans le pays tiers confirme que l’entreprise
satisfait aux exigences prudentielles qui lui sont applicables
dans ce pays.
§ 3. Sans préjudice des paragraphes 1er et 2, l’octroi d’un
agrément à une succursale d’une entreprise d’assurance
relevant du droit d’un pays tiers est également soumis au
respect des conditions générales suivantes:
1° l’entreprise d’assurance est soumise, dans son pays
d’origine, à un contrôle prudentiel de nature équivalente à
celui organisé par la Directive 2009/138/CE et ses mesures
d’exécution;
2° la Banque a signé avec l’autorité du pays tiers concernée
un accord de coopération impliquant un échange d’infor-
mations lui permettant d’exercer un contrôle efficace des
activités de la succursale belge. La Banque peut déroger au
respect de cette condition si, au regard du cas d’espèce, elle
estime que celle-ci n’est pas de nature à améliorer substan-
tiellement la connaissance de l’entreprise d’assurance, en
ce compris du groupe auquel elle appartient, sous l’angle de
660
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
en de risico’s die voortvloeien uit haar activiteiten, in het bij-
zonder de risico’s ten aanzien van de schuldeisers uit hoofde
van verzekering van het Belgische bijkantoor.
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de internationale over-
eenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning
weigeren aan het bijkantoor van een verzekeringsonderne-
ming die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde
toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan verzekerings-
ondernemingen naar Belgisch recht.
§ 5. De Bank kan ook een vergunning weigeren aan een
in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat
voor de bescherming van de verzekeringnemers, de verze-
kerden en de begunstigden of voor een gezond en voorzichtig
beleid van de onderneming of nog voor de stabiliteit van het
financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar
Belgisch recht vereist is.
Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening wor-
den gehouden met de volgende criteria:
1° het feit dat de verzekeringsonderneming in het derde
land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het
bijkantoor voorgenomen activiteiten niet effectief uitoefent;
2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de om-
vang van de verzekeringsonderneming.
§ 6. Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaan-
vraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken
autoriteit van het derde land.
De Bank spreekt zich over de vergunningsaanvraag van het
bijkantoor uit na advies van de FSMA over de bescherming
van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstig-
den. De FSMA verstrekt haar advies binnen een termijn van
een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de
Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle nuttige, van
de vergunningaanvragende onderneming ontvangen stukken
zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn
geldt als positief advies.
Afdeling II
Bedrijfsuitoefening
Art. 586
De Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemin-
gen die onder een derde land ressorteren moeten blijvend
voldoen aan de door of krachtens artikel 584 vastgelegde
voorwaarden.
Art. 587
Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn de volgende
artikelen van toepassing:
son organisation et des risques générés par ses activités, spé-
cialement les risques à l’égard des créanciers d’assurance
de la succursale belge.
§ 4. Sans préjudice des Accords internationaux liant la
Belgique, la Banque peut refuser d’agréer la succursale d’une
entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui
n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès à son marché
aux entreprise d’assurance de droit belge.
§ 5. La Banque peut également refuser l’agrément d’une
succursale visée au présent Titre si elle estime que la pro-
tection des preneurs d’assurance, des assurés et des béné-
ficiaires ou la gestion saine et prudente de l’entreprise ou
encore la stabilité du système financier requiert la constitution
d’une société de droit belge.
Une telle décision peut notamment tenir compte des cri-
tères suivants:
1° l’absence d’exercice effectif par l’entreprise d’assurance
dans le pays tiers, ou au sein du groupe auquel appartient
l’entreprise d’assurance, des activités projetées par la
succursale;
2° l’importance de la succursale par rapport à la taille de
l’entreprise d’assurance.
§ 6. Avant de statuer sur la demande d’agrément de la suc-
cursale, la Banque consulte l’autorité du pays tiers concernée.
La Banque se prononce sur la demande d’agrément de
la succursale sur avis de la FSMA en ce qui concerne la
protection des preneurs d’assurance, des assurés et des
bénéficiaires. La FSMA rend son avis dans un délai d’un mois
à compter de la réception de la demande d’avis formulée par
la Banque, accompagnée de toutes les pièces utiles reçues
de l’entreprise qui sollicite l’agrément. L’absence d’avis dans
ce délai est considéré comme un avis positif.
Section II
Exercice de l’activité
Art. 586
Les succursales belges des entreprises d’assurance rele-
vant du droit d’un pays tiers doivent en permanence satisfaire
aux conditions prévues par ou en vertu de l’article 584.
Art. 587
Sont applicables aux succursales visées à l’article 584:
661
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° artikel 71;
2° artikel 83, voor wat betreft de algemeen lasthebber
van het bijkantoor, als bedoeld in artikel 593, evenals, in
voorkomend geval, de andere personen die met de effec-
tieve leiding van het bijkantoor zijn belast, en artikel 81, voor
wat betreft diezelfde personen en, in voorkomend geval, de
verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties
in het bijkantoor;
3° artikel 93, met dien verstande dat de leiders van het
bijkantoor gelijkgesteld worden met de leden van het wettelijk
bestuursorgaan;
4° de artikelen 36 en 38, § 1;
5° de artikelen 102, 103, 104, § 1, 1° en § 2, 105 en 106,
met dien verstande dat:
a) artikel 102, eerste lid, 1° betrekking heeft op het bijkan-
toor in België;
b) in de gevallen bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°
waar de overnemende onderneming een bijkantoor is van
een verzekeringsonderneming die onder een derde land
ressorteert, die op het grondgebied van een andere lidstaat
is gevestigd, verleent de Bank haar toestemming voor een
portefeuilleoverdracht enkel indien:
— de toezichthouders van de betrokken lidstaat hebben
ingestemd met de overdracht, en
— deze toezichthouders verklaren dat de betrokken over-
nemende onderneming, na de voorgenomen overdracht, over
voldoende in aanmerking komend eigen vermogen beschikt
om het solvabiliteitskapitaalvereiste dat met toepassing van
de wetgeving van die lidstaat is opgelegd, te dekken;
c) wanneer daarom verzocht wordt door het in artikel
584 bedoelde bijkantoor in zijn hoedanigheid van overdra-
gende onderneming, mag de toestemming als bedoeld in
artikel 102, eerste lid, 3° enkel worden verleend indien de Bank
de instemming heeft verkregen van de toezichthouders van
de andere lidstaten waar de risico’s zijn gelegen of, naarge-
lang van het geval, van de toezichthouders van de lidstaten
van de verbintenis. Indien de geraadpleegde buitenlandse
toezichthouders niet hebben gereageerd binnen een termijn
van drie maanden, worden zij geacht hun instemming te
hebben gegeven.
Art. 588
§ 1. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de
volgende artikelen van toepassing:
1° de artikelen 123 tot 139;
2° de artikelen 76, 199 tot 203, met dien verstande dat voor
de toepassing van artikel 76, de plaats waar de documenten
met betrekking tot de verrichtingen die via het bijkantoor wor-
den uitgevoerd worden bewaard, de zetel van het bijkantoor is.
1° l’article 71;
2° l’article 83 en ce qui concerne le mandataire général
de la succursale visé à l’article 593 ainsi que, le cas échéant,
les autres personnes chargées de la direction effective de
la succursale et l’article 81 en ce qui concerne ces mêmes
personnes et, le cas échéant, les responsables des fonctions
de contrôle indépendantes au sein de la succursale;
3° l’article 93, étant entendu que les dirigeants de la
succursale sont assimilés aux membres de l’organe légal
d’administration;
4° les articles 36 et 38, § 1er;
5° les articles 102, 103, 104, § 1er, 1° et § 2, 105 et 106,
étant entendu en outre que:
a) l’article 102 alinéa 1er, 1° concerne la succursale en
Belgique;
b) dans les cas visés à l’article 102, alinéa 1er, 3° où
l’entreprise cessionnaire est une succursale d’une entreprise
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, située sur le
territoire d’un autre État membre, la Banque ne donne son
autorisation à un transfert de portefeuille que si:
— les autorités de contrôle de l’État membre concerné ont
donné leur accord à un tel transfert, et
— que ces autorités attestent que l’entreprise cessionnaire
concernée dispose, compte tenu du transfert envisagé, de
fonds propres éligibles suffisants pour couvrir le capital de sol-
vabilité requis exigé en application de la législation de cet État;
c) lorsqu’elle est demandée par la succursale visée à
l’article 584 en qualité d’entreprise cédante, l’autorisation
visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° ne peut être donnée que si
la Banque a reçu l’accord des autorités de contrôle des autres
États membres où les risques sont situés ou, selon le cas, des
autorités de contrôle des États membres de l’engagement. À
défaut de réponse des autorités étrangères consultées dans
un délai de trois mois, leur accord est présumé.
Art. 588
§ 1er. Sont également applicables aux succursales visées
à l’article 584:
1° les articles 123 à 139;
2° les articles 76, 199 à 203, étant entendu qu’aux fins
de l’application de l’article 76, le lieu de conservation des
documents relatifs aux opérations effectuées par le biais de
la succursale est le siège de la succursale.
662
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en de modaliteiten
inzake de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudkundige
situaties van de in artikel 584 bedoelde bijkantoren.
Art. 589
§ 1. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten over ei-
gen vermogen beschikken dat voldoet aan de volgende regels:
1° het eigen vermogen voldoet aan de artikelen 140 tot 150;
2° het eigen vermogen voldoet aan het solvabiliteitskapi-
taalvereiste en aan het minimumkapitaalvereiste die overeen-
komstig de artikelen 151 tot 189 worden berekend, met dien
verstande dat voor de toepassing van die vereisten, zowel
voor levensverzekeringen als voor niet-levensverzekeringen,
enkel de verrichtingen in aanmerking worden genomen die
door het betrokken bijkantoor worden uitgevoerd;
3° de vereiste absolute ondergrens is gelijk aan de helft
van het in artikel 189, § 1, 4° bedoelde bedrag.
Het overeenkomstig artikel 585, tweede lid, b), gestorte
depot wordt onder het in aanmerking komend kernvermogen
ter dekking van het minimumkapitaalvereiste gerekend.
§ 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat
de opslagfactor een aanvullend vereiste is met betrekking
tot het eigenvermogensvereiste dat met toepassing van die
artikel is opgelegd.
§ 3. Artikel 91 is van toepassing op de in artikel 584 be-
doelde bijkantoren.
Art. 590
De in artikel 584 bedoelde bijkantoren mogen het niet-
levensverzekeringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf
niet gelijktijdig uitoefenen.
Art. 591
§ 1. De artikelen 190 tot 193 zijn van toepassing voor wat
de activa betreft die het bijkantoor bezit.
§ 2. Onverminderd artikel 585, § 1, tweede lid, zijn de artike-
len 194 en 195 eveneens van toepassing op de verbintenissen
die door het bijkantoor worden aangegaan. De activa bedoeld
in de artikelen 194 en 195 moeten in België gelokaliseerd zijn.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de activa maar in
België gelokaliseerd zijn ten belope van het minimumkapi-
taalvereiste en, voor het resterende gedeelte, in een lidstaat,
wanneer de onderneming aantoont dat zij voldoet aan de
volgende voorwaarden:
§ 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en
matière de publication des situations comptables annuelles
des succursales visées à l’article 584.
Art. 589
§ 1er. Les succursales visées à l’article 584 doivent faire
l’objet d’une dotation en fonds propres répondant aux règles
suivantes:
1° la dotation en fonds propres respecte les articles 140 à
150;
2° la dotation en fonds propres respecte les exigences
de capital de solvabilité requis et d’un minimum de capital
requis calculés conformément aux articles 151 à 189, étant
entendu qu’aux fins de ces exigences, seules sont prises en
considération, tant pour l’assurance vie que pour l’assurance
non-vie, les opérations réalisées par la succursale concernée;
3° l’exigence de seuil absolu correspond à la moitié du
montant visé à l’article 189, § 1er, 4°.
Le dépôt effectué conformément à l’article 585, alinéa 2,
b) est comptabilisé dans les fonds propres de base éligibles
destinés à couvrir le minimum de capital requis.
§ 2. L’article 323 est applicable étant entendu que l’exi-
gence supplémentaire vise une exigence supplémentaire
relative à la dotation en fonds propres requise en application
du présent article.
§ 3. L’article 91 est d’application aux succursales visées
à l’article 584.
Art. 590
Les succursales visées à l’article 584 ne peuvent exercer
simultanément les activités d’assurance non-vie et d’assu-
rance vie.
Art. 591
§ 1er. Les articles 190 à 193 sont d’application en ce qui
concerne les actifs détenus par la succursale.
§ 2. Sans préjudice de l’article 585, § 1er, alinéa 2, les
articles 194 et 195 sont également applicables aux enga-
gements contractés par la succursale. Les actifs visés aux
articles 194 et 195 doivent être localisés en Belgique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les actifs peuvent
n’être localisés en Belgique que jusqu’à concurrence du
minimum de capital requis et, pour le surplus, au sein d’un
État membre lorsque l’entreprise démontre qu’elle satisfait
aux conditions suivantes:
663
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° het recht inzake liquidatieprocedures van het derde land
garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering van
wie de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschre-
ven, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit
hoofde van verzekering van wie de rechten bij de verzeke-
ringsonderneming in het derde land zijn onderschreven; en
2° ingeval er tegen de verzekeringsonderneming een
liquidatieprocedure wordt geopend in het derde land, kent
het recht dat deze procedure regelt aan de schuldeisers uit
hoofde van verzekering waarvan de rechten bij het Belgische
bijkantoor zijn onderschreven, een rang toe die een gelijk-
waardige bescherming biedt als deze waarin de artikelen
643 en 644 voorzien.
Art. 592
Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de vol-
gende artikelen van toepassing:
1° de artikelen 212 tot 221;
2° de artikelen 230 en 231;
3° de artikelen 232 tot 238;
4° de artikelen 240 en 241.
Art. 593
De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten een alge-
meen lasthebber aanduiden. De artikelen 81, 83 en 93 zijn
op hem van toepassing.
Bovendien moet die algemeen lasthebber zijn woonplaats
of gewone verblijfplaats in België hebben en moet hij over
voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekerings-
onderneming ten opzichte van derden te verbinden en om
haar in haar betrekkingen met de Belgische autoriteiten en
rechterlijke instanties te vertegenwoordigen.
In geval van verzaking aan of intrekking van het mandaat
of in geval van overlijden van de algemeen lasthebber, neemt
de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen opdat
de opvolger binnen een maand in functie is.
Art. 594
§ 1. De verzekeringsondernemingen die onder het recht
van een derde land ressorteren en die met toepassing van
dit Hoofdstuk in België een vergunning hebben aangevraagd
of verkregen en in een of meer andere lidstaten een vergun-
ning hebben verkregen voor de vestiging van een bijkantoor,
kunnen vragen om het voordeel te genieten van de volgende
bijzondere bepalingen, die enkel gezamenlijk kunnen worden
toegekend:
1° het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op
basis van het geheel van de activiteiten die in de lidstaten
1° le droit des procédures de liquidation du pays tiers
assure aux créanciers d’assurance dont les droits ont été
souscrits auprès de la succursale belge, un traitement qui
est équivalent à celui des créanciers d’assurance dont les
droits ont été souscrits auprès de l’entreprise d’assurance
dans le pays tiers; et
2° en cas de procédure de liquidation ouverte à l’encontre
de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers, le droit régis-
sant cette procédure octroie aux créanciers d’assurance dont
les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge
un rang offrant une protection similaire à celle prévue aux
articles 643 et 644.
Art. 592
Sont également applicables aux succursales visées à
l’article 584:
1° les articles 212 à 221;
2° les articles 230 et 231;
3° les articles 232 à 238;
4° les articles 240 et 241.
Art. 593
Les succursales visées à l’article 584 doivent désigner
un mandataire général. Les articles 81, 83 et 93 lui sont
applicables.
Ce mandataire général doit, en outre, avoir son domicile
ou sa résidence habituelle en Belgique et doit disposer des
pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise d’assurance à
l’égard des tiers et pour la représenter dans les relations avec
les autorités et juridictions belges.
En cas de renonciation au mandat ou de révocation de
celui-ci ou en cas de décès du mandataire général, l’entre-
prise d’assurance prend les mesures nécessaires pour que
le successeur soit en fonction dans le mois.
Art. 594
§ 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit de
pays tiers qui ont sollicité ou obtenu un agrément en Belgique
en application du présent Chapitre et dans un ou plusieurs
autres États membres pour l’établissement d’une succursale
peuvent demander le bénéfice des dispositions particulières
suivantes, qui ne peuvent être accordées que conjointement:
1° le capital de solvabilité requis est calculé en fonction de
l’ensemble de l’activité exercée au sein des États membres.
664
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden enkel de
verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde bijkantoren in
aanmerking genomen;
2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt het
depot dat met toepassing van deze bepaling is opgelegd,
uitgevoerd in de lidstaat van de in paragraaf 2, tweede lid
bedoelde toezichthouder;
3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die tegen-
over het minimumkapitaalvereiste staan gelokaliseerd zijn in
een van de lidstaten waar zij hun activiteit uitoefenen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag moet worden
ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van elk van
de andere betrokken lidstaten. In deze aanvraag moet de
onderneming aangeven welke toezichthouder belast zal zijn
met het toezicht op de solvabiliteit voor het geheel van de ac-
tiviteiten van de bijkantoren die in de Europese Economische
Ruimte zijn gevestigd.
De keuze van de toezichthouder moet door de onderne-
ming met redenen worden omkleed en door die toezichthouder
worden aanvaard.
§ 3. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere
bepalingen kan enkel worden toegekend aan de onderneming
mits de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten
hun toestemming verlenen.
Deze bijzondere bepalingen zijn maar van toepassing vanaf
de datum waarop de gekozen toezichthouder aan de andere
toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstelling aanvaardt en
dat hij toezicht zal houden op de naleving van de solvabiliteits-
vereisten door de bijkantoren die in de Europese Economische
Ruimte zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten.
Wanneer een toezichthouder van een andere lidstaat wordt
gekozen met toepassing van de paragrafen 2 en 3, verstrekt
de Bank aan die toezichthouder de nodige inlichtingen voor
het toezicht op de naleving van de vereisten inzake de globale
solvabiliteit van de betrokken verzekeringsonderneming.
Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere
bepalingen wordt van rechtswege opgeheven op verzoek
van de Bank aan de andere betrokken toezichthouders of op
verzoek van een van hen. Deze opheffing wordt ter kennis
gebracht van het in artikel 584 bedoelde bijkantoor.
§ 4. Wanneer zij met toepassing van de paragrafen 2 en
3 wordt gekozen, stelt de Bank EIOPA daarvan in kennis.
Afdeling III
Toezicht
Art. 595
De volgende artikelen zijn van toepassing:
1° de artikelen 303 tot 309;
À cette fin, seules les opérations réalisées par l’ensemble des
succursales établies au sein d’États membres sont prises en
considération pour ce calcul;
2° par dérogation à l’article 585, alinéa 2, b), le dépôt
requis en application de cette disposition est effectué dans
l’État membre de l’autorité de contrôle visée au paragraphe 2,
alinéa 2;
3° par dérogation à l’article 592, les actifs représentatifs
du minimum de capital requis peuvent être localisés dans l’un
des États membres où elles exercent leur activité.
§ 2. La demande visée au paragraphe 1er doit être déposée
auprès de la Banque et des autorités de contrôle de chacun
des autres États membres concernés. Dans cette demande,
l’entreprise doit indiquer l’autorité de contrôle qui sera char-
gée de vérifier la solvabilité des succursales établies au sein
de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs
opérations.
Le choix de l’autorité de contrôle effectué par l’entreprise
doit être motivé et accepté par cette autorité.
§ 3. Le bénéfice des dispositions particulières prévues au
paragraphe 1er ne peut être octroyé à l’entreprise qu’avec
l’accord des autorités de contrôle de tous les États membres
concernés.
Ces dispositions particulières ne sont applicables qu’à
la date à laquelle l’autorité de contrôle choisie confirme aux
autres autorités de contrôle qu’elle accepte sa désignation et
qu’elle vérifiera les exigences de solvabilité des succursales
établies à l’intérieur de l’Espace économique européen pour
l’ensemble de leurs opérations.
Lorsqu’une autorité de contrôle d’un autre État membre
est choisie en application des paragraphes 2 et 3, la Banque
fournit à cette autorité les informations nécessaires à la véri-
fication des exigences de solvabilité globale de l’entreprise
d’assurance concernée.
Le bénéfice des dispositions particulières prévues au para-
graphe 1er est retiré de plein droit en cas de demande de la
Banque adressée aux autres autorités de contrôle concernées
ou à la demande de l’une de celles-ci. Ce retrait est notifié à
la succursale visée à l’article 584.
§ 4. Lorsqu’elle est choisie en application des para-
graphes 2 et 3, la Banque en informe l’EIOPA.
Section III
Contrôle
Art. 595
Sont applicables:
1° les articles 303 à 309;
665
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° de artikelen 504 tot 507;
3° de artikelen 510, 511, 513 tot 515, met dien verstande
dat, in de gevallen bedoeld in artikel 594, de toezichthouder
die belast is met het toezicht op de naleving van de solva-
biliteitsvereisten door de bijkantoren die in de verschillende
lidstaten zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten,
ook de prerogatieven kan uitoefenen waarop die bepalingen
betrekking hebben.
Art. 596
De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet
een of meer erkend revisoren of een of meer erkende reviso-
renvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 327.
Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen.
Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel
326 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 328, artikel 329, eerste tot vierde lid, artikel 330,
eerste lid 1 en de artikelen 331 tot 337 zijn mutatis mutandis
van toepassing.
Art. 597
§ 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel
met de autoriteiten van derde landen van de verzekeringson-
derneming en met de bevoegde autoriteiten van derde landen
van de andere bijkantoren van deze onderneming die buiten
België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en
verbodsbepalingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe
het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze
de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze
autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van
de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd.
§ 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die
beter aansluiten bij de aard en spreiding van de activiteiten
van de verzekeringsonderneming en haar toezicht, mogen
de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister
bevoegd voor Economie, afwijken van de bepalingen van
deze wet.
Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet
aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen
deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing
van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoe-
ringsbesluiten en -reglementen.
De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor
de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger
regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren
van verzekeringsondernemingen die onder een andere lid-
staat ressorteren.
2° les articles 504 à 507;
3° les articles 510, 511, 513 à 515, étant entendu que dans
les cas visés à l’article 594, l’autorité de contrôle chargée
de vérifier le respect des exigences de solvabilité des suc-
cursales établies au sein de différents États membres pour
l’ensemble de leurs opérations peut également exercer les
prérogatives visées par ces dispositions.
Art. 596
La direction des succursales visées au présent Titre est
tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés ou une
ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées conformément à
l’article 327. Elle peut désigner, pareillement, un suppléant.
En cas de désignation d’une société de reviseurs, l’ar-
ticle 326 est applicable par analogie.
Les articles 328, 329, alinéas 1er à 4, 330, alinéa 1er et 331 à
337 sont, mutatis mutandis, applicables.
Art. 597
§ 1er. La Banque peut convenir, sur base de réciprocité,
avec les autorités de pays tiers de l’entreprise d’assurance
et avec les autorités, compétentes et de pays tiers, des
autres succursales de cette entreprise établies dans d’autres
États que la Belgique, de règles relatives aux obligations et
interdictions concernant la succursale en Belgique, de l’objet
et de modalités de sa surveillance ainsi que des modalités
de la collaboration et de l’échange d’informations avec ces
autorités, telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la
loi du 22 février 1998.
§ 2. Les conventions peuvent, moyennant l’approbation
du ministre ayant l’économie dans ses attributions, déroger
aux dispositions de la présente loi en vue de fixer des règles
et modalités plus appropriées à la nature et à la répartition
des activités de l’entreprise d’assurance et de son contrôle.
Moyennant l’existence d’un contrôle global répondant
aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi, ces
conventions peuvent dispenser de l’application de certaines
dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements
pris pour son exécution.
Les conventions prévues par le présent article ne peuvent
comporter au bénéfice des succursales qu’elles concernent
des règles plus favorables que celles qui s’appliquent aux
succursales établies en Belgique d’entreprise d’assurance
relevant du droit d’un autre État membre.
666
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling IV
Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de
vergunning
Art. 598
§ 1. De artikelen 508 en 517 zijn van toepassing.
Bij intrekking van de vergunning door de Bank wegens
niet-naleving van de regels inzake de solvabiliteitsvereisten,
stelt de Bank de andere toezichthouders als bedoeld in arti-
kel 594 hiervan in kennis.
Bij intrekking van de vergunning door een toezichthouder
die met toepassing van artikel 594, §§ 2 en 3 is aangesteld,
trekt de Bank eveneens de in artikel 585 bedoelde vergun-
ning in.
§ 2. De Bank kan de vergunning van een in dit Hoofdstuk
bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is
dat voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering of voor een gezond en voorzichtig beleid van de
verzekeringsonderneming of nog voor de stabiliteit van het
financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar
Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken
van de criteria bedoeld in artikel 585, § 4.
De Bank stelt de FSMA in kennis van de overeenkomstig
het eerste lid genomen besluiten.
Art. 599
De artikelen 538 tot 541, artikel 543, eerste lid en 544 tot
547 zijn van toepassing.
HOOFDSTUK II
Uitoefening van activiteiten in België via de vestiging
van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten,
door herverzekeringsondernemingen die onder een
derde land ressorteren
Art. 600
Herverzekeringsondernemingen die onder een derde
land ressorteren en waarvan de solvabiliteitsregeling waar-
aan ze krachtens deze wetgeving onderworpen zijn, met
toepassing van artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG
als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin
deze richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder een
lidstaat ressorteren, mogen in België via de vestiging van een
bijkantoor of het vrij verrichten van diensten de herverzeke-
ringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van
herkomst een vergunning hebben verkregen.
In dit verband zijn de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel
I mutatis mutandis van toepassing.
Section IV
Mesures exceptionnelles, sanctions et fin de l’agrément
Art. 598
§ 1er. Sont applicables les articles 508 et 517.
En cas de retrait d’agrément par la Banque justifié par le
non-respect des règles relatives aux exigences de solvabilité,
la Banque informe les autres autorités de contrôle visées à
l’article 594.
En cas de retrait d’agrément par une autorité de contrôle
désignée en application de l’article 594, §§ 2 et 3, la Banque
retire également l’agrément visé à l’article 585.
§ 2. La Banque peut encore révoquer l’agrément d’une
succursale visée au présent Chapitre si elle estime que la
protection des créanciers d’assurance ou la gestion saine et
prudente de l’entreprise d’assurance ou encore la stabilité du
système financier exige la constitution d’une société de droit
belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères
visés à l’article 585, § 4.
La Banque informe la FSMA des décisions prises confor-
mément à l’alinéa 1er
Art. 599
Les articles 538 à 541, 543, alinéa 1er et 544 à 547 sont
d’application.
CHAPITRE II
Activités en Belgique, par voie de succursale ou en
libre prestation de services, par des entreprises de
réassurance relevant du droit de pays tiers
Art. 600
Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un
pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel elles sont
assujetties en application de cette législation est, en applica-
tion de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE,
considéré comme équivalent à celui établi par cette directive
pour les entreprises relevant du droit d’un État membre, sont
autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installation
d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de
services, les opérations de réassurance pour lesquelles elles
ont obtenu un agrément dans leur État d’origine.
À cette fin, les dispositions du Chapitre II du Titre I sont,
mutatis mutandis, d’application.
667
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 601
De herverzekeringsondernemingen die onder een derde
land ressorteren en waarvan de solvabiliteitsregeling waaraan
ze krachtens deze wetgeving onderworpen zijn, met toepas-
sing van artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG, niet
als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin
deze richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder een
lidstaat ressorteren, mogen in België, via de vestiging van
een bijkantoor, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen
waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning
hebben verkregen, mits inachtneming van de bepalingen van
Hoofdstuk I van deze Titel.
BOEK IV
DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN
Art. 602
Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven
maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een verze-
kerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekerings-
holding, een gemengde financiële holding of een gemengde
verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, geen
gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen
de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de voorschriften
van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten
of reglementen of van Verordening 2015/35 of van alle andere
uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG.
Art. 603
§ 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven
maatregelen, kan de Bank voor een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemeng-
de financiële holding of een gemengde verzekeringsholding
naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde
voorschriften van deze wet, van de ter uitvoering ervan geno-
men besluiten of reglementen of van Verordening 2015/35 of
van alle uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aan-
brengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar
beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van
haar risico’s. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder
een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de
niet-nakoming van een van de in de artikel 564, eerste lid en
artikel 576, eerste lid bedoelde verplichtingen;
§ 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrij-
ken van de termijn, kan de Bank, na de onderneming gehoord
of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom
opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en
maximum 50 000 euro per dag vertraging.
Art. 601
Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un
pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel elles sont
assujetties en application de cette législation n’est pas, en
application de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive
2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi par
cette directive pour les entreprises relevant du droit d’un État
membre, sont autorisées à exercer en Belgique, par la voie
d’installation d’une succursale, les opérations de réassurance
pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État
d’origine moyennant le respect des dispositions du Chapitre Ier
du présent Titre.
LIVRE IV
DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES
Art. 602
Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente
loi, la Banque peut publier qu’une entreprise d’assurance
ou de réassurance, une société holding d’assurance, une
compagnie financière mixte ou une société holding mixte
d’assurance de droit belge ou de droit étranger ne s’est pas
conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter
dans le délai qu’elle détermine des dispositions de la présente
loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou du
Règlement 2015/35 ou de toutes autres mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE.
Art. 603
§ 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la
présente loi, la Banque peut fixer à une entreprise d’assu-
rance ou de réassurance, une société holding d’assurance,
une compagnie financière mixte ou une société holding mixte
d’assurance de droit belge ou de droit étranger, un délai
dans lequel:
1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées
de la présente loi, des arrêtés ou règlements pris pour son
exécution ou du Règlement 2015/35 ou de toutes autres
mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ou
2° elle doit apporter les adaptations qui s’imposent à
son dispositif d’organisation d’entreprise ou à sa politique
concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de
ses risques. Cette injonction n’est applicable aux succursales
d’entreprise d’assurance ou de réassurance relevant d’un
autre État membre, que pour ce qui concerne un manquement
à une des obligations visées aux articles 564, alinéa 1er et
576, alinéa 1er;
§ 2. Si l’entreprise reste en défaut à l’expiration du délai,
la Banque peut, l’entreprise entendue ou à tout le moins
convoquée, lui infliger une astreinte à raison d’un montant
maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum
50 000 euros par jour de retard.
668
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom
wordt met name rekening gehouden met
1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voor-
komend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen
op de stabiliteit van het financiële stelsel;
2° de financiële draagkracht van de betrokken onderne-
ming, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
§ 4. De dwangsommen die met toepassing van para-
graaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van
de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de
Registratie en de Domeinen.
BOEK V
SANCTIES
TITEL I
Administratieve boetes
Art. 604
§ 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschre-
ven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten of
reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank,
indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze
wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan of op
Verordening 2015/35 of op alle andere uitvoeringsmaatregelen
van Richtlijn 2009/138/EG, een administratieve boete opleg-
gen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of
een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buiten-
lands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuurs-
orgaan van die entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis
van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding,
die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
§ 2. De administratieve geldboete die aan de onderneming
of aan de in paragraaf 1 bedoelde entiteit wordt opgelegd,
voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt
minimum 1 % en maximum 10 % van de technische en finan-
ciële opbrengsten van de entiteit van het voorbije boekjaar.
De administratieve geldboete die aan een natuurlijke
persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde ge-
heel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum
5 000 000 euro.
§ 3. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 wor-
den opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate
van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de
Registratie en de Domeinen.
§ 4. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld
op grond van
1° de ernst en de duur van de tekortkomingen;
§ 3. Le montant de l’astreinte est fixé en tenant notamment
compte
1° de la gravité des manquements rencontrés et, le cas
échéant, de l’impact potentiel de ces manquements sur la
stabilité du système financier;
2° de l’assise financière de l’entreprise en cause, telle
qu’elle ressort notamment de son chiffre d’affaires.
§ 4. Les astreintes imposées en application du para-
graphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l’Adminis-
tration du Cadastre, de l’Enregistrement et des Domaines.
LIVRE V
DES SANCTIONS
TITRE IER
Des amendes administratives
Art. 604
§ 1er. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la
présente loi et sans préjudice des mesures prévues par
d’autres lois ou d’autres règlements, la Banque peut,
lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de la pré-
sente loi, aux mesures prises en exécution de celle-ci ou au
Règlement 2015/35 ou à toutes autres mesures d’exécution de
la Directive 2009/138/CE, infliger une amende administrative à
une entreprise d’assurance ou de réassurance, à une société
holding d’assurance, à une compagnie financière mixte, à
une société holding mixte d’assurance, de droit belge ou de
droit étranger à un ou plusieurs des membres de l’organe
légal d’administration de ces entités, aux personnes qui, en
l’absence de comité de direction, participent à leur direction
effective, responsables du manquement constaté.
§ 2. Le montant de l’amende administrative infligée à
l’entité visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou pour le
même ensemble de faits, est de minimum 1 % et de maximum
de 10 % des produits techniques et financiers de l’entité au
cours de l’exercice précédent.
Le montant de l’amende administrative infligée à une
personne physique, pour le même fait ou pour le même
ensemble de faits, est de minimum 5 000 euros et de maxi-
mum 5 000 000 euros.
§ 3. Les amendes imposées par la Banque en application
du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du Trésor par
l’Administration du Cadastre, de l’Enregistrement et des
Domaines.
§ 4. Le montant de l’amende est notamment fixé en fonction
1° de la gravité et de la durée des manquements;
669
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die
met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechts-
persoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke
persoon;
4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen even-
tueel opleveren;
5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben
geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
6° de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke
of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen
op de stabiliteit van het financiële stelsel.
§ 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig
dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij tezelfdertijd EIOPA
en de toezichthouder van de betrokken lidstaat in kennis,
indien het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming
betreft die activiteiten uitoefent in een andere lidstaat.
TITEL II
Strafrechtelijke sancties
Art. 605
§ 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar
en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één
van die straffen alleen wordt gestraft:
1° wie zich niet conformeert aan artikel 16;
2° wie de activiteit uitoefent van een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming als bedoeld in artikel 17 of in Boek
III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of wanneer de
vergunning is doorgehaald of herroepen;
3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de
artikelen 64 en 68 niet verricht, wie het verzet negeert als
bedoeld in artikel 66, tweede lid, of wie de schorsing negeert
als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 1°;
4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere
in artikel 83 bedoelde personen die de bepalingen van dit
artikel overtreden;
5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso-
nen belast met de effectieve leiding die de artikelen 93, 102,
2° en 3°, 426, 428, 483 of 486 overtreden;
6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso-
nen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of
2° du degré de responsabilité de la personne en cause;
3° de l’assise financière de la personne en cause, telle
qu’elle ressort notamment du chiffre d’affaires total de la
personne morale en cause ou des revenus annuels de la
personne physique en cause;
4° des avantages ou profits éventuellement tirés de ces
manquements;
5° d’un préjudice subi par des tiers du fait des manque-
ments, dans la mesure où il peut être déterminé;
6° du degré de coopération avec les autorités compétentes
dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause;
7° des manquements antérieurs commis par la personne
en cause;
8° de l’impact négatif potentiel des manquements sur la
stabilité du système financier.
§ 5. Lorsque la Banque rend publiques des mesures
imposées conformément au présent article, elle informe en
même temps l’EIOPA ainsi que l’autorité de contrôle de l’État
membre concerné s’il s’agit d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance exerçant une activité dans un autre État
membre.
TITRE II
Des sanctions pénales
Art. 605
§ 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an
et d’une amende de 50 euros à 10 000 euros ou d’une de
ces peines seulement:
1° ceux qui ne se conforment pas à l’article 16;
2° ceux qui exercent l’activité d’une entreprise d’assurance
ou de réassurance visée à l’article 17 ou au Livre III, Titre II
sans que cette entreprise soit agréé ou alors que l’agrément
a été radié ou révoqué;
3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire les notifica-
tions prévues aux articles 64 et 68, ceux qui passent outre à
l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2 ou ceux qui passent
outre à la suspension visée à l’article 72, alinéa 1er, 1°;
4° les membres de l’organe légal d’administration et les
autres personnes visées à l’article 83 qui contreviennent aux
dispositions de cet article;
5° les membres de l’organe légal d’administration ou les
personnes en charge de la direction effective qui contre-
viennent aux articles 93, 102, 2° et 3°, 426, 428, 483 ou 486;
6° les membres de l’organe légal d’administration ou les
personnes en charge de la direction effective d’une entreprise
670
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
herverzekeringsonderneming die in het buitenland een
bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennis-
gevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 108,
113, 115 of 120 of die zich niet conformeren aan de artikelen
112, 119 of 122;
7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso-
nen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die de in de artikelen 199, 201,
342, 564, § 2, 576, derde lid of 588, § 1, 2° bedoelde besluiten
of reglementen overtreden;
8° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso-
nen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of
herverzekeringsonderneming die zich niet conformeren aan
de artikelen 201 of 202.
9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder
daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal
commissaris als bedoeld in artikel 517, § 1, 1° of die indruisen
tegen een schorsingsbeslissing die overeenkomstig artikel
517, § 1, 4° is genomen, wie geen gevolg geeft aan de aan-
maning die overeenkomstig de artikelen 568, eerste lid of 579,
eerste lid aan hem is gericht, of wie zich niet conformeert aan
de maatregelen die met toepassing van de artikelen 569, § 1,
eerste lid, 580, § 1, 573 of 582 zijn getroffen;
10° wie als commissaris, erkend revisor of onafhankelijk
deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en re-
sultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van
ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen
certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan
aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoerings-
besluiten en -reglementen of de uitvoeringsmaatregelen van
Richtlijn 2009/138/EG en daarvan kennis heeft, of niet heeft
gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich ervan te
vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe
hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert
de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond
van deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn
2009/138/EG of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtin-
gen verstrekt;
12° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan
de voorschriften van de artikelen 325, § 1 , eerste lid, en 596;
§ 2. Overtredingen van het verbod van artikel 41 worden
gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee
jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
Art. 606
De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek,
Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepas-
sing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft.
d’assurance ou de réassurance qui, à l’étranger, ouvrent une
succursale ou y prestent des services sans avoir procédé aux
notifications prévues par les articles 108, 113, 115 ou 120 ou
qui ne se conforment pas aux articles 112, 119 ou 122;
7° les membres de l’organe légal d’administration ou les
personnes en charge de la direction effective d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance qui contreviennent aux arrê-
tés ou aux règlements visés aux articles 199, 201, 342, 564,
§ 2, 576, alinéa 3 ou 588, § 1er, 2°;
8° les membres de l’organe légal d’administration ou les
personnes en charge de la direction effective d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance qui ne se conforment pas aux
articles 201 ou 202.
9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans
avoir obtenu l’autorisation du commissaire spécial prévue à
l’article 517, § 1er, 1°, ou à l’encontre d’une décision de sus-
pension prise conformément à l’article 517, § 1er, 4°, qui ne
se conforment pas à la mise en demeure prise en application
aux articles 568, alinéa 1er ou 579, alinéa 1er ou aux mesures
prises en application des articles 569, § 1er, alinéa 1er , 580,
§ 1er, 573 ou 582.
10° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé
ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé
des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes
de résultats ou des comptes consolidés d’entreprises ou
des états périodiques ou des renseignements lorsque les
dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements
pris pour son exécution ou les mesures d’exécution de la
Directive 2009/138/CE, n’ont pas été respectées, soit en
sachant qu’elles ne l’avaient pas été, soit en n’ayant pas
accompli les diligences normales pour s’assurer qu’elles
avaient été respectées;
11° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications
auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l’étranger ou
refusent de donner des renseignements qu’ils sont tenus de
fournir en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution
de la Directive 2009/138/CE ou qui donnent sciemment des
renseignements inexacts ou incomplets;
12° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les
dispositions des articles 325, § 1er , alinéas 1er et 596;
§ 2. Toute infraction à l’interdiction visée à l’article 41 est
punie d’un emprisonnement de trois mois à deux ans et d’une
amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
Art. 606
Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception
du chapitre VII et de l’article 85, sont applicables aux infrac-
tions pénales punies par la présente loi.
671
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 607
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn
burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de
leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast
met hun effectieve leiding of lasthebbers met toepassing van
de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.
Art. 608
Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtre-
ding van deze wet of één van de in artikel 20 van de wet van
25 april 2014 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het
wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve
leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen en ieder opspo-
ringsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet
tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter
kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder
voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of
bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste
lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van
de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden
betreft, door het openbaar ministerie.
Art. 609
De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het
geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door
deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom
het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen.
De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden
voor de burgerlijke partij.
BOEK VI
VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN
GELDENDE REGELS VAN HET INTERNATIONAAL
PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN
LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I
Saneringsmaatregelen
HOOFDSTUK I
Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse
maatregelen
Art. 610
Onder voorbehoud van de artikelen 598 en 614, zijn
de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd
om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van
verzekerings ondernemingen naar Belgisch recht. Deze
Art. 607
Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont civile-
ment responsables des amendes auxquelles sont condamnés
leurs membres de l’organe légal d’administration, personnes
en charge de la direction effective ou mandataires en appli-
cation des dispositions du présent Titre.
Art. 608
Toute information du chef d’infraction à la présente loi
ou à l’une des législations visées à l’article 20 de la loi du
25 avril 2014 à l’encontre de membres de l’organe légal
d’administration, de personnes en charge de la direction effec-
tive, de mandataires ou de commissaires agréés d’entreprise
d’assurance ou de réassurance et toute information du chef
d’infraction à la présente loi à l’encontre de toute autre per-
sonne physique ou morale doit être portée à la connaissance
de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de
compétence par l’autorité judiciaire ou administrative qui en
est saisie.
Toute action pénale du chef des infractions visées à l’ali-
néa 1er doit être portée à la connaissance de la Banque et de
la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à la
diligence du ministère public.
Art. 609
La Banque et la FSMA sont habilitées à intervenir en tout
état de cause devant la juridiction répressive saisie d’une
infraction punie par la présente loi, sans qu’elles aient à
justifier d’un dommage.
L’intervention suit les règles applicables à la partie civile.
LIVRE VI
DES RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ EN
MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET DE
PROCÉDURES DE LIQUIDATION APPLICABLES À DES
ENTREPRISES D’ASSURANCE
TITRE IER
Des mesures d’assainissement
CHAPITRE IER
Règle de compétence et réception des mesures
étrangères
Art. 610
Sous réserve des articles 598 et 614, les autorités d’assai-
nissement belges ne sont compétentes pour adopter des
mesures d’assainissement qu’à l’égard des entreprises
d’assurance de droit belge. Ces mesures sont appliquées et
672
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben
rechtswerking overeenkomstig de Belgische wetgeving, onder
voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in
deze wet zijn vastgesteld. De Belgische sanerings autoriteiten
kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten
aanzien van een verzekeringsonderneming die onder een
andere lidstaat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in
België gevestigd bijkantoor van een dergelijke onderneming.
Art. 611
De saneringsmaatregelen die door de saneringsautoritei-
ten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een
verzekerings onderneming die onder die lidstaat ressorteert,
hebben rechtswerking in België overeenkomstig de wetgeving
van die lidstaat zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit
onverminderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze
saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van
toepassing in België.
HOOFDSTUK II
Overleg en informatieverstrekking
Afdeling I
Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Art. 612
De Koning stelt de Bank onverwijld in kennis van zijn be-
slissing om een saneringsmaatregel te treffen met toepassing
van artikel 519; hij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van
deze maatregel of anders onmiddellijk daarna.
De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van alle
andere lidstaten onmiddellijk en met alle dienstige middelen
in kennis van de vaststelling van alle saneringsmaatregelen
alsmede van de concrete gevolgen die deze maatregelen
zouden kunnen hebben. Daartoe houdt de Koning de Bank
op de hoogte van het verloop van de tenuitvoerlegging van
artikel 519.
Art. 613
Indien de rechten van derden in een andere lidstaat waar
de betrokken verzekeringsonderneming een bijkantoor heeft
of diensten verricht, kunnen worden aangetast door de tenuit-
voerlegging van een saneringsmaatregel die overeen komstig
artikel 610 werd getroffen, en indien er tegen deze maatregel
een beroep werd ingesteld, maakt de Bank of, met betrekking
tot de daden van beschikking bedoeld in artikel 519, de Koning,
de beslissing bekend overeen komstig de van toepassing
zijnde wettelijke bepalingen en ziet zij of hij erop toe dat zo
snel mogelijk een uittreksel uit die beslissing wordt bekend-
gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, in de of-
ficiële taal of een van de officiële talen van die lidstaten. Deze
produisent leurs effets conformément à la législation belge,
sous réserve des précisions et exceptions prévues par la pré-
sente loi. En particulier, les autorités d’assainissement belges
ne peuvent adopter une mesure d’assainissement concernant
une entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État
membre et ce, y compris en ce qui concerne la succursale
d’une telle entreprise située en Belgique.
Art. 611
Nonobstant la publicité dont elles peuvent faire l’objet en
Belgique, les mesures d’assainissement décidées par les
autorités d’assainissement d’un autre État membre concer-
nant une entreprise d’assurance relevant du droit de cet État
produisent leurs effets en Belgique selon la législation de cet
État dès qu’elles produisent leurs effets dans l’État membre
où elles ont été adoptées. Ces mesures ne nécessitent aucune
formalité en Belgique.
CHAPITRE II
Concertation et information
Section Ire
Entreprises d’assurance de droit belge
Art. 612
Le Roi informe sans délai la Banque de sa décision
d’adopter une mesure d’assainissement en application de
l’article 519, si possible avant l’adoption de celle-ci ou, sinon,
immédiatement après.
La Banque porte immédiatement à la connaissance de
la FSMA et des autorités de contrôle de tous les autres
États membres, par tous moyens utiles, l’adoption de toutes
mesures d’assainissement et les effets concrets que ces
mesures pourraient avoir. À cette fin, le Roi tient la Banque
informée de l’évolution relative à la mise en application de
l’article 519.
Art. 613
Lorsque la mise en œuvre d’une mesure d’assainissement
prise conformément à l’article 610 est susceptible d’affecter
les droits de tiers dans un autre État membre où l’entreprise
d’assurance a une succursale ou fournit des services, et
qu’un recours est ouvert contre la mesure, la Banque ou,
lorsqu’il s’agit d’actes de disposition visés à l’article 519,
le Roi, assure la publicité de la décision conformément aux
dispositions légales en vigueur et veille à faire publier le plus
rapidement possible un extrait de cette décision, dans la ou
une des langues officielles de ces États membres, au Journal
officiel de l’Union européenne. Cette publicité est sans impact
sur les effets de la mesure d’assainissement, notamment
673
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
bekendmaking beïn vloedt op geen enkele wijze de gevolgen
van de saneringsmaatregel, met name voor de schuldeisers
van de betrokken verzekerings onderneming. In het uittreksel
worden ten minste de volgende gegevens vermeld:
1° het onderwerp en de juridische grondslag van de geno-
men beslissing, met vermel ding van het feit dat de maatregel
wordt beheerst door het Belgische recht;
2° de saneringsautoriteiten en, in voor ko mend geval, de
aangewezen saneringscommissaris;
3° de termijnen om beroep in te stellen en de contactgege-
vens van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep.
Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in
een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen
tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan op
de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de
Europese Unie.
Afdeling II
Verzekeringsondernemingen die onder een derde land
ressorteren
Art. 614
De Bank stelt de toezichthouders van de andere lidstaten
waar de verzekerings onderneming die onder een derde land
ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en
met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing
om krachtens artikel 598 een sanerings maatregel te treffen
alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij
doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel
of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar
optreden te coördineren met dat van de toezichthouders, de
saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval, de liquida-
tieautoriteiten van de verzekeringsondernemingen van de
andere lidstaten.
TITEL II
Faillissement en andere liquidatieprocedures die op
insolventie berusten
HOOFDSTUK I
Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse
maatregelen
Art. 615
De rechtbank van koophandel is uitsluitend bevoegd om
verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht failliet te
verklaren. Dit impliceert dat zij een verzekerings onderneming
die onder een buitenlands recht ressorteert, alsook haar in
België gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren.
à l’égard des créanciers de l’entreprise d’assurance. Elle
mentionne au moins:
1° l’objet et la base juridique de la décision prise avec la
mention que la mesure est régie par le droit belge;
2° les autorités d’assainissement et, le cas échéant, le
commissaire à l’assainis sement désigné;
3° les délais de recours et les coordonnées de l’autorité
compétente pour connaître du recours.
Le délai de recours concernant l’adoption d’une mesure
d’assainissement prend cours, à l’égard des tiers ayant leur
domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État
membre, à la date de la publication dans le Journal officiel
de l’Union européenne.
Section II
Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers
Art. 614
La Banque informe sans délai et par tous moyens utiles, les
autorités de contrôle des autres États membres où l’entreprise
d’assurance relevant du droit d’un pays tiers a également une
succursale de sa décision d’adopter une mesure d’assainis-
sement en vertu de l’article 598, et des effets concrets de
cette mesure, dans la mesure du possible avant l’adoption de
celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque s’efforce
de coordonner son action avec celle des autorités de contrôle,
d’assainissement et, le cas échéant, de liquidation des entre-
prises d’assurance des autres États membres.
TITRE II
De la faillite et autres procédures de liquidation fondées
sur l’insolvabilité
CHAPITRE IER
Règle de compétence et réception des procédures
étrangères
Art. 615
Le tribunal de commerce n’est compétent pour décider de
l’ouverture d’une faillite qu’à l’égard des entreprises d’assu-
rance de droit belge. En particulier, le tribunal de commerce ne
peut ouvrir une faillite concernant une entreprise d’assurance
relevant d’un droit étranger et ce, y compris en ce qui concerne
la succursale d’un telle entreprise située en Belgique.
674
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 616
Een liquidatieprocedure die is geopend door de liquida-
tieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een
verzekeringsonderneming die onder die lidstaat ressorteert,
wordt zonder enige formaliteit erkend in België en heeft
rechtswerking in België zodra ze rechtswerking heeft in de
lidstaat waar ze is geopend.
Art. 617
Een buitenlandse rechterlijke beslissing inzake een liquida-
tieprocedure die berust op insolventie van een verzekerings-
onderneming die onder een derde land ressorteert, kan maar
erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard in België
indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° het recht inzake insolventieprocedures van het derde
land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzeke-
ring die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben
gesloten, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers
uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de ver-
zekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten;
2° het recht dat de insolventieprocedure in het derde land
regelt, kent aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering
die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben
gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin
de artikelen 643 en 644 voorzien.
HOOFDSTUK II
Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht
Afdeling I
Overleg en informatieverstrekking
Art. 618
Onverminderd artikel 640 stelt de rechtbank van koophan-
del de Bank onverwijld in kennis van haar beslissing om een
onderneming failliet te verklaren, alsmede van de concrete
gevolgen van het faillissement; zij doet dit zo mogelijk vóór
de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De Bank
deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige mid-
delen mee aan de FSMA en aan de toezichthouders van alle
andere lidstaten.
Art. 619
De curator of curators die zijn aangesteld overeenkomstig
artikel 11 van de faillissementswet van 8 augustus 1997,
zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel 38 van de-
zelfde wet, eveneens via publicatie van het uittreksel in het
Publicatieblad van de Europese Unie. Hiertoe wordt gebruik
gemaakt van een formulier dat in alle officiële talen van de
Europese Unie het opschrift draagt: “Oproep tot indiening van
schuldvorderingen. Termijnen”.
Art. 616
Les procédures de liquidation dont l’ouverture est déci-
dée par les autorités de liquidation d’un autre État membre
concernant une entreprise d’assurance relevant du droit de
cet État sont reconnues en Belgique sans aucune formalité et
y produisent leurs effets dès qu’elles produisent leurs effets
dans l’État membre où elles ont été ouvertes.
Art. 617
Une décision judiciaire étrangère concernant une procé-
dure de liquidation fondée sur l’insolvabilité d’une entreprise
d’assurance relevant du droit de pays tiers ne peut être recon-
nue et rendue exécutoire en Belgique que si les conditions
suivantes sont satisfaites:
1° le droit des procédures d’insolvabilité du pays tiers
assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat
auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent
à celui des créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat
auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers;
2° le droit régissant la procédure d’insolvabilité dans le
pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant conclu
leur contrat auprès de la succursale belge une protection
similaire à celle prévue aux articles 643 et 644.
CHAPITRE II
Entreprises d’assurance de droit belge
Section Ire
Concertation et information
Art. 618
Sans préjudice de l’article 640, le tribunal de commerce
informe sans délai la Banque de sa décision d’ouvrir une
procédure de faillite et des effets concrets de la faillite, dans
la mesure du possible avant l’ouverture de celle-ci ou sinon
immédiatement après. La Banque communique sans délai
et par tous moyens utiles cette information à la FSMA et aux
autorités de contrôle de tous les autres États membres.
Art. 619
Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de
la loi du 8 août 1997 sur les faillites, assurent la publicité visée
à l’article 38 de la même loi, également par la publication de
l’extrait au Journal officiel de l’Union européenne. Un for-
mulaire portant dans toutes les langues officielles de l’Union
européenne le titre “Invitation à produire une créance. Délais
à respecter” est utilisé à cet effet.
675
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De bekendmaking vermeldt minstens:
1° dat de liquidatieprocedure beheerst wordt door het
Belgische recht;
2° de gegevens van de bevoegde rechtbank en van de
aangestelde curator.
Art. 620
Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisge-
ving wordt gericht als bedoeld in artikel 62 van de faillisse-
mentswet van 8 augustus 1997, hun woonplaats of gewone
verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het
rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het
in artikel 619 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de
schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid
verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen, en
welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen
die zijn vastgelegd in artikel 72 van de faillissements wet van
8 augustus 1997. In geval van schuldvorderingen uit hoofde
van verzekering vermeldt het rondschrijven tevens welke de
algemene gevolgen van de liquidatieprocedure voor de verze-
keringsovereenkomsten zijn, inzon derheid de datum waarop
de verzekerings overeenkomsten of -verrichtingen geen effect
meer sorteren, alsmede de rechten en verplichtingen van de
verzekerde in verband met de overeenkomst of verrichting.
Het rondschrijven als bedoeld in artikel 62 van de faillis-
sementswet van 8 augustus 1997, dat is opgesteld in de taal
van de procedure of, voor de schuldeisers uit hoofde van
verzekering met gewone verblijfplaats, woonplaats of statu-
taire zetel in een andere lidstaat, in een officiële taal van die
lidstaat, draagt in alle officiële talen van de Europese Unie
het opschrift “Oproep tot indiening van schuldvorderingen.
Termijnen”.
Afdeling II
Procedurele aspecten en toepasselijk recht
Art. 621
Het faillissement van verzekerings ondernemingen naar
Belgisch recht wordt beheerst door het Belgische recht, onder
voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in
deze wet zijn vastgesteld.
Art. 622
§ 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats
in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuld-
vorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiële taal
van die lidstaat, met vermelding van het opschrift “Indiening
van een schuldvordering” of “Indiening van opmerkingen
betreffende een schuldvordering” in de taal van de pro-
cedure in België. Artikel 63 van de faillissementswet van
8 augustus 1997 is van toepassing. De overeen komstig de
La publicité mentionne au moins:
1° que la procédure de liquidation est régie par le droit
belge;
2° les coordonnées du tribunal compétent et du curateur
désigné.
Art. 620
Lorsque l’avertissement individuel des créanciers visé à
l’article 62 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites concerne
des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle
dans un autre État membre, la circulaire indique également,
outre les informations mentionnées dans l’extrait visé à
l’article 619, l’obligation pour les créanciers bénéficiant d’un
privilège ou d’une sûreté réelle de déclarer leurs créances
ainsi que les conséquences liées à l’inobservation des délais
prévus par l’article 72 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
Dans le cas des créances d’assurance, la circulaire mentionne
en outre les effets généraux de la procédure de liquidation sur
les contrats d’assurance, en particulier la date à laquelle les
contrats d’assurance ou les opérations cessent de produire
leurs effets et les droits et obligations de l’assuré concernant
le contrat ou l’opération.
La circulaire visée à l’article 62 de la loi du 8 août 1997 sur
les faillites, rédigée dans la langue de la procédure ou, pour
les créanciers détenant une créance d’assurance et ayant
leur résidence habituelle, leur domicile ou leur siège statutaire
dans un autre État membre, dans une langue officielle dudit
État membre, porte, dans toutes les langues officielles de
l’Union européenne, le titre “Invitation à produire une créance
– Délais à respecter”.
Section II
Eléments de procédure et loi applicable
Art. 621
La procédure de faillite relative à une entreprise d’assu-
rance de droit belge est régie par le droit belge, sous réserve
des précisions et exceptions prévues par la présente loi.
Art. 622
§ 1er. Les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence
habituelle dans un autre État membre peuvent déclarer
leurs créances et présenter leurs observations dans une
langue officielle de cet État accompagnées de la mention
“Production de créances” ou “Présentation des observations
relatives aux créances” dans la langue de la procédure en
Belgique. L’article 63 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites est
d’application. Le privilège octroyé aux créances d’assurance
676
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
artikelen 643 en 644 aan schuld vorderingen uit hoofde van
verzekering verleende voorrang hoeft echter niet te worden
vermeld.
§ 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woon-
plaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen
dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als
soortgelijke schuldvorderingen die de schul deisers met
woonplaats of gewone verblijf plaats in België kunnen aange-
ven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke
schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd.
Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats
of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het
recht dat in dat land van toepassing is, niet in de mogelijk-
heid voorziet om een insolventie procedure te openen ten
aanzien van de betrokken verzekerings onderneming en de
in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren.
Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in
België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire
schuldeisers.
Art. 623
De curator of curators die zijn aangesteld overeenkomstig
artikel 11 van de faillissements wet van 8 augustus 1997 hou-
den de schuldeisers regelmatig op de hoogte van het verloop
van de procedure op de wijze die zij daartoe het meest ge-
schikt achten.
Op verzoek van de toezichthouders van de andere lidstaten
deelt de Bank hen informatie mee over het verloop van de
liquidatie procedure. De rechtbank van koophandel houdt de
Bank daartoe op de hoogte van het verloop van de procedure.
HOOFDSTUK III
Verzekeringsondernemingen die onder een derde land
ressorteren
Art. 624
Wanneer een verzekeringsonderneming die onder een
derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in an-
dere lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en
de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden
te coördineren.
conformément aux articles 643 et 644 ne doit toutefois pas
être mentionné.
§ 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile ou leur
résidence habituelle dans un autre État membre bénéficient
du même traitement et, en particulier, du même rang que les
créances de nature équivalente susceptibles d’être déclarées
par des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence
habituelle en Belgique. À cette fin, les créances présentées
par des créanciers de même nature sont considérées comme
des créances équivalentes.
L’alinéa 1er est également applicable en ce qui concerne
les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle
dans un pays tiers, pour autant que le droit applicable dans
cet État ne permette pas l’ouverture d’une procédure d’insol-
vabilité à l’encontre de l’entreprise d’assurance concernée
et que la procédure ouverte en Belgique puisse produire ses
effets dans cet État. Dans la négative, ces créanciers sont
assimilés à des créanciers chirographaires pour les besoins
de la procédure ouverte en Belgique.
Art. 623
Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de
la loi du 8 août 1997 sur les faillites informent régulièrement
les créanciers, dans la forme qu’ils jugent la plus appropriée,
du déroulement de la procédure.
À la demande des autorités de contrôle des autres États
membres, la Banque fournit des informations sur le dérou-
lement de la procédure de liquidation. À cette fin, le tribunal
de commerce tient la Banque informée de l’évolution de la
procédure.
CHAPITRE III
Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers
Art. 624
Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un
pays tiers possède des succursales en Belgique et dans
d’autres États membres, la Banque, ainsi que les autorités de
liquidation et les autorités de contrôle de ces États membres,
s’efforcent de coordonner leur action.
677
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL III
Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten
betreffende verzekeringsondernemingen die onder een
derde land ressorteren
Art. 625
Indien de vergunning van een onderneming die onder een
derde land ressorteert, wordt doorgehaald of herroepen of
indien deze onderneming zelf afstand doet van de vergun-
ning voor al haar verrichtingen in België, kan de Bank een
liquidateur benoemen met als opdracht alle activa van de
onderneming in België te gelde te maken en alle in België
aangegane verbintenissen af te wikkelen.
Onverminderd artikel 599 bepaalt de Koning op advies
van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van die
liquidateur.
De kosten van de vereffening zijn ten laste van de betrok-
ken onderneming.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing
wanneer er ten aanzien van de verzekeringsonderneming
die onder een derde land ressorteert, op het tijdstip van de
herroeping van de vergunning, in dat land een liquidatiepro-
cedure is geopend die op insolventie berust.
Art. 626
§ 1. Een beslissing tot vereffening die niet op insolventie be-
rust, van een verzekeringsonderneming die onder een derde
land ressorteert, kan maar erkend worden en uitvoerbaar
worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden
vervuld zijn;
1° het recht van het derde land dat de liquidatieprocedure
regelt, garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzeke-
ring die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben
gesloten, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers
uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de ver-
zekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten;
2° het recht dat de liquidatieprocedure regelt in het derde
land, kent aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering
die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben
gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin
de artikelen 643 en 644 voorzien.
§ 2. Artikel 625 is niet van toepassing wanneer een li-
quidatieprocedure die niet berust op insolvabiliteit van een
verzekeringsonderneming die onder een derde land ressor-
teert, in België wordt erkend en uitvoerbaar wordt verklaard
overeenkomstig paragraaf 1.
Art. 627
Wanneer een verzekeringsonderneming die onder een
derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in andere
TITRE III
Des procédures de liquidation non fondées sur
l’insolvabilité concernant des entreprises d’assurance
relevant du droit de pays tiers
Art. 625
Lorsqu’une entreprise relevant du droit de pays tiers
fait l’objet d’une radiation, d’une révocation d’agrément ou
renonce à l’agrément pour l’ensemble de ses opérations en
Belgique, la Banque peut nommer un liquidateur chargé de
réaliser tous les actifs de l’entreprise en Belgique et de liquider
tous les engagements contractés en Belgique.
Sans préjudice de l’article 599, le Roi détermine, sur avis
de la Banque, les pouvoirs et obligations d’un tel liquidateur.
Les frais de la liquidation sont à charge de l’entreprise
concernée.
Les dispositions du présent article ne sont pas applicables
lorsque l’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays
tiers fait l’objet d’une procédure de liquidation fondée sur
l’insolvabilité dans cet État au moment de la révocation de
l’agrément.
Art. 626
§ 1er. Une décision de liquidation non fondée sur l’insolva-
bilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays
tiers ne peut être reconnue et rendue exécutoire en Belgique
que si les conditions suivantes sont satisfaites:
1° le droit du pays tiers régissant la procédure de liquidation
assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat
auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent
à celui des créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat
auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers;
2° le droit régissant la procédure de liquidation dans le
pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant conclu
leur contrat auprès de la succursale belge une protection
similaire à celle prévue aux articles 643 et 644.
§ 2. L’article 625 n’est pas d’application lorsqu’une pro-
cédure de liquidation non fondée sur l’insolvabilité d’une
entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers est
reconnue et rendue exécutoire en Belgique conformément
au paragraphe 1er.
Art. 627
Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit de
pays tiers possède des succursales en Belgique et dans
678
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de
toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te
coördineren. Ook de eventuele liquidateurs beijveren zich
om hun optreden te coördineren.
TITEL IV
Vereffening van bijzondere vermogens
Art. 628
§ 1. Onverminderd artikel 631 en artikel 195, tweede lid,
wordt de behandeling van activa als bedoeld in artikel 194 dat
die bezwaard zijn met een zakelijk recht, bepaald door de
Belgische wet als lex fori concursus.
§ 2. Onverminderd artikel 632 wordt de behandeling van
activa als bedoeld in artikel 194 waarop een eigendoms-
voorbehoud rust, bepaald door de Belgische wet als lex fori
concursus.
§ 3. Onverminderd artikel 633 en de verplichting voor een
verzekeringsonderneming om voor de waardering van haar
activa als bedoeld in artikel 194, de schuldvorderingen op een
derde te ramen na aftrek van de schulden jegens die derde,
wordt de behandeling van dergelijke activa die het voorwerp
uitmaken van een wettelijke of contractuele schuldvergelijking,
bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel omvat de Belgische
wet haar bepalingen inzake materieel recht die voortvloeien
uit de omzetting van de Europese richtlijnen die de in de pa-
ragrafen 1 tot 3 bedoelde aangelegenheden regelen.
Art. 629
De samenstelling van de activa die op het tijdstip van de
beslissing tot opening van een liquidatieprocedure zijn inge-
schreven in de doorlopende inventaris overeenkomstig artikel
195, wordt daarna niet meer veranderd; in de doorlopende
inventaris worden geen wijzigingen aangebracht, behalve
voor de verbetering van zuiver materiële fouten, tenzij de
liquidatieautoriteiten daarvoor toestemming geven.
Onverminderd het eerste lid voegt de liquidateur aan de
genoemde activa de kapitaalopbrengst ervan toe, alsmede
het bedrag van het premie-incasso (zuivere premies) in het
betrokken afzonderlijk beheer voor de periode tussen het tijd-
stip van opening van de liquidatieprocedure en het tijdstip van
uitkering van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering,
of tot het tijdstip van portefeuilleoverdracht.
Indien de opbrengst van de te gelde gemaakte activa lager
is dan het bedrag waarvoor zij in de doorlopende inventaris
gewaardeerd zijn, dient de liquidateur die situatie te recht-
vaardigen bij de Bank.
d’autres États membres, la Banque, ainsi que les autorités de
liquidation et les autorités de contrôle de ces États membres,
s’efforcent de coordonner leur action. Les éventuels liquida-
teurs s’efforcent eux aussi de coordonner leur action.
TITRE IV
De la liquidation des patrimoines spéciaux
Art. 628
§ 1er. Sans préjudice de l’article 631 et de l’article 195,
alinéa 2, le sort d’un actif visé à l’article 194 faisant l’objet
d’un droit réel est déterminé conformément à la loi belge au
titre de lex fori concursus.
§ 2. Sans préjudice de l’article 632, le sort d’un actif visé
à l’article 194 faisant l’objet d’une clause de réserve de pro-
priété est déterminé conformément à la loi belge au titre de
lex fori concursus.
§ 3. Sans préjudice de l’article 633 et de l’obligation pour
une entreprise d’assurance d’évaluer les créances sur un
tiers déduction faite des dettes envers ce tiers pour la valori-
sation de ses actifs visés à l’article 194, le sort d’un tel actif
faisant l’objet d’une compensation légale ou conventionnelle
est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori
concursus.
§ 4. Pour les besoins du présent article, la loi belge inclut
ses dispositions de droit matériel découlant de la transposition
de directives européennes régissant les matières visées aux
paragraphes 1er à 3.
Art. 629
La composition des actifs inscrits dans l’inventaire per-
manent conformément à l’article 195, au moment de la
décision d’ouvrir la procédure de liquidation, ne peut plus,
dès ce moment, être modifiée; aucune modification ne peut
être apportée à l’inventaire permanent, exception faite de la
correction d’erreurs purement matérielles, sauf autorisation
des autorités de liquidation.
Nonobstant l’alinéa 1er, le liquidateur ajoute auxdits actifs
leur produit financier, ainsi que le montant des primes (primes
pures) encaissées dans la gestion distincte concernée pour
la période comprise entre l’ouverture de la procédure de
liquidation et le paiement des créances d’assurances ou
jusqu’au transfert de portefeuille.
Si le produit de la réalisation des actifs est inférieur à leur
évaluation telle qu’elle figure dans l’inventaire permanent, le
liquidateur est tenu d’en donner la justification à la Banque.
679
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL V
Gemeenschappelijke regels betreffende
saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures
HOOFDSTUK I
Uitzonderingen op en nuanceringen van de toepassing
van het Belgische recht als procedurerecht
Art. 630
In afwijking van de artikelen 610 en 621 worden de gevol-
gen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure
voor:
1° arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uit-
sluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de
arbeidsovereenkomst of -betrekking van toepassing is;
2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de
verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst
door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan
het onroerend goed gelegen is. Die wet geving bepaalt of het
goed roerend of onroerend is;
3° de rechten van de verzekeringsonderneming op een
onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderwor-
pen zijn aan inschrijving in een openbaar register, beheerst
door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het
register wordt bijgehouden;
4° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt
in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002 be-
treffende het toezicht op de financiële sector en de financiële
diensten, uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt
van toepassing is;
5° aanhangige rechtsgedingen betreffende een goed of
recht waarover de verzekeringsonderneming het beheer en
de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het
recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Op advies van de Bank kan de Koning de in het eerste lid,
4° bedoelde regel uitbreiden tot transacties op markten voor
financiële instrumenten die georganiseerd zijn met toepassing
van artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002.
Art. 631
§ 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening
van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk
recht van een schuldeiser of van een derde op materiële
of immateriële, roerende of onroerende goederen – zowel
bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen
met wisselende samenstelling – die toebehoren aan de ver-
zekeringsonderneming en die zich op het tijdstip waarop deze
maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt ge-
opend, op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.
TITRE V
Des règles communes aux mesures d’assainissement et
aux procédures de liquidation
CHAPITRE IER
Exceptions et tempéraments à l’application de la loi
belge comme loi de la procédure
Art. 630
Par dérogation aux articles 610 et 621, les effets d’une me-
sure d’assainissement ou d’une procédure de liquidation sur:
1° les contrats de travail et les relations de travail sont
exclusivement régis par la loi de l’État membre applicable
au contrat ou à la relation de travail;
2° le contrat donnant le droit de jouir d’un bien immobilier
ou de l’acquérir est exclusivement régi par la loi de l’État
membre sur le territoire duquel cet immeuble est situé. Cette
loi détermine si le bien est meuble ou immeuble;
3° les droits de l’entreprise d’assurance sur un bien immo-
bilier, un navire ou un aéronef, qui sont soumis à inscription
dans un registre public, sont régis par la loi de l’État membre
sous l’autorité duquel le registre est tenu;
4° les transactions effectuées dans le cadre d’un marché
réglementé étranger au sens de l’article 2, 6°, de la loi du
2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et
aux services financiers sont régis exclusivement par la loi
applicable audit marché;
5° une instance en cours concernant un actif ou un droit
dont l’entreprise d’assurance est dessaisie sont régis exclu-
sivement par le droit de l’État membre dans lequel l’instance
est en cours.
Le Roi peut, sur avis de la Banque, étendre la règle visée au
l’alinéa 1er, 4°, à des transactions effectuées sur des marchés
d’instruments financiers organisés en application de l’article
15 de la loi du 2 août 2002.
Art. 631
§ 1er. La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement
ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas le
droit réel d’un créancier ou d’un tiers sur des biens corporels
ou incorporels, meubles ou immeubles – à la fois des biens
déterminés et des ensembles de biens indéterminés dont
la composition est sujette à modification – appartenant à
l’entreprise d’assurance et qui se trouvent, au moment de
la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une
procédure, sur le territoire d’un autre État membre.
680
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
§ 2. Onder “rechten” in de zin van paragraaf 1 wordt met
name verstaan:
1° het recht een goed te gelde te maken of te gelde te
laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of
de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van een
pand of een hypotheek;
2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, met
name door middel van een pandrecht op de schuldvordering
of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid;
3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave
ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de
rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te
trekken.
§ 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een
openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een
zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan
worden tegengeworpen.
Art. 632
Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van
een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonderne-
ming die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbe-
houd berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer
dat goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden
getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het
grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar
de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt
geopend.
Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van
een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonder-
neming die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de
levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is
geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop
en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed
te verkrijgen wanneer dit goed zich, op het tijdstip waarop
de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt ge-
opend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat
dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de
procedure wordt geopend.
Art. 633
Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van
een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser
op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van
de verzekeringsonderneming onverlet wanneer die schuldver-
gelijking is toegestaan door het recht dat op de vordering van
de verzekeringsonderneming van toepassing is.
§ 2. Les droits visés au paragraphe 1er sont notamment:
1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et d’être
désintéressé par le produit ou les revenus de ce bien, en
particulier en vertu d’un gage ou d’une hypothèque;
2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notamment
en vertu de la mise en gage ou de la cession de cette créance
à titre de garantie;
3° le droit de revendiquer le bien et/ou d’en réclamer la
restitution entre les mains de quiconque le détient ou en jouit
contre la volonté de l’ayant droit;
4° le droit réel de percevoir les fruits d’un bien.
§ 3. Est assimilé à un droit réel le droit, inscrit dans un
registre public et opposable aux tiers, permettant d’obtenir
un droit réel au sens du paragraphe 1er.
Art. 632
La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou
l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une
entreprise d’assurance achetant un bien n’affecte pas les
droits du vendeur fondés sur une réserve de propriété lorsque
ce bien se trouve, au moment de la mise en œuvre de telles
mesures ou de l’ouverture d’une telle procédure, sur le
territoire d’un État membre autre que l’État dans lequel de
telles mesures sont mises en œuvre ou dans lequel une telle
procédure est ouverte.
La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou
l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une
entreprise d’assurance ayant la qualité de vendeur, après la
livraison du bien faisant l’objet de la vente, ne constitue pas
une cause de résolution ou de résiliation de la vente et ne
fait pas obstacle à l’acquisition par l’acheteur de la propriété
du bien vendu, lorsque ce bien se trouve au moment de la
mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une telle
procédure sur le territoire d’un État membre autre que l’État
dans lequel de telles mesures sont mises en œuvre ou dans
lequel une telle procédure est ouverte.
Art. 633
La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou
l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas le droit
d’un créancier d’invoquer la compensation de sa créance
avec la créance de l’entreprise d’assurance, lorsque cette
compensation est permise par la loi applicable à la créance
de l’entreprise d’assurance.
681
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 634
Onverminderd artikel 630, eerste lid, 1° tot 3°, en onder
voorbehoud van artikel 635, doen de artikelen 631, § 1, 632 en
633 geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 17 tot
20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997.
Artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek en de artike-
len 17 tot 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 zijn
niet van toepassing wanneer de begunstigde van een rechts-
handeling als bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs
levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht
van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht
in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshande-
ling te betwisten.
Art. 635
In afwijking van artikel 517, § 1, 1° en 4° en artikel 16 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997, en niettegenstaande
de artikelen 17 tot 20 van laatstgenoemde wet, indien de
verzekerings onderneming na het treffen van een sanerings-
maatregel of na de opening van een faillissementsprocedure,
onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een
schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving
in een openbaar register, dan wel over financiële instrumen-
ten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving
veronderstelt in een wettelijk voorgeschreven register of op
een wettelijk voorgeschreven rekening, of die geplaatst zijn
in een gecentraliseerd effectendepot dat door het recht van
een lidstaat wordt beheerst, wordt de nietigheid of de niet-
tegen werpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond
van het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan dat
onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat
register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden.
HOOFDSTUK II
Informatieverstrekking
Art. 636
Onverminderd de artikelen 610 en 615, wanneer de
toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een
verzekerings onderneming de Bank in kennis stellen van
hun beslissing tot opening van een liquidatie procedure of tot
vaststelling van een sanerings maatregel, stelt de Bank de
FSMA hiervan in kennis. De Bank en de FSMA kunnen een
bericht laten publiceren in het Belgisch Staatsblad en in twee
dagbladen of periodieke uitgaven met regionale spreiding.
Dat bericht bevat minstens een uittreksel uit die beslis-
sing en vermeldt de autoriteiten die bevoegd zijn om een
saneringsmaatregel te treffen of een liquidatieprocedure te
openen, het recht dat deze maatregelen of procedures be-
heerst en, naargelang het geval, de aangewezen liquidateur of
saneringscommissaris, en wordt bekendgemaakt in minstens
één van de officiële talen in België.
Art. 634
Sans préjudice de l’article 630, alinéa 1er, 1° à 3°, et sous
réserve de l’article 635, les articles 631, § 1er, 632 et 633 ne
font pas obstacle à l’application des articles 17 à 20 de la loi
du 8 août 1997 sur les faillites.
L’article 1167 du Code civil et les articles 17 à 20 de la loi
du 8 août 1997 sur les faillites ne sont pas applicables lorsque
le bénéficiaire d’un acte visé auxdites dispositions apporte la
preuve que l’acte est soumis à la loi d’un État membre autre
que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l’espèce, aucun
moyen de remettre en cause cet acte.
Art. 635
Par dérogation à l’article 517, § 1er, 1° et 4° et à l’article
16 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, et nonobstant les
articles 17 à 20 de cette dernière loi, si l’entreprise d’assu-
rance dispose à titre onéreux, après l’adoption d’une mesure
d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite,
d’un bien immobilier, d’un navire ou d’un aéronef soumis à
inscription dans un registre public ou d’instruments financiers
dont l’existence ou le transfert suppose une inscription dans
un registre légalement prescrit ou sur un compte légalement
prescrit ou qui sont placés dans un système de dépôts cen-
tralisé régi par la loi d’un État membre, la nullité ou l’inoppo-
sabilité de cet acte est appréciée au regard de la loi de l’État
membre sur le territoire duquel le bien immobilier est situé, ou
sous l’autorité duquel ce registre, ce compte ou ce système
de dépôt est tenu.
CHAPITRE II
Information
Art. 636
Sans préjudice des articles 610 et 615, lorsque les autori-
tés de contrôle de l’État membre d’origine d’une entreprise
d’assurance informent la Banque de la décision d’ouvrir une
procédure de liquidation ou d’adopter une mesure d’assai-
nissement, la Banque en informe la FSMA. La Banque et la
FSMA peuvent faire publier un avis au Moniteur belge et dans
deux quotidiens ou périodiques à diffusion régionale.
Cet avis contient au moins un extrait de cette décision
et mentionne les autorités compétentes pour adopter une
mesure d’assainissement ou ouvrir une procédure de liqui-
dation, la loi régissant ces mesures ou procédures et, selon
le cas, le liquidateur ou le commissaire à l’assainissement
désigné, et est publié au moins dans une des langues offi-
cielles en Belgique.
682
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK III
Saneringscommissarissen en liquidateurs
Afdeling I
Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Art. 637
De benoeming van een saneringscommissaris of van een
liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt
aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift
van de beslissing tot benoeming of van ieder ander door die
autoriteit opgesteld attest.
Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt
verlangd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van
het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van
de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris
of de liquidateur wil optreden.
Art. 638
§ 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die
aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kun-
nen in België alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd
zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat.
Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, over-
eenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of
te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een sanerings-
maatregel of een liquidatieprocedure.
§ 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België
leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen
en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat
betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt
en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden
mogen noch de aanwending van dwangmiddelen behelzen,
noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissaris-
sen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank als bedoeld in
artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van
een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering
van het handelsregister, tot oprichting van erkende onderne-
mingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van
de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe
is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat
ze worden ingeschreven.
CHAPITRE III
Commissaires à l’assainissement et liquidateurs
Section Ire
Réception des mesures et procédures étrangères
Art. 637
La nomination d’un commissaire à l’assainissement ou
d’un liquidateur par une autorité d’un autre État membre est
établie par la présentation d’une copie certifiée conforme
à l’original de la décision qui le nomme ou par toute autre
attestation établie par cette autorité.
Sans qu’aucune légalisation ou formalité analogue ne soit
exigée, il sera néanmoins établi une traduction du document
visé à l’alinéa 1er dans la langue ou une des langues de la
région linguistique sur le territoire de laquelle le commissaire
à l’assainissement ou le liquidateur veut agir.
Art. 638
§ 1er. Les commissaires à l’assainissement et les liqui-
dateurs désignés par une autorité d’un autre État membre
peuvent exercer en Belgique tous les pouvoirs qu’ils sont
habilités à exercer sur le territoire de cet autre État.
Il en va de même en ce qui concerne les personnes qu’ils
auraient désignées, conformé ment à la loi de cet État, en
vue de les assister ou de les représenter dans le déroule-
ment d’une mesure d’assainissement ou d’une procédure
de liquidation.
§ 2. Dans l’exercice de leurs pouvoirs en Belgique, les
commissaires à l’assainissement et les liquidateurs visés au
paragraphe 1er respectent la législation belge, en particulier
en ce qui concerne les modalités de réalisation de biens ainsi
que l’information des travailleurs. Leurs pouvoirs ne peuvent
inclure le recours à la force ni le droit de statuer sur un litige
ou un différend.
§ 3. Les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs
visés au paragraphe 1er communiquent à la Banque-Carrefour
visée à l’article 3 de la loi du 16 janvier 2003 portant création
d’une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du
registre de commerce, création de guichet-entreprises agréés
et portant diverses dispositions, les mesures d’assainis-
sement et les procédures de liquidation décidées par une
autorité d’un autre État membre en vue de leur inscription.
683
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Afdeling II
Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Art. 639
De curator of curators die aangesteld is of zijn overeenkom-
stig artikel 11 van de faillisse ments wet van 8 augustus 1997 ne-
men alle nodige maatregelen om de inschrijving van een
liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere
lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht
gesteld is, te waarborgen.
De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een
openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd
als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de
inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het
eerste lid bedoelde personen.
BOEK VII
MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN
LIQUIDATIEPROCEDURES
TITEL I
Bijzondere regels in geval van een faillissementsprocedure
Art. 640
§ 1. Behalve wanneer een mededeling als bedoeld in
artikel 549, eerste lid wordt verricht, kan de opening van een
faillissementsprocedure of een voorlopige ontneming van
beheer in de zin van artikel 8 van de faillissementswet van
8 augustus 1997 tegen een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming enkel worden uitgesproken na eensluidend
advies van de Bank.
§ 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank
gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter
informatie gevoegd.
De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na
de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een pro-
cedure betrekking heeft op een verzekerings- of herverze-
keringsonderneming waarvan de Bank vermoedt dat er zich
belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van
het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie
met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over
een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien
verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen
mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik
moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter
kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet
doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies
uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke
instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies
verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de rechtbank
uitspraak doen.
Section II
Commissaires à l’assainissement et liquidateurs belges
Art. 639
Le ou les curateurs désignés conformément à l’article
11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites prennent toutes les
mesures nécessaires en vue d’assurer une inscription d’une
procédure de liquidation dans un registre public d’un autre
État membre lorsque cette inscription est rendue obligatoire
en vertu de la législation de cet État.
Les frais découlant d’une inscription dans un registre public
d’un autre État membre sont considérés comme des frais de la
procédure, que l’inscription soit obligatoire ou qu’elle résulte
de l’initiative des personnes visées à l’alinéa 1er.
LIVRE VII
DES ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES PROCÉDURES
DE LIQUIDATION
TITRE IER
Des règles particulières en cas de procédure de faillite
Art. 640
§ 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de communication
effectuée en application de l’article 549, alinéa 1er, l’ouverture
d’une procédure de faillite ou un dessaisissement provisoire
au sens de l’article 8 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites
à l’encontre d’une entreprise d’assurance ou de réassurance
ne peut être prononcé que sur avis conforme de la Banque.
§ 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompa-
gnée des pièces nécessaires à son information.
La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à
compter de la réception de la demande d’avis. La Banque
peut, dans le cas d’une procédure relative à une entreprise
d’assurance ou de réassurance susceptible de présenter,
selon son appréciation, des implications systémiques impor-
tantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec
des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus
long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder
trente jours. Lorsqu’elle estime devoir faire usage de ce délai
exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à
statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son
avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer.
En l’absence de réponse de la Banque dans le délai imparti,
le tribunal peut statuer.
684
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door
ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het door-
geeft aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel en
aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd
aan het dossier.
Art. 641
De curator of curators bedoeld in artikel 27 van de faillis-
sementswet van 8 augustus 1997, evenals de personen die als
curator zijn toegevoegd met toepassing van het voornoemde
artikel 27, vierde lid, worden aangewezen op advies van de
Bank.
TITEL II
Bijzondere regels in geval van een liquidatieprocedure
in de zin van artikel 183 van het Wetboek van
Vennootschappen
Art. 642
§ 1. Behalve in geval van ontbinding van rechtswege met
toepassing van artikel 542, is voor de ontbinding van een
verzekerings- of herverzekerings onderneming, ongeacht of
deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt en de daaropvolgende
vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen,
het eensluidend advies van de Bank vereist.
Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van
Vennootschappen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbin-
ding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
richt de rechtbank van koophandel een verzoek om advies
aan de Bank volgens de procedure van artikel 640, § 2.
§ 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding of ontbinding
met toepassing van artikel 542 van de verzekerings- of herver-
zekeringsonderneming, kan de liquidateur, die aangewezen
wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts
worden benoemd met goedkeuring van de Bank.
Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing
zijn op de handels vennootschappen en onverminderd artikel
545, bepaalt de Koning op advies van de Bank de bevoegd-
heden en verplichtingen van de liquidateur, in het bijzonder
wat de vereffening betreft van de schuldvorderingen uit hoofde
van verzekering. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan
verzoeken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit
eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht.
§ 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle andere lid-
staten en, indien het om een verzekeringsonderneming gaat,
de FSMA, onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede
van de mogelijke concrete gevolgen ervan.
L’avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen
au greffier, qui le remet au président du tribunal de commerce
et au procureur du Roi. L’avis est versé au dossier.
Art. 641
Le ou les curateurs visés à l’article 27 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites, ainsi que les personnes adjointes
en application dudit article 27, alinéa 4, sont désignés sur
avis de la Banque.
TITRE II
Des règles particulières en cas de procédure de
liquidation au sens de l’article 183 du Code des sociétés
Art. 642
§ 1er. Sauf en ce qui concerne les dissolutions de plein
droit en application de l’article 542, toutes dissolutions d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance, qu’elles soient
volontaires ou judicaires, et la liquidation au sens du Code
des sociétés qui s’ensuit, requièrent l’avis conforme de la
Banque. .
Avant qu’il ne soit statué sur une cause de dissolution
judiciaire prévue par le Code des sociétés à l’égard d’une
entreprise d’assurance ou de réassurance, le tribunal de
commerce saisit la Banque d’une demande d’avis selon la
procédure prévue à l’article 640, § 2.
§ 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire ou de
dissolution en application de l’article 542 de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance, le liquidateur, qui est désigné
conformément aux règles statutaires ou légales, ne peut être
nommé qu’avec l’approbation de la Banque.
Sans préjudice des dispositions légales applicables aux
sociétés commerciales et de l’article 545, le Roi détermine, sur
avis de la Banque les pouvoirs et les obligations du liquidateur,
spécialement en ce qui concerne la liquidation des créances
d’assurance. En tout état de cause, le liquidateur est tenu
de répondre aux demandes d’information que lui adresse la
Banque et doit, en outre, informer d’initiative la Banque de
l’évolution de sa mission.
§ 3. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle
de tous les autres États membres et, s’agissant d’une entre-
prise d’assurance, la FSMA, de toute dissolution ainsi que
de ses effets concrets possibles.
685
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL III
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de
verschillende liquidatieprocedures en andere gevallen van
samenloop
Art. 643
De gezamenlijke activa als bedoeld in artikel 194 vormen
per afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230 een bij-
zonder vermogen dat is voorbehouden ter nakoming van de
verbintenissen tegenover de verzekeringnemers, verzekerden
of verzekeringsbegunstigden die onder dat beheer vallen, bij
absolute voorrang ten opzichte van alle andere schuldvorde-
ringen op de verzekeringsonderneming
Het bijzonder vermogen van elk afzonderlijk beheer bestaat
uit de inhoud van de bij artikel 195 voorgeschreven doorlo-
pende inventaris.
Art. 644
Elke vereffening van bijzondere vermogens moet rekening
houden met de rechten van de schuldeisers uit hoofde van
verzekering, met de in het tweede lid bedoelde schuldeisers
en met de gelijkheid van alle schuldeisers van eenzelfde rang.
In afwijking van artikel 643, eerste lid, mag de liquidateur
op ieder bijzonder vermogen voorafneming doen van zijn
bezoldiging en die van zijn personeel en van alle andere
vereffeningskosten, voor zover deze kosten de vereffening
van dit vermogen ten goede komen.
Indien er na de vereffening van een bijzonder vermogen
een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld over de
andere bijzondere vermogens naar rato van de tekorten van
die bijzondere vermogens.
Indien er na de vereffening van alle bijzondere vermogens
nog een beschikbaar saldo overblijft, wordt dit toegewezen
aan de massa van de schuldeisers.
Indien de bijzondere vermogens ontoereikend zijn om de
schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig schadeloos
te stellen, behouden dezen voor het overige een bevoorrechte
schuldvordering op de onderneming. Dit voorrecht is alge-
meen; de bijzondere voorrechten en de algemene voorrechten
van werknemers, van de Schatkist en van socialezekerheids-
instellingen en sociale verzekeraars, evenals de uitoefening
van zakelijke rechten gaan erboven.
TITRE III
Dispositions communes aux différentes procédures de
liquidation et autres situations de concours
Art. 643
L’ensemble des actifs visés à l’article 194 forme, par ges-
tions distinctes visées à l’article 230, un patrimoine spécial
réservé à l’exécution des engagements envers les preneurs
d’assurance, assurés ou bénéficiaires d’assurances relevant
de cette gestion, par priorité absolue par rapport à toutes
autres créances sur l’entreprise d’assurance.
Le patrimoine spécial de chaque gestion distincte est
constitué par le contenu de l’inventaire permanent prescrit
par l’article 195.
Art. 644
Toute liquidation de patrimoines spéciaux doit être faite
en tenant compte des droits des créanciers détenant une
créance d’assurance et des créanciers visés à l’alinéa 2 en
respectant l’égalité entre tous les créanciers de même rang.
Par dérogation à l’article 643, alinéa 1er, le liquidateur peut
prélever sur chaque patrimoine spécial sa rémunération, celle
de son personnel et tous les autres frais de liquidation dans
la mesure où ils ont profité à la liquidation de ce patrimoine.
Si la liquidation d’un patrimoine spécial laisse un solde
positif, ce solde est partagé entre les autres patrimoines
spéciaux, au prorata des déficits de ces patrimoines spéciaux.
Si après la liquidation de tous les patrimoines spéciaux, il
subsiste encore un solde disponible, celui-ci est attribué à la
masse des créanciers.
En cas d’insuffisance des patrimoines spéciaux pour
désintéresser totalement les créanciers détenant une créance
d’assurance, ceux-ci conservent pour le surplus une créance
privilégiée contre l’entreprise. Ce privilège est général; il
est primé par les privilèges spéciaux ainsi que par les pri-
vilèges généraux des travailleurs salariés, du Trésor et des
organismes et assureurs sociaux, ainsi que par l’exercice
de droits réels.
686
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
BOEK VI
SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN
OPHEFFINGSBEPALINGEN
TITEL I
Overgangsbepalingen
Art. 645
De verzekeringsondernemingen die op de datum van
inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van
de verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 4 van
de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke-
ringsondernemingen, verkrijgen voor de toepassing van deze
wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid.
De verzekeringsondernemingen die onder een lidstaat
ressorteren en die opgenomen zijn in de lijsten bedoeld in
artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen, worden van rechtswege
opgenomen, naargelang van het geval, in de lijst bedoeld in
artikel 555 of 561.
Art. 646
§ 1. De verzekerings ondernemingen bedoeld in artikel
275 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwer-
kingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen in
de lijst bedoeld in artikel 275, § 2, vijfde lid.
Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier
maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de
Bank de in artikel 275, § 2 bedoelde inschrijvings aanvraag
te richten.
§ 2. De in artikel 276 bedoelde verzekeringsondernemingen
beschikken over een termijn van een jaar te rekenen vanaf
de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de be-
palingen van de artikelen 276 tot 293.
§ 3. De lokale verzekeringsondernemingen bedoeld in
artikel 294 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van
inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen
in de lijst bedoeld in artikel 296.
Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier
maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan
de Bank de in artikel 296 bedoelde inschrijvingsaanvraag
te richten.
Art. 647
§ 1. De koninklijk besluiten, de reglementen van de Bank
en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter
uitvoering van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen zijn vastgesteld, blijven van
toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voor-
zien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die
LIVRE VI
DISPOSITIONS FINALES, MODIFICATIVES,
TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES
TITRE IER
Dispositions transitoires
Art. 645
Les entreprises d’assurance inscrites, à la date d’entrée
en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises d’assu-
rances visée à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances sont de plein droit
agréées, en cette qualité, pour l’application de la présente loi.
Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un État
membre enregistrées sur les listes visés à l’article 66 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances sont, de plein droit, enregistrées, selon les cas, sur la
liste prévue à l’article 555 ou 561.
Art. 646
§ 1er. Les entreprises d’assurance visées à l’article 275 qui
exerçaient leurs activités à la date d’entrée en vigueur de la
présente loi sont provisoirement inscrites à la liste visée à
l’article 275, § 2, alinéa 5.
Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois à
dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour adresser à
la Banque la demande d’inscription visée à l’article 275, § 2.
§ 2. Les entreprises d’assurance visées à l’article 276 bé-
néficient d’un délai d’un an à dater de l’entrée en vigueur
de la présente loi, pour se conformer aux dispositions des
articles 276 à 293.
§ 3. Les entreprises locales d’assurance visées à l’ar-
ticle 294 qui exerçaient leurs activités à la date d’entrée en
vigueur de la présente loi sont provisoirement inscrites à la
liste visée à l’article 296.
Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois à
dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour adresser
à la Banque la demande d’inscription visée à l’article 296.
Art. 647
§ 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque
ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés
en exécution de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances demeurent applicables dans
la mesure où les dispositions de la présente loi prévoient les
habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires
687
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
nodig zijn voor deze reglementaire handelingen zijn en dat
hun inhoud niet in strijd is met deze wet.
§ 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn
verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die
eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen of van
de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn
vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet
worden herroepen of gewijzigd.
Art. 648
De herverzekeringsondernemingen die op de datum van in-
werkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de
herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 11 van
de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf,
verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege
een vergunning in die hoedanigheid.
Art. 649
De verzekeringsondernemingen die op de datum van
inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst
van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in arti-
kel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen en die op diezelfde datum een
herverzekeringsactiviteit uitoefenden, verkrijgen voor de
toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning als
herverzekeringsonderneming.
Art. 650
§ 1. De koninklijke besluiten, de reglementen van de Bank
en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter
uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverze-
keringsbedrijf zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de
mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene
of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze
reglementaire handelingen en dat hun inhoud niet in strijd is
met deze wet.
§ 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank
zijn verleend en alle handelingen met individuele draag-
wijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf of van de
reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vast-
gesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet
worden herroepen of gewijzigd.
Art. 651
In afwijking van artikel 40, § 1, eerste lid, mogen de
rechtspersonen die op 7 mei 2014 een functie uitoefenden
van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzeke-
rings- of herverzekeringsonderneming, hun lopend mandaat
blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot het verstrijken van de
in dit artikel bedoelde mandaten is artikel 40, § 1, tweede
à ces actes réglementaires et que leur contenu n’est pas
contraire à la présente loi.
§ 2. Les autorisations et dérogations données par la
Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adoptés
antérieurement sur base de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances ou des actes régle-
mentaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur,
sauf leur révocation ou modification décidée conformément
à la présente loi.
Art. 648
Les entreprises de réassurance inscrites, à la date d’entrée
en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises de réas-
surances visée à l’article 11 de la loi du 16 février 2009 relative
à la réassurance sont de plein droit agréées, en cette qualité,
pour l’application de la présente loi.
Art. 649
Les entreprises d’assurance inscrites, à la date d’entrée
en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises d’assu-
rances visée à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances et qui, à cette même
date, exerçaient une activité de réassurance, sont de plein
droit agréées en qualité d’entreprise de réassurance pour
l’application de la présente loi.
Art. 650
§ 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi
que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en
exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance
demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de
la présente loi prévoient les habilitations juridiques, générales
ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires et que
leur contenu n’est pas contraire à la présente loi.
§ 2. Les autorisations et dérogations données par la
Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adoptés
antérieurement sur base de la loi du 16 février 2009 relative
à la réassurance ou des actes réglementaires adoptés pour
son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou
modification décidée conformément à la présente loi.
Art. 651
Par dérogation à l’article 40, § 1er, alinéa 1er, les personnes
morales qui, au 7 mai 2014, exerçaient une fonction de
membre de l’organe légal d’administration d’une entreprise
d’assurance ou de réassurance sont autorisées à poursuivre
l’exercice de leur mandat en cours jusqu’à l’expiration de
celui-ci. Jusqu’à l’expiration des mandats visés par le présent
688
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
lid van toepassing op de vaste vertegenwoordiger van de
rechtspersoon.
Art. 652
§ 1. In afwijking van de artikelen 48, 50 en 51 beschikken
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen over een
termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze
wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een
remuneratiecomité en een risicocomité.
§ 2. In afwijking van artikel 56 beschikken de verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes
maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te
voldoen aan de verplichting tot oprichting van een risicobe-
heerfunctie in overeenstemming met het genoemde artikel 56.
§ 3. De leningen, kredieten, waarborgen of verzekerings-
overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze wet
zijn verstrekt en die niet in overeenstemming zijn met het
bepaalde in artikel 93, moeten uiterlijk op 30 juni 2016 worden
beëindigd.
Art. 653
In afwijking van artikel 96, § 4 hoeft de kapitaalopslagfactor
of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings-
of herverzekeringsonderneming krachtens artikel 166 moet
hanteren, niet apart bekendgemaakt te worden gedurende
een overgangsperiode die op 31 december 2020 verstrijkt, ook
al wordt het totale solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in
artikel 96, § 1, 5°, b) bekendgemaakt.
Art. 654
§ 1. Tot 31 december 2017 passen de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen de in artikel 189, § 3 be-
doelde percentages uitsluitend toe op het solvabiliteitskapi-
taalvereiste van de onderneming als berekend volgens de
standaardformule bedoeld in de artikelen 153 tot 166.
§ 2. In afwijking van de artikelen 511 en 541 beschikken
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die op
31 december 2015 voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge
die door of krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen of door of krachtens
de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf is
vastgelegd, en die op de datum van inwerkingtreding van deze
wet niet over voldoende in aanmerking komend kernvermogen
ter dekking van het minimumkapitaalvereiste beschikken, over
een termijn die eindigt op 31 december 2016 om te voldoen
aan artikel 75.
Indien een onderneming bij het verstrijken van de in het
eerste lid genoemde termijn niet over voldoende in aanmer-
king komend kernvermogen ter dekking van het minimumka-
pitaalvereiste beschikt, wordt haar vergunning met toepassing
van artikel 517, § 1, 8° ingetrokken.
article, l’article 40, § 1er, alinéa 2 est applicable au représen-
tant permanent de la personne morale.
Art. 652
§ 1er. Par dérogation aux articles 48, 50, 51, les entreprises
d’assurance ou de réassurance bénéficient d’un délai de
six mois à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi
pour satisfaire à l’obligation de mettre en place un comité de
rémunération et un comité des risques.
§ 2. Par dérogation à l’article 56, les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance bénéficient d’un délai de six mois à
compter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satis-
faire à l’obligation de mettre en place une fonction de gestion
des risques en conformité avec ledit article 56.
§ 3. Les prêts, crédits, garanties ou contrats d’assurance
accordés avant l’entrée en vigueur de la présente loi et qui ne
sont pas conformes au prescrit de l’article 93, doivent prendre
fin au plus tard le 30 juin 2016.
Art. 653
Par dérogation à l’article 96, § 4, même si l’ensemble du
capital de solvabilité requis visé à l’article 96, § 1er, 5°, b), est
publié, l’exigence de capital supplémentaire ou l’effet des
paramètres spécifiques que l’entreprise d’assurance ou de
réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166 n’ont
pas à faire l’objet d’une divulgation séparée pendant une
période transitoire se terminant le 31 décembre 2020.
Art. 654
§ 1er. Jusqu’au 31 décembre 2017, les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance appliquent les pourcentages visés à
l’article 189, § 3 exclusivement au capital de solvabilité requis
de l’entreprise calculé selon la formule standard prévue aux
articles 153 à 166.
§ 2. Par dérogation aux articles 511 et 541, les entreprises
d’assurance ou de réassurance qui, au 31 décembre 2015,
respectaient les exigences de marge de solvabilité prévues
par ou en vertu de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances ou par ou en vertu de la loi
du 16 février 2009 relative à la réassurance et qui, à la date
d’entrée en vigueur de la présente loi, ne disposent pas
d’un montant suffisant de fonds propres de base éligibles
pour couvrir le minimum de capital requis, disposent d’un
délai se terminant le 31 décembre 2016 pour se conformer
à l’article 75.
Les entreprises qui, à l’expiration du délai prévu à l’ali-
néa 1er, ne disposent pas d’un montant suffisant de fonds
propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capi-
tal requis se voient retirer leur agrément en application de
l’article 517, § 1er, 8°.
689
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 655
Zolang de maximale referentierentevoeten voor levensver-
zekeringsverrichtingen niet zijn vastgesteld met toepassing
van artikel 216, blijven de met toepassing van artikel 19,
§§ 2 en 3 van de wet van juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen of artikel 24 van het koninklijk
besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzeke-
ringsactiviteit vastgestelde maximale correlatieve rentevoeten
van toepassing.
Art. 656
In afwijking van artikel 224, tweede lid, maar onvermin-
derd de artikelen 224, derde lid en 225 tot 229, mogen de in
artikel 223 bedoelde ondernemingen die eveneens herver-
zekeringsactiviteiten “leven” en “niet-leven” uitoefenen, tot
31 december 2019, al deze herverzekeringsactiviteiten samen
beheren met hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten, hetzij
hun niet-levensverzekeringsactiviteiten.
De Bank trekt het voordeel van de toepassing van het eer-
ste lid in wanneer de verzekeringsonderneming niet voldoet
aan de vereisten van artikel 224, derde lid.
Art. 657
De onderlinge verzekeringsverenigingen als bedoeld in arti-
kel 244 gaan uiterlijk op 31 december 2017 over tot de formele
aanpassing van hun statuten en verzekeringsovereenkomsten
en van alle voor het publiek bestemde documenten, voor wat
de vermelding van hun rechtsvorm betreft.
Art. 658
In afwijking van artikel 538, §§ 1, 2, 3 en 5 en van arti-
kel 545, zijn de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen die op 1 januari 2016, zonder in vereffening te zijn in de
zin van de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van
Vennootschappen, het sluiten van nieuwe overeenkomsten
hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille
beheren met het oog op de beëindiging van hun activiteit,
zijn vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van
Boek II van deze wet indien aan alle volgende voorwaarden
is voldaan:
1° de onderneming heeft de Bank ervan verzekerd dat zij
haar lopende activiteiten tegen 1 januari 2019 zal beëindigen
of zij is onderworpen aan saneringsmaatregelen en er is met
toepassing van artikel 517, § 1, 2° een voorlopige bewind-
voerder aangewezen;
2° de onderneming maakt geen deel uit van een groep,
tenzij alle ondernemingen van de groep hun activiteiten
hebben beëindigd overeenkomstig dit artikel of de nationale
bepalingen tot omzetting van artikel 308ter, leden 1 tot 3 van
Richtlijn 2009/138/EG;
Art. 655
Tant que les taux maximums de référence des opéra-
tions d’assurance vie n’ont pas été fixés en application de
l’article 216, les taux maximums corrélatifs fixés en application
de l’article 19, §§ 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances ou de l’article 24 de
l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assu-
rance sur la vie, restent d’application.
Art. 656
Par dérogation à l’article 224, alinéa 2 mais sans préjudice
des articles 224, alinéa 3 et 225 à 229, les entreprises visées
à l’article 223 qui exercent également des activités de réas-
surance vie et non-vie peuvent, jusqu’au 31 décembre 2019,
gérer l’ensemble de ces activités de réassurance de manière
conjointe avec soit leurs activités d’assurance vie, soit leurs
activités d’assurance non-vie.
La Banque retire le bénéfice de l’alinéa 1er à l’entreprise
d’assurance qui ne respecte pas les exigences prévues à
l’article 224, alinéa 3.
Art. 657
Les associations d’assurance mutuelle visées à l’ar-
ticle 244 adaptent formellement, pour le 31 décembre 2017,
leurs statuts, contrats d’assurance et tous documents à
destination du public, en ce qui concerne l’indication de leur
forme juridique.
Art. 658
Par dérogation aux articles 538, §§ 1er, 2, 3 et 5 et 545, les
entreprises d’assurance ou de réassurance qui, au 1er jan-
vier 2016, sans être en liquidation au sens des articles 183 et
suivants du Code des sociétés, ont cessé de souscrire de
nouveaux contrats et se contentent d’administrer leur porte-
feuille existant en vue de mettre un terme à leur activité sont
dispensées des dispositions du Livre II de la présente loi si
toutes les conditions suivantes sont remplies:
1° l’entreprise s’est engagée auprès de la Banque à mettre
fin aux activités en cours pour le 1er janvier 2019 ou elle fait
l’objet de mesures d’assainissement et qu’un administrateur
provisoire a été désigné en application de l’article 517, § 1er, 2°;
2° l’entreprise ne fait pas partie d’un groupe à moins que
toutes les entreprises du groupe n’aient cessé leurs activités
conformément au présent article ou aux dispositions natio-
nales transposant l’article 308ter, paragraphes 1er à 3 de la
Directive 2009/138/CE;
690
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3° de onderneming stelt de Bank uiterlijk op 15 januari 2016 in
kennis van haar voornemen om de bepalingen van dit artikel
toe te passen;
4° de onderneming dient bij de Bank een plan in waarin
wordt aangegeven hoe de onderneming haar verplichtingen
zal afwikkelen.
De Bank trekt het voordeel van de bepalingen van dit
artikel in:
— op 1 januari 2019, voor de ondernemingen die zich
ertoe verbonden hebben hun activiteiten op die datum te
beëindigen;
— op 1 januari 2021, voor de ondernemingen die onder-
worpen zijn aan saneringsmaatregelen;
of op een eerdere datum indien de Bank van mening is dat
de onderneming onvoldoende vooruitgang heeft geboekt met
het beëindigen van haar activiteit.
Bij gebreke van plan als bedoeld in het eerste lid, 4°, of
wanneer zij van mening is dat dit plan onvoldoende waar-
borgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit
hoofde van verzekering en herverzekering, kan de Bank alle
ondersteunende maatregelen nemen voor een correcte afwik-
keling van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen
van de onderneming en met name alle maatregelen om de
rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en
herverzekering te vrijwaren. Deze maatregelen omvatten
ook de maatregelen vastgesteld in de artikelen 504 tot 517,
546 en 547.
De in dit artikel bedoelde verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen verstrekken aan de Bank jaarlijks een
geactualiseerde versie van het plan bedoeld in het eerste lid,
4°. Bovendien bepaalt de Bank geval per geval de inhoud van
het geactualiseerde plan.
Art. 659
§ 1. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar
vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in
artikel 312 bedoelde informatie jaarlijks of minder frequent
moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de
afsluiting van het boekjaar van de onderneming, dat tussen
30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk
boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op
veertien weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de on-
derneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.
§ 2. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar
vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in
artikel 312 bedoelde informatie op kwartaalbasis moeten
verstrekken, vastgesteld op acht weken vanaf elk kwartaal dat
tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn
wordt elk boekjaar met een week verkort en wordt vastgesteld
3° l’entreprise notifie à la Banque, au plus tard le
15 janvier 2016, son intention de bénéficier des dispositions
du présent article;
4° l’entreprise présente à la Banque un plan précisant la
manière dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de
ses engagements.
La Banque retire le bénéfice des dispositions du présent
article:
— le 1er janvier 2019 pour les entreprises qui se sont enga-
gées à cesser leurs activités à cette date;
— le 1er janvier 2021 pour les entreprises faisant l’objet de
mesures d’assainissement;
ou à une date antérieure si la Banque estime que les
progrès accomplis aux fins de la cessation de l’activité de
l’entreprise sont insuffisants.
À défaut du plan visé à l’alinéa 1er, 4°, ou lorsqu’elle
estime que ce plan ne présente pas les garanties suffisantes
au regard de la protection des créanciers d’assurance et
de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures
visant à encadrer une liquidation correcte des engagements
d’assurance et de réassurance de l’entreprise et notamment,
toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers
d’assurance et de réassurance. Ces mesures incluent les
mesures prévues aux articles 504 à 517, 546 et 547.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées
au présent article fournissent annuellement à la Banque une
actualisation du plan visé à l’alinéa 1er, 4°. La Banque déter-
mine en outre, au cas par cas, le contenu du plan actualisé.
Art. 659
§ 1er. Durant une période n’excédant pas quatre ans à
compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel
les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir
les informations visées à l’article 312, selon une périodicité
annuelle ou moins fréquente, est fixé à vingt semaines à partir
de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre
le 30 juin 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue de deux
semaines à chaque exercice comptable pour être fixé à qua-
torze semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable
de l’entreprise clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020.
§ 2. Durant une période n’excédant pas quatre ans à
compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel
les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir
les informations visées à l’article 312, selon une périodicité
trimestrielle, est fixé à huit semaines à partir de tout trimestre
clos entre le 1er janvier 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai
diminue d’une semaine à chaque exercice comptable pour
691
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
op vijf weken vanaf elk kwartaal dat tussen 30 juni 2019 en
1 januari 2020 eindigt.
Art. 660
Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf
1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in de
artikelen 95 en 96 bedoelde informatie moeten verstrekken,
vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het
boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2016 en
1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met
twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken
vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat
tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt.
Art. 661
Voor wat betreft de in de artikelen 93, 94 en 307 vervatte
informatieverplichtingen zijn de artikelen 659 en 660 van
overeenkomstige toepassing op deelnemende verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en
gemengde financiële holdings, met dien verstande dat de in
de artikelen 659 en 660 bedoelde termijnen telkens met zes
weken worden verlengd.
Art. 662
§ 1er. Niettegenstaande artikel 147 worden kernver-
mogensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na
1 januari 2016 tot het in Tier 1 ingedeelde kernvermogen
gerekend, indien die bestanddelen:
1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015;
2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, reke-
ning houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 50 %
van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te
voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder-
nemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverze-
keringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling geldt niet voor
kernvermogensbestanddelen die met toepassing van arti-
kel 147 in Tier 2 kunnen worden ingedeeld.
Art. 663
§ 1. In afwijking van artikel 147 worden kernvermo-
gensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na
1 januari 2016 tot het in Tier 2 ingedeelde kernvermogen
gerekend, indien die bestanddelen:
1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015;
2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, reke-
ning houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 25 %
être fixé à cinq semaines à partir de tout trimestre clos entre
le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020.
Art. 660
Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter
du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entre-
prises d’assurance ou de réassurance doivent fournir les
informations visées à aux articles 95 et 96, est fixé à vingt
semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de
l’entreprise clos entre le 30 juin 2016 et le 1er janvier 2017.
Ce délai diminue de deux semaines à chaque exercice
comptable pour être fixé à quatorze semaines à partir de la
clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le
30 juin 2019 et le 1er janvier 2020.
Art. 661
Les articles 659 et 660 sont applicables par analogie en
ce qui concerne les obligations d’informations prévues aux
articles 93, 94 et 307 aux entreprises d’assurance ou de
réassurance participantes, aux sociétés holding d’assurance
et aux compagnies financières mixtes, étant entendu que les
délais visés aux articles 659 et 660 sont prolongés, chaque
fois, de six semaines.
Art. 662
§ 1er. Nonobstant l’article 147, les éléments de fonds
propres de base sont inclus dans les fonds propres de base
de niveau 1 pour une durée maximale de dix ans après le
1er janvier 2016, si ces éléments:
1° ont été émis avant le 18 janvier 2015;
2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de leurs
caractéristiques, être utilisés afin de respecter la marge de
solvabilité disponible dans une proportion n’excédant pas
50 % de la marge de solvabilité conformément aux disposi-
tions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre-
prises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à
la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution;
§ 2. Les éléments de fonds propres de base qui peuvent
être classés au niveau 2 en application de l’article 147 ne
bénéficient pas de l’assimilation prévue au paragraphe 1er.
Art. 663
§ 1er. Par dérogation à l’article 147, les éléments de fonds
propres de base sont inclus dans les fonds propres de base
de niveau 2 pour une durée maximale de dix ans après le
1er janvier 2016, si ces éléments:
1° ont été émis avant le 18 janvier 2015;
2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de leurs
caractéristiques, être utilisés afin de respecter la marge de
692
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te
voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder-
nemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverze-
keringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
Art. 664
Op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
die beleggen in verhandelbare effecten of in andere op
herverpakte leningen gebaseerde financiële instrumenten
die vóór 1 januari 2011 zijn uitgegeven, zijn de vereisten
van Verordening 2015/35 slechts van toepassing indien er
na 31 december 2014 nieuwe onderliggende vorderingen
werden toegevoegd of bestaande onderliggende vorderingen
werden vervangen.
Art. 665
Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede lid en
§ 3, en artikel 154 zijn de volgende regels van toepassing:
1° tot en met 31 december 2017 zijn de standaardpara-
meters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de
submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadri-
sico – spread risk” volgens de standaardformule, dezelfde
voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale
banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in
de nationale munteenheid van een lidstaat, als voor dergelijke
vorderingen die uitgedrukt en gefinancierd zijn in euro;
2° in 2018 worden de standaardparameters die moeten
worden gebruikt bij de berekening van de submodule “con-
centratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread
risk” volgens de standaardformule, met 80 % verminderd
voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale
banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in
de nationale munteenheid van een lidstaat;
3° in 2019 worden de standaardparameters die moeten
worden gebruikt bij de berekening van de submodule “con-
centratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread
risk” volgens de standaardformule, met 50 % verminderd
voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale
banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in
de nationale munteenheid van een lidstaat;
4° met ingang van 1 januari 2020 worden de standaard-
parameters die moeten worden gebruikt bij de berekening
van de submodule “concentratierisico” en de submodule
“spreadrisico” volgens de standaardformule, niet verminderd
voor vorderingen op de centrale overheden en de centrale
banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in
de nationale munteenheid van een andere lidstaat.
Art. 666
Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede
lid en § 3, en artikel 154 worden de standaardparameters
solvabilité disponible dans une proportion n’excédant pas
25 % de la marge de solvabilité conformément aux disposi-
tions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre-
prises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à
la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution.
Art. 664
En ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de
réassurance qui investissent dans des valeurs mobilières
négociables ou d’autres instruments financiers reposant
sur des emprunts reconditionnés qui ont été émis avant le
1er janvier 2011, les exigences prévues par le Règlement
2015/35 s’appliquent uniquement si des expositions sous-
jacentes ont été remplacées ou complétées par de nouvelles
expositions après le 31 décembre 2014.
Art. 665
Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3, et 154,
les règles suivantes sont d’application:
1° jusqu’au 31 décembre 2017, les paramètres standard à
utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentra-
tion et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon
la formule standard sont les mêmes, pour les expositions sur
les administrations centrales et les banques centrales des
États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie
nationale d’un État membre, que ceux qui s’appliqueraient
à de pareilles expositions libellées et financées en euros;
2° en 2018, les paramètres standard à utiliser pour calculer
le sous-module de risque de concentration et le sous-module
“risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont
réduits de 80 % pour les expositions sur les administrations
centrales et les banques centrales des États membres qui
sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un
État membre;
3° en 2019, les paramètres standard à utiliser pour calculer
le sous-module de risque de concentration et le sous-module
“risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont
réduits de 50 % pour les expositions sur les administrations
centrales et les banques centrales des États membres qui
sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un
État membre;
4° à partir du 1er janvier 2020, les paramètres standard à
utiliser pour calculer le sous-module de risque de concen-
tration et le sous-module “risque de spread” selon la formule
standard ne sont pas réduits pour les expositions sur les
administrations centrales et les banques centrales des États
membres qui sont libellées et financées dans la monnaie
nationale de tout autre État membre.
Art. 666
Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3, et 154,
les paramètres standards à utiliser pour les actions acquises
693
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
die moeten worden gebruikt voor aandelen die uiterlijk op
1 januari 2016 door de onderneming zijn verworven, wanneer
de submodule “aandelenrisico” wordt berekend volgens de
standaardformule zonder gebruik te maken van de in arti-
kel 162 beschreven mogelijkheid, berekend als het gewogen
gemiddelde van:
a) de standaardparameter die moet worden gebruikt bij
de berekening van de submodule “aandelenrisico” overeen-
komstig artikel 162; en
b) de standaardparameter die moet worden gebruikt wan-
neer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend volgens
de standaardformule zonder gebruik te maken van de in
artikel 162 beschreven mogelijkheid.
Het gewicht van de in het eerste lid, b), bedoelde parame-
ter neemt aan het eind van elk jaar ten minste lineair toe van
0 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 100 % op
1 januari 2023.
Art. 667
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen die voldeden aan de vereiste solvabiliteitsmarge als be-
doeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der ver-
zekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op
het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en
-reglementen, maar in het eerste jaar van toepassing van
deze wet niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste,
eist de Bank, niettegenstaande artikel 510, §§ 1 en 2 en
onverminderd paragraaf 3 van het genoemde artikel, dat de
betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de
nodige maatregelen treft om uiterlijk op 31 december 2017 het
in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste.
De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in
bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen
er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het
in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste.
De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt ingetrokken
wanneer uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke
vooruitgang is geboekt door de onderneming bij het weer op
peil brengen van het in aanmerking komendeigen vermogen
ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste of bij het
zodanig verlagen van het risicoprofiel dat weer wordt vol-
daan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, tussen de datum
waarop is vastgesteld dat niet meer werd voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste en de datum van indiening van
het tussentijds verslag.
par l’entreprise au plus tard le 1er janvier 2016 lors du calcul
du sous-module “risque sur actions” selon la formule standard
sans faire usage de la possibilité prévue sous l’article 162,
équivalent aux moyennes pondérées:
a) du paramètre standard à utiliser pour le calcul du sous-
module “risque sur actions” conformément à l’article 162; et
b) du paramètre standard à utiliser pour le calcul du sous-
module “risque sur actions” selon la formule standard sans
la possibilité prévue sous l’article 162.
Le coefficient affecté au paramètre visé à l’alinéa 1er,
b), s’accroît d’une manière au moins linéaire à la fin de
chaque année, de 0 % pour l’année commençant le 1er jan-
vier 2016 jusqu’à 100 % à compter du 1er janvier 2023.
Art. 667
Nonobstant l’article 510, §§ 1er et 2 et sans préjudice du
paragraphe 3 dudit article, lorsque les entreprises d’assu-
rance ou de réassurance qui se conformaient à l’exigence
de marge de solvabilité prévue par la loi du 9 juillet 1975 rela-
tive au contrôle des entreprises d’assurances ou la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance et leurs arrêtés et
règlements d’exécution, mais ne respectent pas le capital de
solvabilité requis durant la première année d’application de
la présente loi, la Banque exige de l’entreprise d’assurance
ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures
nécessaires pour établir le niveau de fonds propres éligibles
couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire son profil
de risque afin de garantir le respect de l’exigence de capital
de solvabilité au 31 décembre 2017.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
soumet tous les trois mois à la Banque un rapport intermé-
diaire exposant les mesures prises et les progrès accomplis
pour établir le niveau de fonds propres éligibles correspondant
au capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil de
risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité
requis.
Le bénéfice de la prolongation prévue à l’alinéa 1er est retiré
lorsque le rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès
significatif n’a été accompli par l’entreprise afin de rétablir le
niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital
de solvabilité requis ou de réduire le profil de risque afin de
garantir la conformité du capital de solvabilité requis, entre
la date de la constatation de la non-conformité du capital de
solvabilité requis et la date de remise du rapport intermédiaire.
694
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 668
§ 1. In afwijking van de artikelen 126 tot 131 kan de Bank
toestaan dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen bij wijze van overgangsmaatregel een uitzonderingsrege-
ling toepassen op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur
voor levensverzekerings- en -herverzekeringsverplichtingen
die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen die
voortvloeien uit overeenkomsten die vóór 1 januari 2016 zijn
gesloten, met uitzondering van de verlengingen van overeen-
komsten vanaf die datum;
2° tot 1 januari 2016 zijn de technische voorzieningen
voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen
vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder-
nemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverze-
keringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
3° de in artikel 129 bedoelde matchingopslag wordt niet op
de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen toegepast.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingsregeling die
bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegepast, maakt het
mogelijk om de matchingopslag voor elke valuta te berekenen
als een deel van het verschil tussen:
1° de rentevoet die de verzekerings- of herverzekerings-
overeenkomst op 31 december 2015 heeft vastgesteld over-
eenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet
van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun
uitvoeringsbesluiten en -reglementen; en
2° de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke dis-
contovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen
uit de portefeuille van verzekerings- en herverzekeringsver-
plichtingen die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1,
resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de
beste schatting van de portefeuille van die verzekerings- en
herverzekeringsverplichtingen met inachtneming van de
tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante
risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 toe-
passen, is de in het eerste lid, 2° bedoelde risicovrije
rentetermijnstructuur de in artikel 131 bedoelde risicovrije
rentetermijnstructuur.
Indien de Bank haar toestemming verleent overeenkomstig
paragraaf 3, neemt het in het eerste lid bedoelde deel aan het
eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt
op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032.
§ 3. De toestemming van de Bank als bedoeld in paragraaf
1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderne-
ming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank
de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige
Art. 668
§ 1er. Par dérogation aux articles 126 à 131, la Banque peut
autoriser les entreprises d’assurance ou de réassurance à
appliquer, à titre transitoire, un régime dérogatoire à la courbe
pertinente des taux d’intérêt sans risque pour les engage-
ments d’assurance-vie et de réassurance vie répondant aux
conditions suivantes:
1° les engagements d’assurance ou de réassurance
découlent de contrats qui ont été conclus avant le 1er jan-
vier 2016, à l’exclusion des renouvellements de contrats qui
ont lieu à partir de cette date;
2° jusqu’au 1er janvier 2016, les provisions techniques
constituées pour les engagements d’assurance et de réas-
surance ont été déterminées conformément aux dispositions
de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la
réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution;
3° l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 n’est pas
appliqué aux engagements d’assurance et de réassurance.
§ 2. Le régime dérogatoire transitoire visé au paragraphe 1er
permet, dans chaque devise, de calculer l’ajustement comme
une part de la différence entre:
1° le taux d’intérêt déterminé par l’entreprise d’assurance
ou de réassurance conformément aux dispositions de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances
ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de
leurs arrêtés et règlements d’exécution au 31 décembre 2015;
et
2° le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique
d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du
portefeuille d’engagements d’assurance et de réassurance
répondant aux conditions visées au paragraphe 1er, donnerait
une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation du
portefeuille de ces engagements d’assurance et de réassu-
rance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise
en compte en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt
sans risque visée à l’article 126, § 2.
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance
font usage de la correction pour volatilité visée à l’article 131,
la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à
l’alinéa 1er, 2° est la courbe pertinente des taux d’intérêt sans
risque visée à l’article 131.
En cas d’autorisation de la Banque donnée conformément
au paragraphe 3, la part visée l’alinéa 1er diminue d’une
manière linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100 % pour
la première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à
0 % au 1er janvier 2032.
§ 3. L’autorisation de la Banque visée au paragraphe 1er,
alinéa 1er, ne peut être donnée que si l’entreprise démontre,
sur la base d’un dossier dont la Banque détermine le contenu,
qu’elle est, sur la base de projections crédibles des conditions
695
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en
haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volle-
dige overgangsperiode te voldoen aan de solvabiliteitsvereis-
ten, rekening houdend met de toepassing van de regels inzake
lineaire vermindering als bedoeld in paragraaf 2, derde lid.
De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld
in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen
na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is
en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie
nodig heeft.
De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toestem-
ming binnen twee maanden na de indiening van een volledig
dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van
het verzoek.
§ 4. Naast het vereiste van artikel 670, gelden voor de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die over-
eenkomstig dit artikel bij wijze van overgangsmaatregel de
uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risicovrije
rentetermijnstructuur de volgende vereisten:
— zij tellen de toelaatbare verzekerings- en herverzeke-
ringsverplichtingen niet mee bij de berekening van de volati-
liteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131;
— zij vermelden in hun verslag over hun solvabiliteit en
financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat
zij de overgangs-risicovrije rentetermijnstructuur toepassen
en kwantificeren het effect dat het niet toepassen van die
overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie.
Art. 669
§ 1. In afwijking van de artikelen 124 tot 139 kan de Bank
toestaan dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen bij wijze van overgangsmaatregel een aftrek toepassen
op hun technische voorzieningen met betrekking tot de op
1 januari 2016 bestaande verzekerings- of herverzekerings-
verplichtingen. Die aftrek kan worden toegepast op het niveau
van homogene risicogroepen als bedoeld in artikel 135.
De aftrek bedoeld in het eerste lid komt overeen met het
verschil tussen
1° het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek
van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzeke-
ringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, berekend op
1 januari 2016 met toepassing van de artikelen 124 tot 139, en
2° het bedrag van de technische voorzieningen na
aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit her-
verzekeringsovereenkomsten, berekend met toepassing
van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uit-
voeringsbesluiten- en reglementen.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin-
gen gebruikmaken van artikel 131, wordt het bedrag bedoeld
de marché et de ses limites de tolérance aux risques, en
mesure de satisfaire aux exigences de solvabilité, tout au
long de la période transitoire, compte tenu de l’application
des modalités de diminution linéaire prévue au paragraphe 2,
alinéa 3.
La Banque accuse réception du dossier visé à l’alinéa 1er
et, dans les quinze jours de la réception du dossier, indique
à l’entreprise si le dossier est complet en vue de son examen
ou s’il requiert des informations complémentaires.
La Banque statue sur la demande d’autorisation dans les
deux mois de l’introduction d’un dossier complet et au plus
tard dans les trois mois de la réception de la demande.
§ 4. Outre l’exigence prévue sous l’article 670, les entre-
prises d’assurance ou de réassurance qui appliquent, à titre
transitoire, le régime dérogatoire à la courbe pertinente des
taux d’intérêt sans risque conformément au présent article:
— n’incluent pas les engagements d’assurance et de
réassurance admissibles dans le calcul de la correction pour
volatilité visé à l’article 131;
— indiquent dans leur rapport sur leur solvabilité et
leur situation financière visé aux articles 95 et 96 qu’elles
appliquent la courbe des taux d’intérêt sans risque transitoire
et quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résul-
terait d’une non application de la présente mesure transitoire.
Art. 669
§ 1er. Par dérogation aux articles 124 à 139, la Banque
peut autoriser les entreprises d’assurance ou de réassu-
rance à appliquer, à titre transitoire, en ce qui concerne les
engagements d’assurance ou de réassurance existants au
1er janvier 2016, une déduction à leurs provisions techniques.
Cette déduction peut être appliquée au niveau des groupes
de risques homogènes visés à l’article 135.
La déduction visée à l’alinéa 1er correspond à la différence
entre
1° le montant des provisions techniques, après déduction
des créances découlant des contrats de réassurance et des
véhicules de titrisation, calculées au 1er janvier 2016 en appli-
cation des articles 124 à 139, et
2° le montant des provisions techniques, après déduc-
tion des créances découlant des contrats de réassurance,
calculées en application des dispositions de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances
ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de
leurs arrêtés et règlements d’exécution.
Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance
font usage de l’article 131, le calcul du montant visé à
696
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
in het tweede lid, 1° berekend met de volatiliteitsaanpassing
op 1 januari 2016.
Indien de Bank haar toestemming verleent overeenkom-
stig paragraaf 2, neemt het maximale aftrekbare deel van de
technische voorzieningen aan het eind van elk jaar lineair af
van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 %
op 1 januari 2032.
Onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring
van of op initiatief van de Bank kunnen de bedragen van de
technische voorzieningen, in voorkomend geval met inbegrip
van het bedrag van de volatiliteitsaanpassing, die worden
gebruikt voor de berekening overeenkomstig deze paragraaf
van de overgangsaftrek, om de vierentwintig maanden wor-
den herberekend, of frequenter indien het risicoprofiel van
de onderneming wezenlijk is veranderd als gevolg van een
verwerving of een overdracht van op 1 januari 2016 bestaande
verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen.
§ 2. De toestemming van de Bank als bedoeld in paragraaf
1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderne-
ming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank
de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige
prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en
haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de
volledige overgangsperiode te voldoen aan de regels inzake
lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1,
vierde lid.
De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld
in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen
na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is
en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie
nodig heeft.
De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toestem-
ming binnen twee maanden na de indiening van een volledig
dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van
het verzoek.
De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde aftrek beperken
indien de toepassing ervan zou kunnen resulteren in een
vermindering van de voor de onderneming vereiste financiële
middelen ten opzichte van de vereiste financiële middelen
als berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzeke-
ringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen op
31 december 2015.
Om te garanderen dat de onderneming de regels inzake
lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1,
vierde lid naleeft, kan de Bank aan haar toestemming ook
voorwaarden verbinden waarvan de niet-naleving tot gevolg
heeft dat de Bank de krachtens dit artikel verleende toestem-
ming kan opheffen.
Indien de Bank haar toestemming na 1 januari 2016 ver-
leent, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
de lineariteit van het in paragraaf 1, vierde lid bedoelde
l’alinéa 2, 1° est calculé avec la correction pour volatilité au
1er janvier 2016.
En cas d’autorisation de la Banque donnée conformément
au paragraphe 2, la part déductible maximale des provisions
techniques diminue d’une manière linéaire à la fin de chaque
année et ce, de 100 % pour la première année commençant
au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032.
Sous réserve de l’approbation préalable ou sur l’initiative
de la Banque, les montants des provisions techniques, inté-
grant le cas échéant le montant de la correction pour volatilité,
entrant dans le calcul de la déduction transitoire déterminée
conformément au présent paragraphe, peuvent être recalcu-
lés tous les vingt-quatre mois ou plus fréquemment en cas
de changement sensible du profil de risque de l’entreprise à
la suite d’une acquisition ou d’une cession d’engagements
d’assurance ou de réassurance existants au 1er janvier 2016.
§ 2. L’autorisation de la Banque visée au paragraphe 1er,
alinéa 1er, ne peut être donnée que si l’entreprise démontre,
sur la base d’un dossier dont la Banque détermine le contenu,
qu’elle est, sur la base de projections crédibles des condi-
tions de marché et de ses limites de tolérance aux risques,
en mesure de satisfaire, tout au long de la période transitoire,
aux modalités de réduction linéaire de la déduction telle que
visée au paragraphe 1er, alinéa 4.
La Banque accuse réception du dossier visé à l’alinéa 1er
et, dans les quinze jours de la réception du dossier, indique
à l’entreprise si le dossier est complet en vue de son examen
ou s’il requiert des informations complémentaires.
La Banque statue sur la demande d’autorisation dans les
deux mois de l’introduction d’un dossier complet et au plus
tard dans les trois mois de la réception de la demande.
La Banque peut limiter la déduction visée au paragraphe 1er
si son application est susceptible de se traduire par de
moindres exigences en matière de ressources financières
applicables à l’entreprise que celles qui sont calculées confor-
mément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés
et règlements d’exécution au 31 décembre 2015.
En vue de s’assurer du respect par l’entreprise des moda-
lités de diminution linéaire de la déduction telle que visée au
paragraphe 1er, alinéa 4, la Banque peut également assortir
son autorisation de conditions dont le non-respect permet à
la Banque de mettre fin à l’autorisation donnée en application
du présent article.
En cas d’autorisation de la Banque accordée postérieu-
rement au 1er janvier 2016, l’entreprise d’assurance ou de
réassurance doit respecter la linéarité de la part déductible
697
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
aftrekbare deel in acht nemen alsof de toestemming was
verleend op 1 januari 2016.
§ 3. Naast het vereiste van artikel 670 vermelden de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die over-
eenkomstig dit artikel de overgangsaftrek toepassen op de
technische voorzieningen, in hun verslag over hun solvabiliteit
en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij
deze overgangsaftrekregeling toepassen en kwantificeren zij
het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel
zou hebben op hun financiële positie.
Art. 670
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kun-
nen de toestemming die met toepassing van artikel 668 wordt
verleend en deze die met toepassing van artikel 669 wordt
verleend, niet cumulatief verkrijgen voor dezelfde verplichtin-
gen die onder de takken vermeld in Bijlage II vallen.
Art. 671
De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
de in artikel 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen
toepassen, dienen jaarlijks een verslag in bij de Bank waarin
wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en
welke vooruitgang er is geboekt om aan het einde van de
overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te
voldoen. De Bank trekt haar toestemming voor de toepassing
van de overgangsmaatregel in wanneer uit dit tussentijds
verslag blijkt dat het onrealistisch is dat aan het einde van
de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste
zal worden voldaan.
Bovendien lichten de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die de in de artikelen 668 of 669 bedoelde
overgangsmaatregelen toepassen, de Bank in wanneer zij
vaststellen dat zij zonder de toepassing van die overgangs-
maatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zouden
voldoen. De Bank eist dat de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen treft
om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabi-
liteitskapitaalvereiste te voldoen.
Binnen twee maanden na de vaststelling dat zonder de
toepassing van de in de artikelen 668 of 669 bedoelde over-
gangsmaatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste
zou worden voldaan, dient de betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming bij de Bank een geleidelijke-in-
voeringsplan in waarin wordt aangegeven welke maatregelen
er zijn gepland om aan het einde van de overgangsperiode
het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van
het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar
risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het
solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken verzekerings- of
herverzekeringsonderneming kan het geleidelijke-invoerings-
plan gedurende de overgangsperiode aanpassen. Bovendien
dienen de ondernemingen die de in artikel 669 bedoelde
visée au paragraphe 1er, alinéa 4 comme si l’autorisation avait
été accordée au 1er janvier 2016.
§ 3. Outre l’exigence prévue sous l’article 670, les
entreprises d’assurance ou de réassurance qui appliquent,
conformément au présent article, la déduction transitoire aux
provisions techniques indiquent dans leur rapport sur leur
solvabilité et leur situation financière visé aux articles 95 et
96 qu’elles appliquent ce régime de déduction transitoire et
quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résul-
terait d’une non application de cette mesure transitoire.
Art. 670
Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent
bénéficier cumulativement d’une autorisation donnée en
application de l’article 668 et d’une autorisation donnée en
application de l’article 669 pour les mêmes engagements
relevant des branches mentionnées de l’Annexe II.
Art. 671
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui
bénéficient des mesures transitoires visées à l’article 668 ou
669 présentent chaque année à la Banque un rapport expo-
sant les mesures prises et les progrès accomplis pour garantir
le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la
période transitoire. La Banque retire l’autorisation d’appliquer
la mesure transitoire lorsqu’il ressort de ce rapport intermé-
diaire que le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la
fin de la période transitoire constitue une perspective irréaliste.
Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui bénéfi-
cient des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669,
informent, en outre, la Banque dès qu’elles constatent qu’elles
ne respecteraient pas l’exigence de capital de solvabilité sans
l’application de ces mesures transitoires. La Banque exige
de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée
qu’elle prenne les mesures nécessaires pour garantir le
respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la
période transitoire.
Dans les deux mois suivant le constat du non-respect
de l’exigence de capital de solvabilité sans le bénéfice des
mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669, l’entre-
prise d’assurance ou de réassurance concernée présente à
la Banque un plan de mise en oeuvre progressive exposant
les mesures prévues afin d’établir le niveau de fonds propres
éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de
réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exi-
gence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire.
L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée peut
actualiser le plan de mise en oeuvre progressive durant la
période transitoire. Les entreprises bénéficiant de la mesure
transitoire visée à l’article 669 présentent, en outre, chaque
année un rapport exposant les mesures prises et les progrès
698
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
overgangsmaatregel toepassen jaarlijks een verslag in waarin
wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en
welke vooruitgang er is geboekt met het in dit lid bedoelde
geleidelijke-invoeringsplan.
Art. 672
§ 1. Niettegenstaande artikel 357, § 2, zijn de overgangsbe-
palingen van de artikelen 661 tot 665 en 668 tot 671 mutatis
mutandis van toepassing op het niveau van de groep.
Niettegenstaande artikel 357, §§ 2 en 3, zijn de over-
gangsbepalingen van artikel 667 mutatis mutandis van
toepassing op het niveau van de groep wanneer de deelne-
mende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die tot een
groep behoren, voldeden aan het vereiste van aangepaste
solvabiliteit als bedoeld in Hoofdstuk VIIbis van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen, maar niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalver-
eiste van de groep.
§ 2. In afwijking van artikel 373 kan de uiteindelijke moe-
deronderneming tot 31 maart 2022 een aanvraag indienen
voor de toepassing van een intern groepsmodel op een deel
van de groep indien zowel de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming als de uiteindelijke moederonderneming in
dezelfde lidstaat zijn gevestigd en indien dit deel een apart
onderdeel vormt met een duidelijk ander risicoprofiel van de
rest van de groep.
Art. 673
Tot 31 december 2020 is artikel 600 van toepassing op de
herverzekeringsondernemingen die onder een derde land res-
sorteren en die opgenomen zijn in de lijst die met toepassing
van artikel 172, lid 4, derde alinea van Richtlijn 2009/138/EG
gepubliceerd wordt door EIOPA.
Art. 674
De verzekeringsondernemingen gaan uiterlijk op
1 januari 2019 over tot de formele aanpassing van hun over-
eenkomsten van tak 27 als vermeld in Bijlage II.
TITEL II
Slotbepalingen en diverse bepalingen
Art. 675
Artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen, ingevoegd bij
artikel 30, 2° van de wet van 26 april 2010, zoals dit bestond
voor de opheffing ervan bij artikel XXX van deze wet, moet
geïnterpreteerd worden in die zin dat de onderlinge verzeke-
ringsverenigingen en de coöperatieve vennootschappen die
hun verzekeringsactiviteit beperken tot de gemeente waar hun
accomplis dans le cadre du plan de mise en oeuvre progres-
sive visé au présent alinéa.
Art. 672
§ 1er. Nonobstant l’article 357, § 2, les dispositions transi-
toires prévues aux articles 661 à 665 et 668 à 671 s’appliquent
mutatis mutandis au niveau du groupe.
Nonobstant l’article 357, §§ 2 et 3, les dispositions transi-
toires prévues à l’article 667 s’appliquent mutatis mutandis au
niveau du groupe lorsque les entreprises d’assurance ou de
réassurance participantes ou les entreprises d’assurance ou
de réassurance appartenant à un groupe se conformaient à
l’exigence de solvabilité ajustée prévue sous le Chapitre VIIbis
de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
mais ne se conforment pas à l’exigence de capital de solva-
bilité applicable au groupe.
§ 2. Par dérogation à l’article 373, l’entreprise mère supé-
rieure peut demander, avant le 31 mars 2022, à être autorisée
à appliquer un modèle interne de groupe qu’à une partie du
groupe pourvu que, à la fois, l’entreprise d’assurance ou de
réassurance et l’entreprise mère supérieure soient situées
dans le même État membre et que cette partie constitue une
partie distincte ayant un profil de risque sensiblement différent
de celui du reste du groupe.
Art. 673
Jusqu’au 31 décembre 2020, l’article 600 est d’application
aux entreprises de réassurance relevant du droit d’un pays
tiers qui figurent sur la liste publiée par l’EIOPA en applica-
tion de l’article 172, paragraphe 4, alinéa 3 de la Directive
2009/138/CE.
Art. 674
Les entreprises d’assurance adaptent formellement les
contrats relevant de la branche 27 mentionnée à l’Annexe II
au plus tard le 1er janvier 2019.
TITRE II
Dispositions finales et diverses
Art. 675
L’article 2, § 1erquater de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances, inséré par l’article 30,
2° de la loi du 26 avril 2010, tel qu’il existait avant son abro-
gation par l’article XXX de la présente loi, doit s’interpréter
en ce sens que les associations d’assurances mutuelles et
les sociétés coopératives qui restreignent leur activité d’assu-
rance à la commune de leur siège social ou à cette commune
699
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
maatschappelijke zetel is gevestigd of tot die gemeente en
de omliggende gemeenten, vrijgesteld zijn van de toepassing
van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen, met uitzondering
van de bepalingen van die wet die door de Koning van toe-
passing zijn verklaard volgens de regels en de modaliteiten
die Hij bepaalt.
Art. 676
Onverminderd de verplichtingen die door het Unierecht aan
België zijn opgelegd, kan de Koning, bij een in Ministerraad
overlegd besluit, de bijzondere regels bepalen die van toepas-
sing zijn op de verzekeringsondernemingen voor wat betreft de
toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers
bedoeld in koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betref-
fende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en
aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van
het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, die buiten
een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld.
Art. 677
Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2009/138/EG
en de uitvoeringsmaatregelen ervan, kan de Koning bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad
en op advies van de Bank of van de FSMA, ieder voor wat
zijn bevoegdheden betreft, en van de Controledienst voor
de ziekenfondsen, de verzekeringsmaatschappijen van on-
derlinge bijstand vrijstellen van de toepassing van sommige
bepalingen van deze wet en aangeven welke regels in plaats
daarvan van toepassing zijn.
Art. 678
De in euro luidende bedragen in deze wet worden aan-
gepast conform de aanpassing die in het Publicatieblad van
de Europese Unie wordt bekendgemaakt door de Europese
Commissie met toepassing van artikel 300 van de Richtlijn.
De in dit artikel bedoelde aanpassing heeft uitwerking binnen
zes maanden te rekenen vanaf de genoemde bekendmaking.
Art. 679
Het koninklijk besluit van 11 juni 2015 houdende aanwij-
zing van de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor het
uitvoeren van de vergunning en het toezicht op de centrale
effectenbewaarinstellingen wordt bekrachtigd met uitwerking
op 19 juni 2015.
et aux communes voisines sont dispensées de l’application
des dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances sauf les dispositions de cette loi
rendues applicables par le Roi selon les règles et modalités
qu’Il détermine.
Art. 676
Sans préjudice des obligations imposées à la Belgique par
le droit de l’Union, le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré
en Conseil des ministres, les règles particulières applicables
aux entreprises d’assurance en ce qui concerne l’octroi
d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par
l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de
retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes
visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur
les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail.
Art. 677
Sans préjudice des dispositions de la Directive 2009/138/
CE et de ses mesures d’exécution, le Roi peut, par arrêté royal
délibéré en Conseil des ministres et sur avis de la Banque ou
de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, et
de l’Office de contrôle des mutualités, dispenser les sociétés
mutualistes d’assurance de l’application de certaines dispo-
sitions de la présente loi et préciser les règles qui leur sont
éventuellement applicables en lieu et place.
Art. 678
Les montants libellés en euros figurant dans la présente
loi font l’objet d’une révision de manière conforme à la révi-
sion publiée au Journal officiel de l’Union européenne par la
Commission européenne en application de l’article 300 de la
Directive. La révision prévue au présent article sort ses effets
dans les six mois à compter de ladite publication.
Art. 679
L’arrêté royal du 11 juin 2015 portant désignation de l’auto-
rité compétente en charge de l’agrément et de la surveillance
des dépositaires centraux de titres est confirmé avec effet au
19 juin 2015.
700
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
TITEL III
Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK I
Wijziging in de wet van 12 juli 1957 betreffende het
rust- en overlevingspensioen voor bedienden
Art. 680
In Artikel 22, § 2 van de wet van 12 juli 1957 betreffende
het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden
“bij een verzekeringsonderneming of -instelling bedoeld in
artikel 2, § 1 en § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen, voor zover zij
door de Koning zijn erkend volgens de door Hem vastgestelde
voorwaarden.” vervangen door de woorden “bij een verze-
keringsonderneming bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”.
HOOFDSTUK II
Wijziging in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971
Art. 681
In artikel 48ter, eerste lid van de arbeidsongevallen-
wet van 10 april 1971, laatstelijk gewijzigd bij de wet van
10 augustus 2001, worden de woorden “bedoeld in artikel
80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen” vervangen door de woor-
den “bedoeld in artikel [24, § 1, 1°,] van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen,”.
Art. 682
In artikel 49, eerste lid, 1° van dezelfde wet worden de
woorden “overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle op de verzekeringsondernemingen” vervan-
gen door de woorden “overeenkomstig de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
Art. 683
In artikel 52 van dezelfde wet worden de woorden “bedoeld
in artikel 68, § 1, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de
woorden “bedoeld in artikel [556, § 2, 1°], van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
TITRE III
Dispositions modificatives
CHAPITRE IER
Modification de la loi du 12 juillet 1957 relative à la
pension de retraite et de survie des employés
Art. 680
Dans l’article 22, § 2, de la loi du 12 juillet 1957 relative à
la pension de retraite et de survie des employés, modifié en
dernier lieu par la loi du 28 avril 2003, les mots “auprès d’une
entreprise ou d’un organisme d’assurances visés à l’article
2, § 1er et § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances, pour autant qu’ils ont été
agréés par le Roi, dans les conditions qu’Il détermine.” sont
remplacés par les mots “auprès d’une entreprise d’assurance
visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance.”.
CHAPITRE II
Modification de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents
du travail
Art. 681
Dans l’article 48ter, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur
les accidents du travail, modifié en dernier lieu par la loi
du 10 août 2001, les mots “visé à l’article 80 de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances,” sont remplacés par les mots “visé à l’article [24, § 1er,
1°,] de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance,”.
Art. 682
Dans l’article 49, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les mots
“conformément à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots
“conformément à la loi du [___] 2015 relative au statut et au
contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 683
Dans l’article 52 de la même loi, les mots “visé à l’article
68, § 1er, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “visé à
l’article [556, § 2, 1°], de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
701
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 684
Artikel 54bis van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Wanneer bij de overdrachten bedoeld in artikel 102, eerste
lid, 3°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
een verzekeringsonderneming die de wettelijke arbeidson-
gevallenverzekering uitoefent, betrokken is, kan de Nationale
Bank van België de toestemming enkel verlenen na advies
van het beheerscomité van het Fonds voor Arbeidsongevallen.
Indien een dergelijke verzekeringsonderneming betrokken
is bij een herstructurering van vennootschappen als bedoeld
in boek XI van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek
van Vennootschappen, stelt de Nationale Bank van België het
Fonds voor Arbeidsongevallen hiervan onverwijld in kennis.”.
Art. 685
In artikel 88quater, § 1 van dezelfde wet worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
“1° de Nationale Bank van België;”
2° er wordt een bepaling onder 1bis° ingevoegd, luidende:
“1bis° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;”
Art. 686
In artikel 91, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 21 december 2013, wordt de bepaling onder 2°
vervangen als volgt:
“2° aan de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten vragen om de maatregelen
toe te passen die bedoeld zijn, voor de Nationale Bank van
België, in artikel 517 of 569 van de wet van [___] 2015 op het
statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen en, voor de Autoriteit voor Financiële
Diensten en Markten, in artikel 36bis, § 2, van de wet van
2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten, artikel 288 van de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen of artikel 291 van
dezelfde wet. Indien nodig verzoekt de minister bevoegd voor
Sociale Zaken de Nationale Bank van België of de Autoriteit
voor Financiële Diensten en Markten onverwijld de genoemde
maatregelen te nemen.
Onverminderd het eerste lid stelt het Fonds voor arbeids-
ongevallen de Nationale Bank van België en de Autoriteit
voor Financiële Diensten en Markten in kennis van de te-
kortkomingen vastgesteld bij een verzekeringsonderneming
die onder het recht van een andere lidstaat van de Europese
Unie ressorteert dan België, met het oog op de toepassing,
door de Nationale Bank van België, van met name de artikelen
566 tot 574 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
Art. 684
L’article 54bis de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Lorsque, lors des cessions visées à l’article 102, alinéa 1er,
3°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance, une entreprise
d’assurance exerçant l’assurance légale contre les accidents
du travail est concernée, la Banque nationale de Belgique
ne peut accorder l’autorisation qu’après avis du comité de
gestion du Fonds des accidents du travail.
Si une telle entreprise d’assurance est concernée par
une restructuration de sociétés visée au livre XI de la loi
du 7 mai 1999 contenant le Code des sociétés, la Banque
nationale de Belgique en informe le Fonds des accidents du
travail sans délai.”.
Art. 685
Dans l’article 88quater, § 1er, de la même loi, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° le 1° est remplacé par ce qui suit:
“1° à la Banque nationale de Belgique;”
2° il est inséré un 1bis° rédigé comme suit:
“1bis° à l’Autorité des services et marchés financiers;”
Art. 686
Dans l’article 91, § 2, de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 21 décembre 2013, le 2° est remplacé par
ce qui suit:
“2° demander à la Banque nationale de Belgique et
l’Autorité des services et marchés financiers d’appliquer les
mesures visées, pour la Banque nationale de Belgique, aux
articles 517 ou 569 de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance et,
pour l’Autorité des services et marchés financiers, aux articles
36bis, § 2, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance
du secteur financier et aux services financiers, 288 de la loi
du 4 avril 2014 relative aux assurances, ou 291 de la même
loi. Au besoin, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses
attributions demande à la Banque nationale de Belgique ou à
l’Autorité des services et marchés financiers de prendre sans
délai lesdites mesures.
Sans préjudice de l’alinéa 1er, le Fonds des accidents du
travail informe la Banque nationale de Belgique et l’Auto-
rité des services et marchés financiers des manquements
constatés dans une entreprise d’assurance qui relève du
droit d’un État membre de l’Union européenne autre que la
Belgique, en vue de l’application, par la Banque nationale
de Belgique, notamment, des articles 566 à 574 de la loi du
[___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
702
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
en, door de Autoriteit voor Finanicële Diensten en Markten,
van met name de artikelen 286, 291 en 293 van de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen.”.
HOOFDSTUK III
Wijziging in de wet van 21 november 1989 betreffende
de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen
Art. 687
Artikel 10, § 2 van de wet van 21 november 1989 betref-
fende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen wordt vervangen als volgt:
“§ 2. De nationale of gewestelijke instellingen van open-
baar nut voor gemeenschappelijk vervoer zijn vrijgesteld van
de in artikel 2 bedoelde verzekeringsplicht op voorwaarde
dat zij een verzekeringsovereenkomst hebben gesloten
bij een verzekeringsonderneming die met toepassing van
artikel 28 van de wet van [___] op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
een vergunning heeft verkregen of die met toepassing van
artikel 550 of artikel 556 van dezelfde wet haar activiteiten in
België mag uitoefenen.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomst dekt de bena-
deelde onder de voorwaarden van de artikelen 3 en 4.
Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen de excep-
ties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht voort-
vloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak
vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft
voorgedaan, aan de benadeelde niet worden tegengeworpen.
Indien de nietigverklaring, de opzegging, de beëindiging of
de schorsing van de overeenkomst geschied is voordat het
schadegeval zich heeft voorgedaan, kan zij echter aan de
benadeelde worden tegengeworpen.”.
HOOFDSTUK IV
Wijzigingen in de wet van 6 augustus 1990 betreffende
de ziekenfondsen en de landsbonden van
ziekenfondsen
Art. 688
In artikel 9, § 1septies, vijfde lid van de wet van
6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden van ziekenfondsen, ingevoegd bij de wet
van 26 april 2010, worden de woorden “aan de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen,” vervangen door de woorden “aan de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen,”.
d’assurance ou de réassurance et, par l’Autorité des services
et marchés financiers, notamment, des articles 286, 291 et
293 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”.
CHAPITRE III
Modification de la loi du 21 novembre 1989 relative à
l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière
de véhicules automoteurs
Art. 687
L’article 10, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 relative à
l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhi-
cules automoteurs est remplacé par la disposition suivante:
“§ 2. Les organismes d’intérêt public de transport en com-
mun nationaux ou régionaux sont dispensés de l’obligation
d’assurance visée à l’article 2 à condition que ces organismes
aient souscrit auprès d’une entreprise d’assurance agréée
en application de l’article 28 de la loi du [_____] relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réas-
surance ou autorisée à exercer ses activités en Belgique en
application de l’article 550 ou de l’article 556 de la même loi.
Le contrat visé à l’alinéa 1er couvre la personne lésée dans
les conditions prévues aux articles 3 et 4.
Pour l’application du présent paragraphe, les exceptions,
franchises, nullités et déchéances découlant de la loi ou du
contrat, et trouvant leur cause dans un fait antérieur ou pos-
térieur au sinistre, sont inopposables à la personne lésée.
Sont toutefois opposables à la personne lésée l’annula-
tion, la résiliation, l’expiration ou la suspension du contrat,
intervenues avant la survenance du sinistre.”.
CHAPITRE IV
Modifications de la loi du 6 août 1990 relative aux
mutualités et aux unions nationales de mutualité
Art. 688
Dans l’article 9, § 1ersepties, alinéa 5, de la loi du
6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales
de mutualité, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “à
la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances,” sont remplacés par les mots “à la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance,”.
703
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 689
In artikel 43ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van
22 februari 1998, worden de volgende wijzingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “van een bankpro-
duct, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut
van en het toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door
de woorden “van een bankproduct, in het kader van een acti-
viteit als bedoeld in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op
het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”;
2° in het tweede lid worden de woorden “zoals bepaald in
de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door de woorden
“zoals bepaald in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”.
Art. 690
In artikel 52, 11° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 26 april 2010, worden de woorden “volgens de bepa-
lingen van de wetten van 9 juli 1975 betreffende de con-
trole der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de
woorden “volgens de bepalingen van de wetten van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen,”.
Art. 691
In artikel 62quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 26 april 2010, worden de woorden “van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen” vervangen door de woorden “van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
Art. 692
In artikel 68, 2° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van
2 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder a) worden de woorden “in toepas-
sing van artikel 3 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door
de woorden “in toepassing van de artikelen 28 en 584 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”;
2° de bepaling onder b) wordt opgeheven;
3° in de bepaling onder c) worden de woorden “bedoeld
in artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen
door de woorden “bedoeld in artikel 504 van de wet van
[___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen;”;
Art. 689
Dans l’article 43ter, de la même loi, inséré par la loi du
22 février 1998, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, les mots “d’un produit bancaire au sens
de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle
des institutions de crédit” sont remplacés par les mots “d’un
produit bancaire dans le cadre d’une activité visée à l’article
4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit”;
2° à l’alinéa 2, les mots “au sens de la loi du 22 mars 1993 re-
lative au statut et au contrôle des institutions de crédit” sont
remplacés par les mots “au sens de l’article 4 de la loi du
25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établisse-
ments de crédit”.
Art. 690
Dans l’article 52, 11° de la même loi, inséré par la loi du
26 avril 2010, les mots “conformément aux dispositions des
lois des 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances,” sont remplacés par les mots “conformément
aux dispositions des lois des [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”.
Art. 691
Dans l’article 62quater de la même loi, inséré par la loi du
26 avril 2010, les mots “de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les
mots “de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 692
Dans l’article 68, 2°, de la même loi, inséré par la loi du
2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées:
1° au a), les mots “en application de l’article 3 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances;” sont remplacés par les mots “en application des
articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
2° le b) est abrogé;
3° au c), les mots “visées à l’article 21octies de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances;” sont remplacés par les mots “visées à l’article
504 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
704
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° in de bepaling onder d) worden de woorden “bedoeld
in artikel 26, §§ 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, en 5, 8 en 9, van
de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke-
ringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld
in artikel 517, § 1, 2°, 4°, 6°, 7° en 8°, van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
5° in de bepaling onder e) worden de woorden “bedoeld in
artikel 43 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woor-
den “bedoeld in de artikelen 517, § 1, 8°, 541 en 598, § 2, van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
6° in de bepaling onder f) worden de woorden “bedoeld in
de artikelen 51 en 58 van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen of wanneer
de Controledienst geen beslissing heeft bekendgemaakt
binnen de termijn vastgelegd in artikel 51, tweede lid, van
dezelfde wet;” vervangen door de woorden “bedoeld in
de artikelen 108, § 3 en 115, § 2, van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
Art. 693
In artikel 75, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder
3° opgeheven.
HOOFDSTUK V
Wijziging in de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst
Art. 694
In artikel 140, vierde lid van de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst, laatstelijk gewijzigd bij de
wet van 30 juli 2013, worden de woorden “van artikel 21octies
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der ver-
zekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “van
artikel 504 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
HOOFDSTUK VI
Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot
voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel
voor het witwassen van geld en de financiering van
terrorisme
Art. 695
In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorko-
ming van het gebruik van het financiële stelsel voor het wit-
wassen van geld en de financiering van terrorisme, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
4° au d), les mots “visées à l’article 26, §§ 1er, alinéa 2,
2°, 3° et 4°, et 5, 8 et 9, de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par
les mots “visées à l’article 517, § 1er, 2°, 4°, 6°, 7° et 8°, de la loi
du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”;
5° au e), les mots “visées à l’article 43 de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances;” sont remplacés par les mots “visées aux articles
517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2, de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
6° au f), les mots “visées aux articles 51 et 58 de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances
ou lorsque l’Office de contrôle n’a pas notifié de décision
dans le délai fixé à l’article 51, alinéa 2, de la même loi;” sont
remplacés par les mots “visées aux articles 108, § 3 et 115,
§ 2, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
Art. 693
Dans l’article 75, § 1er, de la même loi, le 3° est abrogé.
CHAPITRE V
Modification de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat
d’assurance terrestre
Art. 694
Dans l’article 140, alinéa 4, de la loi du 25 juin 1992 sur le
contrat d’assurance terrestre, modifié en dernier lieu par la
loi du 30 juillet 2013, les mots “de l’article 21octies de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances” sont remplacés par les mots “de l’article 504 de la loi
du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance”.
CHAPITRE VI
Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la
prévention de l’utilisation du système financier aux
fins du blanchiment de capitaux et du financement du
terrorisme
Art. 695
Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 relative
à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins
du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme,
modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
705
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° in de bepaling onder 6° worden de woorden “, met
toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen
door de woorden “met toepassing van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”;
2° in de bepaling onder 7° worden de woorden “bedoeld
in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke-
ringsondernemingen; “vervangen door de woorden “bedoeld
in de wet van [____] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
HOOFDSTUK VII
Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut
van en het toezicht op de beleggingsondernemingen
Art. 696
In artikel 45, § 1 van de wet van 6 april 1995 inzake het
statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt de
bepaling onder 2° vervangen als volgt:
“2° de verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
Art. 697
In artikel 95bis, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “hetzij een
verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis,
1° en 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen, hetzij een herverzekerings-
onderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van
de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf”
vervangen door de woorden “hetzij een verzekerings- of her-
verzekeringsonderneming waarvan de zetel gelegen is in een
lidstaat of in een derde land in de zin van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”;
2° in de bepaling onder 4°, b) worden de woorden
“verzekeringsholding in de zin van artikel 91bis, 9°, van
dezelfde wet;” vervangen door de woorden “verzekerings-
holding in de zin van artikel 338, 5°, van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
3° in de bepaling onder 6° worden de woorden “hoofdstuk
VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of artikel 82 van de wet van
16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.” vervangen
1° au 6°, les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 re-
lative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont rempla-
cés par les mots “en application de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
2° au 7°, les mots “visé par la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par
les mots “visé par la loi du [____] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”.
CHAPITRE VII
Modifications de la loi du 6 avril 1995 relative au statut
et au contrôle des entreprises d’investissement
Art. 696
Dans l’article 45, § 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’investissement, modifié
en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, le 2° est remplacé
par ce qui suit:
“2° aux entreprises d’assurance et de réassurance visées
aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 697
Dans l’article 95bis, § 1er, de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au 3°, les mots “soit une entreprise d’assurances
telle que définie à l’article 91bis, 1° et 2°, de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances, soit une entreprise de réassurance telle que définie
à l’article 82, 3° et 4°, de la loi du 16 février 2009 relative à la
réassurance” sont remplacés par les mots “soit une entreprise
d’assurance ou de réassurance ayant son siège social dans
un État membre ou dans un pays tiers au sens de la loi du
[___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance”;
2° au 4°, b), les mots “société holding d’assurances au sens
de l’article 91bis, 9°, de la même loi;” sont remplacés par les
mots “société holding d’assurance au sens de l’article 338,
5°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
3° au 6°, les mots “au chapitre VIIbis de la loi du
9 juillet 1975 ou à l’article 82 de la loi du 16 février 2009 rela-
tive à la réassurance.” sont remplacés par les mots “au Livre II,
706
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
door de woorden “Boek II, Titel V, Hoofdstuk III, van de wet
van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen.”.
HOOFDSTUK VII
Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale
Bank van België
Art. 698
In artikel 35 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wij-
zigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt opgeheven;
2° artikel 35, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van dit
artikel en waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen,
wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende:
“§ 2. Onverminderd paragraaf 1 mag de Bank vertrouwelijke
informatie meedelen:
1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt
voorgeschreven of toegestaan door of krachtens de wet;
2° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de
gerechtelijke autoriteiten;
3° in het kader van administratieve of gerechtelijke be-
roepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van
de Bank, en in het kader van elk ander rechtsgeding waarbij
de Bank partij is;
4° in beknopte of samengevoegde vorm zodat indivi-
duele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden
geïdentificeerd.
De Bank kan de beslissing om strafrechtelijke misdrijven bij
de gerechtelijke autoriteiten aan te geven, openbaar maken.
§ 3. Binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie
en binnen de eventuele beperkingen waarin bij of krachtens
een wet uitdrukkelijk is voorzien, mag de Bank gebruikmaken
van de vertrouwelijke informatie waarover zij in het kader
van haar wettelijke opdrachten beschikt, om haar taken en
opdrachten als bedoeld in de artikelen 12, § 1, 12ter, 36/2,
36/3 en haar opdrachten binnen het ESCB uit te voeren.”
Art. 699
In Hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een artikel 35/1 in-
gevoegd, luidende:
“Art. 35/1. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de
grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank
vertrouwelijke informatie meedelen:
Titre V, Chapitre III, de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”.
CHAPITRE VII
Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut
organique de la Banque nationale de Belgique
Art. 698
Dans l’article 35 de la même loi, modifié en dernier lieu
par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 2 est abrogé;
2° l’article 35, tel que modifié par le 1° du présent article
et dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété
par les paragraphes 2 et 3 rédigés comme suit:
“§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la Banque peut com-
muniquer des informations confidentielles:
1° dans les cas où la communication de telles informations
est prévue ou autorisée par ou en vertu de la loi;
2° pour dénoncer des infractions pénales aux autorités
judiciaires;
3° dans le cadre de recours administratifs ou juridictionnels
contre les actes ou décisions de la Banque ou dans le cadre
de toute autre instance à laquelle la Banque est partie;
4° sous une forme sommaire ou agrégée de façon à ce
que des personnes physiques ou morales individuelles ne
puissent pas être identifiées.
La Banque peut rendre publique la décision de dénoncer
des infractions pénales aux autorités judiciaires.
§ 3. Dans les limites du droit de l’Union européenne et
des éventuelles restrictions expressément prévues par ou en
vertu d’une loi, la Banque peut faire usage des informations
confidentielles qu’elle détient dans le cadre de ses missions
légales, pour l’accomplissement de ses missions visées aux
articles 12, § 1er, 12ter, 36/2, 36/3 et de ses missions au sein
du SEBC.”.
Art. 699
Dans le Chapitre IV de la même loi, il est inséré un article
35/1 rédigé comme suit:
“Art. 35/1. § 1er. Par dérogation à l’article 35 et dans les
limites du droit de l’Union européenne, la Banque peut com-
muniquer des informations confidentielles:
707
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° die zij ontvangen heeft in het kader van de uitvoering
van haar opdracht als bedoeld in artikel 39 van de wet van
11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het finan-
ciële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering
van terrorisme,
a) aan de autoriteiten van de Europese Unie en van andere
lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan
de autoriteiten van derde Staten die een bevoegdheid uitoe-
fenen die vergelijkbaar is met die als bedoeld in artikel 39 van
de voormelde wet van 11 januari 1993;
b) aan de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie en
van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte
en aan de bevoegde autoriteiten van derde Staten die één
of meerdere bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn
met die als bedoeld in de artikelen 36/2 en 36/3, alsook aan
de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar
zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de
Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale
Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het
beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
2° in het kader van de uitvoering van haar taak als bedoeld
in artikel 12ter, § 1, en met het oog op de uitoefening van die
taak,
a) aan de afwikkelingsautoriteiten van de Europese Unie en
van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte,
alsook aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn
met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel
12ter, § 1;
b) aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel
36/14, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° en 19°;
c) aan de minister van Financiën;
d) aan iedere andere persoon, ongeacht of hij onder het
Belgische recht of onder een buitenlands recht valt, wanneer
dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een
afwikkelingsmaatregel, en met name,
— aan de bijzondere bestuurders die krachtens artikel 281,
§ 2 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het
toezicht op kredietinstellingen zijn benoemd;
— aan het orgaan dat bevoegd is voor de financieringsre-
gelingen voor de afwikkeling;
— aan auditors, boekhouders, juridische en professionele
adviseurs, taxateurs en andere deskundigen die rechtstreeks
of onrechtstreeks door de Bank, een afwikkelingsautoriteit,
een bevoegd ministerie of een potentiële verwerver in de arm
zijn genomen;
— aan een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel
260 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het
toezicht op kredietinstellingen of aan een vehikel voor activa-
beheer als bedoeld in artikel 265 van dezelfde wet;
1° reçues dans le cadre de l’exercice de sa mission visée à
l’article 39 de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention
de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment
de capitaux et du financement du terrorisme,
a) aux autorités de l’Union européenne et d’autres États
membres de l’Espace économique européen ainsi qu’aux au-
torités d’États tiers qui exercent une compétence comparable
à celle visée à l’article 39 de la loi précitée du 11 janvier 1993;
b) aux autorités compétentes de l’Union européenne et
d’autres États membres de l’Espace économique européen
et aux autorités compétentes d’États tiers qui exercent une
ou plusieurs compétences comparables à celles visées
aux articles 36/2 et 36/3, ainsi qu’à la Banque centrale
européenne en ce qui concerne les missions qui lui sont
confiées par le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du
15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne
des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière
de surveillance prudentielle des établissements de crédit;
2° dans le cadre de l’exercice de sa mission visée à l’article
12ter, § 1er, et aux fins de l’accomplissement de cette mission,
a) aux autorités de résolution de l’Union européenne et
d’autres États membres de l’Espace économique européen,
ainsi qu’aux autorités d’États tiers chargées de missions
équivalentes à celles visées à l’article 12ter, § 1er;
b) aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14, § 1er,
1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° et 19°;
c) au ministre des Finances;
d) à toute personne, qu’elle soit de droit belge ou qu’elle
relève d’un droit étranger, lorsque cela s’avère nécessaire à
la planification ou à la réalisation d’une action de résolution,
et notamment,
— aux administrateurs spéciaux nommés en vertu de
l’article 281, § 2 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit;
— à l’organe chargé des dispositifs de financement pour
la résolution;
— aux auditeurs, comptables, conseillers juridiques
et professionnels, évaluateurs et autres experts engagés
directement ou indirectement par la Banque, une autorité de
résolution, un ministère compétent ou un acquéreur potentiel;
— à un établissement-relais visé à l’article 260 de la loi
du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établis-
sements de crédit ou à une structure de gestion des actifs
visée à l’article 265 de la même loi;
708
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
— aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel
36/14, § 1, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°;
— aan de potentiële verwervers van effecten of tegoeden
die respectievelijk zijn uitgegeven of worden aangehou-
den door de instelling die het voorwerp uitmaakt van een
afwikkelingsprocedure.
e) onverminderd de punten a) tot d), aan elke persoon of
autoriteit die met een taak of opdracht is belast als bedoeld
in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van
een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstel-
lingen en beleggingsondernemingen, wanneer de mededeling
van vertrouwelijke informatie over een persoon als bedoeld in
artikel 1, lid 1, onder a), b), c) of d) van de genoemde Richtlijn
voorafgaandelijk werd goedgekeurd door deze persoon of
door de autoriteit die ten aanzien van die persoon een taak
uitoefent die te vergelijken is met die als bedoeld in artikel 12,
§ 1 en artikel 12ter, wanneer deze informatie afkomstig is van
deze persoon of autoriteit;
§ 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens
paragraaf 1 meedelen op voorwaarde dat de autoriteiten,
instellingen of personen die deze informatie ontvangen, deze
informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten,
en dat zij, wat die informatie betreft, aan een beroepsgeheim
zijn gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in
artikel 35. Bovendien mag de informatie die afkomstig is van
een autoriteit van een andere lidstaat enkel bekendgemaakt
worden aan een autoriteit van een derde Staat mits deze
autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking,
en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de
door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt
wordt. Evenzo mag de informatie die afkomstig is van een
autoriteit van een derde Staat enkel bekendgemaakt wor-
den mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze
bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie
alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden
bekendgemaakt wordt.
De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens
paragraaf 1 meedelen aan de autoriteiten van derde Staten
waarmee zij een samenwerkingsakkoord heeft gesloten
waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie.
§ 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de bijzon-
dere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn de Belgische
personen, autoriteiten en instellingen gebonden aan het
in artikel 35 bedoelde beroepsgeheim voor wat betreft de
vertrouwelijke informatie die zij van de Bank ontvangen met
toepassing van paragraaf 1.”
Art. 700
In artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
— aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14, § 1er,
6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°;
— aux acquéreurs potentiels de titres ou d’avoirs respec-
tivement émis ou détenus par l’établissement faisant l’objet
d’une procédure de résolution.
e) sans préjudice des points a) à d), à toute personne ou
autorité investie d’une fonction ou d’une mission en vertu de
la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil
du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et
la résolution des établissements de crédit et des entreprises
d’investissement, lorsque la communication des informations
confidentielles concernant une personne visée à l’article 1er,
paragraphe 1er, point a), b), c) ou d) de ladite Directive a été
préalablement approuvée par cette personne ou par l’autorité
qui exerce une mission identique à celles visées aux articles
12, § 1er et 12ter à l’égard de cette personne, lorsque les
informations proviennent de cette personne ou autorité .
§ 2. La Banque ne peut communiquer des informations
confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu’à la condition
qu’elles soient destinées à l’accomplissement des missions
des autorités, organismes ou personnes qui en sont les
destinataires et que les informations soient dans leur chef
couvertes par un devoir de secret professionnel équivalent
à celui prévu à l’article 35. En outre, les informations pro-
venant d’une autorité d’un autre État membre ne peuvent
être divulguée à une autorité d’un État tiers qu’avec l’accord
explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins
pour lesquelles cette autorité a marqué son accord. De même,
les informations provenant d’une autorité d’un État tiers ne
peuvent être divulguée qu’avec l’accord explicite de cette
autorité et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles
cette autorité a marqué son accord.
La Banque ne peut communiquer des informations confi-
dentielles en vertu du paragraphe 1er qu’aux seules autorités
d’État tiers avec lesquelles elle a conclu un accord de coo-
pération prévoyant un échange d’information.
§ 3. Sans préjudice des dispositions plus sévères des lois
particulières qui les régissent, les personnes, autorités et
organismes belges sont tenus au secret professionnel prévu
à l’article 35 quant aux informations confidentielles qu’ils
reçoivent de la Banque en application du paragraphe 1er.”
Art. 700
Dans l’article 36/1 de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le 6° est remplacé par ce qui suit:
709
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“6° “verzekeringsonderneming of herverzekeringsonderne-
ming”: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
1° of 2° van de wet van [____] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven.
Art. 701
In artikel 36/2, vierde lid van dezelfde wet, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
“Voor het toezicht op de verzekeringsondernemingen duidt
de Bank binnen het directiecomité of onder de personeelsle-
den een vertegenwoordiger aan die met raadgevende stem
zitting heeft in het beheerscomité en in bepaalde technische
comités van het Fonds voor arbeidsongevallen.”;
2° in het tweede lid, waarvan de bestaande tekst met toe-
passing van de bepaling onder 1° van dit artikel het derde lid
zal vormen, worden de woorden “het vorige lid” vervangen
door de woorden “het eerste lid”;
3° het vierde lid, a), waarvan de bestaande tekst met
toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het
vijfde lid, a) zal vormen, wordt aangevuld met de woorden
“en van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en
bedrijfspensioenen”;
4° in het vierde lid, b), waarvan de bestaande tekst met
toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het vijfde
lid, a) zal vormen, worden de woorden “en door de Europese
Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen” inge-
voegd tussen de woorden “door de Europese Bankautoriteit”
en de woorden “vastgestelde maatregelen”.
Art. 702
In artikel 36/3, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “en de ver-
zekerings- en herverzekeringsondernemingen” ingevoegd
tussen de woorden “met uitzondering van de kredietinstel-
lingen” en de woorden “, welke als systeemrelevant moeten
worden beschouwd”.
Art. 703
In artikel 36/6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de
wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
“§ 2. De Bank verstrekt op haar website eveneens de
volgende informatie:
1° naast de wetgeving op het statuut van en het toezicht
op de kredietinstellingen en de beursvennootschappen en de
“6° “entreprise d’assurance ou de réassurance”: toute
entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 1° ou 2° de la loi du
[____] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”;
2° le 7° est abrogé.
Art. 701
Dans l’article 36/2, de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit:
“S’agissant du contrôle des entreprises d’assurance, la
Banque désigne au sein du comité de direction ou parmi
les membres du personnel un représentant qui siège avec
voix consultative au comité de gestion et à certains comités
techniques du Fonds des accidents du travail.”;
2° à l’alinéa 2, dont le texte actuel formera l’alinéa 3 en
application du 1° du présent article, les mots “à l’alinéa pré-
cédent,” sont remplacés par les mots “à l’alinéa 1er,”;
3° l’alinéa 4, a), dont le texte actuel formera l’alinéa 5, a)
en application du 1° du présent article, est complété par les
mots “et de l’Autorité européenne des assurances et des
pensions professionnelles”;
4° à l’alinéa 4, b), dont le texte actuel formera l’alinéa
5, a) en application du 1° du présent article, les mots “et
par l’Autorité européenne des assurances et des pensions
professionnelles” sont insérés entre les mots “par l’Autorité
bancaire européenne” et les mots “et, si elle ne le fait pas,”.
Art. 702
Dans l’article 36/3, § 2 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “et des entreprises
d’assurance et de réassurance” sont insérés entre les mots “à
l’exception des établissements de crédit” et les mots “, ceux
qui doivent être considérés comme systémiques”.
Art. 703
Dans l’article 36/6 de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 25 avril 2014, le paragraphe 2 est remplacé par
ce qui suit:
“§ 2. La Banque fournit également sur son site internet les
informations suivantes:
1° outre la législation relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit et des sociétés de bourse et la
710
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
wetgeving op het statuut van en het toezicht op de verzeke-
rings- en herverzekeringsondernemingen, evenals de beslui-
ten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met
toepassing van deze wetgeving of van de Europeesrechtelijke
verordeningen ter zake, een omzettingstabel van de bepalin-
gen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht
op kredietinstellingen en beursvennootschappen en toezicht
op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met
opgaaf van de gekozen opties;
2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar wordt
uitgeoefend met toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving
en de taken en activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent,
in het bijzonder de toetsingscriteria en de methodiek die zij
gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 142 van
de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht
op de kredietinstellingen en in de artikelen 318 tot 321 van
de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen;
3° geaggregeerde statistische gegevens over de belang-
rijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde
wetgeving;
4° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten
en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.
De in het eerste lid bedoelde informatie wordt bekend-
gemaakt volgens de richtsnoeren die in voorkomend geval
zijn opgesteld door de Europese Commissie, de Europese
Bankautoriteit of de Europese Autoriteit voor verzekeringen
en bedrijfspensioenen. De Bank zorgt voor een geregelde
actualisering van de op haar website verstrekte informatie.
De Bank maakt ook alle andere informatie bekend die
vereist is met toepassing van de Unierechtelijke handelingen
die van toepassing zijn op het vlak van het toezicht op krediet-
instellingen en beursvennootschappen en op het vlak van het
toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.
De Bank kan volgens de modaliteiten die zij vaststelt en
met inachtneming van het recht van de Europese Unie de
resultaten bekendmaken van de stresstests die zij overeen-
komstig het recht van de Europese Unie heeft uitgevoerd.”.
Art. 704
In Hoofdstuk IV/1, Afdeling 1 van dezelfde wet wordt een
artikel 36/7/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 36/7/1. Tegen een personeelslid van een financiële
instelling als bedoeld in artikel 36/2 die de Bank te goeder
trouw heeft ingelicht over een feitelijke of vermeende inbreuk
op de wetten en reglementen die het statuut van en het toe-
zicht op de genoemde financiële instellingen regelen, kunnen
geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke
vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties
worden uitgesproken omwille van het feit dat hij deze infor-
matie heeft verstrekt.
législation relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance et de réassurance, ainsi que les arrêtés, règle-
ments et circulaires pris en exécution ou en application de ces
législations ou des règlements du droit de l’Union européenne
relatifs à ces matières, un tableau de transposition des dispo-
sitions des directives européennes relatives à la surveillance
prudentielle des établissements de crédit et des sociétés de
bourse et à la surveillance des entreprises d’assurance et de
réassurance, indiquant les options retenues;
2° les objectifs du contrôle qu’elle exerce en application
des législations visées au 1° et les fonctions et activités exer-
cées à ce titre, en particulier, les critères de vérification et les
méthodes qu’elle utilise pour procéder à l’évaluation visée à
l’article 142 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au
contrôle des établissements de crédit et aux articles 318 à
321 de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance et de réassurance;
3° des données statistiques agrégées sur les principaux
aspects relatifs à l’application des législations visées au 1°;
4° toute autre information prescrite par les arrêtés et règle-
ments pris en exécution de la présente loi.
Les informations visées à l’alinéa 1er sont publiées selon les
lignes directrices établies, le cas échéant, par la Commission
européenne, l’Autorité bancaire européenne ou l’Autorité eu-
ropéenne des assurances et des pensions professionnelles.
La Banque veille à actualiser régulièrement les informations
fournies sur son site internet.
La Banque publie également toutes autres informa-
tions requises en application des actes du droit de l’Union
européenne applicables dans le domaine du contrôle des
établissements de crédit et des sociétés de bourse et dans
le domaine du contrôle des entreprises d’assurance et de
réassurance.
La Banque peut publier, selon les modalités qu’elle déter-
mine et dans le respect du droit de l’Union européenne, les
résultats des tests de résistance conduits conformément au
droit de l’Union européenne.”.
Art. 704
Dans le Chapitre IV/1, Section 1ère, de la même loi, il est
inséré un article 36/7/1 rédigé comme suit:
“Art. 36/7/1. Le membre du personnel d’un établissement
financier visé à l’article 36/2 qui a informé la Banque, de bonne
foi, d’une infraction supposée ou avérée aux lois et règlements
qui régissent le statut et le contrôle desdits établissements
financiers, ne peut faire l’objet d’aucune action civile, pénale
ou disciplinaire ni se voir imposer aucune sanction profession-
nelle, qui serait intentée ou prononcée en raison du fait qu’il
a procédé à ladite information.
711
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Elke nadelige of discriminatoire behandeling van deze
persoon alsook elke verbreking van de arbeidsverhouding
naar aanleiding van de melding die deze persoon heeft ver-
richt, is verboden.
In geval van niet-naleving van het eerste en het tweede
lid kan de Bank een administratieve sanctie uitspreken met
toepassing van de bepalingen betreffende administratieve
sancties die opgenomen zijn in de wetgeving met betrekking
tot het statuut van en het toezicht op instellingen als bedoeld
in artikel 36/2.”.
Art. 705
Artikel 36/13 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 706
In artikel 36/14 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, 5° worden de woorden “deposito- of
beleggersbeschermingsregeling” vervangen door de woor-
den “beschermingsregeling voor deposito’s, beleggers of
levensverzekeringen”;
2° paragraaf 1, 12° wordt vervangen als volgt:
“12° binnen de grenzen van het recht van de Europese
Unie, aan de Belgische mededingingsautoriteit;”;
3° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 21° ingevoegd,
luidende:
“21° aan de Controledienst voor de ziekenfondsen en de
landsbonden van ziekenfondsen, voor de uitoefening van
zijn wettelijke opdrachten als bedoeld in artikel 303, § 3 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, met be-
trekking tot de maatschappijen van onderlinge bijstand als
bedoeld in artikel 43bis, § 5 of artikel 70, §§ 6, 7 en 8 van de
wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en
de landsbonden van ziekenfondsen en hun verrichtingen;”;
4° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 22° ingevoegd,
luidende:
“22° binnen de grenzen van het recht van de Europese
Unie, aan de afwikkelingsautoriteiten als bedoeld in artikel
3 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van
een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstel-
lingen en beleggingsondernemingen, aan de autoriteiten van
derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn
met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1, waarmee de Bank een
samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien
in de uitwisseling van informatie, alsook aan de bevoegde
Tout traitement défavorable ou discriminatoire à l’égard
de cette personne ainsi que toute rupture de la relation de
travail en raison du signalement auquel cette personne a
procédé, est interdit.
En cas de manquement aux alinéas 1er et 2, la Banque
peut prononcer une sanction administrative en application des
dispositions relatives aux sanctions administratives contenues
dans les législations régissant le statut et le contrôle des
établissements visés à l’article 36/2.”.
Art. 705
L’article 36/13 de la même loi est abrogé.
Art. 706
Dans l’article 36/14 de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 1er, 5°, les mots “système de protection
des dépôts ou des investisseurs;” sont remplacés par les mots
“système de protection des dépôts, des investisseurs ou des
assurances sur la vie;”;
2° le paragraphe 1er, 12°, est remplacé par ce qui suit:
“12° dans les limites du droit de l’Union européenne, à
l’Autorité belge de la concurrence;”;
3° au paragraphe 1er, il est inséré un 21° rédigé comme suit:
“21° à l’Office de contrôle des mutualités et des unions
nationales de mutualités, pour l’exercice de ses missions
légales visées à l’article 303, § 3 de la loi du [___] 2015 rela-
tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance, en ce qui concerne les sociétés mutualistes
visées à l’article 43bis, § 5, ou à l’article 70, §§ 6, 7 et 8, de
la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions
nationales de mutualités et leurs opérations;”;
4° au paragraphe 1er, il est inséré un 22° rédigé comme suit:
“22° dans les limites du droit de l’Union européenne, aux
autorités de résolution visées à l’article 3 de la Directive
2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du
15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la
résolution des établissements de crédit et des entreprises
d’investissement, aux autorités d’États tiers chargées de
missions équivalentes à celles visées à l’article 12ter, § 1er
avec lesquelles la Banque a conclu un accord de coopération
prévoyant un échange d’information, ainsi qu’aux ministères
compétents des États membres de l’Espace économique
712
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ministeries van de lidstaten van de Europese Economische
Ruimte, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uit-
voeren van afwikkelingsmaatregel.”;
5° in paragraaf 3 wordt het woord “personen,” ingevoegd
tussen de woorden “de in § 1 bedoelde Belgische” en de
woorden “autoriteiten en instellingen”.
Art. 707
In artikel 36/16 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 12 november 2013, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Overeenkomstig het recht van de Europese Unie werkt
de Bank ook samen met De Europese Bankautoriteit, de
Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioe-
nen, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de
Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar
zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de
Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale
Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het
beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen.”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “eerste lid,” ingevoegd
tussen de woorden “waarvan sprake in § 1,” en de woorden
“overeenkomsten”;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 708
In artikel 36/22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 27 mei 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 7° worden de woorden “krachtens
artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen; eenzelfde beroep kan worden
ingesteld indien de Bank geen uitspraak heeft gedaan binnen
de termijn vastgelegd bij het vierde lid van voormeld artikel
4; in dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de
aanvraag verworpen bij het verstrijken van de termijn;” vervan-
gen door de woorden “krachtens de artikelen 28 en 584 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 8° wordt opgeheven;
3° de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt:
“9° door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
tegen de beslissingen tot tariefverhoging die de Bank heeft
genomen krachtens artikel 504 van de voormelde wet van
[___] 2015;”;
européen lorsque cela s’avère nécessaire à la planification
ou à la réalisation d’une action de résolution.”;
5° au paragraphe 3, le mot “personnes,” est inséré entre
les mots “qui les régissent, les” et les mots “autorités et
organismes belges”.
Art. 707
Dans l’article 36/16 de la même loi, modifié en dernier
lieu par l’arrêté royal du 12 novembre 2013, les modifications
suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“De même, conformément au droit de l’Union européenne,
la Banque coopère avec l’Autorité bancaire européenne,
l’Autorité européenne des assurances et des pensions pro-
fessionnelles, l’Autorité européenne des marchés financiers,
ainsi que la Banque centrale européenne en ce qui concerne
les missions qui lui sont confiées par le Règlement (UE)
n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la
Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant
trait aux politiques en matière de surveillance prudentielle des
établissements de crédit.”;
2° au paragraphe 2, les mots “, alinéa 1er,” sont insérés
entre les mots “visées au § 1er” et les mots “des accords”;
3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 708
Dans l’article 36/22 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 27 mai 2014, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au 7°, les mots “en vertu de l’article 4 de la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances; un même recours est ouvert lorsque la Banque n’a pas
statué dans les délais fixés à l’alinéa 4 de l’article 4 précité;
dans ce dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait
eu rejet de la demande;” sont remplacés par les mots “en
vertu des articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
2° le 8° est abrogé;
3° le 9° est remplacé par ce qui suit:
“9° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre
les décisions de relèvement de tarif prises par la Banque en
vertu de l’article 504 de la loi du [___] 2015 précitée;”;
713
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
4° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt:
“10° door de verzekerings- of herverzekeringsonderne-
ming, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen
krachtens artikel 517, § 1, 1°, 2°, 4°, 6° en 7° van de voormelde
wet van [___] 2015;”;
5° de bepaling onder 11° wordt vervangen als volgt:
“11° door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming,
tegen de beslissingen tot herroeping van de vergunning die
de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 517, § 1, 8°,
541 en 598, § 2 van de voormelde wet van [___] 2015;”;
6° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt:
“12° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslis-
singen tot verzet die de Bank heeft genomen krachtens de
artikelen 108, § 3 en 115, § 2 van de voormelde wet van [___]
2015, of wanneer de Bank geen beslissing heeft meegedeeld
binnen de termijnen vastgelegd in de artikelen 108, § 3,
tweede lid en 115, § 2, tweede lid van dezelfde wet;”;
7° er wordt een bepaling onder 12bis° ingevoegd, luidende:
“12bis° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslis-
singen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 569 van
de voormelde wet van [___] 2015;”;
8° de bepaling onder 14° wordt opgeheven;
9° de bepaling onder 15° wordt vervangen als volgt:
“15° door de herverzekeringsonderneming, tegen de be-
slissingen tot verzet die de Bank heeft genomen krachtens
de artikelen 114 en 121 van de voormelde wet, voor zover zij
respectievelijk verwijzen naar de artikelen 108, § 3 en 115,
§ 2 van dezelfde wet of wanneer de Bank geen beslissing heeft
meegedeeld binnen de termijnen vastgelegd in de artikelen
108, § 3, tweede lid en 121, 2° van dezelfde wet;”;
10° de bepaling onder 16° wordt opgeheven;
11° de bepaling onder 17° wordt opgeheven;
12° de bepaling onder 18° wordt vervangen als volgt:
“18° door de herverzekeringsonderneming, tegen de be-
slissingen die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen
600 en 601, voor zover zij respectievelijk verwijzen naar de
artikelen 580 en 598 van de voormelde wet;”;
13° de bepaling onder 22° wordt vervangen als volgt:
“22° door de betrokken instelling, tegen de beslissingen
die de Bank heeft genomen krachtens artikel 517, § 6 van
de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
4° le 10° est remplacé par ce qui suit:
“10° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre
les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 517,
§ 1er, 1°, 2°, 4°, 6° et 7°, de la loi du [___] 2015 précitée;”;
5° le 11° est remplacé par ce qui suit:
“11° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre
les décisions de révocation de l’agrément prises par la Banque
en vertu de des articles 517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2 de la loi
du [___] 2015 précitée;”;
6° le 12° est remplacé par ce qui suit:
“12° à l’entreprise d’assurance, contre les décisions
d’opposition prises par la Banque en vertu des articles 108,
§ 3 et 115, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée ou lorsque la
Banque n’a pas notifié de décision dans les délais fixés aux
articles 108, § 3, alinéa 2 et 115, § 2, alinéa 2, de la même loi;”;
7° il est inséré un 12bis° rédigé comme suit:
“12bis° à l’entreprise d’assurance, contre les décisions
prises par la Banque en vertu de l’article 569 de la loi du
[___] 2015 précitée;”;
8° le 14° est abrogé;
9° le 15° est remplacé par ce qui suit:
“15° à l’entreprise de réassurance, contre les décisions
d’opposition prises par la Banque en vertu des articles 114 et
121 de la loi précitée en ce qu’ils réfèrent respectivement
aux articles 108, § 3 et 115, § 2 de la même loi ou lorsque la
Banque n’a pas notifié de décision dans les délais fixés aux
articles 108, § 3, alinéa 2, et 121, 2°, de la même loi;”;
10° le 16° est abrogé;
11° le 17° est abrogé;
12° le 18° est remplacé par ce qui suit:
“18° à l’entreprise de réassurance, contre les décisions
prises par la Banque en vertu des articles 600 et 601 en ce
qu’ils réfèrent respectivement aux articles 580 et 598 de la
loi précitée;”;
13° le 22° est remplacé par ce qui suit:
“22° à l’établissement concerné, contre les décisions
prises par la Banque en vertu de l’article 517, § 6 de la loi du
[___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”.
714
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 709
In artikel 36/24, § 1, 1° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “ten opzichte
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der ver-
zekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “ten
opzichte van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”.
HOOFDSTUK IX
Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende
het toezicht op de financiële sector en de financiële
diensten
Art. 710
In artikel 45, § 1, 3°, f, van de wet van 2 augustus 2002 be-
treffende het toezicht op de financiële sector en de financiële
diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wor-
den de woorden “artikel 14bis van de wet van 9 juli 1975 be-
treffende de controle der verzekeringsondernemingen,”
vervangen door de woorden “artikel 42 van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen,”.
Art. 711
In artikel 121, § 1, 4° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “artikel 82,
§ 1, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 betreffende de con-
trole der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de
woorden “de artikelen 294, § 1, 1°, 295, § 1, 1°, 299, § 1 en 300,
§ 1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”.
Art. 712
In artikel 122 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder
12° vervangen als volgt:
“12° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslis-
singen tot uitbreiding van het verzoek om inlichtingen die de
FSMA heeft genomen krachtens artikel 286, § 3, van de wet
van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;”
HOOFDSTUK X
Wijzigingen in de programmawet (I) van
24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen
voor zelfstandigen
Art. 713
In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002:
wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen, laatste-
lijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
Art. 709
Dans l’article 36/24, § 1er, 1°, de la même loi, modifié en
dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “à la loi du
9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances,” sont remplacés par les mots “à la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance,”.
CHAPITRE IX
Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services
financiers
Art. 710
Dans l’article 45, § 1er, 3°, f, de la loi du 2 août 2002 rela-
tive à la surveillance du secteur financier et aux services
financiers, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014,
les mots “l’article 14bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par
les mots “l’article 42 de la loi du [___] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”.
Art. 711
Dans l’article 121, § 1er, 4°, de la même loi, modifié en
dernier lieu par la loi du 19 avril 2014, les mots “de l’article 82,
§ 1er, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots
“des articles 294, § 1er, 1°, 295, § 1er, 1°, 299, § 1er et 300, § 1er
de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances,”.
Art. 712
Dans l’article 122 de la même loi, modifié en dernier par
l’arrêté royal du 3 mars 2011, le 12° est remplacé par ce qui
suit:
“12° à l’entreprise d’assurance contre les décisions de
demande d’extension de renseignements prises par la FSMA
en vertu de l’article 286, § 3, de la loi du 4 avril 2014 relative
aux assurances;”.
CHAPITRE X
Modifications de la loi programme (I) du
24 décembre 2002: loi sur les pensions
complémentaires des indépendants
Art. 713
Dans l ’article 42 de la loi programme (I) du
24 décembre 2002: loi sur les pensions complémentaires des
indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2014,
les modifications suivantes sont apportées:
715
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden “bedoeld in
artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door
de woorden “bedoeld in de Boeken II en III van de wet van
[___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen,”;
2° in de bepaling onder 12° worden de woorden “de wet
van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings-
ondernemingen” vervangen door de woorden “de wet van
[___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 714
Artikel 81 van dezelfde wet wordt opgeheven.
HOOFDSTUK XI
Wijziging in de wet van 28 april 2003 betreffende de
aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die
pensioenen en van sommige aanvullende voordelen
inzake sociale zekerheid
Art. 715
In artikel 3, § 1 van de wet van 28 april 2003 betreffende de
aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensi-
oenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale
zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 16° worden de woorden “een
instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van
9 juli 1975” vervangen door de woorden “een instelling bedoeld
in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015”;
2° in de bepaling onder 20° worden de woorden “de wet
van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verzekeringson-
dernemingen” vervangen door de woorden “de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
HOOFDSTUK XII
Wijzigingen in de wet van 27 oktober 2006 betreffende
het toezicht op de instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening
Art. 716
In artikel 3, § 1 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende
het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzie-
ning wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
“3° een verzekeringsonderneming bedoeld in de Boeken
II en III van de wet van [___]2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”
1° au 2°, les mots “visés à l’article 2, § 1er ou § 3, 5°, de
la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances,” sont remplacés par les mots “visés aux Livres
II et III de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance et de réassurance,”;
2° au 12°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par
les mots “la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 714
L’article 81 de la même loi est abrogé.
CHAPITRE XI
Modification de la loi du 28 avril 2003 relative aux
pensions complémentaires et au régime fiscal de
celles-ci et de certains avantages complémentaires en
matière de sécurité sociale
Art. 715
Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 28 avril 2003 relative aux
pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et
de certains avantages complémentaires en matière de sécu-
rité sociale, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2014,
les modifications suivantes sont apportées:
1° au 16°, les mots “un organisme visé à l’article 2, § 1er ou
§ 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots
“un organisme visé aux Livres II et III de la loi du [___] 2015”;
2° au 20°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par
les mots “la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
CHAPITRE XII
Modifications de la loi du 27 octobre 2006 relative au
contrôle des institutions de retraite professionnelle
Art. 716
Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 27 octobre 2006 relative
au contrôle des institutions de retraite professionnelle, le 3°
est remplacé par ce qui suit:
“3° une entreprise d’assurance visée aux Livres II et III
de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance.”
716
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 717
In artikel 5, tweede lid van dezelfde wet wordt de bepaling
onder 6° vervangen als volgt:
“6° van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld
door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de
verzekeringen.”.
Art. 718
In artikel 139, eerste lid, 2de streepje van dezelfde wet wor-
den de woorden “, bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in de Boeken
II en III van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 719
Artikel 227 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 720
In artikel 228, § 3 van dezelfde wet worden de woorden “in-
gesteld door artikel 41 van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen
door de woorden “ingesteld door artikel 301 van de wet van
4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”.
HOOFDSTUK XII
Wijzigingen in de wet van 3 augustus 2012 betreffende
de instellingen voor collectieve belegging die voldoen
aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de
instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 721
In artikel 3 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende
de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de bepaling onder 45° wordt vervangen als volgt:
“45° “wet van [___]2015”: de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 55° wordt opgeheven.
Art. 717
Dans l’article 5, alinéa 2, de la même loi, le 6° est remplacé
par ce qui suit:
“6° de la Commission des Assurances instituée par l’article
301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”.
Art. 718
Dans l’article 139, alinéa 1er, 2e tiret, de la même loi, les
mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par
les mots “visée aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 rela-
tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”.
Art. 719
L’article 227 de la même loi est abrogé.
Art. 720
Dans l’article 228, § 3 de la même loi, les mots “instituée
par l’article 41 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots
“instituée par l’article 301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux
assurances.”.
CHAPITRE XII
Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent
aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux
organismes de placement en créances
Art. 721
Dans l’article 3 de la loi du 3 août 2012 relative aux orga-
nismes de placement collectif qui répondent aux conditions
de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014,
les modifications suivantes sont apportées:
1° le 45° est remplacé par ce qui suit:
“45° par “loi du [___]2015”: la loi du [___]2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
2° le 55° est abrogé.
717
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 722
In artikel 241 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij
de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, 2° worden de woorden “artikel 91octies-
decies van de wet van 9 juli 1975 of artikel 98 van de wet van
16 februari 2009;” vervangen door de woorden “artikel 338,
7° van de wet van [__]2015;”;
2° in paragraaf 1, 3°, tweede lid worden de woorden “hoofd-
stuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of titel VIII van de wet
van 16 februari 2009.” vervangen door de woorden “Titel V,
Hoofdstuk II van de wet van [___]2015.”;
3° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 98 van de wet
van 16 februari 2009 of artikel 91octiesdecies van de wet van
9 juli 1975,” vervangen door de woorden “Titel V, Hoofdstuk III
van de wet van [___] 2015,”.
HOOFDSTUK XIV
Wijziging in de wet van 26 december 2013 houdende
diverse bepalingen inzake de thematische
volksleningen
Art. 723
In artikel 2, 6° van de wet van 26 december 2013 houdende
diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen
worden de woorden “met een toelating op grond van artikel
2bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen” en de woorden “op grond van
Hoofdstuk Vter van de voornoemde wet van 9 juli 1975;”
respectievelijk vervangen door de woorden “, waaraan een
vergunning is verleend op grond van artikel 28 van de wet van
[___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen” en door de woorden “op
grond van Boek III, Titel I van de voornoemde wet van [___]
2015;”.
HOOFDSTUK XV
Wijzigingen in de wet van 4 april 2014 betreffende de
verzekeringen
Art. 724
In artikel 5 van de wet van 4 april 2014 betreffende de
verzekeringen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 40° wordt vervangen als volgt:
“40° “Herverzekeringsonderneming”: een onderneming als
gedefinieerd in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 42° wordt vervangen als volgt:
Art. 722
Dans l’article 241 de la même loi, modifié en dernier lieu
par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 1er, 2°, les mots “de l’article 91octies
decies de la loi du 9 juillet 1975 ou de l’article 98 de la loi du
16 février 2009;” sont remplacés par les mots “de l’article 338,
7° de la loi du [__]2015;”;
2° au paragraphe 1er, 3°, alinéa 2, les mots “du chapitre
VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 ou du titre VIII de la loi du
16 février 2009.” sont remplacés par les mots “du Titre V,
Chapitre II de la loi du [___]2015.”;
3° au paragraphe 5, les mots “de l’article 98 de la loi
du 16 février 2009 ou de l’article 91octiesdecies de la loi
du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “du Titre V,
Chapitre III de la loi du [___] 2015,”.
CHAPITRE XIV
Modification de la loi du 26 décembre 2013 portant
diverses dispositions concernant les prêts-citoyens
thématiques
Art. 723
Dans l’article 2, 6°, de la loi du 26 décembre 2013 por-
tant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens
thématiques, les mots “agréée sur la base de l’article 2bis
de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances” et les mots “sur la base du Chapitre Vter de la
loi du 9 juillet 1975 précitée;” sont respectivement remplacés
par les mots “agréée sur la base de l’article 28 de la loi du
[___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance” et par les mots “sur la base
du Livre III, Titre Ier de la loi du [___] 2015 précitée;”.
CHAPITRE XV
Modifications de la loi du 4 avril 2014 sur les
assurances
Art. 724
Dans l’article 5 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances,
les modifications suivantes sont apportées:
1° le 40° est remplacé par ce qui suit:
“40° “entreprise de réassurance”: une entreprise telle que
définie à l’article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du [___] 2015 rela-
tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou
de réassurance;”;
2° le 42° est remplacé par ce qui suit:
718
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“42° “Wet van [___] 2015”: de wet van [___]2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 725
In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden “de wet
van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “de wet van
[___] 2015,”.
Art. 726
In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden “de in
artikel 78 van de wet van 9 juli 1975 bedoelde publicatie”
vervangen door de woorden “de in de artikelen 106 of 567,
§ 2 van de wet van [___] 2015 bedoelde publicatie”.
Art. 727
In artikel 18, § 1 van dezelfde wet worden de woorden
“bedoeld in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975” vervangen
door de woorden “bedoeld in de artikelen 106 of 567, § 2 van
de wet van [___] 2015”.
Art. 728
In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “of met de bepalingen
van de wet van 9 juli 1975” en de woorden “dan wel met de
bepalingen van de wet van 9 juli 1975” respectievelijk vervan-
gen door de woorden “of met de bepalingen van de wet van
[___] 2015” en door de woorden “dan wel met de bepalingen
van de wet van [___] 2015”;
2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 729
In artikel 33, § 2 van dezelfde wet worden de woorden
“zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975,” ver-
vangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel 557 van de
wet van [___] 2015,”.
Art. 730
In artikel 34, eerste lid, b) van dezelfde wet worden de woor-
den “zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975”
vervangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel 557 van
de wet van [___] 2015”.
“42° “la loi du [___] 2015”: la loi du [___]2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”.
Art. 725
Dans l’article 7 de la même loi, les mots “, de la loi du
9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “, de la loi du
[___] 2015,”.
Art. 726
Dans l’article 17 de la même loi, les mots “visée à l’article
78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots
“visée aux articles 106 ou 567, § 2 de la loi du [___] 2015”.
Art. 727
Dans l’article 18, § 1er, de la même loi, les mots “visée à
l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les
mots “visée aux articles 106 ou 567,§ 2 de la loi du [___] 2015”.
Art. 728
Dans l’article 22 de la même loi, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au paragraphe 1er, les mots “ou aux dispositions de la loi
du 9 juillet 1975” et les mots “ou avec les dispositions de la loi
du 9 juillet 1975” sont respectivement remplacés par les mots
“ou aux dispositions de la loi du [___] 2015” et par les mots
“ou avec les dispositions de la loi du [___] 2015”;
2° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 729
Dans l’article 33, § 2, de la même loi, les mots “tel que visé
à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par
les mots “tel que visé à l’article 557 de la loi du [___] 2015”.
Art. 730
Dans l’article 34, alinéa 1er, b) de la même loi, les mots “tel
que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés
par les mots “tel que visé à l’article 557 de la loi du [___] 2015”.
719
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 731
In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden “overeen-
komstig artikel 21octies, § 2, eerste en tweede lid, van de wet
van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “overeenkomstig
artikel 504 van de wet van [__] 2015”.
Art. 732
In artikel 204, § 4 van dezelfde wet worden de woorden
“artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975” vervangen door
de woorden “artikel 504 van de wet van [___] 2015”.
Art. 733
In artikel 267, § 1, vierde lid van dezelfde wet worden de
woorden “een verzekeringsonderneming onderworpen aan
het aanvullend toezicht op een verzekeringsonderneming in
de zin van artikel 91ter van de Wet van 9 juli 1975,” vervangen
door de woorden “een verzekeringsonderneming die onder-
worpen is aan een groepstoezicht in de zin van artikel [450]
van de wet van [__] 2015,”.
Art. 734
In artikel 297, § 2 van dezelfde wet worden de woorden “de
betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van 9 juli 1975.”
vervangen door de woorden “de betekenis die hieraan wordt
gegeven in de wet van [___] 2015.”.
Art. 735
In artikel 302, § 2, 1° van dezelfde wet worden de woorden
“of van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden
“of van de wet van [___] 2015,”.
HOOFDSTUK XVI
Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en het toezicht op kredietinstellingen
Art. 736
In artikel 2, 2° van de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en het toezicht op kredietinstellingen worden de woor-
den “die geregeld zijn bij de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen.” vervangen
door de woorden “die geregeld zijn bij de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen.”
Art. 737
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
Art. 731
Dans l’article 41 de la même loi, les mots “conformément à
l’article 21octies, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi du 9 juillet 1975”
sont remplacés par les mots “conformément à l’article 504 de
la loi du [__] 2015”.
Art. 732
Dans l’article 204, § 4, de la même loi, les mots “ni à l’article
21octies de la loi du 9 juillet 1975.” sont remplacés par les
mots “ni à l’article 504 de la loi du [___] 2015.”.
Art. 733
Dans l’article 267, § 1er, alinéa 4 de la même loi, les mots
“une entreprise d’assurances soumise à la surveillance
complémentaire sur les entreprises d’assurances au sens de
l’article 91ter de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les
mots “une entreprise d’assurance soumise à un contrôle de
groupe au sens du Titre V, Chapitre II de la loi du [__] 2015”.
Art. 734
Dans l’article 297, § 2, de la même loi, les mots “au sens qui
leur est donné dans la loi du 9 juillet 1975.” est remplacés par
les mots “au sens qui leur est donné dans la loi du [___] 2015.”.
Art. 735
Dans l’article 302, § 2, 1°, de la même loi, les mots “ou de
la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “ou de la
loi du [___] 2015”.
CHAPITRE XVI
Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit
Art. 736
Dans l’article 2, 2° de la loi du 25 avril 2014 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit, les mots “régies
par la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances.” sont remplacés par les mots “régies par la loi
du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance.”.
Art. 737
Dans l’article 3 de la même loi, les modifications suivantes
sont apportées:
720
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° de bepaling onder 26° wordt vervangen als volgt:
“26° de begrippen controle, deelneming, deelnemings-
verhouding, moederonderneming, dochteronderneming,
consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die
hiervan wordt gegeven in de uitvoeringsbesluiten van artikel
106, § 1 van deze wet;”;
2° de bepaling onder 31° wordt vervangen als volgt:
“31° verzekeringsonderneming: een onderneming als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
3° de bepaling onder 32° wordt vervangen als volgt:
“32° herverzekeringsonderneming: een onderneming
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2° van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
4° de bepaling onder 43° wordt vervangen als volgt:
“43° verzekeringsholding: een verzekeringsholding in
de zin van artikel 338, 5° van de wet van [___] 2015 op
het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
5° de bepaling onder 44° wordt vervangen als volgt:
“44° gemengde verzekeringsholding: een gemengde ver-
zekeringsholding in de zin van artikel 338, 6° van de wet van
[___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 738
In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
1° de zin”Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen
heeft de kennisgeving betrekking op de identiteit van de
twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.”
wordt geschrapt;
2° artikel 9, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van dit
artikel en waarvan de bestaande tekst het eerste lid zal vor-
men, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
“Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de
in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de
identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun
kapitaalfractie.”.
Art. 739
In artikel 20, § 1 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° le 26° est remplacé par ce qui suit:
“26° les notions de contrôle, participation, lien de partici-
pation, entreprise-mère, filiale, consortium et entreprise liée,
le sens qui leur est conféré par les arrêtés d’exécution de
l’article 106, § 1er, de la présente loi;”;
2° le 31° est remplacé par ce qui suit:
“31° entreprise d’assurance, une entreprise visée à l’article
5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au
contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
3° le 32° est remplacé par ce qui suit:
“32° entreprise de réassurance, une entreprise visée à
l’article 5, alinéa 1er, 2° de la loi du [___] 2015 relative au
statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”;
4° le 43° est remplacé par ce qui suit:
“43° société holding d’assurance, une société holding
d’assurance au sens de l’article 338, 5° de la loi du [___]
2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assu-
rance ou de réassurance;”;
5° le 44° est remplacé par ce qui suit:
“44° société holding mixte d’assurance, une société holding
mixte d’assurance au sens de l’article 338, 6° de la loi du
[___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;” .
Art. 738
Dans l’article 9 de la même loi, les modifications suivantes
sont apportées:
1° la phrase “A défaut de participation qualifiée, la commu-
nication porte sur l’identité des vingt principaux actionnaires
et leur quotité dans le capital.” est abrogée;
2° l’article 9, tel que modifié par le 1° du présent article et
dont le texte actuel formera l’alinéa 1er, est complété par un
alinéa 2 rédigé comme suit:
“À défaut de participation qualifiée, la communication
visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt principaux
actionnaires et leur quotité dans le capital.”
Art. 739
Dans l’article 20, § 1er, de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
721
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder n)
vervangen als volgt:
“n) de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling
onder z/5), luidende:
“z/5) artikel 605 van de wet van [__] 2015 op het
statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen;”;
3° in de bepaling onder 3° wordt een bepaling onder d)
ingevoegd, luidende:
“d) van de artikelen bedoeld in artikel 605 van de wet van
[__] [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verze-
kerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 740
In artikel 72, § 1, 2° van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van [__] 2015 [___], worden de woorden “, eerste lid” inge-
voegd tussen de woorden “aan de in artikel 9” en de woorden
“bedoelde personen”.
Art. 741
In artikel 164, § 3, 7° van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “, de wet van 9 juli 1975 betreffende de contro-
le der verzekeringsondernemingen,” worden vervangen door
de woorden “, de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”;
2° de woorden “de wet van 6 april 1995, de wet van
16 februari 2009,” worden geschrapt.
Art. 742
In artikel 170 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt het vroegere vierde lid, dat het
derde lid wordt, vervangen als volgt:
“Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de toe-
zichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezicht-
houder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten
die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen
en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.”;
3° in paragraaf 1 wordt het vroegere vijfde lid opgeheven;
4° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
1° au 2°, le n) est remplacé par ce qui suit:
“n) aux articles 83 et 87 de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances;”;
2° le 2° est complété par un z/5) rédigé comme suit:
“z/5) à l’article 605 de la loi du [__] 2015 relative au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance;”;
3° au 3°, un d) rédigé comme suit est inséré:
“d) aux articles visés à l’article 605 de la loi du [__] [___]
2015 relative au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”.
Art. 740
Dans l’article 72, § 1er, 2°, de la même loi, modifié par la loi
du [__] 2015 [___], les mots “, alinéa 1er” sont insérés entre
les mots “aux personnes visées à l’article 9” et les mots “ainsi
qu’aux membres de leurs différents organes”.
Art. 741
Dans l’article 164, § 3, 7°, de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° les mots “, la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “, la loi
du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance,”;
2° les mots “la loi du 16 février 2009 relative à la réassu-
rance,” sont abrogés.
Art. 742
À l’article 170 de la même loi, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au paragraphe 1er, l’alinéa 3 est abrogé;
2° au paragraphe 1er, l’alinéa 4 ancien, devenant l’alinéa 3,
est remplacé par ce qui suit:
“Pour l’application de ce paragraphe, l’autorité de contrôle,
en sa qualité d’autorité de surveillance sur base consolidée,
obtient l’accord des autorités compétentes concernées char-
gées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans
le secteur de l’assurance.”;
3° au paragraphe 1er, l’alinéa 5 ancien est abrogé;
4° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit:
722
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“§ 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien
een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd
staat van een financieel conglomeraat of een gemengde
financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan
gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds
betrekking hebben op het geconsolideerde toezicht, ander-
zijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name
als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd
toezicht, kan de toezichthouder besluiten op deze kredietin-
stelling of gemengde financiële holding alleen de relevante
bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende con-
glomeraatstoezicht toe te passen.”;
5° in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de woor-
den “en die het financieel conglomeraat vormt,” ingevoegd
tussen de woorden “de groep zoals gedefinieerd in artikel
164, § 3” en “in aanmerking worden genomen”;
6° in paragraaf 3, tweede zin, worden de woorden “De
toezichthouder pleegt daartoe overleg” geschrapt;
7° er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende:
“§ 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthou-
der stelt de toezichthouder de EBA en de Europese Autoriteit
voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van
het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het
krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens
§ 3 getroffen coördinatieregeling.”.
Art. 743
In artikel 171, § 2 van dezelfde wet, wordt tussen het derde
en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
“Onverminderd artikel 212, wanneer de toezichthouder
op grond van artikel 111, lid 5 van Richtlijn 2013/36/EU werd
of is aangewezen als consoliderende toezichthouder voor
het uitoefenen van het geconsolideerd toezicht op een kre-
dietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en
waarvan de moederonderneming een financiële holding of
gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder
dat een kredietinstelling naar Belgisch recht aanwezig is in
het geconsolideerde geheel, zijn de bepalingen die gelden
voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2° van
overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding.”.
Art. 744
In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II, Onderafdeling
III van dezelfde wet wordt een artikel 183/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 183/1. Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een
consortium vormt met een of meer andere ondernemingen,
valt onder een geconsolideerd toezicht dat geldt voor alle
ondernemingen van het consortium en hun dochteronderne-
mingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen
als bedoeld in artikel 165, 2° zijn van toepassing.”.
“§ 1/1. Sans préjudice de l’application du paragraphe 2,
lorsqu’un établissement de crédit à la tête d’un conglomérat
financier ou une compagnie financière mixte de droit belge
sont soumis à des dispositions équivalentes du présent
Chapitre qui portent d’une part sur le contrôle sur base
consolidée et d’autre part sur la surveillance complémen-
taire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces
dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques,
l’autorité de contrôle peut décider de n’appliquer à cet éta-
blissement de crédit ou cette compagnie financière mixte que
les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance
complémentaire des conglomérats.”;
5° au paragraphe 2, 1°, les mots “et qui constitue le conglo-
mérat financier,” sont insérés entre les mots “le groupe, tel que
défini à l’article 164, § 3,” et les mots “sera, par dérogation,
pris en considération”;
6° au paragraphe 3, 2e phrase, les mots “L’autorité de
contrôle se concerte à cette fin” sont abrogés;
7° il est inséré un paragraphe 4 rédigé comme suit:
“§ 4. L’autorité de contrôle, en sa qualité d’autorité de
surveillance sur base consolidée, informe l’ABE et l’Autorité
européenne des assurances et des pensions professionnelles
de l’accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la
décision arrêtée en vertu du paragraphe 1/1, et du règlement
de coordination pris en vertu du § 3.”.
Art. 743
A l’article 171, § 2, de la même loi, entre l’alinéa 3 et l’ali-
néa 4, il est inséré un alinéa rédigé comme suit:
“Sans préjudice de l’article 212, lorsque l’autorité de
contrôle a été ou est désignée, en vertu de l’article 111,
paragraphe 5 de la Directive 2013/36/UE, comme autorité de
surveillance sur base consolidée pour l’exercice du contrôle
consolidé à l’égard d’un établissement de crédit qui relève
d’un autre État membre et dont l’entreprise mère est une
compagnie financière ou une compagnie financière mixte de
droit belge, sans qu’un établissement de crédit de droit belge
figure dans l’ensemble consolidé, les dispositions applicables
aux établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, sont
applicables par analogie à la compagnie précitée.”.
Art. 744
Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II, Sous-
section III, de la même loi, il est inséré un article 183/1 rédigé
comme suit:
“Art. 183/1. Un établissement de crédit de droit belge qui
constitue un consortium avec une ou plusieurs autres entre-
prises relève d’un contrôle sur base consolidée qui s’applique
à l’ensemble des entreprises du consortium ainsi qu’à leurs
filiales. Les dispositions applicables aux établissements
de crédit visés à l’article 165, 2°, trouvent à s’appliquer en
l’espèce.”.
723
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 745
In de Nederlandse tekst van artikel 194, § 2 van dezelfde
wet, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt: “4°
regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot
de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikke-
ling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en
-plannen.”.
Art. 746
In de Franse tekst van artikel 196, § 2 van dezelfde wet
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “autorité
compétente belge chargée du contrôle” vervangen door de
woorden “autorité compétente chargée du contrôle”;
2° in de bepaling onder 5° worden de woorden “et que cet
État membre a” vervangen door de woorden “et a dans cet
État membre”.
Art. 747
In artikel 196, § 3 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “paragraaf 1” worden vervangen door de
woorden “paragraaf 2”;
2° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:
“Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid
3 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor
het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op
een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert
en waarvan de moederonderneming een gemengde financiële
holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling
naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onder-
neming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het
toezicht van de toezichthouder is onderworpen, aanwezig is
in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de be-
palingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in
artikel 185, eerste lid, 2° van overeenkomstige toepassing op
de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelingen in
de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld
in artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG.”.
Art. 748
In artikel 210, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woor-
den “, artikel 40 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen, artikel 42 van de
wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf” ver-
vangen door de woorden “, artikel 327 van de wet van [___]
2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen”.
Art. 745
Dans le texte néerlandais de l’article 194, § 2, de la
même loi, le 4° est remplacé par la disposition suivante: “4°
regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot
de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling
van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en
-plannen.”.
Art. 746
Dans le texte français de l’article 196, § 2, de la même loi,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° au 3°, les mots “autorité compétente belge chargée du
contrôle” sont remplacés par les mots “autorité compétente
chargée du contrôle”;
2° au 5°, les mots “et que cet État membre a” sont rempla-
cés par les mots “et a dans cet État membre”.
Art. 747
A l’article 196, § 3, de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées:
1° les mots “paragraphe 1er” sont remplacés par les mots
“paragraphe 2”;
2° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit:
“Lorsque l’autorité de contrôle est désignée, en vertu de
l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE, comme
coordinateur pour l’exercice de la surveillance complémen-
taire des conglomérats à l’égard d’un établissement de
crédit qui relève d’un autre État membre et dont l’entreprise
mère est une compagnie financière mixte de droit belge,
sans qu’un établissement de crédit de droit belge ou une
autre entreprise réglementée de droit belge soumise sur une
base individuelle au contrôle de l’autorité de contrôle figure
dans le groupe constituant le conglomérat, les dispositions
applicables aux établissements de crédit visés à l’article 185,
alinéa 1er, 2°, sont applicables par analogie à la compagnie
précitée, sauf dispositions dérogatoires dans l’accord entre
autorités compétentes visé à l’article 11, paragraphe 3 de la
Directive 2002/87/CE.”.
Art. 748
Dans l’article 210, § 1er, 2°, de la même loi, les mots “,
à l’article 40 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances, à l’article 42 de la loi du
16 février 2009 relative à la réassurance” sont remplacés
par les mots “, à l’article 327 de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance”.
724
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 749
In de Franse tekst van artikel 213, § 1, derde lid van dezelfde
wet worden de woorden “et ces filiales” tussen de woorden “si
ces entreprises” en de woorden “ne tombent pas” geschrapt.
Art. 750
In de Franse tekst van artikel 217, § 1, eerste lid van de-
zelfde wet worden de woorden “ainsi que les compagnies
financières mixtes et leurs filiales” vervangen door de woorden
“ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales”.
Art. 751
In artikel 219, § 4, vijfde lid van dezelfde wet worden de
woorden “met de betrokken bevoegde autoriteiten” vervangen
door de woorden “met de relevante bevoegde autoriteiten”.
Art. 752
In artikel 3, § 1, tweede lid van Bijlage VI van dezelfde wet
worden de woorden “de artikelen 15 en 91nonies van de wet
van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder-
nemingen.” vervangen door de woorden “de artikelen 151 en
456 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”.
HOOFDSTUK XVI
Wijzigingen in het Wetboek van Economisch Recht
Art. 753
In artikel I.9, 72° van het Wetboek van Economisch Recht
worden de woorden “bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 5, eer-
ste lid, 1°, van de wet van [___]2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 754
In artikel VII.119, § 1, 2° van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “door de Koning” worden geschrapt;
2° de woorden “met toepassing van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen;” worden vervangen door de woorden “met toepassing
van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 749
Dans le texte français de l’article 213, § 1er, alinéa 3, de la
même loi, les mots “et ces filiales” situés entre les mots “si
ces entreprises” et les mots “ne tombent pas” sont abrogés.
Art. 750
Dans le texte français de l’article 217, § 1er, alinéa 1er, de
la même loi, les mots “ainsi que les compagnies financières
mixtes et leurs filiales” sont remplacés par les mots “ainsi que
les compagnies mixtes et leurs filiales”.
Art. 751
Dans l’article 219, § 4, alinéa 5, de la même loi, les mots
“avec les autorités compétentes concernées” sont remplacés
par les mots “avec les autorités compétentes relevantes”.
Art. 752
Dans l’article 3, § 1er, alinéa 2 de l’Annexe VI de la même
loi, les mots “la marge de solvabilité imposée par les articles
15 et 91nonies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d’assurances.” sont remplacés par les mots
“les exigences de solvabilité conformément aux articles 151 et
358 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance.” .
CHAPITRE XVI
Modifications au Code de droit économique
Art. 753
Dans l’article I.9, 72°, du Code de droit économique, les
mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés
par les mots “visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du
[___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance;”.
Art. 754
Dans l’article VII.119, § 1er, 2°, du même Code, inséré par la
loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “par le Roi” sont abrogés;
2° les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés
par les mots “en application de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance;”.
725
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Art. 755
In artikel VII.173 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 19 april 2014, worden de woorden “hetzij als ver-
zekeringsondernemingen op de in artikel 4 van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen bedoelde lijst” vervangen door de woorden “hetzij als
verzekeringsondernemingen op de lijst als bedoeld in artikel
31 van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht
op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 756
In artikel VII.176, § 3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 19 april 2014, worden de woorden “op de in de arti-
kelen 4 en 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle
der verzekeringsondernemingen bedoelde lijsten” vervangen
door de woorden “op de lijsten als bedoeld in de artikelen
31 en 555 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Art. 757
In artikel XI.250, tweede lid van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder o)
vervangen als volgt:
“o) de artikelen 83 tot 87 van de wet van 9 juli 1975 betref-
fende de controle der verzekeringsondernemingen;”;
2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling
onder s), luidende:
“s) artikel 605 van de wet van [__]2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”.
Art. 758
In artikel XII.4, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 15 december 2013, worden de woorden “blijven
de hoofdstukken IIIbis, IIIter, Vbis en Vter van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne-
mingen van toepassing.” vervangen door de woorden “blijven
Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdelingen 2 tot 4, en Boek III,
Titel I van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
van toepassing.”.
Art. 755
Dans l’article VII.173 du même Code, inséré par la loi du
19 avril 2014, les mots “soit comme entreprises d’assurances
sur la liste prévue à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative
au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés
par les mots “soit comme entreprises d’assurance sur la liste
prévue à l’article 31 de la loi du [__] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 756
Dans l’article VII.176, § 3, du même Code, inséré par la
loi du 19 avril 2014, les mots “aux articles 4 et 66 de la loi
du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu-
rances” sont remplacés par les mots “aux articles 31 et
555 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle
des entreprises d’assurance ou de réassurance”.
Art. 757
Dans l’article XI.250, alinéa 2, du même Code, inséré par la
loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 2°, le o) est remplacé par ce qui suit:
“o) aux articles 83 à 87 de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d’assurances;”;
2° le 2° est complété par un s) rédigé comme suit:
“s) à l’article 605 de la loi du [__]2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”.
Art. 758
Dans l’article XII.4, alinéa 1er, du même Code, inséré par la
loi du 15 décembre 2013, les mots “les chapitres IIIbis, IIIter,
Vbis et Vter de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des
entreprises d’assurances restent d’application.” sont rempla-
cés par les mots “le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section 2 à 4,
et le Livre III, Titre Ier de la loi du [__] 2015 relative au statut et
au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance
sont d’application.”.
726
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
HOOFDSTUK XVII
Overige bepalingen
Art. 759
In de wetten die verwijzingen bevatten naar Bijlage I van
het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen
reglement betreffende de controle op de verzekeringsonder-
nemingen, moeten deze verwijzingen worden gelezen als
verwijzingen naar Bijlage I van de wet van [__] 2015 op het
statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzeke-
ringsondernemingen voor wat betreft de groep van activiteiten
“niet-leven” en als verwijzingen naar Bijlage II van dezelfde
wet voor wat betreft de groep van activiteiten “leven”.
Art. 760
Onverminderd de wijzigingen die bij de ontwerpartikelen
680 tot 684, 686, 688 tot 698, 700, 701, 706 tot 737, 739, 741,
748 en 752 tot 758 zijn aangebracht, moeten in de wetten die
verwijzingen bevatten naar de wet van 9 juli 1975 of naar het
koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen
reglement betreffende de controle op de verzekeringsonder-
nemingen, deze verwijzingen in voorkomend geval worden
gelezen als verwijzingen naar de bepalingen met hetzelfde
voorwerp van de wet [___] 2015 op het statuut van en het
toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
TITEL IV
Opheffingsbepalingen
Art. 761
De wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze-
keringsondernemingen wordt opgeheven.
Art. 762
De wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf
wordt opgeheven.
BOEK IX
INWERKINGTREDING
Art. 763
Deze wet treedt in werking op 1 januari 2016.
De artikelen 129 tot 131, 143, 148, derde lid, 154, § 7,
162, 167, 168, 338, 339, 242, 343 tot 357, 361, 367, § 2, 368,
370, derde lid, 372 tot 375, 379, 382, 384, 385, 407, 408,
410 tot 412, 445, 446, 448, 449, en 658 tot 672 treden evenwel
in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad
wordt bekendgemaakt.
CHAPITRE XVII
Autres dispositions
Art. 759
Dans les lois comprenant des références à l’Annexe I de
l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général
relatif au contrôle des entreprises d’assurances, ces réfé-
rences doivent être lues comme des références à l’Annexe
I de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance, pour ce qui
concerne le groupe d’activité “non-vie” et comme des réfé-
rences à l’Annexe II de la même loi pour ce qui concerne le
groupe d’activité “vie”.
Art. 760
Sans préjudice des modifications apportées par les
articles en projet 680 à 684, 686, 688 à 698, 700, 701, 706 à
737, 739, 741, 748 et 752 à 758, dans les lois comprenant
des références à la loi du 9 juillet 1975 ou à l’arrêté royal du
22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle
des entreprises d’assurances, ces références doivent être
lues, le cas échéant, comme des références aux dispositions,
dont l’objet est identique, de la loi du [___] 2015 relative
au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de
réassurance.
TITRE IV
Dispositions abrogatoires
Art. 761
La loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises
d’assurances est abrogée.
Art. 762
La loi du 16 février 2009 relative à la réassurance est
abrogée.
LIVRE IX
ENTRÉE EN VIGUEUR
Art. 763
La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2016.
Toutefois, les articles 129 à 131, 143, 148, alinéa 3, 154, § 7,
162, 167, 168, 338, 339, 242, 343 à 357, 361, 367, § 2, 368,
370, alinéa 3, 372 à 375, 379, 382, 384, 385, 407, 408, 410 à
412, 445, 446, 448, 449, et 658 à 672 entrent en vigueur le
jour de la publication la présente loi au Moniteur belge.
727
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Regelgevingsimpactanalyse
RiA-AiR
:: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be
:: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be
:: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be
Beschrijvende fiche
Auteur .a.
Bevoegd regeringslid
_Kris Peeters
Contactpersoon beleidscel (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
_ _ Ilse Bosmans, ilse.bosmans@peeters.fed.be, 02/2335105,
cel economie _
Overheidsdienst
_Nationale Bank van België
Contactpersoon overheidsdienst (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
_ _ Bertrand Leton - bertrand.leton@nbb.be - 02/221.23.65 _
Ontwerp .b.
Titel van het ontwerp van regelgeving
_WET OP HET STATUUT VAN EN HET TOEZICHT OP VERZEKERINGS-OF
HERVERZEKERINGSONDERNEMINGEN
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met
vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde
doelen van uitvoering.
_ _Het ontwerp van wet strekt ertoe het kader van prudentieel
toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te
moderniseren, meer bepaald door een omzetting van Richtlijn
2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25
november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het
verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf, de zogenoemde richtlijn
“Solvabiliteit II”
Impactanalyses reeds uitgevoerd
܆ Ja
܈ Nee
Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie
van het document te vermelden: _ _
Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c.
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen:
_ _Commissie voor verzekeringen, Assuralia, IA|BE, IREFIN,
OCM-CDZ
Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d.
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en
contactpersonen:
_ _Bovenvermelde raadplegingen, EIOPA
Datum van beëindiging van de impactanalyse .e.
_21 oktober 2015
728
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
>
Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s.
Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te vergemakkelijken.
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en
vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te
compenseren.
Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21, worden meer gedetailleerde vragen gesteld.
Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen heeft.
Kansarmoedebestrijding .1.
Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij
minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
_ Het streefdoel is, om de schuldeisers van ondernemingen, individueel beschouwd, te beschermen, het
doel van het toezicht is het garanderen van de stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in
de verzekeringsmarkt. Voor zover het prudentiële toezicht het verzekeren van de solvabiliteit van de
verzekeraars beoogt, is het volledig in het voordeel van de verzekerden en de begunstigden.
Gelijke Kansen en sociale cohesie .2.
Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof,
effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met
een handicap en minderheden).
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Gelijkheid van vrouwen en mannen .3.
Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid,
opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc.
Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten.
1.
Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste
samenstelling van deze groep(en) van personen?
Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom.
_ _Het zogenoemde “prudentieel” toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen is bedoeld om een
redelijke kans op zekerheid te geven dat elke onderneming haar verbintenissen nakomt, via het toezicht op het naleven van
de wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden, die het wettelijk statuut vormen van de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen. Dit prudentieel toezicht heeft aldus als streefdoel, de bescherming te verzekeren van de
verzekeringsbegunstigden en aldus het vertrouwen te vrijwaren in elke onderneming en in de sector in zijn geheel : de
capaciteit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming om het hoofd te bieden aan haar verbintenissen ten
opzichte van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden.
љ
Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het
ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
_ _
љ
Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4.
3.
Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele
rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen, rekening
729
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
houdend met de voorgaande antwoorden?
_ _
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5.
5.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Gezondheid .4.
Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van
chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch
niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
_Voor zover het prudentieel toezicht ertoe strekt de solvabiliteit van de verzekeraars te verzekeren, zijn de
begunstigden van ziekteverzekeringsovereenkomsten er meer van verzekerd dat hun verzekeraar bij
schadegevallen zal tussenkomen.
Werkgelegenheid .5.
Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd, welzijn
op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot beroepsopleiding,
collectieve arbeidsverhoudingen.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
Het wetsontwerp strekt ertoe de solvabiliteit van de verzekerings-en herverzekeringondernemingen te
garanderen en er dus voor te zorgen dat zij op lange termijn kunnen overleven wat zijn neerslag kan vinden
in het behoud van de tewerkstelling in deze ondernemingen. De meer kwetsbare ondernemingen kunnen
zich echter gaan herstructureren met alle negatieve gevolgen voor de tewerkstelling. Anderzijds is het
nieuwe prudentiële kader gekenmerkt door een grote vakbekwaamheid wat de verzekerings- en
herverzekeringsondernemingen ertoe kan aanzetten om meer dan vroeger een beroep te doen op externe
consultants waardoor er meer banen in deze sector kunnen worden gecreëerd.
Consumptie- en productiepatronen .6.
Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en integratie
van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van organisaties.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
_Het wetsontwerp strekt ertoe de overleving op lange termijn van verzekerings- (en herverzekerings-)
ondernemingen te garanderen en ervoor te zorgen dat de voorgestelde premies voldoende zijn om de
schade te vergoeden ( met inbegrip van prestaties met betrekking tot aanvullende pensioenen).
Economische ontwikkeling .7.
Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen,
competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale handels-
en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale en
organische hulpbronnen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
Zie punten 5 en 8. _ _
Investeringen .8.
Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk
kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zijn traditioneel grote institutionele beleggers. Het
nieuwe prudentiële kader zal zijn neerslag vinden in de versterking van het eigen vermogen en de activa
730
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van deze ondernemingen
Onderzoek en ontwikkeling .9.
Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes, nieuwe
ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Kmo’s .10.
Impact op de ontwikkeling van de kmo’s.
1.
Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro-ondernemingen
(< 10 werknemers).
Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom.
Zijn betrokken de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die geen kmo’s zijn op enkele ondernemingen na (onder
meer de lokale verzekeringsondernemingen) waarvoor in een specifiek en (veel) lichter kader is voorzien.
љ
Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden.
_ Verplichte inschrijving voor bepaalde lokale ondernemingen die tot nu toe van elk toezicht waren vrijgesteld_
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5.
3.
Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit
Neen. Het betreft een inschrijving met minder verplichtingen dan de erkenning van de grote
verzekeringsondernemingen _ _
4.
Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit
_ Ja. _
5.
Welke maatregelen worden genomen om deze negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ Minder verplichtingen voor de kleine verzekeringsondernemingen. _
Administratieve lasten .11.
Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de
instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting.
љ
Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen.
1.
Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving.
Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom.
a.
_ _ Erkenning, governancestructuur, eigen vermogen,
technische voorzieningen, reglementaire activa,
reporting, jaarrekeningen.
b.
_ Erkenning, governancestructuur, eigen vermogen,
technische voorzieningen, reglementaire activa,
reporting, jaarrekeningen, publicatie voor het publiek
_
љ
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de
huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot
4a.
љ
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het
ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen 2b
tot 4b.
2.
Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
a.
_ Erkenningsdossier, jaarrekeningen, statistische
overzichten, beschrijvende reporting
b.
_ Erkenningsdossier, jaarrekeningen, statistische
overzichten, beschrijvende reporting
731
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3.
Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
a.
Langs elektronische weg. _ _*
b.
_ Langs elektronische weg. _**
4.
Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
a.
_ Driemaandelijks of jaarlijks naargelang het
geval. _*
b.
_ Driemaandelijks of jaarlijks naargelang het geval. _*
_**
5.
Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren?
Toepassing van het evenredigheidsbeginsel voor de kleine ondernemingen
Energie .12.
Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de
industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Mobiliteit .13.
Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen, sporen
en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Voeding .14.
Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Klimaatverandering .15.
Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energie overgang, hernieuwbare
energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Natuurlijke hulpbronnen .16.
Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen),
bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie), ontbossing.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Buiten- en binnenlucht .17.
732
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan,
koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOX, NOX, NH3), fijn stof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Biodiversiteit .18.
Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de
habitatten, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de
ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde soorten.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Hinder .19.
Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Overheid .20.
Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen, wijze
van uitvoering, overheidsinvesteringen.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
Verbetering van corporate governance. _ _
Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21.
Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden.
1.
Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak
van:
ӑ voedselveiligheid
ӑ gezondheid en toegang tot
geneesmiddelen
ӑ waardig werk
ӑ lokale en internationale handel
ӑ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie)
ӑ mobiliteit van personen
ӑ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling)
ӑ vrede en veiligheid
Indien er geen enkelen ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom.
_ Het betreft een omzetting van een Europese richtlijn in Belgisch recht, die enkel het prudentieel toezicht van de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen betreft.
љ
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2.
2.
Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage
_ _
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3.
3.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
733
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Analyse d'impact de la réglementation
RiA-AiR
:: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be
:: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be
:: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be
Fiche signalétique
Auteur .a.
Membre du Gouvernement compétent
Kris Peeters
Contact cellule stratégique (nom, email, tél.)
Ilse Bosmans, ilse.bosmans@peeters.fed.be, 02/2335105, cellule
économie
Administration compétente
Banque nationale de Belgique
Contact administration (nom, email, tél.)
Bertrand Leton - bertrand.leton@nbb.be - 02/221.23.65
Projet .b.
Titre du projet de réglementation
LOI RELATIVE AU STATUT ET AU CONTRÔLE DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU
DE RÉASSURANCE
Description succincte du projet de
réglementation en mentionnant l'origine
réglementaire (traités, directive, accord de
coopération, actualité, …), les objectifs
poursuivis et la mise en œuvre.
Le projet de loi vise à moderniser le cadre de contrôle prudentiel des entreprises
d'assurance et de réassurance, notamment en transposant la Directive
2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur
l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice, dite «
Directive Solvabilité II ».
Analyses d'impact déjà réalisées
܆ Oui
܈ Non
Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du
document : _ _
Consultations sur le projet de réglementation .c.
Consultations obligatoires, facultatives ou
informelles :
Commission des assurances, Assuralia, IA|BE, IREFIN, OCM-CDZ
Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d.
Statistiques, documents de référence,
organisations et personnes de référence :
Consultations ci-dessus, EIOPA
Date de finalisation de l’analyse d’impact .e.
21 octobre 2015
734
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
>
Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes.
Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème.
S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et
indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs.
Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées.
Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question.
Lutte contre la pauvreté .1.
Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y
compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
Le but poursuivi est notamment de protéger des créanciers d’entreprises considérés individuellement ; la
finalité du contrôle consiste à garantir la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance dans le marché de
l’assurance . Dans la mesure où le contrôle prudentiel vise à assurer la solvabilité des assureurs, c’est tout
bénéfice pour les assurés et bénéficiaires.
Égalité des chances et cohésion sociale .2.
Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu,
effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes
handicapées et les minorités).
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Égalité entre les femmes et les hommes .3.
Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité, éducation/savoir/formation,
mobilité, temps, loisirs, etc.
Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques.
1.
Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s)
groupe(s) de personnes ?
Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi.
Le contrôle dit « prudentiel » des entreprises d'assurance et de réassurance a pour objectif de donner une assurance
raisonnable que chaque entreprise respectera ses engagements par la surveillance du respect des obligations et
interdictions légales et réglementaires formant le statut légal des entreprises d’assurance et de réassurance. Ce contrôle
prudentiel a ainsi pour objectif d’assurer la protection des bénéficiaires d’assurance et d’ainsi préserver la confiance dans
chaque entreprise et dans le secteur dans son ensemble : la capacité d'une entreprise d'assurance ou de réassurance à faire
face à ses engagements vis-à-vis des preneurs d'assurance, des assurés et des bénéficiaires.
љ
Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative
au projet de réglementation.
_ _
љ
S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4.
3.
Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des
femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez
_ _
4.
Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur
l’égalité des femmes et les hommes ?
735
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
_ _
љ
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
Santé .4.
Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques
(maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique,
alimentation, pollution), qualité de la vie.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
Dans la mesure où le contrôle prudentiel vise à assurer la solvabilité des assureurs, les bénéficiaires des
contrats d’assurance maladie sont davantage rassurés quant à l’intervention de leur assureur en cas de
sinistre.
Emploi .5.
Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail,
bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable,
possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail.
܈ Impact positif
܈ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
Le projet de loi vise à garantir la solvabilité des entreprises d'assurance et de réassurance et donc à faire en
sorte que celles-ci soient viables sur le long terme, ce qui peut se traduire par un maintien de l'emploi dans
ces entreprises. Par contre, les entreprises plus fragiles peuvent être amenées à se restructurer avec des
conséquences négatives sur l'emploi. D'autre part, le nouveau cadre prudentiel se caractérise par une
haute technicité qui peut amener les entreprises d'assurance et de réassurance à faire plus appel que par le
passé à des consultants externes, ce qui peut entraîner des créations d'emploi dans ce secteur.
Modes de consommation et production .6.
Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des
externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
Le projet vise à garantir la viabilité à long terme des entreprises d'assurance (et de réassurance) et à faire
en sorte que les primes proposées soient suffisantes pour indemniser les sinistres (en ce compris les
prestations de pensions complémentaires).
Développement économique .7.
Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de compétitivité,
accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières internationales,
balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques, minérales et
organiques.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
Voir points 5 et 8.
Investissements .8.
Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement) et
humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
Les entreprises d'assurance et de réassurance sont traditionnellment d'importants investisseurs
institutionnels. Le nouveau cadre prudentiel se traduira par un renforcement des fonds propres et des
actifs de ces entreprises.
736
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Recherche et développement .9.
Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles
pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
PME .10.
Impact sur le développement des PME.
1.
Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ?
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10
travailleurs).
Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi.
Sont concernées les entreprises d’assurance et de réssurance, qui ne sont pas des PME à l'exception de quelques entreprises
(notamment les entreprises locales d'assurance) pour lesquelles un cadre spécifique et (très) allégé a été prévu.
љ
Si des PME sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
Obligation d'inscription pour certaines entreprises locales jusqu'à présent dispensées de tout contrôle.
љ
S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5.
3.
Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] >
expliquez
Non. Il s'agit d'une inscription avec des obligations plus réduites que l'agrément des grandes entreprises
d'assurance
4.
Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez
Oui.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
Allègement des obligations pour les plus petites entreprises d’assurance.
Charges administratives .11.
Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un
droit, d’une interdiction ou d’une obligation.
љ
Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes.
1.
Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation.
S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi.
a.
Agrément, structure de gouvernance, fonds propres,
provisions techniques, actifs réglementaires,
reporting, comptes annuels.
b.
Agrément, structure de gouvernance, fonds propres,
provisions techniques, actifs réglementaires, reporting,
comptes annuels, publication vis-à-vis du public.
љ
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation actuelle*, répondez aux
questions 2a à 4a.
љ
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation en projet**, répondez aux
questions 2b à 4b.
2.
Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
a.
Dossier d'agrément, comptes annuels, états
statistiques, reporting narratif.
b.
Dossier d'agrément, comptes annuels, états
statistiques, reporting narratif.
737
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
3.
Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
a.
Par voie informatique.
b.
Par voie informatique.
4.
Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
a.
Trimestrielle oiu annuelle selon le cas.
b.
Trimestrielle oiu annuelle selon le cas.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
Application du principe de proportionnalité pour les plus petites entreprises.
Énergie .12.
Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation
d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Mobilité .13.
Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire, maritime
et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Alimentation .14.
Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Changements climatiques .15.
Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources
d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du carbone.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Ressources naturelles .16.
Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans),
qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation),
déforestation.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Air intérieur et extérieur .17.
738
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx, NOx,
NH3), particules fines.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Biodiversité .18.
Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation
des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les
écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Nuisances .19.
Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Autorités publiques .20.
Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations, mesures
d’exécution, investissements publics.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
Amélioration de la gouvernance d'entreprise.
Cohérence des politiques en faveur du développement .21.
Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement.
1.
Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants :
ӑ sécurité alimentaire
ӑ santé et accès aux
médicaments
ӑ travail décent
ӑ commerce local et international
ӑ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation)
ӑ mobilité des personnes
ӑ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement
propre)
ӑ paix et sécurité
Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné.
Il s’agit d’une transposition d’une directive européenne en droit belge, qui ne concerne que le contrôle prudentiel des
entreprises d'assurance et de réassurance.
љ
S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2.
2.
Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel
_ _
љ
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3.
3.
Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
739
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 58 419/1
9 december 2015
Op 3 november 2015 is de Raad van State, afdeling
Wetgeving, door de minister van Economie binnen een
termijn van dertigdagen een advies te verstrekken over een
voorontwerp van wet “op het statuut van en het toezicht op de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”.
Het voorontwerp is door de eerstekamer onderzocht
op 24 en 25 november 2015. De kamer was samenge-
steld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried
Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux
en Michel Tison assessoren, en Greet Verberckmoes griffier.
Karel Van Hulle, expert, is bij toepassing van artikel 82,
eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd
op 12 januari 1973, ter raadpleging geroepen.
Het verslag is uitgebracht door Paul Depuydt eerste
auditeur-afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van
Marnix Van Dammekamervoorzitter
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
9 december 2015.
1. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wet-
ten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de
rechtsgrond1, alsmede van de vraag of aan de te vervullen
vormvereisten is voldaan.
Rekening houdend met de omvang en de techniciteit van
het om advies voorgelegde voorontwerp van wet en met de
termijn die haar voor haar onderzoek is gelaten, heeft de afde-
ling Wetgeving het onderzoek meer in het bijzonder gericht
op een aantal belangrijke aandachtspunten, waaronder in de
eerste plaats de overeenstemming van het voorontwerp met
richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 25 november 2009 “betreffende de toegang tot en uitoe-
fening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf
(Solvabiliteit II)”, hierna “Solvabiliteit II” genoemd.
STREKKING VAN HET VOORONTWERP VAN WET
2. De regeling met betrekking tot het prudentieel toe-
zicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemin-
gen is, wat het interne recht betreft, in essentie vervat
in twee wetten, zijnde de wet van 9 juli 19752, wat de
1
Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder
“rechtsgrond” de overeenstemming met hogere rechtsnormen
verstaan.
2
Wet van 9 juli 1975 “betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen”.
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
N° 58 419/1
9 décembre 2015
Le 3 novembre 2015 le Conseil d’État, section de législa-
tion, a été invité par le ministre de l’Économie à communiquer
un avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi
“relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance
ou de réassurance”.
L’avant-projet a été examiné par la première chambre
les 24 et 25 novembre 2015. La chambre était com-
posée de Marnix Van Damme, président de chambre,
Wilfried Van Vaerenbergh et Wouter Pas, conseillers
d’État, Marc Rigaux et Michel Tison, assesseurs, et Greet
Verberckmoes, greffier.
Karel Van Hulle, expert, a été appelé en consultation, en
appliquation de l’article 82, alinéa 1er, des lois sur le Conseil
d’État, coordonnées le 12 janvier 1973.
Le rapport a été présenté par Paul Depuydt, premier audi-
teur chef de section.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifi ée sous le contrôle de
Marnix Van Damme, président de chambre.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 9 décembre 2015.
1. En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur
le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, la section
de législation a fait porter son examen essentiellement sur
la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique 1
et l’accomplissement des formalités prescrites.
Compte tenu de l’ampleur et de la technicité de l’avant-
projet de loi soumis pour avis et du délai qui lui était imparti
pour l’examiner, la section de législation a axé son examen
plus particulièrement sur une série de points importants,
dont avant tout la conformité de l’avant-projet avec la direc-
tive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du
25 novembre 2009 “sur l’accès aux activités de l’assurance et
de la réassurance et leur exercice (solvabilité II)”, dénommée
ci-après “directive Solvabilité II”.
PORTÉE DE L’AVANT-PROJET DE LOI
2. En ce qui concerne le droit interne, le régime de contrôle
prudentiel des entreprises d’assurances et de réassurance
est essentiellement inscrit dans deux lois, à savoir la loi du
9 juillet 1975 2, en ce qui concerne le contrôle des entreprises
1
S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fon-
dement juridique” la conformité aux normes supérieures.
2
Loi du 9 juillet 1975 “relative au contrôle des entreprises
d”assurances’.
740
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
controle der verzekeringsondernemingen betreft, en de wet
van 16 februari 20093, wat de controle der herverzekerings-
ondernemingen betreft. Deze wetten zijn tot stand gekomen
ter omzetting van diverse Europese richtlijnen in de betrokken
materie en hebben nadere uitvoering gekregen in uiteenlo-
pende koninklijke besluiten.4
Op zowel het Europese als het internrechtelijke niveau
werden een aantal nadelen ervaren met betrekking tot de
bestaande regeling van prudentieel toezicht op verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen. Die nadelen situeerden
zich onder meer op het vlak van de berekening van de risico’s
waaraan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
worden blootgesteld en waarbij niet steeds rekening zou
worden gehouden met de werkelijke risico’s. Voorts werd ook
het gebrek aan voldoende geharmoniseerde regels inzake
technische voorzieningen of op het vlak van governance en
het toezicht op groepen van verzekeringsondernemingen als
een nadeel ervaren. Zo zou bijvoorbeeld het gebrek aan een
geharmoniseerde regeling inzake technische voorzieningen
een concurrentieverstoring in de hand hebben gewerkt tussen
ondernemingen die in verschillende lidstaten zijn gevestigd.
Om een antwoord te bieden op de nadelen van de be-
staande regeling van prudentieel toezicht op verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen werd op het Europese
niveau Solvabiliteit II tot stand gebracht. De regeling van
deze Europese richtlijn is gesteund op drie pijlers waarvan de
fi naliteit er telkens in bestaat om voor de toekomst de nadelen
weg te werken waarmee de bestaande regeling gepaard is
gegaan. Zo worden in Solvabiliteit II kwantitatieve vereisten
geformuleerd met betrekking tot de technische voorzieningen
en het eigen vermogen (eerste pijler). Daarnaast worden de
kwalitatieve normen beschreven waaraan de verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen moeten voldoen inzake
governance en risicobeheer. Ook het toezichtsproces waar-
aan deze ondernemingen door de toezichthouder worden
onderworpen, wordt gedetailleerd uitgewerkt (tweede pijler).
Tot slot worden de informatie- en publicatieverplichtingen van
de betrokken ondernemingen naar zowel de toezichthouder
als het publiek nader geregeld (derde pijler).
Solvabiliteit II houdt een herschikking in van al bestaande
Europese richtlijnen met betrekking tot het prudentieel toezicht
op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, en bevat
daarnaast een groot aantal inhoudelijk nieuwe of meer in de-
tail uitgewerkte voorschriften met betrekking tot dat toezicht.
Belangrijk is ook te benadrukken dat, waar in het verleden het
gebrek aan de vereiste harmonisatie werd aangeklaagd, met
Solvabiliteit II wordt gestreefd naar een maximale harmonisatie
van de in de lidstaten toe te passen regels met betrekking tot het
toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.5
3
Wet van 16 februari 2009 “op het herverzekeringsbedrijf”.
4
Zie onder meer het koninklijk besluit van 22 februari 1991 “hou-
dende algemeen reglement betreffende de controle op de
verzekeringsondernemingen”, het koninklijk besluit van 14 no-
vember 2003 “betreffende de levensverzekeringsactiviteit”, en
het koninklijk besluit van 27 september 2009 “tot uitvoering van
de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf”.
5
“Maximale harmonisatie in de gehele Gemeenschap van deze
procedures en prudentiële beoordelingen is derhalve van es-
sentieel belang” (Solvabiliteit II, overweging 75).
d’assurances, et la loi du 16 février 2009 3, en ce qui concerne
le contrôle des entreprises de réassurance. Ces lois ont
été élaborées dans le but de transposer diverses directives
européennes dans la matière concernée et ont été mises en
oeuvre dans divers arrêtés royaux 4.
Le régime de contrôle prudentiel existant des entre-
prises d’assurances et de réassurance présentait plusieurs
inconvénients, tant au niveau européen qu’au niveau du
droit interne. Ces inconvénients concernaient notamment le
calcul des risques auxquels les entreprises d’assurances ou
de réassurance sont exposées et qui ne prendrait pas tou-
jours en compte les risques réels. Par ailleurs, l’absence de
règles suffisamment harmonisées en matière de provisions
techniques ou de gouvernance et de contrôle des groupes
d’entreprises d’assurances a également été perçue comme
un inconvénient. Ainsi, par exemple, l’absence de règles
harmonisées en matière de provisions techniques aurait créé
une distorsion de concurrence entre entreprises établies dans
différents États membres.
La directive Solvabilité II a été élaborée au niveau européen
afi n de pallier les inconvénients du régime de contrôle pruden-
tiel existant des entreprises d’assurances et de réassurance.
Les dispositions de cette directive européenne se fondent sur
trois piliers dont la fi nalité consiste chaque fois à remédier
pour l’avenir aux inconvénients du régime existant. Ainsi, la
directive Solvabilité II formule des exigences quantitatives
relatives aux provisions techniques et aux fonds propres
(premier pilier). En outre, elle défi nit les normes qualitatives
auxquelles les entreprises d’assurances et de réassurance
doivent répondre en matière de gouvernance et de gestion des
risques. Le processus de supervision auquel ces entreprises
sont soumises de la part de l’autorité de contrôle est égale-
ment élaboré en détail (deuxième pilier). Enfi n, les modalités
des obligations d’information et de publication des entreprises
concernées, tant à destination de l’autorité de contrôle que
du public, sont réglées (troisième pilier).
La directive Solvabilité II emporte une refonte des directives
européennes existantes relatives au contrôle prudentiel des
entreprises d’assurances et de réassurance et comporte, en
outre, un grand nombre de prescriptions de fond nouvelles ou
plus détaillées concernant ce contrôle. Il importe également
de souligner que si l’absence d’harmonisation requise a été
dénoncée par le passé, la directive Solvabilité II poursuit une
harmonisation maximale des règles relatives au contrôle des
entreprises d’assurances et de réassurance 5 qui doivent être
appliquées dans les États membres. Cette constatation n’est
3
Loi du 16 février 2009 “relative à la réassurance”.
4
Voir notamment l’arrêté royal du 22 février 1991 “portant règle-
ment général relatif au contrôle des entreprises d”assurances’,
l’arrêté royal du 14 novembre 2003 “relatif à l”activité d’assu-
rance sur la vie’ et l’arrêté royal du 27 septembre 2009 “portant
exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance”.
5
“Une harmonisation maximale, dans l’ensemble de la Communauté,
de ces procédures et de ces évaluations prudentielles est donc
essentielle” (directive Solvabilité II, considérant 75).
741
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze vaststelling is niet onbelangrijk in het licht van het onder-
zoek van de overeenstemming van het om advies voorgelegde
ontwerp van wet met Solvabiliteit II.
3. Het om advies voorgelegde ontwerp van wet strekt ertoe
om de bepalingen van Solvabiliteit II in het interne recht om
te zetten. Op een aantal bepalingen van het ontwerp na, die
in werking treden op de dag van hun bekendmaking6, is het
de bedoeling om de ontworpen regeling op 1 januari 2016 in
werking te laten treden.7
Zoals in Solvabiliteit II het geval is, herschikt het ontwerp
van wet reeds bestaande wetsbepalingen die vroegere
Europese richtlijnen hebben omgezet in het interne recht en
worden die bepalingen geïntegreerd in een nieuw, coherent
geacht normengeheel. Daarnaast strekt de ontworpen rege-
ling tot het implementeren van Solvabiliteit II door hetzij de
bepalingen ervan zonder meer over te nemen, hetzij bepa-
lingen ervan over te nemen maar deze tegelijk meer uit te
werken ter wille van een efficiënte toepassing ervan in de
Belgische rechtsorde.
4. Het ontwerp van wet bestaat uit tien boeken.
Boek I (artikelen 1 tot 16) bevat de algemene bepalingen
betreffende het doel en het toepassingsgebied van de ontwor-
pen wet. Ook worden een groot aantal defi nities ingeschreven
en wordt het gebruik in België geregeld van gereserveerde
namen zoals onder meer “verzekeringsonderneming” of
“herverzekeraar”.
Het omvangrijke Boek II (artikelen 17 tot 549) bevat de
regelgeving betreffende de verzekerings- en herverzekerings-
ondernemingen naar Belgisch recht: de toegang tot het bedrijf
(titel I), de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden (titel II), bijzondere
bepalingen betreffende bepaalde categorieën verzekerings-
ondernemingen (titel III), het toezicht op de ondernemingen
(titel IV), het toezicht op verzekerings- en herverzekerings-
groepen en aanvullend toezicht op fi nanciële conglomeraten
(titel V), in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie
verkerende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
(titel VI) en het beëindigen van de vergunning (titel VII).
Boek III (artikelen 550 tot 601) heeft betrekking op de
verzekerings- en herverzekeringsondernemingen naar bui-
tenlands recht.
Boek IV (artikelen 602 en 603) betreft de dwangsommen
en andere dwangmaatregelen.
Boek V (artikelen 604 tot 609) regelt de sancties.
6
Artikel 763, tweede lid, van het ontwerp.
7
Artikel 763, eerste lid, van het ontwerp. De datum van 1 janu-
ari 2016 stemt overeen met die welke wordt voorgeschreven
in artikel 309, lid 1, tweede alinea, van Solvabiliteit II, met dien
verstande dat in artikel 309, lid 1, eerste alinea, van Solvabiliteit II
wordt bepaald dat de lidstaten uiterlijk op 31 maart 2015 de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen
treden om aan de in die alinea opgesomde artikelen en bijlagen
van de richtlijn te voldoen.
pas sans importance au regard de l’examen de la conformité
du projet de loi soumis pour avis avec la directive Solvabilité II.
3. Le projet de loi soumis pour avis a pour objet de
transposer en droit interne les dispositions de la directive
Solvabilité II. À l’exception de quelques dispositions du projet,
qui entrent en vigueur le jour de leur publication 6, l’intention
est de faire entrer la réglementation en projet en vigueur le
1er janvier 2016 7.
À l’instar de la directive Solvabilité II, le projet de loi rema-
nie des dispositions légales existantes qui ont transposé
d’anciennes directives européennes en droit interne et les
intègre dans un nouvel ensemble de normes, réputé cohérent.
En outre, la réglementation en projet vise à mettre en œuvre
la directive Solvabilité II, soit en reproduisant purement et
simplement ses dispositions, soit en reproduisant des dispo-
sitions de celle-ci tout en les élaborant davantage afi n d’en
assurer une application efficace dans l’ordre juridique belge.
4. Le projet de loi se compose de dix livres.
Le livre Ier (article 1er à 16) contient les dispositions
générales relatives à l’objet et au champ d’application de
la loi en projet. Il comporte également un grand nombre de
défi nitions et règle l’usage en Belgique de dénominations
réservées comme notamment “entreprise d’assurances” ou
“réassureur”.
Le volumineux livre II (articles 17 à 549) contient la
réglementation relative aux entreprises d’assurances et de
réassurance de droit belge: l’accès à l’activité (titre 1er), les
conditions d’exercice de l’activité (titre II), les dispositions
particulières relatives à certaines catégories d’entreprises
d’assurances (titre III), le contrôle des entreprises (titre IV),
le contrôle des groupes d’assurances et de réassurance et
la surveillance complémentaire des conglomérats fi nanciers
(titre V), les entreprises d’assurances ou de réassurance
en difficulté ou en situation irrégulière (titre VI) et la fi n de
l’agrément (titre VII).
Le livre III (articles 550 à 601) concerne les entreprises
d’assurances et de réassurance de droit étranger.
Le livre IV (articles 602 et 603) porte sur les astreintes et
autres mesures coercitives.
Le livre V (articles 604 à 609) règle les sanctions.
6
Article 763, alinéa 2, du projet.
7
Article 763, alinéa 1er, du projet. La date du 1er janvier 2016 cor-
respond à celle prescrite à l’article 309, paragraphe 1, deuxième
alinéa, de la directive Solvabilité II, étant entendu que l’article
309, paragraphe 1, premier alinéa, de cette directive dispose
que les États membres mettent en vigueur les dispositions
législatives, réglementaires et administratives nécessaires pour
se conformer aux articles et annexes de la directive, énumérés
dans cet alinéa, au plus tard le 31 mars 2015.
742
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Boek VI (artikelen 610 tot 639) bevat de voor verzekerings-
ondernemingen geldende regels van het internationaal privaat-
recht inzake saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures.
Boek VII (artikelen 640 tot 644) betreft de materieelrech-
telijke aspecten van liquidatieprocedures.
Boek IX (artikelen 645 tot 762) bevat de slot-, wijzigings-,
overgangs- en opheffingsbepalingen.
Boek X (artikel 763) tenslotte regelt de inwerkingtreding.
Overeenstemming met Solvabiliteit II
5. In artikel 5, tweede lid, van het ontwerp wordt met het
herverzekeringsbedrijf gelijkgesteld “de dekking die een
herverzekeringsonderneming voor eigen rekening biedt
aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die on-
der de toepassing valt van de titels II en III van de wet van
27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen
voor bedrijfspensioenvoorziening”. Dit lijkt niet verenigbaar
met de omschrijving van de activiteiten van herverzekering
in artikel 13, lid 7, van Solvabiliteit II, waarbij ervan wordt
uitgegaan dat een risico wordt overgedragen door een ver-
zekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming.
Een pensioenfonds bijvoorbeeld is geen verzekeringsonder-
neming en kan derhalve de risico’s slechts overdragen aan
een verzekeraar.
6. In artikel 22, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald
dat bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank8 wordt voor-
gelegd, een administratief dossier wordt gevoegd “dat voldoet
aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name
het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden
bevat, alsook een beschrijving van het governancesysteem
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en van
de nauwe banden die zij met andere personen heeft”. Zoals
artikel 22, eerste lid, van het ontwerp is geredigeerd, wordt het
aan de Bank overgelaten om vrij de minimale inhoud van het
administratief dossier te bepalen. Er moet evenwel op worden
gewezen dat, via het vastleggen van de minimale inhoud van
het administratief dossier, niet mag worden afgeweken van
artikel 18 van Solvabiliteit II, waarin de voorwaarden voor het
verlenen van een vergunning worden beschreven. Vraag is of,
rekening houdend met deze vaststelling en de blijkbaar ruime
bevoegdheid die op dat punt aan de Bank wordt gegeven, de
bevoegdheid van deze laatste niet nauwkeuriger moet worden
omschreven in de tekst van het ontwerp.
7. In artikel 26, derde lid, maar ook in andere bepalingen
van het ontwerp,9 wordt melding gemaakt van de uitoefening
van een “onafhankelijke controlefunctie”. Vraag is op welke
wijze dat begrip zich verhoudt tot het begrip “sleutelfunctie”,
zoals dat voorkomt in onder meer de artikelen 26, lid 3, en
42 van Solvabiliteit II. Die vraag is des te meer relevant ermee
rekening houdend dat in artikel 42, § 1, 4°, van het ontwerp
het begrip “onafhankelijke controlefuncties” wordt omschreven
8
De Nationale Bank van België (zie artikel 15, 82°, van het
ontwerp).
9
Zie onder meer de artikelen 54 en 82 van het ontwerp.
Le livre VI (articles 610 à 639) contient les règles de droit
international privé en matière de mesures d’assainissement
et de procédures de liquidation applicables à des entreprises
d’assurances.
Le livre VII (articles 640 à 644) concerne les aspects de
droit matériel des procédures de liquidation.
Le livre IX (articles 645 à 762) comporte les dispositions
fi nales, modifi catives, transitoires et abrogatoires.
Le livre X (article 763), enfi n, règle l’entrée en vigueur.
Conformité avec la directive solvabilité ii
5. L’article 5, alinéa 2, du projet assimile à une activité de
réassurance “la couverture, par une entreprise de réassu-
rance, pour son propre compte, d’une institution de retraite
professionnelle relevant du champ d’application des titres
Il et Ill de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des
institutions de retraite professionnelle”. Cela ne paraît pas
compatible avec la défi nition des activités de réassurance
fi gurant à l’article 13, paragraphe 7, de la directive Solvabilité
II, qui part du principe qu’un risque est cédé par une entreprise
d’assurances ou une entreprise de réassurance. Un fonds de
pension, par exemple, n’est pas une entreprise d’assurances
et ne peut dès lors céder les risques qu’à un assureur.
6. L’article 22, alinéa 1er, du projet, énonce que la demande
d’agrément est soumise à la Banque 8, accompagnée d’un
dossier administratif “répondant aux conditions qu’elle fi xe
et qui comporte notamment le programme d’activités visé
à l’article 35 ainsi que la description du système de gou-
vernance de l’entreprise d’assurance[s] ou de réassurance
et de ses liens étroits avec d’autres personnes”. Dans sa
formulation actuelle, l’article 22, alinéa 1er, du projet laisse
à la Banque le soin de déterminer le contenu minimal du
dossier administratif. On relèvera toutefois qu’en déterminant
le contenu minimal du dossier administratif, on ne peut pas
déroger à l’article 18 de la directive Solvabilité II, qui défi nit
les conditions d’octroi d’un agrément. La question se pose
de savoir si, compte tenu de cette constatation et du pouvoir
apparemment étendu qui est conféré à la Banque sur ce point,
la compétence de cette dernière ne doit pas être défi nie de
manière plus précise dans le texte du projet.
7. L’article 26, alinéa 3, mais également d’autres dispo-
sitions du projet 9, mentionne l’exercice d’une “fonction de
contrôle indépendante”. Reste à savoir de quelle manière cette
notion s’articule avec celle de “fonction clé”, telle qu’elle fi gure
notamment dans les articles 26, paragraphe 3, et 42 de la
directive Solvabilité II. Cette question est d’autant plus perti-
nente, que l’article 42, § 1er, 4°, du projet défi nit la notion de
“fonctions de contrôle indépendantes” comme des “fonctions
8
La Banque nationale de Belgique (voir l’article 15, 82°, du projet).
9
Voir notamment les articles 54 et 82 du projet.
743
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
als “passende onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne
audit, risicobeheer, compliance en actuariaat” en in andere
bepalingen van het ontwerp, zoals artikel 56, § 2, eerste lid,
gebruik wordt gemaakt van de term “sleutelfuncties”. Ter
wille van de eenvormigheid en de duidelijkheid kan worden
geopteerd voor het gebruik van de term “sleutelfuncties” in
plaats van “controlefuncties” zodat op die wijze tevens beter
zou worden aangesloten bij de terminologie van Solvabiliteit II.
In ieder geval verdient het aanbeveling om het begrip “sleu-
telfunctie” nader te omschrijven in de tekst van het ontwerp,
al was het maar om het duidelijker af te bakenen ten aanzien
van het begrip “controlefunctie”.
8. Het bepaalde in artikel 31, derde lid, van het ontwerp
houdt in dat toepassing moet worden gemaakt van artikel 176,
eerste alinea, van Solvabiliteit II, waarin ook voorzien wordt
in een verplichte kennisgeving door de toezichthoudende
autoriteiten van de lidstaten aan EIOPA10. In artikel 31, derde
lid, van het ontwerp wordt enkel melding gemaakt van een
kennisgeving aan de Europese Commissie en de toezicht-
houders van de andere lidstaten. In artikel 31, derde lid, van
het ontwerp moet tevens van de kennisgeving aan EIOPA
melding worden gemaakt.
Een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van som-
mige andere bepalingen van het ontwerp zoals artikel 7311.
9. Luidens artikel 42, § 2, van het ontwerp is het gover-
nancesysteem, bedoeld in paragraaf 1 van die bepaling,
“uitputtend uitgewerkt” en staat het “in verhouding tot de aard,
de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan het
bedrijfsmodel en aan de activiteiten van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming zijn verbonden”.
In de commentaar die in de memorie van toelichting bij
artikel 42, § 2, van het ontwerp, wordt gegeven, wordt het
volgende vermeld:
“Paragraaf 2 van ontwerpartikel 42 zorgt voor de omzetting
van [artikel 41, lid 2], van de Richtlijn.12 Enerzijds bekrachtigt
deze paragraaf een verplichting tot uitputtende uitwerking
van de organisatieregeling, met name een organisatie die
aangepast is aan de specifi eke kenmerken van de onderne-
ming en derhalve aan al haar activiteiten, en anderzijds het
evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot een verlichting van
de vereisten voor kleinere structuren.”
Vastgesteld moet worden dat in artikel 41, lid 2, van
Solvabiliteit II geen melding wordt gemaakt van het “uitputtend
uitwerken” van het governancesysteem.13 Bovendien wordt
10
European Insurance and Occupational Pensions Authority.
11
Kennisgeving verplicht overeenkomstig artikel 176, derde alinea,
van Solvabiliteit II.
12
In de Nederlandse tekst van de memorie van toelichting is de
verwijzing naar “artikel 74, lid 2 van de Richtlijn” niet correct.
13
In artikel 41, lid 1, eerste alinea, van Solvabiliteit II wordt melding
gemaakt van “een doeltreffend governancesysteem dat voor
een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt”, terwijl luidens
artikel 41, lid 2, van dezelfde richtlijn het governancesysteem “pro-
portioneel” is “aan de aard, omvang en complexiteit van de ver-
richtingen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming”.
clés d’audit interne, de gestion des risques, de vérifi cation
de la conformité (compliance) et actuarielle indépendantes
adéquates” et que d’autres dispositions du projet, comme
l’article 56, § 2, alinéa 1er, emploient les mots “fonctions clés”.
Dans un souci d’uniformité et de clarté, on pourrait opter pour
l’emploi des mots “fonctions clés” au lieu de “fonctions de
contrôle”, ce qui permettrait de se rapprocher davantage de
la terminologie utilisée dans la directive Solvabilité II. En tout
état de cause, il est recommandé de défi nir plus précisément
la notion de “fonction clé” dans le texte du projet, ne serait-ce
que pour la circonscrire plus clairement par rapport à la notion
de “fonction de contrôle”.
8. L’article 31, alinéa 3, du projet, implique qu’il faut faire
application de l’article 176, premier alinéa, de la directive
Solvabilité II, qui prévoit également une notifi cation obligatoire
par les autorités de contrôle des États membres à l’AEAPP 10.
L’article 31, alinéa 3, du projet fait uniquement état d’une
notifi cation à la Commission européenne et aux autorités de
contrôle des autres États membres. Il doit également men-
tionner la notifi cation à l’AEAPP.
Une observation similaire peut être formulée à l’égard de
plusieurs autres dispositions du projet, telles que l’article 73 11.
9. Selon l’article 42, § 2, du projet, le système de gouver-
nance visé au paragraphe 1er de cette disposition présente
“un caractère exhaustif” et est “proportionné à la nature, à
l’ampleur et à la complexité des risques inhérents au modèle
d’entreprise et aux activités de l’entreprise d’assurance[s] ou
de réassurance”.
Le commentaire que donne l’exposé des motifs à propos
de l’article 42, § 2, du projet mentionne ce qui suit:
“Le paragraphe 2 de l’article 42 en projet assure la
transposition de l’article 41, paragraphe 2 de la Directive 12.
Il consacre, d’une part, une obligation d’exhaustivité du
dispositif organisationnel, c’est-à-dire, son caractère appro-
prié au regard des spécifi cités de l’entreprise et dès lors de
l’ensemble [de] ses activités et, d’autre part, le principe de
proportionnalité qui peut conduire à un allègement des exi-
gences à l’égard des plus petites structures”
Force est de constater que l’article 41, paragraphe 2, de
la directive Solvabilité II, ne fait pas mention du “caractère
exhaustif” du système de gouvernance 13. En outre, pareille
10
Autorité européenne des assurances et des pensions
professionnelles.
11
Notification obligatoire conformément à l’article 176, troisième
alinéa, de la directive Solvabilité II.
12
Dans le texte néerlandais de l’exposé des motifs, la référence à
l’“artikel 74, lid 2 van de Richtlijn” n’est pas correcte.
13
L’article 41, paragraphe 1, premier alinéa, de la directive
Solvabilité II, mentionne “un système de gouvernance efficace,
qui garantisse une gestion saine et prudente de l’activité”, alors
qu’aux termes de l’article 41, paragraphe 2, de la même direc-
tive, le système de gouvernance “est proportionné à la nature,
à l’ampleur et à la complexité des opérations de l’entreprise
d’assurance ou de réassurance”.
744
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
met dergelijke terminologie de indruk gewekt dat er voor de
betrokken ondernemingen geen enkele beoordelingsvrijheid
meer wordt gelaten om hun governancestructuur op bepaalde
punten zelf te organiseren. Ook draagt het gebruik van die
terminologie niet bij tot de interne coherentie van de ontwor-
pen regeling waarin, enerzijds, aan een zekere evenredig-
heid wordt gerefereerd en, anderzijds, een vereiste van een
“uitputtende” uitwerking wordt voorgeschreven dat precies
lijkt in te gaan tegen de evenredigheidsnotie.
Deze vaststelling wordt niet ongedaan gemaakt door de
volgende toelichting van de gemachtigde:
“Le caractère exhaustif ne porte pas préjudice au principe
de proportionnalité. Il indique qu’aucun aspect de la gou-
vernance des entreprises ne doit être exempt d’un examen
determinant les mesures que l’entreprise doit ou ne doit pas
prendre, eu égard à sa situation concrète.
Het gebruik van de term “passend” is niet strijdig met de
in de Richtlijn gebruikte term “proportioneel”.
Artikel 42, § 2 van de ontwerpwet bevestigt bovendien
uitdrukkelijk het evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot
een verlichting van de vereisten voor kleinere structuren.”
De tekst van het ontwerp zou op dit punt aan een bijkomend
onderzoek moeten worden onderworpen.
10. In artikel 44 van het ontwerp wordt aan het wettelijk
bestuursorgaan de eindverantwoordelijkheid opgedragen
voor het functioneren van de verzekerings- of herverzeke-
ringsonderneming, waaronder het vastleggen en controleren
van de strategie en de doelstellingen van de onderneming
alsmede het risicobeleid. In artikel 40 van Solvabiliteit II wordt
er de lidstaten evenwel opgedragen om ervoor te zorgen “dat
het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan
van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de
eindverantwoordelijkheid draagt voor de naleving door de
betrokken onderneming van de wettelijke en bestuursrech-
telijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden
vastgesteld”. Aan het wettelijk bestuursorgaan wordt derhalve
ook de eindverantwoordelijkheid opgedragen voor het naleven
door de onderneming van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen die in artikel 40 van Solvabiliteit II worden bedoeld.
Dit zou duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in
de tekst van artikel 44 van het ontwerp.
11. In artikel 56, § 2, eerste lid, van het ontwerp wordt be-
paald dat “[h]et risicobeheersysteem (...) perfect geïntegreerd
[is] in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocedu-
res van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming”.
In artikel 44, lid 1, tweede alinea, van Solvabiliteit II wordt
evenwel bepaald dat het “Risk managementsysteem (...)
doeltreffend en goed geïntegreerd [is] in de organisatiestruc-
tuur en de besluitvormingsprocessen van de verzekerings- of
herverzekeringsonderneming”. Een “perfecte integratie” wordt
blijkbaar niet beoogd in Solvabiliteit II, afgezien nog van de
vraag of dergelijke integratie in de praktijk mogelijk is. De tekst
van artikel 56, § 2, eerste lid, van het ontwerp zou om die re-
denen het best de terminologie van Solvabiliteit II overnemen.
terminologie donne à penser que plus aucune liberté d’appré-
ciation n’est laissée aux entreprises concernées pour organi-
ser elles-mêmes leur système de gouvernance sur certains
points. L’emploi de cette terminologie ne favorise pas non
plus la cohérence interne de la réglementation en projet qui,
d’une part, fait référence à une certaine proportionnalité et,
d’autre part, prescrit une exigence d’“exhaustivité” qui paraît
précisément aller à l’encontre de la notion de proportionnalité.
Cette constatation n’est pas infi rmée par la déclaration
suivante du délégué:
“Le caractère exhaustif ne porte pas préjudice au principe
de proportionnalité. Il indique qu’aucun aspect de la gou-
vernance des entreprises ne doit être exempt d’un examen
déterminant les mesures que l’entreprise doit ou ne doit pas
prendre, eu égard à sa situation concrète.
Het gebruik van de term “passend” is niet strijdig met de
in de Richtlijn gebruikte term “proportioneel”.
Artikel 42, § 2 van de ontwerpwet bevestigt bovendien
uitdrukkelijk het evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot
een verlichting van de vereisten voor kleinere structuren”.
Le texte du projet devrait être réexaminé sur ce point.
10. L’article 44 du projet attribue à l’organe légal d’admi-
nistration la responsabilité fi nale du fonctionnement de l’entre-
prise d’assurances ou de réassurance, notamment la fi xation
et le contrôle de la stratégie et des objectifs de l’entreprise
ainsi que la politique en matière de risques. Toutefois, l’article
40 de la directive Solvabilité II laisse aux États membres le
soin de veiller “à ce que l’organe d’administration, de gestion
ou de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance
assume la responsabilité fi nale du respect, par l’entreprise
concernée, des dispositions législatives, réglementaires et
administratives adoptées en vertu de la présente directive”. La
responsabilité fi nale du respect des dispositions législatives,
réglementaires et administratives, visées à l’article 40 de
la directive Solvabilité II, est dès lors également conférée
à l’organe légal d’administration. Il faudrait l’exprimer plus
clairement dans le texte de l’article 44 du projet.
11. L’article 56, § 2, alinéa 1er, du projet dispose que “[l]
e système de gestion des risques est parfaitement intégré
à la structure organisationnelle et aux procédures de prise
de décision de l’entreprise d’assurance ou de réassurance”.
Toutefois, l’article 44, paragraphe 1, deuxième alinéa, de la
directive Solvabilité II énonce que le “système de gestion des
risques est efficace [et], parfaitement intégré à la structure
organisationnelle et aux procédures de prise de décision de
l’entreprise d’assurance ou de réassurance”. De toute évidence,
la directive Solvabilité II ne vise pas une “intégration parfaite”,
indépendamment de la question de savoir si pareille intégration
est possible dans la pratique. Pour ces raisons, mieux vaudrait
que le texte de l’article 56, § 2, alinéa 1er, du projet reproduise
la terminologie utilisée dans la directive Solvabilité II.
745
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
12. In de artikelen 74 en 75 van het ontwerp wordt iedere
verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verplichting
opgelegd om voldoende eigen of kernvermogen te hebben
om “permanent” het vastgestelde solvabiliteitskapitaalvereiste
respectievelijk minimumkapitaalvereiste te dekken.
Het vereiste van permanente dekking roept vooral vragen
op wat het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft.14 Een perma-
nente dekking impliceert immers dat het solvabiliteitskapi-
taalvereiste in de praktijk steeds boven honderd procent zal
moeten zijn gesitueerd ermee rekening houdend dat het eigen
vermogen als gevolg van de marktconsistente waardering
volatiel is. In artikel 100, lid 1, van Solvabiliteit II wordt evenwel
niet voorgeschreven dat er, wat het solvabiliteitskapitaalver-
eiste betreft, een “permanente” dekking moet zijn. De vraag
rijst trouwens hoe in de praktijk zal worden nagegaan of er
effectief een “permanente” dekking is van het solvabiliteits-
kapitaalvereiste, aangezien uit artikel 152, § 1, eerste lid, van
het ontwerp voortvloeit dat het solvabiliteitskapitaalvereiste
slechts “ten minste eenmaal per jaar” moet worden berekend
door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,15
hetgeen te weinig zou zijn om een voortdurend inzicht met
betrekking tot de “permanente” dekking te verwerven.
Hetgeen voorafgaat maakt dat — zeker wat de “perma-
nente” dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft
— de Raad van State, afdeling Wetgeving, zich afvraagt of
niet het best wordt aangesloten bij Solvabiliteit II waarin het
permanentievereiste niet wordt gesteld.
13. In artikel 81, § 1, eerste lid, van het ontwerp worden
de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen ertoe
verplicht de Bank voorafgaandelijk in kennis te stellen van
het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk
bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij
ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast
met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken
voor de onafhankelijke controlefuncties. Uit artikel 81, § 2,
eerste lid, van het ontwerp volgt dat de benoeming van de
voornoemde personen voorafgaandelijk ter goedkeuring wordt
voorgelegd aan de Bank.
Deze regeling lijkt moeilijk te sporen met de geest van
Solvabiliteit II, zoals die treffend is beschreven in overwe-
ging 99 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van
14
Inzake het minimumkapitaalvereiste wordt in artikel 128 van
Solvabiliteit II evenmin in een vereiste van “permanente” dek-
king voorzien. Omdat het evenwel een vereiste betreft dat niet
dezelfde functie heeft als het solvabiliteitskapitaalvereiste zou
in voorkomend geval een verantwoording kunnen bestaan voor
een “permanente” dekking van het minimumkapitaalvereiste, dat
trouwens overeenkomstig artikel 189, § 4, eerste lid, van het ont-
werp, “ten minste eenmaal per kwartaal” moet worden berekend
door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen (zie
ook artikel 129, lid 4, eerste lid, van Solvabiliteit II). Het verdient
niettemin aanbeveling dat enige verduidelijking zou worden ge-
geven omtrent de reden waarom in het ontwerp het vereiste van
“permanente” dekking van het minimumkapitaalvereiste wordt
ingeschreven in tegenstelling tot wat in Solvabiliteit II het geval
is.
15
Dat is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 102, lid 1,
van Solvabiliteit II.
12. Les articles 74 et 75 du projet imposent à chaque entre-
prise d’assurances ou de réassurance l’obligation de détenir
suffisamment de fonds propres ou de fonds propres de base
pour couvrir “en permanence” le capital de solvabilité requis
ou le minimum de capital requis qui a été fi xé”.
L’exigence de couverture permanente suscite des
questions, principalement en ce qui concerne le capital de
solvabilité requis 14. En effet, une couverture permanente
implique que le capital de solvabilité requis devra dans la
pratique toujours être supérieur à cent pour cents, eu égard à
la volatilité des fonds propres consécutivement à l’évaluation
consécutivement à l’évaluation en cohérence avec le marché.
Toutefois, l’article 100, paragraphe 1, de la directive Solvabilité
II ne prescrit pas l’obligation d’une couverture “permanente”
en ce qui concerne le capital de solvabilité requis. Se pose
d’ailleurs la question de savoir comment on vérifi era, dans
la pratique, s’il existe effectivement une couverture “perma-
nente” du capital de solvabilité requis, dès lors qu’il résulte de
l’article 152, § 1er, alinéa 1er, du projet que ce capital ne doit
être calculé qu’“au moins une fois par an” par les entreprises
d’assurances ou de réassurance 15, ce qui serait insuffisant
pour avoir un aperçu constant de la couverture “permanente”.
Il résulte de ce qui précède que — certainement en ce qui
concerne la couverture “permanente” du capital de solvabilité
requis — le Conseil d’État, section de législation, se demande
s’il ne serait pas préférable de s’inspirer de la directive
Solvabilité II, qui ne contient pas d’exigence de permanence.
13. L’article 81, § 1er, alinéa 1er, du projet oblige les entre-
prises d’assurances ou de réassurance à informer préa-
lablement la Banque de la proposition de nomination des
membres de l’organe légal d’administration et des membres
du comité de direction ou, en l’absence de comité de direc-
tion, des personnes chargées de la direction effective, ainsi
que des personnes responsables des fonctions de contrôle
indépendantes. Il découle de l’article 81, § 2, alinéa 1er, du
projet que la nomination des personnes précitées est soumise
à l’approbation préalable de la Banque.
Cette procédure paraît difficilement se concilier avec
l’esprit de la directive Solvabilité II, tel qu’il est justement décrit
dans le considérant 99 du règlement délégué (UE) 2015/35 de
14
En ce qui concerne le minimum de capital requis, l’article 128 de
la directive Solvabilité II ne prévoit pas non plus une exigence
de couverture “permanente”. Dès lors qu’il s’agit toutefois d’une
exigence qui n’a pas la même fonction que le capital de solvabilité
requis, la couverture “permanente” du minimum de capital requis
qui, conformément à l’article 189, § 4, alinéa 1er, du projet doit
d’ailleurs être calculé “au moins une fois par trimestre” par les
entreprises d’assurances ou de réassurance (voir également l’ar-
ticle 129, paragraphe 4, premier alinéa, de la directive Solvabilité
II) pourrait trouver à se justifier en l’espèce. Il est néanmoins
recommandé de fournir des précisions concernant la raison
pour laquelle le projet, contrairement à la directive Solvabilité II,
exige la couverture “permanente” du minimum de capital requis.
15
Ce qui est conforme à la disposition de l’article 102, paragraphe
1, de la directive Solvabilité II.
746
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
de Commissie van 10 oktober 2014,16 waarin onder meer het
volgende wordt vermeld:
“Teneinde de toezichthoudende autoriteit in staat te stel-
len, indien nodig, tijdig corrigerende maatregelen te treffen,
dienen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen tijdig
de toezichthoudende autoriteit in kennis te stellen van infor-
matie over alle personen die de onderneming daadwerkelijk
besturen of voor andere sleutelfuncties verantwoordelijk zijn,
en van andere informatie die vereist is om de deskundigheid
en betrouwbaarheid van deze personen te beoordelen. In
het besef dat moet worden vermeden dat verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen of toezichthouders te zwaar
worden belast, behoeft deze kennisgeving door verzekerings-
of herverzekeringsondernemingen echter niet van tevoren
door de toezichthoudende autoriteit te worden goedgekeurd.
Ingeval de toezichthoudende overheid concludeert dat een
persoon niet aan de in Richtlijn 2009/138/EG vastgelegde
deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten voldoet, moet
zij de bevoegdheid hebben van de onderneming te eisen dat
zij de betrokken persoon vervangt.”
In artikel 81 van het ontwerp lijkt effectief te worden uitge-
gaan van het vereiste van een “voorafgaande goedkeuring”
door de toezichthoudende overheid. Indien de tekst van het
ontwerp op dat punt ongewijzigd zou blijven, doet de steller
van het ontwerp er goed aan om in de memorie van toelichting
te verduidelijken op welke wijze artikel 81 van het ontwerp
volgens hem valt te verzoenen met de aan Solvabiliteit II ten
grondslag liggende bedoeling zoals die in de aangehaalde
overweging van de Gedelegeerde Verordening is beschreven.
14. In de inleidende zin van artikel 92, tweede lid, van het
ontwerp wordt melding gemaakt van de uitbesteding van
“operationele taken”. In de overeenkomstige bepaling van
artikel 49, lid 2, van Solvabiliteit II wordt evenwel melding
gemaakt van “kritieke of belangrijke operationele functies
of werkzaamheden”. Gelet op het streven naar maximale
harmonisatie dat aan Solvabiliteit II ten grondslag ligt, wordt
de tekst van het ontwerp op dit punt het best meer afgestemd
op artikel 49, lid 2, van Solvabiliteit II.
15. Artikel 101 van het ontwerp luidt:
“De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de
in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement
vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998.”
De bevoegdheid die aldus wordt toegekend aan de
Bank om verdere invulling te geven aan het verslag over de
solvabiliteit en de fi nanciële positie lijkt hier op gespannen
voet te kunnen komen met het bepaalde in artikel 56 van
Solvabiliteit II dat op dat vlak bevoegdheden toekent aan de
Commissie en EIOPA.
16
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van
10 oktober 2014 “tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het
Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en
uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf
(Solvabiliteit II)”.
la Commission du 10 octobre 201416, qui mentionne notam-
ment ce qui suit:
“Afi n de permettre aux autorités de contrôle de prendre à
temps toute mesure corrective requise, il conviendrait que
les entreprises d’assurance et de réassurance notifi ent à
celles-ci, en temps utile, les informations relatives à toutes
les personnes qui dirigent effectivement l’entreprise ou qui
occupent d’autres fonctions clés en son sein et les autres
informations nécessaires pour apprécier la compétence et
l’honorabilité de ces personnes. Toutefois, étant reconnue la
nécessité de ne pas faire peser de contraintes indues sur les
entreprises d’assurance et de réassurance et leurs autorités
de contrôle, cette notifi cation par les entreprises d’assurance
et de réassurance ne devrait pas impliquer d’approbation
préalable de la part de l’autorité de contrôle. Dans le cas où
elle conclurait qu’une personne ne satisfait pas aux exigences
de compétence et d’honorabilité énoncées dans la directive
2009/138/CE, l’autorité de contrôle devrait avoir le pouvoir
d’exiger de l’entreprise qu’elle remplace cette personne”.
L’article 81 du projet semble effectivement partir du principe
de l’exigence d’une “approbation préalable” par l’autorité de
contrôle. Si le texte du projet devait demeurer en l’état sur
ce point, l’auteur du projet serait bien avisé de préciser dans
l’exposé des motifs comment l’article 81 du projet peut, selon
lui, se concilier avec l’intention qui sous-tend la directive
Solvabilité II, telle qu’elle est décrite dans le considérant cité
du règlement délégué.
14. La phrase introductive de l’article 92, alinéa 2, du projet
mentionne la sous-traitance de “tâches opérationnelles”. Or,
la disposition correspondante de l’article 49, paragraphe 2,
de la directive Solvabilité II fait état “d’activités ou de fonc-
tions opérationnelles importantes ou critiques”. Eu égard à la
volonté d’harmonisation maximale qui sous-tend la directive
Solvabilité II, mieux vaudrait que le texte du projet s’aligne
davantage à cet égard sur l’article 49, paragraphe 2, de la
directive Solvabilité II.
15. L’article 101 du projet s’énonce comme suit:
“La Banque peut préciser le contenu et les modalités de
présentation des informations prévues [dans] la présente
Section, par voie de règlement adopté en application de
l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998”.
Le pouvoir ainsi conféré à la Banque pour concrétiser le
rapport sur la solvabilité et la situation fi nancière paraît en
l’occurrence susceptible de se heurter à la disposition de
l’article 56 de la directive Solvabilité II qui, dans ce domaine,
attribue des pouvoirs à la Commission et à l’AEAPP.
16
Règlement délégué (UE) 2015/35 de la Commission du
10 octobre 2014 “complétant la directive 2009/138/CE du
Parlement européen et du Conseil sur l’accès aux activités de
l’assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II)”.
747
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Ook met betrekking tot andere bepalingen van het ont-
werp, zoals de artikelen 201 en 404, waarin aan de Bank een
bevoegdheid wordt verleend die niet lijkt uit te sluiten dat zij
mede de inhoud van de aan haar te verstrekken informatie
vastlegt, moet worden nagegaan of dergelijke verdergaande
reglementering wel in overeenstemming is met Solvabiliteit II
en de uitvoeringsmaatregelen ervan.
16. In artikel 139 van het ontwerp wordt niet met zoveel
woorden bepaald dat de Bank kan eisen dat een onderne-
ming het niveau van haar technische voorzieningen verhoogt
indien zij vaststelt dat de onderneming de bepalingen ter zake
niet naleeft.
In de commentaar die in de memorie van toelichting bij
artikel 139 van het ontwerp wordt gegeven, wordt in dat ver-
band onder meer het volgende vermeld:
“Het spreekt voor zich dat de Bank kan eisen dat een
onderneming het niveau van haar technische voorzieningen
verhoogt indien ze vaststelt dat deze onderneming de bepa-
lingen van deze onderafdeling niet naleeft. Vanuit dit oogpunt
lijkt het niet nodig om artikel 85 van de Richtlijn uitdrukkelijk
om te zetten.”
Deze vermelding in de memorie van toelichting ten spijt
verdient het ter wille van de rechtszekerheid aanbeveling dat
ook artikel 85 van Solvabiliteit II effectief wordt omgezet in
de tekst van het ontwerp.
17. De artikelen 190 tot 193 van het ontwerp strekken tot
het omzetten van diverse onderdelen van artikel 132 van
Solvabiliteit II. Het bepaalde in artikel 133, lid 3, van
Solvabiliteit II inzake de beperking van de beleggingsvrijheid
voor tak 23-producten wordt blijkbaar niet omgezet. In de me-
morie van toelichting wordt onder “4. De opties van de Richtlijn
en de Belgische keuzes”, in dat verband het volgende vermeld:
“Deze optie moet worden beschouwd als een maatregel
ter bescherming van de verzekeringsconsumenten. In die
hoedanigheid werd ze niet omgezet in het voorliggende wets-
ontwerp, maar wel in artikel 20 van de wet van 4 april 2014 be-
treffende de verzekeringen.”
In de artikelen 20 tot 23 van de wet van 4 april 2014 “be-
treffende de verzekeringen” wordt de beleggingsvrijheid
voor levensverzekeringsovereenkomsten gekoppeld aan een
beleggingsfonds (tak 23) in verschillende opzichten beperkt.
Met betrekking tot de vermelde regeling merkte de Raad
van State, afdeling Wetgeving, in zijn advies betreffende het
wetsontwerp dat de wet van 4 april 2014 is geworden17 het
volgende op:
“Tegen deze achtergrond zijn de ontworpen bepalingen die
betrekking hebben op het beleggingsbeleid van verzekeringen
uit de groep activiteiten “leven” die verbonden zijn met een
beleggingsfonds (artikelen 21 tot en met 23 van het ontwerp)
problematisch. De stellers van het ontwerp refereren in dit
17
Adv.RvS 54 452/1 van 20 december 2013 over een voorontwerp
van wet “betreffende de verzekeringen”, Parl.St. Kamer, 2013-14,
nr. 53-3361/001, p. 234.
En ce qui concerne d’autres dispositions du projet éga-
lement, telles que les articles 201 et 404, qui attribuent à
la Banque un pouvoir qui ne paraît pas exclure qu’elle fi xe
également le contenu des informations qui doivent lui être
fournies, il convient de vérifi er si pareille réglementation plus
étendue est bel et bien conforme à la directive Solvabilité II
et à ses mesures d’exécution.
16. L’article 139 du projet ne dispose pas explicitement que
la Banque peut exiger qu’une entreprise relève le niveau de
ses provisions techniques si elle constate que cette entreprise
ne respecte pas les dispositions en la matière.
À cet égard, le commentaire que donne l’exposé des motifs
à propos de l’article 139 du projet mentionne ce qui suit:
“Il va de soi que la Banque peut exiger qu’une entreprise
relève le niveau de ses provisions techniques si elle constate
que cette entreprise ne respecte pas les dispositions de la
présente sous-section. De ce point de vue, l’article 85 de la
Directive ne paraît pas devoir faire l’objet d’une transposition
expresse”.
Nonobstant cette mention dans l’exposé des motifs, il est
recommandé, dans un souci de sécurité juridique, de trans-
poser également effectivement l’article 85 de la directive
Solvabilité II dans le texte du projet.
17. Les articles 190 à 193 du projet visent à transposer
diverses subdivisions de l’article 132 de la directive Solvabilité
II. L’article 133, paragraphe 3, de la directive Solvabilité II
relatif à la limitation de la liberté d’investissement pour les pro-
duits de la branche 23 n’est de toute évidence pas transposé.
À cet égard, l’exposé des motifs mentionne au point “4. Les
options de la directive et les choix de la Belgique” ce qui suit:
“Cette option doit être considérée comme une mesure de
protection des consommateurs d’assurance. À ce titre, elle
n’a pas fait l’objet d’une transposition par le présent projet
de loi mais par l’article 20 de la loi du 4 avril 2014 sur les
assurances”.
Les articles 20 à 23 de la loi du 4 avril 2014 “relative aux
assurances” limitent la liberté d’investissement pour les
contrats d’assurance sur la vie liés à un fonds d’investisse-
ment (branche 23) à des degrés divers.
En ce qui concerne le régime mentionné, le Conseil d’État,
section de législation, dans son avis sur le projet de loi devenu
la loi du 4 avril 201417, a observé ce qui suit:
“Dans ce contexte, les dispositions en projet qui portent
sur la politique d’investissement des assurances du groupe
d’activités “vie” liées à un fonds d’investissement (articles
21 à 23 du projet) posent problème. Les auteurs du projet
se réfèrent à cet égard à l’article 133, paragraphe 3, de
17
Avis C.E. 54 452/1 du 20 décembre 2013 sur un avant-projet
de loi “relative aux assurances”, Doc. parl., Chambre, 2013-14,
n° 53-3361/001, p. 234.
748
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
verband aan artikel 133, lid 3, van de Solvabiliteit II-richtlijn,
dat de lidstaten toelaat om, in afwijking van het principe van
de beleggingsvrijheid, te voorzien in beperkingen op het be-
leggingsbeleid indien de verzekeringnemer een natuurlijke
persoon is. Deze bepaling vormt evenwel een onderdeel van
het bedrijfseconomisch statuut van verzekeringsondernemin-
gen, zodat de Belgische wetgever deze beleggingsregelen
enkel kan vastleggen voor de verzekeringsondernemingen
waarvoor België de lidstaat van herkomst vormt.
Artikel 23 van het ontwerp strekt er evenwel toe de beper-
kingen op het beleggingsbeleid toe te passen zodra de verbin-
tenis in België is gelegen, waardoor ook verzekeringsonderne-
mingen met hoofdzetel in een andere EER-lidstaat aan deze
bepaling zijn onderworpen voor de overeenkomsten waarvan
de verbintenis in België is gelokaliseerd. Ten aanzien van
laatstgenoemde categorie van verzekeringsondernemingen
kan het ontworpen artikel 23 dan ook geen doorgang vinden.”
In de memorie van toelichting bij het voornoemde wets-
ontwerp trad de Regering de zienswijze van de Raad van
State als volgt bij:
“Zoals uiteengezet in het advies van de Raad van State
(punt 4.3.1.), vormen de bepalingen in verband met de be-
leggingsregels en de principiële beleggingsvrijheid uit de
richtlijn Solvabiliteit II een onderdeel van die bepalingen die
het bedrijfseconomisch statuut van de ondernemingen rege-
len. Hoewel artikel 133, lid 3 van de richtlijn refereert naar de
activa waaraan de verzekeringsuitkeringen zijn verbonden en
bovendien uitdrukkelijk bepaalt dat het enkel die producten
betreft waarvan het beleggingsrisico bij de verzekeringnemer
ligt (en dus niet bij de verzekeringsonderneming), maakt ook
deze bepaling, gelet op haar plaats in de richtlijn, deel uit
van de bepalingen die het bedrijfseconomisch statuut van
de ondernemingen regelen. Ten gevolge hiervan behoort de
bevoegdheid inzake deze beleggingsbeperkingen dan ook
tot de lidstaten van herkomst van de verzekeringsonderne-
mingen. De lidstaten dienen de relevante bepalingen van
de richtlijn echter maar om te zetten tegen 31 maart 2015.
Deze datum werd bovendien al verschillende malen uitge-
steld sinds de publicatie van de richtlijn. Bovendien wordt er
met de in voorbereiding zijnde Europese regelgeving om de
consumentenbescherming in de fi nanciële dienstverlening
te verbeteren een transversaal regelgevingskader voor de
zogenaamde PRIPs (Packaged Retail Investment Products ) in
het vooruitzicht gesteld. Gelet hierop werd er voor geopteerd
het toepassingsgebied van de in de wet opgenomen regels
vooralsnog niet te beperken afhankelijk van de herkomst van
de verzekeraar.”18
De Raad van State stelt vast dat, niettegenstaande het
voornemen van de Regering om aan het advies van de Raad
van State tegemoet te komen ter gelegenheid van de omzet-
ting in het interne recht van Solvabiliteit II, het voorliggende
wetsontwerp geen aanpassing doorvoert aan de regeling
betreffende de beperkingen op de beleggingsvrijheid. Het
komt de Raad van State, afdeling Wetgeving, voor dat wel
18
Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3361/001, p. 21.
la directive Solvabilité II, qui autorise les États membres,
par dérogation au principe de la liberté d’investissement, à
prévoir des restrictions à la politique d’investissement si le
preneur d’assurance est une personne physique. Cette dis-
position constitue toutefois un élément du statut prudentiel
des entreprises d’assurances, de sorte que le législateur
belge ne peut arrêter ces règles d’investissement que pour
les entreprises d’assurances pour lesquelles l’État membre
d’origine est la Belgique.
L’article 23 du projet vise cependant à appliquer les res-
trictions à la politique d’investissement dès que l’engagement
est situé en Belgique, les entreprises d’assurances, dont le
siège principal est établi dans un autre État membre de l’EEE,
étant donc également soumises à cette disposition pour les
contrats dont l’engagement est localisé en Belgique. L’article
23 en projet ne peut dès lors pas se concrétiser à l’égard de
cette dernière catégorie d’entreprises d’assurances”.
Dans l’exposé des motifs du projet de loi précité, le gouver-
nement a marqué son adhésion au point de vue du Conseil
d’État en ces termes:
“Comme le Conseil d’État l’indique dans son avis (point
4.3.1.), les dispositions relatives aux règles d’investissement
et au principe de la liberté d’investissement prôné par la
directive Solvabilité II constituent un élément du statut pru-
dentiel des entreprises. Bien que l’article 133, paragraphe
3, de la directive évoque les actifs auxquels les prestations
d’assurance sont liées et dispose en outre expressément
qu’il ne porte que sur les produits dont le risque d’inves-
tissement est supporté par le preneur d’assureur (et donc
pas par l’entreprise d’assurances), cette disposition fait
elle aussi partie, eu égard à la place qu’elle occupe dans la
directive, des dispositions qui régissent le statut prudentiel
des entreprises. Il en résulte que la compétence relative à
ces limites d’investissement appartient aux États membres
d’origine des entreprises d’assurances. Les États membres
ne doivent toutefois transposer les dispositions pertinentes de
la directive que pour le 31 mars 2015. Cette date a, en outre,
déjà été postposée plusieurs fois depuis la publication de
la directive. À cela s’ajoute qu’avec la réglementation euro-
péenne en préparation qui vise à améliorer la protection des
consommateurs lors de la prestation de services fi nanciers,
un cadre réglementaire transversal pour les produits “PRIPs”
(Packaged Retail Investment Products) sera normalement mis
en place. Compte tenu de ces éléments, le choix a été fait de
ne pas limiter, à ce stade, le champ d’application des règles
prévues dans la loi en fonction de l’origine de l’assureur18”.
Le Conseil d’État constate que, nonobstant l’intention du
gouvernement de se conformer à son avis dans le cadre de
la transposition en droit interne de la directive Solvabilité II,
le projet de loi à l’examen n’apporte pas d’aménagements au
régime relatif aux limitations de la liberté d’investissement. Il
apparaît au Conseil d’État, section de législation, qu’il faudrait
effectivement prévoir une modifi cation de l’article 20 de la loi
18
Doc. parl., Chambre, 2013-14, n° 53-3361/001, p. 21.
749
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
degelijk zou moeten worden voorzien in een wijziging van
artikel 20 van de wet van 4 april 2014, teneinde het toepas-
singsgebied ervan — in overeenstemming met Solvabiliteit II
— te beperken tot de verzekeringsondernemingen waaraan
door de Belgische toezichthouder vergunning is verleend.
18. In artikel 190, tweede lid, van het ontwerp, wordt aan
de Bank de bevoegdheid verleend om te verduidelijken wat
moet worden verstaan onder een “prudent person”. Het
“prudent person”-beginsel wordt evenwel al omschreven in
artikel 132, leden 2 tot 4, van Solvabiliteit II, welke bepalingen
worden omgezet in de artikelen 191 tot 193 van het ontwerp.
In de mate de aan de Bank verleende bevoegdheid om het
begrip “prudent person” te verduidelijken, zou inhouden dat
de omschrijving van dat begrip in artikel 132, leden 2 tot 4,
van Solvabiliteit II wordt aangevuld, dreigt afbreuk te worden
gedaan aan het streven naar maximale harmonisatie dat aan
Solvabiliteit II ten grondslag ligt.
19. Aan het einde van artikel 191, derde lid, van het ontwerp,
zijn de woorden “, waarbij rekening wordt gehouden met alle
verwoorde beleidsdoelstellingen”, die voorkomen aan het
einde van artikel 132, lid 2, derde alinea, van Solvabiliteit II,
niet weergegeven. Tenzij er een bijzondere reden zou zijn
waarom de richtlijn op dat punt niet wordt gevolgd — welke
reden dan het best in de memorie van toelichting wordt uit-
eengezet — dient de redactie van artikel 191, derde lid, van
het ontwerp op dat punt beter te worden afgestemd op die van
artikel 132, lid 2, derde alinea, van Solvabiliteit II.
20. Overeenkomstig artikel 197, § 1, van het ontwerp mo-
gen, onder de in die paragraaf vermelde voorwaarden, de
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de activa die
zij aanhouden ter dekking van de technische voorzieningen
met betrekking tot risico’s die in de Europese Economische
Ruimte (EER) zijn gelegen, buiten die Ruimte lokaliseren.19
In zoverre deze bepaling de mogelijkheid insluit tot ver-
plichte lokalisatie in de EER van activa die worden aange-
houden ter dekking van de technische voorzieningen voor
risico’s gelegen in de EER, staat deze op gespannen voet
met het bepaalde in artikel 134, lid 1, eerste alinea, van
Solvabiliteit II, dat luidt:
“Met betrekking tot verzekeringsrisico’s gelegen in de
Gemeenschap verplichten de lidstaten niet dat de activa die
worden aangehouden tegenover de technische voorzieningen
met betrekking tot deze risico’s, binnen de Gemeenschap of
in een bepaalde lidstaat gelokaliseerd zijn.”
21. In artikel 214, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald
dat, voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt van
haar activiteit, de verzekeringsonderneming vóór de toepas-
sing ervan, aan de Bank de grondslagen en de methodes
meedeelt die zij gebruikt voor het opstellen van haar tarifering,
de berekening van de afkoopwaarden, de reductiewaarden
en de technische voorzieningen, alsook de vergoedingen
die ze toepast.
19
De redactie van de inleidende zin van artikel 197, § 1, zou in de
Nederlandse tekst (“maar buiten die Ruimte lokaliseren”) aan
duidelijkheid winnen indien zou worden geschreven “enkel buiten
die Ruimte lokaliseren” of “slechts buiten die Ruimte lokaliseren”.
du 4 avril 2014, afi n de limiter son champ d’application — en
conformité avec la directive Solvabilité II — aux entreprises
d’assurances agréées par l’autorité de contrôle belge.
18. L’article 190, alinéa 2, du projet, attribue à la Banque
le pouvoir de préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par “per-
sonne prudente”. Or, le principe de “personne prudente” est
déjà défi ni à l’article 132, paragraphes 2 à 4, de la directive
Solvabilité II, lesquelles dispositions sont transposées dans
les articles 191 à 193 du projet. Dans la mesure où le pouvoir
attribué à la Banque en vue de préciser la notion de “personne
prudente” reviendrait à compléter la défi nition de cette notion
contenue à l’article 132, paragraphes 2 à 4, de la directive
Solvabilité II, il risque de porter atteinte à l’objectif d’harmo-
nisation maximale qui préside à la directive Solvabilité II.
19. Les mots “, compte tenu de tout objectif publié”, qui
apparaissent à la fi n de l’article 132, paragraphe 2, troisième
alinéa, de la directive Solvabilité II, ne sont pas reproduits
à la fi n de l’article 191, alinéa 3, du projet. À moins d’une
raison particulière justifi ant de ne pas suivre la directive sur
ce point — raison qu’il vaudrait alors mieux expliquer dans
l’exposé des motifs —, il s’impose d’accorder davantage la
rédaction de l’article 191, alinéa 3, du projet à cet égard sur
celle de l’article 132, paragraphe 2, troisième alinéa, de la
directive Solvabilité II.
20. Conformément à l’article 197, § 1er, du projet, les
entreprises d’assurances ou de réassurance peuvent, aux
conditions fi xées dans ce paragraphe, localiser les actifs
détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes
à des risques situés dans l’Espace économique européen
(EEE) en dehors de cet Espace 19.
Dans la mesure où elle inclut la possibilité de localiser
obligatoirement dans l’EEE des actifs détenus pour couvrir
les provisions techniques pour des risques situés dans
l’EEE, cette disposition se heurte à l’article 134, paragraphe
1, premier alinéa, de la directive Solvabilité II, qui s’énonce
comme suit:
“Pour ce qui concerne les risques d’assurance situés
dans la Communauté, les États membres n’exigent pas que
les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques
afférentes à ces risques soient situés dans la Communauté
ou dans un État membre déterminé”.
21. L’article 214, alinéa 1er, du projet dispose que, pour
chaque type de produits faisant l’objet de son activité, l’entre-
prise d’assurances communique à la Banque, préalablement
à leur mise en application, les bases et méthodes utilisées
pour l’établissement de la tarifi cation, le calcul des valeurs
de rachat, de réduction et des provisions techniques, ainsi
que les indemnités qu’elle applique.
19
La rédaction de la phrase introductive du texte néerlandais de
l’article 197, § 1er, (“maar buiten die Ruimte lokaliseren”) gagnerait
en clarté si elle était libellé comme suit: “enkel buiten die Ruimte
lokaliseren” ou “slechts buiten die Ruimte lokaliseren”.
750
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In dat verband moet worden gewezen op het bepaalde in
artikel 182, eerste alinea, van Solvabiliteit II, dat luidt:
“De lidstaten eisen geen voorafgaande goedkeuring of
systematische mededeling van de algemene en bijzondere
voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten, de tarie-
ven, de met name voor de berekening van de tarieven en de
technische voorzieningen gehanteerde technische grondsla-
gen en de formulieren en andere documenten waarvan de
levensverzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar
betrekkingen met de verzekeringnemers.”
De Raad van State, afdeling Wetgeving, ziet niet op welke
wijze de in artikel 214, eerste lid, van het ontwerp vervatte
mededelingsplicht spoort met het verbod van “voorafgaande
goedkeuring of systematische mededeling” dat voortvloeit uit
artikel 182, eerste alinea, van Solvabiliteit II. De eerbiediging
van dergelijk verbod is nochtans essentieel in het kader van
de interne markt.
Deze conclusie wordt niet weerlegd door de gemachtigde
waar die verklaart:
“Il ne s’agit pas d’une approbation mais d’une notifi cation.
Cette notifi cation n’est donc pas une condition préalable
à l’exercice de l’activité et le prescrit de la directive est
respecté.”
Abstractie makend van de bedoeling die ten grondslag ligt
aan de betrokken mededeling aan de Bank, moet worden
opgemerkt dat in artikel 182, eerste alinea, van Solvabiliteit II,
wel degelijk ook aan een “mededeling” wordt gerefereerd.
Daarenboven blijkt niet uit de tekst van het ontwerp dat die
mededeling niet een “condition préalable à l’exercice de
l’activité” is, zoals de gemachtigde het omschrijft.
22. In artikel 241, § 1, van het ontwerp wordt aan de Koning
de bevoegdheid verleend om “de in artikel 240 bedoelde
vereisten [te] preciseren en [aan te vullen]”. Die bevoegd-
heid geldt evenwel “[o]nverminderd de bevoegdheden van
de Europese Commissie als bepaald in artikel 210, lid 2 van
Richtlijn 2009/138/EG”, d.w.z. dat de bevoegdheid die aan
de Koning wordt toegekend om bijkomende eisen te stellen
inzake fi nite herverzekering geen afbreuk kan doen aan de
bevoegdheid van de Europese Commissie om op grond van
artikel 210, lid 2, van Solvabiliteit II verdere maatregelen te
nemen. Desondanks kan worden betwijfeld of dergelijke
regeling strookt met artikel 210 van Solvabiliteit II, waarbij
ervan wordt uitgegaan dat wordt gekomen tot een “single
EU rulebook”. Dat is niet mogelijk indien elke lidstaat daar
verdere regels aan toevoegt.
Een gelijkaardige vaststelling dringt zich op met betrekking
tot de bevoegdheid die in artikel 243 van het ontwerp aan de
Koning wordt gegeven om, op advies van de Bank, de voor-
waarden vast te stellen voor het verlenen van vergunningen
aan effectiseringsvehikels. Ook met betrekking tot die bepa-
ling rijst de vraag of deze wel strookt met in casu artikel 211,
lid 2, van Solvabiliteit II.
On notera à cet égard la disposition contenue à l’article
182, premier alinéa, de la directive Solvabilité II, qui s’énonce
comme suit:
“Les États membres ne peuvent pas exiger l’approbation
préalable ou la notifi cation systématique des conditions
générales et particulières des polices d’assurance, des tarifs,
des bases techniques, utilisées notamment pour le calcul des
tarifs et des provisions techniques, et des formulaires et autres
imprimés qu’une entreprise d’assurance vie se propose
d’utiliser dans ses relations avec les preneurs d’assurance”.
Le Conseil d’État, section de législation, n’aperçoit pas
comment l’obligation de notifi cation inscrite à l’article 214,
alinéa 1er, du projet peut se concilier avec l’interdiction
d’“approbation préalable ou de notifi cation systématique”
qui découle de l’article 182, premier alinéa, de la directive
Solvabilité II. Le respect d’une telle interdiction est pourtant
essentiel dans le cadre du marché intérieur.
Cette conclusion n’est pas réfutée par le délégué,
lorsqu’il déclare:
“Il ne s’agit pas d’une approbation mais d’une notifi cation.
Cette notifi cation n’est donc pas une condition préalable
à l’exercice de l’activité et le prescrit de la directive est
respecté”.
Abstraction faite de l’intention qui préside à la notifi cation
à la Banque concernée, il convient de noter que l’article 182,
premier alinéa, de la directive Solvabilité II se réfère bel et bien
aussi à une “notifi cation”. En outre, il ne ressort pas du texte
du projet que cette notifi cation n’est pas une “condition pré-
alable à l’exercice de l’activité”, ainsi que précise le délégué.
22. L’article 241, § 1er, du projet habilite le Roi à “préciser
et compléter les exigences visées à l’article 240”. Cette
compétence est toutefois exercée “[s]ans préjudice des com-
pétences de la Commission européenne telles que prévues
par l’article 210, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/
CE”; autrement dit, la compétence conférée au Roi qui lui
permet de poser des exigences supplémentaires en matière
de réassurance fi nite ne peut pas porter atteinte à celle
de la Commission européenne d’arrêter d’autres mesures
sur la base de l’article 210, paragraphe 2, de la directive
Solvabilité II. On peut malgré tout douter du fait que pareil
régime soit compatible avec l’article 210 de la directive
Solvabilité II, qui part du principe qu’on en arrive à un “single
EU rulebook”. Cet objectif ne peut être atteint si chaque État
membre y ajoute de nouvelles règles.
Une constatation similaire s’impose concernant la com-
pétence octroyée au Roi par l’article 243 du projet, qui lui
permet de fi xer les conditions de l’agrément des véhicules de
titrisation, sur avis de la Banque. Toujours concernant cette
disposition, la question se pose de savoir si en l’espèce elle
est bien compatible avec l’article 211, paragraphe 2, de la
directive Solvabilité II.
751
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
23. In artikel 272 van het ontwerp worden de voorwaarden
opgesomd waaraan verzekeringsondernemingen moeten
voldoen opdat zij onder de toepassing zouden vallen van
hoofdstuk II, “Ondernemingen die wegens hun omvang aan
een bijzondere regeling zijn onderworpen”. In artikel 272, 4°,
van het ontwerp wordt één van die voorwaarden omschre-
ven als volgt: “het bedrijf van de onderneming omvat geen
herverzekeringsverrichtingen”. Dat impliceert dat kleine ver-
zekeringsondernemingen die herverzekeringsverrichtingen
uitvoeren op een absolute wijze worden uitgesloten van de
toepassing van het voornoemde hoofdstuk.
De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee:
“La quatrième condition prévue sous l’article 272 en projet
vise l’interdiction de pratiquer une activité de réassurance.
De ce point de vue, la loi en projet est un peu plus sévère
que la Directive dont l’article 4, paragraphe 1er, e) permet
une activité de réassurance très limitée.
En fait, la disposition précitée peut viser deux situations.
La première est celle d’une entreprise qui ne pratiquerait
que la réassurance. Dans ce cas, celle-ci doit, en matière de
réassurance, limiter son encaissement à 500 000 EUR et ses
provisions techniques à 2 500 000 EUR. Elle respecte par ail-
leurs les seuils prévus pour l’assurance puisqu’elle n’y a pas
d’activité. Force est de constater que les seuils prévus par
la Directive sont extrêmement bas surtout s’agissant d’une
activité de réassurance. Il a été jugé préférable de ne pas
autoriser une entreprise à ne pratiquer que la réassurance
sous des niveaux hypothéquant fortement ses possibilités de
survie et de développement.
La seconde situation vise une entreprise pratiquant à la
fois l’assurance, pour laquelle elle doit respecter les seuils
de l’article 4, paragraphe 1er, a), b) et c) de la Directive (voir
ci-dessus) et la réassurance, pour laquelle son encaissement
et ses provisions techniques ne peuvent représenter que 10 %
des montants correspondant de son activité d’assurance di-
recte. A nouveau, il s’agit de seuils extrêmement bas pour une
entreprise pratiquant la réassurance rendant l’exercice de
cette dernière peu viable. En outre, dès lors qu’elles ne pra-
tiquent pas la réassurance, cette exigence ne modifi e en rien
la situation actuelle des entreprises en activité qui peuvent
prétendre au bénéfi ce des dispositions du présent Chapitre.
On notera qu’il n’est pas possible pour une entreprise de
dépasser les seuils prévus par l’article 4 de la Directive en
matière d’assurance et d’obtenir une quelconque dispense
au motif qu’elle respecterait les seuils prévus pour la réas-
surance. La phrase liminaire de l’article 4, paragraphe 1er pré-
cise en effet que toutes les conditions prévues aux points a)
à e) doivent être remplies simultanément.
Les services de la Banque proposent d’ajouter l’explication
ci-avant au commentaire des articles.”
De aangehaalde verduidelijking verantwoordt niet de
absolute uitsluiting van kleine verzekeringsondernemingen
die herverzekeringsverrichtingen uitvoeren en verklaart on-
voldoende waarom dergelijke uitsluiting in overeenstemming
23. L’article 272 du projet énumère les conditions aux-
quelles les entreprises d’assurances doivent satisfaire pour
entrer dans le champ d’application du chapitre II, “Entreprises
soumises à un régime particulier en raison de leur taille”. À
l’article 272, 4°, du projet, une de ces conditions est défi -
nie comme suit: “l’activité de l’entreprise ne comporte pas
d’opérations de réassurance”. Cela implique que les petites
entreprises d’assurances qui effectuent des opérations de
réassurance sont exclues de manière absolue du champ
d’application du chapitre précité.
À cet égard, le délégué a déclaré ce qui suit:
“La quatrième condition prévue sous l’article 272 en projet
vise l’interdiction de pratiquer une activité de réassurance.
De ce point de vue, la loi en projet est un peu plus sévère
que la Directive dont l’article 4, paragraphe 1er, e) permet une
activité de réassurance très limitée.
En fait, la disposition précitée peut viser deux situations.
La première est celle d’une entreprise qui ne pratiquerait
que la réassurance. Dans ce cas, celle-ci doit, en matière
de réassurance, limiter son encaissement à 500 000 EUR et
ses provisions techniques à 2 500 000 EUR. Elle respecte
par ailleurs les seuils prévus pour l’assurance puisqu’elle n’y
a pas d’activité. Force est de constater que les seuils prévus
par la Directive sont extrêmement bas surtout s’agissant
d’une activité de réassurance. Il a été jugé préférable de ne
pas autoriser une entreprise à ne pratiquer que la réassurance
sous des niveaux hypothéquant fortement ses possibilités de
survie et de développement.
La seconde situation vise une entreprise pratiquant à la
fois l’assurance, pour laquelle elle doit respecter les seuils
de l’article 4, paragraphe 1er, a), b) et c) de la Directive (voir
ci-dessus) et la réassurance, pour laquelle son encaissement
et ses provisions techniques ne peuvent représenter que 10 %
des montants correspondant de son activité d’assurance
directe. A nouveau, il s’agit de seuils extrêmement bas pour
une entreprise pratiquant la réassurance rendant l’exercice
de cette dernière peu viable. En outre, dès lors qu’elles ne
pratiquent pas la réassurance, cette exigence ne modifi e en
rien la situation actuelle des entreprises en activité qui peuvent
prétendre au bénéfi ce des dispositions du présent Chapitre.
On notera qu’il n’est pas possible pour une entreprise de
dépasser les seuils prévus par l’article 4 de la Directive en
matière d’assurance et d’obtenir une quelconque dispense
au motif qu’elle respecterait les seuils prévus pour la réassu-
rance. La phrase liminaire de l’article 4, paragraphe 1er précise
en effet que toutes les conditions prévues aux points a) à e)
doivent être remplies simultanément.
Les services de la Banque proposent d’ajouter l’explication
ci-avant au commentaire des articles”.
Ces précisions ne justifi ent pas l’exclusion absolue de
petites entreprises d’assurances qui effectuent des opéra-
tions de réassurance et elles n’expliquent pas suffisamment
pourquoi cette exclusion pourrait être réputée conforme à
752
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
zou kunnen worden geacht met de meer graduele benadering
die ten grondslag ligt aan artikel 4, lid 1, e), van Solvabiliteit II,
waarin slechts welbepaalde herverzekeringsactiviteiten wor-
den beoogd.
24. In artikel 303 van het ontwerp is geen bepaling op-
genomen die kan worden geacht de omzetting te zijn van
het bepaalde in artikel 28, tweede alinea, van Solvabiliteit II,
naar luid waarvan de toezichthoudende autoriteiten rekening
moeten houden met de mogelijke procyclische effecten van
hun optreden wanneer zich uitzonderlijke bewegingen op de
fi nanciële markten voordoen. Naar het zeggen van de ge-
machtigde zal artikel 303 van het ontwerp op dat punt worden
aangevuld met het oog op een meer volledige omzetting van
Solvabiliteit II.
25. Luidens artikel 34, lid 6, van Solvabiliteit II worden de
toezichthoudende bevoegdheden tijdig en op proportionele
wijze uitgeoefend. Deze bepaling wordt blijkbaar niet omge-
zet in artikel 304 van het ontwerp. De gemachtigde verwijst
in dat verband naar het bepaalde in artikel 303, § 2, 3°, van
het ontwerp — dat evenwel strekt tot het omzetten van arti-
kel 29 van Solvabiliteit II — en naar “de algemene beginselen
van administratief recht”. Niettemin zou de rechtszekerheid
ermee zijn gebaat indien artikel 304 van het ontwerp zou
worden aangevuld met een bepaling die op een meer uit-
gesproken wijze strekt tot het omzetten van artikel 34, lid 6,
van Solvabiliteit II.
Een gelijkaardige opmerking kan worden gemaakt bij ar-
tikel 513 van het ontwerp waarin het bepaalde in artikel 141,
tweede alinea, van Solvabiliteit II niet is omgezet.20
26. In artikel 324 van het ontwerp wordt de informatie op-
gesomd die de Bank jaarlijks aan EIOPA moet verstrekken.
De betrokken bepaling strekt tot het omzetten van artikel 52,
lid 1, van Solvabiliteit II. Vraag is evenwel of daarmee ook
wordt tegemoet gekomen aan de plicht tot informatieverstrek-
king aan EIOPA die voortvloeit uit artikel 77septies, lid 1, van
Solvabiliteit II. Anders dan wat in de aan de Raad van State,
afdeling Wetgeving, meegedeelde concordantietabel wordt
vermeld, valt immers niet in te zien waarom artikel 77sep-
ties van Solvabiliteit II geen omzetting in het interne recht
zou behoeven.
27. In artikel 417, tweede lid, van het ontwerp wordt mel-
ding gemaakt van het meedelen aan de toezichthouders van
“vertrouwelijke informatie” (informations confi dentielles). In
artikel 417, derde lid, van het ontwerp wordt dan weer melding
gemaakt van “relevante informatie” (informations pertinentes).
Ook in artikel 417, tweede lid, van het ontwerp zou het begrip
“relevante informatie” moeten worden gebruikt. Dit zou niet
enkel de redactionele eenvormigheid van artikel 417 van het
ontwerp ten goede komen, maar zou tevens beter aansluiten
op de terminologie van artikel 249, lid 1, van Solvabiliteit II.
20
In artikel 141, tweede alinea, van Solvabiliteit II, wordt melding
gemaakt van “proportionele maatregelen” die de omvang en
duur van de verslechtering van de solvabiliteitspositie van
de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming
weerspiegelen.
l’approche plus graduelle qui préside à l’article 4, paragraphe
1, e), de la directive Solvabilité II, qui ne vise que certaines
activités de réassurance.
24. L’article 303 du projet ne comprend pas de disposition
qui peut être réputée transposer l’article 28, deuxième alinéa,
de la directive Solvabilité II, aux termes duquel les autorités
de contrôle doivent prendre en compte les éventuels effets
procycliques de leurs actions dans les périodes d’extrême
instabilité des marchés fi nanciers. Selon le délégué, l’article
303 du projet sera complété à cet égard en vue d’une trans-
position plus complète de la directive Solvabilité II.
25. Selon l’article 34, paragraphe 6, de la directive
Solvabilité II, les pouvoirs de contrôle sont exercés en temps
utile et d’une manière proportionnée. Cette disposition n’a
de toute évidence pas été transposée dans l’article 304 du
projet. À cet égard, le délégué renvoie à l’article 303, § 2, 3°,
du projet — qui vise cependant la transposition de l’article
29 de la directive Solvabilité II — et aux “principes généraux
du droit administratif”. Néanmoins, la sécurité juridique se
trouverait renforcée si l’article 304 du projet était complété par
une disposition visant de manière plus explicite la transposi-
tion de l’article 34, paragraphe 6, de la directive Solvabilité II.
Une observation similaire peut être formulée concernant
l’article 513 du projet, qui ne transpose pas l’article 141,
deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II20.
26. L’article 324 du projet énumère les informations que la
Banque doit fournir chaque année à l’AEAPP. La disposition
concernée a pour objet de transposer l’article 52, paragraphe
1, de la directive Solvabilité II. La question se pose toutefois de
savoir s’il est ainsi également satisfait à l’obligation de fournir
des informations à l’AEAPP, qui découle de l’article 77septies,
paragraphe 1, de la directive Solvabilité II. En effet, contraire-
ment à ce que mentionne la table de concordance communi-
quée au Conseil d’État, section de législation, on n’aperçoit
pas pourquoi l’article 77septies de la directive Solvabilité II ne
nécessiterait pas une transposition en droit interne.
27. L’article 417, alinéa 2, du projet mentionne la com-
munication d’“informations confi dentielles” (vertrouwelijke
informatie) aux autorités de contrôle. L’article 417, alinéa
3, du projet, pour sa part, fait mention d’“informations per-
tinentes” (relevante informatie). Il faudrait utiliser la notion
d’“informations pertinentes” à l’article 417, alinéa 2, du projet
également. Non seulement l’article 417 du projet serait rédigé
d’une manière plus uniforme, mais il serait également plus
conforme à la terminologie utilisée à l’article 249, paragraphe
1, de la directive Solvabilité II.
20
L’article 141, deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II fait
mention de “mesures proportionnées” qui tiennent compte
du degré et de la durée de la détérioration de la solvabi-
lité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée.
753
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
28. Artikel 652, § 2, van het ontwerp luidt:
“In afwijking van artikel 56 beschikken de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes
maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te vol-
doen aan de verplichting tot oprichting van een risicobeheer-
functie in overeenstemming met het genoemde artikel 56.”
Er moet worden vastgesteld dat niet in dergelijke uitge-
stelde toepassing van de verplichtingen inzake de risicobe-
heerfunctie met zes maanden vanaf de inwerkingtreding van
de wet wordt voorzien in Solvabiliteit II.
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Algemene opmerking
29. In het om advies voorgelegde ontwerp van wet komen
diverse bepalingen voor waarin aan de Bank de bevoegdheid
wordt verleend om, bij reglement vastgesteld met toepassing
van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 “tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank
van België”, regelgevend op te treden (zie onder meer de
artikelen 60, 83, § 3, tweede lid, en 281, § 2, derde lid, van
het ontwerp).
De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee:
“Het wetsontwerp bepaalt duidelijk dat het reglementen
betreft vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van
de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek
statuut van de Nationale Bank van België (hierna “de wet van
22 februari 1998”).
Artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt dat:
“In de toezichtsaangelegenheden waarvoor zij bevoegd is,
kan de Bank reglementen vaststellen ter aanvulling van de
betrokken wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende
technische punten.
Zonder afbreuk te doen aan de raadpleging waarin in
andere wetten of reglementen is voorzien, kan de Bank over-
eenkomstig de procedure van de open raadpleging, de inhoud
van elk reglement dat zij overweegt vast te stellen, toelichten in
een consultatieronde en deze bekendmaken op haar website
voor eventuele opmerkingen van belanghebbende partijen.
Deze reglementen hebben slechts uitwerking na goedkeu-
ring door de Koning en bekendmaking ervan in het Belgisch
Staatsblad. De Koning kan wijzigingen aanbrengen aan deze
reglementen of deze regels zelf vaststellen indien de Bank
geen reglement heeft vastgesteld.”
Gelet op de verwijzing naar artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998, spreekt het voor zich dat het toepas-
singsgebied van de regelgevende bevoegdheid van de Bank
terzake beperkt is tot het vaststellen van reglementen “ter
aanvulling van de betrokken wettelijke of reglementaire be-
palingen betreffende technische punten”.
28. L’article 652, § 2, du projet s’énonce comme suit:
“Par dérogation à l’article 56, les entreprises d’assurance[s]
ou de réassurance bénéfi cient d’un délai de six mois à comp-
ter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satisfaire à
l’obligation de mettre en place une fonction de gestion des
risques en conformité avec ledit article 56”.
Force est de constater que la directive Solvabilité II ne
prévoit pas que cette application des obligations relatives à
la fonction de gestion des risques soit différée de six mois à
compter de l’entrée en vigueur de la loi.
EXAMEN DU TEXTE
Observation générale
29. Le projet de loi soumis pour avis comporte plusieurs
dispositions habilitant la Banque à intervenir par voie de
règlement pris en application de l’article 12bis, § 2, de la loi
du 22 février 1998 “fi xant le statut organique de la Banque
nationale de Belgique” (voir notamment les articles 60, 83,
§ 3, alinéa 2, et 281, § 2, alinéa 3, du projet).
À cet égard, le délégué a déclaré ce qui suit:
“Het wetsontwerp bepaalt duidelijk dat het reglementen
betreft vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van
de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek
statuut van de Nationale Bank van België (hierna “de wet
van 22 februari 1998”).
Artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt dat:
“In de toezichtsaangelegenheden waarvoor zij bevoegd
is, kan de Bank reglementen vaststellen ter aanvulling van de
betrokken wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende
technische punten.
Zonder afbreuk te doen aan de raadpleging waarin in
andere wetten of reglementen is voorzien, kan de Bank
overeenkomstig de procedure van de open raadpleging, de
inhoud van elk reglement dat zij overweegt vast te stellen,
toelichten in een consultatieronde en deze bekendmaken op
haar website voor eventuele opmerkingen van belangheb-
bende partijen.
Deze reglementen hebben slechts uitwerking na goedkeu-
ring door de Koning en bekendmaking ervan in het Belgisch
Staatsblad. De Koning kan wijzigingen aanbrengen aan deze
reglementen of deze regels zelf vaststellen indien de Bank
geen reglement heeft vastgesteld.”
Gelet op de verwijzing naar artikel 12bis, § 2 van de wet
van 22 februari 1998, spreekt het voor zich dat het toepas-
singsgebied van de regelgevende bevoegdheid van de
Bank terzake beperkt is tot het vaststellen van reglementen
“ter aanvulling van de betrokken wettelijke of reglementaire
bepalingen betreffende technische punten”.
754
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze regelgevende bevoegdheid laat toe om via reglement
de wettelijke bepalingen over het zeer gespecialiseerde
domein van het prudentieel toezicht op de verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen te verduidelijken en er
nadere regels voor vast te stellen, om rekening te houden
met de technische, specifi eke en evolutieve aard van de
aangelegenheden waarop zij van toepassing zullen zijn. Deze
aanpak verhoogt de rechtszekerheid en zorgt ervoor dat de
soepelheid bewaard blijft die nodig is om snel te kunnen
reageren op evoluties.
Deze aanpak biedt dezelfde garanties als de uitoefening
van de regelgevende bevoegdheid door de Koning aange-
zien de reglementen maar uitwerking hebben nadat ze zijn
goedgekeurd door de Koning en in het Belgisch Staatsblad
gepubliceerd zijn.”
De aan de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2, van
de wet van 22 februari 1998 gedelegeerde bevoegdheden
kunnen toelaatbaar worden geacht, mits zij uiteraard niet
verder strekken dat de “technische punten”, aan welk begrip
uitdrukkelijk wordt gerefereerd in de betrokken wetsbepaling.
Artikelsgewijze opmerkingen
Artikel 15
30. In artikel 15, 26°, van het ontwerp vervange men in
de Nederlandse tekst de term “vennootschapsvorm” door
“rechtsvorm” (in de Franse tekst gebruikt men de term
“forme sociale”). De term “rechtsvorm” omvat bijvoorbeeld
ook de onderlinge verzekeringsverenigingen die geen ven-
nootschappen zijn.
31. In de Nederlandse tekst van artikel 15, 46°, b), van het
ontwerp vervange men na het tweede streepje het woord
“kwaliteit” door het woord “hoedanigheid”.
Artikel 47
32. In artikel 47, eerste lid, van het ontwerp is de zinsnede
“, met name ten opzichte van de betrokken groep,” niet dui-
delijk. De draagwijdte ervan zou minstens in de memorie van
toelichting nader moeten worden uiteengezet, temeer daar het
in het betrokken lid voor de Bank wordt mogelijk gemaakt om
een gehele of gedeeltelijke afwijking van de verplichtingen
die voortvloeien uit de artikelen 45 en 46 van het ontwerp
toe te staan.
Artikel 54
33. In artikel 54, § 1, eerste lid, van het ontwerp wordt als
één van de onafhankelijke “controlefuncties” vermeld “een
risicobeheerfunctie”. De persoon die dergelijke functie uitoe-
fent dient overeenkomstig artikel 54, § 1, tweede lid, van het
ontwerp “onafhankelijk [te zijn] van de bedrijfseenheden en
operationele functies van de onderneming”. In artikel 56, § 3,
eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat het hoofd van de
risicobeheerfunctie lid is van het directiecomité. Vraag is of de
laatstgenoemde persoon steeds zal kunnen worden geacht
Deze regelgevende bevoegdheid laat toe om via reglement
de wettelijke bepalingen over het zeer gespecialiseerde
domein van het prudentieel toezicht op de verzekerings-
en herverzekeringsondernemingen te verduidelijken en er
nadere regels voor vast te stellen, om rekening te houden
met de technische, specifi eke en evolutieve aard van de
aangelegenheden waarop zij van toepassing zullen zijn. Deze
aanpak verhoogt de rechtszekerheid en zorgt ervoor dat de
soepelheid bewaard blijft die nodig is om snel te kunnen
reageren op evoluties.
Deze aanpak biedt dezelfde garanties als de uitoefening
van de regelgevende bevoegdheid door de Koning aange-
zien de reglementen maar uitwerking hebben nadat ze zijn
goedgekeurd door de Koning en in het Belgisch Staatsblad
gepubliceerd zijn”.
Les compétences déléguées à la Banque en application
de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 peuvent
être réputées admissibles, pour autant bien sûr qu’elles n’ex-
cèdent pas les “points d’ordre technique”, notion à laquelle la
disposition légale visée fait expressément référence.
Observations concernant les articles
Article 15
30. Dans le texte néerlandais de l’article 15, 26°, du
projet, on remplacera le terme “vennootschapsvorm” par
“rechtsvorm” (le texte français utilise le terme “forme sociale”).
Le terme “rechtsvorm” inclut par exemple également les asso-
ciations d’assurance mutuelle qui ne sont pas des sociétés.
31. Dans le texte néerlandais de l’article 15, 46°, b), du
projet, après le deuxième tiret, on remplacera le mot “kwaliteit”
par le mot “hoedanigheid”.
Article 47
32. À l’article 47, alinéa 1er, du projet, le segment de phrase
“notamment au regard du groupe concerné” n’est pas clair.
Sa portée devrait à tout le moins être précisée dans l’exposé
des motifs, d’autant plus que l’alinéa concerné permet à la
Banque de déroger, en tout ou en partie, aux obligations qui
découlent des articles 45 et 46 du projet.
Article 54
33. L’article 54, § 1er, alinéa 1er, du projet mentionne “une
fonction de gestion des risques” comme étant l’une des “fonc-
tions de contrôle indépendantes”. La personne qui exerce
une telle fonction doit, conformément à l’article 54, § 1er,
alinéa 2, du projet, être “indépendante des unités et fonctions
opérationnelles de l’entreprise”. L’article 56, § 3, alinéa 1er,
du projet dispose que la fonction de gestion des risques est
dirigée par un membre du comité de direction. La question
se pose de savoir si cette dernière personne pourra toujours
755
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
te beantwoorden aan het vereiste van onafhankelijkheid ten
aanzien van de bedrijfseenheid die instaat voor het risicobe-
heer en of op dat punt de samenhang tussen de artikelen 54,
§ 1, tweede lid, en 56, § 3, eerste lid, van het ontwerp niet
aan een bijkomend onderzoek moet worden onderworpen.
Artikel 100
34. In artikel 100 van het ontwerp wordt de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen de mogelijkheid geboden om,
mits toestemming van de Bank, bepaalde informatie niet in het
jaarlijks te publiceren verslag over hun solvabiliteit en fi nanci-
ele positie op te nemen. Wanneer de onderneming hiervoor
de toestemming heeft verkregen, moet ze hiervan melding
maken in het verslag, met opgave van de redenen hiervoor.
Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming
een genoteerde onderneming is, is ze ertoe gehouden om
onmiddellijk tot openbaarmaking over te gaan van voorkennis
die rechtstreeks op haar betrekking heeft, evenwel met de
mogelijkheid om de bekendmaking onder strikte voorwaarden
en op eigen verantwoordelijkheid uit te stellen.21 Bovendien
zijn de genoteerde vennootschappen onderworpen aan
bijzondere periodieke openbaarmakingsverplichtingen,22
bovenop de verplichtingen die op hen rusten op grond van
het Wetboek van Vennootschappen.
Ter wille van de rechtszekerheid verdient het aanbeveling
dat de steller van het ontwerp nader de onderlinge verhouding
en wisselwerking zou verduidelijken tussen de informatiever-
plichtingen als genoteerde vennootschap, enerzijds, en de
mogelijkheid om bepaalde informatie niet bekend te maken
op grond van artikel 100 van het ontwerp, anderzijds.
Artikel 107
35. De artikelen 107 en volgende van het ontwerp hebben
onder meer betrekking op de “opening” (ouverture) van doch-
terondernemingen en bijkantoren in het buitenland. Er dient op
te worden toegezien dat telkens dezelfde terminologie wordt
gebruikt wanneer hetzelfde begrip wordt beoogd. Dat lijkt nu
niet steeds het geval te zijn. Zo wordt in artikel 107, eerste
lid, van het ontwerp melding gemaakt van de “oprichting”
(constituer) van een dochteronderneming in het buitenland.
Artikel 151
36. In artikel 151, § 2, tweede lid, van het ontwerp, moeten
de woorden “solvabiliteitskapitaal” en “capital de solvabilité”
worden vervangen door, respectievelijk, “solvabiliteitskapi-
taalvereiste” en “capital de solvabilité requis”.
21
Zie artikel 10, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 “betreffende
het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten”.
22
Zie het koninklijk besluit van 14 november 2007 “betreffende de
verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die
zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde
markt”.
être réputée répondre à l’exigence d’indépendance à l’égard
de l’unité qui est responsable de la gestion des risques et s’il
n’y a pas lieu, en l’espèce, de soumettre la corrélation entre
les articles 54, § 1er, alinéa 2, et 56, § 3, alinéa 1er, du projet
à un examen complémentaire.
Article 100
34. L’article 100 du projet offre aux entreprises d’assu-
rances ou de réassurance la possibilité, moyennant auto-
risation de la Banque, de ne pas publier dans le rapport
annuel certaines informations relatives à leur solvabilité et
à leur situation fi nancière. Lorsque l’entreprise a reçu une
autorisation en ce sens, elle doit l’indiquer dans le rapport et
en expliquer les raisons.
Lorsque l’entreprise d’assurances ou de réassurance est
une entreprise cotée, elle est tenue de rendre publique immé-
diatement toute information privilégiée qui la concerne direc-
tement, avec toutefois la possibilité de différer la publication à
des conditions strictes et sous sa propre responsabilité 21. En
outre, les sociétés cotées sont soumises à des obligations de
publication périodique particulières 22, en plus des obligations
qui leur incombent en vertu du Code des sociétés.
Dans un souci de sécurité juridique, il est recommandé
que l’auteur du projet précise davantage la corrélation et
l’interaction entre les obligations d’information en tant que
société cotée, d’une part, et la possibilité de ne pas publier
certaines informations sur la base de l’article 100 du projet,
d’autre part.
Article 107
35. Les articles 107 et suivants du projet concernent
notamment l’“ouverture” (opening) de fi liales et de succur-
sales à l’étranger. On veillera à utiliser chaque fois la même
terminologie quand on vise la même notion, ce qui ne semble
cependant pas toujours être le cas. Ainsi, l’article 107, alinéa
1er, du projet fait mention de “constituer” (oprichting) une
fi liale à l’étranger.
Article 151
36. À l’article 151, § 2, alinéa 2, du projet, il y a lieu de
remplacer les mots “solvabiliteitskapitaal” et “capital de
solvabilité” par “solvabiliteitskapitaalvereiste” et “capital de
solvabilité requis”, selon le cas.
21
Voir l’article 10, § 1er, de la loi du 2 août 2002 “relative à la sur-
veillance du secteur financier et aux services financiers”.
22
Voir l ’ arrêté royal du 14 novem bre 20 07 “ rela-
tif aux obligations des émetteurs d”instruments finan-
ciers admis à la négociation sur un marché réglementé”.
756
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Artikel 191
37. In artikel 191, derde lid, van het ontwerp hebben
de woorden “in het belang van alle verzekeringnemers en
begunstigden”, in de Nederlandse tekst, niet een identieke
connotatie als de woorden “dans le meilleur intérêt de tous
les preneurs d’assurance et de tous les bénéfi ciaires”, in de
Franse tekst. Hetzelfde geldt voor de woorden “in het belang”
en “au mieux des intérêts” in artikel 191, vierde lid, van het
ontwerp. De terminologie in de Nederlandse en de Franse
tekst van de ontworpen bepalingen zou op dat punt meer
eenvormig moeten worden gemaakt.
Artikel 336
38. In artikel 336 van het ontwerp wordt melding gemaakt
van “de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonder-
neming”. Dit begrip wordt niet nader omschreven in het ont-
werp, ook niet in boek II, titel II, hoofdstuk III, afdeling III, van
het ontwerp (“Leiding en leiders”). Een omschrijving van dat
begrip zou niet enkel de duidelijkheid ten goede komen, maar
is ook wenselijk ermee rekening houdend dat de ontworpen
wet diverse verplichtingen oplegt ten aanzien van de “leiders”.
Artikel 503
39. Naar het zeggen van de gemachtigde is het de be-
doeling om in artikel 503, § 2, tweede lid, van het ontwerp te
verwijzen naar artikel 19 (en niet artikel 17) van de betrokken
verordeningen.
Artikel 549
40. In artikel 549 van het ontwerp wordt aan de Bank de
mogelijkheid geboden om, in de context van de beëindiging
van de vergunning van een verzekerings- of herverzekerings-
onderneming, in geval van het verslechteren van de fi nanciële
situatie van de onderneming, deze situatie uit eigen beweging
ter kennis te brengen van de rechtbank van koophandel. Deze
mededeling geldt dan als een aangifte van faillissement in de
zin van artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997.
De memorie van toelichting verduidelijkt dat artikel 549 van het
ontwerp aan de Bank de mogelijkheid wil bieden om in te grijpen
“[i]ndien er ondanks of als gevolg van de tenuitvoerlegging van
de herstel- en/of afwikkelingsmaatregelen wordt vastgesteld dat
een faillissementsprocedure moet worden geopend”.
Teneinde de bepaling beter te doen aansluiten bij de door
de steller van het ontwerp beoogde bedoeling verdient het
aanbeveling om in de tekst van de bepaling uitdrukkelijk te
refereren aan de wettelijke voorwaarden voor faillietverklaring,
in plaats van aan het vage criterium van de “verslechtering van
de fi nanciële situatie”. Ook doet de steller van het ontwerp er
goed aan om nauwkeuriger in de wettekst te omschrijven in
welke gevallen aan de Bank de mogelijkheid wordt geboden
om een kennisgeving te doen aan de rechtbank van koophan-
del, met de eraan gekoppelde rechtsgevolgen: anders dan
wat de memorie van toelichting thans laat uitschijnen, kan
immers tot kennisgeving worden overgegaan in alle gevallen
van verlies van de vergunning.
Article 191
37. À l’article 191, alinéa 3, du projet, les mots “dans le
meilleur intérêt de tous les preneurs d’assurance et de tous
les bénéfi ciaires” dans le texte français n’ont pas la même
connotation que les mots “in het belang van alle verzekerin-
gnemers en begunstigden” dans le texte néerlandais. Il en
va de même pour les mots “au mieux des intérêts” et “in het
belang” à l’article 191, alinéa 4, du projet. La terminologie
des textes français et néerlandais des dispositions en projet
devrait être davantage uniformisée sur ce point.
Article 336
38. L’article 336 du projet fait mention des “dirigeants
de l’entreprise d’assurance[s] ou de réassurance”. Cette
notion n’est pas défi nie plus en détail dans le projet, ni dans
le livre II, titre II, chapitre III, section III, du projet (“Direction
et dirigeants”). Une défi nition de cette notion améliorerait
non seulement la clarté du projet, mais elle est également
souhaitable compte tenu du fait que la loi en projet impose
différentes obligations à l’égard des “dirigeants”.
Article 503
39. Selon le délégué, il s’agit que l’article 503, § 2, alinéa
2, du projet vise l’article 19 (et non l’article 17) des règlements
concernés.
Article 549
40. L’article 549 du projet permet à la Banque, dans le
cadre de la fi n de l’agrément d’une entreprise d’assurances
ou de réassurance, en cas de détérioration de la situation
fi nancière de l’entreprise, de porter d’initiative cette situation
à la connaissance du tribunal de commerce. Cette notifi ca-
tion vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du
8 août 1997 sur les faillites. L’exposé des motifs explique que
l’article 549 du projet veut donner à la Banque la possibilité
d’intervenir “[d]ès lors que malgré ou qu’à la suite de la mise
en œuvre des mesures de redressement et/ou de résolution, il
y a lieu de procéder au constat selon lequel il convient d’ouvrir
une procédure de faillite”.
Afi n de mieux faire coïncider la disposition avec l’intention
de l’auteur du projet, il est recommandé de faire expressément
référence, dans le texte de cette disposition, aux conditions
légales pour la déclaration de faillite, plutôt qu’au vague cri-
tère de la “détérioration de la situation fi nancière”. L’auteur du
projet serait également bien avisé de défi nir plus précisément
dans le texte de loi dans quels cas la Banque peut faire une
notifi cation au tribunal de commerce, avec les conséquences
juridiques que cela entraîne: contrairement à ce que l’exposé
des motifs laisse paraître actuellement, tous les cas de perte
de l’agrément peuvent en effet faire l’objet d’une notifi cation.
757
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
In artikel 549 van het ontwerp wordt de kennisgeving door
de Bank aan de rechtbank van koophandel gelijkgesteld met
een aangifte van faillissement, die, in het stelsel van de faillis-
sementswet, als eenzijdige rechtshandeling in beginsel enkel
toekomt aan de handelaar zelf. Het is de Raad van State, afde-
ling Wetgeving, niet duidelijk op welke wijze de gelijkstelling
van de kennisgeving door de Bank met een aangifte van fail-
lissement aan de verzekeringsonderneming zelf de gelegen-
heid biedt om partij te worden in de faillissementsprocedure
en om in het bijzonder daarbij haar rechten van verdediging
te laten gelden. Teneinde hieraan tegemoet te komen, en om
redenen van consistentie met de algemene principes van de
faillissementswet, zou de mogelijkheid voor de Bank om een
faillissementsprocedure in te stellen beter ingebed moeten
worden in een tegensprekelijke procedure, vergelijkbaar met
de situatie waarbij de faillissementsprocedure wordt opgestart
door het Openbaar Ministerie of de voorlopige bewindvoerder
als bedoeld in artikel 8 van de faillissementswet.
Artikelen 604 en 605
41. Artikel 604 van het ontwerp voorziet voor de Bank in
de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen
voor gedragingen die met toepassing van artikel 605 van het
ontwerp evenzeer het voorwerp van strafrechtelijke tenlaste-
leggingen kunnen uitmaken. In dat verband verwijst de Raad
van State, afdeling Wetgeving, naar de opmerking die hij heeft
geformuleerd in advies 54 982/2 van 27 januari 2014 over de
artikelen 347 en 348 van het voorontwerp van wet “op het
statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen”.23
In dat advies merkte de Raad van State, afdeling
Wetgeving, onder meer het volgende op:
“Wat het cumuleren van die twee types sancties betreft,
wordt verwezen naar de algemene opmerking nr. 1 van
advies 52 870/2, op 5 maart 2013 verstrekt, over een voor-
ontwerp dat geleid heeft tot de wet van 30 juli 2013 “tot ver-
sterking van de bescherming van de afnemers van fi nanciële
producten en diensten alsook van de bevoegdheden van de
Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en houdende
diverse bepalingen (I)”, waarin het volgende gesteld wordt:
“Sommige bepalingen van het voorontwerp voegen
in verscheidene wetgevingen teksten in die ofwel recht-
streeks, ofwel door verwijzing naar artikel 36 van de wet
van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de fi nan-
ciële sector en de fi nanciële diensten”, inzonderheid naar
paragraaf 2 ervan, ofwel door bepalingen te wijzigen die de
administratieve geldboetes betreffen, het mogelijk maken dat
zulke sancties worden opgelegd door de FSMA. Het betreft
de artikelen 2, 9, 28, 46, 49, 53, 57, 58, 62 en 63.
In verband met een bepaling die een soortgelijke strekking
had, te weten artikel 50, § 3, van het voorontwerp dat aanlei-
ding heeft gegeven tot de wet van 21 december 2009 “op het
statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor
elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien-
staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch
23
Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 3406/1.
L’article 549 du projet assimile la notifi cation par la Banque
au tribunal de commerce à un aveu de faillite qui, dans le
régime de la loi sur les faillites, est un acte juridique unilatéral
que seul le commerçant lui-même peut en principe poser. Le
Conseil d’État, section de législation, n’aperçoit pas comment
l’assimilation de la notifi cation par la Banque à un aveu de fail-
lite permet à l’entreprise d’assurances elle-même de devenir
partie à la procédure en faillite et en particulier de faire valoir
ses droits à la défense dans ce cadre. Afi n de remédier à cette
situation et dans un souci de cohérence avec les principes
généraux de la loi sur les faillites, mieux vaudrait inscrire la
possibilité pour la Banque de lancer une procédure en faillite
dans une procédure contradictoire comparable à la situation
où la procédure en faillite est engagée par le Ministère public
ou par l’administrateur provisoire au sens de l’article 8 de la
loi sur les faillites.
Articles 604 et 605
41. L’article 604 du projet prévoit la possibilité pour la
Banque d’infl iger des amendes administratives pour des agis-
sements qui, en application de l’article 605 du projet, peuvent
également faire l’objet d’incriminations pénales. À cet égard,
le Conseil d’État, section de législation, renvoie à l’observa-
tion qu’il a formulée dans l’avis 54 982/2 du 27 janvier 2014 à
propos des articles 347 et 348 de l’avant-projet de loi “relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit”23.
Dans cet avis, le Conseil d’État, section de législation, a
notamment observé ce qui suit:
“Il est renvoyé en ce qui concerne le cumul de ces deux
types de sanction à l’observation générale n° 1 de l’avis
52 870/2 donné le 5 mars 2013 sur l’avant-projet devenu
la loi du 30 juillet 2013 “visant à renforcer la protection des
utilisateurs de produits et services fi nanciers ainsi que les
compétences de l”Autorité des services et marchés fi nanciers,
et portant des dispositions diverses (I)’, qui expose ce qui suit:
“Plusieurs dispositions de l”avant-projet insèrent dans
diverses législations des textes qui, soit directement, soit en
renvoyant à l’article 36 de la loi du 2 août 2002 “relative à la
surveillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers”,
spécialement à son paragraphe 2, soit encore par la modifi -
cation apportée à des dispositions dont l’objet porte sur des
amendes administratives, permettent l’infl iction de pareilles
sanctions par la FSMA. Il s’agit des articles 2, 9, 28, 46, 49,
53, 57, 58, 62 et 63.
À propos d’une disposition dont l’objet était analogue, à
savoir l’article 50, § 3, de l’avant-projet devenu, avec la même
numérotation, la loi du 21 décembre 2009 “relative au statut
des établissements de paiement et des établissements de
monnaie électronique, à l”accès à l’activité de prestataire
de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie
23
Doc. parl., Chambre, 2013-14, n° 3406/1.
758
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
geld en de toegang tot betalingssystemen”, welk artikel zijn
nummering heeft behouden in deze wet, heeft de afdeling
Wetgeving van de Raad van State het volgende opgemerkt:
“De artikelen 50 en 51 van het voorontwerp, die zijn
opgenomen in titel IV, met als opschrift “Strafbepalingen”,
organiseren een regeling van respectievelijk bestuursrechte-
lijke sancties en strafrechtelijke sancties, zonder dat ze een
gezamenlijke toepassing uitsluiten van deze twee soorten van
sancties op identieke feiten.
Aangezien de maatregelen omschreven in artikel 50, al-
thans die welke paragraaf 3 van deze bepaling voorschrijft,
gelet op het voorwerp en de draagwijdte ervan als strafrech-
telijk kunnen worden bestempeld in de zin van artikel 6 van
het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens, alsmede van artikel 14 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, moet het beginsel
non bis in idem worden in acht genomen, dat is vastgelegd
in artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot be-
scherming van de rechten van de mens, alsook in artikel 14,
lid 7, van het voornoemde Internationaal Verdrag, en dat in het
interne recht omschreven wordt als “une règle essentielle de
procédure pénale laquelle constitue en droit belge un principe
général du droit”24. Overeenkomstig dit beginsel mag niemand
strafrechtelijk worden vervolgd of gestraft wegens een straf-
baar feit waarvoor hij reeds is vrijgesproken of veroordeeld.
De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft in haar
voornoemde advies 33 182/2 [, op 29 april 2002 verstrekt
over het voorontwerp van wet dat heeft geleid tot de wet
van 2 augustus 2002 “betreffende het toezicht op de fi nan-
ciële sector en de fi nanciële diensten”], waarin soortgelijke
bepalingen werden besproken als die welke thans worden
onderzocht, gewag gemaakt van de moeilijkheden die deze
mogelijkheid van cumulatie van straffen deed rijzen25.
Dit advies wees op een ontwikkeling in de jurisprudentie
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met
betrekking tot de interpretatie van dit beginsel: in een eerste
fase had het Hof geoordeeld dat het beginsel non bis in idem
geschonden is zodra “eenzelfde gedrag” gestraft is met zowel
een administratieve sanctie als een strafrechtelijke straf26,
terwijl het later heeft beschouwd dat eenzelfde feit tegelijk
aanleiding kan geven tot een strafrechtelijke straf en een ad-
ministratieve sanctie wanneer het strafrechtelijke feit bestaat
uit twee aparte strafbare feiten27.
24
Voetnoot 5 van het geciteerde advies: Voetnoot 12 van het geci-
teerde advies: J. Velu en R. Ergec, La Convention européenne
des droits de l’homme, Bruylant, Brussel, 1990, blz. 521.
25
Voetnoot 6 van het geciteerde advies: Voetnoot 13 van het
geciteerde advies: Parl.St. Kamer, 2001-02, nrs. 50-1842/1 en
50-1843/1, inz. blz. 250 tot 252.
26
Voetnoot 7 van het geciteerde advies: Voetnoot 14 van
het geciteerde advies: EHRM, Gradinger tegen Oostenrijk,
23 oktober 1995.
27
Voetnoot 8 van het geciteerde advies: Voetnoot 15 van het ge-
citeerde advies: EHRM, Oliveira tegen Zwitserland, 30 juli 1998.
électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”, la sec-
tion de législation du Conseil d’État a émis les considérations
suivantes:
“Les articles 50 et 51, situés dans le titre IV, intitulé
‘Sanctions”, de l’avant-projet organisent respectivement des
régimes de sanctions administratives et de sanctions pénales,
sans exclure une application cumulée de ces deux types de
sanctions à des faits identiques.
Dès lors que, compte tenu de leur objet et de leur portée,
les mesures envisagées par l’article 50, en tout cas celles
qui sont prévues par le paragraphe 3 de cette disposition,
peuvent être qualifi ées de pénales au sens de l’article 6 de la
Convention européenne des droits de l’homme et de l’article
14 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques,
il importe que soit respecté le principe “non bis in idem”
consacré par l’article 4 du Protocole n° 7 de la Convention
européenne des droits de l’homme ainsi que par l’article 14,
§ 7, du Pacte précité et qui constitue, en droit interne, “une
règle essentielle de procédure pénale laquelle constitue en
droit belge un principe général du droit”24. Selon ce principe,
nul ne peut être poursuivi ou puni pénalement en raison d’une
infraction pour laquelle il a déjà été acquitté ou condamné.
Dans son avis 33 182/2 [donné le 29 avril 2002 sur l’avant-
projet devenu la loi du 2 août 2002 “relative à la surveillance
du secteur fi nancier et aux services fi nanciers”] qui conte-
nait des dispositions analogues à celles faisant l’objet des
dispositions à l’examen, la section de législation du Conseil
d’État a fait état des difficultés que suscitait cette possibilité
de cumul de sanctions25.
Cet avis relevait une évolution dans la jurisprudence de la
Cour européenne des droits de l’homme relative à l’interpré-
tation de ce principe: après que, dans un premier temps, la
Cour ait considéré que le principe “non bis in idem” était violé
dès lors qu’un “même comportement” avait fait l’objet à la fois
d’une sanction administrative et d’une sanction pénale26, elle
a considéré plus tard qu’un même fait pouvait donner lieu tout
à la fois à une sanction pénale et à une sanction administra-
tive dès lors que le même fait pénal se décompose en deux
infractions distinctes27.
24
Note de bas de page 5 de l’avis cité: Note de bas de page 12 de
l’avis cité: J. Velu et R. Ergec, La Convention européenne des
droits de l’homme, Bruylant, Bruxelles, 1990, p. 521.
25
Note de bas de page 6 de l’avis cité: Note de bas de page 13 de
l’avis cité: Doc. parl., Chambre, 2001-2002, nos 50-1842/1 et 50-
1843/1, spéc. pp. 250 à 252.
26
Note de bas de page 7 de l’avis cité: Note de bas de page 14 de
l’avis cité: Cour eur. dr. h., Gradinger c. Autriche, 23 octobre 1995.
27
Note de bas de page 8 de l’avis cité: Note de bas de page 15 de
l’avis cité: Cour eur. dr. h., Oliveira c. Suisse, 30 juillet 1998.
759
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
Deze laatste jurisprudentie is achteraf bekrachtigd, evenwel
genuanceerd28-29, maar het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens heeft onlangs, bij een arrest dat de Grote Kamer
gewezen heeft op 10 februari 2009, teruggegrepen naar zijn
oorspronkelijke standpunt: het verklaart erin dat “l”article 4 du
Protocole n° 7 doit être compris comme interdisant de poursui-
vre ou de juger une personne pour une seconde “infraction”
pour autant que celle-ci a pour origine des faits identiques ou
des faits qui sont en substance les mêmes”30.
Dit versterkt bijgevolg de opmerking gemaakt in het voor-
noemde advies 33 182/2, volgens welke het “beginsel non bis
in idem zou moeten uitsluiten dat eenzelfde strafbaar feit [...]
kan worden bestraft met zowel een administratieve geldboete
als, naderhand, een strafrechtelijke straf”.
In datzelfde advies werd daaromtrent het volgende
geconcludeerd:
“De steller van het ontwerp dient na te gaan of, in het
licht van de rechtspraak van het Europees Hof, het dus niet
raadzaam is om de cumulatie van administratieve sancties en
strafrechtelijke straffen uit te sluiten voor gedragingen die uit
het oogpunt van hun bestanddelen identieke strafbare feiten
kunnen vormen.
In artikel 7331 van het voorontwerp wordt weliswaar het
volgende bepaald:
28
Voetnoot 9 van het geciteerde advies: Voetnoot 16 van het
geciteerde advies: Zie inzonderheid arrest EHRM, Ponsetti en
Chesnel tegen Frankrijk d.d. 14 september 1999, dat eveneens
wordt vermeld in het voornoemde advies 33 182/2 van de Raad
van State. In dezen, zie J. Put, “Bis sed non idem”, RW 2001-
2002, p. 941, nr. 18; CH. KARAKOSTA, “Ne bis in idem: une
jurisprudence peu lisible pour un droit intangible”, Rev. trim.
dr. h., 2008, blz. 25 e.v.; H. MOCK, “Ne bis in idem: Strasbourg
tranche en faveur de l’identité des faits”, noot onder EHRM, GK,
Zolotoukhine tegen Rusland, 10 februari 2009, Rev. trim. dr. h.,
2009, blz. 866 tot 881.
29
Voetnoot 10 van het geciteerde advies: Voetnoot 17 van het
geciteerde advies: Het EHRM heeft zelf toegegeven dat de
verscheidenheid van de aspecten van deze jurisprudentie
een “source d’une insécurité juridique incompatible avec ce
droit fondamental” vormde (EHRM, GK, Zolotoukhine tegen
Rusland, 10 februari 2009, punten 70 tot 78, inz. Punt 78).
30
Voetnoot 11 van het geciteerde advies: Voetnoot 18 van het
geciteerde advies: EHRM, GK, Zolotouchin tegen Rusland,
10 februari 2009, punt 82. Het Hof stelt het volgende in datzelfde
arrest: “... l’approche qui privilégie la qualification juridique des
deux infractions est trop restrictive des droits de la personne, car
si la Cour s’en tient au constat que l’intéressé a été poursuivi
pour des infractions ayant une qualification juridique différente,
elle risque d’affaiblir la garantie consacrée par l’article 4 du
Protocole n° 7 et non de la rendre concrète et effective comme
le requiert la Convention” (ibid., punt 81). Zie H. MOCK, loc. cit.
31
Voetnoot 12 van het geciteerde advies: Voetnoot 19 van het geci-
teerde advies: Deze bepaling heeft haar nummer behouden in de
op 2 augustus 2002 aangenomen wet, met enkele wijzigingen die
niet raken aan de grond ervan (artikel 1 van het koninklijk besluit
van 25 maart 2003 tot uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet
van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten, alsook artikel 176, 1° en 2°, van
de programmawet van 27 april 2007).
Cette dernière jurisprudence a été confi rmée ultérieure-
ment, avec des nuances28-29, mais, récemment, par un arrêt
rendu en Grande Chambre le 10 février 2009, la Cour euro-
péenne des droits de l’homme est revenue à sa conception
première: elle y déclare que “l”article 4 du Protocole n° 7 doit
être compris, comme interdisant de poursuivre ou de juger
une personne pour une seconde “infraction” pour autant que
celle-ci a pour origine des faits identiques ou des faits qui
sont en substance les mêmes”30.
La considération fi gurant dans l’avis 33 182/2, précité,
selon laquelle “le principe “non bis in idem” devrait exclure
qu”une même infraction [...] puisse être sanctionnée tout à
la fois par une amende administrative et ultérieurement par
une sanction pénale’ s’en trouve en conséquence renforcée.
Le même avis concluait sur ce point par les considérations
suivantes:
“Il appartient à l”auteur du projet d’apprécier si, au regard
de la jurisprudence de la Cour européenne, il ne convient dès
lors pas d’exclure le cumul de sanctions administratives et
pénales pour des comportements susceptibles de constituer
— au regard de leurs éléments constitutifs — des infractions
identiques.
Certes, l’article 7331 de l’avant-projet prévoit-il que:
28
Note de bas de page 9 de l’avis cité: Note de bas de page 16 de
l’avis cité: Voir notamment l’arrêt Ponsetti et Chesnel c. France
du 14 septembre 1999 de la Cour européenne des droits de
l’homme, également cité dans l’avis 33 182/2, précité, du Conseil
d’État. Sur ces questions, cons. J. Put, “Bis sed non idem”,
R.W., 2001-2002, p. 941, n° 18; Ch. Karakosta, “Ne bis in idem:
une jurisprudence peu lisible pour un droit intangible”, Rev. trim.
dr. h., 2008, pp. 25 et s.; H. Mock, “Ne bis in idem: Strasbourg
tranche en faveur de l’identité des faits”, note sous Cour eur. dr.
h., Gde Ch., Zolotoukhine c. Russie, 10 février 2009, Rev. trim.
dr. h., 2009, pp. 866 à 881.
29
Note de bas de page 10 de l’avis cité: Note de bas de page
17 de l’avis cité: La Cour européenne des droits de l’homme a
elle-même admis que la diversité des approches adoptées par
cette jurisprudence avait été la “source d’une insécurité juridique
incompatible avec ce droit fondamental” (Cour eur. dr. h., Gde
Ch., Zolotoukhine c. Russie, 10 février 2009, § § 70 à 78, spéc.
le paragraphe 78).
30
Note de bas de page 11 de l’avis cité: Note de bas de page
18 de l’avis cité: Cour eur. dr. h., Gde Ch., Zolotoukhine c. Russie,
10 février 2009, § 82. Dans ce même arrêt, la Cour expose que
“l’approche qui privilégie la qualification juridique des deux
infractions est trop restrictive des droits de la personne, car si la
Cour s’en tient au constat que l’intéressé a été poursuivi pour
des infractions ayant une qualification juridique différente, elle
risque d’affaiblir la garantie consacrée par l’article 4 du Protocole
n° 7 et non de la rendre concrète et effective comme le requiert
la Convention” (ibid., § 81). Voir H. Mock, loc. cit.
31
Note de bas de page 12 de l’avis cité: Note de bas de page
19 de l’avis cité: Cette disposition a gardé sa numérotation dans
la loi adoptée du 2 août 2002, moyennant des modifications
n’affectant pas sa substance (article 1er de l’arrêté royal du
25 mars 2003 portant exécution de l’article 45, § 2, de la loi du
2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux
services financiers et article 176, 1° et 2°, de la loi-programme
du 27 avril 2007).
760
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
“Elke administratieve geldboete die door de CBF [welke de
FSMA is geworden] aan een persoon wordt opgelegd en die
defi nitief is geworden vooraleer de strafrechter zich defi nitief
over dezelfde feiten of samenhangende feiten heeft uitgespro-
ken, wordt aangerekend op het bedrag van elke strafboete
die voor deze feiten ten aanzien van dezelfde persoon wordt
uitgesproken.”
Die bepaling lijkt evenwel ontoereikend opdat aan het
beginsel “non bis in idem” voldaan kan zijn. Als dat beginsel
zou worden toegepast, zou het immers tot gevolg hebben, niet
dat de ene straf opgaat in de andere, maar dat voor eenzelfde
strafbare feit geen nieuwe vervolging meer kan worden inge-
steld als degene die het strafbare feit heeft begaan, daarvoor
reeds veroordeeld is.”
Op basis van het voornoemde arrest EHRM in zake
Zolotoukhine tegen Rusland d.d. 10 februari 2009 wijst de
afdeling Wetgeving van de Raad van State erop dat deze
opmerking eveneens geldt wat betreft de artikelen 50 en
51 van het voorontwerp.
Deze bepalingen moeten worden herzien, zodat wordt
vermeden dat voor eenzelfde feit gepleegd door eenzelfde
persoon na een strafrechtelijke veroordeling een nieuwe pro-
cedure van bestuursrechtelijke aard kan worden ingesteld die
kan leiden tot het opleggen van een administratieve sanctie
welke als strafrechtelijk kan worden bestempeld in de zin van
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en van artikel 14 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, of — om-
gekeerd — dat, steeds voor hetzelfde feit, na het opleggen
van zulk een administratieve sanctie strafvervolging kan
worden ingesteld.”32
In de commentaar op de artikelen 50 en 51 van het
ontwerp dat heeft geleid tot de voornoemde wet van
21 december 2009 wordt het volgende opgemerkt in verband
met de bij deze bepalingen ingevoerde strafregeling:
“In zijn advies schrijft de Raad van State dienaangaande
dat een regeling van bestuursrechtelijke sancties en strafrech-
telijke sancties, zonder dat ze een gezamenlijke toepassing
uitsluiten van deze twee soorten van sancties op identieke
feiten, het beginsel non bis in idem schenden, welk beginsel
is vastgelegd in artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, alsook
in artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burger-
rechten en politieke rechten. [...] De Raad van State verwijst
daarbij naar eerdere adviezen van de afdeling Wetgeving van
de Raad van State, evenals naar recente rechtspraak van het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Regering is
zich ten volle bewust van de door de Raad van State in zijn
advies aangehaalde problematiek. Zij zal de recente recht-
spraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
onderzoeken en zonodig initiatieven nemen om het stelsel
32
Voetnoot 13 van het geciteerde advies: Advies 46 870/2, op
8 juli 2009 verstrekt over een voorontwerp dat heeft geleid tot de
voornoemde wet van 21 december 2009, de opmerking gemaakt
omtrent de artikelen 50 en 51, Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52-
2182/1, 88 tot 90.
“Toute amende administrative imposée par la CBF [devenu
la FSMA] à une personne et devenue défi nitive avant que le
juge pénal ait statué défi nitivement sur les mêmes faits ou
des faits connexes, s’impute sur le montant de toute amende
pénale qui serait prononcée pour ces faits à l’égard de la
même personne”.
Mais cette disposition ne paraît pas suffisante pour satis-
faire à l’exigence du principe “non bis in idem”. Si ce principe
venait à s’appliquer, il aurait en effet pour conséquence non
d’exiger l’absorption d’une peine par une autre mais de rendre
irrecevable la poursuite ultérieure d’une même infraction pour
laquelle son auteur a déjà été condamné.”
L’arrêt Zolotoukhine c. Russie du 10 février 2009, précité,
de la Cour européenne des droits de l’homme ne peut que
conduire la section de législation du Conseil d’État à réitérer
cette observation pour les articles 50 et 51 de l’avant-projet.
Ces dispositions devraient être revues de manière à éviter
que, pour un même fait commis par la même personne, après
une condamnation pénale, une nouvelle procédure, à carac-
tère administratif, puisse être diligentée pouvant conduire à
l’infl iction d’une sanction administrative pouvant être qualifi ée
de pénale au sens de l’article 6 de la Convention européenne
des droits de l’homme et de l’article 14 du Pacte internatio-
nal relatif aux droits civils et politiques, ou, à l’inverse, que,
toujours pour un même fait, pareille sanction administrative
puisse être suivie de poursuites pénales”32.
Le commentaire des articles 50 et 51 du projet devenu la
loi précitée du 21 décembre 2009 expose ce qui suit au sujet
du régime de sanctions instauré par ces dispositions:
“Dans son avis, le Conseil d”État relève à ce sujet que pré-
voir des régimes de sanctions administratives et de sanctions
pénales, sans exclure une application cumulée de ces deux
types de sanctions à des faits identiques, est susceptible
d’entraîner une violation du principe non bis in idem consacré
par l’article 4 du Protocole n° 7 de la Convention européenne
des droits de l’homme ainsi que par l’article 14, § 7, du Pacte
international relatif aux droits civils et politiques. [...] Le Conseil
d’État fait à cet égard référence à des avis antérieurs de
la section de législation du Conseil d’État, ainsi qu’à une
jurisprudence récente de la Cour européenne des droits de
l’homme. Le Gouvernement est tout à fait conscient de la
problématique soulevée par le Conseil d’État dans son avis.
Il examinera la jurisprudence récente de la Cour européenne
des droits de l’homme et prendra, si nécessaire, des initiatives
visant à adapter le régime des sanctions administratives et
32
Note de bas de page 13 de l’avis cité: Avis 46 870/2 donné
le 8 juillet 2009 sur un avant-projet devenu la loi précitée du
21 décembre 2009, observation formulée sur les articles 50 et
51, Doc. parl., Chambre, 2008-2009, n° 52-2182/1, pp. 88 à 90.
761
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
van administratieve sancties en strafrechtelijke straffen in de
Belgische wetgeving aan te passen om zo nodig rekening te
houden met de voormelde rechtspraak”.33
De Raad van State kan met betrekking tot de voornoemde
bepalingen van het voorontwerp niet anders dan zijn reeds
aangehaalde advies 46 870/2 bevestigen wat betreft de
cumulatie van strafrechtelijke en administratieve sancties,
zoals volgt uit de artikelen 70 tot 73 van de voornoemde wet
van 2 augustus 2002, welke eveneens toepasselijk zijn op
andere wetgevingen die sanctionerende bevoegdheid verle-
nen aan de FSMA.
Bovendien is, sedert dat advies is verstrekt, Protocol
nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rech-
ten van de mens door België bekrachtigd op 13 april 2012,
terwijl de wet waarbij ingestemd is met die tekst dateert van
6 maart 2007, en is het wat België betreft in werking getreden
op 1 juli 2012.
Er wordt eveneens verwezen naar het recente arrest dat de
Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie
op 26 februari 2013 heeft gewezen omtrent de draagwijdte
van het beginsel “ne bis in idem”, zoals het wordt vermeld
in artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten van de
Europese Unie; in dat arrest, dat zich in dezelfde zin uitspreekt
als bij de laatste stand van zaken van de jurisprudentie van
het EHRM, staat te lezen:
“[...] dat artikel 50 van het Handvest niet eraan in de weg
staat dat een lidstaat voor dezelfde feiten, te weten niet-
nakoming van aangifteverplichtingen op btw-gebied, een
combinatie van fi scale en strafrechtelijke sancties oplegt [...].
Het kan dus gaan om bestuurlijke sancties, strafrechtelijke
sancties of een combinatie van beide. Slechts wanneer de
fi scale sanctie een strafrechtelijke sanctie is in de zin van
artikel 50 van het Handvest en defi nitief is geworden, staat
deze bepaling eraan in de weg dat voor dezelfde feiten straf-
vervolging wordt ingesteld tegen dezelfde persoon”.34”35
Uit wat voorafgaat volgt dat het samengaan van een ad-
ministratieve en een strafrechtelijke sanctionering niet per
defi nitie in strijd is met beginsel non bis in idem, zoals dit
wordt uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van
de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie. De
steller van het ontwerp is zich daarvan bewust, zoals blijkt
33
Voetnoot 14 van het geciteerde advies: Parl.St. Kamer 2008-09,
nr. 52-2182/1, 36.
34
Voetnoot 15 van het geciteerde advies: HvJ EU, GK, 26 febru-
ari 2013, C-617/10, Åklagaren t. Hans Åkerberg Fransson.
35
Voetnoot 49 van advies 54 982/2: Parl.St. Kamer 2012-13,
nr. 2872/1, 106 tot 118; in dezelfde zin, advies 54 963/2, op
22 januari 2014 verstrekt over een voorontwerp van wet “inzake
het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel
planners en inzake het verstrekken van raad over financiële
planning door gereglementeerde ondernemingen”, opmerking
onder de artikelen 39 en 40. In de memorie van toelichting bij
het voorliggende voorontwerp wordt slechts gezinspeeld op het
beginsel ne bis in idem (p. 47).
des sanctions pénales dans la législation belge afi n de tenir
compte, si besoin est, de la jurisprudence précitée’33.
Le Conseil d’État ne peut que confi rmer, au sujet des
dispositions mentionnées plus haut de l’avant-projet, son
avis 46 870/2 précité sur le cumul des régimes de sanctions
pénales et administratives, tel qu’il résulte des articles 70 à
73 de la loi précitée du 2 août 2002, applicables aussi aux
autres législations accordant des pouvoirs de sanction
à la FSMA.
En outre, depuis que cet avis a été rendu, le Protocole n° 7 à
la Convention européenne des droits de l’homme a été ratifi é
par la Belgique le 13 avril 2012, la loi portant assentiment à
cet instrument datant du 6 mars 2007, et est entré en vigueur
le 1er juillet 2012 à l’égard de la Belgique.
Il est également fait référence au récent arrêt prononcé en
Grande Chambre le 26 février 2013 par la Cour de justice de
l’Union européenne sur la portée du principe “ne bis in idem”,
tel qu’il est énoncé à l’article 50 de la Charte des droits fon-
damentaux de l’Union européenne, qui, se prononçant dans
le même sens que le dernier état de la jurisprudence de la
Cour européenne des droits de l’homme, énonce ce qui suit:
“l”article 50 de la Charte ne s’oppose pas à ce qu’un
État membre impose, pour les mêmes faits de non-respect
d’obligations déclaratives dans le domaine de la TVA, une
combinaison de sanctions fi scales et pénales. [...] [Les sanc-
tions applicables] peuvent donc prendre la forme de sanctions
administratives, de sanctions pénales ou d’une combinaison
des deux. Ce n’est que lorsque la sanction fi scale revêt un
caractère pénal, au sens de l’article 50 de la Charte, et est
devenue défi nitive que ladite disposition s’oppose à ce que
des poursuites pénales pour les mêmes faits soient diligentées
contre une même personne’34”35 .
Il ressort de ce qui précède que la combinaison d’une sanc-
tion administrative et d’une sanction pénale ne se heurte pas
en soi au principe non bis in idem, comme cela a été expliqué
par la Cour européenne des droits de l’homme et par la Cour
de justice de l’Union européenne. L’auteur du projet en est
33
Note de bas de page 14 de l’avis cité: Doc. parl., Chambre,
2008-2009, n° 52-2182/1, p. 36.
34
Note de bas de page 15 de l’avis cité: C.J.U.E., Gde Ch.,
26 février 2013, C-617/10, Åklagaren c. Hans Åkerberg Fransson.
35
Note de bas de page 49 de l’avis 54 982/2: Doc. parl., Chambre,
2012-2013, n° 2872/1, pp. 106 à 118; dans le même sens, l’avis
54 963/2 donné le 22 janvier 2014 sur un avant-projet de loi
“relative au statut et au contrôle des planificateurs financiers
indépendants et à la fourniture de consultations en planification
financière par des entreprises réglementées”, observation for-
mulée sur les articles 39 à 40. Ce n’est que de manière allusive
que l’exposé des motifs de l’avant-projet à l’examen évoque le
principe “non bis in idem” (p. 47).
762
1584/001
DOC 54
2015
C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2016
uit de anticiperende36 commentaar bij de artikelen 604 en
605 van het ontwerp in de memorie van toelichting. Wel dient
erop te worden toegezien dat de administratieve sanctionering
niet van die aard is dat zij een intrinsiek strafrechtelijk karakter
verkrijgt, in welk geval wel vragen zouden kunnen rijzen bij de
eerbiediging van het beginsel non bis in idem.
Artikel 658
42. In artikel 658, eerste lid, 1°, van het ontwerp, wordt
melding gemaakt van de aanwijzing van een “voorlopige be-
windvoerder” (un administrateur provisoire) met toepassing
van artikel 517, § 1, 2°, van het ontwerp. Opgemerkt moet
worden dat in artikel 517, § 1, 2°, van het ontwerp geen melding
wordt gemaakt van “voorlopige bewindvoerders”, doch wel van
“voorlopige bestuurders of zaakvoerders” (administrateurs ou
gérants provisoires). Tenzij er een specifi eke reden bestaat
om af wijken van de terminologie die wordt gebruikt in arti-
kel 517, § 1, 2°, van het ontwerp, wordt in artikel 658, eerste
lid, 1°, het best aangesloten op de terminologie die wordt
gehanteerd in de bepaling waarnaar men uitdrukkelijk verwijst.
De griffier,
De voorzitter,
Greet VERBERCKMOES
Marnix VAN DAMME
36
Volgens de memorie van toelichting anticiperend “op een op-
merking die herhaaldelijk geformuleerd werd door de Raad van
State over de naleving van het beginsel non bis in idem zoals dit
geïnterpreteerd wordt door het Europese Hof voor de Rechten
van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie”.
conscient, ainsi qu’il ressort du commentaire anticipatif36 rela-
tif aux articles 604 et 605 du projet dans l’exposé des motifs.
On veillera toutefois à ce que la sanction administrative ne soit
pas de nature à revêtir un caractère intrinsèquement pénal,
auquel cas des questions pourraient bien se poser quant au
respect du principe non bis in idem.
Article 658
42. L’article 658, alinéa 1er, 1°, du projet mentionne,
dans le texte néerlandais, la désignation d’un “voorlopige
bewindvoerder” (administrateur provisoire) en application
de l’article 517, § 1er, 2°, du projet. Il y a lieu d’observer que
l’article 517, § 1er, 2°, du projet ne fait pas mention de “voorlo-
pige bewindvoerders”, mais bien de “voorlopige bestuurders
of zaakvoerders” (administrateurs ou gérants provisoires).
À moins d’une raison spécifi que justifi ant de déroger à la
terminologie utilisée à l’article 517, § 1er, 2°, du projet, mieux
vaudrait, à l’article 658, alinéa 1er, 1°, se conformer à la
terminologie utilisée dans la disposition à laquelle on fait
expressément référence.
Le greffier,
Le président,
Greet VERBERCKMOES
Marnix VAN DAMME
36
Anticipant, selon l’exposé des motifs, “une observation récur-
rente du Conseil d’État relative au respect du principe non bis
in idem tel qu’interprété par la Cour européenne des Droits
de l’Homme et la Cour de justice de l’Union européenne”.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale