Document 54K1584/001

🏛️ KAMER Legislatuur 54 📁 1584 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

3272 1584/001 1584/001 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 DOC 54  DOC 54  CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS SOMMAIRE Résumé ...................................................................... Exposé des motifs .................................................... Avant-projet ............................................................... Analyse d’impact ....................................................... Avis du Conseil d’État .............................................. Projet de loi (voir DOC1584/002) ................................ Annexes I à V à la loi (1584/002) ................................ Annexe (voir DOC 1584/003) ...................................... INHOUD Samenvatting ............................................................. Memorie van toelichting ........................................... Voorontwerp .............................................................. Impactanalyse ........................................................... Advies van de Raad van State ................................. Wetsontwerp (zie DOC 54 1584/002) ......................... Bijlagen I tot V bij de wet (1584/002) ........................... Bijlage (zie DOC 54 1584/003) .................................. PROJET DE LOI WETSONTWERP op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen relatif au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance 3 4 374 727 739 765 1184 1199 Blz. Pages 13 janvier 2016 13 januari 2016 3 4 374 733 739 765 1184 1199 PARTIE I DEEL I 2 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Abréviations dans la numérotation des publications: DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA: Questions et Réponses écrites CRIV: Version Provisoire du Compte Rendu intégral CRABV: Compte Rendu Analytique CRIV: Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analy tique traduit des interventions (avec les an- nexes) PLEN: Séance plénière COM: Réunion de commission MOT: Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes: Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.lachambre.be courriel : publications@lachambre.be Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen: Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.dekamer.be e-mail : publicaties@dekamer.be De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier Afkortingen bij de nummering van de publicaties: DOC 54 0000/000: Parlementair document van de 54e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA: Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV: Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV: Beknopt Verslag CRIV: Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN: Plenum COM: Commissievergadering MOT: Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie PS : Parti Socialiste MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten sp.a : socialistische partij anders Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen cdH : centre démocrate Humaniste VB : Vlaams Belang PTB-GO! : Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant PP : Parti Populaire De regering heeft dit wetsontwerp op 13 januari 2016 ingediend. Le gouvernement a déposé ce projet de loi le 13 janvier 2016. De “goedkeuring tot drukken” werd op 13 januari 2016 door de Kamer ontvangen. Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 13 janvier 2016. 3 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het voornaamste doel van dit wetsontwerp is de omzetting in Belgisch recht van de prudentiële bepa- lingen van de Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betref- fende de toegang tot en uitoefening van het verzeke- rings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), de zogeheten “Solvabiliteit II-richtlijn”. Deze richtlijn wordt hierna als “de Richtlijn” aangeduid. Deze Richtlijn diende, gedeeltelijk, tegen 31  maart  2015  te zijn omgezet in Belgisch recht, waarbij de nationale omzettingsbepalingen dienen van kracht te zijn op 1 januari 2016, vandaar de vraag om dit ontwerp bij voorrang te behandelen. De Richtlijn omvat een herziening en herschikking van bestaande Europese richtlijnen en nieuwe regels over solvabiliteit en toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. De omzetting heeft aldus geleid tot een fundamen- tele herziening van de Belgische verzekerings- en herverzekeringswetgeving. Het wetsontwerp zal dan ook de huidige basis- wetten betreffende het “publiek verzekeringsrecht”, zijnde de wet van 9 juli 1975 betreffende de con- trole der verzekeringsondernemingen en de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, vervangen. De hiernavolgende Memorie van toelichting zet de voornaamste oriëntaties van het ontwerp uiteen en voor nadere toelichting wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. Le présent projet de loi a pour principal objet de transposer en droit belge les dispositions pruden- tielles de la Directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassu- rance et leur exercice (solvabilité II), communément dite “Directive Solvabilité II”, ci-après encore, “la Directive”. Cette Directive devait être, pour partie, transposée en droit belge pour le 31 mars 2015, les dispositions nationales, de transposition devant quant à elles être en vigueur au 1er janvier 2016, ce qui justifie la demande que ce projet soit traité en priorité. La Directive contient une révision et refonte de directives européennes existantes et des nouvelles règles en matière de solvabilité et contrôle des entre- prises d’assurance et de réassurance. La transposition a ainsi conduit à revoir fondamen- talement la législation belge en matière d’assurance et de réassurance. La loi en projet remplacera dès lors les lois de base actuelles en matière de “droit public des as- surances”, à savoir la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances et la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. L’Exposé des motifs, ci-après, précise les principa- les orientations du projet et pour de plus amples ex- plications il est renvoyé au commentaire des articles. RÉSUMÉ SAMENVATTING 4 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 MEMORIE VAN TOELICHTING DAMES EN HEREN, Het wetsontwerp dat de Regering de eer heeft u ter beraadslaging voor te leggen, beoogt het kader voor het prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzeke- ringsondernemingen te moderniseren, met name via de omzetting van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betref- fende de toegang tot en uitoefening van het verzeke- rings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), de zogeheten “Solvabiliteit II-richtlijn”. Deze richtlijn wordt hierna als “de Richtlijn” aangeduid. 1. Het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen Het gebruik van de term “solvabiliteit” in de titel van de Richtlijn verwijst naar de algemene doelstelling van de regelgeving, namelijk garanderen dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in staat zijn om hun verplichtingen ten aanzien van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden na te komen. Het zogenaamd “prudentieel” toezicht op de verze- kerings- en herverzekeringsondernemingen strekt er aldus toe een redelijke zekerheid te verschaffen dat elke onderneming haar verplichtingen zal nakomen, door toe te zien op de naleving van de wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden die het wettelijk statuut van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen vormen. Dit prudentieel toezicht heeft aldus tot doel de bescherming van de verzekeringsbegunstigden te verzekeren en zo het vertrouwen in elke onderneming en in de sector als geheel te handhaven. Naar het voorbeeld van het toezicht op de kre- dietinstellingen (zie Parl.St., Kamer, 2013-2014, nr. 53 3406/001, 4-6), komt het er op micro-economisch niveau dus fundamenteel op aan toe te zien op de veilig- heid van de verzekeringsconsumenten. Zoals vermeld wordt in het ontwerp van wet (zie de ontwerpartikelen 3 en 303, § 2, 1°), bestaat het doel van het toezicht erin om, behalve de bescherming van de schuldeisers van ondernemingen afzonderlijk beschouwd, tevens de stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in de verzekeringsmarkt te garanderen. Dit kan worden verklaard door het feit dat de verzeke- ring — door de risico’s te herverdelen — een aanzienlijke economische en sociale functie vervult. Behalve haar functie inzake de vergoeding van schade die voortvloeit uit het optreden van risico’s, vormt de verzekering EXPOSÉ DES MOTIFS MESDAMES, MESSIEURS, Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur de soumettre à votre délibération, vise à moderniser le cadre de contrôle prudentiel des entreprises d’assu- rance et de réassurance, notamment en transposant la Directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II), communément dite “Directive Solvabilité II”, ci-après encore, “la Directive”. 1. Le contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance L’utilisation du vocable “solvabilité” sous l’intitulé de la Directive vise à traduire l’objet de la réglementation consistant, d’une manière générale, à veiller à garantir la capacité d’une entreprise d’assurance ou de réas- surance à faire face à ses engagements vis-à-vis des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. Le contrôle dit “prudentiel” des entreprises d’assu- rance et de réassurance a ainsi pour objectif de donner une assurance raisonnable que chaque entreprise res- pectera ses engagements par la surveillance du respect des obligations et interdictions légales et réglementaires formant le statut légal des entreprises d’assurance et de réassurance. Ce contrôle prudentiel a ainsi pour objectif d’assurer la protection des bénéficiaires d’assurance et d’ainsi préserver la confiance dans chaque entreprise et dans le secteur dans son ensemble. À l’instar du contrôle des établissements de crédit (voy. DOC. Parl., Ch. Repr., sess 2013-2014, DOC. 53 3406/001, pp. 4-6), à un niveau micro-économique, il s’agit donc fondamentalement de veiller à la sécurité des consommateurs d’assurance. Ainsi que l’exprime la loi en projet (voy. les articles 3 et 303, § 2, 1° en projet), au-delà du but de protection des créanciers d’entreprises considérées individuellement, la finalité du contrôle consiste à garantir la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance. Ceci s’explique par le fait que l’assurance — par le recours à la mutualisation des risques — présente un rôle économique et social considérable. Outre sa fonction d’indemnisation des préjudices résultant de la réalisation de risques, l’assurance constitue, en effet, 5 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 immers ook een factor van technische vooruitgang door- dat zij de risico’s vermindert die worden gelopen door de ondernemers of financiers van nieuwe activiteiten, alsook een instrument voor de voorkoming van scha- degevallen, doordat de verplichtingen ter zake ten laste van de verzekerde worden gelegd. Deze economische en sociale functie komt ook tot uiting in het belang van de verzekering voor de spaarvorming op het gebied van aanvullende verzekering (van de tweede of derde pijler) alsook in het feit dat de toegang tot hypotheekleningen mogelijk wordt gemaakt door het stellen van garanties, met name via het mechanisme van de schuldsaldover- zekering. Tot slot spelen de verzekeringsondernemingen tevens een rol als institutionele beleggers door hun reserves te beleggen. Deze economische en sociale functie van de verzeke- ring benadrukt aldus de macro-economische dimensie van het toezicht op de verzekeringsondernemingen, en derhalve tevens, door de onderlinge verbanden, op de herverzekeringsondernemingen. Deze dimensie kan nog worden verduidelijkt aan de hand van andere interacties. Zo zal, ook al is de situatie van een afzon- derlijk beschouwde verzekeringsonderneming in prin- cipe niet systemisch van aard, het in gebreke blijven van een verzekeringsonderneming toch gevolgen van systemische aard kunnen hebben, enerzijds doordat de groepen waarbinnen een bankverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, de risico’s van de ene sector naar de andere kunnen overdragen, en anderzijds doordat de verzekeringsondernemingen belangrijke spelers zijn op de financiële markten, waarvan de problemen andere actoren op die markten kunnen treffen, in het bijzonder de kredietinstellingen. Zoals men ziet, vindt het idee van het besmettingsrisico zijn oorsprong in de bestaande financiële banden tussen alle ondernemingen van de financiële sector. Zoals aangegeven in artikel 3 van het ontwerp van wet, bestaat deze generieke doelstelling er dus niet alleen in de verzekeringsconsumenten als dusdanig te beschermen, maar ook de stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in de verzekeringsmarkt te garanderen. De prudentiële regels kunnen louter financieel van aard zijn (berekening van de verplichtingen van de verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen en minimale eigen vermogens vereisten) of betrekking heb- ben op de governance van de ondernemingen. Het huidige stelsel van prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen is gebaseerd op de zogenaamde Europese richtlijnen “van de eerste generatie”, met name de drie richtlijnen “niet-leven”, de drie richtlijnen “leven”, die tot één enkele un facteur de progrès technique en réduisant les risques courus par les entrepreneurs ou financiers d’activités nouvelles ainsi qu’un facteur de prévention des sinistres par le biais des obligations en cette matière mises à charge de l’assuré. Ce rôle économique et social existe également à travers l’importance que revêt l’assurance dans la formation de l’épargne dans le domaine de l’assurance complémentaire (qu’il s’agisse du deuxième ou troisième pilier) ainsi que l’accès aux crédits hypothé- caires permis par l’octroi de garantie réalisé notamment par le mécanisme de l’assurance solde restant dû. Enfin, les entreprises d’assurance jouent également un rôle en leur qualité d’investisseurs institutionnels par le placement de leurs réserves. Ce rôle économique et social de l’assurance met ainsi en lumière la dimension macro-économique du contrôle des entreprises d’assurance et dès lors égale- ment, par interrelation, des entreprises de réassurance. Cette dimension peut encore s’illustrer au travers d’autres interactions. Ainsi, même si la situation d’une entreprise d’assurance considérée isolément n’est, en principe, pas de nature systémique, la défaillance d’une entreprise d’assurance pourrait néanmoins entraîner des conséquences de type systémique dans la mesure d’une part, où les groupes intégrant une activité de ban- cassurance constituent un vecteur de transmission des risques d’un secteur vers l’autre et d’autre part, où les entreprises d’assurance sont des intervenants majeurs sur les marchés financiers dont les problèmes pourraient affecter d’autres opérateurs actifs sur ces marchés, en particulier les établissements de crédit. On le voit, c’est ici l’idée du risque de contagion qui trouve son origine dans les liens financiers existants entre l’ensemble des entreprises du secteur financier. Comme l’exprime l’article 3 de la loi en projet, cette finalité générique consiste ainsi, au-delà de la protection des consommateurs d’assurance considérés comme tels, à garantir la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance. Les règles prudentielles peuvent être de nature purement financières (calcul des engagements des entreprises d’assurance et de réassurance et exigences minimales de fonds propres) ou concerner la gouver- nance des entreprises. Le régime actuel de contrôle prudentiel des entre- prises d’assurance et de réassurance est fondé sur les directives européennes dites “de première génération”, notamment les trois directives non-vie, les trois direc- tives vie refondues en une seule en 2002, et la directive 6 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 richtlijn werden samengevoegd in 2002, en de richtlijn “herverzekeringen”. Het geheel vormt het zogenaamde “Solvabiliteit I”-stelsel. Deze richtlijnen en de opeenvolgende wijzigin- gen ervan werden hoofdzakelijk door de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings- ondernemingen en de wet van 16  februari  2009  op het herverzekeringsbedrijf in Belgisch recht omge- zet. De uitvoerings maatregelen van deze wetten zijn onder meer vastgelegd in het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betref- fende de controle op de verzekerings ondernemingen, het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levens verzekeringsactiviteit en het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. Op boekhoudkundig vlak kunnen hieraan nog worden toegevoegd: het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzeke- rings- en herverzekeringsonder nemingen en het konink- lijk besluit van 13 februari 1996 betreffende de geconso- lideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de koninklijke besluiten van 8 oktober 1976 met betrek- king tot de jaarrekening van de ondernemingen en van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de onder nemingen. Op financieel vlak bepalen deze teksten (Solvabiliteit I) het volgende. Het niveau van de aan te leggen technische voorzie- ningen wordt bepaald aan de hand van berekenings- methodes die afgestemd zijn op de verschillende types voorzieningen, die tegenover de verbintenissen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten aan- zien van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van de verzekerings- of herverzekerings- overeen komsten staan. Het eigen vermogen moet een minimumniveau bereiken, de zogenaamde solvabiliteitsmarge, die het hoogste resultaat is van forfaitaire berekeningen, waar- bij, voor de niet-levensverzekeringen, een voorafbepaald percentage moet worden toegepast op het premievo- lume, en een eveneens voorafbepaald percentage op de gemiddelde schadelast over drie jaar, en voor de levensverzekeringen, een percentage van de technische voorzieningen (levensverzekering sensu stricto) of van de risicokapitalen (overlijdensverzekering). Bovendien moeten de ondernemingen beschikken over een waarborgfonds ten belope van het hoogste van de volgende twee bedragen: een derde van de réassurance. L’ensemble forme ce qu’il est convenu d’appeler “le régime Solvabilité I”. Ces directives et leurs modifications successives ont été transposées en droit belge essentiellement par la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances et la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. Parmi les mesures d’exécution de ces lois, on citera l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances, l’arrêté royal du 14 novembre 2003 re- latif à l’activité d’assurance sur la vie, l’arrêté royal du 27 septembre 2009 portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. Sur le plan comptable, on ajoutera l’arrêté royal du 17  novembre  1994  relatif aux comptes annuels des entreprises d’assurances et l’arrêté royal du 13 février 1996 relatif aux comptes consolidés des entre- prises d’assurances et de réassurances et modifiant les arrêtés royaux du 8 octobre 1976 relatif aux comptes annuels des entreprises et du 6 mars 1990 relatif aux comptes consolidés des entreprises. Sur le plan financier, ces textes (Solvabilité I) pré- voient ce qui suit. Le niveau des provisions techniques à constituer est déterminé par des méthodes de calculs appropriées par rapport aux différents types de provisions, qui repré- sentent les engagements de l’entreprise d’assurance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance et de réassurance. Les fonds propres doivent atteindre un niveau mini- mal, appelé marge de solvabilité, qui est le résultat le plus élevé de calculs forfaitaires, consistant à appliquer, pour l’assurance non-vie, un pourcentage prédéterminé au volume des primes et un pourcentage également prédéterminé à la charge moyenne des sinistres sur trois ans et, pour l’assurance-vie, un pourcentage des provisions techniques (assurance vie sensu stricto) ou des capitaux sous risque (assurance décès). En outre, les entreprises doivent disposer d’un fonds de garantie, qui est fixé au maximum de deux montants: le tiers de la marge de solvabilité et 2,5 millions ou 7 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 solvabiliteitsmarge en 2,5 miljoen of 3,7 miljoen EUR, afhankelijk van de uitgeoefende takken of activiteiten. Behalve deze louter financiële vereisten, dienen de verzekerings- en herverzekerings onder nemingen ook te voldoen aan voorwaarden in verband met hun governancestructuur: • de eerlijkheid, de kwalificaties en de beroepser- varing van haar leiders en houders van belangrijke functies; • het opzetten van een aangepaste structuur en orga- nisatie, die het mogelijk maken de toezichtsfuncties te onderscheiden van de operationele functies, een trans- parante en coherente definitie van de verantwoordelijk- heden en de verstrekking van betrouwbare informatie aan de toezichthouders en het publiek; • procedures voor het detecteren en beheren van de risico’s en ter voorkoming van belangenconflicten; • onafhankelijke controlefuncties (interne audit, risi- cobeheer, compliance en actuariële functie); • een beloningsbeleid dat het nemen van buitenspo- rige risico’s voorkomt; • een bedrijfscontinuïteitsbeleid dat het behoud of het snelle herstel van de kritieke functies beoogt. Het “Solvabiliteit I”-stelsel werd, terecht, op verschil- lende punten bekritiseerd. Eén van de belangrijkste pun- ten van kritiek was dat met de werkelijke risico’s waaraan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn blootgesteld, onvoldoende rekening werd gehouden. Zo werd voor de berekening van de solvabiliteitsmarge uitgegaan van de hypothese dat de risico’s in verhouding staan tot de premies en de schadegevallen, hoewel dit slechts ten dele waar is. Bovendien werden, voor diezelfde berekening, alleen de passiefbestanddelen — die weliswaar zeer belangrijk zijn in een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming — in aanmerking genomen. De risico’s die inherent zijn aan het actief, onder meer het renterisico, het risico op het in gebreke blijven van een tegenpartij en het spreadrisico, waren volledig uitgesloten van de risicoanalyse. Er was ook geen sprake van een prospectieve visie op de risico’s. Wat de technische voorzieningen betreft, voorzagen de “Solvabiliteit I”-richtlijnen weliswaar in de verplichting om ze te berekenen en te boeken, maar de regels ter zake waren nauwelijks geharmoniseerd op Europees niveau, waardoor er een risico is op concurrentiever- storing tussen de onder nemingen in de verschillende 3,7 millions EUR selon les branches ou les activités pratiquées. Outre ces exigences purement financières, les entre- prises d’assurance et de réassurance doivent remplir des conditions relatives à leur structure de gouvernance: • l’honnêteté, la qualification et l’expérience profes- sionnelle de ses dirigeants et titulaires de fonctions importantes; • la mise en place d’une structure et d’une organisa- tion adéquate, qui permette de distinguer les fonctions de contrôle des fonctions opérationnelles, une définition transparente et cohérente des responsabilités et la pro- duction d’informations fiables aux autorités de contrôle et au public; • des procédures de détection et de gestion des risques et de prévention des conflits d’intérêts; • des fonctions de contrôle indépendantes (audit interne, gestion des risques, compliance et fonction actuarielle); • une politique de rémunération prévenant la prise de risque excessive; • une politique de continuité visant le maintien ou le rétablissement rapide des fonctions critiques. Le régime “Solvabilité I” a été, à juste titre, critiqué sur plusieurs points. L’un des principaux était que les risques réels auxquels les entreprises d’assurance et de réassurance sont exposées n’étaient pas suffisam- ment pris en compte. Ainsi, le calcul de la marge de solvabilité partait de l’hypothèse que les risques sont proportionnels aux primes et aux sinistres, ce qui n’est que partiellement correct. De plus, pour ce même calcul, seuls les éléments du passif, certes très importants dans une entreprise d’assurance ou de réassurance, étaient pris en considération. Les risques inhérents à l’actif, entre autres le risque de taux d’intérêt, le risque de défaut d’une contrepartie et le risque de spread, étaient totalement exclus de l’analyse de risques. Il n’y avait pas non plus de vision prospective des risques. En ce qui concerne les provisions techniques, bien que les directives “Solvabilité I” imposent leur calcul et leur comptabilisation, les règles en la matière étaient très peu harmonisées au niveau européen, ce qui crée un risque de distorsion de concurrence entre les entre- prises établies dans différents États membres. Ce risque 8 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 lidstaten. Dit risico is des te groter daar deze technische voorzieningen vaak meer dan drie kwart van de balans van de ondernemingen uitmaken en dat, zoals hierbo- ven vermeld, de eigenvermogensvereisten evenredig zijn aan het volume van de technische voorzieningen. Twee andere domeinen leden eveneens aan een gebrek aan harmonisatie en zelfs aan een nagenoeg volledige afwezigheid van normen. Het eerste betreft de aspecten die verbonden zijn aan de governance van de verzekerings- en herverzekerings onder nemingen. Dit aspect werd niet van prioritair belang geacht bij de opstelling van de eerste verzekeringsrichtlijnen, die waren toegespitst op de louter financiële aspecten, en ook in de daaropvolgende richtlijnen kwam dit as- pect nauwelijks aan bod. De nationale wetgevers, met name in België, hadden dit tekort wel aangevuld met nationale regelgevingen, die vaak geïnspireerd waren op internationale normen of op normen die van toepas- sing waren op andere categorieën van ondernemingen uit de financiële sector, terwijl de toezichthouders hun toevlucht namen tot circulaires of aanbevelingen. Toch heeft deze aanpak niet geleid tot een grote harmoni- satie op Europees niveau, waardoor ook een risico op concurrentieverstoring in de hand werd gewerkt tussen ondernemingen in de verschillende lidstaten. Het tweede punt betreft het toezicht op de groepen van verzekeringsondernemingen of, meer in het alge- meen, van financiële onder nemingen. Pas in 2001 werd de wet van 9 juli 1975 gewijzigd om er de eerste toe- pasbare regels ter zake in op te nemen. De toezichts- principes voor groepen waren zowel voor de financiële aspecten als voor de governanceaspecten, vergelijkbaar met de regels die van toepassing zijn op de individu- eel beschouwde verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen. Op financieel vlak bestond het toezicht er voornamelijk in een aangepaste solvabiliteitsmarge te berekenen op het niveau van de groep, die rekening houdt met de waarde en het eigen vermogen van de on- dernemingen die deel uitmaken van deze groep, alsook met de banden tussen die ondernemingen. Het zwakke punt van het toezicht op groepen was het tekort aan bepalingen, zowel in de richtlijnen als in de nationale wetgevingen, over de samenwerking tussen de nationale autoriteiten. Deze regels voorzagen enkel in de ondertekening van samenwerkings overeenkomsten en in diverse vormen van informatie-uitwisseling, zon- der de oprichting van colleges van toezichthouders op supranationaal niveau daadwerkelijk verplicht te stellen en de werking van deze colleges te regelen. est d’autant plus grand que ces provisions techniques représentent souvent plus des trois quarts du bilan des entreprises et que, comme indiqué ci-dessus, les exigences de fonds propres sont proportionnelles au volume des provisions techniques. Deux autres domaines souffraient également d’un manque d’harmonisation voire d’une absence quasi complète de norme. Le premier concerne les aspects liés à la gouvernance des entreprises d’assurance et de réassurance. Cet aspect n’avait pas été jugé prioritaire lors de l’élaboration des premières directives en matière d’assurance, lesquelles se focalisaient sur les aspects purement financiers et il est resté limité à la portion congrue dans les directives subséquentes. Certes, les législateurs nationaux, notamment en Belgique, avaient comblé ce manque par des réglementations nationales, souvent inspirées de normes internationales ou appli- cables à d’autres catégories d’entreprises relevant du secteur financier, tandis que les autorités de contrôle agissaient par la voie de circulaires ou de recommanda- tions. Néanmoins, cette façon de procéder ne réalisait pas une grande harmonisation au niveau européen, ce qui créait aussi un risque de distorsion de concurrence entre entreprises situées dans différents États membres. Le second point se rapporte au contrôle des groupes d’entreprises d’assurance ou, plus généralement, d’entreprises financières. Ce n’est qu’en 2001 que la loi du 9 juillet 1975 a été modifiée pour intégrer les pre- mières règles applicables en la matière. Les principes de contrôle relatifs aux groupes étaient, tant en ce qui concerne les aspects financiers que de gouvernance, semblables aux règles applicables aux entreprises d’assurance ou de réassurance considérées indivi- duellement. Sur le plan financier, le contrôle consistait principalement à calculer une marge de solvabilité ajustée au niveau du groupe, laquelle tenait compte de la valeur et des fonds propres des entreprises qui constituent ce groupe, ainsi que des relations entre ces mêmes entreprises. Le point faible du contrôle des groupes résidait dans le peu de dispositions tant des directives que des législations nationales relatives à la collaboration entre les autorités nationales. Ces règles se limitaient à permettre la signature d’accord de collaboration et à prévoir divers échanges d’information sans véritable- ment imposer la constitution de collèges de contrôleurs à un niveau supranational ni régler le fonctionnement de ces collèges. 9 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2. De Solvabiliteit II-richtlijn en haar beginselen a) Algemene beginselen Teneinde tegemoet te komen aan de kritiek op het “Solvabiliteit  I”-stelsel, heeft Richtlijn 2009/138/ EG van het Europees Parlement en de Raad van 25  november  2009  betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzeke- ringsbedrijf (Solvabiliteit II), (hierna “de Richtlijn” of “de Solvabiliteit II-Richtlijn”), het prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die in de Europese Economische Ruimte actief zijn, fun- damenteel hervormd, waarbij niet minder dan dertien voorgaande richtlijnen inzake het prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen werden ingetrokken en vervangen. De belangrijkste doelstellingen van de Richtlijn zijn de volgende: • een maximale harmonisatie voor bepaalde aspec- ten of, in elk geval, een veel grotere harmonisatie op Europees niveau; • het gebruik van een benadering die voor de risico- beoordeling alle balanscomponenten omvat; • een prospectieve visie op het risicobeheer; • een waardering tegen marktwaarde van de actief- en passiefbestanddelen; • de inaanmerkingneming van de werkelijke risico’s waaraan de verzekerings- en herverzekeringsonderne- mingen blootgesteld kunnen zijn; • de bepaling van de kapitaalvereisten op grond van berekeningen die rekening houdend met alle risico’s, hetzij aan de hand van een standaardformule, hetzij met een gedeeltelijk of volledig intern model. De Richtlijn steunt op drie pijlers die elk een specifieke doelstelling hebben: De eerste pijler bepaalt de kapitaalvereisten en legt in dit verband met name de kwantitatieve normen vast voor de berekening van de technische voorzieningen en het eigen vermogen, alsook de regels voor de waardering van de activa. De tweede pijler bepaalt de kwalitatieve normen voor de interne opvolging van de risico’s door de verzekerings onder nemingen. 2. La directive Solvabilité II et ses principes a) Principes généraux Afin de rencontrer les critiques adressées au régime “Solvabilité I”, la Directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25  novembre  2009  sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II), (ci-après, “la Directive” ou encore “la Directive Solvabilité  II”), a opéré une réforme fondamentale de la surveillance prudentielle des entreprises d’assurance et de réassurance actives dans l’Espace économique européen. Elle abroge et remplace pas moins de treize directives précédentes en matière de contrôle prudentiel des entreprises d’assu- rance et de réassurance. Les principaux objectifs de la Directive sont les suivants: • une harmonisation maximale sur certains aspects ou, du moins, nettement plus importante, au niveau européen; • l’utilisation d’une approche englobant toutes les composantes du bilan pour l’appréciation des risques; • une vision prospective de la gestion des risques; • une valorisation des éléments d’actif et de passif à la valeur de marché; • la prise en considération des risques réels aux- quelles les entreprises d’assurance et de réassurance peuvent être exposées; • la détermination des exigences en capital en fonction de calculs intégrant tous les risques, soit par l’application d’une formule standard, soit par la mise en œuvre d’un modèle interne partiel ou global. La Directive repose sur trois piliers ayant chacun un objectif particulier. Le premier pilier vise à déterminer les exigences en matière de capital et, à cette fin, définit notamment les normes quantitatives de calcul des provisions techniques et des fonds propres, ainsi que les règles d’évaluation des actifs. Le deuxième pilier a pour objectif de fixer des normes qualitatives de suivi des risques en interne par les entre- prises d’assurance. 10 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De derde pijler bepaalt welke informatie verstrekt moet worden aan het publiek, enerzijds, en aan de toezichthouder, anderzijds. Deze drie pijlers moeten niet afzonderlijk worden beschouwd, maar zijn onderling sterk verbonden zodat ze een geheel vormen. De verzekerings- en herver- zekeringsondernemingen die elk van de drie pijlers afzonderlijk in acht zouden nemen zonder rekening te houden met deze onderlinge verbondenheid, kunnen niet worden geacht aan de vereisten van Solvabiliteit II te voldoen. Zo zou een onderneming die al haar tegoeden wenst te investeren in één enkele categorie van activa om haar eigenvermogensvereisten te minimaliseren, niet kunnen beweren dat ze het prudent person-beginsel naleeft. b) Pijler 1: Kwantitatieve vereisten De eerste pijler waarop het Solvabiliteit  II-stelsel berust, betreft in hoofdzaak de kwantitatieve vereisten waaraan voldaan moet worden met betrekking tot de technische voorzieningen en het eigen vermogen. • Technische voorzieningen Eén van de door Solvabiliteit II ingevoerde beginselen is dat alle bestanddelen van de balans worden gewaar- deerd tegen hun marktwaarde. Hoewel deze waardering meestal geen problemen oplevert voor wat betreft de activa, omdat er een referentiemarkt bestaat, geldt dit niet voor de technische voorzieningen. Deze voorzie- ningen worden dus gewaardeerd tegen hun waarde bij overdracht, d.w.z., voor een bepaalde verzekerings- of herverzekerings onder neming, tegen de prijs die een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming bereid zou zijn te betalen om alle verzekerings- of her- verzekeringsverbintenissen over te nemen. Het zij opgemerkt dat, naast de Solvabiliteit II-balans (“Market-Consistent Balance Sheet”), die voor prudenti- ele doeleinden wordt opgesteld, de in overeenstemming met de Belgische wetgeving opgestelde jaarrekening (“Belgian Generally Accepted Accounting Principles” of “BEGAAP”) en de volgens de IFRS-normen opgestelde geconsolideerde jaarrekening, altijd zullen moeten worden ingediend. In de praktijk worden de technische voor zieningen onderverdeeld in twee componenten: — de best estimate (BE) of “beste schatting”, die overeenstemt met de verwachte contante waarde van de toekomstige cashflows (schadegevallen minus premies), berekend volgens een geschikte actuariële methode; Le troisième pilier a pour objectif de définir l’ensemble des informations à destination du public, d’une part, et de l’autorité de contrôle d’autre part. Ces trois piliers ne doivent pas être vus séparément mais sont fortement interconnectés de manière à former un tout. Les entreprises d’assurance et de réassurance qui respecteraient chacun des trois piliers séparément sans tenir compte de cette interconnexion ne sauraient être considérées comme répondant aux exigences de Solvabilité II. Ainsi, une entreprise qui souhaiterait inves- tir la totalité de ses avoirs dans un seul type d’actif pour minimiser ses exigences de fonds propres ne saurait prétendre respecter le principe de la personne prudente. b) Le Pilier 1: Les exigences quantitatives Le premier pilier sur lequel se fonde le régime Solvabilité II vise principalement les exigences quanti- tatives à rencontrer en matière de provisions techniques et de fonds propres. • Provisions techniques L’un des principes introduits par Solvabilité II consiste à ce que tous les éléments du bilan soient évalués à leur valeur de marché. Si la plupart du temps cette évaluation ne pose aucun problème au niveau de l’actif parce qu’il existe un marché de référence, il n’en va pas de même pour les provisions techniques. Celles-ci seront donc valorisées à leur valeur de transfert, c’est-à-dire, pour une entreprise d’assurance ou de réassurance consi- dérée, au prix qu’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance serait prête à payer afin de reprendre l’ensemble de ses engagements d’assurance ou de réassurance. Il est à noter qu’à côté du bilan “Solvabilité II” (“Market Consistent Balance Sheet”), qui est un bilan établi à des fins prudentielles, les comptes sociaux établis selon la législation belge (“Belgian Generally Accepted Accounting Principles” ou “BGAAP”) et les comptes consolidés établis selon les normes IFRS devront tou- jours être établis. En pratique, les provisions techniques seront subdi- visées en deux composantes: — le Best estimate (BE) ou “meilleure estimation”, qui correspond à la valeur actuelle attendue des cash flows futurs (sinistres moins primes) calculés selon une méthode actuarielle appropriée; 11 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — de risk margin (RM) of risicomarge, die overeen- stemt met de contante waarde van de kapitaalvergoe- ding waarover de onder neming moet beschikken om de “non-hedgeable” risico’s te dekken, berekend op basis van de methode van “cost of capital” (er is geen beschikbare marktwaarde voor deze “niet-dekbare” risico’s). Bovenop de beste schatting wordt een risico- marge vereist met het oog op een portefeuilleoverdracht. • Kapitaal- en eigenvermogensvereiste De eigenvermogensvereisten worden gewaardeerd aan de hand van twee aspecten, namelijk enerzijds de SCR (solvency capital requirement) en anderzijds de MCR (minimum capital requirement). Deze elementen kunnen in essentie worden gedefinieerd als respectie- velijk het nodige kapitaal om de schokken op te vangen die kunnen worden veroorzaakt door de diverse risico’s waaraan de herverzekerings- of verzekeringsonderne- ming is blootgesteld, en het minimumniveau aan eigen vermogen onder hetwelk de verzekeringsonderneming haar verplichtingen niet meer kan nakomen. De SCR en de MCR komen aldus in de plaats van de begrippen “solvabiliteitsmarge” en “waarborgfonds”, die werden ingevoerd door de eerste generatie richtlijnen. Voor de berekening van de SCR dienen de onder- nemingen alle risico’s te meten waarmee ze gecon- fronteerd worden (verzekerings technische risico’s, operationeel risico, marktrisico …) om zich ervan te vergewissen dat ze over voldoende eigen vermogen be- schikken om deze te dekken. De SCR berekenen komt er eigenlijk op neer dat bepaald wordt welk niveau aan eigen vermogen minimaal nodig is om de kans dat het faillissementsrisico zich in het komende jaar voordoet, te beperken tot 0,5 % (dit komt overeen met één kans op 200 dat de onderneming in de komende 12 maanden failliet zal gaan). Voor de eigenlijke berekening van de SCR kunnen de verzekeringsondernemingen opteren hetzij voor de standaardformule (SF) waarin specifiek is voorzien in de Richtlijn, hetzij voor het gebruik van deze standaardfor- mule met specifieke parameters (USP of Undertaking- specific Parameters), hetzij voor de toepassing van een gedeeltelijk of volledig intern model (IM) dat erin bestaat bepaalde of alle modules van de standaardformule te vervangen door ondernemingsspecifieke modules. Voor de toepassing van deze varianten (USP en interne modellen) is evenwel de voorafgaande goedkeuring van de toezichthouder vereist. Bij gebruik van de standaardformule wordt een mo- dulaire risicoanalyse uitgevoerd. De SCR bestaat uit een basis-SCR (BSCR of basic SCR), een operationele SCR (risico op verlies als gevolg van onaangepaste of — la Risk margin (RM) ou marge de risque, qui correspond à la valeur actuelle de l’indemnisation en capital dont il faut disposer pour couvrir les risques “non-hedgeable”, calculée sur la base de la méthode du “cost of capital” (pour ces risques “non couvrables”, aucune valeur de marché n’est disponible). La marge de risque est requise en supplément de la meilleure estimation dans une optique de transfert du portefeuille. • Exigence de capital et fonds propres Les exigences en matière de fonds propres sont quant à elles évaluées par le biais de deux aspects qui sont, d’une part, le SCR (Solvency capital requirement) et, d’autre part, le MCR (Minimum capital requirement). Ces éléments peuvent en substance se définir respec- tivement comme le capital nécessaire afin d’absorber des chocs provoqués par les divers risques auxquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance est expo- sée, et le niveau minimum de fonds propres en-deçà duquel une entreprise d’assurance ne peut plus faire face à ses engagements. SCR et MCR prennent ainsi le relais des concepts de marge de solvabilité et de fonds de garantie instaurés par les directives de la première génération. Pour le calcul du SCR, les entreprises doivent mesu- rer tous les risques auxquelles elles sont confrontées (risques de souscription, risque opérationnel, risque de marché…) de façon à s’assurer qu’elles disposent de suffisamment de fonds propres pour les couvrir. Calculer le SCR revient en fait à définir le niveau de fonds propres minimum nécessaire afin de limiter le risque de faillite dans l’année qui vient avec une probabilité de 0,5 % (cela représente une chance sur 200  qu’une faillite intervienne dans les 12 prochains mois). Pour la réalisation proprement dite du calcul du SCR, les entreprises d’assurance peuvent opter soit pour la mise en œuvre d’une formule standard (SF) spécifique- ment prévue par la Directive, soit pour l’utilisation de cette formule standard avec des paramètres spécifiques (USP ou Undertaking Specific Parameters), soit pour la mise en œuvre d’un modèle interne (IM) partiel ou global consistant à remplacer certains ou tous les modules de la formule standard par des modules propres à l’entre- prise. L’application de ces variantes (USP et modèles internes) nécessite l’approbation préalable de l’autorité de contrôle. La formule standard procède par une approche modulaire de l’analyse des risques. Le SCR se décom- pose tout d’abord en un SCR de base (BSCR ou basic SCR), un SCR opérationnel (risque de pertes résultant 12 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 falende interne procedures, menselijke fouten, defecte informatica-systemen) en een neerwaartse aanpassing om rekening te houden met het risico-absorberende ef- fect dat verbonden is aan de toekomstige winstdelingen en uitgestelde belastingvorderingen. De BSCR wordt op zijn beurt verkregen door de sa- menvoeging van het kapitaal dat nodig is in de volgende vijf individuele risicomodules, rekening houdend met het diversificatie-effect: — de module “marktrisico” (SCR Market), waarvan de componenten slaan op de risico’s die verbonden zijn aan de financiële markten, zoals de wisselkoers, de waarde van de eigendommen, de rente, de waarde van de aangehouden aandelen, de spread (het verschil tussen de risicovrije rente en de marktrente) en de con- centratie van de activa; — de module “verzekeringstechnisch risico “ziek- tekosten”” (SCR Health), die slaat op de risico’s die verbonden zijn aan overeenkomsten ter dekking van gezondheidsrisico’s (medische verzorging, hospitali- satie, …); — de module “tegenpartijrisico” (SCR Default), die het mogelijke verlies weergeeft dat zou kunnen voortvloeien uit de onverwachte wanbetaling van de tegenpartijen en schuldenaren van de verzekeringsonderneming (verslechtering van de solvabiliteit van een tegenpartij); — de module “verzekeringstechnisch risico “le- ven”” (SCR Life), die de risico’s verbonden aan de levensverzekerings overeenkomsten in aanmerking neemt, zoals het sterfterisico, het langlevenrisico, het invaliditeits- en morbiditeitsrisico , het risico van voortij- dige beëindiging, een grote toename van de uitgaven, de herziening van het te betalen bedrag aan schade- vergoeding en het catastroferisico; — de module “verzekeringstechnisch risico “niet- leven” (SCR Non-life), die rekening houdt met de risico’s verbonden aan de niet-levensverzekeringsover- eenkomsten zoals het premie- en voorzieningenrisico niet-leven, het risico op voortijdige beëindiging en het catastroferisico. Elke module bestaat op zijn beurt uit meerdere submodules. De MCR is het niveau aan eigen vermogen dat no- dig is om de kans dat het faillissementsrisico zich in het komende jaar voordoet, te beperken tot 0,5 % (dit komt overeen met één kans op 5 dat de onderneming in de komende 12  maanden failliet gaat). De MCR moet minimum 25 % en maximum 45 % van de SCR de procédures internes inadaptées ou défaillantes, d’erreurs humaines, de défaillance des systèmes informatiques) et un ajustement vers le bas afin de tenir compte de l’effet d’absorption du risque lié aux parti- cipations bénéficiaires futures et aux impôts différés. Le BSCR est lui-même obtenu par l’agrégation du capital nécessaire au sein des cinq modules de risques individuels compte tenu de l’effet de diversification: — le module “risque de marché” (SCR Market), dont les composantes visent les risques associés aux mar- chés financiers, tels que le taux de change, la valeur des propriétés, le taux d’intérêt, la valeur des actions détenues, le spread (différence entre le taux d’intérêt sans risque et le taux du marché) et la concentration des actifs; — le module “risque de souscription en santé” (SCR Health) qui vise les risques qui sont associés aux contrats couvrant des risques liés à la santé (soins médicaux, hospitalisation…); — le module “risque de contrepartie” (SCR Default), qui reflète les pertes possibles que pourrait entraîner le défaut inattendu des contreparties et débiteurs de l’entreprise d’assurance (dégradation de la solvabilité d’une contrepartie); — le module “risque de souscription en vie” (SCR Life), qui prend en considération les risques associés aux contrats d’assurance vie, tels que la mortalité, la longévité, l’invalidité/morbidité, la cessation, l’augmen- tation importante des dépenses, la révision du montant du sinistre à payer et les catastrophes; — le module “risque de souscription en non-vie” (SCR Non-life), qui tient compte des risques liés aux contrats non-vie, tels que le risque de primes/réserves, le “lapse” et les catastrophes. Chaque module est lui-même subdivisé en plusieurs sous-modules. Le MCR correspond au niveau de fonds propres né- cessaire afin de limiter le risque de faillite dans l’année qui vient avec une probabilité de 15 % (cela représente une chance sur 5 qu’une faillite intervienne dans les 12 prochains mois). Il doit se situer dans une fourchette allant de 25 % minimum à 45 % maximum du SCR, tout 13 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bedragen, maar mag ook niet lager zijn dan een abso- lute ondergrens die identiek is aan het huidige absolute minimum van het waarborgfonds onder Solvabiliteit I, namelijk 2,5 of 3,7 miljoen EUR, afhankelijk van de uitgeoefende takken en activiteiten. Om aan de bovenvermelde vereisten te voldoen, introduceert de Richtlijn bovendien, een onderscheid tussen het kernvermogen (basic own funds), dat over het algemeen bestaat uit bestanddelen die worden op- genomen in de balans van de onder nemingen, en het aanvullend eigen vermogen (ancillary own funds), dat bestaat uit posten buiten de balans zoals niet-geplaatst en niet-gestort kapitaal, suppletiebijdragen voor onder- linge waarborgmaatschappijen, garanties, … Bovendien is het eigen vermogen ingedeeld in drie niveaus (tier 1, tier 2 en tier 3) afhankelijk van de kwaliteit ervan (van de hoogste naar de laagste kwaliteit) en moeten de eigenvermogensbestanddelen die de SCR en de MCR vormen, voldoen aan bepaalde limieten inzake deze niveaus. • Activa Wat de activa betreft, dient opgemerkt te worden dat in tegenstelling tot de teksten van de eerste gene- ratie de regels van de Richtlijn niet alleen betrekking hebben op de dekkingswaarden (activa die speciaal bestemd zijn om de technische voorzieningen te dek- ken), maar ook op andere activa, ook wel “vrij vermogen” genoemd in de huidige wetgeving. Zodoende zullen dezelfde regels worden toegepast voor de waardering en de belegging van alle activa van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Voor de waardering legt de Richtlijn het beginsel vast van de marktwaarde, namelijk “het bedrag waarvoor ze [de activa] kunnen worden verhandeld tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn”. Voor beleggingen voorziet de Richtlijn niet langer in een beperking per type beleggingen of uitgever zoals thans het geval is. Enkel het prudent person-beginsel dient te worden nageleefd. c) Pijler 2: Kwalitatieve vereisten De tweede pijler waarop Solvabiliteit II berust, be- treft de kwalitatieve normen waaraan verzekerings- en herverzekerings onder nemingen moeten voldoen inzake governance en risicobeheer, evenals het toezichts- proces waaraan ze door de toezichthouder worden onderworpen. en ne pouvant pas être inférieur à un seuil plancher absolu, qui est identique à l’actuel minimum absolu du fonds de garantie dans Solvabilité I, soit 2,5 ou 3,7 mil- lions EUR selon les branches et les activités pratiquées. Par ailleurs, pour répondre aux exigences décrites ci-avant, la Directive introduit une distinction entre les fonds propres de base (Basic own funds), qui sont en général des éléments repris au bilan des entreprises, et les fonds propres auxiliaires (Ancillary own funds), qui sont des éléments hors bilan tels que le capital non appelé et non versé, les rappels de cotisations pour les mutuelles, les lettres de garanties… De plus, les fonds propres sont classés en trois niveaux (tier 1, tier 2 et tier 3) en fonction de leur qualité (de la plus élevée à la moins élevée) et les éléments de fonds propres qui composent le SCR et le MCR doivent respecter certaines limites concernant ces niveaux. • Actifs En ce qui concerne les actifs, il est important de noter que, contrairement aux textes de la première génération, les règles de la Directive concernent non seulement les valeurs représentatives (actifs spécialement affectés à la couverture des provisions techniques) mais encore les autres actifs souvent appelés “actifs libres” dans le cadre de la législation actuelle. De la sorte, les mêmes règles d’évaluation et de placement s’appliqueront à l’ensemble des actifs des entreprises d’assurance et de réassurance. En ce qui concerne l’évaluation, la Directive pose le principe de la valeur de marché ou, plus précisément, “le montant pour lequel ils [les actifs] pourraient être échangés dans le cadre d’une transaction conclue, dans des conditions de concurrence normales, entre des parties informées et consentantes”. Pour ce qui concerne les placements, la Directive ne prévoit plus de limitation par type de placements ni par émetteur comme c’est le cas actuellement. Seule la règle de la personne prudente (prudent person principle) doit être respectée. c) Le Pilier 2: Les exigences qualitatives Le deuxième pilier sur lequel repose Solvabilité II traite des normes qualitatives auxquelles les entreprises d’assurance et de réassurance doivent répondre en matière de gouvernance et de gestion des risques, ainsi que du processus de supervision auquel elles sont soumises de la part de l’autorité de contrôle. 14 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Aan de hand van hun governance- en risicobeheer- systeem moeten de verzekerings ondernemingen ervoor zorgen dat ze de wetgeving naleven die vermeld is in de circulaires van de toezichthouder. Naast de actuariële functie die specifiek is voor de sector, vallen ook de sleutelfuncties zoals die van risk manager, compliance officer en interne audit onder de toepassing van dit go- vernancesysteem, waarvan de eindverantwoordelijkheid bij de raad van bestuur ligt. In het kader van dit governancesysteem zal elke verzekeringsonderneming moeten overgaan tot een beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (ORSA of own risk and solvency assessment). Deze ORSA bestaat in een jaarlijkse beoordeling van de risico’s van de onderneming, die minstens betrekking heeft op de algehele solvabiliteitsbehoefte, de perma- nente naleving van de eigenvermogensvereisten, en de beoordeling van het verschil tussen de werkelijke risico’s waarmee de onderneming wordt geconfronteerd en de hypotheses van de standaardformule of van het interne model dat zij gebruikt. Het ORSA-verslag dat uit deze beoordeling voortvloeit, moet aan de toezichthouder worden meegedeeld. Het toezichtsproces (supervisory review process) houdt in dat de toezichthouder nagaat en beoordeelt of voldaan is aan de verplichtingen inzake het governan- cesysteem, de technische voorzieningen, de kapitaal- vereisten, de beleggingen, de kwaliteit van het eigen vermogen en, in voorkomend geval, de conformiteit van het (gedeeltelijk) interne model dat eventueel wordt toegepast. In deze context zal de toezichthouder de kwaliteit moeten controleren van de systemen waarover de verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen beschikken om de risico’s die zich zouden kunnen voor- doen, te meten en te beheersen. Indien vastgesteld zou worden dat de risico’s niet accuraat zijn beoordeeld door de ondernemingen, zal de toezichthouder daarenboven de mogelijkheid hebben om een aanvullende solvabi- liteitsmarge op te leggen bovenop deze die voortvloeit uit de berekening van de SCR (capital add-on). d) Pijler  3  — Vereisten inzake rapportering en openbaarmaking De derde pijler betreft de kwantitatieve en kwalitatieve informatie die aan de toezichthouder en het publiek wordt verstrekt. De rapportering ten aanzien van de toezichthouder (supervisory reporting) moet toelaten om enerzijds het governancesysteem, de uitgeoefende activiteiten, de toegepaste beoordelingsprincipes, de in aan- merking genomen risico’s, de kapitaalstructuur, de Via le système de gouvernance et de gestion des risques à mettre en œuvre, les entreprises doivent faire en sorte de s’assurer qu’elles répondent à la législa- tion telle que précisée par les circulaires de l’autorité de contrôle. Outre la fonction actuarielle spécifique au secteur, les fonctions clés telles que celles de risk manager, de compliance officer et d’audit interne entrent dans le champ d’application de ce système de gouver- nance, dont la responsabilité finale relève du conseil d’administration. Dans le cadre de ce système de gouvernance, chaque entreprise devra procéder à une évaluation interne des risques et de la solvabilité (ORSA ou own risk and solvency assessment). Plus précisément, l’ORSA consiste en une évaluation annuelle des risques de l’entreprise, qui devra porter au minimum sur le besoin global de solvabilité, le respect permanent des exigences de fonds propres, et l’évaluation de l’écart entre les risques réels auxquels l’entreprise est confron- tée par rapport aux hypothèses de la formule standard ou du modèle interne qu’elle utilise. Le rapport ORSA qui découle de cette évaluation doit être communiqué à l’autorité de contrôle. Le processus de supervision (supervisory review process) vise pour l’autorité de contrôle à contrôler et évaluer s’il est satisfait aux obligations en lien avec le système de gouvernance, les provisions techniques, les exigences de capital, les placements, la qualité des fonds propres et, le cas échéant, la conformité du modèle interne (partiel) qui serait appliqué. Dans ce contexte, il appartiendra au superviseur de contrôler la qualité des systèmes mis en place par les entreprises d’assurance et de réassurance pour mesurer et maî- triser les risques qui pourraient se produire. En outre, dans les cas où il serait constaté que les risques ont été mal appréciés par les entreprises, l’autorité de contrôle aura la possibilité d’imposer une marge de solvabilité complémentaire à celle obtenue via le calcul du SCR (“capital add-on”). d) Le Pilier 3 — Les exigences de reporting et de publicité Le troisième pilier traite des informations tant quanti- tatives que qualitatives qui seront destinées à l’autorité de contrôle et au public. En ce qui concerne le reporting à l’égard de l’auto- rité de contrôle (supervisory reporting), celui-ci devra permettre, d’une part, d’évaluer le système de gouver- nance, les activités exercées, les principes d’évaluation appliqués, les risques pris en considération, la structure 15 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 kapitaalbehoeftes en het kapitaalbeheer te beoordelen, en anderzijds om ter zake alle passende beslissingen te nemen. De op te stellen verslagen moeten zowel periodiek en systematisch worden ingediend als in bijzondere om- standigheden (wijziging in het risicoprofiel) die zouden vereisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming een specifiek verslag indient. Deze verslagen kunnen hetzij door de verzekeringsonderneming zelf, hetzij door externe deskundigen (revisoren, onafhan- kelijke actuarissen) worden opgesteld. De rapportering ten aanzien van het publiek (public disclosure) zal op jaarlijkse basis worden goedge- keurd door het wettelijk bestuursorgaan (gewoonlijk de raad van bestuur) van de herverzekerings- en verzekeringsonder nemingen. Deze rapportering zal gebeuren in de vorm van een verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de onderneming, dat ten minste een omschrijving bevat van de activiteiten en de resultaten, het governancesysteem en de mate waarin het is afgestemd op de risico’s, de risicoblootstelling per risicocategorie, de regels voor de beoordeling van de activa, passiva en technische voorzieningen, het kapitaalbeheer (structuur, SCR, MCR, hypotheses van de standaardformule of van het interne model), de ka- pitaalopslagfactoren die zouden worden toegepast door de toezichthouder, en de belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van het vorige boekjaar. Deze publicaties dragen bij tot een betere markt- discipline (market discipline), en bevorderen aldus de transparantie en de uniformering van de praktijken van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. e) Implementatie en tenuitvoerlegging De definitieve invoering van Solvabiliteit II, die her- haaldelijk werd uitgesteld, is gepland op 1 januari 2016. Om zich ervan te vergewissen dat de verzekerings- en herverzekeringsonder nemingen in staat zullen zijn om het nieuwe stelsel op deze datum toe te passen, werd voor 2014 en 2015 evenwel voorzien in een voorberei- dende fase. Tijdens deze voorbereidende fase moeten de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in 2015 bij de toezichthouder hun Solvabiliteit II- rap- portering (zowel kwantitatief als kwalitatief) indienen, en daarnaast ook de gewone rapporteringen onder Solvabiliteit I blijven uitvoeren. De Richtlijn voorziet ook in verschillende mogelijk- heden tot “pre-applicatie” (pre-application), die de on- dernemingen in staat stellen om bij de toezichthouder verschillende goedkeuringen aan te vragen in 2015, du capital, les besoins de capital, ainsi que la gestion de capital et d’autre part, de prendre toute décision appropriée en la matière. Les rapports à établir seront à introduire tant de manière périodique et systématique, qu’à l’occasion de situations particulières (changement du profil de risque) qui se produiraient et qui nécessiteraient la transmis- sion d’un rapport spécifique de la part de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Lesdits rapports pour- ront, en outre, émaner soit de l’entreprise d’assurance elle-même, soit d’experts externes (réviseurs, actuaires indépendants). Le reporting à l’égard du public (public disclosure) sera approuvé par l’organe légal d’administration (à savoir usuellement, le conseil d’administration) des entreprises d’assurance et de réassurance selon une fréquence annuelle. Il s’agira d’un rapport sur la solva- bilité et la situation financière de l’entreprise qui devra au minimum contenir une description de l’activité et des résultats, du système de gouvernance et de son adéquation aux risques, de l’exposition aux risques par catégorie de risque, des règles d’évaluation des actifs, passifs et provisions techniques, de la gestion du capital (structure, SCR, MCR, hypothèses de la formule stan- dard ou du modèle interne), des exigences de capital supplémentaires qui seraient imposées par l’autorité de contrôle, et des changements importants par rapport à l’exercice précédent. Ces publications contribuent à l’obtention d’une meil- leure discipline de marché (market discipline), avec pour objectifs la transparence et l’uniformisation des pra- tiques des entreprises d’assurance et de réassurance. e) Implémentation et entrée en vigueur Après avoir été plusieurs fois retardée, l’introduction définitive de Solvabilité II est prévue au 1er janvier 2016. Toutefois, afin de s’assurer que les entreprises d’assu- rance et de réassurance seront en mesure d’appliquer le nouveau régime à cette date, une phase préparatoire a été prévue en 2014 et en 2015. Durant cette phase préparatoire les entreprises d’assurance et de réassu- rance doivent introduire auprès de l’autorité de contrôle en 2015 des reportings Solvabilité II tant quantitatifs que qualitatifs, tout en continuant à communiquer les reportings habituels afférents à Solvabilité I. La Directive prévoit aussi plusieurs possibilités de “pré-application”, qui permettent aux entreprises de solliciter diverses autorisations de la part de l’autorité de contrôle en 2015 de manière à ce que ces autorisations 16 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zodat deze goedkeuringen van kracht kunnen zijn op de datum van inwerkingtreding van het nieuwe stelsel. Zo kunnen toezichthouders vanaf 1 april 2015 beslissen of het aanvullend eigen vermogen in aanmerking komt, en hun goedkeuring verlenen voor de interne modellen en de specifieke parameters van de standaardformule, de verschillende maatregelen in verband met lange- termijnverbintenissen (zie verder), en de samenstelling van de colleges van groepstoezichthouders. De onder- nemingen kunnen andere goedkeuringen aanvragen vanaf 1 juli 2015, zoals methodes voor de berekening van de groepssolvabiliteit of het gebruik van bepaalde overgangsmaatregelen. f) Maatregelen met betrekking tot lange termijn ver- bintenissen en overgangsmaatregelen De Richtlijn werd in april 2014 gewijzigd door de zoge- naamde Omnibus II-richtlijn (Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/ EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010  en (EU) nr. 1095/2010  wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft), onder meer om in aanpassingen te voorzien met betrekking tot de lange termijn verbintenissen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, evenals in diverse overgangsbepalingen die een gelei- delijke overgang van het Solvabiliteit I-stelsel naar het Solvabiliteit II-stelsel mogelijk maken. Tijdens de besprekingen over de implementatie van de Solvabiliteit II-normen bleek dat de gehanteerde berekeningsmethodes — en met name de in aanmer- kingneming van de Value-at-Risk met een looptijd van een jaar - een grote volatiliteit teweeg kunnen brengen in de eigenvermogensvereisten, die onverenigbaar is met sommige middellange- of lange termijnverbintenissen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. De levensverzekeringsproducten worden het hardst getroffen door deze problematiek. Om die reden heeft de voornoemde Omnibus  II- richtlijn diverse nuanceringen ingevoerd teneinde de buitensporige volatiliteit van de prudentiële vereisten te verminderen. Er zijn vier soorten maatregelen. De eerste drie, die elkaar uitsluiten, hebben betrekking op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur, namelijk de verschillende disconteringsvoeten die gebruikt zul- len moeten worden bij de berekening van de technische voorzieningen. Deze rentetermijnstructuur zal door de soient effectives à la date d’entrée en vigueur du nou- veau régime. Ainsi, à partir du 1er avril 2015, les autorités de contrôle peuvent approuver l’éligibilité des fonds propres auxiliaires, les modèles internes et les para- mètres spécifiques de la formule standard, les diverses mesures concernant les engagements à long terme (cf. infra), la composition des collèges de contrôleurs de groupe. Les entreprises peuvent solliciter d’autres autorisations à partir du 1er juillet 2015, telles que les méthodes de calcul de la solvabilité des groupes ou l’utilisation de certaines mesures transitoires. f) Mesures relatives aux engagements à long terme et mesures transitoires La Directive a été modifiée en avril 2014 par une direc- tive dite “Omnibus II” (Directive 2014/51/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant les directives 2003/71/CE et 2009/138/CE et le règlement (CE) n° 1060/2009, le règlement (UE) n° 1094/2010 et le règlement (UE) n° 1095/2010 en ce qui concerne les compétences de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles) et de l’Autorité européenne de sur- veillance (Autorité européenne des marchés financiers), entre autres afin de prévoir des adaptations en faveur des engagements à long terme des entreprises d’assu- rance et de réassurance, ainsi que diverses dispositions transitoires permettant un passage graduel du régime Solvabilité I au régime Solvabilité II. Au cours des discussions sur l’implémentation des normes de Solvabilité II, il est apparu que les méthodes de calcul utilisées — et notamment la prise en compte de la valeur en risque à une échéance d’un an — pou- vaient induire une forte volatilité dans les exigences de fonds propres, qui était peu compatible avec le moyen ou le long terme dont sont assortis certains engage- ments des entreprises d’assurance ou de réassurance. Les produits vie sont particulièrement visés par cette problématique. C’est pourquoi la directive Omnibus II précitée a introduit divers tempéraments permettant d’atténuer la volatilité excessive des exigences prudentielles. Ces mesures sont au nombre de quatre. Les trois premières, qui sont exclusives l’une de l’autre, se rapportent à la courbe pertinente des taux sans risques, c’est-à-dire l’ensemble des taux d’actualisation qui devront être utilisés dans le calcul des provisions techniques. Cette courbe sera fournie par l’Autorité européenne des 17 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspen- sioenen (hierna “EIOPA”) worden verstrekt op basis van een observering van de financiële markten. De extrapolatie van de relevante risicovrije rente- termijnstructuur (EIOPA-curve) is een techniek om voor duurtijden tussen 20 en 40 jaar de percentages te extrapoleren die moeten worden gebruikt voor de discontering in de berekeningen van de best estimate. Dit voorkomt schommelingen in de rentetermijnstructuur wegens een gebrek aan beschikbare gegevens. De matchingopslag (matching adjustment) maakt het mogelijk om de disconteringsvoeten van de EIOPA- curve beter te doen aansluiten bij deze die berekend worden op grond van de activaportefeuille van de verzekerings onderneming. Door de voorwaarden waar- aan die opslag is onderworpen, is hij echter moeilijk toepasbaar op Belgische verzekeringsproducten. De volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) maakt het mogelijk om de percentages van de EIOPA- curve beter te doen aansluiten bij deze die berekend worden op grond van een referentieportefeuille van activa. Deze aanpassing kan slaan op alle activiteiten van verzekeringsonder nemingen. De verlenging van de termijn om opnieuw te voldoen aan de SCR: in uitzonderlijke ongunstige omstandighe- den (financiële crisis, aanhoudend lage rente, natuur- ramp) kan het herstelprogramma, dat doorgaans be- perkt is tot negen maanden, tot 7 jaar worden verlengd. Met betrekking tot de vereisten waaraan verze- kerings- en herverzekeringsonder nemingen moeten voldoen, is onder andere voorzien in de volgende uitvoeringsmaatregelen: — de toekenning van een termijn van 2  jaar om verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die op 1 januari 2016 voldoen aan het solvabiliteitsmarge- vereiste van Solvabiliteit I maar niet aan het solvabili- teitskapitaalvereiste van de Richtlijn, de mogelijkheid te geven het laatstgenoemde vereiste na te leven aan het einde van deze periode van twee jaar; — de toekenning van een termijn van 16 jaar om de verzekerings- of herverzekerings onderneming de moge- lijkheid te geven haar Best Estimate te doen evolueren van het niveau dat vereist is onder Solvabiliteit I naar dat wat vereist is onder Solvabiliteit II. assurances et des pensions professionnelles (ci-après, l’EIOPA) sur la base de l’observation des marchés financiers. L’extrapolation de la courbe des taux d’intérêt sans risque pertinent (ou “courbe EIOPA”) est une technique permettant d’extrapoler, pour des durées comprises entre 20 et 40 ans, les taux qui doivent servir aux actua- lisations opérées dans les calculs du Best Estimate. On évite ainsi des fluctuations de la courbe des taux dues à l’absence de données disponibles. Le matching adjustment (ajustement égalisateur) per- met de rapprocher les taux d’actualisation de la courbe EIOPA de ceux calculés à partir du portefeuille d’actifs de l’entreprise d’assurance. Les conditions auquel cet ajustement est soumis rendent toutefois difficile son application aux produits d’assurance belges. Le volalility adjustment (correction pour volatilité) permet de rapprocher les taux de la courbe EIOPA de ceux obtenus au moyen d’un portefeuille d’actifs de référence. Cet ajustement peut s’appliquer à toutes les activités des entreprises d’assurance. L’allongement du délai de restauration du SCR: en cas de situations exceptionnelles défavorables (crise financière, persistance d’un taux d’intérêt très bas, catastrophe naturelle), le programme de rétablissement, normalement limité à un maximum de neuf mois, peut s’étendre à 7 ans. En ce qui concerne les mesures transitoires relatives aux exigences à rencontrer par les entreprises d’assu- rance et de réassurance figurent entre autres: — l’octroi d’un délai de deux ans permettant à l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui satisfait au 1er janvier 2016 à l’exigence de marge de solvabilité visée sous Solvabilité I mais qui ne respecte pas le capital de solvabilité requis par la Directive, d’atteindre ce dernier niveau à la fin de cette période de deux ans; — l’octroi d’un délai de 16 ans permettant à l’entre- prise d’assurance ou de réassurance de porter graduel- lement le Best Estimate du niveau de ses provisions techniques requis sous Solvabilité I à celui exigé par les normes Solvabilité II. 18 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3. Het wetsontwerp tot omzetting van de Solvabiliteit II-richtlijn De ontwerpwet die u ter beraadslaging wordt voorge- legd, zorgt dus voor de omzetting van de Richtlijn. Deze wet zal in de plaats komen van de huidige toezichts- wetten voor de verzekeringsondernemingen (wet van 9 juli 1975) en de herverzekeringsondernemingen (wet van 16 februari 2009), waarvan de uitvoeringsbesluiten eveneens zullen moeten worden herschreven. In de onderstaande toelichtingen wordt de volgorde van de ontwerpwet gevolgd, waarbij vermeld wordt wel- ke opties de Richtlijn biedt en welke bepalingen nieuw zijn ten opzichte van de Richtlijn en de huidige wetten. a) Algemene bepalingen (Boek I) Boek I van de ontwerpwet bepaalt het doel en het toepassingsgebied van de wet, definieert een reeks termen en uitdrukkingen die worden gebruikt in de ontwerpartikelen, en beoogt het gebruik van de termen “verzekeringsonderneming” en “herverzekeringsonder- neming” of soortgelijke namen te beschermen. Het zij genoegzaam opgemerkt dat de Richtlijn voor- ziet in bepaalde uitsluitingen, die in de meeste gevallen ter zake gebruikelijk zijn (stelsels van sociale zekerheid, pensioenfondsen, exportverzekering gewaarborgd door de Staat, pechverhelping voor voertuigen …). Sommige uitsluitingen zijn nieuw, zoals die welke betrekking heb- ben op onderlinge verzekeringsondernemingen die voor 100 % herverzekerd worden door een andere onderlinge verzekeringsonderneming die aan de bepalingen van de ontwerpwet is onderworpen. Tevens moet worden opgemerkt dat de uitsluiting waarin artikel 4 van de Richtlijn voorziet ten voordele van de kleine ondernemingen, niet als dusdanig werd overgenomen. Die ondernemingen, die overigens reeds onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet van 9 juli 1975, zullen onder de bepalingen van de ont- werpwet vallen, maar met aanpassingen om rekening te kunnen houden met hun omvang en het lage risico van hun verrichtingen. b) Toegang tot het bedrijf (Boek II — Titel I) De hier toegelichte bepalingen hebben betrekking op de vergunning en de vergunningsvoorwaarden. • De vergunning Zoals momenteel het geval is, moet elke onderneming die een verzekerings- of herverzekeringsactiviteit wenst aan te vangen, vooraf een vergunning aanvragen bij 3. Le projet de loi transposant la Directive Solvabilité II La loi en projet qui est soumise à votre délibération assure donc la transposition de la Directive. Cette loi remplacera les actuelles lois de contrôle relatives aux entreprises d’assurance (loi du 9 juillet 1975) et de réas- surance (loi du 16 février 2009), dont les arrêtés d’exé- cution devront également faire l’objet d’une réécriture. On suivra ici le plan de projet de loi en insistant sur les options offertes par la Directive et les dispositions nouvelles par rapport à cette même Directive et aux lois actuelles. a) Dispositions générales (Livre Ier) Le Livre Ier de la loi en projet définit son objet et son champ d’application, définit une série de termes et expressions dont il est fait usage dans les articles en projet et vise encore à protéger les dénominations d’entreprise d’assurance, d’entreprise de réassurance ou les dénominations voisines. On se contentera de noter que la Directive prévoit certaines exclusions, qui sont pour la plupart habituelles en la matière (régimes de sécurité sociale, fonds de pension, assurance à l’exportation garantie par l’État, assistance automobile …). Certaines sont nouvelles comme celle se rapportant aux mutuelles réassurées à 100 % par une autre mutuelle soumise aux dispositions de la loi en projet. On notera aussi que l’exclusion prévue par l’article 4 de la Directive en faveur des petites entreprises n’a pas été reprise comme telle. Ces entreprises, qui sont par ailleurs déjà soumises aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975, seront visées par celles du projet de loi mais pourront bénéficier d’adaptations permettant de tenir compte de leur taille et du faible risque engendré par leurs opérations. b) Accès à l’activité (Livre II — Titre Ier) Les dispositions commentées ici se rapportent à l’agrément et à ses conditions d’obtention. • L’agrément Comme c’est le cas actuellement, toute entreprise qui désire commencer une activité d’assurance ou de réassurance doit préalablement solliciter un agrément 19 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 haar toezichthouder. Deze vergunning wordt verleend per verzekeringstak of per herverzekeringsactiviteit (leven of niet-leven). Ze is onder bepaalde voorwaar- den geldig op het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte (Europees paspoort). De mogelijkheid om een vergunning te verkrijgen per groep van takken, die niet voorkomt in de wet van 9 juli 1975, werd niet overgenomen omdat ze geen echte toegevoegde waarde biedt. Eenzelfde onderneming kan zowel verzekerings- als herverzekeringsactiviteiten uitoefenen. In dat geval moet ze evenwel een vergunning aanvragen voor elk van die activiteiten. Er wordt echter voorzien in een over- gangsbepaling voor de verzekeringsondernemingen die momenteel een herverzekeringsactiviteit mogen uitoefenen zonder een vergunning te hebben verkregen als herverzekeringsonderneming. Er is vastgelegd dat de inhoud van het vergunnings- dossier wordt gepreciseerd door de Nationale Bank van België (hierna “de Bank”), en niet langer door de wet of via een koninklijk besluit. Dit biedt het voordeel van flexi- biliteit en schaadt de rechtszekerheid niet, aangezien het om zuiver technische en secundaire bepalingen gaat. Vergunningsvoorwaarden: organisatie van de onderneming Wat betreft de organisatie van de ondernemingen, maakt het wetsontwerp een synthese tussen de bepa- lingen van de Richtlijn en die van de huidige wetten, zoals laatstelijk gewijzigd in 2014. Het ziet ook toe op een gelijke behandeling tussen de verschillende categorieën van ondernemingen die actief zijn in de financiële sector. Zo werd de principiële verplichting om een directie- comité op te richten, behouden, met dien verstande dat de toezichthouder bepaalde ondernemingen kan vrijstellen van de verplichting om een dergelijk comité op te richten, of kan toelaten dat bepaalde leden van dat comité geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, of bepaalde combinaties van functies tussen de leden van het directiecomité kan toelaten. Deze afwijkingen worden verleend naargelang de omvang en het risico- profiel van de onderneming. De oprichting van een auditcomité, een remuneratie- comité en een risicocomité is verplicht. Voor wat betreft het auditcomité en het remuneratiecomité geldt deze verplichting echter niet voor ondernemingen die een be- paalde drempel inzake omzetvolume niet overschrijden auprès de son autorité de contrôle. Cet agrément est accordé par branche d’assurance ou par activité de réassurance (vie ou non-vie). Il est valable, à certaines conditions, sur tout le territoire de l’Espace économique européen (passeport européen). La possibilité d’obtenir un agrément par groupes de branches, qui ne figure pas dans la loi du 9 juillet 1975, n’a pas été reprise car elle ne présente pas de véritable valeur ajoutée. Une même entreprise peut exercer à la fois les acti- vités d’assurance et de réassurance. Toutefois, dans ce cas, elle doit solliciter un agrément pour chacune de ces activités. Une disposition transitoire est néanmoins prévue en faveur des entreprises d’assurance qui sont actuellement autorisées à pratiquer une activité de réassurance sans être agréées comme entreprises de réassurance. Il est prévu que le contenu du dossier d’agrément soit précisé par la Banque nationale de Belgique (ci-après, “la Banque”) et non par la loi ou via un arrêté royal, ce qui offre l’avantage de la souplesse et ne nuit pas à la sécurité juridique, s’agissant de dispositions purement techniques et secondaires. Conditions d’agrément: organisation de l’entreprise En ce qui concerne l’organisation des entreprises, le projet de loi fait la synthèse entre les dispositions de la Directive et celles des lois actuelles telles qu’elles ont été modifiées pour la dernière fois en 2014. Il veille aussi à une égalité de traitement entre les différentes catégo- ries d’entreprises actives au sein du secteur financier. Ainsi, l’obligation de principe de constituer un comité de direction a été maintenue, étant entendu que l’auto- rité de contrôle peut dispenser certaines entreprises de l’obligation de constituer un tel comité ou autoriser que certains membres de ce comité ne soient pas membres de l’organe légal d’administration ou encore autoriser certains cumuls de fonctions entre membres du comité de direction. Ces dérogations sont accordées en fonc- tion de la taille et du profil de risque de l’entreprise. La constitution d’un comité d’audit, d’un comité de rémunération et d’un comité des risques est obliga- toire sauf, en ce qui concerne les comités d’audit et de rémunération, pour les entreprises ne dépassant pas certains seuils en volume d’affaires ou dont la situation 20 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 of waarvan de concrete situatie de aanwezigheid van die comités niet rechtvaardigt, met dien verstande dat deze ondernemingen ervoor moeten zorgen dat de taken van deze comités elders worden vervuld. De onafhankelijke controlefuncties of de klassieke sleutelfuncties in de verzekeringssector (compliance, risicobeheer, interne audit en actuariële functie) blijven behouden. De risicobeheerfunctie moet, behoudens toestemming van de toezichthouder, worden uitgeoe- fend door een lid van het directiecomité voor wie dit de enige functie is. Vergunningsvoorwaarden: andere De overige vergunningsvoorwaarden zijn bepalingen die voor het merendeel zijn overgenomen uit de Richtlijn of de huidige wetten, zonder echte nieuwigheden. Slechts enkele nieuwe bepalingen moeten worden aangestipt. Het concept “gemeenschappelijke kas” heeft geen betrekking op een specifieke rechtsvorm, maar is een naam die kan worden gedragen door de onderlinge verzekeringsverenigingen die actief zijn in arbeidsonge- vallen of in bepaalde vormen van aanvullend pensioen. Enerzijds is er vanuit het oogpunt van de Belgische prudentiële regels immers geen enkel verschil tussen de gemeenschappelijke kassen en de onderlinge ver- zekeringsverenigingen en anderzijds erkent de Richtlijn de gemeenschappelijke kas niet als een specifieke rechtsvorm. De verplichting voor levensverzekeringsonderne- mingen om zich aan te sluiten bij een regeling voor de bescherming van levensverzekeringen, die reeds op hen van toepassing is via andere regelgevingen, werd in de ontwerpwet uitdrukkelijk overgenomen als een vergunningsvoorwaarde die dus integraal deel uitmaakt van het wettelijk statuut van verzekeringsonderneming. c) Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden (Boek II — Titel II) De hier toegelichte bepalingen hebben betrekking op de verplichtingen die de verzekerings- en herver- zekeringsondernemingen moeten naleven in het kader van de uitoefening van hun activiteiten. Ze vormen het leeuwendeel van dit wetsontwerp. De belangrijkste bepalingen worden hierna toegelicht. Kapitaalstructuur (Boek II — Titel II — Hoofdstuk II) Deze bepalingen hebben betrekking op het vooraf- gaande toezicht op belangrijke deelnemingen (drempels van 10 %, 20 % en 30 %, …). Een nieuwigheid hierbij is concrète ne justifie pas la présence de ces comités, tout en assurant l’exercice de leurs missions par ailleurs. Les fonctions de contrôle indépendantes ou fonc- tions-clés classiques dans le secteur des assurances (conformité ou compliance, gestion des risques, audit interne et fonction actuarielle) ont été maintenues. La fonction de gestion des risques doit, sauf autorisation accordée par l’autorité de contrôle, être exercée par un membre du comité de direction dont c’est la seule fonction. Conditions d’agrément: autres Les autres conditions d’agrément sont des disposi- tions qui sont, pour la plupart, reprises de la Directive ou des lois actuelles sans véritable nouveauté. Seules quelques dispositions nouvelles sont à mettre en exergue. La notion de “caisse commune” ne se rapporte pas à une forme juridique spécifique mais est une dénomi- nation que peuvent porter les associations d’assurance mutuelle active en accidents du travail ou dans certaines formes de pensions complémentaires. En effet, d’une part, il n’y a, du point de vue des règles prudentielles belges, aucune différence entre les caisses communes et les associations d’assurance mutuelle et, d’autre part, la Directive ne reconnaît pas la caisse commune comme une forme juridique particulière. L’obligation, pour les entreprises d’assurance sur la vie, de s’affilier à un régime de protection des assu- rances-vie, qui leur est déjà applicable via d’autres réglementations, est expressément reprise dans le cadre du de la loi en projet au titre de condition d’agré- ment faisant dès lors partie intégrante du statut légal d’entreprise d’assurance. c) Conditions d’exercice (Livre II — Titre II) Les dispositions ici commentées se rapportent aux obligations que les entreprises d’assurance et de réas- surance doivent respecter dans le cadre de l’exercice de leurs activités. Elles composent la majeure partie du projet de loi. Les principales dispositions sont com- mentées ci-après. Structure du capital (Livre II — Titre II — Chapitre II) Ces dispositions concernent le contrôle préalable des prises de participations importantes (seuils de 10 %, 20 % et 30 %, …). On notera comme nouveauté que 21 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat de toezichthouder de redenen om een kandidaat- verwerver te weigeren, op verzoek van die laatste kan publiceren. Werkingsvoorwaarden (Boek II — Titel II — Hoofdstuk III) In dit deel worden de regels bepaald die betrekking hebben op het minimum eigen vermogen, de bewaring van documenten, de rol van de leiding en de regels met betrekking tot de leiders, het risicobeheer, de ORSA (own risk and solvency assessment), de uitbesteding, de verrichtingen die verboden zijn of waarvoor een beperking geldt, en de mededeling van informatie aan het publiek. Deze verplichtingen zijn overgenomen uit hetzij de Richtlijn, hetzij de huidige wetten zonder echte inhou- delijke wijziging. Voor ORSA raadplege men de com- mentaar bij de ontwerpartikelen . Bepaalde verrichtingen ten gunste van de leiders, van de personen die sleutelfuncties bekleden of van hun naasten, mogen niet gebeuren tegen buitenspo- rige voorwaarden ten aanzien van de marktvoorwaar- den. Tot deze verrichtingen behoren voortaan ook de verzekeringsovereenkomsten. De verplichtingen inzake publicatie ten behoeve van het publiek zijn overgenomen uit de Richtlijn (met name de artikelen 51, 53, 54 en 55). Er werd gebruik gemaakt van de door de Richtlijn geboden mogelijkheid om de effecten van een aanvullend kapitaalvereiste of bedrijfs- specifieke parameters niet afzonderlijk te publiceren vóór 1 januari 2021. Portefeuilleoverdracht (Boek II — Titel II — Hoofdstuk IV) Zoals momenteel het geval is, zullen de portefeuil- leoverdrachten en fusies van ondernemingen onder- worpen zijn aan de voorafgaande toestemming van de toezichthouder. De regel werd verduidelijkt voor wat betreft de fusies. De strategische beslissingen worden er aan toegevoegd. Activiteiten in het buitenland (Boek II — Titel II — Hoofdstuk V) Zoals de regel is geworden, mag een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (lidstaat van herkomst) haar ac- tiviteiten uitoefenen in een andere lidstaat (lidstaat van ontvangst) door er een bijkantoor op te richten of zonder er een permanente vestiging te hebben (dat wil zeggen l’autorité de contrôle peut publier les raisons de son refus d’accepter un candidat acquéreur, à la demande de ce dernier. Conditions de fonctionnement (Livre II — Titre II — Chapitre III) Cette partie fixe les règles se rapportant aux fonds propres minima, à la conservation des documents, au rôle de la direction et les règles relatives aux dirigeants, à la gestion des risques, à l’ORSA (own risk and solvency assessment), à la sous-traitance, aux opéra- tions interdites ou faisant l’objet d’une limitation et à la communication d’informations à destination du public. Ces obligations sont reprises soit de la Directive, soit des lois actuelles sans véritable modification sur le fond. Pour l’ORSA , on se reportera au commentaire des articles en projet. Certaines opérations en faveur des dirigeants, des personnes occupant des fonctions clés ou leurs proches ne peuvent se faire à des conditions exorbitantes de celles du marché. Parmi ces opérations limitées figurent désormais les contrats d’assurance. Les obligations en matière de publication à destina- tion du public sont reprises de la Directive (notamment ses articles 51, 53, 54 et 55). Il a été fait usage de la possibilité offerte par la Directive de ne pas publier séparément les effets d’une exigence de capital supplé- mentaire ou des paramètres spécifiques à l’entreprise avant le 1er janvier 2021. Transfert de portefeuille (Livre II — Titre II — Chapitre IV) Comme c’est le cas actuellement, les transferts de portefeuille et les fusions d’entreprise seront soumis à l’approbation préalable de l’autorité de contrôle. La règle a été clarifiée en ce qui concerne les fusions. On y ajoute les décisions stratégiques. Activités à l’étranger (Livre II — Titre II — Chapitre V) Comme c’est devenu la règle, une entreprise d’assu- rance ou de réassurance agréée dans un État membre de l’Espace économique européen (État membre d’origine) peut exercer ses activités dans un autre État membre (État membre d’accueil) en créant une succur- sale ou sans y avoir d’établissement fixe (c’est-à-dire en libre prestation de services) sans devoir solliciter un 22 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in het kader van de vrije dienstverrichting) zonder een vergunning te moeten aanvragen in die lidstaat van ontvangst. Alleen een kennisgevingsprocedure en, in voorkomend geval, een informatieprocedure over de bepalingen van algemeen belang die van toepassing zijn in de lidstaat van ontvangst, zijn vereist. Het hier besproken hoofdstuk heeft enkel betrekking op de ondernemingen naar Belgisch recht die een ac- tiviteit wensen uit te oefenen buiten België (bijkantoren of LPS “out”). Behalve voor activiteiten die in een andere lidstaat worden uitgeoefend via een bijkantoor of in het kader van de vrije dienstverrichting, is ook in specifieke bepa- lingen voorzien voor grensoverschrijdende activiteiten buiten de Europese Economische Ruimte. Zo werd voor de opening of de verwerving van een dochteron- derneming in het buitenland in een bijzondere regeling voorzien. Reglementaire normen en verplichtingen (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VI) Dit hoofdstuk bevat de meest technische bepalingen die van toepassing zijn op de verzekerings- en herver- zekeringsondernemingen, zoals de waarderingsregels, de verplichtingen inzake technische voorzieningen, de bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen en de kapitaalvereisten, die met betrekking tot de beleg- gingen, de doorlopende inventaris en de regels inzake de lokalisatie van de activa. Wat betreft de waarderingsregels in het algemeen, neemt de ontwerpwet het principe van de waarde bij overdracht over, zoals uiteengezet in de algemene toelichting met betrekking tot de Richtlijn. De ontwerpwet bevat tevens de verplichting om tech- nische voorzieningen te berekenen en te boeken, alsook de waardering ervan tegen de waarde bij overdracht (cf. supra). In dit deel van het wetsontwerp worden de regels vastgelegd met betrekking tot de berekening van de beste schatting (best estimate) en de risicomarge (risk margin), alsook drie van de vier maatregelen met betrekking tot de langetermijnverbintenissen, namelijk de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijn- structuur, de matchingopslag (matching adjustment) en de volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment). Wat de volatiliteitsaanpassing betreft, liet de Richtlijn de keuze aan de lidstaten om al dan niet te bepa- len dat het gebruik ervan ondergeschikt is aan een voorafgaande goedkeuring door de toezichthouders. Aangezien de mogelijkheden om het gebruik van deze volatiliteitsaanpassing a priori te weigeren, fors beperkt agrément dans cet État d’accueil. Seule une procédure de notification et, le cas échéant, d’information sur les dispositions d’intérêt général applicables dans l’État membre d’accueil est requise. Le chapitre dont question ici concerne uniquement les entreprises de droit belge souhaitant exercer une activité en dehors de la Belgique (succursales ou LPS “out”). À côté des activités dans un autre État membre via une succursale ou en libre prestation de services, l’activité transfrontalière en dehors de l’Espace fait également l’objet de dispositions spécifiques. Ainsi, l’ouverture ou l’acquisition d’une filiale à l’étranger fait également l’objet d’un encadrement particulier. Normes et obligations réglementaires (Livre II — Titre II — Chapitre VI) Ce chapitre comprend les dispositions les plus tech- niques applicables aux entreprises d’assurance et de réassurance, telles que les règles de valorisation, les obligations en matière de provisions techniques, les dis- positions relatives aux fonds propres et aux exigences de capital, celles se rapportant aux investissements, l’inventaire permanent et les règles de localisation des actifs. En ce qui concerne les règles de valorisation en géné- ral, la loi en projet reprend le principe de la valeur de transfert, tel que cela a été exposé dans le commentaire général relatif à la Directive. La loi en projet reprend également l’obligation de calculer et de comptabiliser des provisions techniques, ainsi que l’évaluation de celles-ci à la valeur de trans- fert (cf. supra). C’est à cet endroit que l’on trouvera les règles relatives au calcul de la meilleure estimation (best estimate) et de la marge de risque (risk margin), de même que trois des quatre mesures relatives aux engagements à long terme, à savoir l’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque, l’ajustement égalisateur (matching adjustment) et la correction pour volatilité (volatility adjustment). En ce qui concerne la correction pour volatilité, la Directive laissait le choix aux États membres de prévoir ou non de subordonner son utilisation à une approbation préalable des autorités de contrôle. Étant donné que les possibilités de refuser a priori l’usage de cette correction pour volatilité sont fort réduites, le choix d’une simple 23 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zijn, werd gekozen voor een eenvoudige kennisgeving. Dit betekent geenszins dat de toezichthouder niet kan nagaan of het gebruik dat de ondernemingen maken van de volatiliteitsaanpassing, in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften. Het is ook dit technische gedeelte dat de belangrijkste bepalingen bevat met betrekking tot het eigen vermo- gen, te weten de definitie van het eigen vermogen in de zin van Solvabiliteit II (alle activa min alle passiva), het onderscheid tussen kernvermogen en aanvullend eigen vermogen, de regels voor de indeling van het eigen ver- mogen in drie niveaus (tiers), alsook de vereisten met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR of solvency capital requirement) en het minimumkapitaal- vereiste (MCR of minimum capital requirement). Wat de MCR betreft, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid waarin de Richtlijn voorziet om te bepalen dat de berekening ervan tot 31 december 2017 uitslui- tend gebeurt aan de hand van de standaardformule, zelfs als de onderneming een geheel of gedeeltelijk intern model hanteert. Aldus kan een minimumniveau aan eigen vermogen worden gehandhaafd dat niet ge- koppeld is aan de werking van het interne model. Bij de mogelijke opties voor de berekening van het ei- genvermogen vereiste, kan men tevens de mogelijkheid vermelden om gebruik te maken van een submodule “aandelenrisico op basis van looptijd” voor bepaalde producten die vallen onder de tweede pensioenpijler. Inzake beleggingen formuleert de ontwerpwet, net als de Richtlijn, het “prudent person”-beginsel. Dit be- ginsel zal moeten worden uitgewerkt in de Europese verordeningen ter aanvulling van de Richtlijn, alsook in de richtsnoeren van EIOPA en in de circulaires van de Bank. Het hoofdstuk met betrekking tot de reglementaire normen en verplichtingen eindigt met twee reeksen bepalingen die werden gewijzigd ten opzichte van zowel de Richtlijn als de huidige wetgevingen. De eerste van deze reeksen betreft de doorlopende inventaris, die zal worden behandeld met de bepalingen betreffende het voorrecht ten gunste van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. De tweede reeks heeft betrekking op de regels inzake de lokalisatie van de activa. Zoals hierboven gezegd, bevat de Richtlijn het beginsel van de totale vrijheid van belegging, zowel inzake de percentages en andere beleggingsbeperkingen, als inzake de loka- lisatie van de beleggingen. Vanuit dit laatste oogpunt kunnen alleen de overeenkomsten met betrekking tot risico’s die buiten de Europese Economische Ruimte notification a été effectué. Cela ne signifie aucunement que l’autorité de contrôle ne peut vérifier si l’usage que les entreprises font de la correction pour volatilité est conforme au prescrit légal. C’est également dans cette partie technique que se figurent les principales dispositions relatives aux fonds propres, à savoir la définition de fonds propres au sens de Solvabilité II (l’ensemble des actifs moins l’ensemble des passifs), la distinction entre fonds propres de base et fonds propres auxiliaires, les règles de classement des fonds propres en trois niveaux (tiers), ainsi que les exigences relatives au capital de solvabilité requis (SCR ou solvency capital requirement) et au minimum de capital requis (MCR ou minimum capital requirement). En ce qui concerne le MCR et comme le permet la Directive, son calcul se fera jusqu’au 31 décembre 2017 uniquement sur la base de la formule standard même si l’entreprise utilise un modèle interne partiel ou global. Cela permet de maintenir un niveau minimum de fonds propres qui ne soit pas lié à la performance du modèle interne. Parmi les options possibles concernant le calcul de l’exigence de fonds propres, on peut aussi citer la possibilité d’utiliser un sous-module “risque sur actions fondée sur la durée” applicable pour certains produits relevant du deuxième pilier de pension. En matière d’investissement, la loi en projet, comme la Directive, énonce le principe de la personne prudente. Ce principe devra être développé par les règlements européens complétant la Directive, ainsi que les orien- tations de l’EIOPA et les circulaires de la Banque Le chapitre relatif aux normes et obligations régle- mentaires se termine par deux séries de dispositions qui ont été modifiées par rapport à la fois à la Directive et aux législations actuelles. La première de ces séries concerne l’inventaire permanent, qui sera abordé avec les dispositions relatives au privilège en faveur des créanciers d’assurance. La seconde série concerne les règles relatives à la localisation des actifs. Comme il a été dit ci-dessus, la Directive énonce comme principe la liberté totale de placement tant en ce qui concerne les quotités et autres limites d’investissement qu’en ce qui concerne la localisation des placements. De ce dernier point de vue, seuls les contrats relatifs à des risques situés en dehors de l’Espace économique européen peuvent 24 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gelegen zijn, aan beperkingen worden onderworpen. De lokalisatie van activa buiten de Europese Economische Ruimte stelt het probleem van de doeltreffendheid van de maatregelen ter beperking van de vrije beschikking over de activa, vooral wanneer de onderneming zich in moeilijkheden bevindt, en verplicht de toezichthouder om actie te ondernemen om de schuldeisers uit hoofde van verzekering te beschermen, aangezien de Belgische toezichthouder zelden kan terugvallen op een samen- werkingsakkoord met de toezichthouder van het land van lokalisatie om de maatregel effect te doen sorteren. Om die reden en om het risico van de ondernemin- gen ten aanzien van hun depositarissen te beperken, werden aan de lokalisatie van activa buiten de Europese Economische Ruimte twee cumulatieve voorwaarden verbonden met betrekking tot de financiële instrumenten die bij buitenlandse depositarissen buiten de Unie wor- den aangehouden. De eerste is dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet beschikken over een zakelijk recht op de betrokken activa. De tweede is de vereiste van een verbintenis vanwege de depositaris om de betrokken activa te blokkeren op verzoek van de Belgische toezichthouder. Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VII) De bepalingen van dit hoofdstuk bestaan vooral uit rechtsgrondslagen op grond waarvan er via koninklijk besluit bepalingen kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. In dit verband is het noodzakelijk gebleken om de opstelling van de jaarrekening volgens de Belgische boekhoudnormen (BGAAP) te handhaven. Hoewel het referentiesysteem van Solvabiliteit II een balans bevat, heeft hij immers geen resultatenrekening, die nochtans onontbeerlijk is voor de berekening van de winstdelingen en de vennootschapsbelasting. Herstelplan (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VIII) De bepalingen van dit hoofdstuk zijn nieuw ten opzichte van zowel de Richtlijn als de huidige wetge- vingen. Ze bieden de toezichthouder de mogelijkheid om de ondernemingen voor dewelke hij dit nodig acht (afhankelijk van hun omvang of risicosituatie) te ver- plichten een herstelplan op te stellen, dat ten uitvoer moet worden gelegd als de risico’s waarin het plan voorziet, zich effectief voordoen. In afwachting van een Europese harmonisatie ter zake voorziet het ont- werp echter niet in een algemene verplichting om een dergelijk plan op te stellen voor alle verzekerings- en être soumis à des restrictions. La localisation d’actifs en dehors de l’Espace économique européen pose le problème de l’efficacité des mesures ayant pour objet de limiter la libre disposition des actifs, principalement lorsque l’entreprise se trouve en difficulté et oblige l’autorité de contrôle à prendre des actions en vue de protéger les créanciers d’assurance, puisque l’autorité de contrôle belge peut rarement prendre appui sur un accord de collaboration avec l’autorité de pays de la localisation pour rendre la mesure effective. Pour cette raison et en vue de limiter le risque des entreprises à l’égard de leurs dépositaires, la localisa- tion d’actifs en dehors de l’Espace économique euro- péen a été assortie de deux conditions cumulatives qui concernent les instruments financiers détenus auprès de dépositaires étrangers hors Union. La première est que l’entreprise d’assurance ou de réassurance dispose d’un droit réel sur les actifs en question. La seconde est l’exigence d’un engagement du dépositaire de bloquer les actifs en question à la demande de l’autorité de contrôle belge. Informations périodiques et règles comptables (Livre II — Titre II — Chapitre VII) Les dispositions de ce chapitre consistent principa- lement en des bases légales permettant l’adoption des dispositions relatives aux comptes annuels des entre- prises d’assurance et de réassurance par voie d’arrêté royal. À cet égard, il est apparu nécessaire de maintenir l’établissement de comptes annuels selon les normes comptables belges (BGAAP). En effet, si le référentiel Solvabilité II comporte bien un bilan, il est dépourvu de compte de résultats, lequel est pourtant indispensable pour le calcul des participations bénéficiaires et de l’impôt des sociétés. Plan de redressement (Livre II — Titre II — Chapitre VIII) Les dispositions de ce chapitre sont nouvelles par rapport tant à la Directive qu’aux législations actuelles. Elles autorisent l’autorité de contrôle à imposer aux entreprises pour lesquelles elle le juge nécessaire (en fonction de leur taille ou de leur situation de risque) l’établissement d’un plan de redressement, lequel devra être mis en œuvre si les risques prévus par le plan viennent à se réaliser. Dans l’attente d’une har- monisation européenne en cette matière, le projet ne prévoit toutefois pas une obligation générale d’établir un tel plan pour l’ensemble des entreprises d’assurance et 25 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsondernemingen, noch in de opstelling van afwikkelingsplannen door de Bank. Specifieke bepalingen voor bepaalde activiteiten (Boek II — Titel II — Hoofdstuk IX) In dit hoofdstuk zijn de bepalingen bijeengebracht die van toepassing zijn op bepaalde verzekerings- of her- verzekeringsactiviteiten. Het zij opgemerkt dat sommige bepalingen van de Richtlijn, met name met betrekking tot de niet-levensverzekeringen, niet in deze ontwerpwet zijn omgezet omdat ze vooral betrekking hebben op de informatieverstrekking aan en de bescherming van de consumenten, en niet thuishoren in een wet die van prudentiële aard is. Wat de levensverzekering betreft, bestaan de bepalin- gen van de ontwerpwet vooral uit voldoende rechtsgron- den om de verschillende technische aspecten te regelen (winstdelingen, samenstelling van de fondsen van de takken 21 en 23…) door middel van besluiten of regle- menten van de Bank. Het is tevens in dit deel van het wetsontwerp dat men het mechanisme aantreft voor de aanpassing van de maximale referentierentevoet voor levensverzekeringsovereenkomsten van lange duur. De uitoefening, door eenzelfde verzekeringsonderne- ming, van activiteiten leven en niet-leven, werd gehand- haafd. De voornaamste nieuwigheid, die voortvloeit uit de Richtlijn, is dat voortaan nog maar één SCR moet worden berekend voor de gemengde ondernemingen, terwijl diezelfde ondernemingen momenteel een solva- biliteitsmarge leven en een solvabiliteitsmarge niet-leven berekenen. Diezelfde ondernemingen zullen echter moeten voldoen aan een dubbel MCR-vereiste, alsof het om aparte ondernemingen leven en niet-leven ging. d) Specifieke bepalingen voor bepaalde ondernemin- gen (Boek II — Titel III) Deze titel heeft betrekking op verschillende types ondernemingen die onderworpen zijn aan specifieke regels ingevolge hun vennootschapsvorm of hun bij- zondere karakter. In een eerste hoofdstuk zijn de huidige bepalingen van de wet van 9 juli 1975 opgenomen die betrekking hebben op de onderlinge verzekeringsverenigingen. Inhoudelijk is er niets gewijzigd, behalve het feit dat de gemeenschappelijke kassen voortaan worden be- schouwd als een specifieke categorie van onderlinge verzekeringsvereniging. Dit wordt reeds vermeld in het kader van de vergunning. Een tweede hoofdstuk heeft betrekking op de on- dernemingen die buiten het toepassingsgebied van de de réassurance ni l’établissement de plans de résolution par la Banque. Dispositions spécifiques à certaines activités (Livre II — Titre II — Chapitre IX) Ce chapitre rassemble des dispositions applicables à certaines activités d’assurance ou de réassurance. On notera que certaines dispositions de la Directive, notam- ment en ce qui concerne les assurances non-vie, ne font pas l’objet d’une transposition dans le présent projet dès lors qu’elles concernent essentiellement l’information et la protection du consommateur et ne trouvent donc pas leur place dans une loi de nature prudentielle. Pour ce qui concerne l’assurance-vie, les dispositions de la loi en projet consistent principalement en des bases légales suffisantes pour régler différents aspects techniques (participation bénéficiaires, compositions des fonds des branches 21 et 23, …) par voie d’arrêtés ou de règlements de la Banque. C’est également à cet endroit que figure le mécanisme d’adaptation du taux maximum de référence pour les contrats vie de longue durée. L’exercice, par une même entreprise d’assurance, des activités vie et non-vie a été maintenu. La princi- pale nouveauté, qui découle de la Directive, est qu’il ne faudra dorénavant calculer qu’un seul SCR pour les entreprises mixtes alors que ces mêmes entreprises cal- culent actuellement une marge de solvabilité vie et une marge de solvabilité non-vie. En revanche, ces mêmes entreprises devront satisfaire à une double exigence de MCR comme s’il s’agissait d’une entreprise vie et d’une entreprise non-vie distinctes. d) Dispositions particulières à certaines entreprises (Livre II — Titre III) Ce titre concerne divers type d’entreprises soumises à des règles particulières en raison de leur forme sociales ou de leur particularisme. Un premier chapitre reprend les actuelles dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relatives aux associations d’assurance mutuelle. Il n’y a aucun changement de fond excepté le fait que les caisses communes seront dorénavant considérées comme une catégorie particu- lière d’associations d’assurance mutuelle. Ce point a déjà été relevé à propos de l’agrément. Un deuxième chapitre concerne les entreprises qui tombent en dehors du champ d’application de la 26 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Richtlijn vallen (artikel 4 van de Richtlijn). Aangezien deze ondernemingen reeds zijn onderworpen aan de regels van Solvabiliteit I, werd ervoor geopteerd om deze te onderwerpen aan de nieuwe solvabiliteitsnormen, maar met aanpassingen om rekening te kunnen houden met hun omvang en het lage risiconiveau van hun acti- viteiten. Hiermee wordt voor deze ondernemingen con- crete invulling gegeven aan het evenredigheidsbeginsel. Mits zij een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de herverzekering of de volledige overdracht van hun verplichtingen, kunnen deze ondernemingen nagenoeg volledig worden vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van de ontwerpwet. Voor de lokale verzekeringsondernemingen, die hun activiteit beperken tot het dekken van eenvoudige risico’s gelegen in de gemeente van hun zetel of in de omringende gemeenten, wordt voorgesteld om, in grote lijnen, terug te keren naar het stelsel dat van kracht was tot 31 december 2009, dat wil zeggen een nagenoeg volledige vrijstelling van het toezicht op voorwaarde dat hun activiteiten beperkt blijven en dat deze onderne- mingen een herverzekering aangaan voor het grootste gedeelte van hun risico’s. e) Toezicht op de ondernemingen (Boek II — Titel IV) Wat betreft het toezicht op de ondernemingen naar Belgisch recht, maakt het wetsontwerp, zoals gebrui- kelijk is, een onderscheid tussen het toezicht uitge- oefend door de Bank (of de Controledienst voor de Ziekenfondsen, voor de maatschappijen van onderlinge bijstand) en de ondersteuning van dit toezicht via het toezicht dat door de erkende commissarissen wordt uitgeoefend. Wat het eerste aspect betreft, zijn veel regels over- genomen uit de bestaande wetgevingen, hetzij in de verzekerings- of herverzekeringssector, hetzij in andere financiële sectoren. Het is de bedoeling om aan de toe- zichthouder de nodige en toereikende bevoegdheden te geven om zijn taken te vervullen. Deze bevoegdheden hebben onder meer te maken met de mogelijkheid om elk relevant document op te vragen, inspecties te ver- richten in de zetel van de ondernemingen of hun onder- aannemers, de gewenste personen te ondervragen, of nog om deskundigen te sturen of samen te werken met andere Belgische of buitenlandse autoriteiten. Nieuw is dat voor de inspectieverslagen en andere documenten die uitgaan van de toezichthouder, een geheimhou- dingsplicht geldt. De bepalingen met betrekking tot de erkende com- missarissen werden overgenomen uit de wet van 9 juli 1975 zonder grote inhoudelijke wijzigingen. Er zij Directive (article 4 de la Directive). Comme ces entre- prises sont déjà soumises aux règles de Solvabilité I, il a été choisi de les soumettre aux nouvelles normes de solvabilité mais avec des adaptations permettant de tenir compte de leur taille et du faible niveau de risque inhérent à leurs activités. Il s’agit en fait de donner, pour ces entreprises, un contenu concret au principe de proportionnalité. Parmi ces entreprises, celles qui ont conclu une convention portant sur la réassurance ou la cession intégrale de leurs engagements pourront bénéficier d’une dispense presque totale de l’application des dispositions de la loi en projet. Enfin, pour les entreprises locales d’assurance, qui limitent leurs activité à la couverture de risques simples situés dans la commune de leur siège social ou les communes avoisinantes, il est proposé de revenir, dans les grandes lignes, au régime qui était celui en vigueur jusqu’au 31 décembre 2009, à savoir une dispense presque totale du contrôle à condition que leurs activités demeurent limitées et que ces entreprises se réassurent pour la plus grande partie de leurs risques. e) Contrôle des entreprises (Livre II — Titre IV) Du point de vue du contrôle des entreprises de droit belge, le projet de loi distingue, comme c’est la cou- tume, le contrôle exercé par la Banque (ou l’Office de Contrôle des Mutualités pour les sociétés mutualistes d’assurance) du support à ce contrôle consistant dans le contrôle exercé par les commissaires agréés. En ce qui concerne le premier volet, beaucoup de règles sont reprises des législations existantes soit dans le secteur de l’assurance ou de la réassurance, soit dans d’autres secteurs financiers. L’objectif est de donner à l’autorité de contrôle les pouvoirs nécessaires et suffisants pour exercer ses missions. Ces pouvoirs concernent, entre autres, la possibilité de se faire com- muniquer tout document pertinent, de conduire des inspections au siège des entreprises ou de leurs sous- traitants, d’entendre les personnes qu’elle souhaite ou encore de diligenter des experts, de collaborer avec d’autres autorités belges ou étrangères. Une nouveauté est que les rapports d’inspection et autres documents émanant de l’autorité de contrôle sont soumis à une obligation de confidentialité. Les dispositions relatives aux commissaires agréés ont été reprises de la loi du 9 juillet 1975 sans grande modification quant au fond. On rappelle que la mission 27 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aan herinnerd dat de opdracht van de erkende commis- sarissen niet beperkt is tot de statutaire rekening van de ondernemingen. f) Groepstoezicht (Boek II — Titel V) Bj wijze van inleiding bevat deze titel verschillende de- finities die nodig zijn voor de toepassing ervan (deelne- mende onderneming, verbonden onderneming, groep, verzekeringsholding, gemengde verzekeringsholding, gemengde financiële holding…). Er wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen voor deze definities. In deze titel worden vervolgens vier niveaus gede- finieerd waarop het groepstoezicht van toepassing is, wat erop neerkomt dat bepaald wordt welke onderne- mingen onder een groep vallen die onderworpen is aan de bepalingen van deze titel. In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of an- dere ondernemingen (met name andere categorieën van ondernemingen uit de financiële sector of holdings) en naargelang het gaat om ondernemingen gelegen in de Europese Economische Ruimte of in derde landen. Het is ook mogelijk om subgroepen te vormen op nationaal niveau, zodat beter rekening wordt gehouden met de ei- gen kenmerken van de samenstellende ondernemingen. De uitbreiding van de groep tot ondernemingen in derde landen, is onderworpen aan een zogenaamde ge- lijkwaardigheidstoets, die erin bestaat te beoordelen of de toezichtregeling van die derde landen gelijkwaardig is aan de regeling die voortvloeit uit de Richtlijn. Als dit het geval is, worden de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen van derde landen gelijkgesteld met de ondernemingen van de Europese Economische Ruimte. Wat meer bepaald het groepstoezicht betreft, moet allereerst worden bepaald welke toezichthouder zal worden aangewezen als groepstoezichthouder die ver- antwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het toezicht binnen het college van toezichthouders. De toezichtsdomeinen zijn vergelijkbaar met die van het toezicht dat individueel op de ondernemingen wordt uitgeoefend. Het heeft betrekking op de groepssolvabi- liteit, de risicoconcentraties en de intragroeptransacties, de governance op groepsniveau en de informatiever- strekking aan het publiek. g) In moeilijkheden verkerende ondernemingen (Boek II — Titel VI) In deze titel zijn alle maatregelen bijeengebracht die de toezichthouder kan nemen ten aanzien van een in des commissaires agréés ne se limite pas aux comptes statutaires des entreprises. f) Surveillance ces groupes (Livre II — Titre V) À titre liminaire, ce titre énonce les diverses définitions nécessaires à son application (entreprise participante, entreprise liée, groupe, holding d’assurance, holding mixte d’assurance, compagnie financière holding mixte…). Il est renvoyé au commentaire des articles pour ce qui concerne ces définitions. Il définit ensuite quatre niveaux auxquels le contrôle du groupe s’applique. Il s’agit, en d’autres termes, de définir quelles sont les entreprises qui entrent dans la composition d’un groupe soumis aux dispositions du présent titre. De ce point de vue, il convient de distinguer selon qu’il s’agit d’entreprises d’assurance ou de réas- surance ou d’autres entreprises (notamment d’autres catégories d’entreprises relevant du secteur financier ou de sociétés holdings) et selon qu’il s’agit d’entreprises situées dans l’Espace économique européen ou dans des pays tiers. Il est également possible de constituer des sous-groupes au niveau national, de manière à mieux prendre en compte les caractéristiques propres aux entreprises qui les composent. L’extension du groupe à des entreprises situées dans des pays tiers est conditionnée par un exercice dit “d’équivalence”, qui consiste à apprécier si le régime de contrôle de ces pays tiers est équivalent à celui découlant de la Directive. Si tel est le cas, les entre- prises d’assurance ou de réassurance de pays tiers sont assimilées à des entreprises de l’Espace économique européen. En ce qui concerne plus spécialement le contrôle des groupes, un premier point est de déterminer quelle est l’autorité de contrôle qui sera désignée comme le contrôleur du groupe responsable de la coordination et de l’exercice du contrôle au sein du collège des contrôleurs. Les domaines de contrôle sont similaires à ceux qui font l’objet du contrôle exercé sur les entreprises à titre individuel. Il concerne la solvabilité du groupe, les risques de concentration et les transactions intra- groupes, la gouvernance au niveau du groupe et l’infor- mation à destination du public. g) Entreprises en difficulté (Livre II — Titre VI) Ce titre rassemble toutes les mesures que l’autorité de contrôle peut prendre vis-à-vis d’une entreprise 28 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verke- rende verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De meeste bepalingen zijn overgenomen uit hetzij de Richtlijn hetzij de huidige wetten. Bepaalde nieuwighe- den werden geïntroduceerd om de doeltreffendheid van de herstelmaatregelen te vergroten. Aspecten die in deze titel aan bod komen zijn het in evenwicht brengen van de tarieven, herstelmaatregelen zoals het opleggen van specifieke regels inzake waarde- ring, liquiditeitsnormen, risicoconcentraties, het verbod om winstdelingen, dividenden of het variabele gedeelte van de beloning van de leiders uit te keren, of nog de tenuitvoerlegging van het herstelplan … De bepalingen met betrekking tot het herstelplan en het plan inzake financiering op korte termijn, die betrek- king hebben op de ontoereikendheid van respectievelijk het SCR en het MCR, zijn overgenomen uit de Richtlijn (hoewel soortgelijke bepalingen bestaan in de huidige wetten). De Richtlijn voert striktere termijnen in voor de uitvoering van deze plannen: zes of negen maanden (uitzonderlijk meer en tot zeven jaar) voor het herstel- plan, en slechts drie maanden voor het plan inzake financiering op korte termijn. In dit laatste geval leidt de mislukking van het plan automatisch tot een herroeping van de vergunning. Andere maatregelen zijn overgenomen uit de hui- dige teksten (beperking van of verbod op de vrije be- schikking over de activa, aanstelling van een speciaal commissaris, vervanging van leden van het wettelijk bestuursorgaan, schorsing van de activiteit, aanmaning tot portefeuilleoverdracht, …). h) Einde van de vergunning (Boek II — Titel VII) Deze titel heeft betrekking op de verschillende manieren waarop de vergunning ten einde kan lopen: afstand (vrijwillige daad van de onderneming), doorha- ling voor niet-gebruik of als gevolg van de liquidatie, herroeping als gevolg van een ernstige tekortkoming. Het einde van de vergunning leidt tot een verbod om nieuwe overeenkomsten te sluiten, maar stelt behalve in geval van faillissement geen einde aan het toezicht zolang de onderneming verzekerings- of herverzeke- ringsverplichtingen heeft. i) Ondernemingen naar buitenlands recht (Boek III) Dit hoofdstuk bevat bepalingen met betrekking tot de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die in België een activiteit willen uitoefenen via een bijkantoor of in het kader van de vrije dienstverrichting. Voor de ondernemingen van de d’assurance ou de réassurance en difficulté ou en situa- tion irrégulière. La plupart des dispositions sont reprises soit de la Directive soit des lois actuelles. Certaines nouveautés ont été introduites pour accroître l’efficacité des mesures de redressement. On y trouve la mise en équilibre des tarifs, les me- sures de redressement telles que l’imposition de règles particulières en matière de valorisation, de normes de liquidité, de concentration de risques, l’interdiction de distribuer des participations bénéficiaires, des divi- dendes ou la partie variable de la rémunération des dirigeants ou encore, la mise en œuvre du plan de redressement … Les dispositions relatives au plan de rétablissement et au plan de financement à court terme, qui concernent respectivement les cas d’insuffisance du SCR et du MCR, sont reprises de la Directive (bien que des dis- positions similaires existent dans les lois actuelles). La Directive introduit des délais plus stricts pour la concrétisation de ces plans: six ou neuf mois (excep- tionnellement plus et jusqu’à sept ans) pour le plan de rétablissement et trois mois seulement pour le plan de financement à court terme. Dans ce dernier cas, l’échec du plan se traduit automatiquement par une révocation de l’agrément. D’autres mesures sont prévues, qui sont reprises des textes actuels (limitation ou interdiction de la libre disposition des actifs, désignation d’un commissaire spécial, remplacement de membres de l’organe légal d’administration, suspension de l’activité, injonction de transfert du portefeuille,…). h) Fin de l’agrément (Livre II — Titre VII) Ce titre concerne les diverses manières dont l’agré- ment peut prendre fin: renonciation (acte volontaire de l’entreprise), radiation pour non usage ou par suite de la liquidation, révocation à la suite de manquement grave. La fin de l’agrément entraîne l’interdiction de conclure de nouvelles affaires mais ne met pas fin, sauf hypo- thèse de faillite, au contrôle tant que l’entreprise a des engagements d’assurance ou de réassurance. i) Entreprises de droit étranger (Livre III) Ce chapitre comprend les dispositions relatives aux entreprises d’assurance ou de réassurance de droit étranger qui entendent exercer une activité en Belgique par le biais d’une succursale ou en libre prestation de services. Pour les entreprises de l’Espace économique 29 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Europese Economische Ruimte (bijkantoren en LPS “in”), gaat het om bepalingen die overeenstemmen met de bestaande bepalingen voor de Belgische on- dernemingen die activiteiten willen uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat. Er is in bepalingen voorzien voor de bijkantoren van ondernemingen naar het recht van een derde land. In principe zijn deze ondernemingen onderworpen aan een regeling die te vergelijken is met die welke van toepassing is voor de ondernemingen naar Belgisch recht. Er is voorzien in een aantal specifieke bepalingen om rekening te houden met het feit dat de bijkantoren geen rechtspersoonlijkheid hebben (het opleggen van specifieke solvabiliteitsnormen) noch een wettelijk bestuursorgaan (de verplichting om een algemeen lasthebber aan te duiden). De uitoefening door een verzekeringsonderneming naar het recht van een derde land van een activiteit in België is in het kader van de vrije dienstverrichting niet toegelaten. Wanneer er internationale akkoorden bestaan (zie met name het akkoord tussen de Europese Unie en Zwitserland, de GATS…), kunnen de betrokken onder- nemingen onderworpen zijn aan gunstiger stelsels die vergelijkbaar kunnen zijn met dat van de ondernemingen van andere lidstaten. Voor herverzekeringsondernemingen uit derde lan- den volgen de ontwerpbepalingen het regime van de Richtlijn, dat een onderscheid maakt naargelang het toezichtsregime dat op hen van toepassing is in hun land van herkomst al dan niet gelijkwaardig wordt geacht aan dat van de Richtlijn. j) Dwangsommen en dwangmaatregelen (Boek IV) en sancties (Boek V) Deze bepalingen behoeven geen verdere toelichting. k) Regels van het internationaal privaatrecht inzake sanering en liquidatie (Boek VI) en materieelrechtelijke aspecten van liquidatieprocedures (Boek VII) De bepalingen van deze twee boeken nemen re- gels over die in 2004  werden ingevoegd in de wet van 9 juli 1975, en die de regels inzake internationale bevoegdheid en de collisieregels met betrekking tot saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures vast- leggen en aldus voorzien in de wederzijdse erkenning van dergelijke maatregelen en procedures tussen de lidstaten. De herverzekeringsondernemingen vallen niet onder deze bepalingen. européen (succursales et LPS “in”), il s’agit des dispo- sitions correspondant à celles existant pour les entre- prises belges désireuses d’opérer sur le territoire d’un autre État membre. Des dispositions sont prévues pour les succursales d’entreprises du droit d’un pays tiers. En principe, ces entreprises sont soumises à un régime similaire à celui applicable aux entreprises de droit belge. Quelques dispositions particulières sont prévues pour tenir compte du fait que les succursales n’ont pas de personnalité juridique (imposition de normes de solvabilité spéci- fiques) ni d’organe légal d’administration (obligation de désigner un mandataire général). L’exercice par une entreprise d’assurance du droit d’un pays tiers, d’une activité en Belgique en libre prestation de service n’est pas autorisé. Dans le cas où des accords internationaux existent (voy. notamment l’accord entre l’Union européenne et la Suisse, le GATS, …) les entreprises concernées peuvent être soumises à des régimes plus favorables qui peuvent être comparables à celui des entreprises des autres États membres. S’agissant des entreprises de réassurance de pays tiers, les dispositions en projet suivent le régime de la Directive qui distingue selon que le régime de contrôle qui leur est applicable dans leur pays d’origine est ou non jugé équivalent à celui prévu par la Directive. j) Astreintes et mesures coercitives (Livre IV) et sanctions (Livre V) Ces dispositions n’appellent pas de commentaire particulier. k) Règles de droit international privé en matière d’assainissement et de liquidation (Livre VI) et aspects de droit matériel des procédures de liquidation (Livre VII) Les dispositions de ces deux livres reprennent des règles insérées en 2004 dans la loi du 9 juillet 1975 et qui déterminent les règles de compétence internationale et de conflit de lois en matière de mesures d’assainis- sement et de procédures de liquidation et qui assurent ainsi la reconnaissance mutuelle de telles mesures et procédures entre États membres. Les entreprises de réassurance ne sont pas concernées. 30 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wat het materiële recht betreft, vormt het voorrecht ten gunste van de schuldeisers uit hoofde van verzeke- ring een belangrijk aspect. Zoals momenteel het geval is, zullen de schuldeisers uit hoofde van verzekering onder Solvabiliteit  II een voorrecht genieten op de dekkingswaarden van de technische voorzieningen, aangevuld met een voorrecht op alle activa van de verzekeringsonderneming. Er zij op gewezen dat de uitoefening van het voor- recht noodzakelijkerwijs uitgaat van een onderneming in liquidatie zonder continuïteit wat de uitoefening van de activiteit betreft. Men bevindt zich in een situatie waarin de enige mogelijkheid erin bestaat de schuldvorderin- gen uit hoofde van verzekering aan de houders ervan uit te betalen. Bijgevolg kan er bij het bepalen van de rechten van de schuldeisers geen rekening worden gehouden met toekomstige perspectieven zoals de discontering van de voorzieningen voor schadegevallen niet-leven of een waarschijnlijke afkoop van de levensverzekerings- overeenkomsten. Om die reden kan het bedrag van de rechten berekend met het oog op een liquidatie, verschillend zijn van het bedrag van de technische voor- zieningen berekend aan de hand van de best estimate en de risk margin. In de huidige economische situatie zouden de rechten met het oog op de liquidatie hoger kunnen uitvallen dan de technische voorzieningen on- der Solvabiliteit II voor de niet-levensverzekeringen, en lager voor de levensverzekeringen. Voor die laatste zal het bedrag van de rechten worden berekend rekening houdend met de contractueel gewaarborgde technische grondslagen. Zoals de Richtlijn bepaalt (art. 276), gaat de toeken- ning van het voorrecht op de dekkingswaarden gepaard met de verplichting, voor de verzekeringsondernemin- gen, om een doorlopende inventaris van die waarden aan te houden. Rekening houdend met wat voorafgaat, kan het bedrag van de in die inventaris opgenomen activa, in bepaalde gevallen, hoger uitvallen dan het bedrag van de dekkingswaarden onder Solvabiliteit II. Dit verschil werd noodzakelijk geacht om te garanderen dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering hun rechten kunnen uitoefenen in geval van faillissement of een andere liquidatieprocedure. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige regeling is de vermindering van het aantal types van afzonderlijk beheer. Deze types, die nog slechts een rol spelen in verband met het voorrecht op de dekkings- waarden, worden tot drie types herleid een afzonderlijk beheer voor alle activiteiten niet-leven, een voor alle activiteiten leven met uitzondering van de verrichtingen van de takken 23, 26 en 27 (waarvoor het risico door de S’agissant du droit matériel, un aspect majeur consiste dans le privilège en faveur des créanciers d’assurance. Tout comme c’est le cas actuellement, les créanciers d’assurance bénéficient, sous solvabi- lité II d’un privilège sur les valeurs représentatives des provisions techniques, complété par un privilège sur l’ensemble des actifs de l’entreprise d’assurance. Il importe de noter que l’exercice du privilège sup- pose nécessairement une entreprise en liquidation sans continuité en ce qui concerne l’exercice de l’activité. On se trouve dans une situation où la seule possibilité est de payer les créances d’assurance à leurs titulaires. En conséquence, la détermination des droits des créanciers ne peut pas tenir compte de perspectives futures telles que l’escompte des provisions pour sinistres non-vie ou une probabilité de rachat des contrats vie. Dès lors le montant des droits calculés dans la perspective d’une liquidation peut être différent du montant des provisions techniques calculé au moyen du best estimate et de la risk margin. Dans la situation économique actuelle, les droits dans la perspective de la liquidation pourraient être supérieurs aux provisions techniques Solvabilité II pour les assurances non-vie et inférieurs pour les assurances-vie. Pour ces dernières, le montant des droits sera calculé en tenant compte des bases techniques contractuellement garanties. Comme le prévoit la Directive (art. 276), l’octroi du privilège sur les valeurs représentatives s’accompagne de l’obligation, pour les entreprises d’assurance, de tenir un inventaire permanent de ces valeurs. Compte tenu de ce qui précède, le montant des actifs repris dans cet inventaire pourrait, dans certains cas, être supérieur au montant des valeurs représentatives Solvabilité II. Cette divergence a été jugée nécessaire pour garantir l’exercice des droits des créanciers d’assurance en cas de faillite ou autre procédure de liquidation. Une modification importante par rapport au régime actuel est la réduction du nombre de gestions dis- tinctes. Celles-ci, qui ne jouent plus un rôle qu’en ce qui concerne le privilège sur les valeurs représentatives, se voient réduites: une gestion distincte pour l’ensemble des activités non-vie, une pour l’ensemble des activités vie à l’exception des opérations des branches 23, 26 et 27 (pour lesquelles le risque est supporté par le preneur) 31 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekeringnemer wordt gedragen), die een afzonderlijk beheer vergen voor elk van de fondsen van deze takken. De eerste twee types zijn een gevolg van de ver- plichting die door de Richtlijn wordt opgelegd om de activiteiten leven en de activiteiten niet-leven duidelijk te onderscheiden. Het afzonderlijk beheer met betrekking tot de fondsen van de takken 23, 26 en 27 (waarvoor het risico door de verzekeringnemer wordt gedragen) wordt gerechtvaardigd door het feit dat de rechten van de schuldeisers ten aanzien van die producten te allen tijde gelijk zijn aan het bedrag van de overeenstem- mende dekkingswaarden. Bovendien werd ervan uitgegaan dat de andere types van afzonderlijk beheer waarin momenteel is voorzien door de Belgische regelgeving (met name met betrek- king tot de afgezonderde fondsen van tak 21) slechts een illusie van zekerheid bieden, bij ontstentenis van regels die er hermetisch afgesloten compartimenten van maken voor wat betreft de samenstelling van de dekkingswaarden. Voorzien in dergelijke regels is theo- retisch mogelijk, maar zou het beheer van en het toezicht op de verzekeringsondernemingen vrij complex en duur maken ten opzichte van de voordelen van de maatregel. De vermindering van het aantal types van afzonderlijk beheer doet geenszins afbreuk aan de verplichtingen van de verzekeringsondernemingen met betrekking tot de samenstelling van de verschillende fondsen van de takken 21 en 23 en, in het algemeen, aan de verplichtin- gen met betrekking tot het verzamelen van gegevens be- treffende een aantal producten of verrichtingen met het oog op, bijvoorbeeld, het toezicht op de winstdelingen. Het tweede voorrecht heeft, zoals momenteel het geval is, betrekking op alle activa van de verzekerings- onderneming. Het wordt slechts ten uitvoer gelegd na de liquidatie van de types van afzonderlijk beheer. Het nadeel van dit voorrecht in het huidige wettelijke kader is dat het een zeer lage rangorde heeft, wat het nagenoeg nutteloos maakt. Om dit nadeel te verhelpen maakt het wetsontwerp er een voorrecht van hoge rangorde van, waarop slechts de voorrechten primeren van de werk- nemers van de verzekeringsonderneming, de fiscus, de socialezekerheidsinstellingen en de houders van zakelijke rechten. l) Overgangsbepalingen en diverse bepalingen (Boeken VIII en IX) In de laatste twee Boeken strekt een eerste reeks bepalingen ertoe de verworven rechten van de verze- kerings- en herverzekeringsondernemingen die reeds over een vergunning beschikken, te handhaven. De ver- gunningen en inschrijvingen van deze ondernemingen qui requièrent une gestion distincte pour chacun des fonds de ces branches. Les deux premiers types sont une conséquence de l’obligation faite par la Directive de séparer nettement les activités vie des activités non-vie. Les gestions distinctes relatives aux fonds des branches 23, 26 et 27 (pour les- quelles le risque est supporté par le preneur) se justifient par le fait que les droits des créanciers relativement à ces produits sont à tout moment égaux au montant des valeurs représentatives correspondantes. Pour le surplus, il a été jugé que les autres gestions distinctes actuellement prévues par la réglementation belge (notamment en ce qui concerne les fonds can- tonnés de la branche 21) n’apportent qu’une sécurité illusoire à défaut de règles faisant de celles-ci des com- partiments parfaitement étanches en ce qui concerne la composition des valeurs représentatives. Prévoir de telles règles est théoriquement possible mais rendrait la gestion et le contrôle des entreprises d’assurance passablement complexes et coûteux au regard des avantages de la mesure. La réduction du nombre de gestions distinctes ne préjudicie en rien des obligations des entreprises d’assurance concernant la composition des différents fonds des branches 21 et 23 et, d’une manière générale, des obligations relatives à la collecte de données se rapportant à certains produits ou à certaines opérations aux fins, par exemple, du contrôle des participations bénéficiaires. Le second privilège porte, comme c’est le cas actuellement, sur l’ensemble des actifs de l’entreprise d’assurance. Il n’est mis en œuvre qu’après la liquida- tion des gestions distinctes. Le défaut de ce privilège dans le cadre légal actuel est d’être assorti d’un rang très bas, qui le rend pratiquement inutile. Pour pallier cet inconvénient, le projet de loi en fait un privilège d’un rang élevé, ne pouvant être primé que par les privilèges des travailleurs de l’entreprise d’assurance, du Fisc, des organismes de sécurité sociale et des titulaires de droits réels. l) Dispositions transitoires et diverses (Livres VIII et IX) Dans ces deux derniers Livres, une première série de dispositions vise à maintenir les droits acquis des entre- prises d’assurance ou de réassurance déjà agréées. Les agréments et inscriptions de ces entreprises seront maintenus, de même que les autorisations individuelles 32 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 worden gehandhaafd, alsook de individuele toestem- mingen die ze genieten, voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van de nieuwe wet. Er is ook bepaald dat de besluiten en reglementen die werden genomen ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 of de wet van 16 februari 2009, van toepassing blijven voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van de nieuwe wet, waarmee de klassieke rechtspraak van het Hof van Cassatie uitdrukkelijk wordt bevestigd. De Richtlijn voorziet in verscheidene overgangs- bepalingen, die werden omgezet in dit ontwerp. Deze bepalingen hebben betrekking op: — de rapportering en de informatieverstrekking aan het publiek, waarvoor de ondernemingen over verlengde termijnen beschikken gedurende de eerste vier jaar van toepassing van de nieuwe toezichtsregeling; • de mogelijkheid om het onder de vroegere regeling gevormde eigen vermogen onder de nieuwe regeling te beschouwen als Tier 1- of Tier 2-eigenvermogens- bestanddelen van niveau 1 of niveau 2 gedurende een periode van tien jaar; • bepaalde versoepelingen van de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste voor wat betreft het spreadrisico voor het soevereine risico (vier jaar) en het aandelenrisico (zeven jaar); • de toekenning van een termijn van twee jaar om te voldoen aan de solvabiliteitskapitaalvereisten voor de ondernemingen die niet aan deze vereisten voldoen maar wel beschikten over de solvabiliteitsmarge onder de vroegere regeling; • de geleidelijke en lineaire overschakeling over een periode van zestien jaar van het niveau van de techni- sche voorzieningen onder Solvabiliteit I naar het niveau van de technische voorzieningen onder Solvabiliteit II (best estimate en risk margin), hetzij via een maatregel op de disconteringsvoeten, hetzij aan de hand van de berekening van de bedragen van de voorzieningen. Tot slot worden de wet van 9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 uitdrukkelijk opgeheven, worden verschillende wetgevingen gewijzigd om ze in overeen- stemming te brengen met de nieuwe wet (men denke hier met name aan de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen) en wordt de inwerkingtreding van de nieuwe wet vastgelegd. m) Bijlagen De Bijlagen bij de ontwerpwet bevatten de relevante bijlagen van de Richtlijn en vervangen die van het dont elles bénéficient dans la mesure où celles-ci ne sont pas contraires aux dispositions de la nouvelle loi. Consacrant expressément la jurisprudence classique de la Cour de cassation, il est également prévu que les arrêtés et règlements pris en exécution de la loi du 9 juillet 1975 ou de la loi du 16 février 2009 restent applicables dans la mesure où ils ne sont pas contraires aux dispositions de la nouvelle loi. Diverses dispositions transitoires sont prévues par la Directive et font dès lors l’objet d’une transposition par le présent projet. Ces dispositions concernent: — le reporting et les informations au public, pour lesquels les entreprises disposent de délais allongés pendant les quatre premières années de l’application du nouveau régime de contrôle; • la possibilité de considérer les fonds propres consti- tués sous le régime antérieur comme des éléments de fonds propres de niveau 1 ou de niveau 2 sous le nou- veau régime pendant une période de dix ans; • certains assouplissements de la formule standard de calcul du capital de solvabilité requis en ce qui concerne le risque de marge pour le risque souverain (quatre ans) et le risque sur actions (sept ans); • l’octroi d’un délai de deux ans pour satisfaire aux exigences de capital de solvabilité requis pour les entreprises qui ne satisfont pas à ces exigences alors qu’elles disposaient de la marge de solvabilité sous le régime antérieur; • le passage progressif et linéaire en seize ans du niveau des provisions techniques sous Solvabilité I vers le niveau des provisions techniques sous Solvabilité II (best estimate et risk margin), soit par une mesure sur les taux d’actualisation, soit en ce qui concerne le calcul des montants des provisions. Enfin, il convient d’abroger explicitement la loi du 9 juillet 1975 et la loi du 16 février 2009, de modifier diverses législations pour les mettre en concordance avec la nouvelle loi (on pense ici notamment à la loi du 4 avril 2014 sur les assurances) et de fixer l’entrée en vigueur de la nouvelle loi. m) Annexes Les Annexes à la loi en projet reproduisent les annexes pertinentes de la Directive et remplacent celles 33 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 koninklijk besluit van 12 februari 1991 houdende alge- meen reglement betreffende de controle op de verze- keringsondernemingen. De enige belangrijke wijziging betreft een herstructurering van de Bijlage met betrek- king tot de indeling van de levensverzekeringstakken. Er is voor gezorgd dat deze indeling die van de Richtlijn volgt (art. 2). 4. De opties van de Richtlijn en de Belgische keuzes Zoals vaak het geval is, bevat de Richtlijn een aantal opties waar de nationale wetgevers al dan niet gebruik van kunnen maken. De in dit ontwerp voorgestelde keu- zes worden hierna toegelicht, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen opties met een grote impact en andere opties. a) Opties met een grote impact Toezichtsregeling voor de kleine ondernemingen (artikel 4 van de Richtlijn) Krachtens artikel 4  van de Richtlijn zijn verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de premie-inkomsten of de technische voorzieningen onder bepaalde drempels blijven, niet onderworpen aan de bepalingen van deze Richtlijn. Daarmee laat de Richtlijn de nationale wetgevers de keuze tussen drie mogelijkheden: de betrokken ondernemingen vrijstel- len van elk toezicht, hen volledig onderwerpen aan de bepalingen tot omzetting van de Richtlijn of voorzien in een aangepast stelsel voor deze ondernemingen. In België heeft deze bepaling betrekking op twee categorieën van ondernemingen. De eerste omvat een klein aantal verzekeringsondernemingen die onder de Solvabiliteit I-regeling een vergunning hebben ver- kregen. De tweede categorie bestaat uit een dertigtal lokale verzekeringsondernemingen. Geen enkele herverzekeringsonderneming ressorteert momenteel onder de bepaling. De eerste twee opties voldoen niet. In het eerste geval zou het vanuit het oogpunt van de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstig- den niet verstandig zijn verzekeringsondernemingen zonder enig toezicht te laten werken, te meer daar dit een stap achteruit zou zijn ten opzichte van de huidige situatie, aangezien het om ondernemingen gaat die momenteel onder het toezicht staan van de Bank. In het tweede geval zou het opleggen van de vereisten die voortvloeien uit de omzetting van de Richtlijn ge- lijkstaan met een doodvonnis voor die ondernemingen op vrij korte termijn. de l’arrêté royal du 12 février 1991 portant règlement général de contrôle des entreprises d’assurances. La seule modification importante est une restructuration de l’Annexe relative à la classification des branches d’assurance vie. Il a été fait en sorte que cette classifi- cation suive celle de la Directive (art. 2). 4. Les options de la Directive et les choix de la Belgique Comme c’est souvent le cas, la Directive comporte un certain nombre d’options qui peuvent ou non être levées par les législateurs nationaux. Les choix proposés dans le présent projet sont commentés ci-après en distinguant les options qui présentent un impact majeur des autres. a) Options comportant un impact majeur Régime de contrôle des petites entreprises (article 4 de la Directive) L’article 4 de la Directive prévoit que les entreprises d’assurance ou de réassurance qui n’atteignent pas certains seuils en termes d’encaissement de primes ou de provisions techniques ne sont pas soumises aux dispositions de ladite Directive. Ce faisant, la Directive laisse un triple choix aux législateurs nationaux: ou bien dispenser les entreprises concernées de tout contrôle ou bien les soumettre entièrement aux dispositions trans- posant la Directive ou bien prévoir un régime adapté à ces entreprises. En Belgique, les entreprises concernées par cette disposition relèvent de deux catégories. La première concerne un petit nombre d’entreprises d’assurance agréées sous le régime de Solvabilité I. La seconde catégorie est constituée d’une trentaine d’entreprises locales d’assurance. Aucune entreprise de réassurance n’est actuellement concernée. Les deux premières options ne sont pas satisfai- santes, la première parce qu’il n’est pas prudent du point de vue de la protection des preneurs, assurés et bénéficiaires d’autoriser des entreprises d’assurance à fonctionner sans aucun contrôle, d’autant plus que, s’agissant d’entreprises faisant actuellement l’objet d’une surveillance par la Banque, cela constituerait un recul par rapport à la situation actuelle. Dans le second cas, imposer les exigences issues de la transposition de la Directive à ces entreprises reviendrait à signer leur “arrêt de mort” à plus ou moins brève échéance. 34 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Er is dus voor gekozen om te voorzien in specifieke bepalingen, waarin rekening gehouden wordt met de omvang en de geringe risico’s van de betrokken on- dernemingen. Er werd een regeling opgesteld voor ondernemingen die niet kunnen worden beschouwd als lokale verzekeringsondernemingen (ontwerparti- kelen 272 tot 293) en een regeling voor ondernemin- gen die wel als dusdanig kunnen worden beschouwd (ontwerpartikelen 294 tot 302). Voor de herverzeke- ringsondernemingen werd daarentegen niet voorzien in specifieke bepalingen die afwijken van het gemeen- schappelijke stelsel, gelet op de risico’s die inherent zijn aan herverzekeringsverrichtingen. Afzonderlijke bekendmaking van de kapitaalopslag- factoren en de specifieke parameters van de onderne- ming (artikel 51, lid 2 van de Richtlijn) Krachtens artikel  51  van de Richtlijn, moeten de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een verslag over de solvabiliteit en de financiële positie (Report on solvency and financial condition) publiceren. Deze bepalingen, die worden omgezet door de ontwerp- artikelen 93 en 94, hebben onder meer betrekking op de informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste, en de afzonderlijk te vermelden informatie over de eventuele, door de toezichthouder opgelegde kapitaalopslagfac- tor (zie ontwerpartikel 323) of specifieke parameters die worden gebruikt in de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste (zie ontwerpartikel 166). Volgens de Richtlijn mag deze afzonderlijke publicatie evenwel worden uitgesteld tot 1 januari 2021. Via ont- werpartikel 653 wordt voorgesteld van deze mogelijkheid gebruik te maken. De nieuwe toezichtsregeling leidt tot grote veranderingen bij de verzekerings- en herverze- keringsondernemingen, zodat het niet zeker is dat de verzameling en de bekendmaking van gegevens in de eerste fase van de toepassing van de nieuwe regeling vlekkeloos verlopen. Het dient te worden vermeden dat foutieve gegevens worden gepubliceerd, die kunnen leiden tot een verkeerde interpretatie van de financiële positie van bepaalde ondernemingen door de financiële markten en het publiek. Voorafgaande toestemming voor het gebruik van de volatiliteitsaanpassing (artikel 77quinquies, lid 1 van de Richtlijn) Artikel 77quinquies van de Richtlijn, ingevoerd bij artikel 2, 23° van de Omnibus II-richtlijn, bepaalt dat de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen een volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) mogen toepassen op de relevante risicovrije rentevoeten. Deze Le choix a donc été fait de prévoir des dispositions spécifiques, qui tiennent compte de la taille et des faibles risques des entreprises concernées. Un régime a été prévu pour les entreprises qui ne peuvent pas être considérées comme des entreprises locales d’assu- rance (articles 272 à 293 en projet) et un pour celles qui peuvent être considérées comme telles (articles 294 à 302 en projet). En revanche, eu égard aux risques inhérents à ce type d’opérations, aucune disposition particulière dérogeant au régime commun n’a été prévue pour les entreprises de réassurance. Publication séparée des exigences de capital supplé- mentaire et des paramètres spécifiques à l’entreprise (article 51, paragraphe 2 de la Directive) En vertu de l’article 51 de la Directive, les entre- prises d’assurance et de réassurance doivent publier, à destination du public, un rapport sur la solvabilité et la situation financière (Report on solvency and financial condition). Ces dispositions, qui sont transposées par les articles 93 et 94 en projet, concernent entre autres la publication du capital de solvabilité requis et, de manière distincte, de toute exigence de capital supplémentaire (voir l’article 323 en projet) ou de tout paramètre spéci- fique utilisé dans la formule standard de calcul du capital de solvabilité (voir l’article 166 en projet), qui est imposé par l’autorité de contrôle. Néanmoins, la Directive permet de différer cette publi- cation séparée jusqu’au 1er janvier 2021. Il est proposé (article 653 en projet) de lever cette option. Le nouveau régime de contrôle implique de grandes modifications au sein des entreprises d’assurance et de réassurance de telle sorte qu’il n’est pas certain que la collecte et la publication de données ne soient pas exemptes d’erreurs dans les premiers temps de l’application du nouveau régime. Il convient d’éviter de publier des don- nées erronées qui risquent de conduire à une mauvaise interprétation de la situation de certaines entreprises par les marchés financiers et le public en général. Approbation préalable à l’usage de la correction pour volatilité (article 77quinquies, paragraphe 1er de la Directive) L’article 77quinquies de la Directive, introduit par l’article 2, 23° de la directive “Omnibus II”, autorise aux entreprises d’assurance et de réassurance à utiliser une correction pour volatilité (volatility adjustment) des taux d’intérêt sans risque pertinents. Cette disposition 35 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bepaling wordt omgezet in ontwerpartikel 129, waarin de werking van de matchingopslag wordt beschreven. Volgens lid 1 van artikel 77quinquies van de Richtlijn mogen de lidstaten bepalen dat de toezichthouders vooraf toestemming moeten verlenen voor de toepas- sing van de volatiliteitsaanpassing. In overweging 39 van de Omnibus II-richtlijn wordt evenwel het volgende gesteld: “De lidstaten dienen in hun nationale wetgeving de mogelijkheid te hebben om aan hun nationaal toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheid toe te kennen het gebruik van de volatiliteitsaanpassing toe te staan, en in uitzonder- lijke omstandigheden af te wijzen”. Anders gezegd, de mogelijkheden voor de Bank om zich tegen het gebruik van de volatiliteitsaanpassing te verzetten, zijn zeer be- perkt, inzonderheid in het kader van een voorafgaande toestemming. Om die reden wordt voorgesteld (ontwerpartikel 129) geen toestemming van de toezichthouder te vereisen, maar alleen een voorafgaande kennisgeving van het gebruik van de volatiliteitsaanpassing. Zo wordt de Bank op de hoogte gebracht van het feit dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gebruik wil maken van deze aanpassing. Het spreekt voor zich dat de Bank zich altijd tegen het gebruik daarvan kan verzetten als de onderneming de voorwaarden daartoe niet naleeft. Berekening van het minimumkapitaalvereiste volgens de standaardformule (artikel 129, lid 3, tweede alinea van de Richtlijn) Zoals eerder vermeld, kunnen de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumka- pitaalvereiste, een beroep doen op de standaardformule van de Richtlijn of op geheel of gedeeltelijk interne modellen. Met betrekking tot het minimumkapitaalvereiste (MCR), kunnen de lidstaten evenwel eisen dat de berekening tijdens een overgangsperiode tot 31 december 2017 uit- sluitend berust op de standaardformule. Voorgesteld wordt van die mogelijkheid gebruik te maken (ontwerpartikel 654), aangezien dit voor de Bank een extra waarborg biedt met betrekking tot de ondernemingen die een intern model gebruiken, dat tijdens de eerste jaren van de toepassing mogelijk niet stabiel is. Dat maakt het eveneens mogelijk de resul- taten van het intern model en de standaardformule est transposée à l’article 129 en projet auquel il convient de se reporter pour une description du fonctionnement de l’ajustement égalisateur. Le paragraphe 1er de l’article 77quinquies de la Directive prévoit que les États membres peuvent sou- mettre l’utilisation de la correction pour volatilité par les entreprises d’assurance ou de réassurance à une approbation préalable. Le considérant 39 de la directive “Omnibus II” prévoit cependant que “les États membres devraient être en mesure, dans leur législation nationale, de conférer à leurs autorités nationales de surveillance le pouvoir d’autoriser et, dans des circonstances exceptionnelles, de rejeter l’utilisation de la correction pour volatilité”. Autrement dit, les possibilités, pour la Banque, de s’opposer à l’utilisation de la correction pour volatilité sont très limitées et ce, particulièrement dans le cadre d’une autorisation a priori. Pour cette raison, il est proposé (article 129 en projet) de ne pas lever l’option et de prévoir uniquement une notification de l’usage de la correction pour volatilité. La Banque est ainsi informée de ce que l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance compte faire usage de cette correction. Il va de soi que la Banque pourra toujours s’opposer au maintien de cette utilisation si l’entreprise ne respecte pas les conditions requises à cette fin. Calcul du minimum de capital requis selon la for- mule standard (article 129, paragraphe 3, alinéa 2 de la Directive) Comme indiqué précédemment, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent, pour le calcul du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis, faire usage de la formule standard décrite dans la Directive ou de modèles internes partiels ou globaux. Toutefois, en ce qui concerne le minimum de capital requis (MCR), les États membres peuvent exiger que le calcul s’effectue uniquement à partir de la formule standard pendant une période transitoire se terminant le 31 décembre 2017. Il est proposé de lever cette option (article 654 en projet) car cela permet à la Banque d’avoir une garantie supplémentaire en ce qui concerne les entreprises utili- sant un modèle interne, qui pourrait ne pas être stable dans les premières années de sa mise en œuvre. Cela permet aussi de comparer indirectement les résultats du modèle interne et de la formule standard puisque le 36 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 onrechtstreeks te vergelijken, aangezien het minimum- kapitaalvereiste meestal rechtstreeks af te leiden is uit de standaardformule. Beperking van de beleggingsvrijheid voor tak 23-pro- ducten (artikel 133, lid 3 van de Richtlijn) In tegenstelling tot de richtlijnen van de eerste gene- ratie, verbiedt de Richtlijn dat de nationale wetgevers de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplichten te beleggen in specifieke activacategorieën. In artikel 133, lid 3, wordt echter een uitzondering ge- maakt, in de vorm van een optie, voor overeenkomsten waarvoor “het beleggingsrisico wordt gedragen door een verzekeringnemer die een natuurlijke persoon is”. In België betreft het voornamelijk de levensverzekerings- overeenkomsten die behoren tot tak 23 van Bijlage II bij de ontwerpwet. Deze optie moet worden beschouwd als een maatre- gel ter bescherming van de verzekeringsconsumenten. In die hoedanigheid werd ze niet omgezet in het voorlig- gend wetsontwerp, maar wel in artikel 20 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Schaderegeling met betrekking tot de rechtsbijstand- verzekering (artikel 200, lid 3 van de Richtlijn) Artikel 200, lid 3 van de Richtlijn bepaalt dat de ver- zekeringsonderneming de schaderegeling van de tak rechtsbijstand dient toe te vertrouwen aan een juridisch zelfstandige onderneming. Wanneer deze laatste ban- den heeft met een verzekeringsonderneming die niet- levensverzekeringactiviteiten uitoefent, mogen de mede- werkers van de juridisch zelfstandige onderneming die zich bezighouden met de regeling van schadegevallen of die juridische adviezen geven daarover, bovendien niet dezelfde of een soortgelijke werkzaamheid uitoefenen voor de andere verzekeringsonderneming. De lidstaten kunnen dit cumulatieverbod uitbreiden tot de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van de verbon- den verzekeringsonderneming. Er werd geen keuze gemaakt met betrekking tot deze maatregel, aangezien hij behoort tot de consumenten- bescherming. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 oktober 1990 betreffende de rechtsbijstandsverzeke- ring werd geen gebruik gemaakt van deze optie. Uiteindelijke moederonderneming op nationaal ni- veau (artikel 216, lid 1 van de Richtlijn) Zie ontwerpartikel 352. minimum de capital requis est, dans la plupart des cas, directement fonction de la formule standard. Limitation de la liberté d’investissement pour les produits de la branche 23 (article 133, paragraphe 3 de la Directive) Contrairement aux directives de première généra- tion, la Directive interdit que les législateurs nationaux obligent les entreprises d’assurance et de réassurance à investir dans des catégories particulières d’actifs. Une exception est toutefois prévue, sous forme d’option, à l’article 133, paragraphe 3, pour ce qui concerne les contrats pour lesquels “le risque d’investissement est supporté par le preneur qui est une physique”. En Belgique, il s’agit essentiellement des contrats d’assu- rance vie relevant de la branche 23 de l’Annexe II de la loi en projet. Cette option doit être considérée comme une mesure de protection des consommateurs d’assurance. À ce titre, elle n’a pas fait l’objet d’une transposition par le présent projet de loi mais par l’article 20 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances. Gestion des sinistres en ce qui concerne l’assurance protection juridique (article 200, paragraphe 3 de la Directive) L’article 200, paragraphe 3 de la Directive impose que la gestion des sinistres des assurances protection juridique soit confiée à une entreprise juridiquement distincte. En outre, lorsque cette dernière est liée à une entreprise qui pratique une des activités d’assu- rance non-vie, les personnes de l’entreprise distincte qui gèrent les sinistres ou fournissent des conseils juridiques relatifs à cette gestion ne peuvent exercer cette activité ou une activité similaire dans l’entreprise d’assurance liée. Les États membres peuvent étendre cette interdiction de cumul aux membres de l’organe légal d’administration ou aux titulaires des fonctions de contrôle indépendantes de l’entreprise d’assurance liée. Aucun choix n’a été fait en ce qui concerne cette me- sure car elle relève de la protection du consommateur. L’article 4 de l’arrêté royal du 12 octobre 1990 relatif à l’assurance protection juridique n’a pas levé cette option. Entreprise mère supérieure au niveau national (article 216, paragraphe 1er de la Directive) Voir l’article 352 en projet. 37 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Verbonden verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen (artikel 225, tweede alinea van de Richtlijn) Zie ontwerpartikel 365, tweede lid. Gelijkwaardigheid van verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen uit derde landen (artikel 227, lid 1, tweede alinea van de Richtlijn) Zie ontwerpartikel 367, § 1, tweede lid. Bevoorrechte schuldvorderingen uit hoofde van ver- zekering (artikel 275, lid 1 van de Richtlijn) Artikel 275, lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat schuld- vorderingen uit hoofde van verzekering “boven alle andere schuldvorderingen op de verzekeringsonder- neming worden gerangschikt”. Deze bepaling laat de nationale wetgevers echter de keuze tussen twee opties, die ook kunnen worden gecombineerd. De eerste be- staat in een voorrecht op de dekkingswaarden van de technische voorzieningen en de tweede in een voorrecht op de algehele activa van de verzekeringsonderneming. De enige uitzonderingen op dit laatste voorrecht zijn vorderingen van werknemers, van de fiscus of van soci- alezekerheidsstelsels en vorderingen op activa waarop een zakelijk recht gevestigd is. Het voorrecht waarover de schuldeisers uit hoofde van verzekering momenteel beschikken (artikelen 18 en 48/16 van de wet van 9 juli 1975) is een combinatie van de twee opties van de Richtlijn, waarin de desbetref- fende bepalingen van de voorgaande richtlijnen zijn overgenomen (Richtlijn 2001/17/EG). De schuldeisers uit hoofde van verzekering hebben in de eerste plaats een voorrecht in eerste rang op de dekkingswaarden van de technische voorzieningen van het afzonderlijk beheer waartoe hun overeenkomst behoort (bijvoorbeeld niet- levensverzekeringen, arbeidsongevallenverzekeringen, levensverzekeringen van tak  21, beleggingsfondsen van tak 23, …). Ingeval de vereffening van de activa van het relevante afzonderlijke beheer ontoereikend zou zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig schadeloos te stellen, genieten deze laatsten een voorrecht op de algehele activa van de verzeke- ringsonderneming. Boven dit laatste voorrecht gaan momenteel evenwel alle andere algemene of bijzondere voorrechten. In het wetsontwerp wordt ervoor geopteerd de huidige regeling te behouden en op enkele punten te verbeteren. De dekkingswaarden van elk afzonderlijk beheer (zie ontwerpartikel 230) vormen een bijzonder vermogen waarop de schuldeisers uit hoofde van verzekering een absoluut voorrecht genieten, met uitzondering van de vereffeningskosten (ontwerpartikel 643). Ingeval de Entreprises d’assurance et de réassurance liées (article 225, alinéa 2 de la Directive) Voir l’article 365, al. 2 en projet Equivalence concernant les entreprises d’assurance et de réassurance liées de pays tiers (article 227, para- graphe 1er, alinéa 2 de la Directive) Voir l’article 367, § 1er, al. 2 en projet. Privilège des créanciers d’assurance (article 275, paragraphe 1er de la Directive) L’article 275, paragraphe 1er de la Directive impose que les créances d’assurance “soient prioritaires par rapport à d’autres créances sur l’entreprise d’assu- rance”. Cette disposition offre cependant le choix aux législateurs nationaux entre deux options, qui peuvent être combinées entre elles. La première consiste en un privilège sur les valeurs représentatives des provisions techniques et la seconde, en un privilège sur l’ensemble des actifs de l’entreprise, lequel ne peut être primé que par les créances des membres du personnel, des orga- nismes fiscaux ou de sécurité sociale et les créances sur des actifs grevés de droits réels. Actuellement, le privilège dont disposent les créan- ciers d’assurance (articles 18  et 48/16  de la loi du 9 juillet 1975) est une combinaison des deux options offertes par la Directive, qui reprend sur ce point les dis- positions des directives antérieures (directive 2001/17/ CE). Les créanciers d’assurance ont tout d’abord un privilège de premier rang sur les valeurs représentatives des provisions techniques de la gestion distincte de la- quelle leur contrat relève (par exemple, l’assurance non- vie, l’assurance accidents du travail, l’assurance-vie de la branche 21, un fonds d’investissement de la branche 23…). Si la liquidation des actifs de la gestion distincte pertinente n’est pas suffisante pour désintéresser les créanciers concernés, ceux-ci bénéficient d’un privilège sur l’ensemble des actifs de l’entreprise d’assurance. À ce jour, ce dernier privilège est toutefois primé par tous les autres privilèges généraux ou spéciaux. Le choix proposé dans le présent projet est de maintenir le régime actuel en y apportant quelques améliorations. Les valeurs représentatives de chaque gestion distincte (voir l’article 230 en projet) constituent un patrimoine spécial sur lequel les créanciers d’assu- rance bénéficient d’un privilège absolu à l’exception des frais liés à la liquidation (article 643 en projet). En cas 38 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bijzondere vermogens ontoereikend zijn, genieten de schuldeisers uit hoofde van verzekering een voorrecht op de algehele activa van de verzekeringsonderneming (ontwerpartikel 644). Ten opzichte van de huidige regel- geving, werd de rang van dit voorrecht verhoogd, aange- zien alleen de algemene voorrechten van werknemers, van de Schatkist en van socialezekerheidsinstellingen en sociale verzekeraars, alsook de uitoefening van za- kelijke rechten, nog erboven gaan (ontwerpartikel 644). Submodule aandelenrisico op basis van looptijd (artikel 304 van de Richtlijn) Krachtens artikel 304 van de Richtlijn kunnen de lidstaten toestaan dat de verzekeringsondernemingen in de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste gebruikmaken van een submodule “aandelenrisico op basis van looptijd”. Deze submodule kan evenwel alleen gebruikt worden voor sommige levensverzekeringsverrichtingen die behoren tot de tweede pensioenpijler en die afzonderlijk van de andere activiteiten van de verzekeringsonderneming worden beheerd. De module wordt gekalibreerd aan de hand van de typische aanhoudingsperiode van aande- len in de betrokken ondernemingen. Voorgesteld wordt van deze optie gebruik te maken (zie ontwerpartikel 159), teneinde de verzekeringson- dernemingen een extra mogelijkheid te bieden om hun kapitaalvereiste te berekenen en een concurrentiever- storing tegenover ondernemingen van andere lidstaten te vermijden. Overgangsregeling voor de volgens artikel 4 van de IBP-richtlijn berekende technische voorzieningen (artikel 308ter, lid 15 van de Richtlijn) Artikel 4 van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening bepaalt dat de verzeke- ringsondernemingen, als hun nationale wetgeving het toestaat en op bepaalde voorwaarden, hun levensver- zekeringsactiviteiten die ressorteren onder de tweede pensioenpijler kunnen onderwerpen aan de prudentiële bepalingen van deze richtlijn 2003/41/EG, in plaats van aan de bepalingen van de richtlijnen met betrekking tot de verzekeringsactiviteiten. Deze bepalingen hebben onder meer betrekking op de berekening van de tech- nische voorzieningen en de dekkingswaarden daarvan, maar niet op de eigenvermogensvereisten. Krachtens artikel 308ter, lid 15 van de Richtlijn mo- gen de lidstaten deze regeling blijven toepassen tot 31 december 2019, op voorwaarde dat zij artikel 4 van d’insuffisance des patrimoines spéciaux, les créanciers d’assurance bénéficient d’un privilège sur l’ensemble des actifs de l’entreprise d’assurance (article 644 en projet). Par rapport à la réglementation actuelle, le rang de ce privilège a été relevé puisque les créances d’assurance ne peuvent plus être primées que par les privilèges généraux des travailleurs salariés, du Trésor et des organismes et assureurs sociaux, ainsi que par l’exercice de droits réels (article 644 en projet). Sous-module risque sur actions fondé sur la durée (article 304 de la Directive) L’article 304 de la Directive permet aux États membres d’autoriser les entreprises d’assurance d’utiliser, dans la formule standard de calcul du capital de solvabilité requis, un sous-module “risque sur actions fondé sur la durée”. Ce sous-module ne peut être utilisé que pour certaines opérations d’assurance vie relevant du deu- xième pilier de pension et qui sont gérées distinctement des autres activités de l’entreprise d’assurance. Il est calibré en fonction de la durée typique de conservation des actions par les entreprises concernées. Il est proposé de lever cette option (voir l’article 159 en projet) pour ne pas priver les entreprises d’assurance d’une possibilité complémentaire de calcul de leur exigence de capital et pour ne pas créer de distorsion de concurrence avec les entreprises d’autres États membres. Régime transitoire pour les provisions techniques calculées selon l’article 4 de la directive IRP (article 308ter, paragraphe 15 de la Directive) L’article 4 de la directive 2003/41/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 juin 2003 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle prévoit que les entreprises d’assurance peuvent, si leur droit national les y autorise et moyen- nant le respect de certaines conditions, soumettre leurs activités d’assurance-vie relevant du deuxième pilier de pension aux dispositions prudentielles de la directive 2003/41/CE précitée en lieu et place des dispositions des directives applicables aux activités d’assurance. Ces dispositions concernent, entre autres, le calcul des provisions techniques et leur représentation par des valeurs représentatives mais ne s’étendent pas aux exigences de fonds propres. L’article 308ter, paragraphe 15 de la Directive maintient ce régime en vigueur jusqu’au 31 décembre 2019 pour autant que les États membres aient mis l’article 4 de 39 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 richtlijn 2003/41/EG uiterlijk op 23 mei 2014 in werking doen treden. In artikel 227 van de wet van 27 oktober 2006 betref- fende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensi- oenvoorziening, heeft de Belgische wetgever bepaald dat deze mogelijkheid in België kon worden opgenomen in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Er werd geen dergelijk besluit genomen vóór 23 mei 2014, de datum die was opgenomen in voor- noemd artikel 308ter, lid 15. Bijgevolg kan de Belgische wetgever geen gebruik meer maken van deze optie. Gebruik van een intern groepsmodel dat van toepas- sing is op een deel van een groep (artikel 308ter, lid 16 van de Richtlijn) Net als afzonderlijke ondernemingen, kunnen groe- pen van verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen hun eigenvermogensvereisten berekenen aan de hand van een standaardformule of met behulp van eigen interne modellen. Volgens artikel 308ter, lid 16 van de Richtlijn kunnen lidstaten groepen van verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen toestaan gebruik te maken van een in- tern groepsmodel, indien de ondernemingen in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, en op voorwaarde dat ze daartoe een aanvraag hebben ingediend vóór 31 maart 2022. Voorgesteld wordt van die optie gebruik te maken, met het oog op een gelijke behandeling van de Belgische ondernemingen ten opzichte van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen. b) Opties met een geringe impact Uitsluiting van hulpverlening (artikel 6, lid 1, onder b), iii) van de Richtlijn) Krachtens artikel 6, lid 1 van de Richtlijn heeft deze Richtlijn geen betrekking op hulpverleningsactiviteiten die beperkt blijven tot de verrichtingen die in diezelfde bepaling zijn opgenomen. Daarbij wordt de lidstaten de mogelijkheid gelaten om de voortzetting van de reis of het vervoer van de bestuurder en de passagiers naar hun woonplaats al dan niet aan deze verrichtingen toe te voegen. In het wetsontwerp (ontwerpartikel 10, § 1, 2°, c) wordt van deze optie gebruik gemaakt, teneinde de huidige regeling (zie artikel 2, § 2, 3°, b) van de wet van 9 juli 1975) en de gangbare praktijken inzake pechver- helping te behouden. la directive 2003/41/CE en vigueur au plus tard le 23 mai 2014. Le législateur belge a prévu, par l’article 227 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, que cette faculté pouvait être mise en œuvre en Belgique par le biais d’un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Un tel arrêté n’a pas été pris avant la date du 23 mai 2014 prévue par l’article 308ter, paragraphe 15 précité. Il en résulte que l’option ne peut plus être levée par le législateur belge. Utilisation d’un modèle interne de groupe qui ne s’applique qu’à une partie du groupe (article 308ter, paragraphe 16 de la Directive) Comme pour les entreprises prises individuellement, les groupes d’entreprises d’assurance et de réassu- rance peuvent calculer leurs exigences de fonds propres par une formule standard ou au moyen de modèles internes propres au groupe. L’article 308ter, paragraphe 16 de la Directive permet aux États membres d’autoriser l’usage d’un modèle interne limité aux entreprises situées dans le même État membre, à condition qu’elles en aient fait la demande avant le 31 mars 2022. Il est proposé de lever cette option pour des raisons d’égalité de traitement des entreprises belges vis-à-vis des entreprises situées dans les autres États membres. b) Option avec un impact mineur Exclusion de l’assistance (article 6, paragraphe 1er, b), iii) de la Directive) L’article 6, paragraphe 1er de la Directive prévoit que cette dernière ne s’applique pas aux activités d’assis- tance, pour autant que celles-ci soient limitées aux opérations prévues par cette même disposition. Les États membres ont la faculté d’inclure ou non dans ces opérations la poursuite du voyage ou la reconduite au domicile du conducteur et des passagers. Cette option a été levée (article 10, § 1er, 2°, c) en projet) car cela maintient le régime actuel (voir l’article 2, § 2, 3°, b) de la loi du 9 juillet 1975) et les pratiques existantes en matière d’assistance automobile. 40 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Begrip grote risico’s (artikel 13, punt 27  van de Richtlijn) Het begrip grote risico’s komt voor in ontwerpartikel 233. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen grote risico’s met betrekking tot de aard van het risico (verze- keringen betreffende het vervoer per spoor, per schip of per vliegtuig, kredietverzekering en borgtochtver- zekering) en grote risico’s inzake overeenkomsten die gesloten worden met grote ondernemingen. Volgens de voormelde bepaling van de Richtlijn kunnen de lid- staten beroepsverenigingen, joint ventures of tijdelijke verenigingen toevoegen aan de categorie van grote ondernemingen. Voorgesteld wordt om geen gebruik te maken van deze optie en het in het Belgisch recht reeds bekende begrip van grote risico’s te behouden (zie artikel 1, 7°, van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de ver- zekeringsondernemingen), temeer daar dit begrip alleen nog gebruikt wordt op het gebied van de communautaire medeverzekering (ontwerpartikelen 232 en volgende). Vergunning per groep van takken (artikel 15, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn) In principe wordt de vergunning van een onderneming uitgereikt per verzekeringstak, maar de nationale wetge- vers kunnen vergunningen voor meerdere takken geven (zie Bijlage I, B van de Richtlijn). Van deze mogelijkheid werd geen gebruik gemaakt, aangezien dit momenteel niet gebruikelijk is en de meerwaarde van een dergelijke vergunning niet is aangetoond. Opzegging van verzekeringsovereenkomsten in geval van overdracht (artikel 39, lid 6 van de Richtlijn) Volgens artikel 39, lid 6 van de Richtlijn, kunnen de verzekeringnemers de overeenkomst in geval van over- dracht opzeggen, op voorwaarde dat het nationaal recht dat toestaat. Van deze optie werd gebruik gemaakt (ont- werpartikel 106), omdat ze overeenstemt met de huidige wetgeving (artikel 77 van de wet van 9 juli 1975 en de artikelen 17 en 18 van de wet van 4 april 2014 betref- fende de verzekeringen). Verbod op de uitoefening van leidinggevende func- ties of sleutelfuncties door failliet verklaarde personen (artikel 43, lid 1 van de Richtlijn) Krachtens artikel 43, lid  1  van de Solvabiliteit  II- Richtlijn kunnen de lidstaten personen die failliet ver- klaard zijn, verbieden een mandaat op te nemen in het wettelijk bestuursorgaan, de effectieve leiding, of een onafhankelijke controlefunctie. Notion de grands risques (article 13, point 27) de la Directive) La notion de grands risques figure à l’article 233 en projet. On distingue les grands risques par nature (assu- rances relatives au transport ferroviaire, maritime et aérien, assurance-crédit et assurance caution) et ceux qui concernent des contrats souscrits avec des grandes entreprises. La disposition précitée de la Directive per- met d’ajouter aux grandes entreprises des associations professionnelles, des coentreprises ou des associations momentanées. Il est proposé de ne pas lever cette option et de conserver la notion déjà connue de grands risques en droit belge (voir l’article 1er, 7°, de l’arrêté royal du 22  février  1991  portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances), d’autant plus que cette notion n’est plus utilisée qu’en ce qui concerne la coassurance communautaire (articles 232 et suivants en projet). Agrément par groupe de branches (article 15, para- graphe 2, alinéa 2 de la Directive) En principe, l’agrément d’une entreprise est donné par branche d’assurance mais les législateurs nationaux peuvent prévoir des agréments par groupes de branches (voir l’Annexe I, B de la Directive). Cette option n’a pas été retenue dans la mesure où ce n’est pas l’usage actuellement et la plus-value d’un tel agrément n’est pas établie. Résiliation des contrats d’assurance en cas de trans- fert (article 39, paragraphe 6 de la Directive) Selon l’article 39, paragraphe 6 de la Directive, les preneurs d’assurance peuvent, en cas de transfert, résilier le contrat pour autant que le droit national le permette. Cette option a été levée (article 106 en pro- jet) dès lors qu’elle correspond au droit actuel (article 77 de la loi du 9 juillet 1975 et articles 17 et 18 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances). Incomptabilité des faillis à exercer des fonctions dirigeants ou des fonctions clés (article 43, paragraphe 1er de la Directive) L’article 43, paragraphe 1er de la Directive Solvabilité II permet aux États membres d’interdire l’exercice d’un mandat dans l’organe légal d’administration, la direction effective ou une fonction de contrôle indépendante à toute personne ayant été déclarée en faillite. 41 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Van deze optie werd geen gebruik gemaakt aange- zien de materie van het beroepsverbod in de bank- en financiële sector ingrijpend werd hervormd via de wet van 6 april 2010 om deze materie in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en er bij die hervorming werd geoordeeld dat het faillis- sement niet automatisch tot een verbod kan leiden (zie op dit punt Parl.St., Kamer 2009-2010, nr. 52 2336/001, 31). Vervanging van de drempel van 30  % door een drempelwaarde van een derde in het toezicht op de verwervingen (artikel 57, lid 1 van de Richtlijn) Artikel 57 van de Richtlijn (dat overgenomen is uit de eerdere richtlijnen sinds Richtlijn 2007/44/EG) regelt het toezicht op de verwervingen, wanneer de deelneming in de verzekerings- of herverzekeringsonderneming meer bedraagt dan 10 %, 20 % of 30 %, waarbij deze laatste drempel onder bepaalde voorwaarden kan worden vervangen door een drempelwaarde van een derde. Van deze optie werd geen gebruik gemaakt, aange- zien er ook geen gebruik van gemaakt werd in het kader van de omzetting van Richtlijn 2007/44/EG in de wet van 31 juli 2009 en ze geen echte meerwaarde oplevert. Bekendmaking van de redenen voor de weigering van een verwerving (artikel 58, lid 4, tweede alinea van de Richtlijn) Wanneer de Bank zich verzet tegen de voorgenomen verwerving van een deelneming door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, kan ze op verzoek van de kandidaat-verwerver de motivering van haar besluit voor het publiek toegankelijk maken. Indien het nationaal recht dat toestaat, kan de toezichthouder bo- vendien deze informatie openbaar maken zonder dat de kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht. Van de optie die erin bestaat het verzet en de grond voor dit verzet bekend te maken zonder de toestem- ming van de kandidaat-verwerver werd geen gebruik gemaakt, omdat ze niet overeenstemt met het huidige recht (artikel 23bis, §  3, vierde lid van de wet van 9 juli 1975 en artikel 24, § 3, vierde lid van de wet van 9 februari 2004) en ze een reputatierisico impliceert voor kandidaat-verwervers. Uitzonderingen op het beroepsgeheim (artikel 68, lid 2 en 3 van de Richtlijn) Artikel 68 van de Richtlijn omschrijft het principe van de informatie-uitwisseling tussen toezichthouders en het beroepsgeheim waaraan zij onderworpen zijn. In Cette option n’a pas été levée dans la mesure où la matière des interdictions professionnelles dans le sec- teur bancaire et financier avait fait l’objet d’une réforme complète par une loi du 6 avril 2010 afin de la mettre en conformité avec la jurisprudence de la Cour constitu- tionnelle et qu’à cette occasion, il avait été estimé que la faillite ne pouvait conduire à une interdiction auto- matique (voy. sur ce point Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2009-2010, n° 52 2336/001, spéc. p. 31). Remplacement du seuil de 30 % par un seuil d’un tiers dans le contrôle des acquisitions (article 57, para- graphe 1er de la Directive) L’article 57 de la Directive (qui est la reprise des directives antérieures depuis la directive 2007/44/CE) organise un contrôle des acquisitions lorsque la partici- pation dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance dépasse les seuils de 10 %, 20 % ou 30 %, ce dernier seuil pouvant être, sous certaines conditions, être rem- placé par un seuil d’un tiers. Cette option n’a pas été levée dès lors qu’elle ne l’avait pas été dans le cadre de la transposition de la directive 2007/44/CE par la loi du 31 juillet 2009 et qu’elle ne présente pas de réelle plus-value. Divulgation des motifs du rejet d’une acquisition (article 58, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive) Lorsque la Banque s’oppose à un projet d’acquisition d’une participation par une entreprise d’assurance ou de réassurance, elle peut, à la demande du candidat ac- quéreur, rendre les motifs de sa décision accessible au public. Si le droit national le prévoit, l’autorité de contrôle peut, en outre, procéder à cette publication même en l’absence d’une demande du candidat acquéreur. L’option consistant à publier l’opposition et ses motifs sans l’accord du candidat acquéreur n’a pas été levée car elle ne correspond pas au droit actuel (article 23bis, § 3, alinéa 4 de la loi du 9 juillet 1975 et article 24, § 3, alinéa 4 de la loi du 9 février 2004) et qu’elle induit un risque de réputation pour les candidats acquéreurs. Exceptions au secret professionnel (article 68, para- graphes 2 et 3 de la Directive) L’article 68  de la Directive pose le principe de l’échange d’informations entre autorités de contrôle et du secret professionnel auquel ces autorités sont 42 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 lid 2 en 3 worden enkele uitzonderingen op dit geheim geformuleerd. Van die opties werd gebruik gemaakt, aangezien ze reeds voorkomen in de organieke wet van de Bank en ze onontbeerlijk zijn voor een doeltreffende samenwerking tussen de toezichthouders. Ondernemingen die zowel levens- als niet-levensver- zekeringsactiviteiten uitoefenen (artikel 73, lid 2, 3 en 5 van de Richtlijn) De gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levens- verzekeringsactiviteiten is verboden krachtens artikel 73, lid 1 van de Richtlijn. Er worden evenwel enkele uit- zonderingen toegestaan, enerzijds voor ondernemingen die op een bepaalde datum gelijktijdig levens- en scha- deverzekeringsactiviteiten uitoefenden, en anderzijds voor ondernemingen die levensverzekeringsactiviteiten combineren met de takken 1 (ongevallen) en 2 (ziekte) van Bijlage I bij de ontwerpwet. Deze regels, die reeds deel uitmaken van de huidige wetgeving (artikel 14 van de wet van 9 juli 1975), werden in het wetsontwerp overgenomen (ontwerpartikelen 222 tot 229). In dat verband weze eraan herinnerd dat een groot aantal Belgische verzekeringsondernemingen beide activiteiten gelijktijdig uitoefenen. Systematische mededeling van de technische grond- slagen en methodes van levensverzekeringsovereen- komsten (artikel 163, lid 3 en artikel 182, tweede alinea van de Richtlijn) Artikel 182 van de Richtlijn verbiedt de systematische controle en de voorafgaande kennisgeving van de voorwaarden van levensverzekeringsovereenkomsten. Krachtens de tweede alinea van dit artikel kan evenwel een systematische mededeling van de voor de bereke- ning van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen geëist worden. Artikel 163, lid 3 van de Richtlijn bevat een soortgelijke bepaling voor bijkantoren van ondernemingen in derde landen. De mededeling van deze informatie is belangrijk voor het prudentieel toezicht op het evenwicht tussen de tarieven en de technische voorzieningen. Dit rechtvaar- digt de systematische mededeling van de technische grondslagen, die evenwel geen voorwaarde is voor een vergunning of een machtiging. Van deze optie werd gebruik gemaakt (ontwerpartikel 214), waarmee de huidige regeling (artikel 22 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzeke- ringsactiviteit) behouden blijft. assujetties. Certaines exceptions à ce secret sont pré- vues aux paragraphes 2 et 3. Ces options ont été levées dès lors qu’elles figurent déjà dans la loi organique de la Banque et qu’elles sont indispensables à une collaboration efficace entre autorités de contrôle. Entreprises pratiquant à la fois les activités d’assu- rance vie et non-vie (article 73, paragraphe 2, 3 et 5 de la Directive) L’article 73, paragraphe 1er de la Directive interdit l’exercice simultané des activités d’assurance-vie et non-vie. Certaines exceptions sont toutefois prévues d’une part pour les entreprises qui pratiquaient ce cumul à une certaine date, d’autre part pour les entreprises pratiquant à la fois les activités vie et les branches 1 (ac- cidents) et 2 (maladie) de l’Annexe I à la loi en projet. Ces règles, qui figurent déjà dans la législation actuelle (article 14 de la loi du 9 juillet 1975) ont été maintenues et l’option a été levée (articles 222 à 229 en projet). On rappelle à ce propos qu’un grand nombre d’entreprises d’assurance belges pratiquent simultané- ment les deux activités. Communication systématique des bases et méthodes techniques des contrats d’assurance vie (article 163, paragraphe 3 et article 182, alinéa 2 de la Directive) L’article 182 de la Directive interdit le contrôle sys- tématique et la notification préalable des conditions contractuelles des contrats d’assurance-vie. Le second alinéa de cet article permet toutefois d’exiger la notifica- tion systématique des bases techniques utilisées dans le calcul des tarifs et des provisions techniques. Une disposition similaire pour les succursales d’entreprises de pays tiers figure à l’article 163, paragraphe 3 de la Directive. La communication des informations précitées est importante pour le contrôle prudentiel de l’équilibre des tarifs et des provisions techniques, ce qui justifie la trans- mission systématique des bases techniques, laquelle ne constitue toutefois pas une condition d’agrément ou d’autorisation. L’option a été levée (article 214 en projet), ce qui maintient le régime actuel (article 22 de l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur la vie). 43 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Verklaring van overeenstemming van de verplichte verzekeringen (artikel 179, lid 4 van de Richtlijn) De lidstaten kunnen eisen dat het bewijs van afsluiting van een niet-levensverzekering een verklaring van de verzekeringsonderneming bevat dat de overeenkomst in overeenstemming is met de bepalingen betreffende deze verplichte verzekering. Deze bepaling, die betrekking heeft op de consu- mentenbescherming, werd omgezet in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (artikel 31). Mededeling van de voorwaarden van de verplichte verzekeringen (artikel 181, lid 2 van de Richtlijn) De lidstaten kunnen eisen dat de verzekeringsonder- nemingen de toezichthouder in kennis stellen van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verplichte niet-levensverzekeringen voordat van deze voorwaar- den gebruik wordt gemaakt Deze bepaling heeft betrekking op de consumenten- bescherming. Van deze optie werd gebruik gemaakt in artikel 26, § 2 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN BOEK I ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I Doel Art. 1 Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet pre- ciseert artikel 1 van het voorliggende ontwerp welke aangelegenheid in dit ontwerp wordt geregeld. Art. 2 Artikel 2 vermeldt de vier Richtlijnen die door het voor- liggende wetsontwerp (gedeeltelijk) worden omgezet in Belgisch recht. De eerste richtlijn is de Solvabiliteit II-richtlijn (hierna “de Richtlijn”), die hoofdzakelijk, doch niet uitsluitend prudentiële bepalingen bevat. Enkel de prudentiële bepalingen van de Richtlijn zijn in het voorliggende wetsontwerp opgenomen (zie de concordantietabel die Déclaration de conformité des assurances obliga- toires (article 179, paragraphe 4 de la Directive) Les États membres peuvent exiger que l’attestation de souscription d’une assurance non-vie comprenne une déclaration de l’entreprise d’assurance selon laquelle le contrat est conforme aux dispositions rela- tives à cette assurance obligatoire. Cette matière concerne la protection des consom- mateurs et sa transposition est assurée par la loi du 4 avril 2014 sur les assurances (article 31). Communication des conditions des assurances obligatoires (article 181, paragraphe 2 de la Directive) Les États membres peuvent imposer que les entre- prises d’assurance communiquent à l’autorité de contrôle, préalablement à leur diffusion, les conditions générales et particulières des assurances non-vie obligatoires. Cette matière concerne la protection des consom- mateurs. L’option a été levée à l’article 26, § 2 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances. COMMENTAIRE DES ARTICLES LIVRE IER DISPOSITIONS GÉNÉRALES TITRE IER Objet Art. 1er Conformément à l’article 83 de la Constitution l’article 1er du présent projet précise la matière qu’il entend régler. Art. 2 L’article 2 fait référence aux quatre directives dont le présent projet de loi assure la transposition (partielle) en droit belge. La première directive est la Directive Solvabilité II (ci-après, “la Directive”) qui comporte essentiellement, mais pas exclusivement des dispositions prudentielles. Seules les dispositions prudentielles de la Directive font l’objet du présent projet de loi (voy. la table de 44 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bij deze commentaar is gevoegd voor een opsomming van de betrokken bepalingen van de Richtlijn). De an- dere bepalingen van de Richtlijn, die betrekking hebben op de consumentenbescherming, werden omgezet in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (hierna de “Wet Verzekeringen”). De tweede richtlijn is de FICOD I-richtlijn (2011/89/ EU), die in het voorliggende ontwerp wordt omgezet voor wat de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen betreft. Tenslotte zet de ontwerpwet eveneens de relevante bepalingen van de Omnibus II-richtlijn (2014/51/EU) om. Voorts dragen de wijzigingsbepalingen van het voor- liggende ontwerp bij aan de voltooiing van de omzetting van de zogenaamde BRRD-richtlijn (Richtlijn 2014/59/ EU). Art. 3 Dit artikel bepaalt de doelstellingen van algemeen belang van het wetsontwerp. Het gaat om de traditio- nele doelstellingen van de prudentiële wetgeving met betrekking tot de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen, namelijk het beschermen van de verze- keringnemers, de verzekerden en de begunstigden van verzekeringsovereenkomsten en —verrichtingen en het verzekeren van de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel. Zoals uiteengezet in de algemene toelichting van het voorliggende ontwerp, strekt het zogenaamd “pru- dentieel” toezicht op de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen ertoe een redelijke zekerheid te verschaffen dat elke onderneming haar verplichtingen zal nakomen, door toe te zien op de naleving van de wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden die het wettelijk statuut van de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen vormen. Via dit toezichts- statuut en deze toezichtsregeling wordt toegezien op de veiligheid van de verzekeringsconsumenten. Naast de bescherming van de schuldeisers van onderne- mingen afzonderlijk beschouwd, bestaat het doel van het toezicht er tevens in de stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in de verzekeringsmarkt te garanderen. Deze doelstellingen vormen tevens de basis van de Richtlijn (zie overweging 16) en van andere funda- mentele internationale teksten (zie inzonderheid het document van de International Association of Insurance Supervisors (IAIS), “Insurances Core Principles”, www. iaisweb.org). concordance en annexe des présents commentaires pour le détail des dispositions de la Directive concer- nées). Les autres dispositions de la Directive qui relèvent de la protection des consommateurs ont été transpo- sées par la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances (ci-après la “Loi assurances”). La deuxième directive est la Directive FICOD I (2011/ 89/UE) qui est transposée par le présent projet pour ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de réassurance. Enfin, la loi en projet transpose également les dispo- sitions pertinentes de la Directive Omnibus II (2014/51/ UE). Par ailleurs, le présent projet, dans ses dispositions modificatives, participe au parachèvement de la transpo- sition de la Directive dite BRRD (directive 2014/59/UE). Art. 3 Cet article précise les finalités d’intérêt public du projet de loi. Il s’agit des objectifs traditionnels de la législation prudentielle relative aux entreprises d’assu- rance ou de réassurance, à savoir d’assurer la pro- tection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires de contrats et d’opérations d’assurance, ainsi que d’assurer la solidité et le bon fonctionnement du système financier. Comme rappelé sous l’exposé général du présent projet, le contrôle dit “prudentiel” des entreprises d’assu- rance ou de réassurance a pour objectif de donner une assurance raisonnable que chaque entreprise respec- tera ses engagements par la surveillance du respect des obligations et interdictions légales et réglementaires formant le statut légal des entreprises d’assurance ou de réassurance. Par ce statut et régime de contrôle, il s’agit de veiller à la sécurité des consommateurs d’assu- rance. Au-delà du but de protection des créanciers des entreprises considérées individuellement, la finalité du contrôle consiste à garantir la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance. Ces objectifs se retrouvent à la base de la Directive (voir considérant 16) et des autres textes internationaux fondamentaux (voir notamment le document de l’Inter- national Association of Insurance Supervisors (IAIS), “Insurances Core Principles”, www.iaisweb.org). 45 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Ontwerpartikel 3 dient aldus als leidraad voor de interpretatie van de wet, met name voor wat betreft de criteria die bij gebrek aan andere bepalingen in aanmerking moeten worden genomen door de Bank wanneer zij als toezichthouder beslissingen neemt met betrekking tot de toegang tot het verzekerings- of her- verzekeringsbedrijf, de toepassing van de bepalingen die voor deze ondernemingen gelden en de tenuitvoer- legging van de toezichtsbevoegdheden, waaronder de herstelmaatregelen, en de sancties ten aanzien van die ondernemingen. Art. 4 Er weze verduidelijkt dat de ontwerpwet geen afbreuk doet aan de verplichtingen die voor de onder de toepas- sing van de wet vallende verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen naar Belgisch en buitenlands recht voortvloeien uit specifieke wetgeving die hun activiteiten regelt. Voorbeelden hiervan zijn de Wet Verzekeringen, de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie of de schadever- goeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de wet van 21 november 1989 be- treffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de wet van 12 juli 1957 betref- fende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake soci- ale zekerheid (hierna de “WAP”), de Programmawet (I) van 24 december 2002, die betrekking heeft op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen (hierna de “WAPZ”), Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 2 van het Wetboek van Economisch Recht, dat betrekking heeft op het hypothecair krediet, enz. Wat meer in het bijzonder de wetten van 10 april 1971 en van 3 juli 1967 betreft, wordt gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 mei 2000, waarbij de Belgische Staat werd veroor- deeld voor onvolledige omzetting van Richtlijn 92/49/ EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering). Het Hof van Justitie erkende weliswaar de specificiteit van de arbeidsongevallenverzekering in België, die deel uitmaakt van een verplichte socialezekerheidsregeling, maar vond in die specificiteit onvoldoende grond om te besluiten dat de derde richtlijn schadeverzekering geen L’article 3 en projet sert ainsi de guide à l’interpréta- tion de la loi, notamment en ce qui concerne les critères à considérer, à défaut d’autre précision, dans les déci- sions à prendre par la Banque en sa qualité d’autorité de contrôle en matière d’accès à l’activité d’entreprise d’assurance ou de réassurance, d’application des dispositions régissant ces entreprises et de mise en œuvre des pouvoirs de contrôle, dont les mesures de redressement, et de sanction à l’égard de celles-ci. Art. 4 Il est précisé que la loi en projet ne porte pas atteinte aux obligations qui incombent aux entreprises d’assu- rance ou de réassurance de droit belge et de droit étranger qui relèvent de l’application de la présente loi, en vertu de législations particulières qui régiraient leur activité. On peut citer, à titre d’exemple, la Loi assu- rances, la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail, la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des mala- dies professionnelles dans le secteur public, la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés, la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale (ci-après la “LPC”), la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, qui concerne les pensions complémentaires des travailleurs indépen- dants (ci-après la “LPCI”), le Livre VII, Titre 4, Chapitre 2 du Code de droit économique relatif au crédit hypo- thécaire, etc. En ce qui concerne plus particulièrement les lois du 10 avril 1971 et 3 juillet 1967 précitées, on rappelle l’arrêt de la Cour de Justice de l’Union européenne du 18 mai 2000 condamnant l’État belge pour transposi- tion incomplète de la directive 92/49/CEE du Conseil du 18 juin 1992 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concer- nant l’assurance directe autre que l’assurance sur la vie et modifiant les directives 73/239/CEE et 88/357/CEE (troisième directive assurance non-vie). Bien qu’elle ait reconnu la spécificité de l’assurance contre les accidents du travail en Belgique, celle-ci fai- sant partie d’un régime obligatoire de sécurité sociale, la Cour de Justice n’avait pas trouvé dans cette spécificité un fondement suffisant pour conclure que la troisième 46 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toepassing zou vinden op de sector van de arbeidson- gevallenverzekering in België. De wet van 9 juli 1975 en de daaruit voortvloeiende prudentiële verplichtingen werden bijgevolg van toe- passing verklaard op de ondernemingen die de ar- beidsongevallenverzekering beoefenen als bedoeld in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de wet 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schade- vergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. De specifieke bepalingen van deze wetten, die ge- rechtvaardigd zijn door socialezekerheidsdoelstellingen, bleven daarentegen ongewijzigd. Artikel 55 van de derde richtlijn schadeverzekering laat de lidstaten immers toe om dergelijke verplichtingen op te leggen aan alle ondernemingen die de arbeidsongevallenverzekering beoefenen, met inbegrip van de Europese bijkantoren en de ondernemingen die in het kader van de vrije dienstverrichting werkzaam zijn. De ontwerpwet wijzigt deze beginselen niet, zodat de ondernemingen naar Belgisch recht maar ook de verzekeringsondernemingen naar buitenlands recht het specifieke karakter van de arbeidsongevallenverzeke- ring dienen te eerbiedigen. Art. 5 Artikel 5 definieert de begrippen “verzekeringson- derneming” en “herverzekeringsonderneming” en zet daarmee artikel 13, punten 1) en 4) van de Richtlijn om. De woorden “voor eigen rekening” in de definitie van de begrippen “verzekeringsonderneming” en “herverze- keringsonderneming” geven aan dat de betrokken activi- teiten niet in loondienst mogen worden uitgeoefend (zie artikel 1 van de Richtlijn). Ook personen die uitbestede diensten verlenen worden op die manier uitgesloten. Deze uitdrukking wordt reeds gebruikt in de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf voor wat betreft de herverzekeringsondernemingen (zie art. 4, 1°). De verzekeringsondernemingen worden gedefinieerd onder verwijzing naar het door hen uitgeoefende “ver- zekeringsbedrijf” en niet, zoals in de Richtlijn, als elke onderneming waaraan een administratieve vergunning is verleend (zie art. 13, punt 1) van de Richtlijn). Het is immers de uitoefening van het bedrijf dat bestaat in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten of het uitvoeren van verzekeringsverrichtingen dat deze on- dernemingen verplicht voorafgaandelijk een vergunning directive non-vie ne s’appliquerait pas au secteur de l’assurance contre les accidents du travail en Belgique. Par conséquent, les entreprises pratiquant l’assu- rance contre les accidents du travail visée par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et par la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des acci- dents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, furent soumises à la loi du 9 juillet 1975 et aux obligations prudentielles en résultant. En revanche, les dispositions spécifiques de ces lois, qui sont justifiées par des objectifs de sécurité sociale restaient inchangées. L’article 55 de la troisième directive non-vie autorise en effet les États membres à imposer de telles obligations à toutes les entreprises pratiquant l’assurance des accidents du travail, y com- pris aux succursales européennes et aux entreprises travaillant en libre prestation de services. La loi en projet ne modifie pas ces principes, de sorte que les entreprises de droit belge mais également les entreprises d’assurance de droit étranger doivent res- pecter le caractère spécifique de l’assurance accidents du travail. Art. 5 L’article 5 définit l’entreprise d’assurance et l’entre- prise de réassurance et transpose ainsi l’article 13, points 1) et 4) de la Directive. Les termes “pour son propre compte” employés dans la définition des notions d’“entreprise d’assurance” et d’“entreprise de réassurance” le sont afin de traduire le caractère “non salarié” des activités concernées (voy. l’article 1er de la Directive). L’expression exclut ainsi également les personnes fournissant des prestations dans le cadre de sous-traitance. Cette expression est déjà utilisée dans la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance en ce qui concerne les entreprises de réassurance (voy. art. 4, 1°). En ce qui concerne les entreprises d’assurance, elles sont définies par référence à “l’activité d’assurance” qu’elles exercent et non pas, tel que la Directive le prévoit, comme toute entreprise ayant obtenu l’agré- ment administratif (voy. art.13, point 1). C’est en effet l’exercice de l’activité qui consiste à conclure des contrats ou à effectuer des opérations d’assurance qui requiert de ces entreprises qu’elles obtiennent un agrément préalable et non pas l’inverse. Le terme 47 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aan te vragen en niet omgekeerd. De in de definitie van verzekeringsbedrijf gehanteerde term “verzekerings- overeenkomst” wordt gedefinieerd in ontwerpartikel 15. Het begrip “verzekeringsverrichting” maakt evenmin als in het verleden het voorwerp uit van een formele begripsbepaling. Het standpunt dat de wetgever des- tijds heeft aangenomen, wordt in dezen gevolgd: “een positiefrechtelijke bepaling waarbij de verzekeringsver- richting zou worden gedefinieerd, zou snel te strak of te eng kunnen blijken, gelet op de verschillende tech- nische facetten welke die verrichting kan aannemen”. De term “verrichting” beoogt immers “het geheel van economische, sociale, commerciële en juridische feiten, die bijdragen tot de realisering van het verschijnsel ver- zekering” (zie Ontwerp van wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, Parl.St. Senaat, 1970- 1971, nr. 570, Verslag namens de Commissie voor de Economische Zaken uitgebracht door de heer Moreau de Melen, p. 13 en Parl.St. Senaat, 1970-1971, nr. 269, Memorie van Toelichting, p.15). Verder kan nog worden verwezen naar de commentaar bij de bepalingen inzake het toepassingsgebied en naar de Bijlagen I en II (die de risico’s indelen per verzekeringstak) voor een beter begrip van de geviseerde verrichtingen. De herverzekeringsondernemingen worden op de- zelfde wijze gedefinieerd als in de voornoemde wet van 16 februari 2009, namelijk door uit te gaan van de bewoordingen die de Richtlijn hanteert om het begrip “herverzekeringsbedrijf” te definiëren (zie art.13, punt 7): “de activiteit die bestaat in het aanvaarden van risico’s welke door een verzekeringsonderneming of een andere herverzekeringsonderneming worden overgedragen”). Er wordt tevens gepreciseerd dat met het herverze- keringsbedrijf wordt gelijkgesteld de dekking die een herverzekeringsonderneming voor eigen rekening biedt aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die onder de toepassing valt van de titels II en III van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (zie art. 4, 1°, tweede lid van de wet van 16 februari 2009, dat artikel 2, lid 2, eerste alinea van Richtlijn 2005/68/ EG betreffende herverzekering omzet. Dit artikel werd vermoedelijk per vergissing niet opgenomen in de Richtlijn ). Het spreekt voor zich dat de begrippen “verzekerings- onderneming” en “herverzekeringsonderneming” zowel de ondernemingen dekken die onder het recht van een lidstaat ressorteren als deze die onder het recht van een derde land ressorteren, hoewel dit niet uitdrukkelijk wordt vermeld in de definities. De begrippen “lidstaat” en “derde land” worden wel omschreven in de lijst van definities die in ontwerpartikel 15 is opgenomen. “contrat d’assurance”, qui est utilisé dans la définition de l’activité d’assurance, est défini à l’article 15 en projet. La notion d’“opération d’assurance” ne fait pas l’objet d’une définition formelle tel que dans le passé. Tout comme le législateur par le passé, on estime qu’ “une disposition de droit positif définissant l’opération d’assu- rance pourrait rapidement s’avérer trop rigide ou trop étroite compte tenu des divers aspects techniques que cette opération peut revêtir”. Le terme opération vise en effet “l’ensemble des faits économiques, sociaux, commerciaux et juridiques qui concurrent à la réalisation du phénomène de l’assurance” (voy. Projet de loi relatif au contrôle des entreprises d’assurances, Doc. Parl., Sénat, 1970-1971, n° 570, Rapport fait au nom de la Commission des Affaires Economiques par M. Moreau de Melen, p. 13 et Doc. Parl., Sénat, 1970-1971, n° 269, Exposé des motifs, p.15). En outre, il peut être renvoyé au commentaire des dispositions concernant le champ d’application et aux Annexes I et II (qui classent les risques par branche d’assurance) pour une meilleure compréhension des opérations visées. En ce qui concerne les entreprises de réassurance, elles sont définies de la même manière que sous l’empire de la loi du 16 février 2009 précitée, c’est- à-dire en reprenant les termes de la Directive pour la définition de l’activité de réassurance (voy. art. 13, point 7): “l’activité qui consiste à accepter des risques cédés par une entreprise d’assurances ou une autre entre- prise de réassurance”). Il est également précisé qu’est assimilée à l’activité de réassurance la couverture par une entreprise de réassurance, pour son propre compte, d’une institution de retraite professionnelle relevant du champ d’application des titres II et III de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle (cf. art. 4, 1°, al. 2, de la loi du 16 février 2009, qui transpose l’article 2, paragraphe 2, alinéa 1er, de la directive 2005/68/CE relative à la réassurance. Vraisemblablement suite à un oubli, cet article n’a pas été repris dans la Directive). Il va de soi que les notions d’“entreprise d’assurance” et d’“entreprise de réassurance” recouvrent tant les entreprises qui relèvent du droit d’un État membre que celles qui relèvent d’un pays tiers, bien que cette précision ne soit pas apportée expressément dans les définitions. Les notions d’“État membre” et de “pays tiers” sont quant à elles définies dans la liste des défi- nitions contenues à l’article 15 en projet. 48 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL II Toepassingsgebied HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Art. 6 In dit artikel wordt het algemeen toepassingsgebied van de wet afgebakend. Art. 7 Paragraaf 1 van dit artikel verwijst naar de Bijlagen I en II voor de afbakening van het toepassingsgebied met betrekking tot, respectievelijk, het niet-levensverzeke- ringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, neemt paragraaf 2 de activiteit van hulpverlening aan personen op in het toepassingsgebied, met dien verstande dat hulp die wordt verleend bij een ongeval met of defect aan een voertuig, uitgesloten is van de toepassing van de wet indien die hulp aan bepaalde voorwaarden voldoet. Voor deze voorwaarden zij verwezen naar ontwerpartikel 10. HOOFDSTUK II Uitsluitingen Afdeling I Wettelijke regelingen Art. 8 Overeenkomstig de Richtlijn is de ontwerpwet niet van toepassing op verzekeringen die binnen een wettelijke regeling van sociale zekerheid vallen. De woorden “waarvoor de ondernemingen niet voor eigen risico handelen” werden toegevoegd opdat de verrichtingen van tak 29 en de arbeidsongevallenver- zekeringen wel onder de toepassing van de wet zouden vallen. Net als in artikel 2, § 2, 1°, 1°bis en 2°, b van de wet van 9 juli 1975 worden in het tweede lid van het artikel de ondernemingen opgesomd die uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van de wet zijn uitgesloten. Aldus vallen de maatschappijen van onderlinge bijstand niet TITRE II Champ d’application CHAPITRE IER Dispositions générales Art. 6 Cet article détermine le champ d’application général de la loi. Art. 7 Le paragraphe 1er de cet article renvoie aux Annexes I et II pour déterminer le champ d’application relatif, respectivement, aux activités d’assurance non-vie et vie. Pour ce qui concerne l’assurance non-vie, le para- graphe 2 inclut les activités d’assistance aux personnes dans le champ d’application, étant entendu que l’activité d’assistance à l’occasion d’un accident ou d’une panne affectant un véhicule est exclue du champ d’application de la loi lorsqu’elle répond à certaines conditions. On renvoie à l’article 10 en projet pour ces conditions. CHAPITRE II Exclusions Section Ire Régimes légaux Art. 8 Comme le prévoit la Directive, la présente loi en projet ne s’applique pas aux assurances faisant partie des régimes légaux de sécurité sociale. Les termes “pour lesquels les entreprises n’opèrent pas à leurs propres risques” ont été ajoutés afin d’inclure dans le champ d’application de la loi les opérations de la branche 29 et les assurances accidents du travail. Le second alinéa de l’article énonce, à l’instar de l’article 2, § 2, 1°, 1°bis et 2°, b de la loi du 9 juillet 1975, les entreprises qui sont exclues explicitement du champ d’application de la loi. Ainsi, les sociétés mutualistes ne relèvent pas de la loi en projet pour l’exécution de 49 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 onder het wetsontwerp voor de uitvoering van de wet- telijke ziekteverzekering, noch voor het aanbieden van verrichtingen en andere diensten die geen verzekering uitmaken (zie de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering). Tevens worden de gemeenschappelijke fondsen, private ondernemingen met vaste premies en openbare instellingen uitgesloten van het ontwerp van wet voor wat betreft de verrichtingen bedoeld bij de wetten betref- fende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeelieden en zelfstandigen. Het gaat om instellingen die enkel blijven bestaan om de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten die des- tijds zijn aangegaan voor de opbouw van een wettelijk pensioen, te verzekeren. Afdeling 2 Niet-levensverzekering Art. 9 tot 11 In de ontwerpartikelen 9 en 10 worden de onder- nemingen opgesomd die op grond van de uitoefening van de omschreven niet-levensverzekeringsactiviteiten uitgesloten zijn van de toepassing van de ontwerpwet. Deze uitsluiting geldt enkel voor de omschreven ver- richtingen. De ondernemingen die de opgesomde niet-levensverzekeringsactiviteiten of —verrichtingen uitoefenen, zijn dus enkel van de toepassing van de wet uitgesloten voor zover zij geen andere activiteiten uitoefenen die wel onder de toepassing van de ont- werpwet vallen. Wat betreft de uitsluiting van het toepassingsgebied van de wet waarvan gebruik kan worden gemaakt door de ondernemingen die een pechverhelpingsactiviteit uitoefenen onder de voorwaarden van ontwerpartikel 10, wordt de Richtlijn gevolgd, zodat het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrekpunt of hun oorspronkelijke bestemming op het Belgische grondgebied, voortaan is uitgesloten van de toepas- sing van de wet voor zover voldaan is aan de andere voorwaarden van artikel 10. Ontwerpartikel 11 betreft de uitsluiting van bepaalde onderlinge verzekeringsverenigingen die niet-levensver- zekeringsactiviteiten uitoefenen en waarvan de risico’s volledig herverzekerd of overgenomen zijn door andere onderlinge verzekeringsverenigingen. l’assurance maladie légale, ni pour l’offre d’opérations et d’autres services qui ne constituent pas des assu- rances (voy. la loi du 26 avril 2010 portant des disposi- tions diverses en matière d’organisation de l’assurance maladie complémentaire). Sont également exclues de la loi en projet, les caisses communes, les entreprises privées à primes fixes et les institutions publiques pour ce qui concerne les opéra- tions visées par les lois relatives au régime de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des ouvriers mineurs, des marins et des travailleurs indépendants. Il s’agit d’institutions qui subsistent afin d’assurer l’exé- cution de contrats d’assurance conclus, à l’époque, en vue de la constitution d’une pension légale. Section 2 Assurance non-vie Art. 9 à 11 Les articles 9 et 10 en projet énoncent les entre- prises qui, en raison des activités d’assurance non-vie décrites, sont exclues du champ d’application de la loi en projet. La non-application de la loi est limitée aux seules opérations décrites. En d’autres termes, les entreprises qui exercent lesdites activités ou opérations d’assurance non-vie ne sont exclues du champ d’appli- cation de la loi que pour autant qu’elles n’exercent pas d’autres activités qui relèvent du champ d’application de la loi en projet. Concernant l’exclusion du champ d’application de la loi dont bénéficient les entreprises qui exercent une activité d’assistance automobile dans les conditions prévues par l’article 10  en projet, on signale que, conformément à la Directive, l’assistance consistant en l’acheminement du véhicule éventuellement accom- pagné par le conducteur et les passagers jusqu’à leur domicile, leur point de départ ou leur destination origi- nelle à l’intérieur du territoire belge, peut dorénavant bénéficier de l’exclusion du champ d’application de loi pour autant que les autres conditions prévues par l’article 10 soient satisfaites. L’article 11 en projet concerne quant à lui l’exclu- sion de certaines associations mutuelles d’assurance exerçant des activités d’assurance non-vie et dont les risques sont intégralement réassurés par ou cédés à d’autres associations mutuelles d’assurance. 50 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Levensverzekering Art. 12 In deze bepaling worden de ondernemingen opge- somd die, wanneer zij de omschreven levensverze- keringsactiviteiten of —verrichtingen uitoefenen, de ontwerpwet niet dienen na te leven. De eerste uitsluiting betreft de voorzorgs- en bij- standsinstellingen waarvan de prestaties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald. Onder deze uitsluiting vallen bijvoorbeeld de solidariteitsstelsels in het kader van de WAP en de WAPZ. De tweede uitsluiting betreft de verrichtingen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. De derde uitsluiting geldt voor prestaties bij overlijden die qua bedrag beperkt zijn. Volgens dezelfde logica als die welke in de com- mentaar bij de artikelen 9 tot 11 wordt gevolgd, zijn het telkens de betrokken verrichtingen en activiteiten die van het toepassingsgebied worden uitgesloten en niet de onderneming zelf wanneer zij andere verrichtin- gen of activiteiten uitoefent dan deze die hier worden omschreven. Afdeling IV Herverzekering Art. 13 en 14 Overeenkomstig de Richtlijn geldt een uitsluiting van de toepassing van de wet voor, enerzijds, de herverze- keringsactiviteiten die om redenen van openbaar belang door de Staat worden uitgeoefend of gewaarborgd en, anderzijds, de herverzekeringsondernemingen die op 10 december 2007 het sluiten van nieuwe herverzeke- ringsovereenkomsten hebben gestaakt (zogenaamde ondernemingen “in run-off”). Wat deze laatste onder- nemingen betreft, voorziet het ontwerpartikel echter in de verplichting om de Bank in te lichten en wordt van de Bank verlangd dat zij de lijst van deze ondernemingen aan de andere lidstaten meedeelt. Deze bepalingen zijn overgenomen uit de artikelen 3, § 2 en 149 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. Section III Assurance-vie Art. 12 Cette disposition énumère les entreprises qui, lorsqu’elles exercent les activités d’assurance-vie ou effectuent les opérations d’assurance-vie décrites, ne sont pas tenues au respect de la loi en projet. La première exclusion concerne les organismes de prévoyance et de secours qui accordent des prestations variables selon les ressources disponibles et exigent de chacun de leurs adhérents une contribution forfaitaire appropriée. Sous cette exclusion tombent par exemple les régimes de solidarité organisés par la LPC et la LPCI. La deuxième exclusion concerne les opérations effectuées par les institutions de retraite professionnelle. La troisième exclut les prestations en cas de décès limitées quant à leur montant. Dans la même logique que celle exprimée sous le commentaire des articles 9 à 11, ce sont à chaque fois les opérations et activités concernées qui sont exclues du champ d’application et non pas l’entreprise elle- même lorsqu’elle exerce d’autres opérations ou activités que celles décrites ici. Section IV Réassurance Art. 13 et 14 Conformément à la Directive, sont excluent du champ d’application de la loi, d’une part, les activités de réassurance exercées ou garanties par l’État pour des raisons d’intérêt public et, d’autre part, les entreprises de réassurance qui, au 10 décembre 2007, ont cessé de souscrire de nouveaux contrats de réassurance (entreprises dites “en run-off”). En ce qui concerne ces dernières, l’article en projet prévoit cependant une obligation d’information de la Banque et une notification par celle-ci de la liste de ces entreprises aux autres États membres. De telles dispositions reprennent les articles 3, § 2, et 149 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance. 51 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL III Definities Art. 15 Dit artikel bevat de definities die van belang zijn voor de correcte toepassing en interpretatie van de wet. Er zij opgemerkt dat sommige definities die specifiek nuttig zijn voor de toepassing van bepaalde delen van de ontwerpwet, opgenomen zijn aan het begin van de betrokken delen, voor een beter begrip. In Boek II van de wet is dit het geval voor de definities die specifiek zijn voor Titel V aangaande het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsgroepen en het aanvullend toezicht op financiële conglomeraten. Wat het begrip “verzekeringsovereenkomst” betreft, wordt verwezen naar de definitie van deze term die thans is opgenomen in de Wet Verzekeringen. Voor de interpretatie van het begrip dient verwezen te worden naar het standpunt van de FSMA betreffende de essen- tiële bestanddelen van een verzekeringsovereenkomst (zie Mededeling FSMA_2015_13 dd. 26/08/2015 op de website www.fsma.be). Op grond van de definitie van de term in de Wet Verzekeringen, zijn de wezenlijke bestanddelen van een verzekeringsovereenkomst: een onzekere gebeurtenis (die aan de overeenkomst een aleatoir karakter verleent), een verzekerbaar belang (waardoor de verrichting zich onderscheidt van een kansspel of een weddenschap), een premie en een verzekeringsprestatie. Naast deze vier in de wet vastgestelde kenmerken, dient men ook oog te hebben voor het zelfstandig karakter van een verzekeringsovereenkomst. Zo kunnen bepaalde derivatencontracten (onder andere interest rate caps en credit default swaps) bij- voorbeeld niet als verzekeringsovereenkomsten worden aangemerkt omdat er geen verzekerbaar belang is. Ondanks het feit dat derivatencontracten aangewend kunnen worden om bepaalde risico’s te dekken, is het verzekerbaar belang immers geen wezenlijk bestand- deel van een derivatencontract zoals het dit wel is bij een verzekeringsovereenkomst. Derivatencontracten kunnen immers ook om speculatieve doeleinden worden gesloten of kunnen speculatief worden, zonder dat de geldigheid van het contract daardoor in het gedrang komt of dat dit een impact heeft op de contractuele verplichtingen van de verkoper van het derivaat. De betalingsverplichtingen van de verkoper van het derivaat staan los van de vraag of de koper al dan niet een na- deel lijdt, er al dan niet belang bij heeft dat de onzekere gebeurtenis zich niet voordoet. TITRE III Définitions Art. 15 Cet article reprend les définitions qui sont importantes pour une correcte application et interprétation de la loi. On attire l’attention sur le fait que certaines définitions spécifiquement utiles à l’application de certaines par- ties de la loi en projet sont reprises, pour une meilleure compréhension, en tête des parties concernées. Au sein du Livre II de la loi, il en va ainsi des définitions spéci- fiques au Titre V concernant le contrôle des groupes d’assurance ou de réassurance et la surveillance com- plémentaire des conglomérats financiers. Quant à la notion de “contrat d’assurance”, il est fait référence à la définition du contrat d’assurance telle que visée actuellement par la Loi assurances. Pour l’interprétation du terme, il doit être fait référence à la position de la FSMA en ce qui concerne les éléments essentiels du contrat d’assurance (cf. la Communication FSMA_2015_13 du 26/08/2015 sur le site web www. fsma.be). En vertu de la définition du terme par la Loi assu- rances, les éléments constitutifs du contrat d’assurance sont: un événement incertain (qui fait le caractère aléa- toire du contrat), un intérêt d’assurance (nécessaire à distinguer l’opération du jeu ou pari), une prime et une prestation d’assurance. Outre ces quatre caractéris- tiques prévues par la loi, il convient encore de porter une attention particulière au caractère autonome d’un contrat d’assurance. Ainsi, par exemple, certains contrats dérivés (entre autres, les interest rate caps et les credit default swaps) ne peuvent être qualifiés de contrat d’assurance à défaut d’intérêt d’assurance. Contrairement aux contrats d’assurance, l’intérêt d’assurance ne constitue pas, en effet, un élément essentiel des contrats dérivés, et cela en dépit de la possibilité d’utiliser des contrats dérivés en vue de se couvrir contre certains risques. Le contrat dérivé peut en effet également être conclu à des fins spéculatives ou devenir spéculatif, sans que de ce fait la validité du contrat ne soit menacée ou que cela n’ait un impact sur les obligations contractuelles du vendeur du dérivé. Les obligations de paiement du vendeur du dérivé sont indépendantes du fait que l’acheteur subisse ou non un préjudice, ait ou non un intérêt à ce que l’événement incertain ne se réalise pas. 52 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het zelfstandige karakter is bijvoorbeeld bij- zonder relevant om verzekeringsovereenkomsten te onderscheiden van garantieovereenkomsten. Garantieovereenkomsten zijn namelijk bijkomstig ten aanzien van een niet-aleatoire hoofdverrichting (ty- pisch een koopovereenkomst) en strekken enkel tot vergoeding en/of herstel van een gebrekkige uitvoering waarvan de oorzaak intrinsiek gelegen is in de hoofdver- richting of in het voorwerp ervan. De Richtlijn deelt de verzekeringen op in “schadever- zekeringen” en “levensverzekeringen”. In het voorliggen- de wetsontwerp werd ervoor gekozen dezelfde opdeling te maken onder de termen “niet-levensverzekering” en “levensverzekering”, teneinde verwarring te vermijden met de term “schadeverzekering” als gedefinieerd in de Wet Verzekeringen (Parl. St., Kamer, 13 februari 2014, nr. 3361/001, p.13). Conform de definitie die ervan wordt gegeven in de artikelen 13, punt 11), 145, lid 1 en 162, lid 3 van de Richtlijn, wordt het begrip “bijkantoor” in het wetsont- werp ruim omschreven, zodat het alle bijkantoren omvat (zowel bijkantoren van ondernemingen die onder het recht van een lidstaat ressorteren als bijkantoren van ondernemingen die onder derde landen ressorteren) die gevestigd zijn op het grondgebied van een lidstaat, die zowel België als een andere lidstaat kan zijn. De begrippen “lidstaat van herkomst”, “lidstaat van ontvangst”, “lidstaat of derde land van het risico”, “moederonderneming”, “dochteronderneming”, “zeg- genschapsband”, “deelneming”, “gekwalificeerde deelneming” en “financiële onderneming” zijn voor het merendeel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de identieke begrippen van de wet van 9 juli 1975 en/of van de wet van 16 februari 2009. Wat in bijzonder het begrip “lidstaat van ontvangst” betreft, is de definitie overgenomen uit de wet van 16 februari 2009 (zie art. 4, 9°), die een eenvoudigere definitie bevatte dan de Richtlijn. Wat in het bijzonder het begrip “lidstaat of derde land van het risico” betreft, stemt de definitie overeen met die van artikel 2, § 6, 8° van de wet van 9 juli 1975. Er werd evenwel “derde land” aan toegevoegd. De afwijking voor motorrijtuigen bedoeld in de wet van 21 november 1989 die vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat worden verzonden, werd ingevoegd bij wet van 8 juni 2008 teneinde “het verkrijgen van een verzekering te vergemakkelijken voor een voertuig dat uit een lidstaat naar een andere lidstaat wordt ingevoerd, zelfs indien dit voertuig nog niet is ingeschreven in de lidstaat van bestemming. Gedurende een periode van 30 dagen vanaf de datum van de aanvaarding van de D’autre part, le caractère autonome est par exemple particulièrement pertinent en vue de distinguer les contrats d’assurance des contrats de garantie. Les contrats de garantie sont en effet accessoires à une opé- ration principale non aléatoire (typiquement un contrat d’achat) et ne visent qu’à indemniser et/ou réparer une mauvaise exécution dont la cause est intrinsèque à l’opération principale ou à son objet. La Directive subdivise les assurances en “assurances non-vie” et en “assurances-vie”. Le présent projet de loi opère la même distinction sous les termes “assurances non-vie” et “assurances-vie”, afin d’éviter toute confu- sion avec le terme “assurance de dommages” tel que défini dans la Loi assurances (Doc. Parl., Chambre, 13 février 2014, n° 3361/001, p.13). La notion de “succursale” est définie par la loi en projet de manière large afin de transposer la définition qui en est donnée par les articles 13, point 11), 145, paragraphe 1  et 162, paragraphe 3  de la Directive et viser toutes les succursales, qu’il s’agisse d’une succursale d’une entreprise relevant du droit d’un État membre ou d’un pays tiers, présentes sur le territoire d’un État membre, que ce soit la Belgique ou un autre État membre que la Belgique. Les notions d’  “État membre d’origine”, d’  “État membre d’accueil”, d’“État membre ou pays tiers où le risque est situé”, d’“entreprise mère”, de “filiale”, de “lien de contrôle”, de “participation”, de “participation qualifiée” et d’“entreprise financière”, sont en majorité restées inchangées par rapport aux notions identiques de la loi du 9 juillet 1975 et/ou de la loi du 16 février 2009. En ce qui concerne en particulier la notion d’ “État membre d’accueil”, celle-ci est définie comme dans la loi du 16 février 2009 (cf. art. 4, 9°) et de manière simplifiée par rapport au texte de Directive. En ce qui concerne en particulier la définition d’“État membre ou pays tiers où le risque est situé”, celle-ci cor- respond à la définition de l’article 2, § 6, 8°, de la loi du 9 juillet 1975. Le pays tiers y a été ajouté. Une dérogation relative aux véhicules automoteurs visés par la loi du 21 novembre 1989 qui sont expédiés d’un État membre vers un autre État membre a été introduite par une loi du 8 juin 2008 afin de “faciliter l’obtention d’une assurance couvrant un véhicule importé d’un État membre dans un autre État membre, même si le véhicule n’est pas encore immatriculé dans l’État membre de destination. Pendant les 30 jours qui suivent l’acceptation de la livraison du véhicule par l’acheteur, c’est l’État membre 53 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 levering van het voertuig door de koper, dient de lidstaat van bestemming te worden beschouwd als de lidstaat waar het risico gelegen is” (zie Parl. St., 2007-2008, nr. 1012/001, p.16). Er wordt voorgesteld deze afwijking over te nemen. De definitie van “intragroeptransactie” waarin de Richtlijn (art. 13, punt 19) voorziet, wordt enigszins anders geformuleerd teneinde de doelstelling van een dergelijke transactie te benadrukken (“om te voldoen aan een verplichting”) en om enkele overbodige woor- den te schrappen. De definities van “verzekeringscaptive”, “herver- zekeringscaptive”, “Special Purpose Vehicle”, “vesti- ging”, “nauwe banden, “uitbesteding”, “functie” in een governancesysteem, “verzekeringstechnisch risico”, “marktrisico”, “liquiditeitsrisico”, “concentratierisico”, “risicomatigingstechnieken”, “diversificatie-effecten”, “kansverdelingsprognose” en “risicomaatstaf” zijn over- genomen uit de Richtlijn, ofwel letterlijk, ofwel met kleine wijzigingen van zuiver formele aard of om de tekst van het wetsontwerp beter te doen aansluiten bij de andere taalversies van de Richtlijn. Zo wordt in de definitie van “nauwe banden” die in de Franstalige versie van het wetsontwerp wordt gegeven, de uitdrukking “de manière permanente” verkozen boven het begrip “durablement” aangezien in de Engelse versie van de Richtlijn de uit- drukking “permanently” wordt gebruikt (zie art. 13, punt 17). Dit is ook het geval voor de definitie van “operati- oneel risico”, waaraan in de Franstalige versie van het wetsontwerp de term “processus” wordt toegevoegd, omdat dit begrip ook voorkomt in de Engelse versie van de Richtlijn (zie art. 13, punt 33). De definities die opgenomen zijn in de punten 70° tot 75°, zijn deze die vereist zijn voor de omzetting van Titel IV van de Richtlijn betreffende de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen (zie Boeken VI en VII van het voorliggende wetsontwerp). Op enkele kleine wijzigingen na, zijn ze overgenomen uit artikel 2, § 6, 14° tot 20° van de wet van 9 juli 1975. Wat het begrip “strategische beslissingen” betreft, dat nuttig is voor de toepassing van ontwerpartikel 101 (punt 77°), is de definitie rechtstreeks ontleend aan artikel 3, 63° van de bankwet van 25 april 2014, dat op zijn beurt ontleend is aan het huidige artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998. Hoewel de criteria van kwantita- tieve aard die voorheen waren opgenomen in de wet van 2 juli 2010, doelbewust waren weggelaten uit deze laatste bepaling, kunnen die criteria (te weten het feit dat de beslissing een wijziging van meer dan 10 % van het balanstotaal of van de geconsolideerde inkomsten van de onderneming impliceert, dan wel een investe- ring van minstens 5 % van haar kapitaal en reserves de destination qui devra être considéré comme l’État membre dans lequel le risque est situé” (cf. Doc. Parl., sess. ord. 2007-2008, n° 1012/001, p. 16). Il est proposé de reprendre cette dérogation. La définition de la “transaction intragroupe” don- née par la Directive (art. 13, point 19) est légèrement reformulée afin de mettre en exergue la finalité d’une telle transaction (“pour l’exécution d’une obligation”) et supprimer les termes jugés superflus. Les définitions d’“entreprise captive d’assurance”, d’“entreprise captive de réassurance”, de “véhicule de titrisation”, d’“établissement”, de “liens étroits”, de “sous-traitance”, de “fonction” dans un système de gouvernance, de “risque de souscription”, de “risque de marché”, de “risque de liquidité”, de “risque de concentration”, de “techniques d’atténuation du risque”, d’“effets de diversification”, de “distribution de pro- babilité prévisionnelle” et de “mesure de risque” sont reprises de la Directive, soit littéralement, soit moyen- nant des modifications mineures à caractère purement formel ou destinées à rapprocher davantage le texte en projet d’autres versions linguistiques de la Directive. Ainsi, par exemple, dans la définition des “liens étroits”, l’expression “de manière permanente” est préférée au terme “durablement”, la version anglaise de la Directive utilisant l’expression “permanently” (cf. art. 13, point 17). De même, dans la définition de “risque opérationnel”, on ajoute une référence aux “processus” internes visés dans le texte anglais (cf. art. 13, point 33). Les définitions reprises aux points 70° à 75° sont celles qui sont requises pour la transposition du Titre IV de la Directive relatif à l’assainissement et à la liqui- dation des entreprises d’assurance (voy. Livres VI et VII du présent projet). Moyennant quelques adaptations mineures, elles constituent la reprise de l’article 2, § 6, 14° à 20°, de la loi du 9 juillet 1975. S’agissant de la notion de “décisions stratégiques” utile à l’application de l’article 101 en projet (point 77°), la définition est directement inspirée de l’article 3, 63° de la loi bancaire du 25 avril 2014 lui-même inspiré de l’actuel article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998. Bien que cette dernière disposition avait volontairement abandonné les critères de nature quantitative antérieure- ment prévus sous la loi du 2 juillet 2010, ces critères (à savoir, le fait que la décision implique une modification de plus de 10 % du total du bilan ou des revenus conso- lidés de l’entreprise, ou représente un investissement d’au moins 5 % de son capital et de ses réserves) sont susceptibles de guider l’interprétation de cette notion 54 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 vertegenwoordigt) als leidraad blijven fungeren voor de interpretatie van dat begrip, zonder dat de draagwijdte ervan evenwel beperkt wordt tot die criteria. In tegen- stelling tot een operationele beslissing gaat het hier om belangrijke beslissingen die een globalere impact heb- ben of kunnen hebben op de onderneming in de mate dat zij gevolgen hebben voor verschillende functies van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wat in de definitie gepreciseerd wordt. In die optiek wordt opgemerkt dat onder het begrip “samenwerkingsak- koorden” van de definitie, zoals trouwens uit de tekst zelf blijkt, strategische samenwerkingsakkoorden moeten worden verstaan, waardoor akkoorden met betrekking tot eenvoudige uitbesteding uitgesloten zijn. Deze laatste worden elders in het voorliggende ontwerp behandeld (zie ontwerpart. 92) in het kader van de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Ten slotte worden de begrippen “nationaal bureau”, “nationaal garantiefonds” en “grote risico’s” (art. 13, pun- ten 23), 24) en 27) van de Richtlijn) niet gedefinieerd zo- als in de Richtlijn. Voor de twee eerste begrippen werd in het voorliggende ontwerp een definitie opgenomen van hun Belgische equivalent (het Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars en het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds); het laatste begrip wordt enkel gebruikt in artikel 184 van de Richtlijn, dat een bepaling is die eerder betrekking heeft op de consumentenbescher- ming dan op het prudentieel toezicht, en hoort dus niet thuis in het voorliggende wetsontwerp. TITEL IV Gereserveerde namen Art. 16 Naar analogie met soortgelijke bepalingen in andere prudentiële wetgeving, reserveert deze bepaling het pu- blieke gebruik van de namen en gangbare uitdrukkingen in de activiteiten van de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen die betrekking hebben op het sta- tuut van verzekerings- of herverzekeringsonderneming, voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, onder voorbehoud van de uitzonderingen die in het tweede lid zijn opgesomd. sans toutefois en limiter la portée à ces seuls critères. Au contraire d’une décision opérationnelle, il s’agit ici de décisions majeures ayant ou susceptibles d’avoir un impact plus global sur l’entreprise dans la mesure où différentes fonctions de l’entreprise d’assurance ou de réassurance seraient touchées ou remises en question à la suite de pareilles décisions, ce que la définition précise. À cet égard, en ce qui concerne les accords de coopération visés par la définition, comme cela ressort du dispositif lui-même, il s’agit bien de coopération stratégique, ce qui exclut les accords de simple sous- traitance par ailleurs appréhendés par le présent projet (voy. art. 92 en projet) dans le cadre des conditions d’exercice de l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Finalement, les notions de “bureau national”, de “fonds national de garantie” et de “grands risques” (art. 13, 23), 24) et 27) de la Directive) ne sont pas définies comme dans la Directive. Pour les deux premières, on a défini dans le présent projet, leur équivalent en Belgique (le Bureau belge des Assureurs automobiles et le Fonds commun de Garantie Belge); quant à la dernière, dès lors qu’elle n’est employée qu’à l’article 184 de la Directive, qui est une disposition qui relève plus de la protection du consommateur que du contrôle prudentiel, elle ne trouve pas sa place dans le présent projet de loi. TITRE IV Des dénominations réservées Art. 16 Par analogie avec des dispositions similaires dans d’autres législations prudentielles, cette disposition réserve aux seules entreprises d’assurance et de réassurance l’usage public des dénominations et expressions courantes dans l’activité des entreprises d’assurance ou de réassurance qui font référence au statut d’entreprise d’assurance ou de réassurance, sous réserve des exceptions énoncées à l’alinéa 2. 55 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK II VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGS- ONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT TITEL I Toegang tot het bedrijf Titel 1 van het voorliggende ontwerp beoogt de structuur te verfijnen ten opzichte van de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009, door een onderscheid te maken tussen enerzijds de vergunningsplicht en de procedure voor het verkrijgen van de vergunning, als bepaald in Hoofdstuk I, en anderzijds de vergunnings- voorwaarden, die in Hoofdstuk II worden behandeld. HOOFDSTUK I Vergunning Afdeling I Vergunningsplicht Art. 17 tot 19 Ontwerpartikel 17 bepaalt dat alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in België een gereglementeerde verzekerings- of herverzekeringsactiviteit willen uitoefenen, vooraf- gaandelijk een vergunning dienen te verkrijgen. Deze verplichting is overgenomen uit artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 en is dus niet nieuw. Het in ontwerpartikel 18, eerste lid, 1° neergelegde beginsel dat de vergunning als verzekeringsonderne- ming wordt verleend voor een of meer takken, kwam reeds voor in artikel 4, tweede en derde lid van de wet van 9 juli 1975, evenals in artikel 6, eerste lid van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen (hierna het “Algemeen Reglement”) en is dus niet nieuw. De regel dat de ver- gunning voor de volledige tak geldt, tenzij de aanvrager slechts een gedeelte van de tot deze tak behorende risico’s wenst te dekken, doet uiteraard geen afbreuk aan het recht dat de Bank op grond van ontwerpartikel 29 heeft om de vergunning die voor een bepaalde tak wordt aangevraagd, zelf te beperken tot sommige van de activiteiten die opgenomen zijn in het programma LIVRE II DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE REASSURANCE DE DROIT BELGE TITRE IER De l’accès à l’activité Par rapport aux lois de 9 juillet 1975 et 16 février 2009, le présent projet en son Titre Ier, entend affiner la struc- ture en distinguant, d’une part, l’obligation d’agrément et la procédure en vue de son obtention reprises sous le Chapitre Ier et, d’autre part, les conditions d’agrément qui font l’objet d’un Chapitre II. CHAPITRE IER Agrément Section Ire Obligation d’agrément Art. 17 à 19 L’article 17 en projet impose à toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui entendent exercer en Belgique une activité d’assurance ou de réassurance réglementée, d’obtenir un agrément préalable. L’obligation prescrite par l’article 17 en projet n’est pas neuve et est reprise de l’article 2bis de la loi du 9 juillet 1975. Le principe prôné à l’article 18, alinéa 1er, 1° en projet, selon lequel l’agrément d’entreprise d’assurance est accordé pour une ou plusieurs branches, n’est pas neuf et figurait déjà à l’article 4, alinéas 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975, ainsi qu’à l’article 6, alinéa 1er de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances (ci-après, le “Règlement Général”). La règle selon laquelle l’agré- ment couvre la branche entière sauf si le demandeur ne désire garantir qu’une partie des risques relevant de cette branche est évidemment sans préjudice du droit pour la Banque, repris à l’article 29 en projet, de limiter elle-même l’agrément demandé pour une branche à certaines des activités reprises dans le programme d’activités de l’entreprise d’assurance concernée, ou de l’assortir de conditions relatives à l’exercice de certaines 56 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van werkzaamheden van de betrokken verzekerings- onderneming, of om aan die vergunning voorwaarden te verbinden met betrekking tot de uitoefening van som- mige van de voorgenomen activiteiten indien dit nodig is om een gezond en voorzichtig beleid van de betrokken verzekeringsonderneming te garanderen. Onder vigeur van de wet van 16 februari 2009 was het reeds toegestaan voor herverzekeringsonderne- mingen om herverzekeringsactiviteiten “niet-leven” te combineren met herverzekeringsactiviteiten “leven” (als bepaald in ontwerpartikel 18, eerste lid, 2°), maar de mogelijkheid waarin het derde lid van dit artikel voorziet om binnen de door de Bank vastgestelde grenzen het statuut van verzekeringsonderneming te cumuleren met dat van herverzekeringsonderneming, is nieuw (zie commentaar bij ontwerpartikel 34 voor een uitgebreidere toelichting hierop). Ontwerpartikel 19 bepaalt dat alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten wil- len uitbreiden tot andere activiteiten die niet onder de eerder verleende vergunning vallen, voorafgaandelijk een uitbreiding van de vergunning moeten aanvragen, en voegt de bepalingen van artikel 6, § 1, vierde lid van de wet van 16 februari 2009 samen met die van artikel 14, lid 2, b) van de Richtlijn. Deze verplichting geldt voor uitbreidingen van de activiteit tot een of meer andere verzekeringstakken, tot andere delen van verzeke- ringstakken of tot andere herverzekeringsactiviteiten. Deze bepaling moet in samenhang worden gelezen met de ontwerpartikelen 36 en 38, die voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten wil- len uitbreiden — net zoals voor ondernemingen die voor het eerst een vergunning aanvragen — respectievelijk de verplichting bevatten om een programma van werk- zaamheden voor te leggen en om te bewijzen dat zij over het nodige in aanmerking komend eigen vermogen beschikken om te voldoen aan het solvabiliteitskapitaal- vereiste en aan het minimumkapitaalvereiste. Art. 20 en 21 Ontwerpartikel 20 zorgt voor de omzetting van ar- tikel 15, lid 4 van de Richtlijn. Uit dit artikel volgt dat de ondernemingen die een pechverhelpingsactiviteit uitoefenen met inachtneming van de voorwaarden van ontwerpartikel 10, overeenkomstig dit ontwerpartikel 10 zijn vrijgesteld van de naleving van de bepalingen van deze wet evenals van de vergunningsplicht, terwijl de verzekeringsondernemingen die over een vergun- ning beschikken, diezelfde pechverhelpingsactiviteit als bedoeld in ontwerpartikel 10 slechts mogen uitoefenen indien zij een vergunning hebben verkregen voor tak 18 als vermeld in Bijlage I of indien de risico’s die onder des activités projetées, si la gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance concernée le requiert. S’il était déjà permis aux entreprises de réassurance, sous l’empire de la loi du 16 février 2009, de combiner l’activité de réassurance non-vie avec l’activité de réas- surance vie (tel que prévu à l’article 18, alinéa 1er, 2° en projet), la possibilité, reprise à l’alinéa 3 de cet article, de cumuler, dans les limites fixées par la Banque, le statut d’entreprise d’assurance avec celui d’entreprise de réassurance est neuve (voy. le commentaire de l’article 34 en projet pour des développements plus approfondis à ce sujet). L’article 19 en projet impose la sollicitation préalable d’une extension de l’agrément par toute entreprise d’assurance ou de réassurance qui souhaite étendre ses activités à d’autres activités non couvertes par l’agrément accordé antérieurement, et fusionne les dispositions de l’article  6,  §  1er, alinéa  4  de la loi du 16 février 2009, d’une part, et celles de l’article 14, paragraphe 2, b) de la Directive, d’autre part. Cette obligation s’impose en cas d’extension de l’activité à une ou plusieurs autres branches d’assurance ou à d’autres parties de branches d’assurance ou à d’autres activités de réassurance. Cette disposition doit être lue ensemble avec les articles 36 et 38 en projet, imposant aux entreprises d’assurance ou de réassurance dési- reuses d’étendre leurs activités, — au même titre que les entreprises sollicitant un agrément pour la première fois —, respectivement, de présenter un programme d’activités et de prouver qu’elles disposent des fonds propres éligibles nécessaires pour détenir le capital de solvabilité requis et le minimum de capital requis. Art. 20 et 21 L’article 20  en projet assure la transposition de l’article 15, paragraphe 4 de la Directive. Il en résulte que si, conformément à l’article 10 en projet, les entre- prises exerçant une activité d’assistance automobile aux conditions énoncées audit article 10 sont dispensées du respect des dispositions de la présente loi, y compris l’obligation d’agrément, les entreprises d’assurance agréées, quant à elles, ne peuvent pratiquer cette même activité d’assistance automobile visée à l’article 10 que si elles ont reçu un agrément pour la branche 18 men- tionnée à l’Annexe I ou si, en application de l’article 21, § 2 en projet, les risques compris dans cette activité 57 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 deze activiteit vallen, met toepassing van ontwerpar- tikel 21, § 2, als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd ten opzichte van een hoofdrisico waarvoor zij reeds over een vergunning beschikken. Artikel 21 bevat het beginsel dat de risico’s die tot een tak behoren, niet in een andere tak mogen wor- den ingedeeld, en somt de gevallen op waarin van dit beginsel mag worden afgeweken, die voorheen waren opgenomen in artikel 6 van het Algemeen Reglement. Afdeling II Procedure Art. 22 tot 25 Deze artikelen, die deel uitmaken van de afdeling over de procedure voor de indiening van de vergun- ningsaanvraag, betreffen de samenstelling van het administratief dossier dat bij de vergunningsaanvraag moet worden gevoegd. De ontwerpartikelen 22  en 23 bepalen de minimuminhoud van dit dossier, ongeacht de takken waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. De voorwaarden waaraan dit administratief dossier moet voldoen, worden voortaan uitsluitend door de Bank be- paald, die daarbij echter rekening houdt met de door de FSMA opgelegde voorwaarden met betrekking tot de or- ganisatie en de procedures waarop zij toezicht uitoefent overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2, van de wet van 2 augustus 2002. Ontwerpartikel 24 bepaalt welke documenten bij de aanvraag moeten worden ge- voegd wanneer de te dekken risico’s tot tak 10 behoren als vermeld in Bijlage I (namelijk BA Motorrijtuigen), of betrekking hebben op de arbeidsongevallenverzekering als bedoeld in de wet van 10 april 1971. Ontwerpartikel 25  bepaalt dat een onderneming die vóór de vergunningsaanvraag reeds een verzeke- ringsactiviteit uitoefende waarvoor geen vergunning is vereist, aanvullende documenten moet voorleggen. De Bank moet immers volledig op de hoogte zijn van de financiële positie van de onderneming en van alle verrichtingen die zij voorheen uitvoerde. Art. 26 en 27 Deze bepalingen over de samenwerking met de FSMA of met toezichthouders van andere lidstaten in geval van een vergunningsaanvraag die uitgaat van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die verbonden is met een gereglementeerde onderneming die onder het toezicht staat van de FSMA of van een andere toezichthouder in een andere lidstaat, bevatten geen inhoudelijke vernieuwingen. peuvent être considérés comme accessoires par rapport à un risque principal déjà couvert par leur agrément. L’article 21 reprend le principe selon lequel les risques compris dans une branche ne peuvent être classés dans une autre branche, ainsi que les dérogations à ce principe, figurant auparavant à l’article 6 du Règlement Général. Section II Procédure Art. 22 à 25 Ces articles, faisant partie de la section relative à la procédure d’introduction de la demande d’agrément, concernent la composition du dossier administratif devant accompagner la demande d’agrément. Les articles 22 et 23 en projet fixent le contenu minimal de ce dossier, indépendamment des branches faisant l’objet de la demande d’agrément. Les conditions auxquelles doit répondre ce dossier administratif sont désormais exclusivement définies par la Banque mais en tenant compte des conditions qu’impose la FSMA en ce qui concerne l’organisation et les procédures dont elle assure le contrôle conformément à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002. L’article 24 en projet, précise certains documents à joindre à la demande lorsque les risques à couvrir relèvent de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I (c’est-à-dire, la R.C. véhicules terrestres automoteurs), ou concernent l’assurance contre les accidents du travail visée par la loi du 10 avril 1971. L’article 25 en projet impose la communication de documents additionnels lorsqu’antérieurement à la demande d’agrément, l’entreprise exerçait déjà une activité d’assurance ne requérant pas d’agrément. La Banque doit, en effet, être complètement informée au sujet de la situation financière de l’entreprise et de toutes les opérations qu’elle traitait auparavant. Art. 26 et 27 Aucune innovation quant au fond n’est apportée à ces dispositions relatives à la coopération avec la FSMA ou avec des autorités de contrôle d’autres États membres, en cas de demande d’agrément d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée à une entreprise réglementée soumise au contrôle de la FSMA ou d’une autre autorité de contrôle dans un autre État membre. 58 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Net zoals zij dat met de buitenlandse toezichthou- ders doet, raadpleegt de Bank de FSMA wanneer de onderneming die de vergunning aanvraagt hetzij de dochteronderneming is van een onderneming die onder het toezicht staat van de FSMA, hetzij de doch- teronderneming van een moederonderneming van een onderneming die onder het toezicht staat van de FSMA, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die een onder het toezicht van de FSMA staande onderneming controleren. Tot slot voorziet ontwerpartikel 26 ook in een weder- zijdse informatieplicht tussen de Bank en de buiten- landse autoriteiten of de FSMA voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiders en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke contro- lefuncties, overeenkomstig de ontwerpartikelen 39 en 40, wanneer deze personen, naargelang van het geval, aandeelhouders, leiders of verantwoordelijken voor onafhankelijk controlefuncties zijn van een onderne- ming die onder het toezicht staat van een buitenlandse autoriteit of van de FSMA. Daarnaast dient de Bank eveneens het advies te vragen van de FSMA voor aangelegenheden die tot de specifieke eigen bevoegdheid van de FSMA behoren. Zo dient de FSMA een advies te verstrekken over: — het passende karakter van de organisatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in de mate dat deze organisatie betrekking heeft op de gedragsregels, en met name van haar integriteitsbeleid; — de professionele betrouwbaarheid van de na- tuurlijke personen die een leidinggevende functie of een onafhankelijke controlefunctie uitoefenen in de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die onder het pru- dentieel toezicht staat van de Bank. De Bank is niet gebonden door het advies van de FSMA, maar dient in voorkomend geval in haar beslis- sing te motiveren waarom zij van dit advies is afge- weken. Het advies van de FSMA over het passende karakter van de organisatie van de onderneming wordt ook samen met de beslissing van de Bank over de vergunningsaanvraag, ter kennis gebracht van de aan- vrager. Zelfs indien de Bank van oordeel is, rekening houdend met het globale dossier, dat de aandachts- punten die de FSMA eventueel geïdentificeerd heeft, geen voldoende grond vormen om de vergunning te weigeren, is het immers wenselijk dat de betrokken on- derneming ab initio wordt ingelicht over deze punten. Zo kan ze deze aandachtspunten verhelpen en vermijden dat de FSMA in een later stadium herstelmaatregelen Tout comme pour les autorités de contrôle étrangères, la Banque consultera la FSMA lorsque l’entreprise qui sollicite l’agrément est soit la filiale d’une entreprise ressortissant du contrôle de la FSMA, soit la filiale d’une entreprise mère d’une entreprise ressortissant du contrôle de la FSMA, soit encore contrôlée par les mêmes personnes physiques ou morales que celles contrôlant une entreprise ressortissant du contrôle de la FSMA. L’article 26 en projet instaure enfin également une obligation d’information mutuelle entre la Banque et les autorités étrangères ou la FSMA dans le cadre de l’évaluation des qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 39 et 40 du projet, lorsque ces personnes, selon le cas, sont actionnaires, dirigeants ou responsables de fonction de contrôle indépendante, au sein d’une entreprise ressortissant du contrôle d’une autorité étrangère ou de la FSMA. Outre cette hypothèse, la Banque sollicitera l’avis de la FSMA également pour ce qui est des domaines rele- vant des compétences spécifiques et propres de cette dernière. Ainsi, la FSMA devra-t-elle rendre un avis sur: — l’adéquation de l’organisation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance en ce qu’elle touche aux règles de conduite, et notamment de sa politique d’intégrité; — l’honorabilité professionnelle des personnes physiques appelées à exercer une fonction dirigeante ou une fonction de contrôle indépendante au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance lorsque ces personnes sont proposées pour la première fois à une telle fonction dans une entreprise soumise au contrôle prudentiel de la Banque. La Banque n’est pas liée par l’avis de la FSMA, mais doit, le cas échéant, motiver dans sa décision les raisons qui l’ont poussée à s’en écarter. L’avis de la FSMA sur l’adéquation de l’organisation de l’entreprise est par ailleurs porté à la connaissance du demandeur, en même temps que la décision de la Banque concernant la demande d’agrément. En effet, même si la Banque estime que les points éventuellement identifiés par la FSMA comme requérant une attention particulière ne constituent pas, au regard du dossier global, un motif suffisant de refus d’agrément, il est souhaitable que l’entreprise concernée soit ab initio informée de ces points. Elle pourra ainsi y remédier et éviter que la FSMA ne doive, à un stade ultérieur, lui imposer des mesures de redressement dans le cadre de l’exercice 59 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 moet opleggen in het kader van de uitoefening van haar eigen bevoegdheden. Overeenkomstig ontwerpartikel 30 behoudt de FSMA ten aanzien van de ondernemin- gen waaraan aldus een vergunning is verleend, een exclusieve transversale bevoegdheid voor wat betreft het toezicht op de gedragsregels. Art. 28 tot 31 Ontwerpartikel 28 zorgt voor de omzetting van artikel 25 van de Richtlijn en bepaalt dat de Bank, na de indie- ning van een volledig dossier, voortaan over een termijn van zes maanden beschikt om zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag. Zoals reeds vermeld in de commentaar bij ontwerpar- tikel 18, mag de Bank op grond van ontwerpartikel 29 de vergunning beperken of er voorwaarden aan verbinden met betrekking tot de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen activiteiten. Ontwerpartikel 30 bepaalt welke gegevens van het vergunningsdossier de Bank ter beschikking moet stel- len van de FSMA om haar toe te laten haar bevoegd- heden uit te oefenen. De verplichting voor de Bank om op haar website een (geactualiseerde) lijst bekend te maken van de verzeke- rings- en herverzekeringsondernemingen waaraan een vergunning is verleend, is opgenomen in ontwerpartikel 31. Het derde lid van dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 176, eerste en derde alinea van de Richtlijn, dat bepaalt dat de toezichthouders van de lidstaten de Europese Commissie en de toezichthouders van de andere lidstaten in kennis moeten stellen wanneer een vergunning wordt verleend aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming is van een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert. HOOFDSTUK II Vergunningsvoorwaarden Hoofdstuk II bevat de voorwaarden voor het verkrij- gen van de vergunning. Ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 zijn sommige voorwaarden nader uitgewerkt, in overeenstemming met de Richtlijn. Dit is met name het geval voor de or- ganisatorische vereisten waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet voldoen. de ses propres compétences. Conformément à l’article 30 en projet, la FSMA conserve en effet, à l’égard des entreprises ainsi agréées, une compétence exclusive transversale pour ce qui est du contrôle en matière de règles de conduite. Art. 28 à 31 L’article 28 en projet assure la transposition de l’ar- ticle 25 de la Directive et octroie désormais à la Banque, pour statuer sur les demandes d’agrément, un délai de six mois à partir de l’introduction d’un dossier complet. Ainsi que déjà évoqué sous le commentaire de l’article 18 en projet, l’article 29 en projet permet à la Banque de limiter l’agrément ou de l’assortir de condi- tions relatives à l’exercice de certaines des activités projetées. L’article 30 en projet précise les éléments du dos- sier d’agrément que la Banque veillera à mettre à la disposition de la FSMA pour permettre à cette dernière d’exercer ses compétences. L’obligation pour la Banque de publier sur son site internet une liste (actualisée) des entreprises d’assu- rance et de réassurance agréées, est reprise à l’article 31 en projet. Dans son alinéa 3, cet article assure en outre la transposition de l’article 176, alinéas 1er et 3 de la Directive, lequel impose aux autorités de contrôle des États membres d’informer la Commission européenne et les autorités de contrôle des autres États membres lorsque l’agrément est octroyé à une entreprise d’assu- rance ou de réassurance qui est la filiale directe ou indi- recte d’une entreprise d’assurance ou de réassurance relevant du droit d’un État tiers. CHAPITRE II Conditions d’agrément Le Chapitre II énonce les conditions liées à l’obtention de l’agrément. Par rapport à la loi du 9 juillet 1975 et la loi du 16 février 2009, conformément à la Directive, certaines conditions font l’objet de développements plus importants. Il en va notamment ainsi des exigences organisationnelles auxquelles doit satisfaire l’entreprise d’assurance ou de réassurance. 60 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling I Algemene bepalingen Art. 32 De ervaring heeft uitgewezen dat sommigen voor- stander waren van een strikt letterlijke lezing van de wet, door een onderscheid te maken tussen vergun- ningsvoorwaarden en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden, alsof die twee categorieën van voorwaarden absoluut gescheiden zouden zijn en alsof aan de eerste voor- waarden alleen op het ogenblik van het verkrijgen van de vergunning zou moeten worden voldaan. Een dergelijke lezing is uiteraard volledig verkeerd: hoewel de wet een onderscheid maakt tussen vergunningsvoorwaarden en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden, moet uiteraard aan de vergunningsvoorwaarden worden voldaan op elk ogenblik van het bestaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Evenzo kan de vergun- ning niet worden afgeleverd als de Bank oordeelt dat de onderneming niet in staat is om aan de bedrijfsuitoefe- ningsvoorwaarden te voldoen, hoewel de onderneming uit een strikt formeel oogpunt zou kunnen stellen dat ze aan de vergunningsvoorwaarden voldoet. Het is die laatste opvatting die ontwerpartikel 32 be- oogt te verduidelijken, door aan te geven dat de Bank behalve met de vergunningsvoorwaarden ook rekening moet houden met het vermogen van de aanvragende onderneming om — permanent — te voldoen aan de in Titel II bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezen- lijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van de sector van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en van het financiële stelsel evenals voor de bescherming van de verzeke- ringnemers, de verzekerden en de begunstigden. De beoordeling van het vergunningsdossier is derhalve geen mechanische procedure, maar veeleer een pro- cedure waarbij de discretionaire bevoegdheid van de toezichthouder wordt uitgeoefend voor de verschillende aspecten van het project, met name zijn financiële en organisatorische leefbaarheid. In dit verband zij gewezen op de macroprudenti- ele dimensie waarvoor de toezichthouder eveneens aandacht moet hebben bij de beoordeling van het vergunningsdossier, aangezien de ontwikkeling van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de goede werking van de sector van de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen en de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden in gevaar zou kunnen brengen. Section Ire Généralités Art. 32 L’expérience a montré que certains défendaient une lecture strictement littérale de loi en distinguant les conditions d’agrément et les conditions d’exercice, comme si les deux présentaient une étanchéité absolue et que les premières ne devaient être satisfaites qu’au seul moment de l’obtention de l’agrément. Une telle lecture est bien évidemment totalement erronée: si la loi distingue les conditions d’agrément et les conditions d’exercice, il n’en reste pas moins que les conditions d’agrément doivent, bien entendu, être respectées à tout moment, en cours de vie de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. De même, l’agrément ne pourrait être délivré si la Banque estimait que l’entreprise ne sera pas en mesure de satisfaire aux conditions d’exercice alors même que, d’un point de vue strictement formel, elle pourrait prétendre répondre aux conditions d’agrément. C’est cette dernière idée que l’article 32 en projet entend préciser en indiquant qu’outre les conditions d’agrément, la Banque doit également tenir compte de l’aptitude de l’entreprise requérante à satisfaire — en permanence — aux conditions d’exercice de l’activité visées au Titre II ainsi qu’à réaliser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du secteur des entreprises d’assu- rance ou de réassurance et du système financier et la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. L’appréciation du dossier d’agrément ne constitue donc pas une procédure mécanique mais bien une procédure à l’occasion de laquelle le pouvoir d’appréciation discrétionnaire de l’autorité de contrôle s’exerce sur les différents aspects du projet, notamment sa viabilité tant financière qu’organisationnelle. On souligne ici la dimension macroprudentielle à laquelle l’autorité de contrôle doit également avoir égard dans l’appréciation du dossier d’agrément dans la mesure où le développement de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance pourrait porter atteinte au bon fonctionnement du secteur des entreprises d’assurance ou de réassurance et à la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. 61 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Vennootschapsvorm en doel Art. 33 Dit artikel betreft de vorm die verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen naar Belgisch recht kunnen aannemen. Overeenkomstig Bijlage III van de Richtlijn, bepaalt ontwerpartikel 33, eerste lid, dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht niet alleen de vorm van een naamloze vennootschap, een coöperatieve vennootschap of een onderlinge verzeke- ringsvereniging mag aannemen, maar eveneens deze van een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap. Het niet-levensverzekeringsbedrijf mag ook worden uitgeoefend door een onderneming die de vorm heeft van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand, mits voldaan is aan de voorwaarden van ont- werpartikel 34, § 2. Art. 34 Dit artikel betreft het doel dat kan worden nagestreefd door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht. Overeenkomstig het specialiteitsbeginsel dat in de Richtlijn is neergelegd (art. 18, lid 1, onder a) ), dienen verzekeringsondernemingen hun doel te beperken tot de verzekeringsactiviteit en de verrich- tingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit. Gelet op de interpretatie die aan deze beperking moet worden gegeven, mede in het licht van de arresten ter zake van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 20  april  1999, (Försäkringsaktiebolaget Skandia), C-241/97, Jurispr. HvJ, 1999, blz. I-1896  en HvJ, 21 september 2000 (Association basco-béarnaise des opticiens indépendants tegen Préfet des Pyrénées- Atlantiques), C-109/99, Jurispr. HvJ, 2000, blz. I-7265), waaruit blijkt dat de ratio legis van het specialiteitsbe- ginsel dat een verbod inhoudt om andere dan verzeke- ringsactiviteiten uit te oefenen, er met name in bestaat de verzekerden te beschermen tegen de risico’s die de uitoefening van handelsactiviteiten zou kunnen inhou- den voor de solvabiliteit van die ondernemingen, moet het specialiteitsbeginsel strikt geïnterpreteerd worden, zodat een verzekeringsonderneming slechts twee types activiteiten mag uitoefenen, te weten verzekeringsactivi- teiten en activiteiten die er rechtstreeks uit voortvloeien Section II Forme sociétaire et objet Art. 33 Cet article traite de la forme que peuvent adopter les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge. Conformément à l’Annexe III de la Directive, l’ar- ticle 33, alinéa 1er en projet permet aux entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge de prendre, outre les formes de société anonyme, société coopérative, ou d’association d’assurance mutuelle, la forme d’une société européenne ou d’une société coopérative européenne. En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie, celle-ci peut également être exercée par le biais d’une société mutualiste d’assurance dans les conditions visées à l’article 34, § 2 en projet. Art. 34 Cet article traite de l’objet que peuvent poursuivre les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge. Consacrant le principe de spécialité conformément au prescrit de la Directive (art. 18, paragraphe 1er, a) ), pour les entreprises d’assurance, l’objet doit être limité à l’activité d’assurance et aux opérations qui en découlent directement, à l’exclusion de toute autre activité commer- ciale. Eu égard à l’interprétation qu’il convient de donner à cette restriction, notamment à la lumière des arrêts de la Cour de Justice de l’Union européenne en la matière (C.J.C.E., 20  avril  1999, (Försäkringsaktiebolaget Skandia), C-241/97, Rec. C.J.C.E., 1999, p. I-1896 et C.J.C.E., 21  septembre  2000  (Association basco- béarnaise des opticiens indépendants c/ Préfet des Pyrénées-Atlantiques), C-109/99, Rec. C.J.C.E., 2000, p. I-7265) desquels il ressort que la ratio legis du prin- cipe de spécialité interdisant d’exercer des activités étrangères à l’assurance consiste notamment à protéger les assurés contre les risques que pourrait engendrer l’exercice d’activités commerciales pour la solvabilité de ces entreprises, le principe de spécialité doit être interprété de manière stricte de sorte qu’une entreprise d’assurance ne peut exercer que deux types d’activités, les activités d’assurance et les activités qui en découlent directement (c.-à-d. des activités de placement ou d’investissement). Toute autre activité est exclue. À titre 62 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 (namelijk beleggings- of investeringsactiviteiten). Alle andere activiteiten zijn uitgesloten. Een kredietbemid- delingsactiviteit bijvoorbeeld mag niet worden uitge- oefend door een verzekeringsonderneming aangezien dit geen activiteit is die rechtstreeks voortvloeit uit de verzekeringsactiviteit. Ook andere types van bemid- delingsactiviteiten zijn uitgesloten, met name wanneer de bemiddeling enkel bestaat in het aanbrengen van nieuwe cliënten. Het doel van herverzekeringsondernemingen moet overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b) van de Richtlijn beperkt blijven tot herverzekeringsactiviteiten en daar- mee samenhangende verrichtingen, met inbegrip van de functie van holding. Onder “daarmee samenhangende verrichtingen” wordt met name verstaan het verstrekken van statistische analyses en actuariële risicoanalyses aan of het uitvoeren van onderzoek voor cliënten (zie overweging 13 van de Richtlijn). Deze beperkingen gelden enkel voor het wezenlijke doel van de betrokken ondernemingen en niet voor de activiteiten die zij zouden kunnen uitoefenen om de belegging van de dekkingswaarden voor hun technische voorzieningen te verzekeren, noch voor de nevenac- tiviteiten die zij verrichten om hun vermogen te doen aangroeien. Deze beperkingen beletten ook niet dat het statuut van verzekeringsonderneming gecombineerd wordt met dat van herverzekeringsonderneming, als bepaald in ontwerpartikel 18, derde lid. De Richtlijn laat namelijk toe (of toch onrechtstreeks, op grond van artikel 74, lid 2, onder a) en b)), dat verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen een tweeledig doel nastreven. Zo mag een onderneming tegelijkertijd verzekeringsonderne- ming en herverzekeringsonderneming zijn. In dat geval zijn de bepalingen van de wet met betrekking tot elk van deze statuten op de betrokken onderneming van toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld. De in ontwerpartikel 34, § 2 opgenomen beperking van de activiteiten van verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand tot de ziekteverzekeringen in de zin van tak 2 als vermeld in Bijlage 1 en, aanvullend, tot de hulpverlening die behoort tot tak 18 als vermeld in Bijlage 1, is niet nieuw; het gaat om een getrouwe weergave van artikel 2, § 1ter van de wet van 9 juli 1975, als inge- voegd bij de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering (BS 28 mei 2010), en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector (BS 9 maart 2011). d’exemple, une activité d’intermédiation en crédits ne constituant pas une activité découlant directement de l’activité d’assurance, elle ne peut donc être exercée par une entreprise d’assurance. La réponse est identique quelle que soit la nature de l’intermédiation envisagée, notamment dans l’hypothèse où elle consisterait uni- quement dans un simple apport de clients. L’objet social des entreprises de réassurance, quant à lui, doit, conformément à l’article 18, paragraphe 1er, b) de la Directive, rester limité à l’activité de réassurance et aux opérations liées à cette activité, en ce compris la fonction de holding. Par opérations liées à l’acti- vité de réassurance, on vise notamment la fourniture d’analyses statistiques et d’analyses actuarielles de risques ainsi que la fourniture d’études à ses clients (voir considérant n° 13 de la Directive). Ces limitations n’affectent que l’objet essentiel des entreprises concernées et non pas les activités qui pour- raient être exercées en vue d’assurer le placement des valeurs représentatives de leurs réserves techniques, ni davantage les activités exercées à titre accessoire pour faire fructifier l’ensemble de leur patrimoine. En outre, ces limitations sont sans préjudice de la possibilité de cumuler le statut d’entreprise d’assurance avec celui d’entreprise de réassurance, telle que prévue à l’article 18, alinéa 3 en projet. La Directive permet, en effet, aux entreprises d’assurance ou de réassurance (à tout le moins indirectement, sur la base de son article 74, paragraphe 2, a) et b)), de poursuivre un double objet social. Ainsi, une même entreprise peut être à la fois entreprise d’assurance et entreprise de réassurance. Dans ce cas, les dispositions de la loi relatives à cha- cune de ces statuts lui sont applicables, sauf mention spécifique. La limitation des activités des sociétés mutualistes d’assurance aux assurances maladies au sens de la branche 2 mentionnée à l’Annexe 1 et, à titre complé- mentaire, à l’assistance relevant de la branche 18 men- tionnée à l’Annexe I, reprise à l’article 34, § 2 en projet, n’est pas neuve et est une reproduction fidèle de l’article 2, § 1ter de la loi du 9 juillet 1975, tel qu’introduit par la loi du 26 avril 2010 portant des dispositions diverses en matière d’organisation de l’assurance maladie complé- mentaire (MB 28 mai 2010), et modifié par l’arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en œuvre l’évolution des struc- tures de contrôle du secteur financier (MB 9 mars 2011). 63 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Programma van werkzaamheden Art. 35 en 36 Ontwerpartikel 35 zorgt voor de omzetting van ar- tikel 23 van de Richtlijn en bepaalt de inhoud van het programma van werkzaamheden dat overeenkomstig ontwerpartikel 22 deel moet uitmaken van het adminis- tratief dossier dat bij elke vergunningsaanvraag moet worden gevoegd. Overeenkomstig ontwerpartikel 36  moet ook een programma van werkzaamheden worden voorgelegd door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die haar activiteiten wenst uit te breiden met toepassing van ontwerpartikel 19. Afdeling IV Eigen vermogen Art. 37 en 38 Deze artikelen bepalen aan welke eigenvermogens- vereisten de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming moet voldoen wanneer zij een vergunning aan- vraagt. Zo moet de onderneming aantonen dat zij in staat is om voldoende eigen vermogen aan te houden om de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste te bereiken en om zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste (het zogenaamde “SCR”) als het minimumkapitaalver- eiste (het zogenaamde “MCR”) te dekken. Voor een uitvoerige toelichting op deze vereisten zij verwezen naar de artikelen 151 en 189. Voor verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen die hun activiteiten wensen uit te breiden tot andere activiteiten, overeenkomstig artikel 19, geldt een soort- gelijke verplichting. Afdeling V Aandeelhouders of vennoten Art. 39 Ontwerpartikel 39 handelt over de beoordeling van het aandeelhouderschap van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming en zorgt voor de omzetting van artikel 24, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn. Artikel 24, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn be- paalt niet uitdrukkelijk dat voor deze beoordeling van de Section III Programme d’activités Art. 35 et 36 L’article 35  en projet assure la transposition de l’article 23  de la Directive et précise le contenu du programme d’activités lequel doit, conformément à l’article 22 en projet, faire partie du dossier administratif accompagnant toute demande d’agrément. Conformément à l’article 36 en projet, un programme d’activités doit également être présenté par toute entreprise d’assurance ou de réassurance qui souhaite étendre ses activités en application de l’article 19 en projet. Section IV Fonds propres Art. 37 et 38 Ces articles identifient les exigences de fonds propres que l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit rencontrer lorsqu’elle sollicite un agrément. Ainsi, l’entreprise doit démontrer qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres nécessaires pour atteindre le seuil absolu du minimum de capital requis et de couvrir tant le capital de solvabilité requis (ledit “SCR”) que le minimum de capital requis (ledit “MCR”). Il est renvoyé aux articles 151 et 189 pour le détail de ces exigences. Une démonstration similaire s’impose aux entreprises d’assurance ou de réassurance souhaitant étendre leurs activités à d’autres activités, conformément à l’article 19. Section V Détenteurs du capital Art. 39 L’article 39 en projet traite de l’appréciation relative à l’actionnariat de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et assure la transposition de l’article 24, paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive. L’article 24, paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive ne fait pas expressément dépendre cette évaluation des 64 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aandeelhouders in het stadium van de indiening van de vergunningsaanvraag dezelfde criteria gelden als voor de beoordeling van het passende karakter van een kandidaat-verwerver van een gekwalificeerde deelne- ming (die in artikel 59 van de Richtlijn zijn opgenomen). Ter wille van de coherentie en de rechtszekerheid zijn de voorwaarden op basis waarvan de Bank de geschikt- heid beoordeelt om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te garanderen, voortaan opgenomen in de vergunnings- voorwaarden en wordt er enkel naar verwezen in ont- werpartikel 66, dat betrekking heeft op de beoordeling van latere wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur. Deze voorwaarden zijn afkomstig van Richtlijn 2007/44/EG en zijn overgenomen in artikel 59 van de Richtlijn. Ze zijn genoegzaam bekend, en ondanks het gebruik van soms verschillende termen in de ver- schillende versies van de richtlijnen, blijft hun inhoud identiek. Voor een toelichting raadplege men de parle- mentaire voorbereiding van de wet van 31 juli 2009 tot omzetting van Richtlijn 2007/44/EG (Parl.St. Kamer 2008-2009, Doc 52 — 2011/001) alsook de gezamenlijke werkzaamheden van de vroegere Europese comités van banktoezichthouders (CEBS), toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen (CEIOPS) en ef- fectenregelgevers (CERS), met als titel “Guidelines for prudential assessment of acquisition and increase of holdings in the financial sector required by Directive 2007/44/EC”. Tot slot dient de aandacht ook te worden gevestigd op de in ontwerpartikel 26 neergelegde verplichting voor de Bank om de buitenlandse bevoegde autoriteiten of de FSMA te raadplegen wanneer de betrokken aandeel- houder een onderneming is die onder het toezicht staat van een buitenlandse bevoegde autoriteit of de FSMA. Afdeling VI Leiding Art. 40 De voorschriften van ontwerpartikel 40  zijn niet nieuw; zij stemmen overeen met die van de artikelen 90, §§ 1 en 2 van de wet van 9 juli 1975 en 17, §§ 1 en 2 van de wet van 16 februari 2009, als vervangen bij de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen. Er zij verwezen naar de commentaar bij de voor- noemde artikelen van de wet van 9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009, als ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen, die in het kader van het voorliggende ontwerp nog steeds relevant actionnaires au stade de l’introduction de la demande de l’agrément, des mêmes critères que ceux énoncés pour déterminer le caractère approprié d’un candidat acquéreur d’une participation qualifiée (reprises à l’article 59 de la Directive). Dans un souci de cohérence et de sécurité juridique, les conditions au regard des- quelles la Banque effectue l’appréciation des qualités nécessaires pour garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont désormais précisées dans les conditions d’agrément et il y est simplement fait référence à l’article 66 en projet, traitant de l’évaluation des modifications subséquentes de l’actionnariat. Ces conditions sont initialement issues de la directive 2007/44/CE et reprises à l’article 59 de la Directive. Elles sont bien connues et malgré l’usage de vocables parfois différents au fil des versions des directives, leur contenu demeure identique. Pour un développement, il est renvoyé aux travaux préparatoires de la loi du 31 juillet 2009 assurant la transposition de la directive 2007/44/CE (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2008-2009, Doc 52 — 2011/001) ainsi qu’aux travaux conjoints des anciens comités européens des contrôleurs bancaires (CEBS), des contrôleurs des assurances et des pen- sions professionnelles (CEIOPS) et des régulateurs des marchés de valeurs mobilières (CERS), intitulés “Guidelines for prudential assessment of acquisition and increase of holdings in the financial sector required by Directive 2007/44/EC”. Enfin, il convient d’également attirer l’attention sur l’obligation de la Banque, reprise à l’article 26 en projet, de consulter les autorités compétentes étrangères ou la FSMA, si l’actionnaire concerné est une entreprise ressortissant du contrôle d’une autorité compétente étrangère ou de la FSMA. Section VI Dirigeants Art. 40  Les prescriptions de l’article 40 en projet ne sont pas neuves et correspondent aux articles 90, §§ 1er et 2 de la loi du 9 juillet 1975 et 17, §§ 1er et 2 de la loi du 16  février  2009, tels que remplacés par la loi du 25 avril 2014 portant des dispositions diverses. On renvoie aux commentaires des articles précités de la loi du 9 juillet 1975 et de la loi du 16 février 2009, tels qu’introduits par la loi du 25 avril 2014 portant des dis- positions diverses, qui conservent toute leur pertinence dans le cadre du présent projet (Doc. parl., Chambre, 65 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 is (Parl.St. Kamer, 2013-2014, nr. 53-3413/001, 15, waarin verwezen wordt naar de parlementaire voorbe- reiding van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, Parl.St. Kamer, 2013-2014, 53-3406/001, 32). Voor zover nodig zij er evenwel aan herinnerd dat ont- werpartikel 40 betrekking heeft op de eigenschappen die de leiders van verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen moeten hebben en de uitoefening van de ef- fectieve leiding overeenkomstig het “vierogenprincipe”. Alleen natuurlijke personen mogen de functie van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming uitoefenen of de effectieve leiding van een dergelijke onderneming voeren. Hetzelfde geldt voor de personen die op het hoogste niveau operationeel verantwoordelijk zijn voor de verschillende onafhankelijke controlefuncties. Voor de leden van het wettelijk bestuursorgaan impli- ceert dit voorstel dat de niet-uitvoerende leden, d.w.z. de bestuurders die niet deelnemen aan de effectieve leiding van de onderneming, net zoals de bestuurders die aan de effectieve leiding deelnemen, natuurlijke personen moeten zijn. In het verleden werd de uitoefening van een bestuur- dersmandaat door een rechtspersoon onder bepaalde voorwaarden toegestaan, met name voor zover deze niet deelnam aan de effectieve leiding (zie voor het geval van een kredietinstelling, Commissie voor Bank- en Financiewezen, Jaarverslag, 1988-89, pp. 18-20; Jaarverslag, 1990-1991, pp. 41-42; Jaarverslag, 2002- 2003, pp. 87-88). Deze benadering wordt ingegeven door verschil- lende factoren. De ontwikkelingen inzake corporate governance van de financiële instellingen, als gevolg van de financiële crisis van de laatste jaren, leggen het accent op de persoonlijkheid en de eigenschappen van iedere bestuurder als individu, in plaats van een louter functionele visie op de rol van de bestuurder te huldigen. De cruciale rol van de niet-uitvoerende bestuurder op het vlak van het toezicht op en het kritisch onderzoek (challenging) van het management werd eveneens verruimd. Tot slot wordt de voorgestelde wijziging ook gerechtvaardigd door de transparantie inzake de wer- king van het wettelijk bestuursorgaan, te meer omdat de niet-uitvoerende bestuurders aan de vereisten van deskundigheid en professionele betrouwbaarheid moe- ten voldoen (zie infra). 2013-2014, n° 53-3413/001, p. 15 qui renvoit aux travaux préparatoires de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, Doc. parl., Chambre, 2013-2014, n° 53-3406/001, p. 32). À toutes fins utiles, on rappelle néanmoins ici que l’article 40 en projet traite des qualités que doivent présenter les dirigeants des entreprises d’assurance ou de réassurance ainsi que de l’exercice de la direction effective conformément au “principe des quatre yeux”. C’est ainsi que seules des personnes physiques peuvent assumer les fonctions de membre de l’organe légal d’administration d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou prendre en charge la direction effective d’une telle entreprise. Il en va de même des personnes assumant la responsabilité opérationnelle au plus haut niveau des différentes fonctions de contrôle indépendantes. En ce qui concerne les membres de l’organe légal d’administration, cette proposition implique que les membres non exécutifs, c’est-à-dire les administra- teurs qui ne participent pas à la direction effective de l’entreprise, doivent, à l’instar des administrateurs qui participent à la direction effective, être des personnes physiques. Par le passé, l’exercice par une personne morale d’un mandat d’administrateur avait été admis, sous certaines conditions, notamment pour autant qu’elle ne participe pas à la direction effective (Voy. dans le cas d’un établissement de crédit, Commission bancaire et financière, Rapport annuel, 1988-89, pp. 18-20; Rapport annuel, 1990-1991, pp. 41-42; Rapport annuel, 2002- 2003, pp. 87-88). Pour rappel, plusieurs éléments expliquent l’approche suivie. Les développements en matière de gouver- nance des établissements financiers suite à la crise financière de ces dernières années mettent l’accent sur la personnalité ainsi que les qualités de chaque administrateur en tant qu’individu plutôt qu’une vision purement fonctionnelle de son rôle. Le rôle crucial de l’administrateur non exécutif sur le plan du contrôle et de l’examen critique (challenging) du management a également été développé. Enfin, la transparence en matière de fonctionnement de l’organe légal d’admi- nistration justifie également la modification proposée, et ce, d’autant plus que les administrateurs non exécutifs doivent satisfaire aux exigences d’expertise et d’hono- rabilité professionnelle (voy. infra). 66 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Hierbij komt nog dat andere bepalingen van de ontwerpwet, net zoals in de wetten van 9 juli 1975 en 16  februari  2009, betrekking hebben op de eigen- schappen die verlangd worden van bestuurders van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, ook wanneer ze niet deelnemen aan de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; zo bepaalt ontwerpartikel 41  net zoals de artikelen 90/4 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 25, § 1 van de wet van 16 februari 2009, dat de bestuurders bepaalde veroordelingen niet mogen hebben opgelopen en bevat ontwerpartikel 83 regels inzake de cumulatie van amb- ten die door de bestuurders moeten worden nageleefd om in het bestuur van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming voldoende beschikbaarheid en auto- nomie te waarborgen. Andere bepalingen kennen aan deze bestuurders een specifieke rol toe in de werking van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. In dit verband zij verwezen naar de rol en de samenstel- ling van het auditcomité, het remuneratiecomité en het risicocomité (zie ontwerpartikel 48). Het wettelijk bestuursorgaan van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet dus uitsluitend uit natuurlijke personen bestaan. Hetzelfde zal nood- zakelijkerwijs gelden voor de leden van het directie- comité, gelet op de verplichting, die vastgelegd is in de ontwerpartikelen 45, § 1 en 46, § 1, dat dit orgaan uitsluitend mag zijn samengesteld uit leden van het wet- telijk bestuursorgaan. Ook de personen die deelnemen aan de effectieve leiding en die geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, mogen uitsluitend natuurlijke personen zijn. Het begrip “effectieve leiding” werd uitvoerig be- sproken in het kader van artikel 4  van de wet van 17 juli 1985, dat de eerste bankrichtlijn heeft omgezet in Belgisch recht (Parl.St. Kamer 1981-1982, nr. 277/1, 6 e.v.). De Bank heeft dit begrip eveneens verduidelijkt (zie Reglement van de Nationale Bank van België van 6  december  2011  met betrekking tot de uitoefening van externe functies door leiders van gereglemen- teerde ondernemingen; Circulaire NBB_2013_02 van 17 juni 2013, De standaarden van “deskundigheid” en “professionele betrouwbaarheid” voor de leden van het directiecomité, de bestuurders, de verantwoordelijken voor onafhankelijke controlefuncties en de effectieve leiders van financiële instellingen). Deze commentaren blijven relevant in het kader van dit ontwerp. De term “effectieve leiding” refereert aan de groep van personen, al dan niet bestuurders, waarvan de functie binnen de verzekerings- of herverzekeringson- derneming impliceert dat ze op het hoogste niveau een On ajoute que d’autres dispositions de la loi en projet, tout comme dans les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009, concernent les qualités requises des administrateurs d’entreprises d’assurance ou de réas- surance même dans le cas où ils ne participent pas à la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance: ainsi, l’article 41 en projet dispose que les administrateurs ne peuvent pas avoir encouru cer- taines condamnations et l’article 83 en projet prévoit, à l’instar des articles 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 et 25, § 1er de la loi du 16 février 2009, des règles en matière de cumul à respecter par les administrateurs afin de garantir une disponibilité et une autonomie suffisantes dans l’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. D’autres dispositions leur confèrent un rôle spécifique dans le fonctionnement de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. On renvoie à ce propos au rôle et à la composition du comité d’audit, du comité de rémunération et du comité des risques (voy. l’article 48 en projet). L’organe légal d’administration d’une entreprise d’assurance ou de réassurance doit donc être com- posé exclusivement de personnes physiques. Il en ira nécessairement de même pour les membres du comité de direction vu l’obligation, reprise aux articles 45, § 1er et 46, § 1er en projet, que celui-ci soit composé exclusi- vement de membres de l’organe légal d’administration. Quant aux personnes qui prennent part à la direction effective, et qui ne seraient pas membres de l’organe légal d’administration, elles doivent également être exclusivement des personnes physiques. La notion de direction effective a été largement commentée dans le cadre de l’article 4 de la loi du 17 juillet 1985 qui a assuré la transposition en droit belge de la première directive bancaire (Doc. parl., Chambre, 1981-1982, n°277/1, pp. 6 e.s.). La Banque a également explicité cette notion (voy. le règlement de la Banque nationale de Belgique du 6 décembre 2011 concer- nant l’exercice de fonctions extérieures par les dirigeants d’entreprises réglementées; la Circulaire NBB_2013_02 du 17 juin 2013, Normes en matière d’expertise et d’honorabilité professionnelle pour les membres du comité de direction, les administrateurs, les responsables de fonctions de contrôle indépendantes et dirigeants effectifs d’établissements financiers). Ces commentaires conservent leur pertinence dans le cadre du présent projet. On rappelle que la direction effective s’entend du groupe de personnes, administrateurs ou non, dont la fonction au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance implique qu’elles exercent au plus haut 67 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 rechtstreekse en beslissende invloed uitoefenen op het beheer van de bedrijfsactiviteit. De effectieve leiding bestaat aldus uit de leden van dit directiecomité en de personen van een hiërarchisch niveau net daaronder, voor zover deze personen een rechtstreekse en doorslaggevende invloed kunnen uit- oefenen op het beheer van alle of bepaalde activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Indien er, overeenkomstig ontwerpartikel 47, binnen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming geen directiecomité is opgericht als gevolg van een afwijking die door de Bank is toegestaan, wordt onder “effectieve leiding” de personen verstaan die op het hoogste niveau deelnemen aan het bestuur van de onderneming, d.w.z. de uitvoerende bestuurders evenals de personen die, zonder de hoedanigheid van bestuurder te hebben, door de onderneming als effectieve leiders worden beschouwd wegens de rechtstreekse en doorslagge- vende invloed die zij kunnen uitoefenen op het beheer van alle of bepaalde activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Bovendien wordt ervan uitgegaan dat de leiders van de in de Europese Economische Ruimte gevestigde bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen naar Belgisch recht ook deel uitmaken van de effectieve leiding (zie artikel 1, 11° van het reglement van de Nationale Bank van België van 6 december 2011 met betrekking tot de uitoefening van externe functies door leiders van gereglementeerde ondernemingen). Deze interpretatie is verankerd in ontwerpartikel 108 (zie infra, commentaar bij ontwerpartikel 108). De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient zelf te bepalen welke personen deel uitmaken van de effectieve leiding. Sedert enkele jaren al raadt de pru- dentiële toezichthouder het directiecomité of, wanneer er geen directiecomité is, het wettelijk bestuursorgaan aan om via een formele beslissing (die rekening houdt met de effectieve besluitvorming met betrekking tot haar activiteiten), een lijst met namen of functies op te stel- len van de personen die, zonder bestuurder te zijn, als effectieve leiders moeten worden beschouwd. Vervolgens bevestigt ontwerpartikel 40, § 1, tweede lid het vereiste voor leiders van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen om over de nodige betrouwbaarheid en ervaring te beschikken. Zo wordt verlangd dat alle leden van het wettelijk bestuursorgaan, ongeacht of ze al dan niet deel nemen aan de effectieve leiding van de onderneming, en alle personen belast met de effectieve leiding die geen lid zijn van het wettelijk niveau une influence directe et décisive sur la direction de l’activité de l’entreprise. Font ainsi partie de la direction effective les membres du comité de direction ainsi que les personnes dont la fonction est située à un niveau hiérarchique immédiate- ment inférieur pour autant que ces personnes puissent exercer une influence directe et déterminante sur la direction de tout ou partie des activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Lorsque, conformément à l’article 47 en projet, un comité de direction n’a pas été institué au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance en raison d’une dérogation accordée par la Banque, la direction effective s’entend des personnes qui participent au plus haut niveau à la gestion de l’entreprise, c’est-à-dire les administrateurs exécutifs ainsi que les personnes qui, sans avoir la qualité d’administrateur, sont considérées par l’entreprise comme des dirigeants effectifs en raison de l’influence directe et déterminante qu’elles peuvent exercer sur la direction de tout ou partie des activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. En outre, il est considéré que les dirigeants des suc- cursales établies dans l’Espace économique européen par des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge entrent également dans la catégorie des personnes prenant part à la direction effective (voy. art. 1er, 11° du règlement de la Banque nationale de Belgique du 6 décembre 2011 concernant l’exercice de fonctions extérieures par les dirigeants d’entreprises réglementées). Cette interprétation est traduite dans l’article 108 en projet (Voir infra le commentaire relatif à l’article 108 en projet). Il appartient à l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance elle-même de déterminer quelles personnes font partie de la direction effective. Depuis plusieurs années déjà, l’autorité de contrôle prudentiel conseille au comité de direction ou, à défaut d’un tel comité, à l’organe légal d’administration d’établir, par la voie d’une décision for- melle (tenant compte du processus décisionnel effectif relatif à ses activités), une liste reprenant le nom ou la fonction des personnes qui, sans être administrateur, doivent être considérées comme des dirigeants effectifs. L’article 40, § 1er, alinéa 2 en projet confirme ensuite l’exigence d’honorabilité et d’expérience dans le chef des dirigeants d’entreprises d’assurance ou de réas- surance. C’est ainsi qu’il est exigé de l’ensemble des membres de l’organe légal d’administration, qu’ils prennent part ou non à la direction effective de l’entre- prise, ainsi que des personnes chargées de la direction effective, qui ne seraient pas membres de l’organe 68 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bestuursorgaan, over de voor de uitoefening van hun functie vereiste betrouwbaarheid en passende deskun- digheid beschikken. Betrouwbaarheid houdt in dat de leider eerlijk en integer is. Deze betrouwbaarheid vereist van hem een onberispelijke beroepsethiek, die garant staat voor de naleving door de vennootschap van de in de wet ver- melde verplichtingen en verbodsbepalingen, en van de andere gedragsregels die van toepassing zijn in de sector. De voorwaarde inzake professionele betrouw- baarheid is geen formele voorwaarde die kan worden teruggevoerd op het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling. Op grond van haar eigen analyse van de feiten in het dossier, kan de Bank oordelen dat sommige handelingen of gedragingen van de leiders een aan- tasting vormen van de professionele betrouwbaarheid van deze personen, wat losstaat van de strafrechtelijke kwalificatie van deze gedragingen of handelingen of van de afloop van een strafrechtelijke procedure die in voor- komend geval zou zijn ingesteld tegen deze personen. Het begrip “passende deskundigheid voor de uitoe- fening van een specifieke functie” bestrijkt de beroeps- kwalificaties, —kennis en —ervaring die krachtens artikel 42, lid 1, onder a), van de Richtlijn vereist zijn om te voldoen aan het deskundigheidsvereiste. Met de term “deskundigheid” beoogt men de drie voornoemde eigenschappen te omvatten. Deze eigenschappen worden beoordeeld op grond van de kenmerken van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar de leider zijn functies uitoefent (aard van de activiteit, complexiteit, risicoprofiel, …), maar ook van de inhoud van de functie. Er wordt van hem ook verwacht dat hij een passende professionele houding aanneemt. Zoals hoger vermeld, wordt het vereiste van profes- sionele betrouwbaarheid en deskundigheid conform artikel 42 van de Richtlijn overigens uitgebreid tot de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controle- functies, namelijk de natuurlijke personen die op het hoogste niveau operationeel verantwoordelijk zijn voor de interneauditfunctie, de compliancefunctie, de risi- cobeheerfunctie of de actuariële functie als bedoeld in ontwerpartikel 54. In dit verband wordt verwezen naar de commentaar bij deze bepaling. De professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid worden beoordeeld bij de infunctietreding, maar ook in de loop van de uitoefening van de functie, net zoals alle voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan de verzekerings- of herverzekeringson- derneming. Met andere woorden, zoals benadrukt in ar- tikel 42, lid 1 van de Richtlijn, moeten de vereisten inzake betrouwbaarheid en deskundigheid noodzakelijkerwijs légal d’administration, qu’ils présentent l’honorabilité nécessaire et l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction. L’honorabilité vise l’honnêteté et l’intégrité du diri- geant. Elle implique dans son chef une éthique pro- fessionnelle irréprochable, garante du respect par la société des obligations et interdictions prévues par la loi ainsi que des autres règles de conduite applicables dans le secteur. Il ne s’agit pas d’une condition formelle se résumant à une absence de condamnation pénale. Sur la base de sa propre analyse des faits du dossier, la Banque peut considérer que certains comportements ou agissements constatés dans le chef des dirigeants sont constitutifs d’une atteinte à l’honorabilité professionnelle que doivent présenter ces personnes, indépendamment de toute qualification pénale desdits comportements ou agissements ou de l’issue d’une procédure pénale qui aurait, le cas échéant, été initiée à l’encontre de ces personnes. La notion d’ “expertise adéquate à l’exercice d’une fonction spécifique” recouvre les qualifications, connais- sances et expérience professionnelles exigées en vertu de l’article 42, paragraphe 1er, a) de la Directive pour répondre à l’exigence de “compétence”. Par ce terme d’expertise, l’on entend englober les trois qualités pré- citées. Celles-ci sont appréciées eu égard aux caracté- ristiques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance au sein de laquelle le dirigeant est appelé à exercer ses fonctions (nature de l’activité, complexité, profil de risque, …) mais également sur la base du contenu de la fonction. Il est également attendu de lui qu’il fasse preuve d’un comportement professionnel adéquat. Ainsi qu’indiqué plus haut, l’exigence d’honorabilité professionnelle et d’expertise est par ailleurs, confor- mément à l’article 42  de la Directive, étendue aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes, c’est-à-dire, les personnes physiques qui au plus haut niveau assurent la responsabilité opérationnelle de la fonction d’audit interne, de la fonction de vérification de la conformité (compliance), de la fonction de ges- tion des risques ou de la fonction actuarielle visées à l’article 54 en projet. On renvoie à ce propos au com- mentaire de cette disposition. Les qualités d’honorabilité professionnelle et d’exper- tise adéquate s’apprécient lors de l’entrée en fonction mais également en cours d’exercice de celle-ci, à l’instar de toute condition d’agrément de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance. En d’autres termes, comme le souligne l’article 42, paragraphe 1er de la Directive, les exigences de compétence et d’expertise doivent être rencontrées “en permanence” et non pas seulement au 69 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “permanent” vervuld zijn en niet alleen bij de infunctietre- ding. Bijgevolg dient de verzekerings- of herverzekerings- onderneming de Bank onverwijld in kennis te stellen van elk nieuw feit dat of elke nieuwe omstandigheid die twijfel kan doen rijzen over de professionele betrouwbaarheid of de deskundigheid die verlangd wordt van de personen bedoeld in ontwerpartikel 40. De voorwaarden met betrekking tot de eigenschap- pen die van de leiders van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming worden verlangd, moeten in de eerste plaats door de onderneming zelf worden nageleefd. De maatregelen die worden getroffen wan- neer ontwerpartikel 40 niet wordt nageleefd, zijn deze die gelden voor de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden om een vergunning te verkrijgen. De artikelen 517 en 602 en volgende van de ontwerpwet bevatten de maatregelen die de Bank kan nemen indien de wetgeving niet wordt nageleefd. De Bank ziet toe op de naleving van die voorwaar- den. Zij beschikt hiertoe over een ruime beoordelings- bevoegdheid, binnen de grenzen bepaald door het Unierecht, de wet en de algemene rechtsbeginselen, wat wil zeggen dat deze beoordelingsbevoegdheid op prudente wijze moet worden uitgeoefend en even- redig moet zijn aan het doel van de vergunning in het algemeen en van deze vergunningsvoorwaarde in het bijzonder. Zij dient haar beleid ter zake vast te leggen rekening houdend met de richtsnoeren zoals die zijn vastgelegd door EIOPA (zie EIOPA, Final Report on Public consultation n° 14/017 on Guidelines on system of governance, 28 januari 2015). Wat de personeelsleden van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming betreft, ook al wordt er niet als dusdanig aan gerefereerd in de bepaling, spreekt het voor zich dat ook zij onberispelijk moeten zijn, en dat het bijgevolg de verantwoordelijkheid van de onder- neming is om een passende organisatie en passende procedures op te zetten teneinde zich hiervan te verge- wissen. Men merke daarbij op dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, naast de gebruikelijke verificaties bij de aanwerving, op permanente wijze de nodige maatregelen moeten treffen om toe te zien op de naleving door hun personeelsleden van de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot integriteit en gedrag (zie ontwerpartikel 55, § 1). Paragraaf 2  van ontwerpartikel 40  bevat de ver- plichting om de effectieve leiding aan ten minste twee natuurlijke personen toe te vertrouwen. Er zij verwe- zen naar de commentaar bij artikel 4 van de wet van 17 juli 1985 die de eerste bankrichtlijn in het Belgische recht heeft omgezet en die voor de verzekeringssector moment de l’entrée en fonction. Il incombe dès lors à l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’informer sans délai la Banque de tout fait nouveau ou de toute circonstance nouvelle susceptible de mettre en doute l’honorabilité professionnelle ou l’expertise requises des personnes visées par l’article 40 en projet. Le respect des conditions relatives aux qualités requises des dirigeants des entreprises d’assurance ou de réassurance incombe au premier chef à celles-ci. Les mesures applicables lorsque le respect de l’article 40 en projet n’est pas assuré sont celles qui s’appliquent aux entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne satisfont pas ou plus aux conditions de leur agrément. Les articles 517 et 602 et suivants de la loi en projet décrivent les mesures que la Banque peut prendre en cas de manquement à la législation. La Banque veille au respect de ces conditions. Elle dispose à cette fin d’un large pouvoir d’appréciation dans les limites fixées par le droit de l’Union, la loi et les principes généraux du droit, c’est-à-dire que ce pouvoir d’appréciation doit s’exercer de manière prudente et proportionnée à la finalité de l’agrément en général et de cette condition d’agrément en particulier. Il lui appar- tiendra de préciser sa politique en la matière en tenant compte des lignes directrices établies en la matière par l’EIOPA (voy. EIOPA, Final Report on Public consultation n° 14/017 on Guidelines on system of governance, du 28 janvier 2015). S’agissant des membres du personnel de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, s’ils ne sont pas en tant que tels visés par la disposition, il va de soi qu’ils doivent également s’avérer irréprochables, et qu’il incombe dès lors à l’entreprise de mettre en place l’organisation et les procédures adéquates pour s’en assurer. Outre les vérifications d’usage effectuées à l’engagement, on gar- dera à l’esprit les mesures que l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit prendre, de manière continue, afin de veiller au respect des dispositions légales et réglementaires en matière d’intégrité et de conduite par les membres de son personnel (voy. l’article 55, § 1er en projet). Le paragraphe 2 de l’article 40 en projet reprend quant à lui l’obligation aux termes de laquelle la direction effective doit être confiée à deux personnes physiques au moins. On renvoie au commentaire de l’article 4 de la loi du 17 juillet 1985 ayant transposé en droit belge la première directive bancaire qui conserve — mutatis 70 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 mutatis mutandis zijn volledige relevantie behoudt (Parl. St. Kamer 1981-1982, nr. 277/1, 6 e.v.). Het gaat hier om het “vierogenprincipe”, dat een zo kritisch mogelijk on- derzoek moet toelaten van de te nemen beslissingen en dat de algemene bedrijfsvoering collegialer moet maken. Art. 41 Ontwerpartikel 41 is niet nieuw; het stemt overeen met de artikelen 90, § 3 van de wet van 9 juli 1975 en 17, § 3 van de wet van 16 februari 2009, als ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen. Er zij verwezen naar de commentaar bij artikel 20 van de wet van 25  april  2014, dat van toepassing werd verklaard op verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen (Parl.St. Kamer, 2013-2014, nr. 53-3406/001, 40 e.v.). Afdeling VII Organisatie Onderafdeling I Algemene beginselen Art. 42 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten over een organisatie beschikken die geschikt is voor de activiteiten die zij uitoefenen of van plan zijn uit te oefenen. Het inleidende gedeelte van ontwerpartikel 42 bevat in de vorm van een algemeen beginsel het vereiste om over een governancesysteem te beschikken. Dit alge- meen beginsel van behoorlijk bestuur wordt vervolgens toegelicht en geconcretiseerd aan de hand van een niet-limitatieve thematische lijst van de verschillende aspecten die dit beginsel behelst. Die aspecten worden verder uitgewerkt in de verschillende daaropvolgende onderafdelingen. De bepalingen over het governance- systeem van de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen moeten samen worden gelezen met de artikelen 258 en volgende van Verordening 2015/35, die eveneens een reeks regels en verplichtingen inzake governance bevatten, die rechtstreeks van toepassing zijn in het Belgische recht. Onder de aspecten die in artikel 42 concreter worden opgesomd, is het eerste beginsel de basisregel van de scheiding, op het hoogste niveau, tussen de functies die toezicht houden op de leiding en de functies die verantwoordelijk zijn voor de effectieve leiding. mutandis pour le secteur des assurances — toute sa pertinence (Doc. Parl., Chambre, 1981-1982, n°277/1, pp. 6 e.s.). Il s’agit de l’affirmation du “principe de quatre yeux” visant à favoriser un examen aussi critique que possible des décisions à prendre et à rendre plus col- légiale la conduite générale des affaires Art. 41 L’article 41 en projet n’est pas neuf et correspond aux articles 90, § 3 de la loi du 9 juillet 1975 et 17, § 3 de la loi du 16 février 2009, tels qu’introduits par la loi du 25 avril 2014 portant des dispositions diverses. On renvoie au commentaire de l’article 20 de la loi du 25 avril 2014 qui a été rendu applicable aux entreprises d’assurance et de réassurance (Doc. parl., Chambre, 2013-2014, n° 53-3406/001, p. 40 e.s.). Section VII Organisation Sous-section Ire Principes généraux Art. 42 Les entreprises d’assurance ou de réassurance ont l’obligation de disposer d’une organisation appropriée aux activités qu’elles exercent ou entendent exercer. Dans sa partie introductive, l’article  42  en projet énonce dès lors, sous la forme d’un principe général, l’exigence de disposer d’un système de gouvernance. Ce principe général de bonne administration est ensuite explicité et concrétisé par une liste thématique non limi- tative énonçant les divers aspects qu’il recouvre et qui font ensuite l’objet de précisions au fil des sous-sections qui suivent. Les dispositions concernant le système de gouvernance des entreprises d’assurance ou de réassu- rance doivent être lues ensemble avec les articles 258 et suivants du Règlement 2015/35, énonçant également toutes une série de règles et obligations en matière de gouvernance, directement applicables en droit belge. Parmi les aspects que l’article  42  énumère de manière plus concrète, figure comme premier principe la règle de base de la séparation au plus haut niveau entre les fonctions exerçant le contrôle sur la direction et les fonctions de direction effective. 71 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Vervolgens omvat de regeling (i) aspecten die reeds waren opgenomen in de wetten van 9  juli  1975  en 16 februari 2009, maar die minder uitdrukkelijk waren geformuleerd, zoals de verplichting om over onafhanke- lijke controlefuncties inzake interne audit, risicobeheer, compliance en actuariaat te beschikken, (ii) aspecten die het wetsontwerp nu algemeen stelt, zoals de noodzaak om de continuïteit van de diensten en de activiteiten te garanderen, (iii) aspecten die eveneens zijn voor- geschreven door Verordening 2015/35, met name in artikel 258 van deze verordening, zoals de verplichting om over doeltreffende procedures te beschikken voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico’s waaraan de onderneming zou kunnen blootstaan, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten, en de ver- plichting om over een beloningsbeleid te beschikken dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert, (iv) aspecten die rechtstreeks voortvloeien uit de Richtlijn, zoals deze vermeld in de punten 10° en 11° van ont- werpartikel 42, § 1, of nog (v) bepaalde aspecten die overgenomen zijn uit de bankwet van 25 april 2014 en die relevant zijn voor de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen, zoals de verplichting om over een intern waarschuwingssysteem te beschikken (whistleblowing). De talrijke bepalingen van de huidige artikelen 14bis van de wet van 9 juli 1975 en 18 van de wet van 16 februari 2009 worden in de nieuwe struc- tuur aldus herschikt, nadat ze waar nodig vervolledigd zijn met het oog op de correcte en volledige omzetting van de Richtlijn, zonder dat de essentie ervan werd gewijzigd. De woorden “om een doeltreffend en voorzichtig be- leid te garanderen” in paragraaf 1 geven de doelstelling aan van het governancesysteem, terwijl de verschillende aspecten die in de punten 1° tot 11° zijn opgesomd, de thema’s aangeven die dit systeem noodzakelijker- wijs moet bestrijken. De invoering van een passend governancesysteem vormt een essentiële wettelijke verplichting die inherent deel uitmaakt van het wettelijk statuut van de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen. Aan deze verplichting kan niet worden getornd en de naleving ervan moet noodzakelijkerwijze geschieden met inachtneming van het evenredigheids- beginsel, waaraan wordt herinnerd in paragraaf 2. Het gaat er hier niet om deze wettelijke verplichting als resultaats- dan wel middelenverbintenis aan te merken, zoals voor verbintenissen uit overeenkomst. Zij moet (in ieder geval) worden nageleefd en enkel de draagwijdte/ intensiteit ervan verschilt naargelang van de specificiteit, de bijzondere kenmerken van het geval. Wat de aspecten in verband met de passende admi- nistratieve en boekhoudkundige organisatie en de pas- sende interne controle betreft (punt 2°), wordt bepaald Le système comprend ensuite (i) des aspects qui étaient déjà exprimés dans les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009 mais de manière moins explicite, comme l’obligation de disposer de fonctions de contrôle indé- pendantes d’audit interne, de gestion des risques, de compliance et d’actuariat, (ii) des aspects que le projet de loi pose à présent de manière générale, comme la nécessité d’assurer la continuité des services et des activités, (iii) des aspects également prescrits par le Règlement 2015/35, et, notamment par son article 258, comme l’obligation de disposer de procédures efficaces d’identification, de mesure, de gestion, de suivi, et de reporting interne des risques auxquels l’entreprise pour- rait être exposée, y compris la prévention des conflits d’intérêts et l’obligation de disposer d’une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, (iv) des aspects découlant directement de la Directive, tels que ceux visés aux points 10° et 11° de l’article 42, § 1er en projet, ou encore (v) certains aspects repris de la loi bancaire du 25 avril 2014 et qui ont leur pertinence pour les entreprises d’assurance ou de réassurance, comme l’obligation de disposer d’un système d’alerte interne (whistleblowing). La nouvelle structure entend ainsi réordonner, après les avoir complétées là où cela paraît nécessaire pour une transposition correcte et complète de la Directive, les nombreuses dispositions des actuels articles 14bis de la loi du 9 juillet 1975 et 18 de la loi du 16 février 2009, sans toutefois perdre la substance de ces dispositions. Les mots “en vue de garantir une gestion efficace et prudente de l’entreprise” contenus au paragraphe 1er indiquent la finalité du système de gouvernance, les différents aspects énumérés (1° à 11°) indiquant les thèmes que ce système doit nécessairement rencon- trer. La mise en place d’un système de gouvernance adéquat constitue une obligation légale essentielle inhérente au statut légal des entreprises d’assurance ou de réassurance. Cette exigence est incompressible et son respect répond nécessairement au principe de proportionnalité, rappelé au paragraphe 2 de la disposi- tion. Il n’est pas question ici de qualifier cette obligation légale d’obligation de résultat ou de moyen comme en matière contractuelle. Cette obligation doit être respec- tée (en tout état de cause) et seule sa portée/intensité varie en fonction de la spécificité, des particularités du cas d’espèce. En ce qui concerne les aspects relatifs à l’organisa- tion administrative et comptable et au contrôle interne adéquats (point 2°), il est précisé que ceux-ci incluent 72 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat deze controleprocedures moeten omvatten die een redelijke mate van zekerheid verschaffen over de be- trouwbaarheid van het verslaggevingsproces. Het gaat hier uiteraard om de financiële verslaggeving, in de zin van alle kwantitatieve gegevens, met inbegrip van de boekhoudkundige gegevens, maar ook de rapportering van alle kwalitatieve gegevens die door of krachtens dit ontwerp of de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn is voorgeschreven. Met betrekking tot het beloningsbeleid (punt 6°) moet het verband worden gelegd met artikel 275 van Verordening 2015/35, dat de beginselen bevat die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in dit verband moeten naleven (zie ook de commentaar bij ontwerpartikel 54). Met betrekking tot de bedrijfscontinuïteit (gewoonlijk “BCP” genoemd) (punt 9°) is de tekst zowel gebaseerd op de Europese bepalingen (met name artikel 5 van Richtlijn 2006/73/EG) als op de aanbevelingen ter zake van de toezichthouder (zie bv. de circulaire van de CBFA (PPB 2005/2) van 10 maart 2005 in verband met gezonde beheerspraktijken inzake de bedrijfscontinuï- teit van financiële instellingen). Er zij gepreciseerd dat het om gezonde beheerpraktijken gaat die zich richten op ernstige en niet-geplande onderbrekingen van het bedrijf als gevolg van, onder andere, computerpannes, computervirussen en cybercriminaliteit, van ongeval- len, omvangrijke sociale onrust, bomalarm, fraude, sabotage, terrorisme, natuurrampen, alsook van het uitvallen van nutsvoorzieningen (telecommunicatie, elektriciteit, aardgas, water,…). Rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van haar activiteiten moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar organisatie zo opzetten dat, ingeval er zich een ernstige en niet-geplande onderbreking van het bedrijf voordoet, zij haar kritieke bedrijfsfuncties kan behouden of zo spoedig mogelijk kan herstellen en haar normale dienstverlening en activiteiten binnen een redelijke tijdspanne kan hervatten. Paragraaf 2 van ontwerpartikel 42 zorgt voor de om- zetting van artikel 74, lid 2 van de Richtlijn. Enerzijds bekrachtigt deze paragraaf een verplichting tot uitput- tende uitwerking van de organisatieregeling, met name een organisatie die aangepast is aan de specifieke kenmerken van de onderneming en derhalve aan al haar activiteiten, en anderzijds het evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot een verlichting van de vereisten voor kleinere structuren. des procédures de contrôle procurant un degré de cer- titude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting de l’information. On vise ici bien évidemment le reporting de l’information financière, au sens de toutes informations quantitatives, en ce compris les données comptables, mais également le reporting de toute infor- mation qualitative prescrit par ou en vertu du présent projet ou des mesures d’exécution de la Directive. S’agissant des aspects relatifs à la politique de rémunération (point 6°), il s’indique de faire le lien avec l’article 275 du Règlement 2015/35, précisant les prin- cipes à prendre en considération par les entreprises d’assurance ou de réassurance à cet égard (voir éga- lement le commentaire relatif à l’article 54 en projet). S’agissant des aspects en matière de continuité des activités (communément appelée “BCP”) (point 9°), le texte s’inspire à la fois des dispositions européennes (notamment l’article 5 de la Directive 2006/73/CE) et des recommandations de l’autorité de contrôle en la matière (voy. ainsi la circulaire de la CBFA (PPB 2005/2) du 10 mars 2005 concernant les saines pratiques de gestion visant à assurer la continuité des activités des institutions financières). On précise qu’il s’agit de saines pratiques de gestion devant permettre de faire face à des interruptions sérieuses et non planifiées des activités, résultant notamment de pannes informatiques, d’attaques de virus informatiques et de cybercriminalité, d’accidents, de perturbations sociales importantes, d’alertes à la bombe, de fraudes, de sabotages, d’actes de terrorisme, de catastrophes naturelles, ainsi que de la défaillance de services d’utilité publique (télécommuni- cations, électricité, gaz naturel, eau,…). Tenant compte de la nature, de l’échelle et de la complexité de ses activités, l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit plus précisément veiller à ce que son organisation soit conçue de manière telle qu’en cas d’interruption sérieuse et non planifiée de ses activités, elle puisse maintenir ses fonctions critiques ou les rétablir le plus rapidement possible et puisse ainsi reprendre dans un délai raisonnable la fourniture de ses services habituels et l’exercice de ses activités normales. Le paragraphe 2 de l’article 42 en projet assure la transposition de l’article 41, paragraphe 2 de la Directive. Il consacre, d’une part, une obligation d’exhaustivité du dispositif organisationnel, c’est-à-dire, son caractère approprié au regard des spécificités de l’entreprise et dès lors de l’ensemble ses activités et, d’autre part, le principe de proportionnalité qui peut conduire à un allègement des exigences à l’égard des plus petites structures. 73 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Paragraaf 3 formuleert het beginsel inzake het opstel- len van een governancememorandum, waarin verslag wordt uitgebracht over de volledige governanceregeling van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Het betreft een maatregel die reeds feitelijk van toepas- sing is (zie circulaire PPB-2007-6-CPB-CPA van de CBFA van 30 maart 2007 over de prudentiële verwach- tingen inzake het deugdelijk bestuur van financiële in- stellingen). De inhoud van dit governancememorandum stemt op een aantal punten overeen met de informatie die opgenomen is in het periodieke toezichtrapport dat voor toezichtsdoeleinden aan de autoriteiten moet worden meegedeeld overeenkomstig artikel 35,  lid 2, onder a), i) van de Richtlijn, en die geharmoniseerd en gedetailleerd beschreven is in de artikelen 304 en volgende van Verordening 2015/35. Zo bepaalt artikel 308 van Verordening 2015/35 met betrekking tot het governanceysteem de specifieke informatie die het aan de toezichthouder te verstrekken periodieke toezichtrap- port dient te bevatten over (i) het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, (ii) de inachtneming door de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming van de vereisten op het gebied van deskundigheid en betrouwbaarheid, (iii) haar risi- cobeheersysteem, (iv) de eigen beoordelingen van de risico’s en de solvabiliteit die de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming in de loop van de rapporterings- periode heeft verricht, (v) haar internecontrolesysteem, (vi) haar interneauditfunctie, (vii) haar actuariële functie, en tot slot (viii) de uitbesteding. Het spreekt voor zich dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hun governancememorandum de informatie over het governancesysteem mogen opnemen die zij via deze periodieke rapportering aan de Bank hebben meege- deeld. De Bank zal erop toezien dat de toepassing van deze diverse bepalingen geen aanleiding geeft tot een dubbele rapportering. Paragraaf 4, waarvan de strekking veeleer verklarend dan normatief is, maakt het mogelijk om een verband te leggen met de bepalingen die deze basisbeginselen verder uitwerken. De specifieke domeinen die in deze bepalingen aan bod komen, zijn niet beperkend. Art. 43 Ontwerpartikel 43  zorgt voor de omzetting van artikel 19  van de Richtlijn en herformuleert de be- palingen van de artikelen 8, § 1, 3de streepje van de wet van 9 juli 1975 en 6, § 1, derde lid van de wet van 16 februari 2009. Le paragraphe 3 énonce le principe d’établissement d’un memorandum de gouvernance, qui rend compte de l’ensemble du système de gouvernance de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance. Il s’agit d’une mesure qui est déjà d’application dans les faits (voy. la circulaire PPB-2007- 6-CPB-CPA de la CBFA du 30 mars 2007 relative aux attentes prudentielles en matière de bonne gouvernance des établissements financiers). Le contenu de ce mémorandum de gou- vernance coïncide sur un certain nombre de points avec les informations contenues dans le rapport régu- lier à communiquer aux autorités aux fins du contrôle conformément à l’article 35, paragraphe 2, a), i) de la Directive, telles que harmonisées et détaillées aux articles 304 et suivants du Règlement 2015/35. Ainsi, l’article 308 du Règlement 2015/35 détermine les infor- mations spécifiques, en ce qui concerne le système de gouvernance, que le rapport régulier au contrôleur doit contenir concernant (i) le système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, (ii) le res- pect, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, des exigences de compétence et d’honorabilité, (iii) son système de gestion des risques, (iv) les évaluations internes des risques et de la solvabilité qu’elle a effec- tuées sur la période de référence, (v) son système de contrôle interne, (vi) sa fonction d’audit interne, (vii) sa fonction actuarielle, et enfin (viii) la sous-traitance. Il va de soi que les entreprises d’assurance ou de réassu- rance peuvent reprendre dans leur mémorandum de gouvernance les informations au sujet du système de gouvernance qu’elles ont communiquées à travers de ce reporting régulier à la Banque. Celle-ci veillera à ce qu’aucun double reporting ne résulte de l’application de ces diverses dispositions. Le paragraphe 4 dont la portée est plus explicative que normative, permet de faire le lien avec les disposi- tions développant ces principes de base; les domaines particuliers faisant l’objet de ces dispositions n’étant pas limitatifs. Art. 43 L’article 43  en projet assure la transposition de l’article 19 de la Directive et reformule les dispositions des articles 8, § 1er, 3ième tiret de la loi du 9 juillet 1975 et 6, § 1er, alinéa 3 de la loi du 16 février 2009. 74 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling II Vennootschapsorganen Art. 44 De Richtlijn besteedt heel wat aandacht aan het wettelijk bestuursorgaan, waarvan de taak en de ver- antwoordelijkheden worden vastgelegd in talrijke do- meinen. Ontwerpartikel 44 bepaalt dat van het wettelijk bestuursorgaan wordt verwacht dat het de strategie, de doelstellingen en het risicobeleid van de onderneming, met inbegrip van de algemene risicotolerantie, vastlegt en daar toezicht op uitoefent. Art. 45 tot 47 De bepalingen van de ontwerpartikelen 45, 46 en 47 leggen aan de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm, de ver- plichting op om binnen hun wettelijk bestuursorgaan een directiecomité op te richten, dat samengesteld is uit ten minste drie uitvoerende leden van de raad van bestuur. Deze verplichting geeft gestalte aan een van de doelstellingen van de ontwerpwet, namelijk dat het governancesysteem met name berust op een beleids- structuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen de effectieve leiding van de onderneming en het toezicht op die leiding (zie ontwerpartikel 42, § 1, 1°). In het bijzonder in financiële instellingen heeft de praktijk aangetoond dat de oprichting van een dergelijk collegiaal orgaan een versterkende factor vormt voor de corporate governance. Dit veronderstelt uiteraard dat de niet-uitvoerende bestuurders, die dus geen deel uitmaken van het directiecomité, een meerderheid vor- men binnen het wettelijk bestuursorgaan, en met name dat de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan en die van het directiecomité twee verschillende personen zijn. Deze twee laatste aspecten worden uitgedrukt in de paragrafen 2 en 3 van de ontwerpartikelen 45 en 46. De oprichting van een directiecomité vermindert ove- rigens het juridische risico op niet-tegenwerpbaarheid van de door de effectieve leiding genomen beslissingen die de grenzen van het dagelijks bestuur overschrijden. Dit risico vloeit voort uit het feit dat het op grond van het vennootschapsrecht niet is toegestaan het bestuur geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een ander orgaan dan het directiecomité, wat impliceert dat wan- neer er geen directiecomité is, de raad van bestuur, die optreedt als een college, de effectieve leiding van de onderneming in al haar aspecten moet voeren. Sous-section II Organes sociétaires Art. 44 La Directive porte une attention considérable à l’organe légal d’administration, dont le rôle et les res- ponsabilités sont précisés dans de multiples domaines. L’article 44 en projet précise que l’on attend de l’organe légal d’administration qu’il définisse et supervise la stratégie et les objectifs de l’entreprise ainsi que la politique en matière de risques, en ce compris les limites de tolérance générale aux risques. Art. 45 à 47 Les dispositions des articles 45, 46 et 47 en projet instaurent l’obligation pour les entreprises d’assurance ou de réassurance, quelle que soit leur forme juridique, de constituer au sein de leur organe légal d’administra- tion un comité de direction, composé d’au moins trois membres exécutifs du conseil d’administration. Cette obligation matérialise l’un des objectifs de la loi en projet, à savoir que le système de gouvernance repose notamment sur une structure de gestion basée au plus haut niveau sur une distinction claire entre la direction effective de l’entreprise et le contrôle de cette direction (voy . art. 42, § 1er, 1° en projet). Tout particulièrement au sein des établissements fi- nanciers, la pratique a montré que la mise en place d’un tel organe, collégial, constitue un élément de renforce- ment de la gouvernance. Ceci suppose évidemment que les administrateurs non exécutifs, qui ne font donc pas partie du comité de direction, forment la majorité au sein de l’organe légal d’administration et notamment que les présidents de l’organe légal d’administration et du comité de direction soient deux personnes différentes. Ces deux derniers aspects sont exprimés au travers des paragraphes 2 et 3 des articles 45 et 46 en projet. Par ailleurs, la mise en place d’un comité de direc- tion réduit le risque juridique de non-opposabilité des décisions prises par la direction effective qui dépassent les limites de la gestion journalière. Ce risque provient du fait qu’en droit des sociétés, il n’est pas autorisé d’octroyer une délégation générale de tout ou partie de la gestion à un organe autre que le comité de direction, ce qui implique qu’en l’absence de comité de direction, le conseil d’administration agissant collégialement doit assumer la direction effective de l’entreprise dans toutes ses composantes. 75 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 45 betreft het geval waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als naamloze vennoot- schap is opgericht, terwijl artikel 46 de andere ven- nootschapsvormen betreft. Door de verplichting voor ten minste drie leden van het directiecomité om bestuurders te zijn, wordt een band gecreëerd met het wettelijk bestuursorgaan. Om het wettelijk bestuursorgaan in staat te stellen naar behoren toezicht uit te oefenen op het directiecomité (een taak die haar op grond van ontwerpartikel 77, § 2 is toevertrouwd), vormen de niet-uitvoerende bestuurders (die dus geen deel uitmaken van het directiecomité) een meerderheid en kan de functie van voorzitter niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité. Het directiecomité is een collegiaal orgaan, waar- van de werking wordt geregeld in het Wetboek van Vennootschappen. Wat de samenstelling van het direc- tiecomité betreft, bepaalt de ontwerpwet dat ten minste drie uitvoerende bestuurders deel moeten uitmaken van het directiecomité. Wie er dus verplicht deel van moeten uitmaken zijn de verantwoordelijke voor de risicobeheerfunctie, krachtens ontwerpartikel 56, § 1, tenzij een afwijking is verleend krachtens ontwerpartikel 56, § 3, in welk geval het directiecomité uit twee per- sonen bestaat, evenals iedere bestuurder aan wie het dagelijks bestuur van de onderneming is opgedragen. Dit laatste aspect wordt uitgedrukt in paragraaf 4 van de bepalingen, die stelt dat het dagelijks bestuur niet mag worden opgedragen aan een niet-uitvoerend bestuurder. Door toe te laten dat personen die niet de hoedanig- heid hebben van bestuurder, deel uitmaken van het di- rectiecomité, wenst de Regering de multiplicatoreffecten voor het aantal bestuurders in de raad van bestuur aan de hierboven geformuleerde regel te onderwerpen, die inhoudt dat de meerderheid van de leden van de raad van bestuur geen lid zijn van het directiecomité (zie paragraaf 2 van de ontwerpartikelen 45 en 46). Het spreekt voor zich dat deze mogelijkheid de gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de onderneming en de goede werking van haar organen niet mag belemmeren. Daarom gelden voor de leden van het directiecomité die niet de hoedanigheid van bestuurder zouden hebben dezelfde bepalingen als voor de bestuurders voor wat betreft de vereisten inzake betrouwbaarheid en des- kundigheid, beroepsverboden, uitoefening van externe functies, beschikbaarheid of leningen aan leiders. Wat de naamloze vennootschappen en de Europese vennootschappen betreft, zij eraan herinnerd dat de arti- kelen 525 en 898 van het Wetboek van Vennootschappen L’article 45 vise le cas où la forme sociétaire est la so- ciété anonyme, l’article 46 les autres formes sociétaires. L’obligation pour au moins trois membres du comité de direction d’être des administrateurs permet d’assurer le lien avec l’organe légal d’administration, où, afin de permettre à celui-ci d’assumer pleinement sa fonction de contrôle sur le comité de direction (telle qu’explicitée à l’article 77, § 2 en projet), les administrateurs non exé- cutifs (qui ne font donc pas partie du comité de direction) forment la majorité et la fonction de président ne peut être exercée par un membre du comité de direction. Le comité de direction est un organe collégial dont le fonctionnement est réglé par le Code des sociétés. En ce qui concerne la composition du comité de direc- tion, le projet prévoit qu’au moins trois administrateurs exécutifs doivent faire partie du comité de direction. En seront donc nécessairement membres le responsable de la fonction de gestion des risques par application de l’article 56, § 1er en projet, sauf dérogation accordée en vertu de l’article 56, § 3 en projet, auquel cas le comité de direction sera composé de deux personnes, ainsi que tout administrateur à qui est déléguée la gestion journa- lière de l’entreprise. Ce dernier aspect est exprimé par le biais du paragraphe 4 des dispositions qui précise que la délégation journalière ne peut être confiée à un administrateur non exécutif. En admettant la présence de personnes n’ayant pas la qualité d’administrateur au sein du comité de direction, le Gouvernement souhaite encadrer les effets multiplicateurs sur le nombre d’administrateurs au sein du conseil d’administration de la règle énoncée ci-avant suivant laquelle le conseil d’administration compte une majorité de membres qui ne sont pas membres du comité de direction (voy. paragraphe 2 des articles 45 et 46 en projet). Il va sans dire que cette possibilité ne peut pas être exercée au détriment d’une gestion saine et prudente de l’entreprise et d’un bon fonctionnement de ses organes. C’est ainsi que les membres du comité de direction qui n’auraient pas la qualité d’administrateur sont sou- mis aux mêmes dispositions que les administrateurs en termes d’exigences d’honorabilité et d’expertise, d’interdictions professionnelles, d’exercice de fonctions extérieures, de disponibilité ou encore de prêts aux dirigeants. On rappelle que pour les sociétés anonymes et les sociétés européennes, le Code des sociétés (dans ses articles 525 et 898) prévoit que la gestion des affaires 76 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bepalen dat het dagelijks bestuur van de vennootschap, alsook de vertegenwoordiging van de vennootschap wat dat bestuur betreft, mogen worden opgedragen aan een of meer personen, die alleen of gezamenlijk optreden. Het wettelijk bestuursorgaan, of, in voor- komend geval, het directiecomité, mogen dus een of meer natuurlijke of rechtspersonen aanwijzen, die al dan niet bestuurder en al dan niet aandeelhouder zijn, die zullen instaan voor het dagelijks bestuur van de vennootschap. Het begrip “dagelijks bestuur” wordt niet gedefinieerd in het Wetboek van Vennootschappen. Het Hof van Cassatie heeft dit begrip herhaaldelijk omschreven als handelingen “die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de ven- nootschap” (Cass. 21 februari 2000, TRV 2000, 283) of “die om reden zowel van het minder belang dat ze vertonen, als van de noodzakelijkheid een spoedige oplossing te treffen, de tussenkomst van de raad van bestuur niet rechtvaardigen” (Cass. 17 september 1968, Pas., 1969, I, 61; er zij evenwel opgemerkt dat het — meer bekritiseerde — arrest van het Hof van Cassatie van 26 februari 2009 (TRV, 2009, 44) bepaalt dat het minder belang en de spoedeisendheid voorwaarden zijn die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een handeling binnen het dagelijks bestuur zou vallen). Het gaat dus in principe om de lopende zaken en de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur. Binnen de grenzen van de handelingen die zij mogen verrichten overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, maken de personen die belast zijn met het dagelijks bestuur eveneens deel uit van de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 47 Het eerste lid van de ontwerpbepaling maakt het mogelijk geheel of gedeeltelijk af te wijken van de ver- plichtingen van de ontwerpartikelen 45 of 46. Hierdoor kan rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de concrete gevallen die zich kunnen voordoen. Het tweede lid geeft concreet gestalte aan de mogelijkheid tot afwijking waarin het eerste lid voorziet, door voorbeelden op te sommen van gevallen waarin een afwijking mogelijk is. Artikel 47 van het ontwerp van wet concretiseert al- dus in zekere zin het door de Richtlijn vooropgestelde evenredigheidsbeginsel (zie de commentaar bij ont- werpartikel 42, § 2). Het is immers aan de Bank om te beoordelen of de kenmerken van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van die aard zijn dat zij haar een afwijking kan toestaan van de verplichting om een directiecomité op te richten of door toe te staan journalières de la société ainsi que la représentation de la société en ce qui concerne cette gestion peuvent être déléguées à une ou plusieurs personnes, agissant seules ou conjointement. L’organe légal d’administration ou, le cas échéant, le comité de direction peuvent donc désigner une ou plusieurs personne(s) (physique(s) ou morale(s)), administrateur ou non, actionnaire ou non, qui s’occupera/ont de la gestion journalière de la socié- té. La notion de gestion journalière n’est pas définie par le Code des sociétés. À plusieurs reprises, la Cour de cassation l’a définie comme les actes “qui ne dépassent pas les besoins de la vie quotidienne de la société” (Cass., 21 février 2000, TRV 2000, p. 283) ou “qui, en raison tant de leur peu d’importance que de la nécessité d’une prompte solution, ne justifient pas l’intervention du conseil d’administration” (Cass., 17 septembre 1968, Pas., 1969, I, p. 61; On relève toutefois l’arrêt, plus criti- qué, de la Cour de cassation du 26 février 2009 (TRV, 2009, p. 44), selon lequel les conditions de la faible importance et de l’urgence devaient être cumulative- ment remplies pour qu’un acte puisse être considéré comme relevant de la gestion journalière). Il s’agit donc en principe des affaires courantes et de l’exécution des décisions du conseil d’administration. Dans les limites des actes qu’ils peuvent assumer conformément aux dispositions applicables du Code des sociétés, telles qu’interprétées par la Cour de cassation, les délégués à la gestion journalière font également partie de la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 47 L’alinéa 1er de la disposition en projet permet de déro- ger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par les articles 45 ou 46 en projet. Cette flexibilité permet de rencontrer les spécificités inhérentes aux cas concrets susceptibles de se présenter. L’alinéa 2 a pour objet de rendre plus concrète cette possibilité de dérogation pré- vue sous l’alinéa 1er, en énonçant, à titre exemplatif, les situations susceptibles de donner lieu à une dérogation. L’article 47 du projet de loi concrétise ainsi, d’une certaine manière, le principe de proportionnalité posé par la Directive (voy. le commentaire relatif à l’article 42, § 2 en projet). Il revient, en effet, à la Banque d’éva- luer notamment si les caractéristiques d’une entreprise d’assurance ou de réassurance conduisent à l’autoriser à déroger à l’obligation de constituer un comité de direc- tion ou en permettant le cumul des fonctions de membre 77 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat de functie van lid van het directiecomité en die van voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan, gecumu- leerd worden. Indien er, overeenkomstig ontwerpartikel 47, binnen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming geen directiecomité is opgericht als gevolg van een afwijking die door de Bank is toegestaan, wordt onder “effectieve leiding” de uitvoerende bestuurders verstaan evenals de personen die, zonder de hoedanigheid van bestuurder te hebben, door de onderneming als effectieve leiders worden beschouwd wegens de rechtstreekse en door- slaggevende invloed die zij kunnen uitoefenen op het beheer van alle of bepaalde activiteiten van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming. Onderafdeling III Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan Art. 48 Eén van de vaststellingen die voortvloeiden uit de financiële crisis, had te maken met het gebrek aan kri- tische ingesteldheid van het wettelijk bestuursorgaan, deels vanwege een beperkte kennis van de verschillen- de activiteiten en complexe producten van de financiële instellingen, en van de risico’s die ermee samenhangen. Teneinde de doeltreffendheid van het toezicht op en de controle van de activiteiten, de werking en het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming door het wettelijk bestuursorgaan te versterken, inclusief de hoogste leiding van de onder- neming, schrijft ontwerpartikel 48 de oprichting voor van drie gespecialiseerde comités binnen het wettelijk bestuursorgaan, die belast zijn met het voorbereiden van de beslissingen van het wettelijk bestuursorgaan in hun respectieve domeinen. Behalve het auditcomité, waarvan de oprichting reeds verplicht was op grond van de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009, schrijft ontwerpartikel 48 de oprichting voor van een remune- ratiecomité en een risicocomité. Ontwerpartikel 52 voorziet echter in specifieke moge- lijkheden om van die verplichting af te wijken, met name voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die een beperkt risicoprofiel vertonen, rekening houdend met hun omvang of de aard van hun activiteiten, (zie infra, commentaar bij ontwerpartikel 52). De regels voor de samenstelling van de comités, die in ontwerpartikel 48 zijn opgenomen, gelden voor elk van de comités. Alleen de niet-uitvoerende leden van du comité de direction et de président de l’organe légal d’administration. Lorsque, conformément à l’article 47 en projet, un comité de direction n’a pas été institué au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance en raison d’une dérogation accordée par la Banque, la direction effective s’entend des administrateurs exécutifs ainsi que les personnes qui, sans avoir la qualité d’adminis- trateur, sont considérées par l’entreprise comme des dirigeants effectifs en raison de l’influence directe et déterminante qu’elles peuvent exercer sur la direction de tout ou partie des activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Sous-section III Mise en place de comités au sein de l’organe légal d’administration Art. 48  Un des constats posés à la suite de la crise financière portait sur l’absence d’esprit critique dans le chef de l’organe légal d’administration, en partie due à une connaissance limitée des différentes activités et pro- duits complexes des établissements financiers, et des risques qui y sont liés. Afin de renforcer l’efficacité de la surveillance et du contrôle des activités, du fonctionnement et du profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance par l’organe légal d’administration, en ce compris de ses plus hauts dirigeants, l’article 48 en projet impose la constitution, au sein de l’organe légal d’administra- tion, de trois comités spécialisés, chargés de préparer les décisions de l’organe légal d’administration dans leurs matières respectives. En plus du comité d’audit, qui était déjà imposé par les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009, l’article 48 en projet impose ainsi la mise en place d’un comité de rémunération et d’un comité des risques. L’article 52 en projet prévoit toutefois des possibilités spécifiques de dérogation à cette obligation, notamment pour les entreprises d’assurance ou de réassurance présentant un profil de risque réduit compte tenu de leur taille ou de la nature de leurs activités (voir infra, le commentaire relatif à l’article 52 en projet). Les règles relatives à la composition des comités, définies à l’article 48 en projet, valent pour chacun des comités. Seuls les membres non exécutifs de l’organe 78 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het wettelijk bestuursorgaan, die dus niet deelnemen aan de effectieve leiding van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, mogen logischerwijze deel uitmaken van die comités, die de toezichtsfunctie die aan het wettelijk bestuursorgaan is toegewezen over- eenkomstig ontwerpartikel 77, § 2, versterken. In elk van de comités moet een onafhankelijk bestuur- der in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen aanwezig zijn. Het gaat hier om de uitbreiding tot het risicocomité en het remuneratiecomité van een verplichting die in de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 reeds van toepassing was voor het auditcomité. De aandacht zij gevestigd op ontwerpartikel 652, volgens hetwelk de artikelen 50 en 51 zes maanden na de inwerkingtreding van de wet van toepassing zijn, onverminderd de toepassing van het hierna besproken artikel 52, zodat de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen over de nodige tijd beschikken om een risicocomité en een remuneratiecomité op te richten. Art. 49 Ontwerpartikel 49, dat de deskundigheidsvereis- ten en de taken van het auditcomité vastlegt, is niet nieuw ten opzichte van de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009, waarin de bepalingen van Richtlijn 2006/43/EG van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde reke- ningen reeds werden omgezet. Paragraaf 3 van ontwerpartikel 49 werd herschikt om beter aan te geven dat die bepaling de onafhankelijkheid van de erkend commissaris van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming beoogt te garanderen. Art. 50 Het remuneratiecomité vormt op het niveau van het wettelijk bestuursorgaan een niveau voor de voorbe- reiding van beslissingen en voor controle dat strekt tot een strikte omkadering van het beloningsbeleid van de onderneming dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd (zie ontwerpartikel 77, § 5) en door het directiecomité wordt uitgevoerd (zie ontwerpartikel 80, § 3). Verordening 2015/35 voorziet in de oprichting van een remuneratiecomité indien de omvang en de in- terne organisatie van de onderneming dit vereisen (zie artikel 275, lid 1, onder f) van Verordening 2015/35). légal d’administration, ne participant donc pas à la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, peuvent, en toute logique, faire partie de ces comités qui renforcent la fonction de contrôle incom- bant à l’organe légal d’administration conformément à l’article 77, § 2 en projet. Dans chacun des comités, la présence d’un adminis- trateur indépendant au sens de l’article 526ter du Code des sociétés est obligatoire. Il s’agit ici de l’extension au comité des risques et au comité de rémunération d’une obligation qui était déjà d’application pour le comité d’audit dans les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009. On attire l’attention sur l’article 652  en projet en vertu duquel les articles 50 et 51 sont d’application six mois après l’entrée en vigueur de la loi, sans préjudice de l’application de l’article 52  commenté ci-après, afin de permettre aux entreprises d’assurance ou de réassurance de bénéficier du temps nécessaire à la mise en place d’un comité des risques et d’un comité de rémunération. Art. 49 L’article 49  en projet, qui précise les exigences de compétence et les tâches du comité d’audit, ne constitue pas une nouveauté par rapport aux lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009, dans lesquelles étaient déjà transposées les dispositions de la directive 2006/43/CE du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés. Le paragraphe 3 de l’article 49 en projet a été réa- ménagé pour mieux indiquer que cette disposition vise à s’assurer de l’indépendance du commissaire agréé de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 50 Le comité de rémunération constitue, au niveau de l’organe légal d’administration, un niveau de prépara- tion décisionnelle et de contrôle visant à encadrer de manière stricte la politique de rémunération de l’entre- prise adoptée par l’organe légal d’administration (voir l’article 77, § 5 en projet) et mise en œuvre par le comité de direction (voir l’article 80, § 3 en projet). On relève que le Règlement 2015/35 prévoit la créa- tion d’un comité de rémunération si cela est approprié au regard de la taille et de l’organisation interne de l’entreprise (voir l’article  275, paragraphe  1er,  (f) du 79 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De ontwerpwet gaat uit van een andere benadering: de oprichting van een dergelijk comité is in principe verplicht, maar is facultatief voor verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen die aan bepaalde criteria inzake omvang voldoen (zie ontwerpartikel 52, §§ 1 en 2 en de commentaar bij deze bepalingen). Met andere woorden, de ontwerpwet drukt de criteria inzake omvang en interne organisatie als bedoeld in artikel 275, lid 1, onder f) van Verordening 2015/35 uit in cijfers. De rol en de functies van het remuneratiecomité, de beginselen die in acht moeten worden genomen in het remuneratiebeleid van de onderneming, en de inhoud ervan zijn gedetailleerd omschreven in artikel 275 van Verordening 2015/35. Omwille van de transparantie en van de volledigheid van de beschrijving van de comités die moeten worden opgericht in het wettelijk bestuursorgaan, wordt in ontwerpartikel 50 herhaald welke opdracht dit comité heeft. De samenstelling van het remuneratiecomité, als opgelegd door ontwerpartikel 48 en ontwerpartikel 50, § 1, vloeit echter niet voort uit de Richtlijn of uit Verordening 2015/35, maar vormt een vereiste dat specifiek is voor het Belgische recht. Overeenkomstig artikel 275, lid 1,  onder f) van Verordening 2015/35, bepaalt ontwerpartikel 50, § 2 dat het remuneratiecomité een advies dient uit te bren- gen over het remuneratiebeleid van het wettelijk bestuursorgaan. Conform artikel 275, lid 1, onder a) van Verordening 2015/35 onderzoekt het remuneratiecomité of de door het bezoldigingssysteem gecreëerde stimulansen, met inbegrip van het bevorderingssysteem, niet van aard zijn om aan te sporen tot het nemen van buitensporige risico’s binnen de onderneming of tot gedragingen die andere belangen nastreven dan het belang van de on- derneming en haar belanghebbenden (stakeholders). Het remuneratiecomité kan zich bijvoorbeeld ook ba- seren op informatie die door het risicocomité is aange- bracht om wijzigingen voor te stellen in de beslissing van het wettelijk bestuursorgaan inzake variabele beloning. Art. 51 Er hoeft niet benadrukt te worden dat het van be- lang is dat elke onderneming de risico’s die zij loopt, ten volle beheerst, met name op het niveau van het wettelijk bestuursorgaan. Tegen die achtergrond is het van essentieel belang dat ieder afzonderlijk lid van het risicocomité beschikt over een perfect inzicht in de relevante materies, die soms uitermate complex kunnen zijn. Dit vereiste leidt niet tot de uitsluiting van bepaalde opleidingen maar betekent dat de leden over Règlement 2015/35). La loi en projet adopte une dé- marche différente en prévoyant en principe la création d’un tel comité tout en rendant celle-ci facultative pour les entreprises d’assurance ou de réassurance répon- dant à certains critères de taille déterminés (voir l’article 52, §§ 1er et 2 en projet, et le commentaire relatif à ces dispositions). En d’autres termes, la loi en projet traduit en critères chiffrés les critères de taille et d’organisation interne énoncés à l’article 275, parapgraphe 1, (f), du Règlement 2015/35. Le rôle et les fonctions du comité de rémunération, les principes à respecter par la politique de rémunération de l’entreprise et le contenu de celle-ci sont définis en détail par l’article 275 du Règlement 2015/35. C’est uniquement à des fins de transparence et dans un souci de complétude de la description des comités à mettre en place au sein de l’organe légal d’administration, que l’article 50 en projet réitère la mission de ce comité. Par contre, la composition du comité de rémunération, telle qu’imposée par l’article 48 et l’article 50, § 1er en projet, ne découle ni de la Directive, ni du Règlement 2015/35, mais constitue une exigence propre au droit belge. Conformément à l’article 275, paragraphe 1er, (f) du Règlement 2015/35, l’article 50, § 2 en projet précise que le comité de rémunération émet un avis sur la politique de rémunération à adopter par l’organe légal d’administration. Ainsi qu’il résulte de l’article 275, paragraphe 1er, a) du Règlement 2015/35, le comité de rémunération examine si les incitants créés par le système de rémunération, y compris le système de promotion, ne sont pas de nature à conduire à des prises de risques excessives au sein de l’entreprise ou à des comportements pour- suivant d’autres intérêts que celui de l’entreprise et de ses parties prenantes (stakeholders). Il peut aussi, par exemple, se baser sur des informations apportées par le comité des risques pour proposer des modifications à la décision de l’organe légal d’administration en matière de rémunération variable. Art. 51 Il n’est pas nécessaire de souligner l’importance pour chaque entreprise de maîtriser pleinement les risques encourus, notamment au niveau de l’organe légal d’administration. Dans ce contexte, il s’impose que chacun des membres du comité des risques dispose individuellement d’une parfaite compréhension des matières pertinentes qui peuvent par ailleurs s’avérer particulièrement complexes. Cette exigence ne conduit pas à une exclusivité en termes de formation mais 80 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de nodige professionele en/of academische bagage moeten beschikken om de onderwerpen die door het genoemde comité worden behandeld, met een kritische geest te kunnen benaderen. Het is met kennis van zaken dat het wettelijk bestuursorgaan dan de risicostrategie en de risicotolerantie van de onderneming zal kunnen bepalen, en nauwgezet toezicht zal kunnen uitoefenen op de tenuitvoerlegging en naleving ervan door de ef- fectieve leiding van de onderneming. Art. 52 De oprichting van de drie voornoemde comités binnen het wettelijk bestuursorgaan, die uitsluitend bestaan uit niet-uitvoerende bestuurders, is niet gerechtvaardigd voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die een beperkt risicoprofiel vertonen, rekening houdend met hun omvang of de aard van hun activiteiten. Om die reden staat ontwerpartikel 52 een verlichting van de op te zetten interne structuur toe, afhankelijk van de ontwikkeling van een aantal parameters. Zo bepaalt ontwerpartikel 52, § 1 dat de oprichting van een auditcomité, een remuneratiecomité en een risicocomité niet verplicht is voor verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen die op geconsolideerde basis voldoen aan ten minste twee van de volgende drie criteria: een gemiddeld aantal werknemers gedu- rende het betrokken boekjaar van minder dan 250 per- sonen, een balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 000 000  euro en een jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 000 000 euro. Wat dit laatste criterium betreft, zij verduidelijkt dat onder het begrip “omzet” verstaan moet worden de “verdiende premies onder aftrek van herverzekering”, als gedefinieerd in het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarreke- ning van de verzekerings- en herverzekeringsonderne- mingen, die als algemeen aanvaarde referentie worden gehanteerd (zie de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 december 2008 inzonderheid tot oprichting van een auditcomité in de genoteerde vennootschap- pen en de financiële ondernemingen, Parl.St. Kamer, nr. 52- 1471/001, 7). Bij afwezigheid van een auditcomité, een remunera- tiecomité en een risicocomité met toepassing van de afwijkende regeling als bedoeld in ontwerpartikel 52, § 1, wordt het wettelijk bestuursorgaan in zijn geheel belast met het uitoefenen van de aan de betrokken comités toegewezen functies. Hieruit vloeit voort dat de in de artikelen 49, 50 en 51 vastgelegde normen voor elk van de betrokken comités in dat geval van toepas- sing zijn op het wettelijk bestuursorgaan, los van de interne structuur die door dit orgaan wordt opgezet. In de bepaling wordt gesteld dat in de gevallen waarbij, met signifie que les membres doivent disposer du bagage professionnel et/ou académique leur permettant d’exer- cer un esprit critique adéquat eu égard aux matières trai- tées par ledit comité. C’est en connaissance de cause que l’organe légal d’administration pourra alors fixer la stratégie en matière de risque et le niveau de tolérance au risque de l’entreprise, et en superviser étroitement la mise en œuvre et le respect par la direction effective de l’entreprise. Art. 52 La mise en place des trois comités précités au sein de l’organe légal d’administration, exclusivement com- posés d’administrateurs non exécutifs, ne se justifie pas pour des entreprises d’assurance ou de réassurance présentant un profil de risque réduit compte tenu de leur taille ou de la nature de leurs activités. C’est pourquoi l’article 52 en projet permet un allègement de la struc- ture interne à mettre en place en fonction de l’évolution de certains paramètres. Ainsi, l’article  52,  §  1er en projet précise que la constitution des comités d’audit, de rémunération et des risques n’est pas obligatoire dans les entre- prises d’assurance ou de réassurance répondant sur base consolidée à au moins deux des trois critères suivants: un nombre moyen de salariés inférieur à 250 personnes sur l’ensemble de l’exercice concerné, un total du bilan inférieur ou égal à 43 000 000 euros et un chiffre d’affaires net annuel inférieur ou égal à 50 000 000 euros. S’agissant de ce dernier critère, il est précisé que la notion de “chiffre d’affaires” s’entend des “primes acquises nettes de réassurance”, telles que définies dans l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d’assurance et de réassurance, qui sont utilisées comme référence communément admise (voir les travaux préparatoires de la loi du 17 décembre 2008 instaurant notamment un comité d’audit dans les sociétés cotées et dans les entreprises financières, Doc. Parl., Chambre, n° 52- 1471/001, p. 7). En cas d’absence de comité d’audit, de comité de rémunération et de comité des risques en application du régime dérogatoire prévu par l’article 52, § 1er en projet, c’est l’organe légal d’administration dans son ensemble qui est chargé d’exercer les fonctions attribuées aux comités concernés. Il en découle que les normes pré- cisées aux articles 49, 50 et 51 pour chacun de ces comités concernés, sont, dans ce cas, applicables à l’organe légal d’administration, quelle que soit la struc- ture interne que cet organe met en place. La disposition précise que dans les hypothèses où, en application de la 81 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toepassing van de mogelijkheid tot afwijking als bepaald in ontwerpartikel 47, geen directiecomité is opgericht, wanneer de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan een uitvoerend lid is, hij het wettelijk bestuursorgaan niet zal kunnen voorzitten wanneer dit orgaan optreedt in de hoedanigheid van één van de comités. Ontwerpartikel 52, § 2 bepaalt dat de Bank een vrij- stelling kan verlenen van de verplichting om een remu- neratiecomité op te richten aan een onderneming die niet voldoet aan de voorwaarde van paragraaf 1, indien zij van oordeel is dat die onderneming zo georganiseerd is dat het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité voldoende ondersteund worden bij hun respectieve taken inzake beloningsbeleid als bedoeld in de artike- len 77, § 5 en 80, § 3, Deze vrijstelling is gebaseerd op artikel 275, lid 1, onder f) van Verordening 2015/35, die de lidstaten de mogelijkheid biedt de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen vrij te stellen van de verplichting om een remuneratiecomité op te richten op grond van hun “interne organisatie”. Paragraaf 3 machtigt de Bank om rekening te hou- den met de groepscontext om, in voorkomend geval, een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de toestemming te geven om één of meerdere van de drie comités als bedoeld in de ontwerpartikelen 49  tot 51, niet op te richten. Het betreft een bepa- ling die vergelijkbaar is met die welke de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 hadden vastgelegd voor het auditcomité. Ontwerpartikel 52, § 4 ten slotte, bepaalt dat ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen hun auditcomité en risicocomité mogen samenvoegen. Het spreekt voor zich dat deze mogelijkheid niet tot een versoepeling mag leiden van de vereisten inzake kennis, deskundigheid en ervaring waaraan de leden van elk van deze comités moeten voldoen met toepassing van respectievelijk ontwerpartikel 49, § 1 en ontwerpartikel 51, eerste lid. Dit wordt uiteraard uitdrukkelijk gepreci- seerd in ontwerpartikel 52, § 4. Art. 53 Voor het auditcomité en het remuneratiecomité gelden de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen die van toepassing zijn op de beursgenoteerde ven- nootschappen, te weten de vennootschappen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. Ontwerpartikel 53 bevestigt dat de ontwerpartikelen 48 tot 52 geen afbreuk doen aan deze bepalingen en breidt deze regel, die in de wet- ten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 reeds bestond possibilité de dérogation prévue à l’article 47 en projet, un comité de direction n’est pas mis en place, lorsque le président de l’organe légal d’administration est un membre exécutif, il ne pourra alors présider l’organe légal d’administration lorsque celui-ci agit en qualité d’un des comités. L’article 52, § 2, en projet prévoit une dérogation à l’obligation d’établir un comité de rémunération que la Banque peut octroyer aux entreprises qui ne satisfont pas à la condition visée au paragraphe 1er, mais dont l’organisation permet, à l’estime de la Banque, un sup- port adéquat de l’organe légal d’administration et du comité de direction dans leurs tâches respectives en matière de politique de rémunération telles que visées aux articles 77, § 5 et 80, § 3. Cette dérogation est basée sur l’article 275, paragraphe 1er, (f) du Règlement 2015/35, qui permet aux États membres de dispenser les entreprises d’assurance ou de réassurance de l’obligation de constituer un comité de rémunération en raison de leur “organisation interne”. Le paragraphe 3 habilite la Banque à tenir compte du contexte de groupe pour, le cas échéant, autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance à ne pas devoir constituer un ou plusieurs des trois comités visés aux articles 49 à 51 en projet. Il s’agit d’une disposition comparable à celles que les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009 avaient prévues pour le comité d’audit. L’article 52, § 4 en projet permet enfin aux entre- prises d’assurance ou de réassurance de fusionner leurs comités d’audit et des risques. Il va de soi que le recours à cette possibilité ne peut pas conduire à un amoindrissement des exigences en termes de connaissances, de compétences et d’expérience, qui doivent être rencontrées dans le chef des membres de chacun de ces comités en application, respectivement, de l’article 49, § 1er et de l’article 51, alinéa 1er en projet. De manière assez évidente, l’article 52, § 4 en projet le précise expressément. Art. 53 Les comités d’audit et de rémunération sont visés par les dispositions du Code des sociétés applicables aux sociétés cotées, à savoirs celles dont les titres sont admis aux négociations sur un marché réglementé. L’article 53 en projet confirme que les articles 48 à 52 en projet ne portent pas préjudice à ces dispositions. Logiquement, il étend cette règle déjà prévue dans les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009 pour le comité d’audit, au comité de rémunération. La disposition 82 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voor het auditcomité, uit tot het remuneratiecomité. De toepassing van artikel 526quater, § 2, tweede lid van het Wetboek van Vennootschappen wordt aldus onverlet gelaten voor wat betreft het aantal onafhankelijke be- stuurders in het remuneratiecomité en de bevoegdheid van die leden, of nog paragraaf 3 voor wat betreft het voorzitterschap van dit comité. Onderafdeling IV Onafhankelijke controlefuncties Art. 54 De wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 bevat- ten zeer weinig specifieke bepalingen over de onafhan- kelijke controlefuncties “interne audit”, “risicobeheer”, “compliance” of “actuariaat”. Het is evenwel noodzakelijk dat het toezicht dat de verzekerings- of herverzekerings- onderneming op zichzelf uitoefent, onder meer op de vier voornoemde onafhankelijke controlefuncties kan steunen. Daarom worden de basisbeginselen voor de com- pliancefunctie, de risicobeheerfunctie, de interneau- ditfunctie en het actuariaat expliciet geformaliseerd in de artikelen 54 en volgende van het wetsontwerp, overeenkomstig de Richtlijn. Ontwerpartikel 54 bepaalt dat de voornoemde vier functies onafhankelijk moeten zijn, wat minstens tot ui- ting moet komen in het statuut van de betrokken functie in de onderneming (hiërarchische en organisatorische scheiding), de prerogatieven van deze functie (middelen en toegang binnen de onderneming) en de regeling voor de beloning van de verantwoordelijke voor deze functie en van het personeel dat voor de uitoefening ervan beschikbaar is gesteld (waarbij met andere dan commerciële doeleinden rekening wordt gehouden en die noodzakelijkerwijs losstaat van de resultaten van de activiteiten waarop toezicht wordt gehouden). Gezien het belang van de onafhankelijke controle- functies voor de goede werking van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, worden de verantwoor- delijken voor deze functies beschouwd als sleutelper- sonen die moeten voldoen aan de voorwaarden inzake professionele betrouwbaarheid en deskundigheid die opgenomen zijn in ontwerpartikel 40. De voormelde functies zijn immers van essentieel belang voor de effectieve uitoefening van de leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met volledige kennis van zaken. Met hun controles, hun beoordelingen en hun adviezen verschaffen de préserve ainsi l’application de l’article 526quater, § 2, alinéa 2 du Code des sociétés, en ce qui concerne le nombre d’administrateurs indépendants au sein du comité de rémunération et la compétence de ses membres, ou encore son paragraphe 3 s’agissant de la présidence de ce comité. Sous-section IV Fonctions de contrôle indépendantes Art. 54 Les lois du 9 juillet 1975 et 16 février 2009 compre- naient très peu de dispositions spécifiques concernant les fonctions de contrôle indépendantes d’audit interne, de gestion des risques, de compliance ou d’actuariat. Il est pourtant indispensable que le contrôle de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance par elle-même puisse, notamment, s’appuyer sur les quatre fonctions de contrôle indépendantes précitées. C’est pourquoi les articles 54 et suivants de la loi en projet formalisent, conformément à la Directive, explici- tement les principes de base applicables aux fonctions de vérification de la conformité (compliance), de gestion des risques, d’audit interne et actuarielle. L’article 54 en projet précise la nécessaire indépen- dance des quatre fonctions précitées, qui doit à tout le moins se matérialiser dans le statut de la fonction concernée au sein de l’entreprise (séparation hiérar- chique et organisationnelle), les prérogatives qui lui sont attribuées (moyens et accès au sein de l’entreprise) et les modalités de rémunération de son responsable et du personnel qui est affecté à son exercice (répondant à des objectifs autres que commerciaux et déterminés, nécessairement, de manière indépendante des perfor- mances relatives aux domaines d’activités contrôlés). Compte tenu de l’importance des fonctions de contrôle indépendantes pour le bon fonctionnement des entreprises d’assurance et de réassurance, les responsables de ces fonctions sont considérés comme des personnes-clés devant répondre aux conditions d’honorabilité professionnelle et d’expertise prévues à l’article 40 en projet. Les fonctions visées ci-avant sont en effet essen- tielles à l’exercice effectif et en toute connaissance de cause de la direction de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Par leurs contrôles, leurs appréciations et leurs avis, les responsables de ces fonctions apportent 83 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verantwoordelijken voor deze functies aan de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige instrumenten om de verantwoordelijkheid voor de leiding ervan op zich te nemen. De betrouwbaarheid en de deskundigheid van de personen die verantwoor- delijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties zijn dus van het allerhoogste belang. In het kader van die functies worden ze echter niet als effectieve leiders beschouwd, als gevolg van de onafhankelijkheid die bij de uitoefening van deze functies in acht moet worden genomen en die onverenigbaar blijkt met de uitoefening van de beslissingsbevoegdheid die inherent is aan de activiteiten van de onderneming. Bijgevolg is het ge- rechtvaardigd specifiek te eisen dat ook de personen die op het hoogste niveau verantwoordelijk zijn voor deze onafhankelijke controlefuncties, over de voor de uitoefening van hun functie vereiste betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken, onverminderd de plaats die zij in de organisatie van de onderneming innemen. In het algemeen hebben de verantwoordelijken voor deze onafhankelijke controlefuncties naast de verplich- ting om over hun opdracht minstens eenmaal per jaar verslag uit te brengen aan het wettelijk bestuursorgaan, ook de verplichting om het wettelijk bestuursorgaan uit eigen beweging in te lichten indien er zich ontwikkelin- gen voordoen die een negatieve invloed op de onderne- ming hebben of zouden kunnen hebben. Hiertoe hebben zij rechtstreeks toegang tot het wettelijk bestuursorgaan, onafhankelijk van het directiecomité. Art. 55 De compliancefunctie is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de wettelijke en regle- mentaire bepalingen die de verzekerings- of herver- zekeringsactiviteit regelen, inzonderheid de regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op die activiteit. Voor wat betreft de gebieden die door deze functie worden bestreken, vermelden we met name de bepalingen inzake de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, het preventiebeleid op fiscaal vlak, de naleving van de regels inzake onverenigbaarheid van mandaten en de gedragsregels die voortvloeien uit de wet van 2 augustus 2002 evenals deze die betrekking hebben op de bescherming van de verzekeringnemers en de verzekeringsbegunstigden, de informatieverstrekking aan de cliënten en de openbaarmaking, die met name uit de wet van 4 april 2014 voortvloeien. Er zij aan herinnerd dat de compliancefunctie één van de vier transversale controlefuncties is — naast de risi- cobeheerfunctie, de interneauditfunctie en de actuariële aux dirigeants de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance les instruments nécessaires pour assumer la responsabilité de la direction de celle-ci. L’honorabilité et l’expertise des personnes responsables des fonc- tions de contrôle indépendantes revêtent donc une importance capitale. Or, elles ne sont pas considérées, dans le cadre de ces fonctions, comme des dirigeants effectifs, en raison de l’indépendance qui doit présider à l’exercice de ces fonctions et qui apparaît incompatible avec l’exercice du pouvoir décisionnel inhérent à la fonction de direction des activités de l’entreprise. Il se justifie par conséquent d’exiger de manière spécifique que les personnes responsables au plus haut niveau de ces fonctions de contrôle indépendantes présentent elles aussi l’honorabilité nécessaire et l’expertise adé- quate à l’exercice de leur fonction et ce, sans préjudice de la place qu’elles occupent dans l’organisation de l’entreprise. De manière générale, outre le fait qu’elles rendent compte de leur mission à l’organe légal d’administration au moins une fois par an, les personnes responsables de ces fonctions de contrôle indépendantes ont l’obliga- tion d’informer d’initiative l’organe légal d’administration en cas d’évoluation affectant ou susceptible d’affecter l’entreprise. À cette fin, elles disposent d’un accès direct à l’organe légal d’administration sans devoir en référer au comité de direction. Art. 55 La fonction de vérification de la conformité, commu- nément désignée sous le vocable “compliance”, est chargée de veiller au respect des dispositions légales et réglementaires qui régissent l’activité d’assurance ou de réassurance, en particulier les règles d’intégrité et de conduite qui s’appliquent à cette activité. Parmi les domaines couverts par cette fonction, on peut notamment citer les dispositions en matière de préven- tion du blanchiment et du financement du terrorisme, la politique de prévention dans le domaine fiscal, le respect des règles en matière d’incompatibilité de mandats et des règles de conduite découlant de la loi du 2 août 2002 ainsi que celles relatives à la protection des preneurs et bénéficiaires d’assurance, l’information aux clients et la publicité découlant notamment de la loi du 4 avril 2014. On rappelle que la fonction de compliance est une des quatre fonctions de contrôle transversales, avec la fonction de gestion des risques, la fonction d’audit 84 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 functie — waarover de verzekerings- of herverzekerings- onderneming moet beschikken. Deze functies vormen samen met de hiërarchische verantwoordelijken voor de operationele diensten een verdedigingslinie tegen de risico’s waaraan de onderneming is blootgesteld. De eerste verdedigingslinie is de interne controle binnen de operationele diensten. De tweede verdedigingslinie wordt gevormd door de compliancefunctie, de risicobe- heerfunctie en de actuariële functie, en de derde linie is de interne audit. Aangezien de compliancefunctie een tweedelijns- functie is, maakt zij bij haar toezicht op de naleving van de wettelijke en/of reglementaire regels die op de onder- neming van toepassing zijn, gebruik van de resultaten van de controles die in eerste lijn worden uitgevoerd door de operationele diensten. Zij hanteert daarbij technieken zoals steekproefsgewijze controle van de uitgevoerde verrichtingen en evaluatie van de verkregen steekproe- ven, actualisering en bewaking van risico-indicatoren zoals het aantal klachten en inbreuken, toezicht op de uitvoering van verrichtingen met cliënten, gesprekken met de medewerkers en opvolging van uitzonderings- verslagen. De compliancefunctie brengt de betrokken operationele en/of ondersteunende diensten op de hoogte van de resultaten van haar toezichtsactiviteiten en volgt hoe de betrokken diensten daar rekening mee houden. De compliancefunctie moet aldus beletten dat de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming de gevolgen moet dragen — met name een verlies van reputatie of geloofwaardigheid dat een ernstig financieel nadeel kan berokkenen — van de niet-naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen of van de deontologische bepalingen die gelden voor het verzekeringsmetier (compliancerisico). Het feit dat een persoon wordt aangeduid als verantwoordelijke voor de compliancefunctie in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en dat hij effectief voldoet aan de voorwaarden van artikel 40  van de ontwerpwet, betekent niet dat hij erkend wordt als compliance officer; de toekenning van deze erkenning behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van de FSMA, overeenkomstig artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002. Dit wordt gepreciseerd in paragraaf 1, derde lid van ontwerpartikel 55. Naast de verplichting voor de verantwoordelijke van de compliancefunctie om over de uitvoering van zijn opdracht minstens eenmaal per jaar te rapporteren aan het wettelijk bestuursorgaan, overeenkomstig ont- werpartikel 54, § 1, derde lid, wordt van deze persoon ook verwacht dat hij het wettelijk bestuursorgaan en het interne et la fonction actuarielle, qui doivent être mises en place au sein de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance. Chacune de ces fonctions représente, avec les responsables hiérarchiques des services opérationnels, une ligne de défense contre les risques encourus par l’entreprise. La première ligne de défense est constituée par le contrôle interne au sein des services opération- nels. La deuxième ligne de défense consiste dans les fonctions transversales de compliance et de gestion des risques ainsi que la fonction actuarielle. Quant à la troisième ligne, il s’agit de l’audit interne. S’agissant d’une fonction de seconde ligne, la fonc- tion de compliance utilise, pour veiller à ce que l’entre- prise respect les règles légales et/ou réglementaires qui lui sont applicables, les résultats des contrôles assurés par les services opérationnels en première ligne. Elle y adjoint des techniques telles que la réalisation de sondages dans les opérations réalisées et l’évaluation des échantillons obtenus, l’actualisation et le suivi des indicateurs de risque tels que le nombre de plaintes et d’infractions, l’observation de l’exécution d’opérations avec les clients, l’organisation d’entretiens avec des collaborateurs et le suivi de rapports d’exception. La fonction de compliance informe les services opéra- tionnels et/ou de soutien concernés des résultats de ses activités de surveillance et suit la manière dont les services concernés en tiennent compte. La fonction de conformité (compliance) a ainsi pour objectif d’éviter que l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne subisse les conséquences, en termes de perte de réputation ou de crédibilité susceptible de causer un grave préjudice financier, du non-respect de dispositions légales et réglementaires ou tenant à la déontologie du métier d’assureur (risque de conformité ou de compliance). Le fait qu’une personne soit désignée en qualité de responsable de la vérification de la conformité (com- pliance) au sein d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, et réponde effectivement aux conditions de l’article 40 de la loi en projet, n’a pas pour effet de lui conférer l’agrément de compliance officer qui demeure de la seule compétence de la FSMA conformément à l’article 87bis de la loi du 2 août 2002. Ceci est précisé au paragraphe 1er, alinéa 3 de l’article 55 en projet. Outre le fait qu’elle doive rendre compte de l’exé- cution de sa mission à l’organe légal d’administration au moins une fois par an conformément à l’article 54, § 1er, alinéa 3 en projet, il est également attendu de la personne responsable de la fonction de vérification de la conformité qu’elle informe régulièrement l’organe légal 85 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 directiecomité regelmatig inlicht over de naleving van de hogervermelde wettelijke en reglementaire bepalingen en dat hij in dat verband aanbevelingen formuleert. Art. 56 In het verlengde van de Richtlijn voorziet de wet in verschillende bepalingen om de risicobeheersing door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen significant en rechtstreeks te versterken. Het gaat om: — de sterke betrokkenheid van het wettelijk bestuurs- orgaan bij het risicobeheer, rekening houdend met de algemene risicotolerantie die het wettelijk bestuursor- gaan zelf moet vaststellen (zie ontwerpartikel 91, § 1, 2°); — de oprichting van een risicocomité binnen het wettelijk bestuursorgaan, dat samengesteld is uit leden die de nodige kennis en deskundigheid bezitten (zie ontwerpartikel 51); — beginselen die moeten worden toegepast om te verzekeren dat de verschillende risico’s waarmee de verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de uitoefening van haar activiteiten wordt geconfronteerd, beheerst worden (zie de ontwerpartikelen 84 tot 90); — in de operationele structuur, een versterking van de onafhankelijke risicobeheerfunctie, die het voorwerp uitmaakt van dit ontwerpartikel. Er zij aan herinnerd dat de risicobeheerfunctie onaf- hankelijk dient te zijn ten opzichte van de commerciële en risiconemende functies (zie ontwerpartikel 54, § 1, tweede lid). Deze onafhankelijkheid komt eveneens tot uiting in een rechtstreekse toegang tot het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het risicoco- mité, dat aldus volledige informatie kan verkrijgen over alle risico’s waaraan de onderneming blootstaat (zie ontwerpartikel 54, § 1, derde lid). De leiding van deze functie moet worden uitgeoe- fend door een lid van het directiecomité dat naast deze verantwoordelijkheid geen andere functies uitoefent (ontwerpartikel 56, § 3). Op grond van de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteit van de onderneming, kan het echter gerechtvaardigd zijn dat deze verantwoordelijkheid wordt gedragen door een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de onder- neming, op voorwaarde dat de uitoefening van deze d’administration, et le comité de direction sur le respect des dispositions légales et réglementaires évoquées ci-dessus et qu’elle formule des recommandations à cet égard. Art. 56 Dans le prolongement de la Directive, la loi en projet prévoit plusieurs dispositions ayant pour objectif de renforcer de façon significative et directe la maîtrise des risques par les entreprises d’assurance ou de réassurance. Il s’agit: — de l’implication forte de l’organe légal d’adminis- tration dans la gestion des risques, compte tenu des limites générales de tolérance au risque que l’organe légal d’administration doit lui-même fixer (voy. art. 91, § 1er, 2° en projet); — de la constitution d’un comité des risques au sein de l’organe légal d’administration, composé de membres disposant des connaissances et de l’expertise requises (voy. art. 51 en projet); — des principes à mettre en œuvre pour assurer la maîtrise des différents risques auxquels est confrontée une entreprise d’assurance ou de réassurance dans l’exercice de son activité (voy. art. 84 à 90 en projet); — au sein de la structure opérationnelle, d’un ren- forcement de la fonction indépendante de gestion des risques, qui fait l’objet du présent article en projet. On rappelle la nécessaire indépendance de la fonc- tion de gestion des risques par rapport aux fonctions commerciales et de prises de risques (voy. art. 54, § 1er, alinéa 2 en projet). Cette indépendance se traduit égale- ment par l’accès direct à l’organe légal d’administration, le cas échéant via le comité des risques, qui peut ainsi recevoir une information complète concernant tous les risques auxquels l’entreprise se voit exposé (voy. art. 54, § 1er, al. 3 en projet). Quant à la direction de cette fonction, elle doit être assurée par un membre du comité de direction dont cette responsabilité est la seule fonction (art. 56, § 3 en projet). Toutefois, il peut se justifier, eu égard à la nature, l’am- pleur et la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise, que cette responsabilité soit assurée par un membre du personnel de l’entreprise faisant partie de l’encadrement supérieur et ce, à la condition que l’exercice de cette fonction de contrôle indépendante 86 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 onafhankelijke controlefunctie niet tot belangenconflic- ten leidt wegens de andere functies die hij elders zou uitoefenen. De Bank kan hiervoor haar toestemming verlenen. Er zij opgemerkt dat er in hoofde van dit per- soneelslid geen cumul mogelijk is met de verantwoor- delijkheid voor andere onafhankelijke controlefuncties. Op grond van de overweging dat “[…]in kleinere en minder complexe ondernemingen meer dan één functie door één persoon of één organisatorische eenheid [kan] worden vervuld, behalve wat de interneauditfunctie be- treft” (overweging 32 van de Richtlijn), bepaalt ontwerp- artikel 56, § 3, tweede lid, 2° dat de verantwoordelijke voor de risicobeheerfunctie, wanneer hij lid is van het directiecomité, ook verantwoordelijk mag zijn voor de compliancefunctie evenals voor de taken van de actu- ariële functie die geen risico’s kunnen opleveren, voor zover die drie functies los van elkaar worden uitgeoefend en dit geen belangenconflicten doet rijzen. Voorbeelden van combinaties van taken die risico’s en/of belangenconflicten kunnen opleveren, waardoor een cumulatie van de verantwoordelijkheid voor de risicobeheerfunctie en de verantwoordelijkheid voor de actuariële functie uitgesloten is, zijn de berekening én validering van de technische voorzieningen of de medewerking aan de ontwikkeling van het interne model én de validering ervan. In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, moet de Bank voor een dergelijke cumulatie van functies haar voorafgaande goedkeuring verlenen. Dit voorafgaand akkoord is vereist wanneer de voor- genomen cumulatie betrekking heeft op de operationele verantwoordelijkheid voor de voornoemde functies maar ook enkel op de hiërarchische verantwoordelijkheid voor deze functies in het kader van de bevoegdheidsverde- ling tussen de leden van het directiecomité. Voor zover nodig, zij eraan herinnerd dat de in- terneauditfunctie in geen geval cumuleerbaar is met de verantwoordelijkheid voor andere onafhankelijke controlefuncties. Art. 57 Los van hun verplichting om minstens eenmaal per jaar rechtstreeks over hun opdracht te rapporteren aan het wettelijk bestuursorgaan (ontwerpartikel 54, § 1, derde lid), kunnen de verantwoordelijken voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie uit eigen ne génère dans son chef aucun conflit d’intérêts eu égard aux autres fonctions qu’il exercerait par ailleurs. Une telle possibilité peut être autorisée par la Banque. A noter qu’il n’y a pas de cumul possible dans le chef de ce membre du personnel avec la responsabilité d’autres fonctions de contrôle indépendantes. Considérant ensuite que “hormis ce qui a trait à la fonction d’audit interne, il devrait être possible, dans les entreprises plus petites et moins complexes, de confier plus d’une fonction à une seule personne ou unité organisationnelle” (Considérant n° 32 de la Directive), l’article 56, § 3, alinéa 2, 2° en projet dispose que le responsable de la fonction de gestion des risques, lorsqu’il est membre du comité de direction, peut éga- lement être le responsable de la fonction de vérification de la conformité ainsi que le responsable des tâches de la fonction actuarielle qui ne sont pas génératrices de risques, pour autant que l’exercice de ces trois fonctions soient assurées distinctement et ne soit pas générateur de conflits d’intérêts. A titre d’exemples de tâches génératrices de risques et/ou de conflits d’intérêts, excluant dès lors tout cumul entre la responsabilité de la fonction de gestion des risques et la responsabilité de la fonction actuarielle, on peut citer le fait d’à la fois procéder au calcul des provi- sions techniques et de les valider ou le fait de contribuer au développement du modèle interne et de le valider. Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance dont le total de bilan est supérieur à 3 milliards d’euros, la mise en place de ce cumul de fonctions est subordon- née à l’autorisation préalable de la Banque. Il est précisé que cet accord préalable est requis lorsque le cumul envisagé porte sur la responsabilité opérationnelle des fonctions précitées mais également sur la seule responsabilité hiérarchique de ces fonctions dans le cadre de la répartition des attributions entre les membres du comité de direction. Pour autant que de besoin, on rappelle que la fonction d’audit interne ne peut jamais être cumulée avec la responsabilité d’autres fonctions de contrôle indépendantes. Art. 57 Indépendamment de leur obligation de rendre compte de leur mission directement à l’organe légal d’adminis- tration au moins une fois par an (art. 54, § 1er, alinéa 3 en projet), les personnes responsables des fonctions de gestion des risques et de vérification de la conformité 87 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 beweging, onafhankelijk van het directiecomité, het wettelijk bestuursorgaan over hun bezorgdheid inlichten indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de onderneming hebben of zouden kunnen hebben. Deze rechtstreekse toegang, die dus inhoudt dat niet eerst via het directiecomité moet worden gepas- seerd, is nodig om het wettelijk bestuursorgaan in staat te stellen zijn toezichtsfunctie wat betreft de uitvoering van de uitgestippelde strategie en de werking van de onderneming, strenger uit te oefenen, met inachtneming van het vastgestelde kader (risicotolerantie). Art. 58 De rol van de interneauditfunctie bestaat erin aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité een onafhankelijke garantie te verschaffen met betrekking tot de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Daarom moet de interneauditfunctie onbeperkt toegang hebben tot alle activiteiten van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, ongeacht of ze rechtstreeks worden uitgeoefend of worden uitbesteed, tot het volledige netwerk van de onderneming en tot de entiteiten in haar bezit, inclusief de activiteiten van de risicobeheerfunctie en van de compliancefunctie. Deze bevoegdheden moeten geformaliseerd worden in een auditcharter, dat het interne document is waarmee de onderneming aan de hand van een aantal maatre- gelen met betrekking tot de doelstellingen, de positie, en het gezag van de interneauditfunctie, garandeert dat deze functie onafhankelijk is en doeltreffend werkt, zodat zij haar taken in alle objectiviteit kan uitoefenen. Er zij aan herinnerd dat de verantwoordelijke voor de interneauditfunctie krachtens ontwerpartikel 54, § 1, derde lid rechtstreeks rapporteert aan het wettelijk be- stuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité. Hij deelt zijn bevindingen en aanbevelingen mee aan het wettelijk bestuursorgaan en houdt het directiecomité daarvan op de hoogte (ontwerpartikel 58, § 2). Art. 59 Onder vigeur van de wet van 9 juli 1975, werden de rol, de opdrachten de modaliteiten van de tussen- komst van de actuariële functie omschreven in een circulaire van de toezichthouder (zie circulaire CBFA 2009-33  van 19  november  2009  over de actuariële functie). Overeenkomstig artikel 48 van de Richtlijn zijn peuvent d’initiative, sans devoir en référer au comité de direction, faire part à l’organe légal d’administration de leurs préoccupations en cas d’évolution des risques affectant ou susceptibles d’affecter l’entreprise. Cet accès direct, à savoir sans le passage préalable par le comité de direction, est nécessaire pour permettre à l’organe légal d’administration d’exercer plus étroi- tement sa fonction de surveillance en ce qui concerne la mise en œuvre de la stratégie qui a été définie et le fonctionnement de l’entreprise dans le respect du cadre fixé (niveau de tolérance au risque). Art. 58 La fonction d’audit interne a pour rôle de fournir à l’organe légal d’administration et au comité de direction une assurance indépendante quant à la qualité et l’effec- tivité du contrôle interne, de la gestion des risques et du système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. C’est pourquoi la fonction d’audit interne doit avoir accès sans restriction à toutes les activités de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, qu’elles soient exercées directement ou sous-traitées, à l’entièreté de son réseau et des entités détenues, y compris aux activités de la fonction de gestion des risques et de la fonction de vérification de la conformité (compliance). Ces prérogatives doivent être formalisées dans une charte d’audit qui constitue le document interne par lequel l’entreprise garantit, par un ensemble de mesures concernant les objectifs, la position et l’autorité de la fonction d’audit interne, son indépendance et son effi- cacité de façon à ce qu’elle puisse exercer ses missions en toute objectivité. On rappelle qu’en vertu de l’article 54, § 1er, alinéa 3 en projet, la personne responsable de la fonction d’audit interne fait rapport directement à l’organe légal d’administration, le cas échéant, via le comité d’audit. Elle communique ses conclusions et ses recommanda- tions à l’organe légal d’administration et en tient informé le comité de direction (art. 58, § 2 en projet). Art. 59 Là où, sous l’empire de la loi du 9 juillet 1975, le rôle, les missions et les modalités d’intervention de la fonc- tion actuarielle étaient définies sur base d’une circulaire de l’autorité de contrôle (voy. circulaire CBFA 2009- 33 du 19 novembre 2009 sur la fonction actuarielle), les tâches de la fonction actuarielle sont dorénavant, 88 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de taken van de actuariële functie nu opgenomen in het wetsontwerp. Art. 60 In navolging van het bepaalde in artikel 14bis, § 4 van de wet van 9 juli 1975, machtigt ontwerpartikel 60 de Bank om bij reglement nadere regels vast te leggen voor verschillende aspecten van het governancesysteem. Afdeling VII Hoofdbestuur Art. 61 Ontwerpartikel 61 zorgt voor de omzetting van artikel 20 van de Richtlijn en neemt hiertoe artikel 8, § 1, 1ste streepje van de wet van 9 juli 1975 en artikel 19 van de wet van 16 februari 2009 over. Het criterium van de wer- kelijke zetel wordt aldus bevestigd (zie hiervoor onder meer J.-P. DEGUÉE, “Pratique du forum shopping et exigences en matière bancaire et financière”, European Banking & Financial Law Journal — Euredia, 1999/3, pp. 381-397, noot onder HvJ, Arrest van 9 maart 1999 — Zaak C-212/97 (Centros)). Afdeling IX Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering Art. 62 Overeenkomstig ontwerpartikel 62 maken de aan- sluiting bij een regeling voor de bescherming van levensverzekeringen en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, met name op het vlak van de bijdragen, integraal deel uit van de regels die het wettelijk statuut vormen van de verzekeringsondernemingen waarvan de activiteit bestaat in het sluiten van levensverzekerings- overeenkomsten met gewaarborgd rendement die vallen onder tak 21 als vermeld in Bijlage II of van alle andere categorieën van overeenkomsten die vallen onder een dergelijke regeling. Dit betekent dat wanneer een ver- zekeringsonderneming die gehouden is deel te nemen aan een dergelijke regeling, haar deelname stopzet, of haar verplichtingen in het kader van deze regeling niet naleeft, de Bank de passende maatregelen kan nemen, met name herstelmaatregelen, en desnoods de vergun- ning kan herroepen. Voor zover nodig zij erop gewezen dat ontwerpartikel 62 noch tot doel heeft regels vast te stellen voor de conformément à l’article 48 de la Directive, définies dans la loi en projet. Art. 60 À l’instar de l’article 14bis, § 4 de la loi du 9 juillet 1975, l’article 60 en projet habilite la Banque à définir par voie de règlement des règles plus précises concernant dif- férents aspects du système de gouvernance. Section VII Administration centrale Art. 61 L’article 61 en projet assure la transposition de l’ar- ticle 20 de la Directive et reprend à cette fin l’article 8, § 1er, 1re tiret de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 19 de la loi du 16 février 2009. Le critère du siège réel est ainsi affirmé (sur cet aspect, voy. notamment J.-P. DEGUÉE, “Pratique du forum shopping et exigences en matière bancaire et financière”, Revue européenne de droit bancaire et financier — Euredia, 1999/3, pp. 381- 397, Note sous C.J.C.E., Arrêt du 9 mars 1999 — Aff. C-212/97 (Centros)). Section IX Protection des créanciers d’assurance Art. 62 Conformément à l’article 62 en projet, l’adhésion à un système de protection des assurances sur la vie, et les obligations qui en découlent, notamment en matière de contributions, font partie intégrante des règles formant le statut légal des entreprises d’assurance dont l’activité consiste dans la souscription de contrats d’assurance sur la vie avec rendement garanti relevant de la branche 21 mentionnée à l’Annexe II ou de toute autre catégorie de contrats couverts par un tel système. Il en résulte que la cessation de l’adhésion d’une entreprise d’assurance tenue de participer à un tel système ou le non-respect de ses obligations envers ce système, permettrait à la Banque de prendre les mesures, notamment de redressement, qui s’indiquent et, à la limite, de révoquer l’agrément. Pour autant que de besoin, il est précisé que l’article 62 en projet n’a pas pour objet de fixer les règles de 89 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 oprichting, organisatie of werking van deze bescher- mingsregeling, die vastgelegd zijn in andere wettelijke en reglementaire teksten, noch de voorwaarden te be- palen voor de schadeloosstelling bij in gebreke blijven van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, die bepaald worden door de regels met betrekking tot deze regelingen. In dit verband zij verwezen naar het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonder- heid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito’s, de levensverzekeringen en het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen (waarvan artikel 3  voorziet in de oprichting van het “Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito’s, levens- verzekeringen en kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen” bij de Deposito- en Consignatiekas) en het koninklijk besluit van 16 maart 2009 betreffende de bescherming van deposito’s en levensverzekeringen door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito’s en levensverzekeringen (BS van 25 maart 2009). TITEL II Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Art. 63 De ervaring heeft geleerd dat sommigen voorstander waren van een strikt letterlijke toepassing van de wet en stelden dat aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning enkel voldaan moet zijn op het ogen- blik dat de vergunning wordt verkregen en niet op elk ogenblik van het bestaan van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming. Om te vermijden dat energie wordt verspild met het aanhalen van argumenten die een dergelijke zinloze lezing weerleggen, bepaalt ontwerpar- tikel 63, voor zover nodig, wat evident is, namelijk dat de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning te allen tijde vervuld moeten zijn door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. création, d’organisation ou de fonctionnement de ce système de protection, qui sont définies par d’autres textes légaux et réglementaires, ni de déterminer les conditions d’indemnisation en cas de défaillance de l’entreprise d’assurance qui sont déterminées par les règles régissant lesdits systèmes. On citera sur ce point, l’arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promouvoir la stabilité financière et instituant en parti- culier une garantie d’État relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité financière, en ce qui concerne la protection des dépôts, des assurances sur la vie et du capital de sociétés coopératives agréées (dont l’article 3 prévoit la création du “Fonds spécial de protection des dépôts, des assurances sur la vie et du capital de sociétés coo- pératives agréées” au sein de la Caisse des Dépôts et Consignations) et l’arrêté royal du 16 mars 2009 relatif à la protection des dépôts et des assurances sur la vie par le Fonds spécial de protection des dépôts et des assurances sur la vie (MB du 25 mars 2009). TITRE II Des conditions d’exercice de l’activité CHAPITRE IER Généralités Art. 63 L’expérience a montré que certains défendaient une application strictement littérale de la loi en affirmant que les conditions imposées à l’obtention de l’agrément ne devaient être satisfaites qu’au seul moment de l’obten- tion de l’agrément et non, à tout moment, en cours de vie de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Afin d’éviter la perte d’énergie liée à l’argumentaire à fournir à l’encontre d’une telle lecture dénuée de sens, l’article 63 en projet précise, pour autant que de besoin, l’évi- dence selon laquelle les conditions liées à l’obtention doivent être satisfaites, à tout moment, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance. 90 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Wijzigingen in de kapitaalstructuur Art. 64 tot 73 Deze bepalingen zetten de artikelen 57 tot 63 van de Richtlijn om. Ze stemmen overeen met de artikelen 23bis en 24 van de wet van 9 juli 1975 en de artikelen 24 en 24/1 van de wet van 16 februari 2009. Er zij aan herinnerd dat deze bepalingen werden gewijzigd door de wet van 31 juli 2009, met het oog op de omzetting van Richtlijn 2007/44/EG, die voorzag in een maximale trans- sectorale harmonisatie op het gebied van overdrachten van belangrijke deelnemingen, in het bijzonder voor: — de gevallen waarin een prudentiële beoor- deling moet worden verricht (vastlegging van kennisgevingsdrempels); — de informatie die verlangd wordt van de kandi- daat-verwervers met het oog op de uitvoering van de prudentiële beoordeling, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel; — de criteria op basis waarvan de prudentiële beoor- deling moet gebeuren; en de beoordelingsprocedure en —termijnen. In het algemeen, voor wat betreft de strekking van de bepalingen over de wijziging van de aandeelhouders- structuur, zij verwezen naar de parlementaire voorbe- reiding van de wet van 31 juli 2009 (Parl.St. Kamer, 2008-2009, nr. 2011/001) evenals naar de voornoemde werkzaamheden van de vroegere Europese comités van toezichthouders, die relevant blijven in het kader van het voorliggende ontwerp. Bij de wijziging van artikel 23bis van de wet van 9 juli 1975 werd dit artikel uitgebreid met verschillende paragrafen. In deze ontwerptekst wordt de regeling van artikel 23bis herwerkt, in die zin dat het artikel wordt opgesplitst in verschillende artikelen, naargelang van het onderwerp. Artikel 58, lid 4, in fine van de Richtlijn biedt de mo- gelijkheid aan de lidstaten om toe te staan dat de toe- zichthouder de motivering van het besluit waarbij hij zich verzet tegen een verwerving openbaar maakt zonder dat de kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht. Artikel 23bis, § 3, vierde lid van de wet van 9 juli 1975 bepaalt enkel dat een passende motivering van het besluit pu- bliek toegankelijk kan worden gemaakt op verzoek van de kandidaat-verwerver. De memorie van toelichting bij de wet van 31 juli 2009 licht deze keuze als volgt toe: CHAPITRE II Modifications dans la structure du capital Art. 64 à 73 Ces dispositions transposent les articles 57 à 63 de la Directive. Elles correspondent aux articles 23bis et 24 de la loi du 9 juillet 1975 et les articles 24 et 24/1 de la loi du 16 février 2009. Pour rappel, ces dispositions ont été modifiées par la loi du 31 juillet 2009 en vue de transposer la directive 2007/44/CE qui procédait à une harmonisation maximale transsectorielle en matière de cessions de participations importantes, en particulier en ce qui concerne: — les situations dans lesquelles une évaluation prudentielle doit avoir lieu (définition des seuils de notification); — les informations requises des candidats acqué- reurs pour permettre l’évaluation prudentielle, tenant compte du principe de proportionnalité; — des critères sur la base desquels l’évaluation prudentielle doit être effectuée; et — la procédure et les délais de l’évaluation. De manière générale, en ce qui concerne la portée des dispositions relatives à la modification de l’action- nariat, on renvoie aux travaux préparatoires de la loi du 31 juillet 2009 (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2008-2009, n° 2011/001) ainsi qu’aux travaux précités des anciens comités européens des contrôleurs, qui conservent toute leur pertinence dans le cadre du présent projet. Lors de sa modification, l’article 23bis de la loi du 9 juillet 1975 a connu une extension, sous forme de nombreux paragraphes additionnels. Les dispositions du présent projet entendent remanier le dispositif sous forme d’articles distincts selon leur objet. L’article 58, paragraphe  4, in fine de la Directive permet à un État membre d’autoriser la divulgation au public par l’autorité de contrôle des motifs pour lesquels elle s’est opposée à une acquisition en l’absence d’une telle demande du candidat acquéreur. L’article 23bis, § 3, alinéa 4 de la loi du 9 juillet 1975 prévoit seule- ment qu’un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur. L’exposé des motifs de la loi du 31 juillet 2009 explique ce choix de la façon suivante: 91 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “Gevolg gevend aan een opmerking van de Raad van State, wordt gepreciseerd dat in het onderhavige ont- werp geen gebruik is gemaakt van de door de Richtlijn verleende optie om de toezichthouder toe te staan de redenen voor een beslissing openbaar te maken zonder de instemming van de kandidaat-verwerver. Volgens de logica van de toezichtsrichtlijnen is het vertrouwelijke karakter van de betrokken verrichtingen immers gewaar- borgd aangezien zij informatie vormen die valt onder het beroepsgeheim waartoe de toezichthouders gehouden zijn. Toestaan dat de redenen voor de beslissingen openbaar worden gemaakt zonder de instemming van de kandidaat-verwervers zou dan ook indruisen tegen de voormelde logica.” (Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 2008-2009, nr. 2011/001, 19-20). Er wordt voorgesteld geen gebruik te maken van de optie die geboden wordt in artikel 58, lid 4, in fine van de Richtlijn en de huidige situatie te behouden (zie ontwerpartikel 66, derde lid). Er wordt evenwel voorgesteld in de huidige regeling een inhoudelijke wijziging aan te brengen voor wat be- treft de informatieverplichting van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Overeenkomstig artikel 61 van de Richtlijn moet de verzekerings- of herverze- keringsonderneming de Bank op de hoogte brengen van de drempeloverschrijdingen of —onderschrijdingen waar zij zelf kennis van heeft. Ontwerpartikel 71 verlangt bovendien van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming dat zij over haar belangrijke aandeelhouders aan de Bank alle relevante informatie verstrekt waar zij kennis van heeft en die een invloed kan hebben op de prudentiële beoordeling van deze aandeelhouders (zie ook Principe 6.6 van de Insurance Core Principles). Voor de betrokken aandeelhouders geldt dezelfde verplichting. Wat deze laatsten betreft, wordt de doel- treffendheid van deze informatieverplichting met name gewaarborgd via ontwerpartikel 72 (waarin artikel 24 van de wet van 9 juli 1975 is overgenomen), dat de toezicht- houder machtigt een aantal maatregelen te nemen ten aanzien van aandeelhouders van wie de invloed een gezond en voorzichtig beheer van de onderneming kan belemmeren. “Faisant suite à l’observation du Conseil d’État, on précise que le projet n’a pas entendu utiliser la faculté permise par la Directive de permettre à l’autorité de contrôle d’effectuer la divulgation des motifs d’une décision sans le consentement du candidat acquéreur. En effet, la confidentialité qui s’attache aux transac- tions concernées relève, dans la logique des directives de contrôle, des informations couvertes par le secret professionnel auquel sont assujetties les autorités de contrôle. Permettre la divulgation des motifs des déci- sions en l’absence de consentement des candidats acquéreurs irait à l’encontre de la logique précitée” (Exposé des motifs, Doc. Parl., Chambre, 2008-2009, n° 2011/001, p.19-20). Il est proposé de ne pas lever l’option ouverte par l’article 58, paragraphe 4 in fine de la Directive et de conserver la situation actuelle (voy. art. 66, alinéa 3 en projet). Il est toutefois proposé d’apporter au dispositif actuel une modification de fond en ce qui concerne l’obligation d’information qui incombe à l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Conformément à l’article 61 de la Directive, l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit informer la Banque des franchissements de seuils à la hausse ou à la baisse dont elle a elle-même connais- sance. L’article 71 en projet impose en outre à l’entre- prise d’assurance ou de réassurance de communiquer à la Banque toutes informations pertinentes dont elle a connaissance concernant ses actionnaires significatifs et qui sont de nature à influencer l’appréciation pruden- tielle effectuée à leur égard (cf. également le Principe 6.6. des Insurances Core Principles ). La disposition impose également la même obligation d’information aux actionnaires en question. En ce qui concerne ces derniers, l’effectivité de cette obligation d’information est notamment rencontrée à travers l’article 72  en projet (qui constitue la reprise de l’article 24 de la loi du 9 juillet 1975) qui permet à l’autorité de contrôle de prendre une série de mesures à l’égard des actionnaires dont l’influence est de nature à porter atteinte à une gestion saine et prudente de l’entreprise. 92 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK III Algemene werkingsvoorwaarden Afdeling I Minimum eigen vermogen Art. 74 en 75 De ontwerpartikelen 74 en 75 zetten de artikelen 100, eerste alinea en 128 van de Richtlijn om voor wat betreft het beginsel dat de onderneming voldoende eigen vermogen moet aanhouden ter dekking van de kapitaalvereisten . Deze eigenvermogensbestanddelen moeten de verliezen van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming kunnen compenseren zodat zij financieel voldoende gezond blijft om haar verbintenissen te kun- nen nakomen. De eigenvermogensbestanddelen worden in drie ni- veaus (“tiers”) ingedeeld, naargelang van hun vermogen om verliezen te compenseren. Het in aanmerking komend bedrag aan eigen vermo- gen ter dekking van de kapitaalvereisten, ongeacht of het om het solvabiliteitskaptaalvereiste dan wel om het minimumkapitaalvereiste gaat, wordt beperkt op basis van het kwaliteitsniveau van de verschillende bestand- delen waaruit het bestaat. Gelet op het technische karakter van de bepalingen over het eigen vermogen en rekening houdend met de rechtstreeks toepasselijke uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn, legt het voorliggende wetsontwerp enkel de algemene regels ter zake vast. Afdeling II Bewaring van documenten Art. 76 Als toepassing van het beginsel van ontwerpartikel 61, wordt in ontwerpartikel 76 artikel 21, § 1bis, eerste en tweede lid van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, dat de bewaring van documenten door de onderneming regelt. Deze dienen op de zetel te worden bewaard of op elke andere vooraf door de Bank in overleg met de FSMA goedgekeurde plaats. Artikel 14  van de Wet Verzekeringen voorziet in een soortgelijke bepaling. Wat de machtiging betreft die aan de Bank wordt verleend om de termijn en de modaliteiten te bepalen CHAPITRE III Conditions générales de fonctionnement Section Ire Fonds propres minimum Art. 74 et 75 Les articles 74 et 75 en projet constituent la transpo- sition des articles 100, alinéa 1er et 128 de la Directive en ce qui concerne le principe aux termes duquel l’entreprise doit détenir des fonds propres suffisants pour couvrir les exigences de capital. Ces éléments de fonds propres doivent avoir la capacité d’absorber les pertes de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance de telle sorte que sa situation financière reste suffisamment saine pour faire face à ses engagements. Les éléments de fonds propres sont classés sur trois niveaux (“tiers”) selon leur capacité d’absorption des pertes. Le montant éligible de fonds propres servant à cou- vrir les exigences de capital, que ce soit le capital de solvabilité requis ou le minimum de capital requis, est limité en fonction du niveau de qualité des différents éléments qui le composent. Vu la technicité attaché aux dispositions relatives aux fonds propres et tenant compte des mesures d’exécution de la Directive directement applicables, le présent projet de loi ne fixe que les règles générales en la matière. Section II Conservation de documents Art. 76 En guise d’application du principe formulé sous l’article 61 en projet, l’article 76 en projet reprend l’article 21, § 1erbis, alinéas 1er et 2, de la loi du 9 juillet 1975 qui traite de la conservation de documents par l’entreprise. Ceux-ci doivent être conservés à leur siège ou tout autre lieu préalablement autorisé par la Banque en concer- tation avec la FSMA. Une disposition similaire figure à l’article 14 de la Loi assurances. S’agissant de l’habilitation permettant à la Banque de préciser les délais et modalités de conservation 93 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voor de bewaring van de documenten met betrekking tot de activiteiten, spreekt het voor zich dat voor de voor- schriften die daaruit zouden voortvloeien, gebruik dient te worden gemaakt van de moderne middelen en dat de opstelling en de bewaring ervan bijgevolg elektronisch dienen te gebeuren, met dien verstande dat de veiligheid gegarandeerd moet worden. Wat de documenten betreft die onder het toezicht van de FSMA vallen, spreekt het voor zich dat hier geen sprake is van strijdigheid, met name gelet op de samenwerkingsmechanismen die tus- sen deze toezichthoudende instellingen zijn ingesteld. Afdeling III Leiding en leiders Qua structuur is deze afdeling onderverdeeld in onderafdelingen over respectievelijk de rol en de ver- antwoordelijkheid van het wettelijk bestuursorgaan (dat in de meeste gevallen in de praktijk bij naamloze vennootschappen de raad van bestuur is), de rol van het directiecomité in de tenuitvoerlegging van de be- ginselen met betrekking tot het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, zoals die zijn opgenomen in de ontwerpartikelen 42 en volgende, en de bepalingen over de benoemingen, ont- slagen en uitoefening van externe functies van leiders. Deze structuur is duidelijker en legt meer de nadruk op de veel grotere rol die aan de raad van bestuur werd toebedeeld ingevolge de Richtlijn. Onderafdeling I Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan Art. 77 Het toezicht op de activiteiten en de regelmatige beoordeling van de beleidsstructuur, de organisatie en de internecontrolemechanismen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormen de tweede belangrijke pijler van de verantwoordelijkheden die de Richtlijn — artikel 41, lid 1 — toekent aan het wettelijk bestuursorgaan (voor de eerste pijler, zie ontwerpartikel 44 over de strategie en de risicotolerantie). De verant- woordelijkheid voor dit toezicht op de werking van de onderneming ligt bij de leden van het wettelijk bestuurs- orgaan die geen uitvoerende functie uitoefenen in dit orgaan. Dit beginsel is opgenomen in paragraaf 1 van de bepaling. Dit toezicht dat door de niet-uitvoerende leden van het wettelijk bestuursorgaan wordt uitgeoe- fend, moet ook betrekking hebben op de leden van het directiecomité en op de effectieve leiders. Dit wordt geregeld in paragraaf 2 van het artikel. des documents relatifs aux activités, il va de soi que les prescriptions qui en résulteraient devraient néces- sairement s’inscrire dans la modernité en privilégiant l’établissement et la conservation par voie électronique dès lors que la sécurité à cet égard est par ailleurs garantie. De même, s’agissant des documents relevant du contrôle de la FSMA, il va de soi qu’aucune position contradictoire n’est ici envisagée eu égard en particulier aux mécanismes de coopération mis en place entre les deux institutions de contrôle. Section III Direction et dirigeants En termes de structure, cette section se subdivise en sous-sections relatives, respectivement, au rôle et à la responsabilité de l’organe légal d’administration (à savoir dans la majorité des cas qui correspondent en pratique à la société anonyme, le conseil d’adminis- tration), au rôle du comité de direction dans la mise en œuvre des principes concernant le système de gouver- nance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, tels qu’ils sont définis aux articles 42 et suivants en projet, et aux dispositions en matière de nominations, démissions et fonctions externes des dirigeants. Il est apparu qu’une telle structure gagnait en clarté et per- mettait ainsi de mettre mieux en lumière le rôle fortement accru incombant au conseil d’administration à la suite de la Directive. Sous-section Ire Contrôle et évaluation par l’organe légal d’administration Art. 77 La surveillance des activités et l’évaluation régu- lière de la structure de gestion, de l’organisation et des mécanismes de contrôle interne de l’entreprise d’assurance ou de réassurance constituent le second grand axe des responsabilités attribuées à l’organe légal d’administration par la Directive — art. 41, paragraphe 1 — (pour le premier axe, voy. l’article 44 en projet concernant la stratégie et le niveau de tolérance au risque). Ce contrôle du fonctionnement de l’entreprise incombe aux membres de l’organe légal d’administra- tion qui n’exercent pas de fonction exécutive au sein de celui-ci. Le paragraphe 1er de la disposition affirme ce principe. Ce contrôle par les membres non exécutifs de l’organe légal d’administration doit, en outre, porter sur les membres du comité de direction et sur les dirigeants effectifs. C’est l’objet du paragraphe 2 de la disposition. 94 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Paragraaf 3 van de ontwerptekst bepaalt dat het wet- telijk bestuursorgaan periodiek en minstens eenmaal per jaar moet nagaan of de onafhankelijke controlefuncties correct worden uitgeoefend. Behalve op de beoorde- ling die hij kan uitvoeren op grond van zijn regelmatige contacten en van de informatie die hem door deze vier functies wordt verstrekt, baseert het wettelijk bestuurs- orgaan zich met name op het periodiek verslag van het directiecomité (zie hierna, commentaar bij ontwerpar- tikel 78). De verplichting om de deskundigheid van de leden te rechtvaardigen, die in de wet van 9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 reeds was opgenomen voor het auditcomité, wordt in paragraaf 4 uitgebreid tot de leden van alle comités die door ontwerpartikel 48 wor- den ingevoerd. Het toezicht dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt uitgeoefend, moet betrekking hebben op alle activiteiten van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming. Paragraaf 5 van de ontwerptekst bepaalt wat verwacht wordt van het wettelijk bestuursorgaan opdat de onderneming over een beloningsbeleid zou beschikken dat voldoet aan de algemene voorwaarden van ontwerpartikel 42, § 1, 6° (deze voorwaarden zijn opgenomen in artikel 275 van Verordening 2015/35). Het wettelijk bestuursorgaan kan in voorkomend geval een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties (zie met name de commentaar bij artikel 50 over het remuneratiecomité en de informatie die door de risico- beheerfunctie wordt verstrekt). Art. 78 Artikel 78 van de ontwerptekst, dat zorgt voor de omzetting van een aspect van de Richtlijn dat specifiek betrekking heeft op de corporate governance (zie arti- kel 46 van de Richtlijn en artikel 266 van Verordening 2015/35), betreft de verantwoordelijkheid van het wette- lijk bestuursorgaan voor wat betreft de betrouwbaarheid en de integriteit van een aantal aspecten met betrekking tot de interne werking van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, met name op het vlak van de informatieverstrekking (rapportering) en de publicatie. Inhoudelijk stemmen die aspecten in hoofdzaak overeen met de tekst van de wet van 9 juli 1975 (artikel 14bis, § 3, eerste lid) en deze van de wet van 16 februari 2009 (arti- kel 18, § 3, eerste lid). Het gaat hier om verplichtingen die voortaan duidelijk op het wettelijk bestuursorgaan rus- ten, in het kader van zijn algemene toezichtsopdracht. Le paragraphe 3 en projet précise que l’organe légal d’administration vérifie périodiquement, et au moins une fois par an, si les fonctions de contrôle indépendantes sont correctement exercées. Outre l’évaluation qu’il peut effectuer à travers les contacts réguliers et les infor- mations qui lui sont fournies par ces quatre fonctions, l’organe légal d’administration se base notamment sur le rapport périodique établi par le comité de direction (voy. ci-après, le commentaire relatif à l’article 78 en projet). Le paragraphe 4 étend à tous les comités, introduits par l’article 48 en projet, l’obligation de justifier de la compétence des membres qui en font partie, ainsi que cela était déjà prévu sous la loi du 9 juillet 1975 et la loi du 16 février 2009 pour le comité d’audit. La surveillance exercée par l’organe légal d’admi- nistration doit s’étendre à tous les domaines d’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Le paragraphe 5 en projet précise ce qui est attendu de l’organe légal d’administration pour que l’entreprise dispose d’une politique de rémunération répondant aux conditions générales de l’article 42, § 1er, 6° du projet (ces conditions étant précisées sous l’article 275 du Règlement 2015/35). L’organe légal d’administration peut, le cas échéant, recourir aux fonctions de contrôle indépendantes (voy. notamment le commentaire relatif à l’article 50 concernant le comité de rémunération et les informations apportées par la fonction de gestion des risques). Art. 78 L’article 78 en projet de loi, qui transpose un aspect de la Directive concernant spécifiquement la gou- vernance (voy. l’article 46  de la Directive et article 266 du Règlement 2015/35), précise la responsabilité de l’organe légal d’administration concernant la fia- bilité et l’intégrité d’une série d’aspects propres au fonctionnement interne de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment en matière d’information (reporting) et de publication. Sur le fond, ces aspects correspondent essentiellement au texte de la loi du 9 juillet 1975 (article 14bis, § 3, alinéa 1er) et celui de la loi du 16 février 2009 (article 18, § 3, alinéa 1er). Il s’agit ici d’obligations incombant désormais clairement à l’organe légal d’administration, dans le cadre de sa mission générale de surveillance. 95 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 79 In ontwerpartikel 79 worden artikel 14bis, § 6 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 18, § 6 van de wet van 16 februari 2009 overgenomen. Onderafdeling II Door het directiecomité te nemen maatregelen Art. 80 Buiten de bepalingen betreffende de effectieve leiders van de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen als personen (zie met name de commentaar bij de ontwerpartikelen 40, 81 en 83) bevat de Richtlijn weinig specifieke bepalingen over het directiecomité als orgaan of de effectieve leiders als dusdanig. Ontwerpartikel 80 zorgt voor de omzetting van bepalingen inzake het governancesysteem (artikel 40 van de Richtlijn en artikel 275, lid 1, onder d) van de Verordening 2015/35) die onder meer betrekking hebben op de tenuitvoerleg- ging, op twee specifieke gebieden (beloningsbeleid en risicobeheersing), van de beslissingen van het wettelijk bestuursorgaan, onder het toezicht van dit orgaan. In deze context bepaalt ontwerpartikel 80, § 5 dat het directiecomitéminstens jaarlijks een verslag moet opstellen over de naleving van de bij de wet en de toepasselijke reglementen opgelegde organisatorische vereisten en over de concrete maatregelen die in dit verband werden genomen. Op basis van dit verslag moet het wettelijk bestuursorgaan kunnen nagaan of voldaan is aan de vereisten. Het wordt gericht aan de erkend commissaris en aan de Bank. Onderafdeling III Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies Art. 81 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen dienen er in de eerste plaats zelf op toe te zien dat hun leiders en hun verantwoordelijken voor de onafhanke- lijke controlefuncties over de vereiste betrouwbaarheid en de passende deskundigheid beschikken om hun functie uit te oefenen (zie commentaar bij ontwerparti- kel 40). Ontwerpartikel 81 versterkt het toezicht op de naleving van deze verplichting. Deze versterking houdt in dat de toezichthouder voorafgaandelijk wordt ingelicht en dat de te verrichten benoemingen voorafgaandelijk worden goedgekeurd. Art. 79 L’article 79 en projet reprend l’article 14bis, § 6 de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 18, § 6 de la loi du 16 février 2009. Sous-section II Des mesures à prendre par le comité de direction Art. 80 En dehors des dispositions concernant les dirigeants effectifs des entreprises d’assurance ou de réassurance en tant que personnes (voy. notamment le commentaire relatifs aux articles 40, 81 et 83 en projet), la Directive comprend peu de dispositions spécifiques concernant le comité de direction en tant qu’organe ou les dirigeants effectifs comme tels. L’article 80 en projet transpose des dispositions en matière de système de gouvernance (articles 40 de la Directive et article 275, paragraphe 1, d) du Règlement 2015/35) qui concernent, entre autres, la mise en en œuvre, dans deux domaines particuliers (politique de rémunération et maîtrise des risques), des décisions prises par l’organe légal d’administration, sous la surveillance de celui-ci. Dans ce contexte, l’article 80, § 5 en projet prévoit que le comité de direction est tenu d’établir au moins une fois par an un rapport sur le respect des exigences organisationnelles imposées par la loi et les règlements applicables, et les mesures concrètes qui ont été prises à cette fin. Le rapport doit permettre à l’organe légal d’administration de vérifier que les exigences sont respectées. Il est adressé au commissaire agréé et à la Banque. Sous-section III Nominations, démissions et exercice de fonctions extérieures Art. 81 S’il incombe au premier chef aux entreprises d’assu- rance ou de réassurance elles-mêmes de veiller à ce que leurs dirigeants ainsi que leurs responsables des fonctions de contrôle indépendantes, présentent l’hono- rabilité nécessaire et l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction (voy. le commentaire de l’article 40 en projet), l’article 81 en projet vient renforcer le contrôle exercé sur le respect de cette obligation. Ce renforce- ment repose sur une information préalable de l’autorité de contrôle assortie d’une approbation préalable des nominations à intervenir. 96 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Zo moeten de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen in de eerste plaats de toezichthouder voorafgaandelijk in kennis stellen van voorstellen tot be- noeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, als er geen directiecomité is, met toepassing van ontwerpartikel 47, van de personen belast met de effectieve leiding. Het begrip “effectieve leiding” werd besproken in de commentaar bij ontwerpartikel 40. Er dient evenwel verduidelijkt te worden dat het toepassingsgebied van ontwerpartikel 81, wat betreft de personen belast met de effectieve leiding, verschilt van dat van ontwerpartikel 40. Wat immers niet onder ontwerpartikel 81 valt, is de benoeming, bij verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen die een directiecomité hebben, van effectieve leiders die geen lid zijn van het directiecomité of van het wettelijk bestuursorgaan. Concreet gaat het om de personen van een hiërarchisch niveau net onder dat van het directiecomité, die een rechtstreekse en doorslaggevende invloed uitoefenen op het beheer van alle of bepaalde activiteiten van de onderneming. Die personen moeten uiteraard de eigenschappen hebben die van alle effectieve leiders worden verlangd con- form ontwerpartikel 40 en het is in de eerste plaats de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf die hierop moet toezien. Het voldoen van deze personen aan de voornoemde voorwaarden maakt echter niet het voorwerp uit van een voorafgaandelijke goedkeuring door de toezichthouder op basis van ontwerpartikel 81; dit gebeurt in het kader van het doorlopend toezicht dat op de onderneming wordt uitgeoefend. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan de wens om de versterking van dit toezicht, voor wat betreft de leiders, te richten op de personen die op het hoogste niveau deelnemen aan het bestuur van de onderneming en lid zijn van haar organen. In de tweede plaats wordt de verplichting om de toezichthouder voorafgaandelijk in kennis te stellen, uitgebreid tot de benoeming van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Deze verplichting geldt eveneens voor voorstellen tot hernieuwing van de benoeming van de leiders en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controle- functies, voor de niet-hernieuwing van die benoeming, evenals voor de afzetting of het ontslag (uiteraard zodra de onderneming daar kennis van heeft) van die perso- nen (ontwerpartikel 81, § 1). Wat de raadpleging van de FSMA betreft, die enkel verplicht is wanneer een persoon voor het eerst wordt voorgedragen voor een functie bij een onder toezicht staande financiële onderneming, zij gepreciseerd dat C’est ainsi que les entreprises d’assurance ou de réassurance sont tout d’abord tenus d’informer pré- alablement l’autorité de contrôle de la proposition de nomination des membres de l’organe légal d’adminis- tration ainsi que des membres du comité de direction ou, en l’absence d’un comité de direction en application de l’article 47 en projet, des personnes chargées de la direction effective. La notion de direction effective a été explicitée sous le commentaire de l’article 40 en projet. On précise cependant que le champ d’application de l’article 81 en projet, en ce qu’il vise les personnes en charge de la direction effective, diffère de celui de l’article 40 en pro- jet. N’est, en effet, pas visée par l’article 81 en projet, la nomination, dans les entreprises d’assurance ou de réassurance avec un comité de direction, des dirigeants effectifs qui ne sont pas membres du comité de direction ni de l’organe légal d’administration. Concrètement, il s’agit des personnes dont la fonction est située à un niveau hiérarchique immédiatement inférieur au comité de direction et qui exercent une influence directe et déterminante sur la direction de tout ou partie des activités de l’entreprise. Ces personnes doivent bien évidemment présenter les qualités requises de tout dirigeant effectif conformément à l’article 40 en projet et il incombe au premier chef à l’entreprise d’assurance ou de réassurance lui-même d’y veiller. Le respect des conditions précitées à l’égard de ces personnes ne fera toutefois pas l’objet d’une approbation préalable par l’autorité de contrôle sur base de l’article 81 en projet mais sera contrôlé dans le cadre du contrôle continu exercé sur l’entreprise. Cette approche traduit la volonté de concentrer le renforcement du contrôle évoqué ci-dessus, en ce qui concerne les dirigeants, sur les personnes qui, au plus haut niveau, participent à la gestion de l’entreprise en étant membres de ses organes. L’obligation d’information préalable de l’autorité de contrôle est ensuite étendue à la nomination des res- ponsables des fonctions de contrôle indépendantes. Elle s’applique également à la proposition de renou- vellement de la nomination des dirigeants et des res- ponsables des fonctions de contrôle indépendantes, au non-renouvellement de celle-ci, ainsi qu’à la révocation ou à la démission (dès lors, bien entendu, que l’entre- prise en a connaissance) de ces personnes (art. 81, § 1er en projet). S’agissant de la consultation obligatoire de la FSMA pour les seuls cas où la personne est proposée pour la première fois à une fonction dans une entreprise financière sous statut de contrôle, on précise que cette 97 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 deze beperking voortvloeit uit de samenwerkingsover- eenkomst tussen de Nationale Bank van België en de FSMA, die onder meer inhoudt dat deze instellingen uit eigen beweging informatie uitwisselen die relevant is voor hun respectieve opdrachten. Overeenkomstig paragraaf 3  dient in dit verband nog opgemerkt te worden dat een verandering van functie, bijvoorbeeld een nieuwe taakverdeling bin- nen het wettelijk bestuursorgaan of het directiecomité, beschouwd moet worden als een nieuwe benoeming voor de betrokken leiders, die voorafgaandelijk aan de toezichthouder moet worden gemeld en, zoals hierna vermeld, waarvoor deze laatste voorafgaandelijk zijn goedkeuring moet verlenen. Verder dient de benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het direc- tiecomité of, indien er geen directiecomité is, met toe- passing van ontwerpartikel 47, van de personen belast met de effectieve leiding, voorafgaandelijk te worden goedgekeurd door de toezichthouder, in voorkomend geval na advies van de FSMA (ontwerpartikel 81, § 2). De voorafgaande goedkeuring vormt een nieuwigheid sinds de wet van 25 april 2014 voor de niet-uitvoerende bestuurders; in het kader van het oude artikel 90bis van de wet van 9 juli 1975 was voor hun benoeming immers enkel een advies van de Nationale Bank van België vereist. De termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen leent zich niet tot een formalisering, aangezien hij uiteraard kan variëren naargelang van de complexiteit van het voorgelegde dossier en met name van het vereiste overleg (gerechtelijke overheden, bui- tenlandse autoriteiten, …). Het spreekt voor zich dat de toezichthouder erop moet toezien dat hij zijn beslissing neemt binnen een redelijke termijn na de ontvangst van een volledig dossier, met inachtneming van het beginsel van goed bestuur. De voorafgaande goedkeuring van de toezichthouder is eveneens vereist voor de benoeming van de verant- woordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties (ontwerpartikel 81, § 2). Hoewel de betrouwbaarheid en de deskundigheid van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het allerhoogste belang zijn voor de goede werking van de onderneming, was de leiding van de onderneming totnogtoe verant- woordelijk voor de naleving van de vereiste eigenschap- pen en beperkte de prudentiële toezichthouder zich tot de beoordeling van de passende organisatie van de onderneming (zie Circulaire PPB-2007-6-CPB-CPA over de prudentiële verwachtingen van de CBFA inzake het deugdelijk bestuur van financiële instellingen, p. 18, nr. 50). limitation s’explique en raison du protocole de coopé- ration conclu entre la Banque nationale de Belgique et la FSMA qui organise l’échange, d’initiative, des infor- mations pertinentes pour les besoins de leurs missions respectives. Conformément au paragraphe 3, il est encore à noter qu’un changement de fonction, par exemple une nouvelle répartition des tâches au sein de l’organe légal d’administration ou du comité de direction, est à considérer comme une nouvelle nomination pour les dirigeants concernés, nécessitant une information préalable de l’autorité de contrôle et, comme expliqué ci-après, l’approbation préalable de celle-ci. Ensuite, la nomination des membres de l’organe légal d’administration ainsi que des membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction en application de l’article 47 en projet, des personnes chargées de la direction effective est soumise à l’appro- bation préalable de l’autorité de contrôle moyennant, le cas échéant, l’avis de la FSMA (art. 81, § 2 en projet). L’approbation préalable constitue une nouveauté depuis la loi du 25 avril 2014 en ce qui concerne les ad- ministrateurs non exécutifs dont la nomination, dans le cadre de l’ancien article 90bis de la loi du 9 juillet 1975, ne requerrait qu’un simple avis de la Banque natio- nale de Belgique. S’agissant du délai dans lequel une décision doit être rendue, celui-ci ne se prête pas à une formalisation dès lors qu’il peut, bien évidemment, varier selon la complexité du dossier soumis et notam- ment des consultations (autorités judiciaires, autorités étrangères, …) requises. Dans le respect du principe de bonne administration, il est évident que l’autorité de contrôle veillera à rendre sa décision dans un délai rai- sonnable à partir de la réception d’un dossier complet. L’approbation préalable par l’autorité de contrôle est également requise en ce qui concerne la nomination des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes (art. 81, § 2 en projet). Jusqu’à présent, bien que l’honorabilité et l’expertise des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes revêtent une importance capitale pour le bon fonction- nement de l’entreprise, la responsabilité du respect des qualités requises incombait à la direction de l’entreprise, l’autorité de contrôle prudentiel se limitant à l’apprécia- tion de l’organisation appropriée de l’entreprise (Voy. Circulaire PPB-2007-6-CPB-CPA relative aux attentes prudentielles de la CBFA en matière de bonne gouver- nance des établissements financiers, p. 18, n° 50). 98 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Er zij benadrukt dat enkel voor de benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een direc- tiecomité met toepassing van ontwerpartikel 47, van de personen die belast zijn met de effectieve leiding, even- als voor de benoeming van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties (ontwerpartikel 81, § 2) de voorafgaande instemming van de toezichthouder is vereist. De hernieuwing van een benoeming, de afzet- ting of het ontslag van de voornoemde personen moet ter kennis worden gebracht van de toezichthouder, zoals hierboven uiteengezet (ontwerpartikel 81, § 1, derde lid). Het ontbreken van instemming doet in dit geval geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de toezichthouder om de nodige maatregelen te nemen indien naar aanleiding van die kennisgeving zou blijken dat er aanwijzingen zijn van een aantasting van de betrouwbaarheid. Vooraleer hij zijn goedkeuring verleent, vergewist de toezichthouder zich ervan dat de persoon die voorgedragen wordt voor één van de voornoemde functies, over de voor de uitoefening van zijn functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikt conform ontwerpartikel 40. Hiertoe moet de verzekerings- of herverzekeringson- derneming aan de toezichthouder alle documenten en informatie meedelen die hem toelaten te beoordelen of de voorgedragen personen conform artikel 40 over de vereiste eigenschappen beschikken (ontwerpartikel 81, § 1, tweede lid). Zoals reeds benadrukt werd, neemt de toezichthouder een beslissing binnen een redelijke termijn na de ontvangst van een volledig dossier, met inachtneming van het principe van goed bestuur. Deze termijn kan variëren naargelang van de complexiteit van het dossier. Art. 82 Om het statuut te versterken van de verantwoorde- lijken voor de onafhankelijke controlefuncties, bepaalt ontwerpartikel 82 dat deze personen enkel door het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie kunnen worden verwijderd. Het is immers noodzakelijk dat de raad van bestuur het enige orgaan is dat gemachtigd is om een dergelijke verantwoordelijke uit zijn functie te verwijde- ren, aangezien die functie inhoudt dat toezicht wordt gehouden op de wijze waarop het directiecomité zijn taken uitvoert. Art. 83 Artikel 83 betreft de uitoefening van externe functies en is gebaseerd op artikel 90/4 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 25, § 1 van de wet van 16 februari 2009. On souligne que seule la nomination des membres de l’organe légal d’administration et des membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction en application de l’article 47 en projet, des personnes chargées de la direction effective, ainsi que la nomination des personnes responsables des fonc- tions de contrôle indépendantes (art. 81, § 2 en projet) sont soumises à l’approbation préalable de l’autorité de contrôle. Le renouvellement d’une nomination, la révocation ou la démission des personnes précitées doit quant à elle être porté à la connaissance de l’autorité de contrôle comme expliqué ci-avant (art. 81, § 1er, al. 3 en projet). L’absence d’approbation préalable dans ce cas ne porte pas préjudice à la possibilité pour l’autorité de contrôle de prendre les mesures qui s’imposent s’il devait apparaître, à l’occasion de cette information, des indices d’atteinte à l’honorabilité. Pour donner son approbation, l’autorité de contrôle s’assure que la personne proposée à une des fonctions précitées dispose de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de sa fonction conformément à l’article 40 en projet. À cette fin, l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenu de communiquer à l’autorité de contrôle tous les documents et informations lui permettant d’évaluer si les personnes proposées présentent les qualités requises en vertu de l’article 40 (art. 81, § 1er, al. 2 en projet). Comme déjà souligné, l’autorité de contrôle veillera à rendre sa décision dans un délai raisonnable à partir de la réception d’un dossier complet dans le respect du principe de bonne administration. Ce délai peut varier selon la complexité du dossier soumis. Art. 82 Afin de renforcer le statut des personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes, l’article 82 en projet dispose qu’elles ne peuvent être démises de leurs fonctions que par l’organe légal d’administration. Il est, en effet, essentiel que le conseil d’administration soit le seul organe habilité à démettre un tel responsable dès lors que ses fonctions impliquent un contrôle de la manière dont le comité de direction s’acquitte de ses missions. Art. 83 L’article 83 concerne l’exercice de fonctions extérieures et s’inspire de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 25, § 1er de la loi du 16 février 2009. 99 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Paragraaf 1 van de ontwerpbepaling geldt niet uit- sluitend voor gevallen waarin de leiders externe func- ties uitoefenen. Hoewel het beschikbaarheidsvereiste ook gedeeltelijk (d.w.z. voor wat betreft de effectieve leiders) wordt verzekerd via interne regels die door de onderneming worden aangenomen met toepassing van paragraaf 3, bevat paragraaf 1 ook de uitdrukke- lijke verplichting voor alle leiders om de nodige tijd te besteden aan hun functie binnen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. In paragraaf 2, die onder voorbehoud van de voor het volledige artikel geldende beperkingen en voorwaarden het beginsel van vrijheid van uitoefening van externe functies bevat, werd de formulering vereenvoudigd voor wat betreft de personen waarvoor deze bepaling van toepassing is. In paragraaf 3 werd paragraaf 2 van artikel 90/4 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen voor wat betreft de opstelling van interne regels en de doelstellingen die met deze regels worden nagestreefd. Paragraaf 4, waarin paragraaf 3 van artikel 90/4 van de wet van 9 juli 1975 werd overgenomen, bevat het beginsel dat de personen die op voordracht van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een man- daat uitoefenen, lid moeten zijn van het directiecomité of benoemd moeten zijn door het directiecomité. Indien er met toepassing van ontwerpartikel 47 geen directie- comité is, moet de bepaling uiteraard als volgt worden gelezen: de personen die ter vertegenwoordiging van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn benoemd, moeten uitvoerende leden zijn van het wet- telijk bestuursorgaan of personen die deelnemen aan de effectieve leiding. De mandaten die op de voordracht van een onderneming worden uitgeoefend, kunnen dus niet worden toevertrouwd aan personen die deelnemen aan de effectieve leiding van die onderneming, of aan personen die zijn aangeduid door het orgaan dat ver- antwoordelijk is voor de effectieve leiding. Deze beperking geldt voor de uitoefening van een bestuursmandaat op voordracht van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, op grond van een deelneming die zij in het kapitaal van de betrokken vennootschap bezit, maar geldt in ruimere zin ook voor de mandaten van vertegenwoordiger van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming wanneer deze zelf bestuurder is van een andere vennootschap — al dan niet op grond van een deelneming die zij bezit —, alsook voor de gevallen waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, onafhankelijk van een deelneming die zij bezit, om redenen die verband houden met haar deskundigheid, een bestuurder ter Le paragraphe 1er de la disposition en projet ne concerne pas exclusivement la situation où des dirigeants exercent des fonctions extérieures. Même si l’exigence de disponibilité est également, en partie (c.- à-d. en ce qui concerne les dirigeants effectifs), assurée par le biais des règles internes adoptées par l’entre- prise en application du paragraphe 3, le paragraphe 1er énonce expressément l’obligation pour l’ensemble des dirigeants de consacrer le temps nécessaire à leur fonction au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Moyennant un libellé allégé quant aux personnes visées, le paragraphe 2 énonce, sous la réserve des li- mites et conditions prévues par l’ensemble de l’article, le principe de la liberté d’exercice de fonctions extérieures. Le paragraphe 3 constitue la reprise du paragraphe 2 de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qui concerne l’établissement de règles internes et leur objet. Le paragraphe 4, qui constitue la reprise du para- graphe 3 de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975, af- firme le principe selon lequel les personnes qui exercent un mandat sur présentation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance doivent être membres du comité de direction ou nommées par le comité de direction. Dans les situations où, en application de l’article 47 en projet, il n’y aurait pas de comité de direction, il est évident que la disposition doit se lire de la manière suivante: les personnes nommées en représentation de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance devront être des membres exécutifs de l’organe légal d’administration ou des personnes participant à la direction effective. Les mandats exercés sur présentation d’une entreprise ne peuvent donc être confiés qu’à des personnes qui prennent part à la direction effective de cet entreprise, ou à des personnes que l’organe assurant la direction effective désigne. Cette limite vise l’exercice d’un mandat d’admi- nistrateur nommé sur présentation d’une entreprise d’assurance ou de réassurance en raison d’une parti- cipation que celle-ci détient dans le capital de la société concernée, mais vise cependant aussi, plus largement, les mandats de représentant de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance lorsque celle-ci est elle-même administrateur d’une autre société — en raison ou non d’une participation qu’elle détient —, de même que les cas où, indépendamment d’une participation détenue par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, pour des raisons liées à son expertise, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance est amenée à présenter la 100 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 benoeming dient voor te dragen. De voorgedragen persoon moet niet noodzakelijk worden gekozen uit de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de onderneming. Deze bepalingen geven ook uitvoering aan de aanbe- velingen van de Bijzondere opvolgingscommissie belast met het onderzoek naar de financiële crisis inzake de actualisering van de regels inzake deugdelijk bestuur1 en de aanbevelingen namens de Bijzondere commissie belast met het onderzoek naar de financiële en bank- crisis inzake corporate governance2. Wat de niet-uitvoerende bestuurders van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming betreft, wordt in paragraaf 5 het beginsel van paragraaf 4 van artikel 90/4 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, dat in- houdt dat deze bestuurders geen uitvoerend mandaat mogen uitoefenen in een vennootschap waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een deel- neming bezit. Deze beperking vertaalt het beginsel dat niet-uitvoerende bestuurders zich niet mogen mengen in het bestuur van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming (waar zij toezicht op moeten uitoefenen) door te verhinderen dat zij rechtstreeks of onrechtstreeks een mandaat uitoefenen dat een deelname impliceert aan het dagelijks bestuur van de vennootschap waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een deelneming bezit. Wat de uitvoerende bestuurders van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming betreft, wordt in paragraaf 6 paragraaf 5 van artikel 90/4 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, die inhoudt dat de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de onderne- ming, enkel een uitvoerend mandaat mogen uitoefenen in de gevallen die op beperkende wijze zijn opgesomd in de wet. Deze gevallen betreffen functies die worden uitgeoefend bij ondernemingen van de financiële sector of waarvan de diensten in het verlengde liggen van het verzekering- of herverzekeringsbedrijf of nevendiensten zijn van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf, waarmee de betrokken onderneming nauwe banden heeft, bij beveks of bij beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging of bij persoonlijke of familiale patrimoniumvennootschappen. 1 Tussentijds Verslag namens de Bijzondere opvolgingscommis- sie belast met het onderzoek naar de financiële crisis — De opvolging van de financiële crisis, 18 juli 2012, Parl. St. Kamer, nr. 53-2372/001, 269. 2 Verslag namens de Bijzondere commissie belast met het on- derzoek naar de financiële en bankcrisis, 27 april 2009, Parl. St. Senaat, nr. 4-1100, 554-555. nomination d’un administrateur. La personne présen- tée ne doit pas nécessairement être choisie parmi les personnes qui prennent part à la direction effective de l’entreprise. Ces dispositions mettent par ailleurs en œuvre les recommandations de la Commission spéciale de suivi chargée d’examiner la crise financière en matière d’actualisation des règles de bonne gouvernance1 ainsi que celles formulées au nom de la Commission spéciale chargée d’examiner la crise financière et bancaire en matière de corporate governance2. S’agissant des administrateurs non exécutifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, le para- graphe 5 reprend le principe du paragraphe 4 de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 selon lequel ces adminis- trateurs ne peuvent exercer un mandat exécutif dans une société dans laquelle l’entreprise d’assurance ou de réassurance détient une participation. Cette limite traduit le principe de non immixtion des administrateurs non exécutifs dans la gestion de l’entreprise d’assurance ou de réassurance (qu’ils sont chargés de contrôler) en les empêchant d’exercer, directement ou indirectement, un mandat impliquant une participation à la gestion cou- rante dans la société dans laquelle l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance détient une participation. S’agissant des administrateurs exécutifs de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, le paragraphe 6 reprend le paragraphe 5 de l’article 90/4 de la loi du 9 juillet 1975 selon lequel les personnes qui participent à la direction effective de l’entreprise ne peuvent exer- cer un mandat exécutif que dans les cas limitativement énumérés par la loi. Ces cas concernent les fonctions exercées auprès d’entreprises du secteur financier ou dont les services se situent dans le prolongement de l’activité d’assurance ou de réassurance ou sont auxi- liaires à l’activité d’assurance ou de réassurance, avec lesquelles l’entreprise visé entretient des liens étroits, de sicav ou de sociétés de gestion d’organismes de placement collectif ou de sociétés patrimoniales per- sonnelles ou familiales. 1 Rapport intermédiaire fait au nom de la Commission spéciale de suivi chargée d’examiner la crise financière - Le suivi de la crise financière, 18 juillet 2012, Doc. parl., Chambre, n° 53-2372/001, p. 269. 2 Rapport fait au nom de la Commission spéciale chargée d’exa- miner la crise financière et bancaire, 27 avril 2009, Doc. parl., Sénat, n° 4-1100, pp. 554-555. 101 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Risicobeheer Art. 84 tot 90 Deze artikelen omschrijven het risicobeheersysteem en bepalen wat een doeltreffend risicobeheersysteem moet omvatten en welke domeinen het moet bestrij- ken (zie ook richtsnoeren 15 t.e.m. 24 van de EIOPA Richtsnoeren voor het governancesysteem, p. 10 — 14 en Circulaire NBB_2013_20 betreffende de vereisten inzake het governancesysteem in het kader van de maatregelen ter voorbereiding van Solvabiliteit II). Ze zetten artikel 44 van de Richtlijn om. Afdeling V Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment) Art. 91 Dit artikel zet artikel 45 van de Richtlijn om. Hoewel de Richtlijn een aantal regels vastlegt met betrekking tot het kapitaalvereiste en het governan- cesysteem, dient opgemerkt dat deze regels mogelijk niet volstaan om het reële risico te vatten dat door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt gelopen. Zo bestaat het kapitaalvereiste uit een value at risk van 99,50 % over een periode van 1 jaar. De verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen lopen echter doorgaans over langere periodes, waarvoor belangrij- kere behoeften op middellange of lange termijn vereist zijn of zouden kunnen zijn. Bovendien is het mogelijk dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun commerciële strategie hebben herzien, waardoor hun risicoprofiel op middellange termijn wordt gewijzigd zon- der dat dit reeds tot uiting komt in het kapitaalvereiste. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten zich hiervan derhalve bewust zijn, en deze behoefte zodanig ramen dat ze er te gelegener tijd aan kunnen voldoen. Om deze reden wordt geëist dat elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming regelmatig haar algehele solvabiliteitsbehoefte beoordeelt als integraal onderdeel van haar strategie en rekening houdend met haar spe- cifieke risicoprofiel (beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit, in het Engels “Own Risk and Solvency Assessment of “ORSA”). Voor deze beoordeling moet Section IV Gestion des risques Art. 84 à 90 Ces articles définissent le système de gestion des risques et précisent ce que doit comprendre un sys- tème de gestion des risques efficace et les domaines qui doivent être couverts (cf. également les orien- tations 15 à 24 des EIOPA Orientations relatives au système de gouvernance, p. 8 — 13 et la Circulaire BNB_2013_20 relative aux exigences en matière de système de gouvernance dans le cadre des mesures préparatoires à Solvabilité II). Ils transposent l’article 44 de la Directive. Section V Évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own Risk and Solvency Assessment) Art. 91 Cet article transpose l’article 45 de la Directive. Bien que la Directive fixe un ensemble de règles relatives à l’exigence de capital et au système de gouvernance, il convient de remarquer que celles-ci peuvent ne pas être suffisantes pour appréhender le risque réel encouru par une entreprise d’assurance ou de réassurance. Ainsi, l’exigence de capital consiste en une Value at Risk à 99,50 % sur un horizon de 1 an. Or les engage- ments d’assurance ou de réassurance portent généra- lement sur des périodes plus longues, qui nécessitent ou pourraient nécessiter des besoins plus importants à moyen ou long terme. De plus, les entreprises d’assu- rance ou de réassurance peuvent avoir revu leur stra- tégie commerciale modifiant à moyen terme leur profil de risque sans que celui-ci ne soit déjà reflété dans l’exigence de capital. Il convient dès lors que les entreprises d’assurance ou de réassurance en prennent conscience et estiment ce besoin de manière à pouvoir y faire face au moment opportun. De ce fait, il est exigé que chaque entreprise d’assu- rance ou de réassurance procède régulièrement à l’évaluation de son besoin global de solvabilité, en tant que partie intégrante de sa stratégie et compte tenu de son profil de risques spécifique (évaluation interne des risques et de la solvabilité, en anglais “Own Risk and Solvency Assessment ou “ORSA”). Cette évaluation ne 102 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 geen intern model worden ontwikkeld, en deze beoorde- ling mag ook niet worden gebruikt voor de berekening van kapitaalvereisten die verschillen van het solvabi- liteitskapitaalvereiste of het minimumkapitaalvereiste. De resultaten van elke beoordeling dienen te worden meegedeeld aan de Bank. Er zijn drie belangrijke beoordelingen die de ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten verrichten: 1) een beoordeling van hun algehele kapitaalbehoeften; 2) een beoordeling van de permanente naleving van de kapitaalvereisten en de vereisten inzake technische voorzieningen; 3) een beoordeling van de mate waarin hun risicopro- fiel afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening van het kapitaalvereiste. Dit is een waardevol risicobeheerinstrument. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en het direc- tiecomité moeten derhalve actief deelnemen aan de ontwikkeling van dit instrument en moeten tevens de verkregen resultaten onderzoeken. Afdeling VI Uitbesteding Art. 92 Dit artikel zet artikel 49 van de Richtlijn om. Om te een efficiënt toezicht op de uitbestede functies en activiteiten te kunnen verzekeren, is het van essentieel belang dat de Bank toegang heeft tot alle relevante gegevens waar- over de aanbieder van de uitbestede dienst beschikt, ongeacht of het om een gereglementeerde entiteit gaat of niet, en inspecties ter plaatse kan uitvoeren. Om erop toe te kunnen zien dat de voorwaarden voor een uitbesteding vervuld blijven, moet de Bank vóór de uitbesteding van de al dan niet kritieke functies, acti- viteiten of operationele taken worden verwittigd. Deze voorafgaande kennisgeving is verplicht wanneer de uitbesteding betrekking heeft op functies, activiteiten of operationele taken die belangrijk of kritiek zijn. Rekening houdend met het vereiste van een pas- sende organisatie zou de Bank zich immers kunnen verzetten tegen een uitbesteding. Overeenkomstig de aanbevelingen van de toezichthouder met betrekking tot gezonde beheerspraktijken bij uitbesteding door verzekeringsondernemingen (zie circulaire PPB-2006- 1-CPA van de CBFA van 6 februari 2006), wordt voor requiert pas le développement d’un modèle interne, ni ne sert à calculer des exigences en capital différentes du capital de solvabilité requis ou du minimum de capital requis. Les résultats de chaque évaluation doivent être communiqués à la Banque. Il y a trois évaluations importantes que les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent effectuer: 1) une évaluation sur leurs besoins globaux en capital; 2) une évaluation sur le respect permanent des exigences de capital et des exigences relatives aux provisions techniques; 3) une évaluation de la mesure selon laquelle leur profil de risques s’écarte des hypothèses qui sous- tendent le calcul de l’exigence de capital. Il s’agit d’un outil de gestion des risques précieux. Dès lors, les membres de l’organe légal d’administration et le comité de direction, doivent prendre une part active dans sa conception et doivent également s’interroger sur les résultats obtenus. Section VI Recours à la sous-traitance Art. 92 Cet article transpose l’article 49 de la Directive. Pour assurer un contrôle efficace des fonctions et des activi- tés sous-traitées, il est essentiel que la Banque ait accès à toutes les données pertinentes détenues par le pres- tataire du service externalisé, qu’il s’agisse d’une entité réglementée ou non, et puisse effectuer des inspections sur place. Pour s’assurer que les conditions d’une mise en sous-traitance demeurent réunies, la Banque doit être informée préalablement à l’externalisation de fonc- tion, activités ou tâches opérationnelles, qu’elles soient critiques ou non. Cette information préalable s’impose lorsque le recours à la sous-traitance concerne des fonctions, activités ou tâches opérationnelles qui sont importantes ou critiques. La Banque pourrait en effet s’opposer — au regard de l’appréciation d’une organisation adéquate — à une sous-traitance. Dans le prolongement des recommanda- tions émises par l’autorité de contrôle quant aux saines pratiques de gestion en matière de sous-traitance par des entreprises d’assurance (voy. circulaire de la CBFA (PPB-2006-1-CPA du 6 février 2006), il est précisé, pour 103 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zover nodig verduidelijkt dat deze kennisgevingsplicht niet geldt in de volgende gevallen: — het inhuren van diensten die worden geleverd door derden die onder de operationele leiding en onder het permanente toezicht staan van de opdrachtgever; typische voorbeelden hiervan zijn het tijdelijk inhuren van gespecialiseerde projectmedewerkers, het contrac- teren van gespecialiseerde diensten voor beveiliging van gebouwen, …; — het delegeren van een specifieke activiteit aan derden, waarbij deze in naam en/of voor rekening van en onder de verantwoordelijkheid van de opdrachtge- ver optreden, ongeacht of zij al dan niet volgens zijn organisatorische instructies werken en ongeacht of hij al dan niet een permanent toezicht uitoefent op hun werkzaamheden; verzekerings- of herverzekeringstus- senpersonen zijn hiervan een typevoorbeeld; — het integraal afsplitsen van bepaalde activiteiten die niet tot de verzekeringsactiviteit behoren, in een afzonderlijke groepsvennootschap (dochter-, moeder- of zusteronderneming) die optreedt in eigen naam en voor eigen rekening. Voorbeelden hiervan zijn: de groeps- vennootschap gespecialiseerd in de preventie inzake brand en arbeidsongevallen, in personeelsbeheer, … Wel beoogd worden groepsvennootschappen die ge- meenschappelijke diensten verzorgen voor meerdere groepsondernemingen, zoals immobiliënbeheer op groepsniveau, beleggingsbeheer voor alle entiteiten van de groep, …; — het louter aanbieden door verzekeringsonderne- mingen van producten en diensten voor rekening van derden, ook wanneer deze in het verlengde liggen van hun hoofdactiviteit of er nauw meer verbonden zijn. Dit gebeurt onder meer voor hypothecaire leningen en voor tak 23-producten voor andere ondernemingen; — het aankopen bij derden door de onderneming van diensten en producten ter ondersteuning van haar kernactiviteiten, zoals de aankoop van infor- matie (Reuters, Bloomberg, …) en van gestandaar- diseerde diensten voor de materiële uitvoering van verzekeringsverrichtingen. Deze bepaling moet worden gelezen in combinatie met ontwerpartikel 307 voor wat betreft de monitoring van de uitbestede activiteiten en functies. autant que de besoin, que cette obligation de notification ne couvre pas les hypothèses suivantes: — la location de services à des tiers lorsque ces services sont fournis sous la direction opérationnelle et le contrôle permanent du commettant; en sont des exemples types l’appel temporaire à des collaborateurs spécialisés, le recours à des services spécialisés pour la protection de bâtiments, …; — la délégation d’une activité spécifique à des tiers lorsque ces derniers agissent au nom et/ou pour le compte et sous la responsabilité du commettant, qu’ils travaillent ou non selon ses instructions organisation- nelles, et que leurs activités soient soumises ou non à son contrôle permanent; les intermédiaires d’assurance ou de réassurance constituent un exemple type; — la séparation intégrale de certaines activités ne relevant pas de l’activité d’assurance pour les loger au sein d’une société distincte du groupe (filiale, entreprise mère ou entreprise sœur) agissant en nom et pour compte propres. Exemples: la société qui, au sein du groupe, est spécialisée dans la prévention en matière d’incendie et d’accidents du travail, en gestion du per- sonnel, … Sont en revanche visées les sociétés qui, au sein d’un groupe, assurent des services communs pour plusieurs entreprises de ce groupe, comme la gestion immobilière au niveau du groupe, la gestion des placements pour l’ensemble des entités du groupe, …; — la simple offre par des entreprises d’assurances de produits et services pour compte de tiers, y com- pris lorsque ces produits et services se situent dans le prolongement de leur activité principale ou y sont étroitement liés. Ceci se fait, notamment, en matière de prêts hypothécaires, de produits de la branche 23 pour d’autres entreprises; — l’achat auprès de tiers, par l’entreprise, de services ou de produits de soutien de ses métiers de base, tels que des services d’information (Reuters, Bloomberg, …) ou des services standardisés de réalisation matérielle de transactions d’assurance. Cette disposition doit être lue ensemble avec l’article 307 en projet en ce qui concerne le suivi des activités et des fonctions données en sous-traitance. 104 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling VII Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard Art. 93 Artikel 93  bevat een regeling voor leningen aan leiders, aandeelhouders en verbonden personen. De bepaling bestaat uit twee paragrafen die mekaar aanvul- len en dus cumulatief van toepassing zijn. Net zoals in artikel 27 van de wet van 16 februari 2009, garandeert paragraaf 1 van de ontwerpbepaling de nale- ving van Principe 7.4. van de “Insurance Core Principles, Standards, Guidance and Assessment Methodology” (afgekort “Insurance Core Principles” of “ICPs”) ge- publiceerd door de Internationale vereniging van ver- zekeringstoezichthouders (International Association of Insurance Supervisors — “IAIS”). Om misbruik te vermijden bij transacties met partijen die verbonden zijn (“related persons”) met de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming en om risico’s op belangenconflicten te voorkomen, bepaalt Principe nr. 7.4 dat transacties met deze partijen volgens de marktvoorwaarden moe- ten geschieden, dat deze transacties moeten worden bewaakt en dat er passende maatregelen moeten worden genomen om de eraan verbonden risico’s te beheersen of te beperken. Overeenkomstig dit begin- sel bevat de ontwerpbepaling de voorwaarden voor het verstrekken van leningen/kredieten of waarborgen en verzekeringsovereenkomsten aan bepaalde personen. Aangezien een kredietactiviteit door een verzekerings- onderneming kan worden uitgeoefend als activiteit die rechtstreeks voortvloeit uit de verzekeringsactiviteit (zie ontwerpartikel 34), heeft de ontwerpbepaling dus ook betrekking op leningen/kredieten of waarborgen, ongeacht de juridische constructie ervan (bijvoorbeeld de borgtochtverzekering), ook al doet de noodzaak om dergelijke overeenkomsten te omkaderen zich uiteraard minder sterk gevoelen dan voor kredietinstellingen. Zo geldt de bepaling voor leningen/kredieten of waar- borgen of verzekeringsovereenkomsten: — aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan als- ook aan alle personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de onderneming; — aan de in artikel 23, eerste lid, bedoelde perso- nen, d.w.z. aan de belangrijke aandeelhouders, alsook aan de leden van hun verschillende organen en aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding; Section VII Des opérations sujettes à limitations ou à interdiction et des paiements sujets à nullité Art. 93 L’article 93 régit la matière des prêts aux dirigeants, actionnaires et personnes apparentées. La disposition se compose de deux paragraphes qui sont complémen- taires et donc d’application cumulative. À l’instar de l’article 27 de la loi du 16 février 2009, le paragraphe 1er de la disposition en projet assure le respect du Principe (Insurance Core Principles — “ICPs”) n°  7.4  des Principes de base, normes, orientations et méthodologies d’évaluation pour le secteur des assurances (“Insurance Core Principles, Standards, Guidance and Assessment Methodology”) publiés par l’Association internationale des contrôleurs d’assurance (International Association of Insurance Supervisors — “IAIS”). Afin d’éviter des abus résultant de transactions avec des parties ayant un lien (“related persons”) avec l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance et de prévenir les risques de conflits d’intérêts, le Principe n° 7.4 implique que les transactions avec ces parties s’effectuent aux conditions du marché, que ces transactions fassent l’objet d’un suivi et que des dispositions appropriées soient prises pour en maîtri- ser ou réduire les risques. Afin de satisfaire au prescrit de ce principe, la disposition en projet détermine les conditions auxquelles des prêts/crédits ou garanties et contrats d’assurance peuvent être consentis à une série de personnes. Dès lors qu’une activité de crédit peut être exercée par une entreprise d’assurance au titre d’une activité qui découle directement de l’activité d’assurance (voy. l’article 34 en projet), la disposition en projet vise donc également les prêts/crédits ou garan- ties, quelle que soit leur construction juridique (est ainsi visée l’assurance-caution), même si l’encadrement de tels contrats présente évidemment moins d’acuité que dans le cas des établissements de crédit. Sont ainsi visés par la disposition les prêts/crédits ou garanties ou contrats d’assurance: — aux membres de l’organe légal d’administration ainsi qu’à toutes personnes participant à la direction effective de l’entreprise; — aux personnes visées à l’article 23, alinéa 1er, c.-à- d. aux actionnaires significatifs, ainsi qu’aux personnes qui sont membres de leurs différents organes et celles participant à leur direction effective; 105 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — aan de ondernemingen of instellingen waarin de in de eerstgenoemde categorie bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een leidingge- vende functie uitoefenen; — aan de personen die verbonden zijn (in het Engels: “related persons”) met de eerste twee categorieën. Dit begrip omvat de naaste familieleden van de in de eerstgenoemde categorie bedoelde personen. Punt 4° verduidelijkt aldus wat verstaan moet worden onder “naaste familieleden” (gedefinieerd als “verbonden personen”): echtgenoten, partners die als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt (wettelijk samenwonenden of daarmee gelijkgestelden volgens de relevante wetgeving) en bloedverwanten in de eerste graad. De leningen/kredieten of waarborgen en verzeke- ringsovereenkomsten ten gunste van deze personen kunnen enkel worden verstrekt tegen de voorwaarden — met name wat betreft de bedragen en waarborgen of nog wat de verleende restorno’s betreft — die van toepassing zijn op het cliënteel. Bovendien geldt voor de leningen, kredieten en waarborgen dat het wettelijk bestuursorgaan in kennis moet worden gesteld, zodat het zich in voorkomend geval tegen de betrokken ver- richting kan verzetten. Er zij opgemerkt dat de kennis- geving verplicht is wanneer de betrokken verrichtingen meer bedragen, op cumulatieve basis en voor eenzelfde persoon, onderneming of instelling, dan honderdduizend euro. Het derde lid bevat met betrekking tot de genoemde leningen, kredieten en waarborgen een verplichting tot rapportering aan de Bank, die de regels en de frequentie van deze rapportering bepaalt. Het vierde lid bepaalt dat de Bank, indien de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten, waarborgen en verzekeringsovereenkomsten niet tegen normale marktvoorwaarden werden gesloten, kan eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de on- derneming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil. Paragraaf 2 betreft een specifiek aspect in verband met de leningen/kredieten of waarborgen (inclusief via een krediet- of borgtochtverzekeringsovereenkomst) en houdt een verbod in om dergelijke verrichtingen uit te voeren indien zij tot doel hebben rechtstreeks of onrechtstreeks een verwerving te financieren of een inschrijving op kapitaalvertegenwoordigende effecten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of op effecten — zoals opties — die het recht geven om — aux entreprises ou institutions dans lesquelles les personnes visées à la première catégorie précitée détiennent une participation qualifiée ou exercent une fonction dirigeante; — aux personnes apparentées (ce terme correspon- dant ici au terme anglais de “related persons”) aux deux premières catégories précitées. Ce concept inclut les proches des personnes visées à la première catégorie précitée. Le 4° précise ainsi ce concept de “personnes proches” (définies comme “personnes apparentées”) en visant les conjoints, les partenaires considérés comme l’équivalent d’un conjoint (cohabitants légaux ou assi- milés selon la législation pertinente) et les parents au premier degré. Les opérations de prêts/crédits ou les garanties et les contrats d’assurance au profit de ces personnes ne peuvent être consentis qu’aux conditions — notamment à concurrence des montants et des garanties ou encore en ce qui concerne les ristournes consenties — appli- cables à la clientèle. En outre, les seuls prêts, crédits et garanties doivent faire l’objet d’une information de l’organe légal d’administration lui permettant, le cas échéant, de s’opposer à l’opération concernée. Il est à relever que l’obligation de notification s’applique lorsque les opérations visées excèdent, sur une base cumulée pour une même personne, entreprise ou institution donnée, le montant de cent mille euros. L’alinéa 3 impose une obligation de reporting desdits prêts, crédits et garanties à l’égard de la Banque, qui en fixe les modalités et la périodicité. L’alinéa 4 prévoit que la Banque peut imposer, si les prêts, crédits, garanties et contrats d’assurance visés à l’alinéa 1er, n’ont pas été conclus aux condi- tions normales du marché, l’adaptation des conditions convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs effets. À défaut, les membres de l’organe légal d’admi- nistration qui ont pris la décision seront solidairement responsables de la différence envers l’entreprise. Le paragraphe  2  adresse un aspect particulier concernant les prêts/crédits ou garanties (en ce compris par la voie d’un contrat d’assurance-crédit ou d’assu- rance-caution) en interdisant de telles opérations si leur l’objet consiste à financer, directement ou indirec- tement, une acquisition ou une souscription de titres représentatifs du capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou de titres — comme des options — conférant le droit d’acquérir de tels titres de l’entreprise 106 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dergelijke effecten te verwerven van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of van een vennoot- schap waarmee nauwe banden bestaan. Dit type van verrichting, waarvan de terugbetaling of de opheffing van de eruit voortvloeiende verbintenis in zekere mate afhankelijk is van de uitkering van dividenden door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, doet im- mers afbreuk aan het vermogen tot verliesabsorptie door het aldus gefinancierde kapitaal. Deze bepaling wijkt af van het gemeen recht in de mate dat het Wetboek van Vennootschappen dergelijke verrichtingen aanvaardt onder bepaalde voorwaarden (zie artikel 629 W.Venn.). Art. 94 In het ontwerpartikel worden artikel 90/5  van de wet van 9 juli 1975 en artikel 25, § 2 van de wet van 16 februari 2009 overgenomen. Afdeling VII Mededeling van informatie over de situatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming De bepalingen van Afdeling VIII zorgen voor de omzetting van de artikelen 51  en 53  tot 55  van de Richtlijn voor wat betreft de informatie waarvan de Richtlijn de bekendmaking oplegt. Artikel 52 van de Richtlijn, betreffende de informatie die aan EIOPA moet worden verstrekt, is omgezet in Titel IV, aangezien dit artikel voorziet in verplichtingen ten laste van de toe- zichthouder en niet ten laste van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. HOOFDSTUK IV Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere verrichtingen Art. 102 tot 106 Ontwerpartikel 102 voorziet in een aantal belangrijke verrichtingen waarvoor de voorafgaande goedkeuring is vereist van de Bank. Artikel 102 vormt op dit punt de combinatie van de artikelen 27, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 en 28 van de wet van 16 februari 2009 in- zake fusies en portefeuilleoverdrachten en van artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998 inzake stra- tegische beslissingen. De goedkeuring van de Bank is aldus vereist voor: 1°  strategische beslissingen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; d’assurance ou de réassurance ou d’une société avec laquelle il existe des liens étroits. Ce type d’opération, dont le remboursement ou la levée de l’engagement qui en découle dépend, dans une certaine mesure, de la distribution de dividendes par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, porte en effet atteinte à la capacité d’absorption des pertes par le capital ainsi financé. Cette disposition déroge ainsi au droit commun dans la mesure où le Code des sociétés accepte, à certaines conditions, de telles opérations (Voy. l’article 629 C. soc.). Art. 94 L’article 94 en projet constitue la reprise de l’article 90/5 de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 25, § 2 de la loi du 16 février 2009. Section VII De la communication d’informations sur la situation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance Les dispositions de la Section VIII assurent la trans- position des articles 51 et 53 à 55 de la Directive en ce qui concerne les informations dont la Directive impose la publication à destination du public. S’agissant de l’article 52 de la Directive, relatif aux informations à fournir à l’EIOPA, celui-ci se trouve transposé sous le Titre IV dès lors qu’il prévoit des obligations à charge de l’autorité de contrôle et non à charge de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. CHAPITRE IV Transfert de portefeuille et autres opérations particulières Art. 102 à 106 L’article 102 en projet prévoit une série d’opérations d’importance qui doivent recevoir une autorisation préalable de la Banque. L’article 102 constitue, sur ce point, la combinaison des articles 27, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 et 28 de la loi du 16 février 2009 en matière de fusions et cessions de portefeuille et de l’article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998 en matière de décisions stratégiques. Sont ainsi soumises à l’autorisation de la Banque, 1° les décisions stratégiques des entreprises d’assu- rance ou de réassurance; 107 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Naar het voorbeeld van de oplossing die recentelijk werd vastgelegd in de bankwet van 25 april 2014, bevat de bepaling op dit vlak twee vernieuwingen ten opzichte van het voornoemde artikel 36/3, § 2. Ten eerste vallen nu alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen onder de bepaling en niet langer uitsluitend de onder- nemingen die als systeemrelevant worden beschouwd. Deze wijziging vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze beslissingen noodzakelijkerwijze een impact heb- ben op organisatorisch vlak en/of op de risicoappetijt van de ondernemingen, en dat de Bank zich over deze aspecten moet kunnen uitspreken. Ten tweede houdt de bepaling nu ook in, naast de mogelijkheid voor de Bank om zich te verzetten tegen de voorgestelde verrichting, dat de uitdrukkelijke goedkeuring van de Bank is vereist. Deze wijziging is gerechtvaardigd rekening houdend met het feit dat strategische ontwerpbeslissingen in bepaalde gevallen geïnterpreteerd konden worden op grond van artikel 36/3, § 2 van de wet van 22 februari 1998, dat voorzag in een mogelijkheid tot verzet, maar ook, voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, op grond van artikel 27 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 28 van de wet van 16 februari 2009, die voorzagen in een voorafgaande toestemming. De combinatie van beide bepalingen regelt aldus de problematiek van de juridische grondslag (die inherent is aan het naast mekaar bestaan van de toepassingsgebieden van deze twee wettelijke bepalingen) waarop de Bank zich kan baseren voor haar optreden, en legt ook de modaliteiten daarvoor vast. Er zij op gewezen dat het feit dat de Bank voorafgaan- delijk optreedt, geenszins betekent dat zij zich bemoeit met het bestuur van de onderneming, aangezien de mo- tieven waarop zij haar beoordeling baseert, opgenomen zijn in het tweede lid van de bepaling en zowel betrek- king hebben op het vermogen van de onderneming om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens de ontwerpwet zijn vastgesteld (en aan de bepalingen van Europees recht die rechtstreeks van toepassing zijn) als op redenen die verband houden met het gezond en voorzichtig beheer van de onderneming of nog op het feit dat de beslissing een significante impact zou kun- nen hebben op de stabiliteit van het financiële stelsel; met dit laatste aspect wordt de facto maar rekening gehouden wanneer het gaat om systeemrelevante verzekeringsondernemingen. 2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming is betrokken, evenals splitsingen van een dergelijke onderneming; 3° de overdracht van alle of een deel van de activi- teiten, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke overdracht van een portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, worden overgedragen. À cet égard, à l’instar de la solution récemment consacrée par la loi bancaire du 25 avril 2014, la dispo- sition innove sur deux points par rapport à l’article 36/3, § 2 précité. Premièrement, l’ensemble des entreprises d’assurance ou de réassurance sont désormais visées par la disposition et non plus les seules entreprises qualifiées de systémiques. Cette modification se justifie dans la mesure où ces décisions présentent nécessai- rement des implications sous l’angle organisationnel et/ ou de la prise de risques par les entreprises, aspects sur lesquels la Banque doit pouvoir se prononcer. Deuxièmement, la disposition requiert désormais une approbation préalable expresse de la Banque et non la seule possibilité de s’opposer à l’opération soumise. La modification se justifie compte tenu de ce que, dans certains cas, des projets de décision stratégique étaient susceptibles d’être appréhendés à la fois sous l’article 36/3, § 2 de la loi du 22 février 1998 qui prévoyait une possibilité d’opposition, mais également, s’agissant des entreprises d’assurance et des entreprises de réas- surance, sous les articles 27 de la loi du 9 juillet 1975 et 28 de la loi du 16 février 2009, qui prévoyaient quant à eux une autorisation préalable. La combinaison de ces deux normes règle ainsi la question de la base juridique (inhérente à la juxtaposition des champs d’application de ces deux dispositions légales respectives) sur laquelle la Banque peut fonder son intervention, tout en précisant les modalités de celle-ci. On rappelle que l’intervention préalable de la Banque ne constitue nullement une immixtion dans la gestion de l’entreprise puisque les motifs au regard desquels la Banque effectue son appréciation sont précisés à l’ali- néa 2 de la disposition et concernent à la fois la capacité de l’entreprise à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la loi en projet (et aux dispositions de droit européen directement applicables) ou des motifs tenant à la gestion saine et prudente de l’entreprise ou encore dans le fait que la décision serait susceptible d’affecter de façon significative la stabilité du système financier, ce dernier aspect n’étant, dans les faits, appelé à être pris en compte que s’agissant d’entreprises d’assurance de nature systémique. 2°  les fusions impliquant une entreprise d’assu- rance ou de réassurance ou les scissions d’une telle entreprise; 3° la cession de tout ou partie des activités, en ce compris tout ou partie d’un portefeuille impliquant la cession des droits et obligations découlant des contrats d’assurance ou de réassurance. 108 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wat betreft de punten 2° en 3°, zij verduidelijkt dat de bepaling van toepassing is wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht valt van de Bank (of een onderneming naar buitenlands recht wanneer de bepaling van toepas- sing is via verwijzing; zie in dit verband ontwerpartikel 587), bij een fusie betrokken is (als overgenomen entiteit of overnemende entiteit), het voorwerp uitmaakt van een splitsing, of als overdrager of overnemer betrokken is bij een overdracht van activiteiten. Voor een portefeuil- leoverdracht aan een onderneming die onder een derde land ressorteert met overdracht van in België gelegen risico’s of verbintenissen, bepaalt het derde lid, dat over- genomen is uit de artikelen 74, § 2 en 75, § 2 van de wet van 9 juli 1975, bovendien dat een dergelijke overdracht slechts kan worden toegestaan indien het Belgische bijkantoor van die onderneming als overnemer optreedt. De bepaling (art. 102, tweede lid) houdt in dat de autoriteit moet beslissen binnen drie maanden na ontvangst van een volledig dossier, rekening houdend met de redenen die in de bepaling worden vermeld. Het gaat duidelijk om een strikte termijn, na afloop waarvan de toestemming geacht wordt te zijn verkregen. Het spreekt voor zich dat het vermogen van de autoriteit om binnen een bepaalde termijn een beslissing te nemen, noodzakelijkerwijs afhangt van de complexiteit van het voorgelegde dossier. Conform het beginsel van goed bestuur zal de Bank, ongeacht de maximumtermijn die in de bepaling is vastgesteld, er uiteraard voor zorgen dat zij haar beslissing zo snel mogelijk na de ontvangst van een volledig dossier neemt. Om ervoor te zorgen dat de Bank beschikt over de relevante informatie die haar in staat stelt zich uit te spreken over de haar voorgelegde verrichting, bepaalt ontwerpartikel 103 dat de Bank per geval de inhoud van het administratieve dossier vastlegt naargelang van de kenmerken van de verrichting en van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming(en). Deze bepaling zorgt ervoor dat de onder toezicht staande onderneming beschermd wordt om onnodige discus- sies over het ogenblik waarop de maximumtermijn van drie maanden aanvangt, te vermijden. Voor wat betreft de verrichtingen inzake overdracht van activiteiten, ver- meldt de bepaling de informatie die het administratief dossier ten minste moet bevatten. De artikelen 104 en 106 zorgen voor de omzetting van artikel 39 van de Richtlijn voor wat betreft de portefeuil- leoverdrachten,. Het betreft de regeling betreffende de samenwerking tussen de autoriteiten van lidstaten in de diverse grensoverschrijdende situaties die door de Richtlijn worden bestreken (ontwerpartikel 104) en het stelsel van openbaarmaking en tegenwerpbaarheid dat ermee samenhangt (ontwerpartikel 106). In dit verband S’agissant des points 2° et 3°, on précise que la dis- position est applicable dès lors qu’une entreprise d’as- surance ou de réassurance de droit belge, relevant du contrôle de la Banque (ou une entreprise de droit étran- ger dès lors que la disposition est applicable par voie de renvoi; voy. à cet égard l’article 587 en projet), intervient dans une fusion (que ce soit qualité d’entité absorbée ou d’entité absorbante), fait l’objet d’une scission, ou intervient en qualité de cédant ou de cessionnaire dans une opération de cession d’activités. S’agissant d’une cession de portefeuille à une entreprise relevant du droit d’un pays tiers impliquant un transfert de risques ou d’engagements situés en Belgique, l’alinéa 3, issu des articles 74, § 2 et 75, § 2 de la loi du 9 juillet 1975, dispose en outre qu’un tel transfert ne peut être autorisé que si la succursale belge de cette entreprise intervient comme cessionnaire. La disposition (art. 102, alinéa 2) prévoit que l’autorité doit se prononcer dans les trois mois de la réception d’un dossier complet et au regard des motifs préci- sés par la disposition. Il s’agit clairement d’un délai de rigueur à l’issue duquel la disposition présume l’autorisation acquise. Il va de soi que la capacité de l’autorité à rendre sa décision dans un certain délai varie nécessairement en fonction de la complexité du dossier soumis. Dans le respect du principe de bonne administration, il est évident qu’indépendamment du délai maximal fixé par la disposition, la Banque veillera à rendre sa décision dans les meilleurs délais à partir de la réception d’un dossier complet. Afin précisément que la Banque puisse disposer des informations pertinentes lui permettant de se pronon- cer sur l’opération qui lui est soumise, l’article 103 en projet prévoit que la Banque détermine, au cas par cas, le contenu du dossier administratif en fonction des particularités de l’opération et de l’entreprise ou des entreprises d’assurance ou de réassurance concernée(s). Cette disposition est, de la sorte, de nature à protéger l’administré afin d’éviter des débats inutiles sur le moment où court le délai maximal de trois mois. Concernant les opérations de transfert d’activités, la disposition énonce les informations minimales que le dossier administratif doit, à tout le moins, contenir. Les articles 104 et 106 assurent, s’agissant des trans- ferts de portefeuille, la transposition de l’article 39 de la Directive. Il s’agit du régime de coopération entre autorités d’États membres dans les diverses situations d’extranéité couvertes par la Directive (art.  104  en projet) et du régime de publicité et de l’opposabilité du transfert qui y est associé (art. 106 en projet). À cet égard, la disposition fait utilement référence aux 109 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wordt in de bepaling nuttig verwezen naar de artikelen 17  en 18  van de Wet Verzekeringen, die eveneens voorzien in een stelsel van tegenwerpbaarheid maar die tevens de (beperkte) gevallen opgeven waarin, overeen- komstig artikel 39, lid 6, derde alinea van de Richtlijn, in een opzeggingsmogelijkheid wordt voorzien. Bovendien verfijnt het tweede lid van ontwerpartikel 106 het stelsel van tegenwerpbaarheid door voort te bouwen op artikel 78 van de bankwet van 25 april 2014 — dat zelf is over- genomen uit artikel 31 van de wet van 22 maart 1993 — waarvan het tweede lid was ingevoerd door de wet van 3 augustus 2012 om de nodige rechtszekerheid te ver- schaffen voor overdrachten van activiteiten, met name wanneer ze worden uitgevoerd in het kader van een herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden (zie Parl.St. Kamer, 2011-2012, DOC 53 2341/001 en 2342/001, 10 en DOC 53 2341/003, 21). HOOFDSTUK V Uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten in het buitenland Afdeling I Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland Art. 107 Met toepassing van artikel 107 moet iedere verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die voornemens is om rechtstreeks of onrechtstreeks in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf uitoefent, de Bank daarvan in kennis stellen. Deze kennisgeving moet de Bank voornamelijk in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen naar Belgisch recht de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat hun doch- terondernemingen die in het buitenland gevestigd zijn, betrokken zouden worden bij witwaspraktijken. Als de wetgeving van het land waar de dochteronderneming gevestigd is, op het vlak van de witwasbestrijding geen voorschriften bevat die gelijkwaardig zijn aan die van de Belgische wet, dienen de verzekerings- en herver- zekeringsondernemingen er immers op toe te zien dat hun dochterondernemingen de Belgische bepalingen inzake identificatie van de cliënten en interne organisatie naleven, met uitzondering evenwel van de procedure voor het verlenen van medewerking aan de Cel voor financiële informatieverwerking (zie, naar analogie voor de kredietinstellingen, Parl.St. Kamer, 2003-2004. 51- 383/1, 53-54 en Parl.St. Kamer, 2013-2014, 3406/001, 84-85). Via deze kennisgeving moet de Bank er zich ook articles 17 et 18 de la Loi assurances qui prévoient également le régime d’opposabilité mais énoncent aussi les cas (limités) dans lesquels, en conformité avec l’article 39, paragraphe 6, alinéa 3 de la Directive, une faculté de résiliation est prévue. En outre, l’alinéa 2 de l’article  106  en projet affine le régime d’opposabi- lité en s’inspirant de l’article 78 de la loi bancaire du 25 avril 2014 — lui-même repris de l’article 31 de la loi du 22 mars 1993 — dont l’alinéa 2 avait été introduit par la loi du 3 août 2012 afin de conférer la sécurité juri- dique nécessaire aux opérations de transfert d’activités, notamment lorsqu’elles sont effectuées dans le cadre de restructuration d’entreprises en difficulté (Voy. DOC. Parl. Ch. Repr., sess 2011-2012, DOC 53 2341/001et 2342/001, p. 10 et DOC 53 2341/003, p. 21). CHAPITRE V De l’exercice d’activités d’assurance ou de réassurance à l’étranger Section Ire De l’ouverture ou l’acquisition de filiale à l’étranger Art. 107 En application de l’article 107, une entreprise d’assu- rance ou de réassurance qui projette d’acquérir ou de constituer, directement ou indirectement, une filiale à l’étranger exerçant l’activité d’entreprise d’assurance ou de réassurance doit notifier son intention à la Banque. Cette notification vise essentiellement à permettre à la Banque de s’assurer du fait que les entreprises d’assu- rance ou de réassurance de droit belge prennent les mesures nécessaires pour éviter que leurs filiales éta- blies à l’étranger ne soient impliquées dans des activités de blanchiment de capitaux. Si la législation du pays où la filiale est établie ne prévoit pas de prescriptions équivalentes à celles de la loi belge en matière de lutte contre le blanchiment de capitaux, il convient en effet que les entreprises d’assurance ou de réassurance veillent à s’assurer que leurs filiales appliquent les dis- positions belges relatives à l’identification des clients et à l’organisation interne, à l’exception toutefois de la procédure de collaboration avec la Cellule de traitement des informations financières (voy., par analogie pour les établissements de crédit, Doc. Parl., Ch. Repr., session 2003-2004. 51-383/1, pp. 53-54 et Doc. Parl., Ch. Repr., session 2013-2014, 3406/001, pp.84-85). De la même manière, la Banque doit pouvoir s’assurer que les liens étroits entre une entreprises d’assurance ou 110 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van kunnen vergewissen dat de nauwe banden tussen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar dochterondernemingen niet van die aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de uitoefening van een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht (zie ontwerpartikel 43). Ten slotte moet deze kennisgeving de Bank in staat stellen verzoeken om inlichtingen te beantwoorden die aan haar worden gericht door buiten- landse en met name Europese autoriteiten, in het kader van de internationale samenwerking, ingeval op hun grondgebied een dochteronderneming wordt opgericht. In het licht van deze doeleinden verduidelijkt het tweede lid dat de onderneming die de Bank in kennis stelt van haar voornemen om in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten, bij de kennisgeving informatie moet voegen over de acti- viteiten, de organisatie, de leiding en de aandeelhou- dersstructuur van de betrokken dochteronderneming. Afdeling II Opening van bijkantoren in het buitenland Afdeling II bevat twee onderafdelingen die gewijd zijn aan respectievelijk de verzekeringsondernemingen en de herverzekeringsondernemingen. Onderafdeling I Opening van bijkantoren in het buitenland door een verzekeringsonderneming Art. 108 Artikel 108, § 1 — dat zorgt voor de omzetting van artikel 145, leden 1 tot 3 van de Richtlijn en aldus arti- kel 50 §§ 1 en 3 grotendeels overneemt uit de wet van 9 juli 1975 — formuleert het principe dat de verzeke- ringsonderneming die voornemens is een bijkantoor te openen op het grondgebied van een andere lidstaat om er een verzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor ze in België een vergunning heeft verkregen, de Bank in kennis moet stellen van haar voornemen. Bij deze ken- nisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen activiteiten, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam, het adres en de bevoegdheden van de algemene lasthebber van het bijkantoor, en, in voorkomend geval, van de andere personen die belast zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor alsook van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke con- trolefuncties van het bijkantoor. Er moet in voorkomend geval specifieke informatie worden meegedeeld indien de réassurance et ses filiales ne sont pas de nature à entraver l’exercice d’un contrôle prudentiel individuel ou sur une base consolidée (voy. l’article 43 en projet). Enfin, cette notification doit permettre à la Banque de répondre aux demandes de renseignements qui lui sont adressées par des autorités étrangères notamment européennes, dans le cadre de la coopération interna- tionale en cas de création d’une filiale sur leur territoire. Au regard de ces finalités, l’alinéa 2 précise que l’en- treprise qui notifie à la Banque son intention d’acquérir ou de constituer une filiale à l’étranger doit joindre à la notification une information sur les activités, l’organisa- tion, les dirigeants et la structure de l’actionnariat de la filiale concernée. Section II De l’ouverture de succursales à l’étranger La Section II contient deux Sous-sections respecti- vement consacrées aux entreprises d’assurance et aux entreprises de réassurance. Sous-section Ire De l’ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise d’assurance Art. 108 L’article  108, §  1er — qui assure la transposition de l’article 145, paragraphes 1er à 3 de la Directive et reprend ainsi, pour l’essentiel, l’article 50, §§ 1er et 3 de la loi du 9 juillet 1975 — énonce le principe selon lequel l’entreprise d’assurance qui projette d’ouvrir une suc- cursale sur le territoire d’un autre État membre en vue d’y exercer une activité d’assurance qui lui est autorisée en Belgique doit notifier son intention à la Banque. Cette notification est assortie d’un programme d’activités dans lequel sont notamment indiqués les catégories d’opé- rations envisagées, la structure de l’organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l’État concerné et le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général de la succursale et, le cas échéant, des autres personnes chargées de la direction effective de la succursale ainsi que des responsables des fonc- tions de contrôle indépendantes de la succursale. Des informations spécifiques sont à communiquer, le cas échéant, si l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail ou 111 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de verzekeringsonderneming haar bijkantoor arbeidson- gevallenrisico’s wil laten dekken of risico’s die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder. Paragraaf 2, eerste lid is overgenomen uit artikel 50, § 2, eerste en tweede lid van de wet van 9 juli 1975 en voorziet in de verplichting voor de verzekeringsonder- neming die voornemens is een bijkantoor te openen in een andere lidstaat om een algemeen lasthebber van het bijkantoor aan te wijzen. Paragraaf 2, tweede lid bepaalt de regeling die van toepassing is op deze algemene lasthebber, en zorgt met name voor de omzetting van artikel 146, lid 1, eerste alinea van de Richtlijn, aangezien dit artikel verwijst naar artikel 42 van de Richtlijn betreffende de algemene lasthebber. Zo moet de algemene lasthebber permanent beschikken over de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid voor de uitoefening van zijn functie, en mag hij zich niet be- vinden in één van de gevallen van beroepsverbod als bedoeld in artikel 20 van de bankwet van 25 april 2014. Daarnaast zijn op zijn benoeming en ontslag naar ana- logie de artikelen 81 en 82 van toepassing. Concreet betekent dit dat de Bank voorafgaandelijk op de hoogte moet worden gebracht van voorstellen tot (hernieuwing van) benoeming van de algemene lasthebber alsook van de niet-hernieuwing van zijn benoeming, zijn afzetting of zijn ontslag. Zijn benoeming dient voorafgaandelijk te worden goedgekeurd door de Bank, in voorkomend geval na advies van de FSMA. Hiertoe moet de verze- keringsonderneming aan de Bank alle documenten en informatie bezorgen waarmee deze kan beoordelen of de algemene lasthebber over de voor de uitoefening van zijn functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikt. Aangezien aan deze verplichtingen permanent moet worden voldaan, moet de verzekeringsonderneming de Bank onverwijld in kennis stellen van elk nieuw feit dat of elke nieuwe omstandigheid die twijfels kan doen rijzen over de ver- eiste professionele betrouwbaarheid of deskundigheid waarover de algemene lasthebber moet beschikken voor de uitoefening van zijn functie. Artikel 82, waarnaar wordt verwezen, betreft in het bijzonder de voorwaarde (die bestaat in de voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan) die vereist is om de algemene lasthebber uit zijn ambt te kunnen verwijderen. Er zij verwezen naar de commentaar bij dit artikel. In overeenstemming met wat reeds was bepaald in artikel 50, § 2, derde lid van de wet van 9 juli 1975, is de hierboven beschreven regeling als bepaald in paragraaf 2, tweede lid tevens van toepassing op de andere personen die belast zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor en op de verantwoordelijken voor les risques relevant de la branche 10 de l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur. Le paragraphe 2, alinéa 1er est la reprise de l’ar- ticle 50, § 2 alinéas 1er et 2 de la loi du 9 juillet 1975 et prévoit l’obligation pour l’entreprise d’assurance qui entend ouvrir une succursale dans un autre État membre de désigner un mandataire général de la succursale. Le paragraphe 2, alinéa 2 spécifie le régime appli- cable à ce mandataire général et assure notamment la transposition de l’article 146, paragraphe 1er, alinéa 1er de la Directive en ce que ce dernier renvoie à l’article 42 de la Directive concernant le mandataire général. Le man- dataire général doit ainsi disposer en permanence de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’exper- tise adéquate à l’exercice de sa fonction et ne peut se trouver dans un des cas d’interdiction professionnelle visé à l’article 20 de la loi bancaire du 25 avril 2014. Par ailleurs, sa nomination et sa démission sont soumises par analogie aux articles 81 et 82. Concrètement, cela signifie que la Banque doit être préalablement informée des propositions de (renouvellement de) nomination du mandataire général ainsi que du non-renouvellement de sa nomination, de sa révocation ou de sa démission. Sa nomination est soumise à l’approbation préalable de la Banque moyennant, le cas échéant, l’avis de la FSMA. À cette fin, l’entreprise d’assurance doit communiquer à la Banque tous les documents et informations per- mettant à celle-ci d’évaluer si le mandataire général dispose de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de sa fonction. Dès lors que ces obligations doivent être respectées en per- manence, l’entreprise d’assurance est tenue d’informer la Banque sans délai de tout fait nouveau ou de toute circonstance nouvelle susceptible de mettre en doute l’honorabilité professionnelle ou l’expertise requises du mandataire général pour l’exercice de sa fonction. L’article 82, auquel il est renvoyé, vise en particulier la condition (consistant dans l’accord préalable de l’organe légal d’administration) requise pour que le mandataire général puisse être démis de sa fonction. Il est renvoyé au commentaire de cet article. Conformément à ce qui était déjà prévu par l’article 50, § 2, alinéa 3 de la loi du 9 juillet 1975, le régime prévu sous le paragraphe 2, alinéa 2 décrit ci-dessus s’applique également aux autres personnes chargées de la direction effective de la succursale et aux respon- sables des fonctions de contrôle indépendantes de la 112 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor. Om het aantal personen te bepalen die deel uitmaken van de effectieve leiding van een bijkantoor en om te bepalen of de aanwezigheid van verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties vereist is, dient rekening te worden gehouden met de aard en het vo- lume van de activiteiten van dit bijkantoor, alsook met het belang ervan. Op grond van paragraaf 3 kan de Bank zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij een beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen voor het governancesysteem, de financiële positie, met name rekening houdend met de risico’s die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming. Hiermee worden zowel de financiële risico’s als de juridische risico’s bedoeld, met inbegrip van het reputatierisico, met name rekening houdend met het juridisch kader dat van toepassing is op het betrokken bijkantoor. De Bank kan zich tevens tegen het project verzetten indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de professionele betrouwbaarheid of de deskundigheid van de algemene lasthebber, alsook, in voorkomend geval, van de andere personen die belast zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor en van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke con- trolefuncties van het bijkantoor. Artikel 108, § 3 zorgt voor de omzetting van artikel 146, lid 1, eerste alinea van de Richtlijn en neemt artikel 51 van de wet van 9 juli 1975 grotendeels over. De termijn waarover de Bank beschikt om zich te verzetten tegen de uitvoering van het project, wordt verlengd ten opzichte van de termijn die is vastgelegd in artikel 51 van de wet van 9 juli 1975. De termijn be- draagt voortaan drie maanden (tegenover zes weken voordien) vanaf de ontvangst van het volledige dossier met de informatie als bepaald in artikel 108, § 1, tweede lid. Indien de Bank binnen deze termijn geen beslissing heeft kenbaar gemaakt, wordt ze geacht zich niet tegen het project van de onderneming te verzetten. Artikel 108, § 4 zorgt voor de omzetting van artikel 155, lid 9 van de Richtlijn en bepaalt dat de Bank aan de Europese Commissie en aan EIOPA het aantal en de aard meedeelt van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd genomen. Paragraaf 5 bepaalt dat de procedure waarin is voor- zien in artikel 108, §§ 1 tot 3 eveneens van toepassing is, met de hierna opgegeven wijziging, op de opening van bijkantoren in een derde land. Dit is nieuw ten opzichte van de wet van 9 juli 1975. Het was immers nodig om de procedure te verduidelijken die van toepassing is bij de opening van een bijkantoor in een derde land. succursale. Pour déterminer le nombre de personnes faisant partie de la direction effective d’une succursale et déterminer si la présence de responsables des fonc- tions de contrôle indépendantes est requise, il y a lieu de tenir compte de la nature et du volume des activités de cette succursale, ainsi que de son importance. En vertu du paragraphe 3, la Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables sur le système de gou- vernance, la situation financière, notamment compte tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le contrôle de l’entreprise d’assurance. Sont ainsi visés tant les risques financiers que les risques juridiques, en ce compris le risque de réputation eu égard notamment au cadre juridique applicable à la succursale concernée. La Banque peut également s’opposer au projet si elle a des raisons de douter de l’honorabilité professionnelle ou de l’expertise du mandataire général, ainsi que, le cas échéant, des autres personnes chargées de la direc- tion effective de la succursale et des responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale. L’article 108, § 3 assure la transposition de l’article 146, paragraphe 1er, alinéa 1er de la Directive et reprend, pour l’essentiel, l’article 51 de la loi du 9 juillet 1975. Le délai endéans lequel la Banque peut s’opposer à la réalisation du projet est allongé par rapport à celui prévu par l’article 51 de la loi du 9 juillet 1975. Il est désormais de trois mois (contre six semaines auparavant) à dater de la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l’article 108, § 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de l’entreprise. L’article  108, §  4  assure la transposition de l’ar- ticle 155, paragraphe 9 de la Directive et prévoit que la Banque communique à la Commission européenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels une décision définitive d’opposition a été prise. Le paragraphe 5 précise que la procédure prévue à l’article 108, §§ 1er à 3 s’applique également, moyennant la modification indiquée ci-dessous, à l’ouverture de succursales dans un pays tiers. Il s’agit d’une nouveauté par rapport à la loi du 9 juillet 1975. Il était, en effet, nécessaire de préciser la procédure applicable lors de l’ouverture d’une succursale dans un pays tiers. 113 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In tegenstelling tot wat is bepaald voor de opening van een bijkantoor in een andere lidstaat in het kader van het door de Richtlijn ingevoerd Europees paspoort, kan de Bank zich tevens verzetten tegen de opening van een bijkantoor in een derde land wanneer zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels inzake toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het betrokken derde land voorziet of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling in- zake samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit derde land is gevestigd. Het zij opgemerkt dat een effectief toezicht in principe de mogelijkheid voor de Bank veronderstelt om vertrouwelijke informatie uit te wisselen met de toezichthouders van het derde land en dus het bestaan van een samenwerkingsakkoord met die toezichthouders dat voorziet in een uitwisseling van informatie overeenkomstig Hoofdstuk IV/1, afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Art. 109 Ontwerpartikel 109 zorgt voor de omzetting van artikel 146 van de Richtlijn, en betreft de procedure die van toepassing is op de mededeling van informatie tussen de Bank en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het bijkantoor is gevestigd. Wanneer de Bank geen enkel bezwaar heeft tegen de opening van een bijkantoor in een andere lidstaat, moet zij bepaalde informatie meedelen aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat van ontvangst. Het gaat enerzijds om een verklaring dat de verzekeringson- derneming voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste zoals berekend over- eenkomstig de artikelen 100 en 129 van de Richtlijn, en anderzijds om het volledige informatiedossier als bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, dat ten minste de categorieën van voorgenomen verrichtingen omvat, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, en de naam, het adres en de bevoegdheden van de algemene lasthebber van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de andere personen belast met de effectieve leiding van het bijkantoor en van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor. Dit informatiedossier en de voornoemde verklaring moeten worden meegedeeld binnen de drie maanden na de datum waarop dit dossier volledig is. Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst haar de voorwaarden hebben meegedeeld waaronder, om redenen van algemeen belang, de acti- viteiten van het bijkantoor in die lidstaat kunnen worden uitgeoefend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming. À la différence de ce qui est prévu pour l’ouverture d’une succursale dans un autre État membre qui s’ins- crit dans le cadre du passeport européen instauré par la Directive, la Banque peut s’opposer à l’ouverture d’une succursale dans un pays tiers également lorsqu’elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers concerné ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif de la succursale sur le territoire de ce pays tiers. Il est à noter qu’un contrôle effectif suppose en principe la possibilité pour la Banque d’échanger des informations confidentielles avec les autorités de contrôle du pays tiers et donc, l’existence d’un accord de coopération avec ces autorités prévoyant un échange d’informations conformément au Chapitre IV/1, section 4 de la loi du 22 février 1998. Art. 109 L’article 109 en projet assure la transposition de l’ar- ticle 146 de la Directive et vise la procédure applicable à la communication des informations entre la Banque et les autorités compétentes de l’État membre sur le territoire duquel la succursale est établie. Lorsque la Banque n’a aucune objection à l’encontre de l’ouverture d’une succursale dans un autre État membre, elle doit communiquer certaines informations à l’autorité compé- tente de l’État d’accueil concerné. Il s’agit, d’une part, d’une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dispose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive. Il s’agit, d’autre part, du dossier d’informations complet visé à l’article  108, § 1er, alinéa 2, ce dossier comprenant, au minimum, les catégories d’opérations envisagées, la structure de l’organisation de la succursale, la domiciliation de la cor- respondance dans l’État concerné et le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général de la succursale et, le cas échéant, des autres personnes chargées de la direction effective de la succursale ainsi que des res- ponsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale. Ce dossier d’information et l’attestation précitée doivent être communiqués dans les trois mois à compter de la date à laquelle ledit dossier est complet. Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles, pour des raisons d’intérêt général, les activités de la suc- cursale peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque communique ces informations à l’entreprise d’assurance concernée. 114 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 110 Ontwerpartikel 110 verleent aan de Bank de bevoegd- heid om, wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, met de autoriteit van het betrokken derde land regels vast te stellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wen- selijke informatie-uitwisseling met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Deze samenwerkingsakkoorden moeten de Bank met name in staat stellen om een effectief toezicht uit te oefenen op de in de betrokken derde landen gevestigde bijkantoren. Art. 111 Ontwerpartikel 111  bepaalt de datum waarop de verzekeringsonderneming haar grensoverschrijdende activiteit kan aanvangen. Deze datum hangt af van de ligging van het bijkantoor: — wanneer het bijkantoor in een lidstaat is gevestigd, kunnen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen vanaf de datum waarop de Bank van de toezichthou- ders van de lidstaat van ontvangst de bepalingen van algemeen belang heeft ontvangen die van toepassing zijn op de activiteiten van het bijkantoor en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van twee maanden die aanvangt op de datum van ontvangst door de toe- zichthouders van de lidstaat van ontvangst van de met toepassing van artikel 109, eerste lid door de Bank meegedeelde informatie; — wanneer het bijkantoor in een derde land is geves- tigd, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 108, § 3 tegen het voornemen om een bijkantoor te openen. Deze bepaling doet uiteraard geen afbreuk aan de naleving van de wette- lijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf. Art. 112 Ontwerpartikel 112 zorgt voor de omzetting van artikel 145, lid 4 van de Richtlijn. Het bepaalt dat de verzeke- ringsonderneming de Bank en de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst in kennis moet stellen van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in haar programma van werkzaamheden, in de domici- liëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en/of in de naam, het adres en de bevoegdheden van de algemene lasthebber van het bijkantoor of, in voor- komend geval, van de andere personen die belast zijn Art. 110 L’article 110 en projet confère à la Banque le pou- voir, lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays tiers, de convenir avec l’autorité de pays tiers concernée, des modalités d’ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d’informa- tions souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4 de la loi du 22 février 1998. Ces accords de coopération doivent notamment permettre à la Banque d’exercer un contrôle effectif sur les succur- sales établies dans les pays tiers concernés. Art. 111 L’article  111  en projet spécifie la date à laquelle l’entreprise d’assurance peut débuter son activité de manière transfrontalière. Cette date dépend de la loca- lisation de la succursale: — lorsque la succursale est établie dans un État membre, les activités de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle la Banque a reçu, de la part des autorités de contrôle de l’État membre d’accueil, les dispositions d’intérêt général applicables dans cet État aux activités de la succursale et, au plus tard, à l’échéance d’un délai de deux mois prenant cours à la date de la réception par les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil des informations communiquées par la Banque en application de l’article 109, alinéa 1er; — lorsque la succursale est établie dans un pays tiers, les activités de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’ouverture de la succursale n’a pas fait l’objet d’une opposition en appli- cation de l’article 108, § 3. Cette disposition est bien évidemment sans préjudice du respect des dispositions légales prévues par la législation du pays en matière d’accès à l’activité d’assurance. Art. 112 L’article 112  en projet assure la transposition de l’article 145, paragraphe 4 de la Directive. Il prévoit que l’entreprise d’assurance doit notifier à la Banque et aux autorités de contrôle des États membres d’accueil concernées toutes les modifications qu’elle entend apporter à son programme d’activité, à la domiciliation de la correspondance dans l’État concerné et/ou au nom, adresse ou pouvoirs du mandataire général de la succursale ou, le cas échéant, des autres personnes chargées de la direction effective de la succursale 115 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 met de effectieve leiding van het bijkantoor alsook van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke contro- lefuncties van het bijkantoor. Deze kennisgeving dient te gebeuren uiterlijk één maand vóór de wijzigingen worden uitgevoerd. Onderafdeling II Opening van een bijkantoor in het buitenland door een herverzekeringsonderneming Art. 113 en 114 Om te beginnen is het nuttig erop te wijzen dat de Richtlijn niet voorziet in een zogenaamde “Europees paspoort”-regeling voor de herverzekeringsondernemin- gen. Het is dus aan België om de regels te bepalen die van toepassing zijn op, enerzijds, de herverzekerings- ondernemingen naar Belgisch recht die een bijkantoor in het buitenland wensen te openen (wat valt onder de artikelen 113 en 114) en, anderzijds, de buitenlandse her- verzekeringsondernemingen die een bijkantoor wensen te vestigen in België (wat met name valt onder Boek III van dit ontwerp). Deze onderafdeling creëert, met enkele aanpassingen, een parallel tussen de procedure die van toepassing is op de verzekeringsondernemingen en die welke van toepassing is op de herverzekeringsonder- nemingen die een bijkantoor in het buitenland wensen te openen. Deze parallel is ingegeven door het feit dat de oprichting van een bijkantoor in het buitenland een weerslag kan hebben op de onderneming naar Belgisch recht die het opricht, ongeacht of het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming betreft. Artikel 113 is overgenomen uit artikel 31, § 1 van de wet van 16 februari 2009 en formuleert het principe dat de herverzekeringsonderneming die voornemens is een bijkantoor te openen op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land om er een herver- zekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij beschikt over een vergunning in België, haar voornemen aan de Bank kenbaar moet maken. Ontwerpartikel 114 verwijst naar de relevante artike- len die van toepassing zijn op de herverzekeringson- dernemingen die een bijkantoor wensen te openen in het buitenland. Uit de verwijzing naar artikel 108, § 1, tweede lid vloeit voort dat de door de herverzekeringsonderneming verrichte kennisgeving– naast het programma van werk- zaamheden en de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, die reeds waren opgelegd door artikel 31, § 2 van de wet van 16 februari 2009 — voort- aan ook melding moet maken van de naam, het adres en ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale. Cette notification doit intervenir un mois au moins avant que les modifications ne soient effectuées. Sous-section II De l’ouverture d’une succursale à l’étranger par une entreprise de réassurance Art. 113 et 114 À titre liminaire, il est utile de rappeler que la Directive ne prévoit pas de régime dit de “passeport européen” pour les entreprises de réassurance. Il appartient donc à la Belgique de définir les règles qui s’appliquent, d’une part, aux entreprises de réassurance de droit belge qui souhaitent ouvrir une succursale à l’étranger (ce qui est l’objet des articles 113 et 114) et, d’autre part, aux entreprises de réassurance étrangères qui souhaitent établir une succursale en Belgique (ce qui est notamment l’objet du Livre III du présent projet). Moyennant certaines adaptations, la présente Sous- section crée un parallélisme entre la procédure appli- cable aux entreprises d’assurance et celle applicable aux entreprises de réassurance, souhaitant ouvrir une succursale à l’étranger. Ce parallélisme se justifie par le fait que l’établissement d’une succursale à l’étranger est susceptible d’avoir un impact sur l’entreprise de droit belge qui l’établit, que cette dernière ait la qualité d’entreprise d’assurance ou de réassurance. L’article 113 constitue la reprise de l’article 31, § 1er de la loi du 16 février 2009 et énonce le principe selon lequel l’entreprise de réassurance qui projette d’ouvrir une succursale sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers en vue d’y exercer une activité de réassurance pour laquelle elle dispose de l’agrément en Belgique, doit notifier son intention à la Banque. L’article 114 en projet procède par renvoi aux articles pertinents applicables aux entreprises de réassurance souhaitant ouvrir une succursale à l’étranger. Il résulte du renvoi à l’article 108, § 1er, alinéa 2 que la notification effectuée par l’entreprise de réassurance doit désormais indiquer — en plus du programme d’acti- vités et de la domiciliation de la correspondance dans l’État concerné, qui étaient déjà visés par l’article 31, § 2 de la loi du 16 février 2009 — le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général de la succursale 116 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de bevoegdheden van de algemene lasthebber van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de andere per- sonen belast met de effectieve leiding van het bijkantoor alsook van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor. Het zij opgemerkt dat de noodzaak voor de herverzekeringsondernemin- gen die een bijkantoor in het buitenland openen om een algemene lasthebber aan te wijzen, nieuw is ten opzichte van de regeling waarin voorzien is in de wet van 16 februari 2009. Men raadplege in dit verband de commentaar bij artikel 108, § 2 met betrekking tot de algemene lasthebber van het bijkantoor. Met toepassing van de verwijzing naar artikel 108, § 3, kan de Bank zich voortaan verzetten tegen de opening van een bijkantoor in het buitenland door een herverze- keringsonderneming. Men raadplege de commentaar bij dit artikel. Het zij opgemerkt dat, wanneer het bijkantoor moet worden gevestigd in een derde land, de Bank zich tevens tegen haar opening kan verzetten wanneer zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels inzake toegang tot het bedrijf waarin de wetge- ving van het derde land voorziet of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en de regeling inzake samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om een effectief toezicht uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit derde land is gevestigd. Uit de verwijzing naar artikel 110 vloeit voort dat, wanneer een bijkantoor van een herverzekerings- onderneming in een derde land wordt gevestigd, de Bank met de autoriteit van het betrokken derde land de regels kan vastleggen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling met inachtneming van de be- palingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. De Bank beschikte reeds over deze mogelijkheid op grond van artikel 34 van de wet van 16 februari 2009. Voor zover nodig wordt evenwel verduidelijkt dat de Bank eveneens dergelijke samen- werkingsakkoorden kan sluiten met de autoriteiten van de lidstaten waarin een Belgische herverzekeringson- derneming een bijkantoor wenst te vestigen, gelet op het feit dat geen “Europees paspoort”-regeling is ingesteld voor de herverzekeringsondernemingen. De verwijzing naar artikel 111 strekt ertoe de datum te bepalen waarop de activiteiten van het bijkantoor van de herverzekeringsonderneming mogen aanvangen. Voor de herverzekeringsactiviteit is deze datum dezelfde, ongeacht of het bijkantoor is geopend in een andere lidstaat of in een derde land (omdat er geen Europees paspoort bestaat inzake herverzekeringen); het gaat om de datum waarop geen verzet werd aangetekend et, le cas échéant, des autres personnes chargées de la direction effective de la succursale ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale. On relèvera que la nécessité pour les entreprises de réassurance ouvrant une succursale à l’étranger de désigner un mandataire général constitue une nouveauté par rapport au régime prévu sous la loi du 16 février 2009. On renvoie à cet égard au commen- taire de l’article 108, § 2 relatif au mandataire général de la succursale. En application du renvoi à l’article 108, § 3, la Banque peut désormais s’opposer à l’ouverture d’une succur- sale à l’étranger par une entreprise de réassurance. On renvoie au commentaire de cet article. On notera que lorsque la succursale doit être établie dans un pays tiers, la Banque peut s’opposer à son ouverture également lorsqu’elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif de la succursale sur le territoire de ce pays tiers. Il résulte du renvoi à l’article  110  que lorsque la succursale d’une entreprise de réassurance est établie dans un pays tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité de pays tiers concernée, des modalités d’ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d’informations souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4 de la loi du 22 février 1998. La Banque disposait déjà de cette faculté en vertu de l’article 34 de la loi du 16 février 2009. Pour autant que de besoin, il est toutefois précisé que la Banque peut également convenir de tels accords de coopération avec les autorités des États membres dans lesquels une entreprise de réassurance belge souhaite établir une succursale eu égard à l’absence d’un régime de “passeport européen” institué pour les entreprises de réassurance. Le renvoi à l’article  111vise à spécifier la date à laquelle les activités de la succursale de l’entreprise de réassurance peuvent commencer. En matière de réassurance, cette date est identique, que la succursale soit ouverte dans un autre État membre ou dans un pays tiers (et ce, en raison de l’absence de passeport européen en matière de réassurance); il s’agit de la date à laquelle le projet d’ouverture de la succursale 117 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 tegen de voorgenomen opening van het bijkantoor met toepassing van artikel 108, § 3. Uit artikel 112, waarnaar verwezen wordt, vloeit voort dat de herverzekeringsonderneming, ten minste een maand op voorhand, de Bank en, in voorkomend geval, de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ont- vangst, in kennis moet stellen van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen aan de meegedeelde informatie. Afdeling III Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in het buitenland Onderafdeling I Verrichten van diensten in het buitenland door een verzekeringsonderneming Art. 115 Artikel 115, § 1 formuleert het principe dat de verze- keringsonderneming die het voornemen heeft om op het grondgebied van een andere lidstaat een verzeke- ringsactiviteit uit te oefenen waarvoor ze in België een vergunning heeft verkregen, zonder er een bijkantoor te vestigen, de Bank daarvan in kennis stelt. Artikel 115, §§ 1 en 2 neemt de artikelen 57 en 58 van de wet van 9 juli 1975 grotendeels over, met de volgende aanpassing: in paragraaf 2 van de ontwerpwet wordt de termijn waarbinnen de Bank zich kan verzetten tegen het voornemen van de verzekeringsonderneming om een grensoverschrijdende verzekeringsactiviteit uit te oefenen, opgetrokken tot een maand (in plaats van twee weken). Artikel 115, §§ 1 en 2 zorgt voor de omzetting van de artikelen 147 en 148, leden 2 en 3 van de Richtlijn. Artikel 115, § 3 zorgt voor de omzetting van artikel 155, lid 9 van de Richtlijn. Artikel 115, §§ 1 en 2 is, met enkele aanpassingen, van toepassing op de uitoefening van een verzeke- ringsactiviteit in een derde land zonder vestiging van een bijkantoor. Dit is nieuw ten opzichte van de wet van 9 juli 1975, aangezien het geval waarin een ver- zekeringsactiviteit wordt uitgeoefend in het buitenland zonder vestiging van een bijkantoor in een derde land, niet uitdrukkelijk werd behandeld in die wet. Met name de volgende aanpassingen werden aangebracht: Eerst en vooral, in tegenstelling tot wat is bepaald voor de uitoefening van een verzekeringsactiviteit in n’a pas fait l’objet d’une opposition en application de l’article 108, § 3. Il résulte de l’article 112 auquel il est renvoyé, que l’entreprise de réassurance doit notifier, un mois au moins à l’avance, à la Banque et, le cas échéant, aux autorités de contrôle des États membres d’accueil concernées, toutes modifications qu’elle entend appor- ter aux informations communiquées. Section III De la prestation de services d’assurance ou de réassurance à l’étranger Sous-section Ire De la prestation de services à l’étranger par une entreprise d’assurance Art. 115 L’article 115, § 1er énonce le principe selon lequel l’entreprise d’assurance qui projette d’exercer sur le territoire d’un autre État membre, sans y établir de suc- cursale, une activité d’assurance qui lui est autorisée en Belgique, notifie son intention à la Banque. L’article 115, §§  1er et 2  constitue essentiellement la reprise des articles 57 et 58 de la loi du 9 juillet 1975 moyennant l’adaptation suivante: le paragraphe 2 en projet porte à un mois (au lieu de quinze jours) le délai pendant lequel la Banque peut s’opposer au projet de l’entre- prise d’assurance d’exercer une activité sur une base transfrontalière. L’article 115, §§ 1er et 2 assure la transposition des articles 147 et 148, paragraphes 2 et 3 de la Directive. L’article 115, § 3 assure la transposition de l’article 155, paragraphe 9 de la Directive. L’article 115, §§  1er et 2  s’applique, moyennant certaines adaptations, à l’exercice d’une activité d’assurance dans un pays tiers sans y établir de suc- cursale. Il s’agit d’une nouveauté par rapport à la loi du 9 juillet 1975 dès lors que cette dernière n’envisageait pas expressément l’hypothèse de l’exercice d’une activité d’assurance sans implantation d’une succursale dans un pays tiers. On relève notamment les adaptations suivantes: Tout d’abord, contrairement à ce qui est prévu pour l’exercice d’une activité d’assurance en libre prestation 118 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het kader van de vrije dienstverrichting in een andere lidstaat, kan de Bank zich ook verzetten tegen de grens- overschrijdende uitoefening van een verzekeringsacti- viteit in een derde land, indien ze redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels inzake toegang tot het verzekeringsbedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet of, rekening houdend met de voor- genomen activiteit en de regeling inzake samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen met betrekking tot de grensoverschrijdende activiteit op het grondgebied van dit derde land. Dit verschil is met name ingegeven door het feit dat de “Europees paspoort”- regeling waarin de Richtlijn voorziet, uiteraard niet van toepassing is op derde landen. Het zij opgemerkt dat een effectief toezicht in principe de mogelijkheid voor de Bank inhoudt om vertrouwelijke informatie uit te wis- selen met de toezichthouders van het derde land en dus het bestaan impliceert van een samenwerkingsakkoord met die toezichthouders dat voorziet in een uitwisseling van informatie overeenkomstig Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Vervolgens wordt de termijn waarover de Bank be- schikt om zich te verzetten tegen de uitoefening in vrije dienstverrichting van een verzekeringsactiviteit in een derde land, opgetrokken tot drie maanden (in plaats van een termijn van een maand die van toepassing is wanneer het land van ontvangst een lidstaat is). Art. 116 Artikel 116 zorgt voor de omzetting van artikel 148, lid 1 van de Richtlijn en heeft betrekking op de procedure die van toepassing is op de mededeling van informatie tussen de Bank en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de activiteit in vrije dienstverrichting wordt uitgeoefend. Dit artikel neemt ar- tikel 60, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 grotendeels over. Het zij evenwel opgemerkt dat de Bank voortaan een verklaring moet afleveren dat de verzekeringsonder- neming voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste zoals berekend overeen- komstig de ontwerpartikelen 151 tot 189 die de artikelen 100 en 129 van de Richtlijn omzetten. Art. 117 Ontwerpartikel 117 bepaalt dat de Bank, wanneer het land van vestiging van het bijkantoor een derde land is, in overleg met de autoriteit van het betrokken derde land regels mag vaststellen voor het toezicht op die activi- teit, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk de service dans un autre État membre, la Banque peut s’opposer à l’exercice transfrontalier d’une activité d’assurance dans un pays tiers également si elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif en ce qui concerne l’activité transfrontalière sur le territoire de ce pays tiers. Cette différence se justifie notamment par le fait que le régime de passeport européen prévu par la Directive ne s’applique bien évidemment pas aux pays tiers. Il est à noter qu’un contrôle effectif suppose en principe la possibilité pour la Banque d’échanger des informations confidentielles avec les autorités de contrôle du pays tiers et donc, l’existence d’un accord de coopération avec ces autorités prévoyant un échange d’information conformément au Chapitre IV/1, Section 4 de la loi du 22 février 1998. Ensuite, le délai dont dispose la Banque pour s’oppo- ser à l’exercice en libre prestation de service d’une activité d’assurance dans un pays tiers est porté à trois mois (au lieu du délai d’un mois applicable lorsque le pays d’accueil est un État membre). Art. 116 L’article 116 assure la transposition de l’article 148, paragraphe  1er de la Directive et vise la procédure applicable à la communication des informations entre la Banque et les autorités compétentes de l’État membre sur le territoire duquel l’activité est exercée en libre prestation de service. Cet article reprend pour l’essen- tiel l’article 60, alinéa 1er de la loi du 9 juillet 1975. On notera toutefois que la Banque doit désormais fournir une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dispose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 151 à 189  en projet assurant la transposition des articles 100 et 129 de la Directive. Art. 117 L’article 117 en projet précise que la Banque peut, lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays tiers, convenir avec l’autorité de pays tiers concer- née, des modalités de contrôle de cette activité ainsi que des échanges d’informations souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de 119 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Deze samenwerkingsakkoorden hebben tot doel erop toe te zien dat aldus een effectief toezicht wordt uitgeoefend op de in derde landen gevestigde bijkantoren. Art. 118 Ontwerpartikel 118  bepaalt de datum waarop de verzekeringsonderneming haar grensoverschrijdende activiteit mag aanvatten: Wanneer de verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend in vrije dienstverrichting in een andere lidstaat, mag de grensoverschrijdende activiteit aanvangen zodra de onderneming door de Bank in kennis is gesteld van de mededeling, aan de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst, van de informatie die vereist is op grond van artikel 116, eerste lid; Wanneer de verzekeringsactiviteit wordt uitgeoe- fend in een derde land, mag de grensoverschrijdende activiteit aanvangen vanaf de datum waarop de Bank zich niet heeft verzet tegen de voorgenomen grensover- schrijdende activiteit overeenkomstig artikel 115, § 2. Het aanvangen van de activiteit is bovendien onderworpen aan de naleving van de wettelijke bepalingen van dat land inzake toegang tot het verzekeringsbedrijf. Art. 119 Artikel 119 is grotendeels overgenomen uit artikel 61 van de wet van 9 juli 1975, en zet artikel 149 van de Richtlijn om. Onderafdeling II Vrij verrichten van diensten in het buitenland door een herverzekeringsonderneming Art. 120 en 121 Aangezien de Richtlijn niet voorziet in een zogenaam- de “Europees paspoort”-procedure voor de herverzeke- ringsondernemingen, is het aan België om de regels te bepalen die van toepassing zijn op, enerzijds, de her- verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die een herverzekeringsactiviteit in het buitenland wensen uit te oefenen zonder er een bijkantoor te vestigen (wat valt onder de artikelen 120 en 121) en, anderzijds, de her- verzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die een herverzekeringsactiviteit in vrije dienstverrichting in België wensen uit te oefenen (wat valt onder Boek III van dit ontwerp). Deze onderafdeling creëert, met enkele la loi du 22 février 1998. Ces accords de coopération ont pour objet de s’assurer qu’un contrôle effectif est ainsi exercé sur les succursales établies dans des pays tiers. Art. 118 L’article  118  en projet précise la date à laquelle l’entreprise d’assurance peut débuter son activité transfrontalière: Lorsque l’activité d’assurance s’exerce en libre pres- tation de service dans un autre État membre, l’activité transfrontalière peut débuter dès que l’entreprise a été avisée par la Banque de la communication à l’autorité de contrôle de l’État membre d’accueil des informations requises en vertu de l’article 116, alinéa 1er; Lorsque l’activité d’assurance s’exerce dans un pays tiers, l’activité transfrontalière peut débuter à partir de la date à laquelle le projet d’activité transfrontalière n’a pas fait l’objet d’opposition de la Banque conformément à l’article 115, § 2. Le commencement d’activité est, en outre, nécessairement conditionné par le respect des dispositions légales de ce pays en matière d’accès à l’activité d’assurance. Art. 119 L’article 119 constitue essentiellement la reprise de l’article 61 de la loi du 9 juillet 1975. Il assure la trans- position de l’article 149 de la Directive. Sous-section II De la prestation de services à l’étranger par une entreprise de réassurance Art. 120 et 121 Dès lors que la Directive ne prévoit pas de procédure dite de “passeport européen” pour les entreprises de réassurance, il appartient donc à la Belgique de définir les règles qui s’appliquent, d’une part, aux entreprises de réassurance de droit belge qui souhaitent exercer une activité de réassurance à l’étranger sans y établir une succursale (ce qui est l’objet des articles 120 et 121) et, d’autre part, aux entreprises de réassurance de droit étranger qui souhaitent exercer une activité de réas- surance en libre prestation de service en Belgique (ce qui est l’objet du Livre III du présent projet). Moyennant certaines adaptations, la présente Sous-section crée 120 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aanpassingen, een parallel tussen de procedure die van toepassing is op de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die een grensoverschrijdende activiteit wensen uit te oefenen, en die welke van toepassing is op de herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht in dezelfde situatie. Deze parallel is ingegeven door het feit dat de uitoefening van een grensoverschrijdende activiteit in (vrije) dienstverrichting een weerslag kan hebben op de Belgische onderneming die ze uitoefent, ongeacht of het een verzekerings- of herverzekerings- onderneming betreft. Artikel 35 van de wet van 16 februari 2009 bepaalde reeds dat een herverzekeringsonderneming die voor- nemens is om op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, zonder er een bijkan- toor te vestigen, een herverzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor ze in België een vergunning heeft verkregen, de Bank hiervan in kennis moet stellen. Het voorliggende ontwerp neemt dit principe over in artikel 120 maar verduidelijkt nu in artikel 121 de procedure die van toepassing is, die met name de bevoegdheid van de Bank omvat om zich tegen het voornemen van de herverzekeringsonderneming te verzetten. De artikelen 115, §§ 1, tweede lid en §§ 2 en 4, 117, 118, tweede lid en 119, die van toepassing zijn op de ver- zekeringsondernemingen die een verzekeringsactiviteit in (vrije) dienstverrichting in het buitenland wensen uit te oefenen, zijn met enkele aanpassingen van toepas- sing op de uitoefening van een grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit in (vrije) dienstverrichting in het buitenland. Men raadplege daarom de commentaar bij deze bepalingen. Met name de volgende aanpassingen werden aangebracht: 1° de samenwerkingsakkoorden als bedoeld in arti- kel 117, kunnen door de Bank tevens worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waarin de grensoverschrijdende herverzekeringsactivi- teit wordt uitgeoefend; dit is ingegeven door het feit dat de Richtlijn geen “Europees paspoort”-regeling voor de herverzekeringen instelt; 2° de termijn waarover de Bank beschikt om zich te verzetten tegen de uitoefening in vrije dienstverrichting van een herverzekeringsactiviteit in een andere lidstaat, wordt opgetrokken tot drie maanden (in plaats van de termijn van één maand die van toepassing is op de verzekeringsondernemingen); 3° de grensoverschrijdende activiteiten kunnen aan- vangen vanaf de datum waarop de Bank zich niet heeft verzet tegen de voorgenomen grensoverschrijdende un parallélisme entre la procédure applicable aux entreprises d’assurance de droit belge souhaitant exercer une activité transfrontalière et celle applicable aux entreprises de réassurance de droit belge dans la même situation. Ce parallélisme se justifie par le fait que l’exercice d’une activité transfrontalière en (libre) pres- tation de service est susceptible d’avoir un impact sur l’entreprise belge qui l’exerce et ce, que cette dernière soit une entreprise d’assurance ou de réassurance. L’article 35 de la loi du 16 février 2009 prévoyait déjà qu’une entreprise de réassurance qui projette d’exercer sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans y établir de succursale, une activité de réas- surance qui lui est autorisée en Belgique, doit notifier son intention à la Banque. Le présent projet reprend ce principe à l’article 120 mais précise désormais, à l’article 121, la procédure applicable, qui inclut notam- ment le pouvoir de la Banque de s’opposer au projet de l’entreprise de réassurance. Les articles 115, §§ 1er, alinéa 2 et §§ 2 et 4, 117, 118, alinéa 2 et 119, applicables aux entreprises d’assurance souhaitant exercer une activité d’assurance en (libre) prestation de service à l’étranger, s’appliquent, moyen- nant certaines adaptations, à l’exercice d’une activité de réassurance transfrontalière en (libre) prestation de service à l’étranger. On renvoie dès lors aux commen- taires de ces dispositions. On relève, parmi les adaptations, les aspects suivants: 1° les accords de coopération visés à l’ar- ticle 117 peuvent également être conclus par la Banque avec les autorités de contrôle des États membres d’accueil dans lesquels l’activité de réassurance trans- frontalière est exercée; cela se justifie par le fait que la Directive ne met pas en place un régime de “passeport européen” pour la réassurance; 2° le délai dont dispose la Banque pour s’opposer à l’exercice en libre prestation de service d’une activité de réassurance dans un autre État membre est porté à trois mois (au lieu du délai d’un mois applicable aux entreprises d’assurance); 3° les activités transfrontalières peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’activités transfron- talières n’a pas fait l’objet d’opposition de la Banque 121 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 activiteiten overeenkomstig artikel 115, § 2, en dit on- geacht of het land van ontvangst een andere lidstaat is of een derde land. Afdeling IV Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat Art. 122 Ontwerpartikel 122 zorgt voor de omzetting van ar- tikel 159 van de Richtlijn, en breidt dit artikel uit tot de herverzekeringsondernemingen. Elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank in kennis van het bedrag aan premies, schadegevallen en provisies, zonder aftrek van herver- zekering, per vestigingsland van een bijkantoor en per lidstaat op het grondgebied waarvan een grensover- schrijdende verzekerings- of herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend. Deze kennisgeving gebeurt afzon- derlijk voor de verrichtingen die worden uitgevoerd in het kader van de opening van een bijkantoor en voor die welke worden uitgevoerd in het kader van de vrije dienstverrichting. HOOFDSTUK VI Reglementaire normen en verplichtingen Afdeling I Waarderingsregels Onderafdeling I Algemene regels Deze afdeling bevat de beginselen die van toepassing zijn op de waardering van de activa en passiva van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Deze beginselen zijn uitsluitend van toepassing op prudentieel vlak. De normen met betrekking tot het opstellen van de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekerings- ondernemingen zullen geïntegreerd worden in de boek- houdreglementering die op grond van artikel 196 van het voorliggende wetsontwerp wordt vastgelegd. Art. 123 Dit artikel zet artikel 75, lid 1  van de Richtlijn om en legt de beginselen vast voor de waardering van de activa en passiva van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. conformément à l’article  115,  §  2  et ce, que l’état d’accueil soit un autre État membre ou un pays tiers. Section IV Dispositions communes à l’exercice de l’activité dans un autre État membre Art. 122 L’article  122  en projet assure la transposition de l’article 159 de la Directive et l’étend aux entreprises de réassurance. Chaque entreprise d’assurance ou de réassurance communique à la Banque le montant des primes, sinistres et commissions, sans déduction de la réassu- rance, par État membre d’implantation d’une succursale et par État membre sur le territoire duquel une activité d’assurance ou de réassurance transfrontalière est exercée. Cette communication se fait de manière dis- tincte pour les opérations effectuées dans le cadre de l’ouverture d’une succursale et pour celles effectuées dans le cadre de la libre prestation de services. CHAPITRE VI Normes et obligations règlementaires Section Ire Règles de valorisation Sous-section Ire Règles générales Cette section contient les principes applicables en ce qui concerne la valorisation des actifs et des passifs des entreprises d’assurance et de réassurance. Ces principes ne sont applicables qu’en matière prudentielle. Les normes relatives à l’établissement des comptes annuels des entreprises d’assurance et de réassurance seront intégrées dans la réglementation comptable prise sur la base de l’article 196 du présent projet de loi. Art. 123 Cet article transpose l’article 75, paragraphe 1er de la Directive et pose les principes de valorisation des actifs et des passifs des entreprises d’assurance et de réassurance. 122 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor de activa gaat het om de overdrachtswaarde, een begrip dat nauw aanleunt bij de fair value die wordt gehanteerd in de internationale normen (IFRS) of nog om de ruilwaarde, dat wil zeggen het bedrag waarvoor de activa onderhands zouden kunnen worden geruild op een als normaal bestempelde markt. De bepaling verduidelijkt dat de ruil dient te gebeuren “bij normale concurrentievoorwaarden” en “tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen”. Deze tweede uitdrukking betekent dat er geen sprake is van informatieasymmetrie, dat beide partijen even goed geïnformeerd zijn over de voorwaarden van de transac- tie en dat er geen verplichting of stimulans bestaat om de transactie uit te voeren, zoals de noodzaak om op korte termijn liquiditeiten te verkrijgen. Voor de waardering van de passiva is in een analoge regel voorzien. De “overdrachtswaarde” is, in het bijzon- der, van toepassing op de technische voorzieningen waarvoor geen markt bestaat. De waardering van de technische voorzieningen wordt uitvoerig behandeld in artikel 124 en volgende. Het laatste lid verduidelijkt dat bij de waardering van de activa en passiva geen rekening wordt gehouden met de kredietwaardigheid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Onderafdeling II Regels betreffende de technische voorzieningen § 1. Algemene bepalingen Art. 124 Dit artikel zet artikel 76, lid 1 van de Richtlijn om en neemt een aantal bepalingen uitartikel 16, paragraaf 1, eerste en tweede lid, eerste zin van de wet van 9 juli 1975 en uit artikel 20, eerste lid van de wet van 16 februari 2009 over. De bepaling verplicht de ondernemingen om techni- sche voorzieningen aan te leggen die overeenstemmen met hun verzekerings- en herverzekeringsverplichtin- gen. Het gaat om de “schuld” van de ondernemingen jegens de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van de verzekerings- en herverzekerings- overeenkomsten en verrichtingen die gelijkgesteld zijn met verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten (kapitalisatie, tontines, finite herverzekeringsovereen- komsten …). Pour les actifs, il s’agit de la valeur de transfert, notion proche de celle de la fair value utilisée dans les normes internationales (IFRS) ou encore de la valeur d’échange, c’est-à-dire le montant pour lequel les actifs pourraient être échangés de gré à gré dans un marché qualifié de normal. La disposition précise que l’échange doit avoir lieu “dans des conditions de concurrence normales” et “entre des parties informées et consentantes”. Cette deuxième expression signifie qu’il n’y a pas d’asymétrie d’infor- mation, chaque partie étant autant informée que l’autre sur les conditions de la transaction et qu’il n’y a aucune obligation ou incitation à réaliser la transaction, telle que la nécessité d’obtenir des liquidités à court terme. Une règle analogue est prévue pour la valorisation des passifs. La “valeur de transfert” s’applique, en particulier, aux provisions techniques pour lesquelles il n’y a pas de marché. La valorisation des provisions techniques est détaillée aux articles 124 et suivants. Le dernier alinéa précise que l’évaluation des actifs et des passifs est indépendante de la qualité de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance. Sous-section II Règles relatives aux provisions techniques § 1er. Dispositions générales Art. 124 Cet article transpose l’article 76, paragraphe 1er de la Directive et reprend certaines dispositions des articles 16, paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, première phrase de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 20, alinéa 1er de la loi du 16 février 2009. La disposition oblige les entreprises à constituer des provisions techniques correspondant à leurs engage- ments d’assurance et de réassurance. Il s’agit de la “dette” des entreprises envers les preneurs, les assu- rés et les bénéficiaires des contrats d’assurance et de réassurance et opérations assimilées à des contrats d’assurance et de réassurance (capitalisation, tontines, contrats de réassurance finite…). 123 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De voorzieningen omvatten de premiereserves (niet- verdiende premies), dat wil zeggen het gedeelte van de tijdens een boekjaar ontvangen premies dat het risico van het volgende boekjaar of de volgende boekjaren dekt. De verplichting om te “boeken” heeft hier betrekking op de “Solvabiliteit II”-balans. Het is duidelijk dat de technische voorzieningen geboekt moeten worden in de jaarrekening, met inachtneming van de regels die gelden voor het opstellen van die rekening. Art. 125 Dit artikel zet de leden 2 tot 5 van artikel 76 van de Richtlijn om en formuleert de algemene beginselen voor de berekening van de technische voorzieningen. Een eerste beginsel is het voorzichtigheidsbeginsel, dat inhoudt dat de technische voorzieningen op “een prudente, betrouwbare en objectieve wijze” berekend moeten worden. Dit beginsel wordt niet uiteengezet in de Richtlijn, maar wel in de richtsnoeren van EIOPA. Het tweede beginsel is dat van de waardering tegen overdrachtswaarde. In het specifieke geval van de tech- nische voorzieningen is deze waarde, bij afwezigheid van een ad-hocmarkt, de prijs die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming bereid zou zijn te betalen om de verplichtingen van een andere onderneming over te nemen onder normale marktomstandigheden. De uitdrukking “met onmiddellijke ingang” betekent dat er bij de waardering van uitgegaan wordt dat alle gewaar- deerde verplichtingen in één keer worden overgenomen. Het derde beginsel is dat voor de berekening van de overdrachtsprijs zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van de marktgegevens, en dat de overdrachts- prijs met deze gegevens moet stroken wanneer zij beschikbaar zijn. In het vierde lid wordt gesteld dat de algemene begin- selen van dit artikel uitvoerig worden beschreven in de volgende artikelen van het wetsontwerp maar tevens in de Europese uitvoeringsverordeningen van de Richtlijn en, in voorkomend geval, in de Belgische uitvoeringsre- gels (koninklijke besluiten of reglementen van de Bank). Art. 126 Dit artikel zet artikel 77, leden 1 tot 3 van de Richtlijn om. De overdrachtswaarde waartegen de technische voorzieningen moeten worden gewaardeerd, omvat twee componenten: de beste schatting (best estimate) en de risicomarge (risk margin). Les provisions comprennent les réserves de primes (primes non acquises), c’est-à-dire la partie des primes encaissées au cours d’un exercice mais couvrant le risque du ou des exercices suivants. L’obligation de “comptabiliser” concerne ici le bilan “Solvabilité II”. Il est évident qu’il existe une obligation de comptabiliser des provisions techniques dans les comptes statutaires mais en suivant les règles propres à l’établissement de ces comptes. Art. 125 Cet article transpose les paragraphes 2 à 5 de l’article 76 de la Directive et énonce les principes généraux en matière de calcul des provisions techniques. Le premier principe est celui de prudence, qui impose de calculer les provisions techniques “d’une manière prudente, fiable et objective”. Ce principe n’est pas développé dans la Directive mais l’est dans les orien- tations de l’EIOPA. Le deuxième principe est celui de la valorisation à la valeur de transfert. Dans le cas précis des provisions techniques, en l’absence d’un marché ad hoc, cette valeur est le prix qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance serait prête à payer pour reprendre les engagements d’une autre entreprise, dans des condi- tions de marché normales. L’expression “avec effet immédiat” (“sur le champ” dans la Directive) signifie que l’évaluation correspond à une reprise en une fois de tous les engagements évalués. Le troisième principe impose que le prix du trans- fert fasse appel, autant que possible aux données du marché et soit cohérent avec celles-ci lorsqu’elles sont disponibles. Le quatrième alinéa annonce que les principes généraux de cet article sont détaillés dans les articles suivants de la loi en projet mais également dans les règlements européens d’exécution de la Directive et, le cas échéant, dans des règles d’exécution belges (arrêtés royaux ou règlements de la Banque). Art. 126 Cet article transpose l’article 77, paragraphes 1er à 3 de la Directive. La valeur de transfert à laquelle les provisions techniques doivent être évaluées comporte deux composantes: la meilleure estimation (best esti- mate) et la marge de risque (risk margin). 124 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De beste schatting wordt verkregen door alle inko- mende en uitgaande kasstromen (cashflows) te dis- conteren, onder meer de uitkeringen voor toekomstige schadegevallen, de toekomstige premies, de kosten … De discontering wordt uitgevoerd met behulp van een relevante risicovrije rentetermijnstructuur. Deze curve zal door EIOPA worden berekend op basis van de vastrentende effecten (overheidsobligaties…). De curve bestaat uit verschillende rentevoeten die over- eenstemmen met de looptijden van de te disconteren verplichtingen. De beste schatting wordt berekend zonder aftrek van uitbetalingen van herverzekeraars en effectiseringsve- hikels. De beoordeling van deze elementen valt onder artikel 136. Aan het bedrag dat berekend is voor de beste schat- ting moet een risicomarge (risk margin) worden toege- voegd. Dit begrip wordt behandeld in artikel 127, § 2. Art. 127 Dit artikel zet artikel 77, leden 4 en 5 van de Richtlijn om. In principe worden de beste schatting en de risico- marge apart gewaardeerd. Deze twee waarden mogen evenwel samen worden berekend, door een beroep te doen op de techniek van de portefeuillereplicatie (repli- cating portfolio). Hiertoe moet een portefeuille worden bepaald die bestaat uit activa die een betrouwbare en waarneembare marktwaarde hebben (bijvoorbeeld bepaalde beursgenoteerde effecten), en waarvan de kasstromen nauw overeenstemmen met die van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. In dat geval is de waarde van de technische voorzieningen de marktwaarde van deze activa. In werkelijkheid wordt de techniek van de portefeuillereplicatie vooral gebruikt voor levensverzekeringsproducten van tak 23. In alle andere gevallen moet de risicomarge los van de beste schatting worden berekend. De risicomarge stemt overeen met de kosten die de overnemende onderneming zou moeten dragen als gevolg van de toename van haar reglementair eigen vermogen (solvabiliteitskapitaal- vereiste) na de overname van de verplichtingen. Met andere woorden, indien een verzekerings- of herverze- keringsonderneming de verplichtingen van een andere onderneming overneemt, moet zij niet alleen technische voorzieningen sensu stricto aanleggen om het hoofd te bieden aan deze verplichtingen, maar ook haar solvabi- liteitskapitaalvereiste (SCR) verhogen. De risicomarge La meilleure estimation est obtenue en actualisant l’ensemble des flux de trésorerie (cash flows) sortants et entrants, entre autres les prestations au titre de sinistres futurs, les primes futures, les frais … L’actualisation est réalisée au moyen d’une courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque (à tort dans la Directive, “courbe des taux d’intérêt sans risque perti- nents”). Cette courbe sera calculée par l’EIOPA sur la base des titres à rendement fixe (obligations d’État…). La courbe est composée de différents taux qui corres- pondent aux durées d’actualisation des engagements. La meilleure estimation est calculée brute de réas- surance et des véhicules de titrisation, c’est-à-dire que les interventions des réassureurs ne sont pas déduites du calcul. L’évaluation de ces éléments fait l’objet de l’article 136. Au montant obtenu pour le calcul de la meilleure esti- mation, il faut ajouter une marge de risque (risk margin). Cette notion est développée à l’article 127, § 2. Art. 127 Cet article transpose l’article 77, paragraphes 4 et 5 de la Directive. En principe, la meilleure estimation et la marge de risque sont évaluées séparément. Il est toutefois permis de calculer ces deux valeurs ensemble en faisant appel à la technique du portefeuille répliquant (replicating portfolio). Pour ce faire, il faut déterminer un portefeuille composé d’actifs qui ont une valeur de marché fiable et observable (par exemple certains titres cotés en bourse) et dont les flux financiers correspondent étroitement à ceux des engagements d’assurance ou de réassurance. Dans ce cas, la valeur des provisions techniques est la valeur de marché de ces actifs. En réalité, la technique du portefeuille répliquant concerne principalement les produits vie de la branche 23. Dans tous les autres cas, la marge de risque doit être calculée distinctement de la meilleure estimation. La marge de risque correspond au coût que l’entreprise cessionnaire devrait supporter en raison de l’accrois- sement de ses fonds propres réglementaires (capital de solvabilité requis) suite à la reprise des engage- ments. Autrement dit, si une entreprise d’assurance ou de réassurance reprend les engagements d’une autre entreprise, elle doit constituer non seulement des provisions techniques sensu stricto pour faire face à ces engagements mais elle doit aussi augmenter son capital de solvabilité requis (SCR). La marge de risque 125 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 vertegenwoordigt het rendement dat de beleggers (aan- deelhouders, obligatieleners…) verwachten voor de vor- ming en het behoud van het aanvullend eigen vermogen. Concreet wordt de risicomarge berekend aan de hand van een rentevoet die wordt toegepast op de contante waarde van het solvabiliteitskapitaalvereiste dat overeenstemt met de overgedragen verzekerings- verplichtingen. Zo kan het solvabiliteitsvereiste worden gespreid over de gehele looptijd van die verplichtingen. Het percentage waarvan sprake hierboven is vastge- legd in Verordening 2015/35. Dit percentage is identiek voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen van de Europese Economische Ruimte, aangezien het is vastgelegd in een Europese Verordening. § 2 — Extrapolatie van de relevante risicovrije ren- tetermijnstructuur (risk-free interest rate term structure) Art. 128 Dit artikel zet artikel 77bis van de Richtlijn om. De relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt berekend op basis van de rendementen van financiële instrumenten en obligaties die door de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen kunnen worden gebruikt als tegenwaarde voor hun technische voor- zieningen aan de actiefzijde van hun balans. Artikel 44  van Verordening 2015/35  verduidelijkt dat deze financiële instrumenten worden berekend op basis van renteswaptarieven (swaps) voor rentevoeten of op basis van rentetarieven van overheidsobligaties. Het gebruik van de aldus berekende curve resulteert in een volatiliteit van de technische voorzieningen die evenredig is met die van de rentevoeten die werden gebruikt om de curve te berekenen. Aangezien een dergelijke volatiliteit nauwelijks verenigbaar is met de langetermijnverplichtingen van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met name voor wat de levensverzekeringsactiviteiten betreft, beoogt Richtlijn 2014/51/EU (Omnibus II) dit ongewenst effect te cor- rigeren aan de hand van diverse maatregelen. De eerste van die maatregelen is de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur, een maatregel die wordt toegepast vanaf het ogenblik dat de obligatiemarkten niet langer als diep, liquide en transparant worden beschouwd. De aldus geëxtrapo- leerde curve convergeert naar één enkele rentevoet, de zogenaamde ultimate forward rate. In 2014 en voor de euro werden deze twee buigpunten vastgesteld op respectievelijk 20 en 60 jaar. représente le rendement attendu par les investisseurs (actionnaires, prêteurs obligataires…) pour constituer et maintenir les fonds propres supplémentaires. Concrètement, la marge de risque est calculée au moyen d’un taux qui s’applique à la valeur actuelle du capital de solvabilité requis correspondant aux engagements d’assurance transférés. Cela permet de fractionner l’exigence de solvabilité sur toute la durée de ces engagements. Le taux dont question ci-dessus est fixé par le Règlement 2015/35. Il a la particularité d’être unique pour l’ensemble des entreprises d’assurance et de réassurance de l’Espace économique européen dès lors qu’il est déterminé par un Règlement européen. § 2 — Extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque (risk-free interest rate term structure) Art. 128 Cet article transpose l’article 77bis de la Directive. La courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est calculée à partir des rendements d’instruments financiers et d’obligations susceptibles d’être utilisés par les entreprises d’assurance et de réassurance en contrepartie de leurs provisions techniques à l’actif de leur bilan. L’article 44 du Règlement 2015/35 précise que ces instruments financiers sont calculés à partir de taux de contrats d’échange (swaps) de taux d’intérêt ou à partir des taux des obligations d’État. L’utilisation de la courbe ainsi calculée entraîne une volatilité des provisions techniques proportionnelle à celle des taux ayant servi à la calculer. Une telle volati- lité étant peu compatible avec les engagements à long terme des entreprises d’assurance et de réassurance, notamment en ce qui concerne les activités vie, la directive 2014/51/EU (Omnibus II) entend corriger cet effet non désiré par diverses mesures. La première de ces mesures est l’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque, qui s’applique à partir du moment où les marchés obliga- taires ne sont plus considérés comme profonds, liquides et transparents. La courbe ainsi extrapolée tend vers un taux unique, appelé ultime taux à terme (ultimate forward rate) En 2014 et pour l’euro, ces deux points d’inflexion ont été respectivement fixés à 20 et 60 ans. 126 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3. Matchingopslag (Matching adjustment) in ver- band met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur Art. 129 Dit artikel zet artikel 77ter van de Richtlijn om. Een tweede maatregel die de volatiliteit van de technische voorzieningen beoogt te verminderen, is de mogelijkheid om op de relevante risicovrije rentetermijn- structuur een matchingopslag (Matching adjustment) toe te passen. De bedoeling is om rekening te houden met het feit dat bepaalde langlopende, voorzienbare en niet-liquide verplichtingen nauw kunnen worden “gematcht” met de activa die de ondernemingen aanhouden tot einde looptijd. Met andere woorden, het komt erop aan de beoordeling van de activa aan te passen om rekening te houden met het gebrek aan liquiditeit van de over- eenstemmende verplichtingen. De matchingopslag is niet bedoeld om procyclisch gedrag te voorkomen, ook al mondt het aanhouden van activa tot het einde van hun respectieve looptijd uit in dit resultaat. Hoewel de matchingopslag impliceert dat de verzeke- rings- en herverzekeringsondernemingen geen rekening moeten houden met de markt- en liquiditeitsrisico’s, moeten zij echter wel rekening houden met het kre- dietrisico, aangezien de wanbetaling van een tegenpartij hun vermogen zal aantasten om hun verplichtingen na te komen. De matchingopslag is een maatregel die is afgestemd op de activa die werkelijk worden aangehouden door de onderneming die er een beroep op doet, en moet vooraf door de Bank worden goedgekeurd. Deze maat- regel wordt toegepast op de levensverzekerings- en herverzekeringsverplichtingen en op de renten van de niet-levensverzekeringen (arbeidsongevallen, schade- loosstelling voor lichamelijk letsel…). Het besproken artikel somt de voorwaarden op om de matchingopslag te kunnen toepassen, terwijl het vol- gende artikel de berekeningsmethode ervan beschrijft. De voorwaarden kunnen worden onderverdeeld in vijf reeksen. De eerste reeks voorwaarden (de punten 1° tot 3°, en 8° van het eerste lid en het tweede en derde lid van paragraaf 1) houdt in dat de activa die overeenstemmen met de verplichtingen waarop de matchingopslag wordt toegepast, moeten worden afgezonderd. Deze afzonde- ring (ring fenced fund) is veeleer een economisch dan een juridisch begrip. Het gaat noch om een afgezonderd § 3. Ajustement égalisateur (Matching adjustment) de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque Art. 129 Cet article transpose l’article 77ter de la Directive. Une deuxième mesure visant à réduire la volatilité des provisions techniques est la possibilité d’appliquer à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque un ajustement égalisateur (Matching adjustment). L’objectif est de tenir compte du fait que certains engagements à long terme, prévisibles et non liquides peuvent être étroitement “matchés” avec des actifs que les entreprises détiennent jusqu’à leur maturité. En d’autres termes, il s’agit d’ajuster l’évaluation des actifs pour tenir compte de l’absence de liquidité des engagements correspondants. L’ajustement égalisateur n’a pas pour objectif de prévenir les comportements procycliques même si la détention des actifs jusqu’à leur maturité respective aboutit à ce résultat. Si l’ajustement égalisateur implique que les entre- prises d’assurance et de réassurance ne doivent pas tenir compte des risques de marché et de liquidité, celles-ci doivent en revanche prendre en compte le risque de crédit puisque le défaut d’une contrepartie atténuera leur faculté d’honorer leurs engagements. L’ajustement égalisateur est une mesure calibrée en fonction des actifs réellement détenus par l’entre- prise qui y fait appel et est soumise à l’approbation préalable de la Banque. Il s’applique aux engagements d’assurance et de réassurance vie et aux rentes des assurances non-vie (accidents du travail, indemnisation de dommages corporels…). L’article commenté énumère les conditions requises pour pouvoir faire usage de l’ajustement égalisateur, tandis que l’article suivant décrit la méthode de calcul de celui-ci. Les conditions peuvent être regroupées en cinq séries. La première série de conditions (points 1° à 3°, et 8° de l’alinéa 1er et alinéas 2 et 3 du paragraphe 1er) impose de cantonner les actifs correspondant aux engagements auxquels l’ajustement égalisateur s’applique. Ce can- tonnement (ring fenced fund) est une notion plus éco- nomique que juridique. Il ne s’apparente ni à un fonds cantonné visé par l’article 57 de l’actuel arrêté royal du 127 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 fonds als bedoeld in artikel 57 van het huidige koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levens- verzekeringsactiviteit, noch om een afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 9 van het Algemeen Reglement. De afzondering moet voortduren tot de eindvervaldag van de betrokken verplichtingen, en de activa mogen slechts worden vervangen als de cashflows van de verplichtingen zijn veranderd, bijvoorbeeld als gevolg van onvoorziene afkopen of een verandering van het sterftecijfer. De aldus afgezonderde activa moeten duidelijk afzon- derlijk van de andere activiteiten van de onderneming worden geïdentificeerd en beheerd. Ze mogen enkel worden gebruikt om de overeenstemmende verplich- tingen te dekken, en het is niet toegelaten om ze naar een andere activiteit over te hevelen. De toegewezen activa moeten uitgedrukt zijn in de- zelfde munteenheid als de verplichtingen, en de cash- flows moeten identiek zijn aan die van de verplichtingen, en bijgevolg dezelfde looptijd hebben, dit om enerzijds het wisselkoersrisico en anderzijds het risico op incon- sistentie van de looptijden (duration) te vermijden. Tevens moeten de cashflows van de activa vast- gelegd zijn, en mogen ze niet worden gewijzigd door de emittenten of door derden. Een indexering van de cashflows is evenwel toegelaten als de cashflows van de verplichtingen zelf op dezelfde wijze worden geïn- dexeerd. Een wijziging door de emittenten of derden is eveneens toegelaten op voorwaarde dat de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming een compensatie ontvangt waarmee ze activa van ten minste dezelfde kwaliteit kan verwerven, en mits de andere wettelijk bepaalde voorwaarden worden nageleefd. De tweede reeks voorwaarden (de punten 4°, 7° en 9°) houdt in dat de betrokken overeenkomsten verrich- tingen tegen koopsom moeten zijn, en slechts één optie mogen bevatten, te weten een mogelijkheid tot afkoop tegen de waarde van de ter dekking aangewende activa. Het is niet toegestaan om de voornoemde voorwaar- den te omzeilen door de overeenkomst op te delen in meerdere waarborgen. De derde voorwaarde (de punten 5° en 6°) is dat de enige verzekeringstechnische risico’s die verbonden zijn aan de overeenkomsten waarvoor de matchingopslag wordt toegepast, de volgende zijn: het langlevenrisico (overlevensrisico), het overlijdensrisico, het kostenrisico (kosten verbonden aan de verrichting) en het herzie- ningsrisico (risico verbonden aan het renteverloop als gevolg van een verandering in het wettelijk kader of in de gezondheidstoestand van de verzekerde). Bovendien 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur la vie ni à une gestion distincte telle que visée par l’actuel article 9 du Règlement Général. Le cantonnement doit perdurer jusqu’à l’échéance finale des engagements concernés et les actifs ne peuvent être remplacés que si les cash flows des engagements ont changé, par exemple en raison de rachats imprévus ou d’une modification de la mortalité. Les actifs ainsi cantonnés doivent être clairement identifiés et gérés séparément des autres activités de l’entreprise. Ils ne peuvent servir à couvrir que les engagements correspondants et il n’est pas permis de les transférer dans une autre activité. Les actifs assignés doivent être libellés dans la même devise que les engagements et les cash flows doivent être identiques à ceux des engagements, et dès lors avoir la même durée. Il s’agit d’éviter, d’une part, le risque de change et, d’autre part, le risque de non- concordance des maturités (duration). Il est aussi requis que les cash flows des actifs soient fixes et ne puissent être modifiés par les émetteurs ni par des tiers. Une indexation des cash flows est toutefois autorisée si les cash flows des engagements eux-mêmes sont indexés de la même manière. Une modification par les émetteurs ou des tiers est égale- ment admise à condition que l’entreprise d’assurance ou de réassurance reçoive une indemnisation qui lui permette d’acquérir des actifs au moins de même qualité et respectant les autres conditions prévues par la loi. La deuxième séries de conditions (points 4°, 7° et 9°) est que les contrats concernés doivent être des opérations à prime unique et ne peuvent comporter qu’une seule option, à savoir une possibilité de rachat à la valeur des actifs affectés en couverture. Il n’est pas permis de contourner les conditions précitées en divisant le contrat en plusieurs garanties. La troisième condition (points 5° et 6°) est que les seuls risques de souscription liés aux contrats concer- nés par l’ajustement égalisateur sont les risques de longévité (risque de survie), de mortalité, de dépenses (frais liés aux opérations) et de révision (risque lié à l’évolution des rentes à cause d’un changement de l’environnement légal ou de l’état de santé de l’assuré). De plus, le risque de mortalité doit être limité en sorte que la meilleure estimation n’augmente pas de plus de 128 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 moet het overlijdensrisico beperkt zijn, zodat de beste schatting niet met meer dan 5 % toeneemt in geval van overlijdensrisicostress (zie artikel 151). Een vierde voorwaarde (paragraaf 2) houdt in dat de matchingopslag zonder onderbreking van toepassing is zodra de onderneming er gebruik van heeft gemaakt. Indien niet langer wordt voldaan aan de door paragraaf 1 opgelegde voorwaarden, heeft de onderneming twee maanden tijd om de situatie recht te zetten. Zo niet mag ze de matchingopslag, voor haar gehele portefeuille, niet langer toepassen gedurende een periode van vierentwintig maanden. De vijfde voorwaarde, ten slotte, is het verbod op de cumulatie van de matchingopslag met andere maatrege- len die beogen de volatiliteit van de technische voorzie- ningen te beperken en bepaalde overgangsmaatregelen die overeenkomstig de Richtlijn in het voorliggende wetsontwerp zijn opgenomen. Zo mag de matchingopslag niet worden gecumuleerd noch met de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in ar- tikel 131, noch met de overgangsmaatregel inzake de risicovrije rentevoeten (zie artikel 668). Art. 130 Dit artikel zet artikel 77quater van de Richtlijn om en heeft betrekking op de berekening van de matchingopslag. De matchingopslag vereist dat men eerst, voor elke munteenheid waarin de verplichtingen luiden, twee jaarlijkse effectieve rentepercentages berekent (internal rate of return of IRR). De eerste van die IRR’s is die waarmee alle cash- flows van de portefeuille van betrokken verplichtingen kunnen worden gedisconteerd, zodat de waarde van de ter dekking van die portefeuille aangewende activa wordt verkregen. De tweede IRR is die waarmee de cashflows van de betrokken verplichtingen kunnen worden gediscon- teerd, zodat de beste schatting (best estimate) wordt verkregen. In dit geval vervangt men eenvoudigweg de rentepercentages afkomstig van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur door een enkel rentepercentage waarmee de beste schatting kan worden verkregen. De matchingopslag is het verschil tussen de eerste en tweede IRR. Dat rentepercentage wordt vervolgens op- geteld bij die welke afkomstig zijn van de relevante risi- covrije rentetermijnstructuur (die dus worden verhoogd), 5 % dans le cas d’un choc de risque de mortalité (voir l’article 151). Une quatrième condition (paragraphe 2) est que l’ajustement égalisateur s’applique sans discontinuer une fois que l’entreprise en a fait usage. Si les conditions imposées par le paragraphe 1er ne sont plus remplies, l’entreprise a deux mois pour rétablir la situation. À défaut, elle ne peut plus, pour l’ensemble de son por- tefeuille, utiliser l’ajustement égalisateur pendant une période de vingt-quatre mois. Enfin, la cinquième condition vise l’interdiction du cu- mul de l’ajustement égalisateur avec d’autres mesures visant à réduire la volatilité des provisions techniques et certaines mesures transitoires faisant l’objet du présent projet conformément à la Directive. Ainsi, l’ajustement égalisateur ne peut être cumulé ni avec la correction pour volatilité introduite par l’article 131 ni avec la mesure transitoire sur les taux d’intérêt sans risque (voir l’article 668). Art. 130 Cet article transpose l’article 77quater de la Directive et concerne le calcul de l’ajustement égalisateur. L’ajustement égalisateur nécessite tout d’abord de calculer, pour chaque devise dans laquelle les engage- ments sont libellés, deux taux annuels effectifs (internal rate of return ou IRR). Le premier de ces IRR est celui qui permet d’actua- liser tous les cash flows du portefeuille d’engagements concernés de manière à obtenir la valeur des actifs affectés en couverture de ce portefeuille. Le second IRR est celui qui permet d’actualiser les cash flows des engagements concernés de manière à obtenir la meilleure estimation (best estimate). Dans ce cas, on remplace simplement les taux issus de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque par un seul taux permettant d’obtenir la même meilleure estimation. L’ajustement égalisateur est la différence entre le premier et le second IRR. Ce taux est ensuite ajouté à ceux issus de la courbe pertinente des taux sans risque (lesquels sont donc augmentés), qui seront utilisés pour 129 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die zullen worden gebruikt om de beste schatting van de verplichtingen waarop de matchingopslag wordt toegepast, te berekenen. In de matchingopslag mag niet de fundamentele spread (fundamental spread) zijn verrekend, dat wil zeg- gen de krediet- (of wanbetalings)risico’s en het risico op afwaardering van de activa. Deze fundamentele spread is minstens gelijk aan 30 % van het langetermijngemid- delde van de waarneembare risicovrije rentevoeten van de activa op de financiële markten, die te vergelijken zijn met die welke door de verzekerings- of herverzekerings- onderneming worden aangehouden met betrekking tot de vorderingen op de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten, en minstens gelijk aan 35 % van dat gemiddelde voor de overige vorderingen. De kans op wanbetaling wordt berekend op basis van relevante statistieken voor elk actief of, wanneer geen statistieken beschikbaar zijn, aan de hand van de marges berekend voor de twee hierboven bedoelde types van vorderingen. Indien een beroep wordt gedaan op externe kredietbeoordelingen (ratingbureaus), moet deze methode in overeenstemming zijn met die welke worden opgelegd door de Richtlijn (artikel 111, lid 1, onder n). De fundamentele spread moet voor activa van lage kwaliteit ook zodanig worden verhoogd dat de matching- opslag berekend op basis van deze activa niet hoger uitvalt dan de matchingopslag berekend op basis van activa van goede kwaliteit. § 4. Volatiliteits aanpassing (volatility adjustment) van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur Art. 131 Dit artikel zet artikel 77quinquies van de Richtlijn om. De derde maatregel met betrekking tot de langeter- mijnverplichtingen is de mogelijkheid om op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur een volatiliteitsaanpas- sing (volatility adjustment) toe te passen. Die aanpassing beoogt procyclische gedragingen inzake beleggingen te voorkomen, onder meer de gedwongen verkoop van activa (fire sales of assets) in tijden van crisis om de langlopende beleggingen van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te vrijwaren. De volatiliteitsaanpassing is van toepassing op het liquide gedeelte van de relevante risicovrije rentetermijn- structuur (alvorens deze wordt geëxtrapoleerd), zodat de kunstmatige volatiliteit die de financiële markten calculer la meilleure estimation des engagements aux- quels l’ajustement égalisateur s’applique. L’ajustement égalisateur ne peut pas inclure la marge fondamentale (fundamental spread), c’est-à-dire les risques de crédit (ou de défaut) et de dégradation des actifs. Cette marge fondamentale est au moins égale à 30 % de la moyenne à long terme des taux d’intérêt sans risque des actifs observables sur les marchés financiers et similaires à ceux détenus par l’entreprise d’assurance ou de réassurance pour ce qui concerne les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres et au moins égale à 35 % de cette moyenne pour les autres expositions. La probabilité de défaut est calculée à partir de sta- tistiques pertinentes pour chaque actif ou, lorsqu’il n’y a pas de statistique disponibles, au moyen des marges calculés pour les deux types d’exposition visées ci- dessus. S’il est fait appel à des évaluations externes de crédit (agences de notations), cette méthode doit être conforme à celles imposées par la Directive (article 111, paragraphe 1er, n). La marge fondamentale doit aussi être augmentée, pour les actifs de faible qualité, pour que l’ajustement égalisateur calculé sur la base de ces actifs ne dépasse pas l’ajustement égalisateur calculé à partir d’actifs de bonne qualité. § 4.Correction pour volatilité (Volatility adjustment) de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque Art. 131 Cet article transpose l’article 77quinquies de la Directive. La troisième mesure relative aux engagements à long terme est la possibilité d’appliquer à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque une correction pour vola- tilité (Volatility adjustment). Cette dernière vise à éviter les comportements procycliques en matière d’inves- tissement, entre autres les ventes forcées d’actifs (fire sales of assets) en temps de crise pour permettre les investissements à long terme des entreprises d’assu- rance et de réassurance. La correction pour volatilité s’applique à la partie liquide de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque (avant que celle-ci ne soit extrapolée) de manière à neutraliser la volatilité artificielle caractérisant les 130 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 kenmerkt in periodes van stress, wordt geneutraliseerd. Een dergelijke volatiliteit houdt immers geen rechtstreeks verband met een verandering van het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De Richtlijn laat aan de lidstaten de keuze om het gebruik van de volatiliteitsaanpassing afhankelijk te stellen van een goedkeuring door de nationale toe- zichthouders. Aangezien deze toezichthouders over weinig marge beschikken om het gebruik van deze aanpassing a priori te verbieden, werd geopteerd voor een eenvoudige kennisgeving. Hiermee kan de Bank de ondernemingen identificeren die gebruik maken van de volatiliteitsaanpassing en, in voorkomend geval, de ad- hocmaatregelen nemen in het kader van haar toezicht. De volatiliteitsaanpassing is gebaseerd op referentie- portefeuilles voor elke munteenheid waarin de verplich- tingen luiden en, indien nodig, op referentieportefeuilles per land, om rekening te houden met spreads die hoger zijn dan het gemiddelde van de spreads van de porte- feuilles per munteenheid. Die referentieportefeuilles vertegenwoordigen, per munteenheid en, in voorkomend geval, per land, de activa waarin de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beleggen. Concreet zal de berekening van de volatiliteitsaan- passing in twee tijden gebeuren. Een eerste stap bestaat erin voor elke munteenheid de spread te bepalen (spread “munt” of spread “munteenheid”) tussen de risicovrije rentevoeten van de relevante rentetermijnstructuur en die van de referentieactivaportefeuille. Deze spread wordt vervolgens aangepast om er bepaalde risico’s aan te onttrekken die specifiek zijn voor de referentie- activaportefeuille (onder meer het wanbetalingsrisico en het risico op afwaardering van de kredietkwaliteit). Een tweede stap bestaat erin een spread voor het land te bepalen, die net als de spread voor de munteen- heid wordt berekend, maar met de referentieactivapor- tefeuille van het land. Deze spread wordt vervolgens eveneens aangepast om er bepaalde risico’s aan te onttrekken die specifiek zijn voor de referentieactiva- portefeuille (cf. hierboven). Indien de spread voor het land hoger is dan 100 pdb en indien het verschil tussen de spread voor de munt en het dubbele van de spread voor het land positief uitvalt, is de volatiliteitsaanpassing gelijk aan 65  % van de som tussen de spread voor de munteenheid en het voornoemde verschil. In de andere gevallen is de volatiliteitsaanpassing gelijk aan 65 % van de spread voor het land. Mathematisch wordt de volatiliteitsaanpassing als volgt uitgedrukt: marchés financiers en période de stress. Une telle volatilité n’est en effet pas en relation directe avec une modification du profil de risque de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance. La Directive laisse aux États membres le choix de conditionner l’utilisation de la correction pour validité à une approbation par les autorités de contrôle natio- nales. Étant donné que ces autorités disposent de peu de marge pour refuser a priori l’usage de cette correc- tion, il a été choisi d’opter pour une simple notification. Celle-ci permet à la Banque d’identifier les entreprises faisant usage de la correction pour volatilité et, le cas échéant, de prendre les mesures ad hoc dans le cadre de son contrôle. La correction pour volatilité est basée sur des porte- feuilles de référence pour chaque devise dans laquelle les engagements sont libellés et, si nécessaire, sur des portefeuilles de référence par pays, pour tenir compte de spreads qui excèdent la moyenne des spreads des portefeuilles par devises. Ces portefeuilles de référence représentent, par devise et, le cas échéant, par pays, les actifs dans lesquels les entreprises d’assurance et de réassurance investissent. Concrètement, le calcul de la correction pour vola- tilité se fera en deux temps. Une première opération consiste à déterminer, pour chaque devise l’écart (écart “monnaie” ou écart “devise”) entre les taux sans risque de la courbe pertinente et ceux du portefeuille d’actifs de référence. Cet écart est ensuite corrigé en vue d’en extraire certains risques propres au portefeuille d’actifs de référence (entre autres, les risques de défaut et de détérioration de la qualité de crédit). Une seconde opération consiste à déterminer un écart “pays”, qui est calculé de manière analogue à l’écart devise, mais avec le portefeuille d’actifs de référence du pays. Cet écart est ensuite également corrigé en vue d’en extraire certains risques propres au portefeuille d’actifs de référence (cf. ci-dessus). Si l’écart “pays” est supérieur à 100 pdb et que la différence entre l’écart “monnaie” et le double de l’écart “pays” est positive, la correction pour volatilité est alors égale à 65 % de la somme entre l’écart “devise” et la différence susmentionnée. Dans les autres cas la cor- rection pour volatilité est égale à 65 % de l’écart “pays”. Mathématiquement, la correction pour volatilité s’exprime de la manière suivante: 131 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het gebruik van de volatiliteitsaanpassing mag niet worden gecumuleerd met dat van de matchingopslag (zie de artikelen 129 en 130). § 5. Overige bepalingen betreffende de technische voorzieningen Art. 132 Dit artikel zet artikel 77sexies van de Richtlijn om. Het herinnert eraan dat de Europese Commissie, op voorstel van EIOPA (behalve in geval van nood) ten minste eenmaal per kwartaal de relevante risicovrije rentermijnstructuur moet publiceren, alsook de fun- damentele spread (fundamental spread) waarmee de volatiliteitsaanpassing en de volatiliteitsaanpassing voor elke nationale markt kan worden berekend. De verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten gebruik maken van de door de Commissie gepubliceerde informatie. Wanneer de gegevens be- treffende bepaalde munteenheden of landen niet zijn gepubliceerd, mogen de ondernemingen geen gebruik maken van de volatiliteitsaanpassingen voor die munt- eenheden en landen. Art. 133 Dit artikel zet artikel 78  van de Richtlijn om, dat verschillende regels oplegt inzake de berekening van de technische voorzieningen. Zo moeten de onderne- mingen rekening houden met alle kosten (kosten voor schaderegelingen, expertisekosten, kosten voor opzoe- ken van begunstigden…), met de inflatie verbonden aan de kosten en schadegevallen, alsook met de elementen die de raming van de schadelast ongunstig kunnen be- invloeden (met name in de takken met een langzame ontwikkeling, zoals de aansprakelijkheidsverzekeringen of die welke de schadeloosstelling van lichamelijk letsel impliceren), alsook met alle betalingen, inclusief discre- tionaire (winstdelingen, premierestorno’s…). Art. 134 Deze bepaling, die artikel 79 van de Richtlijn omzet, heeft betrekking op de beoordeling van de financiële garanties en contractuele opties in de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten. De ondernemingen moeten rekening houden met de financiële garanties (waarborg met betrekking tot het rendement of het behoud van kapitaal…) en de geboden opties (reductie, afkoop, omzetting, verlenging, verho- ging van de garanties…). Bij deze beoordeling moeten zij voorzichtig te werk gaan, met name wat betreft de L’utilisation de la correction pour volatilité ne peut être cumulée avec celle de l’ajustement égalisateur (voir articles 129 et 130). §  5.  Autres dispositions relatives aux provisions techniques Art. 132 Cet article transpose l’article 77sexies de la Directive. Il rappelle que la Commission européenne doit, sur pro- position de l’EIOPA (sauf en cas d’urgence), publier, au moins une fois par trimestre, la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque, la marge fondamentale (fun- damental spread) permettant de calculer la correction pour volatilité et la correction pour volatilité pour chaque marché national. Les entreprises d’assurance et de réassurance doivent utiliser les informations publiées par la Commission. Lorsque les données relatives à certaines devises ou à certains pays ne sont pas publiées, les entreprises ne peuvent utiliser les corrections pour volatilités correspondant à ces devises et pays. Art. 133 Cet article transpose l’article 78 de la Directive, qui impose diverses règles en matière de calcul des pro- visions techniques. Ainsi, les entreprises doivent tenir compte de toutes les dépenses (frais de règlement de sinistre, frais d’expertise, frais de recherche des bénéficiaires…), de l’inflation liées aux dépenses et aux sinistres, ainsi qu’aux éléments pouvant influencer défavorablement l’évaluation des sinistres (notamment dans les branches à développement lent comme les assurances de responsabilité ou celles impliquant l’indemnisation de dommages corporels), ainsi que de tous les paiements, y compris discrétionnaires (partici- pations bénéficiaires, ristournes de prime…). Art. 134 Cette disposition, qui transpose l’article 79 de la Directive, concerne l’évaluation des garanties finan- cières et des options contractuelles incluses dans les contrats d’assurance et de réassurance. Les entreprises doivent prendre en compte les garan- ties financières (garantie de rendement, de conser- vation du capital…) et les options offertes (réduction, rachat, transformation, prolongation, augmentation des garanties…). Dans cette évaluation, elles doivent faire preuve de prudence notamment en ce qui concerne 132 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ontwikkeling van de financiële voorwaarden (bv. rente op de financiële markten), alsook het rechtskader (ver- plichte omvang van de dekkingen, fiscaliteit…). Art. 135 Artikel 80 van de Richtlijn, waarvan deze bepaling de omzetting verzekert, verplicht de ondernemingen om, in het kader van de berekening van de technische voor- zieningen, hun verplichtingen op te delen in homogene risicogroepen of ten minste in business lines. De business lines zijn gedefinieerd in artikel 55 en in Bijlage I van Verordening 2015/35. Er zijn twaalf business lines voor de verzekeringsactiviteiten niet- leven, zes voor de levensverzekeringen (inclusief de ziekteverzekeringsdekkingen die te vergelijken zijn met levensverzekeringsdekking), twaalf voor de pro- portionele herverzekeringen niet-leven, vier voor de niet-proportionele herverzekeringen niet-leven en twee voor de herverzekeringen leven. Art. 136 Artikel 81 van de Richtlijn, waarvan deze bepaling de omzetting verzekert, bepaalt dat de schuldvorderingen die voortvloeien uit uitbetalingen van herverzekeraars en uit effectiseringsvehikels (special purpose vehicles), op dezelfde manier moeten worden gewaardeerd als de technische voorzieningen voor de directe verzeke- ringsactiviteit of de geaccepteerde herverzekeringen. Bovendien moeten de ondernemingen rekening houden met, enerzijds, de tijd die verloopt tussen de berekening van de technische voorziening en de beta- ling van de herverzekeraar of het effectiseringsvehikel en, anderzijds, de kans op wanbetaling van de herver- zekeraar of het effectiseringsvehikel. Art. 137 Volgens artikel 82 van de Richtlijn moeten de onder- nemingen interne processen en procedures opzetten voor de berekening van de technische voorzieningen (adequaatheid, volledigheid en juistheid van de gege- vens waarvan gebruik wordt gemaakt). Er mag gebruik worden gemaakt van benaderingen of ad-hocmethodes wanneer de gegevens ontoereikend of onvoldoende betrouwbaar zijn. les évolutions des conditions financières (p.ex. taux sur les marchés financiers), ainsi que l’environnement légal (étendue obligatoire des couvertures, fiscalité…). Art. 135 L’article 80 de la Directive, dont la présente dispo- sition assure la transposition, impose aux entreprises, dans le cadre du calcul des provisions techniques, de segmenter leurs engagements par groupes de risques homogènes ou, au moins, par ligne d’activité. Les lignes d’activité ont été définies à l’article 55 et à l’Annexe I du Règlement 2015/35. Il y a douze lignes d’activité pour les activités d’assurance non-vie, six pour l’assurance vie (y compris les couvertures santé similaires à l’assurance vie), douze pour la réassurance proportionnelle non-vie, quatre pour la réassurance non proportionnelle non-vie et deux pour la réassurance vie. Art. 136 L’article 81 de la Directive, dont la présente dispo- sition assure la transposition impose que les créances résultant des interventions des réassureurs et des véhi- cules de titrisations sont évaluées de la même manière que les provisions techniques pour l’activité d’assurance directe ou la réassurance acceptée. En outre, les entreprises doivent prendre en compte, d’une part, le temps qui s’écoule entre le calcul de la provision technique et le paiement du réassureur ou du véhicule de titrisation et, d’autre part, la probabilité de défaut du réassureur ou du véhicule de titrisation. Art. 137 Selon l’article 82  de la Directive, les entreprises doivent mettre en place des processus et des procé- dures internes pour le calcul des provisions techniques (caractère appropriée, exhaustivité et exactitude des données utilisées). Il est possible d’utiliser des approxi- mations ou des méthodes au cas par cas lorsque les données ne sont pas suffisantes ou suffisamment fiables. 133 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 138 De berekening van de technische voorzieningen volgens de hierboven aangegeven methodes lijkt een enigszins theoretisch karakter te hebben, en in sommige gevallen kan worden gevreesd dat de toepassing van die methodes niet overeenstemt met de realiteit. Om die reden bepaalt artikel 83 van de Richtlijn dat de onderne- mingen regelmatig moeten nagaan of de onderliggende hypothesen voor de berekening van hun beste schatting overeenstemmen met de realiteit op het terrein. Met an- dere woorden, ze moeten het resultaat van de modellen die worden gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen, vergelijken met de ervaring en de realiteit van hun verplichtingen. Bij systematische afwijkingen moeten ze de nodige maatregelen nemen, met name door hun technische voorzieningen te verhogen en de modellen die ze gebruiken, aan te passen. Art. 139 Artikel 84 van de Richtlijn verplicht de ondernemin- gen om alle elementen ter beschikking van de Bank te houden waarmee ze de omvang van hun technische voorzieningen ten opzichte van hun verplichtingen, de gehanteerde berekeningsmethodes en de adequaatheid van de statistische gegevens kunnen aantonen. Het spreekt voor zich dat de Bank kan eisen dat een onderneming het niveau van haar technische voorzienin- gen verhoogt indien ze vaststelt dat deze onderneming de bepalingen van deze onderafdeling niet naleeft. Vanuit dit oogpunt lijkt het niet nodig om artikel 85 van de Richtlijn uitdrukkelijk om te zetten. Onderafdeling III Eigen vermogen Deze onderafdeling bevat de bepalingen die van toepassing zijn op het eigen vermogen van de verze- kerings- en herverzekeringsondernemingen, te weten bepalingen betreffende het begrip “eigen vermogen” en de mogelijke bestanddelen van het eigen vermogen (artikelen 140 tot 145), hun indeling in drie niveaus, de zogenaamde tiers (artikelen 146 tot 149) en de criteria die bepalen of een eigenvermogensbestanddeel als dan niet in aanmerking komt om de kapitaalvereisten te dekken (artikel 150). Er zij van meet af aan verduidelijkt dat de regels van deze onderafdeling werden vervolledigd en zelfs gewijzigd op grond van de artikelen 62  tot 82  van Verordening 2015/35, en uitvoerig werden toegelicht in de richtsnoeren van EIOPA. Art. 138 Le calcul des provisions techniques selon les méthodes indiquées ci-dessus peut paraître quelque peu théorique et, dans certains cas, on peut craindre que l’application de ces méthodes ne corresponde pas à la réalité. C’est pourquoi, l’article 83 de la Directive impose que les entreprises vérifient régulièrement si les hypothèses sous-tendant le calcul de leur meilleure esti- mation correspondent à la réalité du terrain. Autrement dit, elles doivent comparer le résultat des modèles utilisés dans le calcul des provisions techniques avec l’expérience et la réalité de leurs engagements. En cas d’écarts systématiques, elles doivent prendre les mesures qui s’imposent, notamment en augmentant leurs provisions techniques et en corrigeant les modèles qu’elles utilisent. Art. 139 L’article 84 de la Directive impose aux entreprises de tenir à la disposition de la Banque les éléments permet- tant de justifier la hauteur des provisions techniques par rapport à leurs engagements, les méthodes de calcul utilisées et l’adéquation des données statistiques. Il va de soi que la Banque peut exiger qu’une entre- prise relève le niveau de ses provisions techniques si elle constate que cette entreprise ne respecte pas les dispositions de la présente sous-section. De ce point de vue, l’article 85 de la Directive ne paraît pas devoir faire l’objet d’une transposition expresse. Sous-section III Fonds propres Cette sous-section contient les dispositions appli- cables aux fonds propres des entreprises d’assurance et de réassurance, à savoir, la notion et les éléments pouvant constituer les fonds propres (articles 140 à 145), leur classement en trois niveaux, encore appelés Tiers (articles 146 à 149) et les critères d’éligibilité, c’est-à-dire permettant à un élément de fonds propres de couvrir les exigences de capital (article 150). Il faut d’emblée préciser que les règles de cette sous- section ont été complétées et même modifiées par les articles 62 à 82 du Règlement 2015/35 et abondamment commentées dans les orientations de l’EIOPA. 134 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 140 Artikel 87 van de Richtlijn identificeert twee cate- gorieën van eigen vermogen: het kernvermogen, dat wordt opgenomen op de balans van de onderneming, en het aanvullend vermogen, dat meestal bestaat uit buitenbalansbestanddelen en dat slechts in aanmer- king kan worden genomen met toestemming van de toezichthouder. Art. 141 Volgens artikel 88 van de Richtlijn bestaat het kernver- mogen enerzijds uit het positieve verschil van de activa ten opzichte van de passiva en, anderzijds, uit de ach- tergestelde passiva. In het eerste geval omvat het begrip “passiva” uiteraard niet het eigen vermogen zelf. Het betreft de verplichtingen (liabilities) van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die niet beperkt zijn tot de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. Het zij tevens verduidelijkt dat de eigen aandelen die door de onderneming worden aangehouden, moeten worden afgetrokken van het eigen vermogen. Art. 142 Artikel 89 van de Richtlijn definieert het aanvullend vermogen in hoofdzaak als buitenbalansbestandde- len die indien nodig kunnen worden opgevraagd om verliezen te compenseren, en die niet reeds tot het kernvermogen kunnen worden gerekend. Het gaat aldus om het niet-gestorte of niet-opge- vraagde gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds, kredietbrieven en diverse garanties of elke andere gelijkwaardige juridisch bindende verplichting. Voor de onderlinge verzekerings- verenigingen kan het aanvullend eigen vermogen ook de suppletiebijdragen omvatten die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden. Aangezien het aanvullend vermogen per definitie bestaat uit buitenbalansbestanddelen, volgt hieruit dat, zodra een bestanddeel werd opgevraagd (bijvoorbeeld opvraging van een kapitaalschijf, beslissing tot navor- dering van bijdrage…), dit bestanddeel niet langer tot het aanvullend eigen vermogen behoort. Het artikel verduidelijkt dat het wordt behandeld als een actief, wat betekent dat het een tegenwaarde heeft op het actief maar niet ipso facto een kernvermogensbestanddeel wordt. Dit is slechts het geval wanneer het beantwoordt aan de desbetreffende voorwaarden (zie hierna). Art. 140 L’article 87 de la Directive identifie deux catégories de fonds propres: les fonds propres de base, qui sont exprimés au bilan de l’entreprise, et les fonds propres auxiliaires, qui sont le plus souvent des éléments hors bilan et qui ne sont éligibles que moyennant l’autorisa- tion l’autorité de contrôle. Art. 141 Selon l’article 88 de la Directive, les fonds propres de base se composent d’une part de l’excédent des actifs sur les passifs et, d’autre part, des passifs subordonnés. Dans le premier cas, la notion de “passifs” ne recouvre évidemment pas les fonds propres eux-mêmes. Il s’agit des engagements (liabilities) des entreprises d’assu- rance ou de réassurance, non limités aux engagements d’assurance ou de réassurance. On précise également que les actions propres que l’entreprise détient doivent être soustraites des fonds propres. Art. 142 L’article 89 de la Directive définit les fonds propres auxiliaires essentiellement comme des éléments hors bilan qui peuvent être appelés en cas de besoin pour absorber des pertes et qui ne peuvent être déjà comptés parmi les fonds propres de base. Il s’agit ainsi de la fraction non versée ou non appelée du capital social ou du fonds social initial, des lettres de crédit et des garanties diverses ou de tout autre engagement juridique équivalent. Pour les associations d’assurance mutuelle, on y ajoute les créances futures que l’association peut détenir par le rappel de cotisa- tions sur les douze mois à venir. Les fonds propres auxiliaires étant, par définition, des éléments hors bilan, il en résulte que, dès qu’un élément a été appelé (par exemple, appel d’une tranche de capital, décision de rappel de cotisation…), cet élément cesse d’être un fonds propre auxiliaire. L’article précise qu’il est assimilé à un actif, ce qui signifie qu’il a une contre-valeur à l’actif mais qu’il ne devient pas, ipso facto, un élément de fonds propres de base. Ceci n’est le cas que s’il répond aux conditions qui le permettent (voir ci-dessous). 135 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 143 Dit artikel, dat artikel 90 van de Richtlijn omzet, bevat de regels die bepalen of het aanvullend vermogen in aanmerking kan worden genomen als bestanddeel van het reglementair eigen vermogen. Die bestanddelen worden slechts in aanmerking genomen met de voorafgaande goedkeuring van de Bank, die hun vermogen zal onderzoeken om verliezen te compenseren, alsook de hypothesen die door de onderneming worden gehanteerd om de beoordeling ervan te verrichten; die hypothesen moeten prudent en realistisch zijn. De goedkeuring van de Bank heeft betrekking ofwel op een nominale waarde, die consistent moet zijn met de beoordelingsmethode, ofwel op een methode voor de berekening van de waarde van het bestanddeel. In dit tweede geval, dat vooral wordt gebruikt als de waarde van het bestanddeel kan veranderen in de loop van de tijd, geldt de goedkeuring slechts voor een bepaalde periode, afhankelijk van het specifieke geval. Het laatste lid somt de criteria op waarmee de Bank rekening moet houden bij haar goedkeuring. Deze criteria hebben betrekking op, enerzijds, de tegenpartij (haar vermogen en haar bereidheid om voor het be- standdeel te betalen) en, anderzijds, het bestanddeel zelf (rechtsvorm, belemmeringen voor de betaling of invorderbaarheid…). In voorkomend geval zal de Bank ook rekening houden met de ervaringen van de onder- neming ter zake, zoals het gevolg dat werd gegeven aan een vorige navordering van bijdragen door een onderlinge verzekeringsvereniging. De artikelen 62 tot 67 van Verordening 2015/35 ver- duidelijken uitgebreid de wijze van beoordeling en de criteria voor de beoordeling van de aanvragen tot inaan- merkingneming van het aanvullend vermogen. Art. 144 Deze bepaling betreft de wederzijdse deelnemingen tussen een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming en andere ondernemingen uit de financiële sector in de zin van ontwerpartikel 338, 10°. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming een deelneming bezit in een onderneming uit de financiële sector (aldus gedefinieerd) en omgekeerd (wederzijdse deelnemingen) en als de Bank oordeelt dat deze techniek bedoeld is om het eigen vermogen van de onderneming kunstmatig te verhogen, wordt deze deelneming afgetrokken van het eigen vermogen van diezelfde onderneming. Art. 143 Cet article, qui transpose l’article 90 de la Directive, contient les règles permettant de prendre en considé- ration les fonds propres auxiliaires en tant qu’éléments des fonds propres réglementaires. Ces éléments ne sont retenus que moyennant l’ap- probation préalable de la Banque qui examinera leur capacité à d’absorption des pertes et les hypothèses retenues par l’entreprise pour procéder à leur évalua- tion, lesquelles doivent être prudentes et réalistes. L’approbation de la Banque porte soit sur une valeur nominale, laquelle doit être en adéquation avec la méthode d’évaluation, soit sur une méthode de calcul de la valeur de l’élément. Dans ce second cas, princi- palement utilisé si la valeur de l’élément est susceptible d’évoluer dans le temps, l’approbation ne vaut que pour une période déterminée dépendant du cas d’espèce. Le dernier alinéa énumère les critères que la Banque doit prendre en compte pour son approbation. Ces critères se rapportent, d’une part, à la contrepartie (sa capacité et sa disposition à payer l’élément) et, d’autre part, à l’élément lui-même (nature juridique, obstacles au paiement ou à la récupération…). Le cas échéant, la Banque tiendra aussi compte des expériences de l’entreprise en la matière, telles que les suites données à un précédent rappel de cotisations pour une association d’assurance mutuelle. Les articles 62 à 67 du Règlement 2015/35 précisent abondamment la manière et les critères d’évaluation des demandes de prise en compte des fonds propres auxiliaires. Art. 144 Cette disposition vise les participations croisées entre une entreprise d’assurance ou de réassurance et d’autres entreprises du secteur financier au sens de l’article 338, 10° en projet. Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance possède une participation dans une entre- prise relevant du secteur financier (ainsi défini) et vice- versa (participations croisées) et si la Banque estime que cette technique vise à accroître artificiellement les fonds propres de l’entreprise, cette participation est déduite des fonds propres de cette même entreprise. 136 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De besproken bepaling heeft betrekking op zowel de directe, indirecte als synthetische deelnemingen, dat wil zeggen via een financieel instrument waarvan de waarde gekoppeld is aan die van de eigenvermogens- bestanddelen van de uitgevende onderneming. Art. 145 Surplusfondsen zijn in artikel 91  van de Richtlijn gedefinieerd als “geaccumuleerde winsten die niet aan de verzekeringnemers en begunstigden beschikbaar zijn gesteld” in de vorm van premierestorno’s of winst- delingen. In België gaat het momenteel om het fonds voor toekomstige toewijzingen (artikel 15bis, § 1, 4°, van de wet van 9 juli 1975) dat onder bepaalde voor- waarden in aanmerking komt als bestanddeel van de solvabiliteitsmarge. Artikel 91 van de Richtlijn laat toe dat de nationale wetgevers de surplusfondsen niet beschouwen als verzekeringsverplichtingen maar als eigen vermogen, als ze voldoen aan de criteria van permanente be- schikbaarheid en achterstelling als bedoeld in artikel 150, § 1 (zie hierna). Om de continuïteit met de huidige regels te handhaven, werd ervoor gekozen van deze optie gebruik te maken . Art. 146 In artikel 93 van de Richtlijn wordt het eigen vermogen in drie tiers ingedeeld, op grond van twee criteria. Deze indeling is afhankelijk van de vraag of het om kernvermo- gen of aanvullend vermogen gaat (dit laatste is steeds van een lager niveau dan het eerste) en afhankelijk van het vermogen om verliezen te compenseren. Dit omvat twee aspecten: de permanente beschikbaarheid en de achterstelling. De permanente beschikbaarheid is het feit dat het eigenvermogensbestanddeel te allen tijde kan worden opgevraagd, hetzij in het kader van de continuïteit van de bedrijfsuitoefening (going concern) hetzij in geval van liquidatie (gone concern). De achterstelling is het feit dat, in geval van liquidatie, de terugbetaling van het bestanddeel wordt geweigerd tot alle andere verplichtingen, in het bijzonder de ver- zekeringsverplichtingen, zijn nagekomen. Bij de beoordeling van de voornoemde kwaliteiten wordt rekening gehouden met de looptijd van het bestanddeel, met name zijn relatieve looptijd, dat wil zeggen in vergelijking met die van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen van de onderneming. La disposition commentée concerne tant les partici- pations directes, qu’indirectes ou synthétiques, c’est- à-dire par le truchement d’un instrument financier dont la valeur est liée à celle des éléments de fonds propres de l’entreprise émettrice. Art. 145 Les fonds excédentaires sont définis par l’article 91 de la Directive comme des “bénéfices accumulés qui n’ont pas encore libérés pour distribution aux preneurs et aux bénéficiaires” sous la forme de ristournes de prime ou de participations bénéficiaires. En Belgique, il s’agit à l’heure actuelle, du fonds pour dotations futures (article 15bis, § 1er, 4°, de la loi du 9 juillet 1975) qui, moyennant certains conditions, peut servir d’élément constitutif de la marge de solvabilité. L’article 91 de la Directive permet que les législa- teurs nationaux considèrent les fonds excédentaires non pas comme des engagements d’assurance mais comme des fonds propres s’ils satisfont aux critères de disponibilité permanente et de subordination visés à l’article 150, § 1er (voir ci-après). Pour maintenir la continuité avec les règles actuelles, le choix a été fait de lever cette option. Art. 146 L’article 93 de la Directive classe les fonds propres en trois niveaux (Tiers) selon deux critères. Ce classe- ment est fonction de leur caractère de fonds propres de base ou de fonds propres auxiliaires (ces derniers étant toujours d’un niveau inférieurs aux premiers) et de leur capacité à absorber des pertes. Celle-ci comprend deux aspects: la disponibilité permanente et la subordination. La disponibilité permanente est le fait que l’élément de fonds propres peut être appelé à tout moment, que ce soit dans le cadre d’une exploitation continue (going concern) ou en cas de liquidation (gone concern). La subordination est le fait, qu’en cas de liquidation, le remboursement de l’élément est refusé tant que tous les autres engagements, en particulier les engagements d’assurance, ne sont pas honorés. L’évaluation des qualités précitées se fera en fonction de la durée de l’élément, en particulier de sa durée relative, c’est-à-dire en comparaison de celle des enga- gements d’assurance et de réassurance de l’entreprise. 137 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bij die beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de afwezigheid van stimulansen voor terugbetaling, de afwezigheid van inherente kosten en de afwezigheid van bezwaringen. Art. 147 Het basisvermogen en het aanvullend vermogen kunnen als volgt worden onderverdeeld op grond van de in het vorige artikel opgesomde criteria: — Kernvermogen-Aanvullend eigen vermogen Tier 1. Permanente beschikbaarheid en achterstelling-(geen) Tier 2-Achterstelling-Permanente beschikbaarheid en achterstelling Tier 3-Bestanddelen die niet de kenmerken van permanente beschikbaarheid en achterstelling bezitten- Art. 148 Zoals bepaald in de Richtlijn, worden de in de arti- kelen 146 en 147 geformuleerde beginselen uitvoerig uiteengezet in de artikelen 69 tot 79 van Verordening 2015/35 en toegelicht in de richtsnoeren van EIOPA. Met name bevatten deze artikelen de lijsten van kernvermo- gensbestanddelen van Tier 1 (artikel 69), Tier 2 (artikel 72) en Tier 3 (artikel 76), alsook de lijsten van aanvullend vermogen van Tier 2 (artikel 74) en Tier 3 (artikel 78), en de criteria voor de indeling in elk van deze lijsten. Indien een bestanddeel niet voorkomt in deze lijsten, moet de door de onderneming verrichte indeling worden goedgekeurd door de Bank op grond van de criteria die zijn opgesomd in artikel 79 van Verordening 2015/35. Art. 149 Overeenkomstig artikel 96 van de Richtlijn bepaalt dit artikel hoe bepaalde eigenvermogensbestanddelen die specifiek zijn voor de verzekerings- en herverzekerings- ondernemingen moeten worden ingedeeld. Zo worden de surplusfondsen, indien ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 145, tweede lid (permanente beschikbaarheid en achterstelling), ingedeeld in Tier 2. De kredietbrieven en garanties die door een onaf- hankelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit Dans cette évaluation, il convient de prendre aussi en compte l’absence d’incitation à rembourser, l’absence de charges financières et l’absence de contrainte. Art. 147 Les fonds propres de base et auxiliaires peuvent se répartir de la façon suivante en fonction des critères énumérés à l’article précédent: — Fonds propres de base-Fonds propres auxiliaires N i ve a u 1. D i s p o n i b i l i t é p e r m a n e n t e e t subordination-(aucun) Niveau 2-Subordination-Disponibilité permanente et subordination Niveau 3-Éléments ne possédant pas les caractéris- tiques de disponibilité permanente ni de subordination- Art. 148 Comme le prévoit la Directive, les principes énoncés aux articles 146 et 147 sont largement développés aux articles 69 à 79 du Règlement 2015/35 et commentés dans les orientations de l’EIOPA. En particulier, ces articles contiennent les listes des éléments de fonds propres de base de niveau 1 (article 69), de niveau 2 (article 72) et de niveau 3 (article 76), ainsi que les listes des fonds propres auxiliaires de niveau 2 (article 74) et de niveau 3 (article 78), de même que les critères déterminant le classement dans chacune de ces listes. Si un élément ne figure pas dans ces listes, le classe- ment par l’entreprise doit être approuvé par la Banque sur la base des critères énumérés par l’article 79 du Règlement 2015/35. Art. 149 Conformément à l’article 96 de la Directive, cet article opère le classement de certains fonds propres spéci- fique aux entreprises d’assurance et de réassurance. Ainsi, les fonds excédentaires, s’ils répondent aux conditions visées à l’article 145, alinéa 2 (disponibilité permanente et subordination), sont classés au niveau 2. Les lettres de crédit et les garanties détenues en fiducie par un fiduciaire indépendant au bénéfice de 138 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hoofde van verzekering in trust worden aangehouden en afgegeven zijn door kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, worden ingedeeld in Tier 2. De suppletiebijdragen die onderlinge verzekerings- verenigingen van hun leden kunnen eisen in de volgen- de twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2, indien het gaat om verenigingen voor reders die uitsluitend de risico’s verzekeren die ingedeeld zijn in de takken 6, 12 en 17 van Bijlage I. Evenzo wordt elke suppletiebij- drage die de onderlinge verzekeringsverenigingen met variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden, ingedeeld in Tier 2 wanneer zij de kenmerken vertoont als bepaald in artikel 146, § 1, 1° en 2°. Art. 150 Deze bepaling zet artikel 98 van de Richtlijn om en regelt de mate waarin het eigen vermogen in aanmer- king mag worden genomen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste of SCR (artikel 151) en het minimumkapitaalvereiste of MCR (zie artikel 189). In het eerste geval mogen Tier 1-, Tier 2- en Tier 3-bestand- delen in aanmerking worden genomen, in het tweede geval uitsluitend Tier 1- en Tier 2-bestanddelen. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de grenzen per Tier voor de SCR en de MCR. —SCR-MCR Tier 1-> 1/3-> 1/2 Tier 2-Andere bestanddelen-Andere bestanddelen Tier 3-< 1/3-Geen Er dient verduidelijkt te worden dat ontwerpartikel 150 geen afbreuk doet aan de uitvoeringsverordenin- gen die met toepassing van artikel 99, onder a) van de Richtlijn zijn vastgesteld. In dit opzicht is het van primordiaal belang op te merken dat de Europese wetgever gebruik heeft gemaakt van deze mogelijk- heid, en dat de Tiers waarin de Richtlijn aanvankelijk voorzag, werden vervangen door die van artikel 82 van Verordening 2015/35. Krachtens dat artikel 82 worden de Tiers van het eigen vermogen voor de SCR en de MCR als volgt vastgesteld: créanciers d’assurance et fournies par des établisse- ments de crédit agréés conformément à la Directive 2013/36/UE sont classées au niveau 2. Les créances futures que les associations d’assu- rance mutuelle peuvent faire valoir par le biais de rappels de cotisation dans les douze mois à venir sont classées au niveau 2, s’il s’agit d’associations de propriétaires de navires qui assurent uniquement les risques des branches 6, 12 et 17 de l’Annexe I. De même, toute créance future que les associations d’assurance mu- tuelle à cotisations variables peuvent détenir sur leurs membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir est classée au niveau 2 lorsqu’elle présente les caractéristiques prévues à l’article 146, § 1er, 1° et 2°. Art. 150 Cette disposition transpose l’article 98 de la Directive et règle l’éligibilité des fonds propres permettant de couvrir le capital de solvabilité requis ou SCR (voir l’article 151) et le minimum de capital de solvabilité ou MCR (voir l’article 189). Dans le premier cas, des éléments des niveaux 1 à 3 peuvent être retenus, dans le second, uniquement des éléments des niveaux 1 et 2. Le tableau ci-dessus résume les limites par niveau pour le SCR et le MCR. —SCR-MCR Niveau 1-> 1/3-> 1/2 Niveau 2-Autres éléments-Autres éléments Niveau 3-< 1/3-Aucun Il importe de préciser que l’’article 150 en projet ne porte pas préjudice aux règlements d’exécution pris en application de l’article 99, a) de la Directive. À cet égard, il est primordial de noter que le législateur européen a fait usage de cette faculté et que les niveaux initialement prévus par la Directive ont été remplacés par ceux de l’article 82 du Règlement 2015/35. En vertu dudit article 82, les niveaux de fonds propres pour le SCR et le MCR s’établissent comme suit: 139 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 —SCR-MCR Tier 1-≥ 50 %-≥ 80 % Tier 2-≤ 50 %--≤ 20 % Tier 3--< 15 %-Geen Bovendien beperkt artikel 82  van Verordening 2015/35 de som van de volgende bestanddelen tot 20 % van het totale bedrag aan Tier 1-bestanddelen: — de gestorte achtergestelde ledenrekeningen (art. 69, onder a) iii) van Verordening 2015/35); — de preferente aandelen en het daarmee verbonden agio (art. 69, onder a), v) van Verordening 2015/35); — de achtergestelde verplichtingen (art. 69, b) van Verordening 2015/35; — de Tier 1-eigenvermogensbestanddelen die in aanmerking komen krachtens de overgangsbepaling van artikel 308ter, lid 9 van de Richtlijn (omgezet in artikel 662 van dit ontwerp). Zolang artikel 82  van Verordening 2015/35  van kracht is, zijn het derhalve de in dit artikel bepaalde limieten die van toepassing zijn, en niet die welke zijn vastgelegd in artikel 98 van de Richtlijn, zoals omgezet in ontwerpartikel 150. Afdeling II Kapitaalvereisten Deze afdeling bevat de eigenvermogensvereisten waaraan de verzekerings- en herverzekeringsonderne- mingen in principe permanent moeten voldoen. Deze vereisten zijn tweeërlei. Enerzijds is het solvabiliteitska- pitaalvereiste (Solvency Capital Requirement of SCR) een eigenvermogensniveau dat een actieve onderne- ming moet aanhouden om alle kwantificeerbare risico’s te dekken waaraan zij is blootgesteld, met het oog op de bedrijfscontinuïteit. Anderzijds is het minimumkapi- taalvereiste (Minimum Capital Requirement of MCR) een eigenvermogensniveau waaronder de onderneming niet langer als levensvatbaar kan worden beschouwd. Deze afdeling is onderverdeeld in vier onderafdelin- gen. De eerste afdeling (artikelen 151 en 152) bepaalt de vereisten met betrekking tot het solvabiliteitskapitaal- vereiste (SCR). De tweede afdeling (artikelen 153 tot 166) bevat de regels voor de berekening van het SCR —SCR-MCR Niveau 1-≥ 50 %-≥ 80 % Niveau 2-≤ 50 %--≤ 20 % Niveau 3--< 15 %-Aucun En outre, l’article 82 du Règlement 2015/35 limite à 20 % du montant total des éléments de niveau 1 la somme des éléments suivants: — les comptes mutualistes subordonnés et libérés (art. 69, (a), iii) du Règlement 2015/35); — les actions privilégiées et le compte de primes d’émission lié (art. 69, (a), v) du Règlement 2015/35); — les passifs subordonnés (art. 69, (b) du Règlement 2015/35); — les éléments de fonds propres de niveau 1 éli- gibles en vertu de la disposition transitoire de l’article 308ter, paragraphe 9 de la Directive (transposé par l’article 662 du présent projet). Tant que l’article 82 du Règlement 2015/35 est en vigueur, ce sont donc les limites prévues par cet article qui sont applicables et non celles prévues par l’article 98 de la Directive tel que transposé par l’article 150 en projet. Section II Exigences de capital Cette section contient les exigences de fonds propres auxquelles les entreprises d’assurance et de réassurance doivent, en principe, satisfaire en per- manence. Ces exigences sont de deux ordres. D’une part, le capital de solvabilité requis (Solvency Capital Requirement ou SCR) est un niveau de fonds propres qu’une entreprise en fonctionnement doit détenir pour couvrir tous les risques quantifiables auxquels l’entre- prise est exposée dans l’optique d’une continuité de son exploitation. D’autre part, le minimum de capital requis (Minimum Capital Requirement ou MCR) est un niveau de fonds propres en dessous duquel l’entreprise ne peut plus être considérée comme viable. La présente section est divisée en quatre sous- sections. La première (articles 151 et 152) détermine les exigences relatives au capital de solvabilité requis (SCR). La deuxième (articles 153 à 166) contient les règles de calcul du SCR selon une “formule standard”, 140 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 volgens een “standaardformule”, die de methode is die “standaard” door de Richtlijn wordt voorgesteld. De derde afdeling (artikelen 167 tot 188) bepaalt de verplichtingen van de ondernemingen wanneer zij het SCR geheel of gedeeltelijk berekenen volgens eigen methodes, die naargelang het geval “gedeeltelijk intern model” of “volledig intern model” worden genoemd. De laatste onderafdeling ten slotte (artikel 189), heeft be- trekking op het minimumkapitaalvereiste (MCR). Onderafdeling I Algemene bepalingen betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste Art. 151 Dit artikel zet artikel 101  van de Richtlijn om en beschrijft uitvoerig de vereisten met betrekking tot de verplichting om te voldoen aan een solvabiliteitskapitaal- vereiste, die men onder meer vindt in de artikelen 37, 2° en 38, § 1, alsook in de artikelen 74 en 75. Het SCR dient een niveau te bereiken dat de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming toelaat een value at risk of VaR van 99,5 % in aanmerking te nemen over een periode van één jaar. De VaR vertegenwoordigt het maximale potentiële verlies van een belegger dat slechts met een kans van 99,5 % over een periode van een jaar zou moeten worden bereikt. Hiertoe moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming “schok- ken” simuleren op haar activa (bijvoorbeeld een daling van het financieel rendement, de wanbetaling van een tegenpartij, waardeverliezen op obligaties…) en haar passiva (bijvoorbeeld een onverwachte toename van de schadelast, het optreden van een catastrofische gebeurtenis…), het financiële effect van deze schokken kwantificeren, rekening houdend met de kans dat ze zich voordoen en de voorvalscorrelaties, en voldoende eigen vermogen aanhouden om deze financiële gevolgen te dekken. Het SCR moet alle kwantificeerbare risico’s dekken waaraan de onderneming is blootgesteld, met het oog op de bedrijfscontinuïteit. Deze risico’s zijn ten minste deze die worden opgesomd in paragraaf 4 van de bepaling. a) De verzekeringstechnische risico’s “niet-leven”, “leven” en “ziektekosten” (§ 4, eerste lid, 1° tot 3°), zijn de risico’s die gekoppeld zijn aan de verzekerings- of herverzekeringsactiviteit zelf, en die doorgaans voort- vloeien uit een slechte beoordeling van de schadelast of uit een ontoereikendheid van de premies ten opzichte van de schadelast. qui est la méthode proposée “par défaut” par la Directive. La troisième (articles 167 à 188) définit les obligations des entreprises lorsqu’elles calculent tout ou partie du SCR par des méthodes qui leur sont propres, appelées selon le cas “modèle interne partiel” ou “modèle interne global”. Enfin, la dernière sous-section (article 189) se rapporte au minimum de capital requis (MCR). Sous-section Ire Dispositions générales concernant le capital de solvabilité requis Art. 151 Cet article transpose l’article 101 de la Directive et détaille les exigences concernant l’obligation de consti- tuer un capital de solvabilité requis que l’on trouve aux articles 37, 2° et 38, § 1er, ainsi qu’aux articles 74 et 75. Le SCR doit atteindre un niveau tel qu’il permet à l’en- treprise d’assurance ou de réassurance de prendre en compte une valeur en risque (Value at Risk ou VaR) de 99,5 % à l’horizon d’un an. La VaR représente la perte potentielle maximale d’un investisseur qui ne devrait être atteinte qu’avec une probabilité de 99,5 % sur un horizon d’un an. Pour ce faire, l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit simuler des “chocs” sur ses actifs (par exemple une baisse des rendements financiers, le défaut d’une contrepartie, des moins-values sur obliga- tions…) et ses passifs (par exemple une augmentation inattendue de la sinistralité, la survenance d’un événe- ment catastrophique…), quantifier l’impact financier de ces chocs en tenant compte de leurs probabilités et des corrélations de survenance et détenir des fonds propres suffisants pour couvrir ces impacts financiers. Le SCR doit couvrir tous les risques quantifiables auxquels l’entreprise est exposée, dans l’optique d’une continuité de son exploitation. Ces risques sont au mini- mum ceux énumérés au paragraphe 4 de la disposition. a) Les risques de souscription en non-vie, vie et santé (§ 4, al. 1er, 1° à 3°), sont ceux liés à l’activité même d’assurance ou de réassurance et qui découlent en général d’une mauvaise appréciation de la sinistralité ou d’une inadéquation des primes à la sinistralité. 141 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 b) Het marktrisico (§ 4, eerste lid, 4°) is het risico dat verbonden is aan de financiële markten. Het gaat voornamelijk om de onzekere gebeurtenissen die voortvloeien uit het waardeverlies van de activa en de schommelingen in het rendement van de activa. c) Het kredietrisico (§ 4, eerste lid, 5°) omvat voorna- melijk het wanbetalingsrisico van een tegenpartij. d) Het operationeel risico (§ 4, eerste lid, 6° en tweede lid) omvat de risico’s die verbonden zijn aan de werking van de onderneming, zoals een slechte informatieover- dracht, tekortkomingen in het informaticasysteem, de onbeschikbaarheid van een groot gedeelte van het personeel … Het omvat tevens de juridische risico’s, maar niet de risico’s die voortvloeien uit strategische beslissingen, noch reputatierisico’s. Deze laatste twee risico’s kunnen in aanmerking worden genomen door middel van een aanvullend kapitaal of een capital add- on (zie artikel 323). Aangezien de Richtlijn slechts de inaanmerkingneming van een minimum aan risico’s oplegt, werd evenwel voorzien in de mogelijkheid voor de Bank om via een reglement te bepalen dat andere risico’s in aanmerking moeten worden genomen. Het gaat evenwel om een mogelijkheid die slechts uitzonderlijk ten uitvoer zou moeten worden gelegd, gelet op de talrijke risico’s die reeds gedekt zijn door het SCR, rekening houdend met de nadere bepalingen betreffende de berekening van deze vereisten waarin Gedelegeerde Verordening 2015/35 voorziet. Deze normen van niveau 2 zouden binnenkort echter geactualiseerd moeten worden om sommige risico’s beter te vatten (men denke hier in het bijzonder aan de zogenaamde “soevereine” risico’s). Om rekening te houden met de verwachting die inherent is aan de verwezenlijking van deze verdere harmonisatie en ook met de specifieke Belgische kenmerken (men denke hier met name aan het specifieke karakter van de dekking van arbeidsongevallenrisico’s), wordt toch in een koninklijke machtiging voorzien , om via een norm van algemene strekking tot een transparantere en uniformere benadering te komen, waardoor de noodzaak om op indi- viduele basis, onderneming per onderneming, gebruik te maken van “add on”-kapitaalvereisten, zich minder doet gevoelen. Deze uitleg geldt noodzakelijkerwijs voor de machtiging waarin artikel 154, § 1 in fine voorziet. Voorts zij opgemerkt dat de verzekerings- en herver- zekeringsondernemingen rekening mogen houden met de risicomatigingstechnieken bij de berekening van het SCR, bijvoorbeeld het feit dat gebruik wordt gemaakt van herverzekeringsovereenkomsten of effectiserings- vehikels. Het spreekt voor zich dat de onderneming in b) Le risque de marché (§ 4, al. 1er, 4°) est celui lié aux marchés financiers. Il concerne principalement les aléas découlant de la perte de valeur des actifs et des fluctuations des rendements des actifs. c) Le risque de crédit (§ 4, al. 1er, 5°) comprend prin- cipalement le risque de défaut d’une contrepartie. d) Le risque opérationnel (§ 4, al. 1er, 6° et al. 2) com- prend les risques liés au fonctionnement de l’entreprise tels qu’une mauvaise transmission des informations, des déficiences du système informatique, l’indispo- nibilité d’une grande partie du personnel… Il inclut également les risques juridiques mais pas les risques découlant des décisions stratégiques ni les risques de réputation. Ces deux derniers peuvent être pris en compte au moyen d’un capital supplémentaire ou capital add-on (voir article 323). Comme la Directive n’impose que la prise en compte d’un minimum de risques, la possibilité a néanmoins été prévue que la Banque puisse imposer, via un règlement, la prise en compte d’autres risques. Il s’agit toutefois d’une possibilité qui ne devrait être mise œuvre qu’exceptionnellement étant donné les nombreux risques déjà couverts par le SCR, compte tenu des précisions relatives au calcul de ces exigences appor- tées par règlement délégué 2015/35. Ces normes de niveau 2 devraient toutefois faire l’objet d’une prochaine actualisation afin de mieux appréhender certains risques (on pense en particulier à la spécificité des risques dits “souverains”). Afin de tenir compte de l’attente inhérente à la concrétisation de cette harmonisation plus poussée et également des spécificités propres à la Belgique (on pense ici notamment à la particularité de la couverture des risques en matière d’accidents du travail), une habilitation au Roi est toutefois prévue et devrait ainsi permettre une approche plus transparente et uniforme par la voie d’une norme de portée générale, restreignant ainsi la nécessité de recourir, sur une base individuelle, à des exigences de capital “add on” applicables entreprise par entreprise. Cette explication vaut nécessairement pour l’habilitation prévue à l’article 154, § 1er in fine. On note encore que les entreprises d’assurance et de réassurance peuvent tenir compte des techniques d’atténuation des risques dans le calcul du SCR, comme par exemple, le recours à des contrats de réassurance ou des véhicules de titrisation. Il va de soi que, dans ce cas, l’entreprise doit tenir compte du risque de défaut de 142 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat geval rekening moet houden met het wanbetalings- risico van de tegenpartij (bijvoorbeeld het faillissement van de herverzekeraar) en met de risico’s die inherent zijn aan de gehanteerde technieken. Art. 152 Zoals bepaald in artikel 102 van de Richtlijn, verplicht deze bepaling de ondernemingen om hun SCR elk jaar te berekenen en, op eigen initiatief, telkens hun risicoprofiel duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening van hun SCR sinds de laatste melding ervan aan de Bank (bijvoorbeeld in geval van een ongunstige ontwikkeling van de financiële markten of van de schadelast). Indien de onderneming niet het initiatief neemt om haar SCR te herberekenen, kan de Bank haar daartoe verplichten. Onderafdeling II Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule Art. 153 tot 166 — Verschillende rechtsbronnen Deze onderafdeling zet de artikelen 103 tot 110 en 304, lid 1 van de Richtlijn om. Ze definieert de principes die van toepassing zijn op de standaardmethode voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, de zogenaamde “standaardformule”. Buiten de voornoemde artikelen zij ook verwezen naar Bijlage III van de ontwerpwet, die Bijlage IV van de Richtlijn omzet, en naar de artikelen 83 tot 220 van Verordening 2015/35, die talrijke preciseringen, en zelfs aanvullingen en wijzigingen bevatten ten opzichte van de tekst van de Richtlijn. De volgende toelichting houdt rekening met de rele- vante artikelen van Verordening 2015/35. — Algemeen Zoals hierboven aangegeven, houdt de standaardfor- mule in dat het effect van een ongunstige ontwikkeling van de actief- en passiefbestanddelen wordt gemeten en dat het vereiste eigen vermogen wordt berekend om het hoofd te bieden aan deze ontwikkeling. Bij de berekening van het SCR volgens de standaardformule wordt uitgegaan van een modulaire benadering, waarbij elke module zelf kan worden onderverdeeld in submo- dules, enzovoorts. la contrepartie (par exemple, la faillite du réassureur) et des risques inhérents aux techniques mises en œuvre. Art. 152 Cette disposition, comme le prévoit l’article 102 de la Directive impose aux entreprises de calculer leur SCR chaque année et de leur propre initiative, chaque fois que leur profil de risque s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le calcul de leur SCR depuis sa dernière notification à la Banque (par exemple en cas d’évolution défavorable de marchés financiers ou de la sinistralité). Si l’entreprise ne prend pas l’initiative de recalculer son SCR, la Banque peut le lui imposer. Sous-section II Capital de solvabilité requis calculé selon la formule standard Art. 153 à 166 — Pluralité des sources de droit Cette sous-section transpose les articles 103  à 110 et 304, paragraphe 1er de la Directive. Elle définit les principes applicables à la méthode de calcul par défaut du capital de solvabilité requis, appelée “Formule standard”. Outre les articles précités, il convient aussi de se référer à l’Annexe III de la loi en projet, qui transpose l’Annexe IV de la Directive et aux articles 83 à 220 du Règlement 2015/35, lesquels comportent de nom- breuses précisions, voire des ajouts et des modifica- tions, par rapport au texte de la Directive. Le commentaire ci-dessous tient compte des articles pertinents du Règlement 2015/35. — Généralités Comme indiqué ci-dessus, la formule standard consiste à mesurer l’effet d’une évolution défavorable des éléments d’actif et de passif et à calculer les fonds propres nécessaires pour faire face à cette évolution. Le calcul du SCR selon la formule standard procède selon une approche modulaire, chaque module pouvant lui-même être décomposé en sous-modules et ainsi de suite. 143 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor elk van deze modules of submodules stemt het solvabiliteitskapitaalvereiste overeen met de value at risk van het eigen vermogen van de onderneming met een betrouwbaarheidsgraad (een voorvalskans) van 99,5 % op een jaar, wat ongeveer overeenstemt met een faillissementskans van één om de tweehonderd jaar. Wat de verzekeringstechnische risico’s betreft (zie hierna), moeten de verzekerings- en herverzekerings- ondernemingen (artikel 154, § 2) de overeenkomsten en schadegevallen toewijzen aan de modules en submodules die het meest relevant zijn. Zo wordt de invaliditeitsrente met betrekking tot aansprakelijkheids- verzekeringen inzake motorrijtuigen of arbeidsongeval- lenverzekeringen toegewezen aan de module “verze- keringstechnisch risico “leven”” als ze een belangrijk herzieningsrisico inhoudt. Het SCR is de som van de bedragen die berekend worden door de verschillende modules en submodules, waarop correlatiecoëfficiënten worden toegepast als bepaald in Bijlage III van de ontwerpwet en die rekening houden met het feit dat bepaalde risico’s (deels) andere risico’s uitsluiten (bijvoorbeeld het aandelenrisico en het spreadrisico voor obligaties). Buiten de bepalingen van de ontwerpwet zij verwezen naar de artikelen 83 (berekeningen op basis van een scenario), 84 (doorkijkbenadering of look through) en 85 (blootstellingen aan regionale overheden en lokale autoriteiten) van Verordening 2015/35. — Parameters In principe maken de ondernemingen die een be- roep doen op de standaardformule, gebruik van de- zelfde parameters, die bepaald zijn door de Richtlijn of Verordening 2015/35. Het zij opgemerkt (artikel 154, § 6) dat voor de catas- troferisico’s, de modules verzekeringstechnisch risico “leven”, “niet-leven” en “ziektekosten” rekening moeten houden met de nationale of regionale geografische specificaties die zijn bepaald in de Bijlagen III tot X van Verordening 2015/35. Er is voorzien in een uitzondering op het gebruik van identieke parameters (artikel 154, § 7). De onder- nemingen mogen in de modules met betrekking tot de verschillende verzekeringstechnische risico’s bepaalde parameters van de standaardformule vervangen door eigen parameters (undertaking-specific parameters) die de risico’s van de onderneming beter weerspiegelen dan de standaardformule. Dergelijke parameters moeten Pour chacun de ces modules ou sous-modules, le capital de solvabilité requis correspond à la valeur en risque (value at risk) des fonds propres de l’entreprise avec un niveau de confiance (une probabilité de surve- nance) de 99,5 % à un an, ce qui équivaut à peu près à une probabilité de faillite d’une tous les deux-cents ans. En ce qui concerne les risques de souscription (voir ci-après), les entreprises d’assurance et de réassurance doivent (article 154, § 2) affecter les contrats et les sinistres aux modules et sous-modules qui sont les plus pertinents. Ainsi, les rentes d’invalidité relatives à des contrats d’assurance de la responsabilité automobile ou d’accidents du travail seront affectées au module “risque de souscription en vie” si elles présentent un risque de révision important. Le SCR est la somme des montants calculés par les différents modules et sous-modules affectés de coefficients de corrélation déterminés à l’Annexe III de la loi en projet et qui prennent en compte le fait que certains risques sont (partiellement) exclusifs d’autres (par exemple le risque sur actions et le risque de marge sur les obligations). Outre les dispositions de la loi projet, il convient de se référer aux articles 83 (calculs fondés sur un scéna- rio), 84 (principe de transparence ou look through) et 85 (expositions sur des autorités régionales et locales) du Règlement 2015/35. — Paramètres En principe, les entreprises qui font appel à la formule standard utilisent les mêmes paramètres, déterminés par la Directive ou le Règlement 2015/35. Il faut observer (article 154, § 6) que pour les risques de catastrophe, les modules risque de souscription en vie, non-vie et santé doivent prendre en compte des spé- cifications géographiques nationales ou régionales qui sont définies aux Annexes III à X du Règlement 2015/35. Une exception à l’utilisation de paramètres identiques est prévue (article 154, § 7). Les entreprises peuvent, dans les modules relatifs aux différents risques de souscription, remplacer certains paramètres de la for- mule standard par des paramètres qui leur sont propres (undertaking specific parameters) et qui reflètent mieux les risques de l’entreprise que ne le fait la formule stan- dard. Ces paramètres doivent être calibrés en fonction 144 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gekalibreerd worden op basis van de gegevens van de onderneming (bv. de schadestatistieken) en mogen slechts worden gebruikt met de voorafgaande goed- keuring van de Bank. — Modules en submodules van de standaardformule 1. Kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (basic SCR) Dit gedeelte van het SCR omvat de belangrijkste modules van de standaardformule. Het zij opgemerkt dat Verordening 2015/35 bepaalt dat de berekening van de standaardformule het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen (artikel 88) en dat vereenvoudigingen in bepaalde gevallen mogelijk zijn (artikelen 89 tot 112). Bij de modules van het kern-SCR betreffen de modu- les met betrekking tot de verzekeringstechnische risico’s specifiek de risico’s verbonden aan de verzekerings- of herverzekeringsactiviteit, met name voor wat betreft de beoordeling (frequentie, kosten…) van de schadelast en de toereikendheid van de premies ten opzichte van de schadelast. De verplichtingen zijn volgens hun aard opgesplitst tussen de modules verzekeringstechnisch risico “niet-le- ven”, “leven” en “ziektekosten” (art. 113 van Verordening 2015/35). 1.1. Verzekeringstechnisch risico “niet-leven” (non-life underwriting risk) Deze module, die drie submodules omvat, maakt het voorwerp uit van ontwerpartikel 156, dat artikel 105, lid 2 van de Richtlijn omzet, en wordt tevens behandeld in artikel 114 van Verordening 2015/35. 1.1.1. Premie- en voorzieningenrisico “niet-leven” (non-life premium and reserve risk) Deze submodule heeft betrekking op de risico’s die verbonden zijn aan de verzekerings- en herverzeke- ringsactiviteit “niet-leven” als dusdanig. Deze submo- dule wordt omschreven in artikel 156, § 2, 1° van de ontwerpwet en maakt het voorwerp uit van de artikelen 90, en 115 tot 117 van Verordening 2015/35. De risico’s verbonden aan de verschillende verzekerings- of her- verzekeringstakken maken het voorwerp uit van de artikelen 129 tot 134 van de voornoemde Verordening. 1.1.2. Catastroferisico niet-leven (non-life catastrophe risk) Deze submodule heeft betrekking op de risico’s die verbonden zijn aan het voorvallen van al dan niet des données de l’entreprise (p.ex. les statistiques de sinistralité) et ne peuvent être utilisés que moyennant l’accord préalable de la Banque. — Modules et sous-modules de la formule standard 1. Capital de solvabilité requis de base (basic SCR) Cette partie du SCR comprend les principaux modules de la formule standard. On notera que le Règlement 2015/35 prévoit que le calcul de la formule standard respecte le principe de proportionnalité (article 88) et que des simplifications sont possibles dans cer- tains cas (articles 89 à 112). Parmi les modules du SCR de base, ceux relatifs aux risques de souscription concernent spécialement les risques liés à l’activité d’assurance ou de réassurance, notamment en ce qui concerne l’évaluation (fréquence, coût…) des sinistres et l’adéquation des primes aux sinistres. Les engagements se répartissent, selon leur nature, entre les modules de risque de souscription non-vie, vie et santé (art. 113 du Règlement 2015/35). 1.1. Risque de souscription en non-vie (non-life underwriting risk) Ce module fait l’objet de l’article 156 en projet, qui transpose l’article 105, paragraphe 2 de la Directive. Il est également visé par l’article 114 du Règlement 2015/35. Il comprend trois sous-modules. 1.1.1. Risque de prime et de réserve non-vie (non-life premium and reserve risk) Ce sous-module concerne les risques liés à l’activité d’assurance et de réassurance non-vie proprement dite. Il est défini à l’article 156, § 2, 1° du projet de loi et fait l’objet des articles 90, et 115 à 117 du Règlement 2015/35. Les risques liés aux différentes branches d’assurance ou de réassurance font l’objet des articles 129 à 134 du Règlement précité. 1.1.2. Risque de catastrophe non-vie (non-life catas- trophe risk) Ce sous-module concerne les risques liés à la surve- nance d’événements catastrophiques, naturels ou non, 145 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 natuurlijke catastrofische gebeurtenissen waaraan de verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten “niet-leven” zijn blootgesteld. Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel 156, § 2, 2° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 119 tot 128 en 135 van Verordening 2015/35. 1.1.3. Risico van voortijdige beëindiging “niet-leven” (non-life lapse risk) Wat de activiteiten “niet-leven” betreft, wordt dit risico noch behandeld in de Richtlijn, noch in het wetsontwerp, maar wel in de artikelen 114 en 118 van Verordening 2015/35. Dit risico meet het verlies aan eigen vermogen na een massale voortijdige beëindiging (40 %) van de overeenkomsten. 1.2. Verzekeringstechnisch risico “leven” (life under- writing risk) Deze module maakt het voorwerp uit van ontwerp- artikel 157, dat artikel 105, lid 3 van de Richtlijn omzet. Deze module wordt tevens behandeld in artikel 136 van Verordening 2015/35 en omvat zeven submodules. 1.2.1. Overlijdensrisico (mortality risk) Deze submodule meet het effect van een ongunstig verloop van het sterftecijfer, bijvoorbeeld een groter aantal overlijdens dan de onderneming verwacht voor wat haar uitkeringen bij overlijden betreft. Deze submo- dule wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 1° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 91 en 137 van Verordening 2015/35. 1.2.2. Langlevenrisico (longevity risk) Deze submodule meet het effect van een ongunstig verloop van de overleving, bijvoorbeeld een groter aantal verzekeringsbegunstigden uitgesteld kapitaal dan de onderneming verwacht. Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 2° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 92 en 138 van Verordening 2015/35. 1.2.3. Invaliditeits- en morbiditeitsrisico (disability and morbidity risk) Deze submodule meet de risico’s die verbonden zijn aan invaliditeit en ziekte voor wat de levensverzekerings- verplichtingen betreft. Deze submodule wordt omschre- ven in artikel 157, tweede lid, 3° van het wetsontwerp en maakt het voorwerp uit van de artikelen 93 en 139 van Verordening 2015/35. affectant les activités d’assurance et de réassurance non-vie. Il est défini à l’article 156, § 2, 2° en projet et fait l’objet des articles 119 à 128 et 135 du Règlement 2015/35. 1.1.3. Risque de cessation non-vie (non-life lapse risk) En ce qui concerne les activités non-vie, ce risque n’est pas visé par la Directive ni par le la loi en projet mais bien par les articles 114 et 118 du Règlement 2015/35. Il mesure la perte de fonds propres consécutive à une cessation massive (40 %) des contrats. 1.2. Risque de souscription en vie (life underwriting risk) Ce module fait l’objet de l’article 157 en projet, qui transpose l’article 105 paragraphe 3 de la Directive. Il est également visé par l’article 136 du Règlement 2015/35. Il comprend sept sous-modules. 1.2.1. Risque de mortalité (mortality risk) Ce sous-module mesure l’effet d’une évolution défavorable de la mortalité, par exemple, un nombre de décès plus important que celui prévu par l’entreprise pour ce qui concerne ses prestations en cas de décès. Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 1° en projet et fait l’objet des articles 91 et 137 du Règlement 2015/35. 1.2.2. Risque de longévité (longevity risk) Ce sous-module mesure l’effet d’une évolution défavorable de la survie, par exemple, un nombre de bénéficiaires d’assurance capital différé plus important que celui prévu par l’entreprise. Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 2° en projet et fait l’objet des articles 92 et 138 du Règlement 2015/35. 1.2.3. Risque d’invalidité et de morbidité (disability and morbidity risk) Ce sous-module mesure les risques liés à l’invalidité et à la maladie pour ce qui concerne les engagements d’assurance sur la vie. Il est défini à l’article 157, ali- néa 2, 3°, du projet de loi et fait l’objet des articles 93 et 139 du Règlement 2015/35. 146 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1.2.4. Kostenrisico “leven” (life-expense risk) Deze submodule neemt de door de onderneming niet-verwachte of slecht beoordeelde ontwikkelingen in aanmerking van de kosten voor het beheer van de overeenkomsten en van de schadegevallen. Deze sub- module wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 4° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 94 en 140 van Verordening 2015/35. 1.2.5. Herzieningsrisico (revision risk) Deze submodule heeft specifiek betrekking op de rente en houdt rekening met, enerzijds, de veranderin- gen die optreden in het wettelijk kader, zoals een niet- verwachte indexering van de rente en, anderzijds, een ongunstige ontwikkeling van de gezondheidstoestand van de lijfrenteverzekerde. Er zij aan herinnerd dat deze submodule kan worden toegepast op elke rente, ook al heeft ze betrekking op verzekerings- of herverzekerings- overeenkomsten “niet-leven”. Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 5° en maakt het voorwerp uit van artikel 141 van Verordening 2015/35. 1.2.6. Risico van voortijdige beëindiging (lapse risk) Deze submodule houdt rekening met de risico’s die verbonden zijn aan een ongunstige ontwikkeling van, enerzijds, de verlenging van de overeenkomsten, en, an- derzijds, de afkopen van de overeenkomsten. Enerzijds heeft deze submodule betrekking op de mogelijkheden om een overeenkomst te hernieuwen, uit te breiden, te verlengen of over te nemen en, anderzijds, op de mogelijkheden om een overeenkomst op te zeggen, af te kopen, te reduceren, te beperken of te schorsen. Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 6° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 95 en 142 van Verordening 2015/35. 1.2.7. Catastroferisico “leven” (life catastrophe risk) Deze submodule meet het effect van een toename van het sterftecijfer als gevolg van een al dan niet natuur- lijke catastrofe. Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel 157, tweede lid, 7° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 96 en 143 van Verordening 2015/35. 1.3. Verzekeringstechnisch risico “ziektekosten” (health underwriting risk) Wat de ziektekostenverzekering betreft, is Verordening 2015/35 heel wat gedetailleerder dan de Richtlijn. Terwijl die laatste slechts de submodules “kosten”, “premies en voorzieningen” en “catastrofen” onderscheidt, maakt artikel 144 van de Verordening een onderscheid tussen 1.2.4. Risque de dépense en vie (life-expense risk) Ce sous-module prend en compte les évolutions non prévues ou mal évaluées des frais de gestion des contrats et des sinistres par l’entreprise. Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 4° en projet et fait l’objet des articles 94 et 140 du Règlement 2015/35. 1.2.5. Risque de révision (revision risk) Ce sous-module se rapporte spécifiquement aux rentes. Il prend en compte, d’une part les changements intervenant dans l’environnement juridique, tels qu’une indexation non prévues des rentes et, d’autre part, une évolution défavorable de l’état de santé du rentier. Il convient de rappeler que ce sous-module peut être appliqué à toutes les rentes même si elles concernent des contrats d’assurance ou de réassurance non-vie. Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 5° en projet et fait l’objet de l’article 141 du Règlement 2015/35. 1.2.6. Risque de cessation (lapse risk) Ce sous-module prend en compte les risques liés à l’évolution défavorable, d’une part, du renouvellement des contrats et, d’autre part, des rachats des contrats. Il concerne, d’une part, les possibilités de renouveler, d’étendre, de prolonger ou de reprendre un contrat et, d’autre part, les possibilités de résilier, racheter, réduire, limiter ou suspendre le contrat. Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 6° en projet et fait l’objet des articles 95 et 142 du Règlement 2015/35. 1.2.7. Risque de catastrophe en vie (life-catastrophe risk) Ce sous-module mesure l’effet d’une hausse de la mortalité en raison d’une catastrophe naturelle ou non. Il est défini à l’article 157, alinéa 2, 7° en projet et fait l’objet des articles 96 et 143 du Règlement 2015/35. 1.3. Risque de souscription en santé (health unde- rwriting risk) Pour ce qui est de l’assurance santé, le Règlement 2015/35 est sensiblement plus détaillé que la Directive. Alors que cette dernière ne distingue que les sous-mo- dules dépenses, primes et réserves et catastrophes, l’article 144 du Règlement opère une séparation entre 147 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de ziektekostenverzekeringen die niet vergelijkbaar zijn met levensverzekeringen (“non similar to life” of “NSLT”) en ziektekostenverzekeringen die vergelijkbaar zijn met levensverzekeringen (“similar to life” of “SLT”). Elke ca- tegorie omvat verschillende submodules, waarvan het voorwerp vergelijkbaar is met de overeenstemmende submodules van de verzekeringen niet-leven en leven en die, om die reden, niet het voorwerp uitmaken van een specifieke commentaar. Het verschil tussen de ziektekostenverzekeringen die vergelijkbaar zijn met levensverzekeringen (SLT) en ziektekostenverzekeringen die niet vergelijkbaar zijn met levensverzekeringen (NSLT) schuilt voornamelijk in de waardering. In het eerste geval zal de verzeke- ringsonderneming een beroep doen op technieken die vergelijkbaar zijn met de levensverzekering (technische rentevoeten, morbiditeitstabellen, toeslagen…). In het tweede geval zal ze een beroep doen op verzekerings- technieken niet-leven (ratio’s, schaderegelingsdriehoe- ken…). Volgens Bijlage I van Verordening 2015/35 valt de rente verbonden aan de ziektekostenverzekeringen steeds onder de SLT-ziektekostenverzekering. De voornoemde submodules zijn de volgende: 1.3.1. SLT-ziektekostenverzekering Zie artikel 145 van Verordening 2015/35 1.3.1.1. Premie- en voorzieningenrisico Zie ontwerpartikel 157, tweede lid, 2° en de artikelen 146 tot 149 van Verordening 2015/35. 1.3.1.2. Risico van voortijdige beëindiging Zie artikel 150 van Verordening 2015/35. 1.3.2. SLT-ziektekostenverzekering Zie artikel 151 van Verordening 2015/35. 1.3.2.1. Overlijdensrisico Zie de artikelen 97 en 152 van Verordening 2015/35. 1.3.2.2. Langlevenrisico Zie de artikelen 98 en 153 van Verordening 2015/35. 1.3.2.3. Invaliditeits- en morbiditeitsrisico — Verzekering medische kosten Zie de artikelen 99, 154 en 155 van Verordening 2015/35. les assurances santé non similaires à l’assurance vie (non similar to life ou non-SLT) et similaire à l’assurance vie (similar to life ou SLT). Chaque catégorie comprend différents sous-modules, dont l’objet est similaire au sous-module correspondant des assurances non-vie et vie et qui, pour cette raison, ne font pas l’objet d’un commentaire particulier. La différence entre l’assurance santé similaire à la vie (SLT) et non similaire à la vie (non-SLT) se situe principalement dans la valorisation. Dans le premier cas, l’entreprise d’assurance fera appel à des techniques comparables à l’assurance vie (taux techniques, tables de morbidité, chargements…). Dans le second cas, elle fera appel à des techniques d’assurance non-vie (ratios, triangles de règlement de sinistres…). Selon l’Annexe I du Règlement 2015/35, les rentes liées aux assurances santé relèvent toujours de l’assurance santé SLT. Les sous-modules précités sont les suivants. 1.3.1. Assurance santé non-SLT Voir l’article 145 du Règlement 2015/35 1.3.1.1. Risque de prime et de réserve Voir l’article 157, alinéa 2, 2° en projet et les articles 146 à 149 du Règlement 2015/35. 1.3.1.2. Risque de cessation Voir l’article 150 du Règlement 2015/35. 1.3.2. Assurance santé SLT Voir l’article 151 du Règlement 2015/35 1.3.2.1. Risque de mortalité Voir les articles 97 et 152 du Règlement 2015/35. 1.3.2.2. Risque de longévité Voir les articles 98 et 153 du Règlement 2015/35. 1.3.2.3. Risque d’invalidité et de morbidité — Assurance frais médicaux Voir les articles 99, 154 et 155 du Règlement 2015/35. 148 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1.3.2.4. Invaliditeits- en morbiditeitsrisico — Verzekering inkomensbescherming Zie de artikelen 100, 154 en 156 van Verordening 2015/35. 1.3.2.5. Kostenrisico Zie de artikelen 101 en 157 van Verordening 2015/35. 1.3.2.6. Herzieningsrisico Zie artikel 158 van Verordening 2015/35. 1.3.2.7. Risico van voortijdige beëindiging Zie de artikelen 102 en 159 van Verordening 2015/35. 1.3.3. Catastroferisico ziektekosten leven (health catastrophe risk) Zie ontwerpartikel 158, tweede lid, 3° en de artikelen 160 tot 163 van Verordening 2015/35. 1.4. Marktrisico (market risk) Het marktrisico wordt in artikel 105, lid 5  van de Richtlijn en in ontwerpartikel 159, eerste lid gedefinieerd als “het risico dat voortvloeit uit het niveau of de vola- tiliteit van de marktprijzen van financiële instrumenten die van invloed zijn op de waarde van de activa en passiva van de betrokken onderneming”. Het omvat zes submodules. 1.4.1 Renterisico (interest rate risk) Deze submodule houdt rekening met het ongunstige verloop van de rente op de activa (creditrente) of op de passiva (debetrente) van de onderneming. Deze submodule wordt omschreven in artikel 159, tweede lid, 1° van het wetsontwerp en maakt het voorwerp uit van de artikelen 103, 165 en 166 van Verordening 2015/35. 1.4.2 Aandelenrisico (equity risk) Deze submodule, die rekening houdt met het on- gunstige verloop van de waarde van de aandelen die door de onderneming worden aangehouden, wordt omschreven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 2° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 168 tot 173 van Verordening 2015/35. Deze submodule wordt tevens be- handeld in de artikelen 161 en 162 van het wetsontwerp. Artikel 161, dat artikel 106 van de Richtlijn omzet, bepaalt specifieke vereisten voor de submodule “aan- delenrisico” als bedoeld in artikel 156, tweede lid, 2° en, 1.3.2.4. Risque d’invalidité et de morbidité — Assurance protection du revenu Voir les articles 100, 154  et 156  du Règlement 2015/35. 1.3.2.5. Risque de dépense Voir les articles 101 et 157 du Règlement 2015/35. 1.3.2.6. Risque de révision Voir l’article 158 du Règlement 2015/35. 1.3.2.7. Risque de cessation Voir les articles 102 et 159 du Règlement 2015/35. 1.3.3. Risque de catastrophe en santé vie (health- catastrophe risk) Voir l’article 158, alinéa 2, 3° en projet et les articles 160 à 163 du Règlement 2015/35. 1.4. Risque de marché (market risk) Le risque de marché est défini à l’article 105, para- graphe 5 de la Directive et à l’article 159, alinéa 1er en projet comme “le risque lié au niveau ou à la volatilité de la valeur de marché des instruments financiers ayant un impact sur la valeur des actifs et des passifs de l’entreprise concernée”. Il comprend six sous-modules. 1.4.1 Risque de taux d’intérêt (interest rate risk) Ce sous-module prend en compte l’évolution défa- vorable des taux d’intérêt, sur les actifs (intérêts crédi- teurs) ou les passifs (intérêts débiteurs) de l’entreprise. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 1° du projet de loi et fait l’objet des articles 103, 165 et 166 du Règlement 2015/35. 1.4.2 Risque sur action (equity risk) Ce sous-module prend en compte l’évolution défavo- rable de la valeur des actions détenues par l’entreprise. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 2° en projet et fait l’objet des articles 168 à 173 du Règlement 2015/35. Ce sous-module est également visé par les articles 161 et 162 du projet de loi. L’article 161, qui transpose l’article 106 de la Directive, prévoit des exigences spécifiques au sous-module “risque sur actions” visé à l’article 156, alinéa 2, 2° et, 149 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in het bijzonder, “een symmetrische aanpassing van het aandelenkapitaalvereiste om het risico te dekken dat voortvloeit uit veranderingen in de aandelenprijzen.” Die symmetrische aanpassing van het SCR wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 154, § 4, dat wil zeggen op basis van een risicowaarde met een be- trouwbaarheidsgraad van 99,5  % over een periode van een jaar. Ze wordt berekend aan de hand van een index die de aandelenkoers vertegenwoordigt en die wordt samengesteld overeenkomstig artikel 172 van Verordening 2015/35. De index is dezelfde voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en het kapitaalvereiste dat voortvloeit uit de symmetrische aanpassing mag niet lager zijn dan 10 % noch hoger dan 10 % van het kapitaalvereiste dat voortvloeit uit de submodule “aandelenrisico”. Artikel 162 zet artikel 304, lid 1 van de Richtlijn om. Dit artikel betreft de submodule “aandelenrisico op basis van looptijd” (duration-based equity risk), die betrekking heeft op bepaalde verrichtingen die onder de tweede pensioenpijler vallen. Deze module kan worden toegepast in twee gevallen. Het eerste geval is wanneer de verzekeringsonderne- mingen op hun verplichtingen van de tweede pensi- oenpijler dezelfde prudentiële bepalingen toepassen als die welke van toepassing zijn op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. In deze mogelijk- heid wordt voorzien in artikel 227  van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel- lingen voor bedrijfspensioenvoorziening, maar ze is momenteel niet van kracht in België, bij ontstentenis van een besluit hiertoe. Het tweede geval is ruimer en betreft de verplichtin- gen van de tweede pijler waarvan de premies een fiscaal voordeel genieten volgens de Belgische wetgeving. In de twee hierboven bedoelde gevallen moeten de verplichtingen daarnaast ook voldoen aan de volgende voorwaarden: a) het voorwerp uitmaken van een afscheiding, dat wil zeggen een duidelijke scheiding, en “zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat” van en naar de andere activiteiten van de onderneming, die zowel voor de activa als voor de passiva geldt; b) enkel betrekking hebben op in België gelegen risico’s; c) een gemiddelde looptijd van meer dan twaalf jaar hebben. en particulier, un “mécanisme d’ajustement symétrique de l’exigence de capital pour actions qui sert à couvrir le risque découlant des variations du cours des actions”. Cet ajustement symétrique du SCR est calibré confor- mément à l’article 154, § 4, c’est-à-dire sur la base d’une valeur en risque avec un niveau de confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an. Il est calculé au départ d’un indice représentatif du cours des actions construit conformé- ment à l’article 172 du Règlement 2015/35. L’indice est le même pour toutes les entreprises d’assurance et de réassurance et l’exigence de capital qui découle de l’ajustement symétrique ne peut être inférieure à 10 % ni supérieure à 10 % de l’exigence de capital qui découle du sous-module “risque sur actions”. L’article 162 transpose l’article 304, paragraphe 1er de la Directive. Il concerne un sous-module “risque sur actions fondé sur la durée (duration base equity risk) qui se rapporte à certaines opérations relevant du deuxième pilier de pension. Ce module peut être appliqué dans deux cas. Le premier est celui où les entreprises d’assurance appliquent à leurs engagements du deuxième pilier de pension les mêmes dispositions prudentielles que celles applicables aux institutions de retraite professionnelle. Cette possibilité est prévue par l’article 227 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle mais n’est pas en vigueur actuellement en Belgique à défaut d’un arrêté à cette fin. Le second cas est plus large et vise les engagements du second pilier dont les primes bénéficient d’un avan- tage fiscal selon la loi belge. Dans les deux cas visés ci-dessus, les engagements doivent, en outre, satisfaire aux conditions suivantes: a) faire l’objet d’un cantonnement, c’est-à-dire d’une séparation nette et “sans aucune possibilité de transfert” de et vers les autres activités de l’entreprise, tant en ce qui concerne les actifs que les passifs; b) ne concerner que des risques situés en Belgique; c) avoir une durée moyenne qui excède douze ans. 150 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wanneer de voornoemde voorwaarden vervuld zijn, mogen de ondernemingen het aandelenrisico in plaats van op een jaar berekenen op een looptijd die overeen- stemt met het gemiddelde van de betrokken verplichtin- gen. De value at risk blijft vastgesteld op 99,5 % zoals bepaald in artikel 151, § 3, derde lid. De onderneming moet bovendien aantonen dat ze de aandelen tijdens deze gemiddelde looptijd zal behouden. De submodule “aandelenrisico op basis van looptijd” mag voor dezelfde verplichtingenniet tegelijkertijd wor- den gebruikt met de submodules voor de berekening van het kern-SCR als bepaald in de artikelen 155 tot 160. De ondernemingen mogen op deze methode slechts terugvallen met de toestemming van de Bank. 1.4.3. Vastgoedrisico (property risk) Deze submodule, die rekening houdt met het ongun- stige verloop van de vastgoedmarkten, wordt omschre- ven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 3° en maakt het voorwerp uit van artikel 174 van Verordening 2015/35. 1.4.4. Spreadrisico (spread risk) Deze submodule houdt rekening met het ongunstige en plotse verloop van de waarde van vastrentende ef- fecten zoals obligaties en bepaalde leningen. Hij wordt omschreven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 4° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 104, 105 en 176 tot 181 van Verordening 2015/35. 1.4.5 Valutarisico (currency risk) Deze submodule, die rekening houdt met het valuta- risico met betrekking tot zowel de activa als de passiva, wordt omschreven in artikel 159, tweede lid, 5° van het wetsontwerp en maakt het voorwerp uit van artikel 188 van Verordening 2015/35. 1.4.6 Marktrisicoconcentratie (market risk concentration) Deze submodule houdt rekening met de risico’s die verbonden zijn aan een gebrek aan diversificatie van de activa van de onderneming, aan een wanbetaling van een belangrijke tegenpartij zoals eenzelfde emittent van effecten of een belangrijke groep van verbonden tegenpartijen. Deze submodule wordt omschreven in ontwerpartikel 159, tweede lid, 6° en maakt het voorwerp uit van de artikelen 106 en 182 tot 187 van Verordening 2015/35. Lorsque les conditions précitées sont remplies, les entreprises peuvent calculer le risque sur actions non pas à l’horizon d’un an mais sur une durée corres- pondant à la moyenne des engagements concernés. La value at risk reste fixée à 99,5 % comme prévu à l’article 151, § 3, alinéa 3. L’entreprise doit, en outre, démontrer qu’elle conservera les actions pendant cette durée moyenne. Le sous-module risque sur action fondé sur la durée ne peut être utilisé, pour les mêmes engagements, en même temps que les sous-modules du calcul du SCR de base prévu par les articles 155 à 160. Les entreprises ne peuvent revenir à cette méthode que moyennant l’autorisation de la Banque. 1.4.3. Risque sur actifs immobiliers (property risk) Ce sous-module prend en compte l’évolution défa- vorable des marchés immobiliers. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 3° en projet et fait l’objet de l’article 174 du Règlement 2015/35. 1.4.4. Risque de marge (spread risk) Ce sous-module prend en compte l’évolution défavo- rable et soudaine de la valeur de titres à revenus fixes tels que les obligations et certains prêts. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 4° en projet et fait l’objet des articles 104, 105 et 176 à 181 du Règlement 2015/35. 1.4.5 Risque de change (currency risk) Ce sous-module prend en compte le risque de change tant en ce qui concerne les actifs que les pas- sifs. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 5° du projet de loi et fait l’objet de l’article 188 du Règlement 2015/35. 1.4.6 Risque de concentration (market risk concentration) Ce sous-module prend en compte les risques liés à un manque de diversification des actifs de l’entreprise, au défaut d’une contrepartie importante tel qu’un même émetteur de valeurs mobilières, ou d’un groupe impor- tant de contreparties liées. Il est défini à l’article 159, alinéa 2, 6° en projet et fait l’objet des articles 106 et 182 à 187 du Règlement 2015/35. 151 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1.5. Tegenpartijrisico (counterparty default risk) Het tegenpartijrisico betreft de wanbetaling of de ver- slechtering van de kredietwaardigheid van een debiteur in de komende twaalf maanden. Het maakt het voorwerp uit van ontwerpartikel 157 (omzetting van artikel 105, lid 6 van de Richtlijn) en van de artikelen 110, 112 en 189 tot 202 van Verordening 2015/35. De in aanmerking te nemen risico’s hebben betrek- king op alle debiteuren van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, inclusief de tussenpersonen, herverzekeraars en effectiseringsvehikels, alsook op de waarborgen en zekerheden die door de onderneming worden aangehouden. Alleen de risico’s die gedekt zijn door de submodule “spreadrisico” worden niet in aanmerking genomen. Bij haar beoordeling van het risico moet de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming meer belang hechten aan de economische aspecten van de tegenpartij dan aan haar rechtsvorm, volgens het zogenaamde “substance over form”-beginsel. 1.6. Risico verbonden aan immateriële activa (intan- gible asset risk) Deze module, die ingevoerd werd door Verordening 2015/35 (artikelen 87 en 203), heeft betrekking op iden- tificeerbare, niet-monetaire activa zonder fysieke vorm. 2. Kapitaalvereiste voor operationeel risico (operational risk) Behalve het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic SCR) moeten de verzekerings- en herverzekeringson- dernemingen een eigenvermogensvereiste berekenen om het hoofd te bieden aan de operationele risico’s (ontwerpartikel 163, dat artikel 107 van de Richtlijn om- zet), dat wil zeggen aan de risico’s op directe of indirecte verliezen te wijten aan een ontoereikendheid of een falen van de procedures van de onderneming (interne controle, beveiligingsregels), van haar personeel (fout, fraude, vertrek of afwezigheid van gekwalificeerd perso- neel…), van de interne systemen (computerstoringen…) of van externe, niet-geplande gebeurtenissen (brand, overstroming…). Deze module houdt geen rekening met de risico’s die gedekt zijn door andere modules. Het kapitaalvereiste kan worden berekend op grond van de verdiende pre- mies of de technische voorzieningen (artikel 204 van Verordening 2015/35). 1.5. Risque de contrepartie (counterparty default risk) Le risque de contrepartie concerne, pour les douze mois à venir, le défaut de paiement ou la détérioration de la qualité d’un débiteur. Il fait l’objet de l’article 157 en projet (transposition de l’article 105, paragraphe 6 de la Directive) et des articles 110, 112 et 189 à 202 du Règlement 2015/35. Les risques à prendre en compte concernent tous les débiteurs de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance, y compris les intermédiaires, les réassureurs et les véhicules de titrisation, ainsi que les garanties et sûretés détenues par l’entreprise. Seuls les risques couverts par le sous-module “risque de marge” ne sont pas pris en compte. Dans son évaluation du risque, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance doit s’attacher plus aux aspects économiques de la contrepartie qu’à sa forme juridique selon le principe dit de “substance over form”. 1.6. Risque lié aux immobilisations incorporelles (intangible asset risk) Ce module a été introduit par le Règlement 2015/35 (articles 87 et 203). Il concerne les actifs non monétaires identifiables sans substance physique. 2. Exigence de capital pour risque opérationnel (operational risk) Outre le capital de solvabilité requis de base (Basic SCR), les entreprises d’assurance et de réassurance doivent calculer une exigence de fonds propres en vue de faire face aux risques opérationnels (article 163 en projet, transposant l’article 107 de la Directive), c’est-à- dire aux risques de pertes directes ou indirectes dues à une inadéquation ou à une défaillance des procédures de l’entreprise (contrôle interne, règles de sécurité…), de son personnel (erreur, fraude, départ ou absence de personnel qualifié…), des systèmes internes (pannes informatiques…) ou à des évènements externes non planifiés (incendie, inondation…). Ce module ne prend pas en compte les risques qui le sont par d’autres modules. L’exigence de capital peut être calculée en fonction des primes acquises ou des provisions techniques (article 204 du Règlement 2015/35). 152 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3. Correctie voor het vermogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde belastingen om verliezen te compenseren (Adjustment for the loss- absorbing capacity) Aan de hand van deze module kan een verlaging van het eigenvermogensvereiste worden berekend ingeval de verliezen van de onderneming kunnen worden ver- minderd door hetzij een verlaging van haar technische voorzieningen hetzij een verlaging van haar uitgestelde belastingen, hetzij een combinatie van beide. Wat de technische voorzieningen betreft, bestaat het vermogen om verliezen te compenseren in de mo- gelijkheid voor de onderneming om de (niet-verplichte) discretionaire winstdelingen te verlagen. De onderlig- gende overweging is dat de onderneming, in geval van een ongunstige ontwikkeling, minder winstdelingen mag uitkeren. Aangezien de toekomstige winstdelingen moesten worden geboekt in de technische voorzie- ningen, vertaalt dit zich in een vermindering van die voorzieningen. Een noodzakelijke voorwaarde is dat de onderneming daadwerkelijk over de contractuele of wettelijke mogelijkheid moet beschikken om die winst- delingen te verlagen. De uitgestelde belastingen (deferred taxes) zijn een bedrag dat voortvloeit uit het verschil in beoordeling van een actief of passief volgens de regels van Solvabiliteit II en de nationale boekhoud- of belastingregels. Zo zal een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een uitgestelde belasting moeten boeken op het passief van de balans volgens Solvabiliteit II om rekening te houden met het feit dat de verkoop van een actief een belastbare meerwaarde zal genereren die momenteel niet is opgenomen in de jaarrekening die opgesteld is volgens de nationale boekhoudnormen. De overweging die wordt gehanteerd met betrekking tot het vermogen om verliezen te compenseren, is dat deze de latente meerwaarden zullen verminderen en dat de onderneming dienovereenkomstig het bedrag aan uitgestelde belastingen zal kunnen verlagen dat wordt geboekt op het passief van haar balans volgens Solvabiliteit II. Aangezien het eigen vermogen werd gedefinieerd als het positieve verschil van de activa ten opzichte van de passiva, heeft deze verlaging au- tomatisch een verhoging van het eigen vermogen van de onderneming tot gevolg. De correctie voor het vermogen om verliezen te compenseren maakt het voorwerp uit van ontwerpartikel 161, dat artikel 108 van de Richtlijn omzet, en van de artikelen 205 tot 207 van Verordening 2015/35. — Vereenvoudigde berekeningen 3. Ajustement destiné à tenir compte de la capacité d’absorption des pertes des provisions techniques et des impôts différés (Adjustment for the loss-absorbing capacity) Ce module permet de calculer une diminution de l’exigence de fonds propres dans le cas où les pertes de l’entreprise peuvent être diminuées soit par une réduc- tion de ses provisions techniques soit une réduction de ses impôts différés, soit une combinaison des deux. En ce qui concerne les provisions techniques, la capacité d’absorption des pertes réside dans la pos- sibilité, pour l’entreprise, de réduire les participations bénéficiaires discrétionnaires (non obligatoires). L’idée sous-jacente est qu’en cas d’évolution défavorable, l’entreprise pourra distribuer moins de participations bénéficiaires. Comme les participations bénéficiaires futures ont dû être comptabilisées dans les provisions techniques, cela se traduit par une diminution de ces provisions. La condition nécessaire est que l’entreprise ait réellement la possibilité contractuelle ou légale de réduire lesdites participations bénéficiaires. Les impôts différés (deferred taxes) sont un montant qui découle de la différence d’évaluation d’un actif ou d’un passif selon les règles en Solvabilité II et les règles comptables ou fiscales nationales. Ainsi, une entreprise d’assurance ou de réassurance devra comptabiliser un impôt différé au passif du bilan Solvabilité II pour tenir compte du fait que la vente d’un actif dégagera une plus-value taxable actuellement non exprimée dans les comptes annuels établis selon les normes comptables nationales. L’idée retenue en ce qui concerne la capacité d’absorption des pertes et que celles-ci diminueront les plus-values latentes et que l’entreprise pourra en conséquence réduire le montant d’impôts différés comptabilisé au passif de son bilan Solvabilité II. Étant donné que les fonds propres ont été définis comme l’excédent des actifs sur les passifs, cette diminution entraîne automatiquement une augmentation des fonds propres de l’entreprise. L’ajustement relatif à la capacité d’absorption des pertes fait l’objet de l’article 161 en projet, qui transpose l’article 108 de la Directive, et des articles 205 à 207 du Règlement 2015/35. — Calculs simplifiés 153 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Ontwerpartikel 165, dat artikel 109 van de Richtlijn omzet, staat de ondernemingen toe gebruik te maken van vereenvoudigde berekeningen voor een of meer- dere (sub)modules “wanneer dit op grond van de aard, omvang en complexiteit van de risico’s waaraan ze blootstaan gerechtvaardigd is”. Deze vereenvoudigingen maken het voorwerp uit van de artikelen 89 tot 112 van Verordening 2015/35. — Parameters die specifiek zijn voor de onderneming Wanneer het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gevoelig verschilt van de onderliggende hypothesen van de verschillende modu- les van de standaardformule, mag de onderneming de parameters van deze modules vervangen door eigen parameters (parameters die specifiek zijn voor de on- derneming of undertaking-specific parameters of USP). Deze mogelijkheid bestaat evenwel uitsluitend voor de modules met betrekking tot de verzekeringstechni- sche risico’s (niet-leven, leven en ziektekosten), zoals bepaald in ontwerpartikel 154, § 7, dat artikel 104, lid 7 van de Richtlijn omzet. Indien nodig kan de Bank het gebruik van onderne- mingsspecifieke parameters voor de voornoemde mo- dules opleggen wanneer ze vaststelt dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aanzienlijk afwijkt van de onderliggende hypothesen van de standaardformule. In deze mogelijkheid is voorzien in ontwerpartikel 166, dat artikel 110 van de Richtlijn omzet. De ondernemingsspecifieke parameters maken te- vens het voorwerp uit van de artikelen 218 tot 220 van Verordening 2015/35. Onderafdeling III Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van geheel of gedeeltelijk interne modellen Art. 167 tot 188 De ontwerpartikelen 167 tot 188 zetten de artikelen 112 tot 126 van de Richtlijn om. De artikelen 114 en 127, die betrekking hebben op de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn, moeten niet worden omgezet. — De interne modellen Artikel 112 van de Richtlijn formuleert de algemene beginselen inzake interne modellen. Deze beginse- len worden omgezet in ontwerpartikel 167. Middels voorafgaande goedkeuring van de Bank mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen het L’article 165 en projet, transposant l’article 109 de la Directive, autorise les entreprises à faire usage de calculs simplifiés pour un ou plusieurs (sous-)modules “lorsque la nature, l’ampleur et la complexité des risques auxquels elles sont confrontées le justifient”. Ces simplifications font l’objet des articles 89 à 112 du Règlement 2015/35. — Paramètres propres à l’entreprise Lorsque le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance diffère sensiblement des hypothèses sous-tendant les différents modules de la formule standard, celle-ci peut remplacer les paramètres de ces modules par des paramètres qui lui sont propres (paramètres propres à l’entreprise ou undertaking spe- cific parameters ou USP). Cette faculté n’existe toutefois que pour les modules relatifs aux risques de souscription (non-vie, vie et santé), ainsi que le prévoit l’article 154, § 7 en projet, transposant l’article 104, paragraphe 7 de la Directive. Au besoin, la Banque peut imposer l’utilisation de pa- ramètres propres pour les modules précités lorsqu’elle constate que le profil de risque de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance s’écarte sensiblement des hypothèses sous-tendant la formule standard. Cette possibilité est prévue par l’article 166 en projet, qui transpose l’article 110 de la Directive. Les paramètres propres à l’entreprise font également l’objet des articles 218 à 220 du Règlement 2015/35. Sous-section III Capital de solvabilité requis calculé selon des modèles internes intégraux ou partiels Art. 167 à 188 Les articles 167 à 188 en présent projet transposent les articles 112 à 126 de la Directive. Les articles 114 et 127, qui concernent les mesures d’exécution de la Directive, ne nécessitent pas de transposition. — Les modèles internes L’article 112  de la Directive énonce les principes généraux en matière de modèles internes. Ces prin- cipes sont transposés à l’article 167 en présent projet. Moyennant l’approbation préalable de la Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent 154 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen aan de hand van interne modellen. Deze modellen treden geheel of gedeeltelijk in de plaats van de modules van de stan- daardformule voor wat het kern-SCR betreft (zie de artikelen 154 tot 161), van de module voor de bereke- ning van het operationeel risico (zie artikel 163) of van de berekening van de correctie om rekening te houden met het vermogen om de verliezen aan technische voor- zieningen en uitgestelde belastingen te compenseren (zie artikel 164). Het is ook mogelijk om een gedeeltelijk intern model slechts toe te passen op bepaalde risico’s, bepaalde activiteiten of bepaalde diensten van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming, bijvoorbeeld een specifieke verzekeringstak. — Goedkeuring De interne modellen moeten voldoen aan verscheide- ne vereisten: haalbaarheidstests (use test), kwaliteit van de statistische gegevens (statistical quality standards), kalibrering (calibration standards), validering (validation standards) en documentatie (documentation standards). De Bank hecht haar goedkeuring aan een intern mo- del op basis van een gedocumenteerd dossier (art. 187) dat aantoont dat het model voldoet aan de kwaliteiten die vereist zijn krachtens de artikelen 174 tot 187. Deze voorwaarden kunnen als volgt worden samengevat: 1°) berusten op passende “systemen voor de iden- tificering, de meting, de bewaking, het beheer en de melding van de risico’s” (art. 167, § 5); 2°) berusten op relevante, coherente en realistische actuariële methodes (art. 176) die de onderneming kan rechtvaardigen; 3°) juiste, volledige, gepaste en ten minste eenmaal per jaar bijgewerkte gegevens gebruiken (art. 177); 4°) alle materiële risico’s bestrijken waaraan de on- derneming blootstaat, op grote schaal worden gebruikt en een belangrijke rol spelen in de governance van de onderneming, en met name in haar risicobeheersysteem en bij de allocatie van haar kapitaal (art. 178); 5°) verantwoord zijn met betrekking tot de correlaties tussen de risico’s en de risicomatigingstechnieken (her- verzekeringen, effectiseringsvehikels …) op voorwaarde dat, in dit laatste geval, rekening wordt gehouden met de risico’s die verbonden zijn aan deze technieken (kredietrisico’s …) (artikelen 179 en 180); 6°) rekening houden met de risico’s die verbonden zijn aan de verstrekte financiële garanties (waarborg met betrekking tot het rendement of het behoud van calculer le capital de solvabilité requis au moyen de modèles internes. Ces derniers se substituent, partielle- ment ou totalement, aux modules de la formule standard en ce qui concerne le SCR de base (voir les articles 154 à 161), au module de calcul du risque opérationnel (voir l’article 163) ou au calcul de l’ajustement visant à tenir compte de la capacité d’absorption des pertes des provisions techniques et des impôts différés (voir l’article 164). Il est également possible de n’appliquer un modèle interne partiel qu’à certains risques, certaines activités ou certains services de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, comme par exemple, une branche d’assurance particulière. — Approbation Les modèles internes doivent répondre à plusieurs exigences: tests de faisabilité (use test), qualité des don- nées statistiques (statistical quality standards), calibra- tion (calibration standards), validation (validation stan- dards) et documentation (documentation standards). L’approbation d’un modèle interne par la Banque se fait sur la base d’un dossier documenté (art. 187) démontrant que le modèle répond aux qualités requises en vertu des articles 174 à 187. Ces conditions peuvent être résumées comme suit: 1°) reposer sur des “systèmes d’identification, de mesure, de contrôle, de gestion et de déclaration des risques” adéquats (art. 167, § 5); 2°) reposer sur des techniques actuarielles perti- nentes, cohérentes et réalistes (art. 176) que l’entreprise peut justifier; 3°) utiliser des données exactes, exhaustives, appro- priées et actualisées au moins une fois l’an (art. 177); 4°) couvrir tous les risques importants auxquels l’entreprise est exposée, être largement utilisé et jouer un rôle important dans la gouvernance de l’entreprise, notamment en ce qui concerne la gestion des risques et l’allocation du capital (art. 178); 5°) être justifié en ce qui concerne les corrélations entre risques et les techniques d’atténuation des risques (réassurance, véhicules de titrisation…) à condition, dans ce dernier cas, de tenir compte des risques liés à ces techniques (risques de crédit…) (articles 179 et 180); 6°) tenir compte des risques liés aux garanties financières consenties (garantie de taux de rendement, de conservation du capital…) octroyées, ainsi qu’aux 155 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 kapitaal…), alsook aan de opties (voortijdige beëindi- ging, afkoop, reductie, herziening…) (art. 181); 7°) rekening houden met alle betalingen die verricht moeten worden aan de verzekeringnemers, inclusief de betalingen die niet contractueel gegarandeerd zijn zoals de restorno’s en de winstdelingen (art. 183). Het interne model mag rekening houden met toe- komstige beheermaatregelen (future management actions) zoals een tariefverhoging of een wijziging van de contractuele voorwaarden. Het moet echter rekening houden met de tijd die nodig is voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen (art. 182). Het interne model mag anders gekalibreerd zijn dan de standaardformule, zowel wat betreft de periode (een jaar in de standaardformule) als wat betreft de betrouwbaarheidsgraad (value at risk met een betrouw- baarheidsgraad van 99,5 % in de standaardformule), op voorwaarde dat het op die manier berekende solvabili- teitskapitaalvereiste dezelfde beschermingsgraad aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begun- stigden garandeert als wanneer het zou zijn berekend met de standaardformule (art. 184, eerste lid). Gelet op het nieuwe en complexe karakter van de interne modellen en de relatief korte termijn die vastgelegd is in artikel 167, § 4, mag de Bank deze modellen goedkeuren met inachtneming van bepaalde voorwaarden en termijnen (terms and conditions). Het betreft voorwaarden waaraan de ondernemingen moe- ten voldoen binnen een bepaalde termijn, bij gebreke waarvan hun goedkeuring wordt ingetrokken. Deze ter- mijnen en voorwaarden maken de goedkeuring van een model mogelijk, wanneer het nog niet zeker is dat alle aspecten ervan ten volle voldoen aan de reglementaire criteria. Hierdoor kunnen de onzekerheden die inherent zijn aan de resultaten van het interne model, op termijn worden beperkt. — Werking van het interne model Eens het interne model door de Bank goedgekeurd, is de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verplicht dit te gebruiken. Ze mag slechts terugvallen op de standaardformule als de omstandigheden dit rechtvaardigen en met de voorafgaande goedkeuring van de Bank (art. 171). In principe moet het solvabiliteitskapitaalvereiste rechtstreeks worden berekend aan de hand van het in- terne model, maar de Bank mag ook toestaan dat bij de berekening van het SCR benaderingen (proxies) worden gebruikt, voor zover dit de beschermingsgraad van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden options (cessation, rachat, réduction, révision…) (art. 181); 7°) tenir compte de tous les paiements à effectuer aux preneurs d’assurance y compris ceux qui ne sont pas contractuellement garantis tels que les ristournes et les participations bénéficiaires (art. 183); Le modèle interne peut tenir compte des actions futures de gestion (future management actions) telles qu’une hausse de tarif ou une modification des condi- tions contractuelles. Cependant, il doit tenir compte du temps nécessaire à la mise en œuvre de ces actions (art. 182). Le modèle interne peut être calibré différemment de la formule standard tant en ce qui concerne l’horizon temporel (un an dans la formule standard) qu’en ce qui concerne le niveau de confiance (valeur en risque avec un niveau de confiance de 99,5 % dans la formule standard) à condition que le capital de solvabilité requis calculé de cette manière garantisse un même niveau de protection aux preneurs, assurés et bénéficiaires que s’il était calculé par la formule standard (art. 184, al. 1er). Eu égard à la nouveauté et à la complexité des modèles internes et au délai relativement court fixé par l’article 167, § 4, la Banque peut les approuver moyennant des conditions et des délais (terms and conditions). Il s’agit de conditions que les entreprises devront remplir dans un certain délai, sous peine de voir leur autorisation retirée. Ces délais et conditions permettent l’approbation d’un modèle, lorsqu’il n’est pas encore certain que tous ses aspects respectent pleinement les critères réglementaires. Cela permet aussi de réduire, à terme, les incertitudes présentes dans les résultats du modèle interne. — Fonctionnement du modèle interne Une fois le modèle interne approuvé par la Banque, l’entreprise d’assurance ou de réassurance a l’obliga- tion de l’utiliser. Elle ne peut revenir à la formule stan- dard que si les circonstances le justifient et moyennant l’approbation préalable de la Banque (art. 171). En principe, le capital de solvabilité requis doit être calculé directement au moyen du modèle interne mais la Banque peut autoriser l’usage d’approximations (proxies) dans le processus de calcul du SCR pour autant que cela ne réduise par le niveau de protection des preneurs, assurés et bénéficiaires par rapport à la 156 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 niet vermindert in vergelijking met de standaardformule (art. 184, tweede en derde lid). Deze proxies zullen vooral worden gebruikt door de kleinste ondernemingen. — Monitoring en controle De verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten hun interne modellen regelmatig verifiëren. Ze moeten er in het bijzonder op toezien dat de gehan- teerde hypothesen en de verkregen resultaten overeen- stemmen met de reële gegevens die van toepassing zijn op de onderneming (art. 186). Ze moeten tevens de coherentie aantonen tussen de risicocategorieën van het model en de oorzaken van de winst en het verlies van de onderneming (art. 185). De verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen moeten een beleid opstellen voor de wijziging van hun interne modellen, dat door de Bank moet worden goedgekeurd. Dit beleid moet de ingrijpende van de niet-ingrijpende wijzigingen onderscheiden. Elke in- grijpende wijziging moet vooraf door de Bank worden goedgekeurd, net als het interne model zelf (art. 169). Indien een intern model duidelijk niet meer voldoet aan de vereisten van de artikelen 171 tot 184, dat wil zeggen aan de voorwaarden voor de goedkeuring ervan, moet de onderneming aan de Bank een plan voorleggen om de situatie te herstellen. De termijn hiervoor moet zo kort mogelijk zijn. Toch legt de wet, gelet op de complexi- teit van bepaalde modellen en de tijd die nodig is voor de aanpassing ervan, geen precieze termijn op. Afhankelijk van het specifieke geval zal het evenredigheidsbeginsel moeten worden toegepast. Als de onderneming het plan om de situatie te herstellen niet ten uitvoer legt, of als zij met dit plan geen resultaat bereikt binnen de vastge- stelde termijn, kan de Bank eisen dat de onderneming terugvalt op de standaardformule (art. 172). — Modellen van derden en modellen opgelegd door de Bank Een onderneming mag gebruik maken van een door haarzelf of door een derde onderneming ontwikkeld intern model. Dit laatste model moet voldoen aan de- zelfde vereisten als was het door de onderneming zelf ontwikkeld (art. 188). De keuze tussen de standaardformule en een intern model wordt in principe gemaakt door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Als het risicoprofiel van de onderneming echter niet overeenstemt met de onderliggende hypothesen van de standaardformule, kan de Bank het gebruik van een geheel of gedeeltelijk intern model opleggen (art. 173). formule standard (art. 184, alinéas 2 et 3). Ces proxies seront surtout utilisés par les plus petites entreprises. — Suivi et contrôle Les entreprises d’assurance et de réassurance doivent vérifier régulièrement leurs modèles internes. En particulier, elles doivent s’assurer que les hypothèses retenues et les résultats produits correspondent aux données réelles applicables à l’entreprise (art. 186). Elles doivent également démontrer la cohérence entre les catégories de risques du modèle et les origines des pertes et profits de l’entreprise (art. 185). Les entreprises d’assurance et de réassurance doivent établir une politique de modification de leurs modèles internes, qui doit être approuvée par la Banque. Cette politique doit distinguer les modifications majeures des modifications mineures. Toute modification majeure doit être préalablement approuvée par la Banque de la même manière que le modèle interne lui-même (art. 169). Si un modèle interne ne répond plus, de manière significative, aux exigences des articles 171 à 184, c’est- à-dire aux conditions requises pour son approbation, l’entreprise doit soumettre à la Banque un plan de retour à la conformité. Le délai pour ce retour à la conformité doit être le plus court possible. Néanmoins, eu égard à la complexité de certains modèles et au temps requis pour leur adaptation, la loi ne fixe aucun délai précis. Il y aura lieu, selon le cas d’espèce, de faire application du principe de proportionnalité. Si l’entreprise ne met pas en œuvre le plan de retour à la conformité ou si ce plan ne produit pas de résultat dans le délai fixé, la Banque peut exiger que l’entreprise revienne à la formule standard (art. 172). — Modèles tiers et modèles imposés par la Banque Une entreprise peut utiliser un modèle interne qu’elle a développé elle-même ou utiliser un modèle développé par une entreprise tierce. Ce dernier doit répondre aux mêmes exigences que s’il avait été développé par l’entreprise elle-même (art. 188). Le choix entre la formule standard et un modèle interne est en principe celui de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Toutefois, si le profil de risque de l’entreprise ne correspond pas aux hypothèses sous- jacentes de la formule standard, la Banque peut imposer l’usage d’un modèle interne partiel ou intégral (art. 173). 157 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — Rol van het wettelijk bestuursorgaan Het wettelijk bestuursorgaan dient het interne model goed te keuren dat aan de Bank ter goedkeuring zal worden voorgelegd (art. 170), alsook het beleid van de onderneming inzake de wijziging van de modellen die ze hanteert (artikelen 169 en 170). Het dient er tevens op toe te zien dat het model geschikt is voor het risicoprofiel van de onderneming (artikelen 170 en 174, derde lid). Onderafdeling IV Minimumkapitaalvereiste Art. 189 — Begrip Deze bepaling zet artikel 129 van de Richtlijn om, dat betrekking heeft op het minimumkapitaalvereiste (Minimum capital requirement of MCR). Dit vereiste kan worden gezien als het eigenvermogensniveau waaron- der een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet langer als levensvatbaar kan worden beschouwd. De niet-naleving van dit vereiste kan leiden tot herstel- maatregelen op zeer korte termijn en tot een intrekking van de vergunning ingeval de herstelmaatregelen geen resultaat opleveren (zie de artikelen 511 en 541). Het minimumkapitaalvereiste stemt overeen met het huidige waarborgfonds als bepaald in artikel 15ter van de wet van 9 juli 1975 en artikel 23 van de wet van 16 februari 2009. — Berekeningswijze Net als het waarborgfonds wordt het minimumka- pitaalvereiste berekend als een functie van het solva- biliteitskapitaalvereiste met een absolute ondergrens. De functie waarvan hierboven sprake, is een lineaire functie van het solvabiliteitskapitaalvereiste die ge- bruikmaakt van de volgende variabelen: de technische voorzieningen, de onderschreven premies, het risicoka- pitaal, de uitgestelde belastingen en de administratieve kosten. Deze functie wordt gekalibreerd op grond van de value at risk van de onderneming met een betrouw- baarheidsgraad van 85 % over een periode van een jaar. Het MCR mag niet dalen onder 25 % noch uitstijgen boven 45 % van het SCR (art. 189, § 1, 3°, § 2 en § 3). De berekeningswijze van het MCR wordt bepaald in de artikelen 248 tot 253 van Verordening 2015/35. Het MCR moet eens per kwartaal worden berekend en het resultaat moet aan de Bank worden gemeld, in — Rôle de l’organe légal d’administration L’organe légal d’administration doit approuver le modèle interne qui sera soumis à l’approbation de la Banque (art. 170), ainsi que la politique de l’entreprise concernant la modification des modèles qu’elle utilise (articles 169 et 170). Il doit également veiller à l’adé- quation du modèle au profil de risque de l’entreprise (articles 170 et 174, al. 3). Sous-section IV Minimum de capital requis Art. 189 — Notion Cette disposition transpose l’article 129 de la Directive concernant le minimum de capital requis (Minimum capi- tal requirement ou MCR). Cette exigence peut être vue comme le niveau de fonds propres en dessous duquel une entreprise d’assurance ou de réassurance ne peut plus être considérée comme viable. Le non-respect de cette exigence justifiera des mesures de redressement à très court terme et pourra faire l’objet d’un retrait d’agrément en cas d’échec (voir les articles 511 et 541). Le minimum de capital requis correspond à l’actuel fonds de garantie prévu par l’article 15ter de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 23 de la loi du 16 février 2009. — Mode de calcul Comme le fonds de garantie, le minimum de capital requis est calculé comme une fonction du capital de solvabilité requis avec un seuil absolu. La fonction dont question ci-dessus est une fonc- tion linéaire du capital de solvabilité requis qui utilise comme variable les provisions techniques, les primes souscrites, le capital sous risque, les impôts différés et les dépenses administratives. Cette fonction est calibrée selon la valeur en risque (Value at risk) de l’entreprise avec un niveau de confiance de 85 % à l’horizon d’un an. Le MCR n’est pas inférieur à 25 % ni supérieur à 45 % du SCR. (art. 189, § 1er, 3°, § 2 et § 3). Le mode de calcul du MCR est précisé par les articles 248 à 253 du Règlement 2015/35. Le MCR doit être calculé une fois par trimestre et le ré- sultat notifié à la Banque, accompagné, le cas échéant, 158 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voorkomend geval met een verklaring waarom het eigen vermogen van de onderneming het wettelijk vereiste niveau niet bereikt (art. 189, § 4), met name waarom het MCR lager is dan 25 % of hoger dan 45 % van het SCR. — Absolute ondergrens De absolute ondergrens van het MCR wordt bepaald in artikel 189, § 1, 4°. Deze bedragen, die begrepen zijn tussen 1 200 000 EUR en 3 700 000 EUR naargelang van de activiteiten en takken, stemmen overeen met de huidige bedragen van het absolute minimum van het waarborgfonds (artikel 19 van het Algemeen Reglement en artikel 15 van de wet van 16 februari 2009). Punt d) van artikel 189, § 1, 4° heeft betrekking op de ondernemingen die actief zijn in zowel levensverze- keringen als niet-levensverzekeringen. Er zij verwezen naar de commentaar bij artikel 225. Afdeling III Beleggingen Onderafdeling I Prudent person”-beginsel Art. 190 Dit artikel zet artikel 132, lid 1 van de Richtlijn om. Voor wat betreft de regels inzake belegging van de activa van de verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen, vormt de Richtlijn een radicale breuk ten opzichte van de richtlijnen van de vorige generatie. Terwijl die laatste uitvoerig specificeerden in welke categorieën van activa de ondernemingen mochten beleggen, en de quota vermeldden die op elk van deze categorieën van toepassing waren, legt de Richtlijn een algemeen voorzichtigheidsbeginsel op, dat ze omschrijft als “prudent person principle” of PPP. Dit beginsel wordt gedetailleerd beschreven in de volgende artikelen. Het zal waarschijnlijk worden be- handeld in de uitvoeringsverordeningen van de Richtlijn (niveau 2) en in de richtsnoeren van EIOPA (niveau 3). Aangezien dit nog niet vaststaat, wordt evenwel bepaald dat de Bank dit begrip kan verduidelijken bij reglement. Deze machtiging is noodzakelijk aangezien dit beginsel tot op heden nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een gedelegeerde handeling van de Europese Commissie. Het “prudent person”-beginsel wordt enkel behandeld in de richtsnoeren van EIOPA met betrekking tot het governancesysteem, en enkel vanuit organisatorisch oogpunt. d’une explication sur les raisons pour lesquelles les fonds propres de l’entreprise n’atteignent pas le niveau légalement requis. (art. 189, § 4), notamment pourquoi le MCR n’atteint pas 25 % ou dépasse 45 % du SCR. — Seuil absolu Le seuil absolu du MCR est déterminé à l’article 189, § 1er, 4°. Ces montants, compris entre 1 200 000 EUR et 3 700 000 EUR selon les activités et les branches, correspond aux montants actuels du minimum absolu du fonds de garantie (article 19 du Règlement Général et article 15 de la loi du 16 février 2009). Le point d) de l’article 189, § 1er, 4° concerne les entre- prises pratiquant à la fois l’assurance vie et l’assurance non-vie. Il est renvoyé au commentaire de l’article 225. Section III Des investissements Sous-section Ire Principe de la personne prudente Art. 190 Cet article transpose l’article 132, paragraphe 1er de la Directive. En ce qui concerne les règles d’investissement des actifs des entreprises d’assurance et de réassurance, la Directive introduit une rupture fondamentale par rapport aux directives de la génération précédente. Alors que celles-ci détaillaient précisément les catégories d’actifs dans lesquels les entreprises pouvaient investir, ainsi que les quotas applicables à chacune de ces catégories, la Directive impose un principe général de prudence, qu’elle qualifie de “principe de la personne prudente” (prudent person principle ou encore PPP). Ce principe est détaillé dans les articles qui suivent. Il est susceptible de faire l’objet de développements dans les règlements d’exécution de la Directive (niveau 2) et les orientations de l’EIOPA (niveau 3). Eu égard à l’incertitude quant à la concrétisation de ces dévelop- pements, il est néanmoins prévu que la Banque puisse, par la voie de règlement, préciser cette notion. Cette habilitation s’avère nécessaire dans la mesure où ce principe ne fait, à ce jour, pas l’objet d’un acte délégué de la Commission européenne. Seules des orientations de l’EIOPA relatives au système de gouvernance traitent du principe de la personne prudente mais toutefois sous le seul angle organisationnel. 159 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Aangezien de recente crises waarmee de financiële sector te kampen had onder andere te wijten waren aan een slecht begrip en/of een slechte beheersing van de risico’s die verbonden zijn aan beleggingen, leek het nuttig een concrete inhoud te geven aan dit beginsel. Bij de verduidelijking van dit beginsel zal dus moeten worden uitgegaan van de werkzaamheden ter zake binnen EIOPA en moet erop gelet worden dat er geen concurrentieverstoringen teweeg worden gebracht. Art. 191 Dit artikel zet artikel 132, lid 2 van de Richtlijn om en verduidelijkt het prudent person-beginsel. De eerste regel is dat het beleggingscriterium voor de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun vermogen moet zijn om de risico’s die verbonden zijn aan de activa waarin ze beleggen, te identificeren, te bewaken, te beheren, te beheersen en te rapporteren (zie artikel 91, § 1, tweede lid, 1°). De tweede regel vereist dat de beleggingen de vei- ligheid, de kwaliteit, de liquiditeit, het rendement en de congruentie van de activaportefeuille als geheel waar- borgen. Het congruentievereiste, dat wil zeggen het feit dat de activa moeten luiden in dezelfde valuta als die van de verplichtingen, werd toegevoegd ten opzichte van de tekst van de Richtlijn. Het is overgenomen uit de huidige bepalingen (artikel 21, § 1, a) van de wet van 16 februari 2006 en artikel 10, § 2, eerste lid, eerste zin van het Algemeen Reglement). Het is ook belangrijk op te merken dat de lokalisatie van de activa de beschik- baarheid ervan moet kunnen garanderen. Wat ook nieuw is in de Richtlijn, is dat de beginselen inzake belegging niet alleen gelden voor de dekkings- waarden van de technische voorzieningen, maar ook voor de activa die het eigen vermogen dekken (en specifiek het minimumkapitaalvereiste). De bepalingen die voorheen uitsluitend van toepassing waren op de dekkingswaarden van de technische voorzieningen, zijn voortaan ook van toepassing op alle beleggingen van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Voor wat de dekkingswaarden van de technische voorzieningen betreft, wordt de nadruk evenwel gelegd op hun toereikendheid ten aanzien van de aard en de looptijd van de verzekerings- en herverzekeringsver- plichtingen. Met andere woorden, van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen wordt verlangd dat ze een ALM-beheer ontwikkelen. Dès lors qu’une des causes à l’origine des récentes crises, qui ont touché le secteur financier réside dans une mauvaise compréhension/maîtrise des risques liés aux investissements, il est apparu opportun de permettre l’élaboration d’un contenu plus concret audit principe. La précision qui serait ainsi donnée au principe devra nécessairement se baser sur les travaux en la matière au sein d’EIOPA et veiller à ne pas générer de distorsions concurrentielles. Art. 191 Cet article transpose l’article 132, paragraphe 2 de la Directive et précise le principe de la personne prudente. La première règle est que le critère d’investissement pour les entreprises d’assurance et de réassurance doit être leur capacité à identifier, suivre, gérer, contrôler et déclarer les risques liés aux actifs dans lesquels elles investissent (voir l’article 91, § 1er, alinéa 2, 1°). La deuxième règle exige que les investissements garantissent la sécurité, la qualité, la liquidité, la ren- tabilité et la congruence du portefeuille d’actifs dans son ensemble. L’exigence de congruence, c’est-à- dire le fait que les actifs soient libellés dans la même devise que celle des engagements a été ajoutée par rapport au texte de la Directive. Elle est reprise des dispositions actuelles (article 21, § 1er, a) de la loi du 16 février 2006 et article 10, § 2, al. 1er, première phrase du Règlement Général). Il est important de noter aussi que la localisation des actifs doit permettre d’en garantir la disponibilité. Ce qui est également nouveau dans la Directive est que les principes en matière d’investissement valent non seulement pour les actifs représentatifs des provisions techniques mais aussi pour ceux représentant les fonds propres (et spécialement le minimum de capital requis). Les dispositions autrefois applicables uniquement aux seules valeurs représentatives des provisions tech- niques se voient désormais applicables à l’ensemble des placements des entreprises d’assurance et de réassurance. Néanmoins, pour ce qui concerne les actifs repré- sentatifs des provisions techniques, l’accent est mis sur leur adéquation par rapport à la nature et à la durée des engagements d’assurance ou de réassurance. En d’autres termes, il est requis des entreprises d’assu- rance et de réassurance qu’elles développent une gestion ALM. 160 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor de dekkingswaarden van de technische voor- zieningen introduceert de Richtlijn daarenboven twee aanvullende regels. De eerste regel is dat ze moeten worden belegd “in het belang van alle verzekering- nemers en begunstigden”. Zoals hij wordt uitgedrukt, impliceert deze regel dat de onderneming op het niveau van de beleggingen niet mag discrimineren tussen de verschillende categorieën van verzekeringnemers en/ of begunstigden. De tweede regel is dat, in geval van conflict tussen de belangen van de verzekeringnemers en begunstigden en die van de onderneming, haar aandeelhouders of medecontractanten (buiten de ver- zekeringnemers en begunstigden), de onderneming prioriteit moet verlenen aan het waarborgen van de belangen van de verzekeringnemers en begunstigden. Deze regel geldt ook voor de entiteiten die, in het kader van een uitbesteding, de activa van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beheren. Art. 192 Deze bepaling, die artikel 132, lid 3 van de Richtlijn omzet, heeft uitsluitend betrekking op de levensver- zekeringsproducten waarbij het risico wordt gedragen door de verzekeringnemer, dat wil zeggen vooral de levensverzekeringsproducten gekoppeld aan beleg- gingsfondsen die vallen onder tak 23 van Bijlage II bij de wet. Ze is niet van toepassing wanneer de overeen- komst voorziet in een waarborg met betrekking tot het rendement of het behoud van het kapitaal of elke andere vorm van waarborg (zie laatste lid). Ontwerpartikel 192 bevat twee regels die een aan- vulling vormen op die welke werden besproken onder artikel 191. De eerste regel is van toepassing wanneer de uit- kering gekoppeld is aan de waarde van rechten van deelneming in een ICBE, bijvoorbeeld aan de waarde van een SICAV, of van een intern fonds van de onderne- ming, bijvoorbeeld een mandje van aandelen of effecten. In dat geval moet de onderneming, ter dekking van de technische voorzieningen, activa aanhouden die “zo exact mogelijk” de activa dekken waaraan de uitkering is gekoppeld. De tweede regel heeft betrekking op de overeenkomsten waarvan de uitkering wordt bepaald aan de hand van een aandelenindex, bijvoorbeeld een beursindex of een referentiewaarde. Ook in dat geval wordt geëist dat de onderneming, ter dekking van de technische voorzieningen van die overeenkomsten, ac- tiva aanhoudt waarmee “zo exact mogelijk” het verloop van de index of de referentiewaarde kan worden gedekt. In beide bovengenoemde gevallen wordt geen volledi- ge overeenstemming geëist tussen de dekkingswaarden En outre, dans le cas des actifs représentant les provisions techniques, la Directive introduit deux règles supplémentaires. La première est qu’ils doivent être investis “dans le meilleur intérêt de tous les preneurs et bénéficiaires”. Telle qu’elle est exprimée, cette règle implique que l’entreprise ne peut introduire de discrimi- nation, au niveau des investissements, entre différentes catégories de preneurs et/ou de bénéficiaires. La seconde règle est qu’en cas de conflit entre les intérêts des preneurs et bénéficiaires et ceux de l’entreprise, de ses actionnaires ou de ses cocontractants (autres que les preneurs et bénéficiaires), l’entreprise doit donner la priorité à la satisfaction des intérêts des preneurs et bénéficiaires. Cette règle vaut aussi pour les entités qui gèrent, dans le cadre d’une sous-traitance, les actifs des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 192 Cette disposition, qui transpose l’article 132, para- graphe 3 de la Directive, ne concerne que les produits d’assurance vie dans lesquels le risque est supporté par le preneur, c’est-à-dire essentiellement les produits d’assurance vie liés à des fonds d’investissement et relevant de la branche 23 de l’Annexe II de la loi. Il n’est pas applicable lorsque le contrat prévoit une garantie de rendement, de conservation du capital ou toute autre forme de garantie (voir le dernier alinéa). L’article 192 en projet contient deux règles complé- mentaires à celles commentées sous l’article 191. La première s’applique lorsque la prestation est liée à la valeur de parts d’un OPCVM, par exemple à la valeur d’une SICAV, ou d’un fonds interne à l’entreprise, par exemple, un panier d’actions ou de titres. Dans ce cas, l’entreprise doit détenir, en représentation des provisions techniques, des actifs représentant “le plus étroitement possible”, les actifs auxquels la prestation est liée. La seconde règle concerne les contrats dont la prestation est déterminée en fonction d’un indice d’actions, par exemple un indice boursier, ou une valeur de référence. Dans ce cas également, on impose que l’entreprise détienne, en représentation des provisions techniques de ces contrats, des actifs permettant de représenter “aussi étroitement que possible”, l’évolution de l’indice ou de la valeur de référence. Dans l’un et l’autre cas mentionnés ci-dessus, il n’est pas exigé une identité totale entre les actifs 161 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 en de activa die als basis dienen voor de berekening van de verzekeringsuitkering. De uitdrukking “zo exact mo- gelijk” moet echter in strikte zin worden geïnterpreteerd. Het beginsel voor de verzekeringsproducten van tak 23 is dat de gestorte premie wordt belegd in welbepaal- de activa die uitdrukkelijk in de overeenkomst worden vermeld. Het is dus hoogst uitzonderlijk en tijdelijk dat de verzekeringsonderneming de technische voorzieningen met betrekking tot deze producten mag dekken met andere dan de contractueel bepaalde activa. Bovendien moet worden verduidelijkt dat de ontwerp- bepaling geen afbreuk doet aan artikel 20 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Dit laatste artikel beoogt de consument in België te beschermen door de indices en waarden te reglementeren waaraan een verzekeringsovereenkomst mag worden gekoppeld. De lidstaten zijn immers gemachtigd om dergelijke re- glementeringen vast te stellen op grond van artikel 133, lid 2 van de Richtlijn. Art. 193 Dit artikel, dat artikel 132, lid 4 van de Richtlijn omzet, heeft betrekking op de andere verzekeringsovereenkom- sten dan die bedoeld in artikel 192, d.w.z. alle producten waarvoor de onderneming een waarborg met betrekking tot het rendement of het behoud van kapitaal of een andere waarborg verleent. Het bevat tevens aanvul- lende regels ten opzichte van die van artikel 191 met betrekking tot bepaalde types van beleggingen. Deze regels zijn grotendeels overgenomen uit de bestaande reglementeringen, in het bijzonder artikel 21, § 1, van de wet van 16 februari 2006 en artikel 10, § 2, eerste lid van het Algemeen Reglement. De eerste van die regels bepaalt dat de beleggingen in derivaten uitsluitend moeten worden beperkt tot de gevallen waarin die beleggingen de risico’s beogen te beperken, bijvoorbeeld een renteswap, of het porte- feuillebeheer beogen te vergemakkelijken. Men denke hierbij aan een put-optie waarmee de verkoopprijs van een aandeel kan worden vastgelegd en dus definitief een meerwaarde op dat aandeel kan worden verworven. De tweede regel bepaalt dat niet op een geregle- menteerde markt verhandelde effecten in voorzichtige volumes moeten worden aangehouden. Dit vereiste dient te worden beoordeeld aan de hand van de onder- nemingsspecifieke omstandigheden. De derde en vierde regel bevatten een algemeen vereiste tot diversificatie, zowel ten aanzien van een individuele tegenpartij als ten aanzien van de groep représentatifs et ceux servant de base de calcul à la prestation d’assurance. Toutefois, l’expression “aussi étroitement que possible” doit être prise dans un sens strict. Le principe, pour les produits d’assurance de la branche 23, est que la prime versée soit investie dans des actifs bien déterminés et faisant l’objet de mentions explicites dans le contrat. Ce n’est donc que de manière tout à fait exceptionnelle et temporaire que l’entreprise d’assurance peut être autorisée à représenter les pro- visions techniques relatives à ces produits par d’autres actifs que ceux contractuellement prévus. En outre, il convient de préciser que la disposition en projet ne porte pas préjudice à l’article 20 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances. Ce dernier est une disposition qui vise à protéger le consommateur en Belgique en réglementant les indices et valeurs auxquels un contrat d’assurance peut être lié. Les États membres sont, en effet, habilités à prendre de telles réglementations sur la base de l’article 133, para- graphe 2 de la Directive. Art. 193 Cet article, qui transpose l’article 132, para- graphe 4 de la Directive, concerne les contrats d’assu- rance autres que ceux visés à l’article 192, c’est-à-dire tous les produits pour lesquels l’entreprise fournit une garantie de rendement, de conservation du capital ou autre. Il contient également des règles complémentaires par rapport à celle de l’article 191 et concernant certains types de placement. Ces règles sont en grande partie reprises des réglementations existantes, en particulier de l’article 21, § 1er, de la loi du 16 février 2006 et de l’article 10, § 2, al. 1er du Règlement Général. La première de ces règles impose de limiter les inves- tissements dans des produits dérivés aux seuls cas où ces placements visent à réduire les risques, par exemple un swap de taux, ou à faciliter la gestion du portefeuille. On peut ainsi imaginer une option put qui permet de fixer le prix de vente d’une action et donc d’acquérir de manière définitive une plus-value sur cette action. La deuxième règle impose que les titres non négo- ciés sur un marché réglementé soient maintenus à des niveaux prudents, cette exigence devant être appré- ciée en fonction des circonstances propres à chaque entreprise. Les troisième et quatrième règles reprennent l’exi- gence générale de diversification tant vis-à-vis d’une contrepartie individuelle que du groupe d’entreprises 162 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van ondernemingen waartoe die tegenpartij behoort. Tevens moet een te sterke geografische concentratie van de beleggingen worden vermeden. Daarentegen legt de ontwerpwet, overeenkomstig de Richtlijn, geen maximaal percentage aan beleggingen in bepaalde categorieën van activa op. Dergelijke limieten kunnen immers niet langer worden opgelegd met toepassing van artikel 133, lid 1 van de Richtlijn. Het zij tevens opgemerkt dat artikel 133, lid 2 van de Richtlijn de lidstaten verbiedt om de beleggingsbeslis- singen van de verzekerings- en herverzekeringson- dernemingen te onderwerpen aan een voorafgaande goedkeuring. Onderafdeling II Bijhouden van een doorlopende inventaris Art. 194 en 195 Onder de huidige regeling bestaat een van de belang- rijkste verplichtingen van de verzekeringsondernemin- gen erin onder de naam technische reserves of techni- sche voorzieningen de verplichtingen te berekenen en te boeken die op hen rusten, zowel voor de uitvoering van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten, als voor de toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen met betrekking tot die verrichtingen (art. 16, § 1 van de wet van 9 juli 1975). Die reserves of voorzie- ningen moeten op elk ogenblik op het actief van de ba- lans gedekt zijn door gelijkwaardige activa die in volle ei- gendom toebehoren aan de verzekeringsonderneming, en die in het bijzonder zijn toegewezen als waarborg van de hierboven bedoelde verplichtingen, per afzonderlijk beheer. Deze activa vormen de dekkingswaarden. De dekkingswaarden van de technische voorzieningen en schulden dienen rekening te houden met het type van verrichtingen die door de verzekeringsonderneming worden uitgevoerd om de veiligheid, het rendement en de liquiditeit van de beleggingen te garanderen. Ook moeten een passende diversificatie en spreiding van de beleggingen worden gerespecteerd. Het algemeen reglement formuleert talrijke regels met betrekking tot met name de lokalisatie van deze activa, de toegelaten beleggingscategorieën, de maximale verhoudingen voor de waarden per categorie of emittent, en de toegelaten affectatiewaarde. Zoals hierboven reeds aangegeven, verschilt de benadering van de Richtlijn inzake de berekening van de technische voorzieningen ten opzichte van de vorige regeling (zie commentaar bij de artikelen 124 en vol- gende). In het kort kan worden gesteld dat de waarde van de technische voorzieningen, in het kader van de nieuwe regeling, gelijk is aan de som van de beste auquel cette contrepartie appartient. Il convient aussi d’éviter une trop forte concentration géographique des placements. Par contre, conformément à la Directive, la loi en projet n’impose pas de quotité maximale d’inves- tissement dans des catégories d’actifs déterminés. De telles limites ne peuvent plus, en effet, être imposées en application de l’article 133, paragraphe 1er de la Directive. On notera également que l’article 133, para- graphe 2 de la Directive interdit aux États membres de soumettre les décisions d’investissement des entre- prises d’assurance et de réassurance à une approbation préalable. Sous-section II De la tenue d’un inventaire permanent Art. 194 et 195 Sous le régime actuel, l’une des obligations essen- tielles des entreprises d’assurance est de calculer et de comptabiliser sous le nom de réserves ou provi- sions techniques les obligations qui leur incombent tant pour l’exécution des contrats d’assurance qu’elles ont souscrits, que pour l’application des dispositions légales ou réglementaires relatives à ces opérations (art. 16, § 1er de la loi du 9 juillet 1975). Ces réserves ou provisions doivent être représentées à l’actif du bilan à tout moment par des actifs équivalents appartenant en pleine propriété à l’entreprise d’assurance et affectés spécialement à la garantie des obligations visées ci-des- sus, par gestion distincte. Ces actifs forment les valeurs représentatives. Les valeurs représentatives des provi- sions et dettes techniques doivent tenir compte du type d’opérations effectuées par l’entreprise d’assurance afin de garantir la sécurité, le rendement et la liquidité des investissements. Il faut aussi respecter une diver- sification et une dispersion adéquates des placements. Le règlement général énonce de nombreuses règles relatives notamment à la localisation de ces actifs, aux catégories de placement autorisées, aux proportions maximales des valeurs par catégories ou émetteurs et à la valeur d’affectation admise. Ainsi que cela a déjà été relevé ci-dessus, par rapport au régime antérieur, l’approche de la Directive diffère en matière de calcul des provisions techniques (voy. le commentaire sous les articles 124 et suivants). Dans le cadre du nouveau régime, pour faire bref, on peut dire que la valeur des provisions techniques est égale à la somme de la meilleure estimation (“best estimate”) et de 163 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 schatting (“best estimate”) en de risicomarge (“risk margin”) die moet overeenstemmen met het bedrag dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar contractuele rechten en verplichtingen per direct aan een andere onderneming zou overdragen, d.w.z. het bedrag dat die onderneming zou vragen om de verzekerings- en herverzekerings- verplichtingen over te nemen en na te komen. De berekening van de beste schatting (“best estimate”) stemt overeen met het kansgewogen gemiddelde van de kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld (d.w.z. de verwachte contante waarde van de toekomstige stromen) en gebruik wordt gemaakt van de risicovrije rentetermijnstructuur: het betreft dus de uitgaande toekomstige stromen vermin- derd met de geraamde inkomende stromen, uitgaande van probabilistische hypothesen over de risicofactoren die hen kunnen treffen, waarbij die stromen worden geactualiseerd. Hierbij komt de berekening van de risicomarge (“risk margin”) die rekening houdt met de kapitaalkosten waarmee een overnemer zou worden geconfronteerd (d.w.z. de kosten om een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen dat gelijk is aan het SCR dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan), alsook met de kenmerken van de overdracht van de verplichtingen. In deze nieuwe context heeft het begrip dekkings- waarden niet langer een specifieke reglementaire verankering. Toch neemt de Richtlijn als de bepalingen van de oude Richtlijn 2001/17/EG als dusdanig over voor wat betreft de materieelrechtelijke regels die een bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verze- kering garanderen. Zoals aangegeven in de commen- taar bij Boek VI, wordt deze bescherming, naar keuze van de lidstaten, verzekerd op één van de twee door de Richtlijn bepaalde wijzen of op beide (art. 275 van de Richtlijn): de lidstaten kunnen kiezen tussen ofwel aan de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering een absoluut voorrecht verlenen boven alle andere vorderingen , ofwel een speciale rang verlenen aan de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering door hen een algemeen voorrecht toe te kennen waarop vorderingen uit lonen, sociale zekerheid, fiscus en de zakelijke rechten of de gerechtskosten met betrekking tot de liquidatieprocedure evenwel voorrang kunnen hebben. Zo bepaalt ontwerpartikel 643 dat de activa die met toepassing van de artikelen 194 en 195 permanent worden aangehouden binnen de doorlopende inven- taris, per afzonderlijk beheer “bijzondere vermogens” vormen waarop de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering een bijzonder voorrecht genieten dat hen absolute voorrang verleent. la marge de risque (“risk margin”) qui doit correspondre au montant qu’une entreprise d’assurance ou de réas- surance devrait payer si elle transférait sur le champ ses droits et obligations contractuels à une autre entreprise, c.-à-d. le montant que cette entreprise demanderait pour reprendre et honorer les engagements d’assurance ou de réassurance. Le calcul de la meilleure estimation (“best estimate”) correspond à la moyenne, pondérée par leur probabilité, des flux de trésorerie, compte tenu de la valeur temporelle de l’argent (c.-à-d. de la valeur actuelle attendue des flux futurs) estimé sur la base de la courbe des taux sans risque: il s’agit donc des flux futurs sortants diminués des flux entrants estimés en utilisant des hypothèses probabilistes sur les facteurs de risque qui peuvent les affecter, ces flux faisant l’objet d’une actualisation. À cela s’ajoute, le calcul de la marge de risque (“risk margin”) qui prend en compte le coût du capital auquel serait confronté un repreneur (c.-à-d. le coût que représente la mobilisation d’un montant de fonds propres éligibles égal au SCR nécessaire pour ho- norer les engagements d’assurance et de réassurance pendant toute leur durée) ainsi que les caractéristiques du transfert des engagements. Dans ce contexte nouveau, le concept de valeurs représentatives ne trouve plus une consécration régle- mentaire spécifique. Néanmoins, la Directive reprend telles quelles les dispositions de l’ancienne directive 2001/17/CE en ce qui concerne les règles de droit matériel assurant une protection des créanciers d’assu- rance. Ainsi qu’on l’indique sous le commentaire du Livre VI, cette protection est assurée, au choix par les États membres, selon une des deux méthodes prévues par la Directive, ou encore selon les deux (art. 275 de la Directive): les États membres peuvent choisir entre soit prévoir, au bénéfice des créances d’assurance, un privilège absolu, qui prime toutes autres créances, sur les actifs représentatifs des provisions techniques, soit accorder un rang spécial aux créances d’assurance en leur conférant un privilège général susceptible toutefois d’être primé par les créances de salaires, de la sécurité sociale, du fisc et les droits réels ou encore les frais de justice relatif à la procédure de liquidation. C’est ainsi que l’article 643 en projet prévoit que les actifs détenus, en permanence, au sein de l’inventaire permanent en application des articles 194 et 195 forment, par gestions distinctes, des “patrimoines spéciaux” sur lesquels les créanciers d’assurance concernés bénéficient d’un privilège spécial conférant une priorité absolue. 164 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Om deze bescherming doeltreffend te maken, diende een wettelijke regeling te worden uitgewerkt voor het voorwerp van dit voorrecht, zowel inzake identificatie van de samenstellende activa, als inzake hun waarde (meer bepaald het bedrag ten belope waarvan er activa moeten worden aangehouden om het voorwerp van het voorrecht te vormen en de wijze waarop deze activa ge- waardeerd moeten worden om tot dit bedrag te komen). Dit wordt beoogd met de ontwerpartikelen 194 en 195. Zo moeten de verzekeringsondernemingen permanent, per afzonderlijk beheer, activa registreren — gewaar- deerd tegen hun marktwaarde — voor een bedrag dat hun verplichtingen dekt ten aanzien van de schuldeisers uit hoofde van verzekeringen zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een liquidatieprocedure tijdens dewelke een einde zou worden gemaakt aan de verzekeringsovereenkomsten. Deze verplichting dekt aldus de verzekeringsverplichtingen die, in een zogenaamd Solvency I-perspectief, zouden bepaald zijn alsof de verzekeringsovereenkomsten beëindigd werden. Volgens het afzonderlijke beheer (te weten een scheiding tussen niet-levensverzekeringsactiviteiten en levensverzekeringsactiviteiten en, binnen die laatste, een scheiding tussen de overeenkomsten die vallen onder tak 23 en die welke vallen onder de takken 26 en 27 — waarvoor het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer — die op hun beurt worden afgescheiden volgens de bestaande beleggingsfond- sen), zullen de activa de grondslagen vormen voor het bijzonder voorrecht dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering genieten. Zoals onder de regeling van artikel 16, § 3 van de wet van 9 juli 1975, moeten deze activa vrij zijn van alle lasten: elk actief dat bezwaard is met een zakelijk recht mag dus niet, voor het aangewende bedrag, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het in artikel 194 bedoelde vereiste. Voor zover nodig zij opgemerkt dat dit mechanisme, dat er aldus toe strekt de doeltreffendheid te verzekeren van het wettelijke voorrecht door consistentie te verle- nen aan het voorwerp van het voorrecht, als dusdanig geen invloed heeft op het eigenvermogensniveau van de verzekeringsonderneming. Indien er onvoldoende activa aanwezig zijn om het voorwerp van het voorrecht te vormen, zal de verzekeringsonderneming beschik- bare activa naar de doorlopende inventaris moeten overhevelen. Artikel 194 staat los van de regels inzake het eigen vermogen. De enige doelstelling van dit artikel bestaat erin te voorkomen dat andere schuldeisers van de on- derneming dan de houders van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering aanspraak kunnen maken op de activa die het voorwerp van het voorrecht vormen. Afin de donner une effectivité à cette protection, il convenait d’organiser le régime juridique de l’assiette de ce privilège à la fois sous l’angle de l’identification des actifs qui la composent mais également de leur valeur (plus précisément, du montant à concurrence duquel des actifs doivent être détenus pour composer cette assiette et de la manière de valoriser ces actifs pour arriver à ce montant). C’est ici l’objet des articles 194 et 195 en projet. Ainsi, les entreprises d’assurance doivent, en permanence, enregistrer, par gestions distinctes, des actifs — évalués à leur valeur de marché — pour un montant qui couvre leurs engagements à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation lors de laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance. Cette obligation couvre ainsi les engagements d’assurance déterminés, dans une optique dite Solvency I, comme s’il était mis fin aux contrats d’assurance. Selon les gestions distinctes (à savoir, une distinction activités non-vie et activités vie et, au sein de cette dernière, une distinction des affaires qui relèvent de la branche 23 ou des branches 26 et 27 — pour lesquelles le risque d’investissement est supporté par le preneur —, elles- mêmes distinctes selon les fonds d’investissement existants), les actifs formeront les assiettes du privilège spécial dont bénéficient les créanciers d’assurance. Comme sous le régime prévu par l’article 16, § 3 de la loi du 9 juillet 1975, ces actifs doivent être libres de toute charge: tout actif grevé d’un droit réel ne peut donc, pour le montant engagé, être pris en compte pour le calcul de l’exigence visée à l’article 194. Pour autant que de besoin, on précise que ce mécanisme qui tend ainsi à conférer une effectivité au privilège légal en veillant à garantir une consistance à l’assiette n’a pas, comme tel, d’incidence sur le niveau de fonds propres de l’entreprise d’assurance. Ainsi, en cas d’insuffisance d’actifs constitutifs de l’assiette, l’entreprise d’assurance devra faire glisser des actifs disponibles vers l’inventaire permanent. L’article 194 est une disposition autonome par rap- port aux règles relatives aux fonds propres. Son unique finalité est de soustraire les actifs composant l’assiette du privilège aux revendications d’autres créanciers de l’entreprise que les titulaires des créances d’assu- rance. Dans cette optique, il importe peu que les actifs 165 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In deze optiek is het van weinig belang of de activa die het voorwerp van het voorrecht vormen al dan niet ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste worden aangewend. De verandering inzake het gebruik van deze activa zal dus geen invloed hebben op het eigen vermogen van de verzekeringsonderneming dat ter dekking van de reglementaire vereisten wordt aangewend. Wat de doorlopende inventaris betreft die ertoe strekt per afzonderlijk beheer de activa te registreren (zie commentaar bij artikel 230) als bedoeld in artikel 194, bepaalt ontwerpartikel 195 dat de verzekeringsonderne- mingen de toestand van de doorlopende inventaris van elk afzonderlijk beheer aan de Bank moeten meedelen met inachtneming van de vorm en de inhoud die door haar zijn voorgeschreven en op de drager en binnen de termijn die door haar zijn bepaald. Conform het even- redigheidsbeginsel moet een dergelijke rapportering noodzakelijkerwijs voldoen aan de vereisten inzake praktische uitvoerbaarheid voor de ondernemingen en nut van de maatregel in het licht van het toezicht. Door het overleg tussen de toezichthouder en de betrokken sector, via zijn beroepsvereniging, wordt ook hier ge- waarborgd dat dit principe wordt nageleefd. Onderafdeling III Lokalisatie van de activa Art. 196 tot 198 Onderafdeling III behandelt de lokalisatie van de activa van de verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen, en zet aldus artikel 134 van de Richtlijn om. Het principe impliceert dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de vrijheid hebben om hun activa aan te houden binnen of buiten de Europese Economische Ruimte. Teneinde de risico’s te beperken, en met name de juridische risico’s, waaraan de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen blootstaan, en ook om de doeltreffendheid te verzekeren van een eventuele beslissing van de Bank om de vrije beschikking over de activa te beperken of te ontnemen, verbindt ontwerpartikel 197 evenwel voorwaarden aan deze vrijheid in bepaalde situaties, te weten in het ge- val waarin de activa worden aangehouden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot risico’s gelegen in de Europese Economische Ruimte. In die gevallen is het aanhouden van activa buiten de Ruimte slechts aanvaardbaar als die activa onroerende goederen zijn; of composant l’assiette du privilège viennent ou non en représentation du capital de solvabilité requis. Le changement d’affectation de ces actifs n’aura donc pas de conséquence sur les fonds propres de l’entreprise d’assurance couvrant les exigences réglementaires. S’agissant de la tenue de l’inventaire permanent ayant pour objet l’enregistrement, par gestions distinctes (voy. le commentaire de l’article 230), des actifs visés à l’article 194, l’article 195 en projet précise que les entreprises d’assurance communiquent la situation de l’inventaire permanent de chaque gestion distincte à la Banque en respectant la forme et le contenu prescrits par celle-ci et sur le support et dans le délai qu’elle fixe. Au titre du principe de proportionnalité, un tel reporting devra nécessairement concilier les exigences de pra- ticabilité pour les entreprises et d’utilité de la mesure au regard des nécessités de contrôle. La concertation entre autorité de contrôle et le secteur concerné, par le biais de son association professionnelle, est de nature à garantir ici aussi le respect de ce principe. Sous-section III Localisation des actifs Art. 196 à 198 La Sous-section III traite de la localisation des actifs des entreprises d’assurance ou de réassurance et transposant ainsi l’article 134 de la Directive. Le principe consiste dans la liberté pour les entre- prises d’assurance ou de réassurance de détenir leurs actifs dans ou en dehors de l’Espace économique européen. À des fins de limitations des risques, notam- ment juridiques, auxquels sont soumises les entreprises d’assurance ou de réassurance et également en vue d’assurer l’effectivité d’une éventuelle décision de la Banque de restreindre ou interdire la libre disposition des actifs, l’article 197 en projet conditionne toutefois cette liberté dans certaines situations, à savoir le cas des actifs détenus en couverture des provisions tech- niques afférentes à des risques situés dans l’Espace économique européen. Dans ces cas, une détention hors Espace n’est acceptable que lorsque les actifs sont des immeubles; ou 166 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — roerende goederen zijn (men denke aan financi- ele instrumenten) waarvoor de aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming toegekende rechten die voortvloeien uit de bewaargeving van deze activa bij een in bewaring nemende tussenpersoon, een zakelijk recht vormen op grond waarvan zij op deze activa aan- spraak kunnen maken, met uitsluiting van een eenvoudig vorderingsrecht. Deze voorwaarde is erop gericht een mogelijk risico te neutraliseren dat door de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen kan worden gelopen wanneer ze een beroep doen op tussenpersonen voor het aan- houden van hun activa, in het bijzonder hun financiële instrumenten. De voorwaarde brengt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming er ook toe voorzichtigheid, zorg en zorgvuldigheid aan de dag te leggen in de keuze van haar in bewaring nemende tussenpersonen. Een essentieel aspect dat moet worden onderzocht en opgevolgd door de verzekerings- of herverzekerings- onderneming wanneer zij haar effecten in bewaring wil geven buiten de Ruimte, betreft de aard van de rechten die voortvloeien uit de inschrijving van de financiële instrumenten op rekening van derde tussenpersonen. Het aspect van de financiële instrumenten die wor- den aangehouden bij een tussenpersoon roept uiterst delicate vragen op. Ten eerste moet, met toepassing van de regels van internationaal privaatrecht van de rechterlijke instanties die kunnen worden gesaisisseerd, de wetgeving worden vastgesteld die de aard van het recht zal regelen dat voortvloeit uit de inschrijving van de financiële instrumenten op rekening. Ten tweede moeten de materieelrechtelijke regels van de aldus ge- identificeerde wetgeving nog worden onderzocht, met name wat betreft de prerogatieven die ze verlenen in geval van een insolventieprocedure die de bewaarne- mer treft. Ten slotte moet nog worden bepaald in welke mate de eventuele internationale context al dan niet twijfels doet rijzen omtrent de toepassing van de aldus geïdentificeerde materieelrechtelijke regels of, met an- dere woorden, hoe ze moeten worden verzoend met de toepassing van de eventueel toepasbare lex concursus (zie in dit verband met name J.-P. Deguée, “La protection des avoirs de clients après MiFID”, Dr.banc.fin., 2008/1, p. 3 n°s 18-23). Wat betreft de financiële instrumenten, beroepen bepaalde wetgevingen zich op de gevolgen van het gemeen recht in geval van bewaargeving van effecten onder de vervangbaarheidsregeling, waarbij ervan uit- gegaan wordt dat het eigendomsrecht op de aldus in bewaring gegeven effecten verdwijnt ten gunste van een eenvoudig vorderingsrecht dat bestaat uit het recht om — des biens meubles (on pense à des instruments financiers) à propos desquels les droits conférés à l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la suite du dépôt de ces avoirs auprès d’un intermédiaire déposi- taire sont constitutifs d’un droit réel permettant l’exercice d’une revendication sur ces avoirs, à l’exclusion d’un simple droit de créance. Cette condition tend à neutraliser un risque suscep- tible d’être encouru par les entreprises d’assurance ou de réassurance lorsqu’elles recourent à une détention intermédiée de leurs avoirs, en particulier leurs instru- ments financiers. La condition conduit ainsi l’entreprise d’assurance ou de réassurance à faire preuve de pru- dence, soin et diligence dans le choix de ses intermé- diaires dépositaires. Un aspect essentiel qui doit faire l’objet d’un examen et d’un suivi menés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance lorsqu’elle entend procéder au dépôt de ses avoirs mobiliers en dehors de l’Espace, concerne la nature des droits découlant de l’inscription des ins- truments financiers en compte au niveau des intermé- diaires tiers. En matière d’instruments financiers détenus sur une base intermédiée, cet aspect soulève des questions extrêmement délicates. Premièrement, il convient en application des règles de droit international privé des juridictions susceptibles d’être saisies, de déterminer la législation qui régira la nature du droit découlant de l’inscription des instruments financiers en compte. Deuxièmement, il convient encore de procéder à un examen des règles de droit matériel de la législation ainsi identifiée, notamment au regard des prérogatives qu’elles confèrent en cas de procédure d’insolvabilité touchant le dépositaire. Enfin, il convient encore de déterminer dans quelle mesure l’éventuel contexte d’in- ternationalité remet ou non en cause l’application des règles de droit matériel ainsi identifiées ou, en d’autres termes, comment les concilier avec l’application des éventuelles lex concursus susceptibles de s’appliquer (sur ces aspects, voy. notamment J.-P. Deguée, “La protection des avoirs de clients après MiFID”, Dr.banc. fin., 2008/1, p. 3 n°s 18-23). En matière d’instruments financiers, certaines législa- tions s’en remettent aux conséquences du droit commun en cas de dépôt de titres en régime de fongibilité et considèrent que le droit de propriété sur les titres ainsi déposés disparaît au profit d’un simple droit de créance consistant dans le droit de se faire livrer une quan- tité donnée de titres équivalents. D’autres législations 167 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zich een bepaalde hoeveelheid gelijkwaardige effecten te doen leveren. Andere wetgevingen voorzien uitdruk- kelijk in het bestaan van een zakelijk, eigendoms- of mede-eigendomsrecht (met name al naargelang de wetgeving de individualisering van de effecten vereist op naam van hun houder, of de collectieve bewaargeving van de effecten in vervangbaarheid toelaat). Zo bepaalt het Belgische recht dat de effecten die onderworpen zijn aan een vervangbaarheidsregeling overeenkomstig koninklijk besluit nr. 623, een mede-eigendomsrecht van immateriële aard verlenen aan de gezamenlijke deponenten op de universaliteit van effecten van de- zelfde aard — een vervangbare massa van effecten ingeschreven op rekening — die bij de bewaarnemer in bewaring zijn gegeven, waardoor ten aanzien van de tussenpersoon een vordering tot teruggave kan worden uitgeoefend, een recht dat trouwens aan derden kan worden tegengeworpen. De voorwaarde die door de ontwerpbepaling wordt geformuleerd, strekt er dus toe de mogelijkheden te omkaderen voor het aanhouden van activa buiten de Europese Economische Ruimte, door de juridische risico’s te neutraliseren waaraan de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zouden kunnen worden blootgesteld. Voor de roerende goederen bepaalt de ontwerpbepa- ling bovendien dat de betrokken in bewaring nemende tussenpersoon aan de Bank een verklaring moet afle- veren waarin hij zich ertoe verbindt om gevolg te geven aan alle beslissingen om de vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming te beperken of te ontnemen, die met toepassing van de ontwerpwet zijn genomen. Naar het voorbeeld van de intracommunautaire situaties waarvoor de artikelen 139, lid 3 en 140 van de Richtlijn de doel- treffendheid van de nationale maatregelen binnen de Europese Economische Ruimte verzekeren, beoogt de onder artikel 197, 2°, b) bedoelde voorwaarde dezelfde doeltreffendheid te verlenen aan die maatregelen met betrekking tot de buiten de Europese Economische Ruimte in bewaring gegeven activa. Ontwerpartikel 198 voorziet tevens in de mogelijkheid om voorwaarden vast te leggen met betrekking tot de herverzekeringsovereenkomsten die gesloten worden met een onderneming die onder een derde land res- sorteert, en waarvan de solvabiliteitsregeling niet gelijk- waardig wordt geacht in de zin van ontwerpartikel 600. 3 Gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaarge- ving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, zoals gecoördineerd door het koninklijk besluit van 27 januari 2004. prévoient quant à elles expressément l’existence d’un droit réel, de propriété ou de copropriété (selon notam- ment que la législation requiert l’individualisation des titres au nom de leur titulaire ou qu’elle admet le dépôt collectif des titres en fongibilité). Ainsi, le droit belge prévoit que les titres soumis à un régime de fongibilité conformément à l’arrêté royal n° 623 confèrent un droit de copropriété de nature incorporelle à l’ensemble des déposants sur l’universalité des titres de même espèce — masse fongible de titres inscrits en compte — déposés auprès du dépositaire, permettant l’exercice à l’encontre de l’intermédiaire d’un droit de revendication, par ailleurs opposable à tous. La condition énoncée par la disposition en projet vise donc à encadrer les possibilités de détention hors Espace économique européen en neutralisant les risques juridiques auxquels pourraient être soumises les entreprises d’assurance ou de réassurance. Pour les biens meubles, la disposition en projet pré- voit, en outre, que l’intermédiaire dépositaire concerné doit fournir à la Banque une attestation selon laquelle il s’engage à faire suite à toutes décisions de restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance prononcées en application de la loi en projet. À l’instar des situations intra-communautaires pour lesquelles les articles 139, paragraphe 3 et 140 de la Directive assurent l’effectivité des mesures nationales au sein de l’Espace écono- mique européen, la condition prévue sous l’article 197, 2°, b) vise à conférer la même effectivité à ces mesures s’agissant des avoirs déposés hors Espace économique européen. L’article 198 en projet prévoit encore la possibilité de fixer des conditions en ce qui concerne les contrats de réassurance conclus avec une entreprise qui relève du droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité n’est pas réputé équivalent au sens de l’article 600 en projet. 3 Arrêté royal n° 62  coordonné relatif au dépôt d’instruments financiers fongibles et à la liquidation d’opérations sur ces ins- truments, tel que coordonné par l’arrêté royal du 27 janvier 2004. 168 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK VII Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels Hoofdstuk VII bevat de essentiële regels — in het bijzonder de rechtsgrondslag die nodig is voor de regle- mentaire teksten van voornamelijk technische aard — inzake boekhouding die moeten worden nageleefd door de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en inzake de periodieke informatie die moet worden vers- trekt — bovenop de informatie die reeds vereist is met toepassing van de rechtstreeks toepasselijke Europese teksten — aan de Bank met het oog op de uitoefening van haar toezicht. Zo worden in ontwerpartikel 199 artikel 96, § 1, 1° van de wet van 9 juli 1975 en artikel 29, § 2 van de wet van 16 februari 2009 overgenomen voor wat betreft de juri- dische grondslag met betrekking tot de boekhoudregels, die wordt aangevuld voor wat betreft de geconsolideerde rekeningen. Ontwerpartikel 200 neemt artikel 14, § 2, vierde lid van de wet van 9 juli 1975 over voor wat betreft de boekhoudkundige scheiding van de activiteiten leven en niet-leven, waarbij de ontwerpbepaling meer details geeft om de omzetting te verzekeren van artikel 74, lid 6 van de Richtlijn. Ontwerpartikel 201 vormt de juridische grondslag voor de bepalingen van reglementaire aard die door de Bank moeten worden opgesteld met betrekking tot de periodieke informatie die nodig is voor haar toezicht op de naleving van de bepalingen van de ontwerpwet, van de uitvoeringsbesluiten en —reglementen ervan en van de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn, in het bijzonder Verordening 2015/35. Ontwerpartikel 202 neemt artikel 22, § 3, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 en artikel 29, § 3 van de wet van 16 februari 2009 over voor wat betreft de verplichting voor het directiecomité om te verklaren dat de periodieke staten die door de onderneming worden overgemaakt, stroken met de reglementering. Ontwerpartikel 203 neemt artikel 22, § 3, eerste lid in fine van de wet van 9 juli 1975 en artikel 29, § 1 in fine van de wet van 16 februari 2009 over voor wat betreft de mogelijkheid voor de Bank om afwijkingen op de voornoemde regels toe te staan. CHAPITRE VII Des informations périodiques et des règles comptables Le Chapitre VII contient les règles essentielles — en particulier, les bases juridiques nécessaires aux textes réglementaires de nature essentiellement technique — en matière comptable à respecter par les entreprises d’assurance et de réassurance et d’informations périodiques à fournir — en sus des informations déjà requises en application des textes européens directe- ment applicables — à la Banque en vue de l’exercice de son contrôle. Ainsi l’article 199 en projet constitue la reprise de l’article 96, § 1er, 1° de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 29, § 2 de la loi du 16 février 2009 en ce qui concerne la base juridique relative aux règles comp- tables, cette base juridique étant complétée en ce qui concerne les comptes consolidés. L’article 200 en projet constitue la reprise de l’ar- ticle 14, § 2, alinéa 4 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qui concerne la séparation comptable des activités vie et non-vie, la disposition en projet faisant l’objet d’un niveau de détails plus développé en vue d’assurer la transposition de l’article 74, paragraphe 6 de la Directive. L’article 201 en projet constitue la base juridique pour les dispositions de nature réglementaires à établir par la Banque en ce qui concerne les informations périodiques nécessaires à son contrôle du respect des dispositions de la loi en projet, de ses arrêtés et règlements d’exé- cution et des mesures d’exécution de la Directive, en particulier le règlement 2015/35. L’article 202 en projet constitue la reprise de l’ar- ticle 22, § 3, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 29, § 3 de la loi du 16 février 2009 en ce qui concerne l’obligation pour le comité de direction d’effec- teur une déclaration de conformité (à la réglementation) des états périodiques transmis par l’entreprise. L’article 203 en projet constitue la reprise de l’ar- ticle 22, § 3, alinéa 1erin fine de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 29, § 1erin fine de la loi du 16 février 2009 en ce qui concerne la possibilité pour la Banque d’autoriser des dérogations aux règles précitées. 169 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK VII Herstelplannen Het herstel en de afwikkeling van de financiële instel- lingen in moeilijkheden hebben recentelijk een sterke ontwikkeling doorgemaakt, vooral voor kredietinstellin- gen, waarvoor een Europese richtlijn4 een alomvattende regeling heeft opgesteld, gericht op de harmonisatie van de afwikkelingsprocedures voor het in gebreke blijven van kredietinstellingen, en op de instelling van een rege- ling die aan de toezichthouders instrumenten verschaft waarmee ze vroeg genoeg en snel tussenbeide kunnen komen bij een in gebreke blijvende kredietinstelling, teneinde de continuïteit van haar kritieke functies te verzekeren en tevens de weerslag van haar in gebreke blijven op het financiële stelsel te beperken. De in- strumenten waarin deze richtlijn voorziet, omvatten de verplichting voor de kredietinstellingen om zogenaamde herstelplannen op te stellen die de mogelijke maatrege- len beschrijven om haar financiële positie te herstellen wanneer deze aanzienlijk verslechtert. Op grond van deze ervaring en in het licht van de internationale standaarden, in het bijzonder van Principe 10.4 van de “Insurance Core Principles, Standards, Guidance and Assessment Methodology” (afgekort “Insurance Core Principles” of ICPs), gaat het voorlig- gende ontwerp aldus uit van de bepalingen van de bankwet van 25 april 2014 ter zake, niet om de opstel- ling van een herstelplan verplicht te maken voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, maar om de Bank in staat te stellen een dergelijk plan op te leggen wanneer ze dit gerechtvaardigd acht gelet op de mogelijke risico’s op een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming, en dit in het licht van diverse criteria zoals haar bedrijfsmodel, haar juridische struc- tuur, de inherente kenmerken van de groep waarvan ze deel uitmaakt, haar risicoprofiel, de kenmerken van de door haar in de handel gebrachte producten, … In plaats van systematisch een dergelijk plan op te leggen aan alle verzekerings- en herverzekeringsonder- nemingen, wat buiten proportie zou kunnen lijken, werd het raadzamer geacht de voorkeur te geven aan de optie waarbij de Bank kan beslissen om een dergelijke ver- plichting — waarvan de krijtlijnen overigens zijn uitgezet 4 Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/ EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PBEU, nr. L 173 van 12.6 2014, blz. 190). CHAPITRE VII Plans de redressement Le redressement et la résolution des établisse- ments financiers en difficulté ont récemment connu un développement important, essentiellement en ce qui concerne les établissements de crédit à propos desquels une directive européenne4 a établi un régime global visant à harmoniser les procédures de résolution des défaillances d’établissements de crédit et à instituer un régime octroyant aux autorités de contrôle des instru- ments leur permettant d’intervenir suffisamment tôt et rapidement dans un établissement de crédit défaillant, afin d’assurer la continuité de ses fonctions critiques, tout en limitant l’impact de sa défaillance sur le système financier. Parmi les instruments qu’elle prévoit, cette directive impose l’obligation pour les établissements de crédit d’établir des plans dit de redressement décrivant les mesures possibles pour rétablir sa position financière en cas de détérioration significative de celle-ci. Sur la base de cette expérience et à la lumière des standards internationaux, en particulier du Principe (Insurance Core Principles — “ICPs”) n°  10.4  des “Insurance Core Principles, Standards, Guidance and Assessment Methodology”, le présent projet entend ainsi s’inspirer des dispositions de la loi bancaire du 25 avril 2014 en la matière afin, non pas de rendre obligatoire à toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance l’établissement d’un plan de redresse- ment mais de permettre à la Banque d’imposer un tel plan lorsqu’elle l’estime justifié au regard de risques potentiels d’une dégragation significative de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance et ce, à la lumière de divers critères comme son modèle d’entreprise, sa structure juridique, les carac- téristiques inhérentes au groupe dont elle fait partie, son profil de risque, les caractéristiques des produits commercialisés, ... Plutôt que d’imposer de manière systématique un tel plan à toutes les entreprises d’assurance et de réassurance, ce qui aurait pu paraître disproportionné, il a été estimé plus judicieux de préférer l’option selon laquelle il revient à la Banque d’imposer une telle obliga- tion — dont les contours sont par ailleurs définis par les 4 Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/ UE et les règlements (UE) no 1093/2010 et (UE) no 648/2012, du Parlement européen et du Conseil (JOUE, n° L 173 du 12.6 2014, p. 190). 170 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 door de ontwerpbepalingen — op te leggen wanneer zij dit noodzakelijk acht in het licht van de mogelijke risico’s op een verslechtering van de financiële positie van de betrokken onderneming. Op het vlak van de gehanteerde terminologie mo- gen de hier besproken herstelplannen niet verward worden met de saneringsplannen en de plannen inzake financiering op korte termijn als bedoeld in de artikelen 510  tot 512  in geval van niet-naleving van respectievelijk het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste. Een herstelplan moet de maatregelen beschrijven waarin de onderneming voorziet om haar financiële po- sitie te herstellen wanneer deze aanzienlijk verslechtert. In dit opzicht moet het herstelplan uitgaan van verschil- lende scenario’s van een ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurte- nissen, crises die specifiek zijn voor de onderneming, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de verzekerings- of herverzekerings- onderneming deel uitmaakt, betrokken zijn. Ontwerpartikel 205 bepaalt de voorwaarden waaraan een herstelplan moet voldoen. Zo moet een dergelijk plan kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren bevatten die aangeven op welke tijdstippen de leiding van de onderneming moet onderzoeken of in het plan opgeno- men maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd. Naargelang de specifieke aard van het geval, kan de Bank specifieke inhoudelijke elementen en informatie vereisen (ontwerpartikel 207). Om relevant te blijven, moet het herstelplan worden geactualiseerd, en dit ten minste eens per jaar of telkens wanneer de Bank dit eist of na elke wijziging in de juridische of organisatie- structuur, de activiteiten of de financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 208 tot 211 De Bank beoordeelt het herstelplan dat haar door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt meegedeeld. Indien dit plan niet bevredigend is, kan zij van de onderneming eisen dat ze het wijzigt en, indien de aangebrachte wijzingen niet bevredigend zijn, dat zij de passende maatregelen neemt om de tekortkomingen van het plan te verhelpen, met name ten aanzien van de doelstellingen zoals geformuleerd in ontwerpartikel 210, tweede lid. Deze maatregelen mogen evenwel niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om de geïdentifi- ceerde tekortkomingen te verhelpen. dispositions en projet — lorsqu’elle l’estime nécessaire au regard des risques potentiels de dégradation de la situation financière de l’entreprises concernée. Sur le plan de la terminologie employée, on se gardera de confondre les plans de redressement ici commentés avec les programmes de rétablissement et les plans de financement à court terme prévus sous les articles 510 à 512 en cas non-respect respective- ment des exigences de capital de solvabilité requis et minimum de capital requis. Un plan de redressement doit décrire les mesures que l’entreprise prévoit pour rétablir sa position financière en cas de détérioration significative de celle-ci. À cet égard, le plan doit nécessairement appréhender différents scé- narios de crise macro-économique ou financière grave, y compris des événements d’ampleur systémique, des crises spécifiques à l’entreprise et, le cas échéant, des crises impliquant des entités du groupe dont l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie. L’article 205 en projet précise les conditions aux- quelles doit répondre un plan de redressement. Ainsi, un tel plan doit comporter des indicateurs quantitatifs et qualitatifs indiquant les moments auxquels la direction de l’entreprise doit examiner si des mesures prévues dans le plan doivent être mises en œuvre. Selon la particularité du cas d’espèce, la Banque peut requérir des éléments de contenu et d’information particuliers (article 207 en projet). Afin de garder sa pertinence, le plan de redressement doit faire l’objet d’une actualisa- tion et ce, au minimum sur une base annuelle ou encore lorsque la Banque le requiert ou après toute modifica- tion de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 208 à 211 La Banque évalue le plan de redressement qui lui est communiqué par l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance. Si ce plan n’est pas satisfaisant, elle peut exiger de l’entreprise qu’elle le modifie et, si les modifications apportées ne sont pas satisfaisantes, qu’elle prenne les mesures appropriées pour remédier aux lacunes du plan, notamment au regard des objectifs énoncés par l’article 210, alinéa 2 en projet. Ces mesures ne peuvent toutefois aller au-delà de ce qui est nécessaire pour remédier aux lacunes identifiées. 171 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming oordeelt dat zij corrigerende maatregelen moet nemen in het kader van de tenuitvoerlegging van haar herstelplan naar aanleiding van het onderzoek (dat in het licht van de kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een mogelijke verslechtering van haar financiële positie werd gevoerd) zoals bedoeld in ontwerpartikel 205, stelt zij de Bank hiervan in kennis. Evenzo stelt zij de Bank in kennis indien dit onderzoek haar ertoe brengt te beslissen geen corrigerende maatregelen ten uitvoer te leggen. In een dergelijke geval kan de Bank nog steeds een onverantwoorde passiviteit van de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming verhelpen, door haar de goedkeuring van in het plan bepaalde correctieve maatregelen op te leggen. HOOFDSTUK IX Specifieke bepalingen met betrekking tot het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf Afdeling I Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen Onderafdeling I Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet-levensverzekeringen Art. 212 De Richtlijn bevat een aantal bepalingen die van toepassing zijn op niet-levensverzekeringsovereenkom- sten, die evenwel niet moeten worden omgezet in het kader van het voorliggende ontwerp. Het betreft immers hetzij bepalingen die de lidstaten verbieden om wetge- ving vast te stellen voor bepaalde aangelegenheden, zoals de systematische en voorafgaande goedkeuring van de voorwaarden van de verzekeringsovereenkom- sten (art. 181, lid 1 van de Richtlijn) of de controle op de tarieven buiten een algemeen prijscontrolebeleid (art. 181, lid 3 van de Richtlijn), hetzij bepalingen die betrekking hebben op de bescherming van of de infor- matieverstrekking aan de consument (artikelen 183 en 184 van de Richtlijn). De bepalingen met betrekking tot de rechtsbijstandsverzekering (artikelen 198 tot 205 van de Richtlijn) zijn overgenomen uit voorgaande richtlijnen en werden reeds omgezet in de wet van 4 april 2014 be- treffende de verzekeringen (artikelen 154 en 157) en in het koninklijk besluit van 12 oktober 1990 betreffende de rechtsbijstandsverzekering. Artikel 189 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten de niet-levensverzekeringsondernemingen mogen verplich- ten deel te nemen aan regelingen die bedoeld zijn om Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance considère qu’elle doit prendre des mesures correc- trices dans le cadre de la mise en œuvre de son plan de redressement au regard de l’examen (mené à la lumière des indicateurs qualitatifs et quantitatifs d’une détérioration potentielle de sa situation financière) visé à l’article 205 en projet, elle en informe la Banque. De même, si cet examen conduit l’entreprise à décider de ne pas mettre en œuvre de mesures correctrices, elle en informe également la Banque. Dans une telle hypothèse, la Banque reste à même de remédier à une passivité injustifiée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, en lui imposant l’adoption de mesures correctrices prévues dans le plan. CHAPITRE IX Dispositions spécifiques liées à l’activité d’assurance et de réassurance Section Ire Dispositions particulières relatives à l’assurance Sous-section Ire Dispositions particulières en matière d’assurance non-vie Art. 212 La Directive comprend un certain nombre de dispo- sitions applicables aux contrats d’assurance non-vie lesquelles ne doivent cependant pas faire l’objet d’une transposition dans le cadre du présent projet. En effet, il s’agit soit de dispositions qui interdisent aux États membres de légiférer dans certaines matières telles que l’approbation systématique et préalable des conditions contractuelles (art. 181, paragraphe 1er de la Directive) ou le contrôle des tarifs en dehors d’une politique générale de contrôle des prix (art. 181, paragraphe 3 de la Directive), soit de dispositions qui relèvent de la pro- tection ou de l’information des consommateurs (articles 183 et 184 de la Directive). En particulier, les dispositions relatives à l’assurance protection juridique (articles 198 à 205 de la Directive) sont reprises des directives antérieures et ont déjà été transposées dans la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances (articles 154 à 157) et dans l’arrêté royal du 12 octobre 1990 relatif à l’assurance protection juridique. L’article 189 de la Directive prévoit que les États membres peuvent imposer aux entreprises d’assurance non-vie de participer à des régimes destinés à garantir 172 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de betaling van schadevergoeding aan verzekerden en benadeelde derden te garanderen. Dit artikel werd niet formeel omgezet, maar vormt de juridische grondslag voor de verplichtingen tot aansluiting van elke onder- neming die onder een andere lidstaat ressorteert, bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Fonds voor Arbeidsongevallen voor wat betreft de schadeloosstelling van de slachtoffers ingeval de verzekeringsplichtige niet aan zijn verzekeringsplicht heeft voldaan. Artikel 207 van de Richtlijn, dat betrekking heeft op de arbeidsongevallenverzekering, vereist geen omzet- ting; het vormt de basis waarop de toezichthouder kan steunen om aan ondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren, de verplichtingen op te leggen die voortvloeien uit de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. De voorgaande overwegingen verklaren waarom de specifieke bepalingen met betrekking tot de niet- levensverzekering beperkt zijn tot één enkel artikel betreffende de winstdelingen en restorno’s. Dit artikel bevat het verbod om een winstdeling of restorno te waarborgen vóór de datum van de winst- verdeling, dat wil zeggen de datum van de algemene vergadering die de jaarrekening goedkeurt. Het tweede lid van de bepaling, dat de Koning toelaat de winstverdeling en —toekenning te reglementeren, vormt de wettelijke basis voor het vastleggen van een soortgelijke bepaling als die van het huidige artikel 12bis van het Algemeen Reglement. Onderafdeling II Bijzondere bepalingen met betrekking tot levensverzekeringen Net zoals voor de niet-levensverzekering, bevat de Richtlijn een aantal bepalingen met betrekking tot de levensverzekering en moeten sommige van deze bepa- lingen, om dezelfde redenen, niet worden omgezet in het kader van het voorliggende ontwerp: verbod op vooraf- gaande goedkeuring en systematische mededeling van de voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten (art. 182 van de Richtlijn), informatieverstrekking aan de verzekeringnemers (art. 185 van de Richtlijn), opzegter- mijn (art. 186 van de Richtlijn)… Aangezien de materie van de levensverzekeringen vrij technisch van aard is, werd het passend geacht in een toereikende wettelijke basis te voorzien om deze activiteit te reglementeren via een koninklijk besluit dat, voor de prudentiële aspecten, in de plaats zou komen van het huidige koninklijk besluit le paiement des créances d’assurance aux assurés et aux tiers lésés. Cet article n’a pas été formellement transposé mais il constitue la base juridique des obli- gations d’affiliation de toute entreprise relevant du droit d’un autre État membre au Fonds commun de garantie belge et au Fonds des accidents du travail pour ce qui concerne l’indemnisation des victimes dans le cas où le débiteur de l’obligation d’assurance n’a pas satisfait à cette dernière. L’article 207 de la Directive, qui se rapporte à l’assu- rance des accidents du travail, ne requiert pas une transposition; il constitue la base permettant d’imposer à toute entreprise relevant du droit d’un autre État membre les obligations découlant de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. Les considérations qui précèdent expliquent que les dispositions particulières relatives à l’assurance non- vie se limitent à un seul article relatif aux participations bénéficiaires et aux ristournes. Cet article reprend l’interdiction de garantir une parti- cipation bénéficiaire ou une ristourne avant la date de la répartition du bénéfice, c’est-à-dire celle de l’assemblée générale qui approuve les comptes annuels. Le second alinéa de la disposition, qui permet au Roi de réglementer la répartition et l’attribution des participations bénéficiaires, constitue la base légale pour prendre une disposition analogue à l’actuel article 12bis du Règlement Général. Sous-section II Dispositions particulières en matière d’assurance-vie Tout comme pour l’assurance non-vie, la Directive comprend certains dispositions relatives à l’assurance vie et, pour les mêmes raisons, certaines de celles-ci ne doivent pas faire l’objet d’une transposition dans le cadre du présent projet: interdiction de l’approba- tion préalable et de la notification systématique des conditions contractuelles (art. 182  de la Directive), informations à l’attention des preneurs d’assurance (art. 185 de la Directive), délai de renonciation (art. 186 de la Directive)… La matière de l’assurance vie étant relativement technique, il a été jugé opportun de prévoir une base légale suffisante en vue de réglementer cette activité par la voie d’un arrêté royal qui, pour les aspects prudentiels, se substituerait à l’actuel arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assu- rance sur la vie (ci-après “l’arrêté-vie”). Le projet de loi 173 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van 14 november 2003 betreffende de levensverzeke- ringsactiviteit (hierna “het besluit leven”). Het wetsont- werp omvat derhalve slechts de bepalingen die nodig zijn om een dergelijke wettelijke basis te formaliseren. Art. 213 Sommige van de definities zijn overgenomen uit het huidige besluit leven (zie bijlage 2 van dat besluit). Voor de definitie van “winsttoekenning” werden de twee ge- vallen waarin het huidige besluit leven voorziet, namelijk de voorwaardelijke toekenning en de onvoorwaardelijke toekenning, samengevoegd in dezelfde definitie. Deze definities zullen vervolledigd kunnen worden door het besluit dat op basis van ontwerpartikel 221 zal worden genomen. Art. 214 De verplichting om de technische grondslagen en methodes voor de levensverzekeringsovereenkomsten vóór de toepassing ervan mee te delen, is overgenomen uit artikel 22 van het besluit leven. Deze bepaling is toegelaten op grond van artikel 182, tweede alinea van de Richtlijn. Zoals in dit artikel van de Richtlijn wordt bepaald, vormt de kennisgeving geen voorafgaande voorwaarde voor de uitoefening van de activiteit. Het tweede lid van de ontwerpbepaling houdt in dat de in het eerste lid bedoelde types van producten via een reglement van de Bank kunnen worden bepaald, zodat de door de verzekeringsondernemingen meegedeelde gegevens kunnen worden vergeleken. Art. 215 Deze bepaling zet artikel 209 van de Richtlijn om, en neemt de beginselen van artikel 24, § 1 van het besluit leven over, volgens dewelke de premies en inkomsten uit de belegging ervan toereikend moeten zijn, zodat de verzekeringsonderneming aan al haar verplichtingen kan voldoen zonder systematische inbreng van andere middelen. De bedoeling bestaat er voornamelijk in een gezonde concurrentie te verzekeren die gebaseerd is op een voorzichtige tarifering, en te vermijden dat de verzekeringsondernemingen marktaandeel trachten te winnen door middel van dumping gefinancierd met eigen vermogen. ne comprend dès lors que les dispositions nécessaires afin de formaliser une telle base légale. Art. 213 Quelques définitions sont reprises de l’actuel arrê- té-vie (voir l’annexe 2 de cet arrêté). Pour la définition d’“attribution de la participation bénéficiaires”, les deux hypothèses de l’actuel arrêté vie, à savoir l’attribution conditionnelle et l’attribution inconditionnelle, ont été fusionnées dans la même définition. Ces définitions pourront être complétées par l’arrêté pris sur la base de l’article 221 en projet. Art. 214 L’obligation de communiquer, préalablement à leur mise en application, les bases et méthodes techniques des contrats d’assurance vie est reprise de l’article 22 de l’arrêté-vie. Cette disposition est autorisée par l’article 182, alinéa 2 de la Directive. Comme prévu par cet article de la Directive, la notification ne constitue pas une condition préalable à l’exercice de l’activité. Le second alinéa de la disposition en projet permet, par un règlement de la Banque, de déterminer les types de produits visés par son alinéa 1er de manière à per- mettre la comparabilité des données transmises par les entreprises d’assurance. Art. 215 Cette disposition transpose l’article 209 de la Directive et reprend les principes de l’article 24, § 1er de l’arrêté vie, selon lesquels les primes et les revenus tirés du placement de celles-ci doivent être suffisants pour que l’entreprise d’assurance puisse satisfaire à l’ensemble de ses engagements sans apport systématique d’autres ressources. L’objectif principal consiste à assurer une concurrence saine basée sur une tarification prudente et d’éviter que des entreprises d’assurance tentent de gagner des parts de marché par la pratique de dumping financée par les fonds propres. 174 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 216 — Algemeen Deze bepaling betreft de vaststelling van een maxi- male technische rentevoet en vervangt tegelijk artikel 19, §§ 2 en 3 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 24, §§ 2 tot 4 van het besluit leven. De vaststelling van een maximale technische ren- tevoet is een prudentiële maatregel. De bedoeling is immers niet om iedere verzekeringnemer afzonderlijk te beschermen, aangezien ze de verzekeringsonder- nemingen niet verbiedt een contractuele rentevoet vast te stellen die lager is dan het wettelijk maximum. De maatregel beoogt veeleer om de solvabiliteit van de verzekeringsonderneming op lange termijn te waarbor- gen en om de negatieve effecten van de concurrentie te vermijden tussen de verzekeringsondernemingen die het grootste verkoopvolume op korte termijn nastreven ten nadele van de winstgevendheid van de producten op lange termijn. Het kan voor een verzekeringsonderneming immers aanlokkelijk zijn om overeenkomsten met hoge rente- voeten aan te bieden, terwijl ze geen of onvoldoende activa heeft om het beloofde rendement op lange termijn te kunnen dekken. Voor bepaalde verzekeringsproduc- ten is het soms ook moeilijk om activa te vinden die hetzelfde rendement over dezelfde looptijd bieden. Als de technische rentevoet te hoog blijkt, kan de verzeke- ringsonderneming niet langer aan haar verplichtingen voldoen zonder maatregelen te nemen om de situatie te herstellen. Er moet worden vastgesteld dat de maatregelen om aan deze problematiek het hoofd te kunnen bieden, vooral de preventieve maatregelen, niet erg talrijk zijn en nagenoeg altijd ongewenste effecten voor de verze- keringnemers of de begunstigden vertonen. Wat de preventieve maatregelen betreft, kunnen we enkel artikel 215 vermelden, dat de ondernemingen verplicht om voorzichtigheid aan de dag te leggen bij het opstellen van hun tarieven. De Bank kan uitsluitend optreden in enkele gevallen waar de onderneming onvoorzichtigheid aan de dag heeft gelegd. Door de afwezigheid van een controle a priori op de tarieven zal de Bank bovendien maar kunnen reageren na het op de markt brengen van de gewraakte producten. De overige maatregelen mogen slechts worden geno- men wanneer het onevenwicht tussen de inkomende en uitgaande stromen is vastgesteld of op zijn minst sterk te verwachten is op korte termijn. Art. 216 — Généralités Cette disposition concerne la fixation d’un taux technique maximum et remplace à la fois l’article 19, §§ 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 24, §§ 2 à 4 de l’arrêté-vie. La fixation d’un taux technique maximum est une mesure de nature prudentielle. En effet, elle n’a pas pour objet de protéger chaque preneur d’assurance indi- viduellement puisqu’elle n’interdit pas aux entreprises d’assurance de fixer un taux contractuel largement inférieur au maximum légal. La mesure vise plutôt à garantir la solvabilité à long terme de l’entreprise d’assu- rance et à éviter les effets pervers de la concurrence entre les entreprises d’assurance recherchant le plus gros volume de vente à court terme au détriment de la rentabilité des produits sur le long terme. Il peut en effet être tentant pour une entreprise d’assurance d’offrir des contrats avec des taux élevés alors qu’elle n’a pas ou pas suffisamment d’actifs qui lui permettent de couvrir le rendement promis sur le long terme. Pour certains produits d’assurance, il est aussi parfois difficile de trouver des actifs offrant le même rendement sur la même durée. Si le taux technique contractuel se révèle trop élevé, l’entreprise d’assu- rance ne peut plus faire face à ses engagements sans prendre des mesures visant à redresser sa situation. Force est de constater que les mesures permettant de pallier cette problématique sont peu nombreuses, surtout s’agissant des mesures préventives, et pré- sentent presque toujours des effets indésirables pour les preneurs ou les bénéficiaires. Au titre des mesures préventives, on peut unique- ment citer l’article 215, qui oblige les entreprises à faire preuve de prudence lors de l’élaboration de leurs tarifs. Ce n’est que dans quelques cas où l’entreprise a fait preuve d’une imprudence que la Banque pourra intervenir. En outre, l’absence de contrôle a priori sur les tarifs fait que la réaction de la Banque n’aura lieu qu’après la commercialisation des produits incriminés. Les autres mesures ne peuvent être prises que lorsque le déséquilibre entre les flux entrant et les flux sortant est avéré ou du moins fortement prévisible à court terme. 175 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De eerste maatregel waarop een beroep kan worden gedaan in de beoogde situatie, is het in evenwicht bren- gen van de tarieven als bepaald in ontwerpartikel 504. Deze maatregel heeft evenwel uitsluitend betrekking op de nieuwe overeenkomsten en op de flexibele premies die gestort zijn na de beslissing om de tarieven in even- wicht te brengen op de hierna beschreven manier. Ze is niet van toepassing op de koopsommen, noch op de vastgestelde premies van de overeenkomsten die geslo- ten zijn vóór de beslissing om de tarieven in evenwicht te brengen. In een dergelijke mogelijkheid voorzien, zou immers een moral hazard-risico creëren, dat bepaalde ondernemingen ertoe zou kunnen aanzetten om te ris- kante rendementsvoeten aan te bieden, wetende dat ze van hun toezichthouder een verlaging van deze tarieven kunnen verkrijgen in geval van problemen. Het in evenwicht brengen van de tarieven komt er dus op neer de rentevoet van de nieuwe productie te verlagen om het hoofd te bieden aan een probleem met betrekking tot de oude productie. Het succes van deze maatregel zal afhangen van diverse factoren, zoals de respectieve volumes en gewaarborgde rendementen van de oude en nieuwe producties, alsook van het feit dat de onderneming de gewaarborgde rentevoeten van haar nieuwe productie niet kan verlagen tot een niveau dat haar ten opzichte van de concurrentie buiten de markt zou plaatsen. Bovendien roept het feit dat de nieuwe productie de oude productie subsidieert, vragen op over de billijkheid tussen de verschillende generaties van overeenkomsten. Dit probleem van onbillijkheid kan ook de kop opsteken wanneer een deel van de productie, bij- voorbeeld de individuele levensverzekeringen, syste- matisch een ander deel subsidieert, bijvoorbeeld de groepsverzekeringen. Het in evenwicht brengen van de tarieven kan af- zonderlijk worden beschouwd of in het kader van de tenuitvoerlegging van een vooraf opgesteld herstelplan (zie artikel 509) of een saneringsplan in geval van niet- naleving van het SCR (art. 510), of zelfs een plan inzake financiering op korte termijn (art. 511) in geval van niet- naleving van het MCR. Naast het in evenwicht brengen van de tarieven, zijn de andere maatregelen die kunnen worden genomen vaak beperkt tot de injectie van vers kapitaal in de ver- zekeringsonderneming. Dit is niet altijd mogelijk indien de onderneming geen aandeelhouder heeft die kan of wil herkapitaliseren. Een andere mogelijkheid bestaat in de portefeuil- leoverdracht met toepassing van artikel 517, § 1, 7°. In een dergelijk geval zal de overnemer zelden bereid La première mesure à laquelle il peut être fait appel dans la situation visée est la mise en équilibre des tarifs prévue par l’article 504  en projet. Celle-ci ne concerne toutefois que les nouveaux contrats et les primes flexibles versées après la décision de mise en équilibre des tarifs de la manière décrite ci-après. Elle ne s’applique pas aux primes uniques ni aux primes fixées des contrats souscrits avant la décision de mise en équilibre des tarifs. Prévoir une telle possibilité créerait en effet un hasard moral qui pourrait inciter certaines entreprises à offrir des taux de rendement trop risqués en sachant qu’elles pourront obtenir de leur autorité de contrôle une diminution de ces taux en cas de difficulté. La mise en équilibre des tarifs revient donc à dimi- nuer le taux de la nouvelle production pour faire face à un problème relatif à l’ancienne production. Le succès de cette mesure dépendra de divers facteurs tels que les volumes et les rendements garantis respectifs des anciennes et nouvelles productions, ainsi que du fait que l’entreprise ne peut abaisser les taux garantis de sa nouvelle production à un niveau qui la mettrait hors marché par rapport à la concurrence. De plus, le fait que la nouvelle production subventionne l’ancienne pose des questions sur le plan de l’équité entre les diverses générations de contrats. Ce problème d’iniquité peut aussi apparaître lorsqu’une partie de la production, par exemple, les assurances vie individuelles, en subventionne systé- matiquement une autre, par exemple, les assurances de groupe. La mise en équilibre des tarifs peut être prise isolé- ment ou dans le cadre de la mise en œuvre d’un plan de redressement préalablement établi (voir l’article 509) ou d’un programme de rétablissement en cas de non-conformité du SCR (art. 510), voire d’un plan de financement à court terme (art. 511) en cas de non- conformité du MCR. Outre la mise en équilibre des tarifs, les autres mesures qui peuvent être prises se limitent souvent à l’injection de capitaux frais dans l’entreprise d’assu- rance. Cela n’est pas toujours possible si l’entreprise n’a pas d’actionnaire capable ou disposé à la recapitaliser. Une autre possibilité consiste dans le transfert du por- tefeuille en application de l’article 517, § 1er, 7°. Dans un tel cas, le cessionnaire sera rarement disposé à garantir 176 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 worden gevonden een rentevoet te waarborgen die hij zelf niet aan zijn cliënten kan aanbieden, en zal hij het rendement van de overeenkomsten die hij overneemt, willen verlagen (zie artikel 546, derde lid, evenwel van toepassing in extreme situaties waarin de overdragende onderneming de markt verlaat). Indien het in evenwicht brengen van de tarieven of de andere herstelmaatregelen geen resultaat opleveren, bestaat de enige mogelijkheid erin de activiteit van de verzekeringsonderneming stop te zetten, waardoor de verzekeringnemers verplicht zijn een andere verzeke- raar te zoeken. Het mag duidelijk zijn dat deze nieuwe onderneming in het hier bedoelde geval slechts zeer uitzonderlijk dezelfde rentevoet zal aanbieden als die van de overeenkomsten van de oude onderneming. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld de dekking voor over- lijden van ouderen, is de mogelijkheid om een nieuwe overeenkomst te sluiten zeer beperkt, zelfs onmogelijk, met name in het geval dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst onderworpen is aan een vragenlijst of een medisch onderzoek. Derhalve blijkt de vaststelling van een maximale tech- nische rentevoet een maatregel te zijn die in verhouding staat tot het beoogde doel, namelijk het voorkomen van de meest risicovolle gedragingen van verzeke- ringsondernemingen. Om de concurrentie tussen de ondernemingen niet te vervalsen, moet de maximale technische rentevoet evenwel op een voldoende hoog niveau worden vastgesteld. — Vaststelling van de maximale technische rentevoet Paragraaf 1 van de besproken bepaling bevat de procedure voor de vaststelling van de maximale tech- nische rentevoet. De methode om de maximale technische rentevoet vast te stellen, zoals momenteel bepaald in artikel 19, §§ 2 en 3 van de wet van 9 juli 1975, is niet optimaal. Het gaat immers om een incidentele beslissing, die over- gelaten wordt aan de beoordeling van de toezichthou- der, en die weinig transparant is. Het mechanisme dat wordt voorgesteld in de ontwerpbepaling, beoogt deze tekortkomingen te verhelpen door te voorzien in een eenvoudige, objectieve en transparante methode voor het vaststellen van de maximale technische rentevoet. De maximale technische rentevoet wordt berekend aan de hand van het rendement van lineaire over- heidsobligaties (OLO’s) op tien jaar. Het is gelijk aan 85 % van het gemiddelde van deze rendementen over 24 maanden, afgerond tot op de dichtstbijzijnde 0,25 %. Om prudentiële redenen werd voorzien in een absoluut maximum van 3,75 %, dat gelijk is aan de momenteel un taux qu’il ne peut lui-même offrir à ces clients et sou- haitera diminuer le taux de rendement des contrats qu’il reprend (voir l’article 546, alinéa 3 applicable toutefois dans des situations extrêmes où l’entreprise cédante sort du marché). En cas d’échec de la mise en équilibre des tarifs ou des autres mesures de redressement, la seule possi- bilité est l’arrêt de l’activité de l’entreprise d’assurance ce qui oblige les preneurs d’assurance à rechercher un nouvel assureur. Il est bien évident que, dans l’hypo- thèse visée ici, cette nouvelle entreprise ne proposera que très exceptionnellement un taux identique à celui des contrats de l’ancienne. Dans certains cas, par exemple les couvertures décès de personnes âgées, la possibilité de souscrire un nouveau contrat est très limitée voire impossible notamment dans le cas où la souscription d’un tel contrat sera soumise à un ques- tionnaire ou à un examen médical. Dans ces conditions, il apparaît que la fixation d’un taux technique maximum constitue une mesure pro- portionnée à l’objectif poursuivi, qui est de prévenir les comportements les plus risqués de la part des entre- prises d’assurance. Pour ne pas fausser la concurrence entre les entreprises, il convient toutefois de fixer le taux technique maximum à un niveau suffisamment élevé. — Fixation du taux technique maximum Le paragraphe  1er de la disposition commentée détermine la procédure de fixation du taux technique maximum. Le mode de fixation du taux technique maximum, tel qu’il est actuellement prévu par l’article 19, §§ 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975 n’est pas optimal. Il s’agit en effet d’une décision ponctuelle, laissée à l’appréciation de l’autorité de contrôle et peu transparente. Le mécanisme proposé dans la disposition en projet entend remédier à ces défauts en prévoyant une méthode simple, objective et transparente de fixation du taux technique maximum. Le taux technique maximum est calculé à partir du rendement des obligations linéaires de l’État belge (OLO) à dix ans. Il est égal à 85 % de la moyenne de ces rendements sur 24 mois avec un arrondi aux 0,25 % les plus proches. Pour des raisons prudentielles, un maximum absolu de 3,75 %, égal au taux actuellement en vigueur, a été prévu. Un minimum de 0,75 % est 177 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van kracht zijnde rentevoet. Een minimum van 0,75 % is eveneens vastgelegd, om de concurrentie tussen de ondernemingen zelf niet al te veel te beteugelen in periodes van lage rente. Het staat de ondernemingen in ieder geval vrij om rentevoeten te waarborgen die lager zijn dan het maximum dat met toepassing van de besproken bepaling is vastgesteld. De maximale technische rentevoet wordt aldus be- rekend op 1 juni, zodat er voldoende tijd overblijft om de hieronder beschreven procedure vlot te laten verlo- pen en om de ondernemingen toe te laten de nieuwe maximale technische rentevoet te integreren in hun tariferingsbeleid. Indien de nieuwe maximale technische rentevoet geen opwaarts of neerwaarts verschil van minstens 0,25 % vertoont ten opzichte van de vigerende rente- voet, blijft deze van toepassing. In het tegengestelde geval vangt de procedure voor de wijziging van de maximale technische rentevoet aan. De eerste fase is de raadpleging van de FSMA in haar hoedanigheid van autoriteit die belast is met de bescherming van en de informatieverstrekking aan de consument en het toezicht op de aanvullende pensi- oenen. De FSMA beschikt over vijftien dagen om haar advies te formuleren. Na ontvangst van het advies van de FSMA of bij het verstrijken van de hierboven bepaalde termijn van vijftien dagen, beschikt de Bank over vijftien dagen om aan de minister bevoegd voor de verzekeringen een met redenen omkleed voorstel tot wijziging van de maximale technische rentevoet voor. Dit voorstel bevat de rentevoet die overeenkomstig het tweede lid van paragraaf 1 is vastgesteld, de motivering van de Bank en het advies van de FSMA. De minister beschikt over twee maanden om een beslissing te nemen over het voorstel van de Bank. Deze beslissing kan bestaan in een aanvaarding, een afwijzing of een wijziging van de door de Bank voorge- stelde rentevoet. Bij gebreke van een beslissing binnen de voornoemde termijn wordt het voorstel aanvaard. In geval van afwijzing blijft de maximale technische rentevoet van toepassing. Zodra de Bank de beslissing van de minister ontvangt of, bij gebreke van een beslissing, bij het verstrijken van de voornoemde termijn van twee maanden, publiceert zij de nieuwe maximale technische rentevoet in het Belgisch Staatsblad en op haar website. Deze publi- catie dient ten laatste op 1 september plaats te vinden. Ze dient ook plaats te vinden wanneer de minister het voorstel van de Bank afwijst, om duidelijk aan te geven aussi fixé pour ne pas brider exagérément la concur- rence entre les entreprises mêmes dans les périodes de taux bas. Dans tous les cas, les entreprises seront libres de garantir des taux inférieurs au maximum fixé en application de la disposition commentée. Le taux technique maximum est ainsi calculé le 1er juin de manière à laisser un temps suffisant pour que la procédure décrite ci-dessous se déroule et que les entreprises intègrent le nouveau taux technique maxi- mum dans leur politique de tarification. Si le nouveau taux technique maximum ne donne pas un écart, à la hausse ou à la baisse, au moins égal à 0,25 % par rapport au taux en vigueur, celui-ci reste d’application. Dans le cas contraire, la procédure de modification du taux technique maximum débute. La première étape est la consultation de la FSMA en sa qualité d’autorité ayant en charge la protection et l’information des consommateurs et le contrôle des pensions complémentaires. La FSMA dispose de quinze jours pour rendre son avis. Dès réception de l’avis de la FSMA ou à l’expiration du délai de quinze jours prévu ci-dessus, la Banque dis- pose de quinze jours pour transmettre au ministre ayant les assurances dans ses attributions une proposition motivée de modification du taux technique maximum. Cette proposition contient le taux fixé conformément à l’alinéa 2 du paragraphe 1er, la motivation de la Banque et l’avis de la FSMA. Le ministre dispose de deux mois pour prendre une décision sur la proposition de la Banque. Cette décision peut consister en une acceptation, un rejet ou une modification du taux proposé par la Banque. Une absence de décision dans le délai précité équivaut à une acceptation de la proposition. En cas de rejet, le taux technique maximum en vigueur reste d’application. Dès que la Banque reçoit la décision du ministre ou, en l’absence de décision, à l’expiration du délai de deux mois précité, elle publie le nouveau taux technique maximum au Moniteur belge et sur son site Internet. Cette publication a lieu au plus tard le 1er septembre. Elle doit avoir lieu même en cas de rejet par le ministre de la proposition de la Banque pour indiquer clairement que le taux technique maximum demeure inchangé 178 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat de maximale technische rentevoet onveranderd blijft, ondanks de ontwikkeling van het rendement op de OLO’s die elkeen zelf zou hebben kunnen vaststellen. De als aangegeven gepubliceerde rentevoet wordt van kracht op 1 januari van het volgende jaar. Zo is elke maximale technische rentevoet van kracht voor een maximale duur van een jaar, die telkens op 1 januari kan worden verlengd met dezelfde duur. De rentevoet varieert per drempel van 0,25 %. Zo wordt een relatieve stabiliteit in het verloop van de maximale technische rentevoet gegarandeerd. — Uitzondering voor waarborgen met een maximum- duur van acht jaar In paragraaf 2 wordt een afwijking toegestaan op de rentevoet die wordt vastgesteld met toepassing van pa- ragraaf 1 voor waarborgen met een maximumduur van acht jaar (ongeacht de looptijd van de overeenkomst). Deze bepaling is geïnspireerd op het huidige artikel 24, § 4 van het besluit leven. Behalve de maximumduur van acht jaar, wordt tevens geëist dat de looptijd en de inkomsten van de activa van de onderneming haar toelaten om een technische rentevoet te waarborgen die hoger is dan het met toepassing van paragraaf 1 vastge- stelde maximum, dat wil zeggen dat er overeenstemming (matching) bestaat tussen de activa en de verplichtingen van de verzekeringsonderneming. Aangezien deze materie vrij technisch van aard is, werd ervoor geopteerd om de toepassingsmodaliteiten ervan in een koninklijk besluit te verduidelijken. — Toepassing van de maximale technische rentevoet De derde paragraaf bevat de regels voor de toe- passing van de maximale technische rentevoet op de nieuwe en de lopende overeenkomsten. Dit is uitermate belangrijk wanneer de maximale technische rentevoet werd gewijzigd. Het algemene principe is dat de premies waarin werd voorzien op het ogenblik dat de overeenkomst werd gesloten, gekapitaliseerd blijven tegen de op dat ogen- blik vastgestelde contractuele technische rentevoet, ook al valt deze rentevoet hoger uit dan de maximale technische rentevoet. Er kunnen zich drie situaties voordoen. De eerste situatie is die van de overeenkomsten die gesloten wor- den vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe maximale technische rentevoet. Voor deze overeenkomsten zal de verzekeringsonderneming geen contractuele rentevoet mogen waarborgen die hoger is dan het reglementaire maximum. nonobstant l’évolution du rendement des OLO que tout un chacun aurait pu constater par lui-même. Le taux publié comme indiqué entre en vigueur à partir du 1er janvier suivant. De la sorte, chaque taux technique maximum est en vigueur pour une durée minimale d’un an et peut être prolongé chaque 1er janvier d’une durée équivalente. Il varie par seuil de 0,25 %. De la sorte, on assure une relative stabilité dans l’évolution du taux technique maximum. — Exception pour les garanties de huit ans maximum Le paragraphe 2 permet une dérogation au taux fixé en application du paragraphe 1er pour des garanties de huit ans maximum (quelle que soit la durée du contrat). Cette disposition est inspirée de l’actuel article 24, § 4 de l’arrêté vie. Outre la durée maximale de huit ans, il est aussi exigé que la durée et les revenus des actifs de l’entreprise lui permettent de garantir un taux technique supérieur au maximum fixé en application du paragraphe 1er, c’est-à-dire qu’il y ait correspondance (matching) entre les actifs et les engagements de l’entre- prise d’assurance. Cette matière étant relativement technique, le choix a été fait d’en préciser les modalités d’application par la voie d’un arrêté royal. — Application du taux technique maximum Le troisième paragraphe comprend les règles déter- minant la manière dont le taux technique maximum s’applique aux nouveaux contrats et aux contrats en cours. Ceci est particulièrement important lorsque le taux technique maximum vient à être modifié. Le principe général est que les primes qui ont été programmées au moment de la souscription du contrat restent capitalisées au taux technique contractuel fixé à ce moment même si ce taux vient à être supérieur au taux technique maximum. Trois situations différentes doivent être envisagées. La première est celle des contrats qui sont souscrits à partir de l’entrée en vigueur du nouveau taux technique maximum. Pour ces contrats, l’entreprise d’assurance ne pourra pas garantir un taux contractuel supérieur au maximum réglementaire. 179 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De tweede situatie is die van de lopende overeen- komsten waarvoor de prestatie niet bepaald wordt op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten. Het zijn de zogenaamde overeenkomsten “met flexibele premies”, waarbij de verzekeringnemer de bedragen en momenten van zijn premiestortingen vrij kan kiezen. Voor deze overeenkomsten zal de maximale techni- sche rentevoet van toepassing zijn op de premies ge- stort na de inwerkingtreding van het nieuwe maximum. Elke premie blijft interesten dragen tegen de contractu- ele rentevoet die van kracht is op het ogenblik van de storting ervan, ook al blijkt die rentevoet nadien hoger uit te vallen dan de maximale technische rentevoet. De derde categorie heeft betrekking op de lopende overeenkomsten die het voorwerp uitmaken van een ver- hoging of herziening van de waarborg na de inwerking- treding van de nieuwe maximale technische rentevoet. De waarborgverhogingen (bv. een verhoging van het kapitaal bij leven of de toevoeging van een overlijdens- dekking of een verzekerde) geven meestal aanleiding tot een premieverhoging. Aangezien er niet in deze verho- ging werd voorzien bij het sluiten van de overeenkomst, zal ze rekening moeten houden met de maximale tech- nische rentevoet die van kracht is op het ogenblik van de waarborgverhoging alsof het om een nieuwe over- eenkomst ging. Hierdoor wordt vermeden dat de finan- ciële gezondheid van de verzekeringsondernemingen in gevaar wordt gebracht door buitenkansgedragingen waardoor bepaalde verzekeringnemers geneigd zouden zijn om de waarborgen van een lopende overeenkomst fors te verhogen teneinde te profiteren van een historisch hoge rentevoet die evenwel niet langer spoort met de realiteit van de markten. De herziening van de waarborg vormt een indexe- ring van de contractueel bepaalde prestaties. Hoewel deze herziening wordt vastgelegd bij het sluiten van de overeenkomst, moet op de premieverhogingen die eruit voortvloeien de maximale rentevoet worden toegepast die van kracht is op het ogenblik van de indexering zelf. Hoewel de gevolgen van de indexering beperkt kunnen zijn voor een individuele overeenkomst, kunnen ze im- mers zeer belangrijk zijn op het niveau van de onder- neming, gelet op het aantal betrokken overeenkomsten. Samengevat geldt de nieuwe maximale technische rentevoet niet voor de overeenkomsten tegen koopsom en met vastgestelde premies die gesloten zijn vóór de inwerkingtreding van een nieuwe maximale techni- sche rentevoet, behalve voor wat betreft het gedeelte dat voortvloeit uit de verhoging van de toekomstige waarborgen. La deuxième situation est celle des contrats en cours pour lesquels la prestation n’est pas déterminée au moment de la conclusion du contrat. Sont ici visés des contrats dits “à primes flexibles” dans lesquels le preneur est libre quant aux montants et aux moments de versement de ses primes. Pour ces contrats, le taux technique maximum s’im- posera aux primes versées après l’entrée en vigueur du nouveau maximum. Chaque prime continue de porter des intérêts au taux contractuel en vigueur au moment de son versement, même si ce taux s’avère, par la suite, supérieur au taux technique maximum. La troisième catégorie concerne les contrats en cours mais qui font l’objet d’une augmentation ou d’une révi- sion de la garantie intervenant après l’entrée en vigueur du nouveau taux technique maximum. Les augmentations de garantie (p.ex. une augmenta- tion du capital en cas de vie ou l’ajout d’une couverture décès ou encore d’un assuré) donnent le plus souvent lieu à une augmentation de la prime. Comme cette augmentation n’a pas été prévue lors de la souscription du contrat, elle devra tenir compte du taux technique maximum en vigueur au moment de l’augmentation de la garantie comme s’il s’agissait d’un nouveau contrat. Ceci évite que la santé financière des entreprises d’assurance soit mise en péril par des comportements d’aubaine par lesquels certains preneurs seraient ten- tés d’augmenter fortement les garanties d’un contrat en cours afin de profiter d’un taux historiquement élevé mais plus du tout en phase avec les réalités des marchés. La révision de la garantie constitue une indexation des prestations contractuellement prévues. Bien que celle-ci soit déterminée à la souscription du contrat, il convient d’appliquer aux augmentations de primes qui en découlent le taux maximum en vigueur au moment de l’indexation elle-même. En effet, si l’impact de l’indexation peut être limité sur un contrat individuel, il peut être très important au niveau de l’entreprise en raison du nombre de contrats concernés. En résumé, les contrats à prime unique et à primes fixées souscrits avant l’entrée en vigueur d’un nouveau taux technique maximum ne sont pas concernés par celui-ci, sauf pour ce qui concerne la partie provenant d’augmentation des garanties futures. 180 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het tweede lid van paragraaf 3 heeft betrekking op overeenkomsten die onder verschillende van de voor- gaande categorieën vallen. Zo kan een overeenkomst een rentevoet waarborgen gedurende een kortere pe- riode dan haar volledige looptijd. Voor de toepassing van dit artikel bestaat een dergelijke overeenkomst uit twee delen. Tijdens het eerste deel gaat het om een overeenkomst met vastgelegde premies en gedurende het tweede deel om een overeenkomst met flexibele premies. In dergelijke situaties en voor de toepassing van dit artikel, zijn de bepalingen van het eerste lid van paragraaf 3 van toepassing op elk deel van de overeen- komst, alsof het afzonderlijke overeenkomsten betrof. Verbod op tariefwaarborg In de vierde paragraaf wordt de regel van artikel 26  van het besluit leven overgenomen, dat bepaalt dat de overeenkomsten met flexibele premies als een geheel van verrichtingen tegen koopsom (vandaar de benaming “overeenkomsten tegen opeenvolgende koopsommen”) dienen te worden beschouwd en geen enkele tariefwaarborg mogen bieden voor de storting van de premies. Art. 217 Het verbod om winstdelingen of restorno’s te waar- borgen vóór de verdeling van de winst, is overgeno- men uit artikel 32 van het besluit leven. Het principe is dat de winstdelingen en restorno’s slechts kunnen worden toegekend als de onderneming voldoet aan bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat voldoende winst werd geboekt om ze te kunnen toe- kennen. Aangezien deze winst voortvloeit uit de door de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekening, kan onmogelijk wat dan ook gewaarborgd worden vóór die goedkeuring. Art. 218 De uitdrukking “afgezonderd fonds” heeft een bijzon- dere betekenis in de Richtlijn (zie met name artikel 99, artikel 111, lid 1, onder h) en artikel 304), die nauwer aanleunt bij het begrip “afzonderlijk beheer” zoals dat momenteel bestaat in Belgisch recht. Om deze reden werd ervoor geopteerd om voortaan gebruik te maken van de uitdrukking “fonds met aangewezen activa”, dat de nadruk legt op het feit dat het hoofdkenmerk van de betrokken overeenkomsten is dat ze worden gedekt door activa die duidelijk aangewezen zijn in de contractuele voorwaarden, en waarvan de rendementen aan hen worden toegewezen. Le second alinéa du paragraphe 3 concerne des contrats qui relèvent de plusieurs des catégories pré- cédents. Ainsi un contrat peut garantir un taux pendant une période plus courte que sa durée totale. Pour les besoins du présent article, un tel contrat se décompose en deux parties. Pendant la première, il s’agit d’un contrat à primes fixées et, pendant la seconde, à primes flexibles. Dans de telles situations et pour les besoins du présent article, les dispositions du premier alinéa du paragraphe 3 s’appliqueront à chacune des parties du contrat comme s’il s’agissait de contrats distincts. Interdiction de garantie tarifaire Le quatrième paragraphe reprend la règle de l’article 26 de l’arrêté-vie, qui prévoit que les contrats à primes flexibles sont considérés comme un ensemble d’opé- rations à prime unique (d’où l’appellation de “contrats à primes uniques successives”) et ne peuvent comporter aucune garantie tarifaire avant le versement des primes. Art. 217 L’interdiction de garantir des participations bénéfi- ciaires ou des ristournes avant la répartition du bénéfice est reprise de l’article 32 de l’arrêté vie. Le principe est que les participations bénéficiaires et les ristournes ne peuvent être accordées que si l’entreprise répond à certaines conditions dont celle d’avoir réalisé un béné- fice suffisant permettant de les accorder. Ce bénéfice découlant des comptes annuels approuvés par l’assem- blée générale, il est donc impossible de garantir quoi que ce soit avant cette approbation. Art. 218 L’expression “fonds cantonné” revêt une signification particulière dans la Directive (voir notamment les articles 99, 111, paragraphe 1er, h) et 304), qui s’apparente plus à la notion de “gestion distincte” telle qu’elle existe actuel- lement en droit belge. Pour cette raison, il a été choisi d’utiliser désormais l’expression “fonds à actifs dédiés”, qui insiste sur le fait que la caractéristique principale des contrats concernés est qu’ils sont adossés à des actifs clairement désignés dans les conditions contractuelles et dont les rendements leur sont attribués. 181 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het door de besproken bepaling geformuleerde prin- cipe is overgenomen uit artikel 57 van het besluit leven. De fondsen met aangewezen activa kunnen betrek- king hebben op overeenkomsten van de takken 21, 22, 26 en 27. Art. 219 Dit artikel neemt de principes over van de artikelen 63 en 65, § 5 van het besluit leven voor wat betreft de overeenkomsten van tak 23. Art. 220 De principes van artikel 74 van het besluit leven wor- den overgenomen voor wat betreft de verrichtingen met betrekking tot het beheer van collectieve pensioenfond- sen. Het zij opgemerkt dat al deze verrichtingen voort- aan uitsluitend onder tak 27 vallen, ongeacht of ze al dan niet een waarborg met betrekking tot het rendement of het behoud van kapitaal bevatten en of de activa al dan niet eigendom van de verzekeringsonderneming zijn. De verrichtingen van tak 27 bestaan in het beheer, door een verzekeringsonderneming, van de activa van een onderneming of een instelling die pensioenuitke- ringen in de ruime zin verstrekt, dat wil zeggen uitke- ringen bepaald door de wetgeving op de aanvullende pensioenen, met inbegrip van de solidariteitsprestaties. Deze ondernemingen en instellingen worden limitatief opgesomd in de ontwerpbepaling. Het gaat om: 1° instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, voorheen pensioenfondsen of voorzorgsinstellingen genoemd; 2° openbare besturen die vrijgesteld zijn, met toepassing van artikel 134, 1° van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instel- lingen voor bedrijfspensioenvoorziening, van de ver- plichting om het beheer van de pensioentoezeggingen ten gunste van hun personeel toe te vertrouwen aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening; 3° overheidsbedrijven die een vergelijkbare vrijstelling genieten met toepassing van artikel 138, eerste lid van de wet van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 4° instellingen en externe diensten opgericht met het oog op het beheer van de pensioentoezeggingen ten gunste van hun personeel door openbare besturen of overheidsbedrijven die de hierboven bedoelde vrijstel- lingen genieten; Le principe énoncé par la disposition commentée est repris de l’article 57 de l’arrêté vie. Les fonds à actifs dédiés peuvent concerner les contrats des branches 21, 22, 26 et 27. Art. 219 Cet article reprend les principes des articles 63 et 65, § 5 de l’arrêté vie en ce qui concerne les contrats de la branche 23. Art. 220 Les principes de l’article 74 de l’arrêté vie sont repris en ce qui concerne les opérations de gestion de fonds collectifs de retraite. Il faut noter que désormais toutes ces opérations relèvent de la seule branche 27, qu’elles comportent ou non une garantie de rendement ou de conservation du capital et que les actifs soient ou non la propriété de l’entreprise d’assurance. Les opérations de la branche 27 consistent en la ges- tion, par une entreprise d’assurance, des actifs d’une entreprise ou d’une institution qui fournit des prestations de retraite au sens large, c’est-à-dire des prestations déterminées par la législation sur les pensions complé- mentaires en ce compris les prestations de solidarité. Ces entreprises et institutions sont limitativement énu- mérées par la disposition en projet. Il s’agit: 1° des institutions de retraite professionnelle, autrefois appelées fonds de pension ou institutions de prévoyance; 2° des administrations publiques qui sont dispen- sées en application de l’article 134, 1° de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, de confier la gestion des enga- gements de pension de leur personnel à une institution de retraite professionnelle; 3° des entreprises publiques bénéficiant d’une dis- pense analogue en application de l’article 138, alinéa 1er de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 4° des institutions et services externes mis en place pour la gestion des engagements de pension de leur personnel par des administrations publiques ou des entreprises publiques bénéficiant des dispenses visées ci-dessus; 182 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5° rechtspersonen die belast zijn met het beheer van de solidariteitstoezeggingen ten gunste van hun werk- nemers, als bepaald in artikel 47 van de WAP (wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van som- mige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid); 6° rechtspersonen die belast zijn met het beheer van de solidariteitstoezeggingen ten gunste van zelfstandi- gen, als bepaald in artikel 56 van de WAPZ (program- mawet (I) van 24 december 2002). De verzekeringsonderneming kan zich beperken tot het louter beheren van de activa, die geboekt blijven op de balans van de onderneming of van de instelling van oorsprong, of kan aan dit beheer een minimale waarborg verbinden met betrekking tot het rendement of het behoud van het kapitaal. In dat geval moeten de activa worden geboekt in de balans van de verzeke- ringsonderneming. Deze twee mogelijkheden stemmen overeen met respectievelijk het “beheer voor rekening van derden” en het “beheer voor eigen rekening” van col- lectieve pensioenfondsen als bedoeld in artikel 74 van het besluit leven. Art. 221 Dit artikel vormt de wettelijke basis voor de Koning om de levensverzekering te reglementeren voor wat de prudentiële aspecten betreft. De besluiten zullen voor advies worden voorgelegd aan de Bank en, ingevolge de nauwe banden tussen de prudentiële aspecten en de aspecten verbonden aan de bescherming van en de in- formatieverstrekking aan de consument, aan de FSMA. In het tweede lid worden, op niet-beperkende wijze en zonder afbreuk te doen aan de overige bepalingen van deze onderafdeling, de aangelegenheden opgesomd die de Koning gemachtigd is te reglementeren. 1° Technische grondslagen en methodes De Koning kan de bestanddelen van de technische grondslagen en methodes bepalen (technische rente- voeten, sterftetafels, toeslagen), de categorieën bepalen (bv. voor wat betreft de toeslagen) en hun berekenings- methodes (bv. de sterftetafels). Hij kan tevens het type van sterftetafels preciseren (type leven of overlijden, al dan niet prospectief) en de wijze waarop de toeslagen worden verbruikt (zie artikel 24, §§ 5 tot 7 en de artikelen 34 en 35 van het besluit leven). 5° des personnes morales chargées de la gestion des engagements de solidarité en faveur des travailleurs salariés tels que prévus par l’article 47 de la LPC (loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale); 6° des personnes morales chargées de la gestion des engagements de solidarité des travailleurs indé- pendants tels que prévus par l’article 56 de la LPCI (loi-programme (I) du 24 décembre 2002). L’entreprise d’assurance peut se limiter à la simple gestion des actifs lesquels restent comptabilisés au bilan de l’entreprise ou de l’institution d’origine ou elle peut assortir cette gestion d’une garantie minimale de rendement ou de conservation du capital, auquel cas les actifs doivent être comptabilisés dans le bilan de l’entre- prise d’assurance. Ces deux possibilités correspondent respectivement à la “gestion pour compte de tiers” et à la “gestion pour compte propre” de fonds collectifs de retraite telle que visées par l’article 74 de l’arrêté vie. Art. 221 Cet article constitue la base légale permettant au Roi de réglementer l’assurance vie pour ce qui concerne les aspects prudentiels. Les arrêtés seront soumis à l’avis de la Banque et, en raison des liens étroits entre les aspects prudentiels et ceux liés à la protection et à l’information des consommateurs, à l’avis de la FSMA. Le second alinéa énumère, de manière non limitative et sans préjudice des autres dispositions de la présente sous-section, les matières que le Roi est habilité à réglementer. 1° Bases et méthodes techniques Le Roi peut préciser les éléments qui composent les bases et méthodes techniques (taux d’intérêt tech- niques, tables de mortalité, chargements), déterminer des catégories (p.ex. en ce qui concerne les charge- ments) et leurs méthodes de calcul (p.ex. les tables de mortalité). Il peut aussi préciser le type des tables de mortalité (genre vie ou genre décès, prospective ou non) et la manière dont les chargements sont consommés (voir l’article 24, §§ 5 à 7 et les articles 34 et 35 de l’arrêté vie). 183 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° Afkoop en reductie De Koning kan de begrippen “afkoop” en “reductie” en hun berekeningswijze verduidelijken (zie de artikelen 29 en 30 van het besluit leven). 3° Prestatie bij opzegging en afkoop Op deze basis kan de Koning de prestatie bij afkoop bepalen (met name het feit dat de afkoopwaarde beperkt is tot het overlijdenskapitaal) en het recht op afkoop be- perken voor wat betreft de groepsverzekeringen (artikel 54 van het besluit leven). 4° Niet-gedekt risico De Koning kan de afkoopwaarde beperken wanneer er zich een niet-gedekt risico voortdoet (artikel 12 van het besluit leven). 5° Voorschot en inpandgeving De voorschotten en inpandgevingen moeten, om prudentiële redenen, onderworpen zijn aan bepaalde limieten die moeten worden vastgelegd (artikel 18 van het besluit leven). 6° Winstdelingen en restorno’s De toekenning van winstdelingen of restorno’s dient om prudentiële redenen te worden omkaderd. Een onderneming kan ze slechts toekennen indien dit haar solvabiliteit niet in gevaar brengt (de artikelen 33 en 58, § 2 van het besluit leven). 7° Fondsen met aangewezen activa De fondsen met aangewezen activa (voorheen “afge- zonderde fondsen”) stellen een verzekeringsonderne- ming in staat om, in de vorm van een winstdeling, het rendement van bepaalde specifiek door de overeen- komst gedekte activa toe te wijzen. Behalve voor wat de winstdelingen betreft, is het tevens noodzakelijk om de samenstelling van deze fondsen te reglementeren, alsook de wijze waarop de ondernemingen de inventaris van deze fondsen opstellen en aan de Bank doorgeven (de artikelen 58, § 2 en 59 van het besluit leven). 8° Buitenwettelijke voordelen voor werknemers (“Besluit 69”) Het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 be- treffende het rust- en overlevingspensioen voor werk- nemers heeft betrekking op een bijzondere regeling inzake verzekeringen van de tweede pensioenpijler, die bepaalde, specifieke regels bevat inzake tarifering, 2° Rachat et réduction Le Roi peut préciser les notions de valeur de rachat et de réduction et préciser leur mode de calcul (voir les articles 29 et 30 de l’arrêté vie). 3° Prestation en cas de résiliation et de rachat Sur cette base, le Roi peut déterminer la prestation en cas de rachat (notamment le fait que la valeur de rachat soit limitée au capital décès) et limiter le droit au rachat en ce qui concerne les assurances de groupe (article 54 de l’arrêté vie). 4° Risque non couvert Le Roi peut limiter la valeur de rachat en cas de surve- nance d’un risque non couvert (article 12 de l’arrêté vie). 5° Avance et mise en gage Les avances et les mises en gage doivent être, pour des raisons prudentielles, soumises à certaines limites qu’il convient de préciser (article 18 de l’arrêté vie). 6° Participations bénéficiaires et ristournes L’octroi de participations bénéficiaires ou de ris- tournes doit être encadré pour des raisons prudentielles. Une entreprise ne peut les octroyer que si cela ne met pas sa solvabilité en péril (articles 33 et 58, § 2 de l’arrêté vie). 7° Fonds à actifs dédiés Les fonds à actifs dédiés (anciennement “fonds cantonnés”) permettent à une entreprise d’assurance d’octroyer, sous forme de participation bénéficiaire, le rendement de certains actifs spécifiquement adossés au contrat. Outre ce qui concerne les participations béné- ficiaires, il est également nécessaire de réglementer la composition de ces fonds et la manière dont les entre- prises établissent et transmettent l’inventaire de ces fonds à la Banque (articles 58, § 2 et 59 de l’arrêté vie). 8° Avantages extra-légaux aux travailleurs salariés (“Arrêté 69”) L’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs sala- riés a pour objet un régime particulier d’assurances du deuxième pilier de pension comportant certains règles spécifiques en matière de tarification, d’acceptation 184 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aanvaarding van de risico’s en winstdelingen. Deze aspecten worden momenteel geregeld in het koninklijk besluit van 14  november  2003  betreffende de toe- kenning van buitenwettelijke voordelen aan de werk- nemers bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 50  van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspen- sioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst. Hoewel de meeste bepalingen van het voornoemde besluit voornamelijk betrekking hebben op de bescher- ming van en de informatieverstrekking aan de aange- slotenen en de begunstigden, is er toch een verband met de prudentiële maatregelen, die specifiek moeten worden geregeld. Sommige bepalingen van dit besluit maken het voor de betrokken ondernemingen immers niet mogelijk om te voldoen aan de prudentiële vereisten die voortvloeien uit de Richtlijn. Onderafdeling III Gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten Deze onderafdeling zet de artikelen 73 en 74 van de Richtlijn om, en neemt een aantal bepalingen over uit de artikelen 14 en 15 van de wet van 9 juli 1975. Ze heeft betrekking op de verzekeringsondernemingen die gelijktijdig actief zijn in de takken leven (Bijlage II) en niet-leven (Bijlage I), de zogenaamde “gemengde ondernemingen”. Er zijn weinig wijzigingen ten opzichte van de huidige regeling, behalve voor wat betreft de eigenvermogensvereisten. Art. 222 Het principieel verbod om gelijktijdig levens- en niet- levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen is afkom- stig uit artikel 73, lid 1 van de Richtlijn en uit artikel 14, § 2, eerste lid van de wet van 9 juli 1975. Art. 223 Deze bepaling bevat twee afwijkingen op het in arti- kel 222 geformuleerde verbod. Ze zet artikel 73, lid 5, eerste alinea, onder f) en artikel 73, lid 2, eerste alinea, onder a) en b) van de Richtlijn om, en neemt de regels over van artikel 14, § 2, tweede en derde lid van de wet van 9 juli 1975. des risques et de participations bénéficiaires. Ces aspects sont actuellement régis par l’arrêté royal du 14  novembre  2003  concernant l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux per- sonnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail. Bien que la plupart des dispositions de l’arrêté précité concernent principalement la protection et l’information des affiliés et des bénéficiaires, celles-ci ne sont pas sans liens avec les dispositions prudentielles, qu’il convient de régler spécialement. En effet, certaines dispositions de cet arrêté ne permettent pas aux entre- prises concernées de satisfaire aux exigences pruden- tielles découlant de la Directive. Sous-section III Exercice simultané des activités d’assurance vie et non-vie Cette sous-section transpose les articles 73  et 74 de la Directive et reprend certaines dispositions des articles 14 et 15 de la loi du 9 juillet 1975. Elle concerne les entreprises d’assurance qui pratiquent à la fois les branches vie (Annexe II) et non-vie (Annexe I), dites “entreprises mixtes”. Il y a peu de modifications par rapport au régime actuel sauf en ce qui concerne les exigences de fonds propres. Art. 222 L’interdiction de principe de pratiquer à la fois les activités vie et non-vie provient de l’article 73, para- graphe 1er de la Directive et de l’article 14, § 2, alinéa 1er de la loi du 9 juillet 1975. Art. 223 Cette disposition contient deux dérogations à l’inter- diction énoncée par l’article 222. Elle transpose l’article 73, paragraphe  5, alinéa  1er, f et l’article 73, para- graphe 2, alinéa 1er, a) et b) de la Directive et reprend les règles de l’article 14, § 2, alinéas 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975. 185 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De eerste uitzondering heeft enkel betrekking op de ondernemingen die beide activiteiten uitoefenden vóór 15 maart 1979. Die ondernemingen mogen gemengde ondernemingen blijven zonder tijdslimiet. Het is niet langer mogelijk om nieuwe gemengde ondernemingen op te richten na de voornoemde datum, tenzij ze onder de tweede uitzondering vallen. De tweede uitzondering laat de gelijktijdige uitoe- fening toe van de activiteiten leven en niet-leven als vermeld in de takken 1 en 2 van Bijlage I, te weten de ongevallenverzekering en de ziekteverzekering, die vrij vaak bijkomende waarborgen vormen van levensverze- keringsovereenkomsten, en die kunnen worden beheerd aan de hand van soortgelijke technieken. Uit de formu- lering van het tweede en derde lid blijkt duidelijk dat de betrokken ondernemingen een specifieke vergunning moeten hebben om naast de levensverzekeringstakken de takken 1 en 2 uit te oefenen. Art. 224 Zoals artikel 73, lid 2, tweede alinea en artikel 74, lid 1, eerste alinea van de Richtlijn voorschrijven, moeten de gemengde ondernemingen de levensver- zekeringsactiviteiten gescheiden beheren van de niet- levensverzekeringsactiviteiten. Het is inzonderheid niet toegelaten om in het kader van een van de activiteiten winstdelingen, restorno’s of andere gelijkwaardige voordelen toe te kennen door middelen aan de andere activiteit te onttrekken. Het tweede lid heeft betrekking op de verzekeringson- dernemingen die ook beschikken over een vergunning als herverzekeringsonderneming. In dat geval geldt de verplichting om een gescheiden beheer te voeren voor de levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten, ook voor de herverzekeringsactiviteit. Het is dus niet toe- gestaan alle herverzekeringsactiviteiten (leven en niet- leven) te beheren met uitsluitend één van de activiteiten leven of niet-leven. Dit verbod vloeit voort uit artikel 74, lid 2 van de Richtlijn, dat wordt omgezet in artikel 225. Het zij opgemerkt dat voorzien is in een overgangs- bepaling voor de gemengde ondernemingen die hun herverzekeringsactiviteiten momenteel niet afzonderlijk beheren (zie artikel 656). Art. 225 Dit artikel, dat artikel 74, leden 2, 3 en 4 van de Richtlijn omzet, heeft betrekking op de specifieke eigen- vermogensvereisten voor gemengde ondernemingen. La première exception ne concerne que les entre- prises qui pratiquaient les deux activités avant le 15 mars 1979, lesquelles peuvent rester des entreprises mixtes sans limite de temps. Il n’est plus possible de constituer de nouvelles entreprises mixtes après la date précitée sauf si elles sont couvertes par la seconde exception. La seconde exception permet l’exercice simultané des activités vie et des activités non-vie visées par les branches 1 et 2 de l’Annexe I, à savoir l’assurance accident et l’assurance maladie, lesquelles constituent assez souvent des garanties accessoires aux contrats vie et peuvent être gérées selon des techniques simi- laires. La rédaction des alinéas 2 et 3 indiquent clai- rement que les entreprises concernées doivent être spécifiquement agréées pour pratiquer les branches 1 et 2 en plus des branches vie. Art. 224 Comme l’imposent l’article 73, paragraphe 2, ali- néa 2 et l’article 74, paragraphe 1er, alinéa 1er de la Directive, les entreprises mixtes doivent gérer les activités vie séparément des activités non-vie. En parti- culier, il n’est pas autorisé d’octroyer des participations bénéficiaires, des ristournes ou d’autres avantages équivalents dans le cadre de l’une des activités en puisant des ressources issues de l’autre activité. Le second alinéa concerne les entreprises d’assu- rance qui sont aussi agréées en tant qu’entreprise de réassurance. Dans ce cas, l’obligation de séparer la gestion des activités vie et non-vie s’étend à l’acti- vité de réassurance. Il n’est donc pas permis de gérer l’ensemble des activités de réassurance (vie et non-vie) avec l’une seulement des activités vie ou non-vie. Cette interdiction découle de l’article 74, paragraphe 2 de la Directive, lequel est transposé par l’article 225. Il faut noter qu’une disposition transitoire a été prévue pour les entreprises mixtes qui ne gèrent actuellement pas leurs activités de réassurance de manière distincte (voir l’article 656). Art. 225 Cet article transpose l’article 74, paragraphes 2, 3 et 4 de la Directive et concerne les exigences de fonds propres spécifiques aux entreprises mixtes. 186 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het essentiële verschil met de huidige regeling (ar- tikel 15, § 1, tweede lid van de wet van 9 juli 1975) is dat het niveau van deze specifieke vereisten lager ligt. Terwijl de gemengde ondernemingen momenteel een solvabiliteitsmarge leven en een solvabiliteitsmarge niet-leven moeten vormen, zullen die ondernemingen onder de nieuwe regeling maar één enkel solvabiliteits- kapitaalvereiste (SCR) moeten dekken, dat uiteraard rekening zal houden met zowel de levens- als de niet- verzekeringsactiviteiten, alsook, in voorkomend geval, met de herverzekeringsactiviteiten. De gemengde ondernemingen zullen daarentegen wel een theoretisch minimumkapitaalvereiste (MCR) moeten berekenen voor hun levensverzekeringsac- tiviteiten en een theoretisch MCR voor hun niet-le- vensverzekeringsactiviteiten. In elk van beide gevallen dient rekening te worden gehouden met de eventuele herverzekeringsactiviteiten. Elk theoretisch MCR moet worden gedekt door in aanmerking komende activa, alsof het zou gaan om het MCR van een onderneming die uitsluitend de desbetreffende activiteiten uitoefent. Naast de twee theoretische MCR’s moet de verzeke- ringsonderneming tevens voldoen aan de vereisten in- zake het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR). Paragraaf 3 bepaalt dat, als elk theoretisch MCR wordt gedekt door in aanmerking komend eigen vermogen, het over- schot van één van beide mag worden aangewend om het algeheel SCR van de onderneming te dekken. De onderneming moet de Bank hiervan evenwel in kennis stellen. Dit artikel, dat artikel 74, leden 2, 3 en 4 van de Richtlijn omzet, heeft betrekking op de specifieke eigen- vermogensvereisten van gemengde ondernemingen. Art. 226 Op grond van dit artikel mag de Bank van de ge- mengde ondernemingen een document eisen, even- tueel in elektronische vorm, waarmee ze de naleving van de bepalingen van artikel 225 kan controleren. Dit document moet op zijn minst ter beschikking van de Bank worden gehouden en haar worden bezorgd op haar eerste verzoek. Indien de hier beoogde informa- tie geïntegreerd is in de rapportering waarin voorzien is door EIOPA, moet voor de controle van de naleving van artikel 225 niet meer in een specifiek document worden voorzien. Art. 227 Artikel 74, lid 7 van de Richtlijn voorziet in herstel- maatregelen die door de toezichthouder kunnen worden La différence essentielle avec le régime actuel (article 15, § 1er, al. 2 de la loi du 9 juillet 1975) est que ces exigences spécifiques se situent à un niveau plus bas. Alors qu’actuellement les entreprises mixtes doivent constituer une marge de solvabilité vie et une marge de solvabilité non-vie, dans le nouveau régime, ces entreprises ne devront constituer qu’un seul capital de solvabilité requis (SCR), lequel prendra bien sûr en compte tant les activités vie que non-vie, ainsi que, le cas échéant, les activités de réassurance. En revanche, les entreprises mixtes devront calculer un montant notionnel de minimum de capital requis (MCR) pour les activités vie et un montant notionnel de MCR pour les activités non-vie. Dans chaque cas, il y a lieu de tenir compte des éventuelles activités de réassurance. Chaque MCR notionnel doit être cou- vert par des actifs éligibles comme s’il s’agissait du MCR d’une entreprise ne pratiquant que les activités correspondantes. Outre les deux MCR notionnels, l’entreprise d’assurance doit également satisfaire aux exigences relatives au capital de solvabilité requis (SCR). Le paragraphe 3 précise que, si chaque MCR notionnel est couvert par des fonds propres éligibles, l’excédent de l’un d’eux peut être affecté à la couverture du SCR global de l’entreprise. Celle-ci doit néanmoins en infor- mer la Banque. Cet article transpose l’article 74, paragraphes 2, 3 et 4 de la Directive et concerne les exigences de fonds propres spécifiques aux entreprises mixtes. Art. 226 Cet article permet à la Banque d’exiger des entre- prises mixtes un document, éventuellement sous forme électronique, lui permettant de contrôler le respect des dispositions de l’article 225. Ce document doit, au minimum, être tenu à la disposition de la Banque et lui être transmis à la première demande. Si les informations visées ici sont intégrées au reporting prévu par l’EIOPA, il ne sera plus nécessaire de prévoir un document spé- cifique aux fins du contrôle de l’article 225. Art. 227 L’article 74, paragraphe 7 de la Directive prévoit des mesures de redressement que l’autorité de contrôle peut 187 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 genomen indien één van de theoretische minimumka- pitaalvereisten niet voldoet aan de vereisten van artikel 225. In het algemeen bestaan deze maatregelen erin een of meerdere van de maatregelen te treffen waarin voorzien is bij niet-naleving van het MCR, alsof de onder- neming slechts de activiteiten zou uitoefenen waarvoor de vereisten met betrekking tot het theoretisch MCR niet worden nageleefd. In het kader van het voorlig- gende wetsontwerp worden deze maatregelen uitvoerig opgesomd in de artikelen 508 tot 517. Artikel 510, dat betrekking heeft op de niet-naleving van de vereisten inzake het algehele MCR, d.w.z. op alle activiteiten van de onderneming, wordt echter uitgesloten omdat deze bepaling slechts van toepassing is in geval van niet- naleving van het algehele MCR. Bovendien mag de verzekeringsonderneming een overdracht van in aanmerking komende kernvermo- gensbestanddelen uitvoeren van de ene naar de andere activiteit. Zoals het geval was voor een overdracht van bestanddelen van de solvabiliteitsmarge leven naar de solvabiliteitsmarge niet-leven en omgekeerd (art. 18, § 2, c) van het Algemeen Reglement), moet deze overdracht vooraf worden goedgekeurd door de Bank. Art. 228 Deze bepaling zet artikel 74, lid 4 van de Richtlijn om, en neemt artikel 14, § 2, vijfde lid van de wet van 9 juli 1975 over. Ze strekt ertoe erop toe te zien dat de verdeling van de kosten en inkomsten tussen de le- vens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten niet wordt vertekend ten gevolge van overeenkomsten of afspra- ken tussen de verzekeringsonderneming en andere ondernemingen waarmee ze banden heeft, ongeacht hun aard. Men kan bijvoorbeeld denken aan een uitbe- stedingsovereenkomst ten voordele van voornamelijk één activiteit, maar die voornamelijk zou worden gefi- nancierd door de andere activiteit. Art. 229 Deze bepaling voorziet in een wettelijke basis voor de Bank om van de gemengde ondernemingen te eisen dat ze elk document of elke statistische staat bijhouden die haar toelaten niet alleen de naleving van de vereisten inzake het minimumkapitaalvereiste te controleren, maar ook die van de andere aspecten van de bepalingen van deze onderafdeling en dat de scheiding tussen de levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten naar behoren wordt uitgevoerd. adopter dans le cas où l’un des montants notionnels de minimum de capital requis n’est pas conforme aux exigences de l’article 225. De manière générale, ces mesures consistent à prendre une ou plusieurs de celles prévues pour le cas de non-respect de la conformité du MCR comme si l’entreprise ne pratiquait que les activités concernées par le non-respect des exigences relatives au MCR notionnel. Dans le cadre du présent projet de loi, ces mesures sont détaillées aux articles 508 à 517. On exclut cependant l’article 510, qui concerne le non-respect des exigences en matière de MCR global, c’est-à-dire se rapportant à l’ensemble des activités de l’entreprise car cette disposition n’est applicable qu’en cas de non- conformité du MCR global. En outre, l’entreprise d’assurance peut effectuer un transfert d’éléments de fonds propres de base éligibles d’une activité à l’autre. Tout comme c’était le cas pour un transfert d’éléments constitutifs de la marge de sol- vabilité vie à la marge de solvabilité non-vie et vice-versa (art. 18, § 2, c du Règlement Général), ce transfert doit préalablement être approuvé par la Banque. Art. 228 Cette disposition transpose l’article 74, para- graphe 4 de la Directive et reprend l’article 14, § 2, alinéa 5 de la loi du 9 juillet 1975. Il a pour objet de veiller à ce que la répartition des frais et des revenus entre les activités vie et non-vie ne soit pas faussée par des conventions ou des arrangements entre l’entreprise d’assurance et d’autres entreprises avec lesquelles elle a des liens de quelque nature que ce soit. On peut par exemple songer à une convention de sous-traitance au profit principal d’une activité mais qui serait financée principalement par l’autre activité. Art. 229 Cette disposition constitue la base légale permettant à la Banque d’exiger des entreprises mixtes la tenue de tout document ou état statistique lui permettant de contrôler, outre le respect des exigences en matière de minimum de capital requis, celui des autres aspects des dispositions de cette sous-section et que la séparation entre les activités vie et non-vie est bien opérée. 188 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Afzonderlijke beheren Art. 230 en 231 In de huidige regelgeving wordt in de afzonderlijke beheren voorzien in artikel 14, §  3  van de wet van 9 juli 1975 en wordt er een opsomming van gegeven in artikel 9 van het Algemeen Reglement. Een van de belangrijkste voordelen van deze afzonderlijke behe- ren is dat ze het voorwerp van het voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van verzekering afbakenen bij vereffening van de verzekeringsonderneming. Een andere functie bestaat erin een rendabiliteitscon- trole mogelijk te maken per groepen van producten of verzekeringstakken. In het kader van dit wetsontwerp werd de rol van de af- zonderlijke beheren beperkt tot de tenuitvoerlegging van dit voorrecht, dat voor het overige wordt omschreven in de artikelen 643 en 644. De andere aspecten ontbreken niet in de overwegingen die ten grondslag liggen aan het voorliggende wetsontwerp, maar kunnen gebaseerd zijn op andere instrumenten, met name de geharmoniseerde rapportering op het niveau van EIOPA. Hoewel het rendement van bepaalde verzekerings- producten op basis van onderliggende activa wordt bepaald, wordt de de term “afzonderlijke beheren” in het kader van de ontwerpwet uitsluitend gebruikt om het voorwerp van het voorrecht te bepalen. Bijgevolg heeft dit begrip enkel nut in geval van samenloop, namelijk in het kader van de opening van een liquidatieprocedure (“gone concern”-perspectief). Aangezien de rol van de afzonderlijke beheren beperkt is tot de tenuitvoerlegging van het voorrecht, was het niet langer nodig te voorzien in evenveel af- zonderlijke beheren als in de huidige regelgeving, te meer omdat de samenstelling van de meeste van deze beheren al te gemakkelijk kon worden gewijzigd door de verzekeringsonderneming, wat geen garantie op veiligheid bood in geval van tenuitvoerlegging van het voorrecht. De afzonderlijke beheren voor de fondsen met aan- gewezen activa (voorheen afgezonderde fondsen) zijn derhalve niet meer opgenomen in het ontwerp. Het voorrecht van de schuldeisers van de overeenkomsten verbonden aan een fonds met aangewezen activa zal dus niet langer betrekking hebben op de activa van dat fonds, maar op alle activa van het afzonderlijk beheer leven. Zo wordt het risico vermeden dat het voorwerp van het voorrecht verminderd wordt nadat de onderne- ming een fonds met aangewezen activa “zou ledigen” Sous-section IV Gestions distinctes Art. 230 et 231 Dans la réglementation actuelle, les gestions dis- tinctes sont prévues par l’article 14, § 3 de la loi du 9 juillet 1975 et énumérées à l’article 9 du Règlement Général. L’un de leurs principaux intérêts est de déli- miter l’assiette du privilège des créanciers d’assurance en cas de liquidation de l’entreprise d’assurance. Un autre rôle est de permettre un contrôle de rentabilité par groupes de produits ou branches d’assurance. Dans le cadre du présent projet de loi, le rôle des gestions distinctes a été limité à la seule mise en œuvre de ce privilège par ailleurs prévu aux articles 643 et 644. Les autres aspects ne sont pas absents des préoccu- pations qui sous-tendent le présent projet mais peuvent être basés sur d’autres instruments, notamment le reporting harmonisé au niveau de l’EIOPA. Même si le rendement de certains produits d’assu- rance est déterminé sur base d’actifs sous-jacents, le vocable de “gestions distinctes” est donc, dans le cadre de la loi en projet, exclusivement réservé à la détermi- nation de l’assiette du privilège. L’utilité du concept ne se conçoit dès lors qu’en situation de concours, à savoir dans une perspective dite de “gone concern” consistant dans l’ouverture d’une procédure de liquidation. Dans ce rôle limité à la mise en œuvre du privilège, il n’était plus nécessaire de prévoir autant de gestions distinctes que dans la réglementation actuelle et ce, d’autant plus que la composition de la plupart de ces gestions pouvait être modifiée trop facilement par l’entreprise d’assurance, ce qui ne constituait pas une garantie de sécurité en cas de la mise en œuvre du privilège. Ainsi, les gestions distinctes pour les fonds à actifs dédiés (anciennement fonds cantonnés) ne sont plus reprises. Le privilège des créanciers des contrats liés à un fonds à actifs dédiés ne portera donc plus sur les actifs de ce fonds mais sur l’ensemble des actifs de la gestion distincte vie. On évite ainsi un risque de diminution de l’assiette du privilège consécutive au fait que l’entreprise “viderait” un fonds à actifs dédiés pour, par exemple, accroître l’assiette d’un autre fonds. Cet aspect doit être vu à la lumière de l’article 194 en projet 189 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 om, bijvoorbeeld, het voorwerp van een ander fonds te verhogen. Dit aspect moet gezien worden in het licht van ontwerpartikel 194, dat aan het voorwerp van het voorrecht consistentie moet verlenen (d.w.z. de degelijke samenstelling ervan moet verzekeren), en aldus de doel- treffendheid ervan moet garanderen. Deze maatregel rechtvaardigt ook de vereenvoudiging van het aantal afzonderlijke beheren. Dit doet geenszins afbreuk aan de mogelijkheid voor de verzekeringsondernemingen om aan hun cliënten gedifferentieerde producten aan te bieden, met name die waarvan het rendement op grond van onderliggende activa wordt bepaald. De afzonderlijke beheren, in de betekenis die eraan gegeven wordt in de voorliggende ontwerpwet, heeft dus geen enkele invloed op de vast- stelling van de activa waarvan de contractuele voorwaar- den bepalen dat zij het rendement voor die schuldeisers uit hoofde van verzekering genereren/bepalen. Het wetsontwerp voorziet in drie types van afzonder- lijke beheren: — e e n a f zo n d e r l i j k b e h e e r v o o r a l l e niet-levensverzekeringsactiviteiten; — een afzonderlijk beheer voor alle levensverze- keringsactiviteiten, met uitzondering van de hierna genoemde activiteiten; — een afzonderlijk beheer per beleggingsfonds voor de levensverzekeringsactiviteiten waarvan het beleg- gingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer (voornamelijk de activiteiten van tak 23). De eerste twee afzonderlijke beheren zijn gerecht- vaardigd door de verplichting om de levens- en niet- levensverzekeringsactiviteiten te scheiden in het geval van gemengde ondernemingen (zie commentaar bij de artikelen 222 tot 229). Het derde type is gerechtvaardigd door het feit dat in de overeenkomsten van tak 23 en daarmee gelijkgestelde overeenkomsten de verzeke- ringnemer het beleggingsrisico draagt. Voor deze over- eenkomsten wordt de schuldvordering uit hoofde van verzekering altijd uitsluitend bepaald door de activa die het belggingsfonds vormen. Het voorwerp van het voor- recht en het bedrag van de technische voorzieningen ontwikkelen zich in dit geval dus parallel. Artikel 231 verplicht de verzekeringsondernemingen om het afzonderlijk beheer of de afzonderlijke beheren te identificeren waartoe elke overeenkomst en elk scha- degeval behoort. Het stelt de Bank aldus in staat om de nodige maatregelen te treffen om deze toewijzing te controleren. Bovendien machtigt de ontwerpbepaling de Koning om de voorwaarden te bepalen waaronder een qui a pour objet d’assurer une consistance à l’assiette (c.-à-d. le sérieux de sa composition) du privilège, ren- forçant ainsi son effectivité, mesure qui justifie encore, sur le fond, la simplification du nombre de gestions distinctes. Ceci ne remet nullement en cause la possibilité pour les entreprises d’assurance de proposer des produits différenciés à leurs clients, notamment ceux dont le ren- dement est déterminé sur la base d’actifs sous-jacents. Les gestions distinctes, dans l’acception du présent projet, n’ont donc aucune incidence sur la question de la détermination d’actifs dont les conditions contractuelles prévoient qu’ils générèrent/déterminent le rendement au profit de ces créanciers d’assurance. Trois types de gestions distinctes ont été retenus dans le cadre du projet de loi: — une gestion distincte pour l’ensemble des activités non-vie; — une gestion distincte pour l’ensemble des activités vie à l’exception de celles visées ci-après; — une gestion distincte par fonds d’investissement pour les activités vie dont le risque d’investissement est supporté par le preneur (principalement les activités de la branche 23). Les deux premières gestions distinctes se justifient par l’obligation de séparer les activités vie et non-vie dans le cas des entreprises mixtes (voir le commentaire des articles 222 à 229). Le troisième type se justifie par le fait que dans les contrats de la branche 23 et assi- milés, le preneur supporte le risque d’investissement. Pour ces contrats, la créance d’assurance est toujours exclusivement déterminée par les actifs qui composent le fonds d’investissement. L’assiette du privilège et le montant des provisions techniques évoluent donc, dans ce cas, parallèlement. L’article 231 impose aux entreprises d’assurance d’identifier la ou les gestions distinctes à laquelle chaque contrat et chaque sinistre appartiennent. Il permet ainsi à la Banque de prendre les mesures néces- saires pour vérifier cette affectation. La disposition en projet habilite, en outre, le Roi à déterminer les condi- tions dans lesquelles un actif peut être transféré d’une 190 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 actief kan worden overgedragen van het ene afzonderlijk beheer naar een ander. Deze bepaling neemt de princi- pes over van artikel 14, § 3 van de wet van 9 juli 1975. Onderafdeling V Communautaire medeverzekering Art. 232 tot 238 De artikelen 232 tot 238 zetten de artikelen 190 tot 196 van de Richtlijn om en nemen de artikelen 31 tot 35 van het Algemeen Reglement over. De medeverzekering is een techniek waarbij ver- scheidene verzekeringsondernemingen hetzelfde risico dekken volgens vooraf bepaalde verhoudingen. Een van de ondernemingen, de zogenaamde “eerste verzekeraar”, beheert de overeenkomst zowel ten aan- zien van de overige medeverzekeraars als ten aanzien van de verzekeringnemer en de begunstigden. Tenzij anders overeengekomen, is er geen solidariteit tussen de medeverzekeraars. Van de medeverzekering wordt vaak enkel gebruik gemaakt voor het dekken van grote risico’s (grote fabrieksinstallaties, appartementsblokken, schepen, natuurrampen, …). De besproken onderafdeling heeft betrekking op de communautaire medeverzekering, d.w.z., wat het toe- zicht op de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht betreft, die waarbij het risico geheel of gedeeltelijk in België is gelegen (art. 233, eerste lid, 3°) en wordt gedekt door verscheidene verzekeringsondernemingen, waarvan minstens één valt onder het Belgisch recht en minstens één ressorteert onder een andere lidstaat of een bijkantoor is van een onderneming die ressorteert onder een derde land en gevestigd is in een andere lidstaat (art. 233, eerste lid, 5°). De bepalingen van deze onderafdeling zijn enkel van toepassing op de grote risico’s als gedefinieerd in artikel 233. Worden als dusdanig beschouwd: 1° de risico’s met betrekking tot rollend spoormaterieel (tak 4), luchtvaartuigen (tak 5), zee- of binnenschepen (tak 6), vervoerde goederen (tak 7) en aansprakelijkhe- den met betrekking tot luchtvaartuigen (tak 11) en zee- of binnenschepen (tak 12); 2° kredietverzekeringen (tak 14) en borgtochtverze- keringen (tak 15), wanneer ze betrekking hebben op een beroepsactiviteit; gestion distincte à une autre. Cette disposition reprend les principes de l’article 14, § 3 de la loi du 9 juillet 1975. Sous-section V Coassurance communautaire Art. 232 à 238 Les articles 232 à 238 transposent l90 à 196 de la Directive et reprennent les articles 31 à 35 du Règlement Général. La coassurance est une technique par laquelle plusieurs entreprises d’assurance couvrent un même risque selon des proportions prédéterminées. L’une des entreprises, dénommée “apériteur” gère le contrat tant vis-à-vis des autres coassureurs que vis-à-vis du preneur et des bénéficiaires. Sauf convention contraire, il n’y a pas de solidarité entre les coassureurs. La coassurance est souvent réservée à la couverture de risques importants (grands ensembles industriels, complexes d’appartements, navires, catastrophes naturelles…). La sous-section commentée concerne la coassu- rance communautaire, c’est-à-dire, en ce qui concerne le contrôle des entreprises d’assurance de droit belge, celle dans laquelle le risque est situé, totalement ou partiellement, en Belgique (art. 233, al. 1er, 3°) et est couvert par plusieurs entreprises d’assurance dont l’une au moins est de droit belge et l’une au moins relève du droit d’un autre État membre ou est une succursale d’une entreprise relevant du droit d’un pays tiers établie dans un État membre (art. 233, al. 1er, 5°). Les dispositions de la présente sous-section ne sont applicables qu’aux grands risques définis à l’article 233. Sont considérés comme tels: 1° les risques relatifs aux corps de véhicules fer- roviaires (branche 4), aériens (branche 5), maritimes, lacustres ou fluviaux (branche 6), aux marchandises transportées (branche 7) et aux responsabilités rela- tives aux véhicules aériens (branche 11) et maritimes, lacustres ou fluviaux (branche 12); 2° les assurances crédit (branche 14) et les assu- rances caution (branche 15) lorsqu’elles sont relatives à une activité professionnelle; 191 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° risico’s met betrekking tot landvoertuigen met uitzondering van spoormaterieel (tak 3), brand (tak 8), andere schade aan goederen (tak 9), aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen (tak 10), algemene aansprakelijk- heid, met name beroepsaansprakelijkheid (tak 13) en diverse geldelijke verliezen (tak 16), maar uitsluitend in het geval dat de verzekeringnemer een grote onderne- ming is die de drempels overschrijdt die zijn vastgelegd in artikel 233, eerste lid, 3°; Het zij opgemerkt dat de bedragen vermeld in artikel 233, eerste lid, 3°, worden geïndexeerd met toepassing van ontwerpartikel 679. De artikelen 235 tot 238 leggen een aantal specifieke regels vast voor de uitoefening van de communautaire medeverzekeringsactiviteit: 1° de kennisgeving van een activiteit in vrije dienstver- richting in België (art. 556 tot 561) moet enkel worden verricht door de eerste verzekeraar die ressorteert onder een andere lidstaat en die een activiteit wenst aan te vatten in België (art. 235) 2° de technische voorzieningen worden berekend volgens de regels van het wetsontwerp, zonder dat ze lager mogen zijn dan het bedrag bepaald door de wet van het land van de eerste verzekeraar (art. 236); 3° de in België gevestigde medeverzekeraars bezor- gen aan de Bank diverse inlichtingen over hun com- munautaire medeverzekeringsactiviteiten waarvan de aard, de frequentie en de drager worden vastgelegd in een reglement van de Bank (art. 237); 4° in geval van vereffening mag er geen onderscheid worden gemaakt tussen de verplichtingen die voort- vloeien uit de communautaire herverzekering en de andere verplichtingen van de verzekeraar, met name met betrekking tot het voorrecht op de activa van de verzekeringsonderneming (art. 238). Afdeling II Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen Deze afdeling zet de artikelen 210 en 211 van de Richtlijn om en neemt de artikelen 4, 18°, 80 en 81 van de wet van 16 februari 2009 over. Ze zijn onderver- deeld in twee onderafdelingen, waarvan er één gewijd is aan de finite herverzekering, en een andere aan de effectiseringsvehikels. 3° les risques relatifs aux corps de véhicules ter- restres autres que ferroviaires (branche 3), à l’incendie (branche 8), aux autres dommages aux biens (branche 9), à la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs (branche 10), aux responsabilités géné- rales, notamment les responsabilités professionnelles (branche 13) et les pertes pécuniaires diverses (branche 16) mais uniquement dans le cas où le preneur est une grande entreprise dépassant les seuils prévus à l’article 233, alinéa 1er, 3°. Il faut noter que les montants visés à l’article 233, ali- néa 1er, 3° sont indexés en application de l’article 679 en projet. Les articles 235 à 238 fixent quelques règles par- ticulières à l’exercice de l’activité de coassurance communautaire: 1° la notification d’une activité en libre prestation de services en Belgique (art. 556 à 561) ne doit être effectuée que par l’apériteur ressortissant du droit d’un autre État membre qui souhaite débuter une activité en Belgique (art. 235); 2° les provisions techniques sont calculées selon les règles du projet de loi sans être inférieures au montant prévu par la loi du pays de l’apériteur (art. 236); 3° les coassureurs établis en Belgique fournissent à la Banque divers renseignements sur leurs activités de coassurance communautaires dont la nature, la fréquence et le support sont fixés par un règlement de la Banque (art. 237); 4° en cas de liquidation, il ne peut y avoir de discri- mination entre les engagements relevant de la coas- surance communautaire et les autres engagements de l’assureur, notamment en ce qui concerne le privilège sur les actifs de l’entreprise d’assurance (art. 238). Section II Dispositions particulières relatives à la réassurance Cette section transpose les articles 210 et 211 de la Directive et reprennent les articles 4, 18°, 80 et 81 de la loi du 16 février 2009. Ils sont répartis en deux sous- sections, l’une consacrée à la réassurance finite, l’autre aux véhicules de titrisation. 192 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 239 tot 241 De finite herverzekering, soms “beperkte financiële herverzekering” of “gestructureerde herverzekering” genoemd, wordt beschouwd als een niet-traditionele vorm van herverzekering. Bij een finite herverzekering worden de risico’s verdeeld tussen de overdragende verzekeraar en de herverzekeraar, niet alleen voor de risico’s verbonden aan de onderschrijving maar ook voor de financiële risico’s van de verzekeringsovereen- komsten, dat wil zeggen de risico’s verbonden aan de doelstellingen inzake solvabiliteit, kapitaalbescherming en beperking van de volatiliteit van de resultaten van de overdragers. Er wordt rekening gehouden met de tijdswaarde van geld (actualisering van de toekomstige bedragen) en/of er wordt voorzien in een contractuele verdeling die beoogt de economische gevolgen van het herverzekerde risico in de tijd te effenen, met het oog op het bereiken van het nagestreefde niveau van risico-overdracht. Het potentiële maximale verlies van de herverzekeraar kan belangrijk zijn, maar wordt vooraf bepaald in de overeenkomst. De herverzekeraars die de finite herverzekering be- oefenen, moeten aantonen dat ze over de mogelijkheid beschikken om de specifieke risico’s met betrekking tot deze activiteit te beoordelen en te beheren (art. 240). De controlemaatregelen met betrekking tot dit spe- cifieke aspect van de herverzekering zullen worden genomen via een gedelegeerde handeling op basis van artikel 210, lid 2 van de Richtlijn. Er werd evenwel voor- zien in een rechtsgrondslag naar Belgisch recht voor het geval een dergelijke gedelegeerde handeling zou ontbreken terwijl een regelgeving van de finite herver- zekeringsactiviteit in België geboden zou zijn (art. 241). Art. 242 en 243 Het begrip “effectiseringsvehikel” (special purpose vehicle) wordt gedefinieerd in ontwerpartikel 15, 25°. Het gaat om elke juridische entiteit, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming, die risico’s van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen overneemt en die haar blootstelling aan deze risico’s volledig financiert door emissieprocedures of andere financieringsmechanismen waarbij de terugbetalings- rechten van de geldgevers van dit soort emissies of financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de herverzekeringsverplichtingen van een dergelijk vehikel. Een effectiseringsvehikel koopt van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming een portefeuille Art. 239 à 241 La réassurance finite, appelée parfois “réassurance financière limitée” ou “réassurance structurée” est consi- dérée comme une forme non traditionnelle de réassu- rance. Elle opère un partage de risques entre l’assureur cédant et le réassureur non pas uniquement en ce qui concerne les risques liés à la souscription mais égale- ment aux risques financiers des contrats d’assurance, c’est-à-dire les risques liés aux objectifs de solvabilité, de protection du capital et de réduction de la volatilité des résultats des cédantes. Elle prend en compte la valeur temporelle de l’argent (actualisation des montants futurs) et/ou prévoit un partage contractuel qui vise à lisser dans le temps les répercussions économiques du risque réassuré, en vue d’atteindre un niveau déterminé de transfert de risque. La perte maximale potentielle du réassureur peut être importante mais elle est définie à l’avance dans le contrat. Les réassureurs qui pratiquent la réassurance finite doivent démonter qu’ils ont les capacités à évaluer et gérer les risques particuliers relatifs à cette activité (art. 240). Les mesures de contrôle relatives à cet aspect particulier de la réassurance seront prises par le tru- chement d’un acte délégué pris sur la base de l’article 210, paragraphe 2 de la Directive. Une base légale de droit belge a toutefois été prévue pour le cas où un tel acte délégué ferait défaut alors qu’une réglementation de l’activité de réassurance finite en Belgique se ferait sentir (art. 241). Art. 242 et 243 La notion de “véhicule de titrisation” (special purpose vehicle) est définie à l’article 15, 25° en projet. Il s’agit de toute entité juridique, dotée ou non de la person- nalité morale, autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance existante, qui prend en charge les risques transférés par une entreprise d’assurances ou de réassurance et qui finance en totalité son exposition à ces risques par l’émission d’une dette ou un autre mécanisme de financement, où les droits au rembour- sement de ceux ayant fait un apport dans le cadre de cette dette ou de cet autre mécanisme de financement sont subordonnés aux obligations de réassurance d’un tel véhicule. Un véhicule de titrisation achète à une entreprise d’assurance ou de réassurance un portefeuille de 193 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 schuldvorderingen (hypothecaire of andere) van soort- gelijke aard, en belegt deze portefeuille in de vorm van effecten bij beleggers die er de hoofdsom en rente van ontvangen. In bepaalde gevallen wordt enkel het financiële risico verbonden aan de activa overgedragen, terwijl de activa eigendom blijven van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Enkel dit tweede geval wordt hier beoogd. De effectisering vormt voor de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming een vorm van risicomatiging. Tot dusver waren de effectiseringsvehikels aan geen enkele vergunningsplicht onderworpen in België. Artikel 243 van het ontwerp, dat artikel 81, tweede lid, van de wet van 16 februari 2009 overneemt, biedt een rechtsgrondslag om de vergunning van de Belgische effectiseringsvehikels te reglementeren. Inmiddels konden aan de hand van artikel 211 van de Richtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 2, 46° van de Omnibus II-richtlijn, de voorwaarden voor de vergun- ning van effectiseringsvehikels worden vastgelegd door middel van een gedelegeerde verordening, wat gebeurd is in de artikelen 318 tot 327 van Verordening 2015/35. Ontwerpartikel 243 werd evenwel gehandhaafd. TITEL III Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën van verzekeringsondernemingen HOOFDSTUK I Onderlinge verzekeringsverenigingen Dit hoofdstuk heeft specifiek betrekking op de onderlinge verzekeringsverenigingen naar Belgisch recht. Er worden een aantal bepalingen van de wet van 9 juli 1975 in overgenomen, zonder veel andere dan zuiver formele wijzigingen. Naast de algemene bepalingen (Afdeling I), bevat het ook bepalingen over de omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen in een andere rechtsvorm, met name de naamloze ven- nootschap (Afdeling II) en de fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen (Afdeling III). créances (hypothécaires ou autres) de nature similaire et place ce portefeuille, sous forme de titres, auprès d’investisseurs qui en reçoivent le principal et un intérêt. Dans certains cas, seul le risque financier lié aux actifs est transféré, les actifs restant la propriété de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance. Seul ce second cas est ici visé. La titrisation constitue pour l’entreprise d’assurance ou de réassurance une forme d’atténuation du risque. Jusqu’à présent, les véhicules de titrisations n’étaient soumis à aucune obligation d’agrément en Belgique. L’article 243 du projet, reprenant en cela l’article 81, alinéa 2, de la loi du 16 févier 2009, constitue une base légale pour réglementer l’agrément des véhicules de titrisation belges. Entretemps, l’article 211  de la Directive, tel que modifié par l’article 2, 46°, de la directive Omnibus II, a permis de fixer les conditions d’agrément des véhicules de titrisation par la voie d’un règlement délégué, ce qui a été fait par les articles 318 à 327 du Règlement 2015/35. L’article 243 en projet a néanmoins été maintenu. TITRE III Dispositions particulières relatives à certaines catégories d’entreprises d’assurance CHAPITRE IER Associations d’assurance mutuelle Ce chapitre concerne spécialement les associations d’assurance mutuelle de droit belge. Il reprend une série de dispositions se trouvant actuellement dans la loi du 9 juillet 1975 sans y apporter beaucoup de modifications autres que purement formelle. Outre les dispositions générales (Section Ire), il concerne la transformation des associations d’assurance mutuelle en une autre forme juridique, notamment la société anonyme (Section II) et la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle (Section III). 194 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling I Algemene bepalingen Art. 244 Dit artikel bepaalt dat Hoofdstuk I van Titel III van Boek II van de ontwerpwet van toepassing is op ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die de rechtsvorm van een onderlinge verzekeringsvereniging hebben aangenomen. Voor de toepassing van de Richtlijn en de uitvoe- ringsmaatregelen ervan (onder andere Verordening 2015/35) in het Belgische recht, moeten de termen “onderlinge waarborgmaatschappij” en “onderlinge ver- zekeringsmaatschappij” worden opgevat als “onderlinge verzekeringsvereniging”. Art. 245 De bepalingen over het burgerlijk karakter en de rechtspersoonlijkheid van onderlinge verzekeringsver- enigingen zijn in dit artikel opgenomen. Art. 246 Deze bepaling heeft betrekking op de gemeenschap- pelijke verzekeringskassen, die arbeidsongevallen dekken of bepaalde risico’s die tot de tweede pensi- oenpijler behoren. Artikel 9, § 1, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 lijkt deze gemeenschappelijke kassen als verzekeringsondernemingen met een specifieke rechtsvorm te beschouwen, maar bepaalt ook dat “deze kassen voor de toepassing van deze wet en haar uit- voeringsbesluiten en —verordeningen als onderlinge verzekeringsverenigingen [worden] beschouwd”. In werkelijkheid zijn de gemeenschappelijke kassen een specifieke vorm van onderlinge verzekeringsvereni- gingen (zie in dit verband Y. Willemart, “Sensibilisation au phénomène de l’assurance mutuelle en Belgique”, in L’assurance mutuelle en Belgique, Bruylant, 1999, blz. 12) en gelden voor beide types van instellingen dezelfde regels. Dit verklaart allicht waarom de gemeen- schappelijke kas in Bijlage III van de Richtlijn niet als een specifieke rechtsvorm wordt vermeld. Om problemen in verband met de omzetting van de Richtlijn te vermijden, werd ervoor geopteerd om expliciet te bepalen dat gemeenschappelijke kas- sen als onderlinge verzekeringsverenigingen wor- den beschouwd maar toe te staan dat de gemeen- schappelijke kassen die verrichtingen uitvoeren die Section Ire Dispositions générales Art. 244 Cet article précise le champ d’application du Chapitre Ier du Titre III du Livre II de la loi en projet, à savoir les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui ont adopté la forme d’association d’assurance mutuelle. Pour l’application de la Directive et de ses mesures d’exécution (entre autres le Règlement 2015/35) en droit belge, il faut comprendre les vocables “mutuelle” et “association de type mutuel” comme “association d’assurance mutuelle”. Art. 245 Les dispositions relatives au caractère civil et à la personnalité juridique des associations d’assurance mutuelle sont reprises à cet article. Art. 246 Cette disposition concerne les caisses communes d’assurance, qui couvrent les accidents du travail ou certains risques relevant du second pilier de pensions. L’article 9, § 1er, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 semble faire de ces caisses communes une forme juridique par- ticulière d’entreprise d’assurance tout en ajoutant que “pour l’application de la présente loi, de ses arrêtés et règlements d’exécution, ces caisses sont considérées comme des associations d’assurance mutuelle”. En réalité, les caisses communes sont une forme particulière d’association d’assurance mutuelle (voir sur ce point, Y. Willemart, “Sensibilisation au phénomène de l’assurance mutuelle en Belgique”, in L’assurance mutuelle en Belgique, Bruylant, 1999, p.  12) et les mêmes règles s’appliquent aux unes comme aux autres. C’est sans doute la raison pour laquelle l’Annexe III de la Directive ne mentionne pas la caisse commune comme une forme juridique particulière. Pour éviter tout problème au regard de la transposition de la Directive, le choix a été fait de considérer explici- tement les caisses communes comme des associations d’assurance mutuelle mais d’autoriser celles d’entre elles qui effectuent les opérations relatives aux acci- dents du travail (lois du 3 juillet 1967 et du 10 avril 1971) 195 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verband houden met arbeidsongevallen (wetten van 3 juli 1967 en 10 april 1971) of met bepaalde verzekerin- gen van de tweede pensioenpijler (koninklijk besluit van 14 november 2003 of het zogenaamde “besluit 69”) “ge- meenschappelijke verzekeringskas” worden genoemd in plaats van “onderlinge verzekeringsvereniging”. Om de betrokken ondernemingen in staat te stellen hun statuten en andere documenten te wijzigen is in een overgangsbepaling voorzien (artikel 657). Art. 247 De vermeldingen die in de statuten van de onderlinge verzekeringsverenigingen moeten worden opgenomen, zijn overgenomen uit de artikelen 11 en 15bis van de wet van 9 juli 1975. Afdeling II Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen In deze Afdeling, die betrekking heeft op de omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen in een andere rechtsvorm, wordt de inhoud van de artikelen 78bis tot 78octies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Deze artikelen werden in de genoemde wet ingevoegd door de wet van 3 mei 1999 houdende budgettaire en diverse bepalingen. In dit commentaar wordt de memorie van toelichting bij de voornoemde wet overgenomen met de nodige aanpassingen (zie Parl.St. Kamer, 98/99, nr. 1937/1, 8 tot 14). Voor commentaar bij de context die tot de invoe- ging van de artikelen 78bis tot 78octies in de wet van 9 juli 1975 geeft geleid, zij verwezen naar de pagina’s 8 tot 11 van het voornoemde document. Art. 248 en 249 Onderlinge verzekeringsverenigingen mogen een andere rechtsvorm aannemen, op voorwaarde dat deze rechtsvorm is toegestaan door ontwerpartikel 33. Voor deze omzetting zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing, evenals de artikelen 776 tot 799 van het Wetboek van Vennootschappen, in de mate dat er expliciet naar wordt verwezen. Art. 250 tot 253 In deze artikelen worden de bepalingen van artikel 78quater van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. ou relatives à certaines assurances du deuxième pilier de pension (arrêté royal du 14 novembre 2003 dit “arrêté 69”) à substituer à l’appellation “association d’assu- rance mutuelle” celle de “caisse commune d’assurance”. Une disposition transitoire est prévue (article 657) afin de permettre aux entreprises concernées de modifier leurs statuts et autres documents. Art. 247 Les mentions qui doivent figurer dans les statuts des associations d’assurance mutuelle sont reprises des articles 11 et 15bis de la loi du 9 juillet 1975. Section II Transformation des associations d’assurance mutuelle Cette Section reprend le contenu des articles 78bis à 78octies de la loi du 9 juillet 1975 et concerne la transformation des associations d’assurance mutuelle dans une autre forme juridique. Ces articles avaient été insérées par la loi du 3 mai 1999 portant des dispositions budgétaires et diverses. Le commentaire reprend l’exposé de motifs de la loi précitée moyennant les adaptations qui s’imposent (voy. DOC. Parl., Chambre, sess 98/99, n°1937/1, pp. 8 à 14). Pour un commentaire du contexte ayant présidé à l’insertion des articles 78bis à 78octies dans la loi du 9 juillet 1975, il y a lieu de se référer aux pages 8 à 11 du document précité. Art. 248 et 249 Une association d’assurance mutuelle peut adopter une autre forme juridique pourvu qu’elle soit autorisée par l’article 33 du projet de loi. Pour cette opération, les dispositions de la présente section sont applicables, ainsi que les articles 776 à 799 du Code des sociétés dans la mesure où il y est fait explicitement référence. Art. 250 à 253 Ces articles reprennent les dispositions de l’article 78quater de la loi du 9 juillet 1975. 196 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 250  omschrijft de minimale vermeldingen die moeten worden opgenomen in het verslag dat het bestuursorgaan moet overmaken aan de algemene vergadering die een besluit neemt over de omzetting en bepaalt dat dit verslag moet worden aangevuld met ont- werpstatuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm en met een staat van activa en passiva van de vereniging, waarbij wordt aangegeven hoeveel het maatschappelijk kapitaal van de nieuwe vennootschap zal bedragen. Artikel 251 bepaalt dat de commissaris-revisor van de vereniging een verslag dient op te maken, dat, samen met het verslag van de raad van bestuur, overeenkom- stig artikel 252, voorgelegd dient te worden aan de Bank, die de FSMA raadpleegt wanneer het om een verzekeringsonderneming gaat. Het toezicht werd versterkt ten opzichte van dat waar momenteel in is voorzien in artikel 78quater, § 3 van de wet van 9 juli 1975. Dit laatste artikel voorziet immers enkel in de mogelijkheid om opmerkingen mee te de- len aan de onderlinge verzekeringsvereniging, terwijl ontwerpartikel 252 de Bank in staat stelt om zich te verzetten tegen het voornemen tot omzetting, eventueel na advies van de FSMA. Artikel 253 bepaalt dat de algemene vergadering van de vereniging vervolgens dient te worden bijeengeroe- pen om te beraadslagen over het besluit tot omzetting, met inachtneming van de statutaire bepalingen. Art. 254 tot 257 Deze bepalingen zijn overgenomen uit artikel 78quin- quies van de wet van 9 juli 1975. Artikel 254 bepaalt de aanwezigheids- en stemquota die vereist zijn opdat de algemene vergadering een geldig besluit kan nemen over de omzetting en artikel 255 stelt, overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 781, § 5 van het Wetboek van Vennootschappen voor de omzetting van vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, dat de unanimiteit vereist is indien de vereniging niet ten minste twee jaar bestaat of indien de statuten uitdruk- kelijk bepalen dat omzetting verboden is. Artikel 256 bepaalt de voorwaarden voor de beslis- sing tot vaststelling van de statuten van de nieuwe vennootschap. Artikel 257 bepaalt welke gevolgen van rechtswege verbonden zijn aan het besluit tot omzetting van een onderlinge verzekerings vereniging in een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen: L’article 250 énonce les mentions minimales du rap- port que l’organe de gestion doit présenter à l’assem- blée générale appelée à statuer sur la transformation et impose que ce rapport soit complété par un projet de statuts de la société résultant de la transformation et par un état résumant la situation active et passive de l’association, en indiquant le montant du capital social de la nouvelle société. L’article 251 impose un rapport du commissaire- révi- seur de l’association, ce rapport et le rapport du conseil d’administration devant être soumis, en vertu de l’article 252, à la Banque, laquelle consulte la FSMA lorsqu’il s’agit d’une entreprise d’assurance. Le contrôle a été renforcé par rapport à ce qui est actuellement prévu par l’article 78quater, § 3 de la loi du 9 juillet 1975. Alors que cette disposition ne prévoit que la possibilité de communiquer des observations à l’association d’assurance mutuelle, l’article 252 en projet permet à la Banque, éventuellement sur la base de l’avis de la FSMA, de s’opposer au projet de transformation. L’article 253 prévoit que l’assemblée générale de l’association doit ensuite être convoquée pour délibérer sur la décision de transformation dans le respect des règles statutaires. Art. 254 à 257 Ces dispositions reproduisent l’article 78quinquies de la loi du 9 juillet 1975. L’article 254, indique les quorums de présence et de vote selon lesquels l’assemblée générale peut décider de la transformation et l’article 255, indique que, conformément à ce qui est prévu à l’article 781, § 5, du Code des sociétés pour les transformations de sociétés à forme commerciale, l’unanimité est requise si l’association existe depuis moins de deux ans ou si les statuts interdisent expressément la transformation. L’article 256  indique les conditions relatives à la décision d’adopter les statuts de la nouvelle société. L’article 257  prévoit les conséquences attachées de plein droit à la décision de transformation d’une association d’assurance mutuelle en société à forme commerciale: 197 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de omzetting wordt effectief en de leden van de vereniging worden van rechtswege, met onmiddellijke uitwerking, aandeelhouders of vennoten van de ven- nootschap in haar nieuwe vorm volgens de modaliteiten die het bestuursorgaan voorstelt in zijn verslag; om te vermijden dat nieuwe formaliteiten moeten worden ver- vuld of nieuwe beslissingen moeten worden genomen door sommige leden van de onderlinge verzekerings- vereniging ingevolge de wijziging van haar rechtsvorm, worden de eventueel vereiste machtigingen geacht te zijn verworven van rechtswege; 2° de leden van de vereniging verliezen de rechten die zij nog zouden kunnen hebben ingevolge hun vroegere hoedanigheid van lid; 3° de rechten van de leden van de vereniging worden gesplitst in, enerzijds, vennootschaps rechtelijke rech- ten die voortvloeien uit hun nieuwe hoedanigheid van aandeelhouder of vennoot van de vennootschap die voortvloeit uit de omzetting en, anderzijds, contractuele rechten die voortvloeien uit hun verzekeringspolis die aangepast wordt om rekening te houden met de omzet- ting van de onderlinge verzekeringsvereniging in een vennootschap die de rechtsvorm van een handelsven- nootschap heeft; de wijzigingen die worden voorgesteld door het bestuursorgaan worden geacht van rechtswege te zijn aangebracht in de lopende verzekeringspolissen; 4° onder voorbehoud van de naleving van de wet- telijke voorwaarden behoudt de vennootschap haar vergunningen. Art. 258 In dit artikel wordt artikel 78sexies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het somt de vormvereisten op waaraan voldaan moet zijn voor het besluit tot omzetting. Het gaat voorname- lijk om de verplichting om een authentieke akte op te stellen en bepaalde publicatieformaliteiten te vervullen. De tegenwerpbaarheid aan derden is gebaseerd op het stelsel dat van toepassing is op de omzetting van ven- nootschappen die de rechtsvorm van een handelsven- nootschap hebben aangenomen. Art. 259 Dit artikel is overgenomen uit artikel 78septies van de wet van 9 juli 1975. Het voorziet in de toepassing van de bepalingen van artikel 784 van het Wetboek van Vennootschappen, die de vennoot schappen die voortvloeien uit een omzet- ting, vrijstellen van de naleving van bepaalde regels en 1° la transformation est effective et les membres de l’association deviennent de plein droit, avec effet immédiat, actionnaires ou associés de la société sous sa nouvelle forme, selon les modalités proposées par l’organe de gestion dans son rapport; afin d’éviter que de nouvelles formalités doivent être effectuées ou de nouvelles décisions prises par certains membres de l’association d’assurance mutuelle en raison de la modi- fication de sa forme juridique, les habilitations éventuel- lement requises sont réputées acquises de plein droit; 2° les membres de l’association perdent les droits qu’ils pourraient tirer de leur ancienne qualité de membre; 3° les membres de l’association voient leurs droits scindés, d’une part, en droits sociaux résultant de leur nouvelle qualité d’actionnaire ou associé de la société résultant de la transformation et, d’autre part, en droits contractuels résultant de leur police d’assurance, adap- tée pour tenir compte de la transformation de l’asso- ciation d’assurance mutuelle en une société à forme commerciale; les adaptations proposées par l’organe de gestion sont réputées apportées de plein droit aux polices d’assurance en cours; 4° sous réserve du respect des conditions légales, les agréments restent acquis à la société. Art. 258 Cet article reproduit l’article 78sexies de la loi du 9 juillet 1975. Il énumère les conditions de forme requises pour la décision de transformation, qui consistent essen- tiellement en l’obligation d’établir un acte authentique et de procéder à certaines formalités de publication. L’opposabilité aux tiers est calquée sur le régime applicable aux transformations de sociétés à forme commerciale. Art. 259 Cet article reproduit l’article 78septies de la loi du 9 juillet 1975. Il rend applicable les dispositions de l’article 784 du Code des sociétés, qui dispensent les sociétés résultant d’une transformation d’un certain nombre de règles et formalités essentiellement liées à la composition du 198 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 formaliteiten die hoofdzakelijk verbonden zijn aan de samenstelling van het kapitaal en de inbrengen, met uitzondering van het eerste lid dat betrekking heeft op de omzetting in een besloten vennootschap met be- perkte aansprakelijkheid, die niet gebruikt kan worden om verzekeringsactiviteiten uit te oefenen. Art. 260 Dit artikel is overgenomen uit artikel 78octies van de wet van 9 juli 1975. Het bevat een aansprakelijk- heidsregeling voor de leden van het wettelijk bestuurs- orgaan van de onderlinge verzekeringsvereniging, dat geïnspireerd is op artikel 785 van het Wetboek van Vennootschappen. Afdeling III Fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen In deze Afdeling wordt de inhoud van de artike- len 78nonies tot 78noniesdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, die in deze laatste wet werden ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekerings ondernemingen, wat de fusie door overneming van de onderlinge verzekerings- verenigingen betreft In dit commentaar wordt de memorie van toelichting bij de voornoemde wet overgenomen met de nodige aanpassingen (zie Parl.St. Kamer, 51ste zittingsperiode, 2006-2007, nr. 2842/1). Voor commentaar bij de context die tot de invoeging van de artikelen 78bis tot 78octies in de wet van 9 juli 1975 heeft geleid, zij verwezen naar de pagina’s 4 en 5 van het voornoemde document. Art. 261 In dit artikel wordt artikel 78nonies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het bepaalt dat twee of meer onderlinge verzekeringsverenigingen met een andere onderlinge verzekeringsvereniging mogen fuseren door overneming. In dat geval zijn de bepalingen van Boek IX van het Wetboek van Vennootschappen van toepas- sing, met de aanpassingen waarin de hier besproken afdeling voorziet. Art. 262 In dit artikel wordt artikel 78decies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. capital et aux apports, à la seule exception de l’alinéa 1er qui concerne la transformation en une société privée à responsabilité limitée, société qui ne peut être utilisée pour effectuer des activités d’assurances Art. 260 Cet article reproduit l’article 78octies de la loi du 9 juillet 1975. Il énonce un régime de responsabilité des membres de l’organe légal d’administration de l’association d’assurance mutuelle calqué sur l’article 785 du Code des sociétés. Section III Fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle Cette section reprend le contenu des articles 78nonies à 78noniesdecies de la loi du 9 juillet 1975, qui y avaient été introduits par l’article 2 de la loi du 15 mai 2007 modifiant la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances en ce qui concerne la fusion par absorption des associations d’assurance mutuelle. Le commentaire reprend l’exposé de motifs de la loi précité moyennant les adaptations qui s’imposent (voy. Doc. Parl., Chambre, 51e législature, sess. 2006-2007, n°2842/1). Pour un commentaire du contexte ayant présidé à l’insertion des articles 78bis à 78octies dans la loi du 9 juillet 1975, il y a lieu de se référer aux pages 4 et 5 du document précité. Art. 261 Cet article reprend l’article 78nonies de la loi du 9 juillet 1975. Il permet à deux ou plusieurs associations d’assurance mutuelle de fusionner par absorption avec une autre association d’assurance mutuelle. Dans un tel cas, les dispositions du livre IX du Code des sociétés sont applicables moyennant les adaptations prévues par la section commentée. Art. 262 Cet article reprend l’article 78decies de la loi du 9 juillet 1975. 199 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het past de in artikel 671  van het Wetboek van Vennootschappen vervatte definitie van “fusie door overneming” aan, teneinde rekening te houden met de specifieke aard van de onderlinge verzekeringsvereni- ging. In tegenstelling tot de handelsvennootschappen is het vennootschapsvermogen van de vereniging niet vertegenwoordigd door verhandelbare effecten die on- der de leden zijn verdeeld; de fusie door overneming van twee onderlinge verzekeringsverenigingen leidt dus niet tot de uitgifte van nieuwe effecten van de overnemende vennootschap die onder de leden van de overgenomen vennootschap moeten worden verdeeld, maar ze heeft tot gevolg dat die laatsten van rechtswege lid worden van de overnemende vennootschap. Art. 263 In dit artikel wordt artikel 78undecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Ontwerpartikel 242, eerste lid brengt in herinnering dat de onderlinge verzekeringsverenigingen een bur- gerlijk karakter hebben. Bijgevolg ressorteren zij niet onder de rechtbank van koophandel, maar onder de rechtbank van eerste aanleg. Het hier voorgestelde artikel vervangt dus de be- voegdheid van de rechtbank van koophandel door die van de rechtbank van eerste aanleg voor vor- deringen tot vernietiging van fusies van onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 264 In dit artikel wordt artikel 78duodecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het strekt tot aanpassing van de inhoud van het fusie- voorstel, dat moet worden opgesteld door de respectieve bestuursorganen van de onderlinge verzekeringsvereni- gingen die zullen fuseren. De bedoeling hiervan is dat rekening wordt gehouden met de specifieke aard van dit type verenigingen. Zo moet naar aanleiding van de fusie van twee onderlinge verzekeringsverengingen geen enkele ruilverhouding worden vastgelegd, maar moet wel worden gepreciseerd welke rechten en plichten de leden van de overgenomen vereniging zullen hebben in de overnemende vereniging, alsook welke financiële gevolgen de fusie zal hebben voor de leden van elk van de betrokken verenigingen. Art. 265 In dit artikel wordt artikel 78terdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Il adapte la définition de la fusion par absorption donnée à l’article 671 du Code des sociétés, de ma- nière à tenir compte de la spécificité de l’association d’assurance mutuelle. Contrairement aux sociétés commerciales, l’avoir social de l’association n’est pas représenté par des titres négociables répartis entre ses membres; la fusion par absorption de deux associations d’assurance mutuelle n’entraîne dès lors pas l’émission de nouveaux titres de l’association absorbante à répartir entre les membres de l’association absorbée, mais a pour conséquence que ceux-ci deviennent de plein droit membres de l’association absorbante. Art. 263 Cet article reprend l’article 78undecies de la loi du 9 juillet 1975. L’article 242, alinéa 1er en projet rappelle que les associations d’assurance mutuelle ont un caractère civil. Par conséquent, ces associations ne sont pas justiciables du tribunal de commerce, mais du tribunal de première instance. L’article à l’examen substitue donc la compétence du tribunal de première instance à celle du tribunal de commerce pour les actions en annulation des fusions d’associations d’assurance mutuelle. Art. 264 Cet article reprend l’article 78duodecies de la loi du 9 juillet 1975. Il vise à adapter le contenu du projet de fusion, qui doit être établi par les organes de gestion respectifs des associations d’assurance mutuelle appelées à fusionner, afin de tenir compte de la spécificité de ce type d’associations. Ainsi, aucun rapport d’échange ne doit être établi à l’occasion de la fusion de deux associations d’assurance mutuelle, mais il y a lieu de préciser quels seront les droits et les obligations des membres de l’association absorbée dans l’association absorbante et quelles seront les conséquences finan- cières de la fusion pour les membres de chacune des associations concernées. Art. 265 Cet article reprend l’article 78terdecies de la loi du 9 juillet 1975. 200 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het past de inhoud aan van het omstandig schriftelijk verslag dat het bestuursorgaan overeenkomstig artikel 694 van het Wetboek van Vennootschappen moet op- stellen, om rekening te houden met de hierboven in her- innering gebrachte, specifieke aard van de onderlinge verzekeringsvereniging. In dat verslag moeten met name de rechten worden vermeld en verantwoord die de leden van de overgenomen vereniging in de overnemende vereniging zullen hebben. Voorts moeten de financiële gevolgen van de fusie worden toegelicht. Art. 266 In dit artikel wordt artikel 78quaterdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het past de inhoud aan van het in artikel 695 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde verslag van de commissaris, om rekening te houden met de hier- boven in herinnering gebrachte specifieke aard van de onderlinge verzekeringsverenigingen. De commissaris zal met name moeten bevestigen dat de financiële in- formatie die opgenomen is in het schriftelijk verslag van het bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toereikend is. Tevens moet hij de financiële gevolgen van de fusie beschrijven. Art. 267 In dit artikel wordt artikel 78quinquiesdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het bepaalt de wijze van bijeenroeping van de al- gemene vergaderingen die zich over de fusie moeten uitspreken. De algemene vergadering van de leden van elk van de betrokken verenigingen moet worden bijeengeroepen volgens de regels die van toepassing zijn in geval van een statutenwijziging of in geval van vereffening van de vereniging, indien die regels strenger zijn. Indien de bijeenroeping per gewone brief geschiedt, moet ze als bijlage een kopie van het fusievoorstel be- vatten, alsook de verslagen van het bestuursorgaan en van de commissaris. Voorts moeten de in artikel 697, § 2 van het Wetboek van Vennootschappen vermelde documenten, met inbe- grip van de door de bestuursorganen en de commissaris opgestelde verslagen van de drie laatste boekjaren, ter beschikking worden gehouden van de leden, op de zetel van de vereniging. Daartoe wordt artikel 697, § 2, 4° van het Wetboek van Vennootschappen, dat slechts op een beperkt aantal vennootschappen betrekking heeft, uitgebreid tot de onderlinge verzekeringsverenigingen. Il adapte le contenu du rapport écrit et circonstancié de l’organe de gestion prévu à l’article 694 du Code des sociétés, pour tenir compte des spécificités de l’asso- ciation d’assurance mutuelle rappelées ci-dessus. Ce rapport doit notamment expliquer et justifier les droits des membres de l’association absorbée dans l’asso- ciation absorbante et les conséquences financières de la fusion. Art. 266 Cet article reprend l’article 78quaterdecies de la loi du 9 juillet 1975. Il adapte le contenu du rapport du commissaire prévu à l’article 695 du Code des sociétés, pour tenir compte des spécificités de l’association d’assurance mutuelle rappelées ci-dessus. Le commissaire sera appelé à confirmer le caractère fidèle et suffisant des informations financières contenues dans le rapport écrit de l’organe de gestion et à décrire également les conséquences financières de la fusion. Art. 267 Cet article reprend l’article 78quinquiesdecies de la loi du 9 juillet 1975. Il précise le mode de convocation des assemblées générales appelées à se prononcer sur la fusion. L’assemblée générale des membres de chaque asso- ciation concernée devra être convoquée selon les règles prévues pour la modification des statuts ou la mise en liquidation de l’association si ces dernières règles sont plus strictes. Si la convocation se fait par lettre mis- sive, une copie du projet de fusion et des rapports de l’organe de gestion et du commissaire devra être jointe à la convocation. Par ailleurs, les documents mentionnés à l’article 697, § 2, du Code des sociétés devront être tenus à la disposition des membres au siège de l’association, en ce compris les rapports des organes de gestion et du commissaire des trois derniers exercices. L’article 697, § 2, 4°, du Code des sociétés, qui ne concerne qu’un nombre limité de sociétés, est à cet égard étendu aux associations d’assurance mutuelle. 201 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 268 In dit artikel wordt artikel 78sexiesdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het past het quorum aan dat vereist is opdat de al- gemene vergadering geldig kan beraadslagen over het fusievoorstel, teneinde rekening te houden met de spe- cifieke aard van de onderlinge verzekeringsverenigingen wat hun maatschappelijk vermogen betreft. Voorts wordt gepreciseerd dat artikel 699, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen niet van toepassing is op de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen. Artikel 699, § 3 betreft namelijk het geval waarin de respectieve rechten die de verschillende categorieën van effecten verlenen, worden gewijzigd; aangezien er in onderlinge verzekeringsverenigingen geen verschil- lende categorieën van effecten zijn, is dit artikel op hen niet van toepassing. Art. 269 In dit artikel wordt artikel 78septiesdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het bepaalt dat over de wijzigingen die in voorkomend geval moeten worden aangebracht in de statuten van de overnemende vereniging, moet worden beslist onder de door de statuten opgelegde voorwaarden inzake quorum en meerderheid die gelden voor een statutenwijziging. Art. 270 In dit artikel wordt artikel 78octiesdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Dit artikel strekt er enkel toe de verwijzing naar artikel 704 van het Wetboek van Vennootschappen te vervan- gen door een verwijzing naar een andere bepaling van datzelfde wetboek, omdat voor de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen een andere verwijzing is vereist. Art. 271 In dit artikel wordt artikel 78noniesdecies van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het strekt ertoe de door het voorliggende wetsvoorstel georganiseerde fusieprocedure gelijk te stellen aan de bij het Wetboek van Vennootschappen georganiseerde procedure, omdat dit noodzakelijk is in het licht van arti- kel 211 van het WIB92. Voor zover de andere bij artikel 211 van het WIB92 vereiste voorwaarden zijn vervuld, Art. 268 Cet article reprend l’article 78sexiesdecies de la loi du 9 juillet 1975. Il adapte le quorum requis à l’assemblée générale pour pouvoir valablement délibérer sur la proposition de fusion, afin de tenir compte de la spécificité de l’asso- ciation d’assurance mutuelle en matière d’avoir social. Il précise, par ailleurs, que l’article 699, § 3, du Code des sociétés n’est pas applicable à la fusion d’associa- tions d’assurance mutuelle. Cet article 699, § 3, vise l’hypothèse d’une modification des droits respectifs de différentes catégories de titres; dans la mesure où l’association d’assurance mutuelle ne connaît pas diffé- rentes catégories de titres, cet article lui est inapplicable. Art. 269 Cet article reprend l’article 78septiesdecies de la loi du 9 juillet 1975. Il précise que les modifications qui devront, le cas échéant, être apportées aux statuts de l’association absorbante, devront être décidées aux conditions de présence et de majorité requises pour la modification des statuts, par ces mêmes statuts. Art. 270 Cet article reprend l’article 78octiesdecies de la loi du 9 juillet 1975. Il vise simplement à adapter, pour les besoins de la fusion d’associations d’assurance mutuelle, la référence faite par l’article 704 du Code des sociétés à une autre disposition du Code des sociétés. Art. 271 Cet article reprend l’article 78noniesdecies de la loi du 9 juillet 1975. Il vise à assimiler la procédure de fusion organisée par la présente proposition de loi à la procédure de fusion organisée par le Code des sociétés, pour les besoins de l’article 211 du CIR/92. Pour autant que les autres conditions requises par l’article 211 du CIR/92 soient remplies, la fusion réalisée conformément au présent 202 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zal de overeenkomstig dit wetsvoorstel doorgevoerde fusie worden geacht te zijn volbracht met inachtneming van het Wetboek van Vennootschappen. Aldus zal ook de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen fis- caal neutraal zijn. HOOFDSTUK II Ondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen Artikel 4 van de Richtlijn sluit de ondernemingen waarvan de activiteit onder bepaalde drempels blijft, uit van haar toepassingsgebied. De nationale wetgevers beschikken dus over drie mogelijkheden: die onder- nemingen vrijstellen van elk prudentieel toezicht, hen volledig onderwerpen aan het nieuwe toezichtskader, of in specifieke toezichtsregels voorzien. In het voorliggende wetsontwerp wordt voor deze laatste oplossing gekozen. De in artikel 4 van de Richtlijn bedoelde ondernemingen zullen aldus in principe on- derworpen zijn aan alle bepalingen van de ontwerpwet, zij het met een aantal aanpassingen om rekening te houden met het beperkte volume en het beperkte risico van hun activiteiten. Voor de in het voornoemde artikel 4 bedoelde onder- nemingen die volledig herverzekerd zijn of die al hun verplichtingen hebben overgedragen aan een andere onderneming waaraan in België een vergunning of toe- stemming is verleend, werd eveneens voorzien in een bijzondere regeling die inhoudt dat deze ondernemingen volledig zijn vrijgesteld van toezicht. Voor de volledigheid dient ten slotte ook te worden aangestipt dat Hoofdstuk III van deze Titel, die betrek- king heeft op de verzekeringsondernemingen die enkel dekking verlenen voor bepaalde risico’s die gelegen zijn in de gemeente waar hun zetel is gevestigd of in de omliggende gemeenten, eveneens een toepassing vormt van artikel 4 van de Richtlijn. Concreet geldt de minder strenge regeling van dit Hoofdstuk voor enkele ondernemingen. Afdeling I Toepassingsgebied Deze afdeling omschrijft de voorwaarden waaraan de ondernemingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de toepassing van de bepalingen van dit Hoofdstuk en om daarvoor in aanmerking te blijven komen. Deze voorwaarden houden verband met de omzet van de ondernemingen, en met risico’s die aan hun activiteiten zijn verbonden. projet de loi sera réputée accomplie dans le respect du Code des sociétés, afin de permettre aux associations d’assurance mutuelle concernées de bénéficier du régime de neutralité fiscal de la fusion. CHAPITRE II Entreprises soumises à un régime particulier en raison de leur taille L’article 4  de la Directive exclut de son champ d’application les entreprises dont l’activité n’atteint pas certains seuils. Les législateurs nationaux ont donc un triple choix: soit dispenser ces entreprises de tout contrôle prudentiel, soit les soumettre entièrement au nouveau cadre de contrôle, soit prévoir des règles de contrôle spécifiques. Le choix effectué dans le cadre du présent projet consiste à retenir cette dernière solution. Ainsi, les entreprises visées par l’article 4 de la Directive seront, en principe, soumises à l’ensemble des dispositions prévues par la loi en projet mais moyennant certaines adaptations destinées à prendre en compte le volume réduit et le risque limité de leurs activités. Un régime particulier, consistant en une dispense totale de contrôle, a également été prévu pour les entreprises visées par l’article 4 précité et qui sont entièrement réassurées ou qui ont cédé l’ensemble de leurs engagements à une autre entreprise agréée ou autorisée en Belgique. Enfin, pour être complet, il faut également noter que le Chapitre III du présent Titre, qui concerne les entreprises d’assurance qui ne couvrent que certains risques situés dans la commune de leur siège social ou les communes limitrophes, constitue également une application de l’article 4 de la Directive. Concrètement, le régime plus léger prévu par le pré- sent Chapitre concerne quelques entreprises. Section Ire Champ d’application Cette section énonce les conditions auxquelles les entreprises doivent satisfaire pour obtenir et conserver le bénéfice des dispositions du présent Chapitre. Il s’agit de conditions liées au volume d’affaires des entreprises, ainsi qu’aux risques générés par leurs activités. 203 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 272 De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de minder strenge toezichtsregeling waarin dit Hoofdstuk voorziet, zijn die van artikel 4, leden 1 en 4 van de Richtlijn, behalve voor wat betreft de herverzekering. Het gaat om de volgende vijf voorwaarden. Als eerste voorwaarde geldt dat de bruto jaar- lijkse inkomsten niet meer mogen bedragen dan 5 000 000 EUR. Onder “bruto jaarlijkse inkomsten” die- nen de geboekte handelspremies te worden verstaan, namelijk de premie die nodig is om het risico te dekken (zuivere premie), verhoogd met de toeslagen, kosten en makelaarsvergoedingen, maar zonder de belastingen en bijdragen. De tweede voorwaarde houdt in dat de totale tech- nische voorzieningen niet meer mogen bedragen dan 25  000  000  EUR. Deze voorzieningen worden op dezelfde manier berekend als voor de andere verze- keringsondernemingen en omvatten de beste schat- ting (best estimate) en de risicomarge (risk margin), overeenkomstig artikel 125. Deze berekening gebeurt zonder aftrek van vergoedingen van herverzekeraars en effectiseringsvehikels. Tot slot zij opgemerkt dat wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep, dit maximumbedrag van toepassing is op alle onderne- mingen van de groep. Aangezien de onder de toepassing van dit hoofdstuk vallende ondernemingen onderworpen zijn aan uitzon- deringsbepalingen voor wat betreft de eigenvermogens- vereisten en de berekening van de technische voorzie- ningen, zullen de voornoemde bedragen moeten worden berekend op basis van de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. De derde voorwaarde is dat er geen dekking mag worden verleend voor aansprakelijkheidsrisico’s (tak- ken 10 tot 13), kredietrisico’s (tak 14) en borgtochtver- zekeringsrisico’s (tak 15), tenzij het om risico’s gaat die bijkomend zijn ten opzichte van het hoofdrisico. Voor het begrip “bijkomend risico” zij verwezen naar de com- mentaar bij artikel 21, § 2. Als voorbeeld kan worden verwezen naar de aansprakelijkheid van de eigenaar van een gebouw, die gedekt is door dezelfde overeen- komst als deze die het gebouw dekt tegen brand. De vierde voorwaarde houdt in dat er geen herverze- keringsactiviteiten mogen worden uitgeoefend. Vanuit prudentieel oogpunt werd het niet opportuun geacht om toe te laten dat de in dit Hoofdstuk bedoelde onder- nemingen herverzekeringsactiviteiten uitoefenen. Dit vereiste verandert niets aan de huidige situatie van de Art. 272 Les conditions permettant de bénéficier du régime de contrôle plus léger prévu par le présent Chapitre sont celles de l’article 4, paragraphes 1er et 4 de la Directive à l’exception de ce qui concerne la réassurance. Elles sont au nombre de cinq. La première est que l’encaissement annuel brut ne dépasse pas 5 000 000 EUR. Par encaissement annuel brut, il faut entendre les primes commerciales émises, à savoir la prime nécessaire pour couvrir le risque (prime pure) augmentée des chargements, frais et commissions de courtage mais à l’exception des taxes et contributions. La deuxième condition est que le total des provisions techniques ne dépasse pas 25 000 000 EUR. Ces pro- visions sont calculées de la même manière que pour les autres entreprises d’assurance et comprennent la meilleure estimation (best estimate) et la marge de risque (risk margin) conformément à l’article 125. Le calcul s’effectue brut de l’intervention des réassureurs et des véhicules de titrisation. Enfin, si l’entreprise fait partie d’un groupe, ce plafond s’applique à l’ensemble des entreprises du groupe. Il faut noter que, comme les entreprises visées par le présent chapitre sont soumises à des dispositions dérogatoires en ce qui concerne les exigences de fonds propres et le calcul des provisions techniques, les montants précités devront être calculés sur la base des dispositions de l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d’assurances et de réassurance. La troisième condition est l’interdiction de couvrir des risques de responsabilité civile (branches 10 à 13), de crédit (branche 14) et de caution (branche 15) sauf si ces risques sont accessoires à un risque principal. Pour la notion de risque accessoire, il est renvoyé au com- mentaire de l’article 21, § 2. À titre d’exemple, on peut citer la responsabilité du propriétaire d’un immeuble couverte dans le même contrat que celui se rapportant à l’incendie de l’immeuble. La quatrième condition est l’interdiction de pratiquer une activité de réassurance. De ce point de vue, il n’a pas été jugé opportun du point de vue prudentiel de permettre aux entreprises visées par le présent Chapitre d’exercer une quelconque activité de réassurance. Dès lors qu’elles ne pratiquent pas la réassurance, cette 204 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 actieve ondernemingen die in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van dit Hoofdstuk, aan- gezien zij geen herverzekeringsactiviteiten uitoefenen. De vijfde en laatste voorwaarde is dat er geen acti- viteiten in het buitenland mogen worden uitgeoefend, noch via een bijkantoor, noch in het kader van de vrije dienstverrichting en noch binnen noch buiten de Europese Economische Ruimte. Voor het begrip “activi- teiten in het buitenland” zij verwezen naar de definities van artikel 15, 36° en 37°. Art. 273 In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat een onderneming die onder de toepassing van de bepalin- gen van dit hoofdstuk valt, dit voordeel verliest indien zij een van de in artikel 272 bepaalde drempelwaarden overschrijdt gedurende drie opeenvolgende jaren. In dat geval behoudt de onderneming haar vergunning maar moet zij alle bepalingen van de gemeenschappelijke regeling naleven. Deze bepaling vormt de omzetting van artikel 4, lid 2 van de Richtlijn. Het tweede lid betreft de nieuwe ondernemingen die een vergunning aanvragen als verzekeringsonderne- ming en die in dat verband om de toepassing van de bepalingen van dit Hoofdstuk verzoeken. Dit verzoek wordt geweigerd indien één van de in artikel 272 be- paalde drempelwaarden naar verwachting overschreden zal worden in de vijf jaar die volgen op de indiening van de vergunningsaanvraag. In dit geval kan de betrokken onderneming enkel een vergunning verkrijgen onder de gemeenschappelijke regeling. Deze bepaling zet artikel 4, lid 3 van de Richtlijn om. Art. 274 Dit artikel betreft de ondernemingen die al een ver- gunning hebben verkregen onder de gemeenschap- pelijke regeling en die vervolgens om de toepassing verzoeken van de bepalingen van dit Hoofdstuk. Deze ondernemingen moeten uiteraard de drempelwaarden en andere voorwaarden van artikel 272 in acht nemen maar daarnaast mogen de drempelwaarden die dit arti- kel bevat niet worden overschreden in de drie jaar vóór het verzoek en mogen zij naar verwachting niet worden overschreden in de vijf jaar na het verzoek. Het betreft hier een samenvoeging van de twee regels waarin artikel 272 voorziet. Deze bepaling vormt de omzetting van artikel 4, lid 4 van de Richtlijn. exigence ne modifie en rien la situation actuelle des entreprises en activité qui peuvent prétendre au bénéfice des dispositions du présent Chapitre. La cinquième et dernière condition est l’interdiction d’exercer une quelconque activité à l’étranger, que ce soit par l’intermédiaire d’une succursale ou en libre prestation de services et dans ou en dehors de l’Espace économique européen. Pour la notion d’activité à l’étranger, il est renvoyé aux définitions de l’article 15, 36° et 37°. Art. 273 Le premier alinéa de la disposition prévoit qu’une entreprise qui bénéficie des dispositions du présent Chapitre perd cet avantage si l’un des seuils prévus à l’article 272 est dépassé pendant trois années consé- cutives. Dans ce cas, l’entreprise reste agréée mais doit respecter toutes les dispositions du régime commun. Cette disposition transpose l’article 4, paragraphe 2 de Directive. Le second alinéa concerne les nouvelles entreprises qui sollicitent un agrément en qualité d’entreprise d’assurance et qui, dans ce cadre, demandent à bénéficier des dispositions du présent Chapitre. Une telle entreprise se verra refuser le bénéfice des dispo- sitions du présent Chapitre si l’un des seuils prévus à l’article 272 risque d’être dépassé dans les cinq années suivant l’introduction de la demande d’agrément. Une telle entreprise ne pourra être agréée que sous le régime commun. Cette disposition transpose l’article 4, para- graphe 3 de Directive. Art. 274 Cet article concerne les entreprises déjà agréées sous le régime commun qui demandent par la suite le bénéfice des dispositions du présent Chapitre. Ces entreprises doivent bien évidemment respecter les seuils et autres conditions de l’article 272 mais, en outre, les seuils prévus par cet article ne doivent pas avoir été dépassés au cours des trois années précédant la demande et ne doivent pas être susceptibles d’être dépassés dans les cinq années suivant la demande. Il s’agit du cumul des deux règles prévues par l’article 272. Cette disposition transpose l’article 4, para- graphe 4 de Directive. 205 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Ondernemingen die een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de verplichtingen Deze afdeling betreft de ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 272 tot 274 en die bovendien een overeenkomst hebben gesloten om hun verplichtingen te herverzekeren of over te dragen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. De voornoemde ondernemingen zijn volledig vrij- gesteld van de toepassing van de bepalingen van de ontwerpwet, met uitzondering van de bepalingen van deze afdeling, die enkel een verplichting tot inschrijving bevatten, evenals de noodzakelijke verplichtingen voor de verificatie van de naleving van de vrijstellingsvoor- waarden en de sancties die worden toegepast in geval van niet-naleving. Het regime waarin ontwerpartikel 275 voorziet, is gebaseerd op dat van ontwerpartikel 11, met als enige verschillen dat niet wordt verlangd dat de cederende onderneming en de overnemende onderneming de vorm van een onderlinge verzekeringsvereniging hebben, dat het kan worden toegepast op ondernemingen die het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen maar dat het enkel betrekking heeft op kleine entiteiten. Het regime voor deze ondernemingen is overigens te vergelijken met dat waarin de artikelen 294 tot 302 voor- zien voor lokale verzekeringsondernemingen. Art. 275 Paragraaf 1 vermeldt de voorwaarden waaraan de betrokken verzekeringsondernemingen moeten voldoen om niet onder de toepassing van de bepalingen van de ontwerpwet te vallen. Behalve de voorwaarden van de artikelen 272 tot 274 moeten deze verzekeringson- dernemingen een overeenkomst hebben gesloten met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van al hun verplichtingen of in de overdracht van al hun contractuele verplichtingen. De overnemende onderneming moet een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat zijn. In beide gevallen moet deze onderneming een vergunning hebben verkregen in haar lidstaat van herkomst, en, voor Section II Entreprises qui ont conclu une convention comportant la réassurance intégrale et systématique des contrats d’assurance ou la cession des engagements Cette section concerne les entreprises qui répondent aux conditions des articles 272 à 274 et, en outre, ont conclu une convention par laquelle elles font réassurer ou cèdent leurs engagements à une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge ou du droit d’un autre État membre de l’Espace Économique Européen. Les entreprises précitées sont totalement dispensées de l’application des dispositions de la loi en projet, à l’exception de celles prévues par la présente section, lesquelles comportent uniquement une obligation d’ins- cription et les obligations nécessaires à la vérification des conditions d’exemption et les sanctions en cas de non-respect. Le régime organisé par l’article 275 en projet, est ins- piré de celui prévu par l’article 11 en projet, aux seules différences qu’il n’est pas imposé que les entreprises cédante et cessionnaire aient adopté la forme d’asso- ciation d’assurance mutuelle, qu’il peut s’appliquer à des entreprises pratiquant les activités d’assurance-vie mais qu’il ne concerne que des entités de taille réduite. Par ailleurs, le régime de ces entreprises est similaire à celui organisé par les articles 294 à 302 pour ce qui concerne les entreprises locales d’assurance. Art. 275 Le paragraphe 1er rappelle les conditions permettant de ne pas être soumis aux dispositions de la loi en projet. Outre les conditions des articles 272 à 274, les entre- prises d’assurance concernées doivent avoir conclu avec une entreprise d’assurance ou de réassurance une convention par laquelle soit elles font réassurer intégralement et systématiquement l’ensemble de leurs engagements, soit elles cèdent l’ensemble de leurs engagements contractuels. L’entreprise cessionnaire doit être une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge ou qui relève du droit d’un autre État membre. Dans l’un et l’autre cas, cette entreprise doit être agréée dans son État membre d’origine et, pour ce qui concerne les 206 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wat de ondernemingen van de Europese Economische Ruimte betreft, de Bank ervan in kennis hebben gesteld dat zij in België bedrijvig is via een bijkantoor of in het kader van de vrije dienstverrichting. Indien de bovenstaande voorwaarden vervuld zijn, zijn de betrokken verzekeringsondernemingen volledig vrijgesteld van toezicht, met uitzondering van de be- palingen die het mogelijk maken de naleving van deze voorwaarden te verifiëren en sancties op te leggen voor de niet-naleving ervan. Paragraaf 2 voorziet in een inschrijvingsprocedure die te vergelijken is met die waarin voorzien is voor lokale verzekeringsondernemingen in ontwerpartikel 296, waarnaar verwezen wordt voor de commentaar. Paragraaf 3 regelt het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend op de vrijgestelde ondernemingen. Dit toezicht is beperkt zoals hierboven aangegeven en is te vergelijken met dat waarin ontwerpartikel 299 voorziet voor de lokale verzekeringsondernemingen. Paragraaf 4 voorziet in aanmaningen en sancties in geval van niet-naleving van de vrijstellingsvoorwaarden. Deze zijn te vergelijken met de aanmaningen en sancties die in ontwerpartikel 300 zijn opgenomen voor lokale verzekeringsondernemingen. Afdeling III Andere verzekeringsondernemingen In deze afdeling worden de regels bepaald inzake het statuut van en het toezicht op de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van dit Hoofdstuk vallen en die niet in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 275. Het gaat in hoofdzaak om afwijkingen van bepaalde regels van de gemeenschap- pelijke regeling. Voor het overige zijn de ondernemingen die onder de toepassing vallen van deze Afdeling, onder- worpen aan de bepalingen van de gemeenschappelijke regeling, zoals vermeld wordt in ontwerpartikel 275. Art. 276 De verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 272 tot 274 maar die geen overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige herverzekering of de volledige overdracht van hun verplichtingen, zullen onderworpen zijn aan de bepalingen van de ontwerpwet, evenwel met toepassing van de preciseringen en aanpassingen die in de alhier toegelichte afdeling zijn opgenomen. entreprises de l’Espace Économique Européen, avoir notifié à la Banque l’exercice d’une activité en Belgique par le biais d’une succursale ou en libre prestation de services. Si les conditions énoncées ci-dessus sont remplies, les entreprises d’assurance concernées sont dispen- sées de tout contrôle à l’exception des dispositions permettant de vérifier le respect desdites conditions et d’en sanctionner le non-respect. Le paragraphe 2 prévoit une procédure d’inscription, qui est similaire à celle prévue pour les entreprises locales d’assurance sous l’article 296 en projet auquel il y a lieu de se reporter pour le commentaire. Le paragraphe 3 organise le contrôle de la Banque sur les entreprises dispensées, limité comme indiqué précédemment et similaire à celui organisé par l’article 299 en projet en ce qui concerne les entreprises locales d’assurance. Le paragraphe 4  prévoit des injonctions et des sanctions en cas de non-respect des conditions d’exemption, qui sont semblables à celles figurant sous l’article 300 en ce qui concerne les entreprises locales d’assurance. Section III Autres entreprises d’assurance Cette section détermine les règles relatives au statut et au contrôle des entreprises bénéficiant des disposi- tions du présent Chapitre et qui ne peuvent pas béné- ficier de la dispense prévue par l’article 275. Il s’agit essentiellement de dérogations à certaines règles du régime commun. Pour le surplus, comme le rappelle l’article 275 en projet, les dispositions du régime com- mun sont applicables aux entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section. Art. 276 Les entreprises d’assurance de droit belge qui répondent aux conditions des articles 272 à 274 mais qui n’ont pas conclu de convention portant sur la réassurance intégrale ou la cession de l’entièreté de leurs engagements seront soumises à la loi en projet moyennant les précisions et adaptations apportées par la section ici commentée. 207 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het tweede lid betreft de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn. Aangezien de onder de toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen niet onderworpen zijn aan de bepalingen van de Richtlijn, zijn de Europese verordeningen tot uitvoering van de Richtlijn evenmin op hen van toepassing. Er wordt bepaald dat een koninklijk besluit sommige bepalingen van deze Europese veror- deningen van toepassing kan verklaren op de onder de toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen, indien dit nodig zou zijn. In de lijst van de verzekeringsondernemingen waar- aan een vergunning is verleend, worden de ondernemin- gen die onder de toepassing van deze Afdeling vallen, in een aparte rubriek vermeld. Art. 277 De ontwerpartikelen 37 en 38 bepalen dat de on- dernemingen die een vergunning aanvragen als verze- keringsonderneming, moeten aantonen dat zij in staat zijn om te voldoen aan de eigenvermogensvereisten met betrekking tot het solvabiliteitskapitaal en het minimumkapitaal. Deze artikelen zijn van toepassing op de ondernemin- gen die onder de toepassing van deze Afdeling vallen. De berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste dient echter overeenkom- stig de hieronder toegelichte artikelen 285 en 286 te gebeuren. Art. 278 De artikelen 45 tot 47 van het wetsontwerp leggen de oprichting op van een directiecomité in de zin van artikel 524bis van het Wetboek van Vennootschappen maar verlenen aan de Bank de bevoegdheid om afwijkingen toe te staan op grond van de omvang en het risicoprofiel van de onderneming. Aangezien de onder deze Afdeling vallende onderne- mingen in de meeste gevallen voldoen aan deze criteria, geldt als regel dat de oprichting van een directiecomité niet verplicht is maar dat de Bank de oprichting van een dergelijk comité bij wijze van uitzondering kan opleggen indien de omvang en het risicoprofiel van de onderne- ming dit noodzakelijk maken. Indien er geen directiecomité is, moeten de onder- nemingen over een effectieve leiding beschikken die uit minstens twee natuurlijke personen bestaat, die geza- menlijk optreden. In dat geval worden de verplichtingen van het directiecomité door die personen gedragen. Le deuxième alinéa concerne les mesures d’exé- cution de la Directive. Étant donné que les entreprises visées par de la présente Section ne sont pas soumises aux dispositions de la Directive, les règlements euro- péens d’exécution de cette dernière ne leur sont pas non plus applicables. Il est prévu qu’un arrêté royal puisse rendre certaines dispositions de ces règlements européens applicables aux entreprises visées par de la présente Section, dans le cas où cela s’avèrerait nécessaire. La liste des entreprises d’assurance agréées devra mentionner dans une rubrique distincte les entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section. Art. 277 Les articles 37  et 38  en projet prévoient que les entreprises qui sollicitent un agrément en qualité d’entre- prises d’assurance démontrent qu’elles sont en mesure de satisfaire aux exigences de fonds propres, en ce qui concerne tant le capital de solvabilité que le minimum de capital requis. Ces articles sont applicables aux entreprises qui bénéficient des dispositions de la présente Section. Toutefois, le calcul du capital de solvabilité requis et du minimum de capital de solvabilité requis s’effectue conformément aux articles 285  et 286  commentés ci-après. Art. 278 Les articles 45  à 47  du projet de loi imposent la constitution d’un comité de direction au sens de l’article 524bis du code des sociétés mais permettent à la Banque d’accorder des dérogations en fonction de la taille et du profil de risque de l’entreprise. Étant donné que, dans la grande majorité des cas, les entreprises visées par de la présente Section satis- feront à ces critères, il a été prévu, comme règle, de ne pas imposer la constitution d’un comité de direction et, comme exception, que la Banque puisse imposer la constitution d’un tel comité si la taille et le profil de risque de l’entreprise le nécessitent. En l’absence de comité de direction, les entreprises doivent mettre en place une direction effective com- posée de deux personnes physiques au moins qui agissent conjointement. Dans ce cas, les obligations incombant au comité de direction sont assumées par ces personnes. 208 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 279 Voor de verplichtingen inzake de oprichting van een auditcomité, een risicocomité en een remuneratieco- mité, die in de artikelen 48 en 53 van het wetsontwerp zijn vastgelegd, wordt een soortgelijke redenering ge- volgd als in artikel 273. De ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen, zijn vrijgesteld van de verplichting om dergelijke comités op te richten en de taken van deze comités worden door het wet- telijk bestuursorgaan vervuld. Om belangenconflicten te vermijden, wordt evenwel bepaald dat de leden van de effectieve leiding of, wanneer er een directiecomité is, de leden van dit directiecomité, geen deel mogen uitmaken van dit orgaan. De ondernemingen die onder de toepassing van deze Afdeling vallen, moeten over een risicobeheerfunctie beschikken. Gezien hun geringe omvang wordt echter niet verlangd dat het hoofd van deze functie een lid van het directiecomité is waarvan de risicobeheer functie de enige functie is. Daarom wordt enkel afgeweken van paragraaf 3 van artikel 56 van het voorliggende ontwerp. Art. 280 De ontwerpartikelen 74 en 75 bepalen dat de on- dernemingen die over een vergunning beschikken, voldoende eigen vermogen moeten aanhouden om zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste als het minimum- kapitaalvereiste te dekken. Deze artikelen zijn van toepassing op de onderne- mingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen. De berekening van het solvabiliteitskapitaal vereiste en het minimumkapitaalver- eiste dient echter overeenkomstig de hierna toegelichte artikelen 285 en 286 te gebeuren. Art. 281 Ontwerpartikel 83 bevat regels die het cumuleren van de functie van lid van het directiecomité of van de effectieve leiding en andere functies beperken. Gezien de geringe omvang van de ondernemingen die onder de toepassing van deze Afdeling vallen, wer- den deze regels te streng geacht. Er werd dus gekozen voor een algemene regel die enerzijds inhoudt dat de voornoemde personen voldoende tijd moeten besteden aan het beheer van hun onderneming en anderzijds dat Art. 279 Un raisonnement similaire à celui de l’article 273 est tenu en ce qui concerne les obligations relatives à la constitution d’un comité d’audit, un comité des risques et d’un comité de rémunération prévues par les articles 48 et 53 du projet de loi. Les entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section sont dispensées de constituer de tels comités et les fonctions de ces comités sont assumées par l’organe légal d’administration. Pour éviter les conflits d’intérêts, on exclut cependant de la composition de cet organe les membres de la direction effective ou, lorsqu’il existe, ceux du comité de direction. Les entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section doivent mettre en place une fonction de gestion des risques. Toutefois, compte tenu de leur structure réduite, il n’est pas imposé que cette fonction soit dirigée par un membre du comité de direction dont c’est la seule fonction. C’est pourquoi on ne déroge qu’au paragraphe 3 de l’article 56 du présent projet. Art. 280 Les articles 74 et 75 du projet imposent aux entre- prises agréées de détenir des fonds propres suffisants pour couvrir tant le capital de solvabilité que le minimum de capital requis. Ces articles sont applicables aux entreprises qui bénéficient des dispositions de la présente Section. Toutefois, le calcul du capital de solvabilité requis et du minimum de capital de solvabilité requis s’effectue conformément aux articles 285  et 286  commentés ci-après. Art. 281 L’article 83  du projet contient des règles limitant le cumul entre les fonctions de membres du comité de direction ou de la direction effective avec d’autres fonctions. Compte tenu de la petite taille des entreprises béné- ficiant des dispositions de la présente Section, il a été jugé que ces règles étaient trop rigides. Il a donc été opté pour une règle générale prévoyant, d’une part, que les personnes précitées consacrent suffisamment de temps à la gestion de leur entreprise et, d’autre part, 209 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zij zich niet in belangenconflictsituaties mogen bevin- den. De onderneming moet hiervoor in interne regels voorzien en moet de lijst van de mandaten en functies die door hen worden uitgeoefend, openbaar maken in het jaarverslag van de onderneming of op haar website. Art. 282 Wat het risicobeheer betreft (ontwerpartikelen 84 tot 90), zijn enkel de algemene beginselen van de ontwerp- artikelen 84 en 85 van toepassing. De onder de toepas- sing van deze Afdeling vallende ondernemingen moeten dus een risicobeheersysteem opzetten dat aangepast is aan hun risicoprofiel. De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (ORSA) waarin ontwerpartikel 91 voorziet, is ook niet van toepassing op de onder de toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen, aangezien die beoordeling betrekking heeft op de onderliggende risico’s van het solvabiliteitskapitaalvereiste, dat anders wordt berekend voor deze ondernemingen. Art. 283 De ontwerpartikelen 95 tot 101 bepalen dat de ver- zekerings- en herverzekeringsondernemingen diverse gegevens bekend dienen te maken over hun financiële positie en solvabiliteit. Aangezien er echter geoordeeld werd dat dit vereiste niet in verhouding staat tot de om- vang van de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen, worden zij van deze verplichting vrijgesteld. Overeenkomstig ont- werpartikel 98 mogen zij zelf beslissen welke informatie zij bekendmaken. Er wordt evenwel bepaald dat via een reglement van de Bank verlangd kan worden dat bepaalde informatie bekendgemaakt wordt over de financiële positie van de betrokken ondernemingen. Deze informatie mag uiteraard niet overlappen met deze die bekendgemaakt wordt in het kader van de jaarrekening. Art. 284 De ontwerpartikelen 107 tot 122 betreffen de uitoefe- ning van activiteiten in het buitenland door verzekerings- of herverzekerings ondernemingen naar Belgisch recht. Aangezien de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen, geen activiteiten mogen uitoefenen buiten België, zijn deze bepalingen uiteraard niet van toepassing op hen. qu’ils ne se trouvent pas dans des situations de conflit d’intérêts. L’entreprise doit prévoir des règles internes à ce propos et publier la liste des mandats et fonctions exercées. Cette publication peut se faire dans le rapport annuel de l’entreprise ou sur son site Internet. Art. 282 En ce qui concerne la gestion des risques (articles 84 à 90 en projet), seuls les principes généraux prévus par les articles 84 et 85 en projet sont applicables. Les entreprises visées par la présente Section devront donc mettre en place un système de gestion des risques adapté à leur profil de risque. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité (ORSA) prévu par l’article 91 en projet, n’est pas non plus applicable aux entreprises visées par la présente Section étant donné que cet exercice concerne les risques sous-jacents au capital de solvabilité requis, le- quel est calculé différemment pour lesdites entreprises. Art. 283 Les articles 95 à 101 en projet imposent aux entre- prises d’assurance et de réassurance de publier diverses informations sur leur situation financière et de solvabilité. Cette exigence ayant été jugé disproportion- née eu égard à la taille des entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section, celles-ci en sont dispensées. Elles peuvent, conformément à l’article 98 du projet, publier les informations qu’elles souhaitent. Il est cependant prévu qu’un règlement de la Banque puisse imposer la publication de certaines informations en relation avec la situation financière des entreprises concernées. Il va de soi que ces informations ne doivent pas créer une duplication avec celles qui seront publiées dans le cadre des comptes annuels. Art. 284 Les articles 107 à 122 du projet concernent l’exercice d’activités à l’étranger par les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge. Les entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section ne pouvant exercer aucune activité en dehors de la Belgique, ces dispositions ne leur sont évidemment pas applicables. 210 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 285 • Algemeen Généralités Op grond van de huidige reglementering moeten de verzekeringsondernemingen over een solvabili- teitsmarge beschikken die in verhouding staat tot hun activiteitsvolume, en eigen vermogen aanhouden ten belope van een absoluut bedrag van 2,5 of 3,7 miljoen euro naargelang van de uitgeoefende activiteiten. Die bepalingen worden in dit artikel overgenomen met enkele vereenvoudigingen. Het solvabiliteitskapi- taalvereiste (of SCR — solvency capital requirement) wordt berekend in verhouding tot de verplichtingen van de ondernemingen, met inachtneming van een absoluut minimum. Ter wille van de uniformiteit met de overige ont- werpbepalingen (met name de bepalingen betreffende de diverse herstelmaatregelen), wordt echter de term “solvabiliteitskapitaalvereiste” gehanteerd, hoewel de berekening waarin dit artikel voorziet, zeer vergelijkbaar is met de berekening van de solvabiliteitsmarge waarin de huidige regelgeving voorziet. Berekening op grond van de verplichtingen van de verzekeringsonderneming (§ 1, eerste lid) — Niet-levensverzekering (1° en 2°) Het SCR is in principe gelijk aan 25 % van de scha- delast. Dit laatste begrip zal bij reglement van de Bank worden verduidelijkt op grond van paragraaf 2, 1°, van het toegelichte artikel. Om bovenmatige schommelingen van het bedrag van het SCR te vermijden, wordt bepaald dat de gemiddelde schadelast van de laatste drie boekjaren moet worden genomen, of zelfs van de laatste zeven boekjaren voor de risico’s waarvoor de schadelast aanzienlijk kan schommelen zijn (natuurrampen, storm, hagel en vorst). Voor de lopende renten (lichamelijk letsel, arbeidson- gevallen …) geschiedt de berekening op dezelfde wijze als voor de levensverzekeringen, aangezien de techniek die gehanteerd wordt dezelfde is. — Levensverzekering (3° en 4°) Het begrip “levensverzekering” bestrijkt de takken 21 tot 29 van Bijlage II van de ontwerpwet. Voor deze overeenkomsten is het SCR in principe het resultaat van een dubbele berekening. Art. 285 Généralités Dans le cadre de la réglementation actuelle, les entreprises d’assurance doivent constituer une marge de solvabilité, laquelle est fonction de leur volume d’acti- vité, et constituer des fonds propres à concurrence d’un montant absolu de 2,5 ou 3,7 millions d’euros selon les activités pratiquées. Le présent article reprend, moyennant quelques simplifications, ces dispositions. Le capital de solvabilité requis (ou SCR pour solvency capital requirement) est calculé en proportion des engagements des entreprises mais en respectant un minimum absolu. Par souci d’uniformité avec les autres dispositions en projet (notamment celles relatives aux diverses mesures de redressement), l’expression “capital de solvabilité requis” est néanmoins utilisée bien que le calcul prévu par le présent article soit très similaire à celui de la marge de solvabilité tel que prévu par la réglementation actuelle. Calcul en fonction des engagements de l’entreprise d’assurance (§ 1er, alinéa 1er) — Assurance non-vie (1° et 2°) Le SCR est, en principe, égal à 25 % de la charge des sinistres. Cette dernière sera précisée par règlement de la Banque sur la base du paragraphe 2, 1°, de l’article commenté. Pour éviter des fluctuations trop importantes du montant du SCR, il est prévu de prendre la charge des sinistres moyenne sur les trois derniers exercices voire des sept derniers exercices pour les risques où la fluc- tuation de la charge des sinistres peut être importante (catastrophes naturelles, tempête, grêle et gel). Pour les rentes en cours (dommages corporels, accidents du travail…), le calcul s’effectue comme pour les assurances-vie en raison de la technique utilisée. — Assurance-vie (3° et 4°) La notion d’assurance-vie couvre les branches 21 à 29 de l’Annexe II en projet. Pour ces contrats, le SCR est, en principe, le résultat d’un double calcul. 211 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor het kapitaal dat wordt uitgekeerd indien de verzekerde in leven is op het einde van de overeen- komst, is het SCR gelijk aan 4 % van de technische voorzieningen. Dit percentage wordt verlaagd tot 1 % voor de overeenkomsten waarvan het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer, d.w.z. voor de overeenkomsten die verbonden zijn aan een beleg- gingsfonds en die tot de takken 23, 26 en 27 behoren. Hetzelfde geldt voor de tontineverrichtingen van tak 25. Dit lagere percentage houdt verband met het feit dat aan deze activiteiten minder risico’s zijn verbonden. Voor het kapitaal dat uitgekeerd wordt indien de ver- zekerde overlijdt voor het einde van de overeenkomst, is het SCR gelijk aan 0,3 % van de niet-negatieve risi- cokapitalen van het vorige boekjaar. Het risicokapitaal is het verschil tussen het kapitaal dat verschuldigd is bij overlijden en de theoretische afkoopwaarde. Dit bedrag is negatief wanneer het overlijdenskapitaal hoger is dan de theoretische afkoopwaarde. Indien eenzelfde overeenkomst zowel in een prestatie bij leven als in een prestatie bij overlijden voorziet, dient het SCR uiteraard zowel op de technische voorziening voor het deel leven te worden berekend als op het risi- cokapitaal voor het deel overlijden. De overeenkomsten die betrekking hebben op bijkomende risico’s, waarvoor gebruik wordt ge- maakt van een techniek niet-leven, vallen niet onder deze regeling. Voor deze overeenkomsten wordt het SCR op dezelfde wijze berekend als voor de andere niet-levensverzekeringsovereenkomsten. Absolute ondergrens (§ 1, tweede lid) Het SCR mag nooit kleiner zijn dan een absoluut bedrag, wat ook het bedrag is dat voortvloeit uit de berekening volgens paragraaf 1, eerste lid. Dit absoluut bedrag wordt bepaald onder verwijzing naar artikel 189, § 1, 4°, dat in een minimum van 2 500 000 EUR voorziet voor niet-levensverzekeringsactiviteiten en van 3 700 000 EUR voor levensverzekeringsactiviteiten. Deze minima stemmen overeen met de absolute mini- ma van het garantiefonds waarin momenteel is voorzien in artikel 19, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betref- fende de controle op de verzekeringsondernemingen. In dit verband werd vastgesteld dat het eigenvermo- gensvereiste voor de ondernemingen die in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling, gelijk is aan de voornoemde minima. In de Pour les capitaux payables dans le cas où l’assuré est en vie au terme du contrat, le SCR est égal à 4 % des provisions techniques. Ce taux est réduit à 1 % pour les contrats dont le risque de placement est supporté par le preneur d’assurance, c’est-à-dire pour les contrats liés à un fonds d’investissement et relevant des branches 23, 26 et 27. Il en va de même pour les opérations ton- tinières de la branche 25. Ce taux réduit s’explique par le risque moindre inhérent à ces activités. Pour les capitaux payables dans le cas où l’assuré décède avant le terme du contrat, le SCR est égal à 0,3 % des capitaux sous risque non négatifs de l’exer- cice précédent. Le capital sous risque est la différence entre le capital dû en cas de décès et la valeur de rachat théorique. Ce montant est négatif lorsque le capital-dé- cès est supérieur à la valeur de rachat théorique. Il est évident que, si un même contrat prévoit à la fois une prestation en cas de vie et une prestation en cas de décès, il y a lieu de calculer le SCR à la fois sur la provision technique pour la partie vie et sur le capital sous risque pour la partie décès. Les contrats relatifs à des risques accessoires, qui suivent une technique non-vie, ne sont pas concernés ici et font l’objet du même calcul du SCR que les autres contrats non-vie. Plancher absolu (§ 1er, alinéa 2) Quel que soit le montant calculé selon le paragraphe 1er, alinéa 1er, le SCR ne peut jamais être inférieur à un montant absolu. Celui-ci est déterminé par référence à l’article 189, §  1er, 4°, lequel prévoit un minimum de 2  500  000  EUR pour les activités non-vie et de 3 700 000 EUR pour les activités vie. Ces minima sont identiques aux minima absolus du fonds de garantie actuellement prévus par l’article 19, § 1er, alinéa 1er de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances. Il a, à cet égard, été constaté que, pour les entreprises qui pourront bénéficier des dispositions de la présente Section, l’exigence de fonds propres correspond aux minima précités. Il n’y a donc, en pratique, aucune 212 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 praktijk zal er voor deze ondernemingen dus geen aan- vullend vereiste gelden wanneer zij onder de toepassing van de nieuwe wet zullen vallen. Ondernemingen die zowel levens- als niet-levensver- zekeringsactiviteiten uitoefenen De ondernemingen die zowel levens- als niet-levens- verzekeringsactiviteiten uitoefenen zullen net zoals nu reeds het geval is, zowel aan de eigenvermogensver- eisten voor levensverzekeringsactiviteiten als aan de eigenvermogensvereisten voor niet-levensverzekerings- vereisten moeten voldoen. Geen enkele onderneming bevindt zich in dat geval. Aanvullende regels Niet alle bepalingen die betrekking hebben op de berekening van de solvabiliteitsmarge werden in de ont- werpwet opgenomen. Sommige van die bepalingen zijn namelijk tamelijk technisch en zouden kunnen worden aangepast aan de situatie van de onder de toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen. Daarom wordt de Bank gemachtigd om deze regels bij reglement vast te stellen. In het betrokken reglement zal dus enerzijds het be- grip “schadelast” moeten worden verduidelijkt. Onder dit begrip wordt gewoonlijk verstaan de betalingen, verhoogd met de voorziening voor schaden die aan het einde van het boekjaar wordt berekend en verminderd met de voorziening voor schaden die aan het begin van het boekjaar is berekend. Daarnaast dient dit reglement ook te preciseren op welke wijze de herverzekering in aanmerking wordt ge- nomen bij de berekening van het SCR. Momenteel wordt een verlaging toegepast op grond van het percentage dat mag worden ingehouden door de verzekeraar, maar met toepassing van een plafond. Art. 286 Dit artikel bepaalt het minimumkapitaalvereiste (of MCR — minimum capital requirement) voor de onder de toepassing van deze Afdeling vallende ondernemingen. In afwijking van de regels van ontwerpartikel 189 werd geopteerd voor een eenvoudige formulering, namelijk dat het MCR te allen tijde gelijk moet zijn aan 60 % van het SCR. Dit kan een voordeel lijken ten opzichte van het huidige regime, dat voorziet in een absoluut minimum van 2,5 of 3,7 miljoen euro naargelang van de uitgeoefende ver- zekeringstak, maar dit voordeel wordt gecompenseerd exigence supplémentaire pour ces entreprises une fois qu’elles seront soumises à la nouvelle loi. Entreprises pratiquant à la fois les activités vie et non-vie Les entreprises qui pratiquent à la fois les activités vie et non-vie devront, comme c’est le cas actuellement, satisfaire aux exigences de fonds propres applicables tant aux activités vie qu’aux activités non-vie. Aucune entreprise ne se trouve dans ce cas de figure. Règles complémentaires Toutes les dispositions relatives au calcul de la marge de solvabilité n’ont pas été reprises dans la loi en pro- jet. Certaines sont en effet relativement techniques et pourraient être adaptées à la situation des entreprises visées par la présente Section. C’est pourquoi, l’habi- litation est donnée à la Banque de préciser ces règles par voie de règlement. Le règlement dont question devra, d’une part, préciser la notion de “charge des sinistres”. Traditionnellement, cette notion correspond aux paiements augmentés de la provision pour sinistres calculée à la fin de l’exercice et diminuée de la provision pour sinistres calculée au début de l’exercice. L’autre point que ce règlement devra préciser est la manière dont la réassurance est prise en compte dans le calcul du SCR. Actuellement, une réduction est opé- rée sur la base du taux de rétention de l’assureur mais avec un plafond. Art. 286 Cet article détermine le minimum de capital requis (ou MCR pour minimum capital requirement) des entre- prises visées par la présente Section. Par dérogation aux règles déterminées par l’article 189 en projet, il a été opté pour une formulation simple, à savoir que le MCR doit être, à tout moment, égal à 60 % du SCR. Cela peut apparaître comme un avantage par rapport au régime actuel, qui fixe un minimum absolu de 2,5 ou 3,7 millions d’euros selon la branche pratiquée mais cet avantage est contrebalancé par les dispositions 213 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 door de bepalingen die van toepassing zijn in geval van niet-naleving van het MCR. Ontwerpartikel 511 legt in geval van niet-naleving van het SCR een plan inzake financiering op korte termijn op dat het SCR weer op peil dient te brengen binnen drie maanden en ontwerp- artikel 541 bepaalt dat de vergunning wordt ingetrokken wanneer het plan geen resultaten oplevert binnen de voornoemde termijn. Art. 287 Gelet op de vereenvoudigingen die in de berekening van het SCR en het MCR zijn aangebracht, leek het niet gepast de bepalingen betreffende de eigenver- mogensbestanddelen van de artikelen 140 tot 150 van toepassing te verklaren op de onder de toepassing van de Afdeling vallende ondernemingen. In de plaats daarvan werden de relevante bepalingen van de huidige regelgeving in het wetsontwerp opgenomen. Paragraaf 2 betreft de eigenvermogensbestanddelen die in aanmerking worden genomen voor de dekking van het MCR. Het gaat om de bestanddelen die momen- teel zijn opgesomd in artikel 15bis, § 1 van de wet van 9 juli 1975. Volgens het tweede lid moeten bepaalde ele- menten, zoals de eigen aandelen van de onderneming, worden afgetrokken, conform hetgeen momenteel is bepaald in artikel 15bis, § 4 ,1° van de wet van 9 juli 1975. Tot slot bepaalt het derde lid dat sommige elementen (achtergestelde leningen, niet-gestort gedeelte van het kapitaal, suppletiebijdragen van onderlinge verzekerings- verenigingen …) maar binnen bepaalde grenzen zijn toegelaten, mits de Bank daarvoor voorafgaandelijk haar toestemming heeft verleend. Ook hier zijn de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 (art. 15bis, § 3) overgenomen. De voorwaarden voor de toestemming zijn echter over- genomen uit ontwerpartikel 143, § 4. Paragraaf 3 betreft de eigenvermogensbestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen voor de sa- menstelling van het MCR. Het gaat om de elementen die het beste voldoen aan de criteria inzake permanentie, afwezigheid van kosten en achterstelling. Net zoals voor de berekening van het bedrag van het SCR en het MCR, is ook hier voorzien in een machtiging opdat de Bank de andere voorwaarden kan vastleggen waaraan de eigenvermogensbestanddelen moeten voldoen. Zo legt de huidige wetgeving onder andere voorwaarden op voor de ledenrekeningen van onderlinge verzekeringsverenigingen (art. 15bis, § 1, 1°, tweede lid) en voor achtergestelde leningen (art. 15bis, § 1, 5°, tweede lid). Aangezien het om een relatief technische materie gaat, werd het verkieslijk geacht dit via regelgeving te behandelen. applicables en cas de non-respect du MCR. En particu- lier, l’article 511 en projet impose, en cas de non-confor- mité du MCR, un plan de financement à court terme qui doit permettre le rétablissement du MCR endéans les trois mois et l’article 541 en projet impose le retrait de l’agrément en cas d’échec du plan dans le délai précité. Art. 287 Compte tenu des simplifications apportées au calcul du SCR et du MCR, il n’est pas apparu opportun de rendre les dispositions relatives aux éléments de fonds propres des articles 140 à 150 applicables aux entreprises visées par la présente Section. En lieu et place, les dispositions pertinentes de la réglementation actuelle ont été insérées dans la loi en projet. Le paragraphe 2 se rapporte aux éléments de fonds propres pris en considération pour la couverture du MCR. Il s’agit des éléments actuellement énumérés à l’article 15bis, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975. L’alinéa 2 déduit certains éléments tels que les actions propres de l’entreprise, comme prévu actuellement par l’article 15bis, § 4 ,1° de la loi du 9 juillet 1975. Enfin, l’alinéa 3 prévoit que certains éléments (emprunts subordonnés, fraction non versée au capital, rappel de cotisation des mutuelles…) ne sont admis que dans certaines limites et moyennant l’autorisation préalable de la Banque. Ici aussi, les dispositions de la loi du 9 juillet 1975 (art. 15bis, § 3) sont reprises. Toutefois les conditions de l’autorisation ont été reprises de l’article 143, § 4 en projet. Le paragraphe 3 concerne les éléments de fonds propres qui peuvent être pris en considération pour la constitution du MCR. Il s’agit des éléments répondant le plus aux critères de permanence, d’absence de charges et de subordination. Comme pour le calcul du montant de SCR et du MCR, une délégation est prévue pour que la Banque puisse préciser les autres conditions auxquelles les éléments de fonds propres doivent satisfaire. Ainsi, la législation actuelle impose des conditions, entre autres, pour les comptes sociétaires des associations d’assurance mutuelle (art. 15bis, § 1er, 1°, al. 2) et pour les emprunts subordonnés (art. 15bis, § 1er, 5°, al. 2). La matière étant relativement technique, il a été jugé préférable de la traiter par voie réglementaire. 214 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 288 De berekening van de technische voorzieningen als bepaald in de ontwerpartikelen 125 tot 139, is te complex voor de onder de toepassing van deze Afdeling val- lende ondernemingen. In de plaats daarvan zullen deze ondernemingen hun technische voorzieningen moeten berekenen overeenkomstig de Belgische boekhoud- normen (koninklijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzeke- ringsondernemingen). Aangezien zij moeten voldoen aan deze normen, die overeenstemmen met de regels inzake provisionering van de huidige regelgeving, houdt dit voor de betrokken ondernemingen geen nieuwe verplichtingen in. Het tweede lid bevat de verplichting om voor de technische voorzieningen over dekkingswaarden te be- schikken, een verplichting die momenteel is opgenomen in artikel 16, § 2 van de wet van 9 juli 1975. Aangezien het eerste lid inhoudt dat de technische voorzieningen niet volgens de normen van de Richtlijn zullen worden gewaardeerd, bleek het noodzakelijk afwijkingen toe te staan op de waarderingsregels van ontwerpartikel 123. Gezien de technische aard van de materie, zullen deze afwijkingen worden opgenomen in een reglement van de Bank, dat gebaseerd zal zijn op de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991. Gelet op het voorgaande moeten de activa die het voorwerp uitmaken van het voorrecht als bepaald in ontwerpartikel 194, gewaardeerd worden rekening houdend met de afwijkingen die op grond van het derde lid zijn toegestaan. Art. 289 De ontwerpartikelen 204 tot 211 machtigen de Bank om herstelplannen op te leggen aan bepaalde verze- keringsondernemingen, bijvoorbeeld grote onderne- mingen of ondernemingen met een hoog risicoprofiel. Deze plannen mogen niet verward worden met sane- ringsplannen of plannen inzake financiering op korte termijn als respectievelijk bedoeld in de artikelen 510 en 511. Een herstelplan “ex ante” is niet gerechtvaardigd voor de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen. Art. 290 De ontwerpartikelen 313 tot 316 betreffen de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de Bank moeten meedelen. De Bank kan met inachtneming van de artikelen 315 en 316 vrijstellingen verlenen die Art. 288 Le calcul des provisions techniques, tel que prévu par les articles 125 à 139 en projet est d’une complexité qui ne se justifie pas pour les entreprises visées par la présente Section. En lieu et place, ces entreprises devront calculer leurs provisions techniques confor- mément aux normes comptables belges (arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entreprises d’assurances et de réassurance). Comme elles sont tenues de respecter ces normes, qui corres- pondent aux règles de provisionnement de la réglemen- tation actuelle, cela n’entraîne pas d’obligation nouvelle pour les entreprises concernées. L’alinéa 2  reprend l’obligation de représenter les provisions techniques par des valeurs représentatives, qui figure actuellement à l’article 16, § 2 de la loi du 9  juillet  1975. Comme, en vertu de l’alinéa 1er, les provisions techniques ne seront pas évaluées selon les normes de la Directive, il est apparu nécessaire de permettre des dérogations aux règles d’évaluation prévues par l’article 123 en projet. Compte tenu de la technicité de la matière, ces dérogations feront l’objet d’un règlement de la Banque, lequel est appelé à s’ins- pirer des dispositions de l’article 10 de l’arrêté royal du 22 février 1991. Compte tenu de ce qui précède, les actifs compo- sant l’assiette du privilège telle que prévue par l’article 194 en projet doivent être évalués en tenant compte des dérogations prises sur la base de l’alinéa 3. Art. 289 Les articles 204  à 211  du projet permettent à la Banque d’imposer des plans de redressement à cer- taines entreprises d’assurance, par exemple les entre- prises de grande taille ou présentant un profil de risque élevé. Il s’agit de plans qu’il ne faut pas confondre avec le programme de rétablissement ou le plan de finan- cement à court terme prévus respectivement pas les articles 510 et 511. Un plan de redressement “ex ante” ne se justifie pas pour les entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section. Art. 290 Les articles 313 à 316 du projet se rapportent aux informations que les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir à la Banque à des fins de contrôle. Il existe des possibilités de dispenses qui portent sur la fréquence du reporting (art. 313), les 215 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betrekking hebben op de frequentie van de rapportering (art. 313), de te verstrekken informatie (art. 314) en de mate van detail van de informatie (art. 314). De regels van de voornoemde artikelen zijn enigszins complex, wat niet gepast is voor de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen. Er wordt derhalve bepaald dat de rap- porteringsverplichtingen waarin ontwerpartikel 312 voor- ziet, van toepassing zijn op de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen, met de volgende aanpassingen. Ten eerste mag de frequentie van de rapportering niet groter zijn dan een jaar (bv. twee- of driejaarlijks). Verder mag de Bank ondernemingen vrijstellen van het verstrekken van bepaalde informatie, bijvoorbeeld omdat die informatie weinig relevant is of van verwaar- loosbaar belang is. Tot slot kan zij toestaan dat bepaalde informatie enkel in geaggregeerde vorm wordt verstrekt, bijvoorbeeld omdat het verstrekken van meer gedetail- leerde gegevens niet nuttig zou zijn. In dit laatste geval wordt de ondernemingen echter gevraagd de informatie ter beschikking van de Bank te houden zodat zij haar deze op eerste verzoek kunnen verstrekken, bijvoor- beeld in het kader van een inspectie. Art. 291 Ontwerpartikel 324  bepaalt dat de Bank diverse inlichtingen aan EIOPA dient te verstrekken over de ka- pitaalopslagfactor en het aantal ondernemingen dat vrij- gesteld is van de rapporteringsverplichting. Aangezien de regeling inzake het toezicht op de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling vallen, niet voortvloeit uit de Richtlijn, is dit artikel op hen niet van toepassing. Art. 292 Dit artikel bevat diverse aanpassingen met betrekking tot het saneringsplan en het plan inzake financiering op korte termijn waarin respectievelijk is voorzien in de artikelen 510 en 511. Een verzekerings- of herverzekerings onderneming moet aan de Bank een saneringsplan of een plan in- zake financiering op korte termijn voorleggen wanneer zij niet langer voldoet aan de vereisten met betrekking tot respectievelijk het SCR of het MCR. Deze verplich- tingen gelden ook voor de ondernemingen die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling informations à fournir (art. 314) et le détail des infor- mations (art. 314) et qui sont accordées par la Banque dans le respect des articles 315 et 316. Les règles prévues par les articles précités présentent une certaine complexité qui ne se justifie pas en ce qui concerne les entreprises bénéficiant des disposi- tions de la présente Section. On a donc prévu que les obligations de reporting prévues par l’article 312 en projet sont applicables aux entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section moyennant les adaptations suivantes. Tout d’abord, la fréquence du reporting est annuelle ou selon une fréquence inférieure à un an (p. ex. tous les deux ans ou tous les trois ans). Ensuite, la Banque peut dispenser des entreprises de fournir certaines informations par exemple parce qu’elles sont peu per- tinentes ou d’importance négligeable. Enfin, elle peut autoriser que certaines informations ne soient trans- mises que sous une forme agrégée par exemple parce que le détail serait peu significatif. Dans ce dernier cas, il est cependant demandé aux entreprises de tenir les données à la disposition de la Banque afin de les lui transmettre à la première demande, par exemple dans le cadre d’une inspection. Art. 291 L’article 324 du projet impose à la Banque de trans- mettre diverses informations à l’EIOPA concernant les exigences de capital supplémentaire et le nombre d’entreprises bénéficiant de dispenses relatives au reporting. Comme le régime de contrôle des entreprises bénéficiant des dispositions de la présente Section ne découle pas de la Directive, cet article n’est pas appli- cable en ce qui les concerne. Art. 292 Cet article contient diverses adaptations relatives au programme de rétablissement et au plan de redres- sement à court terme prévus respectivement par les articles 510 et 511. Une entreprise d’assurance ou de réassurance doit soumettre à la Banque un programme de rétablissement ou un plan de financement à court terme lorsqu’elle ne remplit plus les exigences relatives, respectivement, au SCR ou au MCR. Ces obligations valent aussi pour les entreprises bénéficiant des dispositions de la pré- sente Section mais, dans ce cas, le non-respect des 216 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 vallen, maar in dat geval moet voor de niet-naleving van de eigenvermogensvereisten rekening worden ge- houden met de berekening waarin de artikelen 285 en 286 voorzien (zie hoger). Art. 293 Dit artikel betreft het geval waarin een onderneming die onder de toepassing van de bepalingen van deze Afdeling valt, activiteiten zou uitoefenen in het buitenland ondanks het verbod dat haar met toepassing van artikel 272, 5° is opgelegd. In dat geval kan de Bank bijstand vragen aan de toezichthouders van de andere lidstaten om de onwettige activiteiten stop te zetten. HOOFDSTUK III Lokale verzekeringsondernemingen Dit Hoofdstuk betreft bepaalde verzekeringsonder- nemingen die in de vorm van een onderlinge verzeke- ringsvereniging of van een coöperatieve vennootschap zijn opgericht en die hun activiteiten beperken tot de gemeente waar hun zetel is gevestigd en de omliggende gemeenten. Daarom worden deze ondernemingen hierna “lokale verzekeringsondernemingen” genoemd. Onder de vroegere regelgeving waren deze onderne- mingen nooit aan enigerlei vorm van prudentieel toezicht onderworpen, bij gebreke van een besluit dat hetzij op grond van artikel 2, § 3, van de wet van 9 juli 1975 (tot 31 december 2009) zou zijn vastgesteld, hetzij op grond van artikel 2, § 1quater van dezelfde wet (vanaf januari 2010) en dat de modaliteiten van dit toezicht zou heb- ben bepaald. Zoals vermeld in de memorie van toelichting bij de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering, en rekening houdend met het geringe risico dat deze ondernemingen lopen, had de wetgever zich uitgespro- ken voor een ““light” toezichtsregime waarbij een aantal regels inzake goed bestuur en een verplichte herverze- kering met een klein eigen behoud worden opgelegd” (Parl.St. Kamer, nr. 52/2292-001, 35). In dit Hoofdstuk wordt concrete invulling gegeven aan dit voornemen. Het kan beschouwd worden als de omzetting van artikel 4 van de Richtlijn, aangezien de lokale verzekeringsondernemingen de opgelegde drempels niet overschrijden en geen verrichtingen uit- oefenen die niet zijn toegelaten door dit artikel 4 (zie de commentaar bij het vorige hoofdstuk). exigences de fonds propres doit tenir compte du calcul prévu aux articles 285 et 286 (cf. supra). Art. 293 Cet article vise le cas où une entreprise bénéficiant des dispositions de la présente Section exercerait des activités à l’étranger malgré l’interdiction qui lui est faite en application de l’article 272, 5°. Dans ce cas, la Banque peut requérir l’aide des autorités de contrôle des autres États membres pour qu’elles mettent fin aux activités illicites. CHAPITRE III Entreprises locales d’assurance Le présent Chapitre concerne certaines entreprises d’assurances, constituées sous la forme d’associations d’assurance mutuelle ou de sociétés coopératives, qui limitent leurs activités à la commune de leur siège social et aux communes voisines. Pour cette raison, ces entreprises sont ci-après dénommées “entreprises locales d’assurance”. Sous l’ancienne réglementation, ces entreprises n’ont jamais été soumises à un quelconque contrôle prudentiel à défaut d’un arrêté qui, pris sur la base soit de l’article 2, § 3, de la loi du 9 juillet 1975 (jusqu’au 31  décembre  2009), soit sur la base de l’article 2, § 1erquater de la même loi (à partir du 1er janvier 2010) aurait précisé les modalités de ce contrôle. Comme indiqué dans l’exposé des motifs de la loi du 26 avril 2010 portant des dispositions diverses en matière d’organisation de l’assurance maladie complé- mentaire et compte tenu des faibles risques encourus par ces entreprises, le législateur s’était prononcé en faveur d’un “régime de contrôle “léger” dans lequel on imposerait une série de règles en matière de bonne gou- vernance et une réassurance obligatoire avec une faible rétention” (Doc. Parl., Chambre, n° 52/2292-001, p. 35). Le présent Chapitre concrétise cette intention. Il peut être considéré comme une transposition de l’article 4 de Directive puisque les entreprises locales d’assurance ne dépassent pas les seuils prévus ni n’effectuent d’opérations non autorisés par ledit article 4 (voir le commentaire du chapitre précédent). 217 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling I Toepassingsgebied Art. 294 en 295 Zoals reeds vermeld is dit Hoofdstuk van toepas- sing op de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die hun verzekeringsactiviteiten beperken tot de gemeente waar hun zetel is gevestigd en tot de omlig- gende gemeenten. In principe zijn de bepalingen van het voorliggende wetsontwerp niet van toepassing op lokale verzekerings- ondernemingen, met uitzondering van dit hoofdstuk en de bepalingen van de Boeken IV en V, die respectie- velijk betrekking hebben op dwangsommen en andere dwangmaatregelen en op sancties. Afdeling II Inschrijving Art. 296 en 297 De inschrijving die in deze afdeling wordt geregeld is geen vergunning in de zin van Titel I van Boek I van het wetsontwerp. Zij is in hoofdzaak bedoeld om een lijst op te maken van de lokale verzekeringsondernemingen, teneinde na te kunnen gaan of hun activiteiten binnen de grenzen van artikel 298 worden uitgeoefend. De documenten en inlichtingen die in het kader van de inschrijvingsaanvraag moeten worden meegedeeld, zijn beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om na te gaan of de inschrijvingsvoorwaarden vervuld zijn. De opgelegde termijn (zes maanden) lijkt misschien lang, maar er dient rekening gehouden te worden met het feit dat de Bank de naleving van de inschrijvings- voorwaarden zal moeten controleren voor een dertigtal ondernemingen die totnogtoe aan geen enkel toezicht waren onderworpen. Artikel 297 bepaalt dat een verzekeringsonderneming die in die hoedanigheid een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan de bepalingen van de ont- werpwet, in aanmerking komt voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor lokale verzekeringsonder- nemingen. Hiertoe moet zij een inschrijvingsaanvraag indienen overeenkomstig artikel 296 en moeten haar activiteiten binnen de grenzen van artikel 298 blijven. Deze ondernemingen moeten ook afstand doen van de vergunning als verzekeringsonderneming die zij Section Ire Champ d’application Art. 294 et 295 Comme déjà indiqué, le présent Chapitre est appli- cable aux entreprises d’assurance de droit belge qui res- treignent leurs activités d’assurance à la commune de leur siège social et aux communes belges limitrophes. En principe, les dispositions du présent projet de loi ne sont pas applicables aux entreprises locales d’assurance à l’exception du présent chapitre et des dispositions des Livres IV et V, à savoir celles se rap- portant respectivement aux astreintes et mesures autres coercitives et aux sanctions. Section II Inscription Art. 296 et 297 L’inscription organisée par la présente section n’est pas un agrément au sens du Titre Ier du Livre Ier du pro- jet de loi. Elle a principalement pour objet de recenser les entreprises locales d’assurance, de vérifier si leurs activités se maintiennent dans les limites prévues par l’article 298. Les documents et renseignements à transmettre dans le cadre de la demande d’inscription se limitent à ce qui est nécessaire pour vérifier le respect des conditions d’inscription. Le délai prévu (six mois) peut paraître long mais il faut tenir compte du fait que la Banque devra vérifier les conditions d’inscription d’une trentaine d’entreprises qui, jusqu’à présent, ne sont soumises à aucun contrôle. L’article 297 est une disposition permettant à une entreprise d’assurance agréée en cette qualité et soumise aux dispositions de la loi en projet, de bénéfi- cier des dispositions relatives aux entreprises locales d’assurance. À cette fin, elle doit demander son ins- cription conformément à l’article 296 et respecter les limites d’activité prévues à l’article 298. Dans le même temps, ces entreprises devront renoncer à leur agrément en tant qu’entreprises d’assurance conformément au Titre Ier du Livre Ier de la loi en projet. Dans un tel cas, 218 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 overeenkomstig Titel I van Boek I van de ontwerpwet hebben verkregen. In een dergelijk geval zal de Bank ervoor zorgen dat de datum van de inschrijving en die van de afstand samenvallen, om te vermijden dat er een hiaat ontstaat tussen de toezichtsregelingen. Om te vermijden dat een onderneming afwisselend overstapt van het regime voor lokale verzekeringsonder- nemingen naar dat voor ondernemingen die een vergun- ning hebben verkregen en omgekeerd, wordt verlangd dat de ondergrens met betrekking tot het incasso in de laatste drie jaar vóór de aanvraag niet overschreden werd en naar verwachting niet overschreden zal worden in de vijf jaar na diezelfde aanvraag. Het gaat hier om de beginselen van artikel 4, lid 4 van de Richtlijn. Afdeling III Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de inschrijving Art. 298 Om ingeschreven te kunnen worden als lokale verze- keringsonderneming moet een onderneming aan acht voorwaarden voldoen. 1. Rechtsvorm De lokale verzekeringsonderneming moet de rechts- vorm van een onderlinge verzekeringsvereniging of een coöperatieve vennootschap hebben aangenomen. Deze bepaling strookt met de realiteit en levert geen prakti- sche problemen op. 2. Effectieve leiding In het tweede lid wordt gesteld dat de lokale verze- keringsonderneming over een tweehoofdige leiding moet beschikken, zoals gebruikelijk is in andere on- dernemingen uit de financiële sector. De leden van de effectieve leiding moeten aan dezelfde criteria inzake betrouwbaarheid voldoen als die welke gelden voor de leiders van een verzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend. Deze regel moet worden opgevat in die zin dat ver- langd wordt dat de beslissingen gezamenlijk worden genomen door de leden van de effectieve leiding. Er wordt daarentegen niet geëist dat deze personen hun mandaat voltijds uitoefenen binnen de lokale verzekeringsvereniging. la Banque fera en sorte que les dates de l’inscription et de la renonciation coïncident afin d’éviter un hiatus entre les régimes de contrôle. Pour éviter qu’une entreprise passe alternativement du régime d’entreprise locale d’assurance à celle d’entreprise agréée, il est prévu que le seuil relatif à son encaissement n’ait pas été dépassé pendant les trois années précédant la demande et qu’il ne risque pas de l’être pendant les cinq années suivant cette même demande. On a ici repris les principes de l’article 4, paragraphe 4 de la Directive. Section III Conditions d’octroi et de maintien de l’inscription Art. 298 Les conditions permettant à une entreprise d’être inscrite en qualité d’entreprise locale d’assurance sont au nombre de huit. 1. Forme juridique Les entreprises locales d’assurance doivent avoir la forme juridique d’association d’assurances mutuelles ou de société coopérative. Cette disposition correspond à la réalité du terrain et ne pose aucun problème pratique. 2. Direction effective Le second alinéa impose le principe d’une direc- tion bicéphale, comme il est de règle dans les autres entreprises du secteur financier. Les membres de la direction effective doivent satisfaire aux mêmes critères d’honorabilité que ceux exigés pour les dirigeants d’une entreprise d’assurance agréée. La règle doit être comprise dans le sens où il est demandé que les décisions soient prises conjointement par les membres de la direction effective. Par contre, il n’est pas exigé que ces personnes exercent leur man- dat à temps plein dans l’entreprise locale d’assurance. 219 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3. Verzekerde goederen De lokale verzekeringsonderneming mag enkel dek- king verlenen voor wat in de Belgische regelgeving “eenvoudige risico’s” wordt genoemd. Dit zijn enerzijds goederen waarvan de waarde op 1 november 2014 niet meer bedroeg dan 1 477 445  EUR, en anderzijds bepaalde goederen (kantoren, landbouwbedrij- ven, scholen, inrichtingen die voor sportactiviteiten worden aangewend, verzorgingsinrichtingen …), waarvan de waarde op 1 november 2014 niet meer bedroeg dan 47 524 494 EUR. Deze risico’s worden gedefinieerd in artikel 5  van het koninklijk besluit van 24 december 1992 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Er wordt ook aan herinnerd dat de verzekerde goe- deren gelegen moeten zijn in de Belgische gemeente waar de lokale verzekeringsonderneming haar zetel heeft of in een omliggende gemeente. 4. Gedekte gevaren Lokale verzekeringsondernemingen mogen enkel dekking verlenen voor bepaalde gevaren. Bij de opsom- ming van deze gevaren wordt uitgegaan van de indeling in verzekeringstakken die in Bijlage I bij het wetsontwerp wordt gehanteerd. Het gaat meer bepaald om de volgende verzekeringstakken: — tak 8: Brand en natuurevenementen, met name natuurrampen; — tak 9: Andere schade aan goederen, met name schade veroorzaakt door hagel, vorst of diefstal, wan- neer die niet tot tak 8 behoort; — tak 16: Diverse geldelijke verliezen, in het bijzonder maar niet uitsluitend exploitatieverliezen of huurderving als gevolg van een van de gevaren van de takken 8 of 9. Naast deze drie takken mogen ook de gevaren van de volgende takken worden gedekt, maar enkel in de mate dat ze bijkomend zijn (in de zin van artikel 21 van het wetsontwerp) ten opzichte van de hogergenoemde gevaren: — tak 1: Ongevallen, d.w.z. de schadeloosstelling voor lichamelijk letsel bij schadegevallen in de takken 8, 9 en 16; 3. Biens assurés Les entreprises d’assurance locales ne peuvent couvrir que ce que la réglementation belge qualifie de risques simples. Il s’agit, d’une part, des biens dont la valeur ne dépassait pas 1 477 445  EUR au 1er novembre 2014 et, d’autre part, de certains biens (bureaux, exploitations agricoles, écoles, installations sportives, établissements de soins…), dont la valeur ne dépassait pas 47 524 494 EUR au 1er novembre 2014. Ces risques sont définis à l’article 5 de l’arrêté royal du 24 décembre 1992 portant exécution de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre. On rappelle également que les biens assurés doivent être situés dans la commune belge où l’entreprise d’assurance locale a son siège social ou dans une commune limitrophe. 4. Périls couverts Les entreprises locales d’assurance ne peuvent couvrir que certains périls énumérés selon la classifi- cation en branches d’assurance établie par l’Annexe I du projet de loi. Il s’agit plus précisément: — de la branche 8: Incendie et éléments naturels, notamment les catastrophes naturelles; — de la branche 9: Autres dommages aux biens, notamment ceux causés par la grêle, la gelée ou le vol, lorsqu’ils ne sont pas compris dans la branche 8; — de la branche 16: Pertes pécuniaires diverses, en particulier mais pas exclusivement, les pertes d’exploi- tations ou les pertes de loyers consécutives à un des périls des branches 8 ou 9. À ces trois branches, il convient d’ajouter les périls des branches suivantes mais uniquement dans la mesure où ils sont accessoires (au sens de l’article 21 du projet de loi) à ceux visés ci-dessus: — branche 1: Accidents, c’est-à-dire l’indemnisa- tion des dommages corporels subis à l’occasion des sinistres dans les branches 8, 9 et 16; 220 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — tak 3: Voertuigcasco, in het bijzonder de dekking voor voertuigen die geparkeerd zijn in woningen die gedekt zijn tegen brand en natuurrampen; — tak 13: Algemene burgerrechtelijke aansprake- lijkheid: met name die van de huurder en die van de eigenaar; — tak 17: Rechtsbijstand; — tak 18: Hulpverlening, in het bijzonder de diensten die door de verzekeraar worden verstrekt bij schadege- vallen in de takken 8, 9 en 16. 5. Andere verrichtingen De regel die inhoudt dat het doel beperkt moet wor- den tot de verzekering en de activiteiten die daaruit voortvloeien (zie ontwerpartikel 34, 1°), in het bijzon- der de financiële verrichtingen die verband houden met het beheer van hun activa, geldt ook voor lokale verzekeringsondernemingen. 6. Incasso Om te rechtvaardigen dat op de betrokken verze- keringsondernemingen een beperkt toezicht wordt uitgeoefend, wordt in de ontwerpwet bepaald dat het jaarlijkse incasso voor het geheel van de uitgeoefende takken niet meer mag bedragen dan één miljoen euro. Deze limiet levert geen problemen op voor de actieve lokale verzekeringsondernemingen. Dit bedrag van één miljoen euro wordt geïndexeerd overeenkomstig ontwerpartikel 679. 7. Herverzekering Om het risico te beperken, wordt van de lokale verze- keringsondernemingen verlangd dat ze op grote schaal herverzekeren. De risico’s van de takken 1, 3, 8, 9, 16 en 18 moeten ten belope van minstens 90 % worden herverzekerd. Met andere woorden, de ondernemingen zelf nemen maximum 10 % van de schadegevallen voor hun rekening. Aansprakelijkheidsrisico’s (tak 13) en natuurrampen moeten volledig (ten belope van 100 %) herverzekerd worden. Het spreekt voor zich dat de herverzekeringsover- eenkomst moet worden gesloten met een herverzeke- ringsonderneming die een vergunning heeft verkregen in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. — branche  3: Corps de véhicules terrestres, en particulier la couverture des véhicules stationnés dans les habitations couvertes contre l’incendie et les catas- trophes naturelles; — branche 13: Responsabilité civile générale: notam- ment celle du locataire et celle du propriétaire; — branche 17: Protection juridique; — branche 18: Assistance, en particulier, les services fournis par l’assureur à l’occasion des sinistres dans les branches 8, 9 et 16. 5. Autres opérations Comme il est de règle (voir l’article 34, 1° en projet), les entreprises locales d’assurance doivent limiter leurs activités à l’assurance et aux activités qui en découlent, en particulier les opérations financières liées à la gestion de leurs actifs. 6. Encaissement Afin de justifier le caractère limité du contrôle sur les entreprises concernées, le projet impose que l’encaisse- ment annuel dans l’ensemble des branches pratiquées, ne dépasse pas un million d’euros. Cette limite ne pose pas de problème aux entreprises locales d’assurance en activité. Le montant d’un million d’euros est indexé confor- mément à l’article 679 en projet. 7. Réassurance Pour maintenir le risque à un faible niveau, il est imposé que les entreprises d’assurance locales se réas- surent sur une grande échelle. Le taux de réassurance doit être d’au moins 90 % pour les risques des branches 1, 3, 8, 9, 16 et 18. Autrement dit, les entreprises ne supportent elles-mêmes qu’un maximum de 10 % des sinistres. La réassurance doit être totale (taux de 100 %) pour les couvertures de responsabilité (branche 13) et les catastrophes naturelles. Il va de soi que le contrat de réassurance doit être passé avec une entreprise de réassurance agréée en Belgique ou dans un autre État membre de l’Espace économique européen. 221 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 8. Actief zijn sedert 1 januari 2016 Als laatste voorwaarde geldt dat de verzekerings- activiteiten minstens sedert 1 januari 2016 op de in dit Hoofdstuk omschreven beperkte wijze worden uitge- oefend. De bedoeling hiervan is aan te geven dat de regeling waarin dit Hoofdstuk voorziet, als een uitzon- dering moet worden beschouwd die, gezien het vrijwel volledig ontbreken van toezicht, beperkt moet blijven. Het is dus niet toegestaan nieuwe lokale verzekerings- ondernemingen op te richten. Alleen de omzetting van een vergunninghoudende verzekeringsonderneming in een lokale verzekeringsonderneming, op grond van artikel 297, is toegestaan. Afdeling IV Toezicht Art. 299 Behoudens het bepaalde in paragraaf  2, bestaat het door de Bank uitgeoefende toezicht er enkel in na te gaan of nog steeds voldaan is aan de inschrijvings- voorwaarden — en dus of de in dit hoofdstuk bedoelde vrijstelling nog kan worden verleend. Deze gegevens zullen nader worden bepaald in een reglement van de Bank. Bovendien moeten de lokale verzekeringsonderne- mingen op eigen initiatief en onverwijld aan de Bank alle factoren meedelen die tot gevolg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvings- voorwaarden. Men denke bijvoorbeeld aan een onver- wachte toename van de activiteit, die tot gevolg zou hebben dat de in artikel 298 vastgelegde ondergrenzen overschreden zouden worden of aan een herziening van de herverzekeringsovereenkomst. In paragraaf 2 worden een aantal bepalingen van de artikelen 102, 105 en 106, die betrekking hebben op fusies en portefeuilleoverdrachten, van toepassing verklaard op lokale verzekeringsondernemingen. Op die manier kan nagegaan worden of de fusie of de overdracht niet tot gevolg heeft dat een lokale verze- keringsonderneming de in artikel 298  vastgestelde ondergrenzen overschrijdt en worden de bepalingen van de artikelen 17 en 18 van de wet van 4 april 2014 betref- fende de verzekeringen, die betrekking hebben op de tegenwerpbaarheid aan derden van fusies en porte- feuilleoverdrachten, op deze gevallen van toepassing verklaard. 8. Être en activité depuis le 1er janvier 2016 La dernière condition est d’exercer les activités d’as- surance de la manière limitée telle que prévu au présent Chapitre depuis au moins le 1er janvier 2016. L’intention est de considérer le régime prévu par le présent Chapitre comme une exception qui, vu l’absence quasi-totale de contrôle, doit demeurer limitée. Il n’est donc pas permis de créer de nouvelles entreprises locales d’assurance. Seule la transformation d’une entreprise d’assurance agréée en entreprise locale d’assurance sur la base de l’article 297 est autorisée. Section IV Contrôle Art. 299 Sauf ce qui est prévu au paragraphe 2, le contrôle exercé par la Banque se limitera à vérifier si les conditions de l’inscription — et donc de la dispense prévue par le présent chapitre — sont maintenues. Concrètement, ces informations seront précisées dans un règlement de la Banque. En outre, les entreprises locales d’assurance devront, d’initiative et sans délai, communiquer à la Banque tout élément susceptible de conduire au non-respect des conditions d’inscription. On pense, par exemple, à une hausse prévue de l’activité qui ferait que les seuils de l’article 298 seraient dépassés ou une révision du contrat de réassurance. Le paragraphe 2 rend applicables aux entreprises locales d’assurance certaines dispositions des articles 102, 105 et 106 relatives aux fusions et cessions de portefeuilles. L’objectif est, d’une part de vérifier que l’opération de fusion ou de cession ne fait pas pas- ser une entreprise locale au-delà des seuils fixés par l’article 298  et, d’autre part, de rendre applicables à ces hypothèses les dispositions des articles 17 et 18 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances relatives à l’opposabilité aux tiers des opérations de fusion et cession de portefeuille. 222 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Uitzonderingsmaatregelen Art. 300 De Bank beschikt over de nodige bevoegdheden om een lokale verzekeringsonderneming te gelasten de be- palingen van dit hoofdstuk na te leven. De maatregelen die zij kan nemen zijn deze die gelden voor vergunning- houdende verzekeringsondernemingen, met name die van artikel 517, § 1, 1° tot 7° (aanstelling van een speciaal commissaris, vervanging gelasten van de leden van het wettelijk bestuursorgaan of van de effectieve leiding, bijeenroeping gelasten van een algemene vergadering, schorsing van de activiteit, overdracht gelasten van aandelen en gedeeltelijke of volledige overdracht van de activiteiten gelasten). Afdeling VI Beëindiging van de inschrijving Art. 301 en 302 De lokale verzekeringsondernemingen beschikken over de mogelijkheid om afstand te doen van de inschrij- ving. Gelet op het geringe activiteitsvolume van deze ondernemingen en rekening houdend met het feit dat de inschrijving niet per verzekeringstak wordt verleend, kan enkel afstand worden gedaan voor alle activiteiten van de onderneming. De relevante bepalingen van artikel 538, §§ 2 tot 5 zijn van toepassing. Zo zal een lokale verzekeringsonder- neming die afstand doet van haar inschrijving, een plan moeten voorleggen waarin wordt aangegeven op welke wijze zij haar verzekeringsverplichtingen zal afwikkelen en kan de Bank de passende maatregelen nemen om de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden te beschermen. De Bank kan de inschrijving van een lokale verzeke- ringsonderneming ook doorhalen wanneer deze onder- neming er niet in slaagt te voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk binnen de daarvoor vastgestelde termijn. Gezien het geringe activiteitsvolume van de betrokken ondernemingen geldt ook in dit geval dat de inschrijving enkel kan worden doorgehaald voor alle activiteiten, waarna de onderneming van rechtswege wordt ontbonden. Ook in geval van faillissement of vrijwillige ontbinding in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen zal de inschrijving worden door- gehaald voor alle uitgeoefende activiteiten. Section V Mesures exceptionnelles Art. 300 La Banque dispose des pouvoirs nécessaires pour enjoindre à une entreprise locale d’assurance de res- pecter les dispositions du présent chapitre. Ces mesures sont celles applicables aux entreprises d’assurance agréées, notamment celles de l’article 517, § 1er, 1° à 7° (désignation d’un commissaire spécial, injonction de remplacer des membres de l’organe légal d’administra- tion ou de la direction effective, injonction de convoquer une assemblée générale, suspension de l’activité, injonction de céder des droits d’associés et injonction de transférer tout ou partie de l’activité). Section VI Fin de l’inscription Art. 301 et 302 Les entreprises locales d’assurance ont la faculté de renoncer à l’inscription. Compte tenu du faible volume d’activité de ces entreprises et du fait que l’inscription n’est pas accordée par branche d’activité, la renoncia- tion ne peut que concerner l’ensemble des activités de l’entreprise. Les dispositions pertinentes de l’article 538, §§ 2 à 5 sont applicables. Ainsi, l’entreprise locale d’assu- rance qui renonce à son inscription devra fournir un plan précisant la matière dont elle entend liquider ses engagements d’assurance et la Banque peut prendre les mesures adéquates pour protéger les droits des preneurs, assurés et bénéficiaires. La Banque peut également radier l’inscription d’une entreprise locale d’assurance qui ne parviendrait pas à se conformer aux dispositions du présent chapitre dans le délai qui lui a été accordé à cette fin. Ici aussi, compte tenu du faible volume d’activité des entreprises concernées, la radiation peut uniquement être globale et l’entreprise est dissoute de plein droit. L’inscription sera également radiée pour l’ensemble des activités pratiquées dans le cas d’une faillite ou d’une dissolution volontaire au sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés. 223 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In artikel 302 worden de bepalingen met betrekking tot de beëindiging van de vergunning (zie de artikelen 543 tot 545) met de nodige aanpassingen overgenomen. Het gaat met name om het verbod om nieuwe overeen- komsten te sluiten en het behoud van het toezicht tot alle verzekeringsverplichtingen van de onderneming afgewikkeld zijn. Paragraaf 2 van artikel 302 bepaalt dat de Bank de medewerking mag vragen van de toezichthouders van de andere lidstaten wanneer een lokale verzekerings- onderneming het verbod om activiteiten uit te oefenen in het buitenland, niet naleeft. TITEL IV Toezicht op de ondernemingen HOOFDSTUK I Toezicht door de Bank Afdeling I Algemene beginselen Art. 303 Ontwerpartikel 303, paragraaf 1 bevat het beginsel dat het toezicht op de verzekerings- en herverzekerings- ondernemingen wordt uitgeoefend door de Nationale Bank van België. Deze juridische grondslag van de toe- zichtsbevoegdheid moet worden gezien in het licht van ontwerpartikel 3, dat de doelstelling van de ontwerpwet verduidelijkt. Het is dus in het licht van die doelstel- ling en van de onderliggende specifieke ratio van de diverse wettelijke en reglementaire bepalingen (of van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van Europees recht) die de juridische grondslag vormen van haar bevoegdheid om juridische handelingen te stellen, dat de discretionaire bevoegdheid van de Bank — d.w.z. haar beoordelingsbevoegdheid — die inherent is aan haar hoedanigheid van administratieve autoriteit, moet worden beoordeeld. Voor zover nodig zij vermeld dat deze discretionaire beoordelingsbevoegdheid uiteraard niet absoluut is, maar wordt beperkt door de naleving van de specifieke toepassingsvoorwaarden die zijn vastgelegd door die verschillende wettelijke en reglementaire bepalingen en de algemene principes van administratief recht (zie met name J. Salmon, J. Jaumotte en E. Thibaut, Le Conseil d’État de Belgique, Bruylant, vol. 1, 2012, n°s 370-394) die de regels ter bescherming van de onder toezicht staande ondernemingen formuleren. L’article 302 reproduit, avec les adaptations néces- saires, les dispositions relatives à la fin de l’agrément (voir les articles 543 à 545), notamment l’interdiction de souscrire de nouveaux contrats et le maintien du contrôle jusqu’à la liquidation de tous les engagements d’assurance de l’entreprise. Le paragraphe 2 de l’article 302 permet à la Banque de requérir la collaboration des autorités de contrôle des autres États membres dans le cas où une entreprise locale d’assurance ne respecterait pas l’interdiction d’exercice d’activités à l’étranger. TITRE IV Contrôle des entreprises CHAPITRE IER Contrôle par la Banque Section Ire Principes généraux Art. 303 L’article 303, paragraphe 1er en projet pose le prin- cipe du contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance par la Banque nationale de Belgique. Ce fondement juridique de la compétence de contrôle doit être lu à la lumière de l’article 3 en projet qui précise la finalité de la loi en projet. C’est donc à la lumière de cette finalité et de la ratio spécifique sous-jacente aux diverses dispositions légales et réglementaires (ou de droit européen directement applicables) constituant le fondement juridique de sa capacité à adopter des actes juridiques, que le pouvoir discrétionnaire de la Banque — c.-à-d. sa liberté d’appréciation — inhérent à sa qualité d’autorité administrative doit s’apprécier. Pour autant que de besoin, on indique que ce pouvoir d’appréciation discrétionnaire n’est pas évidemment absolu mais trouve bien entendu ses limites dans le respect des conditions d’application particulières éta- blies par ces diverses dispositions légales et réglemen- taires et des Principes généraux de droit administratif (voy. notamment J. Salmon, J. Jaumotte et E. Thibaut, Le Conseil d’État de Belgique, Bruylant, vol. 1, 2012, n°s 370-394) qui énoncent les règles protectrices des administrés. 224 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Paragraaf 2 van dit artikel, die de artikelen 28 en 29 omzet, vervolledigt de doelstelling en de criteria op basis waarvan de Bank haar toezichtsbevoegdheden moet uitoefenen, in het bijzonder de vaststelling van rechtshandelingen die eruit voortvloeit. Artikel 29, lid 3 van de Richtlijn wordt omgezet in Belgisch recht omdat het evenredigheidsbeginsel een algemeen rechtsbeginsel is (zie met name J. Salmon et alii, op. cit., nr. 382). Net zoals paragraaf 1 de bevoegdheid van de Bank formuleert om erop toe te zien dat de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen werken overeenkom- stig de bepalingen van deze wet, de uitvoeringsbesluiten en —reglementen ervan alsook van de rechtstreeks toepasselijke Europese verordeningen, bepaalt para- graaf 3 dat deze toezichtsopdracht en de overeenkom- stige prerogatieven onder de bevoegdheid vallen van de Controledienst voor de ziekenfondsen voor wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft. Art. 304 In ontwerpartikel 304, dat de artikelen 28, lid 2 en 34, lid 7  van de Richtlijn omzet, zijn de prerogatie- ven opgenomen die in artikel 37  van de wet van 16 februari 2009 worden toegekend aan de Bank in- zake de toegang tot inlichtingen over de onder toezicht staande ondernemingen, met name via inspecties ter plaatse. Het wetsontwerp bepaalt, voor zover nodig, dat de prerogatieven inzake de toegang tot de inlichtingen door de Bank uiteraard ook gelden voor inlichtingen over de agenda’s en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en van hun interne comités (auditcomité, risicocomité, benoemingscomité en remuneratiecomité), evenals voor alle bijbehorende documenten (agenda’s van de vergaderingen en bijla- gen bij die documenten, uiteenzettingen, …) en voor de resultaten van de interne of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen. Art. 305 Net als artikel 136 van de bankwet versterkt ontwerp- artikel 305 de doeltreffendheid van het toezicht, in het bijzonder van de inspecties ter plaatse, door te bepalen dat de personen belast met het toezicht, en met name met de inspecties ter plaatse, gemachtigd zijn om alle inlichtingen en uitleg te ontvangen die nodig is voor de Transposant les articles 28 et 29, le paragraphe 2 de la disposition complète les finalités et critères au regard desquels la Banque doit exercer ses compétences de contrôle, en particulier l’adoption d’actes juridiques qui en découle. S’agissant de l’article  29, paragraphe  3  de la Directive, il se trouve transposé dans l’ordre juridique belge par le fait que le principe de proportionnalité constitue un principe général de droit (voy. notamment J. Salmon et alii, op. cit., n°382). Tout comme le paragraphe 1er énonce la compétence de contrôle de la Banque aux fins de veiller à ce que les entreprises d’assurance et de réassurance opèrent conformément aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des règlements européens directement applicables, le paragraphe 3 de la disposition affirme que cette mission de contrôle et les prérogatives y afférentes relèvent de la compétence de l’Office de contrôle des mutualités en ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance. Art. 304. Assurant la transposition des articles  28, para- graphe  2  et 34, paragraphe  7  de la Directive, l’ar- ticle 304 en projet énonce les prérogatives attribuées à la Banque sous l’article 37 de la loi du 16 février 2009, concernant l’accès aux informations relatives aux entreprises sous contrôle, en particulier par la voie d’inspections sur place. La loi en projet précise, pour autant que de besoin, que les prérogatives en matière d’accès à l’information par la Banque couvrent bien évidemment les informa- tions concernant les ordres du jour et les procès-verbaux des réunions des différents organes des entreprises d’assurance ou de réassurance et de leurs comités internes (comités d’audit, de risque, de nomination et de rémunération), ainsi que tous les documents y afférents (ordres du jour des réunions, et les annexes à ces documents, présentations effectuées, ... ), de même que les résultats de l’évaluation interne ou externe du fonctionnement desdits organes. Art. 305 À l’instar de l’article  136  de la loi bancaire, l’ar- ticle 305 en projet est destiné à renforcer l’efficacité du contrôle, en particulier des inspections sur place en ce qu’il prévoit que les personnes en charge du contrôle, et notamment des inspections sur place, sont habilitées à recevoir toute information et toute explication nécessaire 225 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 uitvoering van hun taak en in dit verband — in voorko- mend geval individuele — gesprekken kunnen voeren met de door hen gekozen leiders of personeelsleden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. In dit verband zij opgemerkt dat het voeren van gesprekken met sleutelpersonen integraal deel uitmaakt van de tests en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van de analyses die tijdens een inspectieopdracht wor- den verricht. Het is immers gebruikelijk dat een inspectie aanvangt met een initieel gesprek met de leiding van de onderneming en eindigt met een afsluitend gesprek met die leiding, waarin de belangrijkste bevindingen van de inspectie worden uiteengezet. Art. 306 Ontwerpartikel 306 verleent een beschermingsniveau dat vereist is voor de vertrouwelijkheid van de inspectie- verslagen van de Bank en, meer in het algemeen, aan alle documenten die zij aan de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen richt en waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn. Deze documenten mogen door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen niet aan derden openbaar worden gemaakt zonder uitdruk- kelijke toestemming van de Bank. De doeltreffendheid van deze verplichting wordt verzekerd door een sanc- tie die bestaat in de straffen van artikel 458 van het Strafwetboek (artikel dat inhoudt dat de schending van een verplichting tot geheimhouding zoals vastgelegd in het kader van een regeling inzake beroepsgeheim een inbreuk vormt). Art. 307 Ontwerpartikel 307, eerste lid, dat artikel 34, lid 7 en artikel 38, lid 1  van de Richtlijn omzet, bepaalt dat de prerogatieven inzake toegang tot de inlichtingen waarin voorzien is in de artikelen 304, 305 en 310, eveneens kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de ondernemingen waarop de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een beroep doen als dienstverleners (uitbesteding — outsourcing) om na te gaan of de voorwaarden voor die dienstverlening geen afbreuk doen aan de naleving door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. Het tweede lid van de bepaling zorgt voor de omzet- ting van artikel 38, lid 2 van de Richtlijn en machtigt de toezichthouders van een andere lidstaat om diezelfde prerogatieven uit te oefenen ten aanzien van de in België gevestigde dienstverleners die hun diensten leveren aan verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat. Deze bepaling is niet opgenomen in Boek III, Titel I aangezien ze van à leur mission et peuvent, dans ce cadre, s’entretenir avec les dirigeants ou les membres du personnel de l’entreprise d’assurance ou de réassurance qu’ils sou- haitent, le cas échéant au cours d’entretiens individuels. On note, à cet égard, que la tenue d’entretiens avec des personnes-clés fait partie intégrante des tests et travaux à mener dans le cadre des analyses conduites au cours d’une mission d’inspection. Il est, en effet, d’usage, qu’une inspection débute par un entretien initial avec la direction de l’entreprise, et se clôture par un entretien final avec celle-ci exposant les principales constatations effectuées au cours de l’inspection. Art. 306 L’article 306 en projet confère le degré de protection inhérent à la confidentialité des rapports d’inspection de la Banque et, plus généralement, à tous les docu- ments qu’elle adresse aux entreprises d’assurance ou de réassurance et à propos desquels elle indique qu’ils sont confidentiels. Ces documents ne peuvent être divulgués à des tiers par les entreprises d’assurance ou de réassurance sans le consentement exprès de la Banque. L’effectivité de cette obligation est assurée par une sanction qui consiste dans les peines prévues par l’article 458 du Code pénal (disposition qui, pour rappel, instaure l’infraction en cas de violation d’une obligation de confidentialité prévue dans le cadre d’un régime de secret professionnel). Art. 307 Assurant ainsi la transposition de l’article 34, para- graphe 7 et de l’article 38, paragraphe 1er de la Directive, l’article 307, alinéa 1er en projet prévoit que les préroga- tives d’accès à l’information prévues aux articles 304, 305 et 310 peuvent également être exercées à l’égard des entreprises auxquelles recourent les entreprises d’assurance ou de réassurance en qualité de presta- taires de services (sous-traitance — outsourcing) afin de vérifier si les conditions de ces prestations ne sont pas de nature à porter atteinte au respect par les entreprises d’assurance ou de réassurance de leurs obligations légales et réglementaires. L’alinéa 2 de la disposition assure la transposition de l’article 38, paragraphe 2 de la Directive dans la mesure où il permet à des autorités de contrôle d’un autre État membre d’exercer ces mêmes prérogatives à l’égard de prestataires de services situés en Belgique qui fournissent leurs services à des entreprises d’assu- rance ou de réassurance relevant du droit d’un autre État membre. Cette disposition ne figure pas sous le 226 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toepassing is los van de eventuele uitoefening van een activiteit in België door de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen die op die dienstverleners een beroep doen. Art. 308 Naar aanleiding van de overdracht aan de Bank van de bevoegdheden inzake prudentieel toezicht op de ver- zekeringsondernemingen, die voorheen toebehoorden aan de voormalige Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, die sedert die overdracht de FSMA is geworden, werd in de wet van 9 juli 1975 (art. 37) de verplichting ingevoerd, voor de Bank en de FSMA, om onderling een overeenkomst te sluiten met het oog op de coördinatie van het toezicht. Artikel 308 verandert niets aan de situatie die onder vigeur van de wet van 9 juli 1975 bestond. Deze bepaling vorm aldus de ju- ridische grondslag voor de overeenkomst die tussen beide instellingen werd gesloten met het oog op de coördinatie van hun respectieve toezichtsopdrachten en met name om de in dit verband noodzakelijke informatie- uitwisseling te bevorderen. Art. 309 Als gevolg van het specialiteitsbeginsel dat van toepassing is op de overheid, bepaalt ontwerpartikel 309 dat de relaties tussen een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming en een bepaalde cliënt niet behoren tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toezicht op die onderneming dit vergt. Afdeling II Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten Art. 310 Paragraaf 1 van artikel 310 zorgt voor de omzetting van artikel 33 van de Richtlijn met betrekking tot het toe- zicht op de in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren. Hoewel dit aspect reeds ter sprake kwam in ont- werpartikel 307, waarin werd gesteld dat artikel 310 van overeenkomstige toepassing was ten aanzien van de dienstverleners (uitbesteding — outsourcing), zet para- graaf 2 de procedure-elementen uiteen die nodig zijn voor de omzetting van artikel 38, lid 2 van de Richtlijn met betrekking tot de uitoefening van de prerogatieven bepaald in artikel 307 ten aanzien van de dienstverle- ners die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Livre III, Titre Ier dans la mesure où elle est applicable indépendamment de l’exercice ou non d’une activité en Belgique par les entreprises d’assurance ou de réassu- rance qui font appel à ces prestataires. Art. 308 La conclusion d’un protocole entre la Banque et la FSMA aux fins de la coordination du contrôle a été intro- duite dans la loi du 9 juillet 1975 (art. 37) à la suite du transfert à la Banque des compétences de contrôle pru- dentiel des entreprises d’assurance relevant, jusqu’à ce transfert, de la compétence de l’ancienne Commission bancaire, financière et des assurances, devenue depuis la FSMA. L’article 308 n’apporte pas de changement par rapport à la situation qui existait sous l’empire de la loi du 9 juillet 1975. Cette disposition constitue ainsi la base juridique au protocole conclu entre les deux institutions aux fins d’assurer la coordination de leurs missions de contrôle respectives et notamment de favoriser l’échange des informations nécessaires dans ce cadre. Art. 309 Au titre de conséquence du principe de spécialité applicable aux autorités publiques, l’article 309 en projet dispose que la Banque ne connaît des relations entre une entreprise d’assurance ou de réassurance et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de cette entreprise. Section II Contrôle des activités exercées dans un autre État membre Art. 310 Le paragraphe 1er de l’article 310 assure la transposi- tion de l’article 33 de la Directive s’agissant du contrôle de succursales établies dans un autre État membre. Bien que cet aspect était déjà énoncé sous l’article 307 en projet en ce qu’il affirmait que l’article 310 était applicable par analogie à l’égard des prestataires de services (sous-traitance — outsourcing), le para- graphe 2 précise les éléments de procédure nécessaires à la transposition de l’article 38, paragraphe 2 de la Directive s’agissant de l’exercice des prérogatives prévues à l’article 307 à l’égard des prestataires de ser- vices lorsqu’ils sont situés dans un autre État membre. 227 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 311 Ontwerpartikel 311 zorgt voor de omzetting van artikel 155, lid 2, tweede en derde alinea van de Richtlijn voor de verzekeringsondernemingen en van artikel 158, lid 2, eerste zin voor de herverzekeringsondernemingen. Het gaat om het geval waarin verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen activiteiten in een andere lidstaat uitoefenen zonder de op hen toepasselijke wettelijke bepalingen van dat land na te leven. De bepaling houdt in dat de Bank in dat geval de passende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de onderneming een einde maakt aan deze onregelmatige situatie. Afdeling III Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie De ontwerpartikelen 312  tot 316  zorgen voor de getrouwe omzetting van artikel 35 van de Richtlijn be- treffende de informatie die aan de Bank moet worden verstrekt met het oog op haar toezicht. Ze behoeven als dusdanig geen bijzonder commentaar. Ontwerpartikel 317  neemt artikel 22  van de wet van 9 juli 1975 over voor wat betreft de informatiever- plichtingen van de ondernemingen inzake statutaire wijzigingen en beslissingen die de onderneming van plan is te nemen, en die een weerslag kunnen hebben op de overeenkomsten in het algemeen. De bepaling neemt aldus het prerogatief van de Bank over, volgens hetwelk zij zich kan verzetten tegen de uitvoering van alle statutaire beslissingen of wijzigingen die strijdig zouden zijn met de bepalingen van de ontwerpwet of haar uitvoeringsmaatregelen of de uitvoeringsmaatre- gelen van de Richtlijn . Afdeling IV Procedure van prudentieel toezicht Deze Afdeling zorgt voor de omzetting van de artike- len 36 en 37 van de Richtlijn en bepaalt de procedure van toetsing en evaluatie van de verzekerings- en her- verzekeringsondernemingen door de Bank. Enerzijds wordt nagegaan of het wettelijke en reglementaire kader wordt nageleefd en anderzijds worden de risico’s geïdentificeerd die de betrokken onderneming loopt, de maatregelen die deze onderneming treft om haar risico’s te beheersen en om over voldoende financiële middelen te beschikken en wordt onderzocht in welke mate de instelling een risico vormt voor het financiële stelsel. In de praktijk moet de Bank een methodologie ont- wikkelen voor de tenuitvoerlegging van het proces van Art. 311 L’article  311  en projet assure la transposition de l’article 155, paragraphe 2, alinéas 2 et 3 de la Directive pour les entreprises d’assurance et de l’article 158, paragraphe 2, première phrase pour les entreprises de réassurance. Il s’agit du cas d’entreprises d’assurance ou de réassurance qui exercent des activités dans un autre État membre sans se conformer aux dispositions légales de cet État qui leur sont applicables. La dispo- sition prévoit que dans pareil cas, la Banque prend les mesures appropriées pour que l’entreprise mette fin à cette situation irrégulière. Section III Informations aux fins du contrôle Les articles 312 à 316 en projet assurent la fidèle transposition de l’article 35 de la Directive en ce qui concerne les informations à fournir à la Banque aux fins de son contrôle. À ce titre, ils n’appellent pas de commentaires particuliers. L’article 317 en projet constitue la reprise de l’article 22 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qui concerne les obligations d’information des entreprises en matière de modifications statutaires et de décisions que l’entreprise se propose de prendre qui sont susceptibles d’avoir une incidence sur les contrats en général. La disposition reprend ainsi la prérogative de la Banque selon laquelle elle peut s’opposer à l’exécution de toutes décisions ou modifications statutaires qui violeraient les dispositions de la loi en projet ou de ses mesures d’exécution ou des mesures d’exécution de la Directive. Section IV Processus de surveillance prudentielle Cette Section assure la transposition des articles 36 et 37 de la Directive en ce qu’elle précise la pro- cédure de contrôle et d’évaluation des entreprises d’assurance et de réassurance par la Banque. Il s’agit, d’une part, de vérifier le respect du cadre légal et régle- mentaire et, d’autre part, d’identifier les risques pesant sur l’entreprise concernée, les mesures prises par cette entreprise pour maîtriser adéquatement ses risques et disposer des ressources financières en suffisance et d’identifier les risques que ladite entreprise pourrait présenter pour le système financier. En pratique, la Banque doit développer une métho- dologie de mise en œuvre du processus de contrôle 228 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 prudentiële toetsing en evaluatie (ook “Supervisory review and evaluation process” of “SREP” genoemd), die volgens een vooraf bepaald beoordelingssysteem een score toekent aan elke verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, die de synthese vormt van de risicograad, zowel vanuit kwantitatief oogpunt (beoorde- ling van het belang van het risico) als vanuit kwalitatief oogpunt (risicobeheer). De evaluatie van het risicoprofiel betreft aldus de algemene situatie van de onderneming, in het bijzonder haar activiteiten, haar financiële positie, met inbegrip van de naleving van de vereisten inzake technische voorzieningen, kapitaal en beleggingsregels, de kwaliteit van haar governancesysteem, met inbegrip van haar beleidsstructuur, haar organisatieregelingen en haar interne controle, alsook haar onafhankelijke controlefuncties. De Bank baseert zich op een maximum aantal informatiebronnen, zoals de periodieke rappor- teringen die haar worden meegedeeld, de conclusies van de inspectieopdrachten, de resultaten van het proces van interne beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit door de onderneming (de zogenaamde “ORSA”), de interne auditverslagen, enz. De Bank houdt rekening met de veranderingen die zich hebben voorgedaan in de situatie sedert de vorige toetsings- en evaluatieprocedure en, in voorkomend geval, met de context van de groep waar de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming deel van uitmaakt. Er zij opgemerkt dat de voornoemde score niet noodzakelijk wordt meegedeeld aan de betrokken ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming. Wel worden de elementen waarop de Bank zich baseert voor de evaluatie, samen met de onderneming bekeken in het kader van een actieve dialoog. Ontwerpartikel 321 vertaalt het beginsel van evenre- digheid en prioriteit in de toewijzing van de toezichtsmid- delen door te bepalen dat de Bank de frequentie en de reikwijdte van haar onderzoeken en evaluaties vastlegt rekening houdend met de omvang van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en met de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten. Ontwerpartikel 322 biedt de nodige juridische grond- slag om de Bank in staat te stellen specifieke stresstests uit te voeren, naast die welke worden georganiseerd door EIOPA in het kader van Verordening nr. 1094/2010. Ontwerpartikel 323 vormt de juridische grondslag om aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming specifieke kapitaalvereisten te kunnen opleggen, bo- venop de vereisten die met toepassing van de wettelijke en reglementaire regeling zijn opgelegd, om rekening te houden met de risico’s waaraan deze onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan. prudentiel (encore appelé “Supervisory review process” ou “SRP”), qui attribue, selon un système de cotation prédéterminé, un score à chaque entreprise d’assurance et de réassurance synthétisant le degré de risque à la fois sous l’angle quantitatif (évaluation de l’importance du risque) et sous l’angle qualitatif (gestion du risque). L’évaluation du profil de risque couvre ainsi la situation générale de l’entreprise, en particulier ses activités, sa situation financière, incluant le respect des exigences en matière de provisions techniques, de capital et de règles d’investissement, la qualité de son système de gouvernance, en ce compris sa structure de gestion, ses dispositifs d’organisation et son contrôle interne, ainsi que les fonctions de contrôle indépendantes. La Banque se base sur un maximum de sources d’infor- mation, comme les reportings périodiques qui lui sont communiqués, les conclusions des missions d’inspec- tions effectuées, les résultats du processus d’évaluation interne par l’entreprise de ses risques et de sa solvabilité (processus dit “ORSA”), les rapports d’audit interne, etc. La Banque tient compte de l’évolution de la situation par rapport à la procédure précédente de contrôle et, le cas échéant, du contexte de groupe dont fait partie l’entreprise d’assurance ou de réassurance. On note que le score précité n’est pas nécessaire- ment communiqué à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Les éléments à la base de l’évaluation de la Banque sont en revanche examinés avec l’entreprise dans le cadre du dialogue actif mené avec celle-ci. L’article 321 en projet traduit un principe de propor- tionnalité et de priorité dans l’allocation des ressources et moyens de contrôle en disposant que la Banque détermine la fréquence et l’ampleur de ses examens et évaluations en tenant compte de la taille des entreprises d’assurance ou de réassurance concernées, et de la nature, du volume et de la complexité de leurs activités. L’article 322 en projet fournit la base juridique néces- saire afin de permettre à la Banque de mener des tests de résistance spécifiques en sus de ceux organisés par l’EIOPA dans le cadre du Règlement n°1094/2010. L’article 323 en projet constitue la base juridique aux fins d’imposer à une entreprise d’assurance ou de réassurance des exigences spécifiques de capital, qui s’ajoutent aux exigences requises en application du régime légal et réglementaire, afin de tenir compte des risques auxquels cette entreprise est ou pourrait être exposée. 229 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De bepaling legt de gevallen vast waarin het de Bank is toegestaan om een dergelijke kapitaalopslagfactor op te leggen. Die gevallen zijn overgenomen uit artikel 37 van de Richtlijn, waarbij correcties van technische aard zijn aangebracht om de onvolkomenheden van de Richtlijn te verhelpen. Afdeling V Informatieverstrekking aan EIOPA Ontwerpartikel 324 is de getrouwe weergave van artikel 52, lid 1 van de Richtlijn voor wat betreft de infor- matieverstrekking door de Bank aan EIOPA. Bijgevolg behoeft het geen bijzonder commentaar. HOOFDSTUK II Revisoraal toezicht In de artikelen 330 tot 337 wordt de inhoud van de artikelen 38 tot 40quater van de wet van 9 juli 1975, die betrekking hebben op het revisoraal toezicht, overgeno- men met de nodige aanpassingen en actualiseringen. Bijgevolg geven deze artikelen geen aanleiding tot specifiek commentaar. TITEL V Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten Titel V van Boek II van het voorliggende ontwerp regelt enerzijds het toezicht op verzekerings- en her- verzekeringsgroepen en anderzijds het aanvullende toezicht op financiële conglomeraten. Deze twee as- pecten worden elk in een afzonderlijk hoofdstuk van deze Titel behandeld. HOOFDSTUK I Definities Art. 338 tot 340 De ontwerpartikelen 338, 339 en 340 bevatten de definities die specifiek gelden voor Titel V, met dien verstande dat de definities in artikel 338 zowel gelden voor de bepalingen over het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen (Hoofdstuk II) als voor de bepalingen over het aanvullende toezicht op financiële conglomeraten (Hoofdstuk III). Artikel 339  bevat de La disposition précise les cas dans lesquels il est loi- sible à la Banque d’imposer une telle exigence de capital supplémentaire. Ces cas sont repris de l’article 37 de la Directive tout en procédant aux corrections d’ordre technique inhérentes aux imperfections que contient la Directive. Section V Informations à fournir à l’EIOPA L’article 324 en projet assure la fidèle reproduction de l’article 52, paragraphe 1er de la Directive en ce qui concerne les informations à fournir par la Banque à l’EIOPA. À ce titre, il n’appelle pas de commentaires particuliers. CHAPITRE II Du contrôle revisoral Les articles 330 à 337 en projet reprennent le contenu des articles 38 à 40quater de la loi du 9 juillet 1975 rela- tifs au contrôle revisoral, moyennant les diverses adap- tations et mises à jour requises. À ce titre, ils n’appellent pas d’observation particulière. TITRE V Du contrôle des groupes d’assurance et de réassurance et de la surveillance complémentaire des conglomérats financiers Le Titre V du Livre II du présent projet organise d’une part, le contrôle des groupes d’assurance et de réas- surance et d’autre part, la surveillance complémentaire des conglomérats financiers. Chacun de ces aspects est traité dans un chapitre distinct du présent Titre. CHAPITRE IER Définitions Art. 338 à 340 Les articles 338, 339  et 340  en projet énoncent les définitions propres à l’application du Titre V, étant entendu que les définitions reprises sous l’article 338 s’entendent pour l’application tant des dispositions relatives au contrôle des groupes d’assurance et de réassurance (Chapitre II) que pour les dispositions rela- tives à la surveillance complémentaire des conglomérats 230 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 definities die specifiek betrekking hebben op Hoofdstuk II, terwijl de definities in artikel 340 enkel gelden voor Hoofdstuk III. Deze definities die specifiek van toepassing zijn voor de aangelegenheden die in Titel V van de ontwerpwet worden geregeld, doen geen afbreuk aan de definities in ontwerpartikel 15, die eveneens van toepassing zijn op Titel V, tenzij ervan wordt afgeweken door de ont- werpartikelen 338, 339 of 340. Deze definities behoeven geen bijzondere toelich- ting. Zij stemmen overeen met de definities die res- pectievelijk in de Richtlijn en in de Richtlijn Financiële Conglomeraten worden gegeven. De aandacht zij enkel gevestigd op de verruimde definitie van het begrip “fi- nanciële instelling”, die opgenomen is in ontwerpartikel 338, 10°) en die voor de toepassing van Titel V ook be- heervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging en AICB-beheerders omvat. Deze verruimde definitie verzekert aldus de “verdere coördinatie van de sectorale regelgeving” waarvan sprake in de artikelen 30 en 30bis van de Richtlijn Financiële Conglomeraten, en maakt de omzetting van artikel 3, lid 2, derde en vierde alinea van de Richtlijn Financiële Conglomeraten overbodig. Art. 341 Dit artikel verleent aan de Bank de bevoegdheid om individuele afwijkingen toe te staan op de wettelijke en reglementaire bepalingen over het groepstoezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht, teneinde de doeltreffendheid van het toezichtsregime te bevorderen. In deze afwijkingsbevoegdheid was reeds voorzien in de wet van 9 juli 1975 (artikel 91octiesdecies, § 5) en in de wet van 16 februari 2009 (artikel 98, § 5). Er zij aan herinnerd dat de afwijkingen er niet op gericht zijn de ondernemingen die onderworpen zijn aan een statuut en een toezichtsregime te begunstigen. Zij verhinderen dat een strikte of onmiddellijke toepassing van sommige regels in werkelijkheid belet dat de doelstellingen van de reglementering worden verwezenlijkt of dat tijdelijke problemen worden opgelost; aldus kan in de praktijk beter rekening worden gehouden met de geest van de wet (zie Parl.St. Senaat, 616-2, 15). Krachtens het gelijkheidsbeginsel (wetten van openbare dienst) dat de Bank in acht moet nemen, geldt dat wanneer de omstandigheden van een concreet geval (of juister, de feitelijke elementen ter ondersteuning van de motivering van een beslissing tot afwijking) die tot een afwijking hebben geleid, zich in een ander geval voordoen, hieruit moet worden afgeleid dat de Bank ertoe gehouden zal financiers (Chapitre III). L’article 339 contient pour sa part les définitions propres à l’application du Chapitre II alors que l’article 340 reprend les définitions énoncées pour les seuls besoins de l’application du Chapitre III. Ces définitions spécifiques aux matières régies par le Titre V en projet sont sans préjudice des définitions énoncées à l’article 15 en projet qui ont vocation à s’appliquer également au Titre V sauf dans la mesure où il y serait dérogé par les articles 338, 339 ou 340 en projet. Ces définitions n’appellent pas de commentaire par- ticulier et sont conformes, respectivement, à la Directive et à la directive Conglomérats financiers. On se limite à attirer l’attention sur la définition élargie de la notion d’“établissement financier”, reprise sous l’article 338, 10° en projet, laquelle, pour l’application du Titre V, en- globe également les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif et les gestionnaires d’OPC. Cette définition élargie assure ainsi la “coordination ultérieure des règles sectorielles” dont question aux articles 30 et 30bis de la directive Conglomérats financiers et rend superflue la transposition de l’article 3, paragraphe 2, alinéas 3 et 4 de la directive Conglomérats financiers. Art. 341 Cet article confère à la Banque un pouvoir de dérogation individuelle aux dispositions légales et réglementaires relatives au contrôle de groupe ou à la surveillance complémentaire des conglomérats et ce, afin de favoriser l’efficacité du dispositif de contrôle. Ce pouvoir de dérogation figurait déjà dans la loi du 9 juillet 1975 (article 91octiesdecies, § 5) et la loi du 16 février 2009 (article 98, § 5). Il est rappelé que la fonction des dérogations n’est pas d’accorder des faveurs aux entreprises soumises à un statut et un régime de contrôle. Elles évitent qu’une application stricte ou immédiate de certaines règles empêche, en réalité, d’atteindre les objectifs de la réglementation ou de faire face à des difficultés transitoires et permettent de mieux tenir compte, dans les faits, de l’esprit de la loi (voy. Doc. Parl., Sénat, 1992-1993, n° 616-2, p. 15). En vertu du principe d’égalité (lois du service public) auquel est tenue la Banque, dès lors que les circonstances d’un cas d’espèce (ou plus exactement, les éléments de fait à l’appui de la motivation d’une décision de dérogation) ayant conduit à une dérogation se présentent dans un autre cas, il conviendra d’en déduire que la Banque sera tenue d’accorder une dérogation analogue. Enfin, une dérogation ne pourra être accordée qu’à la condition 231 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zijn een soortgelijke afwijking toe te staan. Bovendien mag een afwijking enkel worden toegestaan voor zover ze in overeenstemming is met de ter zake relevante bepalingen van, naargelang het geval, de Richtlijn en de Richtlijn Financiële Conglomeraten. Art. 342 Dit artikel bevat geen inhoudelijke vernieuwingen ten opzichte van de bestaande wettelijke regeling maar her- innert eraan dat de Bank in voorkomend geval gebruik kan maken van de reglementaire bevoegdheid die haar in artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998 wordt verleend om de in deze Titel vastgelegde praktische mo- daliteiten van het groepstoezicht of van het aanvullende toezicht op financiële conglomeraten nader te bepalen. HOOFDSTUK II Toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of herverzekeringsgroep Zoals reeds vermeld in de algemene toelichting bij het voorliggende ontwerp, werd het toezicht op verze- kerings- of herverzekeringsgroepen in de Richtlijn vol- ledig herwerkt ten opzichte van de bestaande regeling van Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvul- lend toezicht op verzekeringsondernemingen en her- verzekeringsondernemingen in een verzekerings- of herverzekeringsgroep. In Richtlijn 98/78/EG was het groepstoezicht opgevat als een aanvullend toezicht ten opzichte van het toezicht op individuele basis. In de Richtlijn daarentegen wordt de groep niet als een samenvoeging van individuele entiteiten beschouwd maar als een economische entiteit die aan soortgelijke vereisten moet worden onderworpen als deze die gelden voor elke entiteit die deel uitmaakt van de groep. Deze economische benadering heeft tot gevolg dat voor elke verzekerings- of herverzekeringsgroep, in de zin van de Richtlijn, een groepstoezichthouder moet worden aangeduid die over specifieke bevoegdheden beschikt, met dien verstande dat een samenwerking moet wor- den ingesteld tussen deze groepstoezichthouder en de toezichthouders van de entiteiten die deel uitmaken van de betrokken groep. Deze benadering houdt ook in dat op groepsniveau een minimumkapitaalvereiste (MCR) en een solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR) wor- den opgelegd. Het SCR op groepsniveau moet kunnen worden berekend op basis van een intern model dat door de groepstoezichthouder wordt goedgekeurd onder voorbehoud van de maatregelen die kunnen worden opgelegd door de toezichthouder van een entiteit die qu’elle reste conforme aux dispositions pertinentes en la matière, selon le cas, de la Directive et de la Directive Conglomérats financiers. Art. 342 Cet article ne contient pas d’innovation de fond par rapport au dispositif légal existant mais rappelle que la Banque peut, le cas échéant, faire usage du pouvoir réglementaire qui lui est conféré par l’article 12bis de la loi du 22 février 1998 afin de préciser les modalités pratiques de du contrôle de groupe ou de la surveillance complémentaire des conglomérats financiers telles qu’elles sont définies par le présent Titre. CHAPITRE II Du contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance Ainsi qu’il a d’ores et déjà été indiqué dans la pré- sentation générale du présent projet, le contrôle des groupes d’assurance ou de réassurance a été totalement repensé dans la Directive par rapport au régime existant sous l’empire de la directive 98/78/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 1998 sur la sur- veillance complémentaire des entreprises d’assurances et de réassurance faisant partie d’un groupe d’assu- rance ou de réassurance. Dans la directive 98/78/CE, le contrôle du groupe était conçu comme un contrôle complémentaire par rapport au contrôle sur base indi- viduelle. Dans la Directive, par contre, le groupe n’est plus abordé comme une addition d’entités individuelles mais comme une entité économique qui doit être sou- mise à des exigences similaires à celles auxquelles doit répondre chaque entité qui fait partie du groupe. Cette approche économique a pour conséquence que chaque groupe d’assurance ou de réassurance, au sens de la Directive, doit se voir attribuer un contrôleur du groupe disposant de compétences spécifiques étant entendu qu’une collaboration doit être mise en place entre ce contrôleur du groupe et les autorités de contrôle des en- tités qui font partie du groupe concerné. Cette approche se traduit également par le fait qu’un capital minimum requis (MCR) et un capital de solvabilité requis (SCR) sont exigés au niveau du groupe. En ce qui concerne le SCR au niveau du groupe, il doit pouvoir être calculé sur la base d’un modèle interne approuvé par le contrôleur du groupe sous réserve des mesures qui peuvent être imposées par l’autorité de contrôle d’une entité faisant partie du groupe. Le groupe doit également procéder 232 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 deel uitmaakt van de groep. De groep moet ook haar eigen solvabiliteit en risico’s beoordelen en een verslag publiceren over haar solvabiliteit en financiële positie. Het groepstoezicht is niet alleen een volwaardig toezicht geworden dat naast het toezicht op individuele basis wordt uitgeoefend, maar heeft bovendien een invloed op het toezicht op individuele basis op de entiteiten die deel uitmaken van de groep. De bepalingen van het voorliggende ontwerp die betrekking hebben op het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen, strekken ertoe een antwoord te bieden op de volgende vragen. Een eerste vraag is op welke verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen er een toezicht op groepsni- veau wordt uitgeoefend. Om deze vraag te beantwoor- den wordt bepaald welke de toepassingsgevallen zijn, en worden de reikwijdte van het groepstoezicht (of, met andere woorden, de perimeter van de ondernemingen die onder het toezicht op groepsniveau vallen) en de toezichtsniveaus vastgelegd. Deze aspecten komen aan bod in Afdeling I van dit Hoofdstuk. De volgende vraag is wat het voorwerp is van dit toezicht op groepsniveau, of waarop het betrekking heeft. Afdeling II van dit Hoofdstuk bepaalt aldus de toe- zichtsdomeinen: groepssolvabiliteit, risicoconcentratie en intragroeptransacties, governancesysteem op het niveau van de groep en bekendmaking van informatie. Nadat de groep gedefinieerd is en de toezichtsdomei- nen zijn vastgelegd, wordt bepaald welke toezichthou- der de rol van groepstoezichthouder zal vervullen en over welke bevoegdheden deze groepstoezichthouder beschikt, en wordt verduidelijkt wat de rol is van de toezichthouders van de entiteiten die deel uitmaken van de groep. Deze aspecten komen aan bod in Afdeling III. Hoewel de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings geen vergunningsplicht hebben en als zodanig geen gereglementeerde ondernemingen zijn, moeten zij toch bij het groepstoezicht in aanmerking worden genomen, wegens hun centrale rol in bepaalde groepsstructuren (Afdeling IV van dit Hoofdstuk). Het geval van de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming in een derde land is gevestigd of een gemengde verzekeringsholding is, komen eveneens aan bod (Afdeling V en Afdeling VI van dit Hoofdstuk). Er zij verduidelijkt dat dit Hoofdstuk de verplichtingen inzake groepstoezicht bevat die gelden voor verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch à une évaluation propre de sa solvabilité et de ses risques et publier un rapport propre sur sa solvabilité et sa situation financière. Le contrôle du groupe est non seulement devenu un contrôle à part entière qui s’exerce à côté du contrôle sur base individuelle mais, en outre, il influence le contrôle sur base individuelle des entités faisant partie du groupe. Les dispositions du présent projet relatives au contrôle des groupes d’assurance et de réassurance ont pour objet de répondre aux questions suivantes: Tout d’abord, quelles sont les entreprises d’assu- rance ou de réassurance soumises à un contrôle au niveau du groupe? À cette fin, sont définis les cas d’application, la portée du contrôle de groupe (ou, en d’autres termes, le périmètre d’entreprises incluses dans le contrôle au niveau du groupe) et les niveaux de contrôle. Ces aspects sont abordés dans la Section Ire du présent Chapitre. Ensuite, quel est l’objet de ce contrôle exercé au niveau du groupe, sur quels aspects porte-t-il? La Section  II du présent Chapitre détermine ainsi les domaines de contrôle: solvabilité du groupe, concentra- tion des risques et transactions intra-groupe, système de gouvernance au niveau du groupe et information à destination du public. Enfin, le groupe ayant été défini et les domaines de contrôle identifiés, il incombe d’une part, de déterminer quelle autorité de contrôle assumera le rôle de contrô- leur du groupe ainsi que ses compétences et d’autre part, de préciser le rôle des autorités de contrôle des entités qui font partie du groupe. Ces aspects sont traités dans la Section III. Par ailleurs, bien qu’elles ne soient pas soumises à une obligation d’agrément et qu’elles ne soient pas des entreprises réglementées en tant que telles, les socié- tés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes, par le rôle central qu’elles occupent dans cer- taines structures de groupe, doivent être incluses dans le contrôle exercé au niveau du groupe (Section IV du présent Chapitre). Le cas des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe dont l’entreprise mère est située dans un pays tiers ou est une société holding mixte d’assurance sont également traités (Section V et Section VI du présent Chapitre). On précise que sont définies dans le présent Chapitre les obligations en matière de contrôle de groupe à charge des entreprises d’assurance ou de réassurance 233 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 recht, ongeacht of ze aan het hoofd staan van de groep of in dit toezicht zijn opgenomen, en ongeacht de toezichthouder die binnen de Europese Economische Ruimte is aangeduid als groepstoezichthouder (zie de Afdelingen I en II). Afdeling III daarentegen, die betrek- king heeft op de bevoegdheden en de verplichtingen van de groepstoezichthouder, is opgesteld met als uitgangspunt dat de Bank als groepstoezichthouder is aangeduid. Afdeling I Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het groepstoezicht Onderafdeling I Toepassingsgevallen van het groepstoezicht Art. 343 Ontwerpartikel 343  bevestigt in de eerste plaats het beginsel dat verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een groep, aan een toezicht op groepsniveau zijn onderworpen. Vervolgens moet echter bepaald worden welke groepsstructuren tot gevolg hebben dat een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die er deel van uitmaakt, aan een toezicht op het niveau van de betrokken groep wordt onderworpen. In het voorliggende memorie worden dit de “triggers” van het groepstoezicht genoemd. Ten eerste wordt er een groepstoezicht uitgeoefend op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die een deelnemende onderneming in ten minste één verzekerings- of herverzekerings- onderneming met zetel in de Europese Economische Ruimte of in een derde land zijn. Onder “deelnemende onderneming” wordt verstaan een onderneming die een moederonderneming is, een andere onderneming die een deelneming bezit, of een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen (ontwerp- artikel 339, 1°). De begrippen “moederonderneming” en “deelneming” worden elders gedefinieerd. Ten tweede zijn verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte is, even- eens onderworpen aan het toezicht op groepsniveau. de droit belge, qu’elles soient à la tête du groupe ou incluses dans ce contrôle et cela, quelle que soit l’autorité de contrôle au sein de l’Espace économique européen qui est désignée contrôleur du groupe (Voy. Sections Ire et II). Par contre, la Section III, qui traite des prérogatives et obligations du contrôleur de groupe, est rédigée dans la perspective où la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe. Section Ire Cas d’application, portée et niveaux du contrôle de groupe Sous-section Ire Cas d’application du contrôle de groupe Art. 343 L’article 343 en projet affirme tout d’abord le principe suivant lequel les entreprises d’assurance ou de réas- surance de droit belge qui font partie d’un groupe sont soumises à un contrôle au niveau du groupe. Il importe cependant d’identifier les structures de groupe qui conduisent à soumettre les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui en font partie, à un contrôle exercé au niveau dudit groupe. C’est ce que l’on appellera dans le cadre du présent exposé, les éléments déclencheurs (ou “triggers”) du contrôle de groupe. Il y a, premièrement, contrôle de groupe lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge est une entreprise participante dans au moins une entreprise d’assurance ou de réassurance ayant son siège social dans l’Espace économique européen ou dans un pays tiers. Par entreprise participante, on entend une entreprise qui est une entreprise mère, une autre entreprise qui détient une participation ou une entreprise avec laquelle est formé un consortium au sens de l’article 10 du Code des sociétés (art. 339, 1° en projet). Les notions d’entreprise mère et de participation sont définies par ailleurs. Deuxièmement, l’entreprise d’assurance ou de réas- surance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte ayant son siège dans l’Espace économique européen est également soumise à un contrôle exercé au niveau du groupe. 234 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Hetzelfde geldt voor verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land is. Tot slot wordt ook een groepstoezicht uitgeoefend op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een gemengde ver- zekeringsholding is, ongeacht of deze haar zetel in de Europese Economische Ruimte of in een derde land heeft. Nadat bepaald is hoe het toezicht op groepsniveau getriggerd wordt, moet nog bepaald worden welke ondernemingen onder dit toezicht zullen vallen of, met andere woorden, welke de reikwijdte is van dit toezicht. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het begrip “groep” als gedefinieerd in ontwerpartikel 339, 2°. De reikwijdte van het groepstoezicht wordt eveneens bepaald in de ontwerpartikelen 348 tot 350. Het voorwerp van het toezicht op groepsniveau ver- schilt naargelang van de betrokken structuur. Tot slot zij erop gewezen dat het toezicht op groepsni- veau geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis op de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die onder het toezicht op het niveau van een groep vallen, behoudens andersluidende bepalingen die in of krachtens Hoofdstuk II of in de uitvoeringsmaatre- gelen van de Richtlijn zijn vastgelegd. De Bank mag bij het bepalen van de inhoud en de modaliteiten van het toezicht op individuele basis op verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen evenwel rekening houden met de gevolgen van het toezicht op groepsniveau. Art. 344 tot 347 De ontwerpartikelen 344 tot 347 regelen de samen- hang tussen de regels inzake het toezicht op verze- kerings- en herverzekeringsgroepen en, enerzijds, de regels inzake het geconsolideerde toezicht op krediet- instellingen en, anderzijds, de regels inzake het aanvul- lende toezicht op financiële conglomeraten, in het geval dat een gemengde financiële holding aan het hoofd staat van een verzekerings- of herverzekeringsgroep. Aangezien een dergelijke entiteit onder de toepassing valt van zowel de regels inzake het toezicht op verzeke- rings- en herverzekeringsgroepen, als de regels inzake het aanvullende toezicht op financiële conglomeraten, als de bepalingen inzake het geconsolideerde toezicht op bankgroepen, moet de samenloop van toepasbare regelingen vermeden worden. Il en va de même de l’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte ayant son siège dans un pays tiers. Enfin, est également visé le cas de l’entreprise d’as- surance ou de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding mixte d’assurance, que celle-ci ait son siège social dans l’Espace économique européen ou dans un pays tiers. Les éléments déclencheurs d’un contrôle au niveau du groupe étant déterminés, il reste à identifier le périmètre d’entreprises qui vont être incluses dans ce contrôle ou, autrement dit, la portée de ce contrôle. À cette fin, on aura égard à la notion de groupe telle qu’elle est définie par l’article 339, 2° en projet. La portée du contrôle de groupe est également précisée dans les articles 348 à 350 en projet. Quant à l’objet du contrôle au niveau du groupe, il est à noter qu’il varie selon la structure considérée. Précisons enfin que le contrôle au niveau du groupe ne porte pas préjudice au contrôle, sur une base indi- viduelle, des entreprises d’assurance ou de réassu- rance incluses dans le contrôle au niveau d’un groupe, sauf dispositions contraires prévues par ou en vertu du Chapitre II ou par les mesures d’exécution de la Directive. La Banque peut toutefois tenir compte des implications du contrôle au niveau du groupe dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle sur une base individuelle des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 344 à 347 Les articles 344 à 347 en projet visent à organiser l’articulation entre les règles en matière de contrôle des groupes d’assurance et de réassurance et, d’une part, les règles en matière de contrôle consolidé des établissements de crédit et, d’autre part, les règles en matière de surveillance complémentaire des conglo- mérats financiers dans l’hypothèse où une compagnie financière mixte est à la tête d’un groupe d’assurance ou de réassurance. Une telle entité relevant, en effet, de l’application à la fois des règles en matière de contrôle des groupes d’assurance et de réassurance, des règles en matière de surveillance complémentaire des conglomérats financiers et des dispositions en matière de contrôle consolidé des groupes bancaires, il convient d’éviter les cumuls de régimes applicables. 235 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Er zij verduidelijkt dat hier dezelfde aanpak wordt gevolgd als die welke voor de banksector is vastgelegd in de wet van 25 april 2014, waar de problematiek van de samenloop van de voor een gemengde financiële hol- ding geldende toezichtsregimes zich op dezelfde wijze stelt. Er zij verwezen naar de commentaar bij artikel 170 van de wet van 25 april 2014 voor een uiteenzet- ting van deze problematiek (Parl.St. Kamer, 2013-2014, n° 53-3406/001, 163 e.v.). Ten eerste wordt de mogelijke duplicatie, op het ni- veau van een gemengde financiële holding, tussen het toezicht op een verzekerings- en herverzekeringsgroep en het geconsolideerde toezicht op kredietinstellingen vermeden, door te bepalen dat, wanneer bepaalde voor- waarden vervuld zijn, de bepalingen inzake het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen die van toepassing zijn op de groep wegens de positie van de verzekeringsholding, moeten worden toegepast op het niveau van de gemengde financiële holding (dit belet niet dat het geconsolideerde toezicht op kredietinstel- lingen van toepassing kan zijn op een lagere subgroep). Deze voorwaarden zijn drieërlei: de verzekeringssector moet de belangrijkste sector zijn binnen het conglome- raat, minstens één van de dochterondernemingen is een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de Bank oefent zowel het toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep uit als het aanvullende toezicht op het financieel conglomeraat (ontwerpartikel 345). Wat de mogelijke duplicatie tussen het toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep en het aanvullende conglomeraatstoezicht betreft, kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, besluiten op de gemengde financiële holding alleen de regels inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen wanneer blijkt dat deze holding aan gelijkwaardige — d.w.z. even strenge — bepalingen is onderworpen voor wat betreft het risicogebaseerd toezicht (ontwerpartikel 346). Er wordt dus voorrang gegeven aan de regeling die het bestaan erkent van het conglomeraat, waarvan de perimeter uitgebreider is dan die van de verzekeringsgroep, ook al zijn de regels inzake het verzekeringsgroepstoezicht even streng. Om de gelijkwaardigheid van de bepalingen inzake het conglomeraatstoezicht enerzijds en het groepstoe- zicht anderzijds, te beoordelen, moeten de reikwijdte van het toezicht en de toezichtsdomeinen a priori wor- den bekeken. Enkel wanneer de reikwijdte en de toe- zichtsdomeinen gelijkwaardig zijn, kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, in de optiek van het voorliggende ontwerp het besluit nemen als bedoeld in ontwerpartikel 346. Zo zij erop gewezen dat On précise que l’approche suivie est identique à celle adoptée en matière bancaire par la loi du 25 avril 2014, où la problématique du cumul de régimes de contrôle applicables à une compagnie financière mixte se pose en des termes identiques. On renvoie au commentaire de l’article 170 de la loi du 25 avril 2014 pour une pré- sentation de cette problématique (Doc. parl., Chambre, 2013-2014, n° 53-3406/001, p. 163 e.s.). Afin d’éviter tout d’abord toute duplication, au niveau d’une compagnie financière mixte, entre le contrôle du groupe d’assurance et de réassurance et le contrôle sur base consolidée des établissements de crédit, il est prévu que, lorsque certaines conditions sont réunies, les dispositions en matière de contrôle des groupes d’assurance et de réassurance qui sont applicables au groupe en raison de la situation de la société holding d’assurance, doivent être appliquées au niveau de la compagnie financière mixte (cela n’empêche pas que le contrôle sur base consolidée des établissements de crédit soit d’application à un niveau inférieur). Ces condi- tions sont au nombre de trois: le secteur des assurances doit être le principal secteur au sein du conglomérat, l’une des filiales au moins est une entreprise d’assu- rance ou de réassurance et la Banque exerce aussi bien le contrôle au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance que la surveillance complémentaire du conglomérat financier (art. 345 en projet). En ce qui concerne ensuite la duplication éventuelle entre le contrôle au niveau du groupe d’assurance et de réassurance et la surveillance complémentaire des conglomérats, la Banque, en sa qualité de contrôleur de groupe, peut décider d’appliquer à la compagnie financière mixte les seules règles en matière de sur- veillance complémentaire des conglomérats lorsqu’il apparaît que celle-ci est soumise à des dispositions équivalentes, c’est-à-dire, aussi strictes, en termes de surveillance fondée sur le risque (art. 346 en projet). La priorité est donc donnée au régime qui appréhende le conglomérat, dont le périmètre est plus vaste par rapport à celui du groupe d’assurance et ce, même si les règles en matière de contrôle des groupes d’assurance sont aussi strictes. Pour évaluer l’équivalence des dispositions en matière de surveillance des conglomérats d’une part, et de contrôle du groupe d’autre part, il convient a priori d’examiner la portée du contrôle et les domaines de contrôle. Ce n’est que lorsque la portée et les domaines de contrôle sont équivalents que, dans l’optique du présent projet, la Banque, en sa qualité de contrôleur de groupe, peut prendre la décision visée à l’article 346 en projet. Ainsi, on fait remarquer que le régime 236 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het toezichtsregime voor conglomeraten nog altijd als beperkter wordt beschouwd dan het driepijlertoezicht dat door de Richtlijn is ingesteld. Overwegende echter dat de samenhang tussen het groepstoezicht en het aanvullende conglomeraatstoe- zicht met grotere zekerheid moet worden geregeld dan in de Richtlijn, beoogt ontwerpartikel 347 deze aange- legenheid op een structurelere manier te regelen. Deze aanpak vertaalt zich in drie elementen. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringson- derneming deel uitmaakt van een financieel conglo- meraat, worden voor het toezicht op het niveau van de verzekerings- en herverzekeringsgroep, op de volledige “groep”, als in ontwerpartikel 340, 1° gedefinieerd in uitvoering van de Richtlijn Financiële Conglomeraten, ten eerste de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht toegepast. Concreet betekent dit dat de regels van de voorliggende wet die betrek- king hebben op ORSA, het governancesysteem op het niveau van de groep en de rapportering, ook gelden voor de entiteiten die onder de definitie van “groep” vallen in de zin van ontwerpartikel 340, 1°, d.w.z., niet alleen de dochterondernemingen die verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen zijn, maar ook alle dochterondernemingen en deelnemingen die tot de banksector behoren (ontwerpartikel 347, eerste lid, 1°). Ten tweede worden de groepsrisico’s die voortvloeien uit intragroeptransacties en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, afzonderlijk en op afdoende wijze behandeld bij de uitoefening van het toezicht op groepsniveau. Ten derde kunnen de stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat (zie ontwerpartikel 467) geïntegreerd worden in de stresstests die vereist zijn op grond van ontwerpartikel 322. Dankzij de drie hogergenoemde elementen kan de behandeling van de conglomeraatsrisico’s zoveel mo- gelijk worden afgestemd op het toezicht op het niveau van de groep, en zijn de financiële conglomeraten voortaan niet langer aan twee van elkaar losstaande groepstoezichtsregimes onderworpen maar aan één enkel geïntegreerd groepstoezicht. Hoewel het hier uiteindelijk om een Belgische specificiteit gaat, vindt deze integratie toch steun in verschillende bepalingen van de Richtlijn Financiële Conglomeraten, bijvoorbeeld artikel 9, lid 6. Er zij verduidelijkt dat de benadering die door ontwerpartikel 347  wordt ingevoerd, vereist dat de de surveillance des conglomérats est encore toujours considéré comme plus limité que le contrôle des trois piliers mis en place par la Directive. Considérant toutefois qu’il convient de régler l’articu- lation entre contrôle de groupe et surveillance complé- mentaire du conglomérat avec une plus grand certitude que ne le fait la Directive, l’article 347 en projet entend régler cette question de manière plus structurelle. Cette approche se traduit en trois points. C’est ainsi que lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un conglomérat finan- cier, on appliquera premièrement, pour le contrôle au niveau du groupe d’assurance et de réassurance, à la totalité du “groupe”, tel que défini à l’article 340, 1° en projet en exécution de la directive Conglomérats financiers, les obligations et les compétences relatives au contrôle fondé sur les risques. Concrètement, les règles de la présente loi relatives à l’ORSA, au système de gouvernance au niveau du groupe et au reporting engloberont les entités qui relèvent de la définition de groupe au sens de l’article 340, 1° en projet, c’est-à- dire, non seulement les filiales qui sont des entreprises d’assurance ou de réassurance mais également toutes les filiales et participations relevant du secteur bancaire (art. 347, al. 1er, 1°en projet). Deuxièmement, les risques du groupe qui découlent d’opérations intragroupes et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités de façon distincte et appropriée au sein du contrôle au niveau du groupe. Troisièmement, les simulations de crise au niveau du conglomérat financier (voir art. 467 en projet) peuvent être intégrées dans les simulations de crise requises sur la base de l‘article 322 en projet. Grâce aux trois points précités, le traitement des risques générés par les conglomérats peut être aligné le plus possible sur le contrôle au niveau du groupe, et les conglomérats financiers font désormais l’objet d’un contrôle de groupe intégré, plutôt que deux régimes de contrôle de groupe indépendants l’un de l’autre. Bien qu’il s’agisse finalement d’une spécificité belge, cette intégration peut se prévaloir de différentes dis- positions de la directive Conglomérats financiers, par exemple, l’article 9, paragraphe 6. On précise que l’approche mise en place par l’article 347 en projet requiert que le secteur des assurances 237 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekeringssector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat en dat de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglo- meraatstoezicht uitoefent. De redenen waarom het aanvullende conglomeraat- stoezicht, ondanks de hierboven beschreven integra- tietechnieken, toch nog als een afzonderlijk hoofdstuk is opgenomen in het voorliggende ontwerp, zijn de volgende: — aanvullend conglomeraatstoezicht is ook mogelijk voor structuren die niet onder het toezicht op verzeke- rings- of herverzekeringsgroepen vallen (bijvoorbeeld een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met als enige dochteronderneming een kredietinstelling); — het is ook mogelijk dat niet alle relevante bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij het financieel conglo- meraat akkoord gaan met de hierboven beschreven integratie, in welk geval het geconsolideerde toezicht op het niveau van de verzekerings- of herverzekerings- groep en het aanvullende conglomeraatstoezicht los van elkaar toegepast blijven worden. Onderafdeling II Reikwijdte van het groepstoezicht Art. 348 tot 350 De ontwerpartikelen 348 tot 350 bepalen de perimeter van de in het groepstoezicht opgenomen ondernemin- gen of, met andere woorden, de reikwijdte van dit toe- zicht. In dit verband zij verwezen naar de commentaar bij artikel 343. Ontwerpartikel 348 bepaalt allereerst dat de uitoe- fening van toezicht op het niveau van de groep niet betekent dat toezicht op individuele basis moet worden uitgeoefend op de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen die onder een derde land ressorteren, op de verzekeringsholding, op de gemengde financiële hol- ding of op de gemengde verzekeringsholding die onder het toezicht op groepsniveau vallen. Met betrekking tot deze regel wordt echter een voorbehoud gemaakt voor verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings die, zonder gereglementeerde entiteiten te zijn, toch een aantal bepalingen op individuele basis moeten naleven omdat zij aan het hoofd van een groep staan. Voor deze bepalingen zij verwezen naar de commentaar bij Afdeling IV van dit Hoofdstuk. soit le principal secteur au sein du conglomérat financier et que la Banque exerce tant le contrôle au niveau du groupe que la surveillance complémentaire du conglo- mérat financier. Les raisons pour lesquelles la surveillance com- plémentaire des conglomérats figure encore dans un chapitre distinct au sein du présent projet, en dépit des techniques d’intégration décrites ci-dessus, sont les suivantes: — la surveillance complémentaire des conglomé- rats est également possible pour les structures qui ne relèvent pas du contrôle des groupes d’assurance ou de réassurance (par exemple une entreprise d’assu- rance ou de réassurance ayant comme seule filiale un établissement de crédit); — il est également toujours possible que les autorités compétentes relevantes concernées par le conglomé- rat financier ne se déclarent pas toutes d’accord sur l’intégration décrite ci-dessus, auquel cas le contrôle sur base consolidé au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance et la surveillance complémentaire des conglomérats continuent alors de s’appliquer indé- pendamment l’un de l’autre. Sous-section II Portée du contrôle de groupe Art. 348 à 350 Les articles 348 à 350 en projet viennent préciser le périmètre des entreprises incluses dans le contrôle de groupe ou, autrement dit, la portée de ce contrôle. On renvoie à ce propos à l’explication sous le commentaire de l’article 343. L’article 348 en projet précise tout d’abord que l’exer- cice d’un contrôle au niveau du groupe n’implique pas le contrôle sur base individuelle des entreprises d’assu- rance ou de réassurance relevant du droit d’un pays tiers, de la société holding d’assurance, de la compagnie financière mixte ou de la société holding mixte d’assu- rance incluses dans le contrôle au niveau du groupe. Une réserve est cependant apportée à cette règle en ce qui concerne les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes qui, sans être des entités réglementées, sont néanmoins tenues au respect d’un certain nombre de dispositions sur une base individuelle en raison de leur qualité de tête de groupe. On renvoie au commentaire de la Section IV du présent Chapitre pour la présentation desdites dispositions. 238 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Ontwerpartikel 349  bepaalt vervolgens in welke gevallen de groepstoezichthouder per geval kan be- sluiten om bij het groepstoezicht een onderneming niet in aanmerking te nemen die in principe met toepassing van de ontwerpartikelen 339, 2° en 343 in dit toezicht zou moeten worden opgenomen. Er wordt eveneens bepaald wie de Bank moet raadplegen, wanneer zij groepstoezichthouder is, ingeval zij een dergelijk besluit dient te nemen. Wanneer een onderneming niet bij het groepstoezicht in aanmerking wordt genomen, mag dit niet ten koste gaan van het individueel toezicht dat op de betrokken onderneming wordt uitgeoefend. Daarom wordt bepaald dat wanneer een verzekerings- of herverzekeringson- derneming op grond van de Belgische of een andere nationale wetgeving die voorziet in de omzetting van de Richtlijn, niet bij het groepstoezicht in aanmerking wordt genomen, de Belgische onderneming die aan het hoofd van de groep staat, aan de toezichthouder van de lidstaat waar deze niet (in het groepstoezicht) opgenomen onderneming is gevestigd, alle informatie dient te verstrekken die naar haar mening het toezicht op de betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming kan vergemakkelijken. In principe zal de Bank een recht van toegang krij- gen tot de onderneming aan het hoofd van de groep die onder een andere lidstaat ressorteert, ingeval een onderneming naar Belgisch recht niet bij het groepstoe- zicht in aanmerking wordt genomen, en dit krachtens de nationale wetgeving van die lidstaat. Onderafdeling III Niveaus De ontwerpartikelen 351 tot 357 regelen de samen- hang tussen de verschillende niveaus van groeps- toezicht, d.w.z., op het hoogste niveau binnen een lidstaat of op het hoogste niveau binnen de Europese Economische Ruimte, en dit om duplicatie van toezicht te vermijden. § 1 — Uiteindelijke moederonderneming op het ni- veau van de Europese Economische Ruimte Ontwerpartikel 351  bepaalt op welk niveau het groepstoezicht wordt uitgeoefend wanneer de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële hol- ding naar Belgisch recht zelf een dochteronderneming van een andere verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, een andere verzekeringsholding of een andere gemengde financiële holding met zetel in de Europese L’article 349 en projet détermine ensuite les cas dans lesquels le contrôleur de groupe peut décider, au cas par cas, de ne pas inclure dans le contrôle de groupe une entreprise qui, en principe, par l’application des articles 339, 2° et 343 en projet, devraient y être intégrées. Il est également précisé les consultations auxquelles la Banque doit procéder, lorsqu’elle est contrôleur du groupe, si elle est amenée à prendre une telle décision. Le fait pour une entreprise de ne pas être incluse dans un contrôle de groupe ne peut toutefois pas inter- venir au détriment du contrôle individuel de l’entreprise concernée. C’est pourquoi, lorsqu’en application de la législation belge ou d’une autre législation nationale assurant la transposition de la Directive, une entreprise d’assurance ou de réassurance n’est pas incluse dans le contrôle au niveau du groupe, c’est à l’entreprise belge qui est à la tête du groupe qu’il incombe de fournir à l’autorité de l’État membre où cette entreprise non incluse (dans le contrôle du groupe) est située, toute information que celle-ci estime de nature à faciliter le contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. En principe, la Banque se verra reconnaître un droit d’accès à l’entreprise tête de groupe qui relèverait du droit d’un autre État membre en cas de non inclusion d’une entreprise de droit belge dans un contrôle de groupe et ce, en vertu de la législation nationale de cet État membre. Sous-section III Niveaux Les articles 351 à 357 en projet ont pour objet de régler l’articulation entre les différents niveaux de contrôle de groupe, c’est-à-dire, au niveau le plus élevé au sein d’un État membre ou au niveau le plus élevé à l’échelon de l’Espace économique européen et ce, afin d’éviter les duplications de contrôle. § 1er — Entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen L’article 351 en projet précise à quel niveau s’exerce le contrôle de groupe lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte de droit belge, est elle-même une entreprise filiale d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une autre société holding d’assurance ou d’une autre compagnie financière mixte ayant son siège social dans l’Espace 239 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Economische Ruimte is. Deze moederonderneming wordt “uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte” genoemd. Ontwerpartikel 352  regelt het geval waarin deze uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte zelf een dochteron- derneming is van een onderneming die aan aanvullend toezicht is onderworpen overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de Richtlijn Financiële Conglomeraten. § 2 — Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau Art. 353 tot 355 De aanwezigheid van een uiteindelijke moederonder- neming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, waarvan de zetel buiten België is gevestigd, sluit niet uit dat op Belgisch niveau een groepstoezicht wordt uitgeoefend en belet dus niet dat de verzekerings- of herverzekeringsholding of de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding naar Belgisch recht die de dochteronderneming is van een dergelijke uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, aan de bepalingen wordt on- derworpen waarin door of krachtens Hoofdstuk II van Titel V van de ontwerpwet is voorzien. Deze moeder- onderneming naar Belgisch recht wordt “uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau” genoemd. De Bank dient deze beslissing te nemen na raadple- ging van de groepstoezichthouder en de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte (ontwerpartikel 353). Deze mo- gelijkheid is echter uitgesloten indien de dochteron- derneming naar Belgisch recht onderworpen is aan de regeling inzake gecentraliseerd risicobeheer als bedoeld in de artikelen 238 en 239 van de Richtlijn. Bovendien kan de Bank het toezicht op groepsniveau op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau beperken tot bepaalde toezichtsdomeinen (ont- werpartikel 354, § 1). Wat het toezicht op de groepssol- vabiliteit betreft, is de Bank overigens gebonden aan de beslissing van de groepstoezichthouder met betrekking tot de keuze van de methode voor de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep (ontwerpartikel 354, § 2) of nog aan de door de groepstoezichthouder verleende toestemming voor het gebruik van een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapi- taalvereiste (ontwerpartikel 354, § 3, eerste lid). In dit laatste geval kan de Bank voor de uiteindelijke moe- deronderneming op Belgisch niveau onder bepaalde voorwaarden een opslagfactor toepassen op het solva- biliteitskapitaalvereiste van de groep of verlangen dat économique européen. Cette entreprise mère est dénommée “entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen”. L’article 352  en projet règle l’hypothèse où cette entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen est elle-même filiale d’une entreprise assujettie à une surveillance complémentaire conformément à l’article 5, paragraphe 2, de la directive Conglomérats financiers. § 2 — Entreprise mère supérieure au niveau belge Art. 353 à 355 La présence d’une entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, dont le siège social serait en dehors de la Belgique, n’exclut pas la mise en place d’un contrôle de groupe au niveau belge et n’empêche donc pas d’assujettir l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte de droit belge filiale d’un telle entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, aux dispo- sitions prévues par ou en vertu du Chapitre II du Titre V de la loi en projet. Cette entreprise mère de droit belge est dénommée “entreprise mère supérieure au niveau belge”. C’est à la Banque qu’il incombe de prendre cette décision moyennant consultation du contrôleur du groupe et de l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen (art. 353 en projet). Cette possibilité est toutefois exclue si la filiale de droit belge est soumise au régime de gestion centralisée des risques visé aux articles 238 et 239 de la Directive. La Banque peut, en outre, limiter le contrôle au niveau du groupe de l’entreprise mère supérieure au niveau belge à certains domaines de contrôle (art. 354, § 1er en projet). En ce qui concerne le contrôle de la solvabilité du groupe, la Banque est par ailleurs tenue par la décision prise par le contrôleur du groupe quant au choix de la méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe (art. 354, § 2 en projet) ou encore par l’autorisation accordée par le contrôleur du groupe quant à l’utilisation d’un modèle interne pour le calcul du capital de solva- bilité requis (art. 354, § 3, alinéa 1er en projet). Dans ce dernier cas, la Banque peut toutefois, sous certaines conditions, imposer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge, une exigence de capital supplémentaire en ce qui concerne le capital de solvabilité requis du groupe ou exiger de cette entreprise qu’elle calcule le 240 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep op basis van de standaardformule berekent (ontwerpartikel 354, § 3, tweede lid). § 3 — Moederonderneming die meerdere lidstaten bestrijkt Art. 356 en 357 Wanneer de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau verbonden is met een of meer andere uiteindelijke moederondernemingen op nationaal ni- veau, kan de Bank een overeenkomst sluiten met de toezichthouders van deze uiteindelijke moederonder- nemingen, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op het niveau van een subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt. De ontwerpartikelen 356 en 357 bepalen het voor- werp en de modaliteiten van dergelijke overeenkomsten. Afdeling II Domeinen van het groepstoezicht Onder “domeinen van het groepstoezicht” wordt de eigenlijke inhoud verstaan van de verschillende onderdelen van het toezicht, d.w.z. het toezicht op de groepssolvabiliteit (Onderafdeling I), het toezicht op de risicoconcentratie en de intragroeptransacties (Onderafdeling II), het governancesysteem op het niveau van de groep (Onderafdeling III) en de bekendmaking van informatie (Onderafdeling IV). Onderafdeling I Groepssolvabiliteit § 1 — Algemene bepalingen Art. 358 tot 360 Ontwerpartikel 358 bevat de verplichting voor de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming die aan een toezicht op groepsniveau is onderworpen, hetzij omdat zij een deelnemende onderneming is, hetzij omdat zij een dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, om over in aan- merking komend eigen vermogen te beschikken dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaal- vereiste van de groep. Dit solvabiliteitskapitaalsvereiste wordt respectievelijk berekend overeenkomstig de ont- werpartikelen 361 tot 380 en ontwerpartikel 381 (ont- werpartikel 358, § 2). capital de solvabilité requis du groupe sur la base de la formule standard (art. 354, § 3, alinéa 2 en projet). §  3  — Entreprise mère couvrant plusieurs États membres Art. 356 et 357 Lorsque l’entreprise mère supérieure au niveau belge est liée à une ou plusieurs autres entreprises mère supérieures au niveau national, la Banque peut conclure, avec les autorités de contrôle dont relèvent lesdites entreprises mères supérieures, un accord en vue d’exercer un contrôle du groupe au niveau d’un sous-groupe couvrant plusieurs États membres. Les articles 356 et 357 en projet détaillent l’objet et les modalités de tels accords. Section II Domaines du contrôle de groupe Par “domaines du contrôle de groupe”, on entend le contenu proprement dit des différentes parties du contrôle, c’est-à-dire, le contrôle de la solvabilité du groupe (Sous-section Ire), le contrôle de la concentration des risques et des transactions intragroupe (Sous- section II), le système de gouvernance au niveau du groupe (Sous-section III) et les informations à fournir au public (Sous-section IV). Sous-Section Ire Solvabilité du groupe § 1er — Dispositions générales Art. 358 à 360 L’article 358 en projet énonce l’obligation pour l’entre- prise d’assurance ou de réassurance soumise à un contrôle au niveau du groupe, que ce soit parce qu’elle est entreprise participante ou filiale d’une société hol- ding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, de disposer en permanence d’un montant de fonds propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité requis du groupe. Celui-ci est calculé conformément, respectivement, aux articles 361 à 380 en projet et à l’article 381 en projet (art. 358, § 2 en projet). 241 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming en, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, dient over procedures te beschikken om een verslechtering van de hierboven vermelde vereisten vast te stellen en om de groepstoezichthouder onmid- dellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering zich voordoet. De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, dient minstens eenmaal per jaar het solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep te berekenen. Bovendien dient zij het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep continu te bewaken en wanneer het risicoprofiel van de groep in significante mate afwijkt van de hypothesen die aan het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, wordt dit solvabiliteitskapi- taalvereiste onmiddellijk herberekend en aan de groeps- toezichthouder meegedeeld. Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de groep in significante mate is veranderd sinds de datum waarop de laatste melding van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder een herberekening van dit solvabiliteitskapitaalvereiste verlangen (ontwerpartikel 360). § 2 — Keuze van de methode voor de berekening van de groepssolvabiliteit en algemene beginselen Art. 361 tot 365 De solvabiliteit op het niveau van de groep van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming wordt berekend overeenkomstig de technische beginselen die in de ontwerpartikelen 362 tot 371 zijn beschreven en volgens de berekeningsmethode op basis van consolidatie van jaarrekeningen als bedoeld in de ontwerpartikelen 372 tot 376 en in de uitvoerings- maatregelen van de Richtlijn. Indien de toepassing van deze berekeningsmethode ongepast blijkt te zijn, kan de groepstoezichthouder toe- staan dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt berekend overeenkomstig de methode op basis van aftrek en aggregatie als bedoeld in de ontwerparti- kelen 377 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn. De ontwerpartikelen 362 tot 365 bevatten een reeks regels die toegepast moeten worden bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep. L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante et, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte, sont tenues de mettre en place des procédures leur permettant de détecter une détérioration des exigences mentionnées ci-avant, et d’informer immédiatement le contrôleur du groupe lorsqu’une telle détérioration se produit. L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte doit calculer au moins une fois par an le capital de sol- vabilité requis du groupe. Elle doit par ailleurs surveiller en permanence le montant de ce capital de solvabilité requis du groupe et lorsque le profil de risque du groupe s’écarte significativement des hypothèses qui sous-ten- daient le dernier capital de solvabilité requis notifié par le groupe, ce capital est recalculé sans délai et notifié au contrôleur du groupe. De son côté, le contrôleur du groupe peut exiger que ce capital soit recalculé lorsque des éléments semblent indiquer que le profil de risque du groupe a significativement changé depuis la date de la dernière notification du capital de solvabilité requis du groupe (art. 360 en projet). § 2 — Choix de la méthode de calcul de la solvabilité du groupe et principes généraux Art. 361 à 365 Le calcul de la solvabilité au niveau du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante est effectué conformément aux principes techniques énoncés aux articles 362 à 371 en projet et selon la méthode de calcul fondée sur la consolidation comp- table telle que définie aux articles 372 à 376 en projet et par les mesures d’exécution de la Directive. Si l’application de cette méthode de calcul s’avère inappropriée, le contrôleur de groupe peut autoriser que le capital de solvabilité requis du groupe soit calculé conformément à la méthode fondé sur la déduction et l’agrégation telle que définie aux articles 377 à 380 en projet et par les mesures d’exécution de la Directive (art. 361 en projet). Les articles 362 à 365 en projet énoncent un en- semble de règles à appliquer lors du calcul du capital de solvabilité requis du groupe. 242 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3 — Toepassing van de methodes voor de bereke- ning van de groepssolvabiliteit Art. 366 tot 371 De ontwerpartikelen 366 tot 371 betreffen een aantal specifieke gevallen en de wijze waarop ze behandeld worden in het kader van de berekening van het solva- biliteitskapitaalvereiste van de groep (verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die met de deelne- mende onderneming verbonden zijn, beroep op een verzekeringstussenholding of op een gemengde finan- ciële tussenholding, dochterverzekerings- of herverze- keringsonderneming in een derde land, deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in een kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële instelling). § 4 — Methode voor de berekening van de groeps- solvabiliteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen Art. 372 tot 376 De ontwerpartikelen 372 tot 376 beschrijven de me- thode voor de berekening van de groepssolvabiliteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen, of “methode 1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”. § 5 — Methode van berekening van de groepssolva- biliteit op basis van aftrek en aggregatie Art. 377 tot 380 De ontwerpartikelen 377 tot 380 beschrijven de me- thode voor de berekening van de groepssolvabiliteit op basis van aftrek en aggregatie, of “methode 2 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”. § 6 — Berekening van de groepssolvabiliteit voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die dochteronderneming zijn van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding Art. 381 Ontwerpartikel 381  bevat de beginselen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- derneming dochter-onderneming van een verzekerings- holding of een gemengde financiële holding is. § 7 — Berekening van de solvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer § 3 — Application des méthodes de calcul de la solvabilité du groupe Art. 366 à 371 Les articles 366 à 371 en projet traitent de situations particulières et de leur traitement dans le cadre du calcul du capital de solvabilité requis du groupe (entreprises d’assurance ou de réassurance liées à l’entreprise participante, recours à une société holding d’assurance ou à une compagnie financière mixte intermédiaire, entreprise d’assurance ou de réassurance filiale dans un pays tiers, entreprise d’assurance ou de réassurance participante d’un établissement de crédit, d’une entre- prise d’investissement ou d’un établissement financier). § 4 — Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la consolidation comptable Art. 372 à 376 Les articles 372 à 376 en projet définissent la mé- thode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la consolidation comptable ou “première méthode de calcul de la solvabilité du groupe”. § 5 — Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la déduction et l’agrégation Art. 377 à 380 Les articles 377 à 380 en projet définissent la mé- thode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la déduction et l’agrégation ou “seconde méthode de calcul de la solvabilité du groupe”. § 6 — Calcul de la solvabilité du groupe pour les entreprises d’assurance ou de réassurance filiales d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte Art. 381 L’article 381 en projet énonce les principes qui pré- sident au calcul du capital de solvabilité requis du groupe lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance est la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte. § 7 — Calcul de la solvabilité des groupes à gestion centralisée des risques 243 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 382 tot 387 Deze bepalingen betreffen de berekening van de solvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer. Onderafdeling II Risicoconcentratie en intragroeptransacties Art. 388 tot 391 Deze artikelen bevatten de regels die op groepsni- veau in acht moeten worden genomen met betrekking tot de risicoconcentratie en intragroeptransacties. Onderafdeling III Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep § 1 — Algemene bepalingen Art. 392 en 393 Deze artikelen bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden de vereisten inzake governance moeten worden toegepast op het niveau van de groep. Deze vereisten inzake governance op het niveau van de groep zijn belangrijk om binnen de groep de noodza- kelijke coherentie te bereiken en om ervoor te zorgen dat informatie voldoende kan circuleren binnen het aan groepstoezicht onderworpen geheel. § 2 — Risicobeheer en interne controle Art. 394 en 395 Deze artikelen bepalen waaruit het risicobeheersys- teem en de interne controle van een groep dienen te bestaan. § 3 — Beoordeling van het eigen risico en de solva- biliteit van de groep Art. 396 tot 398 Deze artikelen bevatten de voorwaarden voor de toepassing op groepsniveau van de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit van de groep, die door ontwerpartikel 91  worden voorgeschreven op individuele basis . Art. 382 à 387 Ces dispositions traitent du calcul de la solvabilité des groupes à gestion centralisée des risques. Sous-Section II Concentration de risques et transactions intragroupe Art. 388 à 391 Ces articles énoncent les règles à respecter au ni- veau du groupe en matière de concentration de risques et de transactions intragroupes. Sous-Section III Système de gouvernance au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance § 1er — Généralités Art. 392 et 393 Ces dispositions déterminent dans quelle mesure et selon quelles modalités les exigences en matière de gouvernance doivent être appliquées au niveau du groupe. Ces exigences en matière de gouvernance au niveau du groupe sont importantes pour parvenir à une cohérence nécessaire ou sein du groupe et pour veiller à ce que les informations puissent circuler au sein de l’ensemble soumis à un contrôle de groupe. § 2 — Gestion des risques et contrôle interne Art. 394 et 395 Ces dispositions déterminent les composantes du système de gestion des risques et du contrôle interne d’un groupe. § 3 — Evaluation interne des risques et de la solva- bilité du groupe Art. 396 à 398 Ces articles définissent les conditions d’application au niveau du groupe de l’évaluation interne des risques et de la solvabilité prescrite par l’article 91 en projet sur une base individuelle. 244 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Bekendmaking van informatie Art. 399 tot 406 De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, dient jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de financiële positie op het niveau van de groep openbaar te maken. De inhoud van dit verslag, de wijze van openbaar- making ervan en de mogelijkheid om een enig verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep openbaar te maken, worden omschreven in de ontwerpartikelen 399 tot 406. Afdeling III Uitoefening van het groepstoezicht Onderafdeling I Aanwijzing van de groepstoezichthouder Art. 407 en 408 Ontwerpartikel 407  bevat allereerst het beginsel dat onder de toezichthouders van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een aan groepstoezicht onderworpen groep één enkele toezichthouder moet worden aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening van het groepstoezicht. Vervolgens worden de criteria opgesomd om te be- palen wie de functie van groepstoezichthouder uitoefent (ontwerpartikel 407, § 2). Zo vervult de Bank de rol van groepstoezichthouder wanneer zij de toezichthouder is van alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep of wan- neer aan het hoofd van de groep een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat. Indien aan het hoofd van een groep geen verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat, vervult de Bank de functie van groeps- toezichthouder indien de moederonderneming van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een verzekeringsholding of een ge- mengde financiële holding is. Sous-section IV Informations à destination du public Art. 399 à 406 L’entreprise d’assurance ou de réassurance parti- cipante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financières mixte est tenue de publier annuellement un rapport sur la solvabilité et la situation financière au niveau du groupe. Le contenu de ce rapport, les modalités de sa publica- tion ainsi que la possibilité de publier un rapport unique sur la solvabilité et la situation financière du groupe sont définies par les articles 399 à 406 en projet. Section III Exercice du contrôle du groupe Sous-Section Ire Détermination du contrôleur du groupe Art. 407 et 408 L’article 407 en projet énonce tout d’abord le principe selon lequel un contrôleur unique, responsable de la coordination et de l’exercice du contrôle du groupe doit être désigné parmi les autorités de contrôle des entre- prises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe soumis à un contrôle de groupe. Les critères pour identifier ce contrôleur de groupe sont ensuite énumérés (art. 407, § 2 en projet). C’est ainsi que la Banque sera contrôleur du groupe lorsqu’elle est l’autorité de contrôle de toutes les entre- prises d’assurance ou de réassurance du groupe ou lorsque le groupe est dirigé par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge. Quand le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, la Banque sera contrôleur du groupe si l’entreprise mère des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte. 245 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Indien er in hetzelfde geval als hierboven sprake is van meerdere verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen, waarvan er slechts één een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht is, is de groepstoezichthouder evenwel de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die haar zetel in dezelfde lidstaat heeft als de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding. Indien meerdere verzekeringsholdings of gemengde financiële holdings moederonderneming zijn of indien geen enkele verzekerings- of herverzekeringsonder- neming haar zetel in dezelfde lidstaat als de verze- keringsholding of de gemengde financiële holding heeft of nog, indien er geen moederonderneming is, is de groepstoezichthouder de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal. Onderafdeling II Rechten en plichten van de groepstoezichthouder en van de betrokken toezichthouders — College van toezichthouders Art. 409 tot 416 Deze Onderafdeling somt de taken op die de Bank heeft wanneer zij als groepstoezichthouder is aangeduid (ontwerpartikel 409), haar verplichting om een college van toezichthouders op te richten (ontwerpartikel 410), de samenstelling en de regels inzake de werking van dit college (ontwerpartikelen 411, 412, 414) en de verplich- tingen van de Bank wanneer zij lid is van een dergelijk college, in haar hoedanigheid van toezichthouder van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het groepstoezicht valt, zonder groepstoezicht- houder te zijn (ontwerpartikel 416). Onderafdeling III Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders Art. 417 tot 420 De Bank dient nauw samen te werken met de toezicht- houders van de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of herverzekeringsgroep, ongeacht of zij al dan niet groepstoezichthouder is. De ontwerpartikelen 417 tot 420 leggen het kader voor deze samenwerking vast. Par contre, dans une telle hypothèse et en cas de pluralité d’entreprises d’assurance ou de réassurance, dont une seulement est de droit belge, ce sera l’autorité de contrôle qui a agréé l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui a son siège social dans le même État membre que la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte. Dans l’hypothèse d’une pluralité de sociétés holding d’assurance ou de compagnies financières mixtes qui sont des entreprises mère ou dans l’hypothèse où au- cune entreprise d’assurance ou de réassurance n’a son siège social dans le même État membre que la société holding d’assurance ou compagnie financière mixte ou encore dans l’hypothèse où il n’y a pas d’entreprise mère, le contrôleur du groupe sera l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui a le total de bilan le plus élevé. Sous-section II Droits et obligations du contrôleur du groupe et des autorités de contrôle concernées — Collège des contrôleurs Art. 409 à 416 Cette Sous-section énonce les tâches qui incombent à la Banque lorsqu’elle est désignée contrôleur du groupe (art. 409 en projet), l’obligation qui lui incombe de constituer un collège des contrôleurs (art. 410 en projet), la composition et les règles de fonctionnement d’un tel collège (art. 411, 412, 414 en projet) ainsi que les obligations qui incombent à la Banque lorsqu’elle est membre d’un tel collège, en sa qualité d’autorité de contrôle d’une entreprise d’assurance ou de réas- surance incluse dans un contrôle de groupe, sans être le contrôleur du groupe (art. 416 en projet). Sous-section III Coopération et échange d’informations entre les autorités de contrôle Art. 417 à 420 La Banque, indépendamment de sa qualité de contrô- leur du groupe, est tenue de coopérer étroitement avec les autorités de contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance. Les articles 417 à 420 en projet précisent le cadre de cette coopération. 246 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Overleg tussen toezichthouders Art. 421 Overeenkomstig de Richtlijn somt ontwerparti- kel 421 de besluiten op die de Bank niet kan nemen zon- der voorafgaandelijk overleg te hebben gepleegd, in het college van het toezichthouders, met de toezichthouders van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder het toezicht op groepsniveau vallen. Onderafdeling V Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verstrekken informatie Art. 422 tot 429 Deze bepalingen vormen de tegenhanger, op groeps- niveau, van de verplichtingen met betrekking tot de informatie die met het oog op de uitoefening van het toezicht op individuele basis moet worden verstrekt. Onderafdeling VI Revisoraal toezicht Art. 430 tot 440 Deze bepalingen vormen de tegenhanger, op groepsniveau, van de verplichtingen met betrekking tot het revisoraal toezicht in individueel beschouwde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen (zie ontwerpartikel 325 e.v.). Onderafdeling VII Prudentiële maatregelen Art. 441 en 442 Om de doeltreffendheid van het toezicht op groeps- niveau te verzekeren, wordt bepaald dat de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, ten aanzien van de deelnemende verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen naar Belgisch recht of ten aanzien van de moederverzekeringsholding of de ge- mengde financiële moederholding naar Belgisch recht, de prudentiële maatregelen kan nemen die opgesomd zijn in ontwerpartikel 441 wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de Sous-section IV Consultation entre autorités de contrôle Art. 421 Conformément à la Directive, l’article 421 en projet énumère les décisions que la Banque ne peut prendre sans avoir préalablement consulté, au sein du collège des contrôleurs, les autorités de contrôle des entre- prises d’assurance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe. Sous-section V Informations à fournir aux fins de l’exercice du contrôle au niveau du groupe Art. 422 à 429 Ces dispositions sont le pendant, au niveau du groupe, des obligations relatives à l’information à fournir aux fins de l’exercice du contrôle sur une base individuelle. Sous- Section VI Contrôle révisoral Art. 430 à 440 Ces dispositions sont le pendant, au niveau du groupe, des obligations relatives au contrôle révisoral dans les entreprises d’assurance ou de réassurance considérées individuellement (voy. art. 325  e.s. en projet). Sous-section VII Mesures prudentielles Art. 441 et 442 Afin d’assurer l’effectivité du contrôle exercé au niveau du groupe, lorsque les entreprises d’assu- rance ou de réassurance de droit belge soumises à un contrôle au niveau du groupe, ne se conforment pas aux exigences prévues par ou en vertu du présent Chapitre ou des mesures d’exécution de la Directive, ou lorsque ces exigences sont respectées mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être com- promise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les concentrations de risques menacent la situation financière desdites entreprises d’assurance ou de 247 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voorschriften die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn zijn opgelegd, niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen bedreigen. Wanneer de hierboven beschreven situatie zich voordoet maar de Bank niet de groepstoezichthouder is, mag zij dezelfde prudentiële maatregelen ten aanzien van de voornoemde entiteiten nemen, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van de groepstoezichthou- der. In dit laatste geval zal de groepstoezichthouder zijn bevindingen doorgaans voorafgaandelijk hebben meegedeeld aan de Bank, zodat zij de nodige maatre- gelen kan nemen. Ontwerpartikel 442 betreft het specifieke geval waarin de Bank, als groepstoezichthouder, vaststelt dat de ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België die in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften van de Richtlijn of van de uitvoerings- maatregelen ervan niet naleven. In dat geval deelt zij haar bevindingen mee aan de toezichthouder van de lid- staat waar, naargelang van het geval, de deelnemende verzekerings- of —herverzekeringsonderneming of de moederverzekeringsholding of de gemengde financiële moederholding, haar zetel heeft, opdat deze toezicht- houder de door zijn nationale wetgeving voorgeschreven maatregelen neemt die nodig zijn om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten. Hetzelfde geldt wanneer de Bank vaststelt dat de hogervermelde voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden onder- mijnd of indien de intragroeptransacties of de risicocon- centraties de financiële positie van de genoemde verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen. Afdeling IV Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings Art. 443 Hoewel zij geen gereglementeerde ondernemin- gen zijn, aangezien ze niet zijn onderworpen aan een toezichtsstatuut en niet over een vergunning moeten beschikken om hun activiteiten te mogen uitoefenen, zijn de verzekeringsholdings en de gemengde financiële réassurance, l’article 441 en projet énonce les mesures prudentielles que la Banque est autorisée à prendre dans ce cas, en sa qualité de contrôleur du groupe, à l’égard des entreprises d’assurance ou de réassurance participantes de droit belge ou à l’égard de la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte entreprise mère de droit belge. Lorsque la situation décrite ci-avant se produit mais que la Banque n’est pas le contrôleur de groupe, elle est autorisée à prendre les mêmes mesures prudentielles à l’égard des entités précitées, que ce soit d’initiative ou à la demande du contrôleur du groupe. Dans ce dernier cas, celui-ci aura généralement préalablement informé la Banque de ses conclusions afin qu’elle puisse prendre les mesures nécessaires. L’article 442 en projet vise la situation particulière où la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, constate que les entreprises d’assurance ou de réas- surance ayant leur siège social dans un État membre autre que la Belgique, et soumises à un contrôle au niveau du groupe qu’elle est chargée d’exercer, ne se conforment pas aux exigences prévues par la Directive ou par ses mesures d’exécution. Dans ce cas, elle communique ses constatations à l’autorité de contrôle de l’État membre dans lequel, selon le cas, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte entreprise mère a son siège social, afin que cette autorité de contrôle prenne les mesures prévues par sa législation nationale qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée. Il en va de même lorsque la Banque constate que les exigences ci-dessus sont respectées mais que la solva- bilité du groupe risque malgré tout d’être compromise, ou lorsque les transactions intragroupes ou les concen- trations de risques menacent la situation financière desdites entreprises d’assurance ou de réassurance. Section IV Sociétés holding d’assurance et compagnies financières mixtes Art. 443  Tout en n’étant pas des entreprises réglementées dans la mesure où elles ne sont pas soumises à un statut de contrôle et où elles n’ont pas besoin d’un agrément préalable pour déployer leurs activités, les sociétés hol- ding d’assurance et les compagnies financières mixtes 248 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 holdings toch betrokken in het toezicht op groepsniveau op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan zij de moederonderneming zijn. De verplich- tingen die krachtens verschillende bepalingen van de ontwerpwet op hen rusten, vinden hun rechtvaardiging in het feit dat met de toestand van deze verzekeringshol- dings en gemengde financiële holdings rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de goede werking en de soliditeit van hun dochterondernemingen die ver- zekeringsondernemingen zijn. Volgens ontwerpartikel 348 betekent dit niet dat ze daardoor aan een individueel toezicht zijn onderworpen. Op dit beginsel wordt echter een uitzondering gemaakt in ontwerpartikel 443, dat be- paalt dat verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings op individuele basis een aantal verplichtingen moeten naleven. Het gaat om regels die van overeenkomstige toepas- sing worden verklaard op de verzekeringsholding en de gemengde financiële holding zelf. Om de doeltreffendheid van deze regeling te verze- keren, voorziet ontwerpartikel 443, tweede lid in de toe- passing van bepaalde herstelmaatregelen wanneer de voornoemde bepalingen niet in acht worden genomen. Art. 444 Deze bepaling houdt in dat de Bank de lijst opstelt van de verzekeringsholdings die betrokken zijn in het toezicht dat zij als groepstoezichthouder uitoefent op groepsniveau. Afdeling V Moederondernemingen met zetel in een derde land Art. 445 tot 449 Afdeling V van de ontwerptekst betreft het geval waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als moederonderneming een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land heeft. Afdeling VI Gemengde verzekeringsholdings Art. 450 Ontwerpartikel 450 betreft het geval waarin een of meer verzekerings- of herverzekeringsondernemingen n’en sont pas moins incluses dans le contrôle au niveau du groupe des entreprises d’assurance ou de réassu- rance dont elles sont l’entreprise mère. Les obligations qui leur incombent en vertu de différentes dispositions de la loi en projet trouvent leur justification dans le fait que la situation de ces sociétés holding d’assurance et ces compagnies financières mixtes est prise en compte pour évaluer le bon fonctionnement et la solidité de leurs filiales entreprises d’assurance. Conformément à l’article 348 en projet, elles ne sont pas, de ce fait, soumises à un contrôle individuel. Il est cependant fait exception à ce principe par l’article 443 en projet qui impose aux sociétés holding d’assurance et aux compa- gnies financières mixtes le respect d’un certain nombre d’obligations sur une base individuelle. Il s’agit de règles qui sont déclarées applicables par analogie à la société holding d’assurance et à la com- pagnie financière mixte elle-même. Afin d’assurer l’effectivité de ce dispositif, l’ar- ticle  443, alinéa  2  en projet prévoit l’application de certaines mesures de redressement dans l’hypothèse où les dispositions précitées ne seraient pas respectées. Art. 444 Cette disposition impose à la Banque d’établir la liste des sociétés holding d’assurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe, qu’elle exerce en sa qualité de contrôleur du groupe. Section V Entreprises mères ayant leur siège social dans un pays tiers Art. 445 à 449 La Section V en projet traite de l’hypothèse où l’entre- prise d’assurance ou de réassurance a pour entreprise mère une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. Section VI Sociétés holding mixtes d’assurance Art. 450 L’article 450 en projet traite de l’hypothèse où une ou plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance de 249 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 naar Belgisch recht als moederonderneming een ge- mengde verzekeringsholding hebben. HOOFDSTUK III Aanvullend conglomeraatstoezicht Zoals reeds blijkt uit haar naam, beoogt Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsonderne- mingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/ EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/ EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (hierna de “Richtlijn Financiële Conglomeraten”) in de eerste plaats het groepstoezicht (of, als er geen groepstoezicht is, het individuele toezicht) aan te vullen. Momenteel wordt het aanvullende toezicht op ver- zekerings- of herverzekerings-ondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat geregeld in respectievelijk artikel 91octiesdecies van de wet van 9 juli 1975 en artikel 98 van de wet van 16 februari 2009, en vooral in het bij deze bepalingen horende koninklijk besluit van 21  november  2005  over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringson- dernemingen, herverzekerings-ondernemingen, beleg- gingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemin- gen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstel- lingen, laatstelijk gewijzigd bij de koninklijke besluiten ter omzetting van de zogenaamde Omnibus I-richtlijn (hierna “het koninklijk besluit van 21 november 2005”). Ten opzichte van deze bepalingen, brengt het voor- liggende ontwerp, naar het voorbeeld van de wet van 25 april 2014 voor wat betreft kredietinstellingen, de volgende wijzigingen met zich mee op het vlak van aanvullend conglomeraatstoezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen: — de integratie in één enkele wettekst van alle bepalingen betreffende het aanvullende toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat en, in de mate van het mogelijke, de afstemming van de volg- orde van deze bepalingen op deze van de bepalingen betreffende het groepstoezicht; droit belge ont pour entreprise mère une société holding mixte d’assurance. CHAPITRE III Surveillance complémentaire des conglomérats Ainsi qu’il ressort déjà de sa dénomination, la direc- tive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2002 relative à la surveillance com- plémentaire des établissements de crédit, des entre- prises d’assurance et des entreprises d’investissement appartenant à un conglomérat financier, et modifiant les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/CEE, 92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement euro- péen et du Conseil (ci-après, la “directive Conglomérats financiers”) vise en premier lieu à compléter le contrôle de groupe (ou, en l’absence de contrôle de groupe, le contrôle individuel). Aujourd’hui, la surveillance complémentaire des entreprises d’assurance ou de réassurance appartenant à un conglomérat financier est réglée respectivement à l’article 91octiesdecies de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 98 de la loi du 16 février 2009, et surtout par l’arrêté royal du 21 novembre 2005 organisant la surveil- lance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d’assurances, des entreprises de réassu- rance, des entreprises d’investissement et des sociétés de gestion d’organismes de placement collectif, faisant partie d’un groupe de services financiers, et modifiant l’arrêté royal du 22  février  1991  portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances et l’arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit, qui s’y rapporte, modifié en dernier lieu par les arrêtés royaux transposant la directive dite Omnibus I (ci-après “l’arrêté royal du 21 novembre 2005”). Par rapport à ces dispositions, le présent projet, à l’instar de la loi du 25 avril 2014 pour ce qui concerne les établissements de crédit, entraîne les modifications suivantes en matière de surveillance complémentaire des conglomérats des entreprises d’assurance ou de réassurance: — l’intégration dans un seul texte légal de toutes les dispositions concernant la surveillance complémentaire des entreprises d’assurance ou de réassurance appar- tenant à un conglomérat financier; à cet égard, dans la mesure du possible, l’ordre de ces dispositions est calqué sur celui des dispositions concernant le contrôle de groupe; 250 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — de omzetting van Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële en- titeiten in een financieel conglomeraat (hierna “FICOD I”), een richtlijn die wijzigingen heeft aangebracht in de Richtlijn Financiële Conglomeraten en in de sectorale prudentiële richtlijnen, voornamelijk dan in de Richtlijn en in Richtlijn 2006/48/EG (wijzigingen die vervolgens zijn overgenomen in Richtlijn 2013/36/EG). FICOD I werd opgevat als een relatief beperkte technische wijziging, die hoofdzakelijk tot doel had het zogenaamde top level supervision (of toezicht op het hoogste niveau) in te voeren. Daarnaast heeft deze richtlijn de volgende nieuwigheden ingevoerd: (i) een nieuw type van vrij- stelling van het aanvullend conglomeraatstoezicht, alsook de verplichting om beheerders van alternatieve beleggingsfondsen toe te voegen aan de financiële sector waartoe zij binnen de groep behoren (zie infra, de commentaar bij artikel 452), (ii) een verplichting tot transparantie met betrekking tot de groepsstructuur (zie infra, de commentaar bij artikel 466), (iii) de mogelijk- heid om stresstests te organiseren op het niveau van het financieel conglomeraat (zie infra, de commentaar bij artikel 467) en (iv) de oprichting van een college op het niveau van het financieel conglomeraat, in voorko- mend geval binnen het sectorale college dat voor de belangrijkste financiële sector is opgericht (zie infra, de commentaar bij artikel 474). — de anticipatie op de fundamentele herziening van de Richtlijn Financiële Conglomeraten (ook “FICOD II” genoemd), waarvan de Europese Commissie in haar herzieningsrapport van 20 december 2012 heeft laten weten dat dit wetgevend initiatief voorlopig is uitgesteld in afwachting van de volledige inwerkingtreding van de Richtlijn, van Richtlijn 2013/36/EG en van Verordening 575/2013. Deze anticipatie is gebaseerd op de op 24 september 2012 gepubliceerde Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates (een herwerking van de gelijknamige principes uit 1999) en op de bevindingen en aanbevelingen die het IMF in het kader van zijn programma voor de evaluatie van de financiële sector (FSAP: Financial Sector Assessment Program) voor België van 2012-2013 heeft geformuleerd in een technische nota over conglomeraatstoezicht in België (het IMF country report n° 13/138 van mei 2013) en waarbij het IMF de nieuwe Joint Forum Principles als referentiekader heeft gehanteerd. Deze technische nota is beschikbaar op de website van het IMF. Het Joint Forum is een internationaal sectorover- schrijdend overlegorgaan dat onder toezicht van zijn drie stichtende comités werkt, namelijk het Basel Committee — la transposition de la directive 2011/89/ UE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers (ci-après la “directive FICOD I”), directive qui a modifié la directive Conglomérats financiers ainsi que les directives pru- dentielles sectorielles, principalement la Directive et la Directive 2006/48/UE (modifications reprises ensuite dans la Directive 2013/36/UE). Cette directive avait été conçue comme une modification technique relativement limitée, visant principalement à instaurer la “top level supervision” (ou la surveillance du niveau le plus élevé). Elle a, en outre, introduit (i) un nouveau type de dispense à la surveillance complémentaire des conglomérats, et l’obligation d’inclure les gestionnaires de fonds alternatifs d’investissement dans le secteur financier auquel ils appartiennent au sein du groupe (voir infra, le commentaire de l’article 452), (ii) une obligation de transparence quant à la structure du groupe (voir infra, le commentaire de l’article 466) (iii) la possibilité d’orga- niser des simulations de crise au niveau du conglomérat financier (voir infra, le commentaire de l’article 467), et (iv) la constitution d’un collège au niveau du conglomérat financier, le cas échéant au sein du collège sectoriel établi pour le secteur financier le plus important (voir infra, le commentaire de l’article 474). — l’anticipation de la révision fondamentale de la directive Conglomérats financiers (encore dite directive FICOD II, au sujet de laquelle la Commission euro- péenne a fait savoir dans son rapport de révision du 20 décembre 2012 que cette initiative législative était provisoirement reportée dans l’attente de l’entrée en vigueur complète de la Directive, de la Directive 2013/36/UE et du Règlement 575/2013. Cette anti- cipation est basée sur les Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates publiés le 24 septembre 2012 (à savoir, une révision des principes du même nom de 1999), ainsi que sur les constatations et les recommandations que le FMI a formulées dans le cadre de son programme d’évaluation du secteur finan- cier (FSAP: Financial Sector Assessment Program ) pour la Belgique de 2012-2013 dans une note technique relative à la surveillance des conglomérats en Belgique (le IMF country report n° 13/138 de mai 2013), et dans le cadre de laquelle le FMI a utilisé les nouveaux principes du Joint Forum comme cadre de référence. Cette note technique est disponible sur le site Internet du FMI. Le Joint Forum est un organe de concertation trans- sectoriel international, qui fonctionne sous le contrôle de ses trois comités fondateurs, à savoir le Comité de Bâle 251 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 on Banking Supervision, de International Association of Insurance Supervisors en de International Organisation of Securities Commissions. De Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates van 2012 vormen het eerste allesomvattende kader voor conglomeraatstoezicht op internationaal niveau en bevatten principes op het vlak van zowel toezichtsbe- voegdheden als toezichtspraktijken, deugdelijk bestuur, eigen vermogen en liquiditeit, en ten slotte risicobeheer. De voornaamste bevindingen en aanbevelingen van het IMF inzake conglomeraatstoezicht in België waren dat de prudentiële praktijk van de afgelopen jaren gericht was op voorzichtigheid en op het maximaal benutten van de bevoegdheden die aan de Bank zijn toegekend, ook als dat betekent dat niet een specifiek conglomeraatsregime wordt toegepast, maar wel inte- gendeel, een sectoraal groepstoezicht. Als keerzijde daarvan stelde het IMF dat een duidelijk kader, dat van toepassing is op elke groep die wordt aangemerkt als een financieel conglomeraat, momenteel ontbreekt. De belangrijkste aanbeveling van het IMF was dan ook om voor financiële conglomeraten een baseline super- vision te ontwikkelen, namelijk een set van minimale toezichtsacties die over een bepaalde cyclus worden ondernomen, op basis van een duidelijk wettelijk veran- kerd kader dat specifiek gericht is op het toezicht op de typische conglomeraatsrisico’s (intragroeptransacties, risicoconcentratie, complexiteit, belangenconflicten) en waarin financiële conglomeraten met een vergelijkbaar risicoprofiel aan een vergelijkbare toezichtsintensiteit worden onderworpen. Afdeling I Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Toepassingsgevallen van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 451 Dit eerste artikel van het onderdeel over het aanvul- lende conglomeraatstoezicht somt de typische gevallen op waarin dit aanvullende toezicht van toepassing is. Tot nu toe getuigt de Richtlijn Financiële Conglomeraten (en de huidige omzetting ervan in België voor wat betreft verzekerings- of herverzekeringsondernemingen), in tegenstelling tot de Richtlijn, Richtlijn 2013/36/EU en Verordening 575/2013, niet van een duidelijke top down- benadering (namelijk groepswijd toezicht dat vanuit de top van een groep wordt uitgeoefend, teneinde geen sur le contrôle bancaire, l’Association internationale des contrôleurs d’assurance et l’Organisation inter- nationale des commissions de valeurs mobilières. Les Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates édictés en 2012 constituent le premier cadre exhaustif pour la surveillance des conglomérats au niveau international et contiennent des principes qui concernent tant les compétences de contrôle que les pratiques en matière de surveillance, le gouvernement d’entreprise, les fonds propres et la liquidité et, enfin, la gestion des risques. Les principales constatations et recommandations du FMI en matière de surveillance des conglomérats en Belgique étaient que la pratique prudentielle des der- nières années avait été axée sur la prudence et l’utilisa- tion maximale des pouvoirs attribués à la Banque, même si cela signifiait qu’on n’appliquait pas un régime de conglomérat spécifique, mais au contraire un contrôle de groupe sectoriel. Le FMI a constaté que le revers de la médaille était qu’il manquait actuellement un cadre clair, applicable à chaque groupe qualifié de conglomérat financier. La principale recommandation du FMI était dès lors de développer pour les conglomérats financiers une baseline supervision (ou surveillance de base), c’est-à- dire un ensemble d’actions de surveillance minimales menées au cours d’un cycle déterminé, sur la base d’un cadre légal clair spécifiquement axé sur la surveillance des risques typiques des conglomérats (transactions intragroupe, concentration des risques, complexité, conflits d’intérêts), et en vertu duquel les conglomérats financiers ayant un profil de risque similaire sont soumis à une intensité de surveillance analogue. Section Ire Cas d’application, portée et niveaux de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Cas d’application de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 451 Ce premier article du volet relatif à la surveillance complémentaire des conglomérats précise les cas auxquels s’applique typiquement cette surveillance complémentaire. À ce stade, il ne se dégage pas de la directive Conglomérats financiers (et de son actuelle transposition en Belgique pour ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de réassurance), contraire- ment aux Directive, directive 2013/36/UE et Règlement 575/2013, une approche top-down claire (c’est-à-dire un contrôle au niveau du groupe opéré depuis le sommet 252 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 risico’s uit de tot de groep behorende ondernemingen over het hoofd te zien). Er zijn weliswaar indicaties in die richting (bijvoorbeeld het aanwijzen van een coör- dinator), maar ook elementen die de tegenovergestelde techniek, een bottom up-toezicht, lijken te bevestigen (zo worden er verplichtingen opgelegd aan “de gere- glementeerde ondernemingen [sic, meervoudsvorm] die deel uitmaken van een financiële dienstengroep” (artikel 4, eerste lid van het koninklijk besluit van 21 november 2005), ongeacht hun plaats in de groep, daar waar het in het groepstoezicht duidelijk is dat één verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de top (of onmiddellijk onder de top in geval van een hol- dingstructuur) de finaal verantwoordelijke onderneming is). In dit ontwerp wordt duidelijk geopteerd voor een top down-benadering en dit om drie redenen: — ten eerste zijn er de wijzigingen die FICOD I in het groepstoezicht en het aanvullende conglomeraat- stoezicht heeft aangebracht, die inhouden dat het top down-groepstoezicht nu ook op het niveau van een gemengde financiële holding kan worden toegepast (zie hoger de commentaar bij de artikelen 344 tot 347); — ten tweede is het op basis van dit ontwerp moge- lijk, mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd, dat de typische conglomeraatsrisico’s in het kader van het groepstoezicht worden behandeld (zie eveneens hoger de commentaar bij de artikelen 344 tot 347); — tot slot wordt in de Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates, waarop geanticipeerd wordt, duidelijk geopteerd voor een top down-benadering. Als gevolg van deze wijziging kunnen de “gevallen” (in het hier besproken artikel 451) en de “reikwijdte” (zie de artikelen 454 en 455 hieronder) van het aanvullende conglomeraatstoezicht beter van elkaar worden onder- scheiden: de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen naar Belgisch recht die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat, of de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die onder de controle staan van een gemengde financiële holding die aan het hoofd staat van een financieel conglo- meraat, zijn juridisch gezien de finaal verantwoordelijke ondernemingen. Indien meerdere gereglementeerde on- dernemingen onder de controle staan van die gemengde financiële holding, wordt verwezen naar artikel 471 over het aanwijzen van de bevoegde coördinator om deze finaal verantwoordelijke onderneming te identificeren (parallel met artikel 407 van dit ontwerp, dat verwijst naar de aanwijzing van de groepstoezichthouder). d’un groupe, afin de n’omettre aucun risque généré par les entreprises qui en font partie). Si certains éléments vont bien dans ce sens (par exemple, la désignation d’un coordinateur), d’autres aspects semblent confirmer la technique inverse, à savoir un contrôle bottom-up (ainsi, des obligations sont imposées aux “entreprises régle- mentées [sic au pluriel] [...] qui font partie d’un groupe de services financiers” (article 4, alinéa 1er, de l’arrêté royal du 21 novembre 2005), quelle que soit la place qu’elles occupent au sein du groupe, alors qu’il est clair, au titre du contrôle de groupe, que seule l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui se situe au sommet (ou à l’échelon immédiatement en-dessous dans le cas d’une structure de holding) est l’entreprise qui porte la responsabilité ultime). Dans le présent projet, le choix s’est clairement porté sur une approche top-down et ce, pour trois raisons: — tout d’abord, en raison des modifications appor- tées au contrôle de groupe et à la surveillance com- plémentaire des conglomérats par la directive FICOD I, dans le sens où le contrôle de groupe top-down peut dorénavant aussi être appliqué au niveau d’une com- pagnie financière mixte (voir ci-dessus le commentaire des articles 344 à 347); — ensuite, parce que le présent projet permet, pour autant que certaines conditions soient respectées, de traiter les risques typiques des conglomérats dans le cadre du contrôle de groupe (voir également ci-dessus le commentaire des articles 344 à 347); — enfin, parce que les principes édictés par le Joint Forum on the Supervision of Financial Conglomerates, qui sont anticipés, adoptent manifestement une ap- proche top-down. Cette modification permet de mieux distinguer les “cas” de la surveillance complémentaire des conglomé- rats (visés à l’article 451 ici commenté) de sa “portée” (voir les articles 454 et 455 ci-dessous): les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui sont à la tête d’un conglomérat financier, ou les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui sont contrôlées par une compagnie financière mixte à la tête d’un conglomérat financier sont les entreprises qui portent la responsabilité ultime sur le plan juridique. Si plusieurs entreprises réglementées sont contrôlées par cette compagnie financière mixte, il est fait référence à l’article 471 concernant la désignation du coordina- teur compétent afin d’identifier l’entreprise qui porte la responsabilité ultime (parallèlement à l’article 407 du présent projet qui inclut une référence à la désignation du contrôleur de groupe). 253 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 452 Dit artikel betreft de drempels op grond waarvan be- paald kan worden of een bepaalde groep een “financieel conglomeraat” is. FICOD I heeft een nieuw type vrijstelling ingevoerd. Om de significantie te bepalen van een bepaalde financiële sector binnen de groep, hetzij van de verze- keringssector, hetzij van de bank- en de beleggingsdien- stensector, zijn er namelijk twee criteria: een absolute drempel en een relatieve drempel. Deze twee criteria zijn alternerend en moeten dus niet cumulatief worden toegepast. Vóór FICOD I was reeds een vrijstelling mogelijk als enkel de absolute drempel van “6 miljard euro” werd gehaald. Conform FICOD I is nu ook een vrijstelling mogelijk als enkel de relatieve drempel van “10  %” wordt gehaald. Het is de bedoeling dat de vrijstellingen zodanig worden toegepast dat financiële conglomeraten worden geïdentificeerd naargelang de mate waarin zij aan groepsrisico’s zijn blootgesteld (risk-based identi- fication). Als beide drempels tegelijk worden gehaald, is geen vrijstelling mogelijk en moet de groep geïdenti- ficeerd worden als een financieel conglomeraat. Een andere nieuwigheid is dat de op het balanstotaal gebaseerde drempels in uitzonderlijke gevallen nu ook kunnen worden vervangen of aangevuld met het totaal aan beheerd vermogen. Zoals reeds vermeld in de commentaar bij ontwerp- artikel 338, hoeft artikel 3, lid 2, derde en vierde alinea van de Richtlijn Financiële Conglomeraten, als gewijzigd door FICOD I, niet omgezet te worden, aangezien de be- heervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging en AICB-beheerders ook zijn opgenomen in de nieuwe verruimde definitie van het begrip “financiële instelling”, voor de toepassing van Titel V. In paragraaf 5, 1° is een verwijzing naar regulatory arbitrage opgenomen. In paragraaf 5, 3° is bepaald dat één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing mogen worden gelaten indien deze deel- nemingen bepalend blijken voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat en samen genomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstel- lingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. Art. 453 Voor wat betreft het identificatieproces zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. Art. 452 Cet article traite des seuils permettant de détermi- ner s’il convient de qualifier le groupe en question de “conglomérat financier”. Un nouveau type de dispense a été instauré par la directive FICOD I. Deux critères permettent, en effet, de déterminer l’importance d’un secteur financier donné au sein du groupe, qu’il s’agisse du secteur des assurances, ou du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement: un seuil absolu et un seuil relatif. Ces deux critères sont alternatifs et ne doivent donc pas être appliqués cumulativement. Avant la directive FICOD I, une dispense était déjà envisageable lorsque le seul seuil absolu de “6 mil- liards” d’euros était atteint. Conformément à la FICOD I, une dispense est désormais également envisageable lorsque le seuil relatif de “10 %” est atteint. Le but est d’appliquer les dispenses de telle sorte que les conglo- mérats financiers soient identifiés selon leur degré d’exposition aux risques du groupe (risk-based identifi- cation). Si ces deux seuils sont atteints simultanément, aucune dispense n’est envisageable et le groupe doit être qualifié de conglomérat financier. Une autre innovation consiste dans la possibilité de désormais remplacer ou compléter, dans des cas exceptionnels, les seuils qui s’appuient sur le total du bilan par les actifs totaux sous gestion. Ainsi que déjà indiqué dans le commentaire de l’article 338 en projet, l’article 3, § 2, alinéas 3 et 4 de la directive Conglomérats financiers, tel que modifié par la directive FICOD I, ne doit pas être transposé, vu que, pour l’application du Titre V, la nouvelle définition élargie de la notion d’“établissement financier” englobe également les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif et les gestionnaires d’OPCA. Au paragraphe 5, 1°, il est fait référence au regulatory arbitrage. Au paragraphe 5, 3°, il est prévu qu’une ou plusieurs participations dans le secteur le moins impor- tant peuvent être exclues si ces participations s’avé- raient décisives pour l’identification d’un conglomérat financier et si, ensemble, elles présentent un intérêt négligeable au regard des objectifs de la surveillance complémentaire du conglomérat. Art. 453 Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui concerne le processus d’identification. 254 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling II Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 454 De reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoe- zicht volgt de perimeter van de groep, als gedefinieerd met toepassing van ontwerpartikel 340, 2°, met uitzon- dering van de afwijkende preciseringen die gelden voor het toezicht op het eigen vermogen op het niveau van het financieel conglomeraat (zie ontwerpartikel 458). In dit laatste geval worden enkel de ondernemingen uit de financiële sector in beschouwing genomen en heeft de Bank de mogelijkheid om bepaalde van die onder- nemingen buiten beschouwing te laten, net zoals de groepstoezichthouder kan beslissen om ondernemingen niet op te nemen in de reikwijdte van het groepstoezicht. Het begrip “groep” is ruim gedefinieerd en omvat zowel gereglementeerde als niet-gereglementeerde ondernemingen, deze laatste desnoods ook buiten de financiële sector. Deze ruime reikwijdte is in overeen- stemming met de klemtoon die de Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates leggen op risico’s die kunnen voortvloeien uit de werkzaamhe- den van niet-gereglementeerde entiteiten. Art. 455 Voor deze bepaling zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. Onderafdeling III Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 456 Het principe dat het aanvullende conglomeraatstoe- zicht op het niveau van een subgroep kan wegvallen, blijft onveranderd. Sous-section II Portée de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 454 La portée de la surveillance complémentaire des conglomérats suit le périmètre du groupe tel que défini par application de l’article 340, 2° en projet, à l’excep- tion des précisions dérogatoires qui s’appliquent au contrôle des fonds propres au niveau du conglomérat financier (voir l’article 458 en projet). Dans ce dernier cas, seules les entreprises du secteur financier sont prises en considération et la Banque a la possibilité d’en écarter certaines, à l’instar du contrôleur de groupe qui peut décider de ne pas inclure des entreprises dans la portée du contrôle de groupe. La notion de “groupe” est définie largement et englobe tant des entreprises réglementées que des entreprises non réglementées, et pour ces dernières, au besoin, en dehors du secteur financier. Cette portée étendue est en ligne avec l’accent mis par les Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates sur les risques qui peuvent résulter des activités d’entités non réglementées. Art. 455 Il n’y a pas d’innovations de fond en ce qui concerne cette disposition. Sous-section III Niveaux de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 456 Le principe selon lequel la surveillance complémen- taire des conglomérats peut ne pas s’appliquer au niveau d’un sous-groupe reste inchangé. 255 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Aanvullend solvabiliteitstoezicht Art. 457 en 458 Er worden kleine wijzigingen aangebracht (deels op basis van de bepalingen van de Richtlijn Financiële Conglomeraten die nog niet waren omgezet), die aan- tonen dat ook financiële conglomeraten een interne strategie op het vlak van kapitaaltoereikendheid dienen te ontwikkelen. Dit ondersteunt vooral de techniek van artikel 347, op basis waarvan de typische conglo- meraatsrisico’s kunnen worden geïntegreerd in het groepstoezicht. Daarnaast wordt uitdrukkelijk verwezen naar Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 342/2014 van de Commissie van 21  januari  2014  tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische regu- leringsnormen voor de toepassing van de berekenings- methoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële conglomeraten (PBEU L 100, 3 april 2014, blz. 1) (hierna “Verordening 342/2014”). Deze verorde- ning — een gedelegeerde handeling die op grond van artikel 49, lid 6 van Verordening 575/2013 en artikel 21bis, lid 3 van de Richtlijn Financiële Conglomeraten werd vastgesteld door de Europese Commissie op basis van door de Europese Autoriteiten opgestelde ontwerpnormen — voorziet in regels die ervoor moe- ten zorgen dat instellingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat passende berekeningsmetho- den toepassen voor het bepalen van het vereiste eigen vermogen op het niveau van het conglomeraat. Deze regels strekken met name tot uitsluiting van het dubbel gebruik van eigen vermogen en van de schepping van eigen vermogen binnen een groep, de overdraagbaar- heid en beschikbaarheid van eigen vermogen en de dekking van een tekort op het niveau van een financieel conglomeraat, gelet op de definitie van sectoroverschrij- dend kapitaal. Hoewel deze verordening rechtstreekse werking heeft in het Belgische recht, en dus toepassing vindt zonder omzetting of vermelding hiervan in de nati- onale wet, komt een uitdrukkelijke verwijzing naar deze regelgevende tekst in de Belgische wettelijke bepalingen betreffende het aanvullende solvabiliteitstoezicht de rechtszekerheid ten goede. Section II Domaines de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Surveillance complémentaire de la solvabilité Art. 457 et 458 Des modifications limitées sont apportées (en partie sur la base de dispositions de la directive Conglomérats financiers qui n’avaient pas encore été transposées) dont il ressort que les conglomérats financiers doivent également développer une stratégie interne en ce qui concerne l’adéquation des fonds propres. Ceci sert surtout à étayer la technique visée à l’article 347 en vertu de laquelle les risques typiques des conglomérats peuvent être intégrés au contrôle de groupe. Il y a, en outre, une référence expresse au Règlement délégué (UE) n°  342/2014  de la Commission du 21  janvier  2014  complétant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil et le règlement (UE) 575/2013 du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation pour l’application aux conglomérats financiers des méthodes de calcul des exigences en matière d’adéquation des fonds propres (J.O.U.E. du 3 avril 2014, n° L. 100, p. 1) (ci-après, le “Règlement 342/2014”). Ce règlement — un acte délégué adopté par la Commission européenne en application de l’article 49, paragraphe 6, du Règlement 575/2013 et de l’article 21bis, paragraphe 3 de la direc- tive Conglomérats financiers sur la base de projets de normes établis par les Autorités européennes — prévoit des règles destinées à assurer que les établissements appartenant à un conglomérat financier appliquent des méthodes de calcul appropriées pour déterminer les fonds propres à détenir au niveau du conglomérat. Ces règles visent notamment à l’exclusion du double emploi des fonds propres et de la création intragroupe de fonds propres, la transférabilité et la disponibilité des fonds propres, et la couverture du déficit à l’échelle du conglomérat financier compte tenu de la définition des capitaux transsectoriels. Bien que ce règlement soit directement applicable en droit belge et trouve dès lors à s’appliquer sans transposition ou mention de celui-ci dans la loi nationale, une référence expresse à ce texte normatif dans les dispositions de droit belge relatives à la surveillance complémentaire de la solvabilité présente néanmoins un intérêt en termes de sécurité juridique. 256 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling II Aanvullend toezicht op risicoconcentratie Onderafdeling III Aanvullend toezicht op intragroeptransacties Onderafdeling IV Periodieke rapportering Art. 459 tot 463 Voor de bepalingen over risicoconcentratie, intra- groeptransacties en de bijbehorende rapportering wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 347, 2°, over hoe dit toezicht geïntegreerd kan worden in het groepstoezicht. De bepalingen betreffende intragroeptransacties en risicoconcentratie maken geen onderscheid naargelang aan het hoofd van het financieel conglomeraat een gemengde financiële holding dan wel een gereglemen- teerde onderneming staat. Voor een verduidelijking van welke risicoconcen- traties en intragroeptransacties beschouwd moeten worden als “significant” in de zin van respectievelijk ontwerpartikel 459, 1° en ontwerpartikel 461, 1°, wordt uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 2 en 3 van de gedelegeerde verordening (EU) […/2015] van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot specificering van de definities van en coördinering van het aanvullende toezicht op risicoconcentratie en intragroepsgransacties ((PBEU L …, … 2015, blz. …) (hierna, de “Verordening …/2015”).. Deze verordening voorziet daarenboven in een coördinatie van de bepa- lingen aangenomen in uitvoering van de artikelen 7 en 8 en Bijlage II van de Richtlijn Financiële Conglomeraten met betrekking tot (i) de informatie die door gereglemen- teerde ondernemingen of gemengde financiële holdings moet worden overgelegd aan de coördinator of aan andere relevante bevoegde autoriteiten met het oog op het toezicht op risicoconcentratie en intragroeptransac- ties, (ii) de methodologie die deze bevoegde autoriteiten moeten toepassen ter identificatie van verschillende types van risicoconcentratie en intragroeptransacties en (iii) de prudentiële maatregelen die door de bevoegde autoriteiten moeten worden genomen, overeenkomstig artikel 7, lid 3 en artikel 8, lid 3 van de Richtlijn Financiële Conglomeraten. Net als de hogervermelde Verordening 342/2014, is Verordening …/2015 rechtstreeks toepas- selijk zijn in het Belgische recht. Sous-section II Surveillance complémentaire en matière de concentration des risques Sous-section III Surveillance complémentaire des transactions intragroupe Sous-section IV Reporting périodique Art. 459 à 463 Pour les dispositions concernant la concentration des risques, les opérations intragroupes et le reporting qui s’y rapporte, il est fait référence au commentaire de l’article 347, 2°, sur la façon dont ce contrôle peut être intégré dans le contrôle de groupe. Les dispositions concernant les opérations intra- groupes et la concentration des risques ne font pas de distinction selon que le conglomérat financier est chapeauté par une compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée. Pour une clarification des concentrations de risque et opérations intragroupes qui doivent être considé- rées comme “importantes” au sens de respectivement l’article 459, 1° et l’article 461, 1° en projet, il est expres- sément référé aux articles 2 et 3 du règlement délégué (UE) […/2015] de la Commission du 28 juillet 2015 com- plétant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglemen- tation précisant les définitions de la concentration de risques et des transactions intragroupe et coordonnant leur surveillance complémentaire (J.O.U.E. du … 2015, n° L. …, p. …) (ci-après, le “Règlement …/2015”). Ce règlement prévoit en outre la coordination des dispo- sitions adoptées en application des articles 7 et 8 et de l’Annexe II de la directive Conglomérats financiers en ce qui concerne (i) les informations devant être communiquées par les entreprises réglementées ou les compagnies financières mixtes au coordinateur ou aux autres autorités compétentes relevantes aux fins de la surveillance des concentrations de risques et opérations intragroupe, (ii) la méthodologie que ces autorités compétentes doivent appliquer pour identifier des types de concentrations de risques et opérations intragroupes et (iii) les mesures prudentielles que les autorités compétentes devraient prendre conformément aux articles 7, paragraphe 3 et 8, paragraphe 3 de la directive Conglomérats financiers. Ce règlement délé- gué est directement applicable en droit belge, à l’instar du Règlement 342/2014 précité. 257 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling V Risicobeheer- en internecontroleprocedures Art. 464 tot 466 Artikel  464  bepaalt dat alle gereglementeerde ondernemingen binnen het financieel conglomeraat dienen mee te werken aan de internecontrole- en risi- cobeheerprocessen op het niveau van het financieel conglomeraat, en hoe zij daarbij ook niet-geregle- menteerde ondernemingen dienen te betrekken. Op die manier wordt de consistentie verzekerd van deze processen voor de volledige groep en wordt voorzien in een compensatie voor het invoeren van de top down- benadering voor aanvullend conglomeraatstoezicht. Op basis van artikel 5, lid 2, onder b) van de Richtlijn Financiële Conglomeraten geldt voor een financieel conglomeraat georganiseerd volgens holdingmodel immers dat alle gereglementeerde ondernemingen die onder de controle staan van de gemengde financi- ele holding, onderworpen zijn aan aanvullend toezicht (wat overigens een moeilijk te verantwoorden verschil inhoudt met artikel 5, lid 2 , onder a) van de Richtlijn Financiële Conglomeraten, waar voor een financieel conglomeraat met aan het hoofd een gereglementeerde onderneming enkel die onderneming wordt aangeduid als normadressaat). In de top down-benadering wordt onder verwijzing naar de aanwijzing van de coördinator slechts één gereglementeerde onderneming als finaal verantwoordelijke normadressaat aangeduid. De nieuwe bewoordingen in de artikelen 464 tot 466 hebben echter tot gevolg dat alle ondernemingen die binnen de groep vallen, hun medewerking moeten verlenen aan de in- ternecontrole- en risicobeheerprocessen; In artikel 466 worden, ter omzetting van FICOD I, nieuwe verplichtingen ingevoerd op het vlak van de transparantie van de structuur van de groep die een conglomeraat vormt. Onderafdeling VI Stresstests Art. 467 Dit is eveneens een nieuwe bepaling, die gebaseerd is op de FICOD I, en die inhoudt dat ook op het niveau van het financieel conglomeraat stresstests kunnen worden uitgevoerd. De Bank beoordeelt de noodzaak daartoe aan de hand van de stresstests die worden georganiseerd voor de grootste financiële sector verte- genwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten. Sous-section V Procédures de gestion des risques et dispositions de contrôle interne Art. 464 à 466 L’article  464  prescrit que toutes les entreprises réglementées au sein du conglomérat financier doivent collaborer aux processus de contrôle interne et de ges- tion des risques au niveau du conglomérat financier, et comment elles doivent également y faire intervenir les entreprises non réglementées. Ceci permet de garantir la cohérence de ces processus pour l’ensemble du groupe, et de compenser l’instauration de l’approche top-down pour la surveillance complémentaire des conglomérats. En effet, sur la base de l’article 5, para- graphe 2, b), de la directive Conglomérats financiers, toutes les entreprises réglementées contrôlées par la compagnie financière mixte sont soumises, pour un conglomérat financier organisé selon le modèle du hol- ding, à une surveillance complémentaire (ce qui repré- sente par ailleurs une différence difficilement justifiable par rapport à l’article 5, paragraphe 2, a), de la direc- tive Conglomérats financiers, où pour un conglomérat financier dirigé par une entreprise réglementée, seule cette entreprise est désignée comme le destinataire de la norme). Dans l’approche top-down, on ne désigne, par référence à la désignation du coordinateur, qu’une entreprise réglementée comme destinataire de la norme finalement responsable. En raison de la nouvelle formu- lation dans les articles 464 à 466, on obtient cependant que toutes les entreprises relevant du groupe doivent prêter leur coopération aux processus de contrôle interne et de gestion des risques. À l’article 466, de nouvelles obligations, nécessaires à la transposition de la directive FICOD I, sont introduites en ce qui concerne la transparence de la structure du groupe constitutif d’un conglomérat. Sous-section VI Tests de résistance Art. 467 Il s’agit également d’une nouvelle disposition sur la base de la directive FICOD I. Elle détermine qu’au niveau du conglomérat financier aussi, des tests de ré- sistance peuvent être organisées. La Banque en évalue la nécessité à l’aide des tests de résistance organisés pour le secteur financier le plus important représenté au sein du conglomérat financier et se concerte avec les autres autorités compétentes relevantes. 258 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Op basis van de techniek bedoeld in artikel 347, 3° kunnen de stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die met toepassing van ontwerpartikel 322  worden uitgevoerd. Op het moment van het indienen van dit ontwerp be- staan er op Europees niveau geen richtsnoeren of tech- nische standaarden voor het uitvoeren van stresstests op het niveau van een financieel conglomeraat. Onderafdeling VII Governance Art. 468 Dit artikel is een nieuwe bepaling, die losstaat van zowel FICOD I als de Richtlijn, maar ertoe strekt de coherentie met de wet van 25 april 2014 te bewaren. De bepalingen van dit artikel, die ook gedeeltelijk werden opgenomen in artikel 393 van het voorliggende ontwerp voor wat betreft het groepstoezicht, stemmen overeen met de bepalingen van de artikelen 205 en 206 van de wet van 25 april 2014, die zorgen voor de omzetting van artikel 119  van Richtlijn 2013/36/EU, dat bepaalt dat de lidstaten de maatregelen moeten vaststellen die nodig zijn om financiële holdings en gemengde financiële holdings te betrekken in het geconsolideerde toezicht. Naar het voorbeeld van de wet van 25 april 2014, werd er ook hier voor gekozen om deze bepaling uit te breiden tot het aanvullende conglomeraatstoezicht. Artikel 468, § 1 viseert een louter Belgische situ- atie, waarbij zowel moeder- als dochteronderneming entiteiten naar Belgisch recht zijn, en de Bank belast is met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Het artikel bakent in algemene termen de groepsverhoudingen af en legt de rol van de moederondernemingen vast op het vlak van het aansturen van de groep, of deze moederonderneming nu een moederverzekerings- of herverzekeringsonderneming is, dan wel een gemengde financiële holding. Een basisprincipe van het algemeen vennoot- schapsrecht is dat elke vennootschap een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft en dat de organen van een vennootschap handelen in het belang van die vennoot- schap. Ook wanneer sprake is van een groep, blijft dit basisprincipe geldig maar het wordt wel gedefinieerd rekening houdend met de groepscontext. Een al te rigide toepassing van het beginsel dat dochter- en moeder- ondernemingen afzonderlijke rechtspersonen zijn, zou Sur la base de la technique visée aux à l’article 347, 3°, les tests de résistance peuvent, au niveau du conglomérat financier, être intégrées dans les tests de résistance effectués en application de l’article 322 en projet.. Au moment de l’introduction du présent projet, il n’existe pas, au niveau européen, d’orientation ni de norme technique concernant l’organisation de simu- lations de crise au niveau d’un conglomérat financier. Sous-section VII Gouvernance Art. 468 Cet article est une disposition nouvelle, qui est indépendante tant de FICOD I que de la Directive, mais qui vise à préserver la cohérence avec la loi du 25 avril 2014. Les dispositions de cet article, également reprises pour partie à l’article 393 du présent projet pour ce qui concerne le contrôle du groupe, sont équivalentes à celles des articles 205 et 206 de la loi du 25 avril 2014, lesquels transposent l’article 119  de la Directive 2013/36/UE, qui prescrit que les États membres arrêtent les mesures nécessaires à l’inclusion des compagnies financières et des compagnies financières mixtes dans le contrôle sur base consolidée. À l’instar de la loi du 25 avril 2014, on a ici également opté pour étendre cette disposition à la surveillance complémentaire des conglomérats. L’article 468, § 1er vise une situation purement belge, où tant l’entreprise mère que la filiale sont des entités de droit belge, et où la Banque est chargée de la sur- veillance complémentaire des conglomérats. L’article définit en termes généraux les relations de groupe et fixe le rôle des entreprises mères dans le domaine de la direction du groupe, qu’il s’agisse d’une entreprise d’assurance ou de réassurance mère ou une compagnie financière mixte. Un principe de base du droit général des sociétés est que chaque société a une personnalité juridique distincte et que les organes d’une société agissent dans l’intérêt de cette société. Ce principe de base reste d’application en présence d’un groupe mais il est défini en tenant compte du contexte spécifique du groupe. Une applica- tion trop rigide du principe selon lequel les filiales et les sociétés mères sont des personnes morales distinctes, menacerait le fonctionnement des groupes de sociétés qui ne pose souvent aucun problème dans la pratique. 259 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de feitelijke, in de praktijk vaak probleemloze werking van vennootschapsgroepen in het gedrang brengen. Daarom houdt het vennootschapsrecht in verschillende jurisdicties rekening met het bestaan van groepen, wel- iswaar in verschillende gradaties. Er wordt algemeen aanvaard dat het vennootschaps- belang van de dochteronderneming in zekere mate het belang van de moederonderneming, en dus ook van het “groepsbelang” in aanmerking neemt. Het belang van de moederonderneming en dat van de dochteron- derneming moeten in evenwicht zijn. Hierin ziet men een waarborg voor de minderheidsaandeelhouders en de schuldeisers van de dochteronderneming. In het Belgische vennootschapsrecht, voornamelijk via de rechtspraak en naar Frans voorbeeld, is er een relatief duidelijk kader voor deze belangenafweging. In andere lidstaten van de Europese Unie bestaan er gelijkaardige referentiekaders. De belangenafweging steunt op drie voorwaarden die rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de naleving van het individuele vennootschapsbelang: er moet sprake zijn van een groep waarin een gezamenlijke strategie ten dienste staat van een gemeenschappelijk belang, er moet een tegenprestatie zijn of er mag alleszins geen gebroken evenwicht bestaan tussen de respectievelijke prestaties van de betrokken groepsentiteiten en ten slotte mag de gevraagde inspanning de financiële mogelijkheden niet te boven gaan Deze vorm van belangenafweging kan ook van toe- passing zijn voor groepen van verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen, en de concrete interpretatie van de voorwaarden zal moeten gebeuren rekening houdend met de betrokkenheid van één of meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met een gereglementeerd statuut. De regels inzake pruden- tieel toezicht zullen dus een rol spelen en aangezien deze van openbare orde zijn, is de invulling van de hogergenoemde drie voorwaarden voor deze groepen in zekere zin strenger dan voor gewone commerciële groepen. Deze strengere benadering voor groepen van gereglementeerde ondernemingen wordt impliciet be- vestigd in de Belgische rechtspraak (zie Hof van Beroep te Brussel, 8 december 2010), en kan ook worden terug- gevonden in sommige Europeesrechtelijke bepalingen, en met name in Verordening 575/2013 (bijvoorbeeld artikel 7 van deze verordening over de afwijking van de toepassing van prudentiële vereisten op individu- ele basis). De tot nu toe meest duidelijke toepassing is te vinden in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsonder- nemingen (PBEU L 173, 12 juni 2014, blz. 190), waarvan artikel 19 de voorwaarden opsomt voor het verlenen van C’est pourquoi le droit des sociétés tient compte, dans différentes juridictions, certes à des niveaux variables, de l’existence des groupes. Il est généralement admis que l’intérêt social de la filiale prenne en compte, dans une certaine mesure, l’intérêt de la société mère, et donc également l’intérêt du groupe. L’intérêt de la société mère et celui de la filiale doivent s’équilibrer. On y voit une garantie pour les actionnaires minoritaires et les créanciers des filiales. En droit belge des sociétés, principalement par la voie de la jurisprudence et sur la base de l’exemple français, il existe un cadre relativement clair pour cette mise en balance des intérêts. Dans d’autres États membres de l’Union européenne, on constate des cadres de référence similaires. La mise en balance des intérêts repose sur trois conditions justifiant une exception au respect de l’intérêt social individuel: la stratégie commune du groupe doit être au service d’un intérêt commun, il doit y avoir une contre-prestation ou il faut à tout le moins que l’équilibre ne soit pas rompu entre les prestations respectives des entités concernées du groupe, et enfin, l’effort demandé ne peut dépasser les possibilités financières. Cette forme de mise en balance des intérêts peut aus- si s’appliquer aux groupes d’entreprises d’assurance ou de réassurance, et l’interprétation concrète des condi- tions doit se faire en tenant compte du fait qu’une ou plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance, soumises à un statut réglementé, sont concernées. Les règles de contrôle prudentiel joueront donc un rôle, et comme elles sont d’ordre public, l’interprétation des trois conditions précitées pour ces groupes est, d’une certaine manière, plus sévère que pour les groupes commerciaux ordinaires. Cette approche plus stricte en matière de groupes d’entreprises réglementées connaît une confirmation implicite dans la jurisprudence belge (cf. Cour d’appel de Bruxelles, 8 décembre 2010), et peut aussi être retrouvée dans certaines disposi- tions de droit européen, et notamment du Règlement 575/2013 (par exemple son article 7 relatif à la déroga- tion à l’application des exigences prudentielles sur une base individuelle). L’application la plus claire à ce jour figure dans la Directive 2014/59/UE du Parlement euro- péen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des défaillances d’établissements de crédit et d’entreprises d’investis- sement (J.O.U.E. du 12 juin 2014, L. 173, p. 190), dont l’article 19 énumère les conditions d’octroi d’une aide financière au sein du groupe. Ces conditions peuvent 260 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financiële steun binnen de groep. Deze voorwaarden kunnen gezien worden als een prudentiële invulling van de hogergenoemde drie voorwaarden uit het algemene vennootschapsrecht. Tegen deze vennootschapsrechtelijke achtergrond schrijft artikel 468, § 1 voor dat moederverzekerings- of herverzekeringsondernemingen en gemengde financi- ele holdings hun invloed op de ondernemingen onder hen mogen laten gelden in functie van het groepsbe- lang, maar dat dit groepsbelang noodzakelijk zelf be- invloed wordt door de verplichtingen die voortvloeien uit het conglomeraatstoezicht en uit de noodzaak om de stabiliteit van de gehele groep te verzekeren. De groepsaansturing door de moederonderneming wordt in de bewoordingen van het artikel gezien als het geven van richtlijnen die de dochteronderneming gehouden is te toetsen aan haar eigen vennootschapsbelang. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het algemene ven- nootschapsrecht, wat een verwijzing is naar de grenzen die voortvloeien uit de drie hogergenoemde voorwaar- den en de concrete invulling die deze kunnen krijgen op basis van de toepasselijke prudentiële regelgeving. De naleving van de verplichtingen op solobasis is daarbij in ieder geval een absolute minimumgrens De door dit artikel beoogde coördinatie en toezicht van de moederonderneming ten aanzien van de dochter- ondernemingen, en de begrenzingen aan de invloed van de moederonderneming zijn een belangrijk instrument op het vlak van onder meer adequate interne verdeling van kapitaal en liquiditeit binnen de groep, beoordeling van intragroeptransacties en vormgeving van de pas- sende beleidsstructuren binnen de groep. Artikel 468, § 2 behandelt dezelfde situatie, behalve dat de moederonderneming een buitenlandse ge- mengde financiële holding is. In dit geval kunnen de bovenstaande principes met betrekking tot de rol van moederondernemingen niet ten volle spelen en dient de Belgische verzekerings- of herverzekeringsonder- neming van haar moederonderneming de medewer- king te verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het aanvullende conglomeraatstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend. De dochteronderneming is ertoe gehouden te toetsen of de grenzen van het algemene vennoot- schapsrecht worden nageleefd. Om vorm te geven aan de principes die ten grondslag liggen aan artikel 468, §§ 1 en 2, moet één en ander worden uitgewerkt in het internal governance memoran- dum op groepsniveau, dat vereist is met toepassing van ontwerpartikel 42, § 3. être considérées comme une interprétation prudentielle des trois conditions susmentionnées du droit général des sociétés. À la lumière de ce contexte de droit des sociétés, l’article 468, § 1er prévoit que les entreprises d’assu- rance ou de réassurance mères et les compagnies financières mixtes peuvent faire valoir leur influence sur les entreprises qu’elles chapeautent, en fonction de l’intérêt du groupe, mais que cet intérêt du groupe est lui-même nécessairement influencé par les obligations qui découlent de la surveillance complémentaire des conglomérats et de la nécessité d’assurer la stabilité de l’ensemble du groupe. Le pilotage du groupe par l’entreprise mère est considéré, dans la formulation de l’article, comme l’envoi de “directives” que la filiale est tenue de confronter à son propre intérêt social. Ces directives ne peuvent pas être contraires au droit des sociétés général, ce qui constitue une référence aux limites qui découlent des trois conditions susmention- nées et à l’interprétation concrète dont elles peuvent faire l’objet sur la base de la réglementation prudentielle applicable. Le respect des obligations sur une base individuelle constitue, à cet égard, et en tout état de cause, un minimum absolu. La coordination et le contrôle de l’entreprise mère à l’égard des filiales tels que visés par cet article, et les limites posées à l’influence de l’entreprise mère constituent un instrument important en ce qui concerne notamment la répartition interne adéquate du capital et des liquidités au sein du groupe, l’évaluation des opé- rations intragroupes et le façonnement de structures politiques adaptées au sein du groupe L’article  468, §  2, envisage la même situation, à ceci près que l’entreprise mère est une compagnie financière mixte étrangère. Dans ce cas, les principes susmentionnés ne peuvent pas pleinement jouer en ce qui concerne le rôle des entreprises mères, et c’est à l’entreprise d’assurance ou de réassurance belge qu’il revient d’obtenir la coopération de son entreprise mère pour mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que la surveillance complémentaire des conglomérats puisse être exercée de la manière la plus efficace possible. La filiale est tenue de vérifier si les limites du droit général des sociétés sont respectées. Pour concrétiser les principes qui sont à la base de l’article 468, §§ 1er et 2, il faut encore prendre les disposi- tions adéquates dans le mémorandum de gouvernance interne au niveau du groupe, requis en application de l’article 42, § 3 en projet. 261 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 468, § 5 betreft de situatie waarin de Bank het aanvullende conglomeraatstoezicht zou uitoefenen in andere dan de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid (wanneer de Bank is aangeduid als coördinator op basis van de mogelijkheid tot afwijking waarin voorzien is in artikel 472). De verantwoordelijkheid van de moederonderneming tot naleving van het aanvullende conglomeraatstoezicht, of het nu gaat om een moederverzekerings- of herver- zekeringsonderneming dan wel om een gemengde financiële holding, krijgt onder meer concreet gestalte in de functie die de moederonderneming dient te vervullen als centraal aanspreekpunt voor de coördinator voor informatie over de groep. Deze functie is opgenomen in artikel 468, § 4. Een andere — op één punt na niet nieuwe — Belgische maatregel die ertoe strekt de gemengde financiële holdings in het aanvullende conglomeraats- toezicht te betrekken, is opgenomen in het hiernavol- gende artikel 469. Artikel 468, § 7 regelt de omgekeerde situatie van deze van de vorige paragrafen: de Bank is niet bevoegd voor het aanvullende conglomeraatstoezicht. Wanneer een Belgische verzekerings- of herverze- keringsonderneming onder de controle staat van een buitenlandse moederonderneming, dient deze verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming in dat geval na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet indruist tegen de algemeen geldende vennootschaps- wetgeving of geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis. De groepsinterne verhouding wordt met andere woorden louter bekeken vanuit het stand- punt van de dochteronderneming. Art. 469  Dit artikel, dat, zoals vermeld in de commentaar bij artikel 468, er eveneens toe strekt de gemengde financiële holdings te betrekken in het aanvullende conglomeraatstoezicht, behandelt de responsabilisering van de effectieve leiding van de gemengde financiële holding op het vlak van interne controle en prudentiële rapportering. Nieuw in deze bepaling is dat de verklaring van de effectieve leiding op het vlak van interne controle wordt uitgebreid tot de effectieve leiding van de gemengde financiële holding. L’article 468, § 5, vise la situation où la Banque exer- cerait la surveillance complémentaire des conglomérats dans des cas qui diffèrent de ceux des alinéas 1er et 2 (dans lesquels la Banque est désignée en tant que coordinateur sur la base de la possibilité de dérogation prévue à l’article 472). La responsabilité de l’entreprise mère quant au res- pect de la surveillance complémentaire des conglomé- rats, qu’il s’agisse d’une entreprise d’assurance ou de réassurance mère ou d’une compagnie financière mixte, se concrétise notamment par la fonction que l’entreprise mère doit remplir en tant qu’interlocuteur central à l’égard du coordinateur pour les informations relatives au groupe. Cette fonction est reprise à l’article 468, § 4. Une autre mesure belge visant à impliquer les compagnies financières mixtes dans la surveillance complémentaire des conglomérats — qui, à un aspect déterminé près n’est pas neuve — figure à l’article 469 ci-après. L’article 468, § 7 règle la situation inverse de celles visées aux paragraphes précédents: la Banque n’est pas compétente pour la surveillance complémentaire des conglomérats. Dans ce cas, lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance belge est contrôlée par une entreprise mère étrangère, c’est à cette entreprise d’assurance ou de réassurance qu’il revient de vérifier si l’influence de son entreprise mère n’est pas contraire au droit des sociétés généralement applicable et ne nuit pas au contrôle sur base individuelle. En d’autres termes, la relation interne au groupe est examinée exclusivement du point de vue de la filiale. Art. 469 Cet article, comme mentionné dans le commen- taire de l’article 468, vise également à impliquer les compagnies financières mixtes dans la surveillance complémentaire des conglomérats, et traite de la res- ponsabilisation de la direction effective de la compagnie financière mixte en ce qui concerne le contrôle interne et le reporting prudentiel. Un élément neuf de cette disposition réside dans l’extension de la déclaration de la direction effective concernant le contrôle interne à la direction effective de la compagnie financière mixte. 262 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 470 Zoals reeds blijkt uit artikel 468, worden de gemengde financiële holdings, net zoals de moederverzekerings- of herverzekeringsondernemingen, betrokken bij het aanvullende conglomeraatstoezicht. Deze betrokken- heid impliceert echter niet dat de gemengde financiële holdings aan individueel toezicht zijn onderworpen. Gemengde financiële holdings zijn geen gereglemen- teerde ondernemingen in die zin dat zij niet “onder statuut” staan; ze hebben geen vergunning nodig voor het ontplooien van hun activiteiten. In hun hoedanigheid van significant aandeelhouder van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming maken zij natuurlijk wel het voorwerp uit van een screening door de Bank (zie ontwerpartikel 39). De betrokkenheid waarvan sprake impliceert echter wel dat hen (uitgebreide) ondersteu- nende verplichtingen kunnen worden opgelegd die het aanvullende conglomeraatstoezicht mogelijk moeten maken. Dit is een gevolg van het feit dat in een groep die gestructureerd is volgens holdingmodel, deze gemengde financiële holding het startpunt is van de reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht en het centraal aanspreekpunt vormt voor informatie voor de coördinator. De gemengde financiële holdings zijn verantwoordelijk voor de naleving van deze verplich- tingen en kunnen hier ook via maatregelen en sancties op worden aangesproken. De finale juridische verant- woordelijkheid blijft echter steeds op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rusten, omdat enkel op hen de ultieme sanctie kan worden toegepast, die bestaat in het intrekken van de vergunning. Voor bepaalde verplichtingen die aldus aan de ge- mengde financiële holdings worden opgelegd is dat ondersteunende karakter echter niet meer zo duidelijk waarneembaar, omdat ze uit hun aard zelf uitwerking hebben op de rechtspersoonlijkheid van de gemengde financiële holding zelf, en op de wijze waarop deze georganiseerd is (haar aandeelhouders, haar bestuur, enz.). Het gaat om regels die “van overeenkomstige toepassing” worden verklaard op de gemengde finan- ciële holding zelf. Artikel 470 somt deze regels op. Het gaat om de volgende vereisten: — minimum twee effectieve leiders; — enkel natuurlijke personen als bestuurders; — permanente fit & proper-vereisten; — gevallen van beroepsverbod; Art. 470 Ainsi que cela résulte déjà de l’article 468, les compagnies financières mixtes sont, tout comme les entreprises d’assurance ou de réassurance mères, concernées par la surveillance complémentaire des conglomérats. Cela ne signifie pas pour autant que les compagnies financières mixtes soient soumises à un contrôle individuel. Les compagnies financières mixtes ne sont pas des entreprises réglementées, au sens où elles ne sont pas soumises à un “statut”; elles n’ont pas besoin d’un agrément pour déployer leurs activités. En leur qualité d’actionnaire significatif d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, elles font certes l’objet d’un examen par la Banque (voir article 39 en projet). Elles sont toutefois concernées dans la mesure où on peut leur imposer des obligations de sou- tien (étendues) destinées à permettre la surveillance du groupe. Cela vient de ce que dans un groupe structuré selon ce modèle “holding”, la compagnie financière mixte est l’épicentre de la surveillance complémentaire des conglomérats et constitue l’interlocuteur central pour les informations à soumettre au coordinateur. Les compagnies financières mixtes sont responsables du respect de ces obligations et peuvent dès lors se voir imposer des mesures et des sanctions. La responsa- bilité juridique ultime incombe toutefois toujours aux entreprises d’assurance ou de réassurance, parce que ce n’est qu’à elles que peut être appliquée la sanction ultime consistant dans le retrait de l’agrément. Pour certaines obligations qui sont ainsi imposées aux compagnies financières mixtes, ce caractère de soutien n’est toutefois plus aussi perceptible, parce que, de par leur nature même, elles produisent leurs effets sur la personnalité juridique de la compagnie financière mixte elle-même, et sur son mode d’organisation (ses actionnaires, son administration, etc.). Il s’agit de règles qui sont déclarées “applicables par analogie” à la com- pagnie financière mixte elle-même. L’article 470 énumère ces règles. Il s’agit des exi- gences suivantes: — au moins deux dirigeants effectifs; — uniquement des personnes physiques comme administrateurs; — des exigences permanentes en matière d’exper- tise et d’honorabilité professionnelles (fit and proper); — des cas d’interdiction professionnelle; 263 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — de verplichte oprichting van een directiecomité en de vrijstellingsmogelijkheden voor het oprichten van dit directiecomité; — de aandeelhouderscontrole, — bepaalde herstelmaatregelen. Afdeling III Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Aanwijzing van de coördinator Art. 471 Dit artikel behandelt de aanwijzing van de coördinator. Met toepassing van artikel 471, § 2, 3° kan de FSMA be- last worden met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Art. 472 Deze bepaling bevat geen inhoudelijke vernieuwingen. Onderafdeling II Rechten en plichten van de coördinator — College Art. 473 Dit artikel, dat de taken van de coördinator betreft, bevat geen inhoudelijke vernieuwingen. Wel dient gewezen te worden op de op 22 december 2014 gepubliceerde “Gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende de convergentie van toe- zichtpraktijken met betrekking tot coherente coördina- tieregelingen voor het toezicht op financiële conglo- meraten” (JC/GL/2014/01), die overeenkomstig artikel 11,  lid  1  van de Richtlijn Financiële Conglomeraten via het Gemengd Comité door de Europese toezicht- houdende autoriteiten werden ontwikkeld (hierna de “Gemeenschappelijke Richtsnoeren”). Deze Gemeenschappelijke Richtsnoeren, die door de nati- onale autoriteiten moeten worden nageleefd door een passende opname ervan in hun toezichtspraktijken, strekken ertoe de taken van de coördinator te verduidelij- ken, de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de verschillende nationale bevoegde autoriteiten — l’obligation de mettre sur pied un comité de direc- tion et les dérogations possibles concernant ce comité de direction; — le contrôle de l’actionnariat; — certaines mesures de redressement. Section III Exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section I re — Détermination du coordinateur Art. 471 Cet article traite de la désignation du coordinateur. En application de l’article 471, § 2, 3°, la FSMA peut être en charge de la surveillance complémentaire des conglomérats. Art. 472 Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui concerne cette disposition. Sous-section II Droits et obligations du coordinateur — Collège Art. 473 Cet article traite des tâches du coordinateur et ne contient pas d’innovation de fond. Il faut toutefois attirer l’attention sur les “Orientations communes en vue de la convergence des pratiques de surveillance en ce qui concerne la cohérence des accords de coordination en matière de surveillance des conglo- mérats financiers”, publiées le 22 décembre 2014 (JC/ GL/2014/01) et élaborées par les autorités européennes de surveillance, par l’intermédiaire du comité mixte, conformément à l’article 11, paragraphe 1er de la direc- tive Conglomérats financiers (ci-après, les “Orientations Communes”). Ces Orientations Communes, que les autorités nationales doivent respecter en les intégrant dans leurs pratiques de surveillance de façon adéquate, visent à clarifier les tâches du coordinateur, améliorer la coopération et l’échange d’informations entre les diffé- rentes autorités compétentes dans le cadre du contrôle de conglomérats financiers transfrontaliers, détailler le 264 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in het kader van het toezicht op grensoverschrijdende financiële conglomeraten te bevorderen, de werking van de colleges te specifiëren, en de procedures uiteen te zetten die de bevoegde autoriteiten moeten volgen telkens overleg tussen of raadpleging of instemming van verschillende bevoegde autoriteiten wordt voorge- schreven (zie bijvoorbeeld de ontwerpartikelen 452, § 4, 458, § 3, 460, 463, § 1, 472, 482, 500, en 503, §§ 1 en 3). Art. 474 FICOD I heeft een nieuwe bepaling toegevoegd over het oprichten van colleges voor financiële conglomera- ten. Het college van de relevante bevoegde autoriteiten van een financieel conglomeraat dient te handelen in overeenstemming met het aanvullende karakter van de Richtlijn Financiële Conglomeraten en moet als zodanig de activiteiten van de bestaande colleges voor de bank- subgroep en de verzekeringssubgroep niet herhalen of vervangen, maar moet daaraan juist waarde toevoegen. Er zal aldus alleen een afzonderlijk college voor een financieel conglomeraat moeten worden opgericht wan- neer er geen sectoraal bank- of verzekeringscollege is ingesteld. Wat betreft de concrete werking van deze col- leges, kan verder nuttig worden verwezen naar de Gemeenschappelijke Richtsnoeren (zie de commen- taar bij ontwerpartikel 473), alsook naar het door het Joint Forum opgestelde en in september 2014 gepu- bliceerde Report on supervisory colleges for financial conglomerates. Art. 475 Dit artikel betreft de samenwerkingsovereenkomsten die de bevoegde autoriteiten kunnen sluiten. Voor een goed begrip van de inhoud van de coördina- tieregelingen waarvan sprake in dit artikel, kan verwezen worden naar de Gemeenschappelijke Richtsnoeren (zie ook de commentaar bij ontwerpartikel 473). Art. 476 Deze bepaling betreft het opmaken van lijsten van gemengde financiële holdings. Voor deze bepaling zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. fonctionnement des collèges et expliciter les procédures à suivre par les autorités compétentes chaque fois que s’impose une concertation entre ou la consultation ou l’accord de plusieurs autorités compétentes (voir p.ex. les articles 452, § 4, 458, § 3, 460, 463, § 1, 472, 482, 500, et 503, § 1 et § 3 en projet). Art. 474 La directive FICOD I a ajouté une nouvelle dispo- sition relative à l’établissement de collèges pour les conglomérats financiers. Le collège des autorités compétentes relevantes d’un conglomérat financier doit agir conformément au caractère complémentaire de la directive Conglomérats financiers et ne doit, à ce titre, pas faire double emploi avec les collèges existants des sous-groupes “Banque” et “Assurance” concernés, ni les remplacer, mais plutôt leur apporter une valeur ajoutée. Un collège distinct ne devra ainsi être constitué pour un conglomérat financier que lorsqu’aucun collège du secteur bancaire ou de l’assurance n’a pas été mis en place. Pour le fonctionnement concret de ces collèges, il peut par ailleurs être utilement référé aux Orientations Communes (voir le commentaire de l’article 473 en projet), ainsi qu’au Report on supervisory colleges for financial conglomerates, établi par le Joint Forum et publié en septembre 2014. Art. 475 Cet article traite des accords de coopération que les autorités compétentes peuvent conclure. Pour une bonne compréhension du contenu des accords de coordination dont il est fait mention dans cet article, il y a lieu de se référer aux Orientations Communes (voir également le commentaire de l’article 473 en projet). Art. 476 Cette disposition concerne l’élaboration de listes de compagnies financières mixtes. Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui concerne cette disposition. 265 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 477 Deze bepaling bevat geen inhoudelijke vernieuwingen. Onderafdeling III Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten Art. 478 Dit artikel behandelt de concrete inhoud van de ver- plichting tot samenwerking in hoofde van de bevoegde autoriteiten, die met name betrekking heeft op de uit- wisseling tussen deze autoriteiten van vertrouwelijke en relevante informatie. De Gemeenschappelijke Richtsnoeren bevatten concrete richtlijnen voor de uitwisseling van informatie zowel in normale omstandigheden als in noodsituaties. Er zijn geen inhoudelijke vernieuwingen op basis van FICOD I te signaleren. De lijsten die voorkomen in de betrokken bepalingen van de Richtlijn Financiële Conglomeraten waren nog niet in extenso opgenomen in het koninklijk besluit van 21 november 2005. In het voorliggende ontwerp zijn deze opsommingen nu wel geïntegreerd. Art. 479 Wat betreft deze bepaling zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. Art. 480 Dit artikel regelt de situatie waarin de Bank niet be- voegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een dochteronderneming is van een Belgische ge- mengde financiële holding. De Bank zal dan eventueel haar medewerking verlenen voor het toepassen van maatregelen die in de lidstaat van de bevoegde auto- riteit bestaan om gemengde financiële holdings in het aanvullende conglomeraatstoezicht te betrekken. Art. 481 Voor deze bepaling zijn er geen inhoudelijke vernieu- wingen te signaleren. Art. 476 Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour cette disposition. Sous-section III Coopération et échange d’informations entre les autorités compétentes Art. 478 Cet article traite du contenu concret de l’obligation de coopération dans le chef des autorités compétentes, laquelle concerne notamment l’échange entre ces autorités d’informations confidentielles et pertinentes. Les Orientations Communes contiennent des lignes directrices concrètes pour l’échange d’informations tant sur une base régulière que dans les situations d’urgence. Il n’y a pas de nouveauté à signaler sur la base de FICOD I. Les listes figurant dans les dispositions concer- nées de la directive Conglomérats financiers n’avaient pas encore été reprises in extenso dans l’arrêté royal du 21 novembre 2005. Elles le sont désormais dans le présent projet. Art. 479 Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui concerne cette disposition. Art. 480 Cette disposition règle la situation dans laquelle la Banque n’est pas compétente pour la surveillance complémentaire des conglomérats, pour le cas d’une compagnie financière mixte belge en tant que société mère. La Banque collabore éventuellement à l’appli- cation des mesures existant dans l’État membre de l’autorité compétente pour l’inclusion des compagnies financières mixtes dans la surveillance complémentaire des conglomérats. Art. 481 Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui concerne cet article. 266 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Overleg tussen bevoegde autoriteiten Art. 482 De bepalingen van dit artikel betreffen het overleg dat tussen de relevante bevoegde autoriteiten moet worden gevoerd. Er zijn geen inhoudelijke vernieuwingen op basis van FICOD I. Onderafdeling V Voor de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie Art. 483 Hoewel er voor deze bepalingen geen inhoudelijke wijzigingen te signaleren zijn, is het nuttig om de aan- dacht te vestigen op het feit dat de informatieverschaf- fing aan de Bank zowel rechtstreeks als onrechtstreeks kan gebeuren: — rechtstreeks voor wat betreft de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en gemengde financi- ele holdings naar Belgisch recht; — en onrechtstreeks (namelijk via tussenkomst van een andere (buitenlandse) bevoegde autoriteit of via één van de in het eerste streepje opgesomde ondernemin- gen of via een combinatie van deze twee tussenstap- pen) voor wat betreft alle andere in het aanvullende conglomeraatstoezicht opgenomen ondernemingen, naar Belgisch of naar buitenlands recht, gereglemen- teerd of niet-gereglementeerd, of ook ten aanzien van ondernemingen die uitdrukkelijk buiten de reikwijdte van dit toezicht werden gelaten. Art. 484 Voor dit artikel zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. Art. 485 Informatie die relevant is voor het aanvullende con- glomeraatstoezicht moet optimaal kunnen circuleren tussen de ondernemingen die deel uitmaken van de reikwijdte van dit toezicht. Deze ondernemingen kunnen in dit verband geen beperkingen van privaatrechtelijke aard inroepen. Deze bepaling is inhoudelijk verbonden met de bepa- lingen over het toepassen van de governancevereisten, Sous-section IV Consultation entre autorités compétentes Art. 482 Les dispositions de cet article concernent la concer- tation entre les autorités compétentes relevantes. Il n’y a pas d’innovation quant au fond à signaler sur la base de FICOD I. Sous-section V Informations à fournir aux fins de l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 483 Bien qu’il n’y ait aucune modification à signaler quant au fond pour ces dispositions, il est utile d’attirer l’atten- tion sur le fait que la communication d’informations à la Banque peut se faire tant directement qu’indirectement: — à savoir, directement en ce qui concerne des entreprises d’assurance ou de réassurance et des compagnies financières mixtes de droit belge; — et indirectement (à savoir par l’intervention d’une autre autorité compétente — étrangère — ou par l’une des entreprises énumérées au premier tiret, ou par une combinaison de ces deux procédés) en ce qui concerne toutes les autres entreprises incluses dans la surveil- lance complémentaire des conglomérats, de droit belge ou de droit étranger, réglementées ou non, ou également à l’égard d’entreprises qui ont été expressément exclues de la portée de cette surveillance. Art. 484 Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour cet article. Art. 485 Les informations qui sont pertinentes pour la surveil- lance complémentaire du groupe doivent pouvoir circu- ler dans les meilleures conditions possibles entre les entreprises relevant de la portée de cette surveillance. Les entreprises ne peuvent à cet égard invoquer des objections tirées du droit privé. Cette disposition est liée quant au fond aux dis- positions relatives à l’application d’exigences de 267 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die inhouden dat deze procedures in de volledige groep op consistente wijze moeten worden geïmplementeerd en toegepast (zie de ontwerpartikelen 464 tot 466). Deze bepaling kan ook in verband gebracht worden met de indirecte informatieverschaffing waarvan sprake in artikel 483: dit mechanisme kan pas werken als de ondernemingen onderling alle relevante informatie voor het aanvullende conglomeraatstoezicht aan elkaar doorgeven. Art. 486 Voor deze bepaling over de verificatie ter plaatse zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. Art. 487 Er zijn geen inhoudelijke vernieuwingen te melden voor de bepalingen aangaande de informatieverschaf- fing aan en de verificatie ter plaatse door buitenlandse bevoegde autoriteiten. Onderafdeling VI Revisoraal toezicht Art. 488 tot 499 Deze artikelen behandelen de opdracht van de com- missaris in conglomeraatscontext en de toegang tot informatie in hoofde van de commissaris. Voor deze bepalingen zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. Afdeling IV Andere financiële groepen Art. 500 en 501 Deze artikelen betreffen de wijze waarop het aan- vullende conglomeraatstoezicht van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard op andere groepen die weliswaar beantwoorden aan de significantiecriteria van artikel 452, maar niet vallen onder één van de in artikel 451 bedoelde gevallen. Ontwerpartikel 500  bevat een verwijzing naar de “internationale beginselen inzake aanvullend gouvernance qui prévoient que ces procédures doivent être mises en œuvre et appliquées de façon cohérente dans l’ensemble du groupe (voir les articles 464  à 466 en projet). Cette disposition peut également être mise en rap- port avec la communication indirecte d’informations dont question à l’article 483: ce mécanisme ne peut fonctionner que si les entreprises se transmettent toutes les informations pertinentes pour la surveillance com- plémentaire des conglomérats. Art. 486 Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour cette disposition relative à la vérification sur place. Art. 487 Il n’y a pas de nouveautés quant au fond en ce qui concerne les dispositions concernant la communication d’informations et la vérification sur place par des auto- rités compétentes étrangères. Sous-section VI Contrôle révisoral Art. 488 à 499 Ces articles traitent de la mission du commis- saire dans le contexte des conglomérats financiers, ainsi que de l’accès aux informations dans le chef du commissaire. Il n’y a pas d’innovation quant au fond pour ces articles. Section IV Autres groupes financiers Art. 500 et 501 Ces articles traitent de la façon dont la surveillance complémentaire des conglomérats peut être déclarée d’application à d’autres groupes répondant aux critères d’importance significative de l’article 452, sans tomber sous l’un des cas visés à l’article 451. L’article 500 en projet comprend une référence aux “principes internationaux en matière de surveillance 268 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 conglomeraatstoezicht”. Bedoeld worden de Joint Forum Principles on the Supervision of Financial Conglomerates, die in oktober 2012 werden gepubli- ceerd. In afwachting van een fundamentele herziening van de Richtlijn Financiële Conglomeraten kunnen deze nu reeds gelden als richtlijnen om vorm te geven aan een ad hoc groepswijd toezicht voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die stricto sensu niet onder het toepassingsgebied van het aanvullende toe- zicht voor financiële conglomeraten vallen, terwijl ze toch onderhevig zijn aan groepsrisico’s die deze vorm van toezicht rechtvaardigen. Afdeling V Moederondernemingen uit derde landen Art. 502 en 503 Deze bepalingen betreffen het aanvullende conglo- meraatstoezicht op moederondernemingen uit derde landen. Voor deze bepalingen zijn er geen inhoudelijke vernieuwingen. TITEL VI In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen De eerste twee hoofdstukken van Titel VI omvatten alle corrigerende administratieve maatregelen die de Bank kan nemen wanneer verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen niet voldoen aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen die het wettelijk statuut van deze ondernemingen vormen. Deze vrij klassieke maat- regelen in de toezichtswetgevingen voor de bancaire, de financiële en de verzekeringssector zijn ontleend aan de wetten van 9 juli 1975 en van 16 februari 2009, alsook aan de recente bankwet van 25 april 2014, ten- einde, in het licht van die ervaringen, de beste juridische instrumenten vast te stellen vanuit het oogpunt van de goede administratieve praktijken. Anders dan in de wet van 9 juli 1975, waarin de herstelinstrumenten waarover de Bank beschikt, over verschillende artikelen zijn ver- spreid, worden deze instrumenten in het voorliggende wetsontwerp gegroepeerd, waarbij de voorwaarden voor de toepassing ervan (d.w.z. de omstandigheden die het gebruik ervan mogelijk maken, of “triggers”), zoals bepaald in de ontwerpartikelen 508 en 517, ruim wor- den omschreven, teneinde de Bank een discretionaire beoordelingsbevoegdheid te verlenen die haar in staat stelt het meest gepaste instrument te kiezen, rekening complémentaire des conglomérats”. Sont visés les principes précités du Joint Forum on the Supervision of Financial Conglomerates, publiés en octobre 2012. Dans l’attente d’une révision fondamentale de la directive Conglomérats financiers, ils peuvent d’ores et déjà valoir comme orientations pour concrétiser une surveillance ad hoc du groupe pour les entreprises d’assurance ou de réassurance ne relevant stricto sensu pas du champ d’application de la surveillance complémentaire pour les conglomérats financiers, alors qu’elles sont tout de même soumises à des risques de groupe qui justifient cette forme de surveillance. Section V Entreprises mères établies dans un pays tiers Art. 502 et 503 Ces dispositions traitent de la surveillance complé- mentaire des conglomérats dans le cas d’entreprises mères établies dans un pays tiers. Il n’y a pas d’innovation quant au fond en ce qui concerne ces dispositions. TITRE VI Des entreprises d’assurance ou de réassurance en difficulté ou en situation irrégulière Dans ses deux premiers Chapitres, le Titre  VI regroupe l’ensemble des mesures administratives correctrices que la Banque est susceptible d’adopter face à des situations de manquement dans le chef des entreprises d’assurance ou de réassurance par rapport à leurs obligations légales et réglementaires formant le statut légal de ces entreprises. Ces mesures assez classiques dans les législations de contrôle du secteur bancaire, financier et des assurances sont issues des lois du 9 juillet 1975 et du 16 février 2009 et de la récente loi bancaire du 25 avril 2014 afin de formaliser, à la lumière de ces expériences, les meilleurs instruments juridiques sous l’angle des bonnes pratiques administra- tives. Au contraire de la loi du 9 juillet 1975 qui dissémine actuellement dans des articles épars les instruments de redressement dont dispose la Banque, les dispositions du présent projet procèdent à un regroupement de ces instruments dont les conditions d’application (c.-à-d. les circonstances permettant leur utilisation (les “triggers”)), telles qu’elles sont prévues aux articles 508 et 517 en projet, sont énoncées de manière large afin de conférer à la Banque un pouvoir d’appréciation discrétionnaire lui permettant de choisir l’instrument le plus approprié, 269 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 houdend met het evenredigheidsbeginsel. Deze be- nadering beantwoordt volkomen aan Insurance Core Principle (“ICP”) 10.3, dat stelt dat de toezichthouder dient te beschikken over een waaier aan maatregelen, waarmee hij op progressieve wijze de meest gepaste maatregel kan toepassen van de maatregelen waarover hij beschikt (“There is a progressive escalation in actions or remedial measures that can be taken if the problems become worse or the insurer ignores requests from the supervisor to take preventive and corrective action”). HOOFDSTUK I Evenwicht van de tarieven Art. 504 tot 507 In ontwerpartikel 504 wordt artikel 21octies, § 2 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Ter herinnering, pa- ragraaf 2 van dit artikel 21octies bestaat uit twee leden, en in het eerste lid wordt gesteld dat de Bank, als admi- nistratieve maatregel, kan eisen dat een verzekeringson- derneming die een verlieslatend tarief hanteert, dat tarief in evenwicht brengt en dus verhoogt. Het tweede lid heeft betrekking op de toepassing van dit beginsel in het specifieke geval van de andere dan beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten, waarvoor, ondanks de bij artikel 204 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (hierna conform ontwerpartikel 15 de “Wet Verzekeringen” genoemd) vastgelegde regeling, de tariefregeling verlieslatend is of dreigt te worden. Met betrekking tot dit tweede specifieke geval, wordt hier kort het verband uiteengezet tussen het prudentiële regime zoals neergelegd in artikel 21octies, § 2 van de wet van 9 juli 1975 en dat van de Wet Verzekeringen, waarvan het HvJEU onlangs bepaalde dat het in overeenstemming is met het Europees recht (HvJEU, 7 maart 2013, DKV Belgium tegen Test-Aankoop vzw): Er zij aan herinnerd dat een verzekeringsonderne- ming de contractuele voorwaarden van een ziekte- verzekeringsovereenkomst niet kan wijzigen, in het bijzonder wat een tariefverhoging betreft, zonder het geldende wettelijke kader na te leven. Zo beperkt artikel 204 van de Wet Verzekeringen (een bepaling die werd overgenomen uit het vroegere artikel 138bis-4 van de wet van 25 juni 1992, dat op zijn beurt werd ingevoegd door de wet van 20 juli 2007 en vervangen door de wet van 17 juni 2009), de mogelijkheid voor de verzekerings- ondernemingen om de technische grondslagen van de premie en de dekkingsvoorwaarden van de individuele ziekteverzekeringsovereenkomsten te wijzigen nadat de overeenkomst is gesloten. sous réserve du respect du principe de proportionnalité. Cette approche répond ainsi parfaitement aux Insurance Core Principles — “ICPs” n° 10.3 selon lequel l’autorité de contrôle doit disposer d’un éventail de mesures lui permettant d’appliquer de manière progressive la mesure la plus appropriée parmi les mesures à sa dis- position (“There is a progressive escalation in actions or remedial measures that can be taken if the problems become worse or the insurer ignores requests from the supervisor to take preventive and corrective action”). CHAPITRE IER Mise en équilibre des tarifs Art. 504 à 507 L’article 504 en projet constitue la reprise de l’article 21octies, § 2 de la loi du 9 juillet 1975. Pour rappel, le paragraphe  2  dudit article 21octies se compose de deux alinéas dont le premier énonce, au titre de mesure administrative imposée par la Banque à une entreprise d’assurance dont le tarif applicable donne lieu à des pertes, la possibilité d’exiger une mise en l’équilibre du tarif et donc son relèvement. Le deuxième alinéa concerne l’application de ce principe au cas spécifique des contrats d’assurance-maladie autres que profes- sionnels pour lesquels, malgré le régime prévu sous l’article 204 de la Loi du 4 avril 2014 relative aux assu- rances (ci-après citée conformément à l’article 15 en projet, “Loi assurances”), le régime tarifaire donne ou risque de donner lieu à des pertes. S’agissant de cette deuxième hypothèse particu- lière, on rappelle ici brièvement l’articulation du régime prudentiel consacré par l’article 21octies, § 2 de la loi du 9 juillet 1975 et celui de la Loi assurances, tel que la CJUE a récemment reconnu sa conformité au droit européen (CJUE, 7 mars 2013, DKV Belgium c. Test- Achats ASBL): Pour rappel, une entreprise d’assurance ne peut modifier les conditions contractuelles d’un contrat d’assurance maladie, spécialement en ce qui concerne une augmentation tarifaire sans respecter le cadre légal en vigueur. Ainsi, l’article 204 de la Loi assurances (disposition reprise de l’ancien article 138bis-4 de la loi du 25 juin 1992, lui-même introduit par la loi du 20 juillet 2007 et remplacé par la loi du 17 juin 2009), limite la possibilité, pour les entreprises d’assurance, d’apporter des modifications aux bases techniques de la prime et aux conditions de couverture des contrats d’assurance maladie individuels une fois que le contrat a été conclu. 270 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 a) Dergelijke wijzigingen kunnen in principe alleen gebeuren bij wederzijds akkoord van de partijen, op uitsluitend verzoek van de hoofdverzekerde en enkel in het belang van de verzekerden (art. 204, § 1). b) Bovendien mogen de premie, de vrijstelling en de prestatie volgens paragraaf 2 van dit artikel 204, behalve in voornoemd geval van wederzijds akkoord van de par- tijen, worden aangepast op de jaarlijkse premieverval- dag, op grond van het indexcijfer der consumptieprijzen. c) De mogelijkheden tot herziening van de contrac- tuele voorwaarden worden verder vervolledigd in para- graaf 3 van de bepaling, waarin gesteld wordt dat de premie, de vrijstelling en de prestaties op de jaarlijkse premievervaldag, op grond van één of verschillende specifieke indexcijfers mogen worden aangepast aan de kosten van de diensten die gedekt worden door de private ziekteverzekeringsovereenkomsten, indien en voor zover de evolutie van dat of deze indexcijfers het indexcijfer der consumptieprijzen overschrijdt. Daartoe bepaalt de Koning, op grond van de bij wet omschreven criteria en na raadpleging van het Federaal kenniscentrum voor de gezondheidszorg, de wijze waarop die indexcijfers worden opgebouwd (zie het koninklijk besluit van 1 februari 2010 tot vaststelling van de specifieke indexcijfers bedoeld in artikel 138bis-4, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings- overeenkomst, zoals gedeeltelijk vernietigd bij het arrest van de Raad van State van 29 december 2011). Zodra deze methode is vastgesteld door de Koning, berekent en publiceert de FOD Economie jaarlijks de waarde van het of de indexcijfers in het Belgisch Staatsblad, waarbij de Koning de regelmaat van de berekening en bekendmaking van deze indexcijfers kan verhogen. Sedert de wijziging van de bepaling bij de wet van 17 juni 2009, is de Bank (en vóór 1 april 2011, de CBFA) niet meer betrokken bij het proces voor de goedkeuring van de voornoemde contractuele wijzigingen (zoals een tariefverhoging). Conform het in administratief recht geldende specialiteitsbeginsel, bekrachtigt de Wet Verzekeringen het onderscheid tussen de zogenoemde prudentiële toezichtstaken van de Bank en een optreden in het kader van bepalingen ter bescherming van de con- sument in verband met de mogelijkheden tot wijziging van de contractuele voorwaarden met betrekking tot premies, vrijstellingen en prestaties. Artikel 204, § 4 van de Wet Verzekeringen benadrukt deze differentiatie van de opdrachten, door te verduidelijken dat de toepassing van dit artikel geen afbreuk doet aan de prerogatieven van de Bank op grond van artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975, dat wordt overgenomen in artikel 504 van de ontwerpwet. a) De telles modifications ne peuvent intervenir, en principe, que moyennant l’accord réciproque des par- ties, à la demande exclusive de l’assuré principal et dans le seul intérêt des assurés (art. 204, § 1er). b) En outre, selon le paragraphe 2 dudit article 204, en dehors du cas précité de l’accord réciproque des parties, la prime, la franchise et la prestation peuvent être adaptées à la date de l’échéance annuelle de la prime sur la base de l’indice des prix à la consommation. c) Le paragraphe 3 de la disposition complète encore les possibilités de révision des conditions contractuelles en prévoyant que la prime, la franchise et la prestation peuvent être adaptées, à la date d’échéance annuelle, aux coûts des services couverts par les contrats privés d’assurance-vie et ce, sur la base d’un ou plusieurs indices spécifiques si et dans la mesure où ces indices dépassent l’indice des prix à la consommation. À cette fin, le Roi détermine, sur base des critères prévus par la loi et de l’avis du Centre fédéral d’expertise des soins de santé, les méthodes de construction de ces indices (Voy. l’arrêté royal du 1er février 2010 détermi- nant les indices spécifiques visés à l’article 138bis-4 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, tel que partiellement annulé par un arrêt du Conseil d’État du 29 décembre 2011). Une fois cette méthode fixée par le Roi, le SPF Economie calcule et publie annuellement au Moniteur belge la valeur des indices concernés, le Roi pouvant augmenter la fréquence du calcul et de la publication de ces indices. On relève ainsi que depuis la modification de la dis- position par la loi du 17 juin 2009, la Banque (et avant le 1er avril 2011, la CBFA) n’est plus appelée à interve- nir dans le processus de validation des modifications contractuelles précitées (dont une augmentation tari- faire). Conformément au principe de spécialité qui pré- vaut en droit administratif, la Loi assurances consacre la distinction entre les missions de contrôle dit prudentiel de la Banque et une intervention dans le cadre de dis- positions, à vocation consumériste, encadrant les pos- sibilités de modifications des conditions contractuelles relatives aux primes, franchises et prestations. Insistant sur cette différenciation des missions, l’article  204, § 4 de la Loi assurances précise en son paragraphe 4 qu’elle laisse intactes les prérogatives de la Banque fondées sur l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975, appelé à devenir l’article 504 de la loi en projet. 271 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In het kader van haar opdracht inzake toezicht op de verzekeringsondernemingen beschikt de Bank over een aantal prerogatieven. Een van de prerogatieven die in deze ontwerptitel zijn opgenomen, bestaat erin dat de Bank kan eisen dat een verzekeringsonderneming een tarief in evenwicht brengt, indien ze vaststelt dat de toepassing van dit tarief verlieslatend is of dreigt te worden. Dit is een van de talrijke maatregelen waarover de Bank krachtens de wet van 9 juli 1975 beschikt en die het huidig ontwerp overneemt en tegelijk perfectioneert. Wat het specifieke geval van andere dan beroeps- gebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten betreft, regelt artikel 21octies, net als artikel 204, § 4 van de Wet Verzekeringen, de hiërarchie tussen de prerogatieven van de Bank en het in het hierboven toegelichte arti- kel 204 bedoelde mechanisme. Zo bepaalt artikel 21oc- ties, § 2, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 dat de Bank van een verzekeringsonderneming kan verlangen dat ze maatregelen neemt om haar tarief in evenwicht te brengen indien ze, ondanks het in artikel 204, §§ 2 en 3 van de Wet Verzekeringen omschreven proces voor de herziening van de contractuele voorwaarden inzake premies, vrijstellingen en prestaties, vaststelt dat de toe- passing van dit tarief verlieslatend is of dreigt te worden. Artikel 21octies, § 2 van de wet van 9 juli 1975 vormt dus een specifiek prerogatief in hoofde van de Bank, dat voorrang heeft op het in artikel 204 van de Wet Verzekeringen omschreven herzieningsmechanisme. Een verzekeringsonderneming kan evenwel geen recht laten gelden op de uitoefening van dit prerogatief door de Bank. Het prerogatief berust bij de toezichthouder, die als enige oordeelt over de opportuniteit van de uitoe- fening ervan, net als over de andere herstelmaatregelen waarover hij krachtens de wet van 9 juli 1975 beschikt. Om misbruik van procedure te vermijden, zou de Bank bovendien dit recht niet mogen uitoefenen om een rechtskader te omzeilen dat uitdrukkelijk tot stand is gebracht met het oog op de herziening van de wijzigin- gen van de contractuele voorwaarden inzake premies, vrijstellingen en prestaties. * * * Ontwerpartikel 504 en de daarmee samenhangende artikelen 505 tot 507 moeten tegen die achtergrond worden begrepen. Eenvoudigheidshalve worden de twee leden van artikel 21octies, § 2 van de wet van 9 juli 1975 samen- gebracht in ontwerpartikel 504 (en wordt de toepassing ervan uitgebreid tot de herverzekeringsondernemingen). Dans le cadre de sa mission de contrôle des entre- prises d’assurance, la Banque dispose de certaines prérogatives. Parmi ces prérogatives qui font l’objet du présent Titre en projet, la Banque peut ainsi exiger qu’une entreprise d’assurance mette un tarif en équilibre si elle constate que l’application de ce tarif donne ou risque de donner lieu à des pertes. Ceci constitue une des nombreuses mesures dont la Banque dispose en vertu de la loi du 9 juillet 1975 et que le présent projet entend reprendre tout en les perfectionnant. S’agissant du cas particulier des contrats d’assu- rance-maladie autres que professionnels, ledit article 21octies organise, à l’instar de l’article 204, § 4 de la Loi assurances, la hiérarchie entre les prérogatives de la Banque et le mécanisme prévu audit article 204 rappelé ci-dessus. Ainsi l’article 21octies, § 2, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 prévoit que la Banque peut imposer à une entreprise d’assurance de prendre des mesures afin de mettre ses tarifs en équilibre si, malgré le processus de révision des modifications des conditions contrac- tuelles relatives aux primes, franchises et prestations prévu par l’article 204, §§ 2 et 3 de la Loi assurances, elle constate que l’application de tarif donne ou risque de donner lieu à des pertes. L’article 21octies, § 2 de la loi du 9 juillet 1975 consti- tue donc une prérogative spécifique dans le chef de la Banque qui prévaut ainsi sur le mécanisme de révision prévu par l’article 204 de la Loi assurances. La mise en œuvre de cette prérogative par la Banque ne constitue aucunement un droit dans le chef d’une entreprise d’assurance. Il s’agit là d’une prérogative qui appartient à l’autorité de contrôle, seule juge de l’opportunité de sa mise en œuvre, à l’instar des autres mesures de redressement dont elle dispose en vertu de la loi du 9 juillet 1975. En outre, au risque de commettre un détournement de procédure, la Banque ne pourrait user de cette prérogative pour contourner un cadre juridique expres- sément mis en place en vue d’encadrer la révision des modifications des conditions contractuelles relatives aux primes, franchises et prestations. * * * C’est dans ce contexte ainsi rappelé que doit se com- prendre l’article 504 en projet ainsi que les articles 505 à 507 qui en sont le corollaire. Dans un souci de simplicité, l’article 504 en projet fusionne les deux alinéas de l’article 21octies, § 2 de la loi du 9 juillet 1975 (tout en étendant son application aux entreprises de réassurance). L’application de la mesure 272 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De toepassing van de maatregel inzake andere dan beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel 202 van de Wet Verzekeringen moet derhalve worden beschouwd in het licht van de commentaar hierboven. Met betrekking tot de gevolgen van een beslis- sing waarbij de Bank eist dat een tarief in evenwicht wordt gebracht, weze eraan herinnerd dat deze ma- terie eveneens aan bod komt in artikel 41 van de Wet Verzekeringen, waarin het volgende wordt bepaald: “wordt de tariefverhoging toegepast op de overeen- komsten die worden gesloten vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Bank en, onverminderd het opzeggingsrecht van de verzekeringnemer, wordt ze eveneens toegepast op de premies en bijdragen van de lopende overeenkomsten, die vervallen vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de ken- nisgeving van de beslissing van de Bank. “. Om die reden wordt in de ontwerpbepaling, in afwijking van het genoemde artikel 41, maar eveneens onverminderd het opzeggingsrecht van de verzekeringnemer, voorzien in een specifieke regel met betrekking tot levensverzeke- rings- en herverzekeringsovereenkomsten, door voor die overeenkomsten uitdrukkelijk te verwijzen naar de toepassing van ontwerpartikel 216, § 3. De ontwerpartikelen 505 en 507 regelen de samen- werking met de FSMA, zowel wat betreft het raadplegen (wanneer het gaat om andere dan beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel 202 van de Wet Verzekeringen) als het in kennis stellen van deze instelling van de beslissing tot tariefverhoging van een verzekeringsonderneming. In artikel 506 wordt artikel 21octies, § 2, derde lid van de wet van 9 juli 1975 overgenomen, waarin wordt gesteld dat de verhoging van een tarief niet onderwor- pen is aan de verplichting tot prijsverhogingsaangifte als bedoeld in de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. Met het oog op de transparantie ten opzichte van de verzekeringsnemers, die voor hun informatie afhanke- lijk waren van de betrokken verzekeringsonderneming, bepaalt ontwerpartikel 507 dat de Bank tevens een uit- treksel van de beslissing laat publiceren in het Belgisch Staatsblad, waarin het percentage van de toegestane verhoging wordt vermeld. en matière de contrats d’assurance-maladie non liés à l’activité professionnelle au sens de l’article 202 de la Loi assurances doit donc être vue à la lumière du commentaire ci-dessus. S’agissant des effets d’une décision par laquelle la Banque exige la mise en équilibre de tarif, on rappelle que la matière est également réglée par l’article 41 de la Loi assurances qui dispose que “le relèvement d’un tarif s’applique aux contrats souscrits à partir de la notifi- cation de la décision de la Banque et, sans préjudice du droit à la résiliation du preneur d’assurance, il s’applique également aux primes et cotisations de contrats en cours, qui viennent à échéance à partir du premier jour du deuxième mois qui suit la notification de la décision de la Banque.”. C’est pourquoi la disposition en projet prévoit, par dérogation à audit article 41, mais toujours sans préjudice du droit de résiliation du preneur, une règle spécifique relative aux contrats d’assurance et de réassurance vie en se référant expressément pour ces contrats à la l’application de l’article 216, § 3 en projet. Les articles 505 et 507 en projet organisent la coopé- ration avec la FSMA tant en ce qui concerne sa consulta- tion (lorsque des contrats d’assurance-maladie non liés à l’activité professionnelle au sens de l’article 202 de la Loi assurances sont concernés) que son information à la suite de toute décision de relèvement de tarif d’une entreprise d’assurance. L’article 506 constitue la reprise de l’article 21octies, § 2, alinéa 3 de la loi du 9 juillet 1975 disposant que le relèvement d’un tarif n’est pas soumis à l’obligation de déclaration des hausses de prix visée par la loi du 22 janvier 1945 sur la réglementation économique et les prix et par ses arrêtés d’exécution. Dans un but de transparence vis-à-vis des preneurs dont l’information dépendait de l’entreprise d’assurance concernée, l’article 507 en projet prévoit que la Banque fait également procéder à la publication au Moniteur belge d’un extrait de la décision indiquant le pourcen- tage du relèvement autorisé. 273 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Herstelmaatregelen Afdeling I Dwingende maatregelen Art. 508 Artikel 508, § 1 stemt overeen met artikel 26, § 1, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 en artikel 47, § 1, eerste lid van de wet van 16 februari 2009. Naar het voorbeeld hiervan vormt het artikel de wettelijke basis waarop de Bank kan steunen om te eisen dat een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming maatregelen neemt om inbreuken op de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen of recht- streeks toepasbare Europese rechtsnormen, waaronder Verordening 2015/35, te verhelpen. Ten opzichte van het genoemde artikel 26 voorziet de ontwerpbepaling evenwel in twee nieuwigheden, die grotendeels geïnspireerd zijn op de recente bankwet van 25 april 2014, meer bepaald op artikel 234 daarvan. a) de eerste, die is opgenomen in paragraaf 1, strekt ertoe niet de vaststelling van een effectieve inbreuk af te wachten om maatregelen op te leggen teneinde deze te verhelpen. Artikel 508 voorziet immers in de mogelijk- heid vooruit te lopen op een inbreuk door maatregelen op te leggen die moeten voorkomen dat die inbreuk wordt gepleegd. Indien de Bank over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig de geldende bepalingen die het toezichtsstatuut vormen, kan ze aldus reeds bepaalde corrigerende maatregelen opleggen die binnen een vastgestelde termijn moeten worden genomen. Die gegevens kunnen door de Bank zijn vastgesteld tijdens de procedure van prudentiële toetsing en evaluatie (zie de commentaar bij de artike- len 318 en volgende): de Bank kan bijvoorbeeld beschik- ken over informatie waaruit blijkt dat het reglementaire eigen vermogen van een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming weldra niet meer toereikend zal zijn, gelet op een te verwachten daling van haar resultaten. Deze benadering beantwoordt volkomen aan Insurance Core Principle (“ICP”) 10.6, dat stelt dat de inbreuk dient te worden voorkomen (“The supervisor initiates measures designed to prevent a breach of the legislation from occurring, and promptly and effectively deals with non-compliance that could put policyholders at risk or impinge on any other supervisory objectives”). CHAPITRE II Mesures de redressement Section Ire Mesures contraignantes Art. 508 L’article 508, § 1er correspond à l’article 26, § 1er, alinéa 1er de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 47, § 1er, alinéa 1er de la loi du 16 février 2009. À l’instar de ceux- ci, il constitue la base légale sur laquelle peut s’appuyer la Banque pour requérir qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance prenne des mesures afin de remédier à des manquements aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des normes de droit européen directement applicables dont le Règlement 2015/35. Par rapport audit article 26, la disposition en projet prévoit cependant deux nouveautés essentiellement inspirées de la récente loi bancaire du 25 avril 2014, en particulier son article 234. a) la première, qui est reprise dans le paragraphe 1er, vise à ne pas attendre la constatation d’un manquement effectif pour imposer des mesures afin de remédier à celui-ci. L’article 508 prévoit, en effet, la possibilité d’anticiper la survenance d’un manquement en impo- sant des mesures visant à prévenir cette survenance. La Banque qui dispose d’éléments indiquant qu’une entre- prise d’assurance ou de réassurance risque de ne plus fonctionner en conformité avec les dispositions formant le statut de contrôle qui sont d’application, au cours des douze prochains mois, peut ainsi déjà requérir certains correctifs à adopter endéans un délai fixé. Ces éléments peuvent avoir été relevés par la Banque au cours de la procédure de contrôle et d’évaluation prudentiels (voy. ainsi le commentaire des articles 318 et suivants): la Banque peut, par exemple, disposer d’informations indiquant que le niveau des fonds propres réglemen- taires d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne sera bientôt plus suffisant compte tenu d’une baisse prévisible de ses résultats. Cette approche répond ainsi parfaitement aux Insurance Core Principles — “ICPs” n° 10.6 selon lequel il y a eu lieu de prévenir le manquement (“The supervisor initiates measures designed to prevent a breach of the legislation from occurring, and promptly and effectively deals with non-compliance that could put policyholders at risk or impinge on any other supervisory objectives”). 274 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Met betrekking tot de vaststelling van een herstel- termijn voor een gecontroleerde onderneming, waarbij deze laatste gelast wordt een inbreuk op de wettelijke en reglementaire verplichtingen te verhelpen, wordt voor zover nodig verduidelijkt dat het louter vaststellen van een dergelijke termijn geen bezwarende adminis- tratieve rechtshandeling vormt waartegen beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State (zie met name RvSt, 13  september  2006, Basile en Goveas tegen CBFA, nr. 162 456), zoals de Raad van State onlangs nog in herinnering heeft gebracht in een arrest van 5 december 2014 (RvSt, 5 december 2014, Services & Financial Consulting en csrt tegen FSMA, nr. 229 473); b) de tweede nieuwigheid, die vervat is in paragraaf 2, bestaat in de mogelijkheid waarover de Bank beschikt om aan een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming strengere vereisten op te leggen wanneer ze een onregelmatige situatie vaststelt, zelfs indien ze overigens een hersteltermijn heeft vastgelegd. Aldus kan de Bank dergelijke maatregelen hetzij gelijktijdig met de vaststelling van een dergelijke termijn opleggen, hetzij erna, te allen tijde en zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de vastgestelde inbreuk niet heeft verholpen of geen maatregelen heeft geno- men om te verhinderen dat die inbreuk zich voordoet, en dit zonder de afloop van de vastgelegde termijn te moeten afwachten. Zo kunnen er aan de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming in dat verband specifieke of meer dwingende aanvullende vereisten worden opgelegd inzake eigen vermogen, liquiditeit, risicoconcentratie, waardering, rapportering of openbaarmaking. De nieu- wigheid is hier dat niet meer moet worden gewacht — in tegenstelling tot wat wordt opgelegd, behoudens in een dringende situatie, door de regeling van artikel 26, paragraaf 1, tweede lid, van de wet van 9 juli 1975 — tot de vastgestelde hersteltermijn is verstreken om de voornoemde dwingende maatregelen te nemen (die trouwens worden uitgebreid). Zo kan de Bank dwingende maatregelen opleg- gen om het eigen vermogen opnieuw op te bouwen, met betrekking tot de uitkering van dividenden of elke uitbetaling aan aandeelhouders en/of houders van ei- genvermogensinstrumenten, voor zover die schorsing toegestaan is volgens de geldende wettelijke en/of contractuele bepalingen (sommige instrumenten worden nog tijdelijk tot het eigen vermogen gerekend tijdens een overgangsperiode, hoewel ze bijvoorbeeld onderworpen zijn aan een clausule die hun houder het recht geeft — een recht dat niet eenzijdig kan worden ingeperkt — op een uitkering van interesten; zie de ontwerpartikelen 659 en 660). Om dezelfde redenen beschikt de Bank tevens over de mogelijkheid de variabele component van S’agissant de la fixation d’un délai de redressement à une entreprise contrôlée l’enjoignant de remédier à un manquement aux obligations légales et réglementaires, pour autant que de besoin, on précise que la seule fixa- tion d’un tel délai ne constitue pas un acte administratif faisant grief susceptible de recours devant le Conseil d’État (voy. notamment C.E., 13  septembre  2006, Basile et Goveas c. CBFA, n°162 456) ainsi que l’a encore récemment rappelé le Conseil d’État dans un arrêt du 5 décembre 2014 (C.E., 5 décembre 2014, SPRL Services & Financial Consulting et csrt c. FSMA, n° 229 473); b) la seconde nouveauté, qui fait l’objet du para- graphe 2, réside dans la possibilité dont dispose la Banque d’imposer des exigences renforcées à une entreprise d’assurance ou de réassurance lorsqu’elle constate une situation de manquement et ce, même si elle a fixé par ailleurs un délai de redressement. Ainsi, la Banque peut imposer de telles mesures soit simultané- ment à la fixation d’un tel délai soit après, à tout moment et aussi longtemps que l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’a pas remédié au manquement constaté ou pris les mesures visant à empêcher la survenance de ce manquement, ceci sans devoir attendre l’issue du délai fixé. L’entreprise d’assurance ou de réassurance peut ainsi, dans ce contexte, se voir imposer des exigences complémentaires, spécifiques ou plus contraignantes, en matière de fonds propres, de liquidité, de concen- tration des risques, d’évaluation, de reporting ou de publication. La nouveauté réside ici en ce qu’il ne faut plus attendre — ainsi qu’il en va, sauf exception liée à l’urgence de la situation, sous le régime de l’article 26, paragraphe 1er, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 — l’expiration du délai de redressement fixé pour prendre les mesures contraignantes précitées (lesquelles se trouvent par ailleurs étendues). La Banque peut ainsi imposer des mesures contrai- gnantes en vue de la reconstitution des fonds propres, concernant la distribution de dividendes ou tout paie- ment aux actionnaires et/ou titulaires d’instruments de fonds propres, pour autant que cette suspension soit autorisée par les dispositions légales et/ou contrac- tuelles applicables (certains instruments bénéficient encore temporairement de la qualité de fonds propres durant une période transitoire, bien qu’étant soumis, par exemple, à une clause assurant à leur titulaire un droit — non susceptible de faire unilatéralement l’objet d’une réduction — au paiement d’un intérêt; voy. les articles 659 et 660 en projet). Dans le même ordre d’idée, la Banque dispose également de la possibilité 275 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de beloning van de personen waarop het beloningsbe- leid van toepassing is, te beperken tot een percentage van de winst van de onderneming. De Bank beschikt bovendien over de mogelijkheid te eisen dat het risico wordt beperkt dat verbonden is aan bepaalde activiteiten of producten of aan de organisatie van de onderneming, in voorkomend geval door haar activiteiten en/of verrichtingen te beperken of door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van de activiteiten of het commercieel net van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De voornoemde dwingende maatregelen worden, zoals in paragraaf 3 wordt verduidelijkt, opgeheven wan- neer de Bank heeft vastgesteld dat de onderneming de vastgestelde situatie binnen de opgelegde termijn heeft verholpen. De Bank beslist in dat geval op welke wijze de dwingende maatregelen worden opgeheven, wat bij- voorbeeld geleidelijk kan geschieden. Het doel hiervan is dat de Bank, indien ze dat nodig acht, kan nagaan of de situatie duurzaam is hersteld alvorens te besluiten de dwingende maatregel(en) volledig op te heffen. Afdeling II Uitvoering van het herstelplan Ontwerpartikel 509 bepaalt dat de Bank, bij een in artikel 508 bedoelde inbreuk, over de nieuwe mogelijk- heid beschikt om van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming te eisen dat ze het her- stelplan dat ze zou hebben moeten opstellen als gevolg van een krachtens artikel 204 genomen besluit, geheel of gedeeltelijk uitvoert (zie de artikelen 204 tot 211, die Hoofdstuk VIII van Titel II vormen). Het is immers mogelijk dat het herstelplan maatregelen bevat die de vastgestelde situatie zouden kunnen verhelpen. Voor zover nodig wordt gepreciseerd dat het de Bank en niet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming is die beschikt over de bevoegdheid om te beoordelen of bepaalde in het herstelplan vastgelegde maatrege- len daadwerkelijk bevredigende oplossingen kunnen aanreiken voor de vastgestelde onregelmatige situatie. Afdeling III Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn Art. 510 tot 512 De artikelen 510 tot 512 zorgen voor de omzetting van de artikelen 138, 139 en 142 van de Richtlijn. de limiter la composante des rémunérations variables des personnes visées par la politique de rémunération à un pourcentage du bénéfice de l’entreprise. La Banque dispose par ailleurs de la possibilité d’exiger une diminution du risque inhérent à certaines activités ou produits, ou à l’organisation de l’entre- prise, le cas échéant en limitant ses activités et/ou ses opérations ou en imposant la cession de tout ou partie des activités ou du réseau commercial de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. La levée des mesures contraignantes précitées, ainsi qu’il est précisé au paragraphe 3, a lieu lorsque la Banque a constaté que l’entreprise a remédié à la situation constatée, dans le délai fixé. La Banque décide dans ce cas des modalités de la levée des mesures contraignantes, qui peut, par exemple, s’effectuer de manière progressive. L’objectif est ici que la Banque puisse, si elle l’estime nécessaire, s’assurer de la permanence du rétablissement de la situation pour décider de la levée complète de la (ou des) mesure(s) contraignante(s). Section II Mise en œuvre du plan de redressement L’article 509 en projet précise que la Banque dispose, dans l’hypothèse de manquements visée à l’article 508, de la possibilité nouvelle de requérir de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée la mise en œuvre de tout ou partie du plan de redressement qu’elle aurait été amenée à établir suite à une décision prise en application de l’article 204 (voy. les articles 204 à 211 formant Chapitre VIII du Titre II). Il se peut, en effet, que le plan de redressement comporte des mesures qui permettraient de remédier à la situation rencontrée. On précise, pour autant que de besoin, que c’est la Banque, et non l’entreprise d’assurance ou de réassurance, qui dispose du pouvoir d’évaluer si certaines mesures pré- vues par le plan de redressement peuvent effectivement apporter des solutions satisfaisantes à la situation de manquement constatée. Section III Programme de rétablissement et plan de financement à court terme Art. 510 à 512 Les articles 510 à 512 assurent la transposition des articles 138, 139 et 142 de la Directive. 276 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De artikelen  510  en 511  hebben respectievelijk betrekking op het geval waarin de verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet meer voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR) en aan het mi- nimumkapitaalvereiste (MCR). In die gevallen moet de onderneming die vaststelt dat zich een onregelmatige situatie voordoet of dat het gevaar dreigt dat zulks in de komende drie maanden gebeurt, de Bank daarvan onmiddellijk in kennis stellen. Binnen twee maanden na deze vaststelling (of na de kennisgeving van een dergelijke vaststelling door de Bank) moet de onderneming een programma ter goedkeuring indienen om binnen een opgelegde termijn opnieuw aan de wettelijke vereisten te voldoen: dit pro- gramma wordt respectievelijk “saneringsplan” of “plan inzake financiering op korte termijn” genoemd en de ter- mijn voor het herstel van de situatie bedraagt respectie- velijk zes of drie maanden, naargelang de niet-naleving betrekking heeft op het solvabiliteitskapitaalvereiste (ar- tikel 510) of op het minimumkapitaalvereiste (artikel 511). Paragraaf 2 van de artikelen 510 en 511 — die zorgt voor de omzetting van artikel 142, lid 1 van de Richtlijn — vermeldt de elementen die het programma moet bevatten. In dat verband wordt verduidelijkt dat de in 1° vereiste raming van de te verwachten beheerkosten, met name van de algemene kosten en de commissies, de aankoop-, de investerings-, de schaderegelings- of ook de administratiekosten omvat. Met betrekking tot het saneringsplan biedt para- graaf 3 van artikel 510 de Bank de mogelijkheid de voornoemde termijn van zes maanden (die op grond van paragraaf 1, tweede lid reeds verlengd kan worden met drie maanden) voor de desbetreffende onderneming, rekening houdend met verschillende factoren en criteria inzake de ongunstige omstandigheden en met die eigen aan de onderneming (zoals de aard en de looptijd van de technische voorzieningen) — zoals bepaald in arti- kel 289 van Verordening 2015/35 — te verlengen met een periode van maximaal zeven jaar in uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als bedoeld in artikel 138, lid 4 van de Richtlijn, die als zodanig worden aangemerkt door EIOPA. Volgens dit artikel 138 van de Richtlijn is dat het geval als de financiële positie van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die een significant deel van de markt of van de getroffen business lines vertegenwoordigen, ernstig of negatief getroffen wordt door een of meer van de volgende omstandigheden: a) een koersdaling op de financiële markten die on- voorzien, fors en scherp is; b) een omgeving met een aanhoudende lage rentevoet; Les articles 510 et 511 concernent respectivement l’hypothèse où l’entreprise d’assurance ou de réas- surance ne respecte plus les exigences de capital de solvabilité requis (SCR) et celles relatives au minimum de capital requis (MCR). Dans ces cas, l’entreprise qui constate une situation de manquement avérée ou susceptible de se réaliser dans les trois mois à venir doit en informer immédiate- ment la Banque. Dans les deux mois de ce constat (ou de la notification d’un tel constat effectué par la Banque), l’entreprise doit soumettre, pour approbation, un programme visant à rétablir le respect des exigences légales dans un délai imposé: ce programme est respectivement dénommé “programme de rétablissement” ou “plan de finance- ment à court terme” et les délais pour le rétablissement de la situation sont respectivement de six ou de trois mois lorsque le non-respect concerne les exigences de capital de solvabilité requis (article 510) ou celles relatives au minimum de capital requis (article 511). Le paragraphe 2 des articles 510 et 511 — assurant la trans- position de l’article 142, paragraphe 1 de la Directive — énonce les éléments que doit contenir le programme. À cet égard, on précise que le 1° qui requiert une esti- mation prévisionnelle des frais de gestion, notamment des frais généraux et des commissions couvre des frais tels que ceux d’acquisition, de placement, de règlement de sinistres ou encore des frais d’administration. S’agissant du programme de rétablissement, le para- graphe 3 de l’article 510 permet à la Banque de prolon- ger, pour l’entreprise affectée et compte tenu de divers facteurs et critères relatifs à la situation défavorable et de ceux propres à l’entreprise (comme la nature et la duration des provisions techniques) — ainsi que cela est prévu par l’article 289 du Règlement 2015/35 —, le délai précité de six mois (déjà prolongeable de trois mois sur la base du paragraphe 1er, alinéa 2) d’une durée maximale de sept ans en cas de situation défa- vorable exceptionnelle telle que visée à l’article 138, paragraphe 4 de la Directive et déclarée comme telle par l’EIOPA. Selon ledit article 138 de la Directive, il en est ainsi lorsque la situation financière d’entreprises d’assurance ou de réassurance représentant une part significative du marché ou des lignes d’activité affectées subit les effets graves ou préjudiciables d’au moins l’une des conditions suivantes: a) une baisse imprévue, prononcée et abrupte des marchés financiers; b) un contexte durable de faibles taux d’intérêt; 277 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 c) een rampzalige gebeurtenis met grote gevolgen. In artikel 288 van Verordening 2015/35 worden alle factoren en criteria opgesomd waarmee EIOPA rekening houdt om vast te stellen of er sprake is van dergelijke uitzonderlijke ongunstige omstandigheden. Voor een dergelijke verlenging van de termijn moet evenwel een tussentijds verslag worden ingediend waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of het risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. Als uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruit- gang is geboekt door de onderneming in het licht van de genoemde doelstellingen, kan de verlenging worden ingetrokken. Ontwerpartikel  512  zet artikel  142, lid  2  om, dat bepaalt dat, indien de Bank van oordeel is dat de rech- ten van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrang komen, zij zich onthoudt van de afgifte van de in de artikelen 109, eerste lid en 116, eerste lid, bedoelde solvabiliteitsattesten die vereist zijn voor grensover- schrijdende activiteiten, zolang de in de artikelen 510 en 511 bedoelde programma’s lopen. Met betrekking tot de effectiviteit van deze bepalin- gen dient, behalve op het hierna toegelichte artikel 513, gewezen te worden op het feit dat ontwerpartikel 541, in overeenstemming met artikel 144, lid 1, tweede ali- nea van de Richtlijn, bepaalt dat de Bank de vergunning herroept voor alle verzekerings- of herverzekeringstak- ken en —activiteiten indien een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming niet meer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de Bank het plan voor financiering op korte termijn duidelijk inadequaat acht, of indien de betrokken onderneming er niet in slaagt om binnen drie maanden na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste, het goedgekeurde plan te volgen. Afdeling IV Beperking van de bevoegdheid om over de activa te beschikken Art. 513 tot 516 Deze bepalingen zorgen hoofdzakelijk voor de omzet- ting van artikel 140 van de Richtlijn. Artikel 513 bepaalt de c) un évènement catastrophique porteur de graves incidences. L’article  288  du Règlement 2015/35  précise l’en- semble des facteurs et critères à prendre en compte par l’EIOPA dans son évaluation de l’existence de telles situations défavorables exceptionnelles. Une telle extension de délai est toutefois soumise à une obligation de rapport intermédiaire exposant les mesures prises et les progrès accomplis pour rétablir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. Si, à la lumière de ce rapport, aucun progrès significatif n’est accompli par l’entreprise au regard desdits objectifs, le bénéfice de la prolongation peut être retiré. L’article  512  en projet assure la transposition de l’article 142, paragraphe 2 imposant que, pendant la durée des programmes visés aux articles 510 et 511, si la Banque estime que les droits des preneurs d’assu- rance, des assurés ou des bénéficiaires ou le respect des droits découlant des contrats de réassurance, sont menacés, elle s’abstient de délivrer les attestations de solvabilité visées aux articles 109, alinéa 1er et 116, ali- néa 1er, attestions qui sont requises aux fins d’activités transfrontalières. S’agissant de l’effectivité de ces dispositions, outre l’article  513  commenté ci-après, on rappelle que l’article 541 en projet prévoit, en conformité avec l’article 144, paragraphe 1er, alinéa 2 de la Directive, que la Banque révoque l’agrément en ce qui concerne l’ensemble des branches et activités d’assurance ou de réassurance lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne dispose plus du minimum de capital requis et que la Banque considère que le plan de finan- cement à court terme est manifestement insuffisant ou que l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation de la non-conformité du minimum de capital requis. Section IV Limitation du pouvoir de disposer des actifs Art. 513 à 516 Ces dispositions assurent essentiellement la transpo- sition de l’article 140 de la Directive. L’article 513 définit 278 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 omstandigheden waarin, overeenkomstig artikel 140 van de Richtlijn, de maatregel inzake de beperking van of het verbod op de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan worden genomen. Deze gevallen, die ontleend zijn aan artikel 26, § 5 van de wet van 9 juli 1975 en aan artikel 48, § 1 van de wet van 16 februari 2009, zetten aldus de artikelen 137, 138, lid 5, 139, lid 3 en 141 van de Richtlijn om. Ontwerpartikel 514, dat grotendeels geïnspireerd is op de artikelen 17 van de wet van 9 juli 1975 en 49 van de wet van 16 februari 2009, schetst de wettelijke rege- ling voor de beperking van (of het verbod op) de vrije beschikking over de activa, waarbij bepaald wordt op welke activa het van toepassing kan zijn en op welke wijze het ten uitvoer wordt gelegd, afhankelijk van het type van de betrokken activa. De ontwerpartikelen 515 en 516, die artikel 140 in fine van de Richtlijn omzetten, voorzien in de noodza- kelijke samenwerking tussen de toezichthouders van de lidstaten in het kader van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Zo wordt in artikel 515, eerste lid, bepaald welke informatie moet worden meegedeeld aan de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waarin de verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten worden uitgeoefend. Het tweede lid verduidelijkt dat de Bank de toezichthouders van de lidstaten op het grondgebied waarvan de activa van de onderneming gelokaliseerd zijn, kan verzoeken de nodige maatregelen te nemen om de effectiviteit te verzekeren van de beperking van of het verbod op de vrije beschikking over die activa. Het gaat daarbij niet alleen om die lidstaten waarin een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht grensoverschrijdende activiteiten zou uitoefenen, maar wel degelijk om alle lidstaten waarin activa van deze onderneming zouden gelokaliseerd zijn. Ontwerpartikel 516 is de “spiegelbepaling” van arti- kel 515, tweede lid en vervolledigt het samenwerkings- mechanisme. Het voorziet in de behandeling van een verzoek om bijstand van een toezichthouder van een lidstaat, waarbij aan de Bank zou worden gevraagd haar medewerking te verlenen door gebruik te maken van haar recht om de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder die lidstaat ressorteert, te beperken of te ontnemen indien die activa in België gelokaliseerd zijn. Die mogelijkheid bestaat niet alleen in het geval dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in België actief zou zijn via een bijkantoor of in het kader van de vrije dienstverrichting, maar ook in elke situatie waarin een onderneming die onder het recht van een lidstaat ressorteert, in België gelokaliseerde activa zou hebben. les circonstances dans lesquelles, conformément à l’article  140  de la Directive, la mesure consistant à restreindre ou interdire la libre disposition des actifs d’une entreprise d’assurance ou de réassurance peut être prononcée. Ces cas, issus de l’article 26, § 5 de la loi du 9 juillet 1975 et de l’article 48, § 1er de la loi du 16 février 2009, transposent ainsi les articles 137, 138, paragraphe 5, 139, paragraphe 3 et 141 de la Directive. S’inspirant largement des articles 17 de la loi du 9 juillet 1975 et 49 de la loi du 16 février 2009, l’ar- ticle 514 en projet énonce le régime juridique régissant la restriction (ou interdiction) de la libre disposition des actifs en précisant les actifs auxquels il est susceptible de s’appliquer, ses modalités de mise en œuvre en distinguant selon le type d’actifs concernés. Assurant la transposition de l’article 140 in fine de la Directive, les articles 515 et 516 en projet prévoient la coopération nécessaire entre autorités de contrôle des États membres dans le cadre de la mise en œuvre de la mesure. Ainsi, l’article 515 prévoit, en son alinéa 1er, l’information nécessaire à adresser aux autorités des États membres d’accueil dans lesquels des activi- tés d’assurance ou de réassurance sont exercées. L’alinéa 2 précise quant à lui que la Banque peut deman- der aux autorités de contrôle des États membres sur le territoire desquels sont situés les actifs de l’entreprise de prendre les mesures nécessaires en vue d’assurer l’effectivité de la restriction ou de l’interdiction de la libre disposition de ces actifs. Ces situations ne sont pas limitées aux seuls État où une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge exercerait des activités sur une base transfrontalière mais vise bien tous les États membres où seraient situés des actifs de cette entreprise. L’article 516 en projet, au titre de disposition “miroir” de l’article 515, alinéa 2 complète le mécanisme de coopération en prévoyant le traitement d’une demande d’assistance émanant d’une autorité de contrôle d’un État membre aux termes de laquelle il serait demandé à la Banque de prêter son concours en usant de sa prérogative de restreindre ou interdire la libre disposi- tion des actifs concernant des actifs qui appartiennent à une entreprise d’assurance ou de réassurance rele- vant du droit de cet État membre et qui sont localisés en Belgique. Une telle possibilité n’est pas limitée aux cas où l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée exercerait des activités en Belgique par voie de succursale ou en libre prestation de services mais couvre toute hypothèse où une entreprise relevant du droit d’un État membre aurait des actifs localisés en Belgique. 279 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Uitzonderlijke herstelmaatregelen Art. 517 In ontwerpartikel 517, § 1 worden artikel 26, § 1 van de wet van 9 juli 1975 en artikel 47, § 1 van de wet van 16 februari 2009 overgenomen. Het bevat de verschil- lende maatregelen die de Bank ter beschikking staan in twee gevallen: a) de verzekerings- of herverzekerings-onderneming voldoet niet of niet langer aan de met toepassing van artikel 508, § 2 door de Bank opgelegde dwingende maatregelen; b) de verzekerings- of herverzekerings-onderneming heeft de vastgestelde inbreuken niet verholpen bin- nen de met toepassing van het genoemde artikel 508, § 1 door de Bank vastgestelde termijn. De Bank kan tevens, zoals in paragraaf 2 wordt be- paald, in uiterst spoedeisende gevallen de genoemde maatregelen treffen, zonder een termijn op te leggen en zonder dat een verzekerings- of herverzekeringson- derneming niet of niet langer heeft voldaan aan de in artikel 508 omschreven dwingende maatregelen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk bij fraudegevallen die een snelle reactie vergen. De bepaling maakt eveneens melding van gevallen waarin de rechten van schuldeisers uit hoofde van verzekering worden bedreigd door de in de verzekeringsonderneming vastgestelde situatie. Ondanks de verwarring die daarover soms zelfs in de besluiten van de Raad van State bestaat, zij erop ge- wezen dat de in artikel 517 omschreven administratieve maatregelen niet de aard van sancties hebben. Het be- treft hier immers corrigerende maatregelen die noch tot doel noch tot gevolg hebben enige schuld vast te stellen of te straffen, maar die ernaar streven de bescherming van de verzekerings- en herverzekeringsconsumenten te waarborgen door toe te zien op de naleving van de wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden die het wettelijk statuut van de verzekerings- en her- verzekeringsondernemingen vormen, de stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in de verze- keringsmarkt in stand te houden, en het vertrouwen van het publiek, in het bijzonder dat van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverzekering in de finan- ciële sector als geheel en in de financiële marktpartijen te handhaven. Door hun preventieve aard vallen die administratieve maatregelen aldus onder de taak van administratieve politie die inherent is aan het optreden van de toezichthouder. De benaming administratieve maatregelen houdt niet in dat die maatregelen kunnen Section V Mesures de redressement exceptionnelles Art. 517 L’article 517, § 1er en projet constitue la reprise de l’article 26, § 1er de la loi du 9 juillet 1975 et l’article 47, § 1er de la loi du 16 février 2009. Il prévoit les différentes mesures à disposition de la Banque dans deux cas de figure: a) l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures contraignantes imposées par la Banque en application de l’article 508, § 2; b) l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’a pas remédié aux manquements constatés endéans le délai fixé par la Banque en application dudit article 508, § 1er. La Banque peut également, ainsi que le précise le paragraphe 2, adopter lesdites mesures en cas d’extrême urgence, sans qu’un délai soit fixé et sans qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne se soit conformée, ou ait cessé de se conformer, aux mesures contraignantes prévues à l’article 508. Il peut ainsi s’agir de situations de fraude nécessitant une réaction prompte. La disposition évoque également des situations où les droits des créanciers d’assurance sont menacés par la situation constatée au sein de l’entre- prise d’assurance. Contrairement à une certaine confusion parfois ren- contrée même dans les décisions du Conseil d’État, on rappelle que les mesures administratives prévues à l’article 517 n’ont pas la nature de sanctions. En effet, il s’agit ici de mesures correctrices qui n’ont ni pour but ni pour effet de constater une quelconque culpabilité ou de punir, mais qui tendent à garantir la protection des consommateurs d’assurance et de réassurance par la surveillance du respect des obligations et interdictions légales et réglementaires formant le statut légal des entreprises d’assurance et de réassurance, à préser- ver la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance, ainsi que la confiance du public, en particulier des créanciers d’assurance et de réassurance, dans le secteur financier dans son ensemble et dans les opérateurs de ce secteur. Ces mesures administratives, de par leur caractère préven- tif, relèvent ainsi de la mission de police administrative inhérente à l’action de l’autorité de contrôle. La qualifi- cation de mesures administratives ne conduit pas à ce que l’adoption de ces mesures puisse s’effectuer sans aucune garantie d’ordre procédural pour les personnes 280 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 worden genomen zonder enige procedurele garantie voor de betrokkenen. Aangezien de genoemde maat- regelen immers berusten op rechtshandelingen van de actieve administratie, moeten ze uiteraard voldoen aan de algemene beginselen van het administratief recht waaraan de Bank als administratieve autoriteit onder- worpen is. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het debat op tegenspraak, het onpartijdigheidsbeginsel, het recht om te worden gehoord en de naleving van het evenredigheidsbeginsel. (zie A. DIRKX, “La CBFA, les infractions à la législation financière et la sanction par les amendes administratives”, in Le droit pénal financier en marche / Het financieel strafrecht in opmars, AEDBF, Anthemis, 2009, p. 273, nrs. 5 tot 7). In paragraaf 1 worden de maatregelen die reeds on- der vigeur van de wet van 9 juli 1975 van toepassing wa- ren, overgenomen, opnieuw ingedeeld en vervolledigd. Het betreft de aanstelling van een speciaal commissaris, de vervanging van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de aanstelling, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen, van een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders, de schorsing van de gehele of gedeeltelijke uitoefening van het bedrijf, de verplichte overdracht door de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming van de aandelen die zij bezit, de beperking van de vrije beschikking over de activa van de onderneming, de verplichte integrale of gedeeltelijke overdracht van de activiteiten, wat betekent dat de portefeuille van verzekeringsovereenkomsten wordt overgedragen, en, als ultieme maatregel, de her- roeping van de vergunning. Met betrekking tot de vervanging van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, valt op te merken dat de bepaling verbeterd werd door eraan toe te voegen dat, wanneer de omstandigheden dit rechtvaar- digen, de Bank een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders kan aanstellen zonder vooraf de vervan- ging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderneming. Dat zou onder meer het geval kunnen zijn in situaties waarin de leiders dezelfde personen zijn als de aandeelhouders en deze laatsten het voorwerp hebben uitgemaakt van in artikel 72 bedoelde maatre- gelen. De bepaling schrijft voor dat de benoeming door de Bank van de personen die de voltallige bestuurs- en beleidsorganen vervangen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Parallel daarmee moet het einde van de functies van deze personen eveneens op die manier worden bekendgemaakt. Paragraaf 1  bepaalt eveneens dat de voorlopige bestuurder of bestuurders aan de Bank, volgens de mo- daliteiten die deze bepaalt, verslag uitbrengen over de concernées. En effet, relevant d’actes de l’administra- tion active, lesdites mesures doivent bien évidemment satisfaire aux principes généraux du droit administratif auxquelles la Banque est soumise en sa qualité d’auto- rité administrative. On pense ici notamment au respect du débat contradictoire, du principe d’impartialité, du droit d’être entendu, ainsi que le respect du principe de proportionnalité. (voy. A. Dirkx, “La CBFA, les infrac- tions à la législation financière et la sanction par les amendes administratives”, in Le droit pénal financier en marche / Het financieel strafrecht in opmars, AEDBF, Anthemis, 2009, p. 273, n°s 5 à 7). Le paragraphe 1er reprend, en les reclassant et les complétant, les mesures qui étaient déjà d’application sous l’empire de la loi du 9 juillet 1975. Il s’agit de la désignation d’un commissaire spécial, du remplace- ment de tout ou partie des membres de l’organe légal d’administration ou de la substitution de l’ensemble des organes d’administration et de gestion par un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires, la suspension de l’exercice de tout ou partie des activités, de l’injonction de céder des droits d’associé détenus par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, de la restriction de disposer des actifs de l’entreprise, de l’injonction de céder tout ou partie des activités, impli- quant la cession de portefeuille de contrats et, au titre de mesure ultime, la révocation de l’agrément. S’agissant du remplacement de tout ou partie des membres de l’organe légal d’administration, on relève que la disposition s’est vue améliorée par l’ajout selon lequel lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d’un ou plusieurs admi- nistrateurs ou gérants provisoires sans procéder préa- lablement à l’injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l’entreprise. Il pourrait notamment en être ainsi dans des situations où il y a identité de personnes entre les dirigeants et des actionnaires et que ces der- niers ont fait l’objet de mesures sous l’article 72. La disposition précise que la nomination par la Banque des personnes qui se substituent à l’ensemble des organes d’administration et de gestion fait l’objet d’une publi- cation au Moniteur belge. Le parallélisme des formes implique nécessairement que la fin des fonctions de ces personnes fait également l’objet d’une telle publication. Le paragraphe 1er prévoit également que le ou les administrateurs provisoires fassent rapport à la Banque, selon les modalités qu’elle détermine, sur la situation 281 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financiële positie van de onderneming (aan het begin en aan het einde van hun opdracht) en over de maatregelen die ze in het kader van hun opdracht hebben genomen. Paragraaf 1, 3° van ontwerpartikel 517 voegt daaraan toe dat de Bank de verzekerings- of herverzekerings- onderneming kan gelasten een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt. Deze maatregel heeft tot doel de aandeelhouders ertoe te brengen zich uit te spreken over een maatregel die een beslissing van de algemene vergadering vergt. In het verlengde van deze bepaling, kunnen de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) die werden aangewezen ter vervanging van een lid of leden van de wettelijke bestuursorganen, eveneens een algemene vergadering van aandeelhouders bijeenroe- pen en de agenda ervan vaststellen, mits ze hiervoor de toestemming van de Bank hebben gekregen. Met betrekking tot de schorsing van alle of een deel van de activiteiten, stelt de bepaling, naar het voor- beeld van artikel 26, na wijziging ervan bij de wet van 2 juni 2010 tot uitbreiding van de herstelmaatregelen voor de ondernemingen uit de bank- en financiële sector (Parl. St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2406/001, 12-13), dat deze schorsing in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg kan hebben. Daarbij wordt evenwel verduidelijkt dat een dergelijke schorsing niet langer mag duren dan twee maanden en geen reden mag zijn voor niet-betaling van de premies die reeds verschuldigd waren vóór de datum van de schorsingsmaatregel. Met betrekking tot de verplichte integrale of gedeel- telijke overdracht van de activiteiten, met inbegrip van de overdracht van de portefeuille, zij erop gewezen dat, met het oog op een gelijke behandeling van schuldeisers uit hoofde van verzekering, de bepaling de toepas- singsvoorwaarden als bepaald in het hierna toegelichte artikel 547, § 2, 1° toepasselijk verklaart. HOOFDSTUK III Maatregelen ter bescherming van het financiële stelsel Art. 519 tot 537 De bepalingen van Hoofdstuk III (artikelen 519 tot 537) vormen een overname van de artikelen 26bis en 26ter van de wet van 9 juli 1975, zoals in soortgelijke bewoordingen ingevoegd bij een wet van 2 juni 2010, financière (en début et en fin de mission) de l’entreprise et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission. Le paragraphe 1er, 3° de l’article 517 en projet ajoute ainsi la possibilité pour la Banque d’enjoindre à l’entre- prise d’assurance ou de réassurance de convoquer une assemblée générale des actionnaires, dont elle impose l’ordre du jour. Cette mesure a pour objet de conduire les actionnaires à se prononcer sur une mesure néces- sitant une décision de leur assemblée. Dans le prolon- gement de cette disposition, le ou les administrateurs ou gérants provisoires désignés en remplacement d’un ou des membres des organes légaux d’administration, peuvent également convoquer une assemblée générale des actionnaires et en établir l’ordre du jour, à condition d’avoir obtenu l’autorisation de la Banque. S’agissant de la suspension de tout ou partie des activités, à l’instar de ce qui était prévu sous l’article 26 à la suite de sa modification par la loi du 2 juin 2010 visant à compléter les mesures de redressement applicables aux entreprises relevant du secteur bancaire et finan- cier (Doc. Parl., Ch.  Repr., sess. 2009-2010, DOC 52 2406/001, pp. 12 et 13), la disposition précise que la suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours. La disposition précise toutefois qu’une telle suspension ne peut excéder deux mois ni constituer une cause de non versement des primes dues avant la date de la mesure de suspension. S’agissant de l’injonction de céder tout ou partie des activités, impliquant la cession de portefeuille, on indique qu’en vue de garantir une égalité de traite- ment entre créanciers d’assurance, la disposition rend applicable les conditions d’application prévues sous l’article 547, § 2, 1° commenté ci-après. CHAPITRE III Mesures de sauvegarde du système financier Art. 519 à 537 Les dispositions du Chapitres III (articles 519 à 537) constituent la reprise des articles 26bis en 26ter de la loi du 9 juillet 1975 tels qu’introduits par une loi du 2 juin 2010 en des termes similaires pour les entreprises 282 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voor de verzekeringsondernemingen en de krediet- instellingen5. Er zij verwezen naar de toelichting bij deze wet (Parl. St. Kamer, 2009-10, nr. 52-2406/001; J.-P. Deguée, “Nouvelle législation sur le renforcement des mesures de redressement en cas de crise”, TBH, 2011/3, blz. 234). Met het oog op een betere leesbaarheid werd de inhoud van deze artikelen 26bis en 26ter overgenomen in een groter aantal bepalingen. TITEL VII Beëindiging van de vergunning Titel VII verschaft het noodzakelijke juridische kader voor de verschillende situaties waarin een einde wordt gesteld aan de vergunning, ongeacht of dat gebeurt op verzoek van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming, of als gevolg van een beslissing van de toezichthouder op grond van de omstandigheden, doorgaans een onregelmatige situatie, waarin de on- derneming zich bevindt. HOOFDSTUK I Doorhaling van de vergunning Dit Hoofdstuk regelt de gevallen waarin de vergun- ning niet wegens een inbreuk door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt beëindigd, maar op uitdrukkelijk verzoek van deze laatste of ook als gevolg van de niet-uitoefening van het bedrijf gedurende een lange periode. Het kan ook gaan om de opening van collectieve procedures zoals een ontbinding (die leidt tot een liquidatieprocedure in de zin van het Wetboek van Vennootschappen) of een faillissement. Afdeling I Afstand van de vergunning Afdeling I regelt het geval van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die hun activiteiten willen stopzetten en dus geen nieuwe overeenkomsten meer willen afsluiten, waarbij ze hun verplichtingen uit hoofde van de lopende verzekerings- of herverzeke- ringsovereenkomsten blijven nakomen. Het gaat om de zogenaamde ondernemingen in “run-off”. De aandacht zij gevestigd op een overgangsbepaling in dit verband: 5 Wet van 2 juni 2010 tot uitbreiding van de herstelmaatregelen voor de ondernemingen uit de bank- en financiële sector, BS 14 juni 2010, blz. 37 063. d’assurance et les établissements de crédit5. On renvoie aux commentaires relatifs à cette loi (Doc.Parl. Ch. Repr. Sess. 2009-10, 52e Législature, Doc. n° 2406/001; J.- P. Deguée, “Nouvelle législation sur le renforcement des mesures de redressement en cas de crise”, RDC, 2011/3, p. 234). En vue d’en assurer une meilleure lisibilité, le contenu desdits articles 26bis en 26ter a été repris sous un plus grand nombre de dispositions. TITRE VII De la fin de l’agrément Le Titre VII prévoit l’encadrement juridique nécessaire aux différentes situations où il est mis fin à l’agrément, que ces situations résultent de la volonté de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou qu’elles soient le résultat d’une décision de l’autorité en raison des circonstances, essentiellement de manquement, dans lesquelles se trouve l’entreprise. CHAPITRE IER Radiation de l’agrément Ce Chapitre règle les situations où il est mis fin à l’agrément non en raison d’un manquement de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance mais à la suite d’une demande expresse de celle-ci ou encore du non exercice de l’activité durant une période prolongée. Il s’agit encore des cas d’ouverture de procédures collectives que sont la dissolution (qui entraîne une procédure de liquidation au sens du Code des sociétés) et de la faillite. Section Ire Renonciation à l’agrément La Section Ire règle le cas des entreprises d’assu- rance ou de réassurance qui entendent cesser leurs activités et ainsi ne plus conclure de nouveaux contrats, tout en continuant à honorer leurs obligations découlant des contrats d’assurance ou de réassurance en cours. C’est le cas des entreprises dites en “run off”. On attire l’attention sur l’existence d’une disposition transitoire en la matière: l’article 653 en projet justifié par la nécessité 5 Loi du 2 juin 2010 visant à compléter les mesures de redresse- ment applicables aux entreprises relevant du secteur bancaire et financier, MB 14 juin 2010, p. 37 063. 283 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ontwerpartikel 653, dat artikel 308ter, lid 1 tot 4 van de Richtlijn omzet. Art. 538 Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die afstand wensen te doen van hun vergunning en tegelijk willen toezien op de goede uitvoering van de lopende ver- zekerings- of herverzekeringsovereenkomsten, moeten bij de Bank een verzoek indienen, waarin ze vermelden voor welke verzekeringstakken of herverzekeringsactivi- teiten ze afstand willen doen van hun vergunning. Bij het verzoek moet een plan gevoegd worden waarin wordt aangegeven op welke wijze de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten met betrekking tot de activiteiten waarvoor om afstand van de vergunning wordt verzocht. Aan de hand van dit plan kan worden nagegaan of de manier waarop de onderneming haar lopende ver- plichtingen wil afwikkelen, de nodige waarborgen biedt voor de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. Zo moet het plan een geloofwaardige raming van de verwachte financiële stromen bevatten, aan de hand waarvan kan worden gecontroleerd of de nodige middelen voorhan- den zijn om de lopende overeenkomsten na te leven. Het plan moet worden geactualiseerd (paragraaf 5) volgens de voorwaarden, met name inzake frequentie en inhoud, die geval per geval door de Bank worden bepaald, dat wil zeggen op grond van een individuele beslissing, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken onderneming. De beslissing tot doorhaling vermeldt de datum waarop de doorhaling uitwerking heeft. Wanneer een verzekeringsonderneming een verzoek tot afstand van de vergunning indient, raadpleegt de Bank eerst de FSMA vóór ze de datum vastlegt waarop de doorhaling van kracht wordt. Met het oog op de transparantie wordt de beslissing tot doorhaling niet alleen gepubliceerd op de website van de Bank, maar verschijnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in run off in een spe- cifieke rubriek van de in artikel 31 bedoelde lijst van ondernemingen die een vergunning hebben verkregen (paragraaf 6). Artikel 538 zorgt aldus voor de omzetting van arti- kel 144, lid 1, onder a) van de Richtlijn voor wat betreft het geval waarin de onderneming uitdrukkelijk afstand doet van de vergunning. de transposer l’article 308ter, paragraphe 1er à 4 de la Directive. Art. 538 Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui entendent renoncer à leur agrément tout en veillant à la bonne exécution des contrats d’assurance ou de réas- surance en cours doivent adresser une demande à la Banque spécifiant la ou les branches d’assurance ou les activités de réassurance pour lesquelles la renonciation à l’agrément est demandée. Cette demande doit être accompagnée d’un plan précisant la manière dont l’entreprise entend procé- der à la liquidation de ses engagements résultant des contrats d’assurance ou de réassurance relevant des activités pour lesquelles la renonciation de l’agrément est demandée. Ce plan est destiné à vérifier que la manière dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses engagements en cours donne une assurance suffi- sante quant à la préservation des droits des créanciers d’assurance ou de réassurance. Un tel plan précisera ainsi, de manière crédible, les flux financiers escomp- tés permettant de justifier l’existence des ressources nécessaires aux fins d’honorer les contrats en cours. Ce plan doit faire l’objet d’une actualisation (paragraphe 5) selon les conditions, concernant tant la fréquence que le contenu, déterminées par la Banque au cas par cas, c’est-à-dire par voie de décision individuelle eu égard aux spécificités de l’entreprise concernée. La décision de radiation précise la date des effets de la radiation. Lorsque la demande de renonciation à l’agrément émane d’une entreprise d’assurance, la Banque consulte préalablement la FSMA avant de déterminer la date d’effet de la radiation. Dans un souci de transparence, outre la publication de la décision de radiation sur le site internet de la Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance en run off apparaissent distinctement à la liste visée à l’article 31 reprenant les entreprises dûment agréées (paragraphe 6). L’article 538 assure ainsi la transposition de l’ar- ticle 144, paragraphe 1er, a) de la Directive pour le cas de la renonciation expresse à l’agrément par l’entreprise. 284 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Overeenkomstig ontwerpartikel 543 leidt het verlies van de vergunning tot het verbod op het sluiten van nieuwe overeenkomsten voor de verzekeringstak(ken) waarvoor de vergunning werd doorgehaald en/of voor alle nieuwe herverzekeringsovereenkomsten, indien het verlies van de vergunning betrekking heeft op de herverzekeringsactiviteit. Uit ontwerpartikel 545 vloeit voort dat de ondernemin- gen in run off onderworpen blijven aan de bepalingen van de ontwerpwet en haar uitvoeringsbesluiten en — reglementen, alsook aan de rechtstreeks toepasbare Europeesrechtelijke bepalingen, tot al haar verplichtin- gen in verband met de verzekerings- of herverzekerings- overeenkomsten afgewikkeld zijn. Gelet op de aard van deze verplichtingen en de verleende waarborgen met betrekking tot hun goede uitvoering, die — op perma- nente wijze — moeten worden aangetoond in het plan dat de onderneming moet indienen, kan de Bank, geval per geval, de onderneming in run off vrijstellen van de naleving van bepaalde wettelijke en reglementaire of Europeesrechtelijke bepalingen, wanneer die niet vereist is voor de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. Het principiële behoud van de toepassing van de bepalingen van de ontwerpwet en haar uitvoerings- besluiten en —reglementen (en van de rechtstreeks toepasbare uitvoeringsmaatregelen van de Richtlijn) impliceert noodzakelijkerwijs het behoud van de pre- rogatieven van de Bank, in het bijzonder in het geval van een verslechtering van de financiële positie van de onderneming. Niettemin wordt uitdrukkelijk gewezen op dit principe in paragraaf 2, tweede lid van ontwerparti- kel 538, waarin gesteld wordt dat, indien de onderne- ming in run off niet langer de nodige waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering, de Bank alle maatregelen kan treffen ter omkadering van de correcte afwikkeling van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering, waaronder de in de ontwerpartikelen 509 tot 517 omschreven maatregelen. Daarnaast beschikt de Bank eveneens over de in de hierna toegelichte artikelen 546 en 547 bedoelde prerogatieven ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. Conformément à l’article 543 en projet, la perte de l’agrément entraîne l’interdiction de souscrire tous nouveaux contrats dans la ou les branches d’assurance pour lesquelles l’agrément a été radié et/ou tous nou- veaux contrats de réassurance dès lors que l’activité de réassurance est concernée par la perte d’agrément. De l’article 545 en projet, il découle que les entre- prises en run off demeurent assujetties aux dispositions de la loi en projet et de ses arrêtés et règlements d’exé- cution et aux dispositions de droit européen directement applicables jusqu’à ce que soient liquidés tous les engagements relatifs aux contrats d’assurance ou de réassurance. Eu égard à la nature des engagements concernés et aux garanties fournies quant à leur bonne exécution telles qu’elles sont — de manière continue — justifiées par le plan exigé de l’entreprise, la Banque peut, au cas par cas, dispenser l’entreprise en run off du respect de certaines dispositions légales et réglemen- taires ou de droit européen dès lors qu’elles s’avèrent non justifiées au regard de la nécessité de préserver les droits des créanciers d’assurance ou de réassurance. Le maintien de principe de l’application des dispo- sitions prévues par la loi en projet et de ses arrêtés et règlements d’exécution (et des mesures d’exécution de la Directive directement applicables) implique néces- sairement le maintien des prérogatives dont dispose la Banque, en particulier en cas de dégradation de la situation financière de l’entreprise. Ce principe est néanmoins explicitement rappelé par le paragraphe 2, alinéa 2 de l’article 538 en projet qui dispose que si l’entreprise en run off ne présente plus les garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance ou de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures visant à encadrer une liquidation cor- recte des engagements d’assurance ou de réassurance de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers d’assurance ou de réassurance dont celles prévues aux articles 509 à 517 en projet. À côté de ces prérogatives, on relève que la Banque dispose également des prérogatives visées aux articles 546 et 547 aux fins de sauvegarder les droits des créan- ciers d’assurance, commentés ci-après. 285 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit Art. 539 Artikel 539, dat zorgt voor de omzetting van de twee andere in artikel 144, lid 1, onder a) van de Richtlijn be- doelde gevallen, regelt de doorhaling in het geval van niet-gebruik van de verkregen vergunning of langdurige stopzetting van de activiteiten. Paragraaf  2  van de ontwerpbepaling stipu- leert dat de doorhaling van toepassing is op de herverzekeringstak(ken) of —activiteiten waarop de situatie van niet-uitoefening betrekking heeft. Afdeling III Doorhaling van rechtswege Art. 540 Ontwerpartikel 540 betreft het derde geval van door- haling van de vergunning, namelijk de opening van een faillissementsprocedure of een liquidatieprocedure als gevolg van een (vrijwillige of gerechtelijke) ontbinding in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. Daarbij is het nuttig een verband te leggen met respectievelijk de ontwerpartikelen 640 en 642, waarin bepaald wordt dat deze procedures alleen na eensluidend advies van de Bank mogen worden geopend. Naast de specifieke regels voor deze procedures, treden de hierna omschreven bepalingen van Hoofdstuk III aldus in werking als gevolg van het verlies van de vergunning dat gepaard gaat met de opening van deze collectieve procedures. HOOFDSTUK II Herroeping van de vergunning Art. 541 Behalve de hierboven genoemde gevallen van door- haling van de vergunning, voorziet de wet in gevallen van herroeping. In het geval van een herroeping is de beëindiging van de vergunning te wijten aan een onregelmatige situatie die dermate ernstig is dat ze de intrekking van de vergunning en dus het verlies van het wettelijk statuut van verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming impliceert, met de daarbij horende juridische gevolgen. Section II Radiation pour non exercice de l’activité Art. 539 Transposant ainsi les deux autres situations visées à l’article 144, paragraphe 1er, a) de la Directive, l’ar- ticle 539 prévoit un autre cas de radiation consistant dans le non usage de l’agrément obtenu ou dans la cessation prolongée des activités. Le paragraphe 2 de la disposition en projet précise que la radiation concerne la ou les branches ou les activités de réassurance, qui sont concernées par la situation de non exercice. Section III Radiation de plein droit Art. 540 L’article 540 en projet prévoit le troisième des cas de radiation d’agrément consistant dans l’ouverture d’une procédure de faillite ou dans l’ouverture d’une procédure de liquidation qui fait suite à une dissolution (qu’elle soit volontaire ou judicaire) au sens du Code de sociétés. On fera ici utilement le lien respectivement avec les articles 640 et 642 en projet qui requièrent l’avis conforme de la Banque pour l’ouverture de ces procédures. La perte de l’agrément inhérente à l’ouverture de ces procédures collectives entraînera ainsi, outre les règles spécifiques à ces procédures, l’application des dispositions du Chapitre III précisées ci-après. CHAPITRE II Révocation de l’agrément Art. 541 À côté des cas précités de radiation de l’agrément, la loi prévoit des cas de révocation. En cas de révocation, la fin de l’agrément réside dans une situation de man- quement dont le niveau de gravité implique le retrait de l’agrément et donc la perte du statut légal d’entreprise d’assurance ou de réassurance avec les conséquences juridiques inhérentes. 286 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het eerste geval, waarnaar verwezen wordt in arti- kel 541 in limine, bestaat in de herroeping zoals bedoeld in artikel 517, § 1, 8°, als ultieme maatregel in geval van inbreuk op de wettelijke en reglementaire verplichtingen (met inbegrip van die van Verordening 2015/35). Het tweede geval zet artikel 144, lid 1, tweede alinea van de Richtlijn om, waarin bepaald wordt dat de vergunning voor alle verzekeringstakken en/of herverzekeringsacti- viteiten wordt herroepen wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet langer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de Bank van oordeel is dat het (met toepassing van ontwerpartikel 511) voorge- legde plan inzake financiering op korte termijn duidelijk inadequaat is of dat de betrokken onderneming er niet in slaagt om het goedgekeurde plan te volgen binnen drie maanden na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste. Art. 542 Artikel  542  bepaalt dat, wanneer de vergunning voor alle verzekeringstakken en/of herverzekerings- activiteiten herroepen wordt, hetzij met toepassing van artikel 517, § 1, 8°, hetzij met toepassing van het voornoemde artikel 541, de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming van rechtswege ontbonden en in ver- effening gesteld wordt (in de zin van de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen). Krachtens artikel 642, § 2 wordt in dat geval een liqui- dateur aangesteld, die benoemd wordt met goedkeuring van de Bank. HOOFDSTUK III Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende gevallen van verlies van de vergunning Art. 543 Hoewel uit de correcte toepassing van de principes voortvloeit dat het zonder vergunning niet mogelijk is verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten uit te oefenen, wordt in ontwerpartikel 543 uitdrukkelijk be- paald dat het volledige of gedeeltelijke verlies van de vergunning — ongeacht op welke rechtsgrond — leidt tot een verbod op het sluiten van nieuwe overeenkom- sten in de verzekeringstakken en voor de herverzeke- ringsactiviteiten waarop het verlies van de vergunning betrekking heeft. Het tweede lid van de ontwerpbepaling bevestigt, voor zover nodig, dit principe in geval van vereffening of faillis- sement, waarbij wordt aangestipt dat de bevoegdheden Le premier cas, rappelé par l’article 541 in limine consiste dans la révocation prévue sous l’article 517, §  1er, 8° au titre de mesure ultime en cas de man- quement aux obligations légales et réglementaires (y compris celles prévues par le Règlement 2015/35). Le deuxième cas assure la transposition de l’article 144, paragraphe 1er alinéa 2 de la Directive qui impose le retrait de l’agrément en ce qui concerne l’ensemble des branches d’assurance et/ou des activités de réas- surance lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réas- surance ne dispose plus du minimum de capital requis et que la Banque considère que le plan de financement à court terme présenté (en application de l’article 511 en projet) est manifestement insuffisant ou que l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation de la non- conformité du minimum de capital requis. Art. 542 L’article 542 prévoit que lorsque l’agrément est révo- qué soit en application de l’article 517, § 1er, 8°, soit en application de l’article 541 précité, pour l’ensemble des branches d’assurance et/ou des activités de réassu- rance, l’entreprise d’assurance ou de réassurance est dissoute de plein droit et entre en liquidation (au sens des articles 183 et suivants du Code des sociétés). L’application de l’article 642, § 2 conduira alors à la nomination d’un liquidateur ayant obtenu l’assentiment de la Banque. CHAPITRE III Dispositions communes aux différents cas de perte de l’agrément Art. 543 Bien qu’une application correcte des principes mène à cette conséquence, à savoir qu’à défaut d’agrément, il n’est pas possible de mener une activité d’assurance ou de réassurance, l’article 543 en projet énonce explicite- ment ce principe en disposant que la perte d’agrément, totale ou partielle, — quelle que soit la base juridique sur laquelle elle intervient — emporte l’interdiction de souscrire de nouveaux contrats dans les branches d’assurance et les activités de réassurance concernées par la perte d’agrément. L’alinéa 2 de la disposition en projet confirme, pour autant que de besoin, ce principe au cas de la liquidation et de la faillite en rappelant que les prérogatives d’un 287 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van een liquidateur of curator inzake de voortzetting van de activiteiten zich beperken tot de uitvoering van de lopende verzekerings- of herverzekeringsovereen- komsten, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. Dit heeft uiteraard geen betrekking op het sluiten van verze- kerings- of herverzekeringsovereenkomsten in de hoe- danigheid van verzekeringnemer of van herverzekerde. Art. 544 Ontwerpartikel 544 zorgt voor de omzetting van het principe van communautaire samenwerking bij verlies van vergunning, zoals bedoeld in artikel 144, lid 2, eerste alinea van de Richtlijn, voor wat betreft de mededeling van informatie en de vereiste hulp, teneinde te beletten dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nieuwe activiteiten aanvangt op het grondgebied van andere lidstaten waar ze actief was. Art. 545 tot 548 Zoals hierboven vermeld, bepaalt ontwerparti- kel 545 dat de ondernemingen die hun vergunning ver- loren hebben — ongeacht op welke rechtsgrond — on- derworpen blijven aan de bepalingen van de ontwerpwet en haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen, alsook aan de rechtstreeks toepasbare Europeesrechtelijke bepalingen, tot al haar verplichtingen in verband met de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten afgewikkeld zijn. Gelet op de aard van deze verplich- tingen en de verleende waarborgen inzake hun goede uitvoering, kan de Bank, geval per geval, de betrokken onderneming vrijstellen van de naleving van bepaalde wettelijke en reglementaire of Europeesrechtelijke be- palingen, wanneer die niet vereist is voor de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. Het principiële behoud van de toepassing van de bepalingen van de ontwerpwet en haar uitvoeringsbe- sluiten en —reglementen impliceert noodzakelijkerwijs het behoud van de prerogatieven van de Bank, in het bij- zonder in het geval van een verslechtering van de finan- ciële positie van de onderneming. Ontwerpartikel 546, dat artikel 144, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn omzet, bepaalt dat de Bank, in voorkomend geval in samenwerking met de toezichthouders van de andere lidstaten, aan de in deze Titel bedoelde ondernemingen alle passende maatregelen kan opleggen tot vrijwaring van de rechten van de verzekeringnemers, de verze- kerden en de begunstigden van de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten. Dit principe wordt verduidelijkt door erop te wijzen dat deze maatregelen liquidateur ou d’un curateur en matière de poursuite des activités se limitent à l’exécution des contrats d’assu- rance ou de réassurance en cours, à l’exclusion de la conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance ou de réassurance. Ceci ne concerne bien évidemment pas la conclusion de contrats d’assurance ou de réas- surance en qualité de preneur ou de réassuré. Art. 544 L’article 544 en projet traduit le principe de coopé- ration communautaire en cas de perte d’agrément qui est prévu à l’article 144, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive en ce qui concerne la communication d’infor- mations et l’aide requise en vue d’empêcher l’entre- prise d’assurance ou de réassurance de commencer de nouvelles opérations sur le territoire d’autres États membres dans lesquels l’entreprise était active. Art. 545 à 548 Comme indiqué ci-dessus, l’article  545  en projet prévoit que les entreprises qui ont perdu leur agré- ment — quel qu’en soit le fondement juridique — de- meurent assujetties aux dispositions de la loi en projet et de ses arrêtés et règlements d’exécution et aux dispositions de droit européen directement applicables jusqu’à ce que soient liquidés tous les engagements relatifs aux contrats d’assurance ou de réassurance. Eu égard à la nature des engagements concernés et aux garanties fournies quant à leur bonne exécution, la Banque peut, au cas par cas, dispenser l’entreprise concernée du respect de certaines dispositions légales et réglementaires ou de droit européen dès lors qu’elles s’avèrent non justifiées au regard de la nécessité de préserver les droits des créanciers d’assurance ou de réassurance. Le maintien de principe de l’application des dispo- sitions prévues par la loi en projet et de ses arrêtés et règlements d’exécution implique nécessairement le maintien des prérogatives dont dispose la Banque, en particulier en cas de dégradation de la situation financière de l’entreprise. Transposant l’article  144, paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive, l’article 546 en projet énonce que Banque peut imposer aux entreprises visées au présent Titre, le cas échéant avec le concours des autorités de contrôle des autres États membres, toutes mesures propres à sauvegarder les droits des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance et de réassurance. Ce prin- cipe est précisé par le rappel que ces mesures incluent nécessairement les mesures de redressement visées 288 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 noodzakelijkerwijs de in Titel IV bedoelde herstelmaat- regelen omvatten (met inbegrip van de beperkingen inzake de vrije beschikking over de activa), waarbij wordt aangestipt dat de Bank deze maatregelen kan nemen zonder vooraf een termijn vast te stellen. In het derde lid van artikel 546 worden de in artikel 517 omschreven prerogatieven aangevuld met de be- paling dat, wanneer een overdracht van de activiteiten wordt gelast, in het bijzonder van de portefeuille van levensverzekeringsovereenkomsten, de Bank haar maatregel gepaard kan doen gaan met een aanpassing, in de toekomst, van de gewaarborgde rendementsvoet in levensverzekeringsovereenkomsten, zonder dat deze aanpassing tot een lagere rendementsvoet mag leiden dan deze die op de Belgische verzekeringsmarkt wordt geboden op de dag dat het besluit hiertoe wordt geno- men door de Bank. De Bank raadpleegt de FSMA over de naleving van deze ondergrens. Het aan artikel  144, lid  2, tweede alinea van de Richtlijn ontleende algemene principe, dat stelt dat de Bank alle passende maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering kan nemen, vindt eveneens concrete toepassing in de mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten te beëindigen volgens de modaliteiten en binnen de termijn die zij bepaalt. In de praktijk blijkt de tenuitvoerlegging van een dergelijk prerogatief eerder denkbaar voor levensverzekeringen. Daar deze twee laatste prerogatieven — verminde- ring van de rentevoet en einde van de overeenkomst bij besluit van de autoriteit — van het gemeen recht afwij- kende bepalingen vormen, die de rechten van schuld- eisers uit hoofde van verzekering kunnen beïnvloeden, regelt de ontwerpwet de toepassing ervan. Dit maakt het voorwerp uit van ontwerpartikel 547. Zo wordt in paragraaf 1 van artikel 547 principieel ge- steld dat deze twee prerogatieven alleen mogen worden uitgeoefend als het niet nemen van deze maatregelen een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering. Het betreft de vertaling van het zogenoemde “no creditor worse off”-principe uit het Engels recht in verband met de afwikkeling van kredietinstellingen in moeilijkheden op grond van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat overgenomen is in de recente Richtlijn au Titre IV (incluant les limitations quant à la libre dispo- sition des actifs) dont il est précisé que la Banque peut les adopter sans fixation d’un délai préalable. L’alinéa 3 de l’article 546 complète les prérogatives prévues sous l’article  517  en prévoyant qu’en cas d’injonction de transfert d’activités, en particulier de portefeuille de contrats d’assurance-vie, la Banque peut accompagner sa mesure d’une adaptation, pour le futur, du taux de rendement garanti par des contrats d’assurance-vie, sans toutefois qu’une telle adaptation puisse conduire à un taux de rendement inférieur à celui offert en Belgique par le marché de l’assurance au jour de la décision de la Banque. L’avis de la FSMA est prévu pour s’assurer du respect de cette limite. Le principe général, issu de l’article  144, para- graphe  2, alinéa  2  de la Directive, selon lequel, la Banque peut prendre toutes mesures propres à sau- vegarder les droits des créanciers d’assurance, se voit également concrétiser par la possibilité pour la Banque de mettre fin aux contrats d’assurance et de réassurance selon les modalités et dans le délai qu’elle détermine. Dans la pratique, la mise en œuvre d’une telle prérogative s’avère plus concevable en ce qui concerne les assurances-vie. Dès lors que ces deux dernières prérogatives — dimi- nution du taux et fin du contrat par voie de décision de l’autorité — constituent des prérogatives dérogatoires au droit commun, de nature à affecter les droits des créanciers d’assurance, la loi en projet encadre leur application. C’est l’objet de l’article 547 en projet. Ainsi, à titre de principe le paragraphe 1er de l’ar- ticle 547 énonce que ces deux prérogatives ne peuvent être mises en œuvre que si, à défaut de ces mesures, le sort des créanciers d’assurance concernés s’avérerait moins favorable. Il s’agit là de la traduction du principe dit “no creditor worse off” mis en avant par le droit anglais en matière de résolution des établissements de crédit en difficulté sur base de la jurisprudence de la Cour européenne des Droits de l’Homme et repris par 289 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2014/59/EU6 betreffende het herstel en de afwikkeling van banken. Krachtens dit principe mogen de afwik- kelingsmaatregelen niet leiden tot een ongunstiger situatie voor de schuldeisers dan het geval zou zijn bij een faillissementsprocedure. In paragraaf 2 worden de voorwaarden opgesomd waaraan de twee beschouwde maatregelen moeten vol- doen voor de naleving van het in paragraaf 1 vermelde principe. In de bepaling onder 1° wordt gesteld dat de portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vaststelling van de activa waarmee de overdracht van de verzekerings- verplichtingen gepaard gaat, geen afbreuk mag doen aan de gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. Met het oog op die gelijkheid moeten meer bepaald de volgende voorwaarden vervuld zijn: a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in artikel 194 bedoelde activa naar rato van de overge- dragen verplichtingen; — en voor het overige, indien nodig, b) een verdeling van de overige activa naar rato van de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen, ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de verzekeringsonderneming. Voor zover nodig wordt in de bepaling verduidelijkt dat de overgedragen verplichtingen gewaardeerd worden op het ogenblik van de overdracht. De bepaling drukt daarmee het idee uit dat de porte- feuilleoverdracht in de praktijk bestaat in een overdracht van verplichtingen, die noodzakelijkerwijs verloopt via een overdracht “activa/passiva”. Voor de verplichtingen kan immers alleen een overnemer worden gevonden als de dekkingswaarden voor deze verplichtingen eveneens worden overgedragen. Daar de in artikel 194 bedoelde activa, namelijk de in de doorlopende inventaris opge- nomen activa, per afzonderlijk beheer het voorwerp uitmaken van het voorrecht voor de schuldeisers uit hoofde van verzekering, dient de gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van verzekering (die het voor- werp van hun voorrecht zien slinken als gevolg van de overdracht) te worden gewaarborgd door vast te stellen in welke mate de activa mogen worden overgedragen ter dekking van de overgedragen verplichtingen. Om die 6 Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/ EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/ EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (ook bekend als "Bank Recovery and Resolution Directive"). la récente Directive 2014/59/UE6 en matière de redres- sement et de résolution des banques, principe en vertu duquel des mesures de résolution ne peuvent mener à une situation plus défavorable pour les créanciers que celle qu’ils connaîtraient en cas de procédure de faillite. Le paragraphe 2 explicite les conditions auxquelles les deux mesures considérées doivent satisfaire pour respecter le principe énoncé au paragraphe 1er. Le 1° énonce que le transfert de portefeuille, en particulier la détermination des actifs qui accompagne la cession des engagements d’assurance ne peut porter atteinte à l’égalité entre les créanciers d’assurance. La disposition précise qu’une telle égalité requiert a) par gestions distinctes, une répartition des actifs visés à l’article 194 au prorata des engagements cédés; — et pour le surplus si nécessaire, b) une répartition des autres actifs au prorata des engagements cédés, non couverts par le a), par rapport à l’ensemble des engagements d’assurance de l’entre- prise d’assurance. La disposition précise, pour autant que de besoin, que l’évaluation des engagements cédés s’effectue au moment de la cession. La disposition traduit ainsi l’idée selon laquelle le transfert de portefeuille consiste en réalité dans un trans- fert d’engagements qui s’effectue nécessairement sous la forme d’un transfert “actifs/passifs”. Les engagements ne sont, en effet, susceptibles de trouver un acquéreur que si les actifs destinés à les couvrir accompagnent la cession. Dès lors que les actifs visés à l’article 194 — c.-à-d. ceux repris à l’inventaire permanent — sont ceux qui constituent, par gestions distinctes, l’assiette du privilège des créanciers d’assurance, il convient d’assurer une égalité entre les créanciers d’assurance (dont l’assiette de leur privilège est réduite à la suite de la cession) en précisant les limites dans lesquelles les actifs sont autorisés à être transférés en couverture des engagements cédés. C’est pourquoi la disposition impose que les actifs repris à l’inventaire permanent 6 Directive du Parlement européen et du Conseil établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/ UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) no 1093/2010 et (UE) no 648/2012 (directive encore dite “Bank Recovery and Resolution Directive”). 290 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 reden vereist de bepaling dat de activa uit de doorlo- pende inventaris alleen per afzonderlijk beheer worden overgedragen en enkel indien een verdeling wordt toe- gepast naar rato van de overgedragen verplichtingen en de andere verplichtingen die tot hetzelfde afzonderlijk beheer behoren (zie in dat verband ontwerpartikel 230, waarin het afzonderlijk beheer vereenvoudigd wordt). Dit belet dus dat de verzekeringsonderneming wordt “leeggemaakt” ten nadele van andere schuldeisers uit hoofde van verzekering, van wie de verplichtingen die tot hetzelfde afzonderlijk beheer behoren, niet zouden worden overgedragen. De tweede voorwaarde is gericht op de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verze- kering, van wie de verplichtingen niet zouden worden overgedragen, zelfs al behoren ze niet tot hetzelfde afzonderlijk beheer. Indien de waarde van de activa van de doorlopende inventaris ontoereikend blijkt om de overgedragen verplichtingen te dekken7, moeten eveneens andere activa worden overgedragen. Ook hier waarborgt de bepaling de gelijkheid van de schuld- eisers uit hoofde van verzekering. Daarom wordt in b) een verdeling van de overige activa gelast naar rato van de overgedragen verplichtingen ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de verzekerings- onderneming. Deze overige activa maken immers niet het voorwerp uit van het bijzonder voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van verzekering zoals bedoeld in ontwerpartikel  643, maar wel van het algemene voorrecht in tweede instantie, dat wordt geregeld bij ontwerpartikel 644, vijfde lid. In de bepaling onder 2° worden de vereisten aange- vuld met de bepaling dat de verzekeringsovereenkom- sten maar kunnen worden beëindigd en een verminde- ring van de rendementsvoet alleen kan worden opgelegd indien de voortzetting van de verzekeringsovereenkom- sten tot een deficitaire vereffening zou leiden. Het idee achter deze bepaling is dat die twee maatregelen — daar ze afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering — alleen ten uitvoer kunnen worden gelegd als de verzekeringsonderneming zou voldoen aan de voorwaarden voor de opening van een faillissementsprocedure indien deze maatregelen niet zouden worden genomen. Om effectiviteit te verlenen aan deze voorwaarde, wordt in de bepaling gepreciseerd dat, indien er een batig saldo bij vereffening zou zijn, het bedrag daarvan 7 Het weze gepreciseerd dat de activa in de doorlopende inventaris ontoereikend zouden kunnen zijn, aangezien de methode voor de berekening van deze vereiste dekkingswaarden verschilt van die voor de vereisten die de overnemer met het oog op de voortzetting van het bedrijf moet naleven met betrekking tot de overgedragen verplichtingen. ne soient transférés que par gestions distinctes et que moyennant le respect d’un prorata entre les engage- ments cédés et les autres engagements relevant de la même gestion distincte (voy. à cet égard l’article 230 en projet qui simplifie les gestions distinctes). Ceci évite donc de “vider” l’entreprise d’assurance au détriment d’autres créanciers d’assurance dont les engagements relevant d’une même gestion distincte ne se verraient pas transférés. La deuxième condition vise à préserver les créanciers d’assurance dont les engagements ne se verraient pas transférés même lorsqu’ils ne relèvent pas de la même gestion distincte. Ainsi si la valeur des actifs repris à l’inventaire permanent s’avère insuffisante pour couvrir les engagements cédés7, il convient d’accompagner le transfert d’autres actifs. Ici aussi, la disposition préserve l’égalité entre créanciers d’assurance. C’est pourquoi le b) impose alors une répartition des autres actifs au prorata des engagements cédés par rapport à l’ensemble des engagements d’assurance de l’entre- prise d’assurance. En effet, ces autres actifs ne consti- tuent pas l’assiette du privilège spécial des créanciers d’assurance visé à l’article 643 en projet mais bien l’assiette du privilège général, de second tour, organisé par l’article 644, alinéa 5 en projet. Le 2° complète les exigences en précisant qu’il ne peut être mis fin aux contrats d’assurance ou une réduc- tion de taux ne peut être ordonnée que dans l’hypothèse où la continuité des contrats d’assurance conduirait à une liquidation déficitaire. Ceci traduit l’idée selon laquelle, ces deux mesures — dès lors qu’elles portent atteinte aux droits des créanciers d’assurance — ne peuvent être mises en œuvre que si, à défaut, l’entre- prise d’assurance remplirait les conditions d’ouverture d’une procédure de faillite. Afin de conférer l’effectivité à cette condition, la disposition précise que si un boni de liquidation devait apparaître, son montant est alors exclusivement réparti 7 On précise que l’hypothèse d’une insuffisance des actifs repris à l’inventaire permanent pourrait être rencontrée eu égard au mode de calcul de cette exigence d’actifs de couverture qui dif- fère des exigences auxquelles est tenu le cessionnaire à l’égard des engagements cédés dans une perspective de continuité. 291 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 uitsluitend verdeeld wordt onder de schuldeisers uit hoofde van verzekering, naar rato van de bedragen waarop ze recht zouden hebben gehad indien hun overeenkomsten werden voortgezet. Het weze verduidelijkt dat deze bepaling ten goede komt aan de overgedragen schuldeisers uit hoofde van verzekering op wie de maatregel inzake vermindering van de rentevoet zou zijn toegepast. Met het oog op de gelijkheid van de schuldeisers, stelt de bepaling bovendien dat een vermindering van de rentevoet ertoe moet leiden dat het verlies dat voort- vloeit uit deze vermindering verdeeld wordt over alle schuldeisers uit hoofde van verzekering die tot hetzelfde afzonderlijke beheer behoren. Om de gelijkheid van de schuldeisers te handhaven in het licht van het dubbele voorrecht dat de schuld- eisers uit hoofde van verzekering genieten krachtens de artikelen 643 en 644, bevat artikel 548, naar het voorbeeld van Verordening 2015/35 (meer bepaald de artikelen 71, lid 1, onder h) en 73, lid 1, onder f) daar- van), een op alle situaties toepasselijke, zogenoemde “catch-all”-bepaling, die stelt dat de Bank, in de in artikel 542 bedoelde gevallen, waarin de vergunning voor alle verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten werd ingetrokken, een beperking van of een verbod op de terugbetaling en uitkering van kapitaal of interesten kan opleggen ten aanzien van houders van kernvermo- gensinstrumenten, in afwachting van de maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering die met toepassing van de hierboven besproken artikelen worden getroffen. Art. 549 Artikel  549  regelt de wisselwerking tussen de bepalingen van deze Titel en de regels inzake de faillissementsprocedure. Indien er ondanks of als gevolg van de tenuitvoer- legging van de herstel- en/of afwikkelingsmaatregelen wordt vastgesteld dat een faillissementsprocedure moet worden geopend, voorziet de bepaling in de mogelijk- heid voor de Bank om de situatie ter kennis te brengen van de rechtbank van koophandel: deze mededeling (die een afwijking vormt op de beroepsgeheimrege- ling waaraan de Bank is onderworpen) geldt als een aangifte van faillissement in de zin van artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. Met het oog op de coherentie tussen de ontwerpbepalingen stipuleert artikel 640 in limine dat dit artikel niet van toepassing is bij een mededeling van de Bank op basis van artikel 549. In dat geval staat een dergelijke mededeling gelijk met een eensluidend advies. au profit des créanciers d’assurance au prorata des montants auxquels ils auraient eu droit en cas de conti- nuité de leurs contrats. On précise que les créanciers d’assurance cédés qui auraient subi la mesure de réduction de taux bénéficient de cette disposition. En outre, en vue de garantir l’égalité de traitement entre créanciers, la disposition dispose qu’une réduction de taux doit conduire à une répartition de la perte résul- tant de cette diminution sur l’ensemble des créanciers d’assurance relevant d’une même gestion distincte. Afin de maintenir l’égalité entre créanciers à la lumière du double privilège dont bénéficient les créan- ciers d’assurance en application des articles 643 et 644, l’article  548  prévoit à l’instar du Règlement 2015/35 (notamment ses articles 71, paragraphe1, h) et 73, paragraphe 1, f) ), au titre de disposition dite “catch-all” visant à couvrir l’ensemble des situations, la possibilité pour la Banque, dans les situations visées à l’article 542 où l’agrément a été retiré pour l’ensemble des activités d’assurance ou de réassurance, de limi- ter ou d’interdire les remboursements et paiements, de capital ou d’intérêts, à l’égard des titulaires d’ins- truments de fonds propre de base dans l’attente des mesures destinées à sauvegarder les droits des créan- ciers d’assurance adoptées en application des articles commentés ci-dessus. Art. 549 L’article 549 organise l’interaction des dispositions du présent Titre avec le régime de la procédure faillite. Dès lors que malgré ou qu’à la suite de la mise en œuvre des mesures de redressement et/ou de réso- lution, il y a lieu de procéder au constat selon lequel il convient d’ouvrir une procédure de faillite, la dispo- sition prévoit la possibilité pour la Banque de porter la situation à la connaissance du tribunal de commerce: cette communication (qui constitue une dérogation au régime de secret professionnel auquel est assujettie la Banque) vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. De manière à assurer la cohérence entre les dispositions en projet, l’article 640 in limine précise qu’il n’est pas applicable en cas de communication effectuée par la Banque sur la base de l’article 549, une telle communication équi- valant alors à un avis conforme. 292 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Aangezien de curator krachtens de voornoemde wet van 8 augustus 1997 over zijn eigen prerogatieven beschikt, dient de scheiding tussen de administratieve en de juridische procedure te worden geformaliseerd, door te bepalen dat de artikelen 545 tot 548 niet van toepassing zijn in geval van faillissement van een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming. BOEK III VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDER- NEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT TITEL I Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren HOOFDSTUK I Uitoefening van activiteiten in België door verzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf Onderafdeling I Opening van bijkantoren Allereerst dient opgemerkt dat de artikelen 550 tot 556, behoudens bijzondere gevallen, in hoofdzaak zijn overgenomen uit de wet van 9 juli 1975. Om de lees- baarheid ervan te verbeteren, werd de structuur van de artikelen echter vereenvoudigd en gestroomlijnd. Art. 550 Artikel 550 bevat het beginsel dat verzekeringsonder- nemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactivi- teiten in hun staat van herkomst mogen uitoefenen, die activiteiten via de vestiging van een bijkantoor in België mogen uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthou- ders van die lidstaat van herkomst aan de Bank een dossier hebben bezorgd dat bepaalde gegevens bevat die elders in artikel 550 nader worden omschreven. Het merendeel van de gegevens die moeten worden opgenomen in het in artikel 550 bedoelde dossier, blijft ongewijzigd ten opzichte van de gegevens bedoeld Le curateur étant doté de ses propres prérogatives organisées par la loi précitée du 8 août 1997, il convient alors de formaliser la séparation entre la procédure administrative et la procédure judiciaire en précisant que les articles 545 à 548 ne sont pas applicables en cas d’entreprise d’assurance ou de réassurance déclarée en faillite. LIVRE III DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE RÉASSURANCE DE DROIT ETRANGER TITRE IER Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant du droit d’un autre État membre CHAPITRE IER Exercice d’activités en Belgique par des entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre Section Ire Accès à l’activité Sous-section Ire Ouverture de succursales À titre de remarque liminaire, on relève que, sauf cas particuliers, les articles 550 à 556 constituent essentiel- lement la reprise de dispositions déjà présentes dans la loi du 9 juillet 1975. Pour en améliorer la lisibilité, la structure des articles a toutefois été simplifiée et rationalisée. Art. 550 L’article 550  énonce le principe selon lequel les entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit national à exercer dans leur État d’origine des activités d’assurance, peuvent, par voie d’installation de succur- sales, exercer ces activités en Belgique, à condition que les autorités de contrôle de cet État d’origine ait com- muniqué à la Banque un dossier contenant certaines informations que l’article 550 explicite par ailleurs. La majorité des éléments d’information composant le dossier visé à l’article 550 reste inchangée par rapport aux éléments d’information visés par l’article 67, § 1er 293 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in artikel 67, § 1 van de wet van 9 juli 1975. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat de Richtlijn (artikel 148) nieuwe gegevens invoert. Inzonderheid moet het dossier voortaan een verklaring bevatten waaruit blijkt dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitska- pitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van de Richtlijn. Voor wat betreft de wijzigingen die door de Richtlijn worden aangebracht in de inhoud van het ken- nisgevingsdossier, zij verwezen naar de commentaar bij de artikelen 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° en 109. Om onnodige herhaling te vermijden, werd artikel 550 herschikt. Voor de communautaire verzekeringson- dernemingen die hun activiteiten in België wensen uit te oefenen via een bijkantoor, zou de nieuwe structuur van dit artikel bovendien tot een beter begrip moeten leiden van de Belgische regels die op hen van toepassing zijn. Artikel 550, § 1 — dat overgenomen is uit artikel 67, § 1, 1° tot 5° van de wet van 9 juli 1975 — betreft de “ge- meenschappelijke basis” van gegevens die in het ken- nisgevingsdossier moeten worden opgenomen, d.w.z. de gegevens die moeten worden verstrekt ongeacht welke risico’s het Belgische bijkantoor dekt. In paragraaf 1 wordt verwezen naar de artikelen 108, § 1, twee- de lid, 1° tot 4° en 109; naar dit laatste artikel wordt enkel verwezen voor wat betreft de gegevens die bestaan uit de verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteits kapitaalvereiste en minimumkapitaalver- eiste zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van de Richtlijn dekt en uit de vermelding van de verzekeringstakken waarvoor de verzekerings- onderneming een vergunning heeft verkregen van de toezichthouder van de lidstaat van herkomst. Artikel 550, § 1 zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van arti- kel 146, lid 1 van de Richtlijn. Artikel 550, § 2 is overgenomen uit artikel 67, § 1, 6° en 7° van de wet van 9 juli 1975 en somt de dossierge- gevens op die specifiek zijn voor België. Deze gegevens moeten enkel worden verstrekt indien de verzekerings- onderneming haar Belgische bijkantoor arbeidsongeval- lenrisico’s of risico’s met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wil laten dekken, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder. In artikel 550, § 2, 1° wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 207 van de Richtlijn wordt geboden. Artikel 550, § 2, 2° zorgt voor de omzetting van artikel 145, lid 3 van de Richtlijn. de la loi du 9 juillet 1975. On relèvera toutefois que la Directive (article 148) introduit de nouveaux éléments. En particulier, le dossier doit désormais inclure une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dis- pose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive. Il y a lieu de renvoyer, concernant les modifications apportées par la Directive au contenu du dossier de notification, aux commentaires des articles 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° et 109. Afin d’éviter d’inutiles répétitions au sein de la loi en projet, l’article 550 a été restructuré. Cette nouvelle structure devrait par ailleurs permettre aux entreprises d’assurance communautaires souhaitant exercer leur activité en Belgique par la voie d’une succursale, d’appréhender plus facilement les règles belges qui leur sont applicables. L’article 550, § 1er — qui reprend l’article 67, § 1er, 1° à 5° de la loi du 9 juillet 1975 — vise le “socle com- mun” des informations devant composer le dossier de notification, c’est-à-dire les informations devant être fournies quelques soient les risques couverts par la succursale belge. Le paragraphe 1er procède par renvoi aux articles 108, § 1er , alinéa 2, 1° à 4° et 109, le renvoi à ce dernier étant limité aux informations consistant dans l’attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dis- pose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive et dans l’indication des branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assurance a été agréée par l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine. L’article 550,  §  1er assure la transposition partielle de l’article 146, paragraphe 1er de la Directive. L’article 550, § 2 qui reprend l’article 67, § 1er, 6° et 7° de la loi du 9 juillet 1975 — détaille, quant à lui, les éléments d’information du dossier qui présentent des spécificités belges. Ces informations ne doivent être fournies que dans l’hypothèse où l’entreprise d’assu- rance entend faire couvrir par sa succursale belge les risques en matière d’assurance d’accidents du travail ou d’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur. L’article 550, § 2, 1° fait ici usage de la possibilité laissée ouverte par l’article 207 de la Directive. L’article 550, § 2, 2° assure, quant à lui, la transposition de l’article 145, paragraphe 3 de la Directive. 294 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 551 tot 553 De artikelen  551, 552  en 553  zijn respectievelijk overgenomen uit de paragrafen 2, 3 en 5 van artikel 67 van de wet van 9 juli 1975, met enkele wijzigingen van legistieke aard. De artikelen 2 en 3 zorgen voor de omzetting van artikel 146, lid 3 van de Richtlijn. Art. 554 Artikel 554 is overgenomen uit artikel 67, § 4 van de wet van 9 juli 1975 voor wat betreft de verplichting voor de verzekeringsonderneming om aan de Bank de wijzi- gingen mee te delen die zij van plan is aan te brengen in de gegevens die opgenomen zijn in het informatiedossier bedoeld in artikel 550, en dit minstens één maand voor het aanbrengen van deze wijzigingen. Dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 145, lid 4 van de Richtlijn voor wat betreft de gegevens die aan de toezichthou- der van de lidstaat van ontvangst worden verstrekt. De verplichting om eveneens de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in te lichten, waarin voorzien is in het genoemde artikel 145, lid 4, moet worden op- genomen in de wet van die lidstaat. Art. 555 Artikel 555 is overgenomen uit artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 voor wat betreft de verplichting voor de Bank om de lijst van de in dit artikel bedoelde Belgische bijkantoren van verzekerings ondernemingen op te stellen. Onderafdeling II Vrije dienstverrichting Behoudens in bijzondere gevallen zijn de artikelen 556 tot 561 in hoofdzaak overgenomen uit de wet van 9 juli 1975. Om de leesbaarheid ervan te verbeteren, werd de structuur van de artikelen echter vereenvoudigd en gestroomlijnd. Art. 556 Artikel 556 is in hoofdzaak overgenomen uit de arti- kelen 64, § 1 en 68, § 1 van de wet van 9 juli 1975 en zorgt voor de omzetting van artikel 148, lid 1 en artikel 207 van de Richtlijn. De paragrafen 1 en 2 van artikel 556 hebben de- zelfde structuur als artikel 550. Paragraaf 1 heeft aldus Art. 551 à 553 Les articles 551, 552 et 553 constituent, respective- ment, la reprise des paragraphes 2, 3 et 5 de l’article 67 de la loi du 9 juillet 1975, moyennant quelques modi- fications d’ordre légistique. Les articles 2 et 3 assurent la transposition de l’article 146, paragraphe 3 de la Directive. Art. 554 L’article 554 constitue la reprise de l’article 67, § 4 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qu’il requiert que l’entre- prise d’assurance notifie à la Banque toute modification qu’elle entend apporter aux informations contenues dans le dossier d’information visé à l’article 550 et ce, un mois au moins avant que cette modification ne soit effectuée. Il transpose l’article 145, paragraphe 4 de la Directive en ce qui concerne l’information donnée à l’autorité de contrôle de l’État d’accueil. L’obligation, prévue audit article  145,  paragraphe  4, d’informer également les autorités compétentes de l’État membre d’origine relève de l’objet de la loi de cet État. Art. 555 L’article 555 constitue la reprise de l’article 66 de la loi du 9 juillet 1975, en ce qu’il prévoit que la Banque établit la liste des succursales belges des entreprises d’assurance visées. Sous-section II Libre prestation de services Sauf cas particuliers, les articles 556 à 561 consti- tuent essentiellement la reprise de dispositions déjà présentes dans la loi du 9 juillet 1975. Pour plus de lisi- bilité toutefois, la structure des articles a été simplifiée et rationalisée. Art. 556 L’article 556 constitue essentiellement la reprise des articles 64, § 1er et 68, § 1er de la loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition des articles 148, paragraphe 1er et 207 de la Directive. Les paragraphes premier et deuxième de l’ar- ticle 556 suivent la même structure que celle adoptée à 295 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betrekking op de “gemeenschappelijke basis” van ge- gevens die in het kennisgevingsdossier moeten worden opgenomen, terwijl paragraaf 2 de dossiergegevens opsomt die specifiek zijn voor België. Bijgevolg dient te worden verwezen naar de commentaar bij artikel 550 en dus bij de artikelen 115, 1° en 2° en 116. Artikel 556, § 2, 1° is overgenomen uit artikel 68, § 1, 5° van de wet van 9 juli 1975 en betreft de verze- keringsondernemingen die arbeidsongevallenrisico’s dekken. De verzekeringsondernemingen die in België dergelijke risico’s dekken via het vrij verrichten van dien- sten, dienen een vertegenwoordiger aan te stellen. De functie van deze vertegenwoordiger wordt omschreven in artikel 557. Deze verplichting — die in de wet van 9 juli 1975 is opgenomen — is specifiek voor België en vloeit niet voort uit de Richtlijn, maar wordt er wel door toegestaan (artikel 207). Artikel 556, § 2, 2° is overgenomen uit artikel 68, § 1, 4° van de wet van 9 juli 1975 en betreft de verze- keringsondernemingen die dekking verlenen voor de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen. Er zij opgemerkt dat de schaderegelaar bedoeld in artikel 556, § 2, 2°, b) en de vertegenwoordiger bedoeld in punt c) van ditzelfde artikel onderscheiden functies zijn. Om verwarring te vermijden tussen de rol en het statuut van deze twee types van vertegenwoordigers, wordt in het voorliggende wetsontwerp dezelfde term gebruikt als in de Richtlijn en als in Richtlijn 2009/103/EG. Artikel 556, § 2, 2°, b) — dat artikel 148, lid 2, onder a) van de Richtlijn omzet — betreft aldus de “schadere- gelaar” die aangesteld dient te worden overeenkomstig artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG8 (zoals omgezet door de wet van 21 november 1989). Krachtens deze richtlijn is de schaderegelaar belast met de behandeling en de afwikkeling van schadegevallen die voortvloeien uit ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats van de benadeelden en veroorzaakt zijn door de deelne- ming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat (zie artikel 21, lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2009/103/EG). Deze schaderegelaar moet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/103/EG. Het toezicht op de aanstelling van de schaderegelaar valt onder de bevoegdheid van de toezichthouder van de lidstaat van herkomst. 8 Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid. l’article 550. Le paragraphe premier vise ainsi le “socle commun” des informations devant composer le dossier de notification tandis que le second paragraphe spécifie les éléments d’information du dossier qui présentent des spécificités belges. Il y a donc lieu de renvoyer aux commentaires article 550 et, dès lors, des articles 115, 1° et 2° et 116. L’article 556, § 2, 1° qui constitue la reprise l’article 68, § 1er, 5° de la loi du 9 juillet 1975 — vise les entreprises d’assurance couvrant les risques d’accident du travail. Il y a lieu de relever l’obligation, pour les entreprises d’assurance couvrant ces risques en Belgique en libre prestation de services, de désigner un représentant. Le rôle de ce représentant est défini à l’article 557. Cette obligation — qui figure sous la loi du 9 juillet 1975 — est une spécifité belge ne résultant pas de la Directive, mais néanmoins permise par celle-ci (article 207). L’article 556, §  2, 2° qui constitue la reprise de l’article 68, § 1er, 4° de la loi du 9 juillet 1975 — vise les entreprises d’assurance couvrant la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs. Il y a lieu de relever que l’article 556, § 2, 2°, b) et c) visent deux types de représentants différents. Pour éviter toute confusion entre le rôle et le statut de ces représentants, le présent projet de loi utilise le même vocable que celui de la Directive et de la directive 2009/103/CE. Ainsi, l’article 556, §  2, 2°, b) — qui assure la transposition de l’article 148, paragraphe 2 , a) de la Directive — vise le “représentant chargé du règlement des sinistres” désigné conformément à l’article 21 de la directive 2009/103/CE8 (telle que transposée par la loi du 21 novembre 1989). En application de cette directive, le représentant chargé du règlement des sinistres a pour mission de traiter et de régler les sinistres résultant d’un accident survenu dans un État membre autre que l’État membre de résidence de la personne lésée et causés par la circulation des véhicules assurés dans un État membre et y ayant leur stationnement habituel (cf article 21, paragraphe 1er, al. 2 de la directive 2009/103/CE). Il doit répondre aux conditions fixées par la directive 2009/103/CE. Le contrôle de la désignation du repré- sentant chargé du règlement des sinistres relève de la compétence de l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine. 8 Directive 2009/103/CE du Parlement et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'assurance de la responsabi- lité civile résultant de la circulation de véhicules automobiles et le contrôle de l'obligation d'assurer cette responsabilité. 296 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 556, § 2, 2°, c) daarentegen betreft de verte- genwoordiger die moet worden aangesteld overeen- komstig artikel 152  van de Richtlijn. De functie van deze vertegenwoordiger wordt omschreven in artikel 557 van de ontwerptekst. Het toezicht op de aanstelling van deze vertegenwoordiger valt onder de bevoegdheid van de Bank. Art. 557 Artikel 557, §§  1  en 3  zijn van toepassing op de verzekeringsondernemingen die in het kader van het vrij verrichten van diensten in België overeenkomsten uitgeven met betrekking tot de verplichte aansprakelijk- heidsverzekering inzake motorrijtuigen. Artikel 557, § 1, eerste lid zorgt voor de omzetting van artikel 151 van de Richtlijn en bepaalt dat de voornoem- de ondernemingen ervoor dienen te zorgen dat perso- nen die een schadevordering indienen die ontstaan is uit voorvallen die zich op het Belgische grondgebied hebben voorgedaan, in de praktijk in een nadeliger po- sitie verkeren dan de personen die eenzelfde vordering zouden indienen bij een Belgisch bijkantoor. Hiertoe dienen de ondernemingen een vertegenwoor- diger aan te stellen die moet voldoen aan de voorwaar- den van artikel 557, § 1, tweede en vierde lid. Artikel 557, § 2 is overgenomen uit artikel 68, § 1, 5°, tweede lid van de wet van 9 juli 1975 en voorziet eveneens in de verplichting voor verzekeringsonder- nemingen die in het kader van het vrij verrichten van diensten arbeidsongevallenrisico’s dekken, om een vertegenwoordiger aan te stellen die voldoet aan de voorwaarden van artikel 557, § 1. Artikel 557, § 3 zorgt voor de omzetting van artikel 152, §§ 3 en 4 van de Richtlijn. Aangezien het voorliggende wetsontwerp geen be- palingen bevat die inhouden dat de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, § 1 voor rekening van de niet- levensverzekeringsonderneming die hem heeft aange- steld, andere activiteiten dient te verrichten dan deze die omschreven zijn in artikel 557, § 1, derde en vierde lid, mag artikel 152, lid 2 van de Richtlijn als omgezet worden beschouwd. Art. 558 tot 560 De artikelen 558, 559 en 560 zijn respectievelijk over- genomen uit de paragrafen 2, 4 en 3 van artikel 68 van de wet van 9  juli  1975, met enkele wijzigingen van legistieke aard. L’article 556, § 2, 2°, c) vise, quant à lui, le représen- tant désigné conformément à l’article 152 de la Directive. Le rôle de ce représentant est défini à l’articlel 557 en projet. Le contrôle de la désignation de ce représentant relève de la compétence de la Banque. Art. 557 L’article 557, §§ 1er et 3 s’appliquent aux entreprises d’assurance qui pratiquent en libre prestation de ser- vices en Belgique l’assurance obligatoire de la respon- sabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs. L’article 557, § 1er, alinéa 1er — qui transpose l’article 151 de la Directive — impose aux entreprises précitées de s’assurer que les personnes présentant une de- mande d’indemnisation au titre d’évènements survenant sur le territoire belge ne soient pas placées, d’un point de vue pratique, dans une situation moins favorable que les personnes qui présenteraient une demande similaire auprès d’une succursale belge. A cette fin, les entreprises doivent désigner un repré- sentant qui doit répondre aux conditions visées à l’article 557, § 1er, alinéas 2 à 4. L’article 557, § 2 — qui constitue la reprise de l’article 68, § 1 er, 5°, alinéa 2 de la loi du 9 juillet 1975 — prévoit également l’obligation pour les entreprises d’assurance couvrant les risques liés aux accidents du travail en libre prestation de services, de désigner un représentant répondant aux conditions visées à l’article 557, § 1er. L’article 557, § 3 constitue la transposition de l’article 152, §§ 3 et 4 de la Directive. Dès lors qu’il n’y a aucune disposition qui exige du représentant visé à l’article 557, § 1er qu’il entreprenne, pour le compte de l’entreprise d’assurance non-vie qui l’a désigné, des activités autres que celles décrites à l’article 557, § 1er, alinéas 3 et 4, l’article 152, para- graphe 2 de la Directive peut être considéré comme transposé. Art. 558 à 560 Les articles 558, 559 et 560 constituent, respecti- vement, la reprise des paragraphes 2, 4 et 3 de l’ar- ticle 68 de la loi du 9 juillet 1975, moyennant quelques modifications d’ordre légistique. 297 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wanneer de verzekeringsonderneming een wijziging wenst aan te brengen in de gegevens bedoeld in artikel 556 van de ontwerptekst, dient zij daartoe de procedure te volgen van Onderafdeling II. Overeenkomstig artikel 149 van de Richtlijn — waarvan artikel 560 de omzetting vormt — bestaat er geen verplichting in hoofde van de verzekeringsonderneming om de Bank rechtstreeks in kennis te stellen van dergelijke wijzigingen (in tegenstel- ling tot de regeling die geldt voor verzekeringsonderne- mingen die hun activiteit in België uitoefenen via een bijkantoor — zie artikel 554). Art. 561 Artikel 561, dat overgenomen is uit artikel 66 van de wet van 9 juli 1975, bepaalt dat de Bank de lijst opstelt van de in dat artikel bedoelde verzekeringsondernemin- gen die in het kader van het vrij verrichten van diensten verzekeringsactiviteiten uitoefenen in België. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 562 Artikel  562  bevat het beginsel dat verzekerings- ondernemingen die in België werkzaam zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, blijvend moeten voldoen aan de voorwaarden die bij of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van het voorliggende wetsontwerp zijn vastgesteld. In de praktijk zijn dit voornamelijk de verplichtingen die gel- den voor verzekeringsondernemingen die in België, via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, arbeidsongevallenrisico’s of risico’s met betrekking tot de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen wensen te dekken. Deze verplichtingen vloeien voort uit de artikelen 550, § 2 en 556, § 2 van het voorliggende wetsontwerp (namelijk in hoofdzaak de verplichtingen ten aanzien van het Fonds voor Arbeidsongevallen, het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en het Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars) en uit artikel 557 (namelijk de verplichting om een vertegenwoordi- ger aan te stellen die voldoet aan de voorwaarden van artikel 557). Art. 563 Artikel 563 voert een bepaling in die nieuw is ten opzichte van de wet van 9 juli 1975. Dit artikel bepaalt dat de verzekeringsondernemingen die in België ver- zekeringsactiviteiten uitoefenen via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, bij de uitoefening van hun activiteiten in België aan hun naam Toute modification que l’entreprise d’assurance en- tend apporter aux informations visées à l’article 556 en projet est soumise à la procédure prévue à la Sous- section II. En application de l’article 149 de la Directive — dont l’article 560 assure la transposition — il n’existe pas d’obligation dans le chef de l’entreprise d’assurance de notifier directement à la Banque les modifications visées (contrairement au régime applicable aux entre- prises d’assurance exerçant leur activité en Belgique par la voie d’une succursale — voyez l’article 554). Art. 561 L’article 561 constitue la reprise de l’article 66 de la loi du 9 juillet 1975, en ce qu’il prévoit que la Banque établit la liste des entreprises d’assurance visées qui exercent des activités d’assurance en libre prestation de services en Belgique. Section II Exercice de l’activité Art. 562 L’article 562 énonce le principe selon lequel les entre- prises d’assurance opérant en Belgique par la voie de succursale ou en libre prestation de services doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu des articles 550, 556 et 557 du présent projet de loi. En pratique, sont essentiellement visées les obligations incombant aux entreprises d’assurance souhaitant faire couvrir en Belgique, par la voie d’une succursale ou en libre prestation de services, les risques d’accident du travail ou de la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs. Ces obligations découlent des articles 550, § 2 et 556, § 2 du présent projet de loi (à savoir, principalement, les obligations à l’égard du Fonds des accidents du travail, du Fonds commun de garantie automobile et du Bureau belge des assureurs automobiles) et de l’article 557 (à savoir l’obligation de désigner un représentant satisfaisant aux conditions visées par l’article 557). Art. 563 L’article 563 introduit une disposition nouvelle par rap- port à la loi du 9 juillet 1975. Il prévoit que les entreprises d’assurance qui exercent en Belgique des activités d’assurance par la voie d’une succursale ou en libre prestation de services, font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur dénomination 298 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hun lidstaat van herkomst moeten toevoegen. Indien de verzekeringsactiviteiten worden uitgeoefend via een bijkantoor, dienen zij aan hun naam eveneens hun zetel toe te voegen. Deze bepaling moet ervoor zorgen dat communau- taire ondernemingen die in België werkzaam zijn, dui- delijk geïdentificeerd kunnen worden door het publiek. Art. 564 Artikel 564, eerste lid is overgenomen uit artikel 64, § 2 van de wet van 9 juli 1975 en bevat de verplichting voor verzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, om de wettelijke en reglementaire bepa- lingen na te leven die in België van toepassing zijn om redenen van algemeen belang. Het gaat enerzijds om de bepalingen die van toepassing zijn op de verzeke- ringsondernemingen bij de uitoefening van hun verze- keringsverrichtingen, en anderzijds om de bepalingen die van toepassing zijn op de verzekeringsverrichtingen zelf, en dit om redenen van algemeen belang. Artikel 564, tweede lid zorgt voor de omzetting van artikel 156 van de Richtlijn en bepaalt dat de betrok- ken verzekeringsondernemingen met alle beschikbare communicatiemiddelen in België reclame mogen maken voor hun diensten, maar enkel op voorwaarde dat zij de om redenen van algemeen belang vastgestelde voor- schriften inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame in acht nemen. Het gaat hier om een specifieke toepas- sing van het beginsel dat neergelegd is in het eerste lid. Artikel 564, derde lid is overgenomen uit artikel 64, § 3 van de wet van 9 juli 1975 en bepaalt dat de Bank aan de communautaire verzekeringsondernemingen die in België verzekeringsactiviteiten uitoefenen via een bijkantoor, meedeelt welke bepalingen bij haar weten van algemeen belang zijn. De betrokken bepalingen zijn de wettelijke en reglementaire bepalingen van algemeen belang die in België van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen en hun verrichtingen. Bij de opstelling van deze lijst dient het advies van de FSMA te worden ingewonnen. Artikel 564, vierde lid vormt een aanvulling op het eerste lid, aangezien het betrekking heeft op andere activiteiten dan de verzekerings activiteiten die onder het Europees paspoort vallen, die in België zouden worden uitgeoefend. Dit vierde lid bevat de verplichting, voor de betrokken verzekeringsondernemingen, om de wettelijke en reglementaire verplichtingen na te leven de la mention de leur État d’origine. Dans le cas où les activités d’assurance sont exercées par la voie d’une succursale, la dénomination de l’entreprise d’assurance est également accompagnée de la mention de son siège social. Cette disposition vise à permettre au public l’identi- fication exacte de l’entreprise communautaire opérant en Belgique. Art. 564 L’article 564, alinéa 1er constitue la reprise de l’article 64, § 2 de la loi du 9 juillet 1975. Il rappelle l’obligation pour les entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre et opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou en libre prestation de services, de respecter les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique pour des raisons d’intérêt géné- ral. Ces dernières incluent, d’une part, les dispositions applicables aux entreprises d’assurance dans l’exercice de leurs opérations d’assurance et, d’autre part, les dispositions applicables aux opérations d’assurance elles-mêmes et ce, pour des raisons d’intérêt général. L’article 564, alinéa 2 qui assure la transposition de l’article 156 de la Directive — rappelle que les entre- prises d’assurance visées peuvent faire de la publicité pour leurs services, par tous les moyens de communi- cation disponibles en Belgique, mais uniquement dans la mesure où elles respectent les règles arrêtées pour des raisons d’intérêt général qui régissent la forme et le contenu de cette publicité. Il s’agit d’une application particulière du principe énoncé sous l’alinéa 1er. L’article 564, alinéa 3 constitue la reprise de l’article 64, § 3 de la loi du 9 juillet 1975. Il prévoit que la Banque donne aux entreprises d’assurance communautaires qui exercent en Belgique des activités d’assurance par la voie d’une succursale, communication des disposi- tions qui, à sa connaissance, ont le caractère d’intérêt général. Les dispositions visées sont les dispositions légales et réglementaires de cette nature applicables en Belgique aux entreprises d’assurance et à leurs opérations. L’élaboration de cette liste requiert l’avis de la FSMA. L’article 564, alinéa 4 complète l’alinéa 1er puisqu’il vise les activités autres que les activités d’assurance couvertes par le passeport européen, qui seraient exercées en Belgique. Il rappelle l’obligation, pour les entreprises d’assurance concernées, de respecter les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique à ces “autres activités”. Sont ainsi visées tant 299 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die in België van toepassing zijn op die “andere activi- teiten”. Dit zijn zowel de bepalingen die deze activiteiten regelen, als de hiermee samenhangende bepalingen (zoals dit bijvoorbeeld het geval zou kunnen zijn voor de bepalingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens). Dit artikel doet geen afbreuk aan de regels die het type van activiteiten regelen dat door een verzekeringsonderneming kan worden uitgeoefend. In dit verband dient gewezen te worden op artikel 18, lid 1, onder a) van de Richtlijn, dat inhoudt dat de verzeke- ringsondernemingen hun maatschappelijk doel dienen te beperken tot het verzekeringsbedrijf en verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit. De omzetting van dit beginsel in de nationale wetgeving waaronder de buiten- landse onderneming ressorteert, houdt in werkelijkheid een beperking in van de reikwijdte van de wetgevingen die effectief van toepassing kunnen zijn. Afdeling III Toezicht Art. 565 Artikel 565 bevat het beginsel dat de verzekerings- ondernemingen die in België werkzaam zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, onderworpen zijn aan het toezicht van de Bank voor wat betreft de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de bepalingen van de artikelen 550, 556 en 557. Artikel 565 laat het toezicht dat op die verzekerings- ondernemingen wordt uitgeoefend krachtens andere specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen die niet onder het prudentieel toezicht als dusdanig vallen, onverlet. Men denke hier bijvoorbeeld aan het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend op de bijkantoren van verzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die onder de toepassing vallen van de wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het ge- bruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Art. 566 Het toezicht op de verzekeringsondernemingen wordt uitgeoefend via een passende combinatie van onder- zoeken aan de hand van documenten en inspecties ter plaatse. Artikel 566 is overgenomen uit artikel 69 van de wet van 9 juli 1975 en zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van artikel 34 van de Richtlijn. Dit artikel omschrijft de les dispositions qui régissent ces activités, que celles qui s’y appliquent de manière connexe (comme cela pourrait être le cas, par exemple, pour les dispositions relatives à la protection des données à caractère personnel). Cet article est sans préjudice des règles régissant le type d’activités pouvant être exercées par une entreprise d’assurance. Il y a lieu de rappeler, à cet égard, l’article 18, paragraphe 1er, a) de la Directive en vertu duquel les entreprises d’assurance ont l’obligation de limiter leur objet social à l’activité d’assurance et aux opérations qui en découlent directement, à l’exclusion de toute autre activité commerciale. La transposition de ce principe dans la législation nationale dont relève l’entreprise étrangère limite, en réalité, la portée des lé- gislations susceptibles d’être effectivement concernées. Section III Contrôle Art. 565 L’article 565  énonce le principe selon lequel les entreprises d’assurance opérant en Belgique par la voie de succursale ou en libre prestation de services sont soumises au contrôle de la Banque pour ce qui concerne le respect des obligations découlant des dispositions visées aux articles 550, 556 et 557. L’article 565 n’affecte pas le contrôle dont ces entre- prises d’assurance font par ailleurs l’objet en vertu de dispositions légales ou réglementaires spécifiques ne relevant pas du domaine du contrôle prudentiel en tant que tel. On pense ainsi au contrôle exercé par la Banque à l’égard des succursales d’entreprises d’assurance re- levant du droit d’un autre État membre et qui sont visées par la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme. Art. 566 Le contrôle des entreprises d’assurance combine de manière appropriée les examens sur pièces et les inspections sur place. L’article 566 constitue la reprise de l’article 69 de la loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition partielle de l’article 34 de la Directive. Il décrit les prérogatives 300 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bevoegdheden inzake de toegang tot de informatie waarover de Bank in het kader van de uitoefening van het in artikel 565 bedoelde toezicht beschikt. De Bank beschikt over inspectiebevoegdheden en kan zich ook alle inlichtingen en documenten doen verstrekken die vereist zijn voor het toezicht op de naleving van de artikelen 550, 556 en 557. In het kader van het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend met toepassing van artikel 565, dienen de verzekerings- agenten, —makelaars of —tussenpersonen bovendien, op eenvoudig verzoek van de Bank, alle inlichtingen te verstrekken over de verzekeringsovereenkomsten waarvoor zij als tussenpersoon zijn opgetreden en die betrekking hebben op in België gelegen risico’s. Art. 567 Artikel 567, § 1 is overgenomen uit artikel 70 van de wet van 9 juli 1975 en zorgt voor de omzetting van artikel 33 van de Richtlijn. Dit artikel verleent aan de autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegdheid om inspecties en controles ter plaatse te verrichten bij in België gevestigde bijkantoren. Aangezien dit preroga- tief deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, leek het aangewezen om in deze mogelijkheid te voorzien voor een buitenlandse autoriteit, zoals opge- legd door artikel 33 van de Richtlijn. De Bank kan aan deze verificatie deelnemen. De omzetting van artikel 39, lid 6, tweede alinea van de Richtlijn, die slechts gedeeltelijk werd verwezenlijkt door ontwerpartikel 106, wordt vervolledigd via para- graaf 2 van ontwerpartikel 567. In deze paragraaf wordt bepaald dat een portefeuilleoverdracht moet worden bekendgemaakt in België wanneer België de lidstaat van de verbintenis of van het risico is (zie in dit verband de definities van ontwerpartikel 15, 36° en 37°). Hoewel de goedkeuring van een portefeuilleoverdracht in het geval van een verzekeringsonderneming die onder een andere lidstaat ressorteert, tot de bevoegdheid van de autoriteit van de lidstaat van herkomst behoort, bepaalt de ontwerpbepaling dat de Bank, in het kader van een doeltreffende internationale samenwerking, een bekendmaking dient te verrichten volgens de modalitei- ten van artikel 106, d.w.z. bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad, en daarvan melding dient te maken op haar website. Er weze opgemerkt dat de tegenwerpbaarheid van deze overdrachten aan derden en de mogelijkheid tot opzegging in hoofde van de verzekeringnemers aan bod komen in de artikelen 17 en 18 van de wet van 4 april 2015 betreffende de verzekeringen. De ver- wijzingen in deze wet naar de in het besproken artikel bedoelde bekendmakingen worden aangepast door de wijzigingsbepalingen van het voorliggende ontwerp. en matière d’accès à l’information dont dispose la Banque dans le cadre de l’exercice du contrôle visé à l’article 565. La Banque dispose de prérogatives en matière d’ins- pection et peut également se faire communiquer tous renseignements et fournir tous documents en vue du contrôle du respect des articles 550, 556 et 557. Dans le cadre du contrôle exercé par la Banque en application de l’article 565, les agents, courtiers ou intermédiaires d’assurance sont par ailleurs tenus de fournir, sur simple demande de la Banque, tous renseignements concer- nant les contrats d’assurance à propos desquels ils sont intervenus en qualité d’intermédiaire et qui sont relatifs à des risques situés en Belgique. Art. 567 L’article 567, § 1er constitue la reprise de l’article 70 de la loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition de l’article 33 de la Directive. Il s’agit de permettre l’accomplissement par l’autorité de l’État d’origine de ses prérogatives en matière d’inspection et de contrôle sur place auprès des succursales situées en Belgique. Dès lors qu’une telle prérogative relève de l’exercice de la puissance publique, il convenait d’en aménager la possibilité par une autorité étrangère, ce qu’impose l’article 33 de la Directive. La Banque peut participer à cette vérification. Le paragraphe 2 de l’article 567 en projet complète la transposition de l’article 39, paragraphe 6, alinéa 2 de la Directive — qui n’était que partiellement réalisée par l’article 106 en projet —, en prévoyant une publicité en Belgique en ce qui concerne les transferts de porte- feuille lorsque la Belgique est l’État d’engagement ou que le risque y est situé (Voy. à cet égard les définitions visées à l’article 15, 36° et 37° en projet). Même si s’agissant d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État membre, l’autorisation du transfert de portefeuille relève de la compétence de l’autorité de l’État d’origine, dans le cadre d’une coopération internationale efficace, la disposition en projet prévoit que la Banque assure la publicité selon les modalités prévues par l’article 106, c.-à-d. par voie d’un extrait au Moniteur belge, complété d’une indication sur le site internet de la Banque. On relève que l’opposabilité de ces transferts aux tiers et la faculté de résiliation dans le chef des preneurs font l’objet des articles 17 et 18 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances dont les références à la publication ici envisagée sont adaptées par les dispositions modificatives du présent projet. 301 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Uitzonderingsmaatregelen Art. 568 tot 572 De artikelen 568 tot 572 zorgen voor de omzetting van artikel 155 van de Richtlijn. Het gaat om de — streng afgebakende — bevoegd- heden waarover de Bank beschikt wanneer zij vaststelt dat een verzekeringsonderneming die in België een bijkantoor heeft of daar in het kader van het vrij ver- richten van diensten werkzaam is, niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn binnen het bevoegdheidsgebied van de Bank. Dit zijn bijvoorbeeld de bepalingen van artikel 562 van het voorliggende wetsontwerp– namelijk de verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn en die gelden voor de betrokken verzekeringsondernemin- gen — en om de elders vastgelegde bepalingen van algemeen belang waarvan de Bank toezicht houdt op de naleving ervan, met toepassing van andere wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals bijvoorbeeld de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. De procedure waarin de Richtlijn voorziet, bestaat uit verschillende stappen. In geval van niet-naleving van de wettelijke en regle- mentaire bepalingen die in België van toepassing zijn binnen het bevoegdheidsgebied van de Bank, dient deze laatste eerst en vooral, nadat zij de FSMA daarvan in kennis heeft gesteld, de verzekeringsonderneming die de betrokken bepalingen niet heeft nageleefd, aan te manen om de vastgestelde toestand te verhelpen binnen een termijn die zij bepaalt. Indien de toestand na die termijn niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthou- ders van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte. In principe dienen deze autoriteiten passende maatregelen te nemen opdat de verzekeringsonderne- ming een einde maakt aan de genoemde overtredingen en dienen zij de Bank hiervan in kennis te stellen. Indien de verzekeringsonderneming, ondanks de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen, kan de Bank, na de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te beteugelen. Voor zover zulks evenredig blijkt, omvatten deze maatregelen Section IV Mesures exceptionnelles Art. 568 à 572 Les articles 568 à 572 assurent la transposition de l’article 155 de la Directive. Il s’agit des prérogatives — strictement encadrées — de la Banque lorsqu’elle constate que l’entreprise d’assurance ayant une succursale ou opérant par voie de libre prestation de services en Belgique ne respecte pas les dispositions légales et réglementaires appli- cables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque. Sont ainsi visées tant les dispositions visées à l’article 562 du présent projet de loi — à savoir les obligations découlant de la Directive qui sont imposées aux entreprises d’assurance concernées — que les dispositions applicables par ailleurs au titre d’intérêt général et au respect desquelles la Banque est chargée de veiller en application d’autres dispositions légales et réglementaires, telle que, par exemple, la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme. Le processus prévu par la Directive se compose de plusieurs étapes. En cas de manquement aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, cette dernière doit tout d’abord, après en avoir informé la FSMA, mettre l’entreprise d’assurance, auteur du manquement, en demeure de remédier à la situation constatée dans un délai qu’elle fixe. Si, au terme de ce délai, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque en informe les auto- rités de contrôle de l’État membre d’origine concerné. En principe, ces dernières doivent prendre les mesures appropriées pour que l’entreprise d’assurance mette fin auxdits manquements et en informer la Banque. Si, en dépit des mesures prises par l’État membre d’origine, ou parce que ces mesures apparaissent ina- déquates ou qu’elles font défaut dans cet État, l’entre- prise d’assurance persiste à enfreindre les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique, la Banque peut, après en avoir informé les autorités de contrôle de l’État membre d’origine, prendre les mesures appropriées pour prévenir ou réprimer de nou- velles irrégularités. Ces mesures incluent, pour autant que cela s’avère proportionné, la possibilité pour la 302 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de mogelijkheid voor de Bank om de onderneming te verbieden in België nog nieuwe verzekeringsovereen- komsten te sluiten. Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de maatregelen die door de toezichthouders van de lid- staat van herkomst zijn genomen, ontoereikend zijn, voorziet de Richtlijn (artikel 155, lid 3, tweede alinea) in de mogelijkheid om de zaak aan EIOPA voor te leggen, overeenkomstig de procedure voor de schikking van meningsverschillen waarin artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 voorziet. Dit is wat bepaald wordt in artikel 569, § 1, derde lid van de ontwerptekst. Aangezien artikel 155, lid 7 van de Richtlijn, die in een motiveringsplicht voorziet, betrekking heeft op de maatregelen die krachtens artikel 155, leden 2 tot 6 wor- den genomen, zij hier opgemerkt, voor zover nodig, dat deze verplichting werd omgezet via het gemeen recht dat van toepassing is op de administratieve autoriteiten, namelijk de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdruk- kelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 568 en 569 doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Bank om in spoedeisende geval- len passende maatregelen te nemen om de onregel- matigheden op haar grondgebied te voorkomen of te beteugelen. Overeenkomstig artikel 155, lid 4 van de Richtlijn, kan de Bank in spoedeisende gevallen de in artikel 569  bedoelde maatregelen nemen zonder de onderneming vooraf aan te manen de toestand te verhelpen en zonder de FSMA en de toezichthouder van de lidstaat van herkomst vooraf in kennis te stellen. Het spoedeisende karakter zou met name gemotiveerd kunnen worden door het feit dat het onmiddellijk nemen van een maatregel noodzakelijk is om bescherming te bieden tegen de instabiliteit van het financiële stelsel, die de gemeenschappelijke belangen van de verzekering- nemers en verzekerden in België ernstig kan schaden. Artikel 572 is overgenomen uit artikel 71, § 4 van de wet van 9 juli 1975. Overeenkomstig dit artikel mag de Bank, op verzoek van de betrokken bevoegde Belgische autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepassen op een verzekeringsonderneming die een bijkantoor heeft in België of daar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, wanneer zij in België, in het kader van haar verzekeringsactiviteiten, handelingen stelt die strijdig zijn met de wettelijke of reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang van toepassing zijn. In overeenstemming met artikel 155, lid 5 van de Richtlijn, doen de artikelen 569 tot 571 geen afbreuk aan de artikelen 604 tot 609. Banque d’interdire à l’entreprise de continuer à conclure de nouveaux contrats d’assurance en Belgique. En outre, si la Banque considère que les mesures prises par les autorités de contrôle de l’État membre d’origine concerné sont inadéquates, la Directive (article 155, paragraphe 3, al. 2) organise la possibilité de saisir l’EIOPA selon la procédure de règlement des différends organisée par l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. C’est ce que prévoit l’article 569, § 1er, alinéa 3 en projet. Dès lors que l’article 155, paragraphe 7  de la Directive, qui prévoit une obligation de motivation, concerne les mesures prises en vertu de l’article 155, paragraphes 2 à 6, on indique ici, pour autant que de besoin, que cette obligation se trouve transposée par le droit commun applicable aux autorités administratives, à savoir, la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs. Les articles 568 et 569 n’affectent pas le pouvoir de la Banque de prendre, en cas d’urgence, des mesures ap- propriées pour prévenir ou réprimer les irrégularités sur son territoire. Conformément à l’article 155, paragraphe 4 de la Directive, en cas d’urgence, la Banque peut prendre les mesures visées à l’article 569 sans mettre préalablement l’entreprise en demeure de remédier à la situation et sans informer préalablement la FSMA et l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine. L’urgence pourrait, notamment, être justifiée par le fait que la prise d’une mesure immédiate s’avère nécessaire pour assurer une protection contre l’instabilité du sys- tème financier susceptible de menacer gravement des intérêts collectifs des preneurs d’assurance et assurés en Belgique. L’article 572 constitue la reprise de l’article 71, § 4 de la loi du 9 juillet 1975. Il autorise la Banque à faire application, à la demande des autorités belges com- pétentes concernées, des articles 568 à 570 à l’égard d’une entreprise d’assurance ayant une succursale ou opérant par voie de libre prestation de services en Belgique, lorsqu’elle accomplit en Belgique, dans le cadre de ses activités d’assurance, des actes contraires aux dispositions légales ou réglementaires applicables pour des raisons d’intérêt général. En conformité avec l’article 155, paragraphe 5 de la Directive, les articles 569 à 571 sont sans préjudice des articles 604 à 609. 303 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 573 Artikel 573 is overgenomen uit artikel 72, § 2 van de wet van 9 juli 1975. In dit artikel wordt in overeenstem- ming met artikel 144, lid 2, eerste alinea van de Richtlijn bepaald dat de Bank, bij intrekking van de toelating van een verzekeringsonderneming door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst, op verzoek van deze autoriteit passende maatregelen kan nemen om te beletten dat de betrokken verzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit en nieuwe werk- zaamheden aanvangt. Artikel 573, tweede lid bepaalt dat deze maatregelen met name kunnen bestaan in de sluiting van het bijkantoor dat de betrokken verzeke- ringsonderneming in België heeft gevestigd en in de aanstelling van een voorlopige zaakvoerder die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de verzekering- nemers, de verzekerden en de begunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen. Art. 574 Artikel 574 is overgenomen uit artikel 72, § 1 van de wet van 9 juli 1975 en zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van de artikelen 137 tot 140 en 144, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn, in zoverre ze eisen dat de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst de bevoegdheid moeten hebben om op verzoek van de toe- zichthouders van de lidstaat van herkomst, de beschik- king over op het Belgische grondgebied gelokaliseerde activa te beperken of te ontnemen. HOOFDSTUK II Uitoefening van activiteiten in België door herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf Art. 575 Artikel 575 is overgenomen uit artikel 55 van de wet van 16 februari 2009. Net zoals dit het geval is voor de verzekeringen, huldigt de Richtlijn (artikel 15, lid 1) voor de herverzekeringen het beginsel van de in de hele Unie geldende vergunning, dat inhoudt dat een vergunning die in een bepaalde lidstaat is toegekend overeenkomstig de Richtlijn, in de hele Unie wordt erkend en de herverzekeringsondernemingen toelaat Art. 573 L’article 573 constitue la reprise de l’article 72, § 2 de la loi du 9 juillet 1975. Il prévoit, en conformité avec l’ar- ticle 144, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive, qu’en cas de retrait de l’agrément de l’entreprise d’assurance par l’autorité de contrôle de l’État d’origine, la Banque peut être appelée à prendre, à la demande de l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine, les mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise d’assu- rance concernée de conclure de nouveaux contrats ou de nouvelles opérations en Belgique. L’article 573, ali- néa 2 précise que ces mesures incluent, notamment, la fermeture de la succursale que l’entreprise d’assurance concernée a établie en Belgique et la désignation d’un gérant provisoire qui s’assure de la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur leur destination, ce gérant étant habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des pre- neurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires en Belgique. Art. 574 L’article 574 constitue la reprise de l’article 72, § 1er de la loi du 9 juillet 1975 et assure la transposition partielle des articles 137 à 140 et 144, paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive en ce qu’ils requièrent que les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil soient habilitées à restreindre ou interdire, à la demande des autorités de contrôle de l’État membre d’origine, la disposition d’actifs localisés sur le territoire belge. CHAPITRE II Exercice d’activités en Belgique par des entreprises de réassurance relevant du droit d’un autre État membre Section Ire Accès à l’activité Art. 575 L’article 575 constitue la reprise de l’article 55 de la loi du 16 février 2009. Pour rappel, tout comme en matière d’assurance, la Directive (article 15, paragraphe 1er) consacre, en matière de réassurance, le principe de l’agrément unique en vertu duquel un agrément octroyé dans un État membre conformément à la Directive est reconnu dans l’ensemble de l’Union et permet aux en- treprises de réassurance d’y exercer ses activités, que 304 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in de hele Unie hun activiteiten uit te oefenen, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, hetzij via bijkantoren. Voor de herverzekeringen voorziet de Richtlijn echter niet in een kennisgevingsprocedure voor grensoverschrijdende activiteiten, zoals dit wel het geval is voor de verzekeringen. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 576 In artikel 576, eerste lid bevat de verplichting voor de herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, om de wettelijke en reglementaire bepalingen na te leven die in België van toepassing zijn om redenen van algemeen belang. Het gaat enerzijds om de bepa- lingen die van toepassing zijn op de herverzekerings- ondernemingen bij de uitoefening van hun herverzeke- ringsverrichtingen, en anderzijds om de bepalingen die van toepassing zijn op de herverzekeringsverrichtingen zelf, en dit om redenen van algemeen belang. Afdeling III Toezicht Art. 577 Artikel 577 voert een bepaling in die nieuw is ten opzichte van de wet van 16 februari 2009. Dit artikel bepaalt namelijk dat herverzekeringsondernemingen die in België herverzekeringsactiviteiten uitoefenen via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, voor de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst moe- ten toevoegen. Indien de herverzekeringsactiviteiten worden uitgeoefend via een bijkantoor, dienen zij aan hun naam eveneens hun zetel toe te voegen. Deze bepaling moet ervoor zorgen dat commu- nautaire ondernemingen die in België werkzaam zijn, duidelijk geïdentificeerd kunnen worden door het publiek. Voor verzekeringsondernemingen werd een soortgelijke bepaling ingevoerd (zie de commentaar bij artikel 563 voor de redenen voor de invoering van deze nieuwe bepaling). ce soit en libre prestation de services ou par la voie de succursales. Contrairement à la matière de l’assurance toutefois, la Directive ne prévoit pas de procédure de notification en cas d’activités transfrontalières. Section II Exercice de l’activité Art. 576 L’article 576, alinéa 1er rappelle l’obligation pour les entreprises de réassurance relevant du droit d’un autre État membre et opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou en libre prestation de services de respec- ter les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique pour des raisons d’intérêt général. Ces dernières incluent, d’une part, les dispositions appli- cables aux entreprises de réassurance dans l’exercice de leurs opérations de réassurance et, d’autre part, les dispositions applicables aux opérations de réassurance elles-mêmes et ce, pour des raisons d’intérêt général. Section III Contrôle Art. 577  L’article 577 introduit une disposition nouvelle par rapport à la loi du 16 février 2009. Il prévoit que les en- treprises de réassurance qui exercent en Belgique des activités de réassurance par la voie d’une succursale ou en libre prestation de service, font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur déno- mination de la mention de leur État d’origine. Dans le cas où les activités de réassurance sont exercées par la voie d’une succursale, la dénomination de l’entreprise de réassurance est également accompagnée de la mention de son siège social. Cette disposition vise à permettre au public l’identi- fication exacte de l’entreprise communautaire opérant en Belgique. Une disposition similaire, a été introduite pour les entreprises d’assurance (sur les raisons de cette nouvelle disposition, voyez le commentaire de l’article 563). 305 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 578 De Richtlijn legt geen specifieke procedure op voor de grensoverschrijdende uitoefening van herverzeke- ringsactiviteiten. De Richtlijn bepaalt ook niet dat de lidstaat van ontvangst prudentiële verplichtingen kan opleggen aan herverzekeringsondernemingen waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend en die in België herverzekeringsactiviteiten uitoefenen via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten. Deze ondernemingen zijn in het kader van de uitoefening van hun herverzekeringsactiviteiten in België dus niet onderworpen aan prudentiële verplichtingen waarop de Bank toezicht houdt. Om de toezichthouders van de betrokken lidstaat van herkomst in staat te stellen hun bevoegdheden op het vlak van inspectie en controle ter plaatse uit te oefenen bij in België gevestigde bijkantoren, biedt de Richtlijn deze autoriteiten de mogelijkheid om bij de betrokken bijkantoren controles en inspecties ter plaatse te ver- richten, nadat zij de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis heeft gesteld, om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van de herverzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. Artikel 578 is overgenomen uit artikel 56 van de wet van 16 februari 2009 en zorgt voor de omzetting van artikel 33 van de Richtlijn. Onderafdeling II Uitzonderingsmaatregelen Art. 579 tot 581 De artikelen 579 tot 581 zorgen voor de omzetting van artikel 158 van de Richtlijn. Het gaat om de — streng afgebakende — bevoegd- heden waarover de Bank beschikt wanneer zij vaststelt dat een herverzekeringsonderneming die in België een bijkantoor heeft of daar in het kader van het vrij ver- richten van diensten werkzaam is, niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn binnen het bevoegdheidsgebied van de Bank. Dit zijn bijvoorbeeld de bepalingen van algemeen belang waarvan de Bank toezicht houdt op de naleving ervan, met toepassing van wettelijke en reglementaire bepalingen. De procedure waarin de Richtlijn voorziet, bestaat uit verschillende stappen. Art. 578 La Directive ne soumet pas l’exercice transfrontalier de l’activité de réassurance à une procédure spécifique. Elle ne prévoit par ailleurs pas que l’État d’accueil puisse imposer des obligations de nature prudentielle aux entreprises de réassurance, agréées dans un autre État membre, qui exercent en Belgique des activités de réassurance par la voie d’une succursale ou en libre prestation de service. Ces entreprises ne sont donc pas soumises en Belgique, dans le cadre de l’exercice de leur activité de réassurance, à des obligations de nature prudentielle dont la Banque assurerait le contrôle. Afin de permettre aux autorités de contrôle de l’ État d’origine concerné d’exercer efficacement leurs pré- rogatives en matière d’inspection et de contrôle sur place auprès des succursales situées en Belgique, la Directive habilite ces autorités à procéder, après en avoir préalablement informé l’autorité de contrôle de de l’État d’accueil, à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées en vue de vérifier ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour assurer le contrôle de la situation financière de l’entreprise de réassurance. L’article 578 constitue la reprise de l’article 56 de la loi du 16 février 2009 et assure la transposition de l’article 33 de la Directive. Sous-section II Mesures exceptionnelles Art. 579 à 581 Les articles 579 à 581 assurent la transposition de l’article 158 de la Directive. Il s’agit des prérogatives — strictement encadrées — de la Banque lorsqu’elle constate que l’entreprise de réassurance ayant une succursale ou opérant par voie de libre prestation de services en Belgique ne respecte pas les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compé- tence de la Banque. Sont ainsi visées les dispositions applicables au titre d’intérêt général et au respect des- quelles la Banque est chargée de veiller en application de dispositions légales et réglementaires. Le processus prévu par la Directive se compose de plusieurs étapes. 306 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In geval van niet-naleving van de wettelijke en regle- mentaire bepalingen die in België van toepassing zijn binnen het bevoegdheidsgebied van de Bank, dient deze laatste de herverzekeringsonderneming die de betrokken bepalingen niet heeft nageleefd, eerst en vooral aan te manen om de vastgestelde toestand te verhelpen binnen een termijn die zij bepaalt. Indien de onregelmatige situatie blijft aanhouden, ondanks de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zn of die lidstaat geen maatregelen treft, kan de Bank, na de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te beteugelen. Voor zover zulks evenredig blijkt, omvatten deze maatregelen de mogelijkheid voor de Bank om de onderneming te verbieden in België nog nieuwe herverzekeringsovereenkomsten te sluiten. Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de maatregelen die door de toezichthouders van de lid- staat van herkomst zijn genomen, ontoereikend zijn, voorziet de Richtlijn (artikel 158, lid 2, derde alinea) in de mogelijkheid om de zaak aan EIOPA voor te leggen, overeenkomstig de procedure voor de schikking van meningsverschillen waarin artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 voorziet. Dit is wat bepaald wordt in artikel 579, § 1, derde lid van de ontwerptekst. Aangezien artikel 158, lid 3 van de Richtlijn, dat in een motiveringsplicht voorziet, betrekking heeft op de maatregelen die krachtens artikel 158, leden 1 en 2 wor- den genomen, zij hier opgemerkt, voor zover nodig, dat deze verplichting werd omgezet via het gemeen recht dat van toepassing is op de administratieve autoriteiten, namelijk de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdruk- kelijke motivering van de bestuurshandelingen. In tegenstelling tot wat bepaald is voor de verzeke- ringen, verleent de Richtlijn aan de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst niet de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen af te wijken van de procedure van artikel 158, leden 1 en 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de hogerge- noemde maatregelen neemt. Art. 582 Artikel 582 voegt een bepaling in die nieuw is ten opzichte van de wet van 16  februari  2009  en zorgt voor de omzetting van artikel 144, lid 2, eerste alinea van de Richtlijn, waarin bepaald wordt dat de Bank, bij En cas de manquement aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, cette dernière doit, tout d’abord, mettre l’entreprise de réassurance, auteur du manquement, en demeure de remédier à la situation constatée dans un délai qu’elle fixe. Si, en dépit des mesures prises par l’État membre d’origine, ou parce que ces mesures apparaissent inadéquates ou qu’elles font défaut dans cet État, la situation de manquement persiste, la Banque peut, après en avoir informé les autorités de contrôle de l’État membre d’origine, prendre les mesures appropriées pour prévenir ou réprimer de nouvelles irrégularités. Ces mesures incluent, pour autant que cela s’avère proportionné, la possibilité pour la Banque d’interdire à l’entreprise de continuer à conclure de nouveaux contrats de réassurance en Belgique. En outre, si la Banque considère que les mesures prises par les autorités de contrôle de l’État membre d’origine concerné sont inadéquates, la Directive (article 158, paragraphe 2, al. 3) organise la possibilité de saisir l’EIOPA selon la procédure de règlement des différends organisée par l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. C’est ce que prévoit l’article 579, § 1er, alinéa 3 en projet. Dès lors que l’article 158, paragraphe 3  de la Directive, qui prévoit une obligation de motivation, concerne les mesures prises en vertu de l’article 158, paragraphes 1 et 2, on indique ici, pour autant que de besoin, que cette obligation se trouve transposée par le droit commun applicable aux autorités administratives, à savoir, la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs. Contrairement à ce qui est prévu en matière d’as- surance, la Directive ne permet pas à l’autorité de contrôle de l’État membre d’accueil de déroger, en cas d’urgence, à la procédure prévue à l’article 158, paragraphes 1 et 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine avant de prendre les mesures ci-dessus. Art. 582 L’article 582 introduit une nouvelle disposition par rap- port à la loi du 16 février 2009 et assure la transposition de l’article 144, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive qui prévoit qu’en cas de retrait de l’agrément de l’entreprise de 307 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 intrekking van de vergunning van een herverzekerings- onderneming door de toezichthouders van de lidstaat van herkomst, op verzoek van deze autoriteit passende maatregelen kan nemen om te beletten dat de betrokken herverzekeringsonderneming in België nieuwe over- eenkomsten sluit of nieuwe werkzaamheden aanvangt. Artikel 582, tweede lid, bepaalt dat deze maatregelen met name kunnen bestaan in de sluiting van het bijkan- toor dat de betrokken herverzekeringsonderneming in België heeft gevestigd en in de aanstelling van een voorlopige zaakvoerder die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de herverzekeringsbegunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen. Art. 583 Artikel 583 is overgenomen uit artikel 56, paragraaf 2 van de wet van 16 februari 2009 en zorgt voor de ge- deeltelijke omzetting van de artikelen 137 tot 140 en 144, lid 2, tweede alinea van de Richtlijn, voor wat betreft de bepaling dat de toezichthouders van de lidstaat van ont- vangst de bevoegdheid moeten hebben om op verzoek van de toezichthouders van de lidstaat van herkomst, de beschikking over op het Belgische grondgebied ge- lokaliseerde activa te beperken of te verbieden. TITEL II Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren HOOFDSTUK I Bijkantoren in België van verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf in België Art. 584 In de wet van 9 juli 1975 worden verzekeringsonder- nemingen naar Belgisch recht en verzekeringsonderne- mingen die onder een derde land ressorteren en die via een bijkantoor een verzekeringsactiviteit in België willen uitoefenen, samen behandeld. Teneinde de regeling voor verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land te verduidelijken en te verfijnen, wordt in het voorliggende ontwerp aan deze ondernemingen een afzonderlijke Titel gewijd, die de artikelen 162 en volgende van de Richtlijn omzet. réassurance par l’autorité de contrôle de l’État d’origine, la Banque peut être appelée à prendre, à la demande de l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine, les mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise de réassurance concernée de conclure de nouveaux contrats ou de nouvelles opérations en Belgique. L’article 582, alinéa 2  précise que ces mesures incluent, notamment, la fermeture de la succursale que l’entreprise de réassurance concernée a établie en Belgique et la désignation d’un gérant provisoire qui s’assure de la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur leur destination, ce gérant étant habilité à prendre toutes mesures conser- vatoires dans l’intérêt des bénéficiaires de réassurance en Belgique. Art. 583 L’article 583 constitue la reprise de l’article 56, para- graphe 2 de la loi du 16 février 2009 et assure la transpo- sition partielle des articles 137 à 140 et 144, paragraphe 2, alinéa 2 de la Directive en ce qu’ils requièrent que les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil soient habilitées à restreindre ou interdire, à la demande des autorités de contrôle de l’État membre d’origine, la dis- position d’actifs localisés sur le territoire belge. TITRE II Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant du droit de pays tiers CHAPITRE IER Succursales en Belgique d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers Section Ire Accès à l’activité en Belgique Art. 584 La loi du 9 juillet 1975 traite conjointement des entre- prises d’assurance de droit belge et des entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui, par la voie d’une succursale, souhaitent exercer une activité d’assurance en Belgique. Afin de clarifier et d’affiner le régime applicable aux entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, le présent projet leur consacre désormais un Titre distinct qui transpose ce faisant les articles 162 et suivant de la Directive. 308 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 584, eerste lid, herinnert aan het eerder in artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 vermelde principe, dat stelt dat verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, een vergunning moeten verkrijgen van de Bank alvorens een bijkantoor te openen om hun activiteiten in België uit te oefenen. Daartoe moeten ze voldoen aan een aantal algemene en specifieke vergunningsvoorwaarden, die opgesomd worden in artikel 585, §§ 1 tot 3. In overeenstemming met artikel 162, lid 2, onder b) van de Richtlijn mogen verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land, hun verzekeringsac- tiviteit in België niet uitoefenen zonder er een vestiging te hebben. Voorts beschikken de verzekeringsonderne- mingen die ressorteren onder een derde land en die de in artikel 584 bedoelde vergunning hebben verkregen, niet over een Europees paspoort waarmee ze hun activiteiten in een andere lidstaat kunnen uitoefenen. Artikel 584 is van toepassing onverminderd de bepa- lingen van de internationale verdragen waarbij België partij is. Verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land waarmee België een verdrag gesloten heeft over de grensoverschrijdende uitoefe- ning van het verzekeringsbedrijf, zijn dus onderworpen aan de in dat verdrag opgenomen voorwaarden inzake vergunning en/of bedrijfsuitoefening. Dat geldt onder meer voor de verzekeringsondernemingen naar Zwitsers recht die actief zijn in het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, gelet op het op 10 oktober 1989 tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie (toen de Europese Economische Gemeenschap) gesloten verdrag betref- fende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, dat België bindt. Ook dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (General Agreement on Trade in Services — GATS), in het bijzonder de bepalingen van de Bijlage ervan over de financiële dienstverlening en het Memorandum van overeenstemming inzake verbin- tenissen betreffende financiële diensten. Artikel 584, tweede lid bepaalt dat de Koning, voor de uitvoering van de internationale verdragen waarbij België partij is, de voorwaarden en modaliteiten kan bepalen waaronder de verzekeringsondernemingen waarop deze verdragen van toepassing zijn, recht van vestiging kunnen genieten voor de uitoefening van hun activiteiten in België. L’article  584, alinéa  1er rappelle le principe — précédemment énoncé à l’article 2bis de la loi du 9 juillet 1975 — selon lequel les entreprises d’assu- rance relevant du droit d’un pays tiers qui sont dûment agréées en cette qualité dans ce pays doivent se faire agréer par la Banque avant d’ouvrir une succursale en vue d’exercer leurs activités en Belgique. À cette fin, un certain nombre de conditions d’agrément générales et spécifiques doivent être satisfaites. Elles sont énumé- rées à l’article 585, §§ 1er à 3. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers ne sont pas autorisées à exercer leur activité d’assurance en Belgique sans y avoir un établissement et ce, conformément à l’article 162, paragraphe 2, b) de la Directive. Par ailleurs, les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui bénéficient de l’agrément visé à l’article 584 ne bénéficient pas d’un passeport européen leur permettant d’exercer leurs activités dans un autre État membre. L’article 584 s’applique sans préjudice des disposi- tions des Traités internationaux auxquels la Belgique est partie. Ainsi, les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui a conclu avec la Belgique un Traité touchant à l’exercice transfrontalier de l’activité d’assurance, bénéficient des conditions d’agrément et/ou d’exercice prévues par ce Traité. C’est le cas notamment des entreprises d’assurance relevant du droit suisse qui pratiquent l’assurance directe autre que l’assurance vie, dès lors qu’un Traité liant la Belgique a été conclu le 10 octobre 1989 entre la Confédération suisse et l’Union européenne (alors Communauté éco- nomique européenne) concernant l’assurance directe autre que l’assurance sur la vie. On sera également attentif aux conséquences décou- lant de l’Accord général sur le commerce des services (General Agreement on Trade in Services — GATS), en particulier ses dispositions contenues dans l’Annexe sur les services financiers et le Memorandum d’accord sur les engagements relatifs aux services financiers. L’article  584, alinéa  2  précise que le Roi peut, pour l’exécution de Traités internationaux auxquels la Belgique est partie, préciser les conditions et les moda- lités selon lesquelles les entreprises d’assurance visées par ces Traités bénéficient d’un droit d’établissement en vue de l’exercice de leurs activités en Belgique. 309 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 585 Artikel 585, §§ 1 tot 3 somt de verschillende (alge- mene en specifieke) voorwaarden op waaraan verzeke- ringsondernemingen die ressorteren onder een derde land moeten voldoen om een vergunning te krijgen in België. In paragrafen 4 en 5 worden de gevallen be- schreven waarin België kan weigeren een vergunning te verlenen aan het bijkantoor. In artikel 585, §§ 1 en 2 worden de specifieke voor- waarden omschreven waaraan het Belgisch bijkantoor van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land moet voldoen om een vergunning te krijgen in België. Paragraaf 1 heeft betrekking op de vergunningsvoorwaarden die van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht en die via verwijzing gelden voor de bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land. Er wordt verwezen naar de toelichting bij deze bepalingen. Het volgende kan evenwel worden opgemerkt: Artikel 585, § 1, eerste lid, 1°, b) — dat artikel 5, tweede lid, 4° van de wet van 9 juli 1975 overneemt — bepaalt dat de verzekeringsonderneming in haar land van herkomst de toestemming dient te hebben verkre- gen om de verschillende activiteiten uit te oefenen die in haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen. Behalve het feit dat de onderneming in het derde land van herkomst de hoedanigheid van “verzekeringson- derneming” moet hebben, dient de uitoefening van de verscheidene activiteiten die opgenomen zijn in het programma van werkzaamheden van het bijkantoor dus eveneens te zijn toegelaten in het derde land van herkomst. Deze vereiste moet eveneens worden gelezen in combinatie met paragraaf 5, tweede lid, 1°, waaruit blijkt dat de betrokken activiteit bovendien effectief moet worden uitgeoefend. Artikel 585, § 1, eerste lid, 3° — dat betrekking heeft op de eigenvermogensvereisten — dient samen te worden gelezen met het tweede lid van dezelfde pa- ragraaf, dat met name de artikelen 166, lid 3, eerste alinea en 162, lid 2, onder e) van de Richtlijn omzet. Uit de samenlezing van deze bepalingen blijkt dat de verze- keringsonderneming, wat het minimumkapitaalvereiste betreft, moet aantonen: a) dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend kernvermogen aan te houden om doorlopend het in artikel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te dekken. b) dat het bijkantoor over het nodige in aanmerking komende eigen vermogen beschikt om de helft van de Art. 585 L’article 585, §§ 1er à 3 énonce les différentes condi- tions (générales et spécifiques) auxquelles les entre- prises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers doivent satisfaire afin d’être agréées en Belgique. Les paragraphes 4 et 5 spécifient les situations dans les- quelles la Banque peut refuser d’agréer la succursale. L’article 585, §§ 1er et 2 vise les conditions spécifiques devant être satisfaites par la succursale belge d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers afin d’être agréée en Belgique. Le paragraphe 1er vise les conditions d’agrément qui sont applicables aux entre- prises d’assurance de droit belge et qui s’appliquent, par renvoi, aux succursales d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. Il est renvoyé aux commentaires de ces dispositions. On relève toutefois les éléments suivants: L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 1°, b) — qui consti- tue la reprise de l’article 5, alinéa 2, 4° de la loi du 9 juillet 1975 — précise que l’entreprise d’assurance doit être autorisée dans son pays d’origine à exercer les différentes activités contenues dans son programme d’activités. Outre la qualité d’ “entreprise d’assurance” dans le pays tiers d’origine, l’exercice des diverses activités contenues dans le programme d’activités de la succursale doit donc également être autorisé dans le pays tiers d’origine. Cette exigence doit également être lue en combinaison avec le paragraphe 5, alinéa 2, 1° dont il ressort que l’activité concernée doit, en outre, faire l’objet d’un exercice effectif. L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 3° — qui vise les exi- gences de fonds propres — est à lire conjointement avec l’alinéa 2 du même paragraphe qui assure notamment la transposition des articles 166, paragraphe 3, alinéa 1er et 162, paragraphe 2, e) de la Directive. Il résulte de cette lecture conjointe que l’entreprise d’assurance doit, concernant le minimum de capital requis, démontrer: a) qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres de base éligibles nécessaires pour couvrir en perma- nence le minimum de capital requis prévu à l’article 189; b) que la succursale fait l’objet d’une dotation en fonds propres éligibles nécessaires pour atteindre la 310 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste als vastgelegd in ontwerpartikel 189, § 1, 4° te bereiken; c) dat zij in België over activa beschikt voor het in punt b) hierboven bedoelde bedrag; d) dat zij de helft van de in b) bedoelde activa bij een financiële intermediair heeft gedeponeerd, om ze onbeschikbaar te maken. In dat verband kan worden opgemerkt dat de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de voorwaarden en modaliteiten be- paalt waaraan deze onbeschikbaarheid moet voldoen. Met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste moet de verzekeringsonderneming aantonen dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend eigen vermogen aan te houden om doorlopend het solvabili- teitskapitaalvereiste te dekken, overeenkomstig artikel 151 van het wetsontwerp. Artikel 585, § 1, eerste lid, 4° verklaart de artike- len 39 tot 43 van het wetsontwerp toepasselijk op de Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land. Wat betreft artikel 42 wordt benadrukt dat uitdrukkelijk wordt verwezen naar de basisbepaling die de organisatieverplichtingen vaststelt en niet naar het geheel van de daaropvolgende bepalingen die er de draagwijdte van bepalen voor wat betreft de oprichting van comités en de invoering van controlefuncties. Voor deze aspecten rusten deze orga- nisatieverplichtingen in principe op het bijkantoor, onder voorbehoud, uiteraard, van het evenredigheidsbeginsel vermeld in artikel 42, § 2. De specifieke kenmerken van het bijzondere geval zullen dus bepalen in welke mate de vereisten bedoeld in artikel 42 zullen moeten worden nageleefd. Artikel 585, § 1, eerste lid, 5° bepaalt dat verzeke- ringsondernemingen die ressorteren onder een derde land zich moeten aansluiten bij een regeling voor de bescherming van levensverzekeringen overeenkom- stig artikel 62, indien ze niet kunnen aantonen dat de verbintenissen van hun Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een regeling ter bescher- ming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering in hun land van herkomst als door de regelingen in België, voor wat de types van gedekte overeenkomsten en het vastgestelde beschermingsniveau betreft. Bij de specifieke voorwaarden wordt in artikel 585 § 2, 2° eveneens gesteld dat de verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land moet voldoen aan alle prudentiële vereisten die op haar van toepassing zijn in haar land van herkomst, hetgeen moet worden bevestigd door de toezichthouder die belast is met het moitié du seuil absolu du minimum de capital requis prévu à l’article 189, § 1er, 4° du projet; c) qu’elle dispose en Belgique d’actifs pour le montant visé au point b) ci-dessus; d) qu’elle a déposé la moitié des actifs visés au b) ci-dessus auprès d’un intermédiaire financier, de telle manière à les rendre indisponibles. On relève à cet égard que la Banque détermine, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les conditions et modalités auxquelles doit répondre cette indisponibilité. Concernant le capital de solvabilité requis, l’entre- prise d’assurance doit démontrer qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres éligibles nécessaires pour détenir en permanence le capital de solvabilité requis, conformément à l’article 151 du projet de loi. L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 4° rend les articles 39 à 43 du projet de loi applicable aux succursales belges d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. Concernant l’article 42, on souligne que le renvoi est effectué, de manière expresse, à la disposition de base fixant les contraintes organisationnelles et non à l’ensemble des dispositions subséquentes qui en pré- cisent la portée, en matière d’instauration de comités et de fonctions de contrôle. Sur ces aspects, le respect de ces contraintes organisationnelles est, en principe, requis dans le chef de la succursale, sous réserve, bien évidemment, du principe de proportionnalité repris sous l’article 42, § 2. Ce sont donc les spécificités du cas d’espèce qui conduiront à déterminer dans quelle mesure les exigences visées à l’article 42 devront être respectées. L’article 585, § 1er, alinéa 1er, 5° prévoit que les entre- prises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers doivent adhérer à un système de protection des assu- rances sur la vie conformément à l’article 62 si elles ne peuvent établir que les engagements de leur succursale belge sont couverts par un système de protection des créanciers d’assurance au sein de leur pays d’origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant des systèmes mis en place en Belgique, quant aux types de contrats couverts et au niveau de protection prévu. Parmi les conditions spécifiques, on relève égale- ment, à l’article 585, § 2, 2° la nécessité pour l’entre- prise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers de satisfaire à l’ensemble des exigences prudentielles qui lui sont applicables dans son pays d’origine, ce qui doit être confirmé par l’autorité en charge du contrôle de 311 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toezicht op de betrokken verzekeringsonderneming. Deze bevestiging door de toezichthouder van het derde land strookt met de ontwerpaanbevelingen van de EIOPA in verband met het toezicht op de bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder derde landen. Artikel 585, § 3 onderwerpt de uitreiking van een vergunning aan een bijkantoor van een verzekerings- onderneming die ressorteert onder een derde land aan de naleving van twee algemene voorwaarden, die een aanvulling vormen op de specifieke voorwaarden. Deze algemene voorwaarden zijn gericht op de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering van het Belgische bijkantoor. Voortaan dienen ook de hierna- volgende voorwaarden te worden vervuld vooraleer de Bank een vergunning kan verlenen aan een bijkantoor van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land: 1° de verzekeringsonderneming moet in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen worden dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaat- regelen wordt geregeld. Met het oog op een passende bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzeke- ring van het bijkantoor, is het meer bepaald noodzakelijk dat de solvabiliteitsvereisten die van toepassing zijn op de verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land op zijn minst gelijkwaardig zijn aan die van de Richtlijn (zie het standpunt van de EIOPA in de Final report on public consultation No. 14/048 on Guidelines on the supervision of branches of third-country insurance undertakings — Guideline 23 ). De beoordeling van het systeem van prudentieel toezicht in het land van herkomst is van essentieel belang om te garanderen dat de verze- keringsonderneming onderworpen is aan een passend niveau van toezicht voor al haar activiteiten, met inbegrip van de activiteiten die ontwikkeld worden in haar bijkan- toren of dochterondernemingen. De Bank baseert haar oordeel op de beschikbare informatie die zij verkregen heeft via contacten met de autoriteiten van een derde land van de betrokken ondernemingen, of via analyses die reeds uitgevoerd zijn door de Europese Commissie of door andere Europese of internationale instellingen. 2° de Bank dient met de autoriteit die belast is met het toezicht op de verzekeringsondernemingen van het derde land van herkomst een samenwerkingsovereenkomst te hebben ondertekend voor de uitwisseling van informatie om een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen op de activiteiten van het Belgische bijkantoor. De uitwisseling van informatie die volgt uit de samenwerkingsovereen- komst dient noodzakelijkerwijs effectief te zijn opdat de Bank een dergelijk toezicht zou kunnen uitoefenen. Naargelang van de kenmerken van het bijkantoor, in het l’entreprise d’assurance concernée. Cette confirmation à obtenir de l’autorité de contrôle du pays tiers est en ligne avec le projet de recommandations de l’EIOPA concernant la supervision des succursales d’entreprises d’assurance relevant de pays tiers. L’article 585, § 3 soumet l’octroi de l’agrément à une succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers au respect de deux conditions générales, qui viennent compléter les conditions spé- cifiques. Ces conditions générales visent à protéger les créanciers d’assurance de la succursale belge. Désormais, les conditions suivantes devront également être satisfaites pour que la Banque puisse octroyer un agrément à une succursale d’une entreprise d’assu- rance relevant du droit d’un pays tiers: 1° l’entreprise d’assurance doit être soumise dans son pays d’origine à un contrôle prudentiel de nature équivalente à celui organisé par la Directive 2009/138/ CE et ses mesures d’exécution. En particulier, afin d’assurer une protection adéquate des créanciers d’assurance de la succursale, il est nécessaire que les exigences de solvabilité applicables à l’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers soient au moins équivalentes à celles prévues dans la Directive (cf la position de l’EIOPA dans le Final report on public consultation No. 14/048 on Guidelines on the supervi- sion of branches of third-country insurance undertakings — Guideline 23 ). L’appréciation du système de supervi- sion prudentielle du pays d’origine est essentielle pour s’assurer que l’entreprise d’assurance soit soumise à un niveau approprié de supervision couvrant l’ensemble de ses opérations, y compris celles développées au sein de ses succursales ou filiales. La Banque fondera son appréciation sur base des informations disponibles, pro- venant des contacts avec les autorités de pays tiers des entreprises concernées, ou d’analyses déjà réalisées par la Commission européenne ou d’autres institutions européennes ou internationales. 2° la Banque doit avoir signé avec l’autorité en charge du contrôle des entreprises d’assurance du pays tiers d’origine un accord de coopération impliquant un échange d’informations lui permettant d’exercer un contrôle efficace des activités de la succursale belge. L’échange d’informations résultant de l’accord de coopération doit nécessairement être effectif pour que la Banque puisse exercer un tel contrôle. Selon les caractéristiques de la succursale, en particulier des risques que ses activités génèrent pour les créanciers 312 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bijzonder de risico’s die de activiteiten van dit bijkantoor met zich meebrengen voor de schuldeisers in België, met name voor de verzekeringnemers, de verzekerden en de verzekeringsbegunstigden die een overeenkomst hebben gesloten met het bijkantoor, is de Bank gemachtigd om af te wijken van deze voorwaarde indien zij van oordeel is dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst niet in verhouding staat tot de bijdrage die deze zou leveren in het kader van het toezicht op het bijkantoor. Artikel 585, §§ 4 en 5 heeft betrekking op de andere gevallen waarin de Bank een vergunning kan weigeren aan een bijkantoor van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land. Paragraaf 5 bevat daarenboven, bij wijze van voorbeeld en niet-limitatief, een lijst met criteria die de Bank bij haar analyse in aanmerking kan nemen. Het criterium van de werkelijke uitoefening, dat vaak gebruikt wordt door buitenlandse toezichthouders, heeft tot doel te garanderen dat de ac- tiviteiten van het bijkantoor behoorlijk geïntegreerd zijn in de onderneming (moederonderneming) of de groep waartoe de verzekeringsonderneming behoort en dat de risico’s die aan deze activiteiten zijn verbonden, bijge- volg op passende wijze worden opgevolgd en beheerst. Het in de inleiding van paragraaf 4 gemaakte voor- behoud inzake de internationale overeenkomsten die België binden, heeft hoofdzakelijk betrekking op de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (ook bekend als “de GATS”), die wederkerigheidsclau- sules verbiedt. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 586 Naar het voorbeeld van ontwerpartikel 63 voor de verzekeringsondernemingen naar Belgisch , stipuleert artikel 586 dat de Belgische bijkantoren van verzeke- ringsondernemingen die ressorteren onder een derde land blijvend moeten voldoen aan de door of krachtens artikel 584 vastgelegde voorwaarden. Art. 587 Artikel 587 heeft betrekking op de bedrijfsuitoefe- ningsvoorwaarden die van toepassing zijn op de verze- keringsondernemingen naar Belgisch recht en die via verwijzing gelden voor de bijkantoren van verzekerings- ondernemingen die ressorteren onder een derde land. Er zij verwezen naar de commentaar bij de artikelen in verband met deze voorwaarden. en Belgique, spécialement les preneurs, les assurés et les bénéficiaires d’assurance ayant contracté avec la succursale, la Banque est habilitée à déroger à cette condition si elle considère que la conclusion d’un tel accord présente un caractère disproportionné au regard de l’apport qu’il constituerait dans le cadre du contrôle exercé sur la succursale. L’article 585, §§ 4 et 5 visent les cas additionnels dans lesquels la Banque peut refuser d’octroyer un agrément à une succursale d’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. Le paragraphe 5 fournit en outre, de manière exemplative et non limitative, une liste de critères pouvant être pris en considération par la Banque lors de son analyse. Le critère de l’exercice effectif, usité par des autorités de contrôle étrangères, a pour objet de s’assurer que l’activité de la succursale soit dûment intégrée au sein de l’entreprise (maison mère) ou du groupe auquel appartient l’entreprise d’assurance et que les risques propres à cette activité soient dès lors adéquatement encadrés. La réserve indiquée, à titre liminaire, au paragraphe 4  concernant les Accords internationaux liant la Belgique, vise essentiellement l’Accord Général sur le Commerce des Services (communément dénommé “le GATS”) qui prohibe les clauses de réciprocité. Section II Exercice de l’activité Art. 586 À l’instar de l’article 63 en projet pour les entreprises d’assurance de droit belge, l’article 586 précise que les succursales belges des entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu de l’article 584. Art. 587 L’article  587  vise les conditions d’exercice appli- cables aux entreprises d’assurance de droit belge qui s’appliquent, par renvoi, aux succursales d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. Il est renvoyé aux commentaires des articles relatifs à ces conditions. 313 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Punt 5° bevat echter een aantal specifieke bepalin- gen — die artikel 164 van de Richtlijn omzetten — in verband met de portefeuilleoverdrachten: Wanneer een Belgisch bijkantoor van een verze- keringsonderneming die ressorteert onder een derde land een deel of het geheel van deze activiteiten, met inbegrip van een deel of het geheel van haar portefeuille, wil aan een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigd bijkantoor van een andere verzekeringsonder- neming die ressorteert onder een derde land, verleent de Bank haar toestemming voor een portefeuilleover- dracht enkel indien: — de toezichthouders van de betrokken lidstaat heb- ben ingestemd met de overdracht, en — deze toezichthouders verklaren dat de betrokken overnemende onderneming, na de voorgenomen over- dracht, over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen beschikt om het solvabiliteitskapitaalvereiste dat met toepassing van de wetgeving van die lidstaat is opgelegd, te dekken; — in alle gevallen waarin de overdragende onder- neming een bijkantoor is dat de in artikel 584 bedoelde vergunning heeft verkregen, kan de Bank de overdracht alleen goedkeuren indien ze de instemming heeft ver- kregen van de toezichthouders van de andere lidstaten waar de risico’s zijn gelegen of, naargelang van het geval, van de toezichthouders van de lidstaten van de verbintenis. Indien de geraadpleegde buitenlandse toe- zichthouders niet hebben gereageerd binnen een termijn van drie maanden, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven. Art. 588 Een aantal bepalingen die van toepassing zijn op ondernemingen naar Belgisch recht en die betrekking hebben op de technische voorzieningen, de voorschrif- ten voor de waardering van activa en passiva en de periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels, worden in artikel 588 via verwijzing toepasselijk ver- klaard op bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land. Er zij verwezen naar de commentaar bij deze bepalingen. Art. 589 Artikel 589, § 1 bevat de regels inzake eigen vermo- gen waaraan de Belgische bijkantoren van verzeke- ringsondernemingen die ressorteren onder een derde land onderworpen zijn, onder meer met betrekking tot de samenstelling, de berekening en het bedrag ervan: On relève toutefois au point 5° les spécificités sui- vantes — qui assurent la transposition de l’article 164 de la Directive — concernant les transferts de portefeuilles. Ainsi, lorsqu’une succursale belge d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers souhaite céder tout ou partie de ces activités, en ce compris tout ou partie de son portefeuille, à une succursale, située sur le territoire d’un autre État membre, d’une autre entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, la Banque ne donne son autorisation à un transfert que si: — les autorités de contrôle de l’État membre concer- né ont donné leur accord à un tel transfert, et — ces autorités attestent que l’entreprise cession- naire concernée dispose, compte tenu du transfert envi- sagé, de fonds propres éligibles suffisants pour couvrir le capital de solvabilité requis exigé en application de la législation de cet État. — dans tous les cas où l’entreprise cédante est une succursale bénéficiant de l’agrément visé à l’article 584, la Banque ne peut autoriser le transfert que si elle a reçu l’accord des autorités de contrôle des autres États membres où les risques sont situés ou, selon le cas, des autorités de contrôle des États membres de l’engagement. À défaut de réponse des autorités étrangères consultées dans un délai de trois mois, leur accord est présumé. Art. 588 L’article 588 applique, par renvoi, aux succursales d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers certaines dispositions, applicables aux entreprises de droit belge, relatives aux provisions techniques, aux règles de valorisation des actifs et passifs et aux infor- mations périodiques et règles comptables. Il est renvoyé aux commentaires de ces dispositions. Art. 589 L’article 589, § 1er énonce les règles applicables à la dotation en fonds propres dont doivent faire l’objet les succursales belges d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, notamment en termes de com- position, de calcul et de montant: 314 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° zo moet het eigen vermogen voldoen aan de artikelen 140 tot 150, onder meer in verband met de samenstelling van het eigen vermogen; er zij verwezen naar de commentaar bij deze artikelen. 2° het eigen vermogen moet voldoen aan het solvabi- liteitskapitaalvereiste (berekend overeenkomstig de ar- tikelen 151 tot 188) en aan het minimumkapitaalvereiste (berekend overeenkomstig artikel 189). Er zij verduide- lijkt dat voor de toepassing van die vereisten, zowel voor levensverzekeringen als voor niet-levensverzekeringen alleen de verrichtingen in aanmerking worden genomen die door het betrokken bijkantoor worden uitgevoerd. Er zij gewezen op het verschil met de in artikel 585, § 1, eerste lid, 3° bedoelde vergunningsvoorwaarde. Tijdens de vergunningsfase volstaat het immers dat de verzeke- ringsonderneming aantoont dat ze over het vereiste in aanmerking komende eigen vermogen kan beschikken voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste. In de volgende fase, die van de bedrijfsuitoefening, dient de naleving van deze voorwaarde concreet te zijn ingevuld via een eigen vermogen dat beantwoordt aan de hierboven vermelde criteria. 3° de absolute ondergrens van het minimumkapitaal- vereiste die van toepassing is op het eigen vermogen stemt overeen met de helft van het in artikel 189, § 1, 4° bedoelde bedrag. Daarmee wordt bevestigd dat de reeds in artikel 585, § 1, tweede lid, a) als vergun- ningsvoorwaarde opgenomen regel van toepassing blijft tijdens de fase van de bedrijfsuitoefening. Artikel 589, § 2 verklaart artikel 323 met betrekking tot de kapitaalopslagfactoren toepasselijk, met dien verstande dat de opslagfactor een aanvullend vereiste is met betrekking tot het eigenvermogensvereiste dat met toepassing van dit artikel wordt opgelegd. De toepassing van dit artikel op de Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land strookt met de ontwerpaanbevelingen van de EIOPA die zijn opgenomen in de Final report on public consultation No. 14/048 on Guidelines on the supervision of branches of third-country insurance undertakings. Hetzelfde geldt voor de toepassing van artikel 91 — waarnaar artikel 589, § 3 verwijst — in verband met de beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (own risk and solvency assessment). 1° la dotation en fonds propres doit ainsi respecter les articles 140 à 150 relatifs notamment à la composition des fonds propres; il est renvoyé aux commentaires de ces articles. 2° la dotation en fonds propres doit respecter les exigences de capital de solvabilité requis (calculé conformément aux articles 151 à 188) et d’un minimum de capital requis (calculé conformément à l’article 189). Il est précisé qu’aux fins de ces exigences, seules sont prises en considération, tant pour l’assurance-vie que pour l’assurance non-vie, les opérations réalisées par la succursale concernée. On relève la différence avec la condition d’agrément visée à l’article 585, § 1er, ali- néa 1er, 3°. Lors de la phase d’agrément, il est en effet suffisant pour l’entreprise d’assurance de démontrer qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres éligibles nécessaires à la détention du capital de sol- vabilité requis et du minimum de capital requis. Lors de la phase ultérieure, celle de l’exercice de l’activité, cette possibilité doit s’être matérialisée au travers d’une dotation en fonds propre qui répond aux critères men- tionnés ci-dessus. 3° le seuil absolu du minimum de capital requis applicable à la dotation en fonds propres correspond à la moitié du montant visé à l’article 189, § 1er, 4°. Il s’agit d’une confirmation de ce que la règle, déjà énoncée comme condition d’agrément à l’article 585, § 1er, alinéa 2, a), reste d’application durant la phase d’exercice de l’activité. L’article 589, § 2 rend applicable l’article 323 relatif aux exigences de capital supplémentaire, étant entendu que l’exigence supplémentaire vise une exigence supplémentaire relative à la dotation en fonds propres requise en application du présent article. L’application de cet article aux succursales belges d’entreprises d’assurance de pays tiers est en ligne avec le projet de recommandations de l’EIOPA tel qu’exposé dans le Final report on public consultation No. 14/048 on Guidelines on the supervision of branches of third- country insurance undertakings . Il en est de même de l’application de l’article 91 — auquel renvoie l’article 589, § 3 — relatif aux évaluations internes des risques et de la solvabilité (own risk and solvency assessment). 315 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 590 Artikel 590 — dat zorgt voor de omzetting van arti- kel 169, lid 1 van de Richtlijn — bevat het beginsel dat de in artikel 584 bedoelde bijkantoren het niet-levens- verzekeringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf niet gelijktijdig mogen uitoefenen. Art. 591 Artikel 591, § 1 verduidelijkt dat het in de artikelen 190 tot 193 vermelde voorzichtigheidsbeginsel even- eens van toepassing is op de activa van de Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressor- teren onder een derde land. Artikel 591 is van toepassing op alle activa van het bijkantoor. Paragraaf 2 verklaart de artikelen 194 en 195 via verwijzing toepasselijk op de verbintenissen die door het bijkantoor worden aangegaan. Dit betekent dat het bijkantoor te allen tijde activa moet aanhouden die gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123, voor een bedrag dat de verplichtingen van het bijkantoor jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering dekt zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een liquidatieprocedure waarbij deze verplichtingen beëindigd zouden worden. Deze activa moeten worden opgenomen in een speciaal register, de zogenoemde “doorlopende inventaris”, die dient te worden bijgehou- den op de zetel van het bijkantoor (wat kan worden afgeleid uit de samenlezing met artikel 588, § 1, 2°). Voor het overige zij verwezen naar de commentaar bij de artikelen 194 en 195. Het weze opgemerkt dat de toepassing van artikel 591, § 2 geen afbreuk doet aan artikel 585, § 1, tweede lid. Krachtens deze laatste bepaling moet de verzeke- ringsonderneming die ressorteert onder een derde land enerzijds beschikken over een bedrag van ten minste de helft van de absolute ondergrens voor het minimum- kapitaalvereiste en anderzijds de helft van deze activa bij een financiële intermediair deponeren om ze onbe- schikbaar te maken. Op te merken valt dat de in artikel 592, § 1 bedoelde artikelen niet onderworpen zijn aan een onbeschikbaarheidsverplichting. Met betrekking tot de lokalisering van de in artikel 591, § 2 bedoelde activa — namelijk de activa die worden aangehouden voor een bedrag dat te allen tijde de ver- plichtingen van het bijkantoor jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering dekt — wordt in artikel 591 een onderscheid gemaakt naargelang van het recht van het derde land dat de liquidatieprocedures regelt: Art. 590 L’article  590  — qui assure la transposition de l’article 169, paragraphe 1erde la Directive — énonce le principe selon lequel les succursales visées à l’ar- ticle 584 ne peuvent exercer simultanément les activités d’assurance non-vie et d’assurance vie. Art. 591 L’article 591, § 1er précise que le “principe de la per- sonne prudente”, tel que prévu aux articles 190 à 193, s’applique également aux actifs des succursales belges d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. L’article 591 vise tous les actifs de la succursale. Le paragraphe  2  applique, par renvoi, les ar- ticles 194 et 195 aux engagements contractés par la succursale. Il en résulte que la succursale doit détenir, à tout moment, des actifs, évalués conformément à l’article 123, pour un montant couvrant les engagements de la succursale à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procé- dure de liquidation lors de laquelle il serait mis fin à ces engagements. Ces actifs doivent être repris dans un registre spécial, appelé “inventaire permanent”, qui doit être tenu au siège de la succursale (ce qui se déduit d’une lecture conjointe avec l’article 588, § 1er, 2°). Il est renvoyé aux commentaires des articles 194 et 195 pour le surplus. Il est à noter que l’article 591, § 2 s’applique sans préjudice de l’article 585, § 1er, alinéa 2 en vertu duquel, notamment, l’entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers doit d’une part disposer d’actifs en Belgique pour un montant au moins égal à la moitié du seuil absolu du minimum de capital requis et d’autre part déposer la moitié de ces actifs auprès d’un intermédiaire financier, de telle manière à les rendre indisponibles. On relève que les actifs visés à l’article 592, § 1er ne sont pas soumis à une obligation d’indisponibilité. Concernant la localisation des actifs visés à l’ar- ticle 591, § 2 — à savoir les actifs détenus pour un montant couvrant à tout moment les engagements de la succursale à l’égard des créanciers d’assurance de la succursale —, l’article 591 opère la distinction suivante selon le droit du pays tiers régissant les procédures de liquidation: 316 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de in artikel 591, § 2 bedoelde activa mogen maar in België gelokaliseerd zijn ten belope van het minimum- kapitaalvereiste en, voor het resterende gedeelte, in een lidstaat, wanneer de onderneming aantoont dat het op haar toepasselijke recht van het derde land dat de liquidatieprocedures regelt (i) de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij het Belgische bijkantoor werden onderschreven, gelijkwaardig be- handelt als de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij de verzekeringsonderneming in het derde land zijn onderschreven (voorwaarde inzake “gelijke behandeling van de schuldeisers”) en (ii) aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rech- ten bij het Belgische bijkantoor werden onderschreven, een rang toekent die een gelijkwaardige bescherming biedt als deze waarin de artikelen 643 en 644 van deze wet voorzien (voorwaarde inzake “gelijkwaardigheid van rang van de schuldeisers”). De in artikel 591, § 2 bedoelde activa moeten allemaal in België gelokaliseerd zijn als de onderneming niet kan aantonen dat het recht van het derde land dat de liquidatieprocedures regelt voldoet aan de hierboven vermelde voorwaarden inzake “gelijke behandeling” en “gelijkwaardigheid van rang”. Het is de bedoeling een passende bescherming te bieden aan de schuldeisers uit hoofde van verzeke- ring die hun overeenkomst hebben gesloten met het Belgische bijkantoor, gelet op de in de artikelen 617 en 626 omschreven regeling. Deze artikelen bepalen dat een (al dan niet op insolventie berustende liquidatiepro- cedure) van een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert, in België alleen kan worden erkend en uitvoerbaar verklaard als de liquidatierege- ling van het derde land niet voldoet aan de hierboven vermelde voorwaarden inzake “gelijke behandeling” en “gelijkwaardigheid van rang” van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. In het geval dat de buitenlandse liquidatieprocedure in België niet erkend en uitvoerbaar verklaard wordt, is het essentieel dat de activa die wor- den aangehouden voor de dekking van de verplichtingen van het bijkantoor jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering, zich in België bevinden, zodat de schuldei- sers hun rechten kunnen uitoefenen. Dit wordt bepaald in artikel 591, § 3. Die benadering strookt met de logica die gevolgd wordt in de Final report on public consul- tation No. 14/048 on Guidelines on the supervision of branches of third-country insurance undertakings. Art. 592 Artikel 592 verklaart een aantal specifieke bepalin- gen inzake niet-levensverzekeringen en levensverze- keringen die van toepassing zijn op ondernemingen les actifs visés à l’article 591, § 2 peuvent n’être loca- lisés en Belgique que jusqu’à concurrence du minimum de capital requis et, pour le surplus, au sein d’un État membre si l’entreprise démontre que le droit du pays tiers régissant les procédures de liquidation qui lui est applicable (i) traite de façon équivalente les créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge et ceux dont les droits ont été souscrits auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers (condition d’“égalité de traitement des créan- ciers”) et (ii) octroie aux créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644 de la présente loi (condition d’“équivalence de rang des créanciers d’assurance”). Les actifs visés à l’article 591, § 2 doivent tous être localisés en Belgique, si l’entreprise ne peut pas démon- trer que le droit du pays tiers régissant les procédures de liquidation satisfait aux conditions d’“égalité de traitement” et d’“équivalence de rang” des créanciers d’assurance telles qu’énoncées ci-dessus. Il s’agit de garantir une protection adéquate aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat avec la succursale belge et ce, tenant compte du régime prévu aux articles 617 et 626 Pour rappel, ces articles prévoient qu’une procédure de liquidation (fondée ou non sur l’insolvabilité) d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers ne peut pas être recon- nue en Belgique et rendue exécutoire en Belgique si le régime de liquidation du pays tiers ne répond pas aux conditions d’“égalité de traitement” et d’“équivalence de rang” des créanciers d’assurance telles que men- tionnées ci-dessus. Or, dans les cas où la procédure de liquidation étrangère n’est pas reconnue et rendue exécutoire en Belgique, il est essentiel que les actifs couvrant les engagements de la succursale à l’égard des créanciers d’assurance soient situés en Belgique afin que ces derniers puissent exercer leurs droits. C’est ce que prévoit l’article 591, § 3. Cette approche s’avère conforme à la logique exprimée dans le Final report on public consultation No. 14/048 on Guidelines on the supervision of branches of third-country insurance undertakings. Art. 592 L’article 592 applique, par renvoi, aux succursales d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers certaines dispositions, applicables aux entreprises 317 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 naar Belgisch recht, via verwijzing toepasselijk op de bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressor- teren onder een derde land. Deze bepalingen houden verband met het afzonderlijk beheer, de communautaire co-assurantie en de finite herverzekering. Art. 593 Artikel 593 neemt artikel 12, § 3 van de wet van 9 juli 1975 over en bepaalt dat de Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land een algemeen lasthebber moeten aan- duiden. De artikelen 81, 83 en 93 zijn van overeenkom- stige toepassing op de lasthebber. Er zij verwezen naar de commentaar bij deze artikelen. Art. 594 Artikel  594  neemt artikel  27,  paragraaf  2  van het Algemeen Reglement grotendeels over en voorziet in de omzetting van artikel 167 van de Richtlijn, dat betrekking heeft op de voordelen die onder een derde land ressorterende verzekeringsondernemingen die in meerdere lidstaten een vergunning hebben verkregen, kunnen genieten. Krachtens artikel 594 kunnen de verzekeringson- dernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en die met toepassing van dit Hoofdstuk in België een vergunning hebben aangevraagd of verkre- gen en in een of meer andere lidstaten een vergunning hebben verkregen voor de vestiging van een bijkantoor, vragen om het voordeel te genieten van de volgende bijzondere bepalingen, die enkel gezamenlijk kunnen worden toegekend:  1° het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van het geheel van de activiteiten die in de lid- staten worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden enkel de verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde bijkantoren in aanmerking genomen; 2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt het depot dat met toepassing van deze bepaling is op- gelegd, uitgevoerd in de lidstaat van de in artikel 594, § 2 bedoelde toezichthouder; 3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die tegenover het minimumkapitaalvereiste staan gelokali- seerd zijn in een van de lidstaten waar zij hun activiteit uitoefenen. De in paragraaf 1 van artikel 594 bedoelde aanvraag moet voldoen aan een aantal voorwaarden die worden de droit belge, qui sont spécifiques en matière d’assu- rance non-vie et en matière d’assurance-vie, qui concernent les gestions distinctes, la coassurance communautaire ou encore la réassurance finite. Art. 593 L’article 593 reprend l’article 12, § 3 de la loi du 9 juillet 1975 et requiert des succursales belges d’entre- prises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers de désigner un mandataire général. Les articles 81, 83 et 93 sont applicables au mandataire par analogie. Il est renvoyé aux commentaires de ces articles. Art. 594 L’article 594 reprend pour l’essentiel l’article 27, para- graphe 2 du Règlement Général et assure la transposi- tion de l’article 167 de la Directive qui vise les avantages dont peuvent bénéficier les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui sont agréées dans plusieurs États membres. En vertu de l’article 594, les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui ont sollicité ou obte- nu un agrément en Belgique en application du présent Chapitre et dans un ou plusieurs autres États membres pour l’établissement d’une succursale peuvent deman- der le bénéfice des dispositions particulières suivantes, qui ne peuvent être accordées que conjointement:  1° le capital de solvabilité requis est calculé en fonc- tion de l’ensemble de l’activité exercée au sein des États membres. À cette fin, seules les opérations réalisées par l’ensemble des succursales établies au sein d’États membres sont prises en considération pour ce calcul; 2° par dérogation à l’article 585, alinéa 2, b), le dépôt requis en application de cette disposition est effectué dans l’État membre de l’autorité de contrôle visée à l’article 594, § 2; 3° par dérogation à l’article 592, les actifs repré- sentatifs du minimum de capital requis peuvent être localisés dans l’un des États membres où elles exercent leur activité. La demande visée au paragraphe  1er de l’ar- ticle 594 est soumise à certaines formalités qui sont 318 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 beschreven in paragraaf 2. Ze moet meer bepaald wor- den ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van elk van de andere betrokken lidstaten. In de aanvraag dient te worden aangegeven welke toezichthouder be- last zal zijn met het toezicht op de solvabiliteit voor het geheel van de activiteiten van de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzon- dere bepalingen kan enkel worden toegekend aan de onderneming mits de toezichthouders van alle betrokken lidstaten hun toestemming verlenen. Deze bijzondere bepalingen zijn overigens pas van toepassing vanaf de datum waarop de gekozen toezichthouder aan de andere toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstelling aanvaardt en dat hij toezicht zal houden op de naleving van de solvabiliteitsvereisten door de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten. In overeenstemming met de ontwerpaanbevelingen van EIOPA, stelt de Bank, wanneer zij met toepassing van de paragrafen 2 en 3 wordt gekozen, EIOPA daar- van in kennis. Afdeling III Toezicht Art. 595 De Belgische bijkantoren van verzekeringsonder- nemingen die ressorteren onder een derde land zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank. In punt 1° en 2° van artikel 595 worden respectievelijk de eerste en tweede alinea van artikel 168 van de Richtlijn omgezet. De algemene bepalingen van de artikelen 303 tot 309 van het voorliggende ontwerp betreffende de prerogatieven van de Bank inzake toezicht, worden via verwijzing van toepassing verklaard op het toezicht dat wordt uitgeoefend op de Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land. Naast de informatie die de verzekerings- ondernemingen die ressorteren onder een derde land dienen mee te delen, kan de Bank zich alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de betrokken bijkantoren. Ze kan eveneens ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de onderneming. Krachtens artikel 595, 3° zijn de in de artikelen 510 en 511 bedoelde regels in verband met het herstelplan en het plan inzake financiering op korte termijn via verwijzing van toepassing op de Belgische bijkantoren précisées au paragraphe 2. Elle doit, en particulier, être déposée auprès de la Banque et des autorités de contrôle de chacun des autres États membres concer- nés et spécifier l’autorité de contrôle qui sera chargée de vérifier la solvabilité des succursales établies au sein de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs opérations. Le bénéfice des dispositions particulières prévues au paragraphe 1er ne peut être octroyé à l’entreprise qu’avec l’accord des autorités de contrôle de tous les États membres concernés. Par ailleurs, ces dispositions particulières ne sont applicables qu’à la date à laquelle l’autorité de contrôle choisie confirme aux autres autori- tés de contrôle qu’elle accepte sa désignation et qu’elle vérifiera les exigences de solvabilité des succursales établies au sein de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs opérations ++Conformément au projet de recommandations de l’EIOPA en la matière, lorsqu’elle est choisie en appli- cation des paragraphes 2 et 3, la Banque en informe l’EIOPA. Section III Contrôle Art. 595 Les succursales belges d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers sont soumises au contrôle exercé par la Banque. Les points 1° et 2° de l’article 595 assurent respectivement la transposition de l’article 168, alinéas 1er et 2 de la Directive. Les dispositions générales relatives aux préroga- tives de contrôle de la Banque, visées aux articles 303  à  309  du présent projet, sont applicables, par renvoi, au contrôle exercé à l’égard des succursales belges d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers. Ainsi, outre les informations que les entre- prises d’assurance relevant du droit de pays tiers sont tenus par ailleurs de communiquer, la Banque peut se faire communiquer toutes informations relatives à l’organisation, au fonctionnement, à la situation et aux opérations des succursales concernées. Elle peut éga- lement procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l’entreprise. Il résulte de l’article 595, 3° que les règles relatives au programme de rétablissement et plan de financement à court terme visées aux articles 510 et 511 sont appli- cables par renvoi aux succursales belges d’entreprises 319 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land. Deze regels bepalen onder meer dat, zodra een verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land vaststelt dat het eigen vermogen van het Belgische bijkantoor niet meer voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151, of dat het gevaar dreigt dat dit bijkantoor er in de ko- mende drie maanden niet meer aan voldoet, ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis moet stellen en bij deze laatste ter goedkeuring een realistisch saneringsplan moet indienen, dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden. Zodra een verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land vaststelt dat het eigen vermogen van het Belgische bijkantoor niet meer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 189, of dat het gevaar dreigt dat dit bijkantoor er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet, ze de Bank daar- van onmiddellijk in kennis moet stellen en bij deze laatste ter goedkeuring een realistisch plan inzake financiering op korte termijn moet indienen, dat het minimumka- pitaalvereiste weer op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk drie maanden. Het weze opgemerkt dat in de in artikel 594 bedoelde gevallen (dat wil zeggen wanneer een verzekerings- onderneming die ressorteert onder een derde land in meerdere lidstaten een vergunning heeft verkregen en het voordeel van de in dit artikel bedoelde bijzondere bepalingen geniet), de toezichthouder die belast is met het toezicht op de naleving van de solvabiliteitsvereis- ten door alle bijkantoren die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, eveneens de in artikel 595, 3° bedoelde prerogatieven kan uitoefenen waarop de voormelde bepalingen betrekking hebben (goedkeuring van het her- stelplan en het plan inzake financiering op korte termijn). Uit de toepassing via verwijzing van de artike- len 513 tot 515 volgt dat de Bank de vrije beschikking over de activa van het bijkantoor van een verzekerings- onderneming die onder een derde lidstaat ressorteert, kan beperken of ontnemen, ongeacht waar deze activa zich bevinden, in de in deze artikelen bedoelde gevallen en volgens de hierin beschreven voorwaarden. Art. 596 De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkende revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen over- eenkomstig artikel 327. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen. Bij aanstelling van een revi- sorenvennootschap is artikel 326 van overeenkomstige toepassing. Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar bij deze artikelen. d’assurance relevant du droit de pays tiers. Ainsi, notamment, dès qu’elle constate que la dotation en fonds propres de la succursale belge ne respecte plus les exigences de capital de solvabilité requis prévues par l’article 151 ou qu’elle risque de ne plus l’être dans les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers doit en informer immédia- tement la Banque et lui soumettre, pour approbation, un programme de rétablissement réaliste visant à rétablir le capital de solvabilité requis dans un délai n’excédant pas six mois. Dès qu’elle constate que la dotation en fonds propres de la succursale belge ne respecte plus les exigences de minimum de capital requis prévues par l’article 189 ou qu’elle risque de ne plus l’être dans les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers doit en informer immédiatement la Banque et lui soumettre, pour approbation, un plan de financement à court terme réaliste visant à rétablir, dans un délai n’excédant pas trois mois, le minimum de capital requis. Il y a lieu de relever que dans les cas visés à l’article 594 (c’est-à-dire lorsqu’une entreprise d’assu- rance relevant du droit d’un pays tiers est agréée dans plusieurs États membres et bénéficie des dispositions particulières visées par cet article), l’autorité de contrôle qui est désignée pour vérifier le respect des exigences de solvabilité de toutes les succursales établies au sein de différents États membres peut également exercer les prérogatives visées par les dispositions précitées auxquelles l’article 595,  3° renvoie (approbation du programme de rétablissement et du plan de financement à court terme). Il résulte de l’application par renvoi des articles 513 à 515 que la Banque peut restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de la succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, quelle que soit leur localisation, dans les cas et aux conditions visés par ces articles. Art. 596 La direction des succursales visées au présent Titre est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées conformément à l’article 327. Elle peut désigner, pareille- ment, un suppléant. En cas de désignation d’une société de reviseurs, l’article 326 est applicable par analogie. Il est renvoyé aux commentaires de ces articles pour le surplus. 320 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 597 Artikel 597 strekt ertoe, op basis van het wederkerig- heidsbeginsel, de Bank toe te laten met de autoriteiten van derde landen van de verzekeringsonderneming en met de bevoegde autoriteiten van de andere bijkantoren van deze onderneming die buiten België zijn gevestigd, overeen te komen welke verplichtingen en verbodsbe- palingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georga- niseerd. Die mogelijkheid is onontbeerlijk, met name in het kader van het toezicht op internationale groepen. Afdeling IV Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de vergunning Art. 598 Uit artikel 598, § 1 volgt dat de artikelen 508 en 517, respectievelijk met betrekking tot de dwingende maat- regelen en de uitzonderlijke herstelmaatregelen, via verwijzing van toepassing zijn op de Belgische bijkan- toren van verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een derde land. In het geval dat een bijkantoor het voordeel van de in artikel 594 bedoelde regeling geniet, moet de Bank, indien ze de vergunning van het Belgische bijkantoor van een verzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land intrekt wegens niet-naleving van de regels inzake de solvabiliteitsvereisten, de andere toezichthouders als bedoeld in artikel 594 hiervan in kennis stellen. Artikel 598, § 1, tweede lid zorgt voor de omzetting van artikel 170, eerste alinea van de Richtlijn. Omgekeerd, wanneer de vergunning wordt ingetrokken door een toezichthouder die met toepassing van arti- kel 594, §§ 2 en 3 is aangesteld, wordt de Bank daarvan in kennis gesteld en moet zij de vergunning die ze aan het Belgisch bijkantoor van de betrokken onderneming heeft afgeleverd intrekken. Uit paragraaf 2 volgt overigens dat de Bank de ver- gunning van een in dit Hoofdstuk bedoeld bijkantoor ook kan herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verze- kering of voor een gezond en voorzichtig beleid van de verzekeringsonderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe ge- bruik maken van de criteria bedoeld in artikel 585, § 4. Art. 597 L’article 597 tend à permettre à la Banque de conve- nir, sur base de réciprocité, avec les autorités de pays tiers de l’entreprise d’assurance et avec les autorités, compétentes des autres succursales de cette entreprise établies dans d’autres États que la Belgique, de règles relatives aux obligations et interdictions concernant la succursale en Belgique, de l’objet et de modalités de sa surveillance ainsi que des modalités de la collabora- tion et de l’échange d’informations avec ces autorités, telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi du 22 février 1998. Cette possibilité est indispensable dans le cadre notamment du contrôle de groupes internationaux. Section IV Mesures exceptionnelles, sanctions et fin de l’agrément Art. 598 Il résulte de l’article 598, § 1er que les articles 508 et 517, relatifs respectivement aux mesures contraignantes et aux mesures de redressement exceptionnelles, s’ap- pliquent par renvoi aux succursales belges d’entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers. Lorsque, dans les cas où une succursale béné- ficie du régime visé à l’article 594, la Banque retire son agrément à la succursale belge d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers en raison du non-respect des règles relatives aux exigences de solvabilité, la Banque doit en informer les autres autori- tés de contrôle visées à l’article 594. L’article 598, § 1er, alinéa 2 assure ainsi la transposition de l’article 170, alinéa 1 de la Directive. Réciproquement, en cas de retrait d’agrément par une autorité de contrôle désignée en application de l’article 594, §§ 2 et 3, la Banque en est informée et doit retirer l’agrément qu’elle a octroyé à la succursale belge de l’entreprise concernée. Par ailleurs, il résulte du paragraphe 2, que la Banque peut encore révoquer l’agrément d’une succursale visée au présent Chapitre si elle estime que la protection des créanciers d’assurance ou la gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou encore la stabilité du système financier exige la constitution d’une société de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères visés à l’article 585, § 4. 321 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Uitoefening van activiteiten in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, door herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren In Hoofdstuk II wordt een essentieel onderscheid gemaakt tussen (i) herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren waarvan de sol- vabiliteitsregeling waaraan ze krachtens artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG onderworpen zijn, als gelijk- waardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze Richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder een lidstaat ressorteren (herverzekeringsondernemingen die onder een “gelijkwaardig derde land” ressorteren) en (ii) herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren waarvan de solvabiliteitsregeling in het licht van de voormelde bepalingen niet als gelijkwaardig wordt beschouwd (herverzekeringsondernemingen die ressorteren onder een “niet-gelijkwaardig derde land”). Artikel 600 omschrijft de regeling die van toepassing is op herverzekeringsondernemingen die ressorteren on- der een “gelijkwaardig derde land”, terwijl artikel 601 de regeling beschrijft die geldt voor herverzekeringsonder- nemingen die ressorteren onder een “niet-gelijkwaardig derde land”. Art. 600 Herverzekeringsondernemingen die onder een “ge- lijkwaardig derde land” ressorteren, mogen in België, via de vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, de herverzekeringsactivi- teiten uitoefenen waarvoor zij in hun land van herkomst een vergunning hebben verkregen. Zie in dit verband met name Gedelegeerd Besluit (EU) 2015/1602 van de Commissie van 5 juni 2015 betreffende de gelijkwaardig- heid van het solvabiliteits- en prudentiële stelsel voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van kracht in Zwitserland op basis van de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad. Deze ondernemingen zijn onderworpen aan dezelfde regels als de onder een andere lidstaat ressorterende herverzekeringsondernemingen die hun activiteit in België willen uitoefenen via de vestiging van een bijkan- toor of in het kader van het vrij verrichten van diensten. Er wordt dan ook verwezen naar de commentaar bij deze bepalingen. CHAPITRE II Activités en Belgique, par voie de succursale ou en libre prestation de services, par des entreprises de réassurance relevant du droit d’un pays tiers Le Chapitre II opère une distinction essentielle entre (i) les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un pays tiers dont le régime de solvabilité est, en application de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi par cette Directive pour les entreprises relevant du droit d’un État membre (les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers équivalent”) et (ii) les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un pays tiers dont le régime de solvabilité n’est pas consi- déré comme équivalent au regard des dispositions préci- tées (les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers non-équivalent”). L’article 600 définit le régime applicable aux entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers équivalent” tandis que l’article 601 vise le régime applicable aux entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers non équivalent”. Art. 600 Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers équivalent” sont autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services, les opé- rations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine. Voy. notamment à cet égard la Décision déléguée (UE) 2015/1602 de la Commission du 5 juin 2015 sur l’équivalence du régime prudentiel et de solvabilité en vigueur en Suisse pour les entreprises d’assurance et de réassurance, fondée sur l’article 172, paragraphe 2, l’article 227, paragraphe 4, et l’article 260, paragraphe 3, de la directive 2009/138/ CE du Parlement européen et du Conseil. Ces entreprises sont soumises aux mêmes règles que les entreprises de réassurance relevant du droit d’un autre État membre qui souhaitent exercer leur activité en Belgique par la voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services. Il est dès lors renvoyé aux commentaires de ces dispositions. 322 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 601 Herverzekeringsondernemingen die onder een “niet-gelijkwaardig derde land” ressorteren, mogen in België (uitsluitend) via de vestiging van een bijkantoor, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen, mits inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk I van deze Titel. Er wordt dan ook verwe- zen naar de commentaar bij de bepalingen van dit Hoofdstuk. Herverzekeringsondernemingen die onder een “niet-gelijkwaardig derde land” ressorteren, zijn dus onderworpen aan dezelfde regels als de onder een derde land ressorterende verzekeringsondernemingen die hun activiteit in België willen uitoefenen via de ves- tiging van een bijkantoor. Er zij gewezen op de toepassing van de overgangs- bepalingen van artikel 673. Krachtens die bepalingen is artikel 600 tot 31 december 2020 van toepassing op de herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren en die opgenomen zijn in de lijst die met toepassing van artikel 172, lid 4, derde alinea van Richtlijn 2009/138/EG gepubliceerd wordt door EIOPA. BOEK IV DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN In Boek IV en Boek V, Titel I, worden de artikelen 81 en 82 van de wet van 9 juli 1975 en de artikelen 73 en 74 van de wet van 16 februari 2009 herschikt. Voor de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 is deze herschikking ingrijpender aangezien deze — zeer oude — wet aanleiding gaf tot verwarring wat de juridische begrippen betreft. De bepalingen van Boek IV en Boek V, Titel I, zijn derhalve voornamelijk gebaseerd op de wet van 16 februari 2009 en op de verbeteringen die in de wettelijke bepalingen ter zake zijn aangebracht op grond van de opgedane ervaring en voor het laatst geformaliseerd zijn in de bankwet van 25 april 2014. De artikelen 602 en 603 zijn derhalve ontleend aan de artikelen 73 en 74, § 1, van de wet van 16 februari 2009. Ze bieden de mogelijkheid om bekend te maken dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming geen gevolg heeft gegeven aan de aanmaning om de regelgeving die het statuut van de verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen vormt (namelijk het geheel van regels dat bestaat uit de bepalingen van de ontwerp- wet, haar uitvoeringsbesluit en —reglementen en de maatregelen tot uitvoering van de Richtlijn, waaronder Verordening 2015) na te leven. Hetzelfde geldt voor verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings Art. 601 Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers non équivalent” sont autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une succursale (uniquement), les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine moyennant le respect des dispositions du Chapitre Ier du présent Titre. Il est dès lors renvoyé aux commentaires des dispositions de ce Chapitre. Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un “pays tiers non équivalent” sont donc soumises aux mêmes règles que les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui souhaitent exercer leur activité en Belgique par la voie d’installation d’une succursale. On gardera à l’esprit l’application des dispositions transitoires de l’article 673 en vertu duquel jusqu’au 31 décembre 2020, l’article 600 est d’application aux entreprises de réassurance relevant du droit d’un pays tiers qui figurent sur la liste publié par L’EIOPA en application de l’article 172, paragraphe 4, alinéa 3 de la Directive 2009/138/CE. LIVRE IV DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES Les dispositions du Livre IV et du Livre V, Titre Ier, procèdent à un réaménagement des articles 81  et 82 de la loi du 9 juillet 1975 et des articles 73 et 74 de la loi du 16 février 2009, ce réaménagement étant plus substantiel s’agissant de la loi du 9 juillet 1975 dès lors que cette loi, fort ancienne, entretenait des confusions sous l’angle des concepts juridiques. Les dispositions du Livre IV et du Livre V, Titre Ier, sont dès lors princi- palement issues de la loi du 16 février 2009 et des per- fectionnements des dispositions légales en la matière, acquis au fil de l’expérience et formalisés en dernier dans la loi bancaire du 25 avril 2014. Les articles 602  et 603  sont ainsi issus des ar- ticles 73 et 74, § 1er de la loi du 16 février 2009. Il s’agit de la possibilité de publier le fait qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne s’est pas conformée à l’injonction qui lui a été faite de respecter la réglemen- tation formant le statut des entreprises d’assurance ou de réassurance (à savoir le corps de règles formé par les dispositions de la loi en projet, ses arrêté royal et règlements d’exécution et les mesures d’exécution de la Directive dont le Règlement 2015/35). Il en va de même concernant les sociétés holding d’assurance, les compagnies financières mixtes et les sociétés holding 323 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 en gemengde verzekeringsholdings naar Belgisch of buitenlands recht die in België zijn gevestigd. Die artikelen bieden voorts de mogelijkheid om dwangsommen op te leggen, zoals die tot op he- den zijn vastgelegd in artikel 74, § 1 van de wet van 16 februari 2009 (en, op minder duidelijke wijze, in artikel 82 van de wet van 9 juli 1975). Naar het voorbeeld van de oplossing die de wetgever, naar aanleiding van de wet van 2 juli 2010, en meer recent nog, van de voor- noemde bankwet, heeft gekozen voor de aangelegen- heden die tot de bevoegdheid van de FSMA behoren, worden de dwangsommen, omdat hun doel erin bestaat ze te hanteren als dwangmiddel om een onregelmatige situatie te verhelpen, thans niet meer gelijkgesteld met administratieve sancties. Het opleggen ervan behoort nu volledig tot de bevoegdheid van het directiecomité van de Nationale Bank van België. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het feit dat de dwangsommen niet meer worden aangemerkt als administratieve sancties en dat ze derhalve niet meer onder de bevoegdheid van de Sanctiecommissie vallen, geenszins betekent dat ze worden opgelegd zonder enige procedurele garantie. Zoals werd uiteengezet met betrekking tot de herstel- maatregelen (zie de commentaar bij de artikelen 508 tot 517), bieden de algemene principes van het administra- tief recht immers de nodige procedurele garanties voor de onder toezicht staande ondernemingen. BOEK V SANCTIES TITEL I Administratieve boetes De mogelijkheid om administratieve boetes op te leg- gen die in artikel 604 wordt geboden, is overgenomen uit artikel 74, § 2 van de wet van 16 februari 2009 (en uit artikel 82 van de wet van 9 juli 1975), met dien verstande dat in een betere wettelijke omkadering is voorzien voor de vaststelling van het bedrag van de boete (de minimum- en maximumbedragen en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de boetes). In navolging van het wettelijke kader voor kredietin- stellingen biedt de ontwerpbepaling thans de mogelijk- heid een sanctie op te leggen aan de natuurlijke perso- nen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité (of, bij ontstentenis van een dergelijk comité, die belast zijn met de effectieve leiding) en die voor de tekortkoming verantwoordelijk zijn. mixte d’assurance de droit belge ou de droit étranger établies en Belgique. Il s’agit encore de la possibilité d’imposer des astreintes, prévues à ce jour sous l’article 74, § 1er de la loi du 16 février 2009 (et, de manière plus confuse, sous l’article 82 de la loi du 9 juillet 1975). À l’instar de la solution adoptée par le législateur pour les matières relevant de la compétence de la FSMA, à l’occasion de la loi du 2 juillet 2010 et plus récemment encore, dans la loi bancaire précitée, les astreintes, de par leur finalité consistant à mettre en œuvre un moyen de contrainte en vue de remédier à une situation de manquement, ne sont pas assimilées à des sanctions administratives. Leur adoption relève dès lors de la pleine compétence du comité de direction de la Banque nationale de Belgique. On observera que le fait que les astreintes ne soient plus qualifiées de sanctions administratives et qu’elles ne relèvent dès lors pas de la compétence de la Commission des sanctions, ne signifie nullement que leur adoption se trouve dénuée de garantie procé- durale. En effet, ainsi que l’on s’en est expliqué en ce qui concerne les mesures de redressement (voy. les commentaires des articles 508 à 517), les principes généraux du droit administratif apportent les garanties procédurales nécessaires aux administrés. LIVRE V DES SANCTIONS TITRE IER Des amendes administratives L’article 604 est issu, en ce qui concerne la possibilité d’infliger des amendes administratives, de l’article 74, § 2 de la loi du 16 février 2009 (et de l’article 82 de la loi du 9 juillet 1975), moyennant notamment un meilleur encadrement légal de la détermination du montant de l’amende (en ce qui concerne les montants minimums et maximums et les critères à utiliser en vue de la fixation du montant des amendes). À l’instar du cadre légal applicable aux établisse- ments de crédit, la disposition en projet prévoit désor- mais la possibilité de sanctionner les personnes phy- siques, membres de l’organe légal d’administration ou du comité de direction (ou en l’absence d’un tel comité, en charge de la direction effective) responsables du manquement. 324 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Teneinde te anticiperen op een opmerking die her- haaldelijk geformuleerd werd door de Raad van State over de naleving van het beginsel non bis in idem zoals dit geïnterpreteerd wordt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie, zij erop gewezen dat het op grond van dit beginsel niet verboden is om voor soortgelijke feiten in een dubbele strafbaarheid te voorzien, op strafrechtelijk en administratief vlak. Dit beginsel betreft de tenuitvoerlegging van de eigenlijke vervolgingspro- cedures, die door de verantwoordelijke autoriteiten beoordeeld moeten worden met inachtneming van de rechtspraak ter zake. In dit verband voorziet de wetgeving in corrigerende mechanismen, om te voorkomen dat voor dezelfde feiten een nieuwe procedure wordt opgestart of een nieuwe sanctie wordt opgelegd terwijl er voor de genoemde feiten reeds een onherroepelijke beslissing is geno- men. Behalve het feit dat de definitieve administratieve boete die door de Sanctiecommissie van de Bank wordt opgelegd, in mindering moet worden gebracht van het bedrag van de eventuele strafrechtelijke boete die voor dezelfde feiten door een strafrechter zouden worden opgelegd (art. 36/12 van de wet van 22 februari 1998), moet het Directiecomité van de Bank, wanneer een van de grieven waarvoor de Sanctiecommissie wordt gevat, een strafrechtelijke inbreuk kan vormen, de procureur des Konings hiervan in kennis stellen, die op zijn beurt de Bank onverwijld in kennis stelt indien hij beslist om een strafvordering in te stellen voor de betrokken feiten (art. 36/10, § 5 van de wet van 22 februari 1998). TITEL II Strafrechtelijke sancties In de artikelen 605 tot 609 worden de artikelen 75 tot 79 van de wet van 16 februari 2009 overgenomen met de nodige aanpassingen wat de verwijzingen betreft. De strafbaarstellingen die in de wet van 9 juli 1975 zijn opgenomen, konden in dit verband niet als een in- spiratiebron dienen, met name door hun gebrek aan duidelijkheid (zie bijvoorbeeld artikel 85, tweede lid, dat geenszins beantwoordt aan de essentiële beginselen — Wettigheidsbeginsel — waaraan een strafbaarstelling moet voldoen inzake duidelijkheid en nauwkeurigheid van de bestanddelen ervan). Anticipant ici une observation récurrente du Conseil d’État relative au respect du principe non bis in idem tel qu’interprété par la Cour européenne des Droits de l’Homme et la Cour de justice de l’Union européenne, on fait remarquer que celui-ci n’interdit pas de prévoir une double incrimination, sur le plan pénal et adminis- tratif, de faits similaires. Ce principe concerne la mise en œuvre de procédures de poursuites proprement dites, qu’il appartient aux autorités responsables d’évaluer dans le respect de la jurisprudence en la matière. À cet égard, des mécanismes correctifs sont prévus par la législation pour prévenir que les mêmes faits fassent l’objet d’une nouvelle procédure ou sanction alors qu’une décision irrévocable serait déjà intervenue concernant lesdits faits. Outre l’imputation de l’amende administrative définitive imposée par la Commission des sanctions de la Banque sur le montant de toute amende pénale qui serait prononcée pour les mêmes faits par un juge pénal (art. 36/12 de la loi du 22 février 1998), dans le cas où l’un des griefs dont est saisi la Commission des sanctions de la Banque est susceptible de consti- tuer une infraction pénale, le Comité de direction de la Banque doit en informer le procureur du Roi qui, à son tour, indique sans délai à la Banque s’il décide de mettre en mouvement l’action publique pour les faits concernés (art. 36/10, § 5 de la loi du 22 février 1998). TITRE II Des sanctions pénales Les articles 605 à 609 constituent la reprise, moyen- nant les adaptations requises notamment quant aux renvois, des articles 75 à 79 de la loi du 16 février 2009. Les incriminations prévues sous la loi du 9 juillet 1975 ne pouvaient servir d’inspiration à cet égard, notamment en raison de leur imprécision (voy. par exemple l’article 85, alinéa 2 qui ne répond nullement aux principes essen- tiels — Principe de légalité — auxquels doit répondre une incrimination pénale en termes de précision et de clarté de ses éléments constitutifs). 325 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK VI VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN GELDENDE REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES Titel VI en Titel III van Boek VII van het voorliggende ontwerp zorgen voor de omzetting van de bepalingen van Titel IV van de Richtlijn, over de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen. Onder voor- behoud van enkele niet-ingrijpende wijzigingen, zijn de bepalingen van Titel IV van de Richtlijn overgenomen uit Richtlijn 2001/17/EG betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen. Deze laatste richtlijn werd samen met Richtlijn 2001/24/EG omgezet via de wetten van 19 november en 6 december 2004. Derhalve zij verwezen naar de parlementaire voor- bereiding van deze twee wetten, en voornamelijk naar het parlementair stuk dat de memorie van toelichting en de commentaar bij de artikelen bevat (Parl.St. Kamer, 2003-2004, nr. 51, 1157/001). Hierna worden de hoofdlijnen van de Richtlijn ter zake geschetst, en wordt toelichting gegeven bij een aantal belangrijke punten van de Richtlijn in verband met de behandeling van de schuldeisers, en voornamelijk de schuldeisers uit hoofde van verzekering. Daarna volgt een korte, artikelsgewijze bespreking met vermelding van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 waarop de bepalingen van het voorliggende ontwerp gebaseerd zijn of die in dit ontwerp zijn overgenomen. Op die manier kan er een historiek worden opgemaakt, die het ge- bruik van de voornoemde parlementaire voorbereiding vergemakkelijkt. Er zij aan herinnerd dat het internationaal privaat- recht inzake insolventieprocedures op Europees niveau wordt geregeld door verschillende normen, waaronder Verordening (EG) nr. 1346/2000  van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna “de Verordening”). Deze verordening is echter niet van toepassing op verzekeringsondernemingen, kredietin- stellingen, instellingen voor collectieve belegging en beleggingsondernemingen die diensten verrichten die het houden van geld of effecten behelzen. Voor deze categorieën van ondernemingen van de financiële sector werden de Europese regels inzake de inter nationale bevoegdheid en de conflict regels voor insolventieprocedures in navolging van de Verordening vastgelegd in twee richtlijnen: de Richtlijn en Richtlijn 2001/24/EG, die respectievelijk gelden voor enerzijds LIVRE VI DES RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ EN MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET DE PROCÉDURES DE LIQUIDATION APPLICABLES À DES ENTREPRISES D’ASSURANCE Le Livre VI et le Titre III du Livre VII du présent projet assurent la transposition des dispositions du Titre IV de la Directive, consacrées à l’assainissement et la liquidation des entreprises d’assurance. Sous réserve de quelques modifications mineures, les dispositions du Titre IV de la Directive constituent la reprise des disposi- tions de la directive 2001/17/CE concernant l’assainisse- ment et la liquidation des entreprises d’assurance. Cette dernière directive avait fait l’objet d’une transposition, conjointement avec celle de la directive 2001/24/CE, par les lois des 19 novembre et 6 décembre 2004. Dans cette mesure, on se référera utilement aux tra- vaux préparatoires de ces deux lois, essentiellement le document parlementaire reprenant l’exposé des motifs et le commentaire des articles (Ch. Repr., sess. ord. 2003-2004, n° 51, p. 1157/001). On expose, ci-après, les lignes directrices de la Directive en la matière ainsi que ses aspects significatifs concernant le sort des créanciers, essentiellement les créanciers d’assurance. Le lecteur trouvera, ensuite, un bref descriptif article par article indiquant les dispo- sitions de la loi du 9 juillet 1975 dont sont inspirées ou reprises les dispositions en projet, ce qui permet d’en établir un historique facilitant le recours aux travaux préparatoires précités. Pour rappel, le droit international privé en matière de procédures d’insolvabilité est régi au niveau euro- péen par différentes normes dont le règlement (CE) n°1346/2000 du Conseil du 29 mai 2000 relatif aux procédures d’insolvabilité (ci-après “le Règlement”). Ce dernier exclut toutefois de son champ d’application les entreprises d’assurance, les établissements de crédit, les organismes de placement collectif ainsi que les en- treprises d’investissement dont les services impliquent la détention de fonds ou de valeurs mobilières. Pour ces catégories d’entreprises relevant du sec- teur financier, le droit européen a procédé par voie de directives visant, à l’instar du Règlement, à déterminer les règles de compétence internationale et de conflit de lois en matière de procédure d’insolvabilité. Ces direc- tives sont toujours au nombre de deux: la Directive et 326 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekeringsondernemingen en anderzijds kredietinstel- lingen, en sedert Richtlijn 2014/59/EU (dat het toepas- singsgebied ratione personae van Richtlijn 2001/24/EG wijzigt) voortaan ook voor beleggingsondernemingen. Hoewel Titel IV van de Richtlijn hetzelfde doel na- streeft als de Verordening, is in de Richtlijn voor een andere benadering gekozen. Het uitgangspunt van de Richtlijn is eenheid brengen in de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en die inzake de wetgevende bevoegdheid, door aan de lidstaat van herkomst een exclusieve bevoegdheid toe te kennen (en bijgevolg de maatregelen en procedures te erkennen die zijn goedgekeurd conform de wetgeving van die lidstaat). De Richtlijn verwerpt dus elke mogelijkheid van een secundaire procedure en poneert aldus op Europees niveau de beginselen van eenheid en universaliteit. Naast deze uniforme regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de conflictregels, wijkt de Richtlijn voor welbepaalde specifieke materies evenwel af van het beginsel van de toepassing van het recht van de lidstaat van herkomst. De afwijking bestaat erin hetzij om in de vorm van een conflictregel te bepalen welk recht van toepassing is voor het vaststellen van de gevolgen die een insolventieprocedure heeft voor bepaalde rechten of overeenkomsten, hetzij de gevolgen van de (het) insolventie procedure (recht) te beperken. Deze uitzonderingen op de toepassing van het insol- ventieprocedurerecht (lex fori concursus) zijn afgestemd op die van de Verordening. Met de overkoepelende term “insolventie procedures” die in de Richtlijn wordt gehanteerd, worden enerzijds de “saneringsmaatregelen” bedoeld, namelijk de herstel- maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een verzekeringsonderneming in stand te houden of te herstellen en die bestaande rechten van derden aantasten, en, anderzijds, de “liquidatie procedures”, namelijk de collectieve procedures die de tegeldemaking van de activa van de in gebreke blijvende verzekerings- onderneming en het verdelen van de opbrengst ervan tot doel hebben. In tegenstelling tot de bankrichtlijn 2001/24/EG, viseert de Richtlijn ook de liquidatiepro- cedures die niet berusten op de insolventie van de ver- zekeringsonderneming. Met andere woorden, vrijwillige liquidatieprocedures waarvoor de interventie vereist is van een administratieve of gerechtelijke autoriteit, vallen ook onder de toepassing van de Richtlijn. De Richtlijn schrijft niet voor op welke wijze de lid- staten de rol- en taakverdeling tussen de toezichts- en gerechtelijke autoriteiten moeten organiseren voor het la directive 2001/24/CE qui concernent respectivement d’une part, les entreprises d’assurance et d’autre part, les établissements de crédit et désormais également les entreprises d’investissement depuis la directive 2014/59/UE (modifiant le champ d’application ratione personae de la directive 2001/24/CE). Si l’objet du Titre IV de la Directive est bien identique à celui du Règlement, la solution retenue par la Directive s’en écarte toutefois en ce qu’elle unifie les règles de compétence juridictionnelle et les règles de compétence législative en prévoyant la compétence exclusive de l’État membre d’origine (ainsi que son corollaire, la reconnaissance des mesures et procédures adoptées conformément à la législation de cet État). La Directive rejette donc toute possibilité de procédure secondaire et consacre ainsi, au niveau européen, les principes d’unité et d’universalité. À côté de ces règles uniformes de conflit de juridic- tions et de conflit de lois prévues par ces directives, en ce qui concerne certaines matières particulières, la Directive déroge au principe de la loi de l’État d’ori- gine tantôt en déterminant, au titre de règle de conflit de lois, la loi applicable pour déterminer les effets des procédures d’insolvabilité sur certains droits ou contrats, tantôt en limitant les effets de la (loi de la) procédure. En ce qui concerne ces exceptions à l’application de la loi de la procédure (lex fori concursus), elles sont alignées sur celles prévues par le Règlement. Les procédures d’insolvabilité visées par la Directive sont désignées sous les vocables de “mesures d’assai- nissement” en ce qui concerne les mesures de redres- sement destinées à préserver ou rétablir la situation financière des entreprises d’assurance et qui affectent les droit préexistants des tiers, et de “procédures de liquidation” en ce qui concerne les procédures collec- tives visant à la réalisation des biens de l’entreprise d’assurance défaillant et la répartition de leur produit. À la différence des procédures de liquidation visées par la directive bancaire 2001/24/CE, la Directive vise également les procédures qui ne sont pas fondées sur l’état d’insolvabilité de l’entreprise d’assurance. En clair, les procédures de liquidation volontaires, dès lors qu’elles impliquent l’intervention d’une autorité administrative ou judiciaire, entrent également dans le champ d’application de la Directive. La Directive ne règle pas la manière dont les États doivent répartir les rôles et interventions respectifs entre les autorités de contrôle et les autorités judiciaires dans 327 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 begeleiden van verzekeringsondernemingen in moei- lijkheden. De Richtlijn zorgt immers niet voor een har- monisatie van de saneringsmaatregelen: de nationale wetgevingen blijven de — administratieve of rechterlijke — aard van die maatregelen bepalen, en met name of zij al dan niet kunnen worden getroffen door de prudentiële toezichthouder, of zelfs door een andere administratieve autoriteit, alsook de aan die maatregelen verbonden procedures en de gevolgen hiervan. In dit verband wijzen we op de keuze die de wetgever gemaakt heeft om de wet van 31 januari 2009 betref- fende de continuïteit van de ondernemingen niet van toepassing te verklaren op de verzekeringsondernemin- gen (zie Parl.St. Kamer, 2009-2010, nr. 2406/001, 7-11). Als enige maatregel voorziet de Richtlijn, wat de prudentiële toezichthouder betreft, in overleg tussen de autoriteiten van de verschillende lidstaten die be- trokken zijn bij een insolventieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming met vestigingen op hun grondgebied. Het overleg tussen deze autoriteiten neemt de vorm aan van een informatie-uitwisseling die via de prudentiële toezichthouder verloopt, die als “natuurlijke verbindingsagent” fungeert (art. 270 en 273, lid 3 van de Richtlijn). Alvorens aan te vangen met de artikelsgewijze bespre- king, behandelen we enkele belangrijke punten van Titel IV van de Richtlijn over de behandeling van de schuld- eisers bij liquidatie van de verzekeringsonderneming. a)  Indiening van schuldvorderingen bij een liquidatieprocedure Om — geografische — discriminatie van de schuld- eisers te vermijden, bepaalt de Richtlijn dat elke schuld- eiser, ook de overheid, die in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst is “gevestigd”, het recht heeft zijn schuldvordering of opmerkingen over zijn schuld- vordering in te dienen. De Richtlijn bepaalt meer specifiek dat alle schuld- eisers dezelfde behandeling en dezelfde rangindeling krijgen als soortgelijke vorderingen die schuldeisers die “gevestigd” zijn in de lidstaat van herkomst kunnen indienen (art. 282, lid 2 van de Richtlijn). Voor fiscale vorderingen bijvoorbeeld betekent dit dat het niet uitmaakt of een bepaalde belastingcategorie wel in de ene maar niet in de andere lidstaat bestaat of dat er wel een ingekohierde belasting is in de ene maar niet in de andere lidstaat. De regel houdt in dat wanneer er in de lidstaat van ontvangst een schuldvordering le traitement des entreprises d’assurance en difficultés. En effet, la Directive ne procède pas à une harmonisa- tion des mesures d’assainissement: les droits nationaux continuent à déterminer la nature — administrative ou judiciaire — de ces mesures, notamment le fait qu’elles puissent être ou non adoptées par l’autorité de contrôle prudentiel, voire même par une autre autorité adminis- trative, les procédures applicables à ces mesures ainsi que les effets qui y sont attachés. A cet égard, on rappelle le choix effectué par le légis- lateur en ce qui concerne la non application de la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises aux entreprises d’assurance (voy. Doc. Parl., Ch. Repr., sess. ord. 2009-2010, n° 2406/001, p. 7-11). Tout au plus, en ce qui concerne l’autorité de contrôle prudentiel, la Directive a instauré une concertation entre les autorités des différents États membres concernées par une procédure d’insolvabilité d’une entreprise d’assurance ayant des implantations sur le territoire de ces États. La Directive organise ainsi une concertation entre ces autorités par un transfert d’informations tran- sitant par l’autorité de contrôle prudentiel, cette dernière apparaissant comme l’ “agent de liaison naturel” (art. 270 et 273, paragraphe 3 de la Directive). Avant d’entamer un commentaire article par article, on rappelle, ci-après, les quelques aspects significa- tifs du Titre IV de la Directive qui concernent le sort des créanciers en cas de liquidation de l’entreprise d’assurance. a) Production de créances en cas de procédure de liquidation Dans un but de non-discrimination — sous l’angle géographique — des créanciers, la Directive prévoit que tout créancier, en ce compris les autorités publiques, “situé” dans un État membre autre que l’État d’origine a le droit de produire sa créance ou de produire des observations relatives à sa créance. Plus particulièrement, la Directive dispose que tous les créanciers “bénéficient du même traitement et du même rang que les créances de nature équivalente éventuellement produites par les créanciers “situés” dans l’État d’origine” (art. 282, paragraphe  2  de la Directive). Pour prendre l’exemple des créances fiscales, le fait qu’une catégorie d’impôt existe ou pour laquelle il y a un impôt enrôlé dans un État et pas dans un autre ne doit pas avoir d’incidence. La règle signifie qu’il ne faut pas nécessairement avoir égard à la catégorie ou la nature de l’impôt pour lequel il existe une créance 328 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bestaat op een belasting, het niet noodzakelijkerwijze de categorie of de aard van die belasting is die in aan- merking moet worden genomen: als er in de lidstaat van herkomst geen soortgelijke belastingcategorie bestaat, wordt nagegaan of het om een fiscale schuldvordering gaat en zo ja, wordt ze qua rang gelijkgesteld met de fiscale schuldvorderingen van de lidstaat van herkomst. Als er geen soortgelijke belastingcategorie bestaat, wordt de aard van de titularis van de schuldvordering, namelijk de fiscale autoriteit, in aanmerking genomen om de schuldvordering op gelijke voet te stellen met een gelijkaardige schuldvordering in de lidstaat van herkomst. Deze benadering heeft tot gevolg dat ingeval er een liquidatieprocedure wordt geopend jegens een verze- keringsonderneming die ressorteert onder een lidstaat waar de fiscus een voorrecht geniet en die bijkantoren heeft in lidstaten waar de fiscus geen wettelijk voorrecht heeft, de fiscale schuldvorderingen die in die lidstaten zijn ontstaan, hetzelfde voorrecht krijgen als de fiscale schuldvorderingen van de lidstaat van herkomst. Indien de in gebreke blijvende verzekeringsonder- neming daarentegen ressorteert onder een lidstaat waar de fiscus geen voorrecht heeft, krijgen de fiscale schuldvorderingen van lidstaten van herkomst geen voorrechten en verliezen zij dus in voorkomend geval hun fiscaal voorrecht. b) Uitzonderingen op het recht van de lidstaat van herkomst — Onderlinge samenhang • De verschillende bestaande regels De Richtlijn vult de regel inzake de rechterlijke be- voegdheid van de lidstaat van herkomst logischerwijze aan met een conflictregel, door te bepalen dat de pro- cedure geregeld wordt overeen komstig het recht van de lidstaat van herkomst (lex fori concursus), behoudens de in de Richtlijn opgenomen uitzonderingen. In navolging van de Verordening bevat de Richtlijn twee types van uitzonderingen op de toepassing van de lex fori concursus: enerzijds zijn er de materies waarop de procedure een invloed heeft maar die krachtens de Richtlijn door een andere wet worden geregeld. Wanneer de Richtlijn voor deze uitzonderingen een ander recht toepasselijk verklaart, moeten ook de materiële regels in acht genomen worden die deze wet bevat voor een collectieve procedure; anderzijds zijn er de materies die de procedure onverlet laat (hierna, de “’negatieve’ conflictregels”). • Materies waarop de procedure een invloed heeft maar die door een ander recht worden geregeld dans l’État d’accueil: à défaut d’une correspondance concernant la catégorie d’impôt, il faut alors prendre en compte le fait qu’il s’agit d’une créance fiscale et l’assimiler, quant au rang, aux créances fiscales de l’État d’origine. À défaut de correspondance quant à la catégorie d’impôt, ce sera donc la nature du titulaire de la créance, à savoir l’autorité fiscale, qui sera prise en compte afin d’assimiler la créance à une créance équivalente dans l’État membre d’origine. Cette approche a pour conséquence que dans le cas de la liquidation d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un État où le fisc bénéficie d’un privilège et qui a des succursales dans des États où le fisc n’a aucun privilège légal, les créances fiscales nées dans ces États se verront accorder un privilège au même titre que les créances fiscales de l’État d’origine. Dans l’hypothèse inverse, si l’entreprise défaillante relève du droit d’un État où le fisc n’a aucun privilège, les créances fiscales d’États membres d’accueil ne bénéficieront pas de privilège et perdront donc, le cas échéant, leur privilège fiscal. b) Exceptions à la loi de l’État d’origine — Articulation • Rappel des différentes règles en présence La Directive complète logiquement la règle de com- pétence juridictionnelle de l’État membre d’origine par une règle de conflit de lois en disposant que, sauf exceptions prévues par la Directive, la procédure sera régie conformément au droit de l’État d’origine (lex fori concursus). À l’instar du Règlement, il existe deux ordres d’excep- tions à l’application de la lex fori concursus: d’une part, les questions affectées par la procédure mais pour les- quelles la Directive prévoit l’application d’une autre loi. Lorsqu’il est ainsi donné compétence à une autre loi, il convient de se référer également à ses règles maté- rielles relatives aux procédures collectives; d’autre part, les questions qui ne sont pas affectées par la procédure (ci-après, les “règles de conflit “négatives””). •  Questions affectées par la procédure selon un autre droit 329 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze specifieke conflictregels die inhouden dat er wordt afgeweken van de toepassing van het insolven- tieprocedurerecht (lex fori concursus) voor het vaststel- len van de gevolgen die de insolventieprocedure heeft voor een recht of een overeenkomst, zijn opgenomen in de artikelen 285 en 289 van de Richtlijn. Zij stemmen overeen met de regels van de Verordening. Zoals we hierboven hebben opgemerkt, wanneer de Richtlijn een andere wet toepasselijk verklaart, moeten ook de materiële regels in acht worden genomen die deze wet bevat voor insolventieprocedures. In die mate is lid 2 van artikel 289 overbodig en is er dus geen specifieke omzetting nodig. • Materies waarop de procedure geen invloed heeft — Principe De eerste categorie van uitzonderingen op de lex concursus omvat de hogervermelde conflictregels, die bepalen welk rechtsstelsel als enige de gevolgen van een insolventieprocedure voor een recht of een over- eenkomst vaststelt. De tweede groep uitzonderingen verschilt in die zin van de eerste dat zij “negatieve” conflictregels omvat die de toepasselijkheid van de lex concursus op zich niet verwerpen maar stellen dat de toepassing ervan geen afbreuk mag doen aan bepaalde rechten van derden. Aldus worden die rechten onttrok- ken aan de gevolgen van een insolventieprocedure. — Nuancering Voor elk van die zogenaamde “negatieve” con- flictregels bepaalt de Richtlijn — in navolging van de Verordening — ter compensatie van de afwijkingen die zij inhouden op de toepassing van het insolventieproce- durerecht, dat de vorderingen tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid als bedoeld in artikel 274, lid 2, onder 1) wel kunnen worden ingesteld. Zo blijft de lex concursus bepalen of de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid kan worden gevorderd van rechtshandelingen die nadelig zijn voor alle schuldei- sers. Dit zijn bepalingen die doorgaans in verschillende nationale wetgevingen zijn opgenomen en waarmee abnormale rechtshandelingen die aan bepaalde schuld- eisers een voordeel bieden, kunnen worden verworpen, zoals het stellen van een zekerheid voor een eerder aangegane schuld, de handelingen onder bezwarende titel waarbij de begunstigde ervan op de hoogte is dat de schuldenaar zich in staat van staking van betaling bevindt, ... — Uitzondering op de nuancering die tot absolute rechtszekerheid leidt Ces règles de conflit de lois spécifiques qui dérogent à l’application de la loi de la procédure (lex fori concur- sus) pour déterminer les effets d’une procédure d’insol- vabilité sur un droit ou contrat figurent aux articles 285 et 289 de la Directive. Elles correspondent à celles prévues par le Règlement. Comme relevé ci-dessus, lorsqu’il est ainsi donné compétence à une autre loi, il convient de se référer également à ses règles matérielles en matière de procédures d’insolvabilité. Dans cette mesure, le paragraphe 2 de l’article 289 constitue une redite inutile ne nécessitant pas une transposition particulière. • Questions qui ne sont pas affectées par la procédure — Principe À la différence des exceptions à la lex concursus consistant dans les règles de conflit de lois susmention- nées (règles de conflit désignant une loi qui détermine exclusivement les effets d’une procédure d’insolvabilité sur un droit ou un contrat), le second groupe d’excep- tions à la loi de la procédure consiste dans des règles de conflit dites “négatives” en ce que la compétence de la lex concursus n’est pas en soi remise en cause, mais plutôt que son application ne peut porter atteinte à certains droits de tiers. Ces droits se voient ainsi, à certaines conditions, soustraits aux effets d’une procé- dure d’insolvabilité. — Tempérament Pour chacune de ces règles de conflit dites “néga- tives”, la Directive — copiant en cela le Règlement — prévoit qu’en contrepartie des dérogations à la loi de la procédure qu’elles impliquent, les actions en nullité, en annulation ou en inopposabilité visées à l’article 274, paragraphe 2, l) peuvent néanmoins être exercées. La lex concursus continue ainsi à déterminer si l’on peut agir en nullité ou inopposabilité d’actes préjudi- ciables à l’ensemble des créanciers. Il s’agit des dispo- sitions généralement prévues dans les différents droits nationaux en matière de faillite et permettant d’écarter des actes anormaux créant un avantage à certains créanciers: on peut ainsi penser à la constitution d’une sûreté pour une dette antérieurement contractée, à des actes à titre onéreux dont le bénéficiaire a connaissance de l’état de cessation de paiement du débiteur, … —  Exception au tempérament conduisant à une sécurité juridique absolue 330 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze mogelijkheid wordt echter weer afgezwakt door artikel 290 van de Richtlijn, dat de begunstigde van de nadelige rechtshandeling toelaat zich te verzetten tegen haar ongeldigverklaring door te bewijzen dat “die rechts- handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst (lees: de Staat waar de procedure werd geopend), en bewijst dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden”. Dit totale gebrek in het toepasselijke recht aan welke mogelijk heid ook om de nadelige rechtshandeling aan te vechten, situeert zich zowel op het vlak van de insolventieregels als van de algemeen geldende nationale regels voor de rechts- handeling, zoals een gemeenrechtelijke actio pauliana. c) Specifieke behandeling van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering • Voorrecht Naast de bescherming die aan sommige schuldeisers van de verzekeringsonderneming wordt toegekend in de vorm van specifieke conflictregels, bevat de Richtlijn een regel van materieel recht die in de bescherming voorziet van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering. Voor deze bescherming kunnen de lidstaten naar keuze gebruik maken van een van beide methodes van de Richtlijn of van deze beide methodes (art. 275 van de Richtlijn): voor de vorderingen uit hoofde van ver- zekering kunnen zij ofwel opteren voor een absoluut voorrecht op de dekkingswaarden van de technische voorzieningen, dat boven alle andere schuldvorderingen gaat, ofwel kunnen zij een bijzondere rang toekennen aan de vorderingen uit hoofde van verzekering, door aan deze vorderingen een algemeen voorrecht toe te kennen dat echter kan komen na de schuldvorderingen met betrekking tot lonen, de sociale zekerheid, de fis- cus en zakelijke rechten en na de gerechtskosten met betrekking tot de liquidatie procedure. De lidstaten die voor de eerste methode opteren moe- ten aan de verzekeringsondernemingen de verplichting opleggen om een speciaal register bij te houden van de dekkingswaarden van de technische voorzieningen. Indien de betrokken verzekeringsonderneming zowel de tak “leven” als de tak “niet-leven” beoefent, dient zij een afzonderlijk register bij te houden voor elk van deze activiteiten (art. 276, lid 2 van de Richtlijn). In het voorliggende ontwerp wordt geopteerd voor beide methodes (zie de artikelen 643 en 644). Artikel 643 stelt aldus dat de activa die met toepas- sing van de artikelen 194 en 195 permanent worden L’article 290 de la Directive tempère toutefois cette possibilité en permettant au bénéficiaire de l’acte pré- judiciable de s’opposer à son invalidation en apportant la preuve que “cet acte est soumis au droit d’un État membre autre que l’État membre d’origine (lire l’État d’ouverture de la procédure), et que ce droit ne permet par aucun moyen, d’attaquer ledit acte dans l’affaire en cause”. L’impossibilité pour la loi applicable à l’acte préjudiciable de le remettre en cause concerne tant les règles en matière d’insolvabilité que les règles géné- rales du droit national applicables à l’acte, telles qu’une action paulienne de droit commun. c) Sort spécifique des créances d’assurance • Privilège À côté de la protection de certains créanciers de l’entreprise d’assurance consistant dans des règles de conflit de lois spécifiques, la Directive prévoit une règle de droit matériel assurant une protection des créances d’assurance. Cette protection est assurée, au choix par les États membres, selon une des deux méthodes prévues par la Directive, ou encore selon les deux (art. 275 de la Directive): les États membres peuvent choisir entre soit prévoir, au bénéfice des créances d’assurance, un privilège absolu, qui prime toutes autres créances, sur les actifs représentatifs des provisions techniques, soit accorder un rang spécial aux créances d’assurance en leur conférant un privilège général susceptible toutefois d’être primé par les créances de salaires, de la sécurité sociale, du fisc et les droits réels ou encore les frais de justice relatif à la procédure de liquidation. Les États membres qui optent pour la première méthode doivent prévoir l’obligation pour les entreprises d’assurance de tenir à jour un registre spécial des actifs représentant les provisions techniques. En cas d’exercice cumulatif des branches “vie” et “non-vie”, un registre séparé pour chacune de ces activités doit être tenu (art. 276, paragraphe 2 de la Directive). L’option retenue par le présent projet consiste à cumu- ler les deux méthodes. C’est l’objet des articles 643 et 644. L’article 643 énonce ainsi que les actifs détenus, en permanence, au sein de l’inventaire permanent en 331 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aangehouden in de doorlopende inventaris, per afzon- derlijk beheer “bijzondere vermogens” vormen waarop de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering een bijzonder voorrecht hebben dat hen absolute voor- rang geeft. De activa die het voorwerp uitmaken van het bijzonder voorrecht dat de schuldeisers uit hoofde van verze- kering genieten, zijn deze die ingeschreven zijn in de doorlopende inventaris waarin artikel 195 voorziet. De verzekeringsondernemingen moeten permanent, per afzonderlijk beheer, activa registreren — gewaardeerd tegen hun marktwaarde — voor een bedrag dat hun verplichtingen dekt ten aanzien van de schuldeisers uit hoofde van verzekeringen zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een liquiditeitsprocedure tijdens dewelke een einde zou worden gemaakt aan de verze- keringsovereenkomsten. Deze verplichting dekt aldus de verzekeringsverplichtingen die, in een zogenaamd Solvency I-perspectief, zouden bepaald zijn alsof de verzekeringsovereenkomsten beëindigd werden. Volgens het afzonderlijke beheer (te weten een scheiding tussen niet-levensverzekeringsactiviteiten en levensverzeke- ringsactiviteiten en, binnen die laatste, een scheiding tussen de overeenkomsten die vallen onder tak 23 en die welke vallen onder de takken 26 en 27 — waarvoor het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzeke- ringnemer — die op hun beurt worden afgescheiden volgens de bestaande beleggingsfondsen), zullen de activa het voorwerp vormen van het bijzonder voorrecht dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering genieten. Net zoals in het gemeen recht, mag de liquidateur of de curator overeenkomstig artikel 275, lid 2 van de Richtlijn, op ieder bijzonder vermogen voorafname doen van zijn bezoldiging en die van zijn personeel alsook van alle andere vereffeningskosten. Ingeval die bijzondere vermogens ontoereikend zou- den zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig schadeloos te stellen, genieten deze een alge- meen voorrecht op de overige goederen van de onder- neming. Conform de Richtlijn komt dit algemeen voor- recht wel na de bijzondere voorrechten en de algemene voorrechten van werknemers, van de Schatkist en van socialezekerheidsinstellingen en sociale verzekeraars, evenals na de uitoefening van zakelijke rechten. Indien er na de vereffening van een bijzonder vermo- gen een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld over de andere bijzondere vermogens naar rato van de tekorten van die bijzondere vermogens. Indien er na de vereffening van alle bijzondere vermogens nog een beschikbaar saldo overblijft, wordt dit toegewezen aan de massa van de schuldeisers. application des articles 194 et 195 forment, par gestions distinctes, des “patrimoines spéciaux” sur lesquels les créanciers d’assurance concernés bénéficient d’un privilège spécial conférant une priorité absolue. Les actifs qui constituent ainsi les assiettes du privi- lège spécial dont bénéficient les créanciers d’assurance sont ceux inscrits à l’inventaire permanent prescrit par l’article 195 et qui doit, en permanence, enregistrer, par gestions distinctes, des actifs — évalués à leur valeur de marché — pour un montant qui couvre les engagements à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation lors de laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance. Cette obligation couvre ainsi les engagements d’assu- rance déterminés, dans une optique dite Solvency I, comme s’il était mis fin aux contrats d’assurance. Selon les gestions distinctes (à savoir, une distinction activités non-vie et activités vie et, au sein de cette dernière, une distinction des affaires qui relèvent de la branche 23 ou encore des branches 26 et 27 pour lesquelles le risque d’investissement est supporté par le preneur — elles-mêmes distinctes selon les fonds d’investissement existants), les actifs formeront les assiettes du privilège spécial dont bénéficient les créanciers d’assurance. Comme en droit commun, conformément à l’article 275, paragraphe 2, de la Directive, le liquidateur ou le curateur peut prélever sur chaque patrimoine spécial sa rémunération et celle de son personnel et tous autres frais de liquidation. En cas d’insuffisance des patrimoines spéciaux pour désintéresser totalement les créanciers d’assurance, ceux-ci bénéficient encore d’un privilège général sur le surplus des biens de l’entreprise. Ce privilège général est toutefois, conformément à la Directive, primé par les privilèges spéciaux ainsi que par les privilèges généraux des travailleurs salariés, du Trésor et des organismes et assureurs sociaux, ainsi que par l’exercice de droits réels. Si la liquidation d’un patrimoine spécial laisse un solde positif, ce solde est réparti entre les autres patrimoines spéciaux au prorata des déficits de ces patrimoines spéciaux. Si la liquidation de tous les patri- moines spéciaux laisse un solde disponible, celui-ci est attribué à la masse des créanciers. 332 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het voorliggende ontwerp zorgt voor verduidelijking door artikel 276, lid 5, van de Richtlijn (dat overgenomen is uit de Bijlage bij de oude richtlijn 2001/17/EG) expliciet om te zetten. Zo regelt artikel 628 expliciet de conflictsi- tuaties die kunnen ontstaan wanneer een actief dat deel uitmaakt van het voorwerp van het bijzonder voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, het voorwerp uitmaakt van een verrichting waarvoor er in een zogenaamde “negatieve” conflictregel is voorzien. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een potentieel conflict tussen een schuld vergelijkings overeenkomst en het bijzonder voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, regelt artikel 628, § 3 expliciet wat er gebeurt met activa die deel uitmaken van de dek- kingswaarden die onder de toepassing vallen van een schuldvergelijkingsovereenkomst. Met de woorden “onverminderd artikel 633”, wordt er in deze bepaling op gewezen dat om de efficiëntie van een schuldvergelijkingsovereenkomst te bepalen, eerst de wet moet worden vastgesteld die de schuldver- gelijking regelt. Deze wet bepaalt de volledige regeling omtrent de schuldvergelijking , waar onder de extinctieve werking ervan. Daarnaast dient ook te worden bepaald welke impact het insolventieprocedurerecht heeft op de bevoegdheid van het recht dat van toepassing is op de schuldverge- lijking. In dit verband geldt als principe, conform artikel 274, lid 2, onder c) van de Richtlijn, dat de lex concursus bevoegd is om te bepalen onder welke voorwaarden er een schuldvergelijking kan worden tegengeworpen aan de schuldeisers. De Richtlijn bevat een uitzondering op de toepassing van het insolventieprocedurerecht, die inhoudt dat het recht op schuldvergelijking onder bepaalde voorwaar- den onverlet wordt gelaten door de opening van een insolventieprocedure. Artikel 288 van de Richtlijn, dat artikel 6 van Verordening nr. 1346/2000 overneemt, bepaalt namelijk dat een insolventieprocedure het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de verzekerings- onderneming onverlet laat, wanneer die schuldvergelij- king is toegestaan bij het recht dat op de vordering van de verzekerings onderneming van toepassing is. Artikel 288  van de Richtlijn verleent op dit punt voorrang aan het recht dat van toepassing is op de schuldvordering van de verzekerings onderneming, d.w.z. het recht dat van toepassing is op de schuldvor- dering waarvan de deficiënte schuldenaar de titularis is ten aanzien van de schuldeiser die zich beroept op Le présent projet entend apporter une clarification en transposant explicitement l’article 276, paragraphe 5, de la Directive (issu de l’Annexe de l’ancienne direc- tive 2001/17/CE). Ainsi l’article 628 règle explicitement les situations de conflit potentiel lorsqu’un actif faisant partie de l’assiette du privilège spécial des créanciers d’assurance fait l’objet d’une opération pour laquelle une règle de conflit dite “négative” est prévue. Ainsi pour prendre l’exemple d’un conflit potentiel entre une convention de compensation et le privilège spécial des créanciers d’assurance, l’article  628, § 3 entend régler explicitement le sort à donner à des actifs faisant partie des valeurs représentatives qui entrent dans le champ d’application d’une convention de compensation. Par les mots “sans préjudice de l’article 633”, la dispo- sition entend rappeler qu’une première étape consiste, aux fins de déterminer l’efficacité d’une convention de compensation, à établir la loi régissant la compensa- tion. Cette loi déterminera l’ensemble du régime de la compensation dont ses effets extinctifs. À côté de cette loi, il convient ensuite de déterminer l’impact de la loi de la procédure sur la compétence de la loi applicable à la compensation. Sur cette question, conformément à l’article 274, paragraphe 2, c) de la Directive, le principe consiste dans la compétence de la lex concursus pour déterminer les conditions dans lesquelles une compensation peut être opposée aux créanciers. Une dérogation à la loi de la procédure réside dans le fait qu’à certaines conditions, la compensation n’est pas affectée par une procédure d’insolvabilité. Reprenant ainsi l’article 6 du règlement n° 1346/2000, l’article 288 de la Directive dispose qu’une procédure d’insolvabilité n’affecte pas le droit d’un créancier d’invoquer la compensation de sa créance avec celle de l’entreprise d’assurance lorsque cette compensation est permise par la loi applicable à la créance de l’entreprise d’assurance. L’article 288  de la Directive donne, sur ce point, la prééminence à la loi de la créance de l’entreprise d’assurance, c’est-à-dire la loi de la créance dont le débiteur défaillant est titulaire à l’égard du créancier qui invoque le bénéfice de la compensation et écarte, en principe (c’est-à-dire sous réserve de l’article 288, 333 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zijn recht op schuldvergelijking en verwerpt in principe (d.w.z. onder voorbehoud van artikel 288, lid 2 van de Richtlijn) de invloed van de lex concursus voor wat be- treft de tegenwerpbaarheid van de schuldvergelijking. Het recht dat van toepassing is op de schuldvordering van de verzekerings onderneming — dat het recht kan zijn van een staat die geen lid is van de Europese Unie — en op grond waarvan er moet worden onderzocht of de schuldvergelijking is toegestaan, omvat speci- fieke materiële bepalingen inzake de tegenwerpbaar- heid van de schuldvergelijking in het kader van een insolventieprocedure. In navolging van Verordening nr. 1346/2000, en zo- als dit ook het geval is voor zakelijke rechten en voor clausules van eigendomsvoorbehoud, bevat artikel 288, lid 2 van de Richtlijn een regel die inhoudt dat de bepalingen inzake de nietigheid en de niet-tegenwerp- baarheid van nadelige rechtshandelingen aan de andere schuldeisers, waarin de lex concursus voorziet, nog steeds kunnen worden toegepast, onder voorbehoud van artikel 290. Deze regels dienen dus gecombineerd te worden met de toepassing van het voorrecht waarin voorzien is in artikel 275, lid 1, onder a) van de Richtlijn. Op de vraag of er een conflict bestaat tussen de schuldvergelijking en het voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, vinden we een antwoord in de Richtlijn. Artikel 276, lid 5 bepaalt namelijk het vol- gende “......... wanneer een schuldeiser recht heeft op verrekening van zijn vordering met de vordering van de verzekeringsonderneming, wordt de behandeling van deze activa (lees: dekkingswaarden van de technische voorzieningen”) in geval van liquidatie van de verzeke- ringsonderneming met betrekking tot de methode van artikel 275, lid 1, onder a), bepaald door de wetgeving van de lidstaat van herkomst, behalve wanneer de arti- kelen 286, 287 of 288 van toepassing zijn op die activa.”. De oplossing wordt gegeven in lid 5  van artikel 276 van de Richtlijn, dat voorrang verleent aan artikel 288 van de Richtlijn indien de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel vervuld zijn. Er moet dus geverifieerd worden of de wet die van toepassing is op de schuldvordering van de verzeke- ringsonderneming een schuldvergelijking toestaat wan- neer er een insolventieprocedure is geopend. Er dient dus te worden nagegaan wat de aard is van de beleg- gingen die deel uitmaken van de in de artikelen 194 en 195 bedoelde activa (en die een schuldvordering vormen die onder de toepassing valt van de schuldvergelijkings- overeenkomst), en bepaald worden welke wetgeving erop van toepassing is. paragraphe  2  de la Directive), l’incidence de la lex concursus en ce qui concerne la question de l’opposa- bilité de la compensation. La loi applicable à la créance de l’entreprise d’assu- rance — qui peut être la loi d’un État non-membre de l’Union européenne — sous l’angle de laquelle il faut examiner si la compensation est permise comprend ses dispositions matérielles particulières en matière d’opposabilité de la compensation dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité. À l’instar du règlement n° 1346/2000, comme pour les droits réels et les clauses de réserve de propriété, l’article 288, paragraphe 2 de la Directive reprend toute- fois la règle selon laquelle, sous réserve de l’article 290, les dispositions en matière de nullité et d’inopposabilité des actes préjudiciables aux autres créanciers prévues par la lex concursus continuent de pouvoir s’appliquer. À ces règles, il convient donc de combiner l’appli- cation du privilège prévu par l’article 275, paragraphe 1, a) de la Directive. La question du conflit entre compensation et privi- lège des créanciers d’assurance trouve réponse dans la Directive. Ainsi, l’article 276, paragraphe 5 dispose que “…lorsqu’un créancier est habilité à invoquer la compensation de sa créance avec celle de l’entreprise d’assurance, en cas de liquidation de l’entreprise d’as- surance, le sort d’un actif (lire “représentatifs des provi- sions techniques”) dans le cadre de la méthode prévue à l’article 275, paragraphe 1, point a), est déterminé par la législation de l’État membre d’origine, sauf lorsque les articles 286, 287 ou 288 s’appliquent audit actif.”. Ainsi, la solution est donnée par le paragraphe 5 de l’article 276 de la Directive qui fait prévaloir l’article 288 de la Directive dès lors que les conditions d’appli- cation de cet article sont rencontrées. Il convient donc de vérifier si la loi qui régit la créance de l’entreprise d’assurance permet la compensation en cas de procédure d’insolvabilité. Il faut donc examiner la nature des placements faisant partie des actifs visés aux articles 194 et 195 (et qui constituent une créance entrant dans le champ d’application de la convention de compensation) et déterminer la législation qui les régit. 334 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De efficiëntie van de schuldvergelijking dient maar beoordeeld te worden op grond van het Belgische recht als de voorwaarde van artikel 288 van de Richtlijn niet vervuld is, d.w.z. als de schuldvergelijking volgens het betrokken buitenlands recht niet efficiënt is. Volgens de Richtlijn (art. 276, lid 5) is het Belgische recht in dit geval van toepassing — maar als lex concursus (recht van de lidstaat van herkomst) — indien het gaat om een insolventieprocedure tegen een verzekeringsonderne- ming naar Belgisch recht. Wanneer het Belgische recht van toepassing is, als lex concursus, voor de beoordeling van de efficiëntie van de schuldvergelijkings overeenkomst, kan men zich afvragen welke inhoud er gegeven moet worden aan de Belgische wet. Moet het Belgische recht worden toegepast omdat het gekozen heeft voor de optie die geboden wordt in artikel 288, lid 1, onder a) en omdat het de schuldei- sers uit hoofde van verzekering een absoluut bijzonder voorrecht geeft op de in de artikelen 194 en 195 be- doelde activa of moet het Belgische recht worden toe- gepast met inbegrip van de bepalingen van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden? Volgens deze wet van 15 december 2004 (“WFZ”) zijn schuldvergelijkingsovereenkomsten namelijk efficiënt onder bepaalde voorwaarden9. Aangezien de verzekeringsondernemingen die als in de artikelen 194 en 195 bedoelde activa beleggin- gen aanhouden die het voorwerp uitmaken van een schuldvergelijkings overeenkomst, erop toe moeten zien dat de reglementair vereiste waarde van die activa behouden blijft, dient er voor het normenconflict enkel een oplossing te worden gevonden indien de betrok- ken verzekeringsonderneming deze activa niet aanvult wanneer de bestaande elementen als ontoereikend zijn gewaardeerd. Om dubbelzinnigheid te voorkomen, wordt in artikel 628, § 3 duidelijk bepaald dat de oplos- sing die in dit artikel wordt aangereikt, geen afbreuk doet aan de verplichting voor de verzekeringsondernemingen 9 Er zij aan herinnerd dat deze wet bepaalt dat schuldvergelij- kingsovereenkomsten efficiënt zijn, behalve in twee gevallen: 1) wanneer zij zijn gesloten tussen of met natuurlijke personen die geen kooplieden zijn (artikel 14, § 2 WFZ) en 2) in geval van opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie van een niet-publieke of niet-financiële rechtspersoon, ongeacht de aard van de schuldeiser die zich op de schuldvergelijkings- overeenkomst wil beroepen, tenzij hij zich kan beroepen op een wanbetaling, of in geval van opening van een procedure van gerechtelijke organisatie van een publieke of financiële rechts- persoon, indien de schuldeiser die zich op de schuldvergelijking beroept geen publieke of financiële rechtspersoon is, tenzij hij zich kan beroepen op een wanbetaling (artikel 4, § 3 WFZ). L’examen de l’efficacité de la compensation sous l’angle du droit belge n’a de pertinence que si la condition prévue par l’article 288 de la Directive n’est pas rencontrée, c.-à-d. si le droit étranger concerné ne conclut pas à l’efficacité de la compensation. Dans pareil cas, conformément à la Directive (art. 276, paragraphe 5), le droit belge sera applicable — mais au titre de lex concursus (loi de l’État membre d’origine) — s’agissant d’une procédure d’insolvabilité ouverte à l’encontre d’une entreprise d’assurance de droit belge. Lorsque le droit belge est d’application, au titre de lex concursus, pour trancher la question de l’efficacité de la convention de compensation, la question se pose de savoir quel contenu donner au droit belge. Ainsi doit-on appliquer le droit belge en ce qu’il a fait choix de l’option prévue par l’article 288, paragraphe 1er, a) et qu’il prévoit ainsi un privilège spécial absolu sur actifs visés aux articles 194 et 195 au profit des créan- ciers d’assurance ou doit-on l’appliquer en ce compris ses dispositions de la loi du 15 décembre 2004 sur les sûretés financières? En effet, cette législation du 15 décembre 2004 (“LSF”) prévoit, à certaines condi- tions9, l’efficacité des conventions de compensation. Dès lors que les entreprises d’assurance qui ont, au titre des actifs visés aux articles 194 et 195, des placements faisant l’objet d’une convention de com- pensation, doivent veiller à maintenir la valeur requise réglementairement de ces actifs, la question de la solution du conflit de normes ne présente un intérêt que dans les hypothèses où les entreprises d’assurance ne complèteraient pas ces actifs en cas d’insuffisance de la valorisation des éléments existants. Pour lever toute ambigüité en la matière, l’article 628, § 3 énonce clai- rement que la solution qu’il établit est sans préjudice de l’obligation pour les entreprises d’assurance d’évaluer les créances sur un tiers déduction faite des dettes 9 Pour mémoire, cette loi prévoit l’efficacité des conventions de compensation sauf dans deux hypothèses: 1) lorsqu’elles sont conclues entre ou avec des personnes physiques non commer- çantes (article 14, § 2 LSF) et 2) en cas d’ouverture d’une pro- cédure de réorganisation judiciaire dans le chef d’une personne morale non publique ou financière, quelle que soit la qualité du créancier qui entend faire jouer la convention de compensation, à moins qu’il ne puisse se prévaloir d’un défaut de paiement ou en cas d’ouverture d’une procédure de réorganisation judiciaire dans le chef d’une personne morale publique ou financière, si le créancier qui se prévaut de la compensation n’est pas une personne morale publique ou financière, à moins qu’il ne puisse se prévaloir d’un défaut de paiement (article 4, § 3 LSF). 335 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 om voor de waardering van de activa die ingeschreven zijn in het in artikel 195 bedoelde register, hun schuld- vorderingen op een derde te ramen na aftrek van de schulden ten aanzien van die derde. Om eventuele normenconflicten uit te sluiten, stelt paragraaf 4 van artikel 628 dat het Belgische recht moet worden toegepast, met inbegrip van de bepalingen van materieel recht die voortvloeien uit de (strikte) omzetting van de Europese richtlijnen die de in artikel 628 be- doelde aangelegenheden regelen. Voor deze oplossing werd enerzijds gekozen op grond van het principe dat het nationaal recht in overeenstemming met het com- munautair recht moet worden uitgelegd, wat betekent dat we ons moeten baseren op de bepalingen van de richtlijnen die in het Belgische recht zijn omgezet, namelijk ook Richtlijn 2002/47/EG, de zogenaamde collateral-richtlijn, die omgezet werd door de wet van 15 december 2004, en anderzijds op grond van het principe van de verzoenende uitlegging, dat inhoudt dat beide richtlijnen (de Richtlijn en de collateral-richtlijn) op een zodanige manier worden toegepast dat er zo weinig mogelijk tegenspraak is tussen beide. Deze oplossing houdt dus in dat nagegaan wordt of de efficiëntie van schuldvergelijkings overeenkomsten in een bepaalde situatie haar grondslag vindt in de collateral-richtlijn of of de efficiëntie waarin het Belgische recht voorziet, een specificiteit is van het Belgische recht, die niet wordt opgelegd door deze richtlijn, aangezien deze richtlijn in een minimale harmonisering voorziet. Enkel wanneer de efficiëntie van de schuldvergelijkingsovereen komst rechtstreeks voortvloeit uit de omzetting van de collateral-richtlijn, kan de schuld vergelijking voorrang hebben op het absoluut voorrecht van de schuldeisers uit hoofde van verzekering op de dekkingswaarden, in situaties waar het Belgische recht als lex concursus van toepas- sing is voor de beoordeling van de efficiëntie van de schuldvergelijking. Artikel 628 verschaft dus de nodige preciseringen, die recentelijk aanleiding hebben gegeven tot debatten in de rechtsleer (zie M. Dreesen en A. Houthoofd, “De (vreedzame?) co-existentie van het voorrecht op de dekkingswaarden van de technische reserves en provi- sies, enerzijds, en nettingbedingen, anderzijds”, in Over grenzen. Liber amicorum Herman Cousy, Antwerpen- Cambridge, Intersentia, 2011, blz. 407 t.e.m. 424). De definities die nodig zijn voor de omzetting van Titel IV van de Richtlijn, werden opgenomen in artikel 15 van de ontwerpwet. Zij zijn overgenomen uit artikel 2, § 6, 14° tot 20° van de wet van 9 juli 1975, met enkele niet-ingrijpende wijzigingen die voortvloeien uit de aan- passing van de Richtlijn. envers ce tiers pour la valorisation des actifs inscrits au registre visé à l’article 195. Afin de résoudre clairement le conflit de normes potentiel, le paragraphe 4 de l’article 628, énonce qu’il y a lieu d’appliquer le droit belge, en ce compris ses dispositions de droit matériel issues de la (stricte) trans- position de directives européennes dans les matières visées audit article 628. Une telle solution résulte, d’une part, du principe d’interprétation conforme au droit com- munautaire qui implique de se référer aux dispositions des directives dont est issu le droit belge, à savoir égale- ment la directive 2002/47/CE dite directive collateral dont la loi du 15 décembre 2004 assure la transposition et, d’autre part, aux principes d’interprétation conciliatrice conduisant à appliquer les deux directives concernées (la Directive et la directive collateral) de manière à ce qu’elles présentent le moins d’antinomie. La solution nécessite donc d’examiner si l’efficacité des conventions de compensation dans une situation donnée trouve son fondement dans la directive collateral ou si l’efficacité prévue par le droit belge constitue une spécificité du droit belge non imposée par cette directive, dès lors que celle-ci est d’harmonisation minimale. Ce n’est que lorsque l’efficacité de la convention de com- pensation résulte directement de la transposition de la directive collateral que la compensation pourra primer le privilège absolu des créanciers d’assurance sur les valeurs représentatives, pour les situations où le droit belge sera d’application au titre de lex concursus pour déterminer l’efficacité de la compensation. L’article 628 entend ainsi apporter les clarifications nécessaires qui ont récemment suscité des débats doctrinaux (voy. M.  Dreesen et A.  Houthoofd, “De (vreedzame?) co-existentie van het voorrecht op de dekkingswaarden van de technische reserves en pro- visies, enerzijds, en nettingbedingen, anderzijds”, in Over grenzen. Liber amicorum Herman Cousy, Anvers- Cambridge, Intersentia, 2011, pp. 407 à 424). Les définitions requises pour la transposition du Titre  IV de la Directive ont été reprises sous l’ar- ticle 15 de la loi en projet. Moyennant quelques adap- tations mineures résultant de l’évolution du texte de la Directive, elles constituent la reprise de l’article 2, § 6, 14° à 20°, de la loi du 9 juillet 1975. 336 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL I Saneringsmaatregelen HOOFDSTUK I Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen Artikel 610, dat artikel 269, leden 1 en 3 omzet, neemt artikel 45 van de wet van 9 juli 1975 over. Artikel 611 zorgt voor de omzetting van artikel 269, leden 1, 3, 4 en 5 en van artikel 271, lid 3. Artikel 73/1 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. HOOFDSTUK II Overleg en informatieverstrekking Afdeling I Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht Artikel 612 zet artikel 270 om. Dit artikel is geïnspi- reerd op artikel 46 van de wet van 9 juli 1975, waarin de door de wet van 2 juni 2010 vereiste wijzigingen zijn aangebracht. Artikel 613 zorgt voor de omzetting van artikel 271, lid 1, eerste alinea, en leden 2 en 3. Artikel 47 van de wet van 9 juli 1975 wordt er grotendeels in overgenomen. Afdeling II Verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Artikel  614  zorgt voor de omzetting van artikel 296. In dit artikel wordt artikel 48/1 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Artikel 296 van de Richtlijn moet enkel worden omgezet voor wat betreft de sa- neringsmaatregelen, aangezien er voor wat betreft de liquidatieprocedures geopteerd werd voor de beginselen van eenheid en universaliteit van de procedures, zelfs voor ondernemingen van derde landen. TITRE IER Des mesures d’assainissement CHAPITRE IER Règle de compétence et réception des mesures étrangères L’article 610 assure la transposition de l’article 269, paragraphes 1 et 3. Il constitue la reprise de l’article 45 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 611 assure la transposition de l’article 269, paragraphes 1, 3, 4 et 5 et de l’article 271, paragraphe 3. Il constitue la reprise de l’article 73/1 de la loi du 9 juillet 1975. CHAPITRE II Concertation et information Section Ire Entreprises d’assurance de droit belge L’article 612 assure la transposition de l’article 270. Il s’inspire de l’article 46 de la loi du 9 juillet 1975, moyennant les modifications rendues nécessaires par la loi du 2 juin 2010. L’article 613 assure la transposition de l’article 271, paragraphe 1er, alinéa 1er, paragraphes 2 et 3. Il reprend largement l’article 47 de la loi du 9 juillet 1975. Section II Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers L’article  614  assure la transposition de l’article 296. Il constitue la reprise de l’article 48/1 de la loi du 9 juillet 1975. On relève que l’article 296 de la Directive ne nécessite une transposition qu’en ce qui concerne les mesures d’assainissement puisque pour les procé- dures de liquidation, le droit belge a retenu les principes d’unité et d’universalité des procédures même en ce qui concerne les entreprises de pays tiers. 337 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL II Faillissement en andere liquidatieprocedures die op insolventie berusten HOOFDSTUK I Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen Artikel 615, dat artikel 273, lid 1 omzet, neemt artikel 48/2 van de wet van 9 juli 1975 over. In artikel 616  wordt artikel  273, lid  2  omgezet. Artikel 73/2 van de wet van 9 juli 1975 wordt in dit artikel overgenomen. Artikel 617 bevat de voorwaarden voor de erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen tot opening van een liquidatieprocedure die berust op de insolventie van verzekeringsondernemingen die onder derde lan- den ressorteren. De bepaling is geïnspireerd op artikel 48/9 van de wet van 9 juli 1975, waarvan de redactionele kwaliteit werd verbeterd door verwijzingen te vermijden. HOOFDSTUK II Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht Afdeling I Overleg en informatieverstrekking Artikel 618 zet artikel 273, lid 3 om en neemt artikel 48/4 van de wet van 9 juli 1975 over. Artikel 619 zorgt voor de omzetting van artikel 280, lid 1, eerste alinea en lid 2 en van artikel 283, lid 1. Artikel 48/5 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. Artikel  620, eerste lid, zet artikel 281  om, terwijl het tweede lid van dit artikel zorgt voor de omzet- ting van artikel 283, lid 1. Artikel 48/6 van de wet van 9 juli 1975 wordt in deze bepaling overgenomen. Afdeling II Procedurele aspecten en toepasselijk recht Met artikel 621 wordt artikel 274, lid 1 omgezet. Artikel 48/3 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. TITRE II De la faillite et autres procédures de liquidation fondées sur l’insolvabilité CHAPITRE I e — Règle de compétence et réception des procédures étrangères L’article 615 assure la transposition de l’article 273, paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/2 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 616 assure la transposition de l’article 273, paragraphe 2. Il constitue la reprise de l’article 73/2 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 617 règle les conditions de reconnaissance des décisions judiciaires étrangères d’ouverture de procédure de liquidation fondée sur l’insolvabilité d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers. La disposition est inspirée de l’article 48/9 de la loi du 9 juillet 1975 en en améliorant la rédaction par l’évitement de renvoi. CHAPITRE II Entreprises d’assurance de droit belge Section Ire Concertation et information L’article 618 assure la transposition de l’article 273, paragraphe 3. Il constitue la reprise de l’article 48/4 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 619 assure la transposition de l’article 280, paragraphes 1er, alinéa 1er et 2 et de l’article 283, para- graphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/5 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 620 assure, en son alinéa 1er, la transposition de l’article 281 et, en son alinéa 2, la transposition de l’article 283, paragraphe 1er. La disposition constitue la reprise de l’article 48/6 de la loi du 9 juillet 1975. Section II Eléments de procédure et loi applicable L’article 621 assure la transposition de l’article 274, paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/3 de la loi du 9 juillet 1975. 338 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 622, paragraaf 1 en paragraaf 2, eerste lid, zorgen voor de omzetting van artikel 282, leden 1 tot 3 en van artikel 283, lid 2. Artikel 48/7 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. In paragraaf 2, tweede lid van de ontwerpbepaling wordt artikel 48/16, paragraaf 2 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen voor wat betreft de regels voor de gelijkstelling van niet- communautaire “buitenlandse” schuldeisers. Artikel 623, dat artikel 284 omzet, neemt 48/8 van de wet van 9 juli 1975 over. HOOFDSTUK III Verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Artikel 624 zorgt eveneens voor de omzetting van artikel 296, tweede alinea. Artikel 48/10 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. TITEL III Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten betreffende verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Artikel 625, dat artikel 296, eerste alinea, omzet, neemt artikel 48/13 van de wet van 9 juli 1975 over. Artikel 626 is geïnspireerd op artikel 48/14 van de wet van 9 juli 1975, waarvan de redactionele kwaliteit werd verbeterd door verwijzingen te vermijden Artikel 627 zorgt voor de omzetting van artikel 296, tweede en derde alinea. Artikel 48/15 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. TITEL IV Vereffening van bijzondere vermogens Artikel 628 zet artikel 276, lid 5 om. Deze bepaling wordt verder nog nader toegelicht. In artikel  629  wordt artikel  48/17  van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het eerste en tweede lid van dit artikel zorgen voor de omzetting van artikel 276, lid 6. In het derde lid van dit artikel wordt artikel 276, lid 7 omgezet. L’article 622 assure, en son paragraphe 1er et para- graphe 2, alinéa 1er, la transposition de l’article 282, paragraphes 1er à 3 et de l’article 283, paragraphe 2. Il constitue la reprise de l’article 48/7  de la loi du 9 juillet 1975. Le paragraphe 2, alinéa 2 de la disposition en projet constitue quant à lui la reprise de l’article de l’article 48/16, paragraphe 2 de la loi du 9 juillet 1975 en ce qui concerne les règles d’assimilation relatives aux créanciers “étrangers” non communautaires. L’article  623  assure la transposition de l’article 284. Il constitue la reprise de l’article 48/8 de la loi du 9 juillet 1975. CHAPITRE III Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers L’article 624 assure également la transposition de l’article 296, alinéa 2. Il constitue la reprise de l’article 48/10 de la loi du 9 juillet 1975. TITRE III Des procédures de liquidation non fondées sur l’insolvabilité concernant des entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers L’article 625 assure la transposition de l’article 296, alinéa 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/13 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 626 est inspiré de l’article 48/14 de la loi du 9 juillet 1975 en améliorant la rédaction par l’évitement de renvoi. L’article 627 assure la transposition de l’article 296, alinéas 2 et 3. Il constitue la reprise de l’article 48/15 de la loi du 9 juillet 1975. TITRE IV De la liquidation des patrimoines spéciaux L’article 628 assure la transposition de l’article 276, paragraphe 5. Cette disposition est plus amplement commentée ci-dessus. L’article 629 constitue la reprise de l’article 48/17 de la loi du 9 juillet 1975. Ses alinéas 1er et 2 assurent la trans- position de l’article 276, paragraphe 6. Son alinéa 3 as- sure la transposition de l’article 276, paragraphe 7. 339 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL V Gemeenschappelijke regels betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures HOOFDSTUK I Uitzonderingen op en nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht In artikel 630 wordt artikel 48/19 van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Het eerste lid, 1° tot 3° van dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 285. Het eerste lid, 4° en het tweede lid zorgen voor de omzetting van artikel 289, lid 1. Het eerste lid, 5° van dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 292. Artikel  631  zet artikel  286, leden  1  tot 3  om. Artikel  48/20  van de wet van 9  juli  1975  wordt erin overgenomen. Artikel 632 zorgt voor de omzetting van artikel 287, le- den 1 en 2. Artikel 48/21 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. Artikel 633 zorgt voor de omzetting van artikel 288, lid 1. Artikel 48/22 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. In artikel  634  wordt artikel 48/23  overgenomen. Paragraaf 1 van dit artikel zorgt voor de omzetting van de artikelen 286, lid 4, 287, lid 3 en 288, lid 2. In het tweede lid wordt artikel 290 omgezet. Artikel 635 zorgt voor de omzetting van artikel 291. Artikel  48/24  van de wet van 9  juli  1975  wordt erin overgenomen. HOOFDSTUK II Informatieverstrekking In artikel  636  wordt artikel  73/3  van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Dit artikel zorgt voor de om- zetting van de artikelen 271, lid 1, tweede alinea, 271, lid 2, 280, lid 1, tweede alinea, en 280, lid 2. TITRE V Des règles communes aux mesures d’assainissement et aux procédures de liquidation CHAPITRE IER Exceptions et tempéraments à l’application de la loi belge comme loi de la procédure L’article 630 constitue la reprise de l’article 48/19 de la loi du 9 juillet 1975. Son alinéa 1er, 1° à 3° assure la transposition de l’article 285. Ses alinéas 1er, 4° et 2 as- surent la transposition de l’article 289, paragraphe 1er. Son alinéa 1er, 5° assure la transposition de l’article 292. L’article 631 assure la transposition de l’article 286, paragraphes 1er à 3. Il constitue la reprise de l’article 48/20 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 632 assure la transposition de l’article 287, paragraphes 1 et 2. Il constitue la reprise de l’article 48/21 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 633 assure la transposition de l’article 288, paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 48/22 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 634 constitue la reprise de l’article 48/23. Son paragraphe 1er assure la transposition des articles 286, paragraphe 4, 287, paragraphe 3 et 288, paragraphe 2. Son alinéa 2 assure la transposition de l’article 290. L’article  635  assure la transposition de l’article 291. Il assure la reprise de l’article 48/24 de la loi du 9 juillet 1975. CHAPITRE II Information L’article 636 constitue la reprise de l’article 73/3 de la loi du 9 juillet 1975. Il assure la transposition des articles 271, paragraphe 1er, alinéa 2, 271, paragraphe 2, 280, paragraphe 1er, alinéa 2, et 280, paragraphe 2. 340 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK III Saneringscommissarissen en liquidateurs Afdeling I Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures Artikel 637 zorgt voor de omzetting van artikel 293, lid 1. Artikel 73/5 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. In artikel  638  wordt artikel 73/6  van de wet van 9 juli 1975 overgenomen. Paragrafen 1 en 2 van dit arti- kel zorgen voor de omzetting van artikel 293, leden 2 en 3. In paragraaf 3 van dit artikel wordt artikel 294, lid 1, eerste alinea omgezet. Afdeling II Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs Artikel 639 zorgt voor de omzetting van artikel 294, lid 1, tweede alinea en lid 2. Artikel 48/25 van de wet van 9 juli 1975 wordt erin overgenomen. BOEK VII MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES TITEL I Bijzondere regels in geval van een faillissementsprocedure Art. 640 Met name als gevolg van voorstellen geformuleerd in de rechtsleer (J.-P. DEGUÉE, “Le particularisme des procédures collectives dans le domaine des établis- sements de crédit”, in Faillite et concordat judiciaire: un droit aux contours incertains et aux interférences multiples, Centre J. Renauld, U.C.L., vol. 9, Bruylant- Academia, 2002, n°s 23 à 39), die zich op haar beurt heeft laten leiden door de op dat ogenblik in het Franse recht gebruikte oplossing (J. DJOUDI, “Le traitement des éta- blissements de crédit en difficulté”, J.C.P. Éd. G., n° 22, 1996, p. 215, n° 20), heeft de wet van 6 december 2004, door invoeging van een artikel 109/18 in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, zich gebogen over de vraag hoe een efficiënte wisselwerking kan gerealiseerd worden tussen de gerechtelijke overheden en de betrokken toezicht- houders in het kader van insolventieprocedures, en dit CHAPITRE III Commissaires à l’assainissement et liquidateurs Section Ire Réception des mesures et procédures étrangères L’article 637 assure la transposition de l’article 293, paragraphe 1er. Il constitue la reprise de l’article 73/5 de la loi du 9 juillet 1975. L’article 638 constitue la reprise de l’article 73/6 de la loi du 9 juillet 1975. Ses paragraphes 1er et 2 assurent la transposition de l’article 293, paragraphes 2 et 3. Son paragraphe 3 assure la transposition de l’article 294, paragraphe 1er, alinéa 1er. Section II Commissaires à l’assainissement et liquidateurs belges L’article 639 assure la transposition de l’article 294, paragraphe 1er, alinéa 2 et paragraphe 2. Il constitue la reprise de l’article 48/25 de la loi du 9 juillet 1975. LIVRE VII DES ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES PROCÉDURE DE LIQUIDATION TITRE IER Des règles particulières en cas de procédure de faillite Art. 640 Suite notamment aux suggestions formulées par la doctrine (J.-P. DEGUÉE, “Le particularisme des procé- dures collectives dans le domaine des établissements de crédit”, in Faillite et concordat judiciaire: un droit aux contours incertains et aux interférences multiples, Centre J. Renauld, U.C.L., vol. 9, Bruylant-Academia, 2002, n°s23 à 39), s’inspirant elle-même de la solution de droit français à ce moment (J. DJOUDI, “Le traitement des établissements de crédit en difficulté”, J.C.P. Éd. G., n°22, 1996, p. 215, n°20), la loi du 6 décembre 2004, en insérant un article 109/18 dans la loi du 22 mars 1993 re- lative au statut et au contrôle des établissements de crédit, s’était penchée sur la question de l’instauration d’une interaction efficiente entre les autorités judiciaires et les autorités de contrôle concernées dans le cadre des procédures d’insolvabilité, tout en prenant en compte la complémentarité de leurs missions. Cette 341 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 rekening houdend met de complementariteit van hun opdrachten. Deze benadering werd om dezelfde rede- nen ook opgenomen in de controlewet van 9 juli 1975, via invoeging van een artikel 48/18. Om het risico op slecht functioneren en op conflicten tussen beide types van autoriteiten te vermijden, heeft de wetgever voor- zien in een procedure van advies voorafgaand aan de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonderneming. Die procedure maakt het voorwerp uit van artikel 48/18 van de wet van 9 juli 1975. De parlementaire voorbereiding van de wet van 6  december  2004  (Parl.St. Kamer, 2003-2004, 51 1157/001, 33) vermeldde in dit verband het volgende: “De onduidelijkheid over het al dan niet in aanmerking nemen van de administratieve tussenkomst bemoeilijkt de situatie waarin de rechter zich bevindt: mag of moet hij ervan uitgaan dat er nog een herstel mag worden verhoopt indien de CBFA nog niet alle initiatieven binnen haar mogelijkheden heeft genomen en de vergunning niet heeft ingetrokken, en moet of mag hij hierop zijn beslissing baseren om geen faillissement uit te spreken op basis van de gegevens waarover hij zelf beschikt en waarvan hij kan vermoeden dat ze onvolledig zijn? Of mag of moet hij daarentegen abstractie maken van het optreden van de Commissie en het faillissement uitspreken zonder rekening te houden met de admi- nistratieve stappen of met een mogelijke preventieve tussenkomst?”. Rekening houdend met de evolutie van het normatief kader dat het voorwerp uitmaakt van dit ontwerp, te we- ten de instelling van een volledig pakket instrumenten voor het herstel van een in moeilijkheden verkerende verzekeringsonderneming en van instrumenten ter ondersteuning van de geordende afwikkeling van ver- zekeringsondernemingen in geval van beëindiging van de vergunning, dient de wisselwerking tussen, enerzijds, de administratieve overheden die betrokken zijn bij het toezicht en de afwikkeling van verzekeringsonderne- mingen, en, anderzijds, de gerechtelijke overheden, te worden herbekeken. De logica die ten grondslag ligt aan het beheer van het in gebreke blijven van verzekeringsondernemingen bestaat er immers in om voorrang te geven aan de ef- ficiëntie van de afwikkelingsmaatregelen met het oog op de optimalisering van de redding van de onderneming in haar geheel of van bepaalde van haar onderdelen (er zij in dit verband verwezen naar de commentaar bij Boek II, Titel VII). In dit verband is het aangewezen de opening van een faillissementsprocedure op te schorten tot de beëindiging van de administratieve procedure. Dit is de oplossing die voorkomt in het Franse recht, waar de opening van approche, par identité de motifs, s’était également vue consacrée dans la loi de contrôle du 9 juillet 1975 par l’insertion d’un article 48/18. En vue d’éviter les risques de dysfonctionnements, voire de conflits entre les deux types d’autorité, le législateur avait organisé une pro- cédure d’avis préalable à l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance. C’était l’objet de l’article 48/18 de la loi du 9 juillet 1975. Les travaux préparatoires de la loi du 6 décembre 2004 (Doc. Parl., Ch. Repr., sess. 2003- 2004, 51 1157/001, p. 33) indiquait ainsi: “L’incertitude concernant la prise en compte par le juge de l’action administrative place celui-ci devant une situation diffi- cile: le juge peut-il ou doit-il présumer que si la CBFA n’a pas encore épuisé tous ses moyens d’actions et a maintenu l’agrément, c’est que l’espoir d’un redresse- ment est encore possible et sur cette base s’abstenir de déclarer une faillite sur base de ses propres éléments d’informations qu’il peut supposer incomplets? Ou à l’opposé, peut-il ou doit-il faire abstraction de l’action de la Commission et déclarer la faillite sans prendre en compte l’action administrative ou une possible interven- tion préventive?”. Eu égard à l’évolution du cadre normatif faisant l’objet du présent projet, à savoir l’instauration d’un dispositif complet d’instruments en vue du redressement d’une entreprise d’assurance en difficulté ainsi que des ins- truments aidant à leur résolution ordonnée en cas de fin d’agrément, l’interaction entre les autorités administra- tives impliquées dans les processus de supervision et de résolution des entreprises d’assurance d’une part, et les autorités judiciaires d’autre part, doit être reconsidérée. En effet, la logique qui sous-tend la gestion des défaillances d’entreprises d’assurance consiste à faire prévaloir l’efficacité des mesures de résolution aux fins d’optimiser le sauvetage de l’entreprise dans son ensemble ou de certaines de ses composantes (on renvoie à cet égard aux commentaires relatifs au Livre II, Titre VII). Dans ce contexte, il convient de suspendre l’ouver- ture d’une procédure de faillite jusqu’à l’issue de la procédure administrative. C’est la solution que consacre le droit français qui soumet l’ouverture d’une procédure 342 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een gerechtelijke insolventieprocedure onderworpen is aan het eensluidend advies van de Autorité de contrôle prudentielle et de résolution (Zie artikel L310-25 van de Franse “Code des assurances”). Door voorrang te verlenen aan de administratieve procedure, wil men een oplossing bieden voor de samenloop van de twee procedures, namelijk de herstel-/afwikkelingsprocedure en de gerechtelijke insolventieprocedure (wat ook de kwalificatie of de gevolgen van deze laatste procedure zijn; zie bijvoorbeeld in het Franse recht, de gerechtelijke herstelprocedures en de gerechtelijke vereffening). De noodzaak om de mogelijkheid tot opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringson- derneming op te schorten tot een eensluidend advies is uitgebracht door de toezichthouder, kan ook worden verklaard door de herstelmaatregelen waarover de toezichthouder beschikt. In het stadium dat voorafgaat aan de afwikkeling, zal de toezichthouder immers in principe actie ondernemen die zou moeten leiden tot een herstel van de financiële positie van de in moeilijkheden verkerende verzekeringsonderneming (herstelfase). Gedurende deze fase dient de toezichthouder een reeks herstelmaatregelen te nemen teneinde de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen (zie met name de artikelen 504 tot 517 van het voorliggende ontwerp). Ofwel leidt de herstelfase tot een herstel van de in moeilijkheden verkerende verzekeringsonderneming. Ofwel, in de gevallen waarin de herstelmaatregelen de financiële positie van de onderneming niet kunnen verhelpen en deze toestand dermate ernstig is dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar is, zal de afwikkelingsfase die het voorwerp uitmaakt van Boek II, Titel VII, in werking treden. Om iedere ongewenste samenloop te vermijden tus- sen het optreden van de toezichthouder en de mogelijk- heid tot opening van een faillissementsprocedure (men kan met name denken aan de ruime mogelijkheden van ontneming van beheer bepaald in artikel 6 van de fail- lissementswet), voorziet het voorliggende ontwerp dat de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonderneming moet worden onderworpen aan het eensluidend advies van de toezichthouder. Deze kan op die manier nagaan of de procedure wel een bestaansreden heeft en eventueel oordelen dat dit niet het geval is, hetzij omdat de financiële positie van de verzekeringsonderneming voldoet en er geen herstelmaatregelen vereist zijn, hetzij omdat de geno- men maatregelen om hieraan te verhelpen van dien aard zijn dat een herstel zal volgen, hetzij nog dat de verslechtering van de financiële positie de toepassing rechtvaardigt van de afwikkelingsinstrumenten waarin elders is voorzien (men denke hier aan de maatregelen waarin de artikelen 546 tot 548 voorzien. d’insolvabilité de type judiciaire à l’avis conforme de l’Autorité de contrôle prudentielle et de résolution (Voy. l’article L310-25 du Code français des assurances). La prévalence de l’action administrative entend ainsi résoudre le chevauchement des deux procédures, à savoir la procédure de redressement/résolution et la procédure judiciaire d’insolvabilité (quelle que soit la qualification ou les effets de cette dernière; voy. ainsi en droit français, les procédures de redressement judiciaire et de liquidation judiciaire). La nécessité de suspendre la possibilité d’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance jusqu’à l’avis conforme de l’autorité de contrôle s’explique également par les instruments de redressement dont dispose l’autorité de contrôle. En effet, à un stade précédant une résolution, l’autorité de contrôle est, en principe, amenée à conduire une phase de redressement à l’issue de laquelle l’on peut attendre un rétablissement de la situation financière de l’entreprise d’assurance en difficulté. Durant cette phase, l’autorité de contrôle est appelée à mettre en œuvre une série de mesures de redressement destinées à remédier à la situation de manquement constaté (voy. notamment les articles 504 à 517 du présent projet). Soit la phase de redressement aboutit à redresser l’entreprise d’assurance en difficulté. Soit, dans les cas où les mesures de redressement ne peuvent restaurer la situation financière de l’entreprise et que celle-ci s’avère à ce point grave que la pérennité de l’entreprise est menacée, la phase de résolution faisant l’objet du Livre II, Titre VII est amenée à prendre le relais. Afin d’éviter toutes interférences entre l’action de l’au- torité de contrôle et la possibilité d’une ouverture d’une procédure de faillite (on pense notamment aux larges possibilités de saisine prévue par l’article 6 de la loi sur les faillites), le présent projet prévoit ainsi de soumettre l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance à l’avis conforme de l’autorité de contrôle. Celle-ci sera ainsi en mesure d’estimer si la procédure n’a pas lieu d’être, soit que la situation financière de l’entreprise d’assurance est satisfaisante et qu’elle ne requiert pas de mesure de redressement, soit que les mesures mises en œuvre pour y remédier sont de nature à la restaurer, soit encore que la dégra- dation de la situation financière justifie l’application des instruments de résolution prévus par ailleurs (on pense ici aux mesures prévues aux articles 546 à 548). 343 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wat de procedurele modaliteiten voor het verkrijgen van het advies van de toezichthouder betreft, neemt de ontwerpbepaling de regeling van artikel 48/18 van de wet van 9 juli 1975 over. Wat dit aspect betreft, dient het verband te worden gelegd met ontwerpartikel 549, dat bepaalt dat wanneer de verslechtering van de financiële situatie van een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de vergunning werd ingetrokken dit rechtvaardigt, de Bank de situatie uit eigen beweging ter kennis kan brengen van de rechtbank van koophandel. Deze mededeling geldt als een aangifte van faillissement in de zin van artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. Voor zover nodig wordt in ontwerpartikel 640 in limine gepreciseerd dat het eensluidend advies niet vereist is wanneer de mededeling wordt verricht met toepassing van artikel 549. Art. 641 Artikel 641 heeft als doel een indicatie te geven aan de rechtbank van koophandel over de persoon van de curator evenals over de persoon die aan de curator zou worden toegevoegd op basis van artikel 27, vierde lid, van de faillissementswet, met betrekking tot de techni- sche competenties die vereist zouden zijn met het oog op het vereffenen van de verzekeringsonderneming, en in het bijzonder met betrekking tot de bijzondere ken- merken en de graad van techniciteit van de activa en passiva van de verzekeringsonderneming waarvan het faillissement zou worden uitgesproken, in het bijzonder de specificiteit van de verplichtingen van de onderne- ming met betrekking tot de levensverzekeringsactiviteit. Dit advies is niet bindend en heeft enkel tot doel de rechtbank te informeren teneinde haar toe te laten de meest gepaste beslissing te nemen. TITEL II Bijzondere regels in geval van een liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het Wetboek van Vennootschappen Art. 642 In paragraaf 1  van artikel 642  wordt bepaald dat voor elke (vrijwillige of gerechtelijke) ontbinding die tot vereffening leidt, het eensluidend advies van de Bank is vereist. In deze bepaling wordt ook gepreciseerd dat deze verplichting niet geldt in geval van ontbin- ding van rechtswege met toepassing van artikel 542, d.w.z. wanneer de ontbinding voortvloeit uit het verlies van de vergunning voor alle verzekeringstakken en/ of —activiteiten. S’agissant des modalités procédurales en vue de recevoir l’avis de l’autorité de contrôle, la disposition en projet reprend le dispositif de l’article 48/18 de la loi du 9 juillet 1975. On doit sur cet aspect faire le lien avec l’article 549 en projet qui prévoit, lorsque la détérioration de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réas- surance dont l’agrément a été retiré le justifie, que la Banque peut, d’initiative, porter la situation à la connais- sance du tribunal de commerce. Cette communication vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. Pour autant que de besoin, l’article 640 in limine précise que l’avis conforme n’est pas requis en cas de communication effectuée en appli- cation de l’article 549. Art. 641 L’article 641 a pour objet de fournir une indication au tribunal de commerce sur la personne du curateur ainsi que de la personne qui lui serait adjointe sur base de l’article 27, alinéa 4 de la loi sur les faillites, au regard des compétences techniques qui seraient requises en vue de liquider l’entreprise d’assurance , en particulier au regard de la particularité et du degré de technicité des actifs et passifs de l’entreprise d’assurance dont la faillite serait prononcée, en particulier de la spécificité des engagements de l’entreprise dans le domaine de l’activité vie. Cet avis n’est pas liant et n’a pour objet que d’éclairer le tribunal aux fins de lui permettre de prendre la décision la plus appropriée. TITRE II Des règles particulières en cas de procédure de liquidation au sens de l’article 183 du Code des sociétés Art. 642 L’article  642  prévoit, en son paragraphe  1er, la nécessité d’obtenir l’avis conforme de la Banque pré- alablement à toute dissolution (volontaire ou judiciaire) entraînant l’entrée en liquidation. Comme le précise la disposition, cette obligation n’est pas d’application lorsque la dissolution est de plein droit en application de l’article 542, c.-à-d. lorsque la dissolution résulte de la perte de l’agrément pour l’ensemble des branches d’assurance et/ou activité d’assurance. 344 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Paragraaf 2 bepaalt in navolging van artikel 48/12, § 2 van de wet van 9 juli 1975 dat de liquidateur wordt benoemd met goedkeuring van de Bank. Overeenkomstig artikel 273, lid 3 van de Richtlijn regelt paragraaf 3 de communicatie tussen de toezicht- houders onderling en met de FSMA. TITEL III Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende liquidatieprocedures en andere gevallen van samenloop De artikelen 643 en 644 zorgen voor de omzetting van artikel 275 van de Richtlijn voor wat betreft de bescher- ming die aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering wordt verleend in de vorm van een wettelijk voorrecht. Deze bescherming vormt de hoeksteen van het be- schermingssysteem dat voor de schuldeisers uit hoofde van verzekering wordt ingevoerd. Zij dient noodzakelij- kerwijs als richtsnoer voor de interpretatie met betrek- king tot de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor een geordende afwikkeling van de verzekeringsonder- nemingen waarvan de vergunning werd beëindigd (zie de artikelen 546 tot 548 van Boek II, Titel VII, Hoofdstuk III), in de mate dat deze instrumenten — wanneer zij afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering — maar ten uitvoer kunnen wor- den gelegd indien het niet nemen van deze maatregelen een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering. Er zij verwezen naar de commentaar hierboven betreffende de behandeling van de schuldeisers uit hoofde van verzekering (zie de algemene toelichting bij Boek VI). BOEK V II SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN TITEL I Overgangsbepalingen Titel I voorziet in de nodige bepalingen om de over- gang tussen het regime van de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 en hun uitvoeringsbesluiten- en regle- menten enerzijds en de bepalingen van het voorliggende ontwerp anderzijds te regelen. Het gaat met name om de Le paragraphe 2 consacre, à l’instar de l’article 48/12, § 2 de la loi du 9 juillet 1975, la nomination du liquidateur moyennant l’approbation de la Banque. Conformément à l’article 273, paragraphe 3 de la Directive, le paragraphe 3 règle la communication entre autorités de contrôle ainsi qu’à l’égard de la FSMA. TITRE III Dispositions communes aux différentes procédures de liquidation et autres situations de concours Les articles 643 et 644 assurent la transposition de l’article 275 de la Directive en ce qui concerne la pro- tection des créanciers d’assurance conférée par voie de privilège légal. Cette protection constitue la pierre angulaire du système de protection instauré au bénéfice des créanciers d’assurance. Elle sert nécessairement de guide d’interprétation concernant la mise en œuvre des instruments en vue d’une résolution ordonnée des entreprises d’assurance dont l’agrément a pris fin (voy. les articles 546 à 548 prévus sous le Livre II, Titre VII, Chapitre III), dans la mesure où ces instruments — lorsqu’ils portent atteinte aux droits des créanciers d’assurance — ne peuvent être mis en œuvre que si le sort des créanciers d’assurance concernés s’avérerait moins favorable à défaut de telles mesures. On renvoie aux commentaires effectués ci-dessus concernant le sort des créanciers d’assurance (voy. le commentaire général du Livre VI). LIVRE V II DISPOSITIONS FINALES, MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES TITRE IER Dispositions transitoires Le Titre I prévoit les dispositions nécessaires en vue d’assurer la transition entre le régime issu des lois du 9 juillet 1975 et du 16 février 2009 et de leurs arrêtés et règlements d’exécution et les dispositions du présent projet. Il s’agit en particulier des règles classiques 345 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 klassieke regels die de continuïteit waarborgen van de reglementaire en administratieve handelingen die con- form de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 wor- den gesteld en waarvan de juridische grondslag dezelfde blijft in de nieuwe ontwerpwet. Daarnaast worden er in deze Titel bepalingen uit de Richtlijn zelf overgenomen, die zorgen voor een soepele overgang tussen het vroe- gere regime en het door de Richtlijn ingevoerde regime, met betrekking tot bepaalde vereisten inzake eigen ver- mogen, openbaarmaking of technische voorzieningen. Art. 645, 647, 648, 649 en 650 De ontwerpartikelen 645, 647, 648 en 650 waarborgen de continuïteit van de reglementaire en administratieve handelingen die conform de wetten van 9 juli 1975 en 16 februari 2009 worden gesteld en waarvan de juridi- sche grondslag dezelfde blijft in de nieuwe ontwerpwet. De artikelen 645 en 648 vormen een toepassing van dit principe op de specifieke gevallen waarin reeds een vergunning werd verleend. Strikt genomen waarborgt ontwerpartikel 649 niet de continuïteit van een rechtshandeling die onder de oude regelgeving is aangenomen: de bepaling heeft eigenlijk betrekking op de verzekeringsondernemin- gen waarvoor artikel 38  van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsonderne- mingen voorzag in een vrijstelling van de vergunning als herverzekeringsonderneming voor de uitoefening van hun herverzekeringsactiviteiten. Voor die verzeke- ringsondernemingen voorziet artikel 649 in een vergun- ning van rechtswege als herverzekeringsonderneming. Aangezien de ontwerpwet stringenter zal zijn voor deze ondernemingen, zullen zij moeten nagaan in welke mate zij in staat zullen zijn het nieuwe wettelijke kader na te leven — in voorkomend geval in het licht van de toepassing van ontwerpartikel 667 — om te bepalen of zij al dan niet gebruik wensen te maken van de mogelijk- heid om van rechtswege een vergunning te verkrijgen overeenkomstig artikel 649. Art. 646 Ontwerpartikel 646  voorziet in de nodige over- gangsbepalingen voor verzekeringsondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen (paragrafen 1 en 2) en voor lokale verzekeringsondernemingen (paragraaf 3). qui assurent la continuité des actes réglementaires et administratifs posés sous les lois du 9 juillet 1975 et du 16 février 2009 et dont la base juridique trouve une correspondance sous la loi nouvelle en projet. Il s’agit encore des dispositions issues de la Directive elle- même et qui assurent une transition souple entre le régime antérieur et le régime qu’elle établit, concernant certaines exigences tant en matière de fonds propres, de publicité ou encore d’exigences relatives aux provi- sions techniques. Art. 645, 647, 648, 649 et 650 Les articles 645, 647, 648 et 650 en projet assurent la continuité des actes réglementaires et administratifs po- sés sous la loi du 9 juillet 1975 et la loi 16 février 2009 et dont la base juridique trouve une correspondance sous la loi nouvelle en projet. Les articles 645 et 648 consti- tuent une application de ce principe aux cas particuliers des agréments antérieurement octroyés. S’agissant de l’article 649 en projet cette disposition n’assure pas, à proprement parler, la continuité d’un acte juridique adopté sous l’ancienne réglementation: la disposition vise, en réalité, les entreprises d’assu- rance pour lesquelles l’article 38 de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général du contrôle des entreprises d’assurances prévoyait une dispense d’agrément en qualité d’entreprise de réassurance pour l’exercice de leur activité de réassurance. Pour ces entreprises d’assurance, l’article 649 prévoit un agrément de plein droit en qualité d’entreprise de réassurance. Dès lors que l’application de loi en projet s’avérera plus contraignante pour ces entreprises, elles devront évaluer leur capacité de respecter le nouveau cadre légal — le cas échéant, à la lumière du bénéfice de l’article 667 en projet — pour déterminer si elles entendent utiliser le bénéfice de l’agrément de plein droit conféré par l’article 649 ou y renoncer. Art. 646 L’article 646 en projet prévoit les dispositions tran- sitoires nécessaires aux entreprises d’assurance sou- mises à un régime particulier en raison de leur taille (paragraphes 1er et 2) et aux entreprises d’assurance locales (paragraphe 3). 346 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 651 De rechtspersonen die op 7 mei 2014 (datum van inwerkingtreding van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen) een functie uitoefenden van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, mochten op grond van de overgangsbepaling van artikel 197 van de voornoemde wet van 25 april 2014 hun lopende mandaat blijven uitoefenen tot het verstreek. Ontwerpartikel 653 voorziet in het behoud van de overgangsperiode van artikel 197  van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen. Tijdens deze periode worden de voorwaarden inzake profes- sionele betrouwbaarheid en deskundigheid beoordeeld in hoofde van hun vaste vertegenwoordiger. Wat de artikelen 198 en 199 van deze wet betreft, die voorzagen in een overgangsperiode voor de verplichting om een directiecomité op te richten, moet er in het voorliggende ontwerp niet in een specifieke bepaling worden voorzien aangezien de vastgestelde overgangsperiode eindigt op 1 januari 2016, datum van inwerkingtreding van het voorliggende ontwerp. Art. 652 De paragrafen 1 en 2 van de bepaling voorzien in een periode van zes maanden om de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de nodige tijd te geven om een remuneratiecomité en een risicocomité op te richten en om te voldoen aan de vereisten met betrek- king tot de risicobeheerfunctie. Artikel 652 voorziet in een overgangsperiode, die eindigt op 30 juni 2016, voor leningen, kredieten of borgstellingen en verzekeringsovereenkomsten die niet voldoen aan de voorschriften van artikel 93 van de wet. Art. 653 Ontwerpartikel 653 zorgt voor de omzetting van artikel 51, lid 2, derde alinea van de Richtlijn inzake de aparte bekendmaking van de kapitaalopslagfactor of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 166 moet hanteren. Art. 651 Les personnes morales qui, au 7 mai 2014 (date d’entrée en vigueur de la loi du 25 avril 2014 portant des dispositions diverses), exerçaient une fonction de membre de l’organe légal d’administration d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, étaient, en application de la disposition transitoire contenue à l’article 197 de la loi précitée du 25 avril 2014, autorisées à poursuivre l’exercice de leur mandat en cours jusqu’à l’expiration de celui-ci. L’article  653  en projet assure le maintien de la période transitoire prévue par l’article 197 de la loi du 25  avril  2014  portant des dispositions diverses. On rappelle que pendant cette période, les conditions d’honorabilité professionnelle et d’expertise s’appré- cient dans le chef de leur représentant permanent. On précise que s’agissant des articles 198 et 199 de cette loi qui assuraient une période transitoire concernant l’obligation de constituer un comité de direction, il n’y a pas lieu de prévoir une disposition spécifique dans le présent projet dès lors que la période transitoire qui était prévue s’achève au 1er janvier 2016, date d’entrée en vigueur du présent projet. Art. 652 Les paragraphes 1er et 2 de la disposition prévoient une période de six mois afin de permettre aux entre- prises d’assurance et de réassurance de disposer du temps nécessaire à la mise en place des comités de rémunération et des risques ainsi qu’au respect des exigences relatives à la fonction de gestion des risques. L’article  652, §  3  en projet organise une période transitoire, venant à échéance le 30 juin 2016, pour les prêts, crédits ou garanties et contrats d’assurance qui ne respectent pas le prescrit de l’article 93 de la loi. Art. 653 L’article 653 en projet assure la transposition de l’ar- ticle 51, paragraphe 2, alinéa 3 de la Directive en matière de publication séparée concernant des exigences de capital supplémentaire ou l’effet des paramètres spéci- fiques que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166. 347 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 654 Ontwerpartikel 654 maakt gebruik van de optie die in artikel 129, lid 3, tweede alinea van de Richtlijn wordt geboden. Art. 655 Ontwerpartikel 655 voorziet in het behoud van de maximale rentevoeten als bepaald onder de vroegere regelgeving en dit voor wat betreft zowel de rentevoeten met betrekking tot de verrichtingen van lange duur als die met betrekking tot de verrichtingen van korte duur, tot nieuwe maximale rentevoeten worden vastgelegd met toepassing van de nieuwe wet. Art. 656 Ontwerpartikel 656 bepaalt dat de verzekeringsonder- nemingen als bedoeld in artikel 223, te weten die welke binnen bepaalde limieten tegelijk levensverzekeringsac- tiviteiten en niet-levensverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen, hun herverzekeringsactiviteiten samen met hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten hetzij met hun niet-levensverzekeringsactiviteiten mogen beheren; de overige bepalingen met betrekking tot de gelijktijdige uitoefening van de levens- en niet-levensverzekerings- activiteiten blijven van toepassing. Art. 657 Ter wille van de transparantie verplicht ontwerpar- tikel 657 de onderlinge verzekeringsverenigingen als bedoeld in artikel 244 om tegen 31 december 2017 hun statuten, verzekeringsovereenkomsten en alle voor het publiek bestemde documenten formeel aan te passen voor wat de vermelding van hun rechtsvorm betreft. Art. 658 Ontwerpartikel 658  zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, leden 1 tot 4 van de Richtlijn, die be- trekking hebben op de zogenaamde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in “run off”, die op 1 januari 2016 hun voornemen kenbaar zouden hebben gemaakt om hun activiteiten stop te zetten en bijgevolg niet langer nieuwe verzekerings- en herverzekerings- overeenkomsten sluiten, en die voldoen aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden, inzonderheid het feit dat ze zich ten aanzien van de Bank ertoe verbinden om hun lopende activiteiten te staken tegen 1 januari 2019 of dat ze onderworpen zijn aan saneringsmaatregelen en dat een voorlopige bewindvoerder is aangesteld. Art. 654 L’article 654 en projet fait usage de l’option laissée ouverte par l’article 129, paragraphe 3, alinéa 2 de la Directive. Art. 655 L’article 655 en projet consacre le maintien des taux maximums définis sous la réglementation antérieure et ce, tant en ce qui concerne taux relatifs aux opéra- tions de longue durée que ceux relatifs aux opérations de courte durée, jusqu’à la fixation de nouveaux taux maximums en application de la loi nouvelle. Art. 656 L’article 656 en projet permet aux entreprises d’assu- rance visées à l’article 223, à savoir celles qui peuvent, dans certaines limites, exercer conjointement des activi- tés vie et non-vie, de gérer leur activité de réassurance corrélative conjointement; les autres dispositions rela- tives à l’exercice simultané des activités d’assurance vie et non-vie demeurant applicables. Art. 657 Dans un souci de transparence, l’article  657  en projet impose aux associations d’assurance mutuelle visées à l’article 244 d’adapter formellement, pour le 31 décembre 2017, leurs statuts, contrats d’assurance et tous documents à destination du public, en ce qui concerne l’indication de leur forme juridique. Art. 658 L’article  658  en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphes 1er à 4 de la Directive qui concernent les entreprises d’assurance ou de réassu- rance, dites en “run off”, qui auraient, au 1er janvier 2016, manifesté leur intention de cesser leurs activités et ces- sé en conséquence de souscrire tous nouveaux contrats d’assurance ou de réassurance et qui remplissent les conditions prévues audit article, en particulier le fait qu’elles s’engagent auprès de la Banque à mettre fin aux activités en cours pour le 1er janvier 2019 ou qu’elles fassent l’objet de mesures d’assainissement et qu’un administrateur provisoire ait été désigné. 348 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze overgangsbepaling heeft weinig praktisch nut, maar toch is een omzetting van de Richtlijn op dit punt noodzakelijk, aangezien er niet kan van worden uitgegaan dat er zich geen toepassingsgevallen zullen voordoen. Art. 659 De paragrafen 1 en 2 van ontwerpartikel 659 zorgen voor de omzetting van respectievelijk de leden 5 en 7 van artikel 308ter van de Richtlijn. Het gaat om de termijnen waarbinnen de in artikel 312 bedoelde informatie moet worden verstrekt, waarbij de ontwerpbepaling een onderscheid maakt tussen een jaarlijkse of minder frequente periodiciteit (paragraaf 1) of eenmaal per kwartaal (paragraaf 2). Art. 660 Ontwerpartikel 660 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 6 van de Richtlijn. Het betreft de termijnen waarbinnen de in de artikelen 95 en 96 bedoelde in- formatie moet worden verstrekt, en die tijdelijk worden verlengd, met evenwel een degressie van die verlenging. Art. 661 Ontwerpartikel 661, dat zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 8 van de Richtlijn, verklaart de artikelen 659 en 660 van toepassing op het niveau van de groep, met dien verstande dat de termijnen worden aangepast overeenkomstig de Richtlijn. Art. 662 en 663 De ontwerpartikelen 662 en 663 zorgen voor de om- zetting van artikel 308ter, leden 9 en 10 van de Richtlijn, die respectievelijk gewijd zijn aan de gelijkstelling met Tier 1- en Tier 2-kernvermogen van kernvermogens- bestanddelen die uitgegeven zijn vóór 18 januari 2015. Die datum stemt overeen met de inwerkingtreding van Verordening 2015/35. Aangezien geoordeeld werd dat de bepalingen van de Richtlijn voor wat deze aspecten betreft getuigden van een maximale harmonisatie, voorziet het voorlig- gende ontwerp niet in een progressieve vermindering (bijvoorbeeld gedurende de vijf jaar die voorafgaan aan de vervaldag) van de bedragen ten belope waarvan de kernvermogensbestanddelen met vaste looptijd Cette disposition transitoire présente peu d’intérêt pratique mais une transposition de la Directive sur ce point s’avère néanmoins nécessaire dès lors qu’on ne peut prédire la non-survenance de cas d’application. Art. 659 Les paragraphes 1er et 2 de l’article 659 en projet assurent la transposition respectivement des para- graphes 5 et 7 de l’article 308ter de la Directive. Il s’agit des délais dans lesquels les informations visées à l’article 312 doivent être fournies, la disposi- tion en projet distinguant selon que la périodicité soit annuelle ou moins fréquente (paragraphe 1er) ou qu’elle soit trimestrielle (paragraphe 2). Art. 660 L’article  660  en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphe 6 de la Directive. Il s’agit des délais dans lesquels les informations visées aux articles 95 et 96 doivent être fournies et qui se trouvent temporairement prolongées avec néanmoins dégressi- vité de cet allongement. Art. 661 L’article  661  en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphe 8 de la Directive en ce qu’il rend applicables les articles 659 et 660 au niveau du groupe moyennant l’adaptation des délais conformé- ment à la Directive. Art. 662 et 663 Les articles 662 et 663 en projet assurent la trans- position de l’article 308ter, paragraphes  9  et 10  de la Directive respectivement consacrés à l’assimila- tion à des fonds propres de base de niveau 1 et de niveau 2 pour des éléments de fonds propres de base émis avant le 18 janvier 2015, date qui correspond à l’entrée en vigueur du Règlement 2015/35. Dès lors qu’il a été considéré que les dispositions de la Directive étaient, sur ces aspects, d’harmonisation maximale, le présent projet ne prévoit pas une diminution progressive (par exemple durant les cinq années précé- dant l’échéance) des montants à concurrence desquels les éléments de fonds propres de base à échéance fixe peuvent bénéficier des assimilations prévues, à 349 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bij wijze van overgangsmaatregel met Tier 1- of Tier 2-kernvermogen gelijkgesteld kunnen worden overeen- komstig de artikelen 662 en 663. Om te vermijden dat ze plotseling geconfronteerd worden met een situatie van ontoereikendheid van het eigen vermogen, zullen de ondernemingen die in aanmerking komen voor de toepassing van deze overgangsbepalingen, ervoor zorgen dat ze een beleid vastleggen en uitvoeren dat anticipeert op het feit dat hun eigenvermogensbehoeften het hoofd moeten kunnen bieden aan hun wettelijke en reglementaire verplichtingen ter zake. Bij ontstentenis zal de Bank haar toevlucht moeten nemen tot corrige- rende maatregelen, met name het opleggen van een kapitaalopslag. Art. 664 Ontwerpartikel 664 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 11 van de Richtlijn. Art. 665 Ontwerpartikel 665 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 12 van de Richtlijn. Art. 666 Ontwerpartikel 666 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 13 van de Richtlijn. Art. 667 Ontwerpartikel 667 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 14 van de Richtlijn, dat betrekking heeft op het geval van de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen waarvan de solvabiliteitsmargevereisten als bepaald in de wet van 9 juli 1975 of de wet van 16 februari 2009, worden nageleefd, maar die niet vol- doen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste in het eerste jaar van toepassing van de ontwerpwet. In dat geval verlangt de Bank dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen neemt om uiterlijk op 31 december 2017 het in aan- merking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De bepaling legt een monitoringprocedure op die inhoudt dat de onderneming tussentijdse verslagen moet indienen, die aantonen welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabili- teitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of om haar titre transitoire, par les articles 662 et 663. Afin d’éviter d’être confrontées à une situation d’insuffisance en fonds propres survenant abruptement, les entreprises bénéficiant desdites dispositions transitoires veilleront à adopter et à mettre en œuvre une politique d’anticipa- tion de leurs besoins en fonds propres à même de faire face à leurs obligations légales et réglementaires en la matière. À défaut, il s’indiquera que la Banque recoure à l’application de mesures correctrices, notamment sous l’angle d’exigences de capital supplémentaire. Art. 664 L’article  664  en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphe 11 de la Directive. Art. 665 L’article  665  en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphe 12 de la Directive. Art. 666 L’article  666  en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphe 13 de la Directive. Art. 667 L’article  667  en projet assure la transposition de l’article  308ter, paragraphe  14  de la Directive qui concerne l’hypothèse d’entreprises d’assurance ou de réassurance dont les exigences de marge de sol- vabilité prévues sous la loi du 9 juillet 1975 ou la loi du 16 février 2009 sont respectées mais qui ne respectent pas le capital de solvabilité requis durant la première année d’application de la loi en projet. Dans pareil cas, la Banque exige de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures nécessaires pour établir le niveau de fonds propres éli- gibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exi- gence de capital de solvabilité au 31 décembre 2017. La disposition impose une procédure de suivi par voie de rapports intermédiaires destinés à démontrer les progrès accomplis en vue de rétablir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de réduire le profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. À défaut 350 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. Wanneer uit deze ver- slagen blijkt dat er geen vooruitgang is geboekt, trekt de Bank de verlenging van de termijn waarin de bepaling voorziet (31 december 2017), in. Art. 668 Ontwerpartikel 668 zorgt voor de omzetting van artikel 308quater van de Richtlijn dat, om de overgang van het oude regelgevingskader (Solvency I) naar de nieuwe regeling van de Richtlijn (Solvency II) te versoepelen, een uitzonderingsregeling instelt met betrekking tot de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor de levens- verzekerings- en —herverzekeringsverplichtingen (in de zin van respectievelijk artikel 15, 17° en 24° van de ontwerpwet) die voldoen aan de volgende voorwaarden: Zo bepaalt het eerste lid, dat lid 3  van artikel 308quater omzet, welke verzekerings- en herverze- keringsverplichtingen in aanmerking komen voor de overgangsmaatregel; het gaat om de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen: 1° die voortvloeien uit overeenkomsten die vóór 1  januari  2016  zijn gesloten (met uitzondering van de verlengingen van overeenkomsten vanaf die da- tum). Hoewel artikel 308quater, lid 3 van de Richtlijn bepaalt dat verplichtingen die in aanmerking komen voor de overgangsmaatregel, verplichtingen zijn die vóór de eerste datum van toepassing van de Richtlijn zijn gesloten en dat die datum krachtens artikel 311, tweede alinea, 1 april 2015 is, wordt in het ontwerp toch 1 januari 2016 als datum gekozen, om de maatregel in overeenstemming te brengen met deze waarin artikel 308quinquies voorziet. Hierdoor wordt een in de Richtlijn gemaakte technische fout rechtgezet; 2° waarvoor de technische voorzieningen tot 1  januari  2016  zijn vastgesteld overeenkomstig de vroegere wettelijke regeling (wet van 9 juli 1975 / wet van 16 februari 2009); 3° waarvoor de matchingopslag als bedoeld in artikel 129 niet wordt toegepast. Paragraaf 2 van de ontwerpbepaling verduidelijkt wat de uitzonderingsregeling die bij wijze van overgangs- maatregel is vastgesteld, inhoudt. Deze regeling maakt het mogelijk om, in elke valuta, de matchingopslag te berekenen als een deel van het verschil tussen twee waarden, namelijk: 1° enerzijds de rentevoet die de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming op 31 december 2015 heeft de tels progrès démontrés par ces rapports, la Banque retire le bénéfice du délai (31 décembre 2017) prévu par la disposition. Art. 668 L’article 668 en projet assure la transposition de l’ar- ticle 308quater de la Directive qui, aux fins d’assouplir le passage de l’ancien régime réglementaire (Solvency I) au nouveau régime de la Directive (Solvency II), établit un régime dérogatoire concernant la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour les engagements d’assurance-vie et de réassurance vie (au sens res- pectivement de l’article 15, 17° et 24° de la loi en projet) répondant à certaines conditions. Ainsi, l’alinéa  1er, en ce qu’il transpose le para- graphe 3 de l’article 308quater, définit les engagements d’assurance et de réassurance admissibles à la dispo- sition transitoire; il s’agit des engagements d’assurance ou de réassurance: 1° qui découlent de contrats conclus avant le 1er jan- vier 2016 (à l’exclusion des renouvellements de contrats qui ont lieu à partir de cette date). Bien que la Directive, en son article 308quater, paragraphe 3, définit les enga- gements éligibles à la mesure transitoire comme étant ceux conclus avant la première date d’application de la Directive et que cette date correspond, en application de son article 311, alinéa 2, au 1er avril 2015, le projet retient néanmoins la date du 1er janvier 2016 afin d’ali- gner la mesure sur celle prévue à l’article 308quinquies, corrigeant en cela une erreur technique contenue dans la Directive; 2° pour lesquels, les provisions techniques consti- tuées, jusqu’au 1er janvier 2016, ont été déterminées en conformité avec le régime légal antérieur (loi du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009); 3° pour lesquels l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 n’est pas appliqué. Le paragraphe 2 de la disposition en projet précise en quoi consiste le régime dérogatoire transitoire. Ce régime permet, dans chaque devise, de calculer l’ajus- tement comme une part de la différence entre deux valeurs que sont: 1° d’une part, le taux d’intérêt déterminé par l’entreprise d’assurance ou de réassurance au 351 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 vastgesteld overeenkomstig de vroegere wettelijke re- geling (wet van 9 juli 1975 / wet van 16 februari 2009). Die datum stemt overeen met de laatste datum van toepassing van Richtlijn 2002/83/EG; 2° en anderzijds de jaarlijkse effectieve rente, bere- kend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van ver- zekerings- en herverzekeringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van die verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen met inachtneming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2. Met andere woorden, het gaat er hier om een unieke discontovoet voor alle betrokken kas- stromen te bepalen. Dit aldus berekende verschil neemt aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032. Om van deze overgangsregeling te kunnen genieten, moeten de aanvragende ondernemingen aan de hand van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt aantonen dat zij op grond van geloofwaardige progno- ses met betrekking tot de marktomstandigheden en hun risicotolerantielimieten, in staat zijn om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de solvabili- teitsvereisten, rekening houdend met de toepassing van de voornoemde regels inzake lineaire vermindering. De aldus verstrekte beoordelingen moeten verplicht reke- ning houden met coherente en realistische hypothesen en met verschillende economische omstandigheden. Paragraaf 3 verduidelijkt de te volgen procedure om de toestemming van de Bank te verkrijgen om van de vermelde overgangsregeling te genieten. Zoals aangegeven in het inleidende gedeelte van de bepaling, wordt verduidelijkt dat deze maatregel enkel betrekking heeft op de takken “leven” en dat hij bovendien, overeenkomstig artikel 308quater, lid 4, b) — juncto artikel 308quinquies, lid 5, a) — van de Richtlijn, niet mag worden gecumuleerd met het genot van de overgangsmaatregel betreffende de vaststel- ling van de waarde van de technische voorzieningen als bepaald in ontwerpartikel 669. Terwijl de in artikel 308quater bepaalde overgangsmaatregel de nieuwe regeling tijdelijk beoogt te versoepelen aan de hand van de discontovoet, doet artikel 308quinquies dit aan de hand van de vaststelling van de waarde van de technische voorzieningen. Het kwam er derhalve op aan te voorzien in een verbod op de cumulatie van deze twee overgangsregelingen. Het is dit verbod op 31 décembre 2015 conformément au régime légal anté- rieur (loi du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009), cette date correspondant à la dernière date d’application de la directive 2002/83/CE; 2° et d’autre part, le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’enga- gements d’assurance et de réassurance, donnerait une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation du portefeuille de ces engagements d’assurance et de réassurance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise en compte en suivant la courbe perti- nente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2. En d’autres termes, il s’agit là de la détermination d’un taux d’actualisation unique pour l’ensemble des cash-flows concernés. Cette différence ainsi calculée diminue d’une manière linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100 % pour la première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032. Aux fins de bénéficier de ce régime transitoire, les entreprises demanderesses doivent démontrer, au moyen d’un dossier dont la Banque détermine le contenu, qu’elles sont, sur la base de projections crédibles des conditions de marché et de leurs limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire aux exigences de solvabilité, tout au long de la période transitoire, compte tenu de l’application des modalités de diminution linéaire précitées. Les évaluations ainsi soumises doivent donc nécessairement tenir compte d’hypothèses cohérentes et réalistes et de différentes circonstances économiques. Le paragraphe 3 précise la procédure à suivre afin d’obtenir l’autorisation de la Banque de bénéficier dudit régime transitoire. Comme l’indique la partie liminaire de la disposi- tion, on précise que la présente mesure ne concerne que les branches “vie” et qu’elle ne peut en outre, conformément à l’article  308quater, paragraphe  4, b) — juncto article  308quinquies, paragraphe  5, a) — de la Directive, être cumulée avec le bénéfice de la disposition transitoire relative à la détermination de la valeur des provisions techniques prévues sous l’article 669 en projet. Alors que la mesure transitoire prévue sous l’article 308quater concrétise un assou- plissement temporaire du nouveau régime par la voie du taux d’actualisation, l’article 308quinquies le fait par le biais de la détermination de la valeur des provisions techniques. Il y avait donc lieu de prévoir une interdiction de cumul de ces deux régimes transitoires. C’est cette interdiction de cumul — dont le respect s’apprécie par 352 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 cumulatie — waarvan de naleving afzonderlijk wordt beoordeeld voor elk type van verplichtingen die onder de uitzonderingsregeling vallen — dat in ontwerpartikel 670 wordt uitgedrukt. Ontwerpartikel 671  bepaalt de verplichtingen tot informatieverstrekking voor de ondernemingen die van de overgangsmaatregel genieten. Art. 669 Ontwerpartikel 669 zorgt voor de omzetting van artikel 308quinquies van de Richtlijn die, teneinde de overgang naar de nieuwe regeling te versoepelen, een uitzonde- ringsregeling instelt met betrekking tot de vaststelling van de waarde van de technische voorzieningen met betrekking tot de op 1 januari 2016 bestaande verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen. Mits de Bank haar toestemming verleent, bestaat deze regeling in de toepassing van een aftrek op het bedrag van de techni- sche voorzieningen dat vereist zou zijn met toepassing van de nieuwe regelgeving die het voorwerp uitmaakt van het voorliggende ontwerp. Het tweede lid, dat lid 2 van artikel 308quinquies omzet, bepaalt waaruit de aftrek bestaat die kan worden toegepast op de technische voorzieningen. Het komt er in een eerste fase op aan het verschil te berekenen tussen: 1° enerzijds, het bedrag berekend per 1 januari 2016 met toepassing van de bepalingen van de ontwerpwet (na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels); en 2° anderzijds, het bedrag berekend per 31  december  2015  overeenkomstig de vroegere wettelijke regeling (wet van 9  juli  1975  / wet van 16 februari 2009), na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de herverzekeringsovereenkomsten. Voor zover nodig zij vermeld dat, indien “knipperlicht- voorzieningen” worden opgelegd door deze wettelijke regeling, zij verplicht moeten worden opgenomen in de berekening. Het maximaal aftrekbare gedeelte op de technische voorzieningen stemt overeen met dit aldus berekende verschil, dat evenwel lineair moet verminderen tussen 2016 en 2032, teneinde de overgang naar de toepas- sing van de nieuwe regeling gelijkmatig in de tijd af te vlakken. Uit de lineariteit van dit mechanisme volgt dat de te respecteren functie permanent is. Paragraaf 1, vijfde lid, engagements concernés par le régime dérogatoire — qu’exprime l’article 670 en projet. L’article  671  en projet précise les obligations en matière d’information dans le chef des entreprises bénéficiant de la mesure transitoire. Art. 669 L’article  669  en projet assure la transposition de l’article 308quinquies de la Directive qui établit, aux fins d’assouplir le passage au nouveau régime, un régime dérogatoire concernant la détermination de la valeur des provisions techniques en ce qui concerne les enga- gements d’assurance ou de réassurance existants au 1er janvier 2016. Ce régime consiste, moyennant l’autori- sation de la Banque, dans une déduction applicable en ce qui concerne le montant des provisions techniques qui serait requis en application de la réglementation nouvelle faisant l’objet du présent projet. L’alinéa 2, qui transpose le paragraphe 2 de l’article 308quinquies, définit en quoi consiste la déduction qui peut être apportée aux provisions techniques. Il s’agit, dans un premier temps, de calculer la différence entre: 1° d’une part, le montant calculé au 1er janvier 2016 en application des dispositions de la loi en projet (après déduction des créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation); et 2° d ’autre par t, le montant calculé au 31  décembre  2015  conformément au régime légal antérieur (loi du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009), après déduction des créances découlant des contrats de réassurance. Pour autant que de besoin, on indique que dans la mesure où les provisions “clignotants” sont imposées par ce régime légal, elles sont nécessaire- ment inclues dans le calcul. La part déductible maximale des provisions tech- niques correspond à cette différence ainsi calculée qui est toutefois appelée à diminuer, d’une manière linéaire, entre 2016 et 2032 afin de lisser uniformément dans le temps le passage à l’application du nouveau régime. Il résulte de la linéarité de ce mécanisme que la fonction à respecter est permanente. Le paragraphe 1er, 353 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bepaalt evenwel de gevallen waarin deze functie kan worden gewijzigd en aldus worden herberekend, hetzij op verzoek van de Bank hetzij met haar toestemming, wanneer het risicoprofiel van de onderneming wezen- lijk is veranderd als gevolg van een verwerving of een overdracht van op 1 januari 2016 bestaande verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen. Zodoende zou de portefeuilleverwerving of —overdracht kunnen leiden tot een verplaatsing van de betrokken functie (die er de hoekcoëfficiënt niet van wijzigt). Net als voor ontwerpartikel 668, is voor de toepassing van deze aftrek de toestemming van de Bank vereist. Zo bepaalt paragraaf 2 dat deze overgangsregeling enkel kan worden toegepast als wordt aangetoond, aan de hand van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat de aanvragende ondernemingen op grond van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en hun risicotolerantielimieten, in staat zijn om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek. De aldus verstrekte beoordelingen moe- ten dus verplicht rekening houden met coherente en realistische hypothesen en met verschillende econo- mische omstandigheden, inzonderheid met betrekking tot de conjunctuur inzake rentevoeten. De genoemde paragraaf bepaalt de procedure die gevolgd moet wor- den om de toestemming van de Bank te verkrijgen om van deze overgangsregeling te genieten. De bepaling (paragraaf 2, vierde lid) preciseert dat de Bank de aftrek kan beperken indien de toepassing ervan zou kunnen resulteren in een vermindering van de financiële middelen die overeenkomstig de vroe- gere wettelijke regeling (wet van 9 juli 1975 / wet van 16 februari 2009) zijn vereist voor de onderneming. Evenzo kan de Bank, om te garanderen dat de on- derneming de voornoemde regels inzake lineaire ver- mindering van de aftrek naleeft, aan haar toestemming voorwaarden verbinden waarvan de niet-naleving haar toelaat een einde te maken aan de gegeven toestem- ming. Zo zou zij de onderneming kunnen onderwerpen aan stresstests die dit vermogen beoordelen. Teneinde de tenuitvoerlegging van het mechanisme vlot te laten verlopen, voorziet de bepaling nog in de mogelijkheid voor de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen om te verzoeken om de toepassing van de overgangsmaatregel tijdens de periode van 16 jaar. In een dergelijk geval zal de onderneming die een derge- lijke toestemming heeft gekregen, moeten voldoen aan de functie die werd vastgesteld alsof het mechanisme was toegepast vanaf het eerste jaar (2016). alinéa 5 prévoit néanmoins les cas où cette fonction peut connaître une modification et être ainsi recalculée soit à la demande de la Banque soit moyennant son autorisation, lorsque le profil de risque de l’entreprise connaît un changement sensible à la suite d’une acqui- sition ou d’une cession d’engagements d’assurance ou de réassurance qui existaient au 1er janvier 2016. De la sorte, l’acquisition ou la cession de portefeuille pourrait mener à un déplacement de la fonction concernée (qui n’en modifie pas le coefficient angulaire). Tout comme pour l’article 668 en projet, le bénéfice de cette déduction requiert l’autorisation de la Banque. Ainsi, le paragraphe 2 prévoit que le bénéfice de ce ré- gime transitoire ne peut être octroyé que s’il est démon- tré, au moyen d’un dossier dont la Banque détermine le contenu, que les entreprises demanderesses sont, sur la base de projections crédibles des conditions de marché et de leurs limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire aux modalités de réduction linéaire de la déduction, tout au long de la période transitoire. Les évaluations ainsi soumises doivent donc néces- sairement tenir compte d’hypothèses cohérentes et réalistes et de différentes circonstances économiques, en particulier s’agissant de la conjoncture en matière de taux d’intérêts. Ledit paragraphe précise la procédure à suivre afin d’obtenir l’autorisation de la Banque de bénéficier de ce régime transitoire. La disposition (paragraphe 2, alinéa 4) précise que la Banque peut limiter la déduction si son application est susceptible de se traduire par de moindres exigences en matière de ressources financières applicables à l’entreprise conformément au régime légal antérieur (loi du 9 juillet 1975 / loi du 16 février 2009). De même, afin de s’assurer du respect par l’entre- prise des modalités de diminution linéaire de la déduc- tion précitées, la Banque peut également assortir son autorisation de conditions dont le non-respect lui permet de mettre fin à l’autorisation donnée. Il pourrait en être ainsi de la soumission à des tests de résistance évaluant cette capacité. Afin d’organiser la souplesse nécessaire à la mise en œuvre du mécanisme, la disposition prévoit encore la possibilité pour les entreprises d’assurance ou de réassurance de demander le bénéfice de la mesure transitoire au cours de la période de 16 ans. En pareille hypothèse, l’entreprise qui aurait obtenu une telle autorisation devra se conformer à la fonction détermi- née comme si le mécanisme avait été appliqué dès la première année (2016). 354 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Paragraaf 3  zorgt voor de omzetting van artikel 308quinquies, lid 5, onder c) van de Richtlijn door de ondernemingen die de overgangsaftrek toepassen op de technische voorzieningen, te verplichten om in hun verslag over hun solvabiliteit en hun financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96, aan te geven dat ze deze overgangsregeling toepassen en dat ze het effect kwantificeren dat het niet toepassen van deze maatregel zou hebben op hun financiële positie. Art. 670 Zoals verduidelijkt in de commentaar bij artikel 668, zorgt ontwerpartikel 670 voor de omzetting van de arti- kelen 308quater, lid 4, onder b) en 308quinquies, lid 5, onder a) van de Richtlijn, krachtens dewelke de twee uitzonderingsregelingen die zijn omgezet in respec- tievelijk de artikelen 668 en 669, niet kunnen worden gecumuleerd voor dezelfde verplichtingen. Art. 671 Ontwerpartikel 671 zorgt voor de omzetting van artikel 308sexies van de Richtlijn. Het eerste lid van de bepa- ling zet aldus de derde alinea van dat artikel 308sexies om, door een jaarlijkse verplichting tot verslag op te leggen aan de ondernemingen die de in artikel 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen genieten, om aan te geven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen. Overeenkomstig de Richtlijn verduidelijkt de bepaling dat de Bank de toestemming intrekt om de be- trokken overgangsmaatregel toe te passen wanneer uit dit verslag blijkt dat de naleving van het solvabiliteitska- pitaalvereiste tegen het einde van de overgangsperiode een weinig realistisch perspectief vormt. In het verlengde hiervan bepaalt het tweede lid (dat de eerste alinea van artikel 308sexies omzet) dat de ondernemingen de Bank in kennis stellen zodra ze vaststellen dat ze niet zouden voldoen aan het sol- vabiliteitskapitaalvereiste zonder de toepassing van die overgangsmaatregelen. De Bank eist dan dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming de nodige maatregelen treft om de naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste aan het einde van de overgangsperiode te garanderen. Het derde lid (dat zorgt voor de omzetting van de tweede alinea van artikel 308sexies alsook van artikel 308quinquies, lid 5, onder b), dat een herhaling vormt van de voornoemde alinea) bepaalt dat de betrokken onderneming, binnen twee maanden na de vaststelling Le paragraphe  3  assure la transposition de l’ar- ticle 308quinquies, paragraphe 5, c) de la Directive en imposant que les entreprises qui appliquent la déduction transitoire aux provisions techniques indiquent dans leur rapport sur leur solvabilité et leur situation financière visé aux articles 95 et 96 qu’elles appliquent ce régime transitoire et quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résulterait de sa non application. Art. 670 Comme précisé sous le commentaire de l’article 668, l’article  670  en projet assure la transposition des articles 308quater, paragraphe 4, b) et 308quinquies, paragraphe 5, a) de la Directive, en vertu desquels les deux régimes dérogatoires respectivement transposés aux articles 668 et 669 ne peuvent être cumulés s’agis- sant des mêmes engagements. Art. 671 L’article  671  en projet assure la transposition de l’article 308sexies de la Directive. L’alinéa 1er de la dis- position transpose ainsi l’alinéa 3 dudit article 308sexies en imposant une obligation annuelle de rapport à charge des entreprises qui bénéficient des mesures transi- toires visées aux article 668 ou 669 afin d’exposer les mesures prises et les progrès accomplis pour garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. Conformément à la Directive, la disposition précise que la Banque retire l’autorisation d’appliquer la mesure transitoire concernée lorsqu’il ressort de ce rapport que le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire constitue une perspective irréaliste. Dans le prolongement, l’alinéa 2 (qui transpose l’ali- néa 1er de l’article 308sexies) prévoit que les entreprises informent la Banque dès qu’elles constatent qu’elles ne respecteraient pas l’exigence de capital de solvabi- lité sans l’application de ces mesures transitoires. La Banque exige alors de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures nécessaires pour garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. L’alinéa  3  (qui transpose l’alinéa  2  de l’ar- ticle  308sexies ainsi que l’article  308quinquies, paragraphe 5, b) en raison de la répétition contenue dans la Directive) prévoit que dans deux mois suivant le constat du non-respect de l’exigence de capital de 355 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat zonder de toepassing van de overgangsmaatrege- len als bedoeld in de artikelen 668 of 669 niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zou worden voldaan, bij de Bank een geleidelijke-invoeringsplan indient — met de mogelijkheid om het te actualiseren — waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn gepland om aan het einde van de overgangsperiode het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabi- liteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risico- profiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De ondernemingen die de toepassing van de overgangsmaatregel met betrekking tot de technische voorzieningen genieten, dienen daar- enboven jaarlijks een verslag in waarin wordt aangege- ven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruit- gang er is geboekt met het geleidelijke-invoeringsplan. Art. 672 Ontwerpartikel 672, § 1, dat zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 17 van de Richtlijn, vermeldt welke van de voornoemde overgangsbepalingen van toepas- sing zijn op het niveau van de groep. Paragraaf 2 zorgt voor de omzetting van artikel 308ter, lid 16 van de Richtlijn. Art. 673 Ontwerpartikel 673 zorgt voor de omzetting van artikel 172, leden 4 tot 6 van de Richtlijn voor wat betreft de gelijkwaardigheid van de solvabiliteitsregelingen die van toepassing zijn op herverzekeringsondernemingen die onder derde landen ressorteren. Art. 674 Ontwerpartikel 674 legt de termijn vast voor de for- mele aanpassing van de contractuele bepalingen van de overeenkomsten die behoren tot tak 27 van Bijlage II. TITEL II Slotbepalingen en diverse bepalingen Art. 675 Ontwerpartikel 675 voorziet in een interpretatieve bepaling met betrekking tot artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975, dat geherformuleerd wordt om er de betekenis aan te geven die door de wetgever werd be- vestigd in 2010 (Parl.St. Kamer, nr. 52/2292-001, 34-35), solvabilité sans le bénéfice des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669, l’entreprise concernée présente à la Banque un plan — avec possibilité de l’actualiser — de mise en œuvre progressive exposant les mesures prévues afin d’établir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. Les entreprises bénéficiant de la mesure transitoire en matière de provisions tech- niques présentent, en outre, chaque année un rapport exposant les mesures prises et les progrès accomplis dans le cadre de ce plan de mise en œuvre progressive. Art. 672 L’article 672, § 1er en projet assure la transposition de l’article 308ter, paragraphe 17 de la Directive en énonçant les dispositions transitoires précitées qui s’appliquent au niveau du groupe. Le paragraphe  2  assure la transposition de l’ar- ticle 308ter, paragraphe 16 de la Directive. Art. 673 L’article  673  en projet assure la transposition de l’article 172, paragraphes 4 à 6 de la Directive en ce qui concerne l’équivalence des régimes de solvabilité applicables à des entreprises de réassurance relevant du droit de pays tiers. Art. 674 L’article  674  en projet règle la question du délai d’adaptation formelle des dispositions contractuelles concernant les contrats relevant de la branche 27 de l’Annexe II. TITRE II Dispositions finales et diverses Art. 675 L’article  675  en projet reformule, au titre d’une disposition interprétative, l’article 2, § 1erquater de la loi du 9 juillet 1975 tel que sa portée a été affirmée par le législateur en 2010 (Doc. Parl., Ch. Repr. Doc n° 52/2292-001, pp.  34-35), à savoir soumettre les 356 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 namelijk dat voor de zogenaamde lokale verzekerings- ondernemingen een vereenvoudigde regeling geldt (zie in dit verband ook het advies van de Commissie voor Verzekeringen van 18 juni 2014 (Doc. C/2014-6), dat beschikbaar is op de website http://www.fsma.be/fr/ About %20FSMA/Advisory %20bodies/cvv/adv.aspx). Ter herinnering, lokale ondernemingen zijn die welke hun activiteiten beperken tot de gemeente van hun zetel of tot die gemeente en de omliggende gemeenten. Ze maken in het voorliggende ontwerp het voorwerp uit van Boek II, Titel III, Hoofdstuk III, waarvan de bepalingen voorzien in een vereenvoudigde regeling die van toepas- sing is op die verzekeringsondernemingen. Aangezien de lokale verzekeringsondernemingen vanuit een zeer formeel oogpunt, bij gebrek aan een met toepassing van artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975 vastgesteld koninklijk besluit, worden geacht alle bepalingen van de wet van 9 juli 1975 en haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen na te leven, en aangezien de bedoeling van de wetgever er precies in bestond om met de invoering van paragraaf 1quater bij de wet van 26 april 2010 een einde te maken aan de volledige toepassing van de wet, dient de rechtszeker- heid te worden verzekerd door duidelijker aan te geven wat de bedoeling is van de wetgever. De ontwerpbepaling schept aldus rechtszekerheid ten aanzien van de betrokken verzekeringsondernemingen, door, voor het verleden, de strafrechtelijke inbreuken die verbonden zijn aan de niet-naleving van de bepa- lingen van de wet van 9 juli 1975, niet van toepassing te verklaren. Art. 676 Ontwerpartikel 676 voorziet in de wettelijke basis om bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de regels inzake de aanvullende pensioenen vast te stellen die voortvloeien uit koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen voor werknemers. Momenteel zijn deze regels opgenomen in het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, dat doorgaans het “besluit 69” wordt genoemd. entreprises d’assurance dites locales à un régime sim- plifié (Voy. encore à cet égard, l’avis de la Commission des assurances du 18 juin 2014 (Doc. C/2014-6, dispo- nible sur le site http://www.fsma.be/fr/About %20FSMA/ Advisory %20bodies/cvv/adv.aspx). Pour rappel, les entreprises locales sont celles qui restreignent leurs activités à la commune de leur siège social ou à cette commune et aux communes limitrophes. Elles font l’objet, au sein du présent projet, du Livre II, Titre III, Chapitre III dont les dispositions prévoient un régime simplifié applicable à ces entreprises d’assurance. Dès lors que d’un point de vue très formel, à défaut d’arrêté royal pris en application de l’article 2, § 1erquater de la loi du 9 juillet 1975, les entreprises d’assurance locales sont censées devoir respecter l’ensemble des dispositions de la 9 juillet 1975 et de ses arrêtés et règle- ments d’exécution et que la volonté de législateur, en adoptant, par une loi 26 avril 2010, le paragraphe 1erqua- ter , était précisément d’écarter une application complète de la loi, il convient d’assurer la sécurité juridique en réaffirmant plus clairement la volonté du législateur. La disposition en projet établit ainsi la sécurité juri- dique à l’égard des entreprises d’assurance concer- nées en écartant, pour le passé, les incriminations pénales liées au non-respect de dispositions de la loi du 9 juillet 1975. Art. 676 L’article 676 en projet a pour objet de fournir une base légale pour réglementer, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, les règles relatives aux pensions complémentaires découlant de l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés. Actuellement, ces règles font l’objet de l’arrêté royal du 14 novembre 2003 concernant l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail, communément dénommé “arrêté 69”. 357 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De inwerkingtreding van het nieuwe prudentiële toezichtskader zal een aanpassing vereisen van de prudentiële regels die in het voornoemde besluit zijn opgenomen, met name wat betreft de winstdelingen en de financiering van het reservefonds. Art. 677 Onverminderd de Europeesrechtelijke bepalingen kunnen de regels die van toepassing zijn op de ver- zekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand op grond van ontwerpartikel 677 worden versoepeld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en na advies van de Bank en de FSMA. Art. 678 Dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 300 van de Richtlijn, door te voorzien in een systeem voor de indexering van de in euro luidende bedragen die in het wetsontwerp zijn opgenomen. De gekozen optie be- staat erin de herziening die met toepassing van artikel 300 van de Richtlijn door de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie werd gepubliceerd, binnen een termijn van zes maand na deze publicatie toepasselijk te maken. Art. 679 Artikel 679  bekrachtigt het koninklijk besluit van 11 juni 2015 houdende aanwijzing van de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor het uitvoeren van de vergunning en het toezicht op de centrale effecten- bewaarinstellingen, dat uitvoering geeft aan artikel 40 van de wet van 25 april 2014 tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het orga- niek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16  februari  2009  op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalings- instellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaan- bieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/ EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties L’entrée en vigueur du nouveau cadre de contrôle prudentiel nécessitera une adaptation des règles pru- dentielles contenues dans l’arrêté précité, notamment en ce qui concerne les participations bénéficiaires et l’alimentation du fonds de réserve. Art. 677 L’article 677 en projet permet, sans préjudice des dispositions de droit européen, d’assouplir, par voie d’arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et sur avis de la Banque et de la FSMA, les règles applicables aux sociétés mutualistes d’assurance. Art. 678 Cet article assure la transposition de l’article 300 de la Directive en prévoyant un système d’indexation des montants prévus par la loi en projet en euros. L’option retenue consiste à rendre applicable la révision publiée au Journal officiel de l’Union européenne par la Commission européenne en application de l’article 300 de la Directive dans un délai de six mois à compter de cette publication. Art. 679 L’article 679 a pour objet de confirmer l’arrêté royal du 11 juin 2015 portant désignation de l’autorité com- pétente en charge de l’agrément et de la surveillance des dépositaires centraux de titres pris en exécution de l’article 40 de la loi du 25 avril 2014 modifiant la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance, la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement, la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établisse- ments de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l’accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie électronique et à l’accès aux systèmes de paiement, la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la Directive 98/26/CE du 19  mai  1998  concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et de règlement des opérations sur titres et la loi du 15 décembre 2004 relative aux suretés financières et 358 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkeze- kerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. Via het koninklijk besluit van 11 juni 2015 wordt de bevoegde autoriteit aangewezen die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan en het toezicht op de centrale effectenbewaarin- stellingen, overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012, die op 28  augustus  2014  in het Publicatieblad van de Europese Unie werd bekendge- maakt en op 17 september 2014 in werking is getreden. TITEL III wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I Wijziging in de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden Art. 680 Ontwerpartikel 680 past in de wet van 12 juli 1957 be- treffende het rust- en overlevingspensioen voor bedien- den een aantal verwijzingen aan als gevolg van de ver- vanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK II Wijzigingen in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 Art. 681 tot 684 en 686 De ontwerpartikelen 681 tot 684 en 686 passen in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Wat ontwerpartikel 686 betreft en om de reikwijdte van artikel 91, § 2, 2°, van de wet van 10 april 1971 te verduidelijken, zij gepreciseerd dat het, gelet op artikel 91, § 1 van dezelfde wet, niet nodig is dat de Nationale Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten een termijn vastleggen vooraleer zij hun portant des dispositions fiscales diverses en matière de conventions constitutives de sureté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers. L’arrêté royal du 11 juin 2015 désigne l’autorité compétente chargée de l’agrément et de la surveillance des dépositaires cen- traux de titres, conformément à l’article 11 du Règlement (UE) n° 909/2014 du Parlement Européen et du Conseil du 23 juillet 2014 concernant l’amélioration du règle- ment de titres dans l’Union européenne et les dépo- sitaires centraux de titres, et modifiant les Directives 98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le Règlement (UE) n° 236/2012, publié au Journal officiel de l’Union euro- péenne le 28 août 2014 et qui est entré en vigueur le 17 septembre 2014. TITRE III dispositions Modificatives CHAPITRE IER Modification de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés Art. 680 L’article 680  en projet réalise, dans la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés, l’ajustement rendu nécessaire, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE II Modifications de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail Art. 681 à 684 et 686 Les articles 681 à 684 et 686 en projet réalisent, dans la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. S’agissant de l’article 686 en projet et dans le souci de clarifier la portée de l’article 91, § 2, 2°, de la loi du 10 avril 1971, on précise que, eu égard à l’article 91, § 1er, de la même loi, la fixation, par la Banque nationale de Belgique ou par l’Autorité des services et marchés finan- ciers, d’un délai préalable à l’adoption de leurs mesures 359 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 respectieve maatregelen vaststellen, aangezien deze termijn voortvloeit uit de toepassing van het genoemde artikel 91, § 1. Art. 685 Ontwerpartikel 685 brengt een tekstuele verbete- ring aan die inherent is aan de zogenoemde “Twin Peaks”-hervorming. HOOFDSTUK III Wijziging in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Art. 687 Het huidige artikel 10, §  2  van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aanspra- kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat de Koning de nationale of gewestelijke instellingen van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer kan vrij- stellen van de verplichting om een verzekeringsovereen- komst te sluiten ter dekking van hun burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen. Aan deze bepaling werd uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 27 januari 1998 hou- dende uitvoering van artikel 10, § 2 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aanspra- kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Artikel 2 van het voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat de instellingen voor gemeenschappelijk vervoer die gebruik wensen te maken van de vrijstelling, technische voorzieningen moeten aanleggen en deze voorzie- ningen moeten dekken met gelijkwaardige activa, en wel onder dezelfde voorwaarden als de verzekeraars. De instellingen voor gemeenschappelijk vervoer moeten ten aanzien van het Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars ook dezelfde verbintenissen aangaan als verzekeringsondernemingen. De praktijk heeft echter uitgewezen dat de instel- lingen voor gemeenschappelijk vervoer hun aanspra- kelijkheid inzake motorrijtuigen laten dekken door een verzekeringsovereenkomst die zij hebben gesloten bij een onderneming die een vergunning heeft verkregen. Ofwel gaat het om een volwaardige overeenkomst BA Auto, ofwel om een waarborg die deel uitmaakt van een ruimere overeenkomst, bijvoorbeeld een overeenkomst ter dekking van de bedrijfsaansprakelijkheid van de instelling. respectives n’est pas nécessaire dès lors qu’un tel délai résulte de l’application dudit article 91, § 1er. Art. 685 L’article 685 en projet apporte une correction d’ordre rédactionnel inhérente à la réforme dite “Twin Peaks”. CHAPITRE III Modification de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs Art. 687 L’actuel article 10, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 re- lative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs permet au Roi de dispenser les organismes d’intérêt public de transport en commun nationaux ou régionaux de souscrire un contrat d’assurance couvrant leur responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs. Cette possibilité a été mise en œuvre par l’arrêté royal du 27 janvier 1998 portant exécution de l’article 10, § 2, de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs. L’article 2 de l’arrêté royal précité impose aux orga- nismes de transport qui souhaitent bénéficier de la dispense de constituer des provisions techniques et de représenter celles-ci par des actifs équivalents dans les mêmes conditions que le ferait un assureur. Les orga- nismes de transport doivent aussi prendre, vis-à-vis du Bureau belge des assureurs automobiles, les mêmes engagements que les entreprises d’assurance. La pratique a cependant démontré que les orga- nismes de transport en commun couvrent leur responsa- bilité en matière de véhicules automoteurs par un contrat d’assurance souscrit auprès d’une entreprise agréée. Il s’agit soit d’un contrat RC automobile à part entière soit d’une garantie prise dans le cadre d’un contrat plus étendu, par exemple celui couvrant la responsabilité exploitation de l’organisme. 360 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Daarnaast zij ook opgemerkt dat de overeenkomsten die door instellingen voor gemeenschappelijk vervoer worden gesloten, meestal in veel grotere vrijstellingen voorzien (het bedrag ervan kan oplopen tot verschillende honderdduizenden euro’s) dan de overeenkomsten voor individuele verbruikers. Dergelijke vrijstellingen zijn niet in strijd met de geldende reglementering. Het gevolg van die situatie is dat de bepalingen van het voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1998 in de praktijk enkel van toepassing zijn op het bedrag van de vrijstelling. Zowel voor de instelling voor gemeen- schappelijk vervoer als voor de toezichthouder leidt dit tot een gecompliceerd beheer voor bedragen die relatief klein zijn ten opzichte van de schadelast. Bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijk- heidsverzekeringen kunnen de vrijstellingen en an- dere excepties echter niet worden tegengeworpen aan de benadeelde. Artikel 151, § 1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen bepaalt im- mers het volgende: “Bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzeke-ringen kunnen de excepties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde niet worden tegengeworpen”. Indien die bepaling van toepassing is op de overeen- komsten die worden gesloten door instellingen van open- baar nut voor gemeenschappelijk vervoer, is het toezicht dat momenteel wordt uitgeoefend op grond van het voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1998 over- bodig. De verplichting voor deze instellingen voor ge- meenschappelijk vervoer om technische voorzieningen aan te leggen, kan eventueel bijdragen tot de solvabiliteit van de verzekeringsonderneming, die zekerheid heeft dat zij het bedrag van de vrijstelling terug zal kunnen vorderen, of van de instelling voor gemeenschappelijk vervoer zelf. In het eerste geval vormt de maatregel een doublure met de maatregelen met betrekking tot het toezicht dat op de verzekeringsonderneming wordt uitgeoefend en in het tweede geval valt deze buiten de bevoegdheid van de Bank. De vraag is dus alleen of de vrijstellingen en andere excepties die opgenomen zijn in de overeenkomsten die door instellingen van openbaar nut voor gemeen- schappelijk vervoer worden gesloten, tegengeworpen kunnen worden aan de benadeelden. Het antwoord op deze vraag staat niet vast, aangezien de huidige dekkingen vaak worden verleend in het kader van een niet-verplichte verzekering ter dekking van de bedrijfs- aansprakelijkheid van de betrokken instellingen. Outre cette différence, on notera que les contrats des organismes de transport prévoient le plus souvent des franchises beaucoup plus élevées (jusqu’à plu- sieurs centaines de milliers d’euros) que les contrats à destination des consommateurs individuels. De telles franchises ne sont pas contraires à la réglementation en vigueur. La conséquence de cette situation est que les dis- positions de l’arrêté royal du 27 janvier 1998 précité ne s’appliquent concrètement qu’au montant de la fran- chise. Il s’ensuit, à la fois pour l’organisme de transport et pour l’autorité de contrôle, une gestion compliquée pour des montants relativement faibles par rapport à la charge des sinistres. Or, dans les assurances obligatoires de la respon- sabilité civile, les franchises et autres exceptions ne sont pas opposables à la personne lésée en raison de l’article 151, § 1er de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances. Celui-ci précise en effet que “Dans les assurances obligatoires de la responsabilité civile, les exceptions, franchises, nullités et déchéances dérivant de la loi ou du contrat, et trouvant leur cause dans un fait antérieur ou postérieur au sinistre, sont inopposables à la personne lésée”. Si cette disposition est applicable aux contrats sous- crits par les organismes d’intérêt public de transport en commun, le contrôle tel qu’il est actuellement opéré sur la base de l’arrêté royal du 27 janvier 1998 précité est superflu. L’obligation faite à ces organismes de transport en commun de constituer une provision technique peut éventuellement contribuer à la solvabilité de l’entreprise d’assurance, qui est certaine de récupérer le montant de la franchise, ou de l’organisme de transport lui-même. Toutefois, dans le premier cas, la mesure fait double emploi avec celles concernant la surveillance applicable à l’entreprise d’assurance et, dans le second cas, elle ne relève pas des compétences de la Banque. La seule question qui se pose est donc de savoir si les franchises et autres exceptions prévues par les contrats souscrits par les organismes d’intérêt public de transport en commun sont opposables aux personnes lésées. La réponse à cette question n’est pas certaine dans la mesure où les couvertures actuelles relèvent souvent d’une assurance non obligatoire couvrant la responsabilité exploitation des organismes concernés. 361 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Om het desbetreffende toezicht te stroomlijnen zonder de huidige concrete situatie te wijzigen, wordt bepaald dat de nationale of gewestelijke instellingen van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer enkel een vrijstelling kunnen genieten indien ze een verzekering hebben afgesloten ter dekking van hun burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen (eerste lid van het ontwerpartikel). Die dekking moet niet noodzakelijk onder de voor- noemde wet van 21 november 1989 vallen, maar moet de slachtoffers vergoeden onder dezelfde voorwaarden als die van deze wet (tweede lid van het ontwerpartikel). Voor wat betreft de vrijstellingen en andere excep- ties zijn de regels van artikel 151, § 1 van de wet van 4 april 2014 uitdrukkelijk overgenomen (derde en vierde lid van het ontwerpartikel). HOOFDSTUK IV Wijzigingen in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen Art. 688 en 690 tot 693 De ontwerpartikelen 688 en 690 tot 693 passen in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen een aantal ver- wijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Art. 689 Ontwerpartikel 689 past in dezelfde wet een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen door de wet van 25  april  2014  op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen. HOOFDSTUK V Wijzigingen in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst Art. 694 Ontwerpartikel 694 past in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst een aantal verwijzin- gen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Pour rationaliser le contrôle en cette matière sans modifier la situation concrète actuelle, il est prévu de dispenser les organismes d’intérêt public de transport en commun nationaux ou régionaux uniquement dans le cas où ils ont souscrit un assurance couvrant leur res- ponsabilité civile en matière de véhicules automoteurs (alinéa 1er en projet). Cette couverture ne doit pas nécessairement rele- ver de la loi 21 novembre 1989 précitée mais elle doit indemniser les victimes dans les mêmes conditions que cette loi (alinéa 2 en projet). Pour ce qui concerne les franchises et autres exceptions, les règles de l’article 151, § 1er, de la loi du 4 avril 2014 sont expressément reproduites (alinéas 3 et 4 en projet). CHAPITRE IV Modifications de la loi du 6 août 1990  relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualité Art. 688 et 690 à 693 Les articles 688 et 690 à 693 en projet réalisent, dans la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualité, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du rem- placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. Art. 689 L’article 689 en projet réalise, dans la même loi, l’ajus- tement rendu nécessaire, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit par la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. CHAPITRE V Modifications de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre Art. 694 L’article 694  en projet réalise, dans la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, l’ajus- tement rendu nécessaire, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. 362 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK VI Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme Art. 695 Ont werpar tikel 695  past in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK VII Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen Art. 696 en 697 De ontwerpartikelen 696 en 697 passen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen een aantal verwijzin- gen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK VII Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Art. 698 en 705 Ontwerpartikel 698 voegt in artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België een paragraaf 3 toe om duidelijkheid te verschaffen over het gebruik dat de Bank mag maken van de vertrouwelijke informatie waarover zij in het kader van haar wettelijke opdrachten beschikt. Dat gebruik wordt beperkt door de toepasse- lijke bepalingen van het recht van de Unie en door de restricties waarin bij of krachtens de wet uitdrukkelijk is voorzien. In dit verband zij erop gewezen dat de richtlijnen betreffende het toezicht op de financiële instellingen voorzien in een finaliteitsbeginsel voor het gebruik van de door de prudentiële toezichthouder verzamelde informatie. CHAPITRE VI Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme Art. 695 L’article 695  en projet réalise, dans la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, l’ajustement rendu nécessaire, en termes de références, à la suite du rem- placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE VII Modifications de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement Art. 696 et 697 Les articles 696 et 697 en projet réalisent, dans la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du rem- placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE VII Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique Art. 698 et 705 L’article 698 en projet introduit un paragraphe 3 à l’article 35 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique afin de clarifier l’usage que celle-ci peut faire des informations confidentielles qu’elle détient dans le cadre de ses mis- sions légales. Cet usage est limité par les dispositions applicables du droit de l’Union et par des restrictions expressément prévues par ou en vertu de la loi. A cet égard, on rappelle que les directives relatives au contrôle des établissements financiers prévoient un principe de finalité concernant l’usage des informations collectées en qualité d’autorité de contrôle prudentielle. 363 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwer- king van persoonsgegevens, evenals artikel 25 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten zijn voorbeelden van in aanmerking te nemen beperkingen. Tevens dient rekening te worden gehouden met beperkingen die voortvloeien uit de naleving van de algemene rechtsbeginselen, zoals het beginsel van behoorlijk bestuur, dat inhoudt dat belangenconflicten en eventuele contractuele beperkingen voorkomen moeten worden. Voor het overige verplaatsen de ontwerpartikelen 698 en 705 de inhoud van artikel 36/13 naar artikel 35 van dezelfde wet om een betere samenhang te ga- randeren tussen de verschillende bepalingen over de beroepsgeheimregeling van de Bank. Art. 699 en706, 4° De ontwerpartikelen 699  en 706, 4° zorgen voor de omzetting in Belgisch recht van de bepalingen in- zake vertrouwelijkheid van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 be- treffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, voor wat betreft de beroepsgeheimregeling van de Nationale Bank van België. Zij brengen tevens een aantal aanpassingen aan die nodig zijn voor de uitvoering van Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering. Wat het nieuwe artikel 35/1 betreft, ingevoegd bij ontwerpartikel 699, zij eraan herinnerd dat de afwijking met betrekking tot de minister van Financiën waarin paragraaf 1, 2°, c) voorziet, van toepassing is binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie en met name van artikel 3, lid 6 en artikel 90, lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. De afwijking waarin paragraaf 1, 2°, d), voorziet, bevat een niet-uitputtende lijst van personen aan wie de Bank vertrouwelijke informatie mag meedelen voor zover dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel. In dit verband kan de Bank bij- voorbeeld ook vertrouwelijke informatie meedelen aan alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks, op permanente basis of incidenteel, diensten verlenen of La loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l’égard des traitements de données à caractère personnel, de même que l’article 25 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers sont des exemples de limitations à prendre en compte. Il convient également de tenir compte de limitations découlant du respect des principes généraux du droit tel que le principe de bonne administration qui impose de prévenir les conflits d’intérêts et d’éventuelles limi- tations contractuelles. Pour le reste, les articles 698 et 705 en projet opèrent quant à eux un déplacement du contenu de l’article 36/13 vers l’article 35 de la même loi afin d’assurer une meilleure cohérence entre les différentes disposi- tions relatives au régime du secret professionnel de la Banque. Art. 699 et 706, 4° Les articles 699 et 706, 4°, en projet effectuent la transposition en droit belge des dispositions relatives à la confidentialité de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 éta- blissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’in- vestissement, en ce qui concerne le régime du secret professionnel de la Banque nationale de Belgique. Ils effectuent également certains ajustements nécessaires à la mise en œuvre de la Directive 2015/849/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 rela- tive à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme. S’agissant du nouvel article 35/1, introduit par l’article 699 en projet, on rappelle que la dérogation relative au ministre des Finances prévue au paragraphe 1er, 2°, c), s’applique dans les limites du droit de l’union euro- péenne et notamment des articles 3, paragraphe 6 et 90, paragraphe 4 de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établis- sements de crédit et des entreprises d’investissement. S’agissant de la dérogation prévue au paragraphe 1er, 2°, d), elle comprend une liste non-exhaustive de per- sonnes auxquelles la Banque peut communiquer des informations confidentielles pour autant que cela s’avère nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une action de résolution. Dans ce cadre, la Banque peut, à titre d’exemple, également communiquer des informa- tions confidentielles à toute personne fournissant ou ayant fourni des services, directement ou indirectement, 364 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hebben verleend aan een persoon als bedoeld in artikel 84 van de voornoemde Richtlijn 2014/59/EU. Art. 706, 3° Ontwerpartikel 706, 3° voert een uitzondering in op de beroepsgeheimregeling van de Bank, in haar hoeda- nigheid van prudentiële autoriteit, voor het verstrekken van vertrouwelijke informatie aan de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van zieken- fondsen. Deze afwijking wordt gerechtvaardigd door de bevoegdheden van de Dienst, die vastgelegd zijn in ont- werpartikel 303, § 3 en de wet van 6 augustus 1990 be- treffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. Art. 702 Ontwerpartikel 702 zorgt voor de samenhang, wat het toepassingsgebied betreft, met artikel 102, eerste lid, 1° van de ontwerpwet. Art. 703 Ontwerpartikel 703 zorgt voor de omzetting van arti- kel 53, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende toegang tot het be- drijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en van artikel 31 van de Richtlijn. Er zij gepreciseerd dat wat de bekendmaking van de resultaten van stresstest betreft, de woorden “met inachtneming van het recht van de Europese Unie” erop wijzen dat een dergelijke bekendmaking enkel mag gebeuren met inachtneming van de vereisten inzake beroepsgeheim waarin de richtlijnen voorzien. Op dit vlak bestaat er een verschil tussen de CRD IV- richtlijn en de Solvency II-richtlijn: in artikel 53, lid 3 van de eerstgenoemde richtlijn wordt namelijk voorzien in een uitzondering op de beroepsgeheimregeling, terwijl dit voor de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen niet het geval is. Concreet betekent dit dat er in het kader van de bekendmaking van resultaten van stresstests geen individuele gegevens over een verze- keringsonderneming bekendgemaakt mogen worden. Art. 704 Ontwerpartikel 704  zorgt voor de omzetting van artikel 71 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende toegang tot het de façon permanente ou occasionnelle, à une personne visée à l’article 84 de la Directive 2014/59/UE précitée. Art. 706, 3° L’article 706, 3° en projet vise à introduire une excep- tion à l’obligation au régime de secret professionnel applicable à la Banque, en sa qualité d’autorité pruden- tielle, pour la transmission d’informations confidentielles à l’Office de contrôle des mutualités et des unions natio- nales de mutualités. Cette dérogation est justifiée par les compétences de l’Office prévue à l’article 303, § 3 en projet et la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités. Art. 702 L’article 702 en projet assure la cohérence, en termes de champ d’application, avec l’article 102, alinéa 1er, 1°, de la loi en projet. Art. 703  L’article 703  en projet assure la transposition de l’article 53, paragraphe 3 de la Directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil concernant l’accès à l’activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entre- prises d’investissement et de l’article 31 de la Directive. On précise que s’agissant de la publication de résul- tats de tests de résistance, les mots “dans le respect du droit de l’Union européenne” indiquent qu’une telle pu- blication ne peut s’effectuer que dans le respect des exi- gences prévues par les directives en matière de secret professionnel, une différence existant à cet égard entre la directive CRD IV et la Directive Solvency II, la pre- mière établissant, en son article 53, paragraphe 3 une exception au régime de secret professionnel, ce qui n’est pas le cas en matière d’entreprises d’assurance ou de réassurance. Cela signifie concrètement que la divulgation de données individuelles relatives à une entreprise d’assurance sera impossible dans le cadre de la publication de résultats de tests de résistance. Art. 704 L’article 704 en projet effectue la transposition de l’article 71 de la Directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil concernant l’accès à l’activité 365 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Art. 700, 701, 706 tot 709 De ontwerpartikelen 700, 701, 706 tot 709 passen in dezelfde wet een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK IX Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten Art. 710 tot 712 De ontwerpartikelen 710 tot 712 passen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK X Wijzigingen in de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen Art. 713 en 714 De ontwerpartikelen 713 en 714 passen in de pro- grammawet (I) van 24  december  2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK XI Wijziging in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid Art. 715 Ontwerpartikel 715 past in de wet van 28 april 2003 be- treffende de aanvullende pensioenen en het belasting- stelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende des établissements de crédit et la surveillance pruden- tielle des établissements de crédit et des entreprises d’investissement. Art. 700, 701, 706 à 709 Les articles 700, 701, 706 à 709 en projet réalisent, dans la même loi, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE IX Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers Art. 710 à 712 Les articles 710 à 712 en projet réalisent, dans la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE X Modifications de la loi programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pensions complémentaires des indépendants Art. 713 et 714 Les articles 713 et 714 en projet réalisent, dans la loi programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pen- sions complémentaires des indépendants, les ajuste- ments rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE XI Modification de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale Art. 715 L’article 715  en projet réalise, dans la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages 366 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voordelen inzake sociale zekerheid een aantal verwij- zingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK XII Wijzigingen in de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening Art. 716 tot 718 en 720 De ontwerpartikelen 716 tot 718 en 720 passen in de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Art. 719 In artikel 227 van de wet van 27 oktober 2006 betref- fende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensi- oenvoorziening had de wetgever voorzien in de moge- lijkheid om de optie die geboden wordt in artikel 4 van Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoor- ziening, ten uitvoer te leggen door middel van een ko- ninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Er werd geen dergelijk besluit genomen vóór de in artikel 308ter, lid 15 van de Richtlijn vastgelegde einddatum (23 mei 2014). De opheffing van artikel 227 wordt derhalve gerechtvaardigd door het feit dat de Belgische wetgever niet langer gebruik kan maken van de optie. HOOFDSTUK XII Wijzigingen in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen Art. 721 en 722 De ontwerpartikelen 721 en 722 passen in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col- lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen een aantal verwijzingen aan als ge- volg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. complémentaires en matière de sécurité sociale, l’ajus- tement rendu nécessaire, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE XII Modifications de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle Art. 716 à 718 et 720 Les articles 716 à 718 et 720 en projet réalisent, dans la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. Art. 719 Le législateur belge avait prévu, par l’article 227 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des insti- tutions de retraite professionnelle, la faculté de mettre en œuvre l’option prévue par l’article 4 de la Directive 2003/41/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 juin 2003 concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle par le biais d’un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Un tel arrêté n’a pas été pris avant la date limite du 23 mai 2014 prévue à l’article 308ter, paragraphe 15 de la Directive. L’abrogation de l’article 227 est donc jus- tifiée par le fait que l’option ne peut plus être levée par le législateur belge. CHAPITRE XII Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances Art. 721 et 722 Les articles 721  et 722  en projet réalisent, dans la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de pla- cement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. 367 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK XIV Wijziging in de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen Art. 723 Ont werpar tikel 723  past in de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. HOOFDSTUK XV Wijzigingen in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen Art. 724 tot 735 De ontwerpartikelen 724 tot 735 passen in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (“Wet Verzekeringen”) een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Art. 728, 2° Ontwerpartikel 728, 2° brengt in artikel 22 van de Wet Verzekeringen een wijziging aan om een zo billijk mogelijke oplossing te bieden voor een situatie waarvan de gevolgen nadelig zouden kunnen blijken te zijn voor de verzekeringsbegunstigden. Zo is gebleken dat sommige verzekeringsonder- nemingen levensverzekeringsovereenkomsten met flexibele premies hadden afgesloten die op de markt werden gebracht tussen 1989 en 1997 (en zelfs later) en waarvoor de verzekeringsondernemingen voor de volledige duur van de overeenkomst een mini- mumrente van meer dan 3,75 % waarborgden. Maar, sinds 1 januari 1993 verbiedt de toepasselijke regle- mentering de verzekeringsondernemingen om voor flexibele premies een waarborg inzake tarief toe te kennen vóór de storting ervan (oud artikel 24 van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit (hierna het “Besluit Leven 1992”) en huidig artikel 26 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekerings- activiteit (hierna het “Besluit Leven 2003”)), en sinds 1 januari 1999 mag de toegekende technische rente- voet niet hoger zijn dan 3,75 % (oud artikel 22 van het Besluit Leven 1992 en huidig artikel 24 van het Besluit Leven 2003). CHAPITRE XIV Modification de la loi du 26 décembre 2013 portant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens thématiques Art. 723 L’article 723  en projet réalise, dans la loi du 26 décembre 2013 portant diverses dispositions concer- nant les prêts-citoyens thématiques, l’ajustement rendu nécessaire, en termes de références, à la suite du rem- placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. CHAPITRE XV Modifications de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances Art. 724 à 735 Les articles 724 à 735 en projet réalisent, dans la loi du 4 avril 2014 sur les assurances (“Loi assurances”), les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. Art. 728, 2° L’article 728, 2° en projet apporte une modification à l’article 22 de la Loi assurances afin de solutionner le plus équitablement une situation dont les conséquences pourraient s’avérer préjudiciables pour les bénéficiaires d’assurance. Ainsi, il est apparu que certaines entreprises d’assu- rance avaient conclu des contrats d’assurance vie à primes flexibles, commercialisés entre 1989 et 1997 (et même postérieurement) et pour lesquels les entreprises d’assurance avaient garanti un taux d’intérêt minimal supérieur à 3,75 % pour la durée totale du contrat. Or, depuis le 1er janvier 1993, la réglementation applicable interdit aux entreprises d’assurance de consentir une garantie tarifaire pour des primes flexibles avant leur versement (ancien article 24 de l’arrêté royal du 17 décembre 1992 relatif à l’activité d’assurance sur la vie (ci-après, l’“Arrêté Vie 1992”) et actuel article 26 de l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur la vie (ci-après, l’“Arrêté Vie 2003”), et depuis le 1er janvier 1999, le taux technique octroyé ne peut excéder 3,75 % (ancien article 22 de l’Arrêté Vie 1992 et actuel article 24 de l’Arrêté Vie 2003). 368 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Hieruit volgt dat de door deze verzekeringsonderne- mingen aangeboden tariefvoorwaarden een schending inhouden van (i) het verbod op een waarborg inzake tarief voor alle betrokken overeenkomsten die sinds 1 januari 1993 zijn afgesloten en (ii) de regels inzake de maximumrente voor alle premiestortingen die sinds 1 juli 1999 in het kader van deze overeenkomsten zijn uitgevoerd. Voor deze situatie biedt artikel  22  van de Wet Verzekeringen (bepaling die voorheen was vastge- legd in artikel 19bis van de wet van 9 juli 1975) geen passende oplossing. Deze bepaling vermeldt immers het volgende: “De algemene, bijzondere en speciale voorwaarden, de verzekeringsovereenkomsten in hun geheel, evenals alle clausules afzonderlijk, die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deel 2 en deel 3 en hun uitvoeringsbesluiten en —reglementen, of met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 en haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen, worden vanaf het sluiten van de overeenkomst geacht te zijn opgesteld in overeenstemming met, al naargelang het geval, de bepalingen van deel 2 en deel 3 en hun uitvoeringsbe- sluiten en —reglementen, dan wel met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 en haar uitvoeringsbesluiten en —reglementen.”. HOOFDSTUK XVI Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen Art. 736, 737, 739, 741, 748 en 752 De ontwerpartikelen 736, 737, 739, 741, 748  en 752 passen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen een aantal verwijzingen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Art. 737, 1° In de definitie onder 26° wordt een extra begrip opge- nomen, namelijk “consortium”. Dit begrip kwam reeds voor in de wet van 25 april 2014, met name in twee bepalingen betreffende het aanvullende conglomeraat- stoezicht, zonder echter te zijn gedefinieerd. Art. 738 en 740 De ontwerpartikelen 738 en 740 wijzigen de artikelen 9 en 72 van de wet van 25 april 2014 om te preciseren op welke personen artikel 72 van de voornoemde wet van toepassing is. Il en résulte que les conditions tarifaires offertes par ces entreprises d’assurance violent (i) pour tous les contrats concernés conclus à partir du 1er janvier 1993, l’interdiction de garantie tarifaire et (ii) pour tous les versements de prime effectués dans le cadre de ces contrats depuis le 1er juillet 1999, les règles en matière de taux d’intérêt maximal. Face à une telle situation, l’article  22  de la Loi Assurances (disposition anciennement prévue sous l’article 19bis de la loi du 9 juillet 1975) n’offre pas une solution adéquate. En effet, cette disposition énonce que “Les conditions générales, particulières et spé- ciales, les contrats d’assurance dans leur ensemble, ainsi que toutes les clauses prises séparément qui ne sont pas conformes aux dispositions des parties 2 et 3 et de leurs arrêtés et règlements d’exécution, ou aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 et de ses arrêtés et règlements d’exécution, sont censés avoir été établis dès la conclusion du contrat en conformité, selon le cas, avec les dispositions des parties 2 et 3 et de leurs arrêtés et règlements d’exécution, ou avec les dispositions de la loi du 9 juillet 1975 et de ses arrêtés et règlements d’exécution.”. CHAPITRE XVI Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit Art. 736, 737, 739, 741, 748 et 752  Les articles 736, 737, 739, 741, 748 et 752 en projet réalisent, dans la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, les ajuste- ments rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du remplacement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. Art. 737, 1° À la définition prévue par le 26° est adjointe la notion de “consortium”. Cette notion apparaissait déjà, sans toutefois y être définie, dans la loi du 25 avril 2014, en l’occurrence dans deux dispositions portant sur la sur- veillance complémentaire des conglomérats. Art. 738 et 740 Les articles 738 et 740 en projet modifient les articles 9 et 72 de la loi du 25 avril 2014 afin de préciser les personnes auxquelles s’applique l’article 72 de la loi précitée. 369 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 742 In de structuur van artikel 170  van de wet van 25 april 2014 worden een aantal onderdelen verplaatst om de bedoeling van het artikel beter tot zijn recht te laten komen. Door de opheffing van het derde lid van paragraaf 1, heeft deze paragraaf uitsluitend nog betrekking op de mogelijke duplicatie tussen het geconsolideerde ban- kentoezicht en het verzekeringsgroepstoezicht. De nieuwe paragraaf 1/1, die een licht aangepaste versie is van het door het voorliggende ontwerp op- geheven derde lid van paragraaf 1, vormt een eerste oplossing voor de duplicatie tussen het geconsolideerde bankentoezicht en het aanvullende conglomeraats- toezicht. Deze oplossing is uitdrukkelijk opgenomen in artikel 120, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU, maar zal in de praktijk wellicht nooit worden toegepast, door de heersende onduidelijkheid over het begrip “gelijkwaar- digheid”. Paragraaf 2 van artikel 170 vormt de tweede oplossing voor de duplicatie tussen het geconsolideerde bankentoezicht en het aanvullende conglomeraatstoe- zicht en is een typisch Belgische invulling van artikel 120, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU. Beide oplossingen kunnen voortaan zowel voor conglomeraten van het holdingtype als voor conglomeraten met aan het hoofd een kredietinstelling worden toegepast, aangezien het duplicatieprobleem zich in beide gevallen kan voordoen. Verder worden de procedurele stappen waarin artikel 170 voorziet, verduidelijkt in die zin dat nu beter wordt verwoord dat voor het oplossen van zowel de duplica- tie tussen het geconsolideerde bankentoezicht en het verzekeringsgroepstoezicht als de duplicatie tussen het geconsolideerde bankentoezicht en het aanvul- lende conglomeraatstoezicht, een overeenkomst (en niet louter overleg) vereist is met de andere betrokken bevoegde autoriteiten. De overige kleine wijzigingen zijn louter tekstuele verbeteringen. Bij al deze wijzigingen werd gestreefd naar een zo groot mogelijke coherentie met de tekst van de ont- werpartikelen 344 tot 346, die langs verzekeringszijde de spiegelbepalingen vormen van artikel 170 van de wet van 25 april 2014. Art. 742 Dans la structure de l’article  170  de la loi du 25 avril 2014, certaines subdivisions sont déplacées afin de mieux rendre compte de la finalité de la disposition. Le paragraphe 1er porte désormais, de par l’abroga- tion de son alinéa 3, exclusivement sur la duplication éventuelle entre le contrôle consolidé bancaire et la surveillance du groupe en assurance. Le paragraphe  1/1  nouveau, version légèrement remaniée du paragraphe  1er, alinéa  3, abrogé par le présent projet, constitue une première solution pour résoudre la duplication entre le contrôle conso- lidé bancaire et la surveillance complémentaire des conglomérats. Cette solution figure expressément à l’article 120, paragraphe 1, de la Directive 2013/36/ UE, mais ne connaîtra vraisemblablement jamais d’application en pratique, en raison du manque de clarté quant à la notion d’“équivalence”. Le paragraphe 2 de l’article 170 constitue la seconde manière de résoudre la duplication entre le contrôle consolidé bancaire et la surveillance complémentaire des conglomérats, et est une manière typiquement belge de donner substance à l’article 120, paragraphe 1er, de la Directive 2013/36/UE. Les deux solutions peuvent désormais être appliquées tant pour les conglomérats de type “compagnie” que pour ceux chapeautés par un établissement de crédit, le problème de la duplication pouvant se poser pour les deux situations. Par ailleurs, les étapes de procédure prévues par l’article 170 sont clarifiées en ce sens que la disposition explique désormais plus clairement que la résolution tant de la duplication entre le contrôle consolidé ban- caire et le contrôle de groupe en assurance que de celle entre le contrôle consolidé bancaire et la surveillance complémentaire des conglomérats, requiert un accord (et non simplement une concertation) avec les autres autorités compétentes concernées. Les autres petites modifications sont des améliora- tions purement rédactionnelles. L’ensemble de ces modifications vise à réaliser une convergence maximale avec le texte des articles 344 à 346 en projet, constituant les équivalents en matière d’assurance de l’article 170 de la loi du 25 avril 2014. 370 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 743 Op basis van artikel 111, lid 5 van Richtlijn 2013/36/ EU, kan de toezichthouder (de Bank of de ECB) in uit- zonderlijke gevallen als consoliderende toezichthouder voor het geconsolideerde toezicht worden aangewezen, ook al is er in het geconsolideerde geheel geen enkele Belgische kredietinstelling aanwezig, maar enkel een Belgische (gemengde) financiële holding. De toepas- selijkheid van het Belgische recht voor wat betreft het geconsolideerde toezicht vloeit in dat geval voort uit de aanwezigheid van de Belgische holding in het geconso- lideerde geheel. Deze techniek strookt volledig met de filosofie van de artikelen 205 tot 207 en artikel 212 van de wet van 25 april 2014, waarin een quasi-statuut voor (gemengde) financiële holdings naar Belgisch recht werd uitgewerkt. Art. 744 De mogelijkheid om geconsolideerd toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen in geval van een con- sortium was opgenomen in het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor col- lectieve belegging, maar werd tot nu toe niet overge- nomen in de wet van 25 april 2014. Door de invoeging van dit nieuwe artikel staat deze mogelijkheid opnieuw open voor de toezichthouder. Een consortiumstructuur wordt in principe op dezelfde manier behandeld als een holdingsstructuur, vanwaar de verwijzing naar de “kredietinstellingen zoals bedoeld in artikel 165, 2°”. Toch kan de toezichthouder die bevoegd is voor het geconsolideerde toezicht op het consortium voldoende rekening houden met de concrete omstandigheden, meer bepaald met het nut en de efficiëntie van het ge- consolideerde toezicht voor het consortium in kwestie. Waar nodig kan de toezichthouder gebruik maken van de algemene afwijkingsbevoegdheid waarin voorzien is in artikel 203, § 2 van de wet van 25 april 2014 om de concrete modaliteiten van dit geconsolideerde toezicht te preciseren. Art. 745 Ontwerpartikel 745 stemt de tekst van artikel 194, § 2, 4° van de wet van 25 april 2014 af op de over- eenkomstige bepaling in het ontwerp van wet op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 743 Dans des cas exceptionnels, sur la base de l’ar- ticle  111, paragraphe  5  de la Directive 2013/36/UE, l’autorité de contrôle (la Banque ou la BCE) peut être désignée comme autorité de surveillance sur base consolidée pour le contrôle consolidé, même si cela ne repose pas sur la présence d’un établissement de crédit belge dans l’ensemble consolidé, mais uniquement sur la présence d’une compagnie financière (mixte) belge. Dans ce cas, l’applicabilité du droit belge en ce qui concerne le contrôle consolidé résulte de la présence de la compagnie belge au sein de l’ensemble consolidé. Cette technique se situe dans le droit fil de la philoso- phie des articles 205 à 207 et de l’article 212 de la loi du 25 avril 2014, qui ont établi un quasi-statut pour les compagnies financières (mixtes) de droit belge. Art. 744 La possibilité d’exercer le contrôle consolidé sur les établissements de crédit dans le cas d’un consortium était prévue par l’arrêté royal du 12 août 1994 relatif au contrôle sur base consolidée des établissements de crédit, des entreprises d’investissement et des sociétés de gestion d’organismes de placement collectif, mais n’avait jusqu’à présent pas été reprise dans la loi du 25 avril 2014. L’insertion de ce nouvel article permet de rétablir cette possibilité dans le chef de l’autorité de contrôle. La structure consortiale est en principe traitée de la même manière qu’une structure de compagnie, ce qui explique la référence aux “établissements de crédit visés à l’article 165, 2°”. Cela dit, l’autorité de contrôle chargée du contrôle sur base consolidée du consortium peut adéquatement tenir compte des circonstances concrètes, et en particulier de l’utilité et de l’efficacité du contrôle sur base consolidée pour le consortium en question. Si besoin est, l’autorité de contrôle peut faire usage de son pouvoir général de dérogation prévu à l’article 203, § 2, de la loi du 25 avril 2014 pour préciser les modalités de ce contrôle sur base consolidée. Art. 745 L’article 745 en projet vise à aligner le texte de l’article 194, § 2, 4° de la loi du 25 avril 2014 sur la disposition correspondante de la loi relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance en projet. 371 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 746 Ontwerpartikel 746 brengt een correctie aan in de vertaling. Art. 747 Ontwerpartikel 747, 1° brengt een correctie aan in een verwijzing. Ontwerpartikel 747, 2° regelt de uitzonderlijke ge- vallen waarin de toezichthouder (de Bank of de ECB) op basis van artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG, als coördinator voor het aanvullende conglomeraats- toezicht kan worden aangewezen, ook al is er in het conglomeraat geen enkele Belgische kredietinstelling of andere Belgische gereglementeerde onderneming aanwezig die op solobasis onderworpen is aan het toe- zicht van de toezichthouder, maar enkel een Belgische gemengde financiële holding. De toepasselijkheid van het Belgische recht voor wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht vloeit in dat geval voort uit de aanwezigheid van de Belgische holding in het conglo- meraat. Deze techniek strookt volledig met de filosofie van de artikelen 205 tot 207 en het artikel 212 van de wet van 25 april 2014, waarin een quasi-statuut voor (gemengde) financiële holdings naar Belgisch recht werd uitgewerkt. Art. 749 tot 751 De ontwerpartikelen brengen correcties in de verta- ling aan evenals een technische correctie. HOOFDSTUK XVI Wijzigingen in het Wetboek van Economisch Recht Art. 753 tot 758 De ontwerpartikelen 753  tot 758  passen in het Wetboek van Economisch Recht een aantal verwijzin- gen aan als gevolg van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet. Art. 746 L’article 746 en projet réalise une correction dans la traduction. Art. 747 L’article 747, 1° en projet réalise une correction en termes de référence. S’agissant de l’article 747, 2°, en projet, il vise à régler les cas exceptionnels dans lesquels, sur la base de l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/ CE, l’autorité de contrôle (la Banque ou la BCE) peut être désignée comme coordinateur pour la surveillance complémentaire des conglomérats, même si cela ne repose pas sur la présence dans le conglomérat d’un établissement de crédit belge ou d’une autre entre- prise réglementée belge soumise sur une base solo au contrôle de l’autorité de contrôle, mais uniquement sur la présence d’une compagnie financière mixte belge. Dans ce cas, l’applicabilité du droit belge en ce qui concerne la surveillance complémentaire des conglo- mérats résulte de la présence de la compagnie belge dans le conglomérat. Cette technique se situe dans le droit fil de la philosophie des articles 205 à 207 et de l’article 212 de la loi du 25 avril 2014, qui ont établi un quasi-statut pour les compagnies financières (mixtes) de droit belge. Art. 749 à 751 Les articles en projet réalisent des corrections dans la traduction ainsi qu’une correction d’ordre technique. CHAPITRE XVI Modifications au Code de droit économique Art. 753 à 758 Les articles 753 à 758 en projet réalisent, dans le Code de droit économique, les ajustements rendus nécessaires, en termes de références, à la suite du rem- placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. 372 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK XVI I — Overige bepalingen Art. 759 en 760 Naar aanleiding van de vervanging van de wet van 9 juli 1975 door de ontwerpwet, strekken de ontwerpar- tikelen 759 en 760 ertoe een dynamische lezing te ver- zekeren van de wettelijke bepalingen die niet gewijzigd zijn door dit wetsontwerp en verwijzingen bevatten naar de wet van 9 juli 1975 of naar het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betref- fende de controle op de verzekeringsondernemingen. TITEL IV opheffingsbepalingen Art. 761 en 762 Deze bepalingen heffen respectievelijk de wet van 9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 op. BOEK IX INWERKINGTREDING Art. 763 Artikel 763 regelt de inwerkingtreding van de bepalin- gen van de ontwerpwet; de datum van inwerkingtreding wordt principieel vastgelegd op 1 januari 2016. Bij wijze van uitzondering voorziet de bepaling in een eerdere datum van inwerkingtreding, namelijk de dag waarop de wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, voor de artikelen die de artikelen van de Richtlijn die vermeld zijn in artikel 308bis van de Richtlijn omzetten. Dit is, Dames en Heren, de draagwijdte van het ont- werp dat de Regering de eer heeft u ter goedkeuring voor te leggen. De minister van Economie, Kris PEETERS De minister van Binnenlandse Zaken, Jan JAMBON CHAPITRE XVI I — Autres dispositions Art. 759 et 760 Les articles 759 et 760 en projet visent à assurer une lecture dynamique des dispositions légales non modifiées par le présent projet de loi et comprenant des références à la loi du 9 juillet 1975 ou à l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances, à la suite du rem- placement de la loi du 9 juillet 1975 par la loi en projet. TITRE IV dispositions abrogatoires Art. 761 et 762 Ces dispositions abrogent respectivement la loi du 9 juillet 1975 et la loi du 16 février 2009. LIVRE IX ENTRÉE EN VIGUEUR Art. 763 L’article 763 règle l’entrée en vigueur des disposi- tions de la loi en projet en fixant, à titre de principe, la date d’entrée en vigueur au 1er janvier 2016. A titre d’exception, la disposition prévoit une date d’entrée en vigueur antérieure, à savoir le jour de publication au Moniteur belge de la loi, pour ses articles qui assurent la transposition des articles de la Directive mentionnés sous l’article 308bisde la Directive. Voici, Mesdames et Messieurs, la portée du projet que le Gouvernement a l’honneur de soumettre à votre approbation. Le ministre de l’Economie, Kris PEETERS Le ministre de l’Intérieur, Jan JAMBON 373 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De minister van Financiën, Johan VAN OVERTVELDT De minister van Justitie, Koen GEENS Le ministre des Finances, Johan VAN OVERTVELDT Le ministre de la Justice, Koen GEENS 374 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 VOORONTWERP VAN WET onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen BOEK I ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I Doel Artikel 1 De artikelen 692, 708 en 712 van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. De overige bepalingen van deze wet, met inbegrip van de Bijlagen ervan, regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2 Deze wet zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van: 1° Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekerings- bedrijf (Solvabiliteit II); 2° Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/ EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entitei- ten in een financieel conglomeraat, wat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen betreft; 3° Richtlijn 2014/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2009/138/EG, alsmede de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autori- teit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensi- oenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft. 4° Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietin- stellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/ EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, en in het bijzonder de artikelen 84 en 90 ervan. AVANT-PROJET DE LOI soumis à l’avis du Conseil d’État Avant-projet de loi relatif au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de reassurance LIVRE IER DISPOSITIONS GÉNÉRALES TITRE IER Objet Article 1er Les articles 692, 708 et 712 de la présente loi règlent une matière visée à l’article 78 de la Constitution. Les autres dispositions de la présente loi, en ce compris ses Annexes, règlent une matière visée à l’article 74 de la Constitution. Art. 2 La présente loi assure la transposition partielle: 1° de la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II); 2° de la directive 2011/89/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers, pour ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de réassurance; 3° de la directive 2014/51/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 modifiant les directives 2003/71/ CE et 2009/138/CE et les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 1094/23010 et (UE) n° 1095/2010 en ce qui concerne les compétences de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions pro- fessionnelles) et de l’Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers). 4°  de la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/ CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) no 1093/2010 et (UE) no 648/2012, en particulier ses articles 84 et 90. 375 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 3 Om de verzekeringnemers, de verzekerden en de begun- stigden van verzekeringsovereenkomsten en -verrichtingen te beschermen en om de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te verzekeren, regelt deze wet de vestiging en de activiteiten van, alsook het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in België werkzaam zijn, met inbegrip van bepaalde modaliteiten en voorwaarden die specifiek zijn voor verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten en -verrichtingen. Art. 4 Deze wet doet geen afbreuk aan de verplichtingen die voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voortvloeien uit de bijzondere wetten die hun werkzaamhe- den regelen. Art. 5 Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbe- sluiten en -reglementen wordt verstaan onder: 1° verzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen rekening het verzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk het bedrijf dat bestaat in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten of het uitvoeren van verzekeringsverrichtingen; 2° herverzekeringsonderneming: onderneming die voor eigen rekening het herverzekeringsbedrijf uitoefent, namelijk: a) het bedrijf dat bestaat in het overnemen van risico’s die door een verzekeringsonderneming of een andere herverze- keringsonderneming worden overgedragen; b) in het geval van de groep van “underwriters” bekend onder de naam “Lloyd’s”: het bedrijf dat er voor een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming dan Lloyd’s in bestaat de risico’s over te nemen die door een lid van Lloyd’s worden overgedragen. Met het herverzekeringsbedrijf wordt gelijkgesteld de dekking die een herverzekeringsonderneming voor eigen rekening biedt aan een instelling voor bedrijfspensioenvoor- ziening die onder de toepassing valt van de titels II en III van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Art. 3 La présente loi a pour objet de régler, dans l’objectif de garantir la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires de contrats et d’opérations d’assurance, et d’assurer la solidité et le bon fonctionnement du système financier, en particulier, l’établissement, l’activité et le contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance opérant en Belgique, en ce compris certaines modalités et conditions inhérentes aux contrats et opérations d’assurance ou de réassurance. Art. 4 La présente loi est sans préjudice des obligations qui incombent aux entreprises d’assurance ou de réassurance en application des lois particulières régissant les opérations qu’elles pratiquent. Art. 5 Pour l’application de la présente loi et des arrêtés et règle- ments pris pour son exécution, est définie comme: 1°  entreprise d’assurance, l’entreprise qui, pour son compte propre, exerce l’activité d’assurance, à savoir l’acti- vité qui consiste à conclure des contrats ou à effectuer des opérations d’assurance; 2° entreprise de réassurance, l’entreprise qui, pour son compte propre, exerce l’activité de réassurance, à savoir: a) l’activité qui consiste à accepter des risques cédés par une entreprise d’assurance ou une autre entreprise de réassurance; b) s’agissant de l’association de souscripteurs dénommée “Lloyd’s”, l’activité consistant, pour une entreprise d’assu- rance ou de réassurance autre que la Lloyd’s, à accepter les risques cédés par tout membre de la Lloyd’s. Est assimilée à une activité de réassurance la couverture, par une entreprise de réassurance, pour son propre compte, d’une institution de retraite professionnelle relevant du champ d’application des titres II et III de la loi du 27 octobre 2006 rela- tive au contrôle des institutions de retraite professionnelle. 376 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL II Toepassingsgebied HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Art. 6 Deze wet is van toepassing op verzekerings- of herverze- keringsondernemingen naar Belgisch of buitenlands recht die in België werkzaam zijn of willen zijn, via een bijkantoor of zonder er gevestigd te zijn. Art. 7 § 1. Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf en het levens- verzekeringsbedrijf betreft, is deze wet van toepassing op de activiteiten van de takken die respectievelijk vermeld zijn in Bijlage I en Bijlage II bij deze wet. § 2. Onder het niet-levensverzekeringsbedrijf valt ook de activiteit van hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden. Deze activiteit bestaat erin dat tegen voorafgaande betaling van een premie de verbinte- nis wordt aangegaan om onmiddellijke hulp te verlenen aan de begunstigde van een hulpverleningsovereenkomst wan- neer deze in moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich voordoen van een onzeker voorval, in de gevallen en onder de voorwaarden die in de overeenkomst zijn bepaald. De hulp kan bestaan uit prestaties in geld of in natura. De prestaties in natura kunnen ook worden verstrekt met gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de prestatieverstrekker. Onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp als tussenpersoon vallen niet onder de hulpverleningsactiviteit. HOOFDSTUK II Uitsluitingen Afdeling I Wettelijke regelingen Art. 8 Deze wet is niet van toepassing op verzekeringsovereen- komsten en -verrichtingen die deel uitmaken van een wettelijke socialezekerheidsregeling en waarvoor de ondernemingen niet voor eigen risico handelen. Meer in het bijzonder is deze wet niet van toepassing op: TITRE II Champ d’application CHAPITRE IER Dispositions générales Art. 6 La présente loi est applicable aux entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge ou de droit étranger qui opèrent ou souhaitent opérer en Belgique, par la voie d’une succursale ou sans y être établies. Art. 7 § 1er. En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie et l’activité d’assurance-vie, la présente loi s’applique aux acti- vités des branches mentionnées respectivement à l’Annexe I et à l’Annexe II à la présente loi. § 2. L’activité d’assurance non-vie inclut également l’acti- vité consistant à fournir une assistance aux personnes en difficulté au cours de déplacements, d’absences de leur domi- cile ou de leur résidence habituelle. Cette activité comporte, moyennant le paiement préalable d’une prime, l’engagement de mettre immédiatement une aide à la disposition du béné- ficiaire d’un contrat d’assistance lorsque celui-ci se trouve en difficulté par suite d’un événement fortuit, dans les cas et dans les conditions prévus par le contrat. L’aide peut comporter des prestations en espèces ou en nature. Les prestations en nature peuvent également être fournies par l’utilisation du personnel ou du matériel propres au prestataire. L’activité d’assistance ne couvre pas les services d’entre- tien ou de maintenance, les services après-vente ou la simple indication ou mise à disposition, en tant qu’intermédiaire, d’une aide. CHAPITRE II Exclusions Section Ire Régimes légaux Art. 8 La présente loi n’est pas applicable aux contrats et opéra- tions d’assurance faisant partie d’un régime légal de sécurité sociale pour lesquels les entreprises n’opèrent pas à leurs propres risques. En particulier, la présente loi n’est pas applicable: 377 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de maatschappijen van onderlinge bijstand die erkend zijn overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 en die niet onder de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen vallen; 2° de ziekenfondsen, de landsbonden van ziekenfondsen en de maatschappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 die geen verzeke- ringen mogen aanbieden en waarvan de diensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 voldoen aan elk van de voorwaarden van artikel 67, eerste lid, van de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering (I); 3° de gemeenschappelijke fondsen, private ondernemin- gen met vaste premies en openbare instellingen, voor wat betreft de verrichtingen bedoeld in de wetten betreffende de rust- en overlevingspensioenen van arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeelieden en zelfstandigen. Afdeling II Niet-levensverzekering Art. 9 Wat het niet-levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet van toepassing op de ondernemingen die de volgende verrichtingen uitvoeren: 1° verrichtingen van voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de prestaties verschillen naargelang van de be- schikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald; 2° verrichtingen van een organisatie die geen rechtsper- soonlijkheid bezit, die de onderlinge waarborg van haar leden tot doel hebben, zonder tot de betaling van premies of de vorming van technische reserves aanleiding te geven; 3° verrichtingen op het gebied van exportkredietverzeke- ring voor rekening of met garantie van de staat, of wanneer de staat de verzekeraar is. Art. 10 § 1. Deze wet is niet van toepassing op ondernemingen die een hulpverleningsactiviteit uitoefenen die aan alle volgende voorwaarden voldoet: 1° de hulp wordt verleend bij een ongeval met of defect aan een wegvoertuig dat zich voordoet op Belgisch grondgebied; 2° de verplichting tot hulpverlening blijft beperkt tot de volgende verrichtingen: 1° aux sociétés mutualistes qui sont reconnues confor- mément à la loi du 23 juin 1894 et qui ne sont pas visées par la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités; 2° aux mutualités, aux unions nationales de mutualités et aux sociétés mutualistes visées par la loi du 6 août 1990 pré- citée qui ne peuvent pas proposer des assurances et dont les services visés à l’article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 précitée répondent à chacune des conditions prévues à l’article 67, alinéa 1er, de la loi du 26 avril 2010 por- tant des dispositions diverses en matière de l’organisation de l’assurance maladie complémentaire (I); 3° aux caisses communes, entreprises privées à primes fixes et institutions publiques, pour ce qui concerne les opé- rations visées par les lois relatives au régime de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des ouvriers mineurs, des marins et des travailleurs indépendants. Section II Assurance non-vie Art. 9 En ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie, la pré- sente loi n’est pas applicable aux entreprises qui effectuent les opérations suivantes: 1° les opérations des organismes de prévoyance et de se- cours dont les prestations sont variables selon les ressources disponibles et qui exigent de chacun de leurs adhérents une contribution forfaitaire appropriée; 2° les opérations effectuées par une organisation n’ayant pas la personnalité juridique et qui ont pour objet la garantie mutuelle de ses membres, sans donner lieu au paiement de primes ni à la constitution de réserves techniques; 3° les opérations d’assurance-crédit à l’exportation pour le compte ou avec la garantie de l’État, ou lorsque l’État est l’assureur. Art. 10 § 1er. La présente loi n’est pas applicable aux entreprises qui exercent une activité d’assistance pour autant que celle-ci remplisse toutes les conditions suivantes: 1° l’assistance est fournie à l’occasion d’un accident ou d’une panne affectant un véhicule routier, lorsque l’accident ou la panne survient sur le territoire belge; 2° l’engagement au titre de l’assistance est limité aux opérations suivantes: 378 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 a) technische hulp ter plaatse, waarvoor de verlener van de dekking in de meeste gevallen eigen personeel en uitrusting gebruikt; b) het vervoer van het voertuig naar de plaats van reparatie die het dichtst bij is of het meest geschikt is voor het uitvoeren van de reparatie, alsmede het eventuele vervoer van bestuur- der en passagiers, normaliter met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats van waaruit zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten; c) het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrek- punt of hun oorspronkelijke bestemming binnen het Belgische grondgebied; 3° de hulpverlening wordt niet uitgevoerd door een on- derneming die aan deze wet is onderworpen wegens an- dere activiteiten die rechtvaardigen dat zij aan deze wet is onderworpen. § 2. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a) en b), is de voorwaarde dat het ongeval of het defect zich heeft voorgedaan op Belgisch grondgebied, niet van toepassing wanneer de onderneming een instelling is waarvan de be- gunstigde lid is, en de hulpverlening of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van de lidmaatschapskaart, zonder betaling van een extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke instelling van het betrokken land op grond van een reciprociteitsovereenkomst. Art. 11 Deze wet is niet van toepassing op onderlinge verzeke- ringsverenigingen die niet-levensverzekeringsactiviteiten uitoefenen en die met een andere onderlinge verzekerings- vereniging een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige herverzekering van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming door de overnemende onder- neming voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen. In dit geval is de overnemende onderneming onderworpen aan de bepalingen van deze wet. Afdeling III Levensverzekering Art. 12 Wat het levensverzekeringsbedrijf betreft, is deze wet niet van toepassing op de volgende ondernemingen: 1° voorzorgs- en bijstandsinstellingen waarvan de presta- ties verschillen naargelang van de beschikbare middelen en waarvan de ledenbijdrage forfaitair wordt bepaald; a) le dépannage sur place, pour lequel le fournisseur de la garantie utilise, dans la plupart des circonstances, son personnel et son matériel propres; b) l’acheminement du véhicule jusqu’au lieu de réparation le plus proche ou le plus approprié où la réparation pourra être effectuée, ainsi que l’éventuel accompagnement, nor- malement par le même moyen de secours, du conducteur et des passagers, jusqu’au lieu le plus proche d’où ils pourront poursuivre leur voyage par d’autres moyens; c) l’acheminement du véhicule, éventuellement accompa- gné par le conducteur et les passagers, jusqu’à leur domicile, leur point de départ ou leur destination originelle à l’intérieur du territoire belge; 3° l’assistance n’est pas fournie par une entreprise sou- mise à la présente loi en raison d’autres activités justifiant son assujettissement à la présente loi. § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, 2°, a) et b), la condition que l’accident ou la panne soient survenu sur le territoire belge n’est pas requise lorsque l’entreprise est un organisme dont le bénéficiaire est membre et que le dépannage ou l’acheminement du véhicule est effectué sur simple présentation de la carte de membre, sans paiement de surprime, par un organisme similaire du pays concerné sur la base d’un accord de réciprocité. Art. 11 La présente loi n’est pas applicable aux associations d’as- surance mutuelle exerçant des activités d’assurance non-vie qui ont conclu avec une autre association mutuelle d’assu- rance une convention comportant la réassurance intégrale des contrats d’assurance qu’elles souscrivent ou la cession des engagements contractuels impliquant la substitution de l’entreprise cessionnaire à l’entreprise cédante pour l’exé- cution des engagements résultant desdits contrats. Dans ce cas, l’entreprise cessionnaire est assujettie aux dispositions de la présente loi. Section III Assurance-vie Art. 12 En ce qui concerne l’activité d’assurance-vie, la présente loi n’est pas applicable aux entreprises suivantes: 1°  les organismes de prévoyance et de secours qui accordent des prestations variables selon les ressources disponibles et exigent de chacun de leurs adhérents une contribution forfaitaire appropriée; 379 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° andere organisaties dan de in artikel 6 bedoelde onder- nemingen die ten doel hebben aan al dan niet in loondienst werkzame personen, die in het kader van een onderneming of van een groep van ondernemingen of van een beroep of meerdere beroepen omvattende sector zijn gegroepeerd, uitkeringen te verstrekken bij overlijden, bij leven of bij be- eindiging of vermindering van de activiteiten, ongeacht of de uit deze verrichtingen voortvloeiende verplichtingen al dan niet volledig en voortdurend door wiskundige voorzieningen zijn gedekt; 3° organisaties die uitsluitend uitkeringen bij overlijden waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitkeringen niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de begrafeniskosten voor een sterfgeval of wanneer deze uitkeringen in natura geschieden. Afdeling IV Herverzekering Art. 13 Deze wet is niet van toepassing op de herverzekeringsac- tiviteit die een lidstaat om belangrijke redenen van openbaar belang uitoefent of volledig garandeert in de hoedanigheid van herverzekeraar in laatste instantie en wanneer een situ- atie op de markt, waarin het onmogelijk is om een adequate herverzekeringsdekking te verkrijgen, een dergelijk optreden noodzakelijk maakt. Art. 14 Deze wet is niet van toepassing op herverzekeringsonder- nemingen die op 10 december 2007 het sluiten van nieuwe herverzekeringsovereenkomsten hebben gestaakt en uitslui- tend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de beëindiging van hun activiteit. Deze ondernemingen dienen zich aan te melden bij de Bank en op te geven onder welk soort herverzekeringsactiviteit de door hen beheerde verzekeringsportefeuille valt. De Bank maakt een lijst op van de in dit artikel bedoelde herverzekeringsondernemingen en deelt deze lijst mee aan de toezichthouders van de andere lidstaten. TITEL III Definities Art. 15 Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbe- sluiten en -reglementen wordt verstaan onder: 1°  “Verordening 1094/2010”: Verordening (EU) nr. 1094/2010  van het Europees Parlement en de Raad van 24  november  2010  tot oprichting van een Europese 2° les organisations, autres que les entreprises visées à l’article 6, qui ont pour objet de fournir aux travailleurs, sala- riés ou non, groupés dans le cadre d’une entreprise ou d’un groupement d’entreprises ou d’un secteur professionnel ou interprofessionnel, des prestations en cas de décès, en cas de vie ou en cas de cessation ou de réduction d’activités, que les engagements résultant de ces opérations soient ou non couverts intégralement et à tout moment par des provisions mathématiques; 3° les organisations qui garantissent uniquement des pres- tations en cas de décès, lorsque le montant de ces prestations n’excède pas la valeur moyenne des frais funéraires pour un décès ou lorsque ces prestations sont fournies en nature. Section IV Réassurance Art. 13 La présente loi n’est pas applicable à l’activité de réas- surance exercée ou totalement garantie par un État membre agissant, pour des raisons relevant d’un intérêt public impor- tant, en qualité de réassureur en dernier ressort, y compris lorsque ce rôle est rendu nécessaire par une situation où il est impossible d’obtenir une couverture de réassurance adéquate sur le marché. Art. 14 La présente loi n’est pas applicable aux entreprises de réassurance qui, au 10 décembre 2007, ont cessé de sous- crire de nouveaux contrats de réassurance et se limitent à administrer leur portefeuille existant en vue de mettre un terme à leur activité. Ces entreprises sont tenues de se faire connaître auprès de la Banque, en précisant le type d’activité de réassurance relatif au portefeuille de contrats qu’elles administrent. La Banque dresse une liste des entreprises de réassurance visées au présent article et la communique aux autorités de contrôle des autres États membres. TITRE III Définitions Art. 15 Aux fins de l’application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, on entend par: 1°  “Règlement  1094/2010”: le Règlement (UE) n° 1094/2010  du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de 380 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor ver- zekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie; 2° “Verordening 2015/35”: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II); 3° “Richtlijn 2002/87/EG”: Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 be- treffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad; 4° “Richtlijn 2009/65/EG”: Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coör- dinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s); 5° “Richtlijn 2009/103/EG”: Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 be- treffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid; 6° “Richtlijn 2009/138/EG”: Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 be- treffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II); 7° “uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG”: het geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen ter uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG; 8° “Richtlijn 2013/36/EU”: Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudenti- eel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemin- gen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG; 9° “Hypotheekwet”: de wet van 16 december 1851 die Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt; 10° “wet van 6 april 1995”: de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen; 11° “wet van 22 februari 1998”: de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België; surveillance (Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles), modifiant la décision n° 716/2009/ CE et abrogeant la décision 2009/79/CE de la Commission; 2°  “Règlement 2015/35”: le règlement délégué (UE) 2015/35 de la Commission du 10 octobre 2014 complétant la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II); 3°  “Directive 2002/87/CE”: la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2002 rela- tive à la surveillance complémentaire des établissements de crédit, des entreprises d’assurance et des entreprises d’investissement appartenant à un conglomérat financier, et modifiant les directives 73/239/CEE, 79/267/CEE, 92/49/ CEE, 92/96/CEE, 93/6/CEE et 93/22/CEE du Conseil et les directives 98/78/CE et 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil; 4°  “Directive 2009/65/CE”: la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM); 5° “Directive 2009/103/CE”: la directive 2009/103/CE du Parlement et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l’assurance de la responsabilité civile résultant de la circu- lation de véhicules automobiles et le contrôle de l’obligation d’assurer cette responsabilité; 6° “Directive 2009/138/CE”: la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II); 7° “mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE”: l’ensemble des mesures d’exécution prises en exécution de la Directive 2009/138/CE; 8°  “Directive 2013/36/UE”: la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concer- nant l’accès des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entreprises d’investissement modifiant la directive 2002/87/CE et abro- geant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE; 9° “Loi hypothécaire”: la loi du 16 décembre 1851 formant le Titre XVIII du Livre III du Code civil;  10° “loi du 6 avril 1995”: la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement; 11° “loi du 22 février 1998”: la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique; 381 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 12°  “wet van 2  augustus  2002”: de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten; 13° “Wet Verzekeringen”: de wet van 4 april 2014 betref- fende de verzekeringen; 14° “wet van 25 april 2014”: de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen; 15° “verzekeringsovereenkomst”: a) hetzij een overeenkomst als gedefinieerd in artikel 5, 14° van de Wet Verzekeringen, met uitzondering van de kapitalisatieovereenkomsten die onder tak 26 als vermeld in Bijlage II vallen; b) hetzij een overeenkomst die onder de takken 24 tot 28 als vermeld in Bijlage II valt; c) hetzij een verrichting die onder tak 29 als vermeld in Bijlage II valt; d) hetzij elke verbintenis die door een verzekeringsonder- neming wordt aangegaan en die een soortgelijke prestatie omvat als deze waarin de overeenkomsten en verrichtingen die onder de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II vallen, voorzien; 16° “niet-levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die betrekking heeft op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I; 17° “levensverzekering”: de verzekeringsactiviteit die be- trekking heeft op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II; 18° “verzekeringnemer”: de persoon die de overeenkomst sluit met de verzekeringsonderneming; 19° “verzekerde”: de persoon als gedefinieerd in artikel 5, 17° van de Wet Verzekeringen; 20° “begunstigde”: de persoon in wiens voordeel de ver- zekeringsprestaties zijn bedongen; 21° “verzekeringscaptive”: een verzekeringsonderneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de onder- nemingen waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of meer andere ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt, verzekeringsdekking te bieden; 22° “herverzekeringscaptive”: een herverzekeringsonder- neming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen in de zin van artikel 339, 2° is, hetzij eigen- dom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de 12° “loi du 2 août 2002”: la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers; 13° “Loi assurances”: la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances; 14° “loi du 25 avril 2014”: la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit; 15° “contrat d’assurance”: a) soit un contrat tel que défini à l’article 5, 14° de la Loi assurances, à l’exception des contrats de capitalisation rele- vant de la branche 26 mentionnée à l’Annexe II; b) soit un contrat relevant des branches 24 à 28 mention- nées à l’Annexe II; c) soit une opération relevant de la branche 29 mentionnée à l’Annexe II; d) soit tout engagement pris par une entreprise d’assu- rance et comportant une prestation similaire à celles prévues par les contrats et opérations relevant des branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II; 16° “assurance non-vie”: l’activité d’assurance se rappor- tant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I; 17° “assurance-vie”: l’activité d’assurance se rapportant aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II; 18°  “preneur d’assurance”: la personne qui conclut le contrat avec l’entreprise d’assurance; 19° “assuré”: la personne telle que définie à l’article 5, 17° de la Loi assurances; 20° “bénéficiaire”: la personne en faveur de laquelle sont stipulées les prestations d’assurance; 21°  “entreprise captive d’assurance”: une entreprise d’assurance qui est détenue soit par une entreprise financière autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou qu’un groupe d’entreprises d’assurance ou de réassurance au sens de l’article 339, 2°, soit par une entreprise non financière et qui a pour objet la fourniture d’une couverture d’assurance portant exclusivement sur les risques de l’entreprise ou des entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les risques d’une ou plusieurs autres entreprises du groupe dont elle fait partie; 22° “entreprise captive de réassurance”: une entreprise de réassurance détenue soit par une entreprise financière autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou qu’un groupe d’entreprises d’assurance ou de réassurance au sens de l’article 339, 2°, soit par une entreprise non finan- cière et qui a pour objet la fourniture d’une couverture de réassurance portant exclusivement les risques de l’entreprise 382 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ondernemingen waartoe zij behoort of voor de risico’s van een of meer ondernemingen van de groep waarvan zij deel uitmaakt, herverzekeringsdekking te bieden; 23°  “herverzekering “niet-leven””: de herverzekerings- activiteiten die betrekking hebben op de takken 1 tot 18 als vermeld in Bijlage I; 24° “herverzekering “leven””: de herverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de takken 21 tot 29 als vermeld in Bijlage II; 25° “effectiseringsvehikel” (“special purpose vehicle”): een onderneming, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, die risico’s van verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen overneemt en die zijn blootstelling aan deze risico’s volledig financiert door emissieprocedures of andere financieringsmechanismen waarbij de terugbe- talingsrechten van de geldgevers van dit soort emissies of financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de herver- zekeringsverplichtingen van de onderneming; 26° “onderlinge verzekeringsvereniging”: een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de vennootschapsvorm als bedoeld in de artikelen 244 tot 271 van deze wet heeft aangenomen; 27° “lidstaat”: een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER); 28°  “derde land””: een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; 29° “lidstaat van herkomst”: een van de volgende lidstaten: a) bij niet-levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt; b) bij levensverzekeringen: de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbinte- nis aangaat; c) bij herverzekeringen: de lidstaat waar de zetel van de herverzekeringsonderneming is gevestigd; 30°  “land van herkomst”: een van de volgende derde landen: a) bij niet-levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt; b) bij levensverzekeringen: het derde land waar de zetel is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbinte- nis aangaat; ou des entreprises auxquelles elle appartient, ou bien les risques d’une ou de plusieurs entreprises du groupe dont elle fait partie; 23° “réassurance non-vie”: les activités de réassurance se rapportant aux branches 1 à 18 mentionnées à l’Annexe I; 24° “réassurance vie”: les activités de réassurance se rapportant aux branches 21 à 29 mentionnées à l’Annexe II; 25° “véhicule de titrisation” (“special purpose vehicle”): toute entreprise, qu’elle soit dotée de la personnalité juridique ou non, autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance existante, qui prend en charge les risques transférés par des entreprises d’assurance ou de réassurance et qui finance en totalité son exposition à ces risques par l’émission d’une dette ou tout autre mécanisme de financement, où les droits au remboursement de ceux ayant fait un versement dans le cadre de cette dette ou de cet autre mécanisme de financement sont subordonnés aux obligations de réassu- rance d’une telle entreprise; 26° “association d’assurance mutuelle”: une entreprise d’assurance ou de réassurance qui a adopté la forme sociale visée aux articles 244 à 271 de la présente loi; 27° “État membre”: un État partie à l’Accord sur l’Espace économique européen (EEE); 28° “pays tiers”: un État qui n’est pas partie à l’accord sur l’Espace économique européen; 29°  “État membre d’origine”: l’un des États membres suivants: a) en matière d’assurance non-vie, l’État membre dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui couvre le risque; b) en matière d’assurance-vie, l’État membre dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui prend l’engagement; c) en matière de réassurance, l’État membre dans lequel est situé le siège social de l’entreprise de réassurance; 30° “pays d’origine”: l’un des pays tiers suivants: a)  en matière d’assurance non-vie, le pays tiers dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui couvre le risque; b) en matière d’assurance-vie, le pays tiers dans lequel est situé le siège social de l’entreprise d’assurance qui prend l’engagement; 383 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 c) bij herverzekeringen: het derde land waar de zetel van de herverzekeringsonderneming is gevestigd; 31° “lidstaat van ontvangst”: de lidstaat waar een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die niet de lidstaat van herkomst is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen wordt onder “lidstaat van dienstver- richting” verstaan respectievelijk de lidstaat van de verbintenis of de lidstaat van het risico, wanneer de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een bijkantoor in een andere lidstaat; 32° “land van ontvangst”: het derde land waar een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of verzekerings- of herverzekeringsdiensten verricht en die niet de lidstaat of het land van herkomst is; in het geval van levens- en niet-levensverzekeringen wordt onder “derde land van dienstverrichting” verstaan respectievelijk het derde land van de verbintenis of het derde land van het risico, wanneer de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzeke- ringsonderneming of een bijkantoor in een ander land; 33° “bijkantoor”: een agentschap of bijkantoor van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst of op het grondgebied van een derde land; Wordt met een bijkantoor gelijkgesteld, elke duurzame aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van een andere lidstaat dan haar lidstaat van herkomst of op het grondgebied van een derde land, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft van een bijkantoor, maar enkel bestaat uit een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderne- ming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is om duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen. 34° “vestiging” van een verzekerings- of herverzekerings- onderneming: de zetel van een onderneming of een van haar bijkantoren; 35°  “vrije dienstverrichting”: de activiteit waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming vanuit haar zetel of vanuit een in een lidstaat of een derde land gelegen bijkantoor, in een andere lidstaat of in een ander derde land gelegen risico’s dekt; 36° “lidstaat of derde land van het risico”: naargelang van het geval, een van de volgende lidstaten of derde landen: a) de lidstaat of het derde land waar de goederen zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft hetzij op onroerend goed, hetzij op onroerend goed en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringsover- eenkomst wordt gedekt; b) de lidstaat of het derde land van registratie, wanneer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaartuigen van om het even welk type; c) en matière de réassurance, le pays tiers dans lequel est situé le siège social de l’entreprise de réassurance; 31° “État membre d’accueil”: l’État membre, autre que l’État membre d’origine, dans lequel une entreprise d’assurance ou de réassurance a une succursale ou fournit des services d’assurance ou de réassurance;  pour l’assurance-vie et pour l’assurance non-vie, on entend par l’État membre de fourniture des services, respectivement, l’État membre de l’engagement ou l’État membre où le risque est situé, lorsque ledit engagement ou risque est couvert par une entreprise d’assurance ou une succursale située dans un autre État membre; 32° “pays d’accueil”: le pays tiers, autre que l’État membre ou le pays d’origine, dans lequel une entreprise d’assurance ou de réassurance a une succursale ou fournit des services d’assurance ou de réassurance; pour l’assurance-vie et pour l’assurance non-vie, on entend par le pays tiers de fourniture des services, respectivement, le pays tiers de l’engagement ou le pays tiers où le risque est situé, lorsque ledit engagement ou risque est couvert par une entreprise d’assurance ou une succursale située dans un autre pays; 33°  “succursale”: toute agence ou succursale d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est située sur le territoire d’un État membre autre que son État membre d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers; Est assimilée à une succursale toute présence permanente d’une entreprise sur le territoire d’un État membre autre que son État membre d’origine ou sur le territoire d’un pays tiers, même lorsque cette présence n’a pas pris la forme d’une suc- cursale mais s’exerce par le moyen d’un simple bureau géré par le personnel propre de l’entreprise ou par une personne indépendante mais mandatée pour agir en permanence pour l’entreprise comme le ferait une agence. 34° “établissement” d’une entreprise d’assurance ou de réassurance: son siège ou une de ses succursales; 35° “libre prestation de services”: l’activité par laquelle une entreprise d’assurance ou de réassurance couvre, à partir de son siège social ou d’une succursale située dans un État membre ou un pays tiers, des risques situés dans un autre État membre ou un autre pays tiers; 36° “État membre ou pays tiers où le risque est situé”: selon le cas, l’un des États membres ou pays tiers suivants: a) l’État membre ou le pays tiers où se trouvent les biens, lorsque l’assurance est relative soit à des immeubles, soit à des immeubles et à leur contenu, dans la mesure où celui-ci est couvert par la même police d’assurance; b) l’État membre ou le pays tiers d’immatriculation, lorsque l’assurance est relative à des véhicules de toute nature; 384 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In afwijking van het voorgaande lid wordt, wanneer een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1  van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijk- heidsverzekering inzake motorrijtuigen vanuit een lidstaat naar een andere lidstaat wordt verzonden, de lidstaat van bestemming, vanaf de aanvaarding van de levering door de koper, gedurende een periode van dertig dagen beschouwd als de lidstaat van het risico, zelfs indien het motorrijtuig in de lidstaat van bestemming niet officieel is geregistreerd; c) de lidstaat of het derde land waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het een overeen- komst betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie gelopen risico’s, ongeacht de tak; d) in alle gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd in a), b) of c): de lidstaat of het derde land waar een van de volgende elementen zich bevindt: i) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer; ii) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft; 37° lidstaat of derde land van de verbintenis: naargelang van het geval, de lidstaat of het derde land waar een van de volgende elementen zich bevindt: a) de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer; b) indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft; 38° “algemeen lasthebber”: een natuurlijke persoon aan wie voldoende bevoegdheden zijn verleend om de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming of, in het geval van Lloyd’s, de betrokken “underwriters” te verbinden ten opzichte van derden en om haar of hen tegenover de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaat of het land van ontvangst te vertegenwoordigen; 39° “moederonderneming”: een onderneming die de ken- merken bezit van een moedervennootschap als gedefinieerd in artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen; 40° “dochteronderneming”: een onderneming die de ken- merken bezit van een dochtervennootschap als gedefinieerd in artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederon- derneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat; 41° “nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer na- tuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door zeggenschap of deelneming, of een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon; Par dérogation à l’alinéa précédent, lorsqu’un véhicule automoteur visé à l’article 1er de la loi du 21 novembre 1989 re- lative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, est expédié d’un État membre dans un autre État membre, l’État membre de destination est réputé être celui où le risque est situé, dès acceptation de la livraison par l’acheteur, pour une période de trente jours, même si le véhicule n’a pas été officiellement immatriculé dans l’État membre de destination; c) l’État membre ou le pays tiers où le preneur a souscrit la police, s’il s’agit d’un contrat d’une durée inférieure ou égale à quatre mois, relatif à des risques encourus au cours d’un voyage ou de vacances, quelle que soit la branche concernée; d) dans tous les cas non expressément couverts sous a), b) ou c), l’État membre ou le pays tiers où l’un des éléments suivants est situé: i) la résidence habituelle du preneur; ii) l’établissement du preneur auquel le contrat se rap- porte si le preneur est une personne morale; 37° État membre ou pays tiers de l’engagement: selon le cas, l’État membre ou le pays tiers où l’un des éléments suivants est situé: a) la résidence habituelle du preneur; b) l’établissement du preneur auquel le contrat se rap- porte si le preneur est une personne morale; 38° “mandataire général”: une personne physique dotée des pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise d’assurance ou de réassurance à l’égard des tiers ou, dans le cas du Lloyd’s, des souscripteurs intéressés, et pour la ou les repré- senter dans les relations avec les autorités et les juridictions de l’État membre ou du pays d’accueil; 39°  “entreprise mère”: une entreprise qui répond aux conditions de la société mère telle que définie à l’article 6 du Code des sociétés; 40° “filiale”: une entreprise qui répond aux conditions de la société filiale telle que définie à l’article 6 du Code des sociétés; toute filiale d’une filiale est également considérée comme une filiale de l’entreprise mère qui est à la tête de ces entreprises; 41° “liens étroits”: une situation dans laquelle deux per- sonnes physiques ou morales ou plus sont liées par un lien de contrôle ou une participation, ou une situation dans laquelle deux personnes physiques ou morales ou plus sont liées de manière permanente à une seule et même personne par un lien de contrôle; 385 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 42°  “zeggenschapsband”: de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, als bedoeld in artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen, of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtsper- soon en een onderneming; 43° “deelneming”: het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming; 44° “gekwalificeerde deelneming”: het rechtstreeks of on- rechtstreeks bezit van ten minste 10 % van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend over- eenkomstig de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen en haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsga- rantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen; 45°  “intragroeptransactie”: een verrichting waarbij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming direct of indi- rect steunt op andere ondernemingen in dezelfde groep of op een natuurlijke of rechtspersoon die door nauwe banden verbonden is met de ondernemingen in die groep, om te voldoen aan een verplichting, al dan niet contractueel en al dan niet tegen betaling; 46°  “gereglementeerde markt”: een van de volgende markten: a) in het geval van een markt in een lidstaat: een geregle- menteerde markt in de zin van artikel 2, eerste lid, 5° of 6° van de wet van 2 augustus 2002; b)  in het geval van een markt in een derde land: een financiële markt die aan de volgende voorwaarden voldoet: — de markt is erkend door de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming en beantwoordt aan vereisten die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 be- treffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad; en — de financiële instrumenten die op deze markt worden verhandeld, zijn van een kwaliteit die vergelijkbaar is met die van de instrumenten die op de gereglementeerde markt(en) van de lidstaat van herkomst worden verhandeld; 42° “lien de contrôle”: le lien qui existe entre une entreprise mère et une entreprise filiale, tel que visé à l’article 5 du Code des sociétés, ou une relation de même nature entre toute personne physique ou morale et une entreprise; 43° “participation”: le fait de détenir, directement ou par le biais d’un lien de contrôle, au moins 20 % des droits de vote ou du capital d’une entreprise; 44° “participation qualifiée”: la détention, directe ou indi- recte, de 10 % au moins du capital d’une société ou des droits de vote attachés aux titres émis par cette société, ou toute autre possibilité d’exercer une influence notable sur la gestion de la société dans laquelle est détenue une participa- tion; le calcul des droits de vote s’établit conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, ainsi qu’à celles de ses arrêtés d’exécution; il n’est pas tenu compte des droits de vote ou des actions détenues à la suite de la prise ferme d’instruments financiers et/ou du placement d’instruments financiers avec engagement ferme, pour autant que, d’une part, ces droits ne soient pas exercés ni utilisés autrement pour intervenir dans la gestion de l’émetteur et que, d’autre part, ils soient cédés dans un délai d’un an après leur acquisition; 45° “transaction intragroupe”: toute transaction par laquelle une entreprise d’assurance ou de réassurance recourt direc- tement ou indirectement à d’autres entreprises du même groupe ou à toute personne physique ou morale liée aux entreprises de ce groupe par des liens étroits, pour l’exécution d’une obligation, contractuelle ou non, à titre onéreux ou non; 46° “marché réglementé”: l’un des marchés suivants: a) dans le cas d’un marché situé dans un État membre, un marché réglementé au sens de l’article 2, alinéa 1er, 5° ou 6°, de la loi du 2 août 2002; b) dans le cas d’un marché situé dans un pays tiers, un marché financier qui remplit les conditions suivantes: — il est reconnu par l’État membre d’origine de l’entreprise d’assurance et satisfait à des exigences comparables à celles prévues par la directive 2004/39/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 concernant les marchés d’ins- truments financiers, modifiant les directives 85/611/CEE et 93/6/CEE du Conseil et la directive 2000/12/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 93/22/CEE; et — les instruments financiers qui y sont négociés sont d’une qualité comparable à celle des instruments négociés sur le marché ou les marchés réglementés de l’État membre d’origine; 386 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 47° “beleggingsonderneming”: een beleggingsonderne- ming in de zin van artikel 44 van de wet van 6 april 1995; 48° “financiële instelling”: een onderneming die geen kre- dietinstelling is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het uitoefenen van een of meer van de werkzaamheden als bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst opgenomen in artikel 4 van de wet van 25 april 2014; 49°  “financiële onderneming”: een van de volgende entiteiten: a) een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° of een gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15) van Richtlijn 2002/87/EG; b) een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van artikel 89, lid 1, onder b) ii), van Verordening nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 be- treffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; c) een beleggingsonderneming; 50° “collectieve beleggingsonderneming”: een collectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen; 51° “beheervennootschap van instellingen voor collec- tieve belegging”: een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen; 52° “alternatieve instelling voor collectieve belegging of “AICB””: een instelling voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 2° van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; 53° “beheerder van alternatieve instellingen voor collec- tieve belegging”: een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook “AICB-beheerder” genoemd; 54° “uitbesteding”: een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een verzekerings- of herverzekerings- onderneming en een al dan niet onder toezicht staande dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener hetzij rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding een 47° “entreprise d’investissement”: une entreprise d’inves- tissement au sens de l’article 44 de la loi du 6 avril 1995; 48° “établissement financier”: une entreprise autre qu’un établissement de crédit, dont l’activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014; 49° “entreprise financière”: l’une des entités suivantes: a) une entreprise d’assurance ou de réassurance ou une société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5°, ou une compagnie financière mixte au sens de l’article 2, point 15) de la Directive 2002/87/CE; b)  un établissement de crédit au sens de l’article 1er, § 3 de la loi du 25 avril 2014, un établissement financier, ou une entreprise de services bancaires auxiliaires au sens de l’article 89, paragraphe 1er, b), ii), du Règlement n°575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d’investissement et modifiant le règlement (UE) n°648/2012; c) une entreprise d’investissement; 50°  “organisme de placement collectif”: un organisme de placement collectif au sens de l’article 3, 1° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances; 51° “société de gestion d’organismes de placement col- lectif”: une société de gestion d’organismes de placement collectif au sens de l’article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 rela- tive aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances; 52°  “organisme de placement collectif alternatif ou “OPCA””: un organisme de placement collectif au sens de l’article 3, 2° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires; 53°  “gestionnaire d’organismes de placement collectif alternatifs”: un gestionnaire d’organismes de placement collectif alternatifs au sens de l’article 3, 13° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après également “ges- tionnaire d’OPCA”;  54° “sous-traitance”: un accord, quelle que soit sa forme, conclu entre une entreprise d’assurance ou de réassurance et un prestataire de services, soumis ou non à un contrôle, en vertu duquel ce prestataire de services exécute, soit directement, soit en recourant lui-même à la sous-traitance, 387 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 proces, een dienst of een activiteit uitvoert die anders door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf zou worden uitgevoerd; 55°  “functie”: in een governancesysteem: een interne capaciteit om praktische taken uit te voeren; een governance- systeem omvat de risicobeheerfunctie, de compliancefunctie, de interneauditfunctie en de actuariële functie; 56° “verzekeringstechnisch risico”: het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verze- keringsverplichtingen door een ondeugdelijke prijsstelling en inadequate hypothesen met betrekking tot de voorzieningen; 57° “marktrisico”: het risico op verliezen of op een ongun- stige verandering in de financiële positie als direct of indirect gevolg van schommelingen in het niveau en in de volatiliteit van de marktprijzen van activa, verplichtingen en financiële instrumenten; 58° “kredietrisico”: het risico op verliezen of op een on- gunstige verandering in de financiële positie als gevolg van schommelingen in de kredietwaardigheid van emittenten van effecten, tegenpartijen en debiteuren waaraan verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen in de vorm van een tegenpartijrisico, spreadrisico of marktrisicoconcentraties blootstaan; 59° “gekwalificeerde centrale tegenpartij”: een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeen- komstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters of die overeenkomstig artikel 25 van die Verordening erkend is; 60° “operationeel risico”: het risico op verliezen door inade- quate of falende interne procedures, personeel of systemen of door externe gebeurtenissen; 61°  “liquiditeitsrisico”: “het risico dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen geen beleggingen en an- dere activa te gelde kunnen maken om aan hun financiële verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar worden; 62° “concentratierisico”: alle risicoposities waaraan een potentieel verlies verbonden is dat groot genoeg is om de solvabiliteit of de financiële positie van verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen in gevaar te brengen; 63° “risicomatigingstechnieken”: alle technieken waarmee verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun risico’s deels of in hun geheel kunnen overdragen aan een andere partij; 64° “diversificatie-effecten”: de vermindering van de risico- positie van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en -groepen die verband houdt met de diversificatie van hun activiteiten en die voortvloeit uit het feit dat het tegenvallende un processus, un service ou une activité qui, autrement, serait exécuté par l’entreprise d’assurance ou de réassurance elle-même; 55° “fonction” dans un système de gouvernance: une capa- cité interne d’accomplir des tâches concrètes; un système de gouvernance comprend la fonction de gestion des risques, la fonction de vérification de la conformité, la fonction d’audit interne et la fonction actuarielle; 56°  “risque de souscription”: le risque de perte ou de changement défavorable de la valeur des engagements d’assurance en raison d’hypothèses inadéquates en matière de tarification et de provisionnement; 57° “risque de marché”: le risque de perte ou de change- ment défavorable de la situation financière résultant, direc- tement ou indirectement, de fluctuations affectant le niveau et la volatilité de la valeur de marché des actifs, des passifs et des instruments financiers; 58° “risque de crédit”: le risque de perte, ou de changement défavorable de la situation financière, résultant de fluctua- tions affectant la qualité de crédit d’émetteurs de valeurs mobilières, de contreparties ou de tout débiteur auquel les entreprises d’assurance ou de réassurance sont exposées sous forme de risque de contrepartie, de risque lié à la fluc- tuation de la marge ou de concentration du risque de marché; 59° “contrepartie centrale éligible”: une contrepartie cen- trale qui a été soit agréée conformément à l’article 14 du règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux, soit reconnue conformément à l’article 25 dudit règlement; 60° “risque opérationnel”: le risque de perte résultant de processus ou procédures internes, de membres du personnel ou de systèmes inadéquats ou défaillants, ou d’événements extérieurs; 61° “risque de liquidité”: le risque, pour les entreprises d’assurance ou de réassurance, de ne pas pouvoir réaliser leurs investissements et autres actifs en vue d’honorer leurs engagements financiers au moment où ceux-ci deviennent exigibles; 62° “risque de concentration”: toutes les expositions au risque qui sont assorties d’un potentiel de perte suffisamment important pour menacer la solvabilité ou la situation financière des entreprises d’assurance ou de réassurance; 63° “techniques d’atténuation du risque”: toutes les tech- niques qui permettent aux entreprises d’assurance ou de réassurance de transférer tout ou partie de leurs risques à une autre partie; 64° “effets de diversification”: la réduction de l’exposition au risque qu’entraîne le fait, pour les entreprises et groupes d’assurance ou de réassurance, de diversifier leurs activités, dès lors que le résultat défavorable d’un risque peut être 388 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 resultaat uit hoofde van het ene risico kan worden gecom- penseerd met het meevallende resultaat uit hoofde van een ander risico, wanneer er geen volledige correlatie tussen deze risico’s bestaat; 65°  “kansverdelingsprognose”: een wiskundige functie waarbij een volledige reeks van elkaar uitsluitende toekom- stige gebeurtenissen wordt gekoppeld aan een kans dat deze zich daadwerkelijk voordoen; 66° “risicomaatstaf”: een wiskundige functie waarbij een financieel bedrag wordt gekoppeld aan een bepaalde kansver- delingsprognose en die monotoon toeneemt met de omvang van de risicopositie die aan deze kansverdelingsprognose ten grondslag ligt; 67°  “externe kredietbeoordelingsinstelling” of “EKBI”: een ratingbureau dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009  van het Europees Parlement en de Raad geregistreerd of gecertificeerd is, of een centrale bank die kredietbeoordelingen afgeeft die van de toepassing van die Verordening zijn ontheven; 68° “technische voorzieningen”: reserves aangelegd door de onderneming ter nakoming van de verzekerings- of herver- zekeringsverplichtingen die op haar rusten ten aanzien van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten betreffende zowel de lopende als de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig vereffend zijn; 69° “financiële informatie”: de kwantitatieve gegevens die met toepassing van deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG worden opgevraagd, met inbegrip van de boekhoudkundige gegevens; 70° “saneringsmaatregelen”: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een verzekeringsonderne- ming in stand te houden of te herstellen en die de bestaande rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming zelf aantasten. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht bestaan deze maatregelen in: a) de daden van beschikking als bedoeld in artikel 519 van deze wet; b) de in artikel 517, § 1, 4° en 7° van deze wet bedoelde maatregelen; c) de in de artikelen 546 en 547 bedoelde maatregelen die buiten een liquidatieprocedure zijn vastgesteld; 71° “liquidatieprocedure”: een collectieve procedure die het te gelde maken van de activa van een verzekerings- onderneming en het verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of vennoten behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van administratieve of rech- terlijke instanties behelst, ongeacht of de procedure op insol- ventie berust en of de procedure vrijwillig dan wel verplicht is. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met een faillissement als geregeld bij de compensé par le résultat plus favorable d’un autre risque, lorsque ces risques ne sont pas parfaitement corrélés; 65° “distribution de probabilité prévisionnelle”: une fonction mathématique qui affecte à un ensemble exhaustif d’évé- nements futurs mutuellement exclusifs une probabilité de réalisation; 66° “mesure de risque”: une fonction mathématique qui affecte un montant monétaire à une distribution de probabilité prévisionnelle donnée et qui augmente de façon monotone avec le niveau d’exposition au risque sous-tendant cette distribution de probabilité prévisionnelle; 67°  “établissement externe d’évaluation du crédit” ou “EEEC”: une agence de notation de crédit qui est enregistrée ou certifiée conformément au Règlement (CE) n° 1060/2009 du Parlement européen et du Conseil ou une banque centrale émettant des notations de crédit qui sont dispensées de l’application dudit règlement; 68°  “provisions techniques”: réserves constituées par l’entreprise pour faire face à ses engagements d’assurance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance ou bénéficiaires des contrats de réassurance, concernant tant les contrats en cours que les contrats échus et non entièrement liquidés; 69° “informations financières”: les données quantitatives exigées en application de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, en ce compris les données comptables; 70° “mesures d’assainissement”: les mesures destinées à préserver ou à rétablir la situation financière d’une entre- prise d’assurance et qui affectent les droits préexistants des parties autres que l’entreprise d’assurance elle-même. Pour les entreprises de droit belge, ces mesures correspondent a) aux actes de disposition visés à l’article 519 de la pré- sente loi; b) aux mesures visées à l’article 517, § 1er, 4° et 7° de la présente loi; c) aux mesures visées aux articles 546 et 547 adoptées en dehors d’une procédure de liquidation; 71° “procédure de liquidation”: une procédure collective entraînant la réalisation des actifs d’une entreprise d’assu- rance et la répartition du produit entre les créanciers, les actionnaires ou associés et entraînant nécessairement une intervention d’autorités administratives ou judiciaires, que la procédure soit fondée ou non sur l’insolvabilité et que la pro- cédure soit volontaire ou obligatoire. Pour les entreprises de droit belge, une telle procédure correspond à la faillite régie par la loi du 8 août 1997 sur les faillites et aux procédures 389 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 faillissementswet van 8 augustus 1997 en met de collectieve liquidatieprocedures als bedoeld in Boek IV, Titel IX, van het Wetboek van Vennootschappen; 72° “saneringsautoriteiten”: de administratieve of rechter- lijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van sanerings- maatregelen. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht zijn dit de Koning en de Bank wat hun respectieve bevoegdheden inzake saneringsmaatregelen betreft; 73° “liquidatieautoriteiten”: de administratieve of rechter- lijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatie- procedures. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht is dit de rechtbank van koophandel wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen en gedwongen ontbindingen betreft en de Bank wat haar bevoegdheid in alle andere liqui- datieprocedures betreft; 74° “saneringscommissaris”: elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaat- regelen te beheren; 75° “liquidateur”: elke persoon of elk orgaan aangesteld door een liquidatieautoriteit of aangewezen overeenkomstig de wettelijke of statutaire regels om liquidatieprocedures te beheren; 76° “schuldvordering uit hoofde van verzekering”: ieder bedrag dat door een verzekeringsonderneming verschuldigd is aan verzekerden, verzekeringnemers, begunstigden of benadeelden die een rechtstreekse vordering hebben tegen de verzekeringsonderneming en dat uit een verzekerings- overeenkomst voortvloeit, met inbegrip van de gereserveerde bedragen voor de voornoemde personen, zolang niet alle elementen van de schuld bekend zijn. De terug te betalen premies die een verzekeringsonderneming als gevolg van de niet-sluiting, de annulering of de opzegging van die verzekeringsovereenkomsten overeenkomstig het op die overeenkomsten toepasselijke recht verschuldigd is vóór de opening van de liquidatieprocedure, worden ook beschouwd als schuldvorderingen uit hoofde van verzekering; 77° “strategische beslissing”: een beslissing die een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de onderneming, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsre- latie van de onderneming, met name een beslissing tot aan- koop of oprichting van een andere onderneming, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere lidstaat of derde land, tot het sluiten van een samenwerkingsovereen- komst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslis- singen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze wet, met name rekening houdend met het risicopro- fiel en de aard van de activiteiten van de ondernemingen. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar; collectives de liquidation visées au Livre IV, Titre IX, du Code des sociétés; 72° “autorités d’assainissement”: les autorités adminis- tratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d’assainissement. Pour les entreprises de droit belge, ces autorités sont le Roi et la Banque en ce qui concerne leurs compétences respectives en matière de mesures d’assainissement; 73° “autorités de liquidation”: les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liqui- dation. Pour les entreprises de droit belge, une telle autorité correspond au tribunal de commerce en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite et de dissolution forcée et à la Banque pour ce qui concerne sa compétence dans toutes les autres procédures de liquidation; 74° “commissaire à l’assainissement”: toute personne ou tout organe nommé par une autorité d’assainissement en vue de gérer des mesures d’assainissement; 75° “liquidateur”: toute personne ou tout organe nommé par une autorité de liquidation ou désigné conformément aux règles légales et statutaires en vue de gérer des procédures de liquidation; 76° “créance d’assurance”: tout montant qui est dû par une entreprise d’assurance à des assurés, des preneurs d’assurance, des bénéficiaires ou à toute personne lésée disposant d’un droit d’action direct à l’encontre de l’entreprise d’assurance et qui résulte d’un contrat d’assurance, y compris les montants mis en réserve pour les personnes précitées, tant que tous les éléments de la dette ne sont pas encore connus. Les primes à rembourser dues par une entreprise d’assurance par suite de la non-conclusion, de l’annulation ou de la résiliation de contrats d’assurance, conformément à la loi applicable à ces contrats, avant l’ouverture de la procédure de liquidation, sont aussi considérées comme des créances d’assurance; 77° “décision stratégique”: , une décision, dès lors qu’elle est d’une certaine importance et dès lors susceptible d’avoir un impact plus global sur l’entreprise dans la mesure où dif- férentes fonctions de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinves- tissement, participation ou relation de coopération stratégique de l’entreprise, notamment, une décision d’acquisition ou de constitution d’une autre entreprise, de constitution d’une joint venture, d’établissement dans un autre État membre ou pays tiers, de conclusion d’accords de coopération, d’apport ou d’acquisition d’une branche d’activité, de fusion ou de scis- sion. La Banque, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente loi en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des entreprises. Elle publie ces précisions; 390 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 78° “winstdeling”: bedrag van alle of een deel van de winst van de verzekeringsonderneming die aan de verzekerings- overeenkomsten wordt toegekend; 79° “verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand”: een maatschappij als bedoeld in de artikelen 43bis, § 5 en 70, §§ 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; 80°  “toezichthouder”: de overheidsinstantie of over- heidsinstanties die op grond van het nationaal recht van een lidstaat met toepassing van Richtlijn 2009/138/CE ge- machtigd is of zijn toezicht uit te oefenen op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 81° “autoriteit van een derde land”: autoriteit die belast is het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen in een derde land; 82° “de Bank”: de Nationale Bank van België, als bedoeld in de wet van 22 februari 1998; 83°  “de FSMA”, de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, als bedoeld in artikel 44  van de wet van 2 augustus 2002; 84°  “de Controledienst voor de ziekenfondsen”: de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen als bedoeld in artikel 49 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de lands- bonden van ziekenfondsen; 85° “Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds”: het Gemeenschappelijk Waarborgfonds als bedoeld in artikel 19bis-2 van de wet van 21 november 1989 betreffende de ver- plichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; 86° “Belgisch Bureau”: het Belgisch nationaal verzeke- ringsbureau als bedoeld in artikel 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijk- heidsverzekering inzake motorrijtuigen; 87°  “Fonds voor arbeidsongevallen”: het Fonds voor Arbeidsongevallen als bedoeld in artikel 57 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen; 88° “ESRB”: het Europees Comité voor Systeemrisico’s opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s; 89° “EIOPA”: de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen als bedoeld in Verordening 1094/2010; 90°  “EBA”: de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010  van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese 78° “participation bénéficiaire”: montant de tout ou partie des bénéfices de l’entreprise d’assurance qui est octroyé aux contrats d’assurance; 79° “société mutualiste d’assurance”: une société visée aux articles 43bis, §  5, et 70, §§  6, 7  et 8, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités; 80° “autorité de contrôle”: l’autorité publique ou les autori- tés publiques habilitées, en vertu du droit national d’un État membre en application de la Directive 2009/138/CE, à contrô- ler les entreprises d’assurance ou de réassurance; 81° “autorité de pays tiers”: une autorité en charge du contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance au sein d’un pays tiers; 82° “la Banque”: la Banque nationale de Belgique, visée dans la loi du 22 février 1998; 83° “la FSMA”: l’Autorité des services et marchés finan- ciers, visée à l’article 44 de la loi du 2 août 2002; 84°  “l’Office de contrôle des mutualités”: l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutuali- tés, tel que visé à l’article 49 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités; 85°  “Fonds commun de garantie belge”: le Fonds commun de Garantie visé à l’article 19bis-2  de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs; 86° “Bureau belge”: le Bureau national belge d’assurance visé à l’article 19bis-1 de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs; 87° “Fonds des accidents du travail”: le Fonds des acci- dents du travail visé à l’article 57 de la loi du 10 avril 1971 rela- tive aux accidents du travail; 88° “CERS”: le Comité européen du risque systémique institué par le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la surveillance macroprudentielle du système financier dans l’Union européenne et instituant un Comité européen du risque systémique; 89°  “EIOPA”, l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles, instituée par le Règlement 1094/2010; 90° “ABE”: l’Autorité bancaire européenne instituée dans le règlement (UE) n° 1093/2010  du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), 391 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie. TITEL IV Gereserveerde namen Art. 16 In België mogen alleen de volgende ondernemingen publiekelijk gebruikmaken van de termen “verzekeringson- derneming”, “herverzekeringsonderneming”, “verzekeraar” of “herverzekeraar” of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of reclame: 1°   i n B e l g i ë g e ve s t i g d e ve r z e ke r i n g s - o f herverzekeringsondernemingen; 2° verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die in België werkzaam zijn overeenkomstig de artikelen 556 en 600. Evenwel, 1° geldt het eerste lid, wat de termen “verzekering” en “herverzekering” betreft, niet voor de organisaties naar inter- nationaal publiekrecht die actief zijn in de verzekerings- of herverzekeringssector en waarbij een of meer lidstaten zijn aangesloten; 2° geldt het eerste lid, wat de termen “verzekeringsonder- neming” en “herverzekeringsonderneming” betreft, niet voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die in België geen ver- zekerings- of herverzekeringsactiviteiten mogen uitoefenen en die openbaar beleggingsinstrumenten aanbieden of die verzoeken om beleggingsinstrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsin- strumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, voor wat de voornoemde openbare aanbiedingen of verzoeken tot toelating van beleggingsinstrumenten betreft; 3°  mogen verzekeringsholdings gebruikmaken van de term “verzekering” in de uitdrukking “verzekeringsholding” of in soortgelijke uitdrukkingen; ook gemengde financiële holdings en gemengde verzekeringsholdings mogen van de term “verzekering” gebruikmaken in de uitdrukkingen “bankverzekeringsholding” of “verzekeringsbankieren” of in soortgelijke uitdrukkingen. Bij gevaar voor verwarring kan de Bank van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een buitenlands recht ressorteren en die gerechtigd zijn om in België de in het eerste lid bedoelde termen te gebruiken, eisen dat er aan hun naam een verklarende vermelding wordt toegevoegd. modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission. TITRE IV Dénominations réservées Art. 16 Peuvent seuls faire usage public en Belgique des termes “entreprise d’assurance”, “entreprise de réassurance”, “assureur” ou “réassureur” ou plus généralement des termes faisant référence au statut d’entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité: 1° les entreprises d’assurance ou de réassurance établies en Belgique; 2° les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit étranger opérant en Belgique conformément aux articles 556 et 600. Toutefois, 1° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne les termes “assurance” et “réassurance” aux organisations de droit international public actives dans le secteur de l’assu- rance ou de la réassurance dont un ou plusieurs des États membres sont membres; 2° l’alinéa 1er n’est pas applicable, en ce qui concerne les termes “entreprise d’assurance” et “entreprise de réas- surance”, aux entreprises d’assurance ou de réassurance relevant d’un droit étranger et non autorisées à exercer des activités d’assurance ou de réassurance en Belgique et qui procèdent à des offres publiques d’instruments de place- ment ou à des admissions d’instruments de placement à la négociation sur un marché réglementé au sens de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d’instruments de placement et aux admissions d’instruments de placement à la négociation sur un marché réglementé, et ce, pour les besoins des offres et admissions d’instruments de placement précitées; 3° les sociétés holding d’assurance peuvent faire usage du terme “assurance” dans l’expression “holding d’assurance” ou dans des expressions similaires; les compagnies financières mixtes et les sociétés holding mixtes d’assurance peuvent, de leur côté, faire usage du terme “assurance” dans les expressions “holding de bancassurance” ou “assurfinance” ou dans des expressions similaires. Dans les cas où il y aurait un risque de confusion, la Banque peut imposer aux entreprises d’assurance ou de réassurance relevant d’un droit étranger habilités à user en Belgique des termes prévus à l’alinéa 1er, l’adjonction à leur dénomination d’une mention explicative. 392 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Dit artikel doet geen afbreuk aan artikel 265 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. BOEK II VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDERNEMINGEN NAAR BELGISCH RECHT TITEL I Toegang tot het bedrijf HOOFDSTUK I Vergunning Afdeling I Vergunningsplicht Art. 17 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die in België een onder deze wet vallende verzekeringsactiviteit of herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen, moet, vooraleer deze aan te vatten, een vergunning verkrijgen. Art. 18 De in artikel 17 bedoelde vergunning wordt verleend: 1° wat het verzekeringsbedrijf betreft, voor een of meer tak- ken als vermeld in Bijlage I of Bijlage II; de vergunning geldt voor de volledige tak, tenzij de aanvrager slechts een gedeelte van de tot deze tak behorende risico’s wenst te dekken; 2° wat het herverzekeringsbedrijf betreft, voor de herverze- keringsactiviteit “niet-leven”, voor de herverzekeringsactiviteit “leven” of voor beide types van herverzekeringsactiviteiten. De vergunning bedoeld in het eerste lid, 1° kan binnen de door de Bank bepaalde grenzen gecumuleerd worden met de vergunning bedoeld in het eerste lid, 2°. Art. 19 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die overeenkomstig artikel 17 een vergunning heeft verkregen, dient voorafgaandelijk een uitbreiding van haar vergunning aan te vragen wanneer zij haar activiteiten wenst uit te brei- den, respectievelijk: 1° tot een of meer andere verzekeringstakken; 2° tot andere delen van verzekeringstakken; 3° tot andere herverzekeringsactiviteiten, Le présent article est sans préjudice de l’article 265 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances. LIVRE II DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE RÉASSURANCE DE DROIT BELGE TITRE IER De l’accès à l’activité CHAPITRE IER Agrément Section Ire Obligation d’agrément Art. 17 Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui entendent exercer en Belgique une activité d’assurance ou de réassurance relevant de la présente loi sont tenues, avant de commencer leur activité, de se faire agréer. Art. 18 L’agrément visé à l’article 17 est accordé: 1° en ce qui concerne l’activité d’assurance, pour une ou plusieurs branches mentionnées à l’Annexe I ou à l’Annexe II; il couvre la branche entière sauf si le demandeur ne désire garantir qu’une partie des risques relevant de cette branche; 2° en ce qui concerne l’activité de réassurance, pour l’acti- vité de réassurance non-vie, pour l’activité de réassurance vie ou pour les deux types d’activité de réassurance. L’agrément visé à l’alinéa 1er, 1° peut, dans les limites fixées par la Banque, être cumulé avec celui visé à l’alinéa 1er, 2°. Art. 19 Toute entreprise d’assurance ou de réassurance agréée conformément à l’article 17, est tenue de solliciter préalable- ment une extension de son agrément lorsqu’elle souhaite étendre ses activités, respectivement: 1° à une ou plusieurs autres branches d’assurance; 2° à d’autres parties de branches d’assurance; 3° à d’autres activités de réassurance, 393 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dan deze die door de eerder verleende vergunning zijn gedekt. Art. 20 De verzekeringsondernemingen die onder de toepassing van deze wet vallen, mogen onverminderd artikel 21, § 2, de in artikel 10 bedoelde hulpverleningsactiviteit slechts uitoefenen indien zij een vergunning hebben verkregen voor tak 18 als vermeld in Bijlage I. In dat geval is deze wet van toepassing op die activiteit. Art. 21 § 1. De risico’s die tot een tak behoren kunnen niet in een andere tak worden ingedeeld, met uitzondering van de in dit artikel vermelde gevallen. § 2. Een verzekeringsonderneming die een vergunning heeft verkregen voor een hoofdrisico dat tot een in Bijlage I vermelde tak behoort, mag ook risico’s verzekeren die tot een andere tak behoren zonder dat voor deze risico’s een vergunning is vereist, mits deze risico’s als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd en aan alle volgende voorwaarden voldoen: 1° deze risico’s hangen samen met het hoofdrisico; 2° ze hebben betrekking op een persoon, een goed of een object die of dat verzekerd is tegen het hoofdrisico; 3° ze zijn gedekt door de dezelfde overeenkomst als een hoofdrisico of door een samenhangende overeenkomst die slechts bestaat en uitwerking heeft voor zover de hoofdverze- keringsovereenkomst zelf bestaat en uitwerking heeft. § 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de risico’s die tot de in Bijlage I vermelde takken 14, 15 en 17 behoren, niet als bijkomende risico’s van andere takken worden beschouwd. De rechtsbijstandsverzekering bedoeld in tak 17 als ver- meld in Bijlage I kan echter als een bijkomend risico van tak 18 worden beschouwd wanneer de voorwaarden van para- graaf 2 en een van de volgende twee voorwaarden vervuld zijn: 1° het hoofdrisico heeft alleen betrekking op het bieden van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden; 2° de verzekering heeft betrekking op geschillen of risico’s die voortvloeien uit of samenhangen met het gebruik van zeeschepen. que celles couvertes par l’agrément antérieurement accordé. Art. 20 Les entreprises d’assurance soumises à la présente loi ne peuvent pratiquer l’activité d’assistance visée à l’ar- ticle 10 qu’à la condition qu’elles aient reçu un agrément pour la branche 18 mentionnée à l’Annexe I et ce sans préjudice de l’article 21, § 2. Dans ce cas, la présente loi s’applique à cette activité. Art. 21 § 1er. Les risques compris dans une branche ne peuvent être classés dans une autre branche, sauf les cas prévus au présent article. § 2. Une entreprise d’assurance qui a obtenu l’agrément pour un risque principal appartenant à une branche men- tionnée à l’Annexe I peut également garantir des risques compris dans une autre branche sans avoir besoin d’obtenir l’agrément pour ces risques, dès lors que ceux-ci peuvent être considérés comme accessoires moyennant le respect de l’ensemble des conditions suivantes: 1° ces risques sont liés au risque principal; 2° ils concernent une personne, un bien ou un objet qui est couvert contre le risque principal; 3° ils sont garantis par le même contrat qu’un risque prin- cipal ou par un contrat connexe qui n’a d’existence et d’effet que dans la mesure où le contrat d’assurance principal a lui-même existence et effet. § 3. Par dérogation au paragraphe 2, les risques compris dans les branches 14, 15 et 17 mentionnées à l’Annexe I ne peuvent être considérés comme des risques accessoires d’autres branches. Toutefois, l’assurance protection juridique visée à la branche 17 mentionnée à l’Annexe I peut être considérée comme un risque accessoire de la branche 18 lorsque les conditions énoncées au paragraphe 2  et l’une des deux conditions suivantes sont remplies: 1° le risque principal ne concerne que l’assistance four- nie aux personnes en difficulté au cours de déplacements, d’absences de leur domicile ou de leur résidence habituelle; 2° l’assurance concerne des litiges ou des risques qui résultent de l’utilisation de navires maritimes ou qui sont en rapport avec cette utilisation. 394 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Procedure Art. 22 Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voor- gelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden bevat, alsook een beschrijving van het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en van de nauwe banden die zij met andere personen heeft. De aanvragers verstrekken alle inlichtingen die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen. Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaar- den houdt de Bank rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij overeenkomstig artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt. Art. 23 De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrecht- streeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De kennisgeving moet ver- melden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten. Bij gebreke van gekwalificeerde deelneming heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie. Art. 24 § 1. Wanneer de te dekken risico’s behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, voegt de onderneming die de vergunning aanvraagt, bij haar aanvraag eveneens: 1° het bewijs van haar aansluiting bij het Belgisch Bureau en bij het Gemeenschappelijk Waarborgfonds; 2° voor zover de te dekken risico’s niet alleen betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder, de naam en het adres van alle schaderegelaars die overeenkomstig artikel 12 van de voornoemde wet van 21 november 1989 in elke andere lidstaat zijn aangewezen, evenals het bewijs dat deze schaderegelaars voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, § 1, tweede lid in fine en § 5 van de voornoemde wet van 21 november 1989. § 2. Wanneer de te dekken risico’s betrekking hebben op de arbeidsongevallenverzekering als bedoeld in de arbeids- ongevallenwet van 10 april 1971, voegt de onderneming bij haar aanvraag: Section II Procédure Art. 22 La demande d’agrément est soumise à la Banque, accom- pagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions qu’elle fixe et qui comporte notamment le programme d’acti- vités visé à l’article 35 ainsi que la description du système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance et de ses liens étroits avec d’autres personnes. Les demandeurs fournissent tous renseignements nécessaires à l’appréciation de leur demande. La Banque fixe les conditions visées à l’alinéa  1er en tenant compte des conditions que la FSMA impose en ce qui concerne l’organisation et les procédures dont elle assure le contrôle conformément à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002. Art. 23 Le demandeur communique également à la Banque l’iden- tité des personnes physiques ou morales qui, directement ou indirectement, agissant seules ou de concert avec d’autres, détiennent dans le capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance une participation qualifiée, conférant ou non le droit de vote. La communication comporte l’indication des quotités du capital et des droits de vote détenues par ces personnes. À défaut de participation qualifiée, la communication visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt principaux action- naires et leur quotité dans le capital. Art. 24 § 1er. Lorsque les risques à couvrir relèvent de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, l’entreprise qui sollicite l’agré- ment joint également à sa demande: 1° la preuve de son affiliation au Bureau belge et au Fonds commun de garantie; 2° pour autant que les risques à couvrir ne concernent pas uniquement la responsabilité du transporteur, le nom et l’adresse de tous les représentants chargés du règlement des sinistres désignés dans chaque autre État membre, confor- mément à l’article 12 de la loi du 21 novembre 1989 précitée, ainsi que la preuve que ces représentants répondent aux conditions visées à l’article 12, § 1er, alinéa 2 in fine et § 5, de la loi du 21 novembre 1989 précitée. §  2. Lorsque les risques à couvrir concernent l’assu- rance contre les accidents du travail visée par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, l’entreprise joint à sa demande: 395 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen in ken- nis werd gesteld van de voorgenomen activiteit; 2° het bewijs dat aan het Fonds voor arbeidsongevallen een verklaring werd overgemaakt waaruit blijkt dat de onderneming op het eerste verzoek van het Fonds voor Arbeidsongevallen een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeidson- gevallenwet van 10 april 1971 zal vestigen. Art. 25 Indien de onderneming vóór de vergunningsaanvraag een verzekeringsactiviteit uitoefende waarvoor overeenkomstig deze wet geen vergunning is vereist, voegt zij bij haar aan- vraag ook de volgende documenten: 1° een gedetailleerde staat van de technische reserves en overeenstemmende beleggingen op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag; 2° een staat van de nog niet geregelde schadegevallen die aangegeven zijn vóór het begin van het kalenderjaar tijdens hetwelk de aanvraag wordt ingediend. Indien de onderneming vóór de aanvraag een andere activiteit uitoefende, kan de Bank alle inlichtingen verlangen over haar financiële positie en haar verrichtingen, van welke aard die ook zijn. Art. 26 De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderne- ming is van een onderneming die van de FSMA een vergun- ning heeft verkregen, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een onderneming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als een onder- neming die van de FSMA een vergunning heeft verkregen. Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming die hetzij de dochteronderneming is van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheer- vennootschap van instellingen voor collectieve belegging, waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve be- legging, waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat een vergunning is verleend, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheer- vennootschap van instellingen voor collectieve belegging, 1° la preuve que le Fonds des accidents du travail a été informé de l’activité envisagée; 2° la preuve qu’une déclaration a été transmise au Fonds des accidents du travail aux termes de laquelle l’entreprise constituera, à la première demande du Fonds des accidents du travail, la garantie bancaire visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. Art. 25 Si l’entreprise exerçait avant la demande d’agrément une activité d’assurance qui ne requiert pas un agrément confor- mément à la présente loi, elle joint en outre à sa demande les documents suivants: 1° un état détaillé des réserves techniques et des place- ments correspondants au moment de l’introduction de la demande d’agrément; 2° un état des sinistres déclarés avant le début de l’année civile au cours de laquelle est déposée la demande, et non encore réglés. Si l’entreprise exerçait avant la demande une autre acti- vité, la Banque peut exiger tous renseignements au sujet de la situation financière et de ses opérations quelles qu’elles soient. Art. 26 La Banque consulte la FSMA avant de se prononcer sur la demande d’agrément sollicité par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance qui est soit la filiale d’une entreprise agréée par la FSMA, soit la filiale de l’entreprise mère d’une entreprise agréée par la FSMA, soit encore contrôlée par les mêmes personnes physiques ou morales qu’une entreprise agréée par la FSMA. Lorsque l’agrément est sollicité par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance qui est soit la filiale d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un établis- sement de crédit, d’une entreprise d’investissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’orga- nismes de placement collectif, agréé conformément au droit d’un autre État membre, soit la filiale de l’entreprise mère d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’investissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’orga- nismes de placement collectif, agréé conformément au droit d’un autre État membre, soit encore contrôlé par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, un établissement de crédit, une entreprise d’investissement, un gestionnaire d’OPCA ou une société de gestion d’organismes de placement collectif, agréé conformément au droit d’un autre État membre, avant de se prononcer sur la demande, la Banque consulte les autorités compétentes de ces autres 396 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 waaraan overeenkomstig het recht van een andere lidstaat een vergunning is verleend, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de AICB- beheerders of de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging. De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten als bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, overeenkomstig de artikelen 39 en 40, wanneer deze aan- deelhouder een onderneming is als bedoeld in het eerste of tweede lid of de bij de leiding van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming betrokken persoon eveneens betrok- ken is bij de leiding van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de verantwoordelijke voor een onafhankelijke controlefunctie een dergelijke functie uitoefent bij een van de ondernemingen bedoeld in het eerste of tweede lid of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. Deze autoriteiten delen elkaar alle informatie mee die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, bij de leiding betrok- ken personen en verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Art. 27 § 1. Op advies van de FSMA beslist de Bank over de ver- gunningsaanvraag, voor wat betreft: 1°  het passende karakter van de organisatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name van haar integriteitsbeleid, als bedoeld in de artikelen 42 tot 60, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels be- doeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002; 2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen die be- last zijn met de effectieve leiding, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank. De FSMA verstrekt haar advies over de voornoemde aan- gelegenheden binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle van de vergunningaanvragende onderneming ontvangen stukken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór États membres qui contrôlent les entreprises d’assurance ou de réassurance, les établissements de crédit, les entreprises d’investissement, les gestionnaires d’OPCA ou les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif. De même, la Banque consulte préalablement les auto- rités visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2, aux fins d’évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 39 et 40, lorsque l’actionnaire est une entreprise visée à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de l’entreprise d’assurance ou de réassurance prend part également à la direction de l’une des entreprises visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou d’une entreprise qui appartient au même groupe, ou que le responsable d’une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein de l’une des entreprises visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 ou au sein d’une entreprise qui appartient au même groupe. Ces autorités se communiquent mutuellement toutes informations utiles pour l’évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes partici- pant à la direction ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa. Art. 27 § 1er. La Banque se prononce sur la demande d’agrément sur avis de la FSMA en ce qui concerne: 1° le caractère adéquat de l’organisation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment de sa politique d’intégrité, telle que visée aux articles 42 à 60, sous l’angle du respect des règles visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002; 2° l’honorabilité professionnelle des personnes appelées à être membres de l’organe légal d’administration de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, des personnes appelées à être chargées de la direction effective, ainsi que des personnes appelées à être responsables des fonctions de contrôle indépendantes, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entre- prise relevant du contrôle de la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998. La FSMA rend son avis sur les questions précitées dans un délai d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis formulée par la Banque, accompagnée de toutes les pièces reçues de l’entreprise qui sollicite l’agrément. L’absence d’avis dans ce délai est considéré comme un avis positif. Avant l’expiration du délai d’un mois, la FSMA peut 397 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken. § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de af- wijking vermeld in de motivering van de beslissing over de vergunningsaanvraag. Het voornoemde advies van de FSMA over punt 1° van paragraaf 1, eerste lid, wordt gevoegd bij de kennisgeving van de beslissing over de vergunningsaanvraag. Art. 28 De Bank verleent een vergunning aan de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die voldoen aan de voorwaar- den van Hoofdstuk II van deze Titel. De Bank spreekt zich uit over de aanvraag binnen zes maanden na de indiening van een volledig dossier. De beslissingen inzake vergunning worden binnen vijf- tien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het tweede lid. Art. 29 Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid kan de Bank voorwaarden verbinden aan de vergun- ning voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen activiteiten en, onder meer, de vergunning die voor een tak is aangevraagd, beperken tot sommige van de activiteiten die in het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden zijn opgenomen. Art. 30 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens bedoeld in artikel 22 en de eventuele wijzigingen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegd- heden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen. Art. 31 De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van EIOPA en de FSMA. De bekendmaking vermeldt de verzekeringstakken of de- len van verzekeringstakken of de herverzekeringsactiviteiten waarvoor de vergunning wordt verleend en, in voorkomend ge- val, de met toepassing van artikel 29 opgelegde beperkingen. cependant informer la Banque qu’elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l’expiration dudit délai.  § 2. Si la Banque ne tient pas compte de l’avis de la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons dans la motivation de la décision relative à la demande d’agrément. L’avis précité de la FSMA relatif au point 1° du paragraphe 1er, alinéa 1er est joint à la notification de la décision relative à la demande d’agrément. Art. 28 La Banque agrée les entreprises d’assurance et de réas- surance répondant aux conditions fixées au Chapitre II du présent Titre. La Banque statue sur la demande dans les six mois de l’introduction d’un dossier complet. Sans excéder les délais visés à l’alinéa 2, les décisions en matière d’agrément sont notifiées aux demandeurs dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. Art. 29 La Banque peut en vue d’une gestion saine et prudente assortir l’agrément de conditions relatives à l’exercice de certaines des activités projetées et, entre autres, limiter l’agré- ment demandé pour une branche à certaines des activités reprises dans le programme d’activités visé à l’article 35. Art. 30 Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance est agréée, la Banque met à la disposition de la FSMA, de manière à lui permettre d’exercer les compétences visées à l’article 45, § 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, les informations visées à l’article 22, ainsi que toute modification apportée à ces informations. Art. 31 La Banque établit une liste des entreprises d’assurance ou de réassurance agréées en vertu du présent Livre. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet et notifiées à l’EIOPA et à la FSMA. La publication mentionne les branches ou les parties de branche d’assurance ou les activités de réassurance pour lesquelles l’agrément est octroyé et, le cas échéant, les limites imposées en application de l’article 29. 398 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wanneer de vergunning wordt verleend aan een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming is van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die ressorteert onder een derde land, stelt de Bank ook de Europese Commissie en de toezichthouders van de andere lidstaten in kennis. Deze kennisgeving bevat de structuur van de betrokken groep. HOOFDSTUK II Vergunningsvoorwaarden Afdeling I Algemene bepalingen Art. 32 Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de onderneming die de vergunning aanvraagt om te voldoen aan de in Titel II van dit Boek bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van de sec- tor van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en van het financiële stelsel evenals voor de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden. Afdeling II Vennootschapsvorm en doel Art. 33 Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap, een coöperatieve vennootschap, een onderlinge verzekerings- vereniging, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap. Verzekeringsondernemingen die overeenkomstig artikel 34, § 2 een niet-levensverzekeringsactiviteit uitoefenen mogen ook worden opgericht in de vorm van een verzekeringsmaat- schappij van onderlinge bijstand. Voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen die opgericht zijn in een van de in dit artikel bedoelde vormen zonder onderworpen te zijn aan het Wetboek van Vennootschappen, gelden niettemin de verplichtingen die rusten op naamloze vennootschappen uit hoofde van de artikelen 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179, 195 en 1012 van het Wetboek van Vennootschappen. Art. 34 § 1. Onverminderd artikel 18, derde lid, Lorsque l’agrément est octroyé à une entreprise d’assu- rance ou de réassurance qui est la filiale directe ou indirecte d’une entreprise d’assurance ou de réassurance relevant du droit d’un État tiers, la Banque informe également la Commission européenne et les autorités de contrôle des autres États membres. Cette information comprend la struc- ture du groupe concerné. CHAPITRE II Conditions d’agrément Section Ire Généralités Art. 32 Outre les conditions prévues par le présent Chapitre, la Banque tient également compte de l’aptitude de l’entreprise qui sollicite l’agrément à satisfaire aux conditions d’exercice de l’activité visées au Titre II du présent Livre ainsi qu’à réa- liser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du secteur des entreprises d’assurance ou de réassurance et du système financier ainsi que la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. Section II Forme sociétaire et objet Art. 33 Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont constituées sous la forme d’une société anonyme, d’une société coopérative, d’une association d’assurance mutuelle, d’une société européenne ou d’une société coopérative européenne. En outre, les entreprises d’assurance qui exercent une activité d’assurance non-vie conformément à l’article 34, § 2, peuvent être constituées sous la forme d’une société mutualiste d’assurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance consti- tuées sous une des formes visées au présent article sans être régies par le Code des sociétés, sont néanmoins soumises aux obligations qui incombent aux sociétés anonymes en vertu des articles 67, 68, 73, 74, 75, 76, 98, 100, 101, 102, 173, 179, 195, et 1012 du Code des sociétés. Art. 34 § 1er. Sans préjudice de l’article 18, alinéa 3, 399 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1°  beperken de verzekeringsondernemingen hun doel tot de verzekeringsactiviteit en de verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit; 2° beperken de herverzekeringsondernemingen hun doel tot het herverzekeringsbedrijf en de daarmee samenhangende verrichtingen, met inbegrip van de functie van holding en activiteiten met betrekking tot de financiële sector, in de zin van artikel 2, punt 8, van Richtlijn 2002/87/EG. § 2. In afwijking van paragraaf 1 beperken de verzeke- ringsmaatschappijen van onderlinge bijstand hun activiteiten tot de ziekteverzekeringen in de zin van tak 2 als vermeld in Bijlage 1 en, aanvullend, tot de hulpverlening die behoort tot tak 18 als vermeld in Bijlage 1. Aansluiting bij de in het eerste lid bedoelde verzekeringen is voorbehouden aan de volgende personen: 1° wat de maatschappijen van onderlinge bijstand betreft die met toepassing van artikel 43bis, § 5 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de lands- bonden van ziekenfondsen zijn opgericht, de personen die zijn aangesloten bij het ziekenfonds of de ziekenfondsen die bij de verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zijn aangesloten; 2°  wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft die met toepassing van artikel 70, §§ 6, 7 en 8 van de voormelde wet van 6 augustus 1990 zijn opgericht, de in diezelfde paragrafen bedoelde personen. Afdeling III Programma van werkzaamheden Art. 35 § 1. Het in artikel 22 bedoelde programma van werkzaam- heden bevat gegevens of bewijsstukken betreffende: 1° de aard van de risico’s of de verbintenissen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming voornemens is te dekken; 2° de aard van de herverzekeringsovereenkomsten die de herverzekeringsonderneming voornemens is te sluiten met cederende ondernemingen; 3° de leidende beginselen van de verzekeringsonderne- ming op het gebied van herverzekering en van de herverze- keringsonderneming op het gebied van retrocessie; 4° de kernvermogensbestanddelen die de absolute onder- grens van het minimumkapitaalvereiste vormen; 5°  de te verwachten kosten voor de tenuitvoerlegging van het governancesysteem, met name de inrichtingskosten van de administratieve diensten en van het productienet, de 1° les entreprises d’assurance limitent leur objet à l’activité d’assurance et aux opérations qui en découlent directement, à l’exclusion de toute autre activité commerciale; 2° les entreprises de réassurance limitent leur objet à l’activité de réassurance et aux opérations liées, en ce com- pris une fonction de société holding et des activités liées au secteur financier, au sens de l’article 2, point 8) de la directive 2002/87/CE. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les sociétés mutua- listes d’assurance limitent leurs activités aux assurances maladies au sens de la branche 2 mentionnée à l’Annexe 1 et, à titre complémentaire, à l’assistance relevant de la branche 18 mentionnée à l’Annexe 1. L’affiliation aux assurances visées à l’alinéa 1er est réservée aux personnes suivantes: 1° en ce qui concerne les sociétés mutualistes créées en application de l’article 43bis, § 5, de la loi du 6 août 1990 rela- tive aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, les personnes affiliées auprès de la ou des mutualité(s) affiliée(s) à la société mutualiste d’assurance; 2° en ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance créées en application de l’article 70, §§ 6, 7 et 8, de la loi du 6 août 1990 précitée, les personnes visées dans ces mêmes paragraphes. Section III Programme d’activités Art. 35 § 1er. Le programme d’activités visé à l’article 22 comprend les indications ou justifications concernant les éléments suivants: 1° la nature des risques ou des engagements que l’entre- prise d’assurance ou de réassurance se propose de couvrir; 2° le type de contrats de réassurance que l’entreprise de réassurance se propose de conclure avec des entreprises cédantes; 3° les principes directeurs de l’entreprise d’assurance en matière de réassurance et de l’entreprise de réassurance en matière de rétrocession; 4° les éléments des fonds propres de base correspondant au seuil absolu du minimum de capital requis; 5° les prévisions relatives aux frais nécessaires à la mise en œuvre du système de gouvernance, notamment les frais d’installation des services administratifs et du réseau de 400 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 technische en financiële middelen ter dekking daarvan en, indien de te dekken risico’s behoren tot tak 18 als vermeld in Bijlage I, de middelen waarover de verzekeringsonderneming beschikt om de beloofde hulp te verlenen. § 2. Naast de vereisten van paragraaf 1 bevat het pro- gramma van werkzaamheden voor de eerste drie boekjaren: 1° een balansprognose; 2° een raming van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bepaald in artikel 151, op basis van de in 1° bedoelde ba- lansprognose, evenals de voor deze raming gehanteerde berekeningsmethode; 3°  een raming van het minimumkapitaalvereiste als bepaald in artikel 189, op basis van de in 1° bedoelde ba- lansprognose, evenals de voor deze raming gehanteerde berekeningsmethode; 4° een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste; 5° voor niet-levensverzekeringen en herverzekeringen ook het volgende: a) een raming van de beheerkosten, met uitzondering van de inrichtingskosten, met name de lopende algemene kosten en de provisies; b) een raming van de premies of bijdragen en van de schadegevallen; 6° voor levensverzekeringen ook een gedetailleerde prog- nose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven, zowel voor het directe verzekeringsbedrijf als voor aangenomen her- verzekering en overdrachten uit hoofde van herverzekering. Art. 36 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming waaraan een vergunning is verleend, een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten met toe- passing van artikel 19, legt zij overeenkomstig artikel 35 een programma van werkzaamheden voor. Afdeling IV Eigen vermogen Art. 37 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming toont aan: 1° dat zij voldoende in aanmerking komend kernvermogen aanhoudt om de absolute ondergrens te dekken van het in artikel 189, § 1, 4° bepaalde minimumkapitaalvereiste; production, les moyens techniques et financiers destinés à faire face à ces frais et, si les risques à couvrir relèvent de la branche 18 mentionnée à l’Annexe I, les moyens dont l’entre- prise d’assurance dispose pour la fourniture de l’assistance promise. § 2. Outre les éléments requis au paragraphe 1er, le pro- gramme d’activités contient, pour les trois premiers exercices: 1° un bilan prévisionnel; 2° les prévisions relatives au capital de solvabilité requis, tel que prévu à l’article 151, sur la base du bilan prévisionnel visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul utilisée pour établir ces prévisions; 3° les prévisions relatives au minimum de capital requis, tel que prévu à l’article 189, sur la base du bilan prévisionnel visé au 1°, ainsi que la méthode de calcul utilisée pour établir ces prévisions; 4° les prévisions relatives aux moyens financiers destinés à la couverture des provisions techniques, du minimum de capital requis et du capital de solvabilité requis; 5° pour l’assurance non-vie et la réassurance: a) les prévisions relatives aux frais de gestion autres que les frais d’installation, notamment les frais généraux courants et les commissions; b) les prévisions relatives aux primes ou aux cotisations et aux sinistres; 6° pour l’assurance-vie: un plan faisant apparaître d’une manière détaillée les prévisions de recettes et de dépenses tant pour les opérations directes que pour les acceptations en réassurance et les cessions en réassurance. Art. 36 L’entreprise d’assurance ou de réassurance agréée présente un programme d’activités conformément à l’ar- ticle 35 lorsqu’elle sollicite un agrément pour l’extension de ses activités en application de l’article 19.  Section IV Fonds propres Art. 37 L’entreprise d’assurance ou de réassurance démontre: 1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles néces- saires pour atteindre le seuil absolu du minimum de capital requis prévu à l’article 189, § 1er, 4°; 401 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend eigen vermogen aan te houden om doorlopend het solvabi- liteitskapitaalvereiste te dekken, overeenkomstig artikel 151; 3° dat zij in staat is om voldoende in aanmerking komend kernvermogen aan te houden om doorlopend het in arti- kel 189 bepaalde minimumkapitaalvereiste te dekken. Art. 38 § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten overeenkomstig artikel 19, toont aan dat zij be- schikt over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen om het respectievelijk in de artikelen 151 en 189 bepaalde solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste aan te houden. § 2. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzekerings- onderneming die levensverzekeringsactiviteiten uitoefent en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten, overeenkomstig artikel 223, tweede lid, tot de ri- sico’s die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, het volgende aan: 1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimum- kapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzekeringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken; 2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeenstemming met artikel 225, § 2, tweede lid. § 3. Onverminderd paragraaf 1 toont iedere verzekerings- onderneming die niet-levensverzekeringsactiviteiten uitoefent voor de risico’s die behoren tot de takken 1 of 2 als vermeld in Bijlage I, en die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar activiteiten tot levensverzekeringsrisico’s, overeen- komstig artikel 223, tweede lid, het volgende aan: 1° dat zij beschikt over voldoende in aanmerking komend kernvermogen om de absolute ondergrens van het minimum- kapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor niet-levensverzekeringsondernemingen, als bedoeld in artikel 189, § 1, 4°, d), te dekken; 2° dat zij zich ertoe verbindt doorlopend te voldoen aan de minimumverplichtingen van punt 1°, in overeenstemming met artikel 225, § 2, tweede lid. 2° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres éli- gibles nécessaires pour couvrir en permanence le capital de solvabilité requis, conformément à l’article 151; 3° qu’elle est en mesure de détenir les fonds propres de base éligibles nécessaires pour couvrir en permanence le minimum de capital requis prévu à l’article 189. Art. 38 § 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, qui sollicite un agrément pour l’extension de ses activités confor- mément à l’article 19, apporte la preuve qu’elle dispose des fonds propres éligibles nécessaires pour détenir le capital de solvabilité requis et le minimum de capital requis respective- ment prévus aux articles 151 et 189. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise d’assu- rance exerçant des activités d’assurance-vie qui sollicite un agrément pour l’extension de ses activités aux risques compris dans les branches 1 ou 2 mentionnées à l’Annexe I conformément à l’article 223, alinéa 2, démontre: 1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles néces- saires pour atteindre à la fois le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance-vie et le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance non-vie, tels que visés à l’article 189, § 1er, 4°, d); 2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les obliga- tions minimales visées au 1° en conformité avec l’article 225, § 2, alinéa 2. § 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, l’entreprise d’assu- rance exerçant des activités d’assurance non-vie pour les risques compris dans les branches 1 ou 2 mentionnées à l’Annexe  I, qui sollicite un agrément pour l’extension de ses activités aux risques d’assurance-vie conformément à l’article 223, alinéa 2, démontre: 1° qu’elle détient les fonds propres de base éligibles néces- saires pour atteindre à la fois le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance-vie et le seuil absolu du minimum de capital requis dans le cas des entreprises d’assurance non-vie, tels que visés à l’article 189, § 1er, 4°, d); 2° qu’elle s’engage à respecter en permanence les obliga- tions minimales visées au 1° en conformité avec l’article 225, § 2, alinéa 2. 402 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Aandeelhouders of vennoten Art. 39 De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te garanderen. De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria: 1° de betrouwbaarheid van de in artikel 23 bedoelde na- tuurlijke of rechtspersonen; 2° de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van elke in artikel 40 bedoelde persoon die het bedrijf van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming feitelijk gaat leiden; 3° de financiële soliditeit van de in artikel 23 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voorgenomen activiteiten binnen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 4° of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële verplichtingen die voortvloeien uit deze wet, haar uitvoerings- besluiten en -reglementen en de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG, inzonderheid of de groep waarvan zij deel zal uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de toezicht- houders mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoor- delijkheden tussen de toezichthouders kan worden bepaald; 5°  of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in verband met de voor- genomen verwerving, of dat de voorgenomen verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten. Afdeling VI Leiding Art. 40 § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de personen belast met de effectieve leiding en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties zijn uitsluitend natuurlijke personen. Section V Détenteurs du capital Art. 39 L’agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l’article 23 ne présentent pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. L’appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’effectue au regard des critères suivants: 1°  l’honorabilité des personnes physiques ou morales visées à l’article 23; 2° l’honorabilité professionnelle et l’expertise de toute personne visée à l’article 40 qui assurera la direction des activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 3°  la solidité financière des personnes physiques ou morales visées à l’article 23, au regard notamment du type d’activités exercées et envisagées au sein de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 4° la capacité de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution et des mesures d’exécu- tion de la Directive 2009/138/CE, en particulier l’existence, au sein du groupe auquel elle appartiendra, d’une structure qui permet d’exercer une surveillance effective, d’échanger réellement des informations entre les autorités de contrôle et de déterminer le partage des responsabilités entre les autorités de contrôle; 5°  l’existence de motifs raisonnables de soupçonner qu’une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu en rapport avec l’acquisition envisagée, ou que l’acquisition envisagée pourrait en augmenter le risque. Section VI Dirigeants Art. 40 § 1er. Les membres de l’organe légal d’administration des entreprises d’assurance ou de réassurance, les personnes chargées de la direction effective ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques. 403 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De in het eerste lid bedoelde personen moeten perma- nent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. § 2. De effectieve leiding van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen. Art. 41 Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 is van toepassing op de in artikel 40 bedoelde personen. Afdeling VII Organisatie Onderafdeling I Algemene beginselen Art. 42 § 1. Om een doeltreffend en voorzichtig beleid te garande- ren, beschikt iedere verzekerings- of herverzekeringsonder- neming over een passend governancesysteem, waaronder toezichtsmaatregelen, dat met name berust op: 1°  een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de onderneming voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden; 2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name controle- procedures die een redelijke mate van zekerheid verschaffen over de betrouwbaarheid van de het verslaggevingsproces; 3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de me- ting, het beheer en de opvolging van en de interne verslag- geving over de risico’s waaraan de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten; 4° onafhankelijke controlefuncties, namelijk passende on- afhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risicobeheer, compliance en actuariaat; 5° een passend integriteitsbeleid; 6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico’s worden genomen, het door de onderneming vast- gestelde tolerantieniveau te boven gaat; Les personnes visées à l’alinéa 1er doivent disposer en permanence de l’honorabilité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction. § 2. La direction effective des entreprises d’assurance ou de réassurance doit être confiée à deux personnes physiques au moins. Art. 41 L’article 20 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux personnes visées à l’article 40. Section VII Organisation Sous-section Ire Principes généraux Art. 42 § 1er. Toute entreprise d’assurance ou de réassurance dispose d’un système de gouvernance adéquat, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace et prudente de l’entreprise, reposant notamment sur: 1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’une part, et le contrôle sur cette direction d’autre part, et prévoyant, au sein de l’entreprise, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d’attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent; 2°  une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, impliquant notamment des procé- dures de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting de l’information 3° des procédures efficaces d’identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques aux- quels l’entreprise est ou pourrait être exposée , y compris la prévention des conflits d’intérêts; 4° des fonctions de contrôle indépendantes, à savoir des fonctions clés d’audit interne, de gestion des risques, de vérification de la conformité (compliance) et actuarielle indé- pendantes adéquates; 5° une politique d’intégrité adéquate; 6° une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par l’entreprise; 404 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 7°  voor de activiteiten van de onderneming passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied; 8° een passend intern waarschuwingssysteem dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de onderneming; 9° de invoering van passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de gegevens en de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale activiteit binnen een redelijke tijdspanne kan worden hervat; 10° de invoering van passende structuren en systemen om te voldoen aan de verzoeken om informatie die de Bank aan de onderneming richt met toepassing van de artikelen 201 en 312. 11° de invoering van procedures om een verslechtering van de financiële omstandigheden vast te stellen en om de Bank onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering zich voordoet. §  2. Het in paragraaf 1  bedoelde governancesysteem is uitputtend uitgewerkt en staat in verhouding tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan het bedrijfsmodel en aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden. §  3.  De verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, het vol- ledige in paragraaf 1 bedoelde governancesysteem bevat en, in het bijzonder, schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer, de interne controle, de interne audit en, in voorkomend geval, de uitbesteding. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de Bank, mag het memorandum dat op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt opge- steld, deel uitmaken van het memorandum van die groep, onverminderd de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG. § 4. In de Onderafdelingen II tot IV wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen. Art. 43 Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtsperso- nen, of indien de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming deel uitmaakt van een groep, mogen die banden of de juridische structuur van de groep geen belemmering vormen voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt. 7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de l’entreprise; 8° un système adéquat d’alerte interne prévoyant notam- ment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite de l’entreprise; 9° la mise en place de mesures adéquates de continuité de l’activité afin d’assurer le maintien des données et des fonctions critiques ou leur rétablissement le plus rapidement possible ainsi que la reprise dans un délai raisonnable de l’exercice des activités normales; 10° la mise en place de structures et systèmes appropriés en vue de satisfaire aux demandes d’informations requises par la Banque en application des articles 201 et  312. 11° la mise en place de procédures permettant de détecter une détérioration des conditions financières et d’informer immédiatement la Banque lorsque celle-ci se produit. § 2. Le système de gouvernance visé au paragraphe 1er présente un caractère exhaustif et est proportionné à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents au modèle d’entreprise et aux activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. § 3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance établit un mémorandum de gouvernance qui inclut pour l’entreprise concernée et, le cas échéant, le groupe ou sous-groupe dont elle est l’entreprise mère supérieure, l’ensemble du système de gouvernance visé au paragraphe 1er et, en particulier des politiques écrites relatives à la gestion des risques, au contrôle interne, à l’audit interne et, le cas échéant, à la sous-traitance. Sans préjudice des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, si l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un groupe soumis au contrôle de la Banque, le mémorandum établi au niveau de l’entreprise d’assurance ou de réassurance peut faire partie du mémorandum de ce groupe. § 4. Les dispositions des Sous-sections II à IV, précisent, dans des domaines particuliers, la portée des obligations générales visées aux paragraphes 1er et 2. Art. 43 S’il existe des liens étroits entre l’entreprise d’assurance ou de réassurance et d’autres personnes physiques ou morales, ou si l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un groupe, ces liens ou la structure juridique du groupe ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel individuel de l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait partie l’entreprise. 405 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuitvoerlegging ervan geen belemmering vormen voor het individueel prudentieel toezicht op de onderneming of voor het toezicht op de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt. Onderafdeling II Vennootschapsorganen Art. 44 Het wettelijk bestuursorgaan draagt de eindverantwoorde- lijkheid voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan met name 1° de strategie en de doelstellingen van de onderneming; 2°  het risicobeleid, met inbegrip van de algemene risicotolerantielimieten. Art. 45 § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die is opgericht als naamloze vennootschap richt een direc- tiecomité op in de zin van artikel 524bis van het Wetboek van Vennootschappen, waaraan alle bestuursbevoegdheden van de raad van bestuur worden overgedragen. Deze bevoegd- heidsdelegatie kan evenwel niet slaan op de vaststelling van het algemeen beleid noch op de handelingen die bij andere bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn voorbehouden aan de raad van bestuur. Behoudens toepassing van artikel 56, § 3 is het directie- comité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn van de raad van bestuur, met dien verstande dat de artikelen 40, 41, 81, 83 en 94 van toepassing zijn op de leden van het directiecomité die in voorkomend geval geen lid zijn van de raad van bestuur. § 2. De meerderheid van de bestuurders van de raad van bestuur zijn geen lid van het directiecomité. § 3. De functie van voorzitter van de raad van bestuur mag niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité. § 4. Het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 525 van het Wetboek van Vennootschappen mag niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van de raad van bestuur. Art. 46 § 1. De statuten van de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen die anders dan als naamloze vennootschap zijn opgericht, voorzien in de oprichting, binnen het wettelijk Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d’un pays tiers, les dispositions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l’exercice du contrôle prudentiel individuel de l’entreprise ou du contrôle du groupe dont fait partie l’entreprise. Sous-section II Organes sociétaires Art. 44 L’organe légal d’administration assume la responsabilité finale de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. À cette fin, l’organe légal d’administration définit et super- vise, notamment: 1° la stratégie et les objectifs de l’entreprise; 2° la politique en matière de risques, en ce compris les limites de tolérance générale aux risques. Art. 45 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance constituées sous la forme de société anonyme mettent en place un comité de direction au sens de l’article 524bis du Code des sociétés auquel est délégué l’ensemble des pou- voirs de gestion du conseil d’administration. Cette délégation ne peut toutefois porter ni sur la détermination de la politique générale, ni sur les actes réservés au conseil d’administration par les autres dispositions du Code des sociétés ou par la présente loi. Le comité de direction est composé, sauf application de l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont membres du conseil d’administration, étant entendu que les articles 40, 41, 81, 83 et 94 sont applicables aux membres du comité de direction qui ne sont pas, le cas échéant, membres du conseil d’administration. § 2. Le conseil d’administration compte une majorité d’ad- ministrateurs qui ne sont pas membres du comité de direction. § 3. La fonction de président du conseil d’administration ne peut être exercée par un membre du comité de direction. § 4. La gestion journalière visée à l’article 525 du Code des sociétés ne peut être confiée à un membre non exécutif du conseil d’administration. Art. 46 §  1er. Les statuts des entreprises d’assurance ou de réassurance constituées sous une autre forme que celle de société anonyme prévoient la constitution, au sein de l’organe 406 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bestuursorgaan, van een orgaan, “directiecomité” genaamd, waaraan alle bestuursbevoegdheden van het wettelijk be- stuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van Vennootschappen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan. Behoudens toepassing van artikel 56, § 3 is het directie- comité samengesteld uit minstens drie personen die lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, met dien verstande dat de artikelen 40, 41, 81, 83 en 94 van toepassing zijn op de leden van het directiecomité die in voorkomend geval geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan. § 2. De meerderheid van de leden van het wettelijk be- stuursorgaan zijn geen lid van het in paragraaf 1 bedoelde directiecomité. § 3. De functie van voorzitter van het wettelijk bestuurs- orgaan mag niet worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité. § 4. Het dagelijks bestuur mag aan een niet-uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan niet worden opgedragen. Art. 47 De Bank kan op grond van de omvang en het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met name ten opzichte van de betrokken groep, toestaan dat geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen van de artikelen 45 en 46. De afwijking kan met name betrekking hebben op: 1° de verplichting om een directiecomité op te richten, onverminderd de naleving van artikel 40, § 2; in dit geval worden de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité en zijn leden, uitgevoerd door de personen die belast zijn met de effectieve leiding; 2° het combineren van de functies van lid van het directie- comité en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan. Onderafdeling III Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan Art. 48 Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen dit orgaan de volgende comités op: 1° een auditcomité; 2° een remuneratiecomité, 3° een risicocomité, légal d’administration, d’un organe dénommé “comité de direction”, auquel est délégué l’ensemble des pouvoirs de gestion de l’organe légal d’administration à l’exclusion de la détermination de la politique générale, des actes réservés à l’organe légal d’administration par le Code des sociétés ou par la présente loi. Le comité de direction est composé, sauf application de l’article 56, § 3, d’au moins trois personnes qui sont membres de l’organe légal d’administration, étant entendu que les articles 40, 41, 81, 83 et 94 sont applicables aux membres du comité de direction qui ne sont pas, le cas échéant, membres de l’organe légal d’administration. § 2. L’organe légal d’administration compte une majorité de membres qui ne sont pas membres du comité de direction visé au paragraphe 1er. § 3. La fonction de président de l’organe légal d’admi- nistration ne peut être exercée par un membre du comité de direction. §  4.  La gestion journalière ne peut être confiée à un membre non exécutif de l’organe légal d’administration. Art. 47 La Banque peut, en fonction de la taille et du profil de risques, notamment au regard du groupe concerné, d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, autoriser celle-ci à déroger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par les articles 45 et 46. La dérogation peut notamment porter: 1° sur l’obligation de constituer un comité de direction, sans préjudice du respect de l’article 40, § 2; dans ce cas, les obligations incombant, par ou en vertu de la présente loi, au comité de direction et à ses membres sont assumées par les personnes chargées de la direction effective; 2° sur un cumul des fonctions de membre du comité de direction et de président de l’organe légal d’administration. Sous-section III Mise en place de comités au sein de l’organe légal d’administration Art. 48 Sans préjudice des missions de l’organe légal d’admi- nistration, les entreprises d’assurance ou de réassurance constituent, au sein de cet organe, les comités suivants: 1° un comité d’audit; 2° un comité de rémunération; 3° un comité des risques, 407 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn en waarvan minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. Art. 49 § 1. Naast de vereisten van artikel 48 beschikken de leden van het auditcomité over een collectieve deskundigheid op het gebied van de activiteiten van de betrokken verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming en op het gebied van boekhouding en audit. Minstens één lid van het auditcomité beschikt over deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit. § 2. Het auditcomité heeft minstens de volgende taken: 1° monitoring van het financiëleverslaggevingsproces; 2° monitoring van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en risicobeheer van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 3° monitoring van de interne audit en van de desbetref- fende activiteiten; 4° monitoring van de wettelijke controle van de jaarreke- ning en de geconsolideerde jaarrekening, met inbegrip van de opvolging van de vragen en aanbevelingen geformuleerd door de erkend commissaris; 5° beoordeling en monitoring van de onafhankelijkheid van de erkend commissaris, waarbij inzonderheid wordt gelet op de verlening van bijkomende diensten aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of aan een persoon waarmee zij een nauwe band heeft. Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 199, tweede lid en artikel 201 bedoelde jaarrekening en geconso- lideerde jaarrekening en periodieke informatie opstelt die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt. De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig ar- tikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst op technische punten preciseren en aanvullen. § 3. De erkend commissaris: 1°  meldt aan het auditcomité jaarlijks alle bijkomende diensten die voor de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming en voor de vennootschappen waarmee de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming een nauwe band heeft, werden verricht; exclusivement composés de membres de l’organe légal d’administration qui n’en sont pas membres exécutifs et dont au moins un membre est indépendant au sens de l’article 526ter du Code des sociétés. Art. 49 §  1er. Outre les exigences prévues à l’article  48, les membres du comité d’audit disposent d’une compétence col- lective dans le domaine d’activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée et en matière de comptabilité et d’audit. Au moins un membre du comité d’audit est compétent en matière de comptabilité et/ou d’audit. § 2. Le comité d’audit est au moins chargé des missions suivantes: 1° le suivi du processus d’élaboration de l’information financière; 2° le suivi de l’efficacité des systèmes de contrôle interne et de gestion des risques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 3° le suivi de l’audit interne et de ses activités; 4° le suivi du contrôle légal des comptes annuels et des comptes consolidés, en ce compris le suivi des questions et recommandations formulées par le commissaire agréé; 5° l’examen et suivi de l’indépendance du commissaire agréé, en particulier pour ce qui concerne la fourniture de services complémentaires à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou à une personne avec laquelle elle a un lien étroit. Le comité d’audit fait régulièrement rapport à l’organe légal d’administration sur l’exercice de ses missions, au moins lors de l’établissement par celui-ci des comptes annuels et conso- lidés et des informations périodiques visées aux articles 199, alinéa  2  et 201  respectivement transmis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la fin de l’exercice social et à la fin du premier semestre social. La Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser et compléter sur des points d’ordre technique les éléments énumérés dans la liste reprise au présent paragraphe. § 3. Le commissaire agréé: 1°  communique chaque année au comité d’audit les services additionnels fournis à l’entreprise d’assurance ou de réassurance et aux sociétés avec lesquelles l’entreprise d’assurance ou de réassurance a un lien étroit; 408 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° voert met het auditcomité overleg over de bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen in te perken, zoals door hem onderbouwd; 3° bevestigt zijn onafhankelijkheid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming jaarlijks schriftelijk aan het auditcomité. Art. 50 § 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat het een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermo- gensbehoeften en de liquiditeitspositie. §  2.  Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan moet worden vastgesteld en over elke daarin aangebrachte wijziging. § 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico’s en het risicobeheer van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming en waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, alsook met het algemeen belang. Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de be- loning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Art. 51 De leden van het risicocomité bezitten individueel de no- dige kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden om de strategie en de risicotolerantie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te begrijpen en te bevatten. Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuurs- orgaan over de huidige en toekomstige risicotolerantie en risicostrategie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie door het directiecomité. 2° examine avec le comité d’audit les risques pesant sur son indépendance et les mesures de sauvegarde prises pour atténuer ces risques, consignés par lui; 3° confirme chaque année par écrit son indépendance au comité d’audit par rapport à l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 50 § 1er. Le comité de rémunération est composé de manière à lui permettre d’exercer un jugement compétent et indépen- dant sur les politiques et les pratiques de rémunération et sur les incitants créés au regard de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité. § 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la politique de rémunération à adopter par l’organe légal d’administration ainsi que sur toute modification qui y est apportée. § 3. Le comité de rémunération est chargé de préparer les décisions concernant les rémunérations, notamment celles qui ont des répercussions sur le risque et la gestion des risques dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée et sur lesquelles l’organe légal d’administration est appelé à se prononcer. Lors de la préparation de ces décisions, le comité de rémunération tient compte des inté- rêts à long terme des actionnaires, des investisseurs et des autres parties prenantes de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que de l’intérêt public. L’alinéa 1er est également d’application pour les décisions concernant les rémunérations des personnes en charge des fonctions de contrôle indépendantes. Le comité de rému- nération assure, en outre, une supervision directe en ce qui concerne les rémunérations allouées aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes. Art. 51 Les membres du comité des risques disposent individuelle- ment des connaissances, des compétences, de l’expérience et des aptitudes nécessaires pour leur permettre de com- prendre et d’appréhender la stratégie et le niveau de tolérance au risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Le comité des risques conseille l’organe légal d’adminis- tration pour les aspects concernant la stratégie et le niveau de tolérance en matière de risques, tant actuels que futurs. Il assiste l’organe légal d’administration lorsque celui-ci supervise la mise en œuvre de cette stratégie par le comité de direction. 409 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 52 § 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die op geconsolideerde basis voldoet aan ten minste twee van de volgende drie criteria: a) gemiddeld aantal werknemers gedurende het betrokken boekjaar van minder dan 250 personen, b) balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 000 000 euro, c)  jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 000 000 euro, is niet verplicht de in artikel 48 bedoelde comités op te richten binnen haar wettelijk bestuursorgaan maar in dat geval moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitge- voerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van dit orgaan ingevolge een met toepassing van artikel 47 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in artikel 48 bedoelde comités. § 2. De Bank kan aan ondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarde van paragraaf 1 maar die zo georganiseerd zijn dat het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité vol- doende ondersteund worden bij hun respectieve taken inzake beloningsbeleid als bedoeld in de artikelen 77, § 5 en 80, § 3, een vrijstelling verlenen van de verplichting om binnen het wettelijk bestuursorgaan een remuneratiecomité op te richten. § 3. De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming die een dochteronderneming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiële holding, van een gemengde verzekeringsholding, van een verzekeringsholding, van een financiële holding, van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming, van een kredietinstelling, van een beleggingsonderneming, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, afwijkt van de bepalin- gen van deze Onderafdeling en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 49 tot 51, die bevoegd zijn voor de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming en voldoen aan de vereisten van deze wet. § 4. Onverminderd de artikelen 49, § 1 en 51, eerste lid, kunnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van het risicocomité en het auditcomité. Art. 53 De bepalingen van deze Onderafdeling doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen over het auditcomité en het remuneratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin van artikel 4 van dat Wetboek. Art. 52 § 1er. Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance répondant sur base consolidée à au moins deux des trois critères suivants: a) un nombre moyen de salariés inférieur à 250 personnes sur l’ensemble de l’exercice concerné, b) un total du bilan inférieur ou égal à 43 000 000 euros, c)  un chiffre d’affaires net annuel inférieur ou égal à 50 000 000 euros , la constitution des comités visés à l’article 48 au sein de l’organe légal d’administration n’est pas obligatoire, mais les fonctions attribuées à ces comités sont alors exercées par l’organe légal d’administration dans son ensemble. Lorsque, suite à une dérogation accordée en application de l’article 47, le président de cet organe est un membre exécutif, il ne pré- side pas l’organe légal d’administration lorsque celui-ci agit en qualité d’un des comités visés à l’article 48. § 2. La Banque peut octroyer une dérogation à l’obligation d’établir un comité de rémunération au sein de l’organe légal d’administration aux entreprises qui ne répondent pas à la condition visée au paragraphe 1er mais dont l’organisation permet un support adéquat de l’organe légal d’administration et du comité de direction dans leurs tâches respectives en matière de politique de rémunération telles que visées aux articles 77, § 5 et 80, § 3. § 3. La Banque peut, à l’égard des entreprises d’assurance ou de réassurance qui sont filiales ou sous-filiales d’une compagnie financière mixte, d’une société holding mixte d’assurance, d’une société holding d’assurance, d’une com- pagnie financière, d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’un établissement de crédit, d’une entreprise d’investissement, d’un gestionnaire d’OPCA ou d’une société de gestion d’organismes de placement collectif, accorder des dérogations aux dispositions de la présente Sous-section et fixer des conditions spécifiques à l’octroi de ces dérogations, pour autant qu’aient été constitués au sein des groupes ou sous-groupes concernés un ou plusieurs comités au sens des articles 49 à 51 dont les attributions s’étendent à l’entreprise d’assurance ou de réassurance et répondent aux exigences de la présente loi. § 4. Sans préjudice des articles 49, § 1er et 51, alinéa 1er, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent prévoir qu’un seul comité assure les missions dévolues au comité des risques et au comité d’audit. Art. 53 Les dispositions de la présente Sous-section sont sans préjudice des dispositions du Code des sociétés relatives au comité d’audit et au comité de rémunération au sein de sociétés cotées au sens de l’article 4 de ce Code. 410 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling IV Onafhankelijke controlefuncties Art. 54 § 1. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties: 1° een compliancefunctie; 2° een risicobeheerfunctie; 3° een interneauditfunctie; 4° een actuariële functie. De personen die de in het eerste lid bedoelde functies uitoefenen zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden en operationele functies van de onderneming en beschikken over de nodige bevoegdheden en middelen om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de activiteiten waarop toezicht wordt gehouden. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het eerste lid bedoelde functies rapporteren minstens eenmaal per jaar rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan over de uitvoering van hun taak, en lichten het directiecomité in; voor de interneauditfunctie kan dit in voorkomend geval via het auditcomité gebeuren. § 2. Bij zijn beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank rekening met de bepalingen van artikel 42, § 2. Art. 55 §  1. De compliancefunctie moet ervoor zorgen dat de onderneming, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verzekerings- of herverzekeringsagenten en -subagenten, de wettelijke en reglementaire bepalingen die de verzekerings- of herverzekeringsactiviteit regelen, inzonderheid de regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op die activiteit, naleven. De compliancefunctie beoordeelt ook de mogelijke gevol- gen van wijzigingen in het rechtskader voor de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en identificeert en beoordeelt compliancerisico’s. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002. Sous-section IV Fonctions de contrôle indépendantes Art. 54 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance prennent les mesures nécessaires pour disposer en perma- nence des fonctions de contrôle indépendantes adéquates suivantes: 1° une fonction de vérification de la conformité (compliance); 2° une fonction de gestion des risques; 3° une fonction d’audit interne; 4° une fonction actuarielle. Les personnes qui assurent l’exercice des fonctions visées à l’alinéa 1er sont indépendantes des unités et fonctions opé- rationnelles de l’entreprise et disposent des prérogatives et ressources nécessaires au bon accomplissement de leurs fonctions. La rémunération de ces personnes est fixée en fonction de la réalisation des objectifs liés à leurs fonctions, indépendamment des performances des domaines d’activités contrôlés. Les personnes responsables des fonctions visées à l’alinéa 1er font directement rapport à l’organe légal d’administration au moins une fois par an, sur l’exécution de leur mission, avec information du comité de direction et, pour la fonction d’audit interne le cas échéant via le comité d’audit. § 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des fonc- tions visées au paragraphe 1er, la Banque tient compte des dispositions de l’article 42, § 2. Art. 55 § 1er. La fonction de vérification de la conformité (com- pliance) est destinée à assurer le respect, par l’entreprise, les membres de son organe légal d’administration, ses diri- geants effectifs, ses salariés, ses mandataires et agents et sous-agents d’assurance ou de réassurance, des dispositions légales et réglementaires régissant l’activité d’assurance ou de réassurance, en particulier les règles d’intégrité et de conduite qui s’appliquent à cette activité. La fonction de vérification de la conformité comprend éga- lement l’évaluation de l’impact possible de tout changement de l’environnement juridique sur les activités de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, ainsi que l’identification et l’évaluation du risque de non-conformité. L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l’article 87bis de la loi du 2 août 2002. 411 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Naast de in artikel 54, § 1, derde lid bedoelde rap- portering, licht de persoon die verantwoordelijk is voor de compliancefunctie het wettelijk bestuursorgaan en het direc- tiecomité regelmatig in over de naleving van de in paragraaf 1 bedoelde wettelijke en reglementaire bepalingen en richt deze persoon daarover aanbevelingen aan deze organen. Art. 56 § 1. De risicobeheerfunctie wordt zo opgezet dat het in het tweede lid bedoelde risicobeheersysteem ten uitvoer kan worden gelegd. Het risicobeheersysteem bestaat uit strategieën, pro- cessen en rapporteringsprocedures die nodig zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan de onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan, alsook de onderlinge afhankelijkheid tussen die risico’s voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren. § 2. Het risicobeheersysteem is perfect geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocedures van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en wordt op passende wijze in acht genomen door de personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutel- functies vervullen. Meer in het bijzonder zijn de personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de onderneming en bij alle beleidsbeslis- singen die een significante invloed hebben op de risico’s en kunnen zij een volledig beeld geven van het hele scala van risico’s die de onderneming loopt. § 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een lid van het directiecomité waarvan de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is. In afwijking van het eerste lid, 1° op grond van de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en rekening houdend met een passende organisatie van de risicobeheer- functie op het niveau van de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt, kan de Bank toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de onderneming de risicobe- heerfunctie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat; 2° mag het lid van het directiecomité dat verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de compliancefunctie evenals voor de taken van de actuariële functie die geen risico’s kunnen opleveren, op voorwaarde dat de drie onafhankelijke controlefuncties los van elkaar worden uitgeoefend en dat dit geen belangencon- flicten doet rijzen. § 2. Outre la communication visée à l’article 54, § 1er, ali- néa 3, la personne responsable de la fonction de vérification de la conformité (compliance) informe régulièrement et émet des recommandations à l’organe légal d’administration et au comité de direction sur le respect des dispositions légales et réglementaires visées au paragraphe 1er. Art. 56 § 1er. La fonction de gestion des risques est structurée de manière à permettre la mise en œuvre du système de gestion des risques visé à l’alinéa 2. Le système de gestion des risques comprend les stra- tégies, processus et procédures d’information nécessaires pour déceler, mesurer, contrôler, gérer et déclarer, en per- manence, les risques, aux niveaux individuel et agrégé, auxquels l’entreprise est ou pourrait être exposée ainsi que les interdépendances entre ces risques. § 2. Le système de gestion des risques est parfaitement intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de prise de décision de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance et dûment pris en compte par les personnes qui dirigent effectivement l’entreprise ou qui occupent d’autres fonctions clés. En particulier, les personnes qui assurent la fonction de gestion des risques participent activement à l’élaboration de la stratégie en matière de risque de l’entreprise ainsi qu’à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposée l’entreprise. § 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par un membre du comité de direction dont c’est la seule fonction particulière pour laquelle il est individuellement responsable. Par dérogation à l’alinéa 1er, 1° eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, et compte tenu du caractère approprié de l’organisation de la fonction de gestion des risques au niveau du groupe dont fait partie l’entreprise concernée, la Banque peut autoriser qu’un membre du personnel de l’entreprise faisant partie de l’encadrement supérieur assume la fonction de gestion des risques à condition qu’il n’existe dans son chef aucun conflit d’intérêts; 2° le membre du comité de direction responsable de la fonction de gestion des risques peut assurer également la responsabilité de la fonction de vérification de la conformité (compliance) ainsi que la responsabilité des tâches de la fonction actuarielle qui ne sont pas génératrices de risques, à la condition que l’exercice des trois fonctions de contrôle indépendantes demeure assuré distinctement et ne soit pas générateur de conflits d’intérêts. 412 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor verzekerings- herverzekeringsondernemingen met een balanstotaal van meer dan 3 miljard euro, dient voor de toepassing van lid 2, 2° de voorafgaande toestemming van de Bank te worden gevraagd. Art. 57 Naast de rapportering bedoeld in de artikelen 54, § 1, derde lid en 55, § 2, lichten de personen die verantwoordelijk zijn voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie, zonder dit aan het directiecomité te moeten voorleggen, uit eigen beweging het wettelijk bestuursorgaan in over hun bezorgd- heid en waarschuwen zij het in voorkomend geval indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de onderneming hebben of zouden kunnen hebben, met name haar reputatie zouden kunnen schaden. Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijk- heden die voor het wettelijk bestuursorgaan voortvloeien uit deze wet en de Europese regelgeving. Art. 58 § 1. De interneauditfunctie bezorgt aan het wettelijk be- stuursorgaan en aan het directiecomité een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en het governancesysteem van de onderneming. Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar- borgt in een auditcharter ten minste dat de interneauditfunctie onafhankelijk is en dat haar taken betrekking hebben op alle activiteiten en entiteiten van de onderneming, ook in geval van uitbesteding. § 2. De persoon die verantwoordelijk is voor de interneau- ditfunctie deelt zijn bevindingen en aanbevelingen mee aan het wettelijk bestuursorgaan en aan het directiecomité. Art. 59 § 1. De actuariële functie heeft de volgende taken: 1°  coördineren van de berekening van de technische voorzieningen; 2° ervoor zorgen dat de methodologieën, onderliggende modellen en hypothesen die gehanteerd worden voor de berekening van de technische voorzieningen, adequaat zijn; 3° beoordelen van de toereikendheid en de kwaliteit van de gegevens die gebruikt worden bij de berekening van de technische voorzieningen; 4° toetsen van de beste schattingen aan de ervaring; Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance qui présentent un total de bilan supérieur à 3 milliards d’euros, le bénéfice de l’alinéa 2, 2° est subordonné à l’autorisation préalable de la Banque. Art. 57 Outre la communication visée aux articles 54, § 1er, ali- néa 3 et 55, § 2, les personnes responsables des fonctions de gestion des risques et de vérification de la conformité (compliance) font part d’initiative à l’organe légal d’adminis- tration, sans devoir en référer au comité de direction, de pré- occupations et l’avertissent, le cas échéant, en cas d’évolution des risques affectant ou susceptible d’affecter l’entreprise, notamment de porter atteinte à sa réputation. L’alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabilités de l’organe légal d’administration en vertu de la présente loi et de la réglementation européenne. Art. 58 § 1er. La fonction d’audit interne a pour objet de fournir à l’organe légal d’administration et au comité de direction une évaluation indépendante de la qualité et de l’efficience du contrôle interne, de la gestion des risques et du système de gouvernance de l’entreprise. Les entreprises d’assurance ou de réassurance garan- tissent dans une charte d’audit, au minimum, l’indépendance de la fonction d’audit interne et l’étendue de ses missions à toute activité et entité de l’entreprise, y compris en cas de sous-traitance. § 2. La personne responsable de la fonction d’audit interne communique ses conclusions et recommandations à l’organe légal d’administration et au comité de direction. Art. 59 § 1er. La fonction actuarielle a pour tâche de: 1° coordonner le calcul des provisions techniques; 2° garantir le caractère approprié des méthodologies, des modèles sous- jacents et des hypothèses utilisés pour le calcul des provisions techniques; 3° apprécier la suffisance et la qualité des données utilisées dans le calcul des provisions techniques; 4° comparer les meilleures estimations aux observations empiriques; 413 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5°  informatie verstrekken aan het wettelijk bestuursor- gaan en aan het directiecomité over de betrouwbaarheid en geschiktheid van de berekening van de technische voorzieningen; 6° toezien op de berekening van de technische voorzienin- gen in de gevallen bedoeld in artikel 137, tweede lid; 7 °   a d v i e s u i t b r e n g e n o v e r h e t a l g e m e e n onderschrijvingsbeleid; 8°  advies uitbrengen over de geschiktheid van de herverzekeringsregelingen; 9° ertoe bijdragen dat het in artikel 84 bedoelde risicobe- heersysteem doeltreffend wordt toegepast, in het bijzonder wat betreft de risicomodellering die ten grondslag ligt aan de berekening van de kapitaalvereisten als bedoeld in de artikelen 74 en 75, en wat betreft de in artikel 91 bedoelde beoordeling; 10° advies uitbrengen over het winstdelings- en restorno- beleid evenals over de naleving van de regelgeving ter zake. § 2. De actuariële functie wordt uitgeoefend door personen die kennis hebben van actuariële en financiële wiskunde die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden, en die kunnen aantonen dat zij over relevante ervaring met de toepasselijke beroeps- en andere normen beschikken. Art. 60 Onverminderd de bepalingen van de artikelen 48 tot 59 kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie, een passende onafhankelijke interneau- ditfunctie, een passende actuariële functie, en, op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie, en nadere regels vaststellen overeenkomstig de Europese regelgeving. Afdeling VII Hoofdbestuur Art. 61 Het hoofdbestuur van een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming is in België gevestigd. 5° informer l’organe légal d’administration et le comité de direction de la fiabilité et du caractère adéquat du calcul des provisions techniques; 6° superviser le calcul des provisions techniques dans les cas visés à l’article 137, alinéa 2; 7° émettre un avis sur la politique globale de souscription; 8° émettre un avis sur l’adéquation des dispositions prises en matière de réassurance; 9° contribuer à la mise en œuvre effective du système de gestion des risques visé à l’article 84, en particulier pour ce qui concerne la modélisation des risques sous-tendant le calcul des exigences de capital prévu aux articles 74 et 75, et pour ce qui concerne l’évaluation visée à l’article 91; 10°  émettre un avis sur la politique de participations bénéficiaires et de ristournes ainsi que sur le respect de la réglementation en la matière. § 2. La fonction actuarielle est exercée par des personnes qui ont une connaissance des mathématiques actuarielles et financières à la mesure de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et qui peuvent démontrer une expérience pertinente à la lumière des normes profession- nelles et autres normes applicables. Art. 60 La Banque peut, sans préjudice des dispositions des articles 48 à 59, préciser, par voie de règlement pris en appli- cation de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, ce qu’il y a lieu d’entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction de gestion des risques indépendante adéquate, fonction d’audit interne indépendante adéquate, fonction actuarielle adéquate et, sur avis de la FSMA, fonction de vérification de la conformité (compliance) indépendante adéquate, et élaborer des règles plus précises conformément à la réglementation européenne. Section VII Administration centrale Art. 61 L’administration centrale des entreprises d’assurance ou de réassurance est située en Belgique. 414 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IX Bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering Art. 62 De verzekeringsondernemingen sluiten zich aan bij een regeling voor de bescherming van levensverzekeringen die door hen gefinancierd wordt en die bij in gebreke blijven garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering met betrekking tot levensverzekeringsovereenkomsten met gewaarborgd rendement die vallen onder tak 21 als vermeld in Bijlage II of met betrekking tot alle andere categorieën van overeenkomsten die vallen onder een dergelijke, door of krachtens de wet ingestelde regeling, schadeloos worden gesteld op de voorwaarden van deze regelingen. TITEL II Bedrijfsuitoefenings-voorwaarden HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Art. 63 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet blijvend voldoen aan de door of krachtens Hoofdstuk II van Titel I van dit Boek vastgelegde voorwaarden. HOOFDSTUK II Wijzigingen in de kapitaalstructuur Art. 64 Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarma- king van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwa- lificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekerings- onderneming naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde relevante informatie. De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en afgestemd is op de aard van de kandidaat-verwer- ver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt. Section IX Protection des créanciers d’assurance Art. 62 Les entreprises d’assurance adhèrent à un système de protection des assurances sur la vie financé par elles et visant à assurer, en cas de défaillance, une indemnisation des créanciers d’assurance en ce qui concerne les contrats d’assurance sur la vie avec rendement garanti relevant de la branche 21 mentionnée à l’Annexe II ou toute autre catégorie de contrats couverts par un tel système mis en place par ou vertu de la loi, et ce aux conditions déterminées par les règles régissant ces systèmes. TITRE II Des conditions d’exercice de l’activité CHAPITRE IER Généralités Art. 63 Les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu du Chapitre II du Titre Ier du présent Livre. CHAPITRE II Modifications dans la structure du capital Art. 64 Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d’autres, qui a pris la décision soit d’acquérir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, soit de procéder, directement ou indirectement, à une augmentation de cette participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 % ou que l’entreprise d’assurance ou de réassurance devienne sa filiale, est tenue de notifier par écrit au préalable à la Banque le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes visées à l’alinéa 2. La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de l’acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour procéder à l’évaluation et qui doivent lui être communiquées au moment de la notification visée à l’alinéa 1er. 415 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 65 § 1. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisge- ving en van alle in artikel 64 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt. De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt om de in artikel 66 bedoelde beoordeling te verrichten, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn op basis van de in artikel 64, tweede lid bedoelde lijst. § 2. De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om haar beoordeling af te ron- den. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is. Vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat- verwerver wordt de beoordelingsperiode onderbroken. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Het staat de Bank vrij om na het verstrijken van de uiterste datum die overeenkomstig het vorige lid is vastgesteld, aanvullende ver- zoeken ter vervollediging of verduidelijking van de informatie te formuleren, maar deze verzoeken mogen geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg hebben. § 3. De Bank kan de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen: 1°  indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-commu- nautaire reglementering onderworpen is; of 2° indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechts- persoon is die niet aan toezicht onderworpen is krachtens: a) Richtlijn 2009/138/EG; b) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instel- lingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s); c) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010; d) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU; Art. 65 § 1er. Diligemment, et en toute hypothèse dans un délai de deux jours ouvrables après la réception de la notification et des informations complètes visées à l’article 64, ainsi qu’après l’éventuelle réception ultérieure des informations visées au paragraphe 2, la Banque en accuse réception par écrit au candidat acquéreur. L’accusé de réception indique la date d’expiration de la période d’évaluation. La période d’évaluation dont dispose la Banque pour procéder à l’évaluation visée à l’article 66 est de maximum soixante jours ouvrables à compter de la date de l’accusé de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l’article 64, alinéa 2. § 2. La Banque peut, pendant la période d’évaluation, et au plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d’éva- luation, demander un complément d’information nécessaire pour mener à bien son évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires. Pendant la période comprise entre la date de la demande d’informations par la Banque et la réception d’une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d’évaluation est suspendue. Cette suspension ne peut excéder vingt jours ouvrables. La Banque peut formuler, au-delà de la date limite déterminée conformément à l’alinéa précédent, d’autres de- mandes visant à recueillir des informations complémentaires ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent toutefois lieu à une suspension de la période d’évaluation. § 3. La Banque peut porter la suspension visée au para- graphe 2, alinéa 2, à trente jours ouvrables: 1° si le candidat acquéreur est établi hors de la l’Espace économique européen ou relève d’une réglementation non communautaire; ou 2° si le candidat acquéreur est une personne physique ou morale qui n’est pas soumise à une surveillance en vertu de: a) la Directive 2009/138/CE; b) la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobi- lières (OPCVM); c) la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d’inves- tissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010; d) la directive 2014/65/UE du parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d’instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE; 416 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 e) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstel- lingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. Art. 66 Bij de beoordeling van de in artikel 64 bedoelde kennis- geving en informatie, en van de in artikel 65, § 2 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, de geschiktheid van de kandidaat- verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 39, tweede lid bedoelde criteria. De Bank kan zich in de loop van de in artikel 65 bedoelde beoordelingsperiode verzetten tegen de voorgenomen verwerving indien zij gegronde redenen heeft om aan te ne- men, op grond van de criteria van artikel 39, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming te waarborgen, of indien de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is. Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling besluit zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis bin- nen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt. Indien de Bank zich na afloop van de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd. De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in voor- komend geval verlengen. Art. 67 Voor het verrichten van de in artikel 65 bedoelde beoorde- ling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken toezichthouder en, in voorkomend geval, met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen of instellingen is: 1° een verzekeringsonderneming, een herverzekerings- onderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderne- ming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergun- ning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA; e) la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l’accès à l’activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des entreprises d’investissement, modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE. Art. 66 En procédant à l’évaluation de la notification et des informa- tions visées à l’article 64 et des informations complémentaires visées à l’article 65, § 2, la Banque apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance visée par l’acquisition envisagée et en tenant compte de l’influence probable du candidat acquéreur sur l’entreprise d’assurance ou de réassurance, le caractère approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de l’acquisition envisagée en appliquant l’ensemble des critères visés à l’article 39, alinéa 2. La Banque peut, dans le courant de la période d’évaluation visée à l’article 65, s’opposer à la réalisation de l’acquisition si elle a des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères fixés à l’article 39, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou si les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes. Si la Banque décide, au terme de l’évaluation, de s’opposer à l’acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans dépasser la période d’évaluation. Un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur. Si, au terme de la période d’évaluation, la Banque ne s’est pas opposée à l’acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée. La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclusion de l’acquisition envisagée et, le cas échéant, le proroger. Art. 67 La Banque procède à l’évaluation visée à l’article 65 en pleine concertation avec toute autre autorité de contrôle concernée et, le cas échéant, avec la FSMA si le candidat acquéreur est: 1° une entreprise d’assurance, une entreprise de réassu- rance, un établissement de crédit, une entreprise d’investis- sement, un gestionnaire d’OPCA ou une société de gestion d’organismes de placement collectif agréés selon le droit d’un autre État membre, ou, selon le cas, par la FSMA; 417 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° de moederonderneming van een van de in punt 1° be- doelde ondernemingen; 3° een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in punt 1° bedoelde ondernemingen. Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en, uit eigen beweging, alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar besluit steeds de eventuele standpunten of bedenkin- gen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA. Art. 68 Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwali- ficeerde deelneming in een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de voorgenomen deelneming na de afstoting. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de verzekerings- of herverze- keringsonderneming ophoudt zijn dochteronderneming te zijn. Art. 69 Indien de bij de artikelen 64 of 68 voorgeschreven voor- afgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 66, tweede lid bedoelde verzet, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516, §§ 1 en 4 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank. Artikel 516, § 3 van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing. Art. 70 Onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarma- king van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een 2° l’entreprise mère d’une entreprise ayant une des qua- lités visées au 1°; 3° une personne physique ou morale contrôlant une entre- prise ayant une des qualités visées au 1°. À cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l’évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur de- mande toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l’alinéa  1er, toute décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l’autorité compétente responsable du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA. Art. 68 Toute personne physique ou morale qui a pris la décision de cesser de détenir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance le notifie par écrit au préalable à la Banque et lui communique le montant envisagé de sa participation après la cession. Une telle personne notifie de même à la Banque sa décision de diminuer sa participation qualifiée de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue descende en dessous des seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 %, ou que l’entreprise d’assurance ou de réassurance cesse d’être sa filiale après la cession. Art. 69 En cas d’abstention de procéder aux notifications préa- lables prescrites par les articles 64 ou 68 ou en cas d’acqui- sition ou d’accroissement d’une participation en dépit de l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2, le président du tribunal de commerce dans le ressort duquel l’entreprise d’assurance ou de réassurance a son siège, statuant comme en référé, peut prendre les mesures visées à l’article 516, §§ 1er et 4 du Code des sociétés. La procédure est engagée par citation émanant de la Banque. L’article 516, § 3, du Code des sociétés est d’application. Art. 70 Sans préjudice de la loi du 2 mai 2007 relative à la publi- cité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d’autres, qui a acquis, directement ou indirectement, une participation dans une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ou qui a procédé, directement ou indirectement, à une 418 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwa- lificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming. Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuur- lijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een verzekerings- of herverze- keringsonderneming, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten. De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwer- vers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank over- eenkomstig artikel 64, tweede lid, op haar website publiceert. Art. 71 Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 64 tot gevolg hebben. Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan heb- ben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 39, tweede lid bedoelde beoorde- lingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 23 bedoelde personen. Onder dezelfde voorwaarden delen zij de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die recht- streeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming be- zitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of ver- vreemding hebben ontvangen overeenkomstig artikel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven. Art. 72 Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die recht- streeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een gezond en voorzichtig beleid van die verzekerings- of augmentation de sa participation dans une entreprise d’assu- rance ou de réassurance de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse le seuil de 5 % des droits de vote ou du capital, sans pour autant détenir une participation qualifiée, est tenue de le notifier par écrit à la Banque dans un délai de dix jours ouvrables après l’acquisition ou l’augmentation de la participation. La même notification est requise dans un délai de dix jours ouvrables de toute personne physique ou morale qui a cessé de détenir, directement ou indirectement, seul ou agissant de concert avec d’autres personnes, une participation de plus de 5 % du capital ou des droits de vote d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qui ne constituait pas une participation qualifiée. Les notifications visées aux alinéas 1er et 2  indiquent l’identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de titres acquis ou cédés et le pourcentage des droits de vote et du capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance détenus suite à l’acquisition ou à la cession, ainsi que les informations nécessaires dont la liste est publiée par la Banque sur son site internet conformément à l’article 64, alinéa 2. Art. 71 Les entreprises d’assurance ou de réassurance com- muniquent à la Banque, dès qu’elles en ont connaissance, les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui entraînent le franchissement vers le haut ou vers le bas de l’un des seuils visés à l’article 64. De même elles communiquent immédiatement à la Banque toutes informations dont elles ont connaissance, de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d’appréciation visés à l’article 39, alinéa 2. La même obligation d’information incombe aux personnes visées à l’article 23. Dans les mêmes conditions et au moins une fois par an, elles communiquent à la Banque l’identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus. Elles communiquent de même à la Banque la quotité des actions ou parts ainsi que celle des droits de vote y afférents dont l’acquisition ou l’aliénation leur est déclarée conformément à l’article 515 du Code des sociétés dans le cas où les statuts ne prescrivent pas leur déclaration à la Banque. Art. 72 Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l’influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une entreprise d’assurance ou de réassurance est de nature à compromettre la gestion saine et prudente 419 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsonderneming kan belemmeren, kan zij, on- verminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen: 1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeel- houder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belangheb- bende, toestaan dat de door hem bevolen maatregelen wor- den opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken; 2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen. Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overge- dragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedra- gen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien deze gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toege- voegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwes- ter kan zijn vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de in dit artikel bedoelde verrichtingen. Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitge- oefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, of niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de verzekeringsonderneming haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of de cette entreprise, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut: 1° suspendre l’exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l’actionnaire ou l’associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l’actionnaire ou à l’associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu’elle a été notifiée; la Banque peut rendre sa décision publique; 2° donner injonction à l’actionnaire ou à l’associé en cause de céder, dans le délai qu’elle fixe, les droits d’associé qu’il détient. À défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d’associés auprès de telle institution ou personne qu’elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d’associés nominatives et qui n’accepte l’exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l’intérêt d’une gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurances ou de réassurance et dans celui du détenteur des droits d’associés ayant fait l’objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d’associés Les sommes encaissées par le séquestre au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l’injonction à l’alinéa 1er, 2°. La souscription à des augmentations de capital ou à d’autres titres conférant ou non le droit de vote, l’option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d’acquisition ou d’échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subor- donnés à l’accord du détenteur précité. Les droits d’associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l’objet du séquestre prévu ci-dessus. La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer sa rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées par le présent article. Lorsque des droits de vote ont été exercés par le déten- teur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l’échéance du délai fixé conformément à l’alinéa 1er, 2°, première phrase, ou nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l’alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort duquel l’entreprise d’assurances a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l’assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou 420 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslis- singen, zonder de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt. Art. 73 Indien de deelneming in een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming wordt verworven door een onderneming die onder een derde land ressorteert, waardoor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een dochteronderneming van deze onderneming wordt, stelt de Bank de Europese Commissie en de toezichthouders van de andere lidstaten daarvan in kennis. HOOFDSTUK III Algemene werkingsvoorwaarden Afdeling I Minimum eigen vermogen Art. 74 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming houdt in aanmerking komend eigen vermogen aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkom- stig artikel 151 vastgestelde solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken. Art. 75 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming houdt bovendien in aanmerking komend kernvermogen aan in de zin van de artikelen 140 tot 150, om permanent het overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaal- vereiste te dekken. Afdeling II Bewaring van documenten Art. 76 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming bewaart alle documenten die betrekking hebben op haar activiteiten op haar zetel of op elke andere plaats die vooraf door de Bank is goedgekeurd in overleg met de FSMA. Onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende de bewaring van documenten, kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de termijn en de modaliteiten bepalen voor de bewaring van de in het eerste lid bedoelde documenten. de majorité requis par lesdites délibérations n’auraient pas été réunis. Art. 73 Lorsque l’acquisition d’une participation dans une entre- prise d’assurance ou de réassurance est effectuée par une entreprise relevant du droit d’un pays tiers, de telle sorte que l’entreprise d’assurance ou de réassurance en devient la filiale, la Banque en informe la Commission européenne et les autorités de contrôle des autres États membres. CHAPITRE III Conditions générales de fonctionnement Section Ire Fonds propres minimum Art. 74 Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent des fonds propres éligibles au sens des articles  140  à 150 couvrant en permanence le capital de solvabilité requis fixé conformément à l’article 151. Art. 75 Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent en outre des fonds propres de base éligibles au sens des articles 140 à 150 couvrant en permanence le minimum de capital requis fixé conformément à l’article 189. Section II Conservation de documents Art. 76 Les entreprises d’assurance et de réassurance conservent les documents relatifs à leurs activités à leur siège ou en tout autre lieu préalablement autorisé par la Banque en concer- tation avec la FSMA. Sans préjudice d’autres dispositions légales régissant la conservation de documents, la Banque peut fixer, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le délai et les modalités de conservation des documents visés à l’alinéa 1er. 421 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Leiding en leiders Onderafdeling I Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan Art. 77 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem van de onderneming en de mate waarin het voldoet aan de verplichtingen die door of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de maat- regelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd. Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toe- zicht op de beslissingen die door het directiecomité en door de effectieve leiding van de onderneming worden genomen. § 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzon- der de goede werking van de in artikel 54 bedoelde onafhan- kelijke controlefuncties. § 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in artikel 48 bedoelde comités gerechtvaardigd. § 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene begin- selen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regel- matig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling kan het een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties. § 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 42, § 3 bedoelde governancememorandum geactua- liseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememo- randum aan de Bank wordt overgemaakt. § 7. Het wettelijk bestuursorgaan keurt een schriftelijk vast- gelegd beleid goed dat waarborgt dat de informatie die met toepassing van de artikelen 312 tot 316 aan de Bank wordt meegedeeld, altijd adequaat is; § 8. Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 95 be- doelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie goed voordat het gepubliceerd wordt. Het waakt erover dat dit verslag jaarlijks geactualiseerd wordt en dat het geactua- liseerde verslag aan de Bank wordt overgemaakt. § 9. Het wettelijk bestuursorgaan besluit welke maatregelen moeten worden getroffen naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen van de interne audit en zorgt ervoor dat deze maatregelen worden uitgevoerd. Section III Direction et dirigeants Sous-section Ire Contrôle et évaluation par l’organe légal d’administration Art. 77 § 1er. L’organe légal d’administration évalue périodique- ment, et au moins une fois par an, l’efficacité du système de gouvernance de l’entreprise visé à l’article 42 et sa conformité aux obligations prévues par ou en vertu de la présente loi et, le cas échéant, par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Il veille à ce que le comité de direction prenne les mesures nécessaires pour remédier aux éventuels manquements. § 2. L’organe légal d’administration exerce un contrôle effectif sur le comité de direction et assure la surveillance des décisions prises par le comité de direction et les dirigeants effectifs de l’entreprise. § 3. L’organe légal d’administration évalue en particulier le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l’article 54. § 4. Le rapport annuel de l’organe légal d’administration justifie la compétence individuelle et collective des membres des comités visés à l’article 48. § 5. L’organe légal d’administration adopte et évalue régu- lièrement, et au moins une fois par an, les principes généraux de la politique de rémunération et assure la surveillance de sa mise en oeuvre. Dans le cadre de cette évaluation, il peut recourir aux fonctions de contrôle indépendantes. § 6. L’organe légal d’administration s’assure de la mise à jour du mémorandum de gouvernance visé à l’article 42, § 3, et de la transmission à la Banque du mémorandum de gouvernance actualisé. § 7. L’organe légal d’administration approuve une politique écrite garantissant l’adéquation permanente des informations communiquées à la Banque en application des articles 312 à 316; § 8. L’organe légal d’administration approuve, avant sa publication, le rapport sur la solvabilité et la situation financière visé à l’article 95. Il s’assure de la mise à jour annuelle de ce rapport et de la transmission à la Banque du rapport actualisé. §  9.  L’organe légal d’administration détermine quelles actions doivent être prises à la suite des conclusions et recommandations de l’audit interne et veille à ce que ces actions soient menées à bien. 422 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 78 § 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet in het bijzonder toe op de integriteit van de boekhoudsystemen en van de systemen voor financiële verslaggeving, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het verslaggevingsproces, zodat met name de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op het publicatie- en communicatieproces dat door of krachtens deze wet en, in voorkomend geval, door de Europese regelgeving is opgelegd. Art. 79 De erkend commissaris brengt verslag uit bij het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, over belangrijke kwesties die bij de uitoefening van zijn wette- lijke controle van de jaarrekening naar voren zijn gekomen, en inzonderheid over ernstige tekortkomingen in de interne con- trole met betrekking tot het financiëleverslaggevingsproces . Onderafdeling II Door het directiecomité te nemen maatregelen Art. 80 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 42. § 2. Het directiecomité brengt minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend com- missaris en de Bank, over de beoordeling van de doeltref- fendheid van het in artikel 42 bedoelde governancesysteem en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen. § 3. Onverminderd zijn andere taken, voert het directieco- mité het beloningsbeleid uit dat door het wettelijk bestuurs- orgaan wordt vastgelegd. § 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming de risico’s bedoeld in Afdeling IV van dit Hoofdstuk beheerst. § 5. Het directiecomité van de verzekerings- of herverze- keringsonderneming verklaart aan de Bank dat de informatie die haar wordt bezorgd overeenkomstig de artikelen 312 tot Art. 78 § 1er. L’organe légal d’administration veille en particulier à l’intégrité des systèmes de comptabilité et de déclaration de l’information financière, en ce compris les dispositifs de contrôle opérationnel et financier. Il évalue le fonctionnement du contrôle interne au moins une fois par an et s’assure que ce contrôle procure un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting de l’information, de manière à ce que, notamment, les comptes annuels et l’information financière soient conformes à la réglementation en vigueur. § 2. L’organe légal d’administration supervise le processus de publication et de communication requis par ou en vertu de la présente loi et, le cas échéant, par la réglementation européenne. Art. 79 Le commissaire agréé fait rapport à l’organe légal d’admi- nistration, le cas échéant, par l’intermédiaire du comité d’audit sur les questions importantes apparues dans l’exercice de sa mission de contrôle légal des comptes, et en particulier sur les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du processus de reporting de l’information financière. Sous-section II Mesures à prendre par le comité de direction Art. 80 § 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l’organe légal d’administration et sous sa surveillance, le comité de direction prend les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en œuvre des dispositions de l’article 42. § 2. Le comité de direction fait rapport au moins une fois par an à l’organe légal d’administration, au commissaire agréé et à la Banque concernant l’évaluation de l’efficacité du système de gouvernance visé à l’article 42 et les mesures prises le cas échéant pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées. Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont aux dispositions légales et réglementaires. § 3. Sans préjudice de ses autres tâches, il met en œuvre la politique de rémunération adoptée par l’organe légal d’administration. § 4. Le comité de direction met également en œuvre les mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des risques visés à la Section IV du présent Chapitre. § 5. Le comité de direction de l’entreprise d’assurance ou de réassurance déclare à la Banque que les informations qui lui sont transmises conformément aux articles 312 à 316 sont 423 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 316 volledig is en de situatie van de onderneming correct weergeeft, rekening houdend met haar risicoprofiel, en dat zij is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Onderafdeling III Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies Art. 81 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhan- kelijke controlefuncties. In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste ken- nisgeving delen de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 41 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag. § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde per- sonen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepas- sing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank, raadpleegt de Bank eerst de FSMA. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. § 3. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen stellen de Bank in kennis van de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een direc- tiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding. Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2. complètes et reflètent correctement la situation de l’entreprise compte tenu de son profil de risque et qu’elles sont établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la présente loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque Sous-section III Nominations, démissions et exercice de fonctions extérieures Art. 81 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent préalablement la Banque de la proposition de nomination des membres de l’organe légal d’administration et des membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, des personnes chargées de la direction effective, ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes. Dans le cadre de l’information requise en vertu de l’alinéa 1er, les entreprises d’assurance ou de réassurance commu- niquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d’évaluer si les personnes dont la nomination est proposée disposent de l’honorabilité professionnelle néces- saire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction conformément à l’article 41. L’alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu’au non-renouvellement de leur nomination, à leur révocation, à leur licenciement ou à leur démission. § 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l’approbation préalable de la Banque. Lorsqu’il s’agit de la nomination d’une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er dans une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l’article 36/2 de la loi du 22 février 1998, la Banque consulte préalablement la FSMA. La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d’une semaine à compter de la réception de la demande d’avis. § 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance infor- ment la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l’organe légal d’administration, entre les membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, entre les personnes chargées de la direction effective. Les modifications importantes intervenues dans la réparti- tion des tâches visée à l’alinéa 1er, donnent lieu à l’application des paragraphes 1er et 2. 424 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 82 De personen die verantwoordelijk zijn voor de in arti- kel 54 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuurs- orgaan uit hun functie worden verwijderd. Art. 83 § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, bij ont- stentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de onderneming. § 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 42 mogen de le- den van de organen van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de onderneming, al dan niet ter vertegenwoordi- ging van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, onder de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waar- nemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een handelsvennootschap of een vennootschap met handelsvorm, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling die industriële, commerciële of financiële activiteiten uitoefent. § 3. De externe functies als bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming invoert en doet naleven teneinde: 1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de ef- fectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen; 2°  te voorkomen dat bij de verzekerings- of herverze- keringsonderneming belangenconflicten zouden optreden alsook risico’s die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden; 3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, hoe die verplichtingen ten uitvoer moeten worden gelegd. § 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, moeten leden van het directiecomité van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn, dan wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen. § 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen lid zijn van het directiecomité van de verzekerings- of Art. 82 Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l’article 54 ne peuvent être démises de leur fonction sans l’accord préalable de l’organe légal d’administration. Art. 83 § 1er. Les membres de l’organe légal d’administration et, en l’absence de comité de direction, les personnes en charge de la direction effective consacrent le temps nécessaire à l’exercice de leurs fonctions au sein de l’entreprise. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l’article 42, les membres des organes de l’entreprise d’assurance ou de réassurance et toutes personnes qui, sous quelque dénomi- nation et en quelque qualité que ce soit, prennent part à son administration ou sa gestion peuvent, en représentation ou non de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, exercer des mandats d’administrateur ou de gérant ou prendre part à l’administration ou à la gestion au sein d’une société com- merciale ou à forme commerciale, d’une entreprise d’une autre forme de droit belge ou étranger ou d’une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, aux conditions et dans les limites prévues au présent article. § 3. Les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont régies par des règles internes que l’entreprise d’assurance ou de réassurance adopte et fait respecter en vue de poursuivre les objectifs suivants: 1° éviter que l’exercice de ces fonctions par des personnes participant à la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne porte atteinte à la disponibilité requise pour l’exercice de la direction effective; 2° prévenir dans le chef de l’entreprise d’assurance ou de réassurance la survenance de conflits d’intérêts ainsi que les risques qui s’attachent à l’exercice de ces fonctions, notamment sur le plan des opérations d’initiés; 3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions. La Banque fixe les modalités de ces obligations par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. § 4. Les mandataires sociaux nommés sur présentation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance doivent être des membres du comité de direction de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou des personnes désignées par le comité de direction. § 5. Les membres de l’organe légal d’administration qui ne sont pas membres du comité de direction de l’entreprise 425 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsonderneming, mogen geen mandaat uitoe- fenen in een vennootschap waarin de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap. § 6. De leden van het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in: 1° een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereis- ten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, waarmee de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft; 2°  een instelling voor belegging in schuldvorderin- gen die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuld- vorderingen of een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de voornoemde wet van 3 augustus 2012 of de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; 3° een onderneming met een activiteit in het verlengde van het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf, zoals verze- keringsbemiddeling of schaderegeling; 4° een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun familie, in het kader van het normale beheer van hun vermogen, een significant belang bezitten. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand, mogen daarenboven deelnemen aan het dagelijks bestuur van een ziekenfonds, van een landsbond van ziekenfondsen of van een andere maatschappij van onderlinge bijstand als bedoeld in de voornoemde wet van 6 augustus 1990 waarbij de leden van deze verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand zich kunnen aansluiten. § 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen brengen de functies die buiten de verzekerings- of herverze- keringsonderneming worden uitgeoefend door de in paragraaf 1 bedoelde personen, zonder uitstel ter kennis van de Bank, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalin- gen van dit artikel. De Bank bepaalt de modaliteiten van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. d’assurance ou de réassurance ne peuvent exercer un man- dat dans une société dans laquelle l’entreprise d’assurance ou de réassurance détient une participation que s’ils ne par- ticipent pas à la gestion courante de cette société. § 6. Les membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, les personnes qui participent à la direc- tion effective de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s’il s’agit: 1° d’une société visée à l’article 89, paragraphe 1er, du règlement (UE) n°  575/2013  du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences pru- dentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d’investissement et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012, avec laquelle l’entreprise d’assurance a des liens étroits; 2° d’un organisme de placement en créance à forme statu- taire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ou d’un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 précitée ou de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires; 3° d’une entreprise dont l’activité se situe dans le pro- longement de l’activité d’assurance ou de réassurance, telle l’intermédiation en assurances et en réassurance ou le règlement de sinistres; 4° d’une société patrimoniale dans laquelle de telles per- sonnes ou leur famille détiennent, dans le cadre de la gestion normale de leur patrimoine, un intérêt significatif. Les personnes qui participent à la direction effective d’une société mutualiste d’assurance, peuvent en outre participer à la gestion journalière d’une mutualité, d’une union nationale de mutualités ou d’une autre société mutualiste visée par la loi du 6 août 1990 précitée auprès de laquelle les membres de cette société mutualiste d’assurance, peuvent s’affilier. §  7.  Les entreprises d’assurance ou de réassurance notifient sans délai à la Banque les fonctions exercées en dehors de l’entreprise d’assurance ou de réassurance par les personnes visées au paragraphe 1er aux fins du contrôle du respect des dispositions prévues au présent article. La Banque précise les modalités de la communication prévue à l’alinéa 1er. 426 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Risicobeheer Art. 84 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zorgt ervoor dat haar risico’s worden beheerst overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling. Art. 85 § 1. Het risicobeheersysteem waarin artikel 56 voorziet, bestrijkt de risico’s waarmee rekening moet worden gehou- den bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste overeenkomstig artikel 151, § 4, alsook de risico’s waarmee bij die berekening niet of onvolledig rekening wordt gehouden. § 2. Bovendien bestrijkt het risicobeheersysteem minstens de volgende gebieden: 1° onderschrijving en reservering; 2° beheer van activa/passiva (asset-liability management – ALM); 3° beleggingen, in het bijzonder in afgeleide instrumenten en vergelijkbare verbintenissen; 4° beheer van het liquiditeits- en concentratierisico; 5° beheer van het operationeel risico; 6° herverzekering en andere risicomatigingstechnieken. De in artikel  42, §  3  bedoelde schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer bestaan uit beleidslijnen voor de in deze paragraaf opgesomde gebieden. Art. 86 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen de in artikel 129 bedoelde matchingopslag of de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing toepassen, stellen zij een liquiditeitsplan op met een raming van de inkomende en uitgaande kasstromen in verband met de activa en passiva waarop die opslagen en aanpassingen worden toegepast. Art. 87 Met betrekking tot het beheer van activa/passiva voeren de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een regelmatige beoordeling uit van: 1°  de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de Section IV Gestion des risques Art. 84 Les entreprises d’assurance ou de réassurance assurent la maîtrise de leurs risques conformément aux dispositions de la présente Section. Art. 85 § 1er. Le système de gestion des risques prévu à l’article 56, couvre les risques à prendre en considération dans le calcul du capital de solvabilité requis conformément à l’article 151, § 4, ainsi que les risques n’entrant pas ou n’entrant pas plei- nement dans ce calcul. § 2. En outre, le système de gestion des risques couvre au moins les domaines suivants: 1° la souscription et le provisionnement; 2°  la gestion actif-passif (asset-liability management – ALM); 3° les investissements, en particulier dans les instruments dérivés et engagements similaires; 4° la gestion du risque de liquidité et de concentration; 5° la gestion du risque opérationnel; 6° la réassurance et les autres techniques d’atténuation du risque. Les politiques écrites concernant la gestion des risques visées à l’article 42, § 3, comprennent des politiques couvrant les domaines énumérés au présent paragraphe. Art. 86 Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance appliquent l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 ou la correction pour volatilité visée à l’article 131, elles établissent un plan de liquidité comportant une prévision des flux de trésorerie entrants et sortants au regard des actifs et passifs faisant l’objet de ces ajustements et corrections. Art. 87 En ce qui concerne la gestion des actifs et des passifs, les entreprises d’assurance ou de réassurance évaluent régulièrement: 1°  la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-tendant 427 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hypothesen die ten grondslag liggen aan de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2; 2°  bij toepassing van de in artikel  129  bedoelde matchingsopslag: a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypo- thesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de matchingsopslag, met inbegrip van de berekening van de fundamentele spread als bedoeld in artikel 130, § 1, 2°, en het mogelijke effect van een gedwongen verkoop van activa op hun in aanmerking komend eigen vermogen; b) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor wijzigingen in de samenstelling van de toegewezen activaportefeuille; c) het effect dat een verlaging van de matchingopslag tot nul zal teweegbrengen; 3°  bij toepassing van de in artikel  131  genoemde volatiliteitsaanpassing: a) de gevoeligheid van hun technische voorzieningen en hun in aanmerking komend eigen vermogen voor de hypo- thesen die ten grondslag liggen aan de berekening van de volatiliteitsaanpassing, en het mogelijke effect van een ge- dwongen verkoop van activa op hun in aanmerking komend eigen vermogen; b) het effect dat een verlaging van de volatiliteitsaanpassing tot nul zal teweegbrengen. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leg- gen de in het eerste lid bedoelde beoordelingen jaarlijks voor aan de Bank in het kader van de informatieverstrekking bedoeld in artikel 312. Indien de verlaging van de matching- opslag of de volatiliteitsaanpassing tot nul, zou resulteren in niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste, dient de onderneming ook een analyse in van de maatregelen die zij zou kunnen nemen om het niveau van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteits- kapitaalvereiste te herstellen of het risicoprofiel te verlagen om te garanderen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt nageleefd. Wanneer de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpas- sing wordt toegepast, omvat het schriftelijk vastgelegde beleid inzake risicobeheer als bedoeld in artikel 42, § 3, een beleid inzake de criteria voor de toepassing van de volatiliteitsaanpassing. Art. 88 Wat het beleggingsrisico betreft, tonen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan dat zij voldoen aan de bepalingen van de artikelen 190 tot 198. l’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2; 2° en cas d’application de l’ajustement égalisateur visé à l’article 129: a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-tendant le calcul de l’ajustement égalisateur, y compris le calcul de la marge fondamentale visé à l’article 130, § 1er, 2°, et les effets potentiels d’une vente forcée d’actifs sur leurs fonds propres éligibles; b) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux modifications de la composition du portefeuille assigné d’actifs; c)  les conséquences d’une réduction de l’ajustement égalisateur à zéro; 3° en cas d’application de la correction pour volatilité visée à l’article 131: a) la sensibilité de leurs provisions techniques et de leurs fonds propres éligibles aux hypothèses sous-tendant le calcul de la correction pour volatilité et les conséquences potentielles d’une vente forcée d’actifs sur leurs fonds propres éligibles; b) les conséquences d’une réduction de la correction pour volatilité à zéro. Les entreprises d’assurance ou de réassurance sou- mettent chaque année les évaluations visées à l’alinéa 1er, à la Banque dans le cadre de la communication d’informations visée à l’article 312. Dans le cas où la réduction de l’ajus- tement égalisateur ou de la correction pour volatilité à zéro aurait pour effet le non-respect du capital de solvabilité requis, l’entreprise soumet également une analyse des mesures qu’elle pourrait prendre en vue de rétablir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de réduire le profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. Lorsque la correction pour volatilité visée à l’article 131 est appliquée, la politique écrite en matière de gestion du risque visée à l’article 42, § 3, comprend une politique sur les critères d’application de la correction pour volatilité. Art. 88 En ce qui concerne le risque d’investissement, les entre- prises d’assurance ou de réassurance démontrent qu’elles satisfont aux dispositions des articles 190 à 198. 428 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 89 Om overmatig vertrouwen in externe kredietbeoordelings- instellingen te vermijden, beoordelen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij het gebruik van externe kredietbeoordelingen bij de berekening van de technische voorzieningen en het solvabiliteitskapitaalvereiste de ge- schiktheid van deze externe kredietbeoordelingen, in het kader van hun risicobeheer, door in voorkomend geval ge- bruik te maken van aanvullende beoordelingen teneinde te voorkomen dat zij zich automatisch laten leiden door deze externe beoordelingen. Art. 90 Bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is overeenkomstig de artikelen 167 en 168, vervult de risicobeheerfunctie de volgende extra taken: 1° ontwerpen en toepassen van het interne model; 2° toetsen en valideren van het interne model; 3° bijhouden van informatie over het interne model en over de daarin aangebrachte wijzigingen; 4° analyseren van de werking van het interne model en opstellen van samenvattende verslagen daarover. 5° verstrekken van informatie aan het wettelijk bestuurs- orgaan en het directiecomité over de werking van het interne model en daarbij aangeven waar verbeteringen noodzakelijk zijn, en op de hoogte houden van deze organen van de vorderingen die gemaakt zijn bij het verhelpen van eerder geconstateerde zwakke punten. Afdeling V Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment) Art. 91 § 1. In het kader van haar risicobeheersysteem beoordeelt elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar eigen risico en solvabiliteit (Own Risk and Solvency Assessment of “ORSA”). Deze beoordeling heeft minstens betrekking op: 1° de algehele solvabiliteitsbehoeften, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke risicoprofiel evenals met de algemene risicotolerantielimieten en de strategie van de onderneming, die goedgekeurd zijn door het wettelijk bestuursorgaan; 2°  of de in Afdeling  II van Hoofdstuk  VI vastgelegde kapitaalvereisten en de in Afdeling I, Onderafdeling II van Art. 89 Afin de se prémunir d’un excès de confiance dans les établissements externes d’évaluation du crédit lorsqu’elles utilisent les évaluations externes du crédit pour le calcul des provisions techniques et du capital de solvabilité requis, les entreprises d’assurance ou de réassurance vérifient, dans le cadre de leur gestion des risques, le bien-fondé des évalua- tions externes de crédit en usant, le cas échéant, d’évalua- tions supplémentaires afin de se préserver d’une dépendance automatique à l’égard de ces évaluations externes. Art. 90 Pour les entreprises d’assurance ou de réassurance utili- sant un modèle interne partiel ou intégral qui a été approuvé conformément aux articles 167 et 168, la fonction de gestion des risques recouvre les tâches supplémentaires suivantes: 1° la conception et la mise en œuvre du modèle interne; 2° le test et la validation du modèle interne; 3° le suivi documentaire du modèle interne et de toute modification qui lui est apportée; 4° l’analyse de la performance du modèle interne et la production de rapports de synthèse concernant cette analyse; 5° l’information de l’organe légal d’administration et du comité de direction sur la performance du modèle interne en suggérant les éléments à améliorer, et la communication à ces organes de l’état d’avancement des efforts déployés pour remédier aux faiblesses détectées. Section V Évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own Risk and Solvency Assessment) Art. 91 § 1er. Dans le cadre de son système de gestion des risques, l’entreprise d’assurance ou de réassurance procède à une évaluation interne des risques et de la solvabilité (Own Risk and Solvency Assessment ou “ORSA”). Cette évaluation porte au moins sur les éléments suivants: 1° le besoin global de solvabilité, compte tenu du profil de risque spécifique ainsi que des limites générales de la tolé- rance au risque et de la stratégie de l’entreprise, approuvées par l’organe légal d’administration; 2° le respect permanent des exigences de capital prévues à la Section II du Chapitre VI et des exigences concernant les 429 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Hoofdstuk VI vastgelegde vereisten inzake technische voor- zieningen permanent worden nageleefd; 3° de mate waarin het risicoprofiel van de onderneming afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 151 en berekend met de standaardformule overeenkomstig de artike- len 153 tot 166, of met een geheel of gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot 188. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, 1°, beschikt de onderneming over procedures die in verhouding staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan haar activiteiten verbonden zijn en waarmee zij de korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, op adequate wijze kan identificeren en beoordelen. De onderneming toont de relevantie aan van de methodes die zij gebruikt voor deze beoordeling. §  3.  Wanneer de verzekerings- of herverzekeringson- derneming de in artikel 129 bedoelde matchingopslag, de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toe- past, beoordeelt zij de naleving van de kapitaalvereisten, als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, waarbij deze opslagen, aanpassingen en overgangsmaatregelen zowel wel als niet in aanmerking worden genomen. § 4. Bij gebruikmaking van een intern model wordt de be- oordeling in het in paragraaf 1, tweede lid, 3° bedoelde geval samen met de herkalibratie verricht waarbij de resultaten van het interne model worden afgestemd op de risicomaatstaf en de kalibratie van het solvabiliteitskapitaalvereiste. § 5. De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit maakt integraal deel uit van de strategie van de onderneming en wordt systematisch in aanmerking genomen bij de strate- gische beslissingen van de onderneming. § 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verrichten de in paragraaf 1 bedoelde beoordeling minstens eenmaal per jaar en verrichten deze onverwijld na een signi- ficante wijziging in hun risicoprofiel. § 7. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen stellen de Bank in het kader van de informatieverstrekking met toepassing van artikel 312 in kennis van de conclusies van elke beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit. § 8. De beoordeling van het eigen risico en de solvabi- liteit dient niet om een kapitaalvereiste te berekenen. Het solvabiliteitskapitaalvereiste mag alleen worden aangepast overeenkomstig de artikelen 323, 373 tot 379 en 383. provisions techniques prévues à la Section Ire, Sous-section II du Chapitre VI; 3° la mesure dans laquelle le profil de risque de l’entre- prise s’écarte des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis prévu à l’article 151, qu’il soit calculé à l’aide de la formule standard conformément aux articles 153 à 166 ou en recourant à un modèle interne, partiel ou intégral, conformément aux articles 167 à 188. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, l’entreprise concernée met en place des procédures proportionnées à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à son activité et qui lui permettent d’identifier et d’évaluer de manière adéquate les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée à court et long termes. L’entreprise démontre la pertinence des méthodes qu’elle utilise pour cette évaluation. § 3. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance applique l’ajustement égalisateur visé à l’article 129, la cor- rection pour volatilité visée à l’article 131 ou les mesures tran- sitoires visées aux articles 668 et 669, elle évalue la confor- mité avec les exigences de capital visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, à la fois en tenant compte et sans tenir compte de ces ajustements et corrections et mesures transitoires. §  4.  Dans le cas visé au paragraphe  1er, alinéa  2, 3°, lorsqu’un modèle interne est utilisé, l’évaluation est effectuée parallèlement au recalibrage qui aligne les résultats du modèle interne sur la mesure de risque et le calibrage qui sous-tendent le capital de solvabilité requis. § 5. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité fait partie intégrante de la stratégie d’entreprise et il en est tenu systématiquement compte dans les décisions stratégiques de l’entreprise. §  6.  Les entreprises d’assurance ou de réassurance procèdent à l’évaluation visée au paragraphe 1er au moins une fois par an, ainsi qu’immédiatement à la suite de toute évolution notable de leur profil de risque. § 7. Les entreprises d’assurance ou de réassurance infor- ment la Banque des conclusions de chaque évaluation interne des risques et de la solvabilité, dans le cadre des informations à fournir en application de l’article 312. § 8. L’évaluation interne des risques et de la solvabilité ne sert pas à calculer un montant de capital requis. Le capital de solvabilité requis n’est ajusté que conformément aux articles 323, 373 à 379 et 383. 430 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling VI Uitbesteding Art. 92 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die functies, activiteiten of operationele taken uitbesteedt, blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming van al haar verplichtingen uit hoofde van deze wet of de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG. De uitbesteding van operationele taken mag niet tot het volgende leiden: 1°  er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de kwali- teit van het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° het operationele risico neemt onnodig toe; 3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de verzekerings- of herverzekerings- onderneming de verplichtingen nakomt die door of krachtens deze wet of door de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd; 4° de continuïteit en de toereikendheid van de dienstver- lening aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de be- gunstigden van verzekeringsovereenkomsten of de personen die bij de uitvoering van de herverzekeringsovereenkomsten zijn betrokken, wordt ondermijnd. Vóór de uitbesteding van functies, activiteiten of operati- onele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen de Bank tijdig in kennis daarvan en van latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot deze taken. Afdeling VII Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard Art. 93 §  1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks leningen, kredieten of borgstellingen verlenen aan en verzekeringsovereenkomsten sluiten voor 1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of aan alle personen die deelnemen aan hun effectieve leiding en aan de algemene lasthebbers; 2° de in artikel 23, eerste lid bedoelde personen en aan de leden van hun verschillende organen en aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding; Section VI Recours à la sous-traitance Art. 92 L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui sous-traite des fonctions, activités ou tâches opérationnelles conserve l’entière responsabilité du respect de l’ensemble des obli- gations qui lui incombe en vertu de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. La sous-traitance de tâches opérationnelles ne peut pas entraîner l’une des conséquences suivantes: 1°  compromettre gravement la qualité du système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 2° accroître indûment le risque opérationnel; 3° compromettre la capacité de la Banque de vérifier que l’entreprise d’assurance ou de réassurance respecte ses obligations prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 4° nuire à la prestation continue d’un niveau de service sa- tisfaisant à l’égard des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires de contrats d’assurance ou des personnes concernées par l’exécution des contrats de réassurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance informent préalablement et en temps utile la Banque de leur intention de sous-traiter des fonctions, activités ou tâches opérationnelles, qui sont importantes ou critiques, ainsi que de toute évolution ultérieure importante concernant ces tâches. Section VII Opérations sujettes à limitations ou à interdiction et paiements sujets à nullité Art. 93 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts, des crédits ou des garanties et des contrats d’assurance 1° aux membres de leur organe légal d’administration ou à toutes personnes participant à leur direction effective ainsi qu’aux mandataires généraux; 2° aux personnes visées à l’article 23, alinéa 1er ainsi qu’aux membres de leurs différents organes et aux personnes participant à leur direction effective; 431 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° be- doelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten of een functie uitoefenen als bedoeld in 1°; 4° personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen. Worden in dit verband als “verbonden personen” beschouwd: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad, onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de normale marktwaarborgen. Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten en borgstellingen moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten, wanneer zij op cumulatieve basis voor een bepaalde persoon, onderneming of instelling meer bedragen dan 100 000  euro. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, geen zitting hebben. De in het tweede lid bedoelde leningen, kredieten en borg- stellingen worden ter kennis gebracht van de Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt. Wanneer de in het eerste lid bedoelde verrichtingen niet tegen de normale marktvoorwaarden worden gesloten, kan de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de onderne- ming hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil. § 2. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande paragraaf 1, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen worden verleend, ook niet via een krediet- of een borgtochtverzekeringsovereenkomst, aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven. Art. 94 In geval van faillissement van een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze onderneming, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuursorgaan in de vorm van tan- tièmes of andere winstdeelnemingen, in de loop van de twee jaren die voorafgaan aan het tijdstip dat door de rechtbank is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt. 3° aux entreprises ou institutions dans lesquelles les per- sonnes visées au 1° détiennent une participation qualifiée ou exercent une fonction visée au 1°; 4° aux personnes apparentées aux personnes visées au 1°. Sont considérées, à cette fin, comme “personnes appa- rentées”, les conjoints, les partenaires considérés selon leur droit national comme l’équivalent d’un conjoint et les parents au premier degré, qu’aux conditions, à concurrence des montants et moyen- nant les garanties normales du marché. Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 1er doivent faire l’objet d’une information expresse, dans un délai per- mettant à l’organe légal d’administration de s’y opposer, lorsqu’ils excèdent, sur base cumulée pour une personne, une entreprise ou une institution donnée, le montant de 100 000 euros. Quel que soit l’organe appelé à statuer, les membres ayant un intérêt personnel ou fonctionnel direct ou indirect ne peuvent siéger. Les prêts, crédits et garanties visés à l’alinéa 2 sont notifiés à la Banque selon la périodicité et les modalités que celle-ci détermine. La Banque peut, si les opérations visées à l’alinéa 1er, n’ont pas été conclues aux conditions normales du marché, exiger l’adaptation des conditions convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs effets. À défaut, les membres de l’organe légal d’administration qui ont pris la décision sont solidairement responsables de la différence envers l’entreprise. § 2. Par dérogation aux dispositions du Code des sociétés et nonobstant le paragraphe 1er, aucun prêt, crédit ou garantie, en ce compris par la voie d’un contrat d’assurance-crédit ou d’assurance-caution, ne peut être consenti, directement ou indirectement, à une personne en vue de lui permettre, directement ou indirectement, d’acquérir ou de souscrire des actions ou parts ou tous autres titres conférant un droit aux dividendes, de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou d’une société avec laquelle il existe un lien étroit, ou conférant le droit d’acquérir de tels titres. Art. 94 En cas de faillite d’une entreprise d’assurance ou de réas- surance, sont nuls et sans effet relativement à la masse, les paiements effectués par cette entreprise, soit en espèces, soit autrement, à ses membres de l’organe légal d’admi- nistration, à titre de tantièmes ou autres participations aux bénéfices, au cours des deux années qui précèdent l’époque déterminée par le tribunal comme étant celle de la cessation de ses paiements. 432 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de rechtbank erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen. Afdeling VII Mededeling van informatie over de situatie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming Art. 95 Rekening houdend met de informatie vereist in artikel 312, § 3 en de beginselen van artikel 312, § 4, publiceren de ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen jaarlijks een verslag over hun solvabiliteit en financiële positie (Solvency and Financial condition Report of “SFCR” ). Art. 96 § 1. Het in artikel 95 bedoelde verslag over de solvabiliteit en de financiële positie bevat de volgende informatie: 1° een beschrijving van de activiteiten en de resultaten van de onderneming; 2° een beschrijving van het governancesysteem en een beoordeling van de mate waarin het is afgestemd op het risicoprofiel van de onderneming; 3° een beschrijving, voor elke risicocategorie afzonderlijk, van de risicopositie, -concentratie, -matiging en -gevoeligheid; 4° een beschrijving, voor de activa, technische voorzienin- gen en andere passiva afzonderlijk, van de voor de waardering ervan gehanteerde grondslagen en methodes, met een uitleg over de belangrijkste verschillen met de grondslagen en me- thodes die voor de waardering ervan worden gehanteerd in de financiële staten; 5° een beschrijving van de wijze waarop het reglementair kapitaal wordt beheerd, waaronder minstens de volgende elementen: a) de structuur en het bedrag van het kapitaal, alsook de kwaliteit ervan; b) het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste; c) de in artikel 162 bedoelde optie voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste; d) informatie die inzicht verschaft in de belangrijkste ver- schillen tussen de hypothesen die ten grondslag liggen aan respectievelijk de standaardformule en enig door de onder- neming gehanteerd intern model voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste; L’alinéa 1er ne s’applique pas si le tribunal reconnaît qu’aucune faute grave et caractérisée de ces personnes n’a contribué à la faillite. Section VII Communication d’informations sur la situation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance Art. 95 Les entreprises d’assurance ou de réassurance publient annuellement, en tenant compte des informations requises à l’article 312, § 3, et des principes énoncés à l’article 312, § 4, un rapport sur leur solvabilité et leur situation financière (Solvency and Financial Condition Report ou “SFCR” ). Art. 96 § 1er. Le rapport sur la solvabilité et la situation financière visé à l’article 95 contient les informations suivantes: 1°  une description de l’activité et des résultats de l’entreprise; 2° une description du système de gouvernance et une appréciation de son adéquation au profil de risque de l’entreprise; 3° une description, effectuée séparément pour chaque catégorie de risque, de l’exposition au risque, des concentra- tions de risque, de l’atténuation du risque et de la sensibilité au risque; 4° une description, effectuée séparément pour les actifs, les provisions techniques et les autres passifs, des bases et méthodes utilisées aux fins de leur évaluation, assortie d’une explication de toute différence majeure existant dans les bases et méthodes utilisées aux fins de leur évaluation dans les états financiers; 5° une description de la façon dont le capital réglementaire est géré, comprenant au moins les éléments suivants: a) la structure et le montant du capital, ainsi que sa qualité; b) les montants du capital de solvabilité requis et du mini- mum de capital requis; c) l’option visée à l’article 162 qui est utilisée pour le calcul du capital de solvabilité requis; d) des informations permettant de bien comprendre les principales différences existant entre les hypothèses sous- jacentes de la formule standard et celles de tout modèle interne utilisé par l’entreprise pour calculer son capital de solvabilité requis; 433 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 e)  wanneer tijdens de rapporteringsperiode niet wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste of duidelijk niet is voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, en zelfs als de problemen inmiddels zijn opgelost: het bedrag van het tekort, met een uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. §  2.  Wanneer de matchingopslag als bedoeld in arti- kel 129 wordt toegepast, bevat de in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving ook een beschrijving van de matchingopslag en van de portefeuille van verplichtingen en toegewezen activa waarop de matchingopslag wordt toegepast, alsook een kwan- tificering van het effect van een wijziging van de matching- opslag tot nul op de financiële positie van de onderneming. De in paragraaf 1, 4° bedoelde beschrijving bevat ook een verklaring waarin wordt aangegeven of de in artikel 131 be- doelde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast door de on- derneming, evenals een kwantificering van het effect van een wijziging van de volatiliteitsaanpassing tot nul op de financiële positie van de onderneming. § 3. De in paragraaf 1, 5°, a) bedoelde beschrijving bevat een analyse van alle belangrijke veranderingen ten opzichte van de vorige rapporteringsperiode en een uitleg over alle be- langrijke verschillen in de waarde van de betrokken elementen in de financiële staten, evenals een korte beschrijving van de overdraagbaarheid van het kapitaal. § 4. In de in paragraaf 1, 5°, b) bedoelde informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste worden het bedrag dat over- eenkomstig de bepalingen van Afdeling II van Hoofdstuk VI is berekend, en het bedrag van de eventuele kapitaalop- slagfactor die overeenkomstig artikel 323 is opgelegd, of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming krachtens artikel  166  dient te hanteren, afzonderlijk vermeld. Daarbij wordt beknopte informatie gevoegd over de reden waarom de Bank die kapi- taalopslagfactor heeft opgelegd. In de informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt in voorkomend geval vermeld dat het definitieve bedrag ervan beoordeeld moet worden in het kader van het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend. § 5. De krachtens dit artikel vereiste informatie wordt inte- graal gepubliceerd of, mits de Bank dit toestaat, onder verwij- zing naar informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gepubliceerd is. Art. 97 § 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die krachtens de arti- kelen 95 en 96 wordt meegedeeld, maken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen passende informatie bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkeling. e) en cas de manquement à l’exigence de minimum de capital requis ou de manquement significatif à l’exigence de capital de solvabilité requis, survenu durant la période examinée et nonobstant le fait que le problème aurait été résolu par la suite, le montant de l’écart constaté assorti d’une explication relative à son origine et à ses conséquences, ainsi qu’à toute mesure corrective qui aurait été prise. § 2. Dans le cas où l’ajustement égalisateur visé à l’ar- ticle 129 est appliqué, la description visée au paragraphe 1er, 4° inclut une description de l’ajustement égalisateur et du portefeuille d’obligations ainsi que des actifs du portefeuille assigné auxquels s’applique l’ajustement égalisateur, ainsi qu’une quantification des effets d’une annulation de l’ajus- tement égalisateur sur la situation financière de l’entreprise. La description visée au paragraphe 1er, 4° comprend éga- lement une déclaration indiquant si la correction pour volatilité visée à l’article 131 est utilisée par l’entreprise concernée ainsi qu’une quantification des effets d’une annulation de la correc- tion pour volatilité sur la situation financière de l’entreprise. § 3. La description visée au paragraphe 1er, 5°, a), com- prend une analyse de tout changement important survenu par rapport à la précédente période examinée et une explication de toute différence importante observée, dans les états finan- ciers, dans la valeur des éléments considérés, ainsi qu’une brève description de la transférabilité du capital. § 4. La publication du capital de solvabilité requis visée au paragraphe 1er, 5°, b), indique séparément le montant calculé conformément aux dispositions de la Section II du Chapitre VI, et le montant de toute exigence de capital sup- plémentaire imposée conformément à l’article 323, ou l’effet des paramètres spécifiques que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166. Cette publication est assortie d’une information concise quant à la raison pour laquelle la Banque a imposé cette exigence de capital supplémentaire. La publication du capital de solvabilité requis est assortie, le cas échéant, d’une indication selon laquelle son montant définitif reste subordonné à une évaluation dans le cadre du contrôle exercé par la Banque. § 5. Les informations exigées en vertu du présent article sont publiées in extenso ou, moyennant l’autorisation de la Banque, par référence à des informations équivalentes, dans leur nature et dans leur portée, publiées en vertu d’autres dispositions légales ou réglementaires. Art. 97 § 1er. En cas d’événement majeur affectant significati- vement la pertinence des informations communiquées en vertu des articles 95 et 96, les entreprises d’assurance ou de réassurance publient des informations appropriées sur la nature et les effets dudit événement majeur. 434 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt: 1° de vaststelling dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank de onderneming niet in staat acht om haar een realistisch plan inzake financiering op korte termijn voor te leggen of dat zij dit plan niet ontvangt binnen een maand na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld; 2°  de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalvereiste duidelijk niet wordt nageleefd en het feit dat de Bank geen realistisch saneringsplan ontvangt binnen twee maanden na de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld,. In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, maakt de onder- neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht plan inzake financiering op korte termijn, de niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste drie maan- den na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oor- zaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland. In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, maakt de onder- neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realis- tisch geacht saneringsplan de duidelijke niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste zes maanden na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende be- drag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland. Art. 98 Naast de al krachtens de artikelen  95  tot 97  verplicht bekend te maken informatie of uitleg over hun solvabiliteit en hun financiële positie mogen verzekerings- of herverze- keringsondernemingen uit eigen beweging ook alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken. Art. 99 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be- schikken over passende structuren en systemen om aan de vereisten van de artikelen 95 tot 97 te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeen- komstig de artikelen 95 tot 97 bekendgemaakte informatie altijd adequaat is. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins considérées comme un événement majeur les circonstances suivantes: 1° l’observation d’un écart par rapport au minimum de capi- tal requis et le fait que la Banque considère que l’entreprise ne sera pas en mesure de lui soumettre un plan réaliste de financement à court terme ou qu’elle n’obtient pas ce plan dans un délai d’un mois à compter de la date où l’écart a été observé; 2° l’observation d’un écart important par rapport au capital de solvabilité requis et le fait que la Banque n’obtient pas de programme réaliste de rétablissement dans un délai de deux mois à compter de la date où l’écart a été observé. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, l’entreprise publie immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une explication quant à son origine et ses conséquences et quant à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un plan de financement à court terme initialement considéré comme réaliste, un écart par rapport au minimum de capital requis n’a pas été corrigé trois mois après qu’il a été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses conséquences y compris quant aux mesures correctives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue. Dans le cas visé à l’alinéa  1er,  2°, l’entreprise publie immédiatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une explication quant à son origine et ses conséquences et quant à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un programme de rétablissement initialement considéré comme réaliste, un écart important par rapport au capital de solvabilité requis n’a pas été corrigé six mois après qu’il a été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses conséquences, y compris quant aux mesures correctives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue. Art. 98 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent publier à leur initiative toute information ou explication relative à leur solvabilité et à leur situation financière dont la publi- cation n’est pas déjà exigée en vertu des articles 95 à 97. Art. 99 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place des structures et des systèmes appropriés pour satisfaire aux exigences énoncées aux articles 95 à 97 , ainsi qu’une politique écrite visant à garantir l’adéquation permanente de toute information publiée conformément aux articles 95 à 97. 435 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 100 De Bank kan toestaan dat een verzekerings- of herverze- keringsonderneming informatie als bedoeld in artikel 96, § 1, 1° tot 4°, en § 2, niet bekendmaakt indien: 1° door de bekendmaking van die informatie de concur- renten van de onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld; 2°  de onderneming wegens verplichtingen jegens de verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een geheimhoudingsplicht heeft. Wanneer de Bank heeft toegestaan dat bepaalde infor- matie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de betrokken onderneming dit in haar verslag over haar solvabiliteit en haar financiële positie, met opgave van de redenen hiervoor. In het geval van een verzekeringsonderneming kan de in dit artikel bedoelde toestemming maar worden verleend of geweigerd nadat de Bank het advies van de FSMA heeft gevraagd. Deze laatste verleent haar advies binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als een gunstig advies. Art. 101 De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. HOOFDSTUK IV Portefeuilleoverdracht en andere bijzondere verrichtingen Art. 102 De voorafgaande toestemming van de Bank is vereist voor: 1° de strategische beslissingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° fusies waarbij een verzekerings- of herverzekeringson- derneming is betrokken, evenals splitsingen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 3° de overdracht van alle of een deel van de activiteiten, met inbegrip van de volledige of de gedeeltelijke overdracht van een portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten worden overgedragen. De Bank beslist binnen drie maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Zij mag haar toestem- ming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de onderneming om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet of de maatregelen Art. 100 La Banque peut autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance à ne pas publier une information visée à l’article 96, § 1er, 1° à 4°, et § 2, dans les cas où: 1°  la publication de cette information conférerait aux concurrents de l’entreprise concernée un avantage indu important; 2° l’entreprise est tenue à une obligation de confidentialité en raison d’obligations à l’égard des preneurs d’assurance ou de relations avec d’autres contreparties. Lorsque la non-publication d’une information est auto- risée par la Banque, l’entreprise concernée l’indique dans son rapport sur sa solvabilité et sa situation financière et en explique les raisons. Dans le cas d’une entreprise d’assurance, l’autorisation visée au présent article n’est accordée ou refusée qu’après que la Banque ait sollicité l’avis de la FSMA. Cette dernière rend son avis dans les quinze jours de la réception de la demande. L’absence d’avis endéans ce délai équivaut à un avis favorable. Art. 101 La Banque peut préciser le contenu et les modalités de présentation des informations prévues à la présente Section, par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998. CHAPITRE IV Transfert de portefeuille et autres opérations particulières Art. 102 Sont soumises à l’autorisation préalable de la Banque: 1° les décisions stratégiques d’une entreprise d’assurance ou de réassurance; 2° les fusions impliquant une entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que les scissions d’entreprises d’assurance ou de réassurance; 3° la cession de tout ou partie des activités, en ce com- pris tout ou partie d’un portefeuille impliquant la cession des droits et obligations découlant des contrats d’assurance ou de réassurance. La Banque se prononce dans les trois mois de la réception d’un dossier complet du projet. Elle ne peut refuser son autori- sation que pour des motifs tenant à la capacité de l’entreprise à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la pré- sente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ 436 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet bin- nen de voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen, onverminderd artikel 104, § 1, 2°. Wanneer ze betrekking hebben op verzekeringsovereen- komsten ter dekking van in België gelegen risico’s of verbin- tenissen, zijn de in het eerste lid, 3° bedoelde overdrachten ten gunste van een verzekeringsonderneming van een derde land slechts toegestaan indien het Belgische bijkantoor van die verzekeringsonderneming als overnemer optreedt en daardoor gehouden is tot naleving van de wettelijke en regle- mentaire beperkingen die inherent zijn aan de overgedragen risico’s en verbintenissen. Art. 103 De Bank bepaalt per geval, naargelang van de specifieke kenmerken van de verrichting en van de betrokken onderne- ming of de betrokken ondernemingen, de inhoud van het dos- sier over de in artikel 102 bedoelde verrichtingen. Het dossier over de in artikel 102, eerste lid, 3° bedoelde verrichtingen bevat ten minste: 1° de identificatie van de tegenpartij bij de overeenkomst tot overdracht; 2° een beschrijving van de over te dragen overeenkomsten; 3° de over te dragen actief- en passiefbestanddelen; 4° de vermelding van de lidstaten en de derde landen waar de over te dragen risico’s en verbintenissen gelegen zijn; 5° de vermelding van de lidstaten waar de overdragende onderneming een bijkantoor heeft dat bij de overdracht be- trokken is; 6° alle andere informatie die door de Bank wordt opge- vraagd in het kader van de goedkeuring van de overdracht. Art. 104 § 1. Behoudens de in artikel 102, tweede lid bedoelde voorwaarden kan de toestemming van de Bank maar worden verleend voor verrichtingen als bedoeld in artikel 102, eerste 1, 3°, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° indien de overnemende onderneming onder een andere lidstaat ressorteert, dienen de toezichthouders van die lidstaat te hebben verklaard dat deze onderneming, mede gelet op de voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen bezit ter dekking van het solvabili- teitskapitaalvereiste als bedoeld in de wetgeving die op deze onderneming van toepassing is; 2° wanneer de toestemming wordt gevraagd door een verzekeringsonderneming, in haar hoedanigheid van CE ou tenant à la gestion saine et prudente de l’entreprise ou si la décision est susceptible d’affecter de façon significative la stabilité du système financier. Sans préjudice de l’article 104, § 1er, 2°, si elle n’intervient pas dans le délai fixé ci-dessus, l’autorisation est réputée acquise. En outre, lorsqu’elles portent sur des contrats d’assurance relatifs à des risques ou des engagements situés en Belgique, les cessions visées à l’alinéa 1er, 3° au bénéfice d’une entre- prise d’assurance d’un pays tiers ne sont autorisées que si la succursale belge de cette entreprise d’assurance intervient en qualité de cessionnaire impliquant le respect dans son chef des contraintes légales et réglementaires inhérentes aux risques et engagements cédés. Art. 103 La Banque détermine, au cas par cas, en fonction des par- ticularités de l’opération et de l’entreprise concernée ou des entreprises concernées, le contenu du dossier relatif aux opé- rations visées à l’article 102. À tout le moins, le dossier relatif aux opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3° contient: 1° l’identification de la contrepartie à la convention de cession; 2° une description des contrats à transférer; 3° les éléments d’actif et de passif à transférer; 4° l’indication des États membres et des pays tiers où les risques et les engagements à transférer sont situés; 5° l’indication des États membres dans lesquels l’entre- prise cédante possède une succursale concernée par le transfert; 6° toute autre information demandée par la Banque en vue de l’autorisation de la cession. Art. 104 § 1er. Outre les conditions visées à l’article 102, alinéa 2, l’accord de la Banque ne peut être donné concernant des opérations visées à l’article 102, alinéa 1er, 3°, que s’il est satisfait aux conditions suivantes: 1° si l’entreprise cessionnaire relève du droit d’un autre État membre, les autorités de contrôle de cet État ont attesté que cette entreprise possède, compte tenu de la cession envi- sagée, les fonds propres éligibles nécessaires pour couvrir le capital de solvabilité requis en vertu de la législation dont cette entreprise relève; 2° lorsque l’autorisation est demandée par une entreprise d’assurance, en qualité d’entreprise cédante, la cession 437 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 overdragende onderneming, is voor de gehele of de gedeel- telijke overdracht van een portefeuille van verzekeringsover- eenkomsten die afgesloten zijn via een in een andere lidstaat gevestigd bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, bovendien de voorafgaande instemming vereist van de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst. Hiertoe deelt de Bank onverwijld het voorstel van overdracht mee aan de toezichthouders van de betrokken lidstaten. Indien die toezichthouders niet gereageerd hebben binnen een termijn van drie maanden na hun raadpleging, worden zij geacht te hebben ingestemd. § 2. Wanneer de Bank geraadpleegd wordt door de toe- zichthouders van een lidstaat over een verrichting als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° waarbij een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming naar Belgisch recht als overnemer optreedt, levert de Bank binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek, een attest af waarin al dan niet bevestigd wordt dat de overnemende onderneming, mede gelet op de voorgenomen overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalver- eiste als bedoeld in artikel 151 bezit. Art. 105 De Bank stelt de FSMA in kennis van de aanvragen tot goedkeuring van overdrachten van verzekeringsovereenkom- sten die zij ontvangt met toepassing van artikel 102, eerste lid, 3°, alsook van haar beslissingen daarover. Art. 106 De Bank publiceert in het Belgisch Staatsblad een uittrek- sel van elke beslissing tot goedkeuring, met toepassing van artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, van een fusie of een overdracht van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit verzeke- rings- of herverzekeringsovereenkomsten. Onverminderd de artikelen 17 en 18 van de Wet Verzekeringen is elke gehele of gedeeltelijke overdracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan derden, met name aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden, zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is. De in het eerste lid bedoelde uittreksels worden ter infor- matie ook op de website van de Bank gepubliceerd. Het is niet mogelijk om de overdrachten die de Bank heeft goedgekeurd krachtens artikel 102, eerste lid, 2° en 3°, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek of van de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. de tout ou partie d’un portefeuille de contrats d’assurance souscrits par la voie d’une succursale située dans une autre État membre ou du régime de libre prestation de services, requiert, en outre, l’accord préalable des autorités de contrôle des États membres d’accueil concernés. À cette fin, la Banque communique sans délai le projet de cession aux autorités de contrôle des États membres concernés. En l’absence de réaction de ces autorités dans un délai de trois mois suivant leur consultation, l’accord de ces autorités est présumé. § 2. Lorsque la Banque est consultée par les autorités de contrôle d’un État membre concernant une opération visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° à laquelle une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge intervient en qualité de cessionnaire, la Banque émet, dans les trois mois de la réception de la demande, une attestation indiquant si l’entreprise cessionnaire possède, compte tenu de la cession envisagée, les fonds propres éligibles nécessaires pour cou- vrir le capital de solvabilité requis visé à l’article 151. Art. 105 La Banque informe la FSMA des demandes d’autorisation de cession de contrats d’assurance dont elle est saisie en application de l’article 102, alinéa 1er, 3°, ainsi que des déci- sions qu’elle prend les concernant. Art. 106 La Banque procède à la publication au Moniteur belge d’un extrait de toute décision d’autorisation, en application de l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, d’une fusion ou d’une cession de droits et obligations découlant de contrats d’assurance ou de réassurance. Sans préjudice des articles 17 et 18 de la Loi assurances, toute cession totale ou partielle des droits et obligations résultant de ces opérations est opposable aux tiers, notamment les preneurs d’assurance, les assurés et les bénéficiaires, dès la publication au Moniteur belge de l’autorisation de la Banque. Les extraits visés à l’alinéa 1er font également l’objet d’une publicité à titre d’information sur le site internet de la Banque. Les cessions autorisées par la Banque en vertu de l’article 102, alinéa 1er, 2° et 3°, ne peuvent faire l’objet d’une nullité ou inopposabilité en vertu de l’article 1167 du Code civil ou des articles 17, 18 ou 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. 438 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK V Uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten in het buitenland Afdeling I Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland Art. 107 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming die voornemens is om rechtstreeks of onrechtstreeks, in het bui- tenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf uitoefent, stelt de Bank daarvan in kennis. De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming voegt bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving informatie over de activiteiten, de organisatie, de leiding en de aandeelhoudersstructuur van de betrokken onderneming. Afdeling II Opening van bijkantoren in het buitenland Onderafdeling I Opening van bijkantoren in het buitenland door een verzekeringsonderneming Art. 108 § 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grondge- bied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen om er een verzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft verkregen, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de volgende gegevens: 1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzeke- ringsonderneming voornemens is het bijkantoor te vestigen; 2° het programma van werkzaamheden, waarin minstens de aard van de voorgenomen verrichtingen en de organisa- tiestructuur van het bijkantoor worden beschreven; 3° de naam, het adres en de bevoegdheden van de in pa- ragraaf 2 bedoelde algemene lasthebber van het bijkantoor, en, in voorkomend geval, van de andere personen die met de effectieve leiding van het bijkantoor zijn belast, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor; 4° het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd en afgeleverd bij de verzekerings- onderneming, met name de mededelingen aan de algemene lasthebber; CHAPITRE V Exercice d’activités d’assurance ou de réassurance à l’étranger Section Ire Ouverture ou acquisition de filiales à l’étranger Art. 107 L’entreprise d’assurance ou de réassurance qui projette d’acquérir ou de constituer, directement ou indirectement, une filiale à l’étranger exerçant l’activité d’assurance ou de réassurance notifie son intention à la Banque. L’entreprise d’assurance ou de réassurance joint à la noti- fication visée à l’alinéa 1er une information sur les activités, l’organisation, les dirigeants et la structure de l’actionnariat de l’entreprise concernée. Section II Ouverture de succursales à l’étranger Sous-section Ire Ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise d’assurance Art. 108 § 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’ouvrir une succursale sur le territoire d’un autre État membre en vue d’exercer une activité d’assurance pour laquelle elle est agréée en Belgique notifie son intention à la Banque. Cette notification est assortie d’un dossier comportant les informations suivantes: 1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise d’assu- rance envisage d’établir la succursale; 2° le programme d’activités, dans lequel sont au moins décrits le type d’opérations envisagées et la structure de l’organisation de la succursale; 3° le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général de la succursale visé au paragraphe 2 et, le cas échéant, des autres personnes chargées de la direction effective de la succursale ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale; 4° l’adresse à laquelle les documents peuvent être récla- més et délivrés à l’entreprise d’assurance dans l’État membre d’accueil, notamment les communications au mandataire général; 439 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkantoor de risico’s wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, een verklaring waarin staat dat zij is toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst; 6° ingeval de verzekeringsonderneming door haar bijkan- toor de arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken, het bewijs, indien dit van de lidstaat van ontvangst wordt verlangd, dat de specifieke voorschriften die in het nationaal recht van die lidstaat zijn opgenomen met betrekking tot de dekking van dit type risico’s, worden nageleefd. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde verzekeringsonderneming wijst een algemene lasthebber aan voor het bijkantoor. In geval van verzaking aan het mandaat of afzetting van de al- gemene lasthebber, of in geval van zijn overlijden, neemt de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen om binnen een maand in zijn vervanging te voorzien. De algemene lasthebber, evenals, in voorkomend geval, de overige personen die belast zijn met de effectieve leiding van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onaf- hankelijke controlefuncties van het bijkantoor beschikken permanent over de vereiste professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid voor de uitoefening van hun functie. De artikelen 41 en 81 en 82 zijn op hen van overeen- komstige toepassing. § 3. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de niet-naleving van de vereisten van paragraaf 2 of door de nadelige gevolgen voor het governancesysteem, de financiële positie, met name gelet op de risico’s die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming. De beslissing van de Bank wordt uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de verzekeringsonderneming. § 4. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd genomen met toepas- sing van paragraaf 3. § 5. Met uitzondering van paragraaf 4 is dit artikel mutatis mutandis van toepassing op de opening van bijkantoren in een derde land, met dien verstande dat de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van het project van de verze- keringsonderneming indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling 5° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques relevant de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabi- lité du transporteur, une déclaration selon laquelle elle est devenue membre du bureau national et du fonds national de garantie de l’État membre d’accueil; 6° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail, la preuve, si elle est exigée par l’État membre d’accueil, du respect des dispositions spécifiques prévues par le droit national de cet État membre en ce qui concerne la couverture de ce type de risques. §  2. L’entreprise d’assurance visée au paragraphe  1er désigne un mandataire général de la succursale. En cas de renonciation au mandat ou de révocation du mandataire géné- ral ou en cas de son décès, l’entreprise d’assurance prend les mesures nécessaires pour pourvoir à son remplacement dans le mois. Le mandataire général ainsi que, le cas échéant, les autres personnes chargées de la direction effective de la succursale et les responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la succursale disposent en permanence de l’honorabi- lité professionnelle nécessaire et de l’expertise adéquate à l’exercice de leur fonction. Les articles 41 et 81 et 82 leur sont applicables par analogie. § 3. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par le non-respect des exigences prévues au paragraphe 2 ou par les répercussions préjudiciables sur le système de gouvernance, la situation financière, notamment compte tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le contrôle de l’entreprise d’assurance. La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assu- rance par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues au paragraphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de l’entreprise. § 4. La Banque communique à la Commission européenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels une décision définitive d’opposition a été prise en application du paragraphe 3. § 5. Le présent article, à l’exception du paragraphe 4, s’applique mutatis mutandis à l’ouverture de succursales dans un pays tiers, étant entendu que la Banque peut éga- lement s’opposer à la réalisation du projet de l’entreprise d’assurance si elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de 440 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 betreffende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit derde land is gevestigd. Art. 109 Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig artikel  108, §  3, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat van ontvangst, binnen drie maanden na ontvangst ervan, alle in artikel 108, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solva- biliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn 2009/138/EG. De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderneming schriftelijk op de hoogte van de mededeling van het in het eerste lid bedoelde dossier en van de datum waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst er de ontvangst van hebben bevestigd. Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ont- vangst aan de Bank de voorwaarden hebben meegedeeld waaronder de activiteiten van het bijkantoor om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoe- fend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming. Art. 110 Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit van het derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de wenselijke infor- matie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Art. 111 Wanneer het vestigingskantoor van het bijkantoor een lidstaat is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvan- gen vanaf de datum waarop de Bank de in artikel 109, derde lid bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van een termijn van twee maanden die aanvangt op de datum van ontvangst door de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst van de met toepassing van artikel 109, eerste lid meegedeelde informatie. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, mogen de activiteiten van het bijkantoor aanvan- gen vanaf de datum waarop geen verzet is aangetekend overeenkomstig artikel 108, § 3 tegen het voornemen om een bijkantoor te openen, onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf. la possibilité d’exercer un contrôle effectif de la succursale sur le territoire de ce pays tiers. Art. 109 Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État membre, la Banque, si elle ne s’est pas opposée à la réalisa- tion du projet conformément à l’article 108,§ 3, communique à l’autorité compétente de l’État membre d’accueil concerné dans les trois mois de leur réception, toutes les informations requises par l’article 108, § 1er, alinéa 2 ainsi qu’une attes- tation indiquant que l’entreprise d’assurance dispose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive 2009/138/CE. La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance concer- née de la communication du dossier visée à l’alinéa 1er et de la date à laquelle les autorités compétentes de l’État membre d’accueil en ont accusé réception. Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles, pour des raisons d’intérêt général, les activités de la succursale peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque communique ces informations à l’entreprise d’assurance concernée. Art. 110 Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité du pays tiers concernée, des modalités d’ouverture et de contrôle de la suc- cursale ainsi que des échanges d’informations souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998. Art. 111 Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État membre, les activités de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle la Banque a reçu la communication visée à l’article 109, alinéa 3 et au plus tard à l’échéance d’un délai de deux mois prenant cours à la date de la réception par les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil des informa- tions communiquées en application de l’article 109, alinéa 1er. Lorsque l’État d’implantation de la succursale est un pays tiers, sans préjudice du respect des dispositions légales de ce pays en matière d’accès à l’activité d’assurance, les activités de la succursale peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’ouverture de la succursale n’a pas fait l’objet d’une opposition conformément à l’article 108, § 3. 441 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 112 De verzekeringsonderneming stelt de Bank en, in voorko- mend geval, de toezichthouders van de betrokken lidstaten van ontvangst minstens een maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie die met toepassing van artikel 108, § 1, tweede lid, 2°, 3°et 4° werd meegedeeld. Artikel 108, § 3 is van toepassing op deze wijzigingen. Onderafdeling II Opening van een bijkantoor in het buitenland door een herverzekeringsonderneming Art. 113 Iedere herverzekeringsonderneming die op het grondge- bied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen om er een herverzekeringsactiviteit uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft, stelt de Bank daarvan in kennis. Art. 114 De artikelen 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° en §§ 2, 3 en 5, 110, 111, tweede lid en 112 zijn mutatis mutandis van toepas- sing op de opening van bijkantoren in het buitenland door een herverzekeringsonderneming, met dien verstande dat: 1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 110 kunnen worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst; 2° artikel 111, tweede lid ook van toepassing is wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is. Afdeling III Verrichten van verzekerings- of herverzekeringsdiensten in het buitenland Onderafdeling I Verrichten van diensten in het buitenland door een verzekeringsonderneming Art. 115 § 1. Iedere verzekeringsonderneming die op het grond- gebied van een andere lidstaat een verzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft verkregen, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd met de volgende gegevens: Art. 112 L’entreprise d’assurance notifie à la Banque et, le cas échéant, aux autorités de contrôle des États membres d’accueil concernées toutes modifications qu’elle entend apporter aux informations communiquées en application de l’article 108, § 1er, alinéa 2, 2°, 3°et 4° et ce, un mois au moins avant qu’elles ne soient effectuées. L’article 108, § 3 est applicable en ce qui concerne ces modifications. Sous-section II Ouverture d’une succursale à l’étranger par une entreprise de réassurance Art. 113 L’entreprise de réassurance qui projette d’ouvrir une suc- cursale sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers en vue d’y exercer une activité de réassurance pour laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique, notifie son intention à la Banque. Art. 114 Les articles 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° et §§ 2, 3 et 5, 110, 111, alinéa 2 et 112 s’appliquent mutatis mutandis à l’ouverture de succursales à l’étranger par une entreprise de réassurance, étant entendu que: 1° des accords de coopération visés à l’article 110 peuvent également être conclus par la Banque avec les autorités de contrôle des États membres d’accueil; 2° l’article 111, alinéa 2 s’applique également lorsque l’État d’implantation de la succursale est un État membre. Section III Prestation de services d’assurance ou de réassurance à l’étranger Sous-section Ire Prestation de services à l’étranger par une entreprise d’assurance Art. 115 § 1er. L’entreprise d’assurance qui projette d’exercer sur le territoire d’un autre État membre, sans y établir de succursale, une activité d’assurance pour laquelle elle est agréée en Belgique, notifie son intention à la Banque. Cette notification est assortie d’un dossier comportant les informations suivantes: 442 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzeke- ringsonderneming voornemens is haar activiteit uit te oefenen; 2° het type verzekeringsverrichtingen dat zij van plan is uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten en de takken waartoe deze verrichtingen behoren; 3° ingeval de verzekeringsonderneming in het kader van het vrij verrichten van diensten de risico’s wil laten dekken die behoren tot tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, en indien de lidstaat van ontvangst verlangt dat deze gegevens worden meegedeeld, een verklaring waarin staat dat de verzeke- ringsonderneming is toegetreden tot het nationaal bureau en het nationaal waarborgfonds van de lidstaat van ontvangst. § 2. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van het grensoverschrijdend verrichten van de verzekeringsactiviteit voor het governancesysteem, de finan- ciële positie, met name gelet op de risico’s die verbonden zijn aan de voorgenomen activiteit, of het toezicht op de verzekeringsonderneming. De beslissing van de Bank wordt uiterlijk een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in paragraaf 1, tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de verzekeringsonderneming. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben tegen het project van de verzekeringsonderneming. § 3. De Bank stelt de Europese Commissie en EIOPA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin een definitieve beslissing tot verzet werd genomen met toepas- sing van paragraaf 2. § 4. Met uitzondering van paragraaf 3 is dit artikel mutatis mutandis van toepassing op de uitoefening van het verzeke- ringsbedrijf op het grondgebied van een derde land zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat 1° de Bank zich ook kan verzetten tegen de uitvoering van het project van de verzekeringsonderneming indien zij rede- nen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betreffende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op de grensoverschrij- dende activiteit die op het grondgebied van dit derde land wordt uitgeoefend; 2° de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde termijn in dit geval drie maanden bedraagt. Art. 116 Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens- overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, 1° l’État membre sur le territoire duquel l’entreprise d’assu- rance envisage d’exercer son activité; 2° le type d’opérations d’assurance qu’elle compte exercer dans le cadre de la libre prestation de services et les branches dont ces opérations relèvent; 3° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir, dans le cadre de la libre prestation de services, les risques relevant de la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, et si l’État membre d’accueil exige la communication de ces informa- tions, une déclaration selon laquelle l’entreprise d’assurance est devenue membre du bureau national et du fonds national de garantie de l’État membre d’accueil. § 2. La Banque peut s’opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de la prestation transfrontalière de l’activité d’assurance sur le système de gouvernance, la situation financière, notamment compte tenu des risques inhérents à l’activité projetée, ou le contrôle de l’entreprise d’assurance. La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assu- rance par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard un mois après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues au para- graphe 1er, alinéa 2. Si la Banque n’a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s’opposer au projet de l’entreprise d’assurance. § 3 . La Banque communique à la Commission européenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels une décision définitive d’opposition a été prise en application du paragraphe 2. § 4. Le présent article, à l’exception du paragraphe 3, s’ap- plique mutatis mutandis à l’exercice de l’activité d’assurance sur le territoire d’un pays tiers, sans y établir de succursale, étant entendu que  1° la Banque peut également s’opposer à la réalisation du projet de l’entreprise d’assurance si elle a des raisons de douter du respect des règles d’accès à l’activité prescrites sous la législation du pays tiers ou, compte tenu de l’activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d’exercer un contrôle effectif en ce qui concerne l’activité transfrontalière exercée sur le territoire de ce pays tiers; 2° le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2 est porté à trois mois. Art. 116 Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance transfrontalière s’exerce est un État membre, la Banque, si elle 443 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet tegen de uitvoering van het project heeft verzet overeenkomstig arti- kel 115, § 2, aan de toezichthouder van de betrokken lidstaat van ontvangst, binnen een maand na ontvangst ervan, alle in artikel 115, § 1, tweede lid vereiste gegevens mee, evenals een verklaring dat de verzekeringsonderneming het solvabi- liteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129 van Richtlijn 2009/138/EG. Zij deelt eveneens de verzekeringstakken mee waarvoor de verzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen van de Bank. De Bank brengt de betrokken verzekeringsonderneming schriftelijk op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde mededeling. Wanneer de toezichthouders van de lidstaat van ont- vangst aan de Bank de voorwaarden hebben meegedeeld waaronder de grensoverschrijdende activiteiten om redenen van algemeen belang in die lidstaat mogen worden uitgeoe- fend, deelt de Bank deze informatie mee aan de betrokken verzekeringsonderneming. Art. 117 Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens- overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een derde land is, kan de Bank in overleg met de betrokken autori- teit van het derde land, regels vaststellen voor het toezicht op die activiteit, alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998. Art. 118 Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens- overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is, mogen de grensoverschrijdende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop de onderneming in kennis werd gesteld door de Bank van de in artikel 116, eerste lid bedoelde mededeling. Wanneer de staat op het grondgebied waarvan de grens- overschrijdende verzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, een derde land is, mogen de grensoverschrijdende activiteiten aanvangen vanaf de datum waarop geen verzet is aangete- kend overeenkomstig artikel 115, § 2 tegen het voornemen om grensoverschrijdende activiteiten uit te oefenen, onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van dit land inzake de toegang tot het verzekeringsbedrijf. Art. 119 Iedere verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land een verzeke- ringsactiviteit uitoefent zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank op voorhand in kennis van alle wijzigingen die zij wenst aan te brengen in de informatie die met toepassing van ne s’est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l’article 115, § 2, communique à l’autorité de contrôle de l’État d’accueil concerné dans le mois de leur réception, toutes les informations requises par l’article 115, § 1er, alinéa 2 ainsi qu’une attestation indiquant que l’entreprise d’assurance dispose du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis calculés conformément aux articles 100 et 129 de la Directive 2009/138/CE. Elle communique égale- ment les branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assurance a été agréée par la Banque. La Banque avise par écrit l’entreprise d’assurance concer- née de la communication visée à l’alinéa 1er. Lorsque les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil lui ont transmis les conditions dans lesquelles, pour des raisons d’intérêt général, les activités transfrontalières peuvent être exercées dans cet État membre, la Banque communique ces informations à l’entreprise d’assurance concernée. Art. 117 Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance transfrontalière s’exerce est un pays tiers, la Banque peut convenir avec l’autorité du pays tiers concernée, des moda- lités de contrôle de cette activité ainsi que des échanges d’informations souhaitables dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998. Art. 118 Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance transfrontalière s’exerce est un État membre, les activités transfrontalières peuvent débuter à partir de la date à laquelle l’entreprise a été avisée par la Banque de la communication prévue à l’article 116, alinéa 1er. Lorsque l’État sur le territoire duquel l’activité d’assurance transfrontalière s’exerce est un pays tiers, sans préjudice du respect des dispositions légales de ce pays en matière d’accès à l’activité d’assurance, les activités transfrontalières peuvent débuter à partir de la date à laquelle le projet d’acti- vités transfrontalières n’a pas fait l’objet d’une opposition conformément à l’article 115, § 2. Art. 119 L’entreprise d’assurance qui exerce sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans y établir de suc- cursale, une activité d’assurance, notifie préalablement à la Banque toutes modifications qu’elle entend apporter aux infor- mations communiquées en application de l’article 115, § 1er, 444 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 artikel 115, § 1, tweede lid, 2°, werd meegedeeld. Artikel 115, § 2 is van toepassing op deze wijzigingen. Onderafdeling II Verrichten van diensten in het buitenland door een herverzekeringsonderneming Art. 120 Iedere herverzekeringsonderneming die op het grond- gebied van een andere lidstaat of van een derde land een herverzekeringsactiviteit wenst uit te oefenen waarvoor zij in België een vergunning heeft, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis. Art. 121 De artikelen 115, § 1, tweede lid, en §§ 2 en 4, 117, 118, tweede lid en 119 zijn mutatis mutandis van toepassing op de uitoefening van een grensoverschrijdende herverzekeringsac- tiviteit in het buitenland, zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat: 1° door de Bank ook samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 117 kunnen worden gesloten met de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst waar de grensoverschrijdende herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend; 2° de in artikel 115, § 2, tweede lid bedoelde termijn in dit geval drie maanden bedraagt; 3° artikel 118, tweede lid ook van toepassing is wanneer de staat waarin de grensoverschrijdende herverzekeringsac- tiviteit wordt uitgeoefend, een lidstaat is. Afdeling IV Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de bedrijfsuitoefening in een andere lidstaat Art. 122 Iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank, afzonderlijk voor verrichtingen die in het kader van de opening van een bijkantoor worden uitgevoerd en deze die in het kader van het vrij verrichten van diensten worden uitgevoerd, in kennis van het bedrag aan premies, schade- gevallen en provisies, zonder aftrek van herverzekering, per vestigingsland van een bijkantoor en per lidstaat op het grond- gebied waarvan een grensoverschrijdende verzekerings- of herverzekeringsactiviteit wordt uitgeoefend, en wel als volgt: 1°  voor niet-levensverzekeringen: per business line, overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; alinéa 2. L’article 115, § 2 est applicable en ce qui concerne ces modifications. Sous-section II Prestation de services à l’étranger par une entreprise de réassurance Art. 120 L’entreprise de réassurance qui projette d’exercer sur le territoire d’un autre État membre ou d’un pays tiers, sans y établir de succursale, une activité de réassurance pour laquelle elle dispose d’un agrément en Belgique, notifie son intention à la Banque. Art. 121 Les articles 115, § 1er, alinéa 2, et §§ 2 et 4, 117, 118, ali- néa 2 et 119 s’appliquent mutatis mutandis à l’exercice d’une activité de réassurance transfrontalière à l’étranger, sans y établir une succursale, étant entendu que: 1° des accords de coopération visés à l’article 117 peuvent également être conclus par la Banque avec les autorités de contrôle des États membres d’accueil dans lesquels l’activité de réassurance transfrontalière est exercée; 2° le délai visé à l’article 115, § 2, alinéa 2 est porté à trois mois; 3° l’article 118, alinéa 2 s’applique également lorsque l’État dans lequel l’activité de réassurance transfrontalière est exercée est un État membre. Section IV Dispositions communes à l’exercice de l’activité dans un autre État membre Art. 122 Chaque entreprise d’assurance ou de réassurance com- munique à la Banque, de manière distincte pour les opérations effectuées dans le cadre de l’ouverture d’une succursale et pour celles effectuées dans le cadre de la libre prestation de services, le montant des primes, sinistres et commis- sions, sans déduction de la réassurance, par État membre d’implantation d’une succursale et par État membre sur le territoire duquel une activité d’assurance ou de réassurance transfrontalière est exercée. Cette communication s’effectue comme suit: 1° pour l’assurance non-vie, par lignes d’activité, conformé- ment aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 445 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° voor levensverzekeringen: per business line, overeen- komstig de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; 3° voor herverzekeringen “niet-leven”; 4° voor herverzekeringen “leven”. Wat betreft tak 10 als vermeld in Bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, stelt de betrok- ken verzekeringsonderneming de Bank ook in kennis van de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen. De Bank deelt de in het eerste en tweede lid bedoelde informatie binnen een redelijke termijn in geaggregeerde vorm mee aan de toezichthouders van elke van de betrokken lidstaten die daarom verzoeken. HOOFDSTUK VI Reglementaire normen en verplichtingen Afdeling I Waarderingsregels Onderafdeling I Algemene regels Art. 123 Met het oog op de naleving van de door of krachtens dit Hoofdstuk opgelegde vereisten, waarderen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun activa en passiva als volgt: 1° de activa worden gewaardeerd tegen het bedrag waar- voor ze kunnen worden geruild in het kader van een afgesloten transactie, bij normale concurrentievoorwaarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen; 2°  de passiva worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden overgedragen of afgewikkeld in het kader van een afgesloten transactie, bij normale con- currentievoorwaarden, tussen goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen. Bij de waardering van de in punt 2° bedoelde passiva wordt niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. 2° pour l’assurance vie, par lignes d’activité, conformément aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 3° pour la réassurance non-vie; 4° pour la réassurance vie. En ce qui concerne la branche 10 mentionnée à l’Annexe I, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, l’entreprise d’assurance concernée informe également la Banque de la fréquence et du coût moyen des sinistres. La Banque communique les informations visées aux alinéas 1er et 2 dans un délai raisonnable et sous une forme agrégée aux autorités de contrôle de chacun des États membres concernés qui lui en font la demande. CHAPITRE VI Normes et obligations réglementaires Section Ire Règles de valorisation Sous-section Ire Règles générales Art. 123 Aux fins du respect des exigences prévues par ou en vertu du présent Chapitre, les entreprises d’assurance ou de réas- surance valorisent leurs actifs et leurs passifs comme suit: 1°  les actifs sont valorisés au montant pour lequel ils pourraient être échangés dans le cadre d’une transaction conclue, dans des conditions de concurrence normales, entre des parties informées et consentantes; 2° les passifs sont valorisés au montant pour lequel ils pourraient être transférés ou réglés dans le cadre d’une transaction conclue, dans des conditions de concurrence normales, entre des parties informées et consentantes. Lors de la valorisation des passifs au titre du 2°, aucun ajustement visant à tenir compte de la qualité de crédit propre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’est effectué. 446 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling II Regels betreffende de technische voorzieningen § 1 – Algemene bepalingen Art. 124 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be- rekenen en boeken onder de benaming technische voorzie- ningen al hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers, verzekerden en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. De technische voorzieningen hebben zowel betrekking op de lopende als op de vervallen overeenkomsten die nog niet volledig vereffend zijn. Art. 125 Technische voorzieningen worden op een prudente, be- trouwbare en objectieve wijze berekend. De waarde van de technische voorzieningen stemt overeen met het huidige bedrag dat een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar verze- kerings- of herverzekeringsverplichtingen met onmiddellijke ingang aan een andere verzekerings- of herverzekeringson- derneming zou overdragen. De berekening van de technische voorzieningen maakt gebruik van en strookt met de informatie van de financi- ele markten en de algemeen beschikbare gegevens over verzekerings technische risico’s (marktconsistentie). De berekening van de technische voorzieningen wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 126 tot 137, de ter uitvoering ervan genomen maatregelen en de uitvoerings- verordeningen van Richtlijn 2009/138/EG, uitgaande van de beginselen die zijn vastgesteld in dit artikel en rekening houdend met de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 123. Art. 126 § 1. De waarde van de technische voorzieningen is gelijk aan de som van de beste schatting (best estimate) en de risicomarge (risk margin) zoals respectievelijk beschreven in de paragrafen 2 en 3. § 2. De beste schatting stemt overeen met het kansge- wogen gemiddelde van de toekomstige kasstromen, waar- bij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld (verwachte contante waarde van de toekomstige kasstro- men) en gebruik wordt gemaakt van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur. Bij de berekening van de beste schatting wordt uitgegaan van geactualiseerde en betrouwbare informatie en realistische Sous-section II Règles relatives aux provisions techniques § 1er – Dispositions générales Art. 124 Les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent et comptabilisent, sous le nom de provisions techniques, tous leurs engagements d’assurance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance ou bénéficiaires des contrats de réassurance. Les provisions techniques concernent tant les contrats en cours que les contrats échus et non entièrement liquidés. Art. 125 Les provisions techniques sont calculées d’une manière prudente, fiable et objective. La valeur des provisions techniques correspond au mon- tant actuel que les entreprises d’assurance ou de réassurance devraient payer si elles transféraient avec effet immédiat leurs engagements d’assurance ou de réassurance à une autre entreprise d’assurance ou de réassurance. Le calcul des provisions techniques utilise, en étant cohé- rent avec elles, les informations fournies par les marchés financiers et les données généralement disponibles sur les risques de souscription (cohérence avec le marché). Suivant les principes énoncés au présent article et compte tenu de ceux énoncés à l’article 123, le calcul des provisions techniques est effectué conformément aux articles 126 à 137, aux règles prises pour leur exécution et aux Règlements d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Art. 126 § 1er. La valeur des provisions techniques est égale à la somme de la meilleure estimation (best estimate) et de la marge de risque (risk margin) respectivement décrites aux paragraphes 2 et 3. § 2. La meilleure estimation correspond à la moyenne pondérée par leur probabilité des flux de trésorerie futurs, compte tenu de la valeur temporelle de l’argent (valeur actuelle attendue des flux de trésorerie futurs), estimée sur la base de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque. Le calcul de la meilleure estimation est fondé sur des informations actualisées et crédibles et sur des hypothèses 447 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 hypothesen en worden adequate, toepasselijke en relevante actuariële en statistische methodes gebruikt. De kasstroomprognose die bij de berekening van de beste schatting wordt gebruikt, houdt rekening met alle instroom en uitstroom van kasmiddelen die nodig zijn om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan. De beste schatting wordt bruto berekend, zonder aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekerings- overeenkomsten en effectiseringsvehikels. Overeenkomstig artikel 136 worden deze bedragen apart berekend. § 3. De risicomarge wordt zodanig berekend dat de waarde van de technische voorzieningen gelijk is aan het bedrag dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zouden vragen voor de overname en de nakoming van de verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen. Art. 127 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarderen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk. Wanneer de toekomstige kasstromen in verband met verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen echter op be- trouwbare wijze kunnen worden gerepliceerd met behulp van financiële instrumenten met een waarneembare betrouwbare marktwaarde, wordt de waarde van de technische voorzienin- gen voor die toekomstige kasstromen bepaald op basis van de marktwaarde van deze financiële instrumenten. In dit geval zijn geen afzonderlijke berekeningen van de beste schatting en de risicomarge vereist. § 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk ramen, wordt de risicomarge berekend door vaststelling van de kosten om een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen dat gelijk is aan het solvabiliteitskapi- taalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan. Voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen wordt bij de bepaling van de kosten voor het verschaffen van dit bedrag hetzelfde percentage gehanteerd (kapitaalkos- tenpercentage – Cost-of-Capital rate). Een verordening tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG legt dit percentage vast en herziet het periodiek. Het gehanteerde kapitaalkostenpercentage is gelijk aan de opslag op de relevante risicovrije rente die een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming zou betalen die over- eenkomstig Onderafdeling III van dit Hoofdstuk een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen aanhoudt dat gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste dat nodig is om te voldoen aan de verzekerings- of herverzekeringsverplich- tingen gedurende de volledige looptijd ervan. réalistes et il fait appel à des méthodes actuarielles et statis- tiques adéquates, applicables et pertinentes. La projection en matière de flux de trésorerie utilisée dans le calcul de la meilleure estimation tient compte de toutes les entrées et sorties de trésorerie nécessaires pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance pendant toute la durée de ceux-ci. La meilleure estimation est calculée brute, sans déduction des créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation. Ces montants sont calculés séparé- ment, conformément à l’article 136. § 3. La marge de risque est calculée de manière à garantir que la valeur des provisions techniques est équivalente au montant que des entreprises d’assurance ou de réassurance demanderaient pour reprendre et honorer les engagements d’assurance ou de réassurance. Art. 127 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance pro- cèdent à une évaluation séparée de la meilleure estimation et de la marge de risque. Cependant, lorsque les flux futurs de trésorerie liés aux engagements d’assurance ou de réassurance peuvent être, de manière fiable, répliqués au moyen d’instruments financiers pour lesquels il existe une valeur de marché fiable observable, la valeur des provisions techniques liées à ces futurs flux de trésorerie est déterminée à l’aide de la valeur de marché de ces instruments financiers. Dans ce cas, il n’est pas nécessaire de procéder à un calcul séparé de la meilleure estimation et de la marge de risque. § 2. Lorsqu’elles procèdent à une évaluation séparée de la meilleure estimation et de la marge de risque, les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent la marge de risque en déterminant le coût que représente la mobilisation d’un montant de fonds propres éligibles égal au capital de solva- bilité requis pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance pendant toute la durée de ceux-ci. Le taux utilisé pour déterminer le coût que représente la mobilisation de ce montant de fonds propres éligibles (taux du coût du capital) est le même pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance. Un règlement d’exécution de la Directive 2009/138/CE fixe et révise périodiquement ce taux. Le taux du coût du capital utilisé est égal au taux supplé- mentaire, s’ajoutant au taux d’intérêt sans risque pertinent, que supporterait une entreprise d’assurance ou de réas- surance détenant un montant de fonds propres éligibles, conformément à la Sous-section III du présent Chapitre égal au capital de solvabilité requis qui est nécessaire pour faire face aux engagements d’assurance ou de réassurance pen- dant toute la durée de ceux-ci. 448 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2 – Extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijn- structuur (risk-free interest rate term structure) Art. 128 Bij de bepaling van de relevante risicovrije rentetermijn- structuur als bedoeld in artikel 126, § 2 wordt gebruikgemaakt van informatie van relevante financiële instrumenten, en deze relevante risicovrije rentetermijnstructuur dient met die infor- matie consistent te zijn. De markten voor de desbetreffende relevante financiële instrumenten en voor obligaties dienen zo- danige looptijden te hebben dat zij kunnen worden beschouwd als diepe, liquide en transparante markten. Wanneer het looptijden betreft waarbij de markten voor zowel de relevante financiële instrumenten als voor obligaties niet langer als diep, liquide en transparant kunnen worden beschouwd, wordt de relevante risicovrije rentetermijnstructuur geëxtrapoleerd. Het geëxtrapoleerde deel van de relevante risicovrije ren- tetermijnstructuur is gebaseerd op forward rates die vloeiend van een forward rate of een reeks forward rates voor de lang- ste looptijden waartegen de relevante financiële instrumenten en obligaties in een diepe, liquide en transparante markt te vinden zijn, convergeren naar een ultimate forward rate. § 3 – Matchingopslag (matching adjustment) in verband met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur Art. 129 §  1. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen een matchingopslag in verband met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur toepassen voor de berekening van de beste schatting van een portefeuille van levensver- zekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inbegrip van lijfrenten die voortvloeien uit niet-levensverzekerings- of -herverzekeringsovereenkomsten, mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk toestemming heeft verleend, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1°  de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hebben een uit obligaties of andere effecten met vergelijkbare kasstroomkarakteristieken samengestelde activaportefeuille toegewezen ter dekking van de beste schatting van de por- tefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, en behouden die toewijzing gedurende de looptijd van de verplichtingen, tenzij het de bedoeling is de replicatie van de verwachte kasstromen tussen activa en passiva te behouden wanneer die kasstromen wezenlijk zijn veranderd; 2° de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsver- plichtingen waarvoor de matchingopslag wordt toegepast en de toegewezen activaportefeuille worden afzonderlijk van de andere activiteiten van de ondernemingen geïdentificeerd, beheerd en georganiseerd, en de toegewezen activaporte- feuille kan niet worden gebruikt ter dekking van verliezen die ontstaan bij andere activiteiten van de ondernemingen; 3°  de verwachte kasstromen uit de toegewezen acti- vaportefeuille corresponderen met elk van de verwachte § 2 – Extrapolation de la courbe pertinente des taux d’inté- rêt sans risque (risk-free interest rate term structure) Art. 128 La détermination de la courbe pertinente des taux d’inté- rêt sans risque visée à l’article  126, §  2, fait usage des informations tirées d’instruments financiers pertinents et reste cohérente avec elles. Cette détermination tient compte des instruments financiers pertinents pour les échéances auxquelles les marchés desdits instruments financiers, y compris les marchés obligataires, sont profonds, liquides et transparents. Pour les échéances auxquelles les marchés des instruments financiers pertinents ou des obligations ne sont plus profonds, liquides et transparents, la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est extrapolée. La partie extrapolée de la courbe pertinente des taux d’inté- rêt sans risque se fonde sur des taux à terme convergents sans à-coups depuis un taux, ou un ensemble de taux à terme, pour les échéances les plus longues auxquelles il est possible d’observer l’instrument financier pertinent et les obligations libellés, sur un marché profond, liquide et transparent, jusqu’à l’ultime taux à terme (ultimate forward rate). § 3 – Ajustement égalisateur (Matching adjustment) de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque Art. 129 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent appliquer un ajustement égalisateur de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour calculer la meilleure estimation d’un portefeuille d’engagements d’assu- rance ou de réassurance vie, y compris les rentes découlant de contrats d’assurance ou de réassurance non-vie, sous réserve de l’accord préalable la Banque, lorsque les condi- tions suivantes sont remplies: 1°  les entreprises d’assurance ou de réassurance ont assigné un portefeuille d’actifs, composé d’obligations ou d’autres titres ayant des caractéristiques similaires en flux de trésorerie, en couverture de la meilleure estimation du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance et conservent cette affectation jusqu’à l’échéance desdits engagements, sauf à vouloir maintenir l’équivalence des flux de trésorerie escomptés entre actifs et passifs si ces flux ont sensiblement changé; 2°  le portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance auquel l’ajustement égalisateur est appliqué et le portefeuille affecté d’actifs sont identifiés, gérés et orga- nisés séparément des autres activités des entreprises, et le portefeuille affecté d’actifs ne peut être utilisé pour couvrir les pertes résultant d’autres activités des entreprises; 3° les flux de trésorerie escomptés du portefeuille affecté d’actifs répondent dans la même devise, point par point, aux 449 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- of herver- zekeringsverplichtingen in dezelfde valuta, en een eventuele mismatch levert geen wezenlijke risico’s op in verhouding tot de risico’s die eigen zijn aan de verzekerings- of herverzeke- ringsactiviteit waarop een matchingsopslag wordt toegepast; 4° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de por- tefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, resulteren niet in toekomstige premiebetalingen; 5° de enige aan de portefeuille van verzekerings- of herver- zekeringsverplichtingen verbonden verzekeringstechnische risico’s zijn het langleven-, het kosten-, het herzienings- en het overlijdensrisico; 6°  indien het aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen verbonden verzekeringstech- nische risico het overlijdensrisico omvat, neemt de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverze- keringsverplichtingen in het geval van een overeenkomstig artikel 151, §§ 2 tot 5 gekalibreerde overlijdensrisicostress met niet meer dan 5 % toe; 7° de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtin- gen, voorzien enkel in een afkoopoptie op voorwaarde dat de afkoopwaarde niet hoger is dan de waarde van de activa die beschikbaar zijn ter dekking van de verzekerings- of herver- zekeringsverplichtingen op het moment dat de afkoopoptie wordt uitgeoefend, berekend overeenkomstig artikel 123; 8° de kasstromen uit de toegewezen activaportefeuille zijn vastgelegd en kunnen niet door de emittenten van de effecten of door derden worden gewijzigd; 9° de aan verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten verbonden verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen worden niet in afzonderlijke delen opgesplitst wanneer ze voor de toepassing van deze paragraaf deel uitmaken van de por- tefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. Onverminderd het eerste lid, 8°, kunnen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen gebruikmaken van activa met vastgelegde maar inflatiegebonden kasstromen, op voorwaarde dat deze activa de inflatiegebonden kasstromen van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsver- plichtingen repliceren. Indien emittenten of derde partijen de kasstromen van activa mogen wijzigen op voorwaarde dat beleggers met de compensatie die ze via herinvesteringen in activa van een- zelfde of een betere kredietkwaliteitscategorie ontvangen, dezelfde kasstromen kunnen genereren, sluit dit recht de activa niet uit van toegang tot de toegewezen portefeuille als bedoeld in het eerste lid, 8°. § 2. Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die de matchingopslag op een portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen toepassen, mogen niet opnieuw teruggrijpen naar een methode waarbij geen mat- chingopslag wordt gebruikt. Wanneer een verzekerings- of flux de trésorerie escomptés du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance et aucune rupture d’équiva- lence ne donne lieu à des risques qui sont réels par rapport aux risques inhérents à l’activité d’assurance ou de réassu- rance auxquels l’ajustement égalisateur s’applique; 4° les contrats sous-jacents du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance ne donnent pas droit au versement de primes futures; 5° les seuls risques de souscription liés au portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance sont le risque de longévité, le risque de dépenses, le risque de révision et le risque de mortalité; 6°  lorsque le risque de souscription lié au portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance inclut le risque de mortalité, la meilleure estimation du portefeuille des engagements d’assurance ou de réassurance ne doit pas augmenter de plus de 5 % dans le cadre d’un choc de risque de mortalité calibré conformément à l’article 151, §§ 2 à 5; 7°  les contrats sous-jacents des portefeuilles d’enga- gements d’assurance ou de réassurance ne comprennent qu’une option de rachat à la condition que la valeur de rachat n’excède pas la valeur des actifs, évaluée conformément à l’article 123, couvrant les engagements d’assurance ou de réassurance à la date où s’exerce l’option de rachat; 8° les flux de trésorerie des actifs constituant le portefeuille affecté d’actifs sont fixes et ne peuvent être modifiés par les émetteurs des titres ni par des tiers; 9° les engagements d’assurance ou de réassurance d’un contrat d’assurance ou de réassurance ne sont pas divisés en différentes parties lors de la composition du portefeuille des engagements d’assurance ou de réassurance aux fins du présent paragraphe. Nonobstant l’alinéa 1er, 8°, l’entreprise d’assurance ou de réassurance peut utiliser des actifs dont les flux de trésorerie sont fixes, à part une indexation sur l’inflation, pourvu que ces actifs correspondent aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance, qui sont fonction de l’inflation. Dans le cas où les émetteurs ou des tierces parties ont le droit de modifier les flux d’un actif de manière telle que l’investisseur reçoive une indemnisation suffisante pour lui permettre d’obtenir les mêmes flux de trésorerie en réinves- tissant dans des actifs d’un niveau de qualité de crédit équi- valent ou meilleur, le droit de modifier les flux de trésorerie n’exclut pas que l’actif soit éligible au portefeuille assigné conformément à l’alinéa 1er, 8°. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui appliquent l’ajustement égalisateur à un portefeuille d’enga- gements d’assurance ou de réassurance ne peuvent revenir à une méthode qui ignore l’ajustement égalisateur. Si une entreprise d’assurance ou de réassurance qui applique 450 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsonderneming die een matchingopslag toe- past, niet meer in staat is om te voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, stelt zij de Bank daarvan onverwijld in kennis en treft zij de nodige maatregelen om weer aan die voorwaar- den te voldoen. Indien de onderneming niet in staat is om binnen twee maanden na de datum van niet-naleving opnieuw aan deze voorwaarden te voldoen, past zij de matchingsop- slag niet meer toe op haar verzekerings- of herverzekerings- verplichtingen en mag zij deze matchingsopslag pas opnieuw toepassen na een periode van nog eens 24 maanden. § 3. De matchingopslag wordt niet op verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor de berekening van de beste schatting van die verplichtingen een volatiliteitsaanpas- sing als bedoeld in artikel 131 omvat of een overgangsmaat- regel ten aanzien van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in artikel 668. Art. 130 § 1. Voor elke munteenheid wordt de matchingopslag als bedoeld in artikel 129 berekend in overeenstemming met de volgende beginselen: 1° de matchingopslag is gelijk aan het verschil tussen: a) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kas- stromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverze- keringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de overeenkomstig artikel 123 berekende waarde van de toegewezen activaportefeuille; b) de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke discontovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kas- stromen uit de portefeuille van verzekerings- of herverzeke- ringsverplichtingen, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, met inacht- neming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur; 2° in de matchingopslag mag niet de fundamentele spread zijn verrekend die de risico’s weerspiegelt die door de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming worden gedragen; 3°  niettegenstaande punt 1°, wordt de fundamentele spread in voorkomend geval verhoogd om te waarborgen dat de matchingopslag voor activa waarvan de kwaliteit lager is dan die van activa van hoge kwaliteit niet groter is dan de matchingopslag voor activa van hoge kwaliteit en dezelfde looptijd, en uit dezelfde activacategorie; 4° het gebruik van externe krediet beoordelingen bij de berekening van de matchingopslag is in overeen stemming met de specificaties die met toepassing van artikel 111, lid 1, onder n) van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd. l’ajustement égalisateur n’est plus capable de remplir les conditions prévues au paragraphe 1er, elle en informe immé- diatement la Banque et prend les mesures nécessaires pour revenir au respect de ces conditions. Si elle se montre inca- pable de revenir au respect des conditions dans un délai de deux mois à compter de la date du non-respect, l’entreprise cesse d’appliquer l’ajustement égalisateur à ses engage- ments d’assurance ou de réassurance et ne peut appliquer à nouveau un tel ajustement qu’après un délai de 24 mois supplémentaires. § 3. L’ajustement égalisateur n’est pas appliqué aux enga- gements d’assurance ou de réassurance lorsque la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque utilisée pour calculer la meilleure estimation desdits engagements fait intervenir une correction pour volatilité en vertu de l’article 131 ou une mesure transitoire sur les taux d’intérêt sans risque en vertu de l’article 668. Art. 130 § 1er. Dans chaque devise, l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 est calculé conformément aux principes suivants: 1° l’ajustement égalisateur est égal à la différence entre les montants suivants: a) le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance, donnerait une valeur égale à la valeur calculée conformément à l’article 123 du portefeuille assigné d’actifs; b) le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassu- rance, donnerait une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation du portefeuille d’engagements d’assurance ou de réassurance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise en compte en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque; 2° l’ajustement égalisateur ne peut pas inclure la marge fondamentale (fundamental spread) reflétant les risques assumés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 3° nonobstant le 1°, la marge fondamentale (fundamental spread) est augmentée, le cas échéant, de manière à ce que l’ajustement égalisateur pour les actifs dont la qualité est inférieure à celle des actifs de bonne qualité ne dépasse pas l’ajustement égalisateur pour les actifs de bonne qualité et de même durée et de même catégorie; 4° le recours à des évaluations externes de crédit dans le calcul de l’ajustement égalisateur est conforme aux spécifi- cations définies en application de l’article 111, paragraphe 1er, n) de la Directive 2009/138/CE. 451 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, dient de fun- damentele spread: 1° gelijk te zijn aan de som van: a) de kredietspread die de kans op wanbetaling voor de activa weerspiegelt; b) de kredietspread die het verwachte verlies als gevolg van de afwaardering van de activa weergeeft; 2° voor vorderingen op de centrale overheden en cen- trale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 30 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde kredietwaardigheid en uit dezelfde activacategorie, zoals gemeten op de financiële markten; 3° voor andere activa dan vorderingen op de centrale overheden en centrale banken van lidstaten, niet lager te zijn dan 35 % van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet voor activa met dezelfde looptijd en dezelfde krediet waardigheid en uit dezelfde activa- categorie, zoals gemeten op de financiële markten. De kans op wanbetaling als bedoeld in het eerste lid, 1°, a), wordt berekend op basis van de langetermijnwanbeta- lingsstatistieken die voor het bewuste actief relevant zijn in verhouding tot de looptijd, de krediet waardigheid en de betrokken activacategorie. Indien uit de wanbetalingsstatistieken als bedoeld in het tweede lid geen betrouwbare kredietspread kan worden af- geleid, is de fundamentele spread gelijk aan het deel van het langetermijngemiddelde van de spread ten opzichte van de risicovrije rentevoet als bedoeld in de punten 2° en 3°. § 4 – Volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment) van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur Art. 131 § 1. Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonder- neming een volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wil toepassen bij de berekening van de beste schatting als bedoeld in artikel 126, § 2, brengt zij de Bank daarvan voorafgaandelijk op de hoogte. De Bank kan de toepassing van de in het eerste lid bedoel- de volatiliteitsaanpassing te allen tijde verbieden of beperken of er voorwaarden aan verbinden indien zij vaststelt dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet voldoet aan de voorwaarden van dit artikel of van de Europese veror- deningen die met toepassing van artikel 86, lid 1, onder i), van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld of dat haar risicoprofiel wezenlijk verschilt van de voorwaarden voor de toepassing van de volatiliteitsaanpassing waarin de bepalingen van de genoemde verordeningen voorzien. § 2. Voor elke betrokken munteenheid is de volatiliteits- aanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur § 2. Aux fins du paragraphe 1er, 2°, la marge fondamentale (fundamental spread) est: 1° égale à la somme des éléments suivants: a) la marge de crédit correspondant à la probabilité de défaut des actifs; b) la marge de crédit correspondant à la perte attendue d’une dégradation des actifs; 2° pour les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres, supérieure ou égale à 30 % de la moyenne à longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans risque d’actifs de même durée, de même qualité de crédit et de même catégorie, telle qu’elle s’observe sur les marchés financiers; 3°  pour les actifs autres que les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres, supérieure ou égale à 35 % de la moyenne à longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans risque d’actifs de même durée, de même qualité de crédit et de même catégorie, telle qu’elle s’observe sur les marchés financiers. La probabilité de défaut visée à l’alinéa 1er, 1°, a), est fondée sur des statistiques de défaut à longue échéance qui sont pertinentes pour l’actif en question, selon sa durée, sa qualité de crédit et sa catégorie. Lorsqu’aucune marge de crédit fiable ne peut être tirée des statistiques de défaut visées au deuxième alinéa, la marge fondamentale est égale à la part de la moyenne à longue échéance de la marge par rapport au taux d’intérêt sans risque que fixent les 2° et 3°. § 4 – Correction pour volatilité (Volatility adjustment) de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque Art. 131 § 1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance qui a l’intention d’utiliser la correction pour volatilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour calculer la meilleure estimation visée à l’article 126, § 2 en informe préalablement la Banque. La Banque peut, à tout moment, interdire, restreindre ou conditionner l’usage de la correction pour volatilité visée à l’alinéa 1er si elle constate que l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne respecte pas les conditions prévues par le présent article ou par les règlements européens pris en application de l’article 86, paragraphe 1er, i), de la Directive 2009/138/CE ou que son profil de risque diffère substantielle- ment des conditions d’application de la correction de volatilité telle que prévues par les dispositions desdits règlements. § 2. Pour chaque devise concernée, la correction pour vola- tilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est 452 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gebaseerd op de spread tussen de rentevoet die verdiend kan worden op de activa die deel uitmaken van een referen- tieportefeuille voor die munteenheid en de rentevoeten die gelden voor de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor die munteenheid. De referentieportefeuille voor een munteenheid is re- presentatief voor de activa in die munteenheid waar de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben belegd ter dekking van de beste schatting van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen in die munteenheid. § 3. De volatiliteitsaanpassing die op de relevante risico- vrije rentetermijnstructuur wordt toegepast, komt overeen met 65 % van de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid. De voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteen- heid wordt berekend als het verschil tussen de spread als bedoeld in paragraaf 2 en het deel van die spread dat terug te voeren is op een realistische inschatting van te verwachten verliezen of op een onverwacht kredietrisico, of andere aan de activa verbonden risico’s. De volatiliteitsaanpassing wordt alleen toegepast op de rentevoeten van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur die niet worden berekend via extrapolatie overeenkomstig artikel 128. De extrapolatie van de relevante risicovrije rente- termijnstructuur is gebaseerd op deze aangepaste risicovrije rentevoeten. §  4.  Voor elk betrokken land wordt de volatiliteitsaan- passing van de risicovrije rentevoeten als bedoeld in para- graaf 3 voor de munteenheid van dat land, vóór toepassing van de 65 %-factor, verhoogd met het verschil tussen de voor risico’s gecorrigeerde spread voor dat land en tweemaal de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid, op voorwaarde dat het verschil positief is en de voor risico’s ge- corrigeerde spread voor dat land meer dan 100 basispunten bedraagt. De verhoogde volatiliteitsaanpassing wordt toegepast op de berekening van de beste schatting van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken land worden verkocht. De voor risico’s gecorrigeerde spread voor dat land wordt op dezelfde manier berekend als de voor risico’s gecorrigeerde spread voor die munteenheid van het betrokken land, met dien verstande dat hij gebaseerd is op een referentieportefeuille die representatief is voor de activa waar verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in hebben belegd ter dekking van de beste schatting van de verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen van producten die op de verzekerings- of herverzekeringsmarkt van het betrokken land worden verkocht en uitgedrukt zijn in de munteenheid van dat land. § 5. De volatiliteitsaanpassing wordt niet op de verzeke- ringsverplichtingen toegepast indien de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor het berekenen van de beste schat- ting van die verplichtingen een matchingopslag als bedoeld in artikel 129 omvat. fonction de l’écart entre le taux d’intérêt qu’il serait possible de tirer des actifs inclus dans un portefeuille de référence dans cette devise et les taux de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque correspondante dans cette devise. Le portefeuille de référence dans une devise est repré- sentatif des actifs qui sont libellés dans ladite devise et dans lesquels les entreprises d’assurance ou de réassurance ont investi pour couvrir la meilleure estimation des engagements d’assurance ou de réassurance libellés dans cette devise. § 3. Le montant de la correction pour volatilité de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque correspond à 65 % de l’écart “devises” moyennant correction du risque. L’écart “devises” moyennant correction du risque est calculé sur la base de la différence entre l’écart visé au para- graphe 2 et la partie de cet écart imputable à une évaluation réaliste des pertes escomptées, du risque de crédit non escompté ou de tout autre risque lié aux actifs. La correction pour volatilité n’est applicable qu’aux taux de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque qui ne sont pas calculés au moyen d’une extrapolation conformé- ment à l’article 128. L’extrapolation de la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque est fonction des taux d’intérêt sans risque ajustés. § 4. Pour chaque pays concerné, la correction pour volatilité des taux d’intérêt sans risque visés au paragraphe 3 dans la devise de ce pays est, avant application du facteur de 65 %, augmentée de la différence entre l’écart “pays” moyennant correction du risque et le double de l’écart “devises” moyen- nant correction du risque, lorsque cette différence est positive et que l’écart “pays” moyennant correction du risque est supérieur à 100 points de base. L’augmentation de la correction pour volatilité s’applique au calcul de la meilleure estimation des engagements d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur le marché de l’assurance ou de la réassurance de ce pays. L’écart “pays” moyennant correction du risque est calculé de la même manière que l’écart “devises” moyennant correction du risque de ce pays mais sur la base d’un portefeuille de référence qui est représentatif du portefeuille d’actifs dans lesquels les entreprises d’assurance ou de réassurance ont investi pour couvrir la meilleure estimation des engagements d’assurance ou de réassurance de produits vendus sur le marché de l’assurance ou de la réassurance de ce pays et libellés dans la devise de ce pays. § 5. La correction pour volatilité ne s’applique pas aux engagements d’assurance si la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque à utiliser pour calculer la meilleure estimation de ces engagements fait intervenir l’ajustement égalisateur prévu à l’article 129. 453 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 6. Bij wijze van uitzondering op artikel 151 heeft het solvabiliteitskapitaalvereiste geen betrekking op het risico op verlies van het kernvermogen ten gevolge van wijzigingen in de volatiliteitsaanpassing. §  5  – Overige bepalingen betreffende de technische voorzieningen Art. 132 Indien de technische informatie als bedoeld in artikel 77sexies, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG door de Europese Commissie in overeenstemming met lid 2 van hetzelfde artikel is vastgesteld, gebruiken de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen die technische informatie voor het berekenen van de beste schatting overeenkomstig de artikelen 126 en 127, het berekenen van de matchingopslag overeenkomstig artikel 130, en het berekenen van de volatiliteitsaanpassing overeenkomstig artikel 131. Indien met betrekking tot munteenheden en nationale markten de in artikel 77sexies, lid 1, onder c), van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde aanpassing niet in de uitvoerings- handelingen als bedoeld in lid 2 van hetzelfde artikel is opge- nomen, wordt geen volatiliteitsaanpassing van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur toegepast voor het berekenen van de beste schatting. Art. 133 Naast hetgeen in de artikelen 126 en 127 is bepaald, ne- men verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij de berekening van hun technische voorzieningen het volgende in aanmerking: 1° alle kosten die worden gemaakt bij het nakomen van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen; 2° inflatie, waaronder kosten- en schadegevalleninflatie; 3° alle door de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, waaronder toekomstige discretionaire winstdelingen, ongeacht of deze betalingen contractueel ge- garandeerd zijn, tenzij ze onder artikel 145, tweede lid vallen. Art. 134 Bij de berekening van hun technische voorzieningen hou- den de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen reke- ning met de waarde van financiële garanties en contractuele opties in verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen han- teren met betrekking tot de kans dat de verzekeringnemers gebruik zullen maken van de contractuele opties die hen worden geboden, zoals het recht op reductie van de prestaties § 6. Par dérogation à l’article 151, le capital de solvabilité requis ne couvre pas le risque de perte de fonds propres de base découlant d’une variation de la correction pour volatilité. §  5  – Autres dispositions relatives aux provisions techniques Art. 132 Lorsque les informations techniques visées à l’article 77sexies, paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE sont adoptées par la Commission européenne conformément au paragraphe 2 du même article, les entreprises d’assurance ou de réassurance font usage de ces informations techniques pour calculer la meilleure estimation conformément aux articles 126 et 127, l’ajustement égalisateur conformé ment à l’article 130, et la correction pour volatilité conformément à l’article 131. En ce qui concerne les devises pour lesquelles et les marchés nationaux sur lesquels l’ajustement visé à l’article 77sexies, paragraphe 1er, c) de la Directive 2009/138/CE, n’est pas prévu dans les actes d’exécution visés au para- graphe 2 du même article, aucune correction pour volatilité n’est appliquée à la courbe pertinente des taux d’intérêts sans risque à utiliser pour calculer la meilleure estimation. Art. 133 Outre les dispositions des articles 126 et 127, les entre- prises d’assurance ou de réassurance tiennent compte des éléments suivants lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques: 1°  toutes les dépenses qui seront engagées aux fins d’honorer les engagements d’assurance ou de réassurance; 2° l’inflation, y compris l’inflation relative aux dépenses et aux sinistres; 3° l’ensemble des paiements aux preneurs d’assurance et bénéficiaires, y compris les participations discrétionnaires que les entreprises d’assurance ou de réassurance prévoient de verser dans l’avenir, que ces paiements soient ou non garantis contractuellement, à moins qu’ils ne relèvent de l’article 145, alinéa 2. Art. 134 Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte de la valeur des garanties financières et de toute option contractuelle incluses dans les contrats d’assurance ou de réassurance. Toute hypothèse retenue par les entreprises d’assurance ou de réassurance concernant la probabilité que les preneurs d’assurance exercent les options contractuelles qui leur sont offertes, y compris le droit de réduction des prestations et le 454 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 en het afkooprecht, realistische hypothesen die uitgaan van actuele en betrouwbare informatie. In de hypothesen wordt expliciet dan wel impliciet rekening gehouden met de moge- lijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties. Art. 135 Bij de berekening van hun technische voorzieningen de- len de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen hun verze kerings- of herverzekeringsverplichtingen op in homo- gene risicogroepen en ten minste in business lines. Art. 136 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen de schuldvorderingen berekenen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, nemen zij de artikelen 125 tot 135 in acht. Bij de berekening van de schuldvorderingen die voort- vloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectiserings- vehikels, houden de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen rekening met het tijdsverschil tussen de verhaalde bedragen en de rechtstreekse betalingen. De uitkomst van deze berekening wordt gecorrigeerd voor de verwachte verliezen door wanbetaling van de tegenpartij. Deze correctie wordt gebaseerd op een beoordeling van de kans op wanbetaling door de tegenpartij en het daaruit resul- terende gemiddelde verlies (“loss-given-default”). Art. 137 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beschikken over interne processen en procedures om de adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen van de gegevens waarvan gebruik wordt gemaakt bij de berekening van hun technische voorzieningen. Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in specifieke omstandigheden over onvoldoende degelijke ge- gevens beschikken om een betrouwbare actuariële methode toe te passen op een set of subset van hun verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen of op schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en effectise- ringsvehikels, mogen passende benaderingen, met inbegrip van ad-hocbenaderingen, worden gebruikt voor de berekening van de beste schatting. Art. 138 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be- schikken over processen en procedures die ervoor zorgen dat hun beste schattingen en de hypothesen voor de berekening van de beste schattingen regelmatig worden getoetst aan de praktijkervaring. droit de rachat, est réaliste et fondée sur des informations actuelles et crédibles. Elle tient compte, explicitement ou implicitement, de l’impact que pourraient avoir d’éventuels changements des conditions financières et non financières sur l’exercice de ces options. Art. 135 Lorsqu’elles calculent leurs provisions techniques, les entreprises d’assurance ou de réassurance segmentent leurs engagements d’assurance ou de réassurance en groupes de risques homogènes et, au minimum, par ligne d’activité. Art. 136 Lorsqu’elles calculent les créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, les entre- prises d’assurance ou de réassurance se conforment aux articles 125 à 135. Lorsqu’elles calculent les créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte de la diffé- rence temporelle qui existe entre les recouvrements et les paiements directs. Le résultat de ce calcul est ajusté afin de tenir compte des pertes probables pour défaut de la contrepartie. Cet ajuste- ment est fondé sur une évaluation de la probabilité de défaut de la contrepartie et de la perte moyenne en résultant (perte en cas de défaut). Art. 137 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place des processus et procédures internes de nature à garantir le caractère approprié, l’exhaustivité et l’exactitude des données utilisées dans le calcul de leurs provisions techniques. Lorsque, dans des circonstances particulières, les entre- prises d’assurance ou de réassurance ne disposent pas de suffisamment de données d’une qualité appropriée pour appliquer une méthode actuarielle fiable à un ensemble ou à un sous-ensemble de leurs engagements d’assurance ou de réassurance, ou de créances découlant de contrats de réassurance et de véhicules de titrisation, des approximations adéquates, y compris par approches au cas par cas, peuvent être utilisées pour le calcul de la meilleure estimation. Art. 138 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place des processus et procédures en vue d’assurer une comparaison régulière de leurs meilleures estimations et des hypothèses sous-tendant le calcul de ces dernières avec les données tirées de l’expérience. 455 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Wanneer bij deze toetsing blijkt dat de door de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming verrichte berekeningen van de beste schatting systematisch afwijken van de prak- tijkervaring, corrigeert de betrokken onderneming de gehan- teerde actuariële methodes en/of hypothesen naar behoren. Art. 139 Op verzoek van de Bank tonen de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen aan dat hun technische voorzienin- gen toereikend zijn, dat de gehanteerde methodes toepas- selijk en relevant zijn en dat de onderliggende statistische gegevens adequaat zijn. Onderafdeling III Eigen vermogen Art. 140 Het eigen vermogen is de som van het in artikel 141 be- doelde kernvermogen en het in artikel 142 bedoelde aanvul- lend eigen vermogen. Art. 141 Kernvermogen bestaat uit de volgende bestanddelen: 1° het positieve verschil van de activa ten opzichte van de opeisbare passiva (liabilities), die gewaardeerd worden over- eenkomstig artikel 123 en Onderafdeling II van deze Afdeling; 2° achtergestelde passiva. Het in 1° bedoelde verschil wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden aangehouden. Art. 142 § 1. Aanvullend eigen vermogen bestaat uit bestanddelen die geen kernvermogen vormen en die kunnen worden op- gevraagd om verliezen te compenseren. Aanvullend eigen vermogen kan bestaan uit de volgende bestanddelen, voor zover deze geen kernvermogen vormen: 1° het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapi- taal of van het maatschappelijk fonds dat niet is opgevraagd; 2° kredietbrieven en garanties; 3° andere juridisch bindende verplichtingen jegens de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Lorsque cette comparaison met en évidence un écart systématique entre les données tirées de l’expérience et les calculs des meilleures estimations de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, l’entreprise concernée apporte les ajus- tements qu’il convient aux méthodes actuarielles utilisées et/ ou aux hypothèses retenues. Art. 139 Sur demande de la Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance démontrent le caractère approprié du niveau de leurs provisions techniques, ainsi que l’applicabilité et la pertinence des méthodes qu’elles appliquent et l’adéquation des données statistiques sous-jacentes. Sous-section III Fonds propres Art. 140 Les fonds propres correspondent à la somme des fonds propres de base visés à l’article 141 et des fonds propres auxiliaires visés à l’article 142. Art. 141 Les fonds propres de base se composent des éléments suivants: 1° l’excédent des actifs par rapport aux passifs exigibles (liabilities), évalués conformément à l’article 123 et à la Sous- section II de la présente Section; 2° les passifs subordonnés. L’excédent visé au 1° est diminué du montant de ses propres actions que l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance détient. Art. 142 § 1er. Les fonds propres auxiliaires se composent d’élé- ments, autres que les fonds propres de base, qui peuvent être appelés pour absorber des pertes. Les fonds propres auxiliaires peuvent inclure les éléments suivants, dans la mesure où il ne s’agit pas d’éléments de fonds propres de base: 1° la fraction non versée du capital social ou le fonds initial qui n’a pas été appelé; 2° les lettres de crédit et les garanties; 3° tout autre engagement, juridiquement contraignant, reçu par les entreprises d’assurance ou de réassurance. 456 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bij onderlinge verzekeringsverenigingen met variabele bijdragen kan het aanvullend eigen vermogen ook de sup- pletiebijdragen omvatten die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden. § 2. Wanneer een bestanddeel van het aanvullend eigen vermogens gestort of opgevraagd is, wordt het behandeld als een actief en maakt het geen deel meer uit van het aanvullend eigen vermogen. Art. 143 § 1. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat bij de bepaling van het eigen vermogen in aanmerking wordt genomen, dient vooraf door de Bank te worden goedgekeurd. § 2. Het bedrag toegewezen aan elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen weerspiegelt het vermogen van het betrokken bestanddeel om verliezen te compenseren en is gebaseerd op prudente en realistische hypothesen. Indien een bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen een vaste nominale waarde heeft, is het bedrag van dat bestanddeel gelijk aan zijn nominale waarde, mits het het vermogen van het bestanddeel om verliezen te compenseren weerspiegelt. § 3. De Bank verleent haar goedkeuring aan een van de volgende elementen: 1° een financieel bedrag voor elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen; 2° een methode om het bedrag van elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermogen te bepalen. In dit geval verleent de Bank slechts voor een bepaalde periode haar goedkeu- ring aan het bedrag dat overeenkomstig deze methode is vastgesteld. § 4. Bij elk bestanddeel van het aanvullend eigen vermo- gen baseert de Bank haar goedkeuring op de beoordeling van het volgende: 1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband met hun mogelijkheid en bereidheid te betalen; 2° de invorderbaarheid van het vermogens bestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met de omstandigheden waaronder het bestanddeel niet zal kunnen worden gestort of opgevraagd; 3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van der- gelijk aanvullend eigen vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen. Dans le cas d’une association d’assurance mutuelle à cotisations variables, les fonds propres auxiliaires peuvent également inclure toute créance future que cette association d’assurance mutuelle peut détenir sur ses membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir. § 2. Lorsqu’un élément des fonds propres auxiliaires a été payé ou appelé, il est assimilé à un actif et cesse de faire partie des fonds propres auxiliaires. Art. 143 § 1er. Le montant des éléments des fonds propres auxiliaires à prendre en considération pour déterminer les fonds propres sont soumis à l’approbation préalable de la Banque. § 2. Le montant attribué à chaque élément de fonds propres auxiliaires reflète la capacité d’absorption des pertes de l’élé- ment concerné et est fondé sur des hypothèses prudentes et réalistes. Lorsqu’une valeur nominale fixe est attachée à un élément de fonds propres auxiliaires, le montant de cet élément est égal à sa valeur nominale, pourvu que celle-ci reflète convenablement sa capacité d’absorption des pertes. § 3. La Banque approuve l’un ou l’autre des éléments suivants: 1° un montant monétaire pour chaque élément de fonds propres auxiliaires; 2° une méthode de calcul du montant de chaque élément de fonds propres auxiliaires, auquel cas l’approbation par la Banque du montant ainsi calculé est donnée pour une période déterminée. § 4. Pour chaque élément de fonds propres auxiliaires, la Banque fonde son approbation sur l’évaluation des éléments suivants: 1° le statut des contreparties concernées, eu égard à leur capacité et à leur disposition à payer; 2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément considéré, ainsi que toute circonstance qui pourrait empêcher qu’il soit payé ou appelé avec succès; 3° toute information sur l’issue des appels émis dans le passé par les entreprises d’assurance ou de réassurance pour des fonds propres auxiliaires semblables, dans la mesure où cette information peut être raisonnablement utilisée pour estimer l’issue attendue de futurs appels. 457 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 144 Naast de vereisten van artikel 68 van Verordening 2015/35, wordt direct, indirect en synthetisch bezit van eigenvermo- gensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector afgetrokken van de eigenvermogensbestanddelen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming indien deze entiteiten een wederzijdse deelneming hebben in de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, die volgens de Bank bedoeld is om het eigen vermogen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunstmatig te verhogen. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: 1° “financiële sector”: de financiële sector als gedefinieerd in artikel 338, 9°; 2° “synthetisch bezit”: een belegging in een financieel instrument waarvan de waarde rechtstreeks verband houdt met de waarde van de door een entiteit uit de financiële sector uitgegeven kapitaalinstrumenten. Art. 145 Surplusfondsen zijn geaccumuleerde winsten die nog niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekering- nemers en de begunstigden. Surplusfondsen worden niet als verzekerings- of herver- zekeringsverplichtingen beschouwd wanneer deze voldoen aan de criteria van artikel 147, § 1. Art. 146 § 1. Eigenvermogensbestanddelen worden in drie tiers ingedeeld. De indeling van deze bestanddelen is afhankelijk van de vraag of ze kernvermogens- of aanvullendeigenver- mogensbestanddelen zijn en de mate waarin ze de volgende kenmerken bezitten: 1° het bestanddeel blijft, ook bij liquidatie, beschikbaar of kan op verzoek opgevraagd worden om verliezen volledig te compenseren (permanente beschikbaarheid); 2° bij liquidatie is het totale bedrag van het bestanddeel beschikbaar om verliezen te compenseren en wordt de terug- betaling van het bestanddeel aan de houder ervan geweigerd totdat alle andere verplichtingen, waaronder verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereen- komsten, zijn nagekomen (achterstelling). § 2. Bij de beoordeling van de mate waarin de eigenver- mogensbestanddelen op dit moment en in de toekomst de kenmerken bezitten die zijn vastgelegd in paragraaf 1, 1° en 2°, wordt voldoende rekening gehouden met de duur van het bestanddeel, inzonderheid of het bestanddeel gedateerd is Art. 144 Outre les exigences prévues par l ’article  68  du Règlement 2015/35, les détentions directes, indirectes et synthétiques, détenues par une entreprise d’assurance ou de réassurance dans des instruments de fonds propres d’entités du secteur financier sont déduites de ses éléments de fonds propres lorsqu’il existe une détention croisée entre ces entités et l’entreprise d’assurance ou de réassurance et que la Banque estime que cette participation vise à accroître artificiellement les fonds propres de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Pour l’application du présent article, on entend: 1° “secteur financier” au sens défini par l’article 338, 9°; 2° par “détention synthétique”, un investissement effectué dans un instrument financier dont la valeur est directement liée à la valeur des instruments de capital émis par une entité du secteur financier. Art. 145 Les fonds excédentaires sont constitués de bénéfices accumulés qui n’ont pas encore été rendus disponibles pour distribution aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires. Les fonds excédentaires ne sont pas considérés comme des engagements d’assurance ou de réassurance dans la mesure où ils satisfont aux critères énoncés à l’article 147, § 1er. Art. 146 § 1er. Les éléments de fonds propres sont classés en trois niveaux. Le classement de ces éléments est fonction de leur caractère de fonds propres de base ou de fonds propres auxiliaires et de la mesure dans laquelle ils présentent les caractéristiques suivantes: 1°  l’élément est disponible, ou peut être appelé sur demande pour absorber complètement des pertes, que ce soit dans le cadre d’une exploitation continue ou en cas de liquidation (disponibilité permanente); 2° en cas de liquidation, le montant total de l’élément est disponible pour l’absorption des pertes et le remboursement de l’élément est refusé à son détenteur jusqu’à ce que tous les autres engagements, y compris les engagements d’assurance ou de réassurance vis-à-vis des preneurs d’assurance et des bénéficiaires des contrats d’assurance ou de réassurance, aient été honorés (subordination). § 2. Pour évaluer dans quelle mesure les éléments de fonds propres présentent les caractéristiques définies au paragraphe 1er, 1° et 2°, au moment considéré et à l’avenir, il importe de prendre dûment en considération la durée de l’élément, en particulier s’il a une durée déterminée ou non. 458 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 of niet. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel gedateerd is, wordt rekening gehouden met de relatieve duur van het bestanddeel in vergelijking met de duur van de verzeke- rings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming (voldoende looptijd). Bovendien wordt rekening gehouden met de volgende elementen: 1° of het bestanddeel vrij is van vereisten of stimulansen om de nominale som terug te betalen (afwezigheid van sti- mulansen voor terugbetaling); 2° of het bestanddeel vrij is van verplichte vaste kosten (afwezigheid van verplichte inherente kosten); 3° of het bestanddeel niet bezwaard is (afwezigheid van bezwaringen). Art. 147 § 1. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 1 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1° en 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. § 2. Kernvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. Aanvullendeigenvermogensbestanddelen wor den inge- deeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1° et 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. § 3. Kern- en aanvullendeigenvermogensbestanddelen die niet onder de paragrafen 1 en 2 vallen, worden ingedeeld in Tier 3. Art. 148 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen delen hun eigenvermogensbestanddelen in op basis van de criteria van artikel 147. Daartoe verwijzen de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen in voorkomend geval naar de lijst van eigenver- mogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 78 van Verordening 2015/35. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel niet in deze lijst voorkomt, wordt het overeen komstig het eerste lid beoordeeld en ingedeeld door de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen. Deze indeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. Lorsque l’élément de fonds propres a une durée déterminée, sa durée relative, en comparaison de la durée des engage- ments d’assurance ou de réassurance de l’entreprise, est prise en considération (durée suffisante). Les facteurs suivants sont, en outre, pris en considération, à savoir si l’élément est exempt: 1°  de toute obligation de rembourser ou incitation à rembourser son montant nominal (absence d’incitation à rembourser); 2°  de charges fixes obligatoires (absence de charges financières obligatoires inhérentes); 3° de contraintes (absence de contraintes). Art. 147 § 1er. Les éléments des fonds propres de base sont classés au niveau 1 lorsqu’ils présentent, en substance, les caracté- ristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, compte tenu des facteurs visés à l’article 146, § 2. § 2. Les éléments des fonds propres de base sont classés au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, la caractéris- tique exposée à l’article 146, § 1er, 2°, en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2. Les éléments des fonds propres auxiliaires sont classés au niveau 2 lorsqu’ils présentent, en substance, les carac- téristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2. § 3. Tout élément des fonds propres de base ou auxiliaires qui ne relève pas des paragraphes 1er et 2 est classé au niveau 3. Art. 148 Les entreprises d’assurance ou de réassurance classent leurs éléments de fonds propres sur la base des critères énoncés à l’article 147. À cet effet, les entreprises d’assurance ou de réassu- rance se réfèrent, le cas échéant, à la liste des éléments de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et 78 du Règlement 2015/35. Lorsqu’un élément de fonds propres ne relève pas de cette liste, il est évalué et classé par les entreprises d’assurance ou de réassurance conformément à l’alinéa 1er. Ce classement est soumis à l’approbation de la Banque. 459 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 149 Onverminderd artikel 148 en de lijst van eigenvermogens- bestanddelen als bedoeld in de artikelen 69, 72, 74, 76 78 van Verordening 2015/35, gelden de volgende indelingen voor het verzekeringsspecifieke eigen vermogen: 1° surplusfondsen die onder artikel 145, tweede lid vallen, worden ingedeeld in Tier 1; 2° kredietbrieven en garanties die door een onafhankelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit hoofde van ver- zekering in trust worden gehouden en afgegeven zijn door kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/ EU een vergunning is verleend, worden ingedeeld in Tier 2; 3° suppletiebijdragen die onderlinge verzekeringsvereni- gingen van reders met variabele bijdragen die uitsluitend de risico’s verzekeren die ingedeeld zijn in de takken 6, 12 en 17 als vermeld in Bijlage I, van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2. Overeenkomstig artikel 147, § 2, tweede lid, worden sup- pletiebijdragen die onder linge verzekeringsverenigingen met variabele bijdragen van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden en die niet onder het eerste lid, 3° vallen, ingedeeld in Tier 2, wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 146, § 1, 1° en 2° bezitten, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 146, § 2. Art. 150 § 1. Wat de naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft, gelden voor de in aanmerking komende bedragen van de bestanddelen van Tier 2 en Tier 3 kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat gewaarborgd wordt dat ten min- ste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1° het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmer- king komend eigen vermogen is meer dan een derde van het totale bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen; 2° het in aanmerking komende bedrag van Tier 3-bestand- delen is minder dan een derde van het totale bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen. § 2. Wat de naleving van het minimumkapitaalvereiste betreft, geldt dat het bedrag van de in Tier 2 ingedeelde in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste is gebonden aan kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat ten minste gewaarborgd wordt dat het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend kernvermogen meer is dan de helft van het totale bedrag van het in aanmerking komend kernvermogen. § 3. Het in aanmerking komend bedrag van het eigen ver- mogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals Art. 149 Sans préjudice de l’article 148 et de la liste des éléments de fonds propres prévue aux articles 69, 72, 74, 76 et 78 du Règlement 2015/35, les classements suivants sont appli- qués en ce qui concerne les fonds propres spécifiques à l’assurance: 1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145, ali- néa 2 sont classés au niveau 1; 2° les lettres de crédit et les garanties détenues en fidu- cie par un fiduciaire indépendant au bénéfice de créanciers d’assurance et fournies par des établissements de crédit agréés conformément à la Directive 2013/36/UE sont classées au niveau 2; 3° toute créance future que les associations d’assurance mutuelle à cotisations variables de propriétaires de navires, qui assurent uniquement les risques classés sous les branches 6, 12 et 17 mentionnées à l’Annexe I, peuvent détenir sur leurs membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir, est classée au niveau 2. Conformément à l’article 147, § 2, alinéa 2, toute créance future que les associations d’assurance mutuelle à cotisa- tions variables peuvent détenir sur leurs membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir et qui n’est pas couverte par l’alinéa 1er, 3°, est classée au niveau 2 lorsqu’elle présente, en substance, les caractéristiques exposées à l’article 146, § 1er, 1° et 2°, en tenant compte des facteurs visés à l’article 146, § 2. Art. 150 § 1er. Pour ce qui concerne la conformité au capital de solvabilité requis, les montants éligibles des éléments de niveau 2 et de niveau 3 sont soumis à des limites quantitatives. Ces limites sont telles qu’elles garantissent, au moins, que les conditions suivantes sont réunies: 1° la part des éléments de niveau 1 compris dans les fonds propres éligibles représente plus du tiers du montant total des fonds propres éligibles; 2° le montant éligible des éléments de niveau 3 représente moins du tiers du montant total des fonds propres éligibles. § 2. Pour ce qui concerne la conformité au minimum de capital requis, le montant des éléments de fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capital requis qui sont classés au niveau 2 est soumis à des limites quantitatives. Ces limites sont telles qu’elles garantissent, au moins, que la part des éléments de niveau 1 compris dans les fonds propres de base éligibles représente plus de la moitié du montant total des fonds propres de base éligibles. § 3. Le montant des fonds propres éligible pour couvrir le capital de solvabilité requis prévu à l’article 151 est égal à la 460 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 vastgelegd in artikel 151 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1, het in aanmerking komend bedrag van Tier 2 en het in aanmerking komend bedrag van Tier 3. § 4. Het in aanmerking komend bedrag van het kernver- mogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 189 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1 en het in aanmerking komend bedrag van de in Tier 2 ingedeelde kernvermogensbestanddelen. Afdeling II Kapitaalvereisten Onderafdeling I Algemene bepalingen betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste Art. 151 § 1. Het solvabiliteitskapitaalvereiste waaraan de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen moeten voldoen, wordt overeenkomstig de paragrafen 2 tot 5 berekend. § 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van de veronderstelling dat de betrokken onderneming haar bedrijf blijvend zal uitoefenen. Het solvabiliteitskapitaal kan worden berekend aan de hand van de standaardmethode of aan de hand van interne model- len, volgens de regels die respectievelijk zijn vastgesteld in de Onderafdelingen II en III. § 3. Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt zo gekalibreerd dat rekening gehouden wordt met alle kwantificeerbare risico’s waaraan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat. Het dekt bestaande verzekeringen, alsmede nieuwe verze- keringen die naar verwachting in de volgende twaalf maanden zullen worden afgesloten. Wat de bestaande verzekeringen betreft, dekt het uitsluitend onverwachte verliezen Het solvabiliteitskapitaalvereiste stemt overeen met de Value at Risk (VaR) van het kernvermogen van de verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouw- baarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar. § 4. Het solvabiliteitskapitaalvereiste omvat ten minste de volgende risico’s: 1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”; 2° het verzekeringstechnisch risico “leven”; 3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”; 4° het marktrisico; somme du montant des éléments de niveau 1, du montant éligible des éléments de niveau 2 et du montant éligible des éléments de niveau 3. § 4. Le montant des fonds propres de base éligible pour couvrir le minimum de capital requis prévu à l’article 189 est égal à la somme du montant des éléments de niveau 1 et du montant éligible des éléments de fonds propres de base classés au niveau 2. Section II Exigences de capital Sous-Section Ire Dispositions générales concernant le capital de solvabilité requis Art. 151 § 1er. Le capital de solvabilité requis que les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent est calculé confor- mément aux paragraphes 2 à 5. § 2. Le calcul du capital de solvabilité requis se fonde sur l’hypothèse d’une continuité de l’exploitation de l’entreprise concernée. Le capital de solvabilité peut être calculé au moyen de la méthode standard ou au moyen de modèles internes selon les modalités respectivement précisées aux Sous-sections II et III. § 3. Le capital de solvabilité requis est calibré de manière à garantir que tous les risques quantifiables auxquels l’entre- prise d’assurance ou de réassurance est exposée soient pris en considération. Il couvre le portefeuille en cours, ainsi que le nouveau portefeuille dont la souscription est attendue dans les douze mois à venir. Pour ce qui concerne le portefeuille en cours, il couvre seulement les pertes non anticipées. Le capital de solvabilité requis correspond à la valeur en risque (Value-at-Risk) des fonds propres de base de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance, avec un niveau de confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an. § 4. Le capital de solvabilité requis couvre au minimum les risques suivants: 1° le risque de souscription en non-vie; 2° le risque de souscription en vie; 3° le risque de souscription en santé; 4° le risque de marché; 461 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 5° het kredietrisico; 6° het operationeel risico. Tot het in het eerste lid, 6°, bedoelde operationele ri- sico worden ook juridische risico’s gerekend, maar niet de risico’s die voortvloeien uit strategische beslissingen en reputatierisico’s. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepalen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste andere risico’s dient te omvatten dan deze bedoeld in het eerste lid. § 5. Bij de berekening van hun solvabiliteitskapitaalvereiste houden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen rekening met het effect van risicomatigingstechnieken, mits in het solvabiliteitskapitaalvereiste afdoende rekening wordt gehouden met krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van dergelijke technieken. Art. 152 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen berekenen hun solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste een- maal per jaar en melden de uitkomst van deze berekening aan de Bank. Om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 74 en 151 controleren de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen het bedrag van hun in aanmerking komend eigen vermogen en hun solvabiliteitskapitaalvereiste continu. Indien het risicoprofiel van een verzekerings- of herverze- keringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag lagen aan het gemelde solvabiliteitskapitaal- vereiste, berekent deze onderneming het solvabiliteitskapi- taalvereiste onverwijld op nieuw en meldt zij dit aan de Bank. § 2. Wanneer er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk veranderd is sinds de datum waarop het solvabiliteitskapi- taalvereiste voor het laatst is gemeld, mag de Bank deze onderneming verplichten het solvabiliteitskapitaalvereiste opnieuw te berekenen. Onderafdeling II Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule Art. 153 Het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend volgens de standaardformule is de som van de volgende bestanddelen: 1° het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste (Basic solvency capital requirement) als bedoeld in artikel 154; 2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico (Capital requirement for operational risk), als bedoeld in artikel 163; 5° le risque de crédit; 6° le risque opérationnel. Le risque opérationnel visé à l’alinéa 1er, 6°, comprend les risques juridiques, mais ne comprend ni les risques découlant des décisions stratégiques, ni les risques de réputation. Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, peut imposer que le capital de solvabilité requis couvre d’autres risques que ceux visés à l’alinéa 1er. § 5. Lorsqu’elles calculent leur capital de solvabilité requis, les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte de l’impact des techniques d’atténuation des risques, sous réserve que le risque de crédit et les autres risques inhé- rents à l’emploi de ces techniques soient pris en considération de manière adéquate dans le capital de solvabilité requis. Art. 152 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance cal- culent leur capital de solvabilité requis au moins une fois par an et notifient le résultat de ce calcul à la Banque. Aux fins du respect des articles 74 et 151, les entreprises d’assurance ou de réassurance surveillent en permanence le montant de leurs fonds propres éligibles et leur capital de solvabilité requis. Si le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis notifié, cette entreprise recalcule sans délai son capital de solvabilité requis et le notifie à la Banque. § 2. Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou de réassurance a changé significativement depuis la date de la dernière notifi- cation du capital de solvabilité requis, la Banque peut exiger de cette entreprise qu’elle recalcule le capital de solvabilité requis. Sous-section II Capital de solvabilité requis calculé selon la formule standard Art. 153 Le capital de solvabilité requis calculé selon la formule standard est la somme des éléments suivants: 1° le capital de solvabilité requis de base (Basic solvency capital requirement), prévu à l’article 154; 2° l’exigence de capital pour risque opérationnel (Capital requirement for operational risk), prévue à l’article 163; 462 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de correctie voor het vermogen van de technische voor- zieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing capacity), als bedoeld in artikel 164. Art. 154 §  1. Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste bestaat uit afzonderlijke risicomodules die overeenkomstig punt 1 van Bijlage III geaggregeerd worden. Het bestaat uit ten minste de volgende risicomodules: 1° het verzekeringstechnisch risico “niet-leven”; 2° het verzekeringstechnisch risico “leven”; 3° het verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”; 4° het marktrisico; 5° het tegenpartijrisico. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepalen dat andere modules dan deze bedoeld in het eerste lid dienen te worden gebruikt. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3°, worden de verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen ondergebracht in de verzekeringstechnische risicomodule die het best rekening houdt met de technische aard van de onderliggende risico’s. § 3. De correlatiecoëfficiënten voor de aggregatie van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules, en de kalibratie van de kapitaalvereisten voor elke risicomodule afzonderlijk resulteren in een algeheel solvabiliteitskapitaalvereiste dat voldoet aan de beginselen van artikel 151. § 4. Elk van de in paragraaf 1 bedoelde risicomodules wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar. In voorkomend geval wordt bij de opzet van een risicomo- dule rekening gehouden met diversificatie-effecten. § 5. Voor alle verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen worden voor de risicomodules dezelfde opzet en specificaties gebruikt, zowel wat het kernsolvabiliteitskapi- taalvereiste als de in artikel 165 bedoelde vereenvoudigde berekeningen betreft. § 6. Wat de risico’s betreft die voortvloeien uit catastrofes, mogen geografische specificaties in voorkomend geval wor- den gebruikt voor de berekening van de modules “verzeke- ringstechnisch risico “leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven”” en “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten””. § 7. Mits de Bank hiermee instemt, mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bij de berekening van de 3° l’ajustement pour tenir compte de la capacité d’absorp- tion (Adjustment for the loss-absorbing capacity) de pertes des provisions techniques et des impôts différés (Deferred taxes), prévu à l’article 164. Art. 154 § 1er. Le capital de solvabilité requis de base se compose de modules de risque individuels qui sont agrégés conformément au point 1 de l’Annexe III. Il comprend au moins les modules de risque suivants: 1° le risque de souscription en non-vie; 2° le risque de souscription en vie; 3° le risque de souscription en santé; 4° le risque de marché; 5° le risque de contrepartie. Le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, peut imposer l’usage d’autres modules que ceux visés à l’alinéa 1er. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, 1°, 2° et 3°, les opérations d’assurance ou de réassurance sont affectées au module de risque de souscription qui reflète le mieux la nature technique des risques sous-jacents. § 3. Les coefficients de corrélation appliqués aux fins de l’agrégation des modules de risque visés au paragraphe 1er, ainsi que le calibrage des exigences de capital pour chaque module de risque aboutissent à un capital de solvabilité requis global satisfaisant aux principes énoncés à l’article 151. § 4. Chacun des modules de risque visés au paragraphe 1er est calibré sur la base d’une mesure de la valeur en risque (Value-at-Risk), avec un niveau de confiance de 99,5 % à l’horizon d’un an. S’il y a lieu, il est tenu compte des effets de diversification dans la conception de chaque module de risque. § 5. Pour toutes les entreprises d’assurance ou de réas- surance, la même conception et les mêmes spécifications sont utilisées pour les modules de risque, tant pour le capital de solvabilité requis de base que pour tout calcul simplifié prévu à l’article 165. § 6. En ce qui concerne les risques résultant de catas- trophes, des spécifications géographiques peuvent, s’il y a lieu, être utilisées aux fins du calcul des modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et “risque de souscription en santé”. § 7. Sous réserve de l’accord de la Banque, les entre- prises d’assurance ou de réassurance peuvent, lorsqu’elles 463 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 modules “verzekeringstechnisch risico “leven””, “verzekerings- technisch risico “niet-leven”” en “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” binnen de opzet van de standaardformule een subset van de parameters ervan vervangen door parameters die specifiek zijn voor de betrokken onderneming. Dergelijke parameters worden gekalibreerd op basis van de interne gegevens van de betrokken onderneming of van gegevens die rechtstreeks relevantie hebben voor de ver- richtingen van die onderneming, met gebruikmaking van standaardmethodes. Bij het verlenen van haar goedkeuring controleert de Bank de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de gebruikte gegevens. Art. 155 Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeenkomstig de artikelen 156 tot 160 berekend. Art. 156 § 1. De module “verzekeringstechnisch risico “niet-leven””, (Non-life underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit verzekerings verplich tingen “niet-leven” en houdt rekening met de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast. Deze module houdt rekening met de onzekerheid in de resultaten van de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen met betrekking tot hun bestaande verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen, alsmede met betrekking tot de nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de komende twaalf maanden zullen worden afgesloten. § 2. Overeenkomstig punt 2 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules: 1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun- stige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekerings verplichtingen door schom melingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verzekerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen (premie- en voorzieningenrisico “niet-leven”); 2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun- stige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekerings verplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die verband houdt met extreme of uitzonderlijke gebeurtenissen (catastroferisico “niet-leven”). Art. 157 De module “verzekeringstechnisch risico “leven”” (life un- derwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit calculent les modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et “risque de souscription en santé”, remplacer, dans la conception de la formule standard, un sous-ensemble des paramètres de celle-ci par des para- mètres propres à l’entreprise concernée. Ces paramètres sont calibrés sur la base des données internes de l’entreprise concernée ou de données directement pertinentes pour les opérations de cette entreprise, sur la base de méthodes standardisées. Avant de donner son accord, la Banque vérifie l’exhaustivi- té, l’exactitude et le caractère approprié des données utilisées. Art. 155 Le capital de solvabilité requis de base est calculé confor- mément aux articles 156 à 160. Art. 156 § 1er. Le module “risque de souscription en non-vie” (Non- life underwriting risk) reflète le risque découlant des engage- ments d’assurance non-vie, compte tenu des périls couverts et des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité. Il tient compte de l’incertitude pesant sur les résultats des entreprises d’assurance ou de réassurance dans le cadre de leurs engagements d’assurance ou de réassurance existants, ainsi que du nouveau portefeuille dont la souscription est attendue dans les douze mois à venir. § 2. Le module est calculé, conformément au point 2 de l’Annexe III, sous la forme d’une combinaison des exigences de capital applicables aux sous-modules suivants au moins: 1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant la date de sur- venance, la fréquence et la gravité des événements assurés, ainsi que la date et le montant des règlements de sinistres (risque de primes et de réserve en non-vie); 2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux événements extrêmes ou exceptionnels, qui pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et de provisionnement (risque de catastrophe en non-vie). Art. 157 Le module “risque de souscription en vie” (life underwriting risk) reflète le risque découlant des engagements d’assurance 464 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 uit levensverzekeringsverplichtingen en houdt rekening met de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast. Overeenkomstig punt 3 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules: 1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke- ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de sterftecijfers, wanneer een stijging van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (overlijdensrisico – mortality risk); 2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke- ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van sterftecijfers, wanneer een daling van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (langlevenrisico); 3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke- ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van invaliditeits-, ziekte- en morbidi- teitscijfers (invaliditeits- en morbiditeitsrisico – disability and morbidity risk); 4° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke- ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van ver- zekerings- of herverzekeringsovereenkomsten (kostenrisico “leven” – life expense risk); 5° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verze- keringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de op de lijfrente toegepaste herzieningspercentages, als gevolg van veranderingen in het wettelijk kader of in de gezondheidstoestand van de verze- kerde (herzieningsrisico – revision risk); 6° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke- ringsverplichtingen door schommelingen in het niveau of de volatiliteit van de percentages van voortijdige beëindiging, beëindiging, verlenging of afkoop van de overeenkomsten (risico van voortijdige beëindiging – lapse risk); 7° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun- stige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen die verband houdt met extreme of onregelmatige gebeurtenissen (catastroferisico “leven” – life catastrophe risk). vie, compte tenu des périls couverts et des procédés appli- qués dans l’exercice de cette activité. Il est calculé, conformément au point 3 de l’Annexe III, comme résultant de la combinaison des exigences de capital applicables au moins aux sous-modules suivants: 1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de mortalité, lorsqu’une augmentation de ces taux entraîne une augmen- tation de la valeur des engagements d’assurance (risque de mortalité – mortality risk); 2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de mortalité, lorsqu’une baisse de ces taux entraîne une augmentation de la valeur des engagements d’assurance (risque de longévité); 3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux d’invalidité, de maladie et de morbidité (risque d’invalidité et de morbidité – disability and morbidity risk); 4° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des dépenses encourues pour la gestion des contrats d’assurance ou de réassurance (risque de dépenses en vie – life expense risk); 5° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des taux de révision applicables aux rentes, sous l’effet d’un changement de l’environnement juridique ou de l’état de santé de la personne assurée (risque de révision – revision risk); 6° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau ou la volatilité des taux de cessation, d’échéance, de renouvel- lement et de rachat des polices (risque de cessation – lapse risk); 7° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux événements extrêmes ou irréguliers, qui pèse sur les hypo- thèses retenues en matière de prix et de provisionnement (risque de catastrophe en vie – life catastrophe risk). 465 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 158 De module “verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” (health underwriting risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit ziektekostenverzekeringsverplichtingen, on- geacht of hij een soortgelijke technische grondslag heeft als die van levensverzekeringen, en houdt rekening met zowel de gedekte gevaren als de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast. De module dekt minstens de volgende risico’s: 1° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verze- keringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het beheer van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten; 2° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongunstige verandering (adverse change) in de waarde van de verzeke- ringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van de verzekerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen ten tijde van de vorming van de voorzieningen; 3° het risico op verliezen (risk of loss) of op een ongun- stige verandering (adverse change) in de waarde van de verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de hypothesen voor de prijsstelling en de voorzieningen door de uitbraak van grote epidemieën en door een onge- bruikelijke accumulatie van risico’s onder dergelijke extreme omstandigheden. Art. 159 De module “marktrisico” (market risk) heeft betrekking op het risico dat voortvloeit uit het niveau of de volatiliteit van de marktprijzen van financiële instrumenten die van invloed zijn op de waarde van de activa en passiva van de betrok- ken onderneming. Het houdt naar behoren rekening met elke structurele mismatch tussen activa en passiva, inzonderheid wat betreft de looptijd ervan. Overeenkomstig punt 4 van Bijlage III wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende submodules: 1° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in de rente- termijnstructuur of in de volatiliteit van de rente (renterisico – interest rate risk); 2° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van aandelen (aande- lenrisico – equity risk); 3° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau Art. 158 Le module “risque de souscription en santé” (health unde- rwriting risk) reflète le risque découlant de la souscription d’engagements d’assurance santé, qu’il s’exerce ou non sur une base technique similaire à celle de l’assurance vie, compte tenu des périls couverts et des procédés appliqués dans l’exercice de cette activité. Il couvre au moins les risques suivants: 1° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engage- ments d’assurance, résultant de fluctuations affectant le niveau, l’évolution tendancielle ou la volatilité des dépenses encourues pour la gestion des contrats d’assurance ou de réassurance; 2° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de fluctuations affectant la date de sur- venance, la fréquence et la gravité des événements assurés, ainsi que la date et le montant des règlements de sinistres au moment du provisionnement; 3° le risque de perte (risk of loss), ou de changement défavorable (adverse change) de la valeur des engagements d’assurance, résultant de l’incertitude importante, liée aux épidémies majeures et à l’accumulation inhabituelle de risques qui se produit dans ces circonstances extrêmes, qui pèse sur les hypothèses retenues en matière de prix et de provisionnement. Art. 159 Le module “risque de marché” (market risk) reflète le risque lié au niveau ou à la volatilité de la valeur de marché des ins- truments financiers ayant un impact sur la valeur des actifs et des passifs de l’entreprise concernée. Il reflète correctement toute inadéquation structurelle entre les actifs et les passifs, en particulier au regard de leur duration. Il est calculé, conformément au point 4 de l’Annexe III, comme résultant de la combinaison des exigences de capital applicables au moins aux sous-modules suivants: 1° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements de la courbe des taux d’intérêt ou de la volatilité des taux d’intérêt (risque de taux d’intérêt – interest rate risk); 2° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité de la valeur de marché des actions (risque sur actions – equity risk); 3° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la 466 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 of in de volatiliteit van de marktprijzen van vastgoed (vast- goedrisico – property risk); 4° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de kredietspreads ten opzichte van de risicovrije rentetermijnstructuur (spreadrisico – spread risk); 5° de gevoeligheid van de waarde van de activa, passiva en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van wisselkoersen (valutarisico – currency risk); 6° extra risico’s die een verzekerings- of herverzekerings- onderneming loopt hetzij door een gebrek aan diversificatie in de activaportefeuille, hetzij door een sterke blootstelling aan het risico van wanbetaling van een enkele emittent van effecten of een groep van verbonden emittenten (marktrisi- coconcentraties – market risk concentrations). Art. 160 De module “tegenpartijrisico” (counterparty default risk) heeft betrekking op potentiële verliezen als gevolg van onverwachte wanbetaling of een verslechtering van de kre- dietwaardigheid van de tegenpartijen en debiteuren van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de volgende twaalf maanden. De module “tegenpartijrisico” omvat risicomatigings- overeenkomsten, zoals herverzekeringsregelingen, effec- tiseringen en afgeleide instrumenten, alsook vorderingen op tussenpersonen en andere kredietrisico’s die niet onder de submodule “spreadrisico” vallen. De module houdt op passende wijze rekening met waarborgen of andere zeker- heden die worden gehouden door of voor rekening van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de daaraan verbonden risico’s. De module “tegenpartijrisico” houdt voor elke tegenpartij rekening met de algehele blootstelling van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het tegenpartijrisico, ongeacht de rechtsvorm van diens contractuele verplichtingen jegens deze onderneming. Art. 161 De submodule “aandelenrisico”  (equity risk) die wordt berekend volgens de standaardformule omvat een sym- metrische aanpassing van het aandelenkapitaalvereiste om het risico te dekken dat voortvloeit uit veranderingen in de aandelenprijzen. De symmetrische aanpassing van het standaardvereiste voor aandelenkapitaal, dat gekalibreerd is in overeenstem- ming met artikel  154, §  4, om de risico’s te dekken die voortvloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, is gebaseerd op een functie van de huidige stand van een volatilité de la valeur de marché des actifs immobiliers (risque sur actifs immobiliers – property risk); 4° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité des marges (“spreads”) de crédit par rapport à la courbe des taux d’intérêt sans risque (risque de marge – spread risk); 5° la sensibilité de la valeur des actifs, des passifs et des instruments financiers aux changements du niveau ou de la volatilité des taux de change (risque de change – currency risk); 6° les risques supplémentaires supportés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du fait soit d’un manque de diversification de son portefeuille d’actifs, soit d’un exposition importante au risque de défaut d’un seul émetteur de valeurs mobilières ou d’un groupe d’émetteurs liés (concentrations du risque de marché – market risk concentrations). Art. 160 Le module “risque de contrepartie” (counterparty default risk) reflète les pertes possibles suite au défaut inattendu ou la détérioration de la qualité de crédit des contreparties et débiteurs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance durant les douze mois à venir. Le module “risque de contrepartie” couvre les contrats d’at- ténuation des risques, tels que les accords de réassurance, les titrisations et les instruments dérivés, et les paiements à recevoir des intermédiaires ainsi que tout autre risque de crédit ne relevant pas du sous-module “risque de marge”. Il prend en compte, de manière appropriée, les garanties ou autres sûretés détenues par l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou pour son compte, et les risques qui y sont liés. Pour chaque contrepartie, le module “risque de contre- partie” tient compte de l’exposition globale au risque de contrepartie encourue par l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée à l’égard de cette contrepartie, indépendamment de la forme juridique de ses obligations contractuelles envers cette entreprise. Art. 161 Le sous-module “risque sur actions” (equity risk) calculé selon la formule standard comprend un mécanisme d’ajus- tement symétrique de l’exigence de capital pour actions qui sert à couvrir le risque découlant des variations du cours des actions. L’ajustement symétrique de l’exigence standard de capital pour actions, calibrée conformément à l’article 154, § 4, qui couvre le risque découlant des variations du cours des actions est fonction du niveau actuel d’un indice approprié du cours des actions et de la moyenne pondérée de cet indice. La 467 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 passende aandelenindex en het gewogen gemiddelde van die index. Het gewogen gemiddelde wordt berekend over een passende periode die dezelfde is voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. De symmetrische aanpassing van het standaardvereiste voor aandelenkapitaal, ter dekking van de risico’s die voort- vloeien uit veranderingen in de aandelenprijzen, mag niet resulteren in de toepassing van een aandelenkapitaalvereiste dat meer dan 10 procentpunten lager of hoger is dan het standaardvereiste voor aandelenkapitaal. Art. 162 § 1. Levensverzekeringsondernemingen mogen voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste een sub- module “aandelenrisico op basis van looptijd” toepassen (duration-based equity risk), wanneer: 1° hetzij deze ondernemingen pensioenuitkeringen verle- nen die worden uitbetaald tegen de datum van pensionering of te verwachten pensionering, waarbij de voor deze uitkeringen betaalde premies voor de verzekeringnemers van de belasting aftrekbaar zijn volgens de nationale wetgeving van de lidstaat die aan de onderneming een vergunning heeft verleend; 2° en wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a)  alle met die activiteiten overeenkomende activa en verplichtingen zijn afgescheiden en worden gescheiden van de overige activiteiten van de verzekeringsondernemingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat; b) de activiteiten van de onderneming als bedoeld in 1° en 2°, ten aanzien waarvan de in dit artikel bedoelde benadering wordt gevolgd, worden alleen uitgeoefend in de lidstaat waar de betrokken onderneming een vergunning heeft verkregen; c) de gemiddelde looptijd van de aan deze activiteiten verbonden verplichtingen van de onderneming bedraagt meer dan twaalf jaar. § 2. De in dit artikel bedoelde submodule “aandelenri- sico op basis van looptijd” (duration-based equity risk) wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf , over een periode die strookt met de voor de betrokken onderneming typische aanhoudingsperiode van aandelenbeleggingen, met een betrouwbaarheidsgraad die de verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151, indien de in dit artikel voorgeschreven benadering alleen wordt gevolgd ten aanzien van de activa en verplichtingen bedoeld in paragraaf 1, 2°, a). Bij de bereke- ning van het solvabiliteitskapitaalvereiste worden deze activa en verplichtingen volledig in aanmerking genomen voor de beoordeling van de diversificatie-effecten, onverminderd de noodzaak om de belangen van de verzekeringnemers en de begunstigden in andere lidstaten te beschermen. Onder voorbehoud van de goedkeuring van de Bank wordt de benadering van het eerste lid alleen gebruikt indien de moyenne pondérée est calculée sur une période appropriée, qui est la même pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance. L’ajustement symétrique de l’exigence standard de capital pour actions qui couvre le risque découlant des variations du cours des actions ne peut pas entraîner l’application d’une exigence de capital pour actions qui soit supérieure ou inférieure de plus de dix points de pourcentage à l’exigence standard de capital pour actions. Art. 162 § 1er. Les entreprises d’assurance vie peuvent appliquer au calcul du capital de solvabilité requis un sous-module “risque sur actions fondé sur la durée” (duration-based equity risk), lorsque: 1°  soit ces entreprises fournissent des prestations de retraite versées en référence à la mise à la retraite, ou à l’approche de la mise à la retraite, si les primes versées au titre de ces prestations bénéficient d’une déduction d’impôt accordée aux preneurs d’assurance par la législation natio- nale de l’État membre ayant agréé l’entreprise d’assurance; 2° et lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies: a) tous les actifs et engagements correspondant à ces activités sont cantonnés, gérés et organisés séparément des autres activités des entreprises d’assurance, sans aucune possibilité de transfert; b) les activités de l’entreprise visées aux 1° et 2°, aux- quelles s’applique l’approche visée au présent article, ne sont exercées que dans l’État membre ayant agréé ladite entreprise; c) la durée moyenne des engagements de l’entreprise correspondant à ces activités excède douze ans. § 2. Le sous-module “risque sur actions fondé sur la durée” (duration-based equity risk) visé au présent article est cali- bré en usant d’une mesure de la valeur en risque, sur une période donnée adaptée à la période typique de conservation des placements en actions par l’entreprise concernée, avec un niveau de confiance assurant aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalent au niveau prévu à l’article 151, sous réserve que l’approche prévue au présent article ne soit utilisée que pour des actifs et engagements visés au paragraphe 1er, 2°, a). Lors du calcul du capital de solvabilité requis, ces actifs et engagements sont pleinement pris en compte dans l’évaluation des effets de diversification, sans préjudice de la nécessité de préserver les intérêts des preneurs d’assurance et des bénéficiaires dans d’autres États membres. Sous réserve de l’approbation de la Banque, l’approche exposée au premier alinéa n’est utilisée que lorsque la 468 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 solvabiliteits- en de liquiditeitspositie, alsmede de strategieën, processen en verslaggevingsprocedures van de betrokken onderneming met betrekking tot haar beheer van activa en verplichtingen van zodanige aard zijn dat doorlopend vaststaat dat de onderneming in staat is aandelenbeleggingen aan te houden gedurende een periode die strookt met de voor die onderneming typische aanhoudingsperiode van aandelenbe- leggingen. De onderneming moet in staat zijn om ten behoeve van de Bank aan te tonen dat deze voorwaarde vervuld is met een betrouwbaarheidsgraad die verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van de bepalingen van dit artikel, vallen niet terug op de benadering van de artikelen 155 tot 160, behalve onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank. Art. 163 Het kapitaalvereiste voor het operationele risico (operati- onal risk) houdt rekening met de operationele risico’s, voor zover daarmee al geen rekening is gehouden in de risicomo- dules bedoeld in artikel 154 . Dit vereiste wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 151, § 3. Bij levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleg- gingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer, wordt in de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het bedrag aan jaarlijkse kosten dat voor deze verzekerings verplichtingen wordt gemaakt. Bij andere dan de in het tweede lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen wordt bij de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het volume van deze verrichtingen wat be- treft verdiende premies en technische voorzieningen die voor deze verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen worden aange houden. In dit geval bedraagt het kapitaalver- eiste voor het operationele risico niet meer dan 30 % van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste voor deze verzekerings- of herverzekeringsverrichtingen. Art. 164 Bij de in artikel 153, 3°, bedoelde correctie voor het ver- mogen van de technische voorzieningen en de uitgestelde belastingen (deferred taxes) om verliezen te compenseren (adjustment for the loss-absorbing capacity), wordt rekening gehouden met de potentiële compensatie van onverwachte verliezen door middel van een gelijktijdige verlaging van de technische voorzieningen of uitgestelde belastingen dan wel een combinatie van de twee. Bij deze correctie wordt rekening gehouden met het risi- comatigingseffect van toekomstige discretionaire uitkeringen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten, voor zover de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen aantonen dat dergelijke uitkeringen mogen worden verlaagd position en matière de solvabilité et de liquidité, ainsi que les stratégies, les processus et les procédures de déclaration de l’entreprise concernée au regard de sa gestion des actifs et des engagements, sont de nature à garantir, en permanence, que celle-ci est en mesure de conserver des placements en actions pendant une période adaptée à la période typique de conservation des placements en actions par cette entreprise. L’entreprise doit être en mesure de démontrer à la Banque que cette condition est vérifiée avec le niveau de confiance nécessaire pour assurer aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de protection équivalant au niveau prévu à l’article 151. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font usage des dispositions du présent article ne reviennent pas à l’approche énoncée aux articles 155 à 160, sauf dans des circonstances dûment justifiées et à condition que la Banque l’autorise. Art. 163 L’exigence de capital pour risque opérationnel (operational risk) reflète les risques opérationnels, dans la mesure où ceux- ci ne sont pas déjà pris en considération dans les modules de risque visés à l’article 154. Cette exigence est calibrée conformément à l’article 151, § 3. Dans le cas des contrats d’assurance vie où le risque d’investissement est supporté par le preneur d’assurance, le calcul de l’exigence de capital pour risque opérationnel tient compte du montant des dépenses annuelles encourues aux fins de ces engagements d’assurance. Dans le cas des opérations d’assurance ou de réassurance autres que celles visées à l’alinéa 2, le calcul de l’exigence de capital pour risque opérationnel tient compte du volume de ces opérations, en termes d’encaissement de primes et de provisions techniques détenues pour faire face aux enga- gements d’assurance ou de réassurance correspondants. L’exigence de capital pour risque opérationnel ne dépasse alors pas 30 % du capital de solvabilité requis de base afférent aux opérations d’assurance ou de réassurance concernées. Art. 164 L’ajustement visant à tenir compte de la capacité d’absorp- tion des pertes (Adjustment for the loss-absorbing capacity) des provisions techniques et des impôts différés (deferred taxes), visé à l’article 153, 3°, reflète la compensation poten- tielle de pertes non anticipées par une baisse simultanée des provisions techniques ou des impôts différés ou d’une combinaison des deux. Cet ajustement tient compte de l’effet d’atténuation des risques inhérent aux prestations discrétionnaires futures des contrats d’assurance, dans la mesure où les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent démontrer qu’elles ont la possibilité de réduire ces prestations pour couvrir des 469 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 om onverwachte verliezen te dekken. Het risicomatigingsef- fect van de toekomstige discretionaire uitkeringen bedraagt niet meer dan de som van de technische voorzieningen en uitgestelde belastingen in verband met deze toekomstige discretionaire uitkeringen. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de waarde van de toekomstige discretionaire uitkeringen onder ongunstige omstandigheden vergeleken met de waarde van dergelijke uitkeringen volgens de hypothesen die aan de berekening van de beste schatting ten grondslag liggen. Art. 165 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mo- gen voor een bepaalde submodule of risicomodule een ver- eenvoudigde berekening toepassen wanneer dit op grond van de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan ze blootstaan gerechtvaardigd is en het onevenredig zou zijn om alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te verplichten de standaardberekening toe te passen. Vereenvoudigde berekeningen worden gekali breerd over- eenkomstig artikel 151, § 3. Art. 166 Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule bedoeld in Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de standaardformule, mag de Bank de betrokken onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten bij de berekening van de modules “verzekeringstechnisch risico “leven””, “verzekeringstechnisch risico “niet-leven”” en verzekeringstechnisch risico “ziektekosten”” volgens de standaardformule, een subset van de parameters ervan te vervangen door parameters die specifiek zijn voor die on- derneming (undertaking-specific parameters), als bepaald in artikel 154, § 7. Die specifieke parameters worden zodanig berekend dat gewaarborgd wordt dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3. Onderafdeling III Solvabiliteitskapitaalvereiste berekend aan de hand van geheel of gedeeltelijk interne modellen Art. 167 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen hun solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen aan de hand van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goed- gekeurd is door de Bank. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen gedeeltelijk interne modellen gebruiken voor de bere- kening van een of meer van de volgende elementen: pertes non anticipées au moment où celles-ci surviennent. L’effet d’atténuation des risques inhérent aux prestations discrétionnaires futures n’excède pas la somme des provi- sions techniques et des impôts différés afférents auxdites prestations discrétionnaires futures. Aux fins de l’alinéa 2, la valeur des prestations discrétion- naires futures dans des circonstances défavorables est com- parée à la valeur de telles prestations selon les hypothèses qui sous-tendent le calcul de la meilleure estimation. Art. 165 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent procéder à un calcul simplifié pour un sous-module ou module de risque spécifique dès lors que la nature, l’ampleur et la complexité des risques auxquels elles sont confrontées le justifient et qu’il serait disproportionné d’exiger de toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance qu’elles se conforment au calcul standard. Les calculs simplifiés sont calibrés conformément à l’article 151, § 3. Art. 166 Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de solvabilité requis conformément à la formule standard telle que visée à la Sous-section II, parce que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le calcul selon cette formule, la Banque peut, par décision motivée, exiger de l’entreprise concernée qu’elle remplace un sous-ensemble de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule standard par des paramètres propres à cette entreprise (undertaking-specific parameters) au moment de calculer, conformément à l’article 154, § 7, les modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie” et “risque de souscription en santé”. Ces paramètres particuliers sont calculés de façon à garantir que l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3. Sous-section III Capital de solvabilité requis calculé selon des modèles internes intégraux ou partiels Art. 167 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent calculer leur capital de solvabilité requis à l’aide d’un modèle interne intégral ou partiel approuvé par la Banque. §  2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent utiliser des modèles internes partiels pour calculer un ou plusieurs des éléments suivants: 470 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1°  een of meer risicomodules of sub modules van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de artike- len 154 tot 160; 2° het kapitaalvereiste voor het operationele risico als beschreven in artikel 163; 3° de in artikel 164 bedoelde correctie. Voorts mogen deelmodellen worden gebruikt voor het gehele bedrijf van de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen of voor slechts een of meer belangrijke bedrijfsonderdelen. § 3. Bij een goedkeuringsaanvraag dienen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen ten minste gegevens te voegen die bewijzen dat het interne model voldoet aan de vereisten van de artikelen 174 tot 187. Wanneer de goedkeuringsaanvraag betrekking heeft op een gedeeltelijk intern model, worden de vereisten van de artikelen 174 tot 187 aangepast om rekening te houden met het beperkte toepassingsgebied van het model. §  4. De Bank neemt binnen zes maanden na ont- vangst van de volledige aanvraag een beslissing over de goedkeuringsaanvraag. § 5. De Bank verleent alleen haar goedkeuring als zij ervan overtuigd is dat de systemen voor de identificering, de meting, de bewaking, het beheer en de melding van de risico’s waar- aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming bloot- staat, passend zijn, en zij er inzonderheid van overtuigd is dat het interne model aan de vereisten van paragraaf 3 voldoet. § 6. Een beslissing van de Bank om de aanvraag voor het gebruik van een intern model af te wijzen, wordt met redenen omkleed. § 7. Na van de Bank de goedkeuring te hebben verkre- gen voor het gebruik van een intern model, kan van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, bij een met redenen omkleed besluit, worden verlangd dat zij een schatting verstrekken van hun solvabiliteitskapitaalvereiste als berekend volgens de standaardformule, overeenkomstig Onderafdeling II. Art. 168 § 1. Bij een gedeeltelijk intern model verleent de Bank al- leen goedkeuring als dit model voldoet aan de vereisten van artikel 167 en aan de volgende aanvullende voorwaarden: 1° de betrokken onderneming geeft een goede verklaring voor het beperkte toepassings gebied van het model; 2° het solvabiliteitskapitaalvereiste dat eruit voortvloeit, vormt een betere afspiegeling van het risicoprofiel van de betrokken onderneming en voldoet inzonderheid aan de beginselen van Onderafdeling I; 1°  un ou plusieurs des modules ou sous-modules de risque du capital de solvabilité requis de base prévus aux articles 154 à 160; 2° l’exigence de capital pour risque opérationnel définie à l’article 163; 3° l’ajustement prévu à l’article 164. Une modélisation partielle peut, en outre, être appliquée à l’ensemble de l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, ou seulement à une ou plusieurs de ses unités opérationnelles majeures. §  3. À toute demande d’approbation, les entreprises d’assurance ou de réassurance joignent au minimum la documentation prouvant que le modèle interne satisfait aux exigences énoncées aux articles 174 à 187. Lorsque la demande d’approbation concerne un modèle interne partiel, les exigences énoncées aux articles 174 à 187 sont adaptées afin de tenir compte du champ d’application limité du modèle. § 4. La Banque prend une décision sur toute demande d’approbation dans un délai de six mois suivant la réception de la demande complète. § 5. La Banque ne donne son approbation que si elle a l’assurance que les systèmes d’identification, de mesure, de contrôle, de gestion et de déclaration des risques de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont adéquats et, en particulier, que le modèle interne satisfait aux exigences visées au paragraphe 3. § 6. Toute décision de rejet d’une demande d’approbation d’un modèle interne prise par la Banque est motivée. §  7. Après approbation de leur modèle interne par la Banque, les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent être tenues, par décision motivée, de communiquer à la Banque une estimation de leur capital de solvabilité requis calculé en application de la formule standard, conformément à la Sous-section II. Art. 168 §  1er. Un modèle interne partiel n’est approuvé par la Banque que lorsqu’il satisfait aux exigences énoncées à l’article 167 et aux conditions additionnelles suivantes: 1° son champ d’application limité est dûment justifié par l’entreprise concernée; 2° le capital de solvabilité requis qui en résulte reflète mieux le profil de risque de l’entreprise concernée et, en particulier, satisfait aux principes énoncés à la Sous-section Ire; 471 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de opzet ervan sluit zodanig aan bij de beginselen van Onderafdeling I, dat het gedeeltelijk interne model volledig kan worden geïntegreerd in de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste. § 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het ge- bruik van een gedeeltelijk intern model dat slechts bepaalde submodules van een bepaalde risicomodule, of een aantal bedrijfs onderdelen van een verzekerings- of herverzekerings- onderneming met betrekking tot een bepaalde risicomodule of delen van beide bestrijkt, mag de Bank de betrokken ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming verplichten een realistisch overgangsplan in te dienen om het toepassings- gebied van haar model uit te breiden. Het overgangsplan vermeldt hoe de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming het toepassingsgebied van haar model zodanig denkt uit te breiden tot andere submodules of bedrijfsonderdelen dat daarmee het belangrijkste deel van haar verzekeringsverrichtingen met betrekking tot deze specifieke risicomodule wordt bestreken. Art. 169 In het kader van de eerste goedkeuringsprocedure voor een intern model keurt de Bank de beleidslijn voor de wijziging van het model van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming goed. De verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen mogen hun interne model overeenkomstig deze beleidslijn wijzigen. In de beleidslijn wordt aangegeven welke wijzigingen in het interne model ingrijpend en welke niet-ingrijpend zijn. Ingrijpende wijzigingen in het interne model en wijzigin- gen in de beleidslijn voor de wijziging van het model moeten systematisch vooraf door de Bank worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 167. Niet-ingrijpende wijzigingen in het interne model moeten niet vooraf door de Bank worden goedgekeurd, voor zover deze in overeen stemming zijn met de genoemde beleidslijn. Art. 170 Het wettelijk bestuursorgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verleent goedkeuring voor de indiening bij de Bank van de in artikel 167 bedoelde aanvraag voor goedkeuring van het interne model en de aanvraag voor goedkeuring van latere ingrijpende wijzigingen in dit model. Het wettelijk bestuursorgaan draagt de verantwoordelijk- heid voor de invoering van systemen die ervoor zorgen dat het interne model naar behoren blijft werken. 3° sa conception est conforme aux principes énoncés à la Sous-section Ire, de manière à permettre sa pleine intégration à la formule standard de calcul du capital de solvabilité requis. § 2. Lorsqu’elle évalue une demande d’utilisation d’un modèle interne partiel ne couvrant que certains sous-modules d’un module de risque donné ou que certaines unités opé- rationnelles de l’entreprise d’assurance ou de réassurance en ce qui concerne un module de risque donné, ou l’un et l’autre pour partie, la Banque peut exiger de cette entreprise d’assurance ou de réassurance qu’elle soumette un plan de transition réaliste en vue d’étendre le champ d’application de son modèle. Le plan de transition expose comment l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance projette d’étendre le champ d’appli- cation de son modèle à d’autres sous-modules ou unités opérationnelles, de façon à garantir que le modèle couvre une part prédominante de ses opérations d’assurance en ce qui concerne le module de risque donné. Art. 169 Dans le cadre de la procédure d’approbation initiale d’un modèle interne, la Banque approuve la politique de modification du modèle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent modifier leur modèle interne conformément à cette politique. Cette politique comprend une spécification des modifi- cations mineures et des modifications majeures du modèle interne. Les modifications majeures du modèle interne, ainsi que les changements apportés à la politique de modification de celui-ci, sont systématiquement soumis à l’autorisation pré- alable de la Banque, conformément à l’article 167. Les modifications mineures du modèle interne ne sont pas soumises à l’autorisation préalable de la Banque, dans la mesure où elles sont élaborées conformément à ladite politique. Art. 170 L’organe légal d’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance avalise la demande d’approbation du modèle interne par la Banque visée à l’article 167, ainsi que la demande d’approbation de toute modification majeure ultérieurement apportée à ce modèle. Il incombe à l’organe légal d’administration de mettre en place des systèmes garantissant le bon fonctionnement du modèle interne de manière continue. 472 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 171 Na overeenkomstig artikel 167 goedkeuring te hebben verkregen, vallen de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen voor de berekening van het gehele of een deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste niet terug op de standaard- formule van Onderafdeling II, behalve onder naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onder voorbehoud van goedkeuring door de Bank. Art. 172 Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming nadat ze van de Bank goedkeuring heeft verkregen voor het gebruik van een intern model, de vereisten van de artike- len 174 tot 187 niet meer naleeft, dient zij bij de Bank onverwijld hetzij een plan in om de situatie binnen een redelijke termijn te herstellen, hetzij informatie waaruit blijkt dat dit geen noe- menswaardige gevolgen heeft. Ingeval de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het in het eerste lid bedoelde plan niet uitvoert, mag de Bank deze onderneming verplichten om het solvabiliteitskapitaalver- eiste weer volgens de standaardformule van Onderafdeling II te berekenen. Art. 173 Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule van Onderafdeling II, omdat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypo- thesen die ten grondslag liggen aan de berekening volgens de standaardformule , mag de Bank de betrokken onderneming bij een met redenen omkleed besluit verplichten om een intern model te gebruiken voor de berekening van haar solvabili- teitskapitaalvereiste of de relevante risicomodules daarvan. Art. 174 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen tonen aan dat hun interne model algemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt in hun governancesysteem als bedoeld in artikel 42, en inzonderheid: 1° in hun risicobeheersysteem als bedoeld in artikel 84 en in hun besluitvormings procedures; 2° in hun processen voor de beoordeling en allocatie van het economisch en solvabiliteitskapitaal, waaronder de in artikel 91 bedoelde beoordeling. Voorts tonen de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen aan dat de frequentie waarmee het solvabiliteitskapi- taalvereiste met het interne model wordt berekend, aansluit bij de frequentie waarmee zij hun interne model gebruiken voor de andere in het eerste lid vermelde doeleinden. Art. 171 Une fois reçue l’approbation demandée conformément à l’article 167, les entreprises d’assurance ou de réassurance ne reviennent pas à la formule standard pour calculer l’ensemble de leur capital de solvabilité requis ou une partie quelconque de celui-ci, comme prévu à la Sous-section II, sauf circons- tances dûment justifiées et sous réserve de l’approbation de la Banque. Art. 172 Si, après avoir reçu de la Banque l’approbation nécessaire à l’utilisation d’un modèle interne, une entreprise d’assurance ou de réassurance cesse de se conformer aux exigences énoncées aux articles 174 à 187, elle présente sans délai à la Banque un plan de retour à la conformité dans un délai raisonnable ou elle démontre sans délai que la non-conformité n’a qu’un effet négligeable. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne met pas en œuvre le plan visé à l’alinéa 1er, la Banque peut exiger que cette entreprise en revienne à la formule standard pour calculer son capital de solvabilité requis, conformément à la Sous-section II. Art. 173 Lorsqu’il n’est pas approprié de calculer le capital de sol- vabilité requis en application de la formule standard confor- mément à la Sous-section II, parce que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le calcul selon la formule standard, la Banque peut, par décision motivée, exiger de l’entreprise concernée qu’elle utilise un modèle interne pour calculer son capital de solvabilité requis ou les modules de risque pertinents de celui-ci. Art. 174 Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé- montrent qu’elles utilisent largement leur modèle interne et que celui-ci joue un rôle important dans leur système de gouvernance visé à l’article 42, en particulier: 1°  dans leur système de gestion des risques prévu à l’article 84 et dans leurs processus décisionnels; 2° dans leurs processus d’évaluation et d’allocation du capital économique et du capital de solvabilité, y compris l’évaluation visée à l’article 91. Les entreprises d’assurance ou de réassurance dé- montrent en outre que la fréquence à laquelle le capital de solvabilité requis est calculé à l’aide du modèle interne est cohérente avec la fréquence à laquelle leur modèle interne est utilisé aux autres fins visées à l’alinéa 1er. 473 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het wettelijk bestuursorgaan is er verantwoordelijk voor dat de opzet en de werking van het interne model adequaat blijft en dat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming correct tot uiting blijft komen in het interne model. Art. 175 Het interne model, en inzonderheid de berekening van de kansverdelingsprognose die eraan ten grondslag ligt, voldoen aan de criteria van de artikelen 176 tot 183. Art. 176 De methodes die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op adequate, toepas- selijke en relevante actuariële en statistische methodes en sluiten aan bij de methodes die gebruikt worden voor de berekening van technische voorzieningen. De methodes die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op actuele en betrouw- bare informatie en op realistische hypothesen. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kunnen tegenover de Bank de juistheid aantonen van de hypothesen die aan hun interne model ten grondslag liggen. Art. 177 Voor het interne model worden juiste, volledige en gepaste gegevens gebruikt. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen wer- ken de bij de berekening van de kansverdelingsprognose gebruikte gegevensbestanden ten minste eenmaal per jaar bij. Art. 178 Voor de berekening van de kansverdelingsprognose wordt geen specifieke methode voorgeschreven. Ongeacht de gekozen berekeningsmethode is het interne model voldoende in staat om risico’s zodanig te classificeren dat gewaarborgd is dat het overeenkomstig artikel 174 al- gemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt in het governancesysteem van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, en met name in haar risicobe- heersysteem en besluitvormingsprocedures en bij de allocatie van haar kapitaal. Het interne model bestrijkt alle materiële risico’s waaraan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat. Het bestrijkt minstens de risico’s die in artikel 151, § 4, zijn opgesomd. Il incombe à l’organe légal d’administration de garantir l’adéquation permanente de la conception et du fonctionne- ment du modèle interne et de veiller à ce que le modèle interne continue à refléter de manière adéquate le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Art. 175 Le modèle interne et, en particulier, le calcul de la distribu- tion de probabilité prévisionnelle qui le sous-tendent satisfont aux critères fixés aux articles 176 à 183. Art. 176 Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de probabilité prévisionnelle sont fondées sur des techniques actuarielles et statistiques adéquates, applicables et perti- nentes et elles sont cohérentes avec les méthodes utilisées pour calculer les provisions techniques. Les méthodes utilisées pour calculer la distribution de probabilité prévisionnelle sont fondées sur des informations actuelles crédibles et sur des hypothèses réalistes. Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont en mesure de justifier, auprès de la Banque, les hypothèses qui sous-tendent leur modèle interne. Art. 177 Les données utilisées aux fins du modèle interne sont exactes, exhaustives et appropriées. Les entreprises d’assurance ou de réassurance actualisent au moins une fois par an les séries de données qu’elles utilisent aux fins du calcul de la distribution de probabilité prévisionnelle. Art. 178 Aucune méthode particulière n’est prescrite pour le calcul de la distribution de probabilité prévisionnelle. Indépendamment de la méthode de calcul retenue, la capacité du modèle interne à classer les risques est suffisante pour garantir qu’il est largement utilisé et qu’il joue un rôle important dans le système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, et notamment dans son système de gestion des risques et ses processus décisionnels, ainsi que dans l’allocation de son capital confor- mément à l’article 174. Le modèle interne couvre tous les risques importants aux- quels l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée est exposée. Il couvre au minimum les risques répertoriés à l’article 151, § 4. 474 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 179 Wat de diversificatie-effecten betreft, mogen de verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen in hun interne model rekening houden met afhankelijkheden binnen de risi- cocategorieën en dwars door risicocategorieën heen, mits de Bank overtuigd is van de deugdelijkheid van het systeem dat gebruikt wordt voor de meting van deze diversificatie-effecten. Art. 180 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen ten volle rekening houden met het effect van risi- comatigingstechnieken op hun interne model, zolang de krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van deze risicomatigingstechnieken correct tot uiting komen in het interne model. Art. 181 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen be- oordelen in hun model nauwkeurig de bijzondere risico’s die verbonden zijn aan financiële garanties en contractuele opties, wanneer deze van wezenlijk belang zijn. Ook beoordelen zij de risico’s die verbonden zijn aan de opties die aan de verzekeringnemer worden geboden, en aan de contractuele opties voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Daartoe houden zij rekening met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties. Art. 182 In hun interne model mogen de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen rekening houden met beheeracti- viteiten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die onder bepaalde omstandigheden zullen verrichten. In het in het eerste lid bedoelde geval houdt de betrok- ken onderneming rekening met de tijd die nodig is voor de uitvoering van dergelijke activiteiten. Art. 183 In hun interne model houden de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen rekening met alle door hen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, onge- acht of deze contractueel gegarandeerd zijn. Art. 184 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mo- gen voor de interne modellering een andere periode of risi- comaatstaf hanteren dan die waarin artikel 151, § 3 voorziet, op voorwaarde dat de resultaten van hun interne model hen in staat stellen het solvabiliteitskapitaalvereiste te berekenen Art. 179 Pour ce qui concerne les effets de diversification, les entre- prises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir compte dans leur modèle interne des dépendances existant au sein de catégories de risques données, ainsi qu’entre catégories de risques, sous réserve que la Banque juge adéquat le système utilisé pour mesurer ces effets de diversification. Art. 180 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir pleinement compte de l’effet des techniques d’atténua- tion du risque dans leur modèle interne, pour autant que le risque de crédit et les autres risques découlant de l’utilisation des techniques d’atténuation du risque soient pris en consi- dération de manière adéquate dans le modèle interne. Art. 181 Les entreprises d’assurance ou de réassurance évaluent avec précision, dans leur modèle interne, les risques particu- liers liés aux garanties financières et à toute option contrac- tuelle lorsqu’ils ne sont pas négligeables. Elles évaluent également les risques liés aux options offertes au preneur d’assurance, ainsi qu’aux options contractuelles qui sont offertes aux entreprises d’assurance ou de réassurance. À cet effet, elles tiennent compte de l’impact que pourraient avoir d’éventuels changements des conditions financières et non financières sur l’exercice de ces options. Art. 182 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent tenir compte, dans leur modèle interne, des décisions futures de gestion qu’elles pourraient raisonnablement mettre en œuvre dans des circonstances particulières. Dans le cas prévu à l’alinéa 1er, l’entreprise concernée tient compte du temps nécessaire à la mise en œuvre de ces décisions. Art. 183 Les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent compte, dans leur modèle interne, de tous les paiements aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires qu’elles s’attendent à devoir effectuer, que ces paiements soient ou non contrac- tuellement garantis. Art. 184 Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent, à des fins de modélisation interne, se référer à un autre horizon temporel ou utiliser une autre mesure du risque que ceux prévus à l’article 151, § 3, à condition que les résultats produits par leur modèle interne leur permettent de procéder 475 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 op een wijze die verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 151. Waar dit uitvoerbaar is, leiden de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen aan de hand van de VaR-maatstaf als bedoeld in artikel 151, § 3, het solvabiliteitskapitaalvereiste rechtstreeks af uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen hun solvabiliteitskapitaalvereiste niet rechtstreeks kunnen afleiden uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert, mag de Bank toestaan dat bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste benaderingen gebruikt worden, voor zover deze onder nemingen tegenover de Bank kunnen aantonen dat de verzekeringnemers een bescherming wordt geboden die gelijkwaardig is aan die van artikel 151. De Bank mag de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen verplichten hun interne model toe te passen op relevante benchmarkportefeuilles en daarbij gebruik te maken van hypothesen die niet zozeer op interne als wel op externe gegevens berusten, teneinde de kalibratie van het interne model te controleren en na te gaan of de specificaties ervan in overeenstemming zijn met de vaste marktpraktijk. Art. 185 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beoordelen ten minste eenmaal per jaar voor elk belangrijk bedrijfsonderdeel de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen. Zij tonen aan op welke wijze de categorisatie van risico’s in hun interne model de oorzaken en bronnen van winsten en ver- liezen verklaart. De categorisatie van risico’s en de toeschrij- ving van winsten en verliezen weerspiegelen het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 186 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voorzien in een regelmatige modelvalideringscyclus waarbij de werking van het interne model wordt gecontroleerd, de voortdurende deugdelijkheid van de specificaties ervan wordt beoordeeld en de resultaten ervan aan de praktijkervaring worden getoetst. Het modelvalideringsproces omvat een doeltreffende sta- tistische procedure voor de validering van het interne model, waarmee de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen tegenover de Bank kunnen aantonen dat de resulterende kapitaalvereisten deugdelijk zijn. De toegepaste statistische methodes toetsen de deugde- lijkheid van de kansverdelingsprognose niet alleen aan de à un calcul du capital de solvabilité requis garantissant aux preneurs d’assurance et aux bénéficiaires un niveau de pro- tection équivalent à celui prévu à l’article 151. Lorsque c’est possible, les entreprises d’assurance ou de réassurance déduisent directement leur capital de solvabilité requis de la distribution de probabilité prévisionnelle générée par leur modèle interne, sur la base de la mesure de la valeur en risque prévue à l’article 151, § 3. Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent déduire directement leur capital de solvabilité requis de la distribution de probabilité prévisionnelle générée par leur modèle interne, la Banque peut autoriser l’emploi d’approximations dans le processus de calcul du capital de solvabilité requis, pour autant que ces entreprises soient en mesure de démontrer à la Banque que les preneurs d’assu- rance bénéficient d’un niveau de protection équivalent à celui prévu à l’article 151. La Banque peut exiger des entreprises d’assurance ou de réassurance qu’elles appliquent leur modèle interne à des portefeuilles de référence pertinents, en utilisant des hypo- thèses fondées sur des données externes plutôt qu’internes, afin de contrôler le calibrage du modèle interne et de vérifier que ses spécifications correspondent bien aux pratiques du marché généralement admises. Art. 185 Les entreprises d’assurance ou de réassurance examinent, au moins une fois par an, les origines et les causes des profits et pertes enregistrés par chacune de leurs unités opération- nelles majeures. Elles démontrent comment la catégorisation des risques retenue dans leur modèle interne explique les origines et les causes de ces profits et pertes. La catégorisation des risques et l’attribution des profits et des pertes reflètent le profil de risque des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 186 Les entreprises d’assurance ou de réassurance mettent en place un cycle régulier de validation de leur modèle, qui comprend un suivi du fonctionnement du modèle interne, un contrôle de l’adéquation permanente de ses spécifications et une confrontation des résultats qu’il produit aux données tirées de l’expérience. Le processus de validation du modèle comporte la vali- dation du modèle interne par un procédé statistique efficace permettant aux entreprises d’assurance ou de réassurance de démontrer à la Banque que les exigences de capital en résultant sont appropriées. Les méthodes statistiques utilisées servent à vérifier le caractère approprié de la distribution de probabilité 476 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 feitelijke verlieservaring, maar ook aan alle materiële nieuwe gegevens en informatie die daaraan gerelateerd zijn. Het modelvalideringsproces omvat een analyse van de stabiliteit van het interne model en inzonderheid een toetsing van de gevoeligheid van de resultaten van het interne model voor wijzigingen in de voornaamste onderliggende hypothe- sen. Het proces omvat ook een beoordeling van de juistheid, volledigheid en adequaatheid van de gegevens waarvan het interne model gebruik maakt. Art. 187 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen do- cumenteren de opzet en operationele bijzonderheden van hun interne model. Uit die documentatie blijkt dat de artikelen 174 tot 186 wor- den nageleefd. In de documentatie wordt een gedetailleerde beschrijving gegeven van de theorie, de hypothesen en de wiskundige en empirische grondslagen van het interne model. Eventuele omstandigheden waaronder het interne model niet doeltreffend werkt, worden in de documentatie vermeld. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen do- cumenteren alle overeenkomstig artikel 169 aangebrachte ingrijpende wijzigingen in hun interne model. Art. 188 Het gebruik van een model of gegevens van een derde partij wordt niet als een goede reden beschouwd om af te wijken van de vereisten waaraan het interne model moet voldoen overeenkomstig de artikelen 174 tot 187. Onderafdeling IV Minimumkapitaalvereiste Art. 189 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen voldoen aan een minimumkapitaalvereiste dat berekend wordt overeenkomstig de volgende beginselen: 1°  het wordt op een duidelijke en eenvoudige wijze berekend, en wel zodanig dat de berekening kan worden gecontroleerd; 2° het komt overeen met een bedrag aan in aan merking komend kernvermogen waaronder de verzekeringnemers en de begunstigden bloot staan aan een ontoelaatbaar risiconi- veau, indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar activiteiten zou mogen voortzetten; prévisionnelle par rapport non seulement à l’historique des pertes, mais aussi à toutes les données et informations nou- velles non négligeables y afférentes. Le processus de validation du modèle comporte une analyse de la stabilité du modèle interne et, en particulier, un test de la sensibilité des résultats qu’il produit à une modi- fication des hypothèses fondamentales qui le sous-tendent. Il comprend également une évaluation de l’exactitude, de l’exhaustivité et du caractère approprié des données utilisées dans le modèle interne. Art. 187 Les entreprises d’assurance ou de réassurance établissent une documentation décrivant les détails de la conception et du fonctionnement de leur modèle interne. Cette documentation démontre qu’il est satisfait aux articles 174 à 186. La documentation fournit une description détaillée de la théorie, des hypothèses et des fondements mathématiques et empiriques qui sous-tendent le modèle interne. La documentation fait mention de toutes les circonstances dans lesquelles le modèle interne ne fonctionnerait pas efficacement. Les entreprises d’assurance ou de réassurance assurent le suivi documentaire de toute modification majeure apportée à leur modèle interne, conformément à l’article 169. Art. 188 L’utilisation d’un modèle ou de données provenant d’un tiers n’est pas considérée comme un motif d’exonération des exigences auxquelles le modèle interne doit répondre conformément aux articles 174 à 187. Sous-section IV Minimum de capital requis Art. 189 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance détiennent un minimum de capital requis calculé conformé- ment aux principes suivants: 1° il est calculé d’une manière claire et simple, et de telle sorte que son calcul puisse faire l’objet d’un audit; 2° il correspond à un montant de fonds propres de base éligibles en-deçà duquel les preneurs d’assurance et les bénéficiaires seraient exposés à un niveau de risque inac- ceptable si l’entreprise d’assurance ou de réassurance était autorisée à poursuivre son activité; 477 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de in paragraaf 2 bedoelde lineaire functie die wordt gebruikt voor de berekening van het minimumkapitaalvereiste, wordt gekalibreerd volgens de VaR van het kernvermogen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming, met een betrouwbaarheidsgraad van 85 % over een periode van één jaar; 4° het heeft een absolute ondergrens: a) van 2 500 000 EUR voor niet-levensverzekeringsonder- nemingen, met inbegrip van verzekeringscaptives, behalve wanneer alle of sommige van de risico’s van een van de tak- ken 10 tot 15 als vermeld in Bijlage I worden gedekt, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 3 700 000 EUR, b) van 3 700 000 EUR voor levensverzekeringsonderne- mingen, met inbegrip van verzekeringscaptives, c) van 3 600 000 EUR voor herverzekeringsondernemin- gen, behalve voor herverzekeringscaptives, in welk geval de ondergrens niet lager mag zijn dan 1 200 000 EUR, d) die gelijk is aan de som van de in a) en b) vermelde bedragen voor de verzekerings ondernemingen bedoeld in artikel 223, eerste lid. § 2. Onverminderd paragraaf 3, wordt het minimumkapitaal- vereiste berekend als een lineaire functie van een set of subset van de volgende variabelen: de technische voorzieningen van de onderneming, de geschreven premies, het risicokapitaal, de uitgestelde belastingen en de administratieve uitgaven. De gebruikte variabelen worden gemeten onder aftrek van herverzekering. § 3. Onverminderd paragraaf 1, 4°, mag het minimumkapi- taalvereiste niet dalen onder 25 %, noch uitstijgen boven 45 % van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onder neming, berekend overeenkomstig Onderafdeling II of Onderafdeling III van deze Afdeling, met inbegrip van de eventueel overeen- komstig artikel 323 opgelegde opslagfactor. § 4. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen berekenen hun minimumkapitaalvereiste ten minste eenmaal per kwartaal en melden de uitkomst van deze berekening aan de Bank. Indien het minimumkapitaalvereiste van een onderneming wordt bepaald door een van beide in paragraaf 3 bedoelde grenswaarden, verstrekt de onderneming aan de Bank de in- formatie die nodig is voor een deugdelijk inzicht in de redenen die hieraan ten grondslag liggen. 3° la fonction linéaire, visée au paragraphe 2, utilisée pour calculer le minimum de capital requis est calibrée selon la valeur en risque des fonds propres de base de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, avec un niveau de confiance de 85 % à l’horizon d’un an; 4° il a un seuil absolu: a) de 2 500 000 EUR pour les entreprises d’assurance non-vie, y compris les entreprises captives d’assurance, sauf dans le cas où tout ou partie des risques visés dans l’une des branches 10 à 15 mentionnées à l’Annexe I sont couverts, auquel cas il ne peut être inférieur à 3 700 000 EUR; b) de 3 700 000 EUR pour les entreprises d’assurance vie, y compris les entreprises captives d’assurance; c) de 3 600 000 EUR pour les entreprises de réassurance, sauf dans le cas des entreprises captives de réassurance, auquel cas il ne peut être inférieur à 1 200 000 EUR; d) correspondant à la somme des montants énoncés aux a) et b) pour les entreprises d’assurance visées à l’article 223, alinéa 1er. § 2. Sous réserve du paragraphe 3, le minimum de capital requis est calculé comme la fonction linéaire d’un ensemble ou d’un sous-ensemble des variables suivantes: provisions techniques de l’entreprise, primes souscrites, capital sous risque, impôts différés et dépenses administratives. Les variables utilisées sont mesurées déduction faite de la réassurance. § 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, 4°, le minimum de capital requis ne descend pas au-dessous de 25 % et ne dépasse pas 45 % du capital de solvabilité requis de l’entreprise, calculé conformément à la Sous-section II ou à la Sous-section III de la présente Section, y compris tout capital supplémentaire imposé conformément à l’article 323. §  4.  Les entreprises d’assurance ou de réassurance calculent leur minimum de capital requis au moins une fois par trimestre et notifient le résultat de ce calcul à la Banque. Lorsque l’une des limites visées au paragraphe 3 déter- mine le minimum de capital requis d’une entreprise, cette dernière fournit à la Banque des informations permettant de bien en comprendre les raisons. 478 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Beleggingen Onderafdeling I Prudent person”-beginsel Art. 190 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beleg- gen al hun activa overeenkomstig het in deze Onderafdeling beschreven “prudent person”-beginsel. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en na advies van de FSMA voor wat betreft tak 23 als vermeld in Bijlage II, verduidelijken wat moet worden verstaan onder “prudent person”. Art. 191 Wat de gehele activaportefeuille betreft, beleggen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen alleen in activa en instrumenten waarvan zij de risico’s goed kunnen identificeren, meten, bewaken, beheren, beheersen en rap- porteren en op adequate wijze in aanmerking kunnen nemen bij de beoordeling van hun algehele solvabiliteitsbehoefte overeenkomstig artikel 91, § 1, tweede lid, 1°. Alle activa, met inbegrip van de activa ter dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste, worden zodanig belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liqui- diteit, het rendement en de congruentie van de portefeuille als geheel gewaarborgd zijn. Bovendien worden de activa zoda- nig gelokaliseerd dat hun beschikbaarheid gewaarborgd is. De activa die tegenover de technische voorzieningen staan, worden eveneens belegd op een wijze die strookt met de aard en looptijd van de verzekerings- of herverzekerings- verplichtingen. Deze activa worden belegd in het belang van alle verzekeringnemers en begunstigden. Bij een belangenconflict zorgen de verzekeringsonderne- mingen of de entiteit die hun activaportefeuille beheert, ervoor dat de belegging in het belang van de verzekeringnemers en de begunstigden wordt gedaan. Art. 192 De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de activa die aangehouden worden voor levens- verzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico door de verzekeringnemer wordt gedragen, onverminderd artikel 191 en de artikelen 19 en 20 van de Wet Verzekeringen. Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van rechten van deelneming in een ICBE in de zin van Richtlijn 2009/65/EG, of aan de waarde van activa die zijn opgenomen in een door Section III Investissements Sous-section Ire Principe de la personne prudente Art. 190 Les entreprises d’assurance ou de réassurance inves- tissent tous leurs actifs conformément au principe de la “per- sonne prudente”, comme indiqué à la présente Sous-section. La Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 et sur avis de la FSMA en ce qui concerne la branche 23 mentionnée à l’Annexe II, préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par “personne prudente”. Art. 191 Pour l’ensemble du portefeuille d’actifs, les entreprises d’assurance ou de réassurance n’investissent que dans des actifs et instruments présentant des risques qu’elles peuvent identifier, mesurer, suivre, gérer, contrôler et déclarer de manière adéquate ainsi que prendre en compte de manière appropriée dans l’évaluation de leur besoin global de solva- bilité conformément à l’article 91, § 1er, alinéa 2, 1°. Tous les actifs, en ce compris les actifs couvrant le minimum de capital requis et le capital de solvabilité requis, sont investis de façon à garantir la sécurité, la qualité, la liquidité, la rentabilité et la congruence du portefeuille dans son ensemble. En outre, la localisation de ces actifs est telle qu’elle garantit leur disponibilité. Les actifs détenus aux fins de la couverture des provisions techniques sont également investis d’une façon adaptée à la nature et à la durée des engagements d’assurance ou de réassurance. Ils sont investis dans le meilleur intérêt de tous les preneurs d’assurance et de tous les bénéficiaires. En cas de conflit d’intérêts, les entreprises d’assurance, ou les entités qui gèrent leur portefeuille d’actifs, veillent à ce que l’investissement soit réalisé au mieux des intérêts des preneurs d’assurance et des bénéficiaires. Art. 192 Les dispositions du présent article s’appliquent aux actifs détenus en représentation des contrats d’assurance vie dans le cadre desquels le risque d’investissement est supporté par le preneur d’assurance, sans préjudice de l’article 191 et des articles 19 et 20 de la Loi assurances. Lorsque les prestations prévues par un contrat sont directement liées à la valeur de parts d’un OPCVM au sens de la Directive 2009/65/CE ou à la valeur d’actifs contenus dans un fonds interne détenu par l’entreprise d’assurance, 479 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de verzekeringsonderneming gehouden intern fonds, dat ge- woonlijk in fracties is verdeeld, worden de technische voorzie- ningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door deze rechten van deelneming of fracties, dan wel, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa. Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan een aandelenindex of aan een andere referentiewaarde dan die bedoeld in het tweede lid, worden de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt door de fracties die geacht worden de referentiewaarde te vertegenwoordigen of, indien er geen fracties zijn gecreëerd, door activa met een toereikende veiligheid en verhandelbaarheid die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de betrokken referentie- waarde is gebaseerd. Wanneer de uitkeringen als bedoeld in het tweede en derde lid een gegarandeerd rendement of een andere gega- randeerde uitkering behelzen, is artikel 193 van toepassing op de activa die tegenover de desbetreffende aanvullende technische voorzieningen staan. Art. 193 Onverminderd artikel 191 zijn het tweede tot vijfde lid van dit artikel van toepassing op de andere activa dan die welke onder artikel 192 vallen. Het gebruik van afgeleide instrumenten is toegestaan, voor zover deze bijdragen tot een vermindering van de risico’s of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Beleggingen en activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde financiële markt, worden tot een prudent niveau beperkt. De activa worden naar behoren gediversifieerd zodanig dat een bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een bepaalde emittent of groep van ondernemingen, of een be- paald geografisch gebied en bovenmatige risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de verzekerings - of herverzekeringsondernemingen niet bloot- stellen aan bovenmatige risicoconcentratie. Onderafdeling II Bijhouden van een doorlopende inventaris  Art. 194 De verzekeringsondernemingen houden te allen tijde activa aan die vrij zijn van alle lasten en die gewaardeerd worden overeenkomstig artikel 123, voor een bedrag dat de verplich- tingen jegens de schuldeisers uit hoofde van verzekering dekt zoals die verschuldigd zouden zijn in het geval van een liquidatieprocedure waarbij de verzekeringsovereenkomsten généralement divisé en parts, les provisions techniques concernant ces prestations sont représentées le plus étroi- tement possible par ces parts ou, lorsque des parts ne sont pas établies, par ces actifs. Lorsque les prestations prévues par un contrat sont directe- ment liées à un indice d’actions ou à une valeur de référence autre que celles visées à l’alinéa 2, les provisions techniques afférentes à ces prestations sont représentées aussi étroi- tement que possible soit par les parts réputées représenter la valeur de référence, soit, lorsque des parts ne sont pas établies, par des actifs d’une sûreté et d’une négociabilité appropriées correspondant le plus étroitement possible à ceux sur lesquels se fonde la valeur de référence en question. Lorsque les prestations visées aux alinéas 2 et 3 com- prennent une garantie de performance financière ou toute autre prestation garantie, les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques supplémentaires correspondantes sont soumis aux dispositions de l’article 193. Art. 193 Sans préjudice de l’article 191, les alinéas 2 à 5 du présent article sont applicables en ce qui concerne les actifs autres que ceux relevant de l’article 192. L’utilisation d’instruments dérivés est possible dans la mesure où ils contribuent à réduire les risques ou favorisent une gestion efficace du portefeuille. Les investissements et les actifs qui ne sont pas admis à la négociation sur un marché financier réglementé sont maintenus à des niveaux prudents. Les actifs font l’objet d’une diversification appropriée de façon à éviter une dépendance excessive vis-à-vis d’un actif, d’un émetteur ou d’un groupe d’entreprises donnés ou d’une zone géographique donnée et à éviter un cumul excessif de risques dans l’ensemble du portefeuille. Les investissements dans des actifs émis par un même émetteur ou par des émetteurs appartenant à un même groupe ne peuvent pas exposer les entreprises d’assurance ou de réassurance à une concentration excessive de risques. Sous-section II Tenue d’un inventaire permanent  Art. 194 Les entreprises d’assurance détiennent, à tout moment, des actifs libres de toute charge, évalués conformément à l’article 123, pour un montant qui couvre les engagements à l’égard des créanciers d’assurance tels qu’ils seraient dus dans l’hypothèse d’une procédure de liquidation lors de laquelle il serait mis fin aux contrats d’assurance. Ce 480 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 beëindigd zouden worden. Voor de overeenkomsten die val- len onder de takken als vermeld in Bijlage II stemt dit bedrag overeen met de inventariswaarde waarvan de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, ieder wat hun bevoegdheden betreft, de berekeningswijze kan bepalen. Art. 195 De verzekeringsondernemingen houden op hun zetel een speciaal register bij, “doorlopende inventaris” genoemd, van de activa bedoeld in artikel 194, voor elk afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230. Wanneer de in de doorlopende inventaris opgenomen activa bezwaard zijn met een ten gunste van een derde ge- vestigd zakelijk recht waardoor een gedeelte van het bedrag van die activa niet beschikbaar is voor de dekking van de verplichtingen, wordt daarvan melding gemaakt in het register en wordt het niet-beschikbare bedrag niet meegeteld bij de berekening van het in artikel 194 bedoelde vereiste. De verzekeringsondernemingen delen de toestand van de doorlopende inventaris van elk afzonderlijk beheer aan de Bank mee met inachtneming van de vorm en de inhoud die door haar zijn voorgeschreven en op de drager en binnen de termijn die door haar zijn bepaald. Onderafdeling III Lokalisatie van de activa Art. 196 De activa van de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen zijn binnen of buiten de Europese Economische Ruimte gelokaliseerd. Art. 197 § 1. In afwijking van artikel 196 mogen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de activa die zij aanhouden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot risico’s die in de Europese Economische Ruimte zijn gele- gen, maar buiten die Ruimte lokaliseren wanneer het gaat om: 1° onroerende goederen; 2° effecten en wanneer a) de rechten die voor de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming voortvloeien uit de bewaargeving van deze effecten bij een in bewaring nemende tussenpersoon vormen een zakelijk recht op grond waarvan zij op deze effecten aanspraak kunnen maken, met uitsluiting van het eenvoudige vorderingsrecht; en b) de betrokken in bewaring nemende tussenpersoon geeft aan de Bank een verklaring af dat hij zich ertoe verbindt gevolg te geven aan alle beslissingen om de vrije beschikking over montant correspond pour les contrats relevant des branches mentionnées à l’Annexe II à la valeur d’inventaire dont le Roi est habilité, sur avis de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à déterminer les moda- lités de calcul. Art. 195 Les entreprises d’assurance tiennent à leur siège un registre spécial, appelé “inventaire permanent”, des actifs visés à l’article 194 selon les gestions distinctes visées à l’article 230. Lorsque les actifs inscrits à l’inventaire permanent sont grevés d’un droit réel au profit d’un tiers avec pour consé- quence de rendre indisponible une partie du montant de ces actifs pour la couverture des engagements, il est fait état de cette situation dans le registre et il n’est pas tenu compte du montant non disponible dans le calcul de l’exigence visée à l’article 194. Les entreprises d’assurance communiquent la situation de l’inventaire permanent de chaque gestion distincte à la Banque en respectant la forme et le contenu prescrits par celle-ci et sur le support et dans le délai qu’elle fixe. Sous-section III Localisation des actifs Art. 196 Les actifs des entreprises d’assurance ou de réassurance sont localisés dans ou en dehors de l’Espace économique européen. Art. 197 § 1er. Par dérogation à l’article 196, les entreprises d’assu- rance ou de réassurance ne peuvent localiser les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes à des risques situés dans l’Espace économique européen en dehors de cet Espace que lorsqu’il s’agit: 1° de biens immobiliers; 2° de valeurs mobilières et que a) les droits conférés à l’entreprise d’assurance ou de réassurance à la suite du dépôt de ces valeurs auprès d’un intermédiaire dépositaire sont constitutifs d’un droit réel permettant l’exercice d’une revendication sur ces valeurs, à l’exclusion d’un simple droit de créance; et b) l’intermédiaire dépositaire concerné fournit à la Banque une attestation selon laquelle il s’engage à faire suite à toutes décisions de restreindre ou interdire la libre disposition des 481 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming te beperken of te ontnemen, die met toepassing van de artikelen 513 en 517, § 1, 6° zijn genomen. § 2. In afwijking van artikel 196 kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 eisen dat de activa die worden aange- houden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot de verzekeringsrisico’s die buiten de Europese Economische Ruimte zijn aangegaan, binnen die Ruimte gelokaliseerd zijn. Zo niet worden de regels betreffende de dekking van de technische voorzieningen voor deze risico’s en betreffende de lokalisatie ervan vastgesteld volgens de regels van het land van het risico. Art. 198 Voor herverzekeringsovereenkomsten die worden geslo- ten met een onderneming die ressorteert onder een derde land met een toezichtsregeling die niet gelijkwaardig wordt geacht in de zin van artikel 600, kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 verlangen dat: 1° de technische voorzieningen zonder aftrek van herver- zekering worden gevormd en dat de activa ter dekking van de technische voorzieningen als zekerheden worden verstrekt of dat de cederende onderneming een gelijkwaardige waarborg verleent; 2° de activa ter dekking van de schuldvorderingen uit hoof- de van deze overeenkomsten, in de Europese Economische Ruimte zijn gelegen. HOOFDSTUK VII Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels Art. 199 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen leg- gen hun jaarrekening neer bij de Bank. Onverminderd artikel 200 bepaalt de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft: 1° de regels op grond waarvan de verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen hun boekhouding voeren, de diverse balansposten ramen en hun jaarrekening opstellen en hun jaarverslag opmaken; 2° de regels die de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen in acht moeten nemen bij de opstelling, de controle en de openbaarmaking van hun geconsolideerde actifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance pronon- cées en application des articles 513 et 517, § 1er, 6°. § 2. Par dérogation à l’article 196, la Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, imposer que les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes aux risques d’assurance souscrits en dehors de l’Espace économique européen soient localisés dans cet Espace. À défaut, les règles afférentes à la représentation des pro- visions techniques de ces risques et à leur localisation sont déterminées selon les règles du pays du risque. Art. 198 En ce qui concerne les contrats de réassurance conclus avec une entreprise qui relève du droit d’un pays tiers et dont le régime de contrôle n’est pas réputé équivalent au sens de l’article 600, la Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, exiger que: 1° les provisions techniques soient constituées brutes de réassurance et que les actifs représentatifs fassent l’objet d’un nantissement ou que l’entreprise cédante fournisse une garantie équivalente; 2° les actifs représentatifs des créances détenues au titre de ces contrats soient situés dans l’Espace économique européen. CHAPITRE VII Informations périodiques et règles comptables Art. 199 Les entreprises d’assurance ou de réassurance déposent leurs comptes annuels à la Banque. Sans préjudice de l’article 200, le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence: 1° les règles selon lesquelles les entreprises d’assurance ou de réassurance tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations des divers postes de bilan et établissent leurs comptes annuels et présentent leur rapport annuel; 2° les règles à respecter par les entreprises d’assurance ou de réassurance pour l’établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour 482 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 jaarrekening, evenals bij de opstelling en de openbaarmaking van de verslagen over het beheer en de controle van die geconsolideerde jaarrekening. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de toepas- singsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten. Art. 200 De in artikel 223 bedoelde verzekerings ondernemingen stellen hun jaarrekening zodanig op dat de bronnen van de resultaten van levensverzekeringen en niet-levensverzeke- ringen gescheiden tot uiting komen. Alle opbrengsten, met name premies, uitbetalingen van herverzekeraars, inkomsten uit beleggingen, en uitgaven, met name verzekeringsuit- keringen, toevoegingen aan de technische voorzieningen, herverzekerings premies en werkingskosten voor de verzeke- rings- en herverzekeringsverrichtingen, worden op basis van hun oorsprong onderverdeeld. De bestanddelen die beide activiteiten gemeen hebben, worden geboekt volgens kosten- verdelingsmethodes die door de Bank moeten zijn aanvaard. Art. 201 Naast de verplichtingen inzake verslaggeving waarin de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voor- zien, en onverminderd de artikelen 312 tot 316, leggen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan de Bank periodiek de financiële informatie voor die zij bepaalt en die wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequen- tie bepaalt. Bovendien kan de Bank voorschrijven dat haar geregeld eventuele andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG zijn nageleefd. Art. 202 Onverminderd artikel 80, § 5, verklaart het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, aan de Bank dat de in artikel 201 bedoelde periodieke informatie die haar aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar wordt bezorgd door de onderneming, opgesteld is volgens de voorschriften die door of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Daartoe is vereist dat de periodieke informatie, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft: l’établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés. La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d’application des règles définies par les arrêtés royaux visés à l’alinéa 2. Art. 200 Les entreprises d’assurances visées à l’article 223 éta- blissent leurs comptes annuels de façon à faire apparaître séparément les sources de résultats pour l’assurance et la réassurance vie et non-vie. L’ensemble des produits, notam- ment les primes, les interventions des réassureurs et les revenus financiers, et des charges, notamment les prestations d’assurance, les dotations aux provisions techniques, les primes de réassurance et les frais de fonctionnement pour les opérations d’assurance et de réassurance, est ventilé en fonction de leur origine. Les éléments communs aux deux activités sont comptabilisés selon des méthodes de répartition qui sont acceptées par la Banque. Art. 201 Outre les obligations en matière de communication d’infor- mations prévues par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et sans préjudice des articles 312 à 316, les entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent périodiquement à la Banque les informations financières qu’elle détermine et qui sont établies conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la trans- mission régulière de toutes autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Art. 202 Sans préjudice de l’article 80, § 5, le comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, les personnes chargées la direction effective de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance, déclare à la Banque que les informations périodiques visées à l’article 201 qui lui sont transmises par l’entreprise à la fin du premier semestre social et à la fin de l’exercice social, sont établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/Ce et aux instructions de la Banque. Il est à cet effet requis que les informations périodiques soient pour ce qui concerne les données comptables qui y figurent: 483 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° volledig is, d.w.z. dat zij alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij wordt opgesteld, 2° juist is, d.w.z. dat zij exact overeenstemt met de gege- vens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke informatie wordt opgesteld. Art. 203 Voor bepaalde categorieën van verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen of in specifieke gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de in artikel 199, tweede lid en artikel 201 bedoelde regels. HOOFDSTUK VII Herstelplannen Afdeling I Opmaak van herstelplannen Art. 204 Indien ze dit gerechtvaardigd acht in het licht van mogelijke risico’s op een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming, met name op grond van haar bedrijfsmodel, haar juri- dische structuur, inherente kenmerken van de groep waarvan ze deel uitmaakt, haar risicoprofiel, de kenmerken van de door haar in de handel gebrachte producten, kan de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verplich- ten een herstelplan op te stellen met maatregelen die door de onderneming kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en dit plan te actualiseren. Het herstelplan houdt rekening met verschillende scena- rio’s van ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn voor de onderneming, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt, betrokken zijn. Het herstelplan dekt de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen. Wanneer ze een dergelijk plan oplegt, houdt de Bank rekening met het feit dat de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming in voorkomend geval betrokken is in een groepstoezicht in de zin van artikel 343 of in een aanvullend toezicht op een financieel conglomeraat in de zin van artikel 451, op een andere verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, een verzekeringsholding, een gemengde verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding, die onder een andere lidstaat ressorteert en waarvoor een herstelplan is goedgekeurd door de betrokken bevoegde autoriteit. 1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels elles sont établies; 2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base des- quels elles sont établies. Art. 203 La Banque peut, pour certaines catégories d’entreprises d’assurance ou de réassurance ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux règles prévues aux articles 199, alinéa 2 et 201. CHAPITRE VII Plans de redressement Section Ire Etablissement des plans de redressement Art. 204 Lorsqu’elle l’estime justifié au regard de risques potentiels d’une dégragation significative de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, notamment sur la base de son modèle d’entreprise, de sa structure juridique, de caractéristiques inhérentes au groupe dont elle fait partie, de son profil de risque, des caractéristiques des produits commercialisés, la Banque peut imposer à l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’établir et de mettre à jour un plan de redressement prévoyant les mesures susceptibles d’être mises en oeuvre par l’entreprise afin de rétablir sa situation financière à la suite d’une détérioration significative de celle-ci. Le plan de redressement envisage différents scénarios de crise macro-économique ou financière grave, y compris des événements d’ampleur systémique, des crises spécifiques à l’entreprise et, le cas échéant, des crises impliquant des entités du groupe dont l’entreprise d’assurance ou de réas- surance fait partie. Le plan de redressement couvre l’entreprise d’assurance ou de réassurance et ses filiales belges et étrangères. Lorsqu’elle impose un tel plan, la Banque tient compte de ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est, le cas échéant, incluse dans un contrôle de groupe au sens de l’article 343 ou d’une surveillance complémentaire d’un conglomérat financier au sens de l’article 451 , d’une autre entreprise d’assurance ou de réassurance, d’une société holding d’assurance, d’une société holding mixte d’assurance ou d’une compagnie financière mixte relevant du droit d’un autre État membre, pour laquelle un plan de redressement a été approuvé par l’autorité compétente concernée. 484 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 205 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming neemt in het herstelplan de nodige voorwaarden en procedures op om de snelle en doeltreffende uitvoering van de maatregelen te verzekeren en zodoende haar financiële positie te herstellen, zonder dat dit voor het Belgische of internationale financiële stelsel significante negatieve gevolgen heeft. Het herstelplan bevat kwalitatieve en kwantitatieve indi- catoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de onderneming, met aanduiding van de tijdstippen waarop ze onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd. Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedu- res voor de periodieke monitoring van de in het tweede lid bedoelde indicatoren, alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure. Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonder- lijke overheidssteun. Art. 206 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming actuali- seert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestruc- tuur, haar activiteiten of haar financiële positie, die een aan- zienlijke invloed kan hebben op de uitvoering van het plan. De Bank kan eisen dat de onderneming het herstelplan vaker actualiseert. Art. 207 Naargelang het geval kan de Bank nadere regels bepalen voor: 1° de minimuminhoud van het herstelplan; 2° de informatie die door de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming aan de Bank moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren. Afdeling II Beoordeling van herstelplannen Art. 208 § 1. Het herstelplan dat met toepassing van artikel 204 is vereist, wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming onderzocht en goedgekeurd vooraleer het aan de Bank wordt voorgelegd. Art. 205 L’entreprise d’assurance ou de réassurance prévoit dans le plan de redressement les conditions et procédures néces- saires pour assurer la mise en oeuvre rapide et efficace des mesures propres à rétablir sa situation financière, et ce, sans effets négatifs significatifs sur le système financier belge ou international. Le plan de redressement comporte des indicateurs quanti- tatifs et qualitatifs d’une détérioration potentielle de la situation financière de l’entreprise, avec l’indication des moments auxquels elle examine si des mesures correctrices prévues dans le plan doivent être mises en œuvre. À cet effet, le plan de redressement définit des procédures appropriées pour le suivi régulier de l’évolution des indica- teurs visés à l’alinéa 2, ainsi que pour l’examen des mesures correctrices à envisager, en ce compris l’éventuel processus d’escalade à suivre. Le plan de redressement n’envisage aucun soutien finan- cier exceptionnel des pouvoirs publics. Art. 206 L’entreprise d’assurance ou de réassurance actualise le plan de redressement au moins une fois par an et, en toute hypothèse, après toute modification de sa structure juridique ou organisationnelle, de ses activités ou de sa situation finan- cière, susceptible d’avoir un impact significatif sur la mise en oeuvre du plan. La Banque peut exiger que l’entreprise actualise plus fréquemment le plan de redressement. Art. 207 Selon les cas d’espèce, la Banque peut préciser: 1° le contenu minimal du plan de redressement; 2° les informations à transmettre par l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance à la Banque et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises. Section II Evaluation des plans de redressement Art. 208 § 1er. Le plan de redressement requis en application de l’article  204  est examiné et approuvé par l’organe légal d’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance avant qu’il ne soit soumis à la Banque. 485 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming legt het herstelplan als bedoeld in paragraaf 1 aan de Bank voor binnen vier maanden te rekenen vanaf de beslissing waarvan zij met toepassing van artikel 204 in kennis werd gesteld. Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de Bank een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ont- staan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de Bank deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden. Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de ver- plichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringson- derneming die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de Bank hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de Bank wordt meegedeeld. Art. 209 § 1. Binnen drie maanden na ontvangst van het herstel- plan onderzoekt de Bank dit plan en beoordeelt zij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de arti- kelen 204 tot 207. Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat: 1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatre- gelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de groep waarvan ze deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen; 2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn op- genomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario’s van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere ondernemingen. Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de Bank bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de financie- ring van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, in het bijzonder aan de structuur van haar eigen vermogen, in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisa- tiestructuur en tot haar risicoprofiel. § 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt zij haar uit om binnen twee maanden § 2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance soumet le plan de redressement visé au paragraphe 1er à la Banque dans les quatre mois à compter de la décision qui lui a été notifiée en application de l’article 204. Sous réserve de ce qui est prévu à l’alinéa 3, l’entreprise d’assurance ou de réassurance soumet un plan actualisé à la Banque dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné naissance à l’obligation de mise à jour du plan, étant entendu que la Banque peut étendre ce délai jusqu’à six mois. Dans l’hypothèse où le fait ayant donné naissance à l’obligation de mise à jour du plan est une modification de la situation financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance susceptible d’avoir un impact significatif sur le plan, celle-ci en informe la Banque sans délai et soumet un plan actualisé dans le délai que lui communique la Banque. Art. 209 § 1er. Dans les trois mois de la réception du plan de redres- sement, la Banque examine ce plan et évalue s’il satisfait aux exigences prévues par ou en vertu des articles 204 à 207. À cet effet, la Banque évalue notamment si le plan de redressement permet de raisonnablement s’attendre à ce que: 1° la mise en œuvre des mesures prévues dans le plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou du groupe dont elle fait partie; 2° le plan et les différentes options qui y sont prévues sont susceptibles d’être mis en œuvre rapidement et de manière efficace dans des situations de crise financière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs significatifs sur le système financier, en ce compris dans des scénarios impliquant la mise en œuvre concomitante de plans de redressement d’autres entreprises. Dans son évaluation du plan de redressement, la Banque porte une attention particulière sur l’adéquation du finan- cement de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, en particulier la structure de ses fonds propres, par rapport au degré de complexité de sa structure organisationnelle et à son profil de risque. §  2. Si la Banque considère qu’un plan de redresse- ment présente des lacunes importantes ou qu’il existe des obstacles significatifs à sa mise en œuvre, elle en informe l’entreprise d’assurance ou de réassurance et, après lui avoir donné l’opportunité d’exprimer son point de vue, l’invite à soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel 486 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De Bank kan de voornoemde termijn met maximum één maand verlengen. § 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïdentifi- ceerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen. Art. 210 Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodi- ging bedoeld in artikel 209, § 2, of indien de Bank oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 209, § 2, de door haar geïdentificeerde tekortkomin- gen of belemmeringen niet verhelpt of het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 209, § 3, of nog indien geen gevolg werd gegeven aan de aanmaning die met toepassing van artikel 209, § 3 werd verricht, stelt de Bank de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan in kennis. In deze gevallen kan de Bank de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming gelasten elke maatregel te treffen die ze noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen en kan ze inzonder- heid eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming maatregelen treft om: 1° haar risicoprofiel aan te passen, met name door haar tariferingsbeleid en/of haar onderschrijvingsbeleid of nog haar herverzekerings- en retrocessiebeleid te wijzigen; 2° een snelle herkapitalisatie mogelijk te maken; 3° wijzigingen aan te brengen in haar financieringsstrategie en/of in haar beleggingsbeleid; 4° wijzigingen aan te brengen in haar governancesysteem. De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Afdeling III Uitvoering van herstelplannen Art. 211 §  1. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing naar aanleiding van het onderzoek dat met toepassing van ar- tikel 205 werd gevoerd om een corrigerende maatregel te nemen in het kader van de, in voorkomend geval gedeeltelijke, tenuitvoerlegging van haar herstelplan en van elke beslissing om dit niet te doen. il est remédié à ces lacunes ou obstacles. La Banque peut prolonger le délai précité d’un mois au maximum. § 3. Si la Banque considère que le plan révisé conformé- ment au paragraphe 2 ne permet pas de remédier efficace- ment aux lacunes ou obstacles qu’elle a identifiés, elle peut enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance d’ap- porter, dans les trente jours de la notification de ce constat, des modifications spécifiques au plan de redressement. Art. 210 Si l’entreprise d’assurance ou de réassurance ne donne pas suite, dans le délai imparti, à l’invitation visée à l’article 209, § 2, ou si la Banque considère que le plan de redressement révisé soumis conformément à l’article 209, § 2, ne permet pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu’elle a identifiés ou qu’il n’est pas possible d’y remédier efficacement par une injonction donnée conformément à l’article 209, § 3 ou encore qu’il n’a pas été donné suite à l’injonction donnée en application de l’article 209, § 3, la Banque en informe l’entreprise d’assurance ou de réassurance. La Banque peut alors enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de prendre toute mesure qu’elle juge nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou obstacles et notamment requérir que l’entreprise d’assurance ou de réassurance prenne des mesures pour: 1° adapter son profil de risque, notamment en modifiant sa politique tarifaire et/ou sa politique de souscription ou encore sa politique de réassurance et de rétrocession; 2° permettre une recapitalisation rapide; 3° modifier sa stratégie de financement et/ou sa politique d’investissement; 4° modifier son système de gouvernance.  La décision de la Banque est notifiée à l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance. Section III Mise en œuvre des plans de redressement Art. 211 § 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance informe la Banque sans délai de toute décision faisant suite à l’examen mené en application de l’article 205 de prendre une mesure correctrice dans le cadre de la mise en œuvre, le cas échéant partielle, de son plan de redressement ou de s’abstenir de prendre une telle mesure. 487 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet haar toekent, kan de Bank de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien ze nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen. HOOFDSTUK IX Specifieke bepalingen met betrekking tot het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf Afdeling I Bijzondere bepalingen met betrekking tot verzekeringen Onderafdeling I Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet-levensverzekeringen Art. 212 Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling van de winst. De Koning kan, op advies van de Bank en de FSMA, de regels bepalen die de verzekeringsondernemingen in acht moeten nemen voor de winstverdeling en -toekenning, met inbegrip van de groepen van overeenkomsten of verplichtin- gen waarop die regels van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzeke- ringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van overeenkomsten of verplich- tingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. Onderafdeling II Bijzondere bepalingen met betrekking tot levensverzekeringen Art. 213 Voor de toepassing van deze Onderafdeling en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen wordt verstaan onder: 1° technische rentevoet: een jaarlijkse rentevoet van een beleggingswet tegen samengestelde intrest, die gebruikt wordt voor de bepaling van de actuele waarde van een uit- gestelde premie of prestatie; 2° voorvalswet (van een verzekerde gebeurtenis): een wet met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet; 3° toeslag: elk ander tariferingselement dan de techni- sche rentevoet en de voorvalswetten van de verzekerde § 2. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont confé- rés par la présente loi, la Banque peut enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de prendre une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans son plan de redressement si elle reste en défaut de prendre les mesures adéquates de sa propre initiative. CHAPITRE IX Dispositions spécifiques liées à l’activité d’assurance ou de réassurance Section Ire Dispositions particulières relatives à l’assurance Sous-section Ire Dispositions particulières en matière d’assurance non-vie Art. 212 Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut être garantie, de quelque manière que ce soit, avant la date de la répartition du bénéfice. Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, déter- miner les règles à suivre par les entreprises d’assurance en ce qui concerne la répartition et l’attribution des participa- tions bénéficiaires en ce compris les groupes de contrats ou d’engagements auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que les informations que les entreprises d’assurance fournissent à la Banque aux fins de leur contrôle. La Banque peut, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de contrats ou d’engagements. Sous-section II Dispositions particulières en matière d’assurance-vie Art. 213 Aux fins de la présente Sous-section et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, on entend par: 1° taux d’intérêt technique: un taux annuel d’une loi de placement à intérêts composés, utilisée pour déterminer la valeur actuelle d’une prime ou d’une prestation différées; 2° loi de survenance (d’un événement assuré): une loi de probabilité de réalisation de l’événement assuré; 3° chargement: tout élément tarifaire intervenant dans le rapport entre les engagements de l’entreprise d’assurance 488 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gebeurtenissen waarmee rekening wordt gehouden in de verhouding tussen de verplichtingen van de verzekeringson- derneming en de premies die daar tegenover staan; 4° technische grondslagen: het geheel van de technische rentevoeten, de voorvalswetten en de toeslagen waarmee rekening wordt gehouden bij de opstelling van de tarieven of de vorming van de reserves; 5°  afkoop (van een overeenkomst): opzegging van de overeenkomst door de verzekering nemer; 6° reductie (van een overeenkomst): vermindering van de actuele waarde van de verzekerde prestaties ten gevolge van de stopzetting van de premiebetaling; 7°  afkoopwaarde (op een bepaald ogenblik): door de verzekeringsonderneming te storten uitkering bij afkoop van de overeenkomst; 8° reductiewaarde (op een bepaald ogenblik): uitkering die bij reductie verzekerd blijft; 9°  winstverdeling: afstand van winstdeling aan de overeenkomsten; 10°  winsttoekenning: definitieve maar, in voorkomend geval, voorwaardelijke, toewijzing van de winstdeling aan bepaalde overeenkomsten. Art. 214 Voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt van haar activiteit, deelt de verzekeringsonderneming vóór de toe- passing ervan, aan de Bank de grondslagen en de methodes mee die zij gebruikt voor het opstellen van haar tarifering, de berekening van de afkoopwaarden, de reductiewaarden en de technische voorzieningen, alsook de vergoedingen die ze toepast. De Bank bezorgt deze informatie aan de FSMA. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de in het eerste lid bedoelde types van producten bepalen. Art. 215 De premies voor nieuwe zaken zijn op basis van redelijke actuariële hypothesen voldoende om de levensverzekerings- onderneming in staat te stellen aan al haar verplichtingen te voldoen en met name toereikende technische voorzieningen te vormen. Hiertoe kan rekening worden gehouden met alle aspecten van de financiële positie van de levensverzekeringsonder- neming, zonder dat de inbreng van andere middelen dan de premies en de opbrengst daarvan een systematisch en permanent karakter heeft, op een wijze waardoor de solva- biliteit van de betrokken onderneming op termijn in gevaar zou kunnen komen. et les primes qui en sont les contreparties, autre que les taux d’intérêts techniques et les lois de survenance des événe- ments assurés; 4° bases techniques: l’ensemble des taux d’intérêt tech- niques, des lois de survenance et des chargements interve- nant dans la détermination des tarifs ou la constitution des réserves; 5° rachat (d’un contrat): résiliation du contrat par le preneur d’assurance; 6° réduction (d’un contrat): diminution de la valeur actuelle des prestations assurées consécutive à la cessation de paie- ment des primes ; 7° valeur de rachat (à un instant déterminé): prestation à verser par l’entreprise d’assurance en cas de rachat du contrat; 8° valeur de réduction (à un instant déterminé): prestation restant assurée en cas de réduction; 9° répartition de la participation bénéficiaire: cession, au profit de contrats, d’une participation bénéficiaire; 10°  attribution de la participation bénéficiaire: octroi définitif mais, le cas échéant, conditionnel de la participation bénéficiaire à des contrats déterminés. Art. 214 Pour chaque type de produits faisant l’objet de son activité, l’entreprise d’assurance communique à la Banque, préala- blement à leur mise en application, les bases et méthodes utilisées pour l’établissement de la tarification, le calcul des valeurs de rachat, de réduction et des provisions techniques, ainsi que les indemnités qu’elle applique. La Banque com- munique ces informations à la FSMA. La Banque peut déterminer, par la voie d’un règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les types de produits visés à l’alinéa 1er. Art. 215 Les primes pour les affaires nouvelles doivent être suf- fisantes, selon des hypothèses actuarielles raisonnables, pour permettre à l’entreprise d’assurance vie de satisfaire à l’ensemble de ses engagements, et notamment de constituer les provisions techniques adéquates. À cet effet, il peut être tenu compte de tous les aspects de la situation financière de l’entreprise d’assurance vie sans que l’apport de ressources étrangères à ces primes et à leurs produits revête un caractère systématique et permanent susceptible de mettre en cause à long terme la solvabilité de cette entreprise. 489 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 216 § 1. Voor levensverzekerings overeen komsten mogen de verzekerings ondernemingen geen technische rentevoet waar- borgen die hoger is dan een maximum dat overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf is vastgesteld. De maximale technische rentevoet is gelijk aan 85 % van het gemiddelde over de laatste 24 maanden van de rende- menten van lineaire Belgische overheidsobligaties op 10 jaar, waarbij het resultaat op de dichtstbijzijnde 25 bp (basispunten) wordt afgerond. De maximale technische rentevoet wordt berekend op 1 juni van elk jaar. Hij mag niet hoger zijn dan 3,75 % en niet lager dan 0,75 %. Indien de overeenkomstig het tweede lid berekende maxi- male technische rentevoet minstens 25 bp hoger of lager is dan de geldende maximale technische rentevoet, stelt de Bank de FSMA daarvan in kennis. De FSMA verstrekt aan de Bank binnen vijftien dagen haar advies over de wijziging van de maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het advies van de FMSA of, bij gebreke van advies, binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn, legt de Bank aan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekerin- gen behoren, een gemotiveerd voorstel voor tot wijziging van de maximale technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten. Het advies van de FSMA wordt bij het voorstel van de Bank gevoegd. Binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van de Bank, kan de minister tot wiens bevoegdheid de verzekeringen behoren, de door de Bank voorgestelde maximale technische rentevoet afwijzen of wijzigen in een met redenen omkleed besluit. In geval van afwijzing is de maximale technische ren- tevoet die welke op het tijdstip van de afwijzing van kracht is. Zodra zij de beslissing van de minister heeft ontvangen, of, bij gebreke van beslissing, bij het verstrijken van de in het vijfde lid bedoelde termijn, publiceert de Bank in het Belgisch Staatsblad en op haar website de nieuwe maxi- male technische rentevoet voor de in het eerste lid bedoelde verzekeringsovereenkomsten. Deze rentevoet is van kracht vanaf 1 januari na die publicatie. § 2. In afwijking van paragraaf 1 mogen de verzekerings- ondernemingen gedurende een periode van ten hoogste acht jaar en voor een welbepaalde, op de datum van de verbintenis gevestigde prestatie, een technische rentevoet waarborgen die hoger is dan de in paragraaf 1 bedoelde maximale tech- nische rentevoet, voor zover de looptijd van en de inkomsten uit de activa van de onderneming dit toelaten. De Koning bepaalt op advies van de Bank en de FSMA de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf. § 3. Indien de maximale technische rentevoet wordt ge- wijzigd met toepassing van paragraaf 1, is die rentevoet van toepassing: Art. 216 § 1er. Pour ce qui concerne les contrats d’assurance sur la vie, les entreprises d’assurance ne peuvent garantir un taux d’intérêt technique supérieur à un maximum fixé conformé- ment aux dispositions du présent paragraphe. Le taux technique maximum est égal à 85 % de la moyenne sur les 24 derniers mois des rendements des obligations linéaires de l’État belge à 10 ans, le résultat étant arrondi aux 25 pdb (point de base) les plus proches. Le taux technique maximum est calculé le 1er juin de chaque année. Il ne peut être supérieur à 3,75 % ni inférieur à 0,75 %. Si le taux technique maximum calculé conformément à l’alinéa 2 est supérieur ou inférieur d’au moins 25 pdb au taux technique maximum en vigueur, la Banque en informe la FSMA. Dans les quinze jours, celle-ci transmet à la Banque son avis sur la modification du taux technique maximum des contrats visés à l’alinéa 1er. Dans les quinze jours de la réception de l’avis de la FMSA ou, à défaut d’avis, dans les quinze jours de l’expération du délai visé à l’alinéa 3, la Banque transmet au ministre ayant les assurances dans ses attributions une proposition motivée de modification du taux technique maximum des contrats visés à l’alinéa 1er, L’avis de la FSMA est joint à la proposition de la Banque. Dans les deux mois de la réception de la proposition de la Banque, le ministre ayant les assurances dans ses attribu- tions peut, par décision motivée, rejeter ou modifier le taux technique maximum proposé par la Banque. En cas de rejet, le taux technique maximum est celui en vigueur au moment dudit rejet. Dès réception de la décision du ministre ou, à défaut de décision, à l’expiration du délai visé à l’alinéa 5, la Banque publie au Moniteur belge et sur son site Internet le nouveau taux technique maximum des contrats d’assurance visés à l’alinéa 1er. Ce taux est applicable à partir du 1er janvier qui suit cette publication. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les entreprises d’assurance peuvent garantir, pour une durée n’excédant pas huit ans et pour une prestation déterminée et constituée à la date de l’engagement, un taux technique supérieur au taux technique maximum visé au paragraphe 1er dans la mesure où la durée et les revenus des actifs de l’entreprise le permettent. Le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions d’application du présent paragraphe. § 3. Dans le cas où le taux d’intérêt technique maximum est modifié en application du paragraphe 1er, ce taux est applicable: 490 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° op de overeenkomsten die vanaf de datum van inwer- kingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten; 2° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwer- kingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor de te vestigen prestatie niet bepaald wordt bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort; 3° op de overeenkomsten die vóór de datum van inwer- kingtreding van de nieuwe rentevoet zijn gesloten, waarvoor de te vestigen prestatie bepaald wordt bij het sluiten ervan, voor wat betreft de premies die vanaf de datum van inwer- kingtreding van de nieuwe rentevoet worden gestort en die overeenstemmen met een verhoging of een herziening van de waarborg die vanaf die datum geldt. Wanneer de overeenkomst tot verschillende van de in het eerste lid bedoelde categorieën behoort of wanneer de te vestigen prestatie enkel wordt bepaald voor een duur die korter is dan de totale duur van de overeenkomst, zijn de bepalingen van het eerste lid van toepassing op elke bij deze overeenkomst betrokken partij alsof het om één enkele overeenkomst ging. § 4. De verrichtingen met flexibele premies worden voor de tarifering als een geheel van verrichtingen tegen koop- som beschouwd en geen enkele waarborg inzake tarief mag worden toegekend voor flexibele premies vóór hun storting. Art. 217 Geen enkele winstdeling of restorno mag, op welke wijze ook, worden gewaarborgd vóór de datum van de verdeling van de winst. Art. 218 Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of meer fondsen met aangewezen activa verbonden zijn. In dat geval verbindt de verzekeringsonderneming zich ertoe om bovenop de tariefgrondslagen, een deel van de gerealiseerde winst afkomstig uit beleggingen in deze aangewezen activa, als winstdeling te verdelen en toe te kennen. Art. 219 Een levensverzekeringsovereenkomst mag met een of meer beleggingsfondsen die door een of meer verzekerings- ondernemingen worden beheerd, verbonden zijn. In dat geval wordt het beleggingsrisico gedragen door de verzekering- nemer en mag er geen winstdeling worden toegekend die afkomstig is van winst op de beleggingen. Art. 220 In het kader van het beheer van collectieve pensioenfond- sen die behoren tot tak 27 als vermeld in Bijlage II, mag een 1° aux contrats souscrits à partir de la date d’entrée en vigueur du nouveau taux; 2° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en vigueur du nouveau taux pour lesquels la prestation à constituer n’est pas déterminée lors de leur conclusion, pour ce qui concerne les primes versées à partir de la date d’entrée en vigueur du nouveau taux; 3° aux contrats souscrits avant la date d’entrée en vigueur du nouveau taux pour lesquels la prestation à constituer est déterminée lors de leur conclusion, pour ce qui concerne les primes versées à partir de la date d’entrée en vigueur du nouveau taux et qui correspondent à une augmentation ou une révision de la garantie intervenue à partir de cette même date. Lorsque le contrat relève de plusieurs des catégories visées à l’alinéa 1er ou que la prestation à constituer n’est déterminée que pour une durée inférieure à la durée totale du contrat, les dispositions de l’alinéa 1er s’appliquent à chaque partie du contrat concernée comme s’il s’agissait d’un seul contrat. § 4. Les opérations à primes flexibles sont considérées, quant à la tarification, comme un ensemble d’opérations à prime unique et aucune garantie tarifaire ne peut être consen- tie pour des primes flexibles avant leur versement. Art. 217 Aucune participation bénéficiaire ni ristourne ne peut être garantie, de quelque manière que ce soit, avant la date de la répartition du bénéfice. Art. 218 Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plusieurs fonds à actifs dédiés. Dans ce cas, l’entreprise d’assurance s’engage, en plus des bases tarifaires, à répartir et à attribuer, sous la forme de participation bénéficiaire, une part du béné- fice réalisé provenant des placements de ces actifs dédiés. Art. 219 Un contrat d’assurance vie peut être lié à un ou plusieurs fonds d’investissement gérés par une ou plusieurs entreprises d’assurance. Dans ce cas, le risque d’investissement est supporté par le preneur d’assurance et aucune participation bénéficiaire ne peut être octroyée provenant d’un bénéfice sur les placements. Art. 220 Dans le cadre de la gestion de fonds collectifs de retraite re- levant de la branche 27 mentionnée à l’Annexe II, l’entreprise 491 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekeringsonderneming enkel fondsen met betrekking tot pensioenverplichtingen en solidariteitstoezeggingen beheren van: 1°  een instelling voor bedrijfspensioenvoor- ziening als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; 2° een openbaar bestuur als bedoeld in artikel 134, 1°, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 3° een overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 138, eerste lid, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 4°  een instelling of externe dienst van een openbaar bestuur of een overheidsbedrijf opgericht overeenkomstig de artikelen 136, § 1, en 138, van de voornoemde wet van 27 oktober 2006; 5° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een solidariteitstoezegging, als bedoeld in artikel 47 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid; 6° een rechtspersoon belast met de uitvoering van een solidariteitsstelsel, als bedoeld in artikel 56 van de program- mawet (I) van 24 december 2002. De verzekeringsonderneming kan aan het beheer van collectieve pensioenfondsen een waarborg verbinden met betrekking tot het rendement of het behoud van het kapitaal. Art. 221 Met het oog op de toepassing van deze wet bepaalt de Koning, op advies van de Bank en de FSMA, de regels die de verzekeringsondernemingen moeten volgen voor wat betreft de uitoefening van de levensverzekeringsactiviteiten als vermeld in Bijlage II. In bijzonder stelt de Koning regels vast voor: 1° de bestanddelen van de technische grondslagen en de wijze waarop deze bestanddelen worden vastgesteld; 2°  de begrippen “afkoopwaarde” en “reductiewaarde”, evenals de berekeningswijze ervan; 3° de berekening van de prestatie bij opzegging of afkoop van de overeenkomst; 4° de berekening van de prestatie bij overlijden ten gevolge van een niet-gedekt risico; 5° de beperkingen van het voorschot op en de inpandge- ving van de verzekerde prestaties; 6° de winstverdeling en -toekenning alsook de toekenning van restorno’s, met inbegrip van het bepalen van de groepen d’assurance ne peut gérer que les fonds relatifs aux engage- ments de pension et aux engagements de solidarité: 1°  d’une institution de retraite professionnelle visée à l’article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle; 2° d’une administration publique visée à l’article 134, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 3° d’un organisme public visé à l’article 138, alinéa 1er, de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 4°  d’une institution ou d’un service externe d’une administration publique ou d’un organisme public créé conformément aux articles 136, § 1er, et 138, de la loi du 27 octobre 2006 précitée; 5° d’une personne morale chargée de la gestion d’un engagement de solidarité, telle que visée à l’article 47 de la loi loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages en matière de sécurité sociale; 6° d’une personne morale chargée de la gestion d’un régime de solidarité, telle que visée à l’article 56 de la loi- programme (I) du 24 décembre 2002. L’entreprise d’assurance peut assortir la gestion des fonds collectifs de retraite d’une garantie de rendement ou de conservation du capital. Art. 221 En vue de l’application de la présente loi, le Roi détermine, sur avis de la Banque et de la FSMA, les règles à suivre par les entreprises d’assurance en ce qui concerne l’exercice des activités d’assurance sur la vie mentionnées à l’Annexe II. En particulier, le Roi fixe les règles concernant: 1° les éléments constituant les bases techniques et la manière dont ils sont établis; 2° les notions de valeur de rachat et de valeur de réduction, ainsi que leur mode de calcul; 3° le calcul de la prestation en cas de résiliation ou de rachat du contrat; 4° le calcul de la prestation en cas de décès lors de la survenance d’un risque non couvert; 5° les limites concernant l’avance sur et la mise en gage des prestations assurées; 6° la répartition et l’attribution des participations béné- ficiaires, ainsi que l’octroi de ristournes, en ce compris la 492 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van overeenkomsten of verplichtingen waarop deze regels van toepassing zijn, evenals de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie die de verzekeringsondernemingen aan de Bank moeten verstrekken. De Bank kan deze groepen van overeenkomsten of verplichtingen aanvullen bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998; 7° de inventaris van de samenstelling van elk fonds met aangewezen activa; 8° de verzekeringsovereenkomsten voor de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Onderafdeling III Gelijktijdige uitoefening van levens- en niet-levensverzekeringsactiviteiten Art. 222 Het is verzekeringsondernemingen niet toegestaan gelijktij- dig de in Bijlage I bedoelde niet-levensverzekeringsactiviteiten en de in Bijlage II bedoelde levensverzekerings activiteiten uit te oefenen. Art. 223 In afwijking van artikel 222 mogen de verzekeringsonder- nemingen die op 15 maart 1979 gelijktijdig niet-levens- en levens verzekeringsactiviteiten uitoefenden, deze activiteiten voortzetten. In afwijking van artikel 222 kunnen de ondernemingen waaraan een vergunning is verleend om levensverzekerings- activiteiten uit te oefenen, ook een vergunning verkrijgen voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I. Evenzo kunnen ondernemingen waaraan uitsluitend voor de risico’s van de takken 1 en 2 als vermeld in Bijlage I, een vergunning is verleend, tevens een vergunning verkrijgen om levensverzekeringsactiviteiten uit te oefenen. Art. 224 De in artikel 223 bedoelde ondernemingen voeren een gescheiden beheer voor levensverzekeringsactiviteiten en niet-levensverzekeringsactiviteiten. Indien deze ondernemingen ook herverzekeringsactivitei- ten uitoefenen, voeren zij bovendien een gescheiden beheer voor enerzijds de verzekerings- en -herverzekeringsactivitei- ten “niet-leven” en anderzijds de verzekerings- en herverze- keringsactiviteiten “leven”. détermination des groupes de contrats ou d’engagements auxquels ces règles s’appliquent, ainsi que les informations que les entreprises d’assurance fournissent à la Banque aux fins de leur contrôle; La Banque peut, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, compléter lesdits groupes de contrats ou d’engagements; 7° l’inventaire de la composition de chaque fonds à actifs dédiés; 8° les contrats d’assurance relatifs à l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n°50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés. Sous-section III Exercice simultané des activités d’assurance vie et non-vie Art. 222 Il est interdit à toute entreprise d’assurance d’exercer simultanément les activités d’assurance non-vie visées à l’Annexe I et les activités d’assurance vie visées à l’Annexe II. Art. 223 Par dérogation à l’article 222, les entreprises d’assurance qui, à la date du 15 mars 1979, exerçaient simultanément les activités d’assurance vie et non-vie peuvent poursuivre ces activités. Par dérogation à l’article 222, les entreprises qui ont reçu l’agrément pour l’exercice de l’activité d’assurance vie peuvent obtenir un agrément pour l’exercice d’activités d’as- surance non-vie restreintes aux risques visés aux branches 1 et 2 mentionnées à l’Annexe I. De même, les entreprises agréées uniquement pour les risques visés aux branches 1 et 2 mentionnées à l’Annexe I peuvent obtenir un agrément pour l’exercice de l’activité d’assurance vie. Art. 224 Les entreprises visées à l’article 223 gèrent séparément les activités vie et les activités non-vie. En outre, si ces entreprises exercent également des activi- tés de réassurance, elles gèrent séparément, d’une part, les activités d’assurance et de réassurance non-vie et, d’autre part, les activités d’assurance et de réassurance vie. 493 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De in artikel 223 bedoelde ondernemingen zien erop toe dat zij de respectieve belangen van levensverzekeringnemers en niet-levensverzekeringnemers respecteren. Dit houdt in- zonderheid in dat zij slechts winstdeling, een premierestorno of een gelijkwaardig voordeel toekennen aan levensverzeke- ringsovereenkomsten op grond van de inkomsten die aan de levensverzekeringsactiviteit zijn verbonden, alsof de onder- neming uitsluitend deze activiteit zou uitoefenen. Dit geldt eveneens voor de niet-levensverzekeringsactiviteit. Art. 225 § 1. Onverminderd artikel 37, 2° en 3°, berekenen de in artikel 223 bedoelde verzekerings ondernemingen: 1° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven” voor hun levensverzekerings- of -herverzekeringsactiviteiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen; 2° een theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet-leven” voor hun niet-levensverzekerings- of -herverzekeringsacti- viteiten, alsof de betrokken onderneming uitsluitend deze activiteiten zou uitoefenen. § 2. De in artikel 223, bedoelde verzekerings ondernemingen dekken ten minste het geheel van de volgende vereisten met een overeenkomstig bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen: 1° het theoretisch minimumkapitaalvereiste “leven” voor hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit “leven”; 2°  het theoretisch minimumkapitaalvereiste “niet- leven” voor hun verzekerings- en -herverzekeringsactiviteit “niet-leven”. De in de eerste lid bedoelde financiële minimumverplich- tingen respectievelijk voor de levens- en niet-levensverzeke- ringsactiviteit mogen niet door de andere activiteit worden gedragen. § 3. Zolang aan de in paragraaf 2 bedoelde financiële minimumverplichtingen is voldaan en onder voorbehoud van kennisgeving ervan aan de Bank, mag de onderneming ter dekking van het in artikel 37, 2° bedoelde solvabiliteitska- pitaalvereiste de nog beschikbare in aanmerking komende eigenvermogensbestanddelen voor de ene of voor de andere activiteit gebruiken. Art. 226 De in artikel 223 bedoelde verzekeringsondernemingen stellen een document op waarin de in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van elk van beide in artikel 225 bedoelde theoretische minimumkapitaalvereisten duidelijk zijn onderscheiden, overeenkomstig artikel 150, § 4. Les entreprises visées à l’article 223 veillent à respecter les intérêts respectifs des preneurs d’assurance vie et d’assu- rance non-vie. En particulier, elles n’accordent de participation bénéficiaire, de ristourne de prime ou d’avantage équivalent aux contrats d’assurance sur la vie qu’en fonction des reve- nus liés à cette activité comme si l’entreprise n’exerçait que cette activité. Il en va de même pour ce qui concerne l’activité d’assurance non-vie. Art. 225 § 1er. Sans préjudice de l’article 37, 2° et 3°, les entreprises d’assurance visées à l’article 223 calculent: 1° un montant notionnel du minimum de capital requis en vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance ou de réassurance vie, calculé comme si l’entreprise concernée n’exerçait que ces activités; 2° un montant notionnel du minimum de capital requis en non-vie, pour ce qui concerne leurs activités d’assurance ou de réassurance non-vie, calculé comme si l’entreprise concernée n’exerçait que ces activités. § 2. Les entreprises d’assurance visées à l’article 223, couvrent au minimum le total des exigences suivantes par un montant équivalent d’éléments de fonds propres de base éligibles: 1° le montant notionnel du minimum de capital requis en vie, pour l’activité d’assurance et de réassurance vie; 2° le montant notionnel du minimum de capital requis en non-vie, pour l’activité d’assurance et de réassurance non-vie. Les obligations financières minimales visées à l’alinéa 1er se rapportant respectivement à l’activité vie et à l’activité non- vie ne peuvent être supportées par l’autre activité. § 3. Aussi longtemps que sont remplies les obligations financières minimales visées au paragraphe 2 et sous réserve d’en informer la Banque, l’entreprise peut utiliser, pour cou- vrir le capital de solvabilité requis visé à l’article 37, 2°, les éléments de fonds propres éligibles encore disponibles pour l’une ou l’autre activité. Art. 226 Les entreprises d’assurance visées à l’article 223 éta- blissent un document dans lequel les éléments de fonds propres de base éligibles couvrant chaque montant notionnel du minimum de capital requis visé à l’article 225 sont claire- ment identifiés, conformément à l’article 150, § 4. 494 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de vorm en inhoud bepalen van het in het eerste lid bedoelde document. Art. 227 Wanneer het bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen voor één van de activiteiten ontoereikend is voor de dekking van de in artikel 225, § 1, bedoelde financiële minimumverplichtingen, mag de Bank op de betrokken activiteit de maatregelen als bedoeld in de artikelen 508 tot 517, met uitzondering van artikel 510, toepas- sen, ongeacht de resultaten van de andere activiteit. In afwijking van artikel 225, § 2, kunnen deze maatregelen een goedkeuring tot overdracht van in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen van de ene activiteit naar de andere inhouden. Art. 228 Wanneer een niet-levensverzekeringsonderneming finan- ciële, commerciële of administratieve banden heeft met een levensverzekeringsonderneming, ziet de Bank erop toe dat de verdeling van de kosten en inkomsten tussen de niet-levens- en de levensverzekeringsactiviteiten niet wordt vertekend ten gevolge van overeenkomsten of afspraken tussen deze ondernemingen. Art. 229 De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 verlangen dat de verzekeringsondernemingen alle documenten of sta- ten bijhouden die het haar mogelijk maken toe te zien op de naleving van de vereisten van de artikelen 224 tot 228. Onderafdeling IV Afzonderlijke beheren Art. 230 Naast de verplichting om overeenkomstig artikel 224 een gescheiden beheer te voeren voor levens- en niet-levensver- zekeringsactiviteiten, voeren de verzekerings ondernemingen afzonderlijke beheren waarbij per beleggingsfonds een on- derscheid wordt gemaakt tussen de verzekeringsactiviteiten die behoren tot de takken 23, 26 en 27 als vermeld in Bijlage II, waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de ver- zekeringnemer, en de andere activiteiten die in de genoemde Bijlage zijn opgenomen en die één enkel afzonderlijk beheer vormen. La Banque peut préciser, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la forme et le contenu du document visé à l’alinéa 1er. Art. 227 Si le montant des éléments de fonds propres de base éli- gibles affectés à l’une des activités ne suffit pas à couvrir les obligations financières minimales visées à l’article 225, § 1er, la Banque peut appliquer à l’activité déficitaire les mesures pré- vues aux articles 508 à 517 à l’exception de l’article 510 quels que soient les résultats obtenus dans l’autre activité. Par dérogation à l’article 225, § 2, ces mesures peuvent comporter l’autorisation d’un transfert d’éléments de fonds propres de base éligibles d’une activité à l’autre. Art. 228 Lorsqu’une entreprise d’assurance non-vie a des liens financiers, commerciaux ou administratifs avec une entreprise d’assurance vie, la Banque veille à ce que la répartition des frais et des revenus entre les activités vie et non-vie ne soient pas faussée par des conventions ou des arrangements passés entre ces entreprises. Art. 229 La Banque peut imposer aux entreprises d’assurance, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la tenue de tout document ou état lui permettant de contrôler le respect des exigences énoncées aux articles 224 à 228. Sous-section IV Gestions distinctes Art. 230 Outre l’obligation de gérer séparément les activités vie et non-vie conformément à l’article 224, les entreprises d’assu- rance établissent des gestions distinctes identifiant séparé- ment, par fonds d’investissement, les activités d’assurance qui ressortissent des branches 23, 26 et 27 mentionnées à l’Annexe II, pour lesquelles le risque d’investissement est supporté par le preneur, des autres activités qui ressortissent de ladite Annexe et qui constituent une seule gestion distincte. 495 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 231 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming ver- meldt te allen tijde tot welke afzonderlijk beheer of tot welke afzonderlijke beheren elke overeenkomst en elk schadegeval behoort. De Koning bepaalt na advies van de Bank en de FSMA voor wat hun respectieve bevoegdheden betreft, de verplichtingen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen inzake de verzameling van gegevens over de afzonderlijke beheren, met inbegrip van de methodes voor de uitsplitsing van de technische voorzieningen en de activa over de verschil- lende afzonderlijke beheren en de voorwaarden waaronder de activa ter dekking van de technische voorzieningen van een afzonderlijk beheer mogen worden overgedragen naar een ander afzonderlijk beheer. Onderafdeling V Communautaire medeverzekering § 1 – Toepassingsgebied Art. 232 Deze Onderafdeling is van toepassing op communautaire medeverzekeringsverrichtingen die betrekking hebben op een of meer risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3 tot 16 als ver- meld in Bijlage I en die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1°  het risico is een groot risico als gedefinieerd in artikel 233; 2° het risico wordt gedekt door verscheidene, als “medever- zekeraars” optredende verze keringsondernemingen zonder hoofdelijke aansprakelijkheid, door middel van één enkele overeenkomst tegen één premie voor het gehele risico, en voor dezelfde tijdsduur; één van hen is de eerste verzekeraar; 3° het risico is gelegen op het Belgische grondgebied of op het grondgebied van verscheidene lidstaten, waarvan er één België is; 4° voor de dekking van het risico wordt de eerste verzeke- raar behandeld als ware hij de verzekeringsonderneming die het volledige risico dekt; 5° ten minste één van de medeverzekeraars neemt deel aan de overeenkomst via zijn zetel of een bijkantoor dat in een andere lidstaat dan die van de eerste verzekeraar is gevestigd; 6° de eerste verzekeraar neemt de leidende rol die hem volgens de geldende gebruiken inzake medeverzekering toekomt, volledig op zich; hij stelt inzonderheid de verzeke- rings- en tariferingsvoorwaarden vast. Art. 231 L’entreprise d’assurance ou de réassurance identifie à tout moment la ou les gestions distinctes auxquelles appartiennent chaque contrat et chaque sinistre. Le Roi détermine sur avis de la Banque et de la FSMA en ce qui concerne leur domaine de compétence respectif, les obligations des entreprises d’assurance ou de réassurance en matière de collecte de données relativement aux ges- tions distinctes, en ce compris les méthodes de ventilation des provisions techniques et des actifs entre les différentes gestions distinctes et les conditions dans lesquelles les actifs représentatifs des provisions techniques d’une gestion dis- tincte peuvent être transférés à une autre gestion distincte. Sous-section V Coassurance communautaire § 1er – Champ d’application Art. 232 La présente Sous-section s’applique aux opérations de coassurance communautaire qui concernent un ou plusieurs risques classés dans les branches 3 à 16 mentionnées à l’Annexe I et qui répondent aux conditions suivantes: 1° le risque est un grand risque tel que défini à l’article 233; 2° le risque est couvert par plusieurs entreprises d’assu- rance en qualité de “coassureurs”, dont un est l’apériteur, sans qu’il y ait de solidarité entre eux, au moyen d’un contrat unique, moyennant une prime globale et pour une même durée; 3° le risque est situé sur le territoire de la Belgique ou de plusieurs États membres dont l’un est la Belgique; 4° pour garantir le risque, l’apériteur est traité comme s’il était l’entreprise d’assurance qui couvre la totalité du risque; 5° au moins un des coassureurs participe au contrat par l’intermédiaire de son siège ou d’une succursale établi dans un État membre autre que celui de l’apériteur; 6° l’apériteur assume pleinement le rôle directeur qui lui revient dans la pratique de la coassurance et, en particulier, détermine les conditions d’assurance et de tarification. 496 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 233 Voor de toepassing van artikel 232 wordt verstaan onder grote risico’s: 1° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 4, 5, 6, 7, 11 en 12 als vermeld in Bijlage I; 2° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 14 en 15 als vermeld in Bijlage I, wanneer de verzekeringnemer beroeps- halve een industriële of commerciële activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en de risico’s op die activiteit betrekking hebben; 3° de risico’s die ingedeeld zijn in de takken 3, 8, 9, 10, 13 en 16 als vermeld in Bijlage I, voor zover de verzekeringne- mer ten minste twee van de drie volgende criteria overschrijdt: a) een balanstotaal van 6 200 000 EUR; b) een netto-omzet van 12 800 000 EUR; c) een personeelsbestand van gemiddeld 250 personeels- leden gedurende het boekjaar. Wanneer de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep ondernemingen waarvan de geconsolideerde jaarreke- ning overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG wordt opgesteld, worden de in het eerste lid, 3°, vermelde criteria op basis van de geconsolideerde jaarrekening toegepast. Art. 234 Op medeverzekeringsverrichtingen die niet aan de voor- waarden van artikel 232 voldoen, blijven de bepalingen van deze wet, met uitzondering van die van deze Onderafdeling, van toepassing. § 2 – Uitoefening van het bedrijf Art. 235 De artikelen 556 tot 561 zijn enkel van toepassing op de eerste verzekeraar die in België communautaire medever- zekeringsverrichtingen wenst uit te oefenen als bedoeld in deze Onderafdeling. Art. 236 Het bedrag van de technische voorzieningen wordt door de in België gevestigde medeverzekeraars bepaald volgens de regels die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld. De technische voorzieningen zijn echter ten minste gelijk aan die welke door de eerste verzekeraar zijn bepaald volgens de regels die gelden in zijn lidstaat van herkomst. Art. 233 Par grands risques aux fins de l’article 232, on entend: 1° les risques classés sous les branches 4, 5, 6, 7, 11 et 12 mentionnées à l’Annexe I; 2° les risques classés sous les branches 14 et 15 mention- nées à l’Annexe I lorsque le preneur d’assurance exerce à titre professionnel une activité industrielle, commerciale ou libérale et que les risques sont relatifs à cette activité; 3° les risques classés sous les branches 3, 8, 9, 10, 13 et 16 mentionnées à l’Annexe I, pour autant que le preneur d’assurance dépasse les limites chiffrées d’au moins deux des critères suivants: a) un total de bilan de 6 200 000 EUR; b) un montant net du chiffre d’affaires de 12 800 000 EUR; c) un nombre de 250 employés en moyenne au cours de l’exercice. Si le preneur d’assurance fait partie d’un ensemble d’entreprises pour lequel des comptes consolidés sont établis conformément à la directive 83/349/CEE, les critères énon- cés à l’alinéa 1er, 3°, sont appliqués sur la base des comptes consolidés. Art. 234 Les opérations de coassurance qui ne répondent pas aux conditions de l’article 232 demeurent soumises aux disposi- tions de la présente loi, à l’exclusion de celles figurant dans la présente Sous-section. § 2 – Exercice de l’activité Art. 235 Les articles 556 à 561 ne sont applicables qu’à l’apériteur qui désire exercer en Belgique des opérations de coassurance communautaire visées par la présente Sous-section. Art. 236 Le montant des provisions techniques est déterminé par les coassureurs établis en Belgique suivant les règles fixées par ou en vertu de la présente loi. Toutefois, les provisions techniques sont au moins égales à celles déterminées par l’apériteur suivant les règles de son État membre d’origine. 497 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 237 De in België gevestigde medeverzekeraars bezorgen aan de Bank, per betrokken land, statistische gegevens waaruit de omvang blijkt van de communautaire verzekeringsver- richtingen waaraan zij deelnemen. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de aard van de voornoemde gegevens, evenals de frequentie waarmee en de drager waarop ze zullen worden meegedeeld. Art. 238 In geval van vereffening van een verzekeringsonderneming worden de verplichtingen die voortvloeien uit de deelneming aan een communautaire medeverzekeringsovereenkomst op dezelfde wijze nagekomen als de verplichtingen die voortvloeien uit de andere verzekerings overeenkomsten van deze onderneming, zonder onderscheid naar nationaliteit van verzekerden en begunstigden. Afdeling II Bijzondere bepalingen met betrekking tot herverzekeringen Onderafdeling I Finite herverzekering Art. 239 Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt onder “finite herverzekering” verstaan een herverzekering krachtens dewelke het expliciete maximale verliespotentieel, uitgedrukt als hoogste overgedragen economisch risico, dat voortvloeit uit een significante overdracht van zowel verzekeringstech- nische risico’s als tijdsrisico, hoger is, voor een beperkt maar significant bedrag, dan de premie die geldt voor de volledige looptijd van de overeenkomst, in combinatie met ten minste een van de volgende twee kenmerken: 1° op expliciete en concrete wijze rekening houden met de tijdswaarde van het geld; 2° contractuele bepalingen die tot doel hebben de verdeling van de economische effecten tussen de twee partijen in de tijd te effenen met het oog op het bereiken van het nagestreefde niveau van risico-overdracht. Art. 240 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kun- nen slechts finite herverzekeringsovereenkomsten sluiten of finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, wanneer ze in staat zijn de uit deze overeenkomsten of activiteiten voort- vloeiende risico’s naar behoren te identificeren, te meten, te bewaken, te beheren, te beheersen en te rapporteren. Art. 237 Les coassureurs établis en Belgique fournissent à la Banque, par pays concerné, les éléments statistiques faisant apparaître l’importance des opérations de coassurance com- munautaire auxquelles ils participent. La Banque détermine, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la nature des éléments précités, ainsi que la fréquence à laquelle et le support sur lequel ils lui sont communiqués. Art. 238 En cas de liquidation d’une entreprise d’assurance, les engagements résultant de la participation à un contrat de coassurance communautaire sont exécutés de la même façon que les engagements résultant des autres contrats d’assu- rance de cette entreprise, sans distinction selon la nationalité des assurés et des bénéficiaires. Section II Dispositions particulières relatives à la réassurance Sous-section Ire Réassurance finite Art. 239 Aux fins de l’application de la présente Sous-section, on entend par “réassurance finite” toute réassurance en vertu de laquelle la perte maximale potentielle, exprimée comme le risque économique maximal transféré, découlant d’un trans- fert significatif à la fois du risque de souscription et du risque de timing, excède la prime sur toute la durée du contrat, pour un montant limité, mais important, conjointement avec l’une au moins des deux caractéristiques suivantes: 1° la prise en considération explicite et matérielle de la valeur temporelle de l’argent; 2° des dispositions contractuelles visant à lisser dans le temps un partage des effets économiques entre les deux par- ties en vue d’atteindre un niveau cible de transfert de risque. Art. 240 Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent conclure des contrats de réassurance finite ou exercer des activités de réassurance finite que si elles sont en mesure de déceler, de mesurer, de surveiller, de gérer, de contrôler et de signaler de manière appropriée les risques découlant de ces contrats ou activités. 498 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 241 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 210, lid 2  van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning de in artikel 240 bedoelde ver- eisten preciseren en aanvullen. § 2. Onder dezelfde voorwaarden kan de Koning op advies van de Bank specifieke bepalingen voor de uitoefening van finite herverzekeringsactiviteiten vaststellen die betrekking hebben op: 1° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten over- eenkomsten moeten worden opgenomen; 2° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige proce- dures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten op het gebied van risicobeheer; 3° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten en de statistische-informatievereisten; 4° de vorming van technische voorzienin gen om ervoor te zorgen dat deze adequaat, betrouwbaar en objectief zijn; 5° de beleggingen in activa ter dekking van de technische voorzieningen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehou- den met de aard van de door de herverzekeringsonderneming verrichte activiteiten, inzonderheid de aard, het bedrag en de duur van de verwachte betalingen in verband met schade- gevallen, om de toereikendheid, de liquiditeit, de veiligheid, het rendement en de congruentie van haar activa te waarborgen; 6° de regels betreffende het eigen vermogen en betreffende het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalver- eiste waaraan de herverzekeringsonderneming moet voldoen met betrekking tot haar finite herverzekeringsactiviteiten. Onderafdeling II Effectiseringsvehikels Art. 242 De effectiseringsvehikels die zich op het Belgische grond- gebied wensen te vestigen, dienen daarvoor voorafgaandelijk een vergunning te verkrijgen van de Bank. Art. 243 Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 211, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG, kan de Koning, op advies van de Bank, de voorwaarden vaststellen voor de verlening van vergunningen aan effectiseringsvehikels. De Koning kan inzonderheid bepalingen vaststellen met betrekking tot: 1° de reikwijdte van de vergunning; Art. 241 § 1er. Sans préjudice des compétences de la Commission européenne telles que prévues par l’article 210, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE, le Roi peut, préciser et compléter les exigences visées à l’article 240. § 2. Dans les mêmes conditions, le Roi, sur avis de la Banque, peut arrêter des dispositions spécifiques pour l’exercice d’activités de réassurance finite dans les domaines suivants: 1° les conditions obligatoires devant être incluses dans tous les contrats conclus; 2° les procédures administratives et comptables saines, les mécanismes de contrôle interne appropriés et les exigences en matière de gestion des risques; 3° les exigences en matière comptable, prudentielle et d’informations statistiques; 4° l’établissement de provisions techniques afin de garantir leur adéquation, leur fiabilité et leur objectivité; 5° l’investissement d’actifs couvrant les provisions tech- niques de manière à garantir qu’il est tenu compte du type d’opérations effectuées par l’entreprise de réassurance, et en particulier de la nature, du montant et de la durée des sinistres attendus, afin de garantir la suffisance, la liquidité, la sécurité, la rentabilité et la congruence de ses actifs; 6° les règles relatives aux fonds propres, ainsi qu’aux exigences de capital de solvabilité requis et au minimum de capital requis que doit détenir l’entreprise de réassurance en relation avec des activités de réassurance finite. Sous-section II Véhicules de titrisation Art. 242 Les véhicules de titrisation qui entendent s’établir sur le territoire belge sont tenus de se faire préalablement agréer par la Banque. Art. 243 Sans préjudice des compétences de la Commission européenne prévues par l’article 211, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE, le Roi peut, sur avis de la Banque, fixer les conditions de l’agrément des véhicules de titrisation. En particulier, le Roi peut arrêter des dispositions dans les domaines suivants: 1° la portée de l’agrément; 499 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° de verplichte voorwaarden die in alle afgesloten over- eenkomsten moeten worden opgenomen; 3° de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten als bedoeld in artikel 40, voor de personen die het effectiserings- vehikel leiden; 4°  de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten voor de aandeelhouders of vennoten die een gekwalificeerde deelneming bezitten in het effectiseringsvehikel; 5° deugdelijke administratieve en boekhoud kundige proce- dures, adequate internecontrolemechanismen en de vereisten op het gebied van risicobeheer; 6° de boekhoudkundige vereisten, de prudentiële vereisten en de statistische-informatievereisten; 7° de solvabiliteitsvereisten voor effectiseringsvehikels. Bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de in dit artikel bedoelde vereisten op technische en niet-essentiële punten preciseren en aanvullen. TITEL III Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën van verzekeringsondernemingen HOOFDSTUK I Onderlinge verzekeringsverenigingen Afdeling I Algemene bepalingen Art. 244 Dit Hoofdstuk is van toepassing op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die de rechtsvorm van een onderlinge verzekeringsvereniging heb- ben aangenomen. Art. 245 Onderlinge verzekeringsverenigingen hebben een bur- gerlijk karakter. Ze hebben rechtspersoonlijkheid. Deze is verworven vanaf de dag waarop hun statuten worden bekendgemaakt op de in artikel 247 voorschreven wijze. De bevoegdheden die door deze wet aan de rechtbank van koophandel worden toegekend worden in het geval van de onderlinge verzekeringsverenigingen uitgeoefend door de rechtbank van eerste aanleg. 2° les conditions obligatoires devant être incluses dans tous les contrats conclus; 3° les exigences de compétence et d’honorabilité visées à l’article 40 pour les personnes gérant le véhicule de titrisation; 4° les exigences de compétence et d’honorabilité pour les actionnaires ou associés détenant une participation qualifiée dans le véhicule de titrisation; 5° les procédures administratives et comptables saines, les mécanismes de contrôle interne appropriés et les exigences en matière de gestion des risques; 6° les exigences en matière comptable, prudentielle et d’informations statistiques; 7° les exigences de solvabilité des véhicules de titrisation. Par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut, sur des points techniques et non essentiels, préciser et compléter les exi- gences visées au présent article. TITRE III Dispositions particulières relatives à certaines catégories d’entreprises d’assurance CHAPITRE IER Associations d’assurance mutuelle Section Ire Dispositions générales Art. 244 Le présent Chapitre est applicable aux entreprises d’assu- rance ou de réassurance de droit belge qui ont adopté la forme d’association d’assurance mutuelle. Art. 245 Les associations d’assurance mutuelle ont un caractère civil. Elles jouissent de la personnalité juridique. Celle-ci leur est acquise à compter du jour où leurs statuts sont publiés de la manière prescrite à l’article 247. Les compétences conférées par la présente loi au tribunal de commerce sont, dans le cas des associations d’assurance mutuelle, exercées par le tribunal de première instance. 500 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 246 Een onderlinge verzekeringsvereniging mag “gemeen- schappelijke verzekeringskas” worden genoemd wanneer zij verrichtingen uitvoert die geregeld worden door: 1° de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; 2° de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; 3° het koninklijk besluit van 14 november 2003 betref- fende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50  van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst. Art. 247 De statuten van de onderlinge verzekeringsverenigingen vermelden op straffe van nietigheid: 1° de naam en de zetel van de vereniging; 2° het doel waarvoor de vereniging is opgericht; 3° de voorwaarden en de wijze van toelating, ontslag en uitsluiting van de vennoten; 4° de omvang van de persoonlijke verbintenissen die door de vennoten worden aangegaan met betrekking tot de vorming en instandhouding van een maatschappelijk fonds; 5° het feit dat er vanaf de rekeningen van de vennoten al- leen betalingen aan leden mogen worden verricht indien dit verenigbaar is met de kapitaalvereisten die vastgesteld zijn met toepassing van de artikelen 151 tot 189 of, na ontbinding van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan; 6° het feit dat de Bank ten minste een maand van tevoren in kennis wordt gesteld van elke betaling vanaf de rekeningen van de vennoten voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kan verbieden; 7° de organisatie en het bestuur van de vereniging, de wijze van benoeming, de bevoegdheden en de duur van het mandaat van de personen die met dat bestuur belast zijn; 8° de wijze van vaststelling en inning van de bijdragen of de premies, evenals van de eventuele supplementen voor de afwikkeling van de schadegevallen; 9° de wijze waarop de rekeningen worden opgemaakt en goedgekeurd; Art. 246 Les associations d’assurance mutuelle peuvent porter le nom de “caisse commune d’assurance” lorsqu’elles effectuent les opérations régies par: 1° la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail; 2° la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention et la répara- tion des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public; 3° l’arrêté royal du 14 novembre 2003 concernant l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail. Art. 247 Les statuts des associations d’assurance mutuelle men- tionnent à peine de nullité: 1° la dénomination et le siège de l’association; 2° l’objet en vue duquel l’association est instituée; 3° les conditions et le mode d’admission, de démission et d’exclusion des associés; 4° l’étendue des engagements personnels assumés par les associés quant à la constitution et au maintien d’un fonds social; 5° le fait qu’il n’est possible d’effectuer des paiements en faveur des membres à partir des comptes des associés que si cela ne contrevient pas aux exigences de capital fixées en application des articles 151 à 189 ou, après dissolution de l’entreprise, que si toutes ses autres dettes ont été réglées; 6° le fait que la Banque est avertie au moins un mois à l’avance de tout paiement effectué à partir des comptes des associés à d’autres fins que la résiliation individuelle de l’affi- liation et qu’elle peut, pendant ce délai, interdire le paiement; 7° l’organisation et l’administration de l’association, le mode de nomination, les pouvoirs et la durée du mandat des personnes chargées de cette administration; 8° le mode de fixation et de recouvrement des cotisations ou des primes ainsi que des suppléments éventuels en vue du règlement des sinistres; 9° le mode d’établissement et d’approbation des comptes; 501 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 10° de procedure die gevolgd moet worden in geval van wijzigingen in de statuten of van vereffening van de vereniging, onverminderd de bepalingen van deze wet. Op advies van de Bank en de FSMA kan de Koning alle andere bepalingen vaststellen die moeten worden opgenomen in de statuten van Belgische onderlinge verzekeringsverenigingen. De statuten en de wijzigingen erin worden in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling II Omzetting van onderlinge verzekeringsverenigingen Art. 248 Een onderlinge verzekeringsvereniging kan gebruikmaken van de mogelijkheid die in de artikelen 774 en 775 van het Wetboek van Vennootschappen wordt geboden om een an- dere rechtsvorm aan te nemen. Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging gebruik- maakt van de voornoemde mogelijkheid, zijn de bepalingen van deze Afdeling van toepassing. Deze bepalingen zijn van toepassing in afwijking van de artikelen 776 tot 788 van hetzelfde Wetboek, behalve wanneer er uitdrukkelijk naar verwezen wordt in deze Afdeling. Art. 249 Een onderlinge verzekeringsvereniging kan enkel worden omgezet in een van de rechtsvormen van handelsvennoot- schappen, als bedoeld in artikel 33. Art. 250 Het voorstel tot omzetting wordt toegelicht in een verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt opgemaakt en wordt vermeld in de agenda van de algemene vergadering die een besluit moet nemen over de omzetting. Dit verslag bevat tevens een nauwkeurige beschrijving en een verantwoording: 1° van de maatregelen die de rechten van de leden van de vennootschap in haar nieuwe vorm regelen; 2° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, van de aanpassingen die in dit verband in de verzekerings- of herverzekerings overeenkomsten moeten worden aangebracht; 3° van de wijze van verdeling van de aandelen of de deelbe- wijzen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar nieuwe vorm vertegenwoordigen. Bij dat verslag worden ontwerpstatuten van de vennoot- schap in haar nieuwe vorm gevoegd, evenals een staat van activa en passiva van de vereniging, die niet meer dan drie 10°  la procédure à suivre en cas de modification des statuts ou de liquidation de l’association, sans préjudice des dispositions de la présente loi. Le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, détermi- ner toutes autres dispositions que doivent contenir les statuts des associations belges d’assurance mutuelle. Les statuts et leurs modifications sont publiés aux Annexes du Moniteur belge. Section II Transformation des associations d’assurance mutuelle Art. 248 Une association d’assurance mutuelle peut faire usage de la faculté prévue aux articles 774 et 775 du Code des sociétés d’adopter une autre forme juridique. Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fait usage de la faculté précitée, les dispositions de la présente Section sont d’application. Ces dispositions s’appliquent par dérogation aux articles 776 à 788 du même Code, sauf dans la mesure où il y est fait expressément référence dans la présente Section. Art. 249 Une association d’assurance mutuelle ne peut être transformée que dans l’une des formes de société à forme commerciale visées à l’article 33. Art. 250 La proposition de transformation fait l’objet d’un rapport justificatif établi par l’organe légal d’administration et qui est inscrit à l’ordre du jour de l’assemblée générale appelée à statuer sur la transformation. Ce rapport contient également une description précise et une justification: 1° des mesures réglant les droits des membres dans la société sous sa nouvelle forme; 2° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux assu- rances, des adaptations devant être apportées aux contrats d’assurance ou de réassurance dans ce cadre; 3° du mode de répartition des actions ou parts représen- tatives du capital social de la société sous sa nouvelle forme. A ce rapport sont joints un projet de statuts de la société sous sa nouvelle forme et un état résumant la situation active et passive de l’association, arrêté à une date ne remontant 502 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 maanden voordien is vastgesteld en waarin aangegeven wordt hoeveel het maatschappelijk kapitaal van de vereniging na haar omzetting in een vennootschap bedraagt. Het maatschappelijk kapitaal mag niet hoger zijn dan het nettoactief, zoals dat blijkt uit het voornoemde verslag. Het bedrag van het nettoactief mag bij de omzetting niet worden terugbetaald aan of verdeeld worden onder de aan- deelhouders of vennoten. Art. 251 De erkend commissaris van de onderlinge verzekeringsver- eniging brengt verslag uit over de in artikel 250 bedoelde staat en vermeldt met name of deze de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe en juiste wijze weergeeft. Art. 252 De ontwerpverslagen bedoeld in de artikelen  250  en 251 worden overgemaakt aan de Bank. Wanneer de betrokken onderlinge verzekeringsvereniging een verzekerings onderneming is, maakt de Bank de in het eerste lid bedoelde verslagen onverwijld over aan de FSMA voor advies. Deze laatste bezorgt haar advies aan de Bank binnen twee maanden na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen. Indien er binnen deze termijn geen advies wordt verleend, wordt de FSMA geacht geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen omzetting. Binnen drie maanden na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde verslagen verzet de Bank zich tegen de voorge- nomen omzetting wanneer: 1° in het advies van de FSMA wordt geconcludeerd dat de voorgenomen omzetting afbreuk doet aan de rechten van de verzekerden, van de verzekeringnemers of van de begunstigden; 2° de Bank van oordeel is dat de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming door de voorgenomen omzetting niet langer voldoet aan de verplichtingen die haar door of krachtens deze wet zijn opgelegd. De Bank maakt haar bezwaar kenbaar met een aangete- kende brief, waarbij zij de motivering van haar besluit voegt, en, in voorkomend geval, het advies van de FSMA. Art. 253 De leden van de onderlinge verzekeringsvereniging worden, met inachtneming van de statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die moet beraadslagen over het besluit tot omzetting. pas à plus de trois mois et indiquant quel sera le capital social après la transformation en société. Le capital social ne pourra être supérieur à l’actif net tel qu’il résulte de l’état précité. Le montant de l’actif net ne peut faire l’objet d’aucun remboursement ou distribution aux actionnaires ou associés à l’occasion de la transformation. Art. 251 Le commissaire agréé de l’association d’assurance mutuelle fait rapport sur l’état visé à l’article 250 et indique notamment s’il traduit d’une manière complète, fidèle et cor- recte la situation de l’association. Art. 252 Les projets de rapports visés aux articles 250 et 251 sont communiqués à la Banque. Lorsque l’association d’assurance mutuelle concernée est une entreprise d’assurance, la Banque transmet, sans délai, les rapports visés à l’alinéa 1er, à la FSMA pour avis. Cette dernière remet son avis à la Banque dans les deux mois de la réception des rapports visés à l’alinéa 1er . A défaut d’avis dans ce délai, la FSMA est réputée ne pas s’opposer au projet de transformation. Dans les trois mois de la réception des rapports visés à l’alinéa 1er, la Banque s’oppose au projet de transformation lorsque: 1° l’avis de la FSMA conclut que ce projet porte préjudice aux droits des assurés, des preneurs ou des bénéficaires; 2° la Banque estime que, par ce projet, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance ne satisfait plus aux obligations qui lui sont imposées par ou en vertu de la présente loi. La Banque notifie l’opposition par lettre recommandée à la poste en y joignant les motifs de sa décision et, le cas échéant, l’avis de la FSMA. Art. 253 Les membres de l’association d’assurance mutuelle sont convoqués à une assemblée générale appelée à délibérer sur la décision de transformation dans le respect des règles statutaires prévues pour les modifications aux statuts ou, si elles sont plus strictes, pour la mise en liquidation . 503 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In geval van oproeping per brief wordt een afschrift van de verslagen van het wettelijk bestuursorgaan en van de com- missaris bij de oproepingsbrief gevoegd. Deze documenten worden eveneens kosteloos verstrekt aan de leden van de vereniging die hiertoe een schriftelijke aanvraag indienen. Art. 254 Tot omzetting van de onderlinge verzekeringsvereniging wordt besloten door de algemene vergadering. Behalve indien de statuten strengere voorschriften inzake quorum en meerderheid bevatten, kan de algemene vergadering enkel geldig beraadslagen indien minstens de helft van de leden met stemrecht aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de ver- gadering, en indien het besluit minstens vier vijfden van de uitgebrachte stemmen verkrijgt. Indien het door de statuten of de wet vereiste quorum niet wordt bereikt, wordt overgegaan tot een tweede bijeenroe- ping. Deze tweede bijeenroeping voldoet aan de regels van artikel 253. De tweede algemene vergadering beraadslaagt volgens dezelfde stemvoorwaarden, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden met stemrecht. In de oproeping tot de algemene vergadering wordt de tekst van dit artikel opgenomen. Art. 255 De omzetting vereist de eenparige instemming van de aanwezige leden indien de onderlinge verzekeringsvereni- ging niet ten minste twee jaar bestaat of indien in de statuten is bepaald dat zij geen andere rechtsvorm mag aannemen. Zodanige bepaling van de statuten kan enkel onder dezelfde voorwaarden worden gewijzigd. Art. 256 Onmiddellijk na het besluit tot omzetting worden de statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar doel en van de oorspron- kelijke samenstelling van de organen, vastgesteld volgens dezelfde regels inzake aanwezigheid en meerderheid als die welke voor de omzetting voorgeschreven zijn. Gebeurt dit niet, dan blijft de omzetting zonder gevolg. Art. 257 Zodra de besluiten als bedoeld in de artikelen 253 tot 256 zijn goedgekeurd: 1° is de onderlinge verzekeringsvereniging omgezet en worden haar leden van rechtswege en met onmiddellijke ingang aandeelhouders of vennoten van de vennootschap in haar nieuwe vorm, op de wijze die is voorgesteld in het verslag bedoeld in artikel 250, waarbij de leden geacht worden van rechtswege te voldoen aan alle eventuele voorwaarden om vennoot of aandeelhouder van de vennootschap in haar nieuwe vorm te worden; En cas de convocation par lettre, une copie des rapports de l’organe légal d’administration et du commissaire est annexée à la convocation. Ces documents sont également transmis gratuitement aux membres de l’association qui en formulent la demande par écrit. Art. 254 La transformation de l’association d’assurance mutuelle est décidée par l’assemblée générale. Sauf si les statuts pré- voient des conditions de quorum et de majorité plus strictes, l’assemblée générale ne peut valablement délibérer que si au moins la moitié des membres titulaires d’un droit de vote sont présents ou représentés à la réunion et si la décision recueille au moins quatre cinquièmes des voix émises. Si le quorum requis par les statuts ou par la loi n’est pas atteint, il est procédé à une seconde convocation. Cette seconde convocation satisfait aux règles visées à l’article 253. La deuxième assemblée générale délibère quel que soit le nombre de membres titulaires d’un droit de vote pré- sents ou représentés, aux mêmes conditions de vote. Les convocations à l’assemblée générale reproduisent le texte du présent article. Art. 255 La transformation requiert l’accord unanime des membres présents si l’association d’assurance mutuelle n’existe pas depuis deux ans au moins ou si les statuts prévoient qu’elle ne pourra adopter une autre forme. Une telle clause des statuts ne peut être modifiée que dans les mêmes conditions. Art. 256 Immédiatement après la décision de transformation, les statuts de la société sous sa nouvelle forme, en ce compris les clauses qui modifieraient son objet social ainsi que la composition initiale des organes, sont arrêtés aux mêmes conditions de présence et de majorité que celles requises pour la transformation. A défaut, la transformation est sans effet. Art. 257 Dès l’approbation des décisions visées aux articles 253 à 256: 1° l’association d’assurance mutuelle est transformée et ses membres deviennent de plein droit et avec effet immédiat actionnaires ou associés de la société sous sa nouvelle forme de la manière proposée dans le rapport visé à l’article 250, ces membres étant réputés satisfaire de plein droit à toutes les conditions éventuellement requises pour devenir associés ou actionnaires de la société sous sa nouvelle forme; 504 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° verliezen de leden van de vereniging alle rechten die zij nog zouden kunnen hebben, zelfs voor de toekomst of onder voorwaarde, ingevolge hun vroegere hoedanigheid van lid; 3° behouden de verzekeringnemers, de verzekerden en alle derden bij de verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten evenwel hun op die datum in het kader van de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten verworven rechten; deze overeenkomsten worden voor de toekomst van rechtswege aangepast op de wijze die voorgesteld is in het verslag bedoeld in artikel 250; 4° voor zover de vennootschap de wettelijke en reglemen- taire vereisten ter zake vervult of blijft vervullen, behoudt zij in haar nieuwe vorm alle vergunningen voor de uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten waarvan de vereniging houder was vóór haar omzetting. Art. 258 Ieder besluit tot omzetting wordt, op straffe van nietigheid, bij authentieke akte vastgesteld. In die authentieke akte wordt de conclusie overgenomen van het verslag dat door de erkend commissaris werd opgesteld overeen komstig artikel 251. De authentieke akte van omzetting en de statuten van de vennootschap in haar nieuwe vorm worden tegelijk bekend- gemaakt overeenkomstig de artikelen 67, paragrafen 1 tot 3, en 73 van het Wetboek van Vennootschappen. De akte van omzetting wordt bekendgemaakt in haar geheel; de statuten worden bij uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 67 tot 69 en 72 van hetzelfde Wetboek. Onverminderd de onmiddellijke tegenwerpbaarheid van de in artikel 257, 3° bedoelde contractuele aanpassingen, kan de omzetting aan derden worden tegengeworpen vol- gens de bepalingen van artikel  76  van het Wetboek van Vennootschappen. Van de volmachten, alsook van de verslagen van het wet- telijk bestuursorgaan en van de erkend commissaris, wordt het origineel dan wel een expeditie neergelegd tegelijk met de akte waarop zij betrekking hebben. Eenieder kan daarvan kennis nemen of een afschrift verkrijgen volgens de voor- waarden van artikel 67, paragraaf 3, van het Wetboek van Vennootschappen. Art. 259 De bepalingen van artikel  784  van het Wetboek van Vennootschappen zijn van toepassing, met uitzondering van het eerste lid. Art. 260 De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de on- derlinge verzekeringsvereniging die wordt omgezet, zijn, niettegenstaande enig anders luidend beding, jegens de belang hebbenden hoofdelijk gehouden: 2° les membres de l’association perdent tous les droits qu’ils pourraient encore avoir, même à l’avenir ou sous condi- tion, en raison de leur ancienne qualité de membre; 3° les preneurs d’assurance, assurés et tout tiers aux contrats d’assurance ou de réassurance conservent cepen- dant les droits acquis à cette date en vertu des contrats d’assurance ou de réassurance, ces contrats étant, pour l’avenir, adaptés de plein droit de la manière proposée dans le rapport visé à l’article 250; 4° pour autant qu’elle respecte ou continue à respecter les exigences légales et réglementaires en la matière, la société sous sa nouvelle forme continue à bénéficier des agréments pour exercer des activités d’assurance ou de réassurance dont l’association était titulaire avant sa transformation. Art. 258 Toute décision de transformation est, à peine de nullité, constatée par acte authentique. L’acte authentique reproduit la conclusion du rapport du commissaire agréé établi confor- mément à l’article 251. L’acte authentique de transformation et les statuts de la société sous sa nouvelle forme sont publiés simultanément conformément aux articles 67, paragraphes 1er à 3, et 73, du Code des sociétés. L’acte de transformation est publié en entier; les statuts le sont par extrait conformément aux articles 67 à 69 et 72 du même Code. Sans préjudice de l’opposabilité immédiate des adapta- tions contractuelles visées à l’article 257, 3°, la transformation est opposable aux tiers aux conditions prévues à l’article 76 du Code des sociétés. Les procurations, ainsi que les rapports de l’organe légal d’administration et du commissaire agréé, sont déposés en expédition ou en original en même temps que l’acte auquel ils se rapportent. Chacun pourra en prendre connaissance ou en obtenir copie aux conditions prévues à l’article 67, paragraphe 3, du Code des sociétés. Art. 259 Les dispositions de l’article 784 du Code des sociétés sont applicables, à l’exception de l’alinéa 1er. Art. 260 Les membres de l’organe légal d’administration de l’association d’assurance mutuelle qui est transformée sont tenus solidairement envers les intéressés, nonobstant toute stipulation contraire: 505 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° tot betaling van het eventuele verschil tussen het net- toactief dat opgenomen is in de in artikel 250 bedoelde staat en het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap in haar nieuwe vorm; 2° voor de overwaardering van het nettoactief dat opge- nomen is in de in artikel 250 bedoelde staat; 3° tot vergoeding van de schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is, hetzij van de nietigheid van de omzet- tingsverrichting wegens niet-naleving van de regels bepaald in de artikelen 403, 2° tot 4° en 454, 2° tot 4° van het Wetboek van Vennootschappen, die van naar analogie worden toege- past, of in artikel 258, eerste lid, hetzij van het ontbreken of de onjuistheid van de vermeldingen voor geschreven in artikel 453, eerste lid, met uitzondering van 6° en 9° tot 12° van hetzelfde Wetboek of van artikel 258, eerste lid. Afdeling III Fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen Art. 261 Onverminderd de artikelen 102 tot 106 kan een onderlinge verzekeringsvereniging door overneming fuseren met een andere onderlinge verzekeringsvereniging. Wanneer een onderlinge verzekeringsvereniging door overneming fuseert met een andere onderlinge verzeke- ringsvereniging, zijn de in boek XI van het Wetboek van Vennootschappen vervatte bepalingen betreffende fusie door overneming van toepassing. Deze bepalingen zijn van toepassing onder voorbehoud van de afwijkingen en met inachtneming van de nadere bepalingen die in deze Afdeling zijn opgenomen. In dat geval wordt onder de in het genoemde Wetboek gebruikte termen “vennootschap” en “venno(o)t(en)” respectie velijk de “onderlinge verzekeringsvereniging” en haar “leden” verstaan. Art. 262 In afwijking van artikel  671  van het Wetboek van Vennootschappen is fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen de rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van één of meer onderlinge verzekerings- verenigingen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbin ding zonder vereffening op een andere onderlinge verzekeringsvereniging overgaat en waarbij de leden van de overgenomen vereniging(en) als tegenprestatie de hoedanig heid verkrijgen van leden van de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging. 1° de la différence éventuelle entre l’actif net repris à l’état prévu à l’article 250 et le capital social de la société sous sa nouvelle forme; 2° de la surévaluation de l’actif net repris à l’état prévu à l’article 250; 3° de la réparation du préjudice qui est une suite immédiate et directe soit de la nullité de l’opération de transformation en raison de la violation des règles prévues aux articles 403, 2° à 4°, et 454, 2° à 4°, du Code des sociétés, appliquées par analogie, ou de l’article 258, alinéa 1er, soit de l’absence ou du caractère erronné des énonciations prescrites par l’article 453, alinéa 1er, à l’exception des 6° et 9° à 12°, du même Code ou de l’article 258, alinéa 1er. Section III Fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle Art. 261 Sans préjudice des articles 102 à 106, une association d’assurance mutuelle peut fusionner par absorption avec une autre association d’assurance mutuelle. Lorsqu’une association d’assurance mutuelle fusionne par absorption avec une autre association d’assurance mutuelle, les dispositions du livre XI du Code des sociétés qui régissent la fusion par absorption sont d’application. Ces dispositions s’appliquent sous réserve des dérogations et moyennant les précisions mentionnées à la présente Section. Dans ce cas, les termes “société” et “associé(s)” utilisés dans ledit Code s’entendent respectivement de l’“association d’assurance mutuelle” et de ses “membres”. Art. 262 Par dérogation à l’article 671 du Code des sociétés, la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle est l’opération par laquelle une ou plusieurs associations d’assurance mutuelle transfèrent à une autre association d’assurance mutuelle, par suite d’une dissolution sans liquidation, l’intégralité de leur patrimoine, activement et passivement, moyennant l’acquisition, par les membres de la ou des associations absorbées, de la qualité de membres de l’association d’assurance mutuelle absorbante. 506 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 263 De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om ken- nis te nemen van de in artikel 689 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde vorderingen betreffende de fusie van onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 264 In afwijking van artikel 693, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen wordt in het fusievoorstel ten minste vermeld: 1° de rechtsvorm, de naam, het doel en de zetel van de te fuseren onderlinge verzekeringsverenigingen; 2° een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoor- ding voor de maatregelen tot regeling van de rechten en ver- plichtingen van de leden van de overgenomen vereniging bin- nen de overnemende vereniging, alsmede een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de financiële gevolgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende vereniging, met name met betrekking tot het recht van de leden op restorno’s, de verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht van de leden op het verenigingsvermogen; 3° de datum vanaf dewelke de rechten en verplichtingen van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging ingaan; 4° onverminderd de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, een nauwkeurige omschrijving van en een verantwoording voor de aanpassingen die in het kader van de fusie in de verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten moeten worden aangebracht; 5° de datum vanaf dewelke de handelingen van de over- genomen vereniging boekhoudkundig geacht worden te zijn verricht voor rekening van de overnemende vereniging; 6° de rechten die de overnemende vereniging toekent aan de leden van de over te nemen vereniging die bijzondere rechten hebben, of de jegens hen voorgestelde maatregelen; 7° de bezoldiging die wordt toegekend aan de erkend commissarissen voor het opstellen van het in artikel 266 be- doelde verslag; 8° ieder bijzonder voordeel toegekend aan de leden van de beheers- en bestuursorganen van de te fuseren verenigingen. Het fusievoorstel wordt door elke vereniging die bij de fusie betrokken is, uiterlijk zes weken voor de algemene ver- gadering die over de fusie moet besluiten, ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegd. Art. 263 Le tribunal de première instance est compétent pour connaître des actions visées à l’article 689 du Code des socié- tés relatives à la fusion d’associations d’assurance mutuelle. Art. 264 Par dérogation à l’article 693, alinéa 2, du Code des socié- tés, le projet de fusion mentionne au moins: 1° la forme, la dénomination, l’objet et le siège social des associations d’assurance mutuelle appelées à fusionner; 2° une description précise et une justification des me- sures réglant les droits et les obligations des membres de l’association absorbée dans l’association absorbante, et des conséquences financières de la fusion pour les membres des associations absorbée et absorbante, notamment en ce qui concerne le droit des membres aux ristournes, l’obligation au paiement de contributions complémentaires en cas de déficit et le droit des membres sur l’avoir social; 3° la date à partir de laquelle les droits et obligations des membres de l’association absorbée dans l’association absor- bante prennent cours; 4° sans préjudice de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, une description précise et une justification des adaptations devant être apportées aux contrats d’assurance ou de réassurance dans le cadre de la fusion; 5° la date à partir de laquelle les opérations de l’asso- ciation absorbée sont, du point de vue comptable, consi- dérées comme accomplies pour le compte de l’association absorbante; 6° les droits que l’association absorbante reconnaît aux membres de l’association à absorber qui ont des droits spé- ciaux ou les mesures proposées à leur égard; 7° les émoluments attribués aux commissaires agréés chargés de la rédaction du rapport prévu à l’article 266; 8° tout avantage particulier attribué aux membres des organes de gestion et d’administration des associations appelées à fusionner. Six semaines au moins avant l’assemblée générale appe- lée à se prononcer sur la fusion, le projet de fusion est déposé au greffe du tribunal de première instance par chacune des associations appelées à fusionner. 507 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 265 In afwijking van artikel 694  van het Wetboek van Vennootschappen wordt in het omstandig schriftelijk verslag dat door het wettelijk bestuursorgaan van elke onderlinge verzekeringsvereniging wordt opgesteld, de stand van het vermogen van de te fuseren verenigingen uiteen gezet en worden tevens uit een juridisch en economisch oogpunt toegelicht en verantwoord: de wenselijkheid van de fusie, de voorwaarden en de wijze waarop ze zal geschieden en de gevolgen ervan, alsook de maatregelen tot regeling van de rechten van de leden van de overgenomen vereniging binnen de overnemende vereniging, inzonderheid het recht op res- torno’s, de verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en het recht op het verenigingsvermogen. Art. 266 In afwijking van artikel 695, tweede en derde lid van het Wetboek van Vennootschappen brengt de erkend commis- saris met name verslag uit over de financiële gevolgen van de fusie voor de leden van de overgenomen en de overnemende onderlinge verzekeringsvereniging. Dit verslag moet ten minste: 1° aangeven of de financiële en boekhoud kundige gege- vens uit het in artikel 265 bedoelde verslag van het wettelijk bestuursorgaan waarheidsgetrouw en toereikend zijn om de algemene vergadering die over het fusievoorstel moet stem- men, duidelijkheid te verschaffen; 2° beschrijven welke gevolgen de fusie heeft voor het recht van de leden op restorno’s, voor hun verplichting tot betaling van bijkomende bijdragen in geval van deficit en voor hun recht op het verenigingsvermogen. Art. 267 In elke onderlinge verzekeringsvereniging worden de leden van de vereniging, met inachtneming van de statutaire regels voor statutenwijzigingen, of, indien deze strenger zijn, voor de vereffening, opgeroepen tot een algemene vergadering die moet beraadslagen over het besluit tot fusie. Artikel 697, § 1, tweede lid, en § 2, eerste lid, 4°, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing op de onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 268 Voor fusies door overneming van onderlinge verzekerings- verenigingen zijn de in artikel 699, § 1, 1°, van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde regels inzake quorum en meerderheid van toepassing, met dien verstande dat de woorden “maatschappelijk kapitaal” en “kapitaal” door de woorden “maatschappelijk fonds” moeten worden vervangen. Art. 265 Par dérogation à l’article 694  du Code des sociétés, le rapport écrit et circonstancié établi par l’organe légal d’administration de chaque association d’assurance mutuelle expose la situation patrimoniale des associations appelées à fusionner et explique et justifie, du point de vue juridique et économique, l’opportunité, les conditions, les modalités et les conséquences de la fusion, ainsi que les mesures réglant les droits des membres de l’association absorbée dans l’association absorbante, en particulier le droit aux ristournes, l’obligation au paiement de contributions complémentaires en cas de déficit et le droit sur l’avoir social. Art. 266 Par dérogation à l’article 695, alinéas 2 et 3 du Code des sociétés, le commissaire agréé fait notamment rapport sur les conséquences financières de la fusion pour les membres de l’association d’assurance mutuelle absorbée et de l’associa- tion d’assurance mutuelle absorbante. Ce rapport doit au moins: 1° indiquer si les informations financières et comptables contenues dans le rapport de l’organe légal d’administration visé à l’article 265 sont fidèles et suffisantes pour éclairer l’assemblée générale appelée à voter sur le projet de fusion; 2° décrire les conséquences de la fusion sur le droit des membres aux ristournes, sur leurs obligations au paiement de contributions complémentaires en cas de déficit et sur leur droit sur l’avoir social. Art. 267 Dans chaque association d’assurance mutuelle, les membres de l’association sont convoqués à une assemblée générale appelée à délibérer sur la décision de fusion, dans le respect des règles statutaires prévues pour la modification aux statuts ou, si elles sont plus strictes, pour la mise en liquidation. L’article 697, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 1er, 4°, du Code des sociétés est applicable aux associations d’assurance mutuelle. Art. 268 Pour la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle, les conditions de quorum et de majorité visées à l’article 699, § 1er, 1°, du Code des sociétés s’appliquent étant entendu qu’il faut substituer aux mots “capital social” et “capital” les mots “fonds social”. 508 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 699, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is niet van toepassing op fusies door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen. Art. 269 In afwijking van artikel  701  van het Wetboek van Vennootschappen worden eventuele wijzigingen in de sta- tuten van de overnemende onderlinge verzekeringsvereni- ging, met inbegrip van de bepalingen tot wijziging van haar doel, vastgesteld volgens de regels inzake aanwezigheid en meerderheid die krachtens de statuten van de overnemende vereniging vereist zijn. Art. 270 Voor de toepassing van artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen geldt voor de fusie door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen de in artikel 264, 5°, bedoelde datum als de in artikel 693, tweede lid, 5°, van hetzelfde Wetboek bedoelde datum. Art. 271 Artikel 211 van het WIB 1992 is van toepassing op fusies door overneming van onderlinge verzekeringsverenigingen, in de mate dat de betrokken verenigingen onderworpen zijn aan de vennootschaps belasting. HOOFDSTUK II Ondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen Afdeling I Toepassingsgebied Art. 272 Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekerings- ondernemingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de jaarlijkse inkomsten uit de geboekte brutopremies van de onderneming bedragen niet meer dan 5 000 000 EUR; 2° de totale technische voorzieningen van de onderne- ming, of van de groep in de zin van artikel 339, 2° waarvan ze deel uitmaakt, zonder aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzekeringsovereenkomsten en ef- fectiseringsvehikels, als bedoeld in artikel 125, bedragen niet meer dan 25 000 000 EUR; 3° het bedrijf van de onderneming omvat geen verzeke- ringsactiviteiten ter dekking van aansprakelijkheids-, krediet- en borgtocht verzekeringsrisico’s, tenzij deze bijkomende risico’s vormen in de zin van artikel 21, § 2; L’article 699, § 3, du Code des sociétés n’est pas appli- cable à la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle. Art. 269 Par dérogation à l’article  701  du Code des sociétés, les modifications éventuelles des statuts de l’association d’assurance mutuelle absorbante, y compris les clauses qui modifieraient son objet social, sont arrêtées aux conditions de présence et de majorité requises par les statuts de l’asso- ciation absorbante. Art. 270 Pour l’application de l’article 704, alinéa 1er, du Code des sociétés, la date visée à l’article 693, alinéa 2, 5°, du même Code est, pour la fusion par absorption d’associations d’assu- rance mutuelle, la date visée à l’article 264, 5°. Art. 271 L’article 211 du CIR 1992 est applicable à la fusion par absorption d’associations d’assurance mutuelle dans la mesure où les associations concernées sont soumises à l’impôt des sociétés. CHAPITRE II Entreprises soumises à un régime particulier en raison de leur taille Section Ire Champ d’application Art. 272 Le présent Chapitre s’applique aux entreprises d’assu- rance qui satisfont aux conditions suivantes: 1° l’encaissement annuel de primes brutes émises par l’entreprise n’excède pas 5 000 000 EUR; 2° le total des provisions techniques de l’entreprise, ou du groupe au sens de l’article 339, 2° dont elle fait partie, déduction non faite des créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, visées à l’article 125, n’excède pas 25 000 000 EUR; 3° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’activités d’assurance couvrant les risques de responsabilité civile, de crédit et de caution, sauf si ceux-ci constituent des risques accessoires au sens de l’article 21, § 2; 509 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4°  het bedrijf van de onderneming omvat geen herverzekeringsverrichtingen; 5° de onderneming oefent noch rechtstreeks, noch on- rechtstreeks, activiteiten uit in het buitenland. Art. 273 Een verzekerings onderneming die gedurende drie ach- tereenvolgende jaren een van de in artikel 272 bedoelde bedragen overschrijdt, kan zich niet langer beroepen op de bepalingen van dit Hoofdstuk. Een onderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van Titel  II van dit Boek een vergunning als verzekerings- onderneming aanvraagt, kan zich niet beroepen op de bepa- lingen van dit Hoofdstuk indien een van de in artikel 272 ge- noemde bedragen naar verwachting in de volgende vijf jaar zal worden overschreden. Art. 274 Een verzekerings onderneming die overeenkomstig Hoofdstuk I van Titel II van dit Boek een vergunning heeft ver- kregen, kan om de toepassing verzoeken van de bepalingen van dit Hoofdstuk wanneer de Bank van oordeel is dat deze onderneming naast de voorwaarden van artikel 272 ook de volgende voorwaarden vervult: 1° geen van de in artikel 272 genoemde bedragen werd in de drie jaar vóór het verzoek overschreden; 2° naar verwachting zal geen van de in artikel 272 ge- noemde bedragen worden overschreden in de vijf jaar na het verzoek. Tot staving van haar verzoek verstrekt de onderneming de informatie die vereist is om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden van het eerste lid. Afdeling II Ondernemingen die een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de verzekeringsovereenkomsten of in de overdracht van de verplichtingen Art. 275 § 1. Deze wet, met uitzondering van de in deze Afdeling bedoelde bepalingen en de Boeken IV en V, is niet van toepas- sing op niet-levensverzekeringsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 272 en 273 en die met een verzekerings - of herverzekeringsonderneming waaraan met toepassing van Titel II van dit Boek een vergunning is verleend of waaraan met toepassing van Titel I van Boek III toestemming is verleend, een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de volledige en systematische herverzekering van de door hen gesloten verzekerings overeenkomsten of 4° l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’opérations de réassurance; 5° l’entreprise n’exerce, directement ou indirectement, aucune activité à l’étranger. Art. 273 Les entreprises d’assurance qui, pendant trois années consécutives, dépassent l’un des montants visés à l’ar- ticle 272 ne peuvent plus se prévaloir des dispositions du présent Chapitre. Une entreprise qui sollicite l’agrément en qualité d’entre- prise d’assurance conformément au Chapitre Ier du Titre II du présent Livre ne peut se prévaloir des dispositions du présent Chapitre si, selon les prévisions, l’un des seuils énoncés à l’article 272 est susceptible d’être dépassé au cours des cinq années suivantes. Art. 274 Une entreprise d’assurance agréée conformément au Chapitre Ier du Titre II du présent Livre peut demander à bénéficier des dispositions du présent Chapitre lorsque, outre les conditions de l’article 272, elle satisfait, à l’appréciation de la Banque, aux conditions suivantes: 1° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’a été dépassé pendant les trois années précédant la demande; 2° aucun des seuils énoncés à l’article 272 n’est, selon les prévisions, susceptible d’être dépassé au cours des cinq années suivant la demande. L’entreprise fournit, à l’appui de sa demande, les informa- tions nécessaires à la vérification des conditions prévues à l’alinéa 1er. Section II Entreprises qui ont conclu une convention comportant la réassurance intégrale et systématique des contrats d’assurance ou la cession des engagements Art. 275 § 1er. La présente loi, à l’exception des dispositions visées à la présente Section et des Livres IV et V, n’est pas appli- cable aux entreprises d’assurance non-vie qui satisfont aux conditions des articles 272 et 273 et qui ont conclu avec une entreprise d’assurance ou de réassurance agréée en applica- tion du Titre II du présent Livre ou autorisée en application du Titre Ier du Livre III une convention comportant la réassurance intégrale et systématique des contrats d’assurance qu’elles souscrivent ou la cession des engagements contractuels impliquant la substitution de l’entreprise cessionnaire à 510 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in de overdracht van de contractuele verplichtingen die de vervanging tot gevolg heeft van de cederende onderneming door de overnemende onderneming voor de nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen. Die overeenkomst bevat de verplichting, voor de overne- mende onderneming, om de Bank minstens drie maanden voor de vervaldag in kennis te stellen van de beëindiging of de niet-verlenging ervan, evenals van elke bepaling die tot gevolg zou hebben dat de cederende overneming het voordeel van de toepassing van deze paragraaf verliest. § 2. Het voordeel van de bepalingen van paragraaf 1 kan maar worden toegekend indien er een voorafgaande inschrij- ving heeft plaatsgevonden. Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het bewijs bevat dat voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1, alsook een kopie van de overeenkomst met de identiteitsgegevens van de overnemende onderneming. De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaanvraag binnen twee maanden na indiening van een volledig dossier. De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijf- tien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijn bedoeld in het derde lid. De Bank maakt een lijst op van de verzekerings- ondernemingen die met toepassing van dit artikel zijn inge- schreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing. §  3. De in deze Afdeling bedoelde verzekerings- ondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in deze Afdeling bedoelde inschrijvingsvoorwaarden. Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op in- dividuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale verzekerings ondernemingen moet worden verstrekt. De ondernemingen delen aan de Bank op eigen initi- atief en onverwijld alle factoren mee die tot gevolg zou- den kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden. De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn van toepassing. § 4. Wanneer de Bank vaststelt dat een in deze Afdeling bedoelde verzekerings onderneming niet werkt overeenkom- stig de bepalingen van dit artikel of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt l’entreprise cédante pour l’exécution des engagements résultant desdits contrats. Cette convention mentionne l’obligation, pour l’entreprise cessionnaire, d’avertir la Banque, au moins trois mois avant l’échéance, de sa résiliation ou de son non-renouvelle- ment, ainsi que de toute disposition qui aurait pour effet de faire perdre à l’entreprise cédante le bénéfice du présent paragraphe. § 2. Le bénéfice des dispositions du paragraphe 1er est subordonné à l’octroi d’une inscription préalable. La demande d’inscription est adressée à la Banque, accompagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions fixées par la Banque et qui comporte notamment la preuve que les conditions prévues par la paragraphe 1er sont satisfaites, ainsi qu’une copie de la convention identifiant l’entreprise cessionnaire. La Banque statue sur la demande d’inscription dans les deux mois de l’introduction d’un dossier complet. Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions en matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque établit une liste des entreprises d’assurance inscrites en application du présent article. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site Internet. Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application. § 3. Les entreprises visées à la présente Section four- nissent à la Banque, à sa demande, toutes les informations nécessaires en vue de vérifier le respect des conditions d’inscription prévues à la présente Section. Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur une base individuelle ou par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des informations dont elle exige la communica- tion de la part des entreprises locales d’assurance. Les entreprises communiquent à la Banque d’initiative, sans délai, tout élément susceptible de conduire au non-res- pect des conditions d’inscription. Les articles 304, alinéa 2, 1° et 305 à 307 sont applicables. §  4.  Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance visée à la présente Section ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions du présent article ou des mesures prises pour son exécution, ou qu’elle dispose 511 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeen- komstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien de onderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maat- regelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1° tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 293 is van toepassing. § 5. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing. Afdeling III Andere verzekeringsondernemingen Art. 276 Voor de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderne- mingen die niet in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van artikel 275, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing onder de voorwaarden en met inachtneming van de preciseringen en beperkingen die in deze Afdeling zijn opgenomen. Bovendien bepaalt de Koning, met inachtneming van de preciseringen en beperkingen die Hij vastlegt, welke bepalin- gen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/ EG van toepassing zijn op de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekerings ondernemingen. De in dit artikel bedoelde ondernemingen worden afzon- derlijk vermeld in de lijst bedoeld in artikel 31. Art. 277 De artikelen 37 en 38 zijn van toepassing met dien ver- stande dat verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moeten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 286 en 287. Art. 278 De artikelen 45 en 46 zijn niet van toepassing. De effectieve leiding wordt toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen. De verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd aan het directiecomité, rusten op de personen die belast zijn met de effectieve leiding. In afwijking van het eerste lid kan de Bank, op grond van de omvang en het risicoprofiel van de verzekerings onderneming, d’éléments indiquant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er, l’en- treprise n’a pas remédié à la situation, la Banque peut prendre une ou plusieurs des mesures énumérées à l’article 517, § 1er, 1° à 7°. Les paragraphes 2 à 7 du même article et l’article 518, alinéa 1er, sont applicables par analogie. L’article 293 est applicable. § 5. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les articles 105 et 106 sont applicables. Section III Autres entreprises d’assurance Art. 276 Pour les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre qui ne bénéficient pas des dispositions de l’article 275, les dispositions de la présente loi sont applicables dans les conditions et moyennant les précisions et restrictions prévues à la présente Section. Le Roi détermine en outre, moyennant les précisions et restrictions qu’Il spécifie, les dispositions des mesures d’exé- cution de la Directive 2009/138/CE qui sont applicables aux entreprises d’assurance visées au présent Chapitre. La liste visée à l’article 31 mentionne distinctement les entreprises visées au présent article. Art. 277 Les articles 37 et 38 sont d’application étant entendu que les références aux articles 151 et 189 doivent être entendues comme l’étant respectivement aux articles 286 et 287. Art. 278 Les articles 45 et 46 ne sont pas d’application. La direction effective est confiée à deux personnes phy- siques au moins. Les obligations incombant, par ou en vertu de la présente loi, au comité de direction sont assumées par les personnes chargées de la direction effective. Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, en fonction de la taille et du profil de risque de l’entreprise d’assurance, 512 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verlangen dat een directiecomité wordt opgericht overeen- komstig de artikelen 45 en 46. Art. 279 Onverminderd de verplichtingen waarin het Wetboek van Vennootschappen voorziet voor genoteerde vennootschap- pen, zijn de artikelen 48 tot 53 en 56, § 3 niet van toepassing. De taken die door de artikelen 49 tot 51 zijn toegewezen aan het auditcomité, het remuneratiecomité en het risicoco- mité, worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel, met uitzondering van de leden ervan die belast zijn met de effectieve leiding of, in voorkomend geval, van de uitvoerende leden ervan. Art. 280 De artikelen 74 en 75 zijn van toepassing met dien ver- stande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moe- ten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 285 en 286. Art. 281 § 1. Artikel 83 is niet van toepassing. § 2. De in deze Afdeling bedoelde ondernemingen zien erop toe dat de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de effectieve leiding en, in voorkomend geval, van het directiecomité, blijk geven van voldoende beschikbaarheid bij de uitvoering van hun taken, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van de verrichtingen die door de onderneming worden uitgevoerd, en zich niet in een belangen- conflictsituatie bevinden, rekening houdend met de diverse mandaten of functies die zij bekleden. De onderneming stelt interne regels vast en ziet toe op de naleving van die regels, met het oog op de naleving van de doelstellingen van het eerste lid en op de openbaarmaking van de uitoefening van externe functies door de in het eerste lid bedoelde personen. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de wijze bepalen waarop de in deze paragraaf bedoelde verplichtingen moeten worden uitgevoerd. Art. 282 De artikelen 86 tot 91 zijn niet van toepassing. Art. 283 De artikelen 95 tot 97 en 99 tot 101 zijn niet van toepassing. imposer la constitution d’un comité de direction conformément aux articles 45 et 46. Art. 279 Sans préjudice des obligations prévues par le Code des sociétés en ce qui concerne les sociétés cotées, les articles 48 à 53 et 56, § 3 ne sont pas d’application. Les fonctions attribuées au comité d’audit, au comité de rémunération et au comité des risques par les articles 49 à 51 sont exercées par l’organe légal d’administration dans son ensemble, à l’exclusion de ses membres qui sont chargés de la direction effective ou, le cas échéant, de ses membres exécutifs. Art. 280 Les articles 74 et 75 sont d’application étant entendu que les références aux articles 151 et 189 doivent être entendues comme l’étant respectivement aux articles 285 et 286. Art. 281 § 1er. L’article 83 n’est pas d’application. § 2. Les entreprises visées à la présente Section veillent à ce que les membres de l’organe légal d’administration, de la direction effective et, le cas échéant, du comité de direction, fassent preuve d’une disponibilité suffisante dans l’exercice de leurs fonctions compte tenu de l’ampleur et de la com- plexité des opérations effectuées par l’entreprise et ne soient pas dans des situations de conflit d’intérêts compte tenu des divers mandats ou fonctions qu’ils exercent. L’entreprise adopte et fait respecter des règles internes en vue du respect des objectifs visés à l’alinéa 1er et de la publication de l’exercice de fonctions extérieures par les personnes visées à l’alinéa 1er. La Banque peut fixer les modalités des obligations visées au présent paragraphe par la voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998. Art. 282 Les articles 86 à 91 ne sont pas d’application. Art. 283 Les articles 95 à 97 et 99 à 101 ne sont pas d’application. 513 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen, volgens de frequentie die zij bepaalt, informatie bekendmaken over hun solvabiliteit en hun financiële positie. Art. 284 De artikelen 107 tot 122 zijn niet van toepassing. Art. 285 § 1. In afwijking van de artikelen 151 tot 188 is het solvabi- liteitskapitaalvereiste waaraan de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen moeten voldoen, minstens gelijk aan de som van de volgende bedragen: 1° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten, met uitzonde- ring van die welke betrekking hebben op lopende renten en op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel of vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie af- gesloten boekjaren; 2° voor niet-levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de dekking van natuurrampen, stormen, hagel en vorst: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste zeven afgesloten boekjaren; 3° voor levensverzekeringsactiviteiten, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de dekking van bijko- mende risico’s in de zin van artikel 21, § 2, en voor de lopende renten van de niet-levensverzekeringsactiviteiten, de som van: a) 4 % van de technische voorzieningen van het vorige boekjaar, met dien verstande dat dit percentage verminderd wordt tot 1 % voor de activiteiten waarvoor het beleggings- risico wordt gedragen door de verzekeringnemer en voor de activiteiten die tot tak 25 van Bijlage II behoren; b) 0,3 % van de niet-negatieve risicokapitalen van het voorbije boekjaar. 4° voor de levensverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de dekking van bijkomende risico’s in de zin van artikel 21, § 2: 25 % van de gemiddelde schadelast van de laatste drie afgesloten boekjaren. Het solvabiliteitskapitaalvereiste is minstens gelijk aan het bedrag dat met toepassing van artikel 189, § 1, 4° is vastge- steld, ongeacht het bedrag dat met toepassing van het eerste lid is vastgesteld. § 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998: 1° de wijze van berekening van de schadelast; 2° de limieten waarbinnen met de uitbetalingen van de herverzekeringsondernemingen en de effectiseringsvehikels La Banque peut, par la voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, imposer aux entreprises visées par la présente Section, selon la fréquence qu’elle détermine, la publication d’informations relatives à leur solvabilité et leur situation financière. Art. 284 Les articles 107 à 122 ne sont pas d’application. Art. 285 § 1er. Par dérogation aux articles 151 à 188, le capital de solvabilité requis que les entreprises visées à la présente Section détiennent est au moins égal à la somme des mon- tants suivants: 1° pour les activités d’assurances non-vie à l’exception de celles relatives aux rentes en cours et à la couverture des risques de catastrophes naturelles, tempêtes, grêle ou gelées: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des trois derniers exercices clôturés; 2° pour les activités d’assurance non-vie relatives à la couverture des risques de catastrophes naturelles, de tem- pêtes, grêle et gelées: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des sept derniers exercices clôturés; 3° pour les activités d’assurance-vie, à l’exception de celles relatives à la couverture de risques accessoires au sens de l’article 21, § 2, et pour les rentes en cours des activités d’assurance non-vie, la somme de: a) 4 % des provisions techniques de l’exercice précé- dent, ce pourcentage étant réduit à 1 % pour les activités pour lesquelles le risque de placement est supporté par le preneur d’assurance et les activités relevant de la branche 25 de l’Annexe II; b) 0,3 % des capitaux sous risque non négatifs de l’exer- cice précédent. 4° pour les activités d’assurance-vie relatives à la couver- ture des risques accessoires au sens de l’article 21, § 2: 25 % de la moyenne de la charge des sinistres des trois derniers exercices clôturés. Quel que soit le montant déterminé en application de l’alinéa 1er, le capital de solvabilité requis est au moins égal au montant déterminé en application de l’article 189, § 1er, 4°. § 2. Aux fins du présent article, la Banque précise, par la voie d’un règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998: 1° le mode de calcul de la charge des sinistres; 2° les limites endéans lesquelles les interventions des entreprises de réassurance et des véhicules de titrisation sont 514 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 rekening wordt gehouden bij de berekening van de bedoelde schadelast, de technische voorzieningen en de risicokapitalen. Art. 286 In afwijking van artikel 189 voldoen de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen aan een minimumkapitaal vereiste dat minstens gelijk is aan 60 % van het overeenkomstig artikel 285 berekende solvabiliteitskapitaalvereiste. Art. 287 § 1. De artikelen 140 tot 150 zijn niet van toepassing. § 2. De volgende elementen worden in aanmerking geno- men voor de samenstelling van het in artikel 285 bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste: 1° het gestort maatschappelijk kapitaal, verhoogd met de uitgiftepremies, of, voor de onderlinge verzekeringsverenigin- gen, het gestorte deel van het maatschappelijk fonds plus de ledenrekeningen; 2° de (wettelijke en vrije) reserves die niet tegenover de verplichtingen staan of die niet zijn ingedeeld als voorzienin- gen voor egalisatie en catastrofen; 3° de overgebrachte resultaten; 4° het fonds voor toekomstige toewijzingen wanneer dit kan worden gebruikt ter dekking van eventuele verliezen en wanneer het niet beschikbaar is gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers; 5° de achtergestelde leningen; 6° de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maat- schappelijk kapitaal of van het maatschappelijk fonds, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dat kapitaal of fonds bedraagt; 7° bij onderlinge verzekerings verenigingen met variabele bijdragen, de suppletiebijdragen die zij van hun leden kunnen eisen in de volgende twaalf maanden; 8° de latente nettomeerwaarden die voortvloeien uit de waardering van activa, voor zover deze latente nettomeer- waarden geen uitzonderlijk karakter hebben. Van de in het eerste lid bedoelde elementen worden de eigen aandelen van de verzekeringsonderneming evenals de in het eerste lid, 5° bedoelde elementen afgetrokken die uitgegeven zijn door en rechtstreeks worden gehouden door de verzekeringsonderneming. De in het eerste lid, 5° tot 8° bedoelde elementen mogen enkel in aanmerking worden genomen mits de Bank daarvoor voorafgaandelijk haar toestemming heeft verleend en indien prises en compte dans le calcul de la charge des sinistres visée, des provisions techniques et des capitaux sous risques. Art. 286 Par dérogation à l’article 189, les entreprises visées par la présente Section détiennent un minimum de capital requis au moins égal à 60 % du capital de solvabilité requis calculé conformément à l’article 285. Art. 287 § 1er Les articles 140 à 150 ne sont pas applicables. § 2. Les éléments suivants sont pris en considération pour la constitution du capital de solvabilité requis visé à l’article 285: 1° le capital social versé, majoré des primes d’émission ou, s’il s’agit d’associations d’assurance mutuelle, le fonds initial effectif versé additionné des comptes de sociétaires; 2° les réserves (légales et libres) ne correspondant pas aux engagements ou qui ne sont pas classées comme provisions pour égalisation et catastrophes; 3° les résultats reportés; 4° le fonds pour dotations futures lorsqu’il peut être utilisé pour couvrir des pertes éventuelles et qu’il n’a pas été affecté à la participation des preneurs d’assurance; 5° les emprunts subordonnés; 6° la moitié de la fraction non versée du capital social ou du fonds initial, dès que la partie versée atteint 25 % de ce capital ou de ce fonds; 7° dans le cas d’une association d’assurance mutuelle à cotisations variables, toute créance future que cette asso- ciation peut détenir sur ses membres par voie de rappel de cotisations durant les douze mois à venir; 8° les plus-values latentes nettes provenant de l’évaluation d’éléments d’actif, dans la mesure où ces plus-values latentes nettes n’ont pas un caractère exceptionnel. Il est déduit des éléments visés à l’alinéa 1er, les actions propres de l’entreprise d’assurance, ainsi que les éléments visés au 5°, de l’alinéa 1er émis par et détenus directement par l’entreprise d’assurance. Les éléments visés aux 5° à 8° de l’alinéa 1er, ne peuvent être pris en considération que moyennant l’accord préalable de la Banque et à la condition que le total de ces éléments 515 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 het totaal van die elementen niet meer bedraagt dan 60 % van het solvabiliteitskapitaalvereiste. De Bank verleent haar goedkeuring op grond van: 1° de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband met hun vermogen en bereidheid om te betalen; 2° de invorderbaarheid van het vermogensbestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van het betrokken bestanddeel en met alle omstandigheden die zouden kunnen beletten dat het bestanddeel wordt gestort of opgevraagd; 3° informatie over de afloop van eerdere opvragingen door de verzekeringsondernemingen van dergelijk aanvullend ei- gen vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen. § 3. Voor de samenstelling van het minimumkapitaalver- eiste mogen de in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot 4° bedoelde elementen in aanmerking worden genomen. § 4. De Bank kan bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de overige voorwaarden bepalen waaraan de in dit artikel bedoelde eigenvermogensbestanddelen moeten voldoen. Art. 288 In afwijking van de artikelen 125 tot 139 berekenen en boeken de in deze Afdeling bedoelde ondernemingen hun technische voorzieningen volgens de regels van het konink- lijk besluit van 17 november 1994 op de jaarrekening van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. De in het eerste lid bedoelde technische voorzieningen moeten op elk ogenblik gedekt zijn door gelijkwaardige activa die de verzekeringsonderneming in volle eigendom toebehoren. In afwijking van artikel 123 kan de Bank, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de regels voor de waardering van de dek- kingswaarden bepalen. Artikel 194 is van toepassing met dien verstande dat de activa overeenkomstig het derde lid worden gewaardeerd. Art. 289 De artikelen 204 tot 211 zijn niet van toepassing. Art. 290 De artikelen 313 tot 316 zijn niet van toepassing. Voor de toepassing van artikel 312 gelden de volgende regels: n’excède pas la 60 % du capital de solvabilité requis. La Banque fonde son approbation sur: 1° le statut des contreparties concernées, eu égard à leur capacité et à leur disposition à payer; 2° la possibilité de récupération de l’élément de fonds propres, compte tenu de la forme juridique de l’élément consi- déré, ainsi que de toute circonstance qui pourrait empêcher qu’il soit payé ou appelé avec succès; 3° toute information sur l’issue des appels émis dans le passé par les entreprises d’assurance pour des éléments de fonds propres semblables, dans la mesure où cette informa- tion peut être raisonnablement utilisée pour estimer l’issue attendue des futurs appels. § 3. Peuvent être pris en considération pour la constitution du minimum de capital requis, les éléments visés au para- graphe 1er, alinéa 1er, 1° à 4°. §  4.  La Banque peut, par la voie d’un règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, déterminer les autres conditions auxquelles les éléments de fonds propres visés au présent article doivent répondre. Art. 288 Par dérogation aux articles 125 à 139, les entreprises visées par la présente Section calculent et comptabilisent leurs provisions techniques selon les règles de l’arrêté royal du 17 novembre 1994 relatif aux comptes annuels des entre- prises d’assurance et de réassurance. Les provisions techniques visées à l’alinéa 1er sont repré- sentées à tout moment par des actifs équivalents appartenant en pleine propriété à l’entreprise d’assurance. Par dérogation à l’article 123, la Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998 déterminer les règles d’évaluation des valeurs représentatives. L’article 194 est applicable étant entendu que les actifs sont évalués conformément à l’alinéa 3. Art. 289 Les articles 204 à 211 ne sont pas d’application. Art. 290 Les articles 313 à 316 ne sont pas d’application. Pour l’application de l’article 312, les règles suivantes sont applicables: 516 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de frequentie van de van tevoren bepaalde tijdstippen als bedoeld in paragraaf 2, 1°, a) van het genoemde arti- kel 312 mag niet hoger zijn dan jaarlijks; 2° de Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toe- zichtsdoeleinden benodigde informatie beperken; 3°  De Bank kan een onderneming vrijstellen van de verplichting om itemgewijs informatie als bedoeld in het genoemde artikel 312 te verstrekken, op voorwaarde dat de onderneming in staat is om haar deze informatie op eerste verzoek te verstrekken. Art. 291 Artikel 324 is niet van toepassing. Art. 292 De artikelen 510 en 511 zijn van toepassing met dien ver- stande dat de verwijzingen naar de artikelen 151 en 189 moe- ten worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 285 en 286. Art. 293 Indien een onderneming waarop de bepalingen van deze Afdeling van toepassing zijn, niettegenstaande de geogra- fische beperking van haar activiteiten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te beletten dat de onderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied. HOOFDSTUK III Lokale verzekeringsondernemingen Afdeling I Toepassingsgebied Art. 294 Dit Hoofdstuk is van toepassing op de verzekeringsonder- nemingen die hun verzekeringsactiviteiten beperken tot de gemeente waar hun zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende Belgische gemeenten. Deze ondernemingen worden “lokale verzekeringsondernemingen” genoemd. Art. 295 Met uitzondering van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de Boeken IV en V zijn de lokale verzekeringsonderne- mingen vrijgesteld van de toepassing van deze wet. 1° les moments prédéfinis visés au paragraphe 2, 1°, a) dudit article 312, ne peuvent avoir une fréquence supérieure à un an; 2° la Banque peut limiter la communication régulière des informations requises à des fins de contrôle; 3° la Banque peut dispenser une entreprise de l’obliga- tion de communiquer des informations visées audit article 312 poste par poste à condition que l’entreprise soit en mesure de lui fournir ces informations à la première demande. Art. 291 L’article 324 n’est pas d’application. Art. 292 Les articles 510 et 511 sont applicables étant entendu que les références aux articles 151 et 189 doivent s’entendre comme étant faites respectivement aux articles 285 et 286. Art. 293 Si, en violation de la limitation géographique de ses activi- tés, une entreprise bénéficiant des dispositions de la présente Section exerce des activités à l’étranger, la Banque informe les autorités de contrôle des États membres dans lesquels des activités sont exercées et leur demande de prendre les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise de pour- suivre ces opérations sur leur territoire. CHAPITRE III Entreprises locales d’assurance Section Ire Champ d’application Art. 294 Le présent Chapitre est applicable aux entreprises d’assurance qui restreignent leurs activités d’assurance à la commune de leur siège et aux communes belges limitrophes. Ces entreprises sont dénommées “entreprises locales d’assurance”. Art. 295 À l’exception de celles prévues par le présent Chapitre et des dispositions des Livres IV et V, les entreprises locales d’assurance sont dispensées de l’application de la présente loi. 517 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Inschrijving Art. 296 De toegang tot het verzekeringsbedrijf voor een lokale verzekeringsonderneming wordt afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een voorafgaandelijke inschrijving. Bij de inschrijvingsaanvraag die aan de Bank wordt gericht, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name een beschrijving bevat van de beleidsstructuur van de onderne- ming en het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 298. De Bank spreekt zich uit over de inschrijvingsaanvraag binnen zes maanden na indiening van een volledig dossier. De beslissingen inzake inschrijving worden binnen vijf- tien dagen ter kennis gebracht van de aanvragers met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs, met inachtneming van de termijnen bedoeld in het derde lid. De Bank maakt een lijst op van de lokale verzekerings- ondernemingen die met toepassing van dit Hoofdstuk zijn ingeschreven. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. De artikelen 22, 23, 27 en 30 zijn van toepassing. Art. 297 Een verzekeringsonderneming die overeenkomstig Titel I van dit Boek een vergunning heeft verkregen, kan afstand doen van haar vergunning en vragen om ingeschreven te worden overeenkomstig dit Hoofdstuk, indien: 1° zij voldoet aan alle in artikel 298 opgesomde voorwaarden; 2° de in artikel 298, 3°, d) genoemde ondergrens in de laatste drie jaar vóór de aanvraag niet werd overschreden en naar verwachting niet zal worden overschreden in de vijf jaar na de aanvraag; 3° zij afstand doet van haar vergunning overeenkomstig artikel 538, met dien verstande dat paragraaf 6 van het ge- noemde artikel 538 niet van toepassing is wanneer de onder- neming met toepassing van dit Hoofdstuk is ingeschreven. Section II Inscription Art. 296 L’accès aux activités d’assurance par une entreprise locale d’assurance est subordonné à l’octroi d’une inscription préalable. La demande d’inscription est adressée à la Banque, accompagnée d’un dossier administratif répondant aux conditions fixées par la Banque et qui comporte notamment la description de la structure de gestion de l’entreprise et la preuve que les conditions prévues par l’article 298 sont satisfaites. La Banque statue sur la demande d’inscription dans les six mois de l’introduction d’un dossier complet. Sans excéder le délai visé à l’alinéa 3, les décisions en matière d’inscription sont notifiées aux demandeurs dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque établit une liste des entreprises locales d’assu- rance inscrites en application du présent Chapitre. Cette liste et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site Internet. Les articles 22, 23, 27 et 30 sont d’application. Art. 297 Une entreprise d’assurance agréée conformément au Titre Ier du présent Livre peut renoncer à son agrément et de- mander son inscription conformément au présent Chapitre si: 1° elle remplit toutes les conditions énumérées à l’article 298; 2° le seuil énoncé à l’article 298, 3°, d) n’a pas été dépassé durant les trois années précédant la demande et, selon les prévisions, n’est pas susceptible d’être dépassé au cours des cinq années suivant la demande; 3°  elle renonce à son agrément conformément à l’ar- ticle 538, le paragraphe 6 dudit article 538 n’étant pas appli- cable dès lors que l’entreprise est inscrite en application du présent Chapitre. 518 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de inschrijving Art. 298 Om ingeschreven te kunnen worden moeten lokale ver- zekeringsondernemingen aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° opgericht zijn in de vorm van een onderlinge verzeke- ringsvereniging of een coöperatieve vennootschap; 2° een effectieve leiding hebben ingesteld die uit ten minste twee personen bestaat die gezamenlijk optreden en waarop artikel 40, § 1, tweede lid van deze wet en artikel 20 van de wet van 25 april 2014 van toepassing zijn; 3° hun activiteiten op de volgende wijze beperken: a) de verzekerde goederen beantwoorden aan de definitie van eenvoudige risico’s als bedoeld in artikel 5 van het ko- ninklijk besluit van 24 december 1992 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, en zijn gelegen in de gemeente waar de lokale verzekerings- onderneming haar zetel heeft of in de omliggende Belgische gemeenten; b) de verzekerde gevaren behoren tot de takken 8, 9 en 16 als vermeld in Bijlage I en, op voorwaarde dat zij in de zin van artikel 21, § 2 bijkomend zijn bij de voornoemde gevaren, tot de takken 1, 3, 13, 17 en 18 als vermeld in dezelfde Bijlage; c) zij beperken hun doel tot de directe verzekeringsver- richtingen als bedoeld in a) en b) en de verrichtingen die daar rechtstreeks uit voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit; d) het jaarlijks incasso voor de verrichtingen bedoeld in a) en b) bedraagt niet meer dan één miljoen euro. 4° al hun directe verzekeringsactiviteiten herverzekeren bij een onderneming die in België het herverzekeringsbedrijf mag uitoefenen, ten belope van minstens 90 %, of 100 % voor aansprakelijkheidsrisico’s en natuurrampen; 5° de verzekeringsactiviteiten vóór 1 januari 2016 overeen- komstig de bepalingen onder 3° en 4° uitoefenen. Afdeling IV Toezicht Art. 299 § 1. De lokale verzekeringsondernemingen verstrekken aan de Bank, op haar verzoek, alle informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de in artikel 298 bedoelde inschrijvingsvoorwaarden. Section III Conditions d’octroi et de maintien de l’inscription Art. 298 L’inscription des entreprises locales d’assurance est subor- donnée au respect des conditions suivantes: 1° être constituée sous la forme d’association d’assurance mutuelle ou de société coopérative; 2° avoir mis en place une direction effective constituée de deux personnes au moins agissant conjointement, l’article 40, § 1er, alinéa 2 de la présente loi et l’article 20 de la loi du 25 avril 2014 leur étant applicable; 3° limiter leurs activités de la manière suivante: a)  les biens assurés répondent à la définition des risques simples visée à l’article 5  de l’arrêté royal du 24  décembre  1992  portant exécution de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, et sont situés dans la commune où l’entreprise locale d’assurance a son siège ou dans les communes belges limitrophes; b) les périls assurés relèvent des branches 8, 9 et 16 men- tionnées à l’Annexe I et, à condition qu’ils soient accessoires au sens de l’article 21, § 2, aux périls précités, des branches 1, 3, 13, 17 et 18 mentionnées à la même Annexe; c) limiter leur objet aux opérations d’assurance directe telles que visées aux a) et b) et aux opérations qui en découlent directement à l’exclusion de toute autre activité commerciale; d) limiter l’encaissement annuel concernant les opérations visées aux a) et b) à un montant d’un million d’euros. 4° faire réassurer l’ensemble de leurs activités d’assurance directe par une entreprise autorisée à exercer l’activité de réassurance en Belgique à concurrence d’au moins 90 %, ce pourcentage étant porté à 100 % pour les risques de res- ponsabilité et catastrophes naturelles; 5° exercer les activités d’assurance conformément aux 3° et 4° antérieurement au 1er janvier 2016. Section IV Contrôle Art. 299 § 1er. Les entreprises locales d’assurance fournissent à la Banque, à sa demande, toutes les informations nécessaires en vue de vérifi er le respect des conditions d’inscription prévues à l’article 298. 519 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank op in- dividuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, paragraaf 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening bepalen van de informatie die haar door de lokale verzekeringsondernemingen moet worden verstrekt. De lokale verzekeringsondernemingen delen aan de Bank op eigen initiatief en onverwijld alle factoren mee die tot ge- volg zouden kunnen hebben dat niet langer voldaan is aan de inschrijvingsvoorwaarden. De artikelen 304, tweede lid, 1° en 305 tot 307 zijn van toepassing. § 2. Artikel 102, eerste lid, 2° en 3° en tweede lid en de artikelen 105 en 106 zijn van toepassing. Afdeling V Uitzonderingsmaatregelen Art. 300 Wanneer de Bank vaststelt dat een lokale verzekeringson- derneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalin- gen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van het eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank een of meer van de maatregelen nemen die opgesomd zijn in artikel 517, § 1, 1° tot 7°. De paragrafen 2 tot 7 van hetzelfde artikel en artikel 518, eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling VI Beëindiging van de inschrijving Art. 301 § 1. Een ingeschreven lokale verzekeringsonderneming kan afstand doen van de inschrijving voor al haar activiteiten. Artikel 538, §§ 2 tot 5 is van overeenkomstige toepassing. § 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming de toestand niet heeft verholpen bij het verstrijken van de met toepassing van artikel 300, eerste lid vastgestelde termijn, kan de Bank de inschrijving herroepen voor alle verzekeringstakken die zij uitoefent. Aux fins de l’alinéa 1er, la Banque peut définir, sur une base individuelle ou par voie de règlement pris conformément à l’article 12bis, paragraphe 2 de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des informations dont elle exige la communica- tion de la part des entreprises locales d’assurance. Les entreprises locales d’assurance communiquent à la Banque d’initiative, sans délai, tout élément susceptible de conduire au non-respect des conditions d’inscription. Les articles 304, alinéa 2, 1° et 305 à 307 sont applicables. § 2. L’article 102, alinéa 1er, 2° et 3° et alinéa 2 et les articles 105 et 106 sont applicables. Section V Mesures exceptionnelles Art. 300 Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance locale ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions du présent Chapitre ou des mesures prises pour son exé- cution, ou qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié à la situa- tion, la Banque peut prendre une ou plusieurs des mesures énumérées à l’article 517, § 1er, 1° à 7°. Les paragraphes 2 à 7 du même article et l’article 518, alinéa 1er sont applicables par analogie. Section VI Fin de l’inscription Art. 301 § 1er. Une entreprise d’assurance locale inscrite a la faculté de renoncer à l’inscription pour l’ensemble de ses activités. L’article 538, §§ 2 à 5 est applicable par analogie. § 2. Si, à l’issue du délai fixé en application de l’article 300, alinéa 1er, l’entreprise locale d’assurance n’a pas remédié à la situation, la Banque peut révoquer l’inscription pour l’ensemble des branches d’assurance pratiquées. 520 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de lokale verze- keringsonderneming van rechtswege ontbonden en in veref- fening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen. § 3. Het faillissement of de vrijwillige of gerechtelijke ontbin- ding, in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen, van een lokale verzekeringsonderne- ming heeft de doorhaling van haar inschrijving tot gevolg voor alle verzekeringstakken die zij uitoefent. Art. 302 § 1. Het is verboden nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten wanneer de inschrijving is beëindigd. Overeenkomstig het eerste lid en artikel 301, § 3, staan artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en arti- kel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 enkel toe dat de lopende verzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzekeringsovereenkomsten. § 2. Indien de lokale verzekeringsonderneming, niette- genstaande de geografische beperking van haar activitei- ten, activiteiten uitoefent in het buitenland, stelt de Bank de toezichthouders van de lidstaten waarin activiteiten worden uitgeoefend, daarvan in kennis en verzoekt zij hen passende maatregelen te treffen om te beletten dat de lokale verzeke- ringsonderneming deze activiteiten blijft uitoefenen op hun grondgebied. § 3. Artikel 545 is van overeenkomstige toepassing. TITEL IV Toezicht op de ondernemingen HOOFDSTUK I Toezicht door de Bank Afdeling I Algemene beginselen Art 303 § 1. De Bank waakt erover dat elke verzekerings- of herver- zekeringsonderneming werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onver- minderd de bevoegdheden die aan de FSMA zijn toegekend op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002. § 2. Bij de uitoefening van haar algemene taken 1° houdt de Bank afdoende rekening met de gevolgen die haar besluiten, inzonderheid in noodsituaties, kunnen hebben Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise locale d’assu- rance est dissoute de plein droit et entre en liquidation confor- mément aux articles 183 et suivants du Code des sociétés. § 3. La faillite ou la dissolution volontaire ou judiciaire au sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés d’une entre- prise locale d’assurance entraîne la radiation de son inscrip- tion pour l’ensemble des branches d’assurance pratiquées. Art. 302 § 1er. La fin de l’inscription emporte interdiction de souscrire de nouveaux contrats d’assurance. Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 301, § 3, l’ar- ticle 187 du Code des sociétés et l’article 46 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécution de contrats d’assurance en cours, à l’exclusion de la conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance. § 2. Si, en violation de la limitation géographique de ses activités, l’entreprise d’assurance locale exerce des activités à l’étranger, la Banque informe les autorités de contrôle des États membres dans lesquels des activités sont exercées et leur demande de prendre les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise locale d’assurance de poursuivre ces opérations sur leur territoire. § 3. L’article 545 est d’application par analogie. TITRE IV DU Contrôle des entreprises CHAPITRE IER Contrôle par la Banque Section Ire Principes généraux Art. 303 § 1er. La Banque veille à ce que chaque entreprise d’assu- rance ou de réassurance opère conformément aux dispo- sitions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables, sans préjudice des compétences dévolues à la FSMA en vertu de l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002. § 2. Dans l’exercice de ses missions générales, la Banque 1° tient dûment compte de l’incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les 521 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie; 2° baseert haar toezicht op een toekomstgerichte, risico- gebaseerde benadering; 3° past zij overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de wettelijke en reglementaire vereisten toe, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan de activiteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. § 3. In afwijking van paragraaf 1, worden de door deze wet opgelegde toezichtstaak en de desbetreffende prerogatieven die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatrege- len van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, toevertrouwd aan de Controledienst voor de ziekenfondsen voor wat de verzekeringsmaatschappijen van onderlinge bijstand betreft. Art. 304 Met het oog op haar opdracht kan de Bank zich naast de informatie die de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen overeenkomstig de bepalingen van Afdeling III verstrekken, alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de onderneming, 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire be- palingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, in- zonderheid de bepalingen inzake de solvabiliteitsvereisten, de technische voorzieningen, de activa en het in aanmerking komend eigen vermogen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de onderneming voor- gelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn; 2° om het passende karakter te toetsen van het gover- nancesysteem en inzonderheid van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de in- terne controle en het beleid inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de onderneming; 3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de onderneming gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven om- vatten ook de toegang tot de agenda’s en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de onderne- ming en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen. autres États membres concernés, en particulier dans les situations d’urgence et ce, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré; 2° fonde son contrôle sur une approche prospective et basée sur les risques; 3° conformément au principe de proportionnalité, applique les exigences légales et réglementaires eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. §  3. Par dérogation au paragraphe  1er, la mission de contrôle prévue par la présente loi et les prérogatives y afférentes prévues par ou en vertu de la présente loi et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont confiées à l’Office de contrôle des mutualités en ce qui concerne les sociétés mutualistes d’assurance. Art. 304 Aux fins de sa mission, outre les informations que les entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent conformément aux dispositions de la Section III, la Banque peut se faire communiquer toutes informations relatives à l’organisation, au fonctionnement, à la situation et aux opérations des entreprises d’assurance ou de réassurance. Elle peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute informa- tion détenue par l’entreprise, en vue 1° de vérifier le respect des dispositions légales et régle- mentaires et des règlements européens directement appli- cables, relatives au statut des entreprises d’assurance ou de réassurance, en particulier les dispositions relatives aux exigences en matière de solvabilité, de provisions techniques, d’actifs et de fonds propres éligibles, ainsi que l’exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels de même que des états et autres informations qui lui sont trans- mis par l’entreprise; 2° de vérifier le caractère adéquat du système de gouver- nance, et en particulier des structures de gestion, de l’orga- nisation administrative et comptable, du contrôle interne et de la politique en matière de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de l’entreprise; 3° de s’assurer que la gestion de l’entreprise est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité. Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent éga- lement l’accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes de l’entreprise et de leurs comités internes, ainsi qu’aux documents y afférents et aux résultats de l’évaluation interne et/ou externe du fonctionne- ment desdits organes. 522 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 305 In het kader van het door de Bank uitgeoefende toezicht en met name van de inspecties, zijn de personeelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van de onderneming die zij aanduiden. Art. 306 De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle docu- menten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank. De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek. Art. 307 Onverminderd artikel  92, tweede lid, 3°, kan de Bank in geval van uitbesteding ook haar inspectieprerogatieven uitoefenen als bedoeld in artikel 304, tweede lid, bij de on- dernemingen waarop de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen een beroep doen als dienstverleners (uitbeste- ding – outsourcing) om na te gaan of de voorwaarden voor die dienstverlening geen afbreuk doen aan de naleving door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 305 en 310 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners. De toezichthouders van een andere lidstaat waarvan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbe- steding – outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstver- leners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval door middel van personen die zij daartoe machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar prerogatieven namens deze toezichthouders uitoefenen. Art. 308 Met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toezicht op de verzekeringsondernemingen sluiten de Bank en de FSMA enerzijds en de Bank en de Controledienst voor de ziekenfondsen anderzijds, een overeenkomst. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respectieve websites. Deze overeenkomsten bepalen de modaliteiten van de samenwerking tussen, respectievelijk, de Bank en de FSMA, en de Bank en de Controledienst voor de ziekenfondsen in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, Art. 305 Dans le cadre de son contrôle et notamment des inspec- tions, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés de l’entreprise d’assurance ou de réassurance toutes informations et explications qu’ils estiment nécessaires pour l’exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la tenue d’entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de l’entreprise qu’ils désignent. Art. 306 Les rapports d’inspection et plus généralement tous les documents émanant de la Banque dont elle indique qu’ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par les entreprises d’assurance ou de réassurance sans le consentement exprès de la Banque. Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l’article 458 du Code pénal. Art. 307 Sans préjudice de l’article 92, alinéa 2, 3°, en cas de recours à la sous-traitance, la Banque peut également exercer ses prérogatives d’inspection visées à l’article 304, alinéa 2 auprès des entreprises auxquelles les entreprises d’assurance ou de réassurance recourent en qualité de prestataires de services (sous-traitance – outsourcing) afin de vérifier si les conditions de ces prestations ne sont pas de nature à porter atteinte au respect par les entreprises d’assurance ou de réassurance de leurs obligations légales et réglementaires. Les prérogatives visées aux articles 305 et 310 peuvent également, par analogie, être exercées à l’égard de ces prestataires de services. Les autorités de contrôle d’un autre État membre dont les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ressor- tissent de leurs compétences de contrôle recourent à des entreprises en qualité de prestataires de services (sous-trai- tance – outsourcing) situées en Belgique peuvent exercer à l’égard de ces prestataires de services les prérogatives prévues à l’alinéa 1er , le cas échéant par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent à cet effet. À leur demande, la Banque peut exercer ces prérogatives pour le compte de de ces autorités Art. 308 En vue d’assurer un contrôle efficace et coordonné des entreprises d’assurance, la Banque et la FSMA, d’une part, la Banque et l’Office de contrôle des mutualités, d’autre part, concluent un protocole. Elles publient ce protocole sur leur site internet respectif. Ces protocoles déterminent les modalités de la collabora- tion entre, respectivement, la Banque et la FSMA, et la Banque et l’Office de contrôle des mutualités dans tous les cas où la loi prévoit un avis, une consultation, une information ou tout 523 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 informatie of ander contact tussen deze instellingen of waar overleg tussen deze instellingen noodzakelijk is om een een- vormige toepassing van de wetgeving te verzekeren. Art. 309 Relaties tussen een verzekerings- of herverzekerings- onderneming en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank tenzij het toezicht op die onder- neming dit vergt. Afdeling II Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende activiteiten Art. 310 § 1. De Bank kan bij de bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande ken- nisgeving aan de toezichthouders van die staat, de in arti- kel 304, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming kunnen vergemakkelijken. De toezichthouders van de lidstaat van ontvangst kunnen aan die toetsing deelnemen. Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de onderneming gedragen. Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten. Wanneer de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst haar echter verhinderen haar recht op die controles uit te oefenen of indien de autoriteiten van die lidstaat niet kunnen deelnemen aan die controles, kan de Bank overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken. § 2. Wanneer de in artikel 307, eerste lid bedoelde dienst- verleners in een andere lidstaat zijn gevestigd, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op de bij hen verrichte controles.  Art. 311 Wanneer de toezichthouders van een lidstaat van ont- vangst vaststellen dat een verzekerings- of herverzekerings- onderneming dat op haar grondgebied een bijkantoor heeft of aldaar werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, de op haar toepasselijke wettelijke bepalingen van die lidstaat niet naleeft, neemt de Bank op verzoek van deze autre contact entre ces institutions, ainsi que dans les cas où une concertation entre ces institutions est nécessaire pour assurer une application uniforme de la législation. Art. 309 La Banque ne connaît des relations entre une entreprise d’assurance ou de réassurance et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de cette entreprise. Section II Contrôle des activités exercées dans un autre État membre Art. 310 § 1er. La Banque peut procéder auprès des succursales des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge établies dans un autre État membre, moyennant l’information préalable des autorités de contrôle de cet État, aux inspections visées à l’article 304, alinéa 2, ainsi qu’à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil peuvent participer à cette vérification. La Banque peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités visées à l’alinéa 1er, charger un expert, qu’elle désigne, d’effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l’expert sont à charge de l’entreprise. Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises visées à l’alinéa 1er qu’elle leur précise. Lorsqu’il lui est néanmoins interdit par les autorités de l’État membre d’accueil d’exercer son droit à ces vérifica- tions ou que les autorités de cet État ne sont pas en mesure de participer à ces vérifications, la Banque peut saisir l’EIOPA, et solliciter son aide conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. § 2. Lorsque les prestataires de services visés à l’article 307, alinéa 1er sont situés dans un autre État membre, le para- graphe 1er est applicable par analogie en ce qui concerne les vérifications à leur égard.  Art. 311 À la demande des autorités de contrôle d’un État membre d’accueil qui constatent qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ayant une succursale ou opérant dans le cadre de la libre prestation de services sur son territoire ne respecte pas les dispositions légales de cet État membre qui lui sont applicables, la Banque prend, dans les plus brefs délais, 524 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toezichthouders onverwijld alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de onderneming een einde maakt aan deze onregelmatige situatie. De Bank kan inzonderheid een of meer van de in de arti- kelen 517 en 603 bedoelde maatregelen nemen. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst op de hoogte van de getroffen maatregelen. In de gevallen bedoeld in artikel 155, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010. Afdeling III Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie Art. 312 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verstrekken aan de Bank alle voor toezichtsdoeleinden beno- digde informatie, rekening houdend met de doelstellingen van het toezicht die vastgelegd zijn in artikel 303. Deze informatie bevat ten minste de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de volgende taken in het kader van de tenuitvoerlegging van het in Afdeling IV bedoelde toezichtsproces: 1° beoordelen van het door de ondernemingen toegepaste governancesysteem, de door hen uitgeoefende activiteiten, de voor solvabiliteitsdoeleinden gehanteerde waarde- ringsgrondslagen, de risico’s waaraan zij blootstaan en hun risicobeheersystemen, hun kapitaalstructuur, kapitaalbehoef- ten en kapitaalbeheer; 2° in het kader van de uitoefening van haar rechten en functies met betrekking tot het toezicht elke passende beslis- sing nemen. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank: 1°  de aard, de omvang, het formaat, de frequentie en de wijze van indiening van de in paragraaf 1 bedoelde in- formatie vaststellen, op individuele basis of bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, en deze informatie bij de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen opvragen: a) op van tevoren bepaalde tijdstippen; b) wanneer er zich van tevoren omschreven gebeurtenis- sen voordoen; c) bij onderzoek naar de situatie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° alle informatie inwinnen over overeen komsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die met derden worden aangegaan; toutes les mesures appropriées pour que l’entreprise mette fin à cette situation irrégulière. En particulier, la Banque peut prendre une ou plusieurs des mesures visées aux articles 517 et 603. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’accueil des mesures qui ont été prises. Dans les cas visés à l’article 155, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA, et solliciter son aide conformément à l’article  19  du Règlement 1094/2010. Section III Informations aux fins du contrôle Art. 312 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance four- nissent à la Banque toutes les informations nécessaires aux fins du contrôle, compte tenu des objectifs du contrôle établis à l’article 303. Ces informations comprennent au minimum les informations nécessaires à l’exécution des tâches suivantes, dans le cadre de la mise en œuvre du processus de contrôle visé à la Section IV: 1° évaluer le système de gouvernance appliqué par les entreprises, leurs activités, les principes d’évaluation qu’elles appliquent à des fins de solvabilité, les risques auxquels elles sont exposées et leurs systèmes de gestion des risques, la structure de leur capital, leurs besoins en capital et la gestion de leur capital; 2° prendre toute décision appropriée qu’appelle l’exercice de ses droits et fonctions en matière de contrôle. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut: 1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un règle- ment pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des informations visées au paragraphe 1er, dont elle exige la communication de la part des entreprises d’assurance ou de réassurance aux moments suivants: a) à des moments prédéfinis; b) lorsque des événements prédéfinis se produisent; c) lors d’enquêtes concernant la situation d’une entreprise d’assurance ou de réassurance; 2° obtenir toute information relative aux contrats détenus par des intermédiaires ou aux contrats conclus avec des tiers; 525 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° informatie opvragen bij externe deskundigen; 4° eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg dan deze bedoeld in paragraaf 1 worden verstrekt, indien zij deze gegevens nodig heeft om te kunnen nagaan of de bepa- lingen van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn nageleefd. § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie be- staat uit: 1° kwalitatieve of kwantitatieve elementen of een passende combinatie daarvan; 2° historische, huidige of prospectieve elementen of een passende combinatie daarvan; 3° gegevens uit interne of externe bronnen of een passende combinatie daarvan. § 4. Voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie worden de volgende beginselen in acht genomen: 1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de betrok- ken onderneming, en met name met de risico’s die aan die activiteit verbonden zijn; 2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent; 3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk. Art. 313 Niettegenstaande de van tevoren bepaalde tijdstippen als bedoeld in artikel 312, § 2, 1°, a) maar onverminderd arti- kel 189, § 4, kan de Bank toestaan dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de voor toezichtsdoeleinden be- nodigde informatie niet vaker dan eenmaal per jaar meedeelt wanneer het verstrekken van die informatie een belasting zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de onderneming. Art. 314 De Bank kan het regelmatig verstrekken van voor toezichts- doeleinden benodigde informatie beperken of de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen vrijstellen van deze verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken wanneer: 1° het verstrekken van die informatie een belasting zou vormen die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de onderneming; 2° het verstrekken van die informatie niet nodig is voor het effectieve toezicht op de onderneming; 3° exiger des informations de la part d’experts externes; 4°  prescrire la transmission régulière d’informations chiffrées ou descriptives autres que celles visées au para- graphe 1er, lorsque ces informations sont nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. §  3. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 comprennent: 1° des éléments qualitatifs ou quantitatifs, ou toute combi- naison appropriée de ces éléments; 2° des éléments historiques, actuels ou prospectifs, ou toute combinaison appropriée de ces éléments; 3° des données provenant de sources internes ou externes, ou toute combinaison appropriée de ces données. § 4. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 res- pectent les principes suivants: 1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité des activités de l’entreprise concernée et notamment les risques inhérents à cette activité; 2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui est important, comparables et cohérentes dans la durée; 3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles. Art. 313 Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’article 312, § 2, 1°, a) mais sans préjudice de l’article 189, § 4, la Banque peut autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance à ne communiquer les informations à des fins de contrôle qu’une fois par an au maximum lorsque la fourniture de ces informations représenterait une charge disproportionnée compte tenu de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise. Art. 314 La Banque peut limiter la communication régulière des informations requises à des fins de contrôle ou dispenser des entreprises d’assurance ou de réassurance de cette obligation de communication d’informations poste par poste, lorsque: 1° la fourniture de ces informations représenterait une charge disproportionnée compte tenu de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de l’entreprise; 2° la fourniture de ces informations n’est pas nécessaire au contrôle effectif de l’entreprise; 526 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de vrijstelling niet schadelijk is voor de stabiliteit van de betrokken financiële stelsels in de Europese Unie; en 4°  de onderneming informatie op ad-hocbasis kan verstrekken. Art. 315 De artikelen  313  en 314, voor zover zij het itemgewijs verstrekken van informatie betreffen, zijn niet van toepassing wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 339, 2°, tenzij die onderneming tegenover de Bank aantoont dat het frequenter verstrekken van informatie dan eenmaal per jaar of het itemgewijs verstrekken van informatie niet aangewezen is, gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteit van de groep en rekening houdend met de doelstelling van financiële stabiliteit. De vrijstelling bedoeld in het eerste lid kan enkel aan de volgende ondernemingen worden verleend: 1° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt “niet- leven” vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die ondernemingen gebaseerd is op de geboekte brutopremies; 2° ondernemingen die samen niet meer dan 20 % van de Belgische verzekerings- of herverzekeringsmarkt “leven” vertegenwoordigen, waarbij het marktaandeel van die onder- nemingen gebaseerd is op de bruto technische voorzieningen. Bij het bepalen of ondernemingen voor die vrijstellingen in aanmerking komen, geeft de Bank voorrang aan de kleinste ondernemingen. Art. 316 Voor de toepassing van de artikelen 313 en 314 beoordeelt de Bank in het kader van het prudentieel toezichtsproces of het verstrekken van informatie een belasting vormt die niet in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s waaraan de onderneming blootstaat, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met: 1° het volume van de premies, de technische voorzieningen en de activa van de onderneming; 2° de volatiliteit van de schadegevallen en schadevergoe- dingen die gedekt worden door de onderneming; 3° de marktrisico’s die voortvloeien uit de beleggingen van de onderneming; 4° de risicoconcentratie; 5° het totaal aantal levens- en niet-levensverzekeringstak- ken waarvoor een vergunning is verleend; 3° la dispense ne nuit pas à la stabilité des systèmes financiers concernés dans l’Union européenne; et 4° l’entreprise est en mesure de fournir des informations de façon ad hoc. Art. 315 Les articles 313 et 314, en ce qu’ils concernent la communi- cation d’informations poste par poste, ne sont pas applicables lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un groupe au sens de l’article 339, 2°, à moins que cette entreprise démontre à la Banque que la communication d’informations à une fréquence supérieure à une fois l’an ou poste par poste est inappropriée, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité du groupe et compte tenu de l’objectif de stabilité financière. La dispense visée à l’alinéa  1er n’est permise qu’aux entreprises suivantes: 1° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas plus de 20 % du marché belge d’assurance ou de réassurance non-vie, étant entendu que la part de marché de ces entre- prises repose sur des primes brutes émises; 2° les entreprises qui, ensemble, ne représentent pas plus de 20 % du marché belge de l’assurance ou de la réassurance vie, étant entendu que la part de marché de ces entreprises repose sur les provisions techniques brutes. La Banque donne priorité aux plus petites entreprises lorsqu’elle détermine l’éligibilité de ces entreprises à ces dispenses. Art. 316 Aux fins des articles 313 et 314, dans le cadre du proces- sus de contrôle prudentiel, la Banque évalue si la fourniture d’informations représente une charge disproportionnée eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques à laquelle l’entreprise est exposée, compte tenu, au moins: 1° du volume des primes, des provisions techniques et des actifs de l’entreprise; 2° de la volatilité des sinistres et des indemnisations cou- verts par l’entreprise; 3° des risques de marché auxquels les investissements de l’entreprise donnent lieu; 4° du niveau de concentrations du risque; 5° du nombre total de branches d’assurance vie et non-vie pour lesquelles l’agrément est accordé; 527 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 6° mogelijke effecten van het beheer van de activa van de onderneming op de financiële stabiliteit; 7° de systemen en structuren van de onderneming om informatie te verstrekken voor toezichtsdoeleinden, en de schriftelijk vast gelegde beleidslijn bedoeld in artikel 77, § 7; 8° de geschiktheid van het governancesysteem van de onderneming; 9° het niveau van het eigen vermogen ter dekking van het sol- vabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste; 10° het feit of de onderneming al dan niet een verzeke- ringscaptive of herverzekeringscaptive is die uitsluitend de risico’s dekt van de industriële of commerciële groep waartoe zij behoort. Art. 317 § 1. Ten minste drie weken vóór de bijeenkomst van de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming, stellen de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen de Bank in kennis van de ontwerpen van wijzigingen in de statuten, alsook van de beslissingen die zij van plan zijn tijdens die vergadering te nemen en die een weerslag zouden kunnen hebben op de overeenkomsten in het algemeen. De Bank kan eisen dat de door haar geformuleerde opmer- kingen over die ontwerpen ter kennis worden gebracht van de algemene vergadering of, bij ontstentenis ervan, van het beslissingsorgaan van de onderneming. § 2. Binnen een maand na de goedkeuring ervan door de algemene vergadering, of, bij ontstentenis, door het bevoegde besluitvormingsorgaan, stellen de verzekerings- of herverze- keringsondernemingen de Bank in kennis van de wijzigingen in de statuten en van de beslissingen die een weerslag kunnen hebben op de overeenkomsten. Binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum waarop zij er kennis van heeft gekregen, kan de Bank zich verzetten tegen de uitvoering van alle beslissingen of wijzigingen als bedoeld in het eerste lid die strijdig zouden zijn met de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsmaatrege- len of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Afdeling IV Procedure van prudentieel toezicht Onderafdeling I Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie Art. 318 In het kader van haar opdracht als bedoeld in arti- kel 303 onderzoekt en evalueert de Bank op regelmatige 6° des effets potentiels de la gestion des actifs de l’entre- prise sur la stabilité financière; 7° des systèmes et structures de l’entreprise lui permettant de communiquer des informations aux fins du contrôle et de la politique écrite visée à l’article 77, § 7; 8°  de l’adéquation du système de gouvernance de l’entreprise; 9° du niveau des fonds propres couvrant le capital de solvabilité requis et le minimum de capital requis; 10° du fait que l’entreprise est ou non une entreprise cap- tive d’assurance ou de réassurance couvrant uniquement les risques associés au groupe commercial ou industriel auquel elle appartient. Art. 317 §  1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance communiquent à la Banque au moins trois semaines avant la réunion de l’assemblée générale ou, à son défaut, de l’organe de décision de l’entreprise, les projets de modifications aux statuts, ainsi que les décisions qu’elles se proposent de prendre lors de cette réunion et qui sont susceptibles d’avoir une incidence sur les contrats en général. La Banque peut exiger que les observations qu’elle formule concernant ces projets soient portées à la connaissance de l’assemblée générale ou, à son défaut, de l’organe de déci- sion de l’entreprise. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance com- muniquent à la Banque dans le mois suivant leur approbation par l’assemblée générale ou, à son défaut, par l’organe de décision compétent, les modifications aux statuts ainsi que les décisions qui peuvent avoir une incidence sur les contrats. La Banque peut, dans un délai d’un mois à partir de la date où elle en a eu connaissance, s’opposer à l’exécution de toutes décisions ou modifications visées à l’alinéa 1er, qui violeraient les dispositions de la présente loi ou de ses mesures d’exécution ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Section IV Processus de surveillance prudentielle Sous-section Ire Procédure de contrôle et d’évaluation prudentiels Art. 318 Dans le cadre de sa mission visée à l’article 303, la Banque examine et évalue, sur une base régulière, les stratégies, les 528 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 basis de strategieën, processen en rapporteringsprocedures die de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen heb- ben vastgesteld om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn opgelegd en aan de bepalingen van de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG. Daarbij worden de kwalitatieve vereisten inzake het go- vernancesysteem beoordeeld, worden de risico’s beoordeeld waaraan de betrokken ondernemingen blootstaan of zouden kunnen blootstaan en wordt het vermogen van deze onderne- mingen beoordeeld om deze risico’s te beoordelen rekening houdend met de omgeving waarin zij werkzaam zijn. Art. 319 De Bank onderzoekt en evalueert met name, overeenkom- stig de maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 2009/138/EG, of voldaan is aan: 1° de in artikel 42 beschreven vereisten inzake het gover- nancesysteem, met name de interne beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit; 2° de vereisten inzake de technische voorzieningen, als beschreven in de artikelen 124 tot 139; 3°  de kapitaalvereisten als beschreven in de artike- len 151 tot 189; 4° de beleggingsvoorschriften als beschreven in de arti- kelen 190 tot 198; 5° de vereisten inzake de kwantiteit en de kwaliteit van het eigen vermogen, als beschreven in de artikelen 140 tot 150; 6° wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming een volledig of gedeeltelijk intern model gebruikt: de vereisten die gesteld worden aan volledig of gedeeltelijk interne modellen, als beschreven in de artikelen 167 tot 188. In dit verband zorgt de Bank voorpassende monitoringin- strumenten waarmee ze een verslechtering van de financiële positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan detecteren en waarmee ze kan nagaan hoe deze ver- slechtering wordt verholpen. Art. 320 De Bank beoordeelt ook de adequaatheid van de methodes en praktijken van de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen om mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische conjunctuur in kaart te brengen die de algehele financiële positie van de betrokken onderneming zouden kunnen aantasten. Ze beoordeelt het vermogen van de ondernemingen om het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische conjunctuur. processus et les procédures de communication d’informations établis par les entreprises d’assurance ou de réassurance en vue de se conformer aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ainsi qu’aux dispositions des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Cet examen et cette évaluation comprennent l’appréciation des exigences qualitatives relatives au système de gouver- nance, l’appréciation des risques auxquels les entreprises concernées sont exposées ou pourraient être exposées et l’appréciation de leur capacité à mesurer ces risques compte tenu de l’environnement dans lequel elles opèrent. Art. 319 En particulier, la Banque examine et évalue, conformément aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, s’il est satisfait: 1° aux exigences concernant le système de gouvernance prévues à l’article 42, notamment l’évaluation interne des risques et de la solvabilité; 2° aux exigences concernant les provisions techniques prévues aux articles 124 à 139; 3° aux exigences de capital prévues aux articles 151 à 189; 4° aux règles d’investissement prévues aux articles 190 à 198; 5° aux exigences concernant la quantité et la qualité des fonds propres prévues aux articles 140 à 150; 6° lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance utilise un modèle interne intégral ou partiel, aux exigences applicables aux modèles internes intégraux et partiels prévues aux articles 167 à 188. À cet égard, la Banque met en place les outils de suivi appropriés, qui lui permettent de détecter toute détérioration de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réassurance et de vérifier de quelle manière il y est porté remède. Art. 320 La Banque évalue également l’adéquation des méthodes et pratiques appliquées par les entreprises d’assurance ou de réassurance en vue de détecter les éventuels aléas ou changements de la conjoncture économique qui pourraient avoir un impact défavorable sur la situation financière globale de l’entreprise concernée. Elle évalue la capacité desdites entreprises à surmonter ces éventuels aléas ou changements de la conjoncture économique. 529 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 321 De Bank bepaalt de frequentie en de omvang van de in de artikelen 318 tot 320 bedoelde onderzoeken en evaluaties en houdt daarbij rekening met de omvang van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, en met de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten. Onderafdeling II Stresstests Art. 322 Indien zij van oordeel is dat de stresstests die overeen- komstig artikel 23 van Verordening 1094/2010 worden uit- gevoerd, onvoldoende resultaten opleveren, onderwerpt de Bank de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aan specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de verzekerings- en herverzeke- ringssector in België, om de in de artikelen 318 tot 321 be- doelde toetsings- en evaluatieprocedure en de uitoefening van het groepstoezicht als bedoeld in Hoofdstuk II van Titel V te vergemakkelijken. Onderafdeling III Prudentiële maatregelen – Opslagfactor van het kapitaalvereiste Art. 323 § 1. Op grond van de resultaten van de toetsings- en eva- luatieprocedure of van de stresstests die overeenkomstig de artikelen 318 tot 322 worden uitgevoerd, kan de Bank voor een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een spe- cifieke kapitaalopslagfactor van het kapitaalvereiste opleggen bovenop de vereisten die door of krachtens deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opge- legd, om rekening te houden met de risico’s waaraan deze onderneming blootstaat of zou kunnen blootstaan. § 2. De kapitaalopslagfactor als bedoeld in paragraaf 1 kan enkel worden opgelegd in de volgende uitzonderlijke gevallen: 1° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met de standaardfor- mule overeenkomstig de artikelen 153 tot 166 is berekend, en: a) dat het vereiste om op grond van artikel 173 een intern model te gebruiken, niet is aangewezen of dat het gebruik ervan ondoeltreffend is gebleken; of b)  dat overeenkomstig artikel 170  een volledig of ge- deeltelijk intern model wordt ontwikkeld, dat echter nog niet operationeel is; Art. 321 La Banque détermine la fréquence et l’ampleur des examens et évaluations visés aux articles  318  à 320  en tenant compte de la taille des entreprises d’assurance ou de réassurance concernées, et de la nature, du volume et de la complexité de leurs activités. Sous-section II Tests de résistance Art. 322 Si elle estime que les tests de résistance effectués confor- mément à l’article 23 du Règlement 1094/2010 ne fournissent pas des résultats suffisants, la Banque peut soumettre les entreprises d’assurance ou de réassurance à des tests de résistance prudentiels spécifiques prenant en compte les particularités du secteur de l’assurance et de la réassurance en Belgique, aux fins de faciliter la procédure de contrôle et d’évaluation visée aux articles 318 à 321 ainsi que l’exercice du contrôle de groupe visé au Chapitre II du Titre V. Sous-section III Mesures prudentielles – Exigence de capital supplémentaire Art. 323 § 1er. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d’évaluation ou des tests de résistance effectués confor- mément aux articles 318 à 322, la Banque peut imposer à une entreprise d’assurance ou de réassurance une exigence spécifique de capital, qui s’ajoute aux exigences requises par ou en vertu de la présente loi ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, afin de tenir compte des risques auxquels cette entreprise est ou pourrait être exposée. §  2. L’exigence de capital supplémentaire prévue au paragraphe 1er ne peut être imposée que dans les cas excep- tionnels suivants: 1° la Banque estime que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis, calculé à l’aide de la formule standard conformément aux articles 153 à 166 et a) que l’exigence de recourir à un modèle interne en vertu de l’article 173 est inappropriée ou que son utilisation s’est révélée inefficace; ou b) qu’un modèle interne, partiel ou intégral, est en cours de développement conformément à l’article 170, sans toutefois être encore effectif; 530 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van de ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het solvabi- liteitskapitaalvereiste zoals dit met een intern model of een gedeeltelijk intern model overeenkomstig de artikelen 167 tot 188 is berekend, omdat met bepaalde kwantificeerbare risico’s onvoldoende rekening wordt gehouden en het niet binnen een passend tijdskader gelukt is om het model beter af te stemmen op het gegeven risicoprofiel; 3° de Bank is van oordeel dat het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de normen van artikel 42, dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door deze afwijkingen niet in staat is de risico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, adequaat te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren, en dat er geen andere maatre- gelen zijn die binnen een passend tijdskader tot voldoende verbetering zouden leiden; 4° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming past de in artikel 129  bedoelde matchingopslag, de in artikel 131 bedoelde volatiliteitsaanpassing of de in de artikelen 668 en 669 bedoelde overgangsmaatregelen toe, en de Bank is van oordeel dat het risicoprofiel van die onderneming sig- nificant afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan die aanpassingen en overgangsmaatregelen. § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2° wordt de kapitaalopslagfactor zo berekend dat gewaarborgd is dat de onderneming voldoet aan artikel 151, § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3° staat de kapitaal- opslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voort- vloeien uit de tekortkomingen die aanleiding hebben gegeven tot het besluit van de Bank om de opslagfactor op te leggen. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 4° staat de kapitaal- opslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voort- vloeien uit de afwijking met betrekking tot het risicoprofiel. § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 2° en 3° zorgt de Bank ervoor dat de verzekerings- of herverzekeringson- derneming alles in het werk stelt om de tekortkomingen te verhelpen die tot de toepassing van een kapitaalopslagfactor hebben geleid. § 5. De kapitaalopslagfactoren die met toepassing van dit artikel zijn opgelegd, worden ten minste eenmaal per jaar door de Bank geëvalueerd. Zij worden opgeheven wanneer de onderneming de tekortkomingen heeft verholpen die tot de toepassing van deze factoren hebben geleid. § 6. Behalve voor wat betreft de berekening van de risico- marge als bedoeld in artikel 127, § 2 wanneer de kapitaalop- slagfactor werd opgelegd in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, 3°, wordt het solvabiliteitsvereiste opgevat als het bedrag van dit vereiste, vermeerderd met de kapitaalopslagfactor die met toepassing van dit artikel wordt opgelegd. 2° la Banque estime que le profil de risque de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis, calculé à l’aide d’un modèle interne ou d’un modèle interne partiel conformément aux articles 167 à 188, parce que cer- tains risques quantifiables sont insuffisamment pris en compte et que le modèle n’a pas été adapté dans un délai approprié de manière à mieux refléter le profil de risque; 3° la Banque estime que le système de gouvernance de l’entreprise d’assurance ou de réassurance s’écarte signifi- cativement des normes prévues à l’article 42, que l’entreprise d’assurance ou de réassurance n’est de ce fait pas en mesure de déceler, de mesurer, de contrôler, de gérer et de déclarer de manière adéquate les risques auxquels elle est ou pourrait être exposée et que l’application d’autres mesures n’est pas, en soi, susceptible de remédier suffisamment aux carences constatées dans un délai approprié; 4° l’entreprise d’assurance ou de réassurance applique l’ajustement égalisateur visé à l’article 129, la correction pour volatilité visée à l’article 131 ou les mesures transitoires visées aux articles 668 et 669 et la Banque estime que le profil de risque de cette entreprise s’écarte significativement des hypothèses sous-tendant ces ajustements et corrections et mesures transitoires. § 3. Dans les cas visés au paragraphe 2, 1° et 2°, l’exigence de capital supplémentaire est calculée de façon à garantir que l’entreprise se conforme à l’article 151, § 3. Dans les cas visés au paragraphe 2, 3°, l’exigence de capi- tal supplémentaire est proportionnée aux risques importants découlant des carences qui ont fondé la Banque à prendre la décision de l’imposer. Dans les cas visés au paragraphe 2, 4°, l’exigence de capi- tal supplémentaire est proportionnée aux risques importants découlant de l’écart constaté concernant le profil de risque. § 4. Dans les cas visés au paragraphe 2, 2° et 3°, la Banque veille à ce que l’entreprise d’assurance ou de réassurance mette tout en oeuvre pour remédier aux carences qui ont justifié de lui imposer une exigence de capital supplémentaire. § 5. La Banque revoit les exigences de capital supplémen- taire imposées en application du présent article, au moins une fois par an. Elle y met fin lorsque l’entreprise a remédié aux carences qui ont conduit à la lui imposer. § 6. Sauf pour ce qui concerne le calcul de la marge de risque visée à l’article 127, § 2 lorsque l’exigence de capital supplémentaire a été imposée dans les cas visés au para- graphe 2, 3°, le capital de solvabilité requis s’entend de son montant majoré de l’exigence de capital supplémentaire imposée en application du présent article. 531 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling V Informatieverstrekking aan EIOPA Art. 324 Onverminderd artikel 35 van Verordening 1094/2010, ver- strekt de Bank jaarlijks de volgende informatie aan EIOPA: 1° de gemiddelde kapitaalopslagfactor per onderneming en de verdeling van de kapitaalopslagfactoren zoals de Bank deze in het voorgaande jaar heeft opgelegd, berekend als een percentage van het solvabiliteits kapitaalvereiste en afzonderlijk aangegeven voor: a) verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen; b) levensverzekeringsondernemingen; c) niet-levensverzekeringsondernemingen; d)  verzekeringsondernemingen die zowel levensverze- kerings- als niet-levens verzekeringsactiviteiten uitoefenen; e) herverzekeringsondernemingen; 2°  voor alle in punt  1° van deze paragraaf genoemde gegevens: de verdeling van de kapitaalopslagfactoren die respectievelijk op grond van artikel 323, § 2, 1°, 2° of 3° , zijn opgelegd; 3° het aantal verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het aantal verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen dat is vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken met toepassing van de artikelen 313 en 314 , alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het totale volume van de kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa van de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen naar Belgisch recht; 4° het aantal groepen dat gedeeltelijk is vrijgesteld van de verplichting om regelmatig informatie te verstrekken en het aantal groepen dat overeenkomstig artikel 423 is vrijgesteld van de verplichting om itemgewijs de informatie te verstrek- ken, alsmede het volume van hun kapitaalvereisten, premies, technische voorzieningen en activa, respectievelijk gemeten als een percentage van het totale volume van de kapitaal- vereisten, premies, technische voorzieningen en activa van alle groepen. Section V Informations à fournir à l’EIOPA Art. 324 Sans préjudice de l’article 35 du Règlement 1094/2010, la Banque fournit annuellement les informations suivantes à l’EIOPA: 1° le montant moyen des exigences de capital supplémen- taire par entreprise et la répartition des exigences de capital supplémentaire imposées par la Banque durant l’année précédente, en pourcentage du capital de solvabilité requis et selon la ventilation suivante: a) les entreprises d’assurance ou de réassurance; b) les entreprises d’assurance vie; c) les entreprises d’assurance non-vie; d) les entreprises d’assurance exerçant leurs activités à la fois en vie et en non-vie; e) les entreprises de réassurance; 2° pour chacune des publications prévues au 1° du présent paragraphe, la proportion d’exigences de capital supplémen- taire imposées respectivement en vertu de l’article 323, § 2, 1°, 2° ou 3°; 3° le nombre d’entreprises d’assurance ou de réassu- rance qui bénéficient de la limitation à l’obligation de donner régulièrement des informations et le nombre d’entreprises d’assurance ou de réassurance qui bénéficient de l’exemption de fournir des informations poste par poste en application des articles 313 et 314, ainsi que leur volume d’exigences de capi- tal, primes, provisions techniques et actifs, respectivement exprimés en pourcentage du volume total des exigences de capital, primes, provisions techniques et actifs des entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge; 4° le nombre de groupes qui bénéficient de la limitation à l’obligation de donner régulièrement des informations et le nombre de groupes qui bénéficient de l’exemption de donner des informations poste par poste prévue à l’article 423, ainsi que leur volume d’exigences de capital, primes, provisions techniques et actifs, respectivement exprimés en pourcentage du volume total des exigences de capital, primes, provisions techniques et actifs de l’ensemble des groupes. 532 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Revisoraal toezicht Afdeling I Aanstelling en erkenning van de commissarissen Art. 325 §  1. Onverminderd artikel 87ter van de wet van 2  augustus  2002  mag de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen, in een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 327. In verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van vennoten een of meer erkend revisoren of erkende revisorenvennoot- schappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze ondernemingen. Voor de toepassing van het Wetboek van Vennootschappen met be- trekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering van vennoten de algemene vergadering van aandeelhouders in vennootschappen waar de wet die niet instelt. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mogen plaats vervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 326 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers. Art. 326 Een erkende revisorenvennootschap doet voor de uit- oefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel  325, een beroep op een erkend revisor die zij aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen. De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de ver- plichtingen en de verbodsbepalingen voor commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de erkende reviso- renvennootschappen als voor de erkend revisoren die hen vertegen woordigen. Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsver- vangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden. CHAPITRE II Contrôle revisoral Section Ire Désignation et agrément des commissaires Art. 325 §  1er. Sans préjudice de l’article 87ter de la loi du 2 août 2002, les fonctions de commissaire prévues par le Code des sociétés ne peuvent être confiées, dans les entre- prises d’assurance ou de réassurance, qu’à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l’article 327. Dans les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne sont pas tenues d’avoir un commissaire en application dudit Code, l’assemblée générale des associés nomme un ou plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés comme prévu à l’alinéa 1er. Ils exercent les fonctions et portent le titre de commissaire. Les dispositions du Code des sociétés relatives aux commis- saires-reviseurs de sociétés anonymes sont applicables à la désignation et aux fonctions de commissaire exercées dans ces entreprises. Pour l’application du Code des sociétés relativement à ce qui précède, l’assemblée générale des associés remplace l’assemblée générale des actionnaires dans les sociétés où la loi n’organise pas celle-ci. §  2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent les fonctions de commissaire en cas d’empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l’article 326 sont applicables à ces suppléants. Art. 326 Les sociétés de réviseurs agréées exercent les fonctions de commissaire prévues à l’article 325 par l’intermédiaire d’un réviseur agréé qu’elles désignent conformément à l’article 132 du Code des sociétés. Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, aux fonctions, aux obligations et aux interdictions des commissaires ainsi qu’aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers sont applicables simultanément aux sociétés de réviseurs et aux réviseurs agréés qui les représentent. Une société de réviseurs agréée peut désigner un repré- sentant suppléant parmi ses membres remplissant les condi- tions pour être désignés. 533 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 327 De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen. Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raad- pleging van de erkend revisoren via hun representatieve beroepsvereniging. Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de Bank op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn opdracht bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming alsook telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een erkend revisor of een erkende revisorenvennootschap, met opgave van de motivering. Art. 328 Voor de aanstelling van erkend commissarissen en plaats- vervangend erkend commissarissen bij verzekerings- of herverzekeringsondernemingen is de voorafgaande instem- ming vereist van de Bank. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennoot- schap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger. Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht. Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de rechtbank van koop- handel of het hof van beroep, kiest deze uit een lijst van erkend revisoren waaraan de Bank haar goedkeuring heeft gehecht. Art. 329 De Bank kan haar instemming overeenkomstig arti- kel 328 met een erkend commissaris, een plaatsvervangend erkend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of een vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoor- diger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die gemotiveerd is door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkend revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van commissaris. Wanneer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de Bank en de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering. Het erkenningsreglement regelt de procedure. Art. 327 La Banque arrête, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le règlement d’agrément des réviseurs et des sociétés de réviseurs. Le règlement d’agrément est pris après consultation des réviseurs agréés représentés par leur organisation professionnelle. L’Institut des Réviseurs d’Entreprises informe la Banque de l’ouverture de toute procédure disciplinaire à l’encontre d’un réviseur agréé ou d’une société de réviseurs agréée pour manquement commis dans l’exercice de ses fonctions auprès d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi que de toute mesure disciplinaire prise à l’encontre d’un réviseur agréé ou d’une société de réviseurs agréée et de ses motifs. Art. 328 La désignation des commissaires agréés et des commis- saires agréés suppléants auprès des entreprises d’assurance ou de réassurance est subordonnée à l’accord préalable de la Banque. Cet accord doit être recueilli par l’organe social qui fait la proposition de désignation. En cas de désignation d’une société de réviseurs agréée, l’accord porte conjointement sur la société et son représentant. Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat. Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commissaire est faite par le Président du Tribunal de Commerce ou la Cour d’appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de réviseurs agréés sur laquelle la Banque a donné son accord. Art. 329 La Banque peut, en tout temps, révoquer, par décision motivée par des raisons tenant à leur statut ou à l’exercice de leurs fonctions de réviseur agréé ou de société de réviseurs agréée, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi, l’accord donné, conformément à l’article 328, à un commis- saire agréé, un commissaire agréé suppléant, une société de réviseurs agréée ou un représentant ou représentant suppléant d’une telle société. Cette révocation met fin aux fonctions de commissaire. En cas de démission d’un commissaire agréé, la Banque et l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont préalable- ment informées de cette démission, ainsi que de ses motifs. Le règlement d’agrément règle, pour le surplus, la procédure. 534 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commis- saris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de erkende revisorenven- nootschap, met inachtneming van artikel 328, binnen twee maanden voor zijn vervanging. Het voorstel om een erkend commissaris in een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen, wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering. Afdeling II Opdracht van de erkend commissarissen Art. 330 De erkend commissarissen als bedoeld in Afdeling I verle- nen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze Afdeling, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. De erkend commissarissen en de erkende revisorenven- nootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de onderneming waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefe- nen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen. Art. 331 De erkend commissarissen beoordelen de internecontro- lemaatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen hebben getroffen overeenkomstig artikel 42, § 1er, 2°, en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank. Art. 332 De erkend commissarissen brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke financiële informatie die de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke informatie per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten is opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld . Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële informatie per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de inventaris- sen inzake: En l’absence d’un commissaire agréé suppléant ou d’un représentant suppléant d’une société de réviseurs agréée l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société de réviseurs agréée pourvoit, dans le respect de l’article 328, au remplacement dans les deux mois. La proposition de révocation des mandats de commissaire agréé dans les entreprises d’assurance ou de réassurance, telle que réglée par les articles 135 et 136 du Code des sociétés, est soumise à l’avis de la Banque. Cet avis est communiqué à l’assemblée générale. Section II Mission des commissaires agréés Art. 330 Les commissaires agréés visés à la Section Ire collaborent au contrôle exercé par la Banque sous leur responsabilité per- sonnelle et exclusive et conformément à la présente Section, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises rele- vant de leurs fonctions auprès des succursales à l’étranger de l’entreprise qu’ils contrôlent. Art. 331 Les commissaires agréés évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les entreprises d’assurance ou de réassurance conformément à l’article 42, § 1er, 2° et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque. Art. 332 Les commissaires agréés font rapport à la Banque sur les résultats de l’examen limité des informations financières périodiques transmises par les entreprises d’assurance ou de réassurance à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces informations périodiques n’ont pas, sous tous égards significativement importants, été établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les informations financières périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, , sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’elles sont: 535 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld. Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke financiële informatie per einde halfjaar niet is opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boeking- en waar- deringsregels voor de opstelling van de periodieke informatie met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader bepalen. Art. 333 De erkend commissarissen brengen eveneens verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke financiële informatie die de verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke informatie in alle materieel belangrijke opzichten werd opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke financiële informatie per einde van het boekjaar, voor wat de boek- houdkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming is met de boekhouding en de inventarissen, inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeeft uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke financiële informatie wordt opgesteld. Zij bevestigen dat de periodieke financiële informatie per einde van het boekjaar werd opgesteld, voor wat de boekhoud- kundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening. De Bank kan de hier bedoelde periodieke informatie nader bepalen. Art. 334 De erkend commissarissen brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de activiteiten en de financiële structuur van de onderneming; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gedragen. 1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels elles sont établies, 2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base des- quels elles sont établies. Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les informations financières pério- diques arrêtées en fin de semestre n’ont pas été établies, pour ce qui est des données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des informations périodiques afférentes au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les informations périodiques visées. Art. 333 Les commissaires agréés font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des informations finan- cières périodiques transmises par les entreprises d’assurance ou de réassurance à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant que ces informations périodiques sont, sous tous égards significativement importants, établies conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les informations financières périodiques arrêtées en fin d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, sous tous égards signi- ficativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’elles sont: 1° complètes, c’est-à-dire qu’elles mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels elles sont établies, 2° correctes, c’est-à-dire qu’elles concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base des- quels elles sont établies. Ils confirment également que les informations financières périodiques arrêtées en fin d’exercice ont été établies, pour les données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les informations périodiques visés. Art. 334 Les commissaires agréés font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure financière de l’entreprise, rapports dont les frais d’établissement sont supportés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance en question. 536 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 335 In het kader van hun opdracht bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een revisorale opdracht bij een met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden onderneming, brengen de erkend commissaris- sen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van  beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen: 1° die de positie van de onderneming financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organi- satie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; 2° die de bedrijfscontinuïteit van de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming kunnen aantasten; 3° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het solvabiliteitskapitaalvereiste kunnen leiden; 4° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het minimumkapitaalvereiste kunnen leiden; 5°  die een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen; 6° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud. Art. 336 De erkend commissarissen delen aan de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 334. Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent. Art. 337 Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw infor- matie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 335, kunnen geen burger rechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken. Art. 335 Dans le cadre de leur mission auprès d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à une entreprise d’assurance ou de réassurance, les commissaires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions: 1° qui influencent ou peuvent influencer de façon significa- tive la situation de l’entreprise sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; 2° qui peuvent porter atteinte à la continuité de l’exploitation de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 3° qui peuvent entraîner le non-respect des dispositions relatives au capital de solvabilité requis; 4° qui peuvent entraîner le non-respect des dispositions relatives au minimum de capital requis; 5° qui peuvent constituer des violations du Code des socié- tés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution; 6° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes. Art. 336 Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 334. Ces communications sont soumises à l’article 306. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des ques- tions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Art. 337 Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous l’article 335. 537 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL V Toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen en aanvullend toezicht op financiële conglomeraten HOOFDSTUK I Definities Art. 338 Onverminderd artikel 15 wordt voor de toepassing van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder: 1° moederonderneming: een moederonderneming in de zin van artikel 15, 39°, alsmede iedere onderneming die, naar de mening van de Bank, feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent; 2° dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin van artikel 15, 40°, alsmede iedere onderneming waarop, naar de mening van de Bank, een moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent. Alle dochterondernemingen van dochterondernemingen worden eveneens geacht doch- terondernemingen te zijn van de moederonderneming die aan het hoofd staat van die ondernemingen; 3° deelneming: een deelneming in de zin van artikel 15, 43°, alsmede het rechtstreeks of onrechtstreeks in bezit hebben van stemrechten of kapitaal van een andere onderneming waarop naar de mening van de Bank feitelijk een aanzienlijke invloed wordt uitgeoefend; 4° verbonden onderneming: een dochteronderneming of ie- dere andere onderneming waarin een deelneming bestaat, of een onderneming waarmee een consortium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; 5° verzekeringsholding: een moederonderneming die geen gemengde financiële holding is, en waarvan de hoofdactivi- teit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is; 6° gemengde verzekeringsholding: een moederonderne- ming die geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekerings- of hervezekeringsonderneming van een derde land, verzekeringsholding of gemengde financiële holding is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming telt; 7° gemengde financiële holding: een moeder onderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd van een financieel conglomeraat staat; TITRE V Du contrôle des groupes d’assurance et de réassurance et de la surveillance complémentaire des conglomérats financiers CHAPITRE IER Définitions Art. 338 Sans préjudice de l’article 15, pour l’application du présent Titre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par: 1° entreprise mère: outre une entreprise mère au sens de l’article 15, 39°, toute entreprise qui exerce effectivement, de l’avis de la Banque, une influence dominante sur une autre entreprise; 2° entreprise filiale: outre une entreprise filiale au sens de l’article 15, 40°, toute entreprise sur laquelle une entreprise mère exerce effectivement, de l’avis de la Banque, une influence dominante. Toute entreprise filiale d’une entreprise filiale est également considérée comme filiale de l’entreprise mère qui est à la tête de ces entreprises; 3° participation: outre une participation au sens de l’article 15, 43°, le fait de détenir directement ou indirectement des droits de vote ou du capital dans une autre entreprise sur laquelle, de l’avis de la Banque, une influence notable est effectivement exercée; 4° entreprise liée: une entreprise qui est soit une entreprise filiale, soit une autre entreprise dans laquelle une participation est détenue, soit une entreprise avec laquelle un consortium est formé au sens de l’article 10 du Code des sociétés; 5° société holding d’assurance: une entreprise mère qui n’est pas une compagnie financière mixte et dont l’activité principale consiste à acquérir et à détenir des participations dans des entreprises filiales lorsque ces entreprises filiales sont exclusivement ou principalement des entreprises d’assu- rance ou de réassurance, ou des entreprises d’assurance ou de réassurance de pays tiers, l’une au moins de ces entreprises filiales étant une entreprise d’assurance ou de réassurance; 6° société holding mixte d’assurance: une entreprise mère, autre qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, qu’une société holding d’assurance ou qu’une compa- gnie financière mixte, qui compte parmi ses filiales au moins une entreprise d’assurance ou de réassurance; 7°  compagnie financière mixte: une entreprise mère, autre qu’une entreprise réglementée, qui est à la tête d’un conglomérat financier; 538 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 8° gereglementeerde onderneming: een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van in- stellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging; 9° financiële sector: de sector die bestaat uit een of meer van de volgende ondernemingen: a) een gereglementeerde onderneming die een kredietin- stelling is, een financiële instelling in de zin van artikel 3, 41° van de wet van 25 april 2014, een onderneming die neven- diensten verricht in de zin van artikel 164, § 1, 4° van diezelfde wet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de banksector” wordt genoemd; b) een gereglementeerde onderneming die een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming is, een verzekerings- holding; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de verzekeringssector” wordt genoemd; c) een gereglementeerde onderneming die een beleggings- onderneming is, een onderneming die nevendiensten verricht in de zin van artikel 46, 2°, van de wet van 6 april 1995, een financiële instelling in de zin van artikel 46, 29°, van diezelfde wet; deze ondernemingen behoren tot eenzelfde financiële sector, die “de beleggings dienstensector” wordt genoemd. 10° financiële instelling: worden met financiële instellingen als bedoeld in artikel 15, 48° gelijkgesteld, de instellingen voor postcheque- en girodiensten, de AICB-beheerders, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel 36/1, 14° van de wet van 22 februari 1998 en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten die verstrekt worden door dergelijke vereffeningsinstellingen. Art. 339 Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toe- passing van Hoofdstuk II van deze Titel en van de uitvoerings- besluiten en -reglementen ervan verstaan onder: 1° deelnemende onderneming: een onderneming die een moederonderneming is of een andere onderneming die een deelneming bezit, of een onderneming waarmee een consor- tium wordt gevormd in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; 2° groep: een groep ondernemingen, a) die bestaat uit een deelnemende onderneming, haar dochterondernemingen en de entiteiten waarin de deelne- mende onderneming of haar dochterondernemingen een deelneming aanhouden, alsook ondernemingen die een consortium vormen in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen; b) die stoelt op de totstandbrenging, middels contract of op een andere wijze, van nauwe en duurzame financiële banden 8° entreprise réglementée: une entreprise d’assurance ou de de réassurance, un établissement de crédit, une entreprise d’investissement, une société de gestion d’organismes de placement collectif, un gestionnaire d’organismes de place- ment collectif alternatifs; 9° secteur financier: le secteur composé d’une ou de plu- sieurs des entreprises suivantes: a) une entreprise réglementée ayant le statut d’établisse- ment de crédit, un établissement financier au sens de l’article 3, 41° de la loi du 25 avril 2014, une entreprise de services auxiliaires au sens de l’article 164, § 1er, 4° de cette même loi; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de “secteur bancaire”; b) une entreprise réglementée ayant le statut d’entreprise d’assurance ou de réassurance, une société holding d’assu- rance; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de “secteur des assurances”; c) une entreprise réglementée ayant le statut d’entreprise d’investissement, une entreprise qui fournit des services auxiliaires au sens de l’article 46, 2°, de la loi du 6 avril 1995, un établissement financier au sens de l’article 46, 29°, de la même loi; ces entreprises font toutes partie du même secteur financier qualifié de “secteur des services d’investissement”. 10°  établissement financier: sont assimilés à des éta- blissements financiers au sens de l’article 15, 48°, les offices de chèques postaux, les gestionnaires d’OPCA, les sociétés de gestion d’organismes de placement collectif, les organismes de liquidation visés à l’article 36/1,14°, de la loi du 22 février 1998 ainsi que les organismes dont l’activité consiste à assurer, en tout ou en partie, la gestion opération- nelle de services fournis par de tels organismes de liquidation. Art. 339 Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’application du Chapitre II du présent Titre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par: 1° entreprise participante: une entreprise qui est soit une entreprise mère, soit une autre entreprise qui détient une participation, soit une entreprise avec laquelle un consortium est formé au sens de l’article 10 du Code des sociétés; 2° groupe: un groupe d’entreprises, a)  soit composé d’une entreprise participante, de ses filiales et des entités dans lesquelles l’entreprise participante ou ses filiales détiennent une participation, ainsi que des entreprises qui forment un consortium au sens de l’article 10 du Code des sociétés; b) soit fondé sur l’établissement, par voie contractuelle ou sous une autre forme, de relations financières fortes 539 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 tussen die ondernemingen, met inbegrip van onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsvereni- gingen, waarbij: i. een van deze ondernemingen via centrale coördinatie feitelijk een overheersende invloed uitoefent op de besluiten, ook financiële besluiten, van de andere ondernemingen die deel uitmaken van de groep; alsmede ii. voor de vorming en ontbinding van dergelijke banden ter wille van deze Titel vooraf toestemming moet worden verleend door de groepstoezichthouder, met dien verstande dat de onderneming die de gecen- traliseerde coördinatie uitoefent, wordt beschouwd als de moederonderneming en de andere ondernemingen als dochterondernemingen; 3° groepstoezichthouder: de toezichthouder die verant- woordelijk is voor het toezicht op het niveau van de verze- kerings- of herverzekeringsgroep en overeenkomstig artikel 406 is aangewezen; 4° college van toezichthouders: een permanente maar flexibele structuur voor samenwerking en coördinatie tussen de toezichthouders van de betrokken lidstaten en voor de vergemakkelijking van de besluitvorming met betrekking tot groepstoezicht; 5° betrokken toezichthouder: de toezichthouder van een lidstaat waar een dochteronderneming haar zetel heeft. Art. 340 Onverminderd de artikelen 15 en 338, wordt voor de toe- passing van Hoofdstuk III van deze Titel en van de uitvoe- ringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder: 1° groep: een geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochteronderne- mingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochter ondernemingen rechtstreeks of onrecht streeks een deelneming aanhouden, alsook de onder nemingen waar- mee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deel neming aanhouden; 2°  financieel conglomeraat: een groep of subgroep waarvan ten minste één van de dochterondernemingen een gereglementeerde onderneming is en die aan de volgende voorwaarden voldoet: a) wanneer een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van de groep of subgroep staat: i. is deze onderneming de moederonderneming van een onderneming in de financiële sector, een onderneming die houdster is van een deelneming in een onderneming in de et durables entre ces entreprises et qui peut inclure des mutuelles ou des associations de type mutuel, à condition: i.  qu’une de ces entreprises exerce effectivement, au moyen d’une coordination centralisée, une influence domi- nante sur les décisions, y compris les décisions financières, des autres entreprises faisant partie du groupe, et ii. que l’établissement et la suppression desdites relations, aux fins du présent Titre, soient soumis à l’approbation préa- lable du contrôleur du groupe, étant entendu que l’entreprise qui exerce la coordination centralisée est considérée comme l’entreprise mère et les autres entreprises comme des filiales; 3° contrôleur du groupe: l’autorité de contrôle chargée d’exercer le contrôle au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance, déterminée conformément à l’article 406; 4° collège des contrôleurs: une structure permanente, mais souple, de coopération et de coordination entre les autorités de contrôle des États membres concernés visant à faciliter la prise de décisions relatives au contrôle d’un groupe; 5° autorité de contrôle concernée: l’autorité de contrôle d’un État membre dans lequel une entreprise filiale a son siège social. Art. 340 Sans préjudice des articles 15 et 338, pour l’application du Chapitre III du présent Titre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par:  1°  groupe: l’ensemble des entreprises constitué par l’entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l’entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte, ainsi que les entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation; 2° conglomérat financier: un groupe ou un sous-groupe dans lequel l’une au moins des filiales est une entreprise réglementée et qui satisfait aux conditions suivantes: a) lorsqu’une entreprise réglementée est à la tête du groupe ou du sous-groupe: i. cette entreprise est l’entreprise mère d’une entreprise du secteur financier, ou d’une entreprise qui détient une par- ticipation dans une entreprise du secteur financier, ou d’une 540 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financiële sector, dan wel een onderneming die met een onderneming in de financiële sector verbonden is onder de vorm van een consortium; ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of sub- groep een onderneming uit de verzekeringssector en is ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een onderneming uit de banksector of de beleggingsdiensten- sector, en iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 452, § 3; of b) wanneer aan het hoofd van de groep of subgroep geen gereglementeerde onderneming staat: i. vinden de activiteit van de groep of subgroep in hoofdzaak plaats in de financiële sector in de zin van artikel 452, § 2; ii. is ten minste één van de entiteiten in de groep of sub- groep een onderneming uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep of subgroep een on- derneming uit de banksector of de beleggingsdienstensector, en iii. zijn de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep of subgroep behorende entiteiten uit de verzekeringssector en van de entiteiten uit de banksector en de beleggingsdienstensector significant in de zin van artikel 452, § 3; 3° bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van de lidstaten die krachtens wettelijke of reglementaire bepalin- gen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op geregle- menteerde ondernemingen, hetzij op individuele, hetzij op groepswijde basis; 4° relevante bevoegde autoriteiten: a) de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het sectorale groepstoezicht op gereglementeerde onderne- mingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat, en met name op de moederneming die aan het hoofd van een sector staat; b) de coördinator, indien deze niet behoort tot de onder a) bedoelde autoriteiten; c) in voorkomend geval, andere betrokken bevoegde au- toriteiten die naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten relevant zijn. Tot de inwerkingtreding van overeenkomstig artikel 21bis, lid 1, onder b) van Richtlijn 2002/87/EG vast te stellen techni- sche reguleringsnormen, wordt in het punt c) bedoelde oordeel in het bijzonder rekening gehouden met het marktaandeel dat de gereglementeerde ondernemingen van het financieel con- glomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit entreprise liée à une entreprise du secteur financier sous la forme d’un consortium; ii.  l’une au moins des entités du groupe ou du sous- groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et l’une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services d’investissement; et iii. les activités consolidées et/ou agrégées des entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de l’assurance, et des entités du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement sont importantes au sens de l’article 452, § 3; ou b) lorsqu’il n’y a pas d’entreprise réglementée à la tête du groupe ou du sous-groupe: i. les activités du groupe ou du sous-groupe s’exercent prin- cipalement dans le secteur financier au sens de l’article 452, § 2; ii.  l’une au moins des entités du groupe ou du sous- groupe est une entreprise du secteur de l’assurance et l’une au moins des entités du groupe ou du sous-groupe est une entreprise du secteur bancaire ou du secteur des services d’investissement; et iii. les activités consolidées et/ou agrégées des entités du groupe ou du sous-groupe qui font partie du secteur de l’assurance, et des entités du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement sont importantes au sens de l’article 452, § 3; 3°  autorités compétentes: les autorités nationales des États membres habilitées, en vertu de dispositions légales ou réglementaires, à surveiller les entreprises réglementées, que ce soit sur une base individuelle ou à l’échelle du groupe; 4° autorités compétentes relevantes: a) les autorités compétentes responsables du contrôle du groupe sectoriel applicable aux entreprises réglementées qui font partie d’un conglomérat financier, et en particulier à l’entreprise mère à la tête d’un secteur; b) le coordinateur, s’il ne figure pas parmi les autorités visées au point a); c) le cas échéant, d’autres autorités compétentes concer- nées qui, de l’avis des autorités visées aux points a) et b), sont pertinentes. Jusqu’à l’entrée en vigueur de normes techniques de réglementation adoptées conformément à l’article 21bis, paragraphe 1, point b) de la Directive 2002/87/CE, l’avis visé au point c) tient compte en particulier de la part de marché détenue par les entreprises réglementées du conglomérat financier dans les autres États membres, en particulier si elle 541 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een andere lidstaat gevestigde gereglementeerde onderneming in het financieel conglomeraat; 5° coördinator: de bevoegde autoriteit die belast is met het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht; 6° Gemengd Comité: het comité bedoeld in artikel 54 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010  van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autori- teit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toe- zichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie. 7° Europees Comité voor Financiële Conglomeraten: het comité ingesteld bij artikel 21 van Richtlijn 2002/87/EG; 8° sectorale regelgeving: deze wet, de wet van 25 april 2014, de wet van 6 april 1995, de wet van 3 augustus 2012 betref- fende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggings- portefeuilles, evenals de uitvoeringsbesluiten en – reglemen- ten van deze wetten, met uitsluiting van de bepalingen inzake het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat; de verge- lijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten; 9° intragroeptransacties: verrichtingen die rechtstreeks of onrechtstreeks worden uitgevoerd, al dan niet tegen beta- ling, tussen gereglementeerde ondernemingen en andere ondernemingen die deel uitmaken van hetzelfde financieel conglomeraat of met die ondernemingen door nauwe ban- den verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, en die al dan niet betrekking hebben op de uitvoering van een contractuele verplichting; 10° risicoconcentratie: het geheel van de posities ingeno- men door ondernemingen in een financieel conglomeraat, die potentieel tot verlies aanleiding kunnen geven en die groot genoeg zijn om de financiële positie in het algemeen en de solvabiliteit in het bijzonder van de gereglementeerde ondernemingen in het financieel conglomeraat in gevaar te brengen, en die voortvloeien uit tegenpartij- of kredietrisico’s, beleggingsrisico’s, verzekeringsrisico’s, marktrisico’s, of an- dere belangrijke risico’s, of een combinatie of wisselwerking van deze risico’s; 11° sectoraal groepstoezicht: het toezicht op gereglemen- teerde ondernemingen in uitvoering van Hoofdstuk II van deze Titel, de artikelen 165 tot 184 van de wet van 25 april 2014, artikel 95 van de wet van 6 april 1995 of artikel 241 van de wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, en het toezicht in uitvoering van vergelijkbare nationale regelgevingen en toezichtspraktijken in andere lidstaten; dépasse 5 %, ainsi que de l’importance au sein du conglo- mérat financier de toute entreprise réglementée établie dans un autre État membre; 5° coordinateur: l’autorité compétente chargée d’assurer la surveillance complémentaire des conglomérats; 6° comité mixte: le comité visé à l’article 54 respectivement du Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des banques), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission, du Règlement (UE) n° 1094/2010 et du Règlement (UE) n°1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/ CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission; 7° Comité européen des conglomérats financiers: le comité institué par l’article 21 de la Directive 2002/87/CE; 8°  réglementation sectorielle: la présente loi, la loi du 25 avril 2014, la loi du 6 avril 1995, la loi du 3 août 2012 rela- tive à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d’investissement, ainsi que les arrêtés et règlements pris en exécution de ces lois, à l’exception des dispositions relatives à la surveillance complémentaire des entreprises réglemen- tées faisant partie d’un conglomérat; les réglementations et pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d’autres États; 9°  transactions intragroupe: les opérations effectuées directement ou indirectement, à titre onéreux ou non, entre des entreprises réglementées et d’autres entreprises faisant partie du même conglomérat financier ou des personnes physiques ou morales liées à ces entreprises par des liens étroits, que ces opérations concernent ou non l’exécution d’une obligation contractuelle; 10° concentration des risques: l’ensemble des positions qui ont été prises par des entreprises d’un conglomérat financier, qui sont susceptibles de donner lieu à des pertes, qui sont suffisamment importantes pour compromettre la situation financière en général et la solvabilité en particulier des entreprises réglementées faisant partie dudit conglomérat financier, et qui résultent de risques de contrepartie/de crédit, d’investissement, d’assurance, de marché ou d’autres risques importants, ou d’une combinaison ou d’une interaction de ces risques; 11°  surveillance sectorielle du groupe: la surveillance exercée sur les entreprises réglementées en application du Chapitre II du présent Titre, les articles 165 à 184 de la loi du 25 avril 2014, l’article 95 de la loi du 6 avril 1995 ou l’article 241 de la loi relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d’investissement, ainsi que la surveillance exercée en application de réglementations et de pratiques de contrôle nationales comparables en vigueur dans d’autres États; 542 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 12°  Verordening  342/2014: Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 342/2014 van de Commissie van 21 januari 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van techni- sche reguleringsnormen voor de toepassing van de bereke- ningsmethoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële conglomeraten. 13° Verordening […/2015]: gedelegeerde verordening (EU) nr. […/2015] van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvul- ling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnor- men tot specificering van de definities van en coördinering van het aanvullende toezicht op risicoconcentratie en intragroepstransacties. Art. 341 Met het oog op een zo efficiënt mogelijk groepstoezicht en een zo efficiënt mogelijk aanvullend conglomeraats- toezicht, kan de Bank individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van deze Titel en, in voorkomend geval, op de met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 vastgestelde reglementen, voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van, naargelang van het geval, Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2002/87/EG. In dat geval stelt zij de Europese Commissie daarvan in kennis. Art. 342 De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vast- gesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het groepstoezicht zoals opgenomen in Hoofdstuk II van deze Titel en van het aanvullende conglomeraatstoezicht, zoals opgenomen in Hoofdstuk III van deze titel, nader bepalen. HOOFDSTUK II Toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een verzekerings- of herverzekeringsgroep Afdeling I Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het groepstoezicht Onderafdeling I Toepassingsgevallen van het groepstoezicht Art. 343 Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een groep, zijn onder- worpen aan een toezicht op groepsniveau, overeenkomstig 12°  Règlement  342/2014: le règlement délégué (UE) n° 342/2014 de la Commission du 21 janvier 2014 complétant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil et le règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de la réglementation pour l’application aux conglomérats financiers des méthodes de calcul des exigences en matière d’adéquation des fonds propres. 13° Règlement […/2015]: le règlement délégué (UE) n° […. /2015] de la Commission du 28 juillet 2015 complétant la directive 2002/87/CE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les définitions de la concentration de risques et des transactions intragroupe et coordonnant leur surveillance complémentaire. Art. 341 En vue d’un contrôle de groupe et d’une surveillance com- plémentaire des conglomérats aussi efficaces que possible, la Banque peut autoriser des dérogations individuelles aux dispositions du présent Titre, ainsi que, le cas échéant, aux règlements pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, pour autant qu’elles restent conformes aux dispositions pertinentes en la matière de, selon le cas, la Directive 2009/138/CE et la Directive 2002/87/CE. Dans ce cas, elle en informe la Commission européenne. Art. 342 La Banque peut, le cas échéant par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, §  2, de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités pratiques du contrôle de groupe telles que prévues au Chapitre II du présent Titre, et de la surveillance complémentaire des conglomérats telles que prévues au Chapitre III du présent Chapitre CHAPITRE II Contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance Section Ire Cas d’application, portée et niveaux du contrôle de groupe Sous-section Ire Cas d’application du contrôle de groupe Art. 343 Les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge qui font partie d’un groupe sont soumises à un contrôle au niveau du groupe, conformément au présent Chapitre, aux 543 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dit Hoofdstuk, de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Het toezicht op groepsniveau wordt uitgeoefend op ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht: 1° die een deelnemende onderneming in ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de Europese Economische Ruimte of van een derde land zijn, overeenkom- stig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk; 2° waarvan de moederonderneming een verzekerings- holding of een gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte is, overeenkomstig de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk; 3° waarvan de moederonderneming een verzekeringshol- ding of een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, overeenkomstig Afdeling V van dit Hoofdstuk; 4° waarvan de moederonderneming een gemengde ver- zekeringsholding in de Europese Economische Ruimte of van een derde land is, overeenkomstig Afdeling VI van dit Hoofdstuk. Het toezicht op groepsniveau doet geen afbreuk aan het toezicht dat op individuele basis wordt uitgeoefend op verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen die betrokken zijn in het toezicht op groepsniveau, behoudens andersluidende bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoe- ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd. De Bank kan evenwel rekening houden met de implicaties van het toezicht op groepsniveau bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 344 In de gevallen bedoeld in artikel 343, tweede lid, 1° en 2°, waarin de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte hetzij een ver- bonden onderneming van een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is die overeenkomstig artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht is onderworpen, hetzij zelf een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is die aan hetzelfde toezicht is onderworpen, kan de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthouders, besluiten op het niveau van deze deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming, deze verzekeringsholding of deze gemengde financiële holding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen. arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi qu’aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Le contrôle au niveau du groupe s’exerce sur les entre- prises d’assurance ou de réassurance de droit belge: 1° qui sont une entreprise participante dans au moins une entreprise d’assurance ou de réassurance dans l’Espace économique européen ou d’un pays tiers, conformément aux Sections Ire à IV du présent Chapitre; 2° dont l’entreprise mère est une société holding d’assu- rance ou une compagnie financière mixte dans l’Espace économique européen, conformément aux Sections Ire à IV du présent Chapitre; 3° dont l’entreprise mère est une société holding d’assu- rance ou une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, conformément à la Section V du présent Chapitre; 4° dont l’entreprise mère est une société holding mixte d’assurance dans l’Espace économique européen ou d’un pays tiers, conformément à la Section VI du présent Chapitre. Le contrôle au niveau du groupe ne porte pas préjudice au contrôle, sur une base individuelle, des entreprises d’assu- rance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau d’un groupe, sauf dispositions contraires prévues par ou en vertu du présent Chapitre ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. La Banque peut toutefois tenir compte des implications du contrôle au niveau du groupe dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle sur une base individuelle des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 344 Dans les cas visés à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte dans l’Espace économique européen est soit une entreprise liée d’une entité réglementée ou d’une compagnie financière mixte assujettie à une surveillance complémentaire confor- mément à l’article 5, § 2, de la directive 2002/87/CE, soit elle-même une entité réglementée ou une compagnie finan- cière mixte assujettie à la même surveillance, le contrôleur du groupe, peut, après consultation des autres autorités de contrôle concernées, décider de ne pas effectuer le contrôle de la concentration de risques visé aux articles 388 et 389, le contrôle des transactions intragroupe visé aux articles 390 et 391 ou les deux, au niveau de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante, de cette société holding d’assurance ou de cette compagnie financière mixte. 544 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 345 Alle bepalingen van dit Hoofdstuk die van toepassing zijn op groepsniveau wegens de positie van de verzekerings- holding naar Belgisch recht, zijn ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover: 1° de verzekeringssector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat; 2° minstens één van de dochterondernemingen een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming is; 3° de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de verzekeringssector gemeten overeenkomstig artikel 452, § 3. Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de be- trokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en verkrijgt zij de instemming van de consoliderende toezichthouder van de banksector en de beleggingsdienstensector. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel genomen besluiten. Art. 346 Onverminderd artikel 347  kan de Bank, wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of wanneer een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderwor- pen is aan gelijkwaardige bepalingen van Hoofdstuk II en Hoofdstuk III van deze Titel, met name als het gaat om risi- cogebaseerd toezicht, in haar hoedanigheid van groepstoe- zichthouder besluiten op deze gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen van Hoofdstuk III van deze Titel toe te passen. Voor de toepassing van dit artikel overlegt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de be- trokken toezichthouders die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, met de consoliderende toezichthouder van de banksector en de beleggingsdienstensector. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens dit artikel genomen besluiten. Art. 345 Toute disposition du présent Chapitre qui s’applique au niveau du groupe en raison de la situation de la société holding d’assurance de droit belge s’applique également au niveau d’une compagnie financière mixte de droit belge pour autant que: 1° le secteur des assurances soit le principal secteur au sein du conglomérat financier; 2° l’une des filiales au moins soit une entreprise d’assu- rance ou de réassurance; 3° la Banque exerce aussi bien le contrôle au niveau du groupe que la surveillance complémentaire du conglomérat. Pour l’application de l’alinéa 1er, l’importance du secteur des assurances est mesurée conformément à l’article 452, § 3. Pour l’application du présent article, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, se concerte avec les autori- tés de contrôle concernées chargées du contrôle des filiales et obtient l’accord de l’autorité de surveillance sur base consolidée du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu du présent article. Art. 346 Sans préjudice de l’article 347, lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance à la tête d’un conglomérat financier ou lorsqu’une compagnie financière mixte de droit belge est soumise à des dispositions équivalentes du Chapitre II et du Chapitre III du présent Titre, plus particulièrement en termes de surveillance fondée sur le risque, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe peut décider de n’appliquer à cette compagnie financière mixte que les dispositions per- tinentes du Chapitre III du présent Titre. Pour l’application du présent article, la Banque, en sa qualité de contrôleur de groupe, se concerte avec les autori- tés de contrôle concernées chargées du contrôle des filiales et, le cas échéant, avec l’autorité de surveillance sur base consolidée du secteur bancaire et du secteur des services d’investissement. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu du présent article. 545 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 347 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de verzekeringssector de belangrijkste sector is en waarover de Bank zowel het toezicht op groepsniveau als het aanvul- lende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze besluiten, na overleg met de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 340, 3°, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn: 1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 383 tot 401 en 417 tot 424, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep als gedefinieerd in artikel 340, 1° die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op groepsniveau; 2° voor de naleving van de artikelen 459 tot 466 worden de groepsrisico’s die voortvloeien uit intragroeptransacties en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld. Deze risico’s worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezicht- houdende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen; 3° voor de naleving van artikel 467 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 322. De praktische modaliteiten voor de toepassing van het eerste lid worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatie- regeling die met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 340, 4° is gesloten binnen het college dat op de vereiste wijze is samengesteld op basis van artikel 474. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en EIOPA in kennis van de krachtens het eerste lid genomen besluiten. Onderafdeling II Reikwijdte van het groepstoezicht Art. 348 De uitoefening van het groepstoezicht overeenkomstig dit Hoofdstuk betekent niet dat toezicht op individuele basis moet worden uitgeoefend op de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen van een derde land, op de verzekeringshol- ding, op de gemengde financiële holding of op de gemengde verzekeringsholding die onder het toezicht op groepsniveau vallen, onverminderd Afdeling IV van dit Hoofdstuk wat ver- zekeringsholdings en gemengde financiële holdings betreft. Art. 347 Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance fait partie d’un conglomérat financier dans lequel le secteur des assurances est le principal secteur et sur lequel la Banque exerce tant le contrôle au niveau du groupe que la surveil- lance complémentaire du conglomérat, celle-ci peut décider, après concertation avec les autorités compétentes au sens de l’article 340, 3°, que les mesures suivantes sont d’application: 1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 383 à 401 et 417 à 424, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l’article 340, 1° et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en consi- dération au titre de la portée pertinente pour le contrôle au niveau du groupe; 2° pour le respect des articles 459 à 466, les risques de groupe qui découlent des transactions intragroupe et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires. Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles précités; 3° pour le respect de l’article 467, les tests de résistance visés peuvent être intégrés au niveau du conglomérat financier dans les tests de résistance requis sur la base de l’article 322. Les modalités pratiques relatives à l’application de l’alinéa 1er sont consignées par écrit dans un règlement de coordi- nation conclu avec les autorités compétentes relevantes au sens de l’article 340, 4°, au sein du collège constitué de la manière requise sur la base de l’article 474. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l’ABE et l’EIOPA des décisions arrêtées en vertu de l’alinéa 1er. Sous-section II Portée du contrôle de groupe Art. 348 L’exercice du contrôle du groupe conformément au présent Chapitre n’implique pas le contrôle sur une base individuelle des entreprises d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, de la société holding d’assurance, de la compagnie financière mixte ou de la société holding mixte d’assurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe, sans préjudice de la Section IV du présent Chapitre en ce qui concerne les sociétés holding d’assurance ou les compagnies financières mixtes. 546 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 349 § 1. De groepstoezichthouder kan per geval besluiten om bij het in artikel 343 bedoelde toezicht op groepsniveau een onderneming niet in aanmerking te nemen: 1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd het bepaalde in artikel 371; 2° indien de bij het toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht van te verwaarlozen betekenis is; of 3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht ongepast of misleidend zou zijn. Wanneer verscheidene ondernemingen van dezelfde groep individueel genomen buiten beschouwing mogen worden gelaten op grond van het eerste lid, 2°, moeten deze toch bij het toezicht op groepsniveau in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn. § 2. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoe- zichthouder, in de in paragraaf 1, eerste lid, 2° of 3° bedoelde gevallen van mening is dat een verzekerings- of herverze- keringsonderneming niet bij het toezicht op groepsniveau in aanmerking moet worden genomen, raadpleegt zij de andere betrokken toezichthouders alvorens een besluit te nemen. Art. 350 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming op grond van artikel 349, § 1, eerste lid, 2° of 3° of van een bepaling van het recht van een andere lidstaat die voorziet in de omzetting van artikel 214, lid 2, eerste alinea, onder b) of c), van Richtlijn 2009/138/EG, niet bij het groepstoezicht in aanmerking wordt genomen, dient de onderneming naar Belgisch recht die aan het hoofd van de groep staat, aan de toezichthouders van de lidstaat waar deze niet in het groepstoezicht opgenomen onderneming is gevestigd, alle informatie te verstrekken die naar haar mening het toezicht op de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan vergemakkelijken. Onderafdeling III Niveaus § 1 – Uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte Art. 351 Wanneer de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding zelf een dochteronderneming van een andere verzekerings- of Art. 349 § 1er. Le contrôleur du groupe peut décider, au cas par cas, de ne pas inclure une entreprise dans le contrôle au niveau du groupe visé à l’article 343: 1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers où des obstacles de nature juridique empêchent le transfert des informations nécessaires, sans préjudice de l’article 371; 2° lorsque l’entreprise à inclure ne présente qu’un intérêt négligeable au regard des objectifs du contrôle de groupe; ou 3° lorsque l’inclusion de l’entreprise est inappropriée ou pourrait constituer une source de confusion, au regard des objectifs du contrôle de groupe. Lorsque plusieurs entreprises du même groupe, consi- dérées individuellement, peuvent être exclues sur la base de l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu de les inclure dans le contrôle au niveau du groupe dès lors que, collectivement, elles pré- sentent un intérêt non négligeable. § 2. Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance ne devrait pas être incluse dans le contrôle au niveau du groupe par application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou 3°, elle consulte les autres autorités de contrôle concernées avant d’arrêter une décision. Art. 350 Lorsqu’en application de l’article 349, § 1er, alinéa 1er, 2° ou 3° ou d’une disposition du droit d’un autre État membre assurant la transposition de l’article 214, paragraphe 2, alinéa 1er, point b) ou c), de la Directive 2009/138/CE, une entreprise d’assurance ou de réassurance n’est pas incluse dans le contrôle du groupe, l’entreprise de droit belge qui se trouve à la tête du groupe est tenue de fournir à l’autorité de contrôle de l’État membre où cette entreprise non incluse dans le contrôle du groupe est située, toute information que celle-ci estime de nature à faciliter le contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Sous-section III Niveaux § 1er – Entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen Art. 351 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compa- gnie financière mixte visée à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, est elle-même une entreprise filiale d’une autre entreprise 547 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsonderneming, een andere verzekeringshol- ding of een andere gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte is, zijn de bepalingen die door of krachtens de Afdelingen II tot IV van dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, alleen van toepassing op het niveau van de uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonder- neming in de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde fi- nanciële moederholding in de Europese Economische Ruimte. Art. 352 Wanneer de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moeder- verzekerings- of -herverzekeringsonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, de uiteindelijke moederverzekeringsholding of de uiteindelijke gemengde financiële moederholding op het niveau van de Europese Economische Ruimte een dochteronderneming van een overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht onderworpen onderneming is, kan de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthouders, besluiten op het niveau van deze uiteindelijke moederonderneming, moederverzekeringsholding of moeder- holding het in de artikelen 388 en 389 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie of het in de artikelen 390 en 391 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen. § 2 – Uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau Art. 353 § 1. Onverminderd de artikelen 351 en 352, wanneer de zetel van de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moederonder- neming op het niveau van de Europese Economische Ruimte niet in België is gelegen, kan de Bank, na raadpleging van de groepstoezichthouder en deze uiteindelijke moederonderne- ming op het niveau van de Europese Economische Ruimte, besluiten de in artikel 343, tweede lid, 1° en 2° bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekerings- holding of gemengde financiële holding aan het toezicht op groepsniveau te onderwerpen overeenkomstig de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd. De in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, verzekeringsholding of gemengde financiële holding, wordt als uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau aangemerkt. De Bank legt haar besluit uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte. § 2. De Bank mag paragraaf 1 niet toepassen en mag geen besluiten handhaven die met toepassing van paragraaf 1 zijn genomen wanneer de in artikel 351 bedoelde uitein- delijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om haar d’assurance ou de réassurance, d’une autre société holding d’assurance ou d’une autre compagnie financière mixte ayant son siège social dans l’Espace économique euro- péen, les dispositions prévues par ou en vertu des Sections II à IV du présent Chapitre ne s’appliquent qu’au niveau de l’entreprise d’assurance ou de réassurance mère supérieure dans l’Espace économique européen, de la société holding d’assurance mère supérieure ou de la compagnie financière mixte mère supérieure dans l’Espace économique européen. Art. 352 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, la société holding d’assurance mère supérieure ou la compa- gnie financière mixte mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, visée à l’article 351 est une entreprise filiale d’une entreprise assujettie à une surveillance com- plémentaire conformément à l’article 5, § 2, de la directive 2002/87/CE, le contrôleur du groupe, peut, après consultation des autres autorités de contrôle concernées, décider de ne pas effectuer le contrôle de la concentration de risques visé aux articles 388 et 389 ou le contrôle des transactions intra- groupe visé aux articles 390 et 391 ou les deux, au niveau de cette entreprise, société ou compagnie mère supérieure. § 2 – Entreprise mère supérieure au niveau belge Art. 353 §  1er. Sans préjudice des articles  351  et 352, lorsque l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace écono- mique européen visée à l’article 351 n’a pas son siège social en Belgique, la Banque peut décider, après consultation du contrôleur du groupe et de cette entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen, d’assujettir l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte visée à l’article 343, alinéa 2, 1° et 2°, au contrôle au niveau du groupe conformément aux dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Cette entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte visée à l’alinéa 1er est qualifiée d’entreprise mère supérieure au niveau belge. La Banque explique sa décision au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen. § 2. La Banque n’est pas autorisée à faire application du paragraphe 1er ou à maintenir une décision prise en applica- tion du paragraphe 1er lorsque l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article 351 a obtenu, conformément aux articles 237 ou 243 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation d’assujettir sa filiale 548 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dochteronderneming, die de uiteindelijke moederonderne- ming op Belgisch niveau is, aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/EG te onderwerpen. Art. 354 § 1. Wanneer zij artikel 353 toepast, kan de Bank het groepstoezicht op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau beperken tot een of meer van de Onderafdelingen I, II of III van Afdeling II van dit Hoofdstuk. §  2. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uitein- delijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen, wordt de keuze van de methode voor de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezicht- houder met betrekking tot de in artikel 351 bedoelde uitein- delijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief erkend en door de Bank toegepast. §  3. Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1  van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen en de in artikel 351 bedoelde uiteindelijke moeder- onderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteits- kapitaalvereiste van de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen die deel uitmaken van die groep, op basis van een intern model te berekenen, wordt dit besluit als definitief erkend en door de Bank toegepast. Wanneer de Bank in een dergelijke situatie van mening is dat het risicoprofiel van de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau duidelijk afwijkt van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij besluiten een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep dat voor de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau uit de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep op basis van de standaardformule berekent. De Bank legt de krachtens het tweede lid genomen beslui- ten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau. §  4.  Wanneer de Bank besluit de bepalingen van Onderafdeling 1 van Afdeling II van dit Hoofdstuk op de uitein- delijke moederonderneming op Belgisch niveau toe te passen, is het deze onderneming niet toegestaan overeenkomstig artikel 382 een aanvraag in te dienen om één of meer van haar dochterondernemingen aan de artikelen 384 en 385 te onderwerpen. entreprise mère supérieure au niveau belge aux articles 238 et 239 de la Directive 2009/138/CE. Art. 354 § 1er. Lorsqu’elle fait application de l’article 353, la Banque peut limiter le contrôle de groupe de l’entreprise mère supé- rieure au niveau belge à une ou plusieurs des Sous-sections Ire, II ou III de la Section II du présent Chapitre. § 2. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dispositions de la Sous- section 1ère de la Section II du présent Chapitre, le choix de la méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe, effec- tué conformément à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE par le contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen visée à l’article 351, est considéré comme déterminant et est appliqué par la Banque. § 3. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dispositions de la Sous-section 1ère de la Section II du présent Chapitre et que l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace écono- mique européen visée à l’article 351 a obtenu, conformément à l’article 231 ou 233, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/ CE, l’autorisation de calculer sur la base d’un modèle interne le capital de solvabilité requis du groupe et le capital de solva- bilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe, cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque. Dans ce cas, lorsque la Banque considère que le profil de risque de l’entreprise mère supérieure au niveau belge s’écarte significativement du modèle interne approuvé au niveau de l’Espace économique européen, elle peut décider d’imposer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge, en conséquence de l’application de ce modèle et aussi longtemps que cette entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, une exigence de capital supplémentaire en ce qui concerne le capital de solvabilité requis du groupe de cette entreprise ou, dans des circonstances exceptionnelles, lorsque cette exigence de capital supplémentaire serait inappropriée, exiger de cette entreprise qu’elle calcule le capital de solvabilité requis du groupe sur la base de la formule standard. La Banque explique les décisions prises en vertu de l’alinéa 2 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau belge. § 4. Lorsque la Banque décide d’appliquer à l’entreprise mère supérieure au niveau belge les dispositions de la Sous-section 1ère de la Section II du présent Chapitre, cette entreprise n’est pas autorisée à demander, conformément à l’article 382, l’autorisation d’assujettir l’une quelconque de ses filiales aux articles 384 et 385. 549 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 355 Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoedanig- heid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij ar- tikel 216, lid 1 of lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG heeft toepast, deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1. § 3 – Moederonderneming die meerdere lidstaten bestrijkt Art. 356 § 1. In geval van toepassing van artikel 353, mag de Bank een overeenkomst sluiten met toezichthouders van andere lidstaten waar een andere verbonden uiteindelijke moeder- onderneming op nationaal niveau aanwezig is, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op het niveau van een subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt. Wanneer er overeenkomstig het eerste lid een overeen- komst is gesloten, mag geen groepstoezicht worden uitgeoe- fend op het niveau van de uiteindelijke moederondernemingen op nationaal niveau die in andere lidstaten aanwezig zijn dan de lidstaat waar de in het eerste lid bedoelde subgroep is gevestigd. § 2. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst kunnen overeenkomen het groepstoezicht op het niveau van de subgroep die meer- dere lidstaten bestrijkt, te beperken tot een of meer afdelingen van Hoofdstuk II van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG. Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG toe te passen, wordt de keuze van de methode voor de berekening van de solva- biliteit op het niveau van de groep, die overeenkomstig artikel 220 van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder met betrekking tot de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte wordt gemaakt, als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst toegepast. Ingeval de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst besluiten de artikelen 218 tot 243 van Richtlijn 2009/138/EG te passen en ingeval de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG toestemming heeft verkregen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van de groep op basis van een intern model te berekenen, wordt dat besluit als definitief erkend en door de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst toegepast. Wanneer de Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, in het in het derde lid bedoelde geval van mening zijn dat het risicoprofiel van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, duidelijk afwijkt Art. 355 Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait application de l’article 216, paragraphe 1er ou paragraphe 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque en informe le collège des contrôleurs conformément à l’article 409, § 1er. § 3 – Entreprise mère couvrant plusieurs États membres Art. 356 §  1er. En cas d’application de l’article 353, la Banque peut conclure un accord avec les autorités de contrôle dans les autres États membres où se trouve une autre entreprise mère supérieure liée au niveau national, en vue d’exercer un contrôle du groupe au niveau d’un sous-groupe couvrant plusieurs États membres. En cas de conclusion d’un accord conformément à l’ali- néa 1er, aucun contrôle du groupe n’est effectué au niveau des entreprises mères supérieures au niveau national qui se trouvent dans des États membres différents de l’État membre où est situé le sous-groupe visé à l’alinéa 1er. § 2. La Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er peuvent convenir de limiter le contrôle du groupe au niveau du sous-groupe couvrant plusieurs États membres, à une ou plusieurs sections du Chapitre II du Titre III de la Directive 2009/138/CE. Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer les articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, le choix de la méthode de calcul de la solvabilité au niveau du groupe, effec- tué conformément à l’article 220 de la Directive 2009/138/CE par le contrôleur du groupe en ce qui concerne l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique euro- péen, est considéré comme déterminant et est appliqué par la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er. Lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er décident d’appliquer les articles 218 à 243 de la Directive 2009/138/CE, et que l’entre- prise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen a obtenu, conformément à l’article 231 ou 233, paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, l’autorisation de calculer sur la base d’un modèle interne le capital de solva- bilité requis du groupe et le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe, cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er. Dans le cas visé à l’alinéa 3, lorsque la Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er considèrent que le profil de risque du sous-groupe cou- vrant plusieurs États membres s’écarte significativement du 550 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van het op het niveau van de Europese Economische Ruimte goedgekeurde interne model, en zolang deze subgroep niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank en van de toezichthouders die partij zijn bij de in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst, kunnen zij besluiten op het uit de toepassing van dit model voortvloeiende solvabiliteits- kapitaalvereiste van de subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, een opslagfactor toe te passen of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze subgroep die meerdere lidstaten bestrijkt, het solvabiliteitskapitaalvereiste van de subgroep op basis van de standaardformule berekent. De Bank legt de krachtens het vierde lid genomen besluiten uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moe- deronderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte. § 3. De Bank en de toezichthouders die partij zijn bij de met toepassing van dit artikel gesloten overeenkomst, leggen de genoemde overeenkomst uit aan de groepstoezichthouder en aan de uiteindelijke moederonderneming op het niveau van de Europese Economische Ruimte. § 4. De in dit artikel bedoelde overeenkomst mag geen betrekking hebben op een uiteindelijke moederonderneming op Belgisch niveau of op een ander nationaal niveau die met toepassing van de artikelen 237 of 243 van Richtlijn 2009/138/ EG onderworpen is aan de artikelen 238 en 239 van Richtlijn 2009/138/EG. Art. 357 Wanneer een toezichthouder de Bank, in haar hoedanig- heid van groepstoezichthouder, ervan in kennis stelt dat zij artikel 217, lid 1 of artikel 217, lid 2 juncto artikel 216, lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG heeft toegepast, deelt de Bank dit mee aan het college van toezichthouders overeenkomstig artikel 409, § 1. Afdeling II Domeinen van het groepstoezicht Onderafdeling I Groepssolvabiliteit § 1– Algemene bepalingen Art. 358 § 1. Op de groepssolvabiliteit wordt toezicht uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en Onderafdeling III van deze Afdeling. § 2. In het in artikel 343, tweede lid, 1° bedoelde geval zorgt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming modèle interne approuvé au niveau de l’Espace économique européen, elles peuvent décider d’imposer au sous-groupe couvrant plusieurs États membres, en conséquence de l’appli- cation de ce modèle et aussi longtemps que ce sous-groupe ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque et des autorités de contrôle parties à l’accord visé au paragraphe 1er , une exigence de capital supplémen- taire en ce qui concerne le capital de solvabilité requis du sous-groupe couvrant plusieurs États membres ou, dans des circonstances exceptionnelles, lorsque cette exigence de capital supplémentaire serait inappropriée, exiger de ce sous-groupe couvrant plusieurs États membres qu’il calcule le capital de solvabilité requis du sous-groupe sur la base de la formule standard. La Banque explique les décisions prises en vertu de l’alinéa 4 au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen. § 3. La Banque et les autorités de contrôle parties à l’accord conclu en application du présent article, exposent ledit accord au contrôleur du groupe et à l’entreprise mère supérieure au niveau de l’Espace économique européen. § 4. L’accord visé au présent article ne peut pas porter sur une entreprise mère supérieure au niveau belge ou à un autre niveau national qui est assujettie aux articles 238 et 239 de la Directive 2009/138/CE par application des articles 237 ou 243 de la Directive 2009/138/CE. Art. 357 Lorsqu’une autorité de contrôle informe la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, qu’elle a fait application de l’article 217, paragraphe 1er ou de l’article 217, paragraphe 2 juncto article 216, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive 2009/138/CE, la Banque en informe le collège des contrôleurs conformément à l’article 409, § 1er. Section II Domaines du contrôle de groupe Sous-Section Ire Solvabilité du groupe § 1er- Dispositions générales Art. 358 § 1er. Le contrôle de la solvabilité du groupe est exercé conformément au présent article, ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente Section. § 2. Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 1°, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante veille à ce que 551 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig de artikelen 361 tot 380. In het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval zorgt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die deel uitmaakt van de groep ervoor dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als berekend overeenkomstig artikel 381. De in deze paragraaf bedoelde vereisten zijn overeen- komstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. § 3. De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming die zich in het in artikel 343, tweede lid, 1° be- doelde geval bevindt, en, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding die zich in het in artikel 343, tweede lid, 2° bedoelde geval bevindt, beschikken over procedures om een verslechtering van de vereisten als respectievelijk bedoeld in het eerste lid en het tweede lid vast te stellen en om de groepstoezichthouder onmiddellijk in kennis te stellen wanneer zo’n verslechtering zich voordoet. Zodra zij vaststelt dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het gevaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt nageleefd, stelt de in het eerste lid bedoelde onderneming de groepstoezichthouder daarvan onmiddellijk in kennis. Binnen twee maanden na de in het tweede lid bedoelde vaststelling of de kennisgeving door de groepstoezichthouder van het feit dat hij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de in het eerste lid bedoelde onderneming bij de groeps- toezichthouder ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in, dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep weer op peil beoogt te brengen binnen uiterlijk zes maanden. Na overleg met de betrokken toezichthouders kan de groepstoe- zichthouder deze termijn met drie maanden verlengen indien hij dit nodig acht. Artikel 510, §§ 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing. Art. 359 Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoe- zichthouder, ervan in kennis wordt gesteld dat het solvabili- teitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of dat het gevaar dreigt dat het in de komende drie maanden niet meer wordt nageleefd, deelt zij dit mee aan de betrokken toezichthouders in het college van toezichthouders, dat de situatie van de groep vervolgens analyseert. Art. 360 § 1. De deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen le groupe dispose en permanence d’un montant de fonds propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité requis du groupe calculé conformément aux articles 361 à 380. Dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, l’entreprise d’assurance ou de réassurance faisant partie du groupe veille à ce que le groupe dispose en permanence d’un montant de fonds propres éligibles au moins égal au capital de solvabilité requis du groupe calculé conformément à l’article 381. Les exigences visées au présent paragraphe sont sou- mises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe, confor- mément à la Section III du présent Chapitre. § 3. L’entreprise d’assurance ou de réassurance partici- pante dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 1°, et, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte dans le cas visé à l’article 343, alinéa 2, 2°, mettent en place des procédures leur permettant de détecter une détérioration des exigences visées, respectivement, à l’alinéa 1er et à l’alinéa 2, et d’informer immédiatement le contrôleur du groupe lorsqu’une telle détérioration se produit. Dès qu’elle constate que le capital de solvabilité requis du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois mois à venir, l’entreprise visée à l’alinéa 1er en informe immédiatement le contrôleur du groupe. Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 2, ou de la notification par le contrôleur du groupe qu’il a procédé à un tel constat, l’entreprise visée à l’alinéa 1er soumet au contrôleur du groupe, pour approbation, un programme de rétablissement réaliste visant à rétablir la capital de solvabilité requis du groupe dans un délai n’excédant pas six mois. Le contrôleur du groupe peut, s’il l’estime nécessaire et après concertation avec les autorités de contrôle concernées, prolonger ce délai de trois mois. L’article 510, §§ 2 et 3 est applicable par analogie. Art. 359 Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, est informée que le capital de solvabilité requis du groupe n’est plus atteint, ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois mois à venir, elle en informe les autorités de contrôle concernées au sein du collège des contrôleurs, qui analyse la situation du groupe. Art. 360 § 1er. L’entreprise d’assurance ou de réassurance partici- pante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise 552 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voe- ren de in artikel 358, § 2 bedoelde berekeningen minstens eenmaal per jaar uit. De voor de berekening benodigde gegevens en de re- sultaten van de berekening worden aan de groepstoezicht- houder voorgelegd door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de tot de groep behorende verzekerings- of herver- zekeringsonderneming die door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en met de groep zelf is aangewezen. § 2. Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt continu bewaakt door de verzekerings- of herverzekerings- onderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding. Wanneer het risicoprofiel van de groep in significante mate. afwijkt van de hypothesen die aan het laatst gemelde solvabi- liteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, wordt dit solvabiliteitskapitaalvereiste onmiddellijk herberekend en aan de groepstoezichthouder meegedeeld. Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de groep in significante mate is gewijzigd sinds de datum waarop de laatste melding van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder een herberekening van het dit solvabiliteitskapitaalvereiste verlangen. § 2 – Keuze van de methode voor de berekening van de groepssolvabiliteit en algemene beginselen Art. 361 De solvabiliteit op het niveau van de groep van een deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt berekend overeenkomstig de technische beginselen die in de artikelen 362 tot 371 zijn beschreven en volgens bereke- ningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 tot 376 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. In afwijking van het eerste lid kan de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep zelf, besluiten om voor deze groep berekeningsmethode 2 als bedoeld in de artikelen 377 tot 380 en in de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, of een combinatie van de berekeningsmethodes 1 en 2 toe te passen indien de uitsluitende toepassing van methode 1 ongepast zou zijn. Art. 362 § 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assu- rance ou la compagnie financière mixte effectuent au moins une fois par an les calculs visés à l’article 358, § 2. Les données nécessaires à ce calcul et les résultats obtenus sont fournis au contrôleur du groupe, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même. §  2. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte surveillent en permanence le montant du capital de solvabilité requis du groupe. Lorsque le profil de risque du groupe s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendaient le dernier capital de solvabilité requis notifié par le groupe, ce capital est recalculé sans délai et notifié au contrôleur du groupe. Lorsque des éléments semblent indiquer que le profil de risque du groupe a significativement changé depuis la date de la dernière notification du capital de solvabilité requis du groupe, le contrôleur du groupe peut exiger que ce capital soit recalculé. § 2 – Choix de la méthode de calcul de la solvabilité du groupe et principes généraux Art. 361 Le calcul de la solvabilité au niveau du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante est effectué conformément aux principes techniques énoncés aux articles 362 à 371 et selon la première méthode de calcul définie aux articles 372 à 376 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Par dérogation à l’alinéa 1er, le contrôleur du groupe, peut décider, après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même, d’appliquer à ce groupe la seconde méthode de calcul définie aux articles 377 à 380 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE, ou une combinaison des première et seconde méthodes de calcul, si l’application exclusive de la première méthode est inappropriée. Art. 362 § 1er. Le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante tient compte de 553 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wordt rekening gehouden met het proportionele deel dat de deelnemende onderneming in met haar verbonden onder- nemingen bezit. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder “propor- tioneel deel” het volgende verstaan: 1° ofwel, bij toepassing van methode 1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit, de percentages die worden gebruikt voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening; 2° ofwel, bij toepassing van methode 2 voor de berekening van de groepssolvabiliteit, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of onrechtstreeks het eigendom is van de deelnemende onderneming. Ongeacht welke methode wordt toegepast voor de be- rekening van de groepssolvabiliteit, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is die onvoldoende in aanmerking komend eigen vermogen bezit om haar solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen. In afwijking van het derde lid kan de groepstoezichthouder toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderne- ming op proportionele grondslag in aanmerking wordt geno- men indien hij na overleg met de betrokken toezichthouders van oordeel is dat de aansprakelijkheid van de moederonder- neming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt tot dat gedeelte van het kapitaal is beperkt. § 2. In de onderstaande gevallen bepaalt de groepstoe- zichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep zelf, het proportionele deel dat in aanmerking wordt genomen: 1° indien tussen sommige van de ondernemingen in een groep geen kapitaalbanden bestaan; 2° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft bepaald dat het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit van stemrechten of kapitaal van een onderneming als een deel- neming moet worden aangemerkt, omdat naar haar mening feitelijk een aanzienlijke invloed op deze onderneming wordt uitgeoefend; 3° indien de Bank of een andere toezichthouder heeft bepaald dat een onderneming een moederonderneming van een andere onderneming is, omdat de Bank of die andere toezichthouder van oordeel is dat die onderneming feitelijk een overheersende invloed op die andere onderneming uitoefent. Art. 363 § 1. Het is niet toegestaan eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komt, meerdere malen te gebruiken voor de verschillende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming betrokken zijn. la part proportionnelle détenue par l’entreprise participante dans ses entreprises liées. Aux fins de l’alinéa 1er, la part proportionnelle correspond: 1° lorsque la première méthode de calcul de la solvabilité du groupe est utilisée, aux pourcentages retenus pour l’éta- blissement des comptes consolidés; ou 2° lorsque la seconde méthode de calcul de la solvabilité du groupe est utilisée, à la fraction du capital souscrit qui est détenue, directement ou indirectement, par l’entreprise participante. Toutefois, indépendamment de la méthode de calcul de la solvabilité du groupe utilisée, lorsque l’entreprise liée est une entreprise filiale qui ne dispose pas de fonds propres éligibles suffisants pour couvrir son capital de solvabilité requis, la totalité du déficit de solvabilité de la filiale doit être prise en compte. Par dérogation à l’alinéa 3, le contrôleur du groupe peut autoriser qu’il soit tenu compte du déficit de solvabilité de la filiale sur une base proportionnelle s’il estime, après consul- tation des autorités de contrôle concernées, que la respon- sabilité de l’entreprise mère détenant une part de capital est limitée strictement à cette part de capital. § 2. Le contrôleur du groupe détermine, après consultation des autorités de contrôle concernées et du groupe lui-même, la part proportionnelle qui doit être prise en considération dans les cas suivants: 1° lorsqu’il n’y a pas de lien en capital entre certaines des entreprises appartenant à un groupe; 2° lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle a établi que le fait de détenir, directement ou indirectement, des droits de vote ou du capital dans une entreprise est assimilable à une participation car elle estime qu’une influence notable est effectivement exercée sur cette entreprise; 3° lorsque la Banque ou une autre autorité de contrôle a établi qu’une entreprise est l’entreprise mère d’une autre entreprise, car elle estime que la première exerce effective- ment une influence dominante sur la seconde. Art. 363 § 1er. Le double emploi des fonds propres éligibles en couverture du capital de solvabilité requis des différentes entreprises d’assurance ou de réassurance prises en compte dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante est interdit. 554 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Daartoe worden bij de berekening van de groepssolva- biliteit en voor zover de in de artikelen 372 tot 380 en in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG beschre- ven berekeningsmethodes daarin niet voorzien, de volgende bedragen van de berekening uitgesloten: 1° de waarde van activa van de deelnemende verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalver- eiste van één van de met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 2° de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de fi- nanciering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteits- kapitaalvereiste van die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 3° de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de fi- nanciering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapi- taalvereiste van andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. § 2. Onverminderd paragraaf 1 mogen de onderstaande vermogensbestanddelen alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover zij in aanmer- king komen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalver- eiste van de betrokken verbonden onderneming: 1° surplusfondsen uit hoofde van artikel 145, tweede lid, die gegenereerd worden in een verbonden levensverzeke- rings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend; 2° het geplaatste maar niet-gestorte aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend. De volgende bestanddelen worden in elk geval van de berekening van de groepssolvabiliteit uitgesloten: 1° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal dat een potentiële verplichting van de zijde van de deelnemende onderneming vormt; 2° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt; 3° geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een andere met À cet effet, lors du calcul de la solvabilité du groupe, si les méthodes de calcul définies aux articles 372 à 380 et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ne le prévoient pas, les montants suivants sont exclus: 1° la valeur de tout actif de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui correspond au financement de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis d’une de ses entreprises d’assurance ou de réassu- rance liées; 2° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance participante qui correspond au financement de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante; 3° la valeur de tout actif d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réas- surance participante qui correspond au financement de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis de toute autre entreprise d’assurance ou de réassurance liée de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante. § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, les éléments sui- vants peuvent être pris en compte dans le calcul de la solvabi- lité du groupe dans la mesure où ils sont éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise liée concernée: 1° les fonds excédentaires relevant de l’article 145, ali- néa 2, d’une entreprise d’assurance-vie ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance partici- pante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée; 2° les fractions souscrites mais non versées du capital d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée. Toutefois, les éléments suivants doivent dans tous les cas être exclus du calcul de la solvabilité du groupe: 1° les fractions souscrites mais non versées du capital qui représentent une obligation potentielle incombant à l’entre- prise participante; 2° les fractions souscrites mais non versées du capital de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante qui représentent une obligation potentielle incombant à une entreprise d’assurance ou de réassurance liée; 3° les fractions souscrites mais non versées du capital d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée qui représentent une obligation potentielle incombant à une autre 555 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dezelfde deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming verbonden verzekerings- of herverzekeringson- derneming vormt. § 3. Indien de Bank of een andere toezichthouder van mening is dat bepaald ander dan in paragraaf 2 bedoeld eigen vermogen dat voor de dekking van het solvabili- teitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in aanmerking komt, niet ef- fectief beschikbaar mag worden gesteld voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, mag dat eigen vermogen slechts in de berekening worden opgenomen voor zover het in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitska- pitaalvereiste van de verbonden onderneming. § 4. De som van de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde eigenvermogensbestanddelen mag het solvabiliteitskapitaal- vereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekerings- onderneming niet overschrijden. § 5. In aanmerking komend eigen vermogen van een ver- bonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, en waarvan de inaanmerkingneming voorafgaande toestemming vereist, naargelang van het geval, van de Bank, overeenkomstig ar- tikel 143, of van een andere toezichthouder, overeenkomstig artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG, mag alleen in de bere- kening worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is verkregen, naargelang van het geval, van de Bank of van de toezichthouder die voor het toezicht op die verbonden onderneming verantwoordelijk is. Art. 364 Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen dat afkomstig is van de wederzijdse financiering tussen de deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming en: 1° een daarmee verbonden onderneming; 2° een daarin deelnemende onderneming; 3° een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt geen rekening gehouden met het voor de dekking van het solvabi- liteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming van de deelnemende verzekerings- of herverzekerings- onderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, entreprise d’assurance ou de réassurance liée de la même entreprise d’assurance ou de réassurance participante. § 3. Lorsque, la Banque ou une autre autorité de contrôle considère que certains fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance liée, autres que ceux visés au paragraphe 2, ne peuvent être effectivement rendus disponibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée, ces fonds propres ne peuvent être inclus dans le calcul que dans la mesure où ils sont éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise liée. § 4. La somme des fonds propres visés aux paragraphes 2 et 3 ne peut pas dépasser le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance liée. § 5. Les fonds propres éligibles d’une entreprise d’assu- rance ou de réassurance liée à l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée, lorsqu’ils sont soumis à l’approbation préalable, selon le cas, de la Banque, conformément à l’article 143, ou d’une autre autorité de contrôle conformément à l’article 90 de la Directive 2009/138/CE, ne peuvent être inclus dans le calcul que dans la mesure où ils ont été dûment approuvés, selon le cas, par la Banque ou par l’autorité de contrôle en charge du contrôle de cette entreprise liée. Art. 364 Dans le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante, il n’est tenu compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis qui proviendrait d’un financement réciproque entre l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante et: 1° une entreprise liée; 2° une entreprise participante; 3° une autre entreprise liée de l’une quelconque de ses entreprises participantes. Dans le calcul de la solvabilité du groupe, il n’est tenu compte d’aucun élément de fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis d’une entreprise d’assu- rance ou de réassurance liée de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante pour laquelle la solvabilité du groupe est calculée lorsque l’élément en question provient 556 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wanneer het desbetreffende eigen vermogen afkomstig is van de wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden onderneming. Er wordt ten minste geacht van wederzijdse financiering sprake te zijn wanneer een verzekerings- of herverzekerings- onderneming of een van de met haar verbonden ondernemin- gen houdster is van aandelen in, of leningen verstrekt aan een andere onderneming die, rechtstreeks of onrechtstreeks, houdster is van voor de dekking van het solvabiliteitskapi- taalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van de eerste onderneming. Art. 365 De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig artikel 123. § 3 – Toepassing van de methodes voor de berekening van de groepssolvabiliteit Art. 366 Wanneer meerdere verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden zijn, wordt elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen in aanmerking genomen bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Wanneer de verbonden verzekerings- of herverzekerings- onderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming met betrekking tot de verbonden onderneming rekening gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen als voorgeschreven in die andere lidstaat. Art. 367 § 1. Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die middels een verzekeringstussenholding of een gemengde financiële holding een deelneming bezit in een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming of in een ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, wordt met de positie van die verzekeringsholding of die gemengde financiële holding rekening gehouden. Louter voor deze berekening wordt de verzekeringstussen- holding of de gemengde financiële tussenholding behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming die onderworpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabili- teitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen. d’un financement réciproque avec une autre entreprise liée de cette entreprise d’assurance ou de réassurance participante. Le financement réciproque est réputé exister au moins lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance, ou l’une quelconque de ses entreprises liées, détient des parts dans une autre entreprise qui, directement ou indirectement, détient des fonds propres éligibles en couverture du capital de solvabilité requis de la première entreprise, ou lorsqu’elle accorde des prêts à cette autre entreprise. Art. 365 Les actifs et passifs sont évalués conformément à l’article 123. § 3 – Application des méthodes de calcul de la solvabilité du groupe Art. 366 Lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réassu- rance sont liées à l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, il est tenu compte de chacune d’elles dans le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante. Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance liée à son siège social dans un État membre autre que la Belgique, le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante tient compte, en ce qui concerne cette entreprise liée, du capital de solvabilité requis et des fonds propres éligibles pour le couvrir, tels que définis dans cet autre État membre. Art. 367 § 1er. Pour le calcul de la solvabilité du groupe de l’entre- prise d’assurance ou de réassurance participante qui détient, par l’intermédiaire d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, une participation dans une entreprise d’assurance ou de réassurance liée ou dans une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, la situation de cette société holding d’assurance ou de cette compagnie financière mixte est prise en compte. Aux seules fins de ce calcul, la société holding d’assurance intermédiaire ou la compagnie financière mixte intermédiaire est traitée comme une entreprise d’assurance ou de réassu- rance soumise aux règles énoncées aux articles 151 à 188 en ce qui concerne le capital de solvabilité requis, et aux mêmes conditions que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis. 557 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Indien de verzekeringstussenholding of de gemengde financiële tussenholding in het in paragraaf 1 bedoelde geval achtergestelde schuldvorderingen of ander in aanmerking ko- mend eigen vermogen bezit waarvoor overeenkomstig artikel 150 een begrenzing geldt, worden deze bestanddelen slechts als in aanmerking komend eigen vermogen erkend ten belope van het bedrag dat wordt verkregen door de in artikel 150 vast- gelegde begrenzing toe te passen op het totale in aanmerking komend eigen vermogen op groepsniveau in vergelijking met het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau. In aanmerking komend eigen vermogen van een verze- keringstussenholding of van een gemengde financiële tus- senholding dat de voorafgaande toestemming van de Bank overeenkomstig artikel 143 of van een andere toezichthouder overeenkomstig artikel 90  van Richtlijn 2009/138/EG zou vereisen, indien het in bezit van een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming zou zijn, mag alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover daar- voor toestemming is verkregen van de groepstoezichthouder. Art. 368 § 1. Bij de berekening overeenkomstig de artikelen 377 tot 380 van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verze- kerings- of herverzekeringsonderneming van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming van een derde land, wordt louter voor deze berekening de onderneming van het derde land op dezelfde wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Wanneer het derde land waar deze onderneming haar zetel heeft, de betrokken onderneming onderwerpt aan een vergunning en haar een solvabiliteitsregeling oplegt die ten minste gelijkwaardig is aan die van de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG, wordt bij de berekening van de groeps- solvabiliteit met betrekking tot deze onderneming rekening gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor de dekking van dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen, als voorgeschreven door het betrokken derde land. § 2. Indien de Europese Commissie geen gedelegeerde handeling heeft vastgesteld met toepassing van artikel 227, lid 4 of lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG, om de gelijkwaardigheid te erkennen van de solvabiliteitsregeling van een derde land met die van Richtlijn 2009/138/EG, verifieert de groepstoe- zichthouder, op verzoek van de deelnemende onderneming of op eigen initiatief, of de regeling van het derde land ten minste gelijkwaardig is. Hierbij raadpleegt de groepstoezichthouder, hierin bijge- staan door EIOPA, de betrokken toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die krachtens artikel 227, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld. De groepstoezichthouder neemt ten aanzien van een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belang- rijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is vastgelegd in § 2. Dans le cas visé au paragraphe 1er, si la société hol- ding d’assurance intermédiaire ou la compagnie financière mixte intermédiaire détient des créances subordonnées ou d’autres fonds propres éligibles soumis aux limites prévues par l’article 150, ceux-ci sont considérés comme des fonds propres éligibles à concurrence des montants résultant de l’application des limites prévues par l’article 150 à l’encours total des fonds propres au niveau du groupe rapporté au capital de solvabilité requis au niveau du groupe. Les fonds propres éligibles d’une société holding d’assu- rance intermédiaire ou d’une compagnie financière mixte intermédiaire, qui nécessiteraient l’approbation préalable de la Banque conformément à l’article 143, ou d’une autre autorité de contrôle conformément à l’article 90 de la Directive 2009/138/CE s’ils étaient détenus par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance, ne peuvent être pris en compte dans le calcul de la solvabilité du groupe que dans la mesure où ils ont été dûment approuvés par le contrôleur du groupe. Art. 368 § 1er. Pour le calcul, conformément aux articles 377 à 380, de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, cette dernière est traitée, aux seules fins de ce calcul, comme une entreprise d’assurance ou de réassurance liée. Toutefois, lorsque le pays tiers dans lequel cette entreprise a son siège social la soumet à un régime d’agrément et lui impose un régime de solvabilité au moins équivalent à celui établi par les articles 75 à 135 de la Directive 2009/138/CE, le calcul de la solvabilité du groupe tient compte, en ce qui concerne cette entreprise, du capital de solvabilité requis et des fonds propres éligibles pour le couvrir tels que définis par le pays tiers concerné. § 2. Si la Commission européenne n’a pas adopté d’acte délégué, en application de l’article 227, paragraphe 4 ou paragraphe 5 de la Directive 2009/138/CE, reconnaissant l’équivalence du régime de solvabilité d’un pays tiers à celui instauré par la Directive 2009/138/CE, le contrôleur du groupe vérifie, à la demande de l’entreprise participante ou de sa propre initiative, si le régime du pays tiers est au moins équivalent. Pour ce faire, le contrôleur du groupe, assisté par l’EIOPA, consulte les autorités de contrôle concernées, avant de se prononcer sur l’équivalence. La décision est prise sur la base des critères adoptés en vertu de l’article 227, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE. Le contrôleur du groupe ne prend aucune décision à l’égard d’un pays tiers qui contredise une décision prise antérieurement à l’égard dudit pays tiers, à moins qu’il ne soit nécessaire de prendre en compte des modifications significatives apportées au régime de contrôle instauré par 558 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de artikelen 75 tot 135 van Richtlijn 2009/138/EG en in de toezichtsregeling van het derde land. § 3. Wanneer de Europese Commissie met toepassing van artikel 227, lid 5 van Richtlijn 2009/138/EG een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld waarin de toezichtsregeling van een derde land als voorlopig gelijkwaardig wordt aangemerkt, wordt dat derde land geacht gelijkwaardig te zijn voor de toepassing van paragraaf 1, tweede lid. Art. 369 Indien de Bank het oneens is met het krachtens artikel 227, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG genomen besluit, kan zij binnen drie maanden na kennisgeving van het besluit door de groepstoezichthouder de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Art. 370 Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een deel- nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in een kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële instelling, mag de deelnemende verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming mutatis mutandis de methodes 1 of 2 van Bijlage V toepassen. Methode 1 van deze Bijlage wordt echter alleen toegepast mits de groepstoezichthouder daarmee heeft ingestemd ge- let op het bevredigende niveau van geïntegreerd beheer en interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt consequent toe- gepast in de tijd. De groepstoezichthouder mag evenwel op verzoek van de deelnemende onderneming of uit eigen beweging een in het eerste lid bedoelde deelneming van het voor de dekking van de groepssolvabiliteit van de deelnemende onderneming in aanmerking komend eigen vermogen aftrekken. Art. 371 Wanneer, naargelang van het geval, de Bank of een andere toezichthouder niet beschikt over de voor de berekening van de groepssolvabiliteit van een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming benodigde informatie over een verbonden onderneming, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende verzekerings- of herverze- keringsonderneming in mindering gebracht op het voor de dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen. In dat geval worden met deze deelneming verband hou- dende latente meerwaarden niet als voor de dekking van de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen aanvaard. les articles 75 à 135 de la Directive 2009/138/CE, et au régime de contrôle du pays tiers. § 3. Lorsque la Commission européenne a adopté, en application de l’article 227, paragraphe 5  de la Directive 2009/138/CE, un acte délégué déterminant que le régime de contrôle d’un pays tiers est provisoirement équivalent, ce pays tiers est réputé équivalent aux fins de l’application du paragraphe 1er, alinéa 2. Art. 369 Si la Banque est en désaccord avec la décision prise en vertu de l’article 227, paragraphe 2 de la Directive 2009/128/ CE, elle peut, dans un délai de trois mois à compter de la notification de la décision du contrôleur du groupe, saisir l’EIOPA et solliciter son aide conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. Art. 370 Pour le calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante d’un établisse- ment de crédit, d’une entreprise d’investissement ou d’un établissement financier, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante peut appliquer mutatis mutandis la méthode n° 1 ou la méthode n° 2 énoncées à l’Annexe V. Toutefois, la méthode n° 1 décrite dans cette Annexe ne peut être appliquée qu’à la condition que le contrôleur du groupe y ait marqué son accord en raison du niveau satis- faisant de gestion intégrée et de contrôle interne des entités qui relèveraient de la consolidation. La méthode choisie est appliquée d’une manière constante dans le temps. Le contrôleur du groupe peut, à la demande de l’entreprise participante ou de sa propre initiative, déduire toute participa- tion visée à l’alinéa 1er des fonds propres éligibles en couver- ture de la solvabilité du groupe de l’entreprise participante. Art. 371 Lorsque, selon le cas, la Banque ou une autre autorité de contrôle ne dispose pas des informations relatives à une entreprise liée, nécessaires au calcul de la solvabilité du groupe d’une entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la valeur comptable de cette entreprise dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante est déduite des fonds propres éligibles à la couverture de la solvabilité du groupe. Dans ce cas, aucune plus-value latente associée à cette participation n’est considérée comme un élément des fonds propres éligibles pour couvrir la solvabilité du groupe. 559 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 4 – Methode voor de berekening van de groepssolvabi- liteit op basis van consolidatie van jaarrekeningen Art. 372 De berekening van de groepssolvabiliteit van de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de hand van de berekeningsmethode op basis van consolidatie van jaarrekeningen, of “methode 1 voor de berekening van de groepssolvabiliteit”, wordt uitgevoerd aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening. De groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming is het verschil tussen: 1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste; en 2° het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau. De voorschriften van de artikelen 140 tot 150 en van de artikelen 151 tot 188, zijn respectievelijk van toepassing voor de berekening van het voor de dekking van het solvabiliteits- kapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen en van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau. Art. 373 Het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau van de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of het “geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep”, wordt berekend aan de hand van de standaardformule of van een goedgekeurd intern model. Deze berekening moet stroken met de algemene beginselen vervat in de artikelen 151 en 152 en in de artikelen 153 tot 166 indien de standaardformule wordt gehanteerd, of in de artikelen 167 tot 188 indien een intern model wordt gebruikt, evenals in de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG. Het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is ten minste gelijk aan de som van: 1° het in artikel 189 bedoelde minimumkapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming; en 2°  het propor tionele deel van de minimum- kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Dit minimum wordt gedekt door het in aanmerking komend eigen kernvermogen dat overeenkomstig artikel 150, § 4, is bepaald. Om uit te maken of dit in aanmerking komend eigen vermogen het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep kan dekken, zijn de beginselen § 4 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la consolidation comptable Art. 372 Le calcul de la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante sur base de la méthode de calcul fondée sur la consolidation comptable, ou “première méthode de calcul de la solvabilité du groupe”, est effectué sur la base des comptes consolidés. La solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante est égale à la différence entre: 1° les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis, calculés sur la base de données conso- lidées; et 2° le capital de solvabilité requis au niveau du groupe, calculé sur la base de données consolidées. Les règles énoncées aux articles 140 à 150 et aux articles 151 à 188 s’appliquent, respectivement, au calcul des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis et au calcul du capital de solvabilité requis au niveau du groupe sur la base de données consolidées. Art. 373 Le capital de solvabilité requis au niveau du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante sur la base de données consolidées, ou “capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée”, est calculé sur la base de la formule standard ou d’un modèle interne approuvé. Ce calcul doit être compatible avec les principes généraux énoncés aux articles 151 et 152et aux articles 153 à 166 en cas de recours à la formule standard, ou aux articles 167 à 188 en cas de recours à un modèle interne, ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Le capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée est au moins égal à la somme: 1° du minimum de capital requis, visé à l’article 189, de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante; et 2° de la part proportionnelle du minimum de capital requis des entreprises d’assurance et de réassurance liées. Ce minimum doit être couvert par les fonds propres de base éligibles fixés par l’article 150, § 4. Afin de déterminer si ces fonds propres éligibles permettent d’assurer la couverture du minimum de capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée, les principes 560 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van de paragrafen 2 en 3 van deze Onderafdeling van over- eenkomstige toepassing. Artikel 511 is van overeenkomstige toepassing. Art. 374 § 1. Indien een deelnemende verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om zowel het geconsolideerde solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de tot de groep behorende verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen op basis van een intern model te mogen berekenen, bepalen de Bank en de betrokken toezichthouders in onderling overleg of zij deze aanvraag al dan niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd. De in de eerste lid bedoelde aanvraag wordt bij de groeps- toezichthouder ingediend. De groepstoezichthouder stelt de betrokken toezicht- houders onverwijld in kennis en bezorgt hen de volledige aanvraag. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen zes maanden na de datum van ontvangst door de groeps- toezichthouder van de volledige aanvraag, met de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager een document met een volledige opgave van de redenen waarop dit gezamenlijk besluit is gebaseerd. § 2. Indien er binnen zes maanden na de ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag geen ge- zamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onverminderd paragraaf 3. De groepstoezichthouder houdt naar behoren rekening met de standpunten en voorbehouden die de betrokken toezicht- houders binnen de termijn van zes maanden hebben geuit. De groepstoezichthouder bezorgt aan de aanvrager en aan de betrokken toezichthouders een document met een volle- dige opgave van de redenen waarop zijn besluit is gebaseerd. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de betrokken toezichthouders toegepast. § 3. Tijdens de in paragraaf 1, vierde lid bedoelde periode van zes maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het eventuele besluit énoncés aux paragraphes 2 et 3 de la présente Sous-section sont applicables par analogie. L’article 511 est applicable par analogie. Art. 374 § 1er. Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réas- surance participante et ses entreprises liées, ou l’ensemble des entreprises liées d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, demandent l’autorisation de calculer, sur la base d’un modèle interne, le capital de solvabilité requis du groupe sur base consolidée et le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réas- surance du groupe, la Banque coopère avec les autorités de contrôle concernées pour décider d’accorder ou non cette autorisation et, le cas échéant, pour en définir les conditions. La demande visée à l’alinéa 1er est adressée au contrôleur du groupe. Le contrôleur du groupe informe sans délai les autorités de contrôle concernées et leur communique la demande complète. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle concernées, à une décision conjointe sur la demande dans un délai de six mois à comp- ter de la réception de la demande complète par le contrôleur du groupe. Le contrôleur du groupe fournit au demandeur un document précisant l’ensemble des motivations de cette décision conjointe. § 2. Sans préjudice du paragraphe 3, à défaut d’adoption d’une décision conjointe dans les six mois suivant la récep- tion par le contrôleur du groupe de la demande complète, le contrôleur du groupe se prononce lui-même sur la demande. Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par les autorités de contrôle concer- nées dans le délai de six mois. Le contrôleur du groupe transmet au demandeur et aux autorités de contrôle concernées un document précisant la motivation complète de sa décision. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par les autorités de contrôle concernées. § 3. Pendant la période de six mois visée au paragraphe 1er, alinéa 4, et aussi longtemps qu’une décision conjointe n’a pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. Le contrôleur du groupe diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3, dudit règlement et arrête sa propre décision en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette 561 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. EIOPA neemt haar besluit binnen één maand. Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepas- sing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een definitief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. De termijn van zes maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening. Art. 375 Wanneer de Bank, bij toepassing van artikel 374, van mening is dat het risicoprofiel van een onder haar toezicht staande verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die ten grondslag liggen aan het op het niveau van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan zij overeenkomstig artikel 323 besluiten een opslagfactor toe te passen op het solvabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze onderneming uit de toepassing van het genoemde interne model voortvloeit. In uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van de in het eerste lid bedoelde opslagfactor niet gepast is, kan de Bank verlangen dat de betrokken onderneming haar solvabi- liteitskapitaalvereiste berekent op basis van de in de artikelen 151  tot 166  bedoelde standaardformule. Overeenkomstig artikel 323, § 2, kan de Bank op het uit de toepassing van de standaardformule voortvloeiende solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming een kapitaalopslagfactor toepassen. De Bank legt eventuele in het eerste en het tweede lid bedoelde besluiten uit aan zowel de verzekerings- of her- verzekeringsonderneming als aan de andere leden van het college van toezichthouders. Art. 376 Bij het bepalen of het geconsolideerde solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteedt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, bijzondere aandacht aan elk geval waarin de in artikel 323, § 2 bedoelde omstandigheden zich op groepsniveau kunnen voordoen, met name indien: 1° specifieke risico’s op groepsniveau onvoldoende gedekt zouden zijn door de standaardformule of het gebruikte interne model omdat deze moeilijk te kwantificeren zijn; décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois. Si, en application de l’article 41, paragraphes 2  et 3, et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe d’experts est rejetée, le contrôleur du groupe prend une décision défi- nitive. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La période de six mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, § 2, dudit règlement. Art. 375 En cas d’application de l’article 374, lorsque la Banque considère que le profil de risque d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qu’elle est chargée de contrôler s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent le modèle interne approuvé au niveau du groupe de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante, elle peut imposer à cette entreprise, conformément à l’article 323 et aussi long- temps que l’entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant à son capital de solvabilité requis tel qu’il résulte de l’application dudit modèle. Dans des circonstances exceptionnelles, lorsque l’exi- gence de capital supplémentaire visée à l’alinéa 1er serait inappropriée, la Banque peut exiger de l’entreprise concer- née qu’elle calcule son capital de solvabilité requis sur la base de la formule standard visée aux articles 151 à 166. Conformément à l’article 323, § 2, la Banque peut imposer une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette entreprise d’assurance ou de réassurance résultant de l’application de la formule standard. La Banque explique toute décision visée aux alinéas 1er et 2 à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ainsi qu’aux autres membres du collège des contrôleurs. Art. 376 Pour déterminer si le capital de solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, requis sur une base consolidée, reflète de manière appro- priée le profil de risque du groupe, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, accorde une attention particulière à toute situation où les circonstances visées à l’article 323, § 2, sont susceptibles de se présenter au niveau du groupe et, notamment, aux cas où: 1° un risque spécifique existant au niveau du groupe ne serait, du fait qu’il est difficilement quantifiable, pas suffi- samment pris en compte par la formule standard ou par le modèle interne utilisé; 562 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° een kapitaalopslagfactor die met toepassing van arti- kel 323 of 374, of van artikel 37 van Richtlijn 2009/138/EG naargelang van het geval door de Bank of door een andere toezichthouder op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen is toegepast. Wanneer het risicoprofiel van de groep niet adequaat wordt weergegeven, kan op het geconsolideerde solvabiliteitskapi- taalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast. Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing. § 5 – Methode voor de berekening van de groepssolvabi- liteit op basis van aftrek en aggregatie Art. 377 § 1. In geval van toepassing van de berekeningsmethode op basis van aftrek en aggregatie, of “methode 2 voor de be- rekening van de groepssolvabiliteit”, is de groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming het verschil tussen: 1° het geaggregeerde in aanmerking komend eigen ver- mogen van de groep als bepaald in paragraaf 2; en 2° de waarde in de deelnemende verzekerings- of herver- zekeringsonderneming van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als bepaald in paragraaf 3. §  2. Het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep is gelijk aan de som van: 1° het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dek- king van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en 2° het proportionele deel van de deelnemende verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming in het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabi- liteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. § 3. Het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is gelijk aan de som van: 1° het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming; en 2°  het proportionele deel van het solvabiliteits- kapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. 2° une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant à leur capital de solvabilité requis est imposée aux entreprises d’assurance ou de réassurance liées par, selon le cas, la Banque ou une autre autorité de contrôle en application, respectivement, de l’article 323 ou 374, ou de l’article 37 de la Directive 2009/138/CE. Lorsque le profil de risque du groupe n’est pas suffisam- ment pris en compte, une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis du groupe sur une base consolidée peut être imposée. L’article  323  ainsi que les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie. § 5 – Méthode de calcul de la solvabilité du groupe fondée sur la déduction et l’agrégation Art. 377 § 1er. En cas d’application de la méthode de calcul fondée sur la déduction et l’agrégation, ou “seconde méthode de calcul de la solvabilité du groupe”, la solvabilité du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, est égale à la différence entre: 1° les fonds propres éligibles du groupe sur une base agrégée, tels que définis au paragraphe 2, et 2° la somme de la valeur des entreprises d’assurance ou de réassurance liées dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante et du capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée tel que défini au paragraphe 3. § 2. Les fonds propres éligibles du groupe sur une base agrégée correspondent à la somme: 1° des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance participante; et 2° de la part proportionnelle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante dans les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées. § 3. Le capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée correspond à la somme: 1° du capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante; et 2° de la part proportionnelle du capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées. 563 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art 378 Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen geheel of ten dele bestaat in de vorm van onrechtstreekse eigendom, dan wordt in de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverze- keringsonderneming van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de waarde van die onrecht- streekse eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve belangen, en worden in de in artikel 377, § 2, 2°, en § 3, 2°, bedoelde bestanddelen de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van respectievelijk het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 379 Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden onder- nemingen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding gezamenlijk een aanvraag indienen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern model te mogen berekenen, zijn de artikelen 374 en 375 van overeenkomstige toepassing. Art. 380 Bij het bepalen of het overeenkomstig artikel 377, § 3 be- rekende geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep van de deelnemende verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteden de Bank en de betrokken toezichthou- ders bijzondere aandacht aan eventuele specifieke risico’s op groepsniveau die onvoldoende gedekt zouden zijn omdat ze moeilijk te kwantificeren zijn. Wanneer het risicoprofiel van de groep duidelijk afwijkt van de hypothesen die aan het geaggregeerde solvabiliteitska- pitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, kan op het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast. Artikel 323 en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn van overeenkomstige toepassing. § 6 – Berekening van de groepssolvabiliteit voor verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen die dochteronder- neming zijn van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding Art. 381 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, wordt de solvabiliteit van de groep op het niveau van de verzekeringsholding of de Art 378 Lorsque la participation dans les entreprises d’assurance ou de réassurance liées correspond, intégralement ou partiel- lement, à une propriété indirecte, la valeur dans l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante des entreprises d’assurance ou de réassurance liées intègre la valeur de cette propriété indirecte, compte tenu des intérêts successifs pertinents, et les éléments visés à l’article 377, § 2, 2°, et § 3, 2°, comprennent les parts proportionnelles correspondantes, respectivement, des fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées et du capital de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance liées. Art. 379 Dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassu- rance et ses entreprises liées, ou l’ensemble des entreprises liées d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, demandent l’autorisation de calculer le capi- tal de solvabilité requis des entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe sur la base d’un modèle interne, les articles 374 et 375 sont applicables par analogie. Art. 380 Pour déterminer si le capital de solvabilité requis du groupe de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante sur une base agrégée, calculé conformément à l’article 377, § 3, reflète de manière adéquate le profil de risque du groupe, la Banque et les autorités de contrôle concernées accordent une attention particulière aux risques spécifiques existant au niveau du groupe qui, du fait qu’ils sont difficilement quanti- fiables, ne seraient pas suffisamment pris en compte. Lorsque le profil de risque du groupe s’écarte significative- ment des hypothèses qui sous-tendent le capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée, une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée peut être imposée. L’article  323  ainsi que les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, sont applicables par analogie. § 6 – Calcul de la solvabilité du groupe pour les entreprises d’assurance ou de réassurance filiales d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte Art. 381 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance est la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compa- gnie financière mixte, la solvabilité du groupe est calculée au niveau de la société holding d’assurance ou de la compagnie 564 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gemengde financiële holding berekend overeenkomstig de bepalingen van deze Onderafdeling en de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG. Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt de moe- deronderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de voorschriften van de artikelen 151 tot 188 met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150 met betrekking tot het voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen. § 7 – Berekening van de solvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer Art. 382 De artikelen  384  en 385  zijn van toepassing op elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderneming van een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming is of die de dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: 1°  de dochteronderneming ten aanzien waarvan de groepstoezichthouder geen besluit overeenkomstig artikel 349, heeft genomen, valt onder het toezicht op groepsniveau dat overeenkomstig Titel III van Richtlijn 2009/138/EG door de groepstoezichthouder op het niveau van de moederonder- neming wordt uitgeoefend; 2° de risicobeheerprocedures en de internecontrolemecha- nismen van de moederonderneming bestrijken de dochteron- derneming, en de moederonderneming toont ten genoegen van de Bank aan dat er van een prudente bedrijfsvoering van de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming sprake is; 3° de moederonderneming heeft de instemming verkregen als bedoeld in artikel 397; 4° de moederonderneming heeft de instemming verkregen als bedoeld in artikel 405; 5° de moederonderneming heeft een aanvraag ingediend om aan de artikelen 384 en 385 te worden onderworpen en deze aanvraag is ingewilligd volgens de procedure van artikel 383. Art. 383 § 1. Bij een aanvraag van toestemming om een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderne- ming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de dochteronderneming van een verzekerings- of herverze- keringsholding, aan de voorschriften van de artikelen 384 en 385 te onderwerpen, bepaalt de Bank in het college van toe- zichthouders, in overleg met de betrokken toezichthouders, of de aanvraag al dan niet wordt ingewilligd en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd. financière mixte conformément aux dispositions de la présente Sous-section et aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Aux fins du calcul visé à l’alinéa 1er, l’entreprise mère est traitée comme une entreprise d’assurance ou de réassurance soumise aux règles énoncées aux articles 151 à 188 en ce qui concerne le capital de solvabilité requis, et aux mêmes conditions que celles énoncées aux articles 140 à 150 en ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis. § 7 – Calcul de la solvabilité des groupes à gestion cen- tralisée des risques Art. 382 Les articles 384 et 385 s’appliquent à toute entreprise d’assurance ou de réassurance qui est la filiale d’une entre- prise d’assurance ou de réassurance ou qui est la filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte, lorsque toutes les conditions suivantes sont réunies: 1° la filiale, à l’égard de laquelle le contrôleur du groupe n’a pas pris la décision visée à l’article 349, est incluse dans le contrôle au niveau du groupe réalisé par ce contrôleur au niveau de l’entreprise mère conformément au Titre III de la Directive 2009/138/CE; 2° les procédures de gestion des risques et les méca- nismes de contrôle interne de l’entreprise mère couvrent la filiale et la Banque est satisfaite de la gestion prudente de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale par l’entreprise mère; 3° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 397; 4° l’entreprise mère a reçu l’accord visé à l’article 405; 5°  l’entreprise mère a demandé l’autorisation d’être assujettie aux articles 384 et 385 et sa demande a fait l’objet d’une décision favorable prise conformément à la procédure prévue à l’article 383. Art. 383 § 1er. En cas de demande d’autorisation d’assujettissement d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ou filiale d’une société holding d’assurance ou de réassurance, aux règles énoncées aux articles 384 et 385, la Banque travaille au sein du collège des contrôleurs, en pleine concertation avec les autorités de contrôle concernées, en vue de décider s’il convient ou non d’accorder l’autorisation demandée et, le cas échéant, pour en définir les conditions. 565 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij de Bank. Zij stelt de toezichthouders in het college van toezichthouders in kennis en bezorgt hen onverwijld de vol- ledige aanvraag. § 2. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de vol- ledige aanvraag door de toezichthouders in het college van toezichthouders, met die toezichthouders een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen. Wanneer de Bank en de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit hebben genomen als bedoeld in het eerste lid, bezorgt de Bank aan de aanvrager het besluit met een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd. Het gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. § 3. Indien er binnen drie maanden na de ontvangst van de volledige aanvraag door de toezichthouders in het college van toezichthouders geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag, onverminderd paragraaf 4. De groepstoezichthouder houdt naar behoren rekening met de standpunten en voorbehouden die de Bank en de toezichthouders van de lidstaten waar een dochteronder- neming haar zetel heeft, hebben geuit, en met de door de andere toezichthouders in het college van toezichthouders geuite voorbehouden. Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en een uitleg van elke aanzienlijke afwijking van de voorbehouden van de Bank of van de toe- zichthouders. De groepstoezichthouder bezorgt een kopie van het besluit aan de Bank en aan de betrokken toezichthouders. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. § 4. Tijdens de in paragraaf 2 bedoelde periode van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. De groepstoezichthouder schort zijn besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19, lid 3, van de genoemde verordening neemt; vervolgens neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. EIOPA neemt haar besluit binnen één maand. Indien het door het panel voorgestelde besluit met toepas- sing van artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 44, lid 1, derde alinea van Verordening nr. 1094/2010 wordt afgewezen, neemt de groepstoezichthouder een definitief besluit. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. De termijn van drie maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van de genoemde verordening. La demande visée à l’alinéa 1er est adressée à la Banque. Elle informe les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs et leur communique la demande complète sans délai. § 2. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à une décision conjointe sur la demande dans un délai de trois mois à compter de la réception de la demande complète par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. Lorsque la Banque et les autorités de contrôle concer- nées sont arrivées à la décision conjointe visée à l’alinéa 1er, la Banque fournit au demandeur la décision précisant l’ensemble des motivations. Cette décision conjointe est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. § 3. Sans préjudice du paragraphe 4, à défaut d’adoption d’une décision conjointe dans les trois mois de la réception de de la demande complète par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, le contrôleur du groupe se prononce lui-même sur la demande. Le contrôleur du groupe tient dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par la Banque et les autorités de contrôle des États membres dans lequel une filiale à son siège social, ainsi que des réserves exprimées par les autres autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. La décision est dûment motivée et comporte une explica- tion de toute divergence importante par rapport aux réserves exprimées par la Banque ou les autorités de contrôle. Le contrôleur du groupe transmet une copie de la décision à la Banque et aux autorités de contrôle concernées. La décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. §  4. Pendant la période de trois mois visée au para- graphe 2, et aussi longtemps qu’une décision conjointe n’a pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. Le contrôleur du groupe diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3, dudit règlement et arrête sa propre décision en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois. Si, en application de l’article 41, paragraphes 2  et 3, et de l’article 44, paragraphe 1er, alinéa 3 du Règlement n° 1094/2010, la décision proposée par le groupe d’experts est rejetée, le contrôleur du groupe prend une décision définitive. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concer- nées. La période de trois mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, § 2, dudit règlement. 566 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 384 § 1. Onverminderd de artikelen 374 en 375, wordt het solva- biliteitskapitaalvereiste van de dochterverzekerings- of herver- zekeringsonderneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, berekend overeenkomstig dit artikel. §  2.  Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in paragraaf 1  bedoelde dochterverzekerings- of herver- zekeringsonderneming wordt berekend op basis van een overeenkomstig de artikelen 374 en 375 op groepsniveau goedgekeurd intern model en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel van deze onder haar toezicht staande onderneming duidelijk afwijkt van dit model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgd- heden van de Bank, kan de Bank in de in artikel 323 bedoelde gevallen voorstellen een opslagfactor toe te passen op het sol- vabiliteitskapitaalvereiste dat voor deze dochteronderneming uit de toepassing van dit model voortvloeit, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule als bedoeld in de artikelen 151 tot 166. De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezicht- houders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverzekerings- of herverzekerings- onderneming als aan het college van toezichthouders mee. § 3. Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste van de in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzeke- ringsonderneming wordt berekend op basis van de in de artikelen 151 tot 166 bedoelde standaardformule en indien de Bank van mening is dat het risicoprofiel van die onderneming duidelijk afwijkt van de hypothesen die aan de standaardfor- mule ten grondslag liggen, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de Bank, kan de Bank in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat de onderneming een subset van de parameters die in de stan- daardformule voor de berekening worden gebruikt, vervangt door parameters die kenmerkend zijn voor die onderneming bij de berekening van de modules “verzekeringstechnisch risico leven”, “verzekeringstechnisch risico niet-leven” en “verzekeringstechnisch risico ziektekosten”, zoals uiteengezet in artikel 166, of, in de in artikel 323 bedoelde gevallen, op het solvabiliteitskapitaalvereiste van die onderneming een opslagfactor toepassen. De Bank bespreekt dit voorstel in het college van toezicht- houders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochterverzekerings- of herverzekerings- onderneming als aan het college van toezichthouders mee. § 4. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot overeenstemming te komen over het voorstel dat zij over- eenkomstig paragraaf 1 of 2 heeft gedaan, of over andere mogelijke maatregelen. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Art. 384 § 1er. Sans préjudice des articles 374 et 375, le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 383, est calculé conformément au présent article. § 2. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er est calculé sur la base d’un modèle interne approuvé au niveau du groupe conformément aux articles 374 et 375 et que la Banque considère que le profil de risque de cette entreprise qu’elle est chargée de contrôler s’écarte significativement de ce modèle, elle peut, dans les cas visés à l’article 323 et aussi longtemps que cette entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, proposer d’établir une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette filiale résultant de l’application de ce modèle ou, dans des circonstances excep- tionnelles où l’exigence de capital supplémentaire ne serait pas appropriée, exiger de l’entreprise qu’elle calcule son capital de solvabilité requis sur la base de la formule standard visée aux articles 151 à 166. La Banque discute de sa proposition au sein du collège des contrôleurs et en communique les raisons à l’entre- prise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 3. Lorsque le capital de solvabilité requis de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er est calculé sur la base de la formule standard visée aux articles 151 à 166 et que la Banque considère que son profil de risque s’écarte significativement des hypothèses qui sous-tendent cette formule, elle peut, dans des circonstances exceptionnelles et aussi longtemps que l’entreprise ne répond pas de manière satisfaisante aux préoccupations de la Banque, proposer que l’entreprise remplace un sous-en- semble de paramètres utilisés dans le calcul selon la formule standard par des paramètres spécifiques à cette entreprise lors du calcul des modules “risque de souscription en vie”, “risque de souscription en non-vie”, et “risque de souscrip- tion en santé”, comme indiqué à l’article 166, ou, dans les cas visés à l’article 323, lui imposer une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis de cette entreprise. La Banque discute de sa proposition au sein du collège des contrôleurs et en communique les raisons à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 4. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à un accord sur la proposition qu’elle a for- mulée conformément au paragraphe 1er ou 2, ou sur d’autres mesures éventuelles. Cet accord est considéré comme déterminant et est appli- qué par la Banque et les autorités de contrôle concernées. 567 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 5. Tijdens een termijn van een maand na de formulering van het voorstel als bedoeld in paragraaf 1 of 2, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toe- zichthouders, kan de Bank, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010. De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de doch- terverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het college van toezichthouders. Art. 385 § 1. In geval van niet-naleving van het solvabiliteitskapitaal- vereiste van een dochterverzekerings- of herverzekeringson- derneming waarvoor de in artikel 383 bedoelde aanvraag is ingewilligd, en onverminderd artikel 510, bezorgt de Bank aan het college van toezichthouders onverwijld het saneringsplan dat de dochteronderneming heeft ingediend om binnen zes maanden na de vaststelling dat het solvabiliteitskapitaalver- eiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer wordt nageleefd. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot over- eenstemming te komen over het voorstel dat zij met het oog op de goedkeuring van het saneringsplan heeft geformuleerd, en dit binnen vier maanden na de datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de Bank over de goedkeuring van het saneringsplan, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid. Tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van vier maanden, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, kan de Bank, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van het saneringsplan, met name over de verlenging van de herstelperiode, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand § 5. Pendant un délai d’un mois à compter de formulation de la proposition visée au paragraphe 1er ou 2, et aussi long- temps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs, la Banque peut, en cas de désaccord avec le contrôleur du groupe, saisir l’EIOPA et solliciter son aide conformément à l’article  19  du Règlement no  1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de cette saisine. La période d’un mois est le délai de conci- liation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010. La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se conformant à cette décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. Art. 385 § 1er. En cas de non-conformité au capital de solvabilité requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 383 et sans préjudice de l’article 510, la Banque communique sans délai au collège des contrôleurs le programme de rétablissement soumis par la filiale en vue, dans un délai de six mois après la constatation de sa non-conformité au capital de solvabilité requis, de rétablir le niveau de fonds propres éligibles ou de réduire son profil de risque afin d’assurer sa conformité au capital de solvabilité requis. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour par- venir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à un accord sur la proposition qu’elle a formulée quant à l’approbation du programme de rétablissement, et ce, dans un délai de quatre mois à compter du premier constat de non-conformité au capital de solvabilité requis. Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord, la Banque décide si le programme de rétablissement doit être approuvé, en tenant dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. Pendant le délai de quatre mois visé à l’alinéa 2, et aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs, en cas de désaccord avec le contrôleur du groupe sur l’approbation du programme de rétablissement, notamment une prolongation du délai de rétablissement, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance confor- mément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de 568 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van vier maanden maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010. De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de doch- terverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het college van toezichthouders. §  2.  Indien de Bank bij een in paragraaf 1  bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming over- eenkomstig artikel 510 een verslechtering van de financiële omstandigheden vaststelt, stelt zij het college van toezicht- houders onverwijld in kennis van de maatregelen die zij voorstelt te nemen. Behalve in noodsituaties moeten de te nemen maatregelen worden besproken in het college van toezichthouders. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om met de toezichthouders in het college van toezichthouders tot over- eenstemming te komen over de te nemen maatregelen die zij heeft voorgesteld, en dit binnen één maand na het tijdstip van de inkennisstelling. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de Bank over de goedkeuring van de voorgestelde maatrege- len, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de toezichthouders in het college van toezichthouders, onverminderd het vierde lid. Behalve in noodsituaties geldt dat de Bank, tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn van een maand, en zolang er geen overeenkomst is gesloten in het college van toezichthouders, indien zij het oneens is met de groepstoezichthouder over de goedkeuring van de krachtens het eerste lid voorgestelde maatregelen, de zaak aan EIOPA kan voorleggen en om haar bijstand kan verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. EIOPA neemt haar besluit binnen een maand nadat de zaak aan haar is voorgelegd. De termijn van een maand wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2 van Verordening nr.1094/2010. De Bank schort haar besluit op en wacht het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010 neemt; vervolgens neemt zij haar besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Dit besluit wordt als definitief erkend en door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. cette saisine. La période de quatre mois est le délai de conci- liation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010. La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se conformant à cette décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 2. Si la Banque détecte une dégradation des condi- tions financières dans une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er, conformément à l’article 510, elle notifie sans délai au collège des contrô- leurs les mesures qu’elle propose de prendre. Sauf dans des situations d’urgence, les mesures à prendre sont débattues au sein du collège des contrôleurs. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour par- venir, avec les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs, à un accord sur les mesures à prendre qu’elle a proposées, et ce, dans un délai d’un mois à compter de la notification. Sans préjudice à l’alinéa 4, à défaut d’un tel accord, la Banque décide si les mesures proposées doivent être approu- vées, en tenant dûment compte de l’avis et des réserves exprimés par les autorités de contrôle au sein du collège des contrôleurs. Sauf situations d’urgence, pendant le délai d’un mois visé à l’alinéa 2, et aussi longtemps qu’un accord n’a pas été conclu au sein du collège des contrôleurs, en cas de désaccord avec le contrôleur du groupe sur l’approbation des mesures proposées en vertu de l’alinéa 1er, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. L’EIOPA arrête sa décision dans un délai d’un mois à compter de cette saisine. La période d’un mois est le délai de conciliation au sens de l’article 19, paragraphe 2, du Règlement no 1094/2010. La Banque diffère sa décision en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010 et arrête sa propre décision en se conformant à cette décision de l’EIOPA. Cette décision est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. 569 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het besluit bevat een volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd en wordt voorgelegd aan de doch- terverzekerings- of herverzekeringsonderneming en aan het college van toezichthouders. § 3. In geval van niet-naleving van het minimumkapitaalver- eiste van een in paragraaf 1 bedoelde dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming, en onverminderd artikel 511, bezorgt de Bank aan het college van toezichthouders on- verwijld het plan inzake financiering op korte termijn dat de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming heeft ingediend om binnen drie maanden na de datum waarop voor het eerst is vastgesteld dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het minimumkapitaalvereiste weer wordt nageleefd. Ook het col- lege van toezichthouders moet in kennis worden gesteld van alle maatregelen die worden genomen om toe te zien op de naleving van het minimumkapitaalvereiste op het niveau van de dochteronderneming. Art. 386 Overeenkomstig artikel 239, lid 4 van Richtlijn 2009/138/ EG kan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht- houder, indien zij het oneens is over de elementen bedoeld in artikel 239, lid 4, eerste alinea van Richtlijn 2009/138/EG, met de toezichthouder van een dochterverzekerings- of her- verzekeringsonderneming met zetel in een andere lidstaat en waarvoor de in artikel 237 bedoelde aanvraag is ingewilligd, de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Art. 387 § 1. De voorschriften waarin de artikelen 384 en 385 voor- zien, zijn niet meer van toepassing indien: 1° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 382, 1°; 2° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 382, 2°, en de groep nalaat om binnen een passende termijn weer aan deze voorwaarde te voldoen; 3° niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 382, 3° en 4°. Indien de groepstoezichthouder in het in het eerste lid, 1° bedoelde geval na raadpleging van het college van toezicht- houders besluit de dochteronderneming niet langer in het door hem uitgeoefende groepstoezicht te betrekken, stelt hij de Bank en de moederonderneming onmiddellijk daarvan in kennis. Voor de toepassing van artikel 382, 2°, 3° en 4°, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de moederonderneming om ervoor te zorgen dat doorlopend aan de voorwaarden wordt La décision est dûment motivée et transmise à l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale et au collège des contrôleurs. § 3. En cas de non-conformité au minimum de capital requis d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale visée au paragraphe 1er et sans préjudice de l’article 511, la Banque communique sans délai au collège des contrôleurs le plan de financement à court terme soumis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale en vue, dans un délai de trois mois après la première constatation de sa non-confor- mité au minimum de capital requis, de rétablir le niveau de fonds propres éligibles permettant d’atteindre le minimum de capital requis ou de réduire son profil de risque afin d’assurer sa conformité au minimum de capital requis. Le collège des contrôleurs est aussi tenu informé de toute mesure prise pour faire appliquer le minimum de capital requis au niveau de la filiale. Art. 386 Conformément à l’article 239, paragraphe 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut, en cas de désaccord sur les points visés à l’article 239, paragraphe 4, alinéa 1er, de la Directive 2009/138/ CE avec l’autorité de contrôle d’une entreprise d’assurance ou de réassurance filiale ayant son siège social dans un autre État membre et qui fait l’objet de l’autorisation visée à l’article 237 de la Directive 2009/138/CE, saisir l’EIOPA et solliciter son assistance, conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. Art. 387 § 1er. Les règles énoncées aux articles 384 et 385 cessent d’être applicables dans les cas suivants: 1° la condition visée à l’article 382, 1° n’est plus respectée; 2° la condition visée à l’article 382, 2° n’est plus respectée et le groupe ne rétablit pas le respect de cette condition dans un délai approprié; 3° les conditions visées à l’article 382, 3° et 4° ne sont plus respectées. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, 1°, lorsque le contrôleur du groupe décide, après avoir consulté le collège des contrô- leurs, de ne plus inclure la filiale dans le contrôle du groupe qu’il effectue, il en informe immédiatement la Banque et l’entreprise mère. Aux fins de l’article 382, 2°, 3° et 4°, l’entreprise mère a la responsabilité de veiller à ce que les conditions soient respec- tées en permanence. Si ce n’est pas le cas, l’entreprise mère 570 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voldaan. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, stelt zij de groepstoezichthouder en de Bank daar onverwijld van in kennis. De moederonderneming legt een plan voor opdat binnen een passende termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan. Onverminderd het derde lid verifieert de groepstoezicht- houder ten minste eenmaal per jaar uit eigen beweging of nog steeds aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4° is voldaan. De groepstoezichthouder verricht een dergelijke verificatie ook op verzoek van de Bank wanneer deze zich ernstig zorgen maakt over de vraag of nog steeds aan deze voorwaarden is voldaan. Wanneer de verrichte verificatie tekortkomingen aan het licht brengt, verlangt de groepstoezichthouder van de moe- deronderneming dat deze een plan voorlegt opdat binnen een passende termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan. Indien de groepstoezichthouder na raadpleging van het college van toezichthouders vaststelt dat het in het derde of vijfde lid bedoelde plan ontoereikend is, of later constateert dat het niet binnen de overeengekomen termijn wordt uitge- voerd, concludeert hij dat niet langer aan de voorwaarden van artikel 382, 2°, 3° en 4° is voldaan en stelt hij de Bank daar onverwijld van in kennis. § 2. De regeling waarin de artikelen 384 en 385 voorzien, wordt opnieuw van toepassing indien de moederonderneming een nieuwe aanvraag indient en de aanvraag volgens de procedure van artikel 382 wordt ingewilligd. Onderafdeling II Risicoconcentratie en intragroeptransacties § 1 – Risicoconcentratie Art. 388 § 1. Het toezicht op de risicoconcentratie op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend overeenkomstig dit artikel en artikel 389, en overeenkomstig Onderafdeling III van deze Afdeling. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar iedere significante risicoconcentratie op het niveau van de groep aan de groepstoezichthouder, tenzij artikel 352 van toepassing is. De benodigde informatie wordt aan de groepstoezicht- houder meegedeeld door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep die daartoe door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep is aangewezen. en informe sans délai le contrôleur du groupe et la Banque. L’entreprise mère présente un plan visant à rétablir le respect des conditions dans un délai approprié. Sans préjudice de l’alinéa 3, le contrôleur du groupe véri- fie au moins une fois par an, de sa propre initiative, que les conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4° continuent d’être respectées. Le contrôleur du groupe procède également à cette vérification à la demande de la Banque, lorsque cette dernière a de sérieux doutes concernant le respect permanent de ces conditions. Lorsque la vérification fait apparaître des déficiences, le contrôleur du groupe impose à l’entreprise mère de présenter un plan visant à rétablir le respect des conditions dans un délai approprié. Lorsque, après avoir consulté le collège des contrôleurs, le contrôleur du groupe estime que le plan visé à l’alinéa 3 ou à l’alinéa 5 est insuffisant ou, ultérieurement, qu’il n’est pas mis en œuvre dans le délai convenu, il en conclut que les conditions visées à l’article 382, 2°, 3° et 4° ne sont plus respectées et il en informe sans délai la Banque. § 2. Le régime prévu aux articles 384 et 385 s’applique à nouveau lorsque l’entreprise mère présente une nouvelle demande et obtient une décision favorable conformément à la procédure prévue à l’article 382. Sous-Section II Concentration de risques et transactions intragroupe § 1er – Concentration des risques Art. 388 § 1er. Le contrôle de la concentration de risques au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance est exercé confor- mément au présent article et à l’article 389, ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente Section. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes déclarent régulièrement, et au moins annuellement, au contrôleur du groupe toute concentration de risques signi- ficatives au niveau du groupe, à moins que l’article 352 ne s’applique. Les informations nécessaires sont soumises au contrôleur du groupe par l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consul- tation des autorités de contrôle concernées et du groupe. 571 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De in het eerste lid bedoelde risicoconcentraties zijn over- eenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezichthouder onderworpen. Art. 389 Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke types risico’s in elk geval moeten worden gerapporteerd. Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de types risico’s houden de groepstoezichthouder en de betrok- ken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de groep. Met het oog op de aanmerking als significante risicocon- centratie die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoe- zichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep, passende drempels vast op basis van het solvabili- teitskapitaalvereiste, de technische voorzieningen, of beide. Bij het toezicht op de risicoconcentraties let de groeps- toezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico’s in de groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau of het volume van de risico’s. § 2 – Intragroeptransacties Art. 390 § 1. Het toezicht op de intragroeptransacties wordt uitge- oefend overeenkomstig dit artikel en artikel 391, en overeen- komstig Onderafdeling III van deze Afdeling. § 2. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings rapporteren regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroeptransacties door verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen in een groep aan de groepstoe- zichthouder, met inbegrip van verrichtingen met een natuur- lijke persoon die nauwe banden heeft met een onderneming van die groep, tenzij artikel 352 van toepassing is. Bovendien moeten zeer significante intragroeptransacties zo spoedig mogelijk worden gerapporteerd. De benodigde informatie wordt aan de groepstoezicht- houder meegedeeld door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep die door de groepstoezichthouder na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep is aangewezen. De intragroeptransacties zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groeps- toezichthouder onderworpen. Les concentrations de risques visées à l’alinéa 1er sont soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. Art. 389 Le contrôleur du groupe, identifie, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe, le type de risque qui doit être déclaré en toutes circonstances. Pour définir le type de risque ou donner leur avis sur celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités de contrôle concernées tiennent compte du groupe concerné et de sa structure de gestion des risques. Pour identifier les concentrations de risques significatives à déclarer, le contrôleur du groupe, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées et le groupe, impose des seuils appropriés basés sur le capital de solvabilité requis, sur les provisions techniques ou sur les deux. Lors du contrôle des concentrations de risques, le contrô- leur du groupe est particulièrement attentif au risque possible de contagion dans le groupe, au risque de conflit d’intérêts et au niveau ou au volume des risques. § 2 – Transactions intragroupe Art. 390 § 1er. Le contrôle des transactions intragroupe est exercé conformément au présent article et à l’article 391, ainsi qu’à la Sous-Section III de la présente Section. § 2. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes déclarent régulièrement, et au moins annuellement, au contrôleur du groupe toutes les transactions intragroupe significatives effectuées par les entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe, y compris celles effectuées avec une personne physique ayant des liens étroits avec une entreprise du groupe, à moins que l’article 352 ne s’applique. En outre, les transactions intragroupe très significatives doivent être déclarées aussi rapidement que possible. Les informations nécessaires sont soumises au contrôleur du groupe par l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, par la société holding d’assurance, par la compagnie financière mixte ou par l’entreprise d’assurance ou de réassurance du groupe désignée à cette fin par le contrôleur du groupe après consul- tation des autorités de contrôle concernées et du groupe. Les transactions intragroupes sont soumises au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. 572 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 391 Na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke types intragroeptrans- acties in elk geval moeten worden gerapporteerd. Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de types intragroeptransacties houden de groepstoezichthouder en de betrokken toezichthouders rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van de groep. Met het oog op de aanmerking als intragroeptransacties die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthouders en de groep, passende drempels vast op basis van het solvabiliteitskapi- taalvereiste, de technische voorzieningen, of beide. Bij het toezicht op de intragroeptransacties let de groeps- toezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico’s in de groep, op het risico van belangenconflicten en op het niveau of het volume van de risico’s. Onderafdeling III Governancesysteem op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep § 1 – Algemene bepalingen Art. 392 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen en de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen waarvan de moederonderneming een verzekerings- holding of een gemengde financiële holding in de Europese Economische Ruimte is, moet op het niveau van de groep voldoen aan de vereisten van Afdeling VII, Hoofdstuk II, Titel I van dit Boek en aan Afdeling III, Hoofdstuk III, Titel II van dit Boek, zodat de regelingen, procedures en mechanismen die zij krachtens deze bepalingen moeten opzetten, samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsgroep betrokken ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor de uitoefening van het groepstoezicht nodig zijn, onderling uitgewisseld kunnen worden, en dat kan worden ingegaan op de informatieverzoeken van de groepstoezichthouder. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen even- eens toe in hun niet onder deze wet vallende dochteronderne- mingen. Ook deze regelingen, procedures en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor de uitoefening van het groepstoezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Art. 393 De verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar- van de moederonderneming een verzekeringsholding of Art. 391 Le contrôleur du groupe identifie, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées ainsi que le groupe, le type de transactions intragroupe qui doivent être déclarées en toutes circonstances. Pour définir le type de transactions intragroupe ou donner leur avis sur celui-ci, le contrôleur du groupe et les autorités de contrôle concernées tiennent compte du groupe concerné et de sa structure de gestion des risques. Pour identifier les transactions intragroupe à déclarer, le contrôleur du groupe, après avoir consulté les autorités de contrôle concernées et le groupe, impose des seuils appropriés basés sur le capital de solvabilité requis, sur les provisions techniques ou sur les deux. Lors du contrôle des transactions intragroupe, le contrôleur du groupe est particulièrement attentif au risque possible de contagion dans le groupe, au risque de conflit d’intérêts et au niveau ou au volume des risques. Sous-Section III Système de gouvernance au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance § 1er – Généralités Art. 392 Les entreprises d’assurance ou de réassurance partici- pantes ainsi que les entreprises d’assurance ou de réassu- rance dont l’entreprise mère est une société holding d’assu- rance ou une compagnie financière mixte dans l’Espace économique européen doivent satisfaire au niveau du groupe aux exigences prévues à la Section VII, Chapitre II, Titre Ier du présent Livre ainsi qu’à la Section III, Chapitre III, Titre II du présent Livre, de manière à assurer la cohérence et la bonne intégration des dispositifs, processus et mécanismes qu’elle sont tenues de mettre en place en vertu de ces dispositions, à évaluer l’influence des entreprises incluses dans le contrôle du groupe d’assurance ou de réassurance sur d’autres entreprises et à échanger entre elles toutes les données et informations nécessaires à l’exercice du contrôle du groupe, ainsi qu’à satisfaire aux demandes d’informations requises par le contrôleur du groupe. Elles mettent en oeuvre ces dispositifs, processus et mécanismes également dans leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente loi. Lesdits dispositifs, processus et mécanismes sont cohérents et bien intégrés et lesdites filiales doivent être en mesure de fournir toute donnée et toute information utiles à l’exercice du contrôle du groupe. Art. 393 L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’entre- prise mère est une société holding d’assurance ou une 573 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 een gemengde financiële holding is waarvan de zetel buiten België is gevestigd, ziet toe op de naleving door haar moe- deronderneming van de verplichtingen met betrekking tot het groepstoezicht die voor die verzekeringsholding of gemengde financiële holding voortvloeien uit Richtlijn 2008/139/EG en haar uitvoeringsmaatregelen. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet van de in het eerste lid bedoelde moederonderneming de medewerking verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het groepstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis of aan het toezicht op groepsniveau dat van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste governanceme- morandum dient, wat betreft het toezicht op groepsniveau, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste en het tweede lid. § 2 – Risicobeheer en interne controle Art. 394 Onverminderd artikel 392  worden de risicobeheer- en internecontrolesystemen en verslaggevingsprocedures in alle ondernemingen die overeenkomstig dit Hoofdstuk in het groepstoezicht zijn betrokken, consequent toegepast, zodat deze systemen en procedures op het niveau van de groep kunnen worden gecontroleerd. Onverminderd artikel 392 omvat de internecontrolesysteem van de groep ten minste het volgende: 1° adequate procedures met betrekking tot de groepssol- vabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s; 2° gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen om de intragroeptransacties en de risicoconcentratie te be- waken en te beheren. Art. 395 De in de artikelen 392 en 394 bedoelde verslaggevings- systemen en -procedures zijn overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoe- zichthouder onderworpen. § 3 -Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit van de groep Art. 396 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de compagnie financière mixte dont le siège social est établi en dehors de la Belgique, veille au respect par son entreprise mère des obligations relatives au contrôle du groupe, qui incombent à cette société holding d’assurance ou cette com- pagnie financière mixte conformément à la Directive 2008/139/ CE et à ses mesures d’exécution. L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit obtenir la coopération de l’entreprise mère visée à l’alinéa 1er afin de mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que le contrôle du groupe puisse être exercé de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que l’influence de l’entreprise mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle ou au contrôle au niveau du groupe applicable à l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Dans le mémorandum de gouvernance requis en vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui concerne le contrôle au niveau du groupe, comment il est satisfait aux alinéas 1er et 2. § 2 – Gestion des risques et contrôle interne Art. 394 Sans préjudice de l’article 392, les systèmes de gestion des risques et de contrôle interne ainsi que les procédures de déclaration sont appliqués de façon cohérente dans toutes les entreprises incluses dans le contrôle de groupe conformément au présent Chapitre afin que ces systèmes et procédures puissent être contrôlés au niveau du groupe. Sans préjudice de l’article 392, le système de contrôle interne d’un groupe comporte au moins les éléments suivants: 1° des procédures adéquates en ce qui concerne la solva- bilité du groupe, permettant d’identifier et de mesurer tous les risques importants encourus et de rattacher d’une manière appropriée les fonds propres éligibles aux risques; 2° des procédures saines de déclaration et de comptabilité pour contrôler et gérer les transactions intragroupe ainsi que la concentration de risques. Art. 395 Les systèmes et les procédures de déclaration visés aux articles 392 et 394 sont soumis au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. § 3 – Evaluation interne des risques et de la solvabilité du groupe Art. 396 L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’as- surance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou 574 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekeringsholding of de gemengde financiële holding voert de bij artikel 91 voorgeschreven beoordeling op het niveau van de groep uit. Wanneer de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep wordt uitgevoerd volgens berekeningsmethode 1 als bedoeld in de artikelen 372 en 373, dan zorgt de deel- nemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding ervoor dat de groepstoezichthouder een helder inzicht heeft in het verschil tussen de som van de verschillende solvabiliteitska- pitaalvereisten van alle verbonden verzekerings- of herverze- keringsondernemingen van de groep en het geconsolideerde solvabiliteits-kapitaalvereiste van de groep. Art. 397 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding mag, als de groepstoezichthouder daarmee instemt, alle bij artikel 91 voorgeschreven beoordelingen tegelijkertijd op het niveau van de groep en op het niveau van een dochter- onderneming van de groep uitvoeren en mag één enkel do- cument opstellen dat op alle beoordelingen betrekking heeft. Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instemming te geven, raadpleegt de groepstoezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden. De instemming die overeenkomstig het eerste lid door de groepstoezichthouder wordt gegeven, ontslaat de betrokken dochterondernemingen niet van de verplichting om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van artikel 91 is voldaan. In geval van toepassing van dit artikel, doet de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding het enig document tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthou- ders toekomen. Art. 398 De op groepsniveau uitgevoerde beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit is overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk aan het prudentieel toezicht van de groepstoezicht- houder onderworpen. Onderafdeling IV Bekendmaking van informatie § 1– Verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep Art. 399 De deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming of, indien aan het hoofd van de groep geen la compagnie financière mixte procède au niveau du groupe à l’évaluation requise par l’article 91. Lorsque le calcul de solvabilité est mené au niveau du groupe selon la première méthode de calcul définie aux articles 372 et 373, l’entreprise d’assurance ou de réas- surance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte fournit au contrôleur du groupe une analyse appropriée de la différence entre la somme des différents montants de capital de solvabilité requis pour toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance liées appartenant au groupe et le capital de solvabilité requis pour le groupe sur une base consolidée. Art. 397 L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte peut, moyennant l’accord du contrôleur du groupe, procéder en même temps à toutes les évaluations imposées conformément à l’article 91 au niveau du groupe et au niveau de toute filiale du groupe et rédiger un document unique couvrant toutes les évaluations. Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa 1er, le contrôleur du groupe consulte les membres du collège des contrôleurs et tient dûment compte de leurs avis et de leurs réserves. L’accord donné par le contrôleur du groupe conformément à l’alinéa 1er n’exempte pas les filiales concernées de l’obli- gation de veiller au respect des exigences de l’article 91. En cas d’application du présent article, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte soumet le document unique simultanément à toutes les autorités de contrôle concernées. Art. 398 L’évaluation interne des risques et de la solvabilité menée au niveau du groupe est soumise au contrôle prudentiel du contrôleur du groupe conformément à la Section III du présent Chapitre. Sous-section IV Informations à destination du public § 1er- Rapport sur la solvabilité et la situation financière du groupe Art. 399 L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise 575 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de ver- zekeringsholding of de gemengde financiële holding maakt jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de financiële positie op het niveau van de groep openbaar. Dit verslag bevat de informatie die krachtens Verordening 2015/35 en de andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG is vereist. Deze informatie wordt integraal gepubliceerd of, mits de groepstoezichthouder dit toestaat, onder verwijzing naar informatie die qua aard en strekking gelijkwaardig is en die in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen gepubliceerd is. Art. 400 § 1. Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die in het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep is opgenomen, maakt de deelnemende verzekerings- of herver- zekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding passende informatie bekend over de aard en de gevolgen van die belangrijke ontwikkelingen. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt: een significante niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep en het feit dat de groepstoezichthouder binnen twee manden na de datum waarop de niet-naleving werd vastge- steld, geen realistisch saneringsplan ontvangt. In het in het eerste lid bedoelde geval maakt de onder- neming onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend en geeft zij daarbij uitleg over de oorzaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie re- alistisch geacht saneringsplan, de significante niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep zes maan- den na de vaststelling ervan nog niet is verholpen, wordt het tekortschietende bedrag aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij uitleg gegeven over de oor- zaak en de gevolgen ervan, waarbij ook wordt vermeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland. Art. 401 Naast de al krachtens de artikelen 383 et 384 verplicht bekend te maken informatie of uitleg over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep mag de deelnemende ver- zekerings- of herverzekeringsonderneming, of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekerings- onderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding op eigen initiatief ook alle andere informatie en uitleg hierover bekendmaken. d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assu- rance ou la compagnie financières mixte publie annuellement un rapport sur la solvabilité et la situation financière au niveau du groupe. Ce rapport comprend les informations exigées par le Règlement 2015/35 et par les autres mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Elles sont publiées in extenso ou, moyennant l’autorisation du contrôleur du groupe, par référence à des informations équivalentes, dans leur nature et leur portée, publiées en vertu d’autres dispositions légales ou réglementaires. Art. 400 § 1er. En cas d’événement majeur affectant significati- vement la pertinence des informations comprises dans le rapport sur la solvabilité et la situation financière du groupe, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assu- rance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte publient des informations appropriées sur la nature et les effets dudit événement majeur. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, sont au moins considérés comme un événement majeur l’observation d’un écart impor- tant par rapport au capital de solvabilité requis du groupe et le fait que le contrôleur du groupe n’obtient pas de programme réaliste de rétablissement dans un délai de deux mois à compter de la date où l’écart a été observé. Dans le cas visé à l’alinéa 1er, l’entreprise publie immé- diatement le montant de l’écart constaté, assorti d’une expli- cation quant à son origine et ses conséquences et quant à toute mesure corrective qui aurait été prise. Si, en dépit d’un programme de rétablissement initialement considéré comme réaliste, un écart important par rapport au capital de solvabilité requis du groupe n’a pas été corrigé six mois après qu’il a été constaté, le montant de cet écart est publié à l’expiration de ce délai, avec une explication quant à son origine et ses conséquences, y compris quant aux mesures correctives prises et à toute nouvelle mesure corrective prévue. Art. 401 L’entreprise d’assurance ou de réassurance participante ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’as- surance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte peut publier à son initiative toute information ou explication relative à la solvabilité et à la situation financière du groupe dont la publication n’est pas déjà exigée en vertu des articles 383 et 384. 576 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 402 Onverminderd de artikelen 392 en 394 beschikt de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekerings- onderneming staat, de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, over passende structuren en systemen om aan de vereisten van de artikelen 399 en 400 te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegd beleid dat waarborgt dat de overeenkomstig de artikelen 399 en 400 bekendgemaakte informatie altijd adequaat is. Art. 403 De groepstoezichthouder kan toestaan dat een deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding informatie als bedoeld in artikel 399 niet bekendmaakt indien: 1° door de bekendmaking van die informatie de concur- renten van de betrokken onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld; 2°  de onderneming wegens verplichtingen jegens de verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen, een geheimhoudingsplicht heeft. Wanneer de groepstoezichthouder heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermeldt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de verze- keringsholding of de gemengde financiële holding dit in het verslag over de solvabiliteit en de financiële positie van de groep, met opgave van de redenen hiervoor. Art. 404 De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Onderafdeling bedoelde informatie preciseren bij re- glement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. § 2 – Enig verslag over de solvabiliteit en de financiële positie Art. 405 Een deelnemende verzekerings- of herverzekeringson- derneming, een verzekeringsholding of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonder- neming staat, een gemengde financiële holding kan, mits de groepstoezichthouder daarmee instemt, één enkel verslag over haar solvabiliteit en haar financiële positie verstrekken, dat het volgende bevat: 1° de informatie op het niveau van de groep die overeen- komstig artikel 399 openbaar moet worden gemaakt; 2° de informatie voor elk van de dochterondernemingen bin- nen de groep, die individueel te identificeren moet zijn en die naargelang van het geval overeenkomstig de artikelen 95 tot Art. 402 Sans préjudice des articles 392 et 394, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance, la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte met en place des structures et des systèmes appropriés pour satisfaire aux exigences énoncées aux articles 399 et 40099, ainsi qu’une politique écrite visant à garantir l’adéquation permanente de toute information publiée conformément aux articles 399 et 400. Art. 403 Le contrôleur du groupe peut autoriser une entreprise d’assurance ou de réassurance participante, une société hol- ding d’assurance ou une compagnie financière mixte à ne pas publier une information visée à l’article 399, dans les cas où: 1°  la publication de cette information conférerait aux concurrents de l’entreprise concernée un avantage indu important; 2° l’entreprise est tenue à une obligation de confidentialité en raison d’obligations à l’égard des preneurs d’assurance ou de relations avec d’autres contreparties. Lorsque la non-publication d’une information est autorisée par le contrôleur du groupe, l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante, la société holding d’assurance ou la compagnie financière l’indique dans son rapport sur la solvabilité et la situation financière du groupe et en explique les raisons. Art. 404 La Banque peut préciser le contenu et les modalités de présentation des informations prévues à la présente Sous- section, par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998. §  2  – Rapport unique sur la solvabilité et la situation financière Art. 405 Une entreprise d’assurance ou de réassurance partici- pante, une société holding d’assurance ou, lorsque le groupe n’est pas dirigé par une entreprise d’assurance ou de réas- surance, une compagnie financière mixte peut, moyennant l’accord du contrôleur du groupe, publier un rapport unique sur sa solvabilité et sa situation financière contenant les éléments suivants 1° les informations au niveau du groupe qui sont à publier conformément à l’article 399; 2° les informations pour toute filiale du groupe qui doivent être individuellement indentifiables et qui doivent être publiées conformément, selon le cas, aux articles 95  à 101  de la 577 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 101 van deze wet of de artikelen 51, 53, 54 en 55 van Richtlijn 2009/138/EG, en overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen van deze richtlijn openbaar moet worden gemaakt. Alvorens overeenkomstig het eerste lid zijn instemming te geven, raadpleegt de groeps-toezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden. Art. 406 Indien het in artikel 405 bedoelde verslag niet de informatie bevat die de Bank van een dochterverzekerings- of herver- zekeringsonderneming naar Belgisch recht van de groep verlangt, en indien wezenlijke informatie ontbreekt, kan de Bank van de betrokken dochteronderneming verlangen dat zij de nodige aanvullende informatie openbaar maakt. Afdeling III Uitoefening van het groepstoezicht Onderafdeling I Aanwijzing van de groepstoezichthouder Art. 407 § 1. Onder de betrokken toezichthouders wordt één enkele toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening van het groepstoezicht, hierna de “groepstoezichthouder” genoemd. § 2. Het toezicht op het niveau van een verzekerings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door de Bank wanneer zij de toezichthouder is van alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep. In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaalde in artikel 408, de functie van groepstoezichthouder als volgt uitgeoefend:  1° indien aan het hoofd van de groep een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat, door de Bank;  2° indien aan het hoofd van een groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht staat: a) indien de moederonderneming van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding is, door de Bank; b) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsonder- nemingen in de Europese Economische Ruimte, waaronder een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dezelfde verzekeringsholding of gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan een van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde présente loi ou aux articles 51, 53, 54 et 55 de la Directive 2009/138/CE, ainsi qu’aux mesures d’exécution de cette directive. Avant de donner l’accord prévu à l’alinéa 1er, le contrôleur du groupe consulte les membres du collège des contrôleurs et tient dûment compte de leurs avis et réserves Art. 406 Lorsque le rapport visé à l’article 405 ne contient pas les informations que la Banque demande d’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale du groupe, elle peut, si cette omission est substantielle, exiger que cette entreprise filiale concernée publie les informations complémentaires nécessaires. Section III Exercice du contrôle du groupe Sous-section Ire Détermination du contrôleur du groupe Art. 407 § 1er. Un contrôleur unique, responsable de la coordination et de l’exercice du contrôle du groupe, dénommé “contrô- leur du groupe”, est désigné parmi les autorités de contrôle concernées. § 2. Le contrôle au niveau d’un groupe d’assurance ou de réassurance est exercé par la Banque lorsqu’elle est l’auto- rité de contrôle de toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe. Dans tous les autres cas et sous réserve de l’article 408, la tâche de contrôleur de groupe est exercée comme suit:  1° dans le cas où le groupe est dirigé par une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, par la Banque;  2° dans le cas où le groupe n’est pas dirigé par une entre- prise d’assurance ou de réassurance de droit belge: a) lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance a pour entreprise mère une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte, par la Banque; b) lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réas- surance dans l’Espace économique européen, dont une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ont pour entreprise mère la même société holding d’assurance ou compagnie financière mixte et que l’une de ces entreprises a été agréée dans l’État membre dans lequel la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte a son siège 578 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in die lidstaat; c) indien meerdere verzekeringsholdings of gemengde financiële holdings met zetel in verschillende lidstaten aan het hoofd van de groep staan en er in elk van deze lidstaten, waaronder België, een verzekerings- of herverzekeringson- derneming is, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal; d) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen in de Europese Economische Ruimte, waar- onder België, dezelfde verzekeringsholding of gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de toezichthouder van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal; of e) indien de groep een groep is zonder moederonderne- ming, of in elk geval dat niet bedoeld is in de punten a) tot d), door de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal. Art. 408 § 1. In bijzondere gevallen kunnen de Bank en de betrokken toezichthouders gezamenlijk besluiten om af te wijken van de criteria van artikel 407 indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van de groep en het relatieve belang van de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen in de verschillende landen, ongepast zou zijn, en een andere toezichthouder als groepstoezichthouder aanwijzen. De Bank kan verzoeken om een discussie te openen over de vraag of de in artikel 407 bedoelde criteria gepast zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan eenmaal per jaar plaats, op initiatief van de Bank of van de betrokken toezichthouder. De Bank doet alles wat in haar vermogen ligt om binnen drie maanden na het verzoek om opening van een discussie, met de betrokken toezichthouders een gezamenlijk besluit over de keuze van de groepstoezichthouder te nemen. Alvorens hun besluit te nemen, bieden de Bank en de betrokken toezichthouders de groep de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken. Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het gezamenlijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, voor aan de groep. § 2. Tijdens de in paragraaf 1, derde lid bedoelde termijn van drie maanden, en zolang er geen gezamenlijk besluit social, par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance dans cet État membre; c) lorsque le groupe est dirigé par plusieurs sociétés hol- ding d’assurance ou compagnies financières mixtes ayant leur siège social dans différents États membres, et qu’il y a une entreprise d’assurance ou de réassurance dans chacun de ces États membres, dont la Belgique, par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé; d)  lorsque plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance dans l’Espace économique européen, dont la Belgique, ont pour entreprise mère la même société holding d’assurance ou compagnie financière mixte et qu’aucune de ces entreprises n’a été agréée dans l’État membre dans lequel la société holding d’assurance ou compagnie finan- cière mixte a son siège social, par l’autorité de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé; ou e) lorsque le groupe n’a pas d’entreprise mère, ou dans des circonstances qui ne sont pas visées aux points a) à d), par l’autorité de contrôle qui a agréé l’entreprise d’assurance ou de réassurance affichant le total du bilan le plus élevé. Art. 408 § 1er. Dans des cas particuliers, la Banque et les autori- tés de contrôle concernées peuvent prendre conjointement la décision de déroger aux critères mentionnés à l’article 407 lorsqu’il apparaît inapproprié de les appliquer compte tenu de la structure du groupe et de l’importance relative des activités des entreprises d’assurance ou de réassurance dans les différents pays, et désigner une autre autorité de contrôle comme contrôleur du groupe. La Banque peut exiger l’ouverture d’une discussion quant au point de savoir si les critères visés à l’article 407 sont appropriés. Ce type de discussion, à l’initiative de la Banque ou d’une autorité de contrôle concernée, a lieu au maximum une fois par an. La Banque fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités de contrôle concernées, à une décision conjointe sur le choix du contrôleur du groupe au plus tard trois mois après la demande d’ouverture de la discussion. Avant de prendre leur décision, la Banque et les autorités de contrôle concernées donnent au groupe la possibilité d’exprimer son avis. Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par appli- cation du présent paragraphe, elle communique au groupe la décision conjointe avec sa motivation complète. § 2. Pendant le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, alinéa 3, et aussi longtemps qu’une décision commune n’a 579 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 is genomen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. In geval van toepassing van het eerste lid schorten de Bank en de betrokken toezichthouders hun gezamenlijk besluit op en wachten zij het besluit af dat EIOPA eventueel overeenkom- stig artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 1094/2010 neemt. De in paragraaf 1, derde lid bedoelde termijn van drie maanden wordt beschouwd als de verzoeningsperiode in de zin van artikel 19, lid 2, van Verordening nr. 1094/2010. De Bank en de betrokken toezichthouders nemen hun gezamenlijk besluit in overeenstemming met het besluit van EIOPA. Dit gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en wordt door de Bank en de betrokken toezichthouders toegepast. Indien de Bank met toepassing van deze paragraaf als groepstoezichthouder is aangewezen, legt zij het gezamen- lijk besluit met volledige opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, voor aan de groep en aan het college van toezichthouders. § 3. Indien er met toepassing van dit artikel geen geza- menlijk besluit is genomen, wordt de functie van groepstoe- zichthouder uitgeoefend door de toezichthouder die overeen- komstig artikel 407 is bepaald. Onderafdeling II Rechten en plichten van de groepstoezichthouder en van de betrokken toezichthouders – College van toezichthouders Art. 409 § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die haar door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaat- regelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd, verricht de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, de volgende taken: 1° zij coördineert de vergaring en verspreiding van infor- matie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een betrok- ken toezichthouder; 2° zij oefent het prudentieel toezicht uit op en beoordeelt de financiële positie van de groep; 3° zij beoordeelt de naleving door de groep van de voor- schriften inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroep- transacties, die door of krachtens Afdeling II van dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG zijn opgelegd; 4° zij beoordeelt het governancesysteem van de groep, overeenkomstig Onderafdeling III van Afdeling II van dit Hoofdstuk, en de vraag of de leden van het wettelijk be- stuursorgaan, het directiecomité of, in voorkomend geval, pas été prise, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010. En cas d’application de l’alinéa 1er, la Banque et les auto- rités de contrôle concernées diffèrent leur décision conjointe en attendant une éventuelle décision de l’EIOPA arrêtée conformément à l’article 19, paragraphe 3, du Règlement no 1094/2010. Le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, alinéa 3, est le délai de conciliation au sens de l’article 19, paragraphe 2 du Règlement no 1094/2010. La Banque et les autorités de contrôle concernées arrêtent leur propre décision conjointe en se conformant à la décision de l’EIOPA. Cette décision conjointe est considérée comme déterminante et est appliquée par la Banque et les autorités de contrôle concernées. Si la Banque est désignée contrôleur du groupe par appli- cation du présent paragraphe, elle communique au groupe et au collège des contrôleurs la décision commune avec sa motivation complète. § 3. Si aucune décision conjointe n’a été prise en appli- cation du présent article, la tâche du contrôleur du groupe est exercée par l’autorité de contrôle définie conformément à l’article 407. Sous-section II Droits et obligations du contrôleur du groupe et des autorités de contrôle concernées – Collège des contrôleurs Art. 409 § 1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la présente loi ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE, la Banque assure, en sa qualité de contrôleur du groupe, les tâches suivantes: 1° elle coordonne la collecte et la diffusion des informations utiles ou essentielles, dans la marche normale des affaires comme dans les situations d’urgence, y compris la diffusion des informations importantes pour le contrôle exercé par une autorité de contrôle concernée; 2° elle assure le contrôle prudentiel et l’évaluation de la situation financière du groupe; 3° elle évalue le respect, par le groupe, des règles relatives à la solvabilité, à la concentration de risques et aux transac- tions intragroupe prévues par ou en vertu de la Section II du présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 4°  elle évalue le système de gouvernance du groupe, conformément à la Sous-Section III de la Section II du présent Chapitre, ainsi que le respect, par les membres de l’organe légal d’administration, du comité de direction ou, le cas 580 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de effectieve leiding van de deelnemende onderneming naar Belgisch recht aan de vereisten van de artikelen 40, 81 en 443, § 1 voldoen; 5° zij plant en coördineert, aan de hand van regelmatige bijeenkomsten die minstens eenmaal per jaar plaatsvinden, of aan de hand van andere passende middelen, de toezichts- activiteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de betrokken toezichthouders en rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van alle onder- nemingen die deel uitmaken van de groep; 6° zij voert de andere taken uit en neemt de andere maat- regelen en besluiten die door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG aan de groepstoezichthouder zijn toegewezen, met name het leiden van het validatieproces van een intern model op groepsniveau overeenkomstig de artikelen 374 en 377 tot 380 en het leiden van het proces voor het toestaan van de toepassing van de in de artikelen 383 tot 387 vastgelegde regeling. § 2. Wanneer een betrokken toezichthouder niet samen- werkt met de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht- houder, in de mate die voor de uitvoering van de in paragraaf 1 bedoelde taken wordt vereist, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeen- komstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Art. 410 Om de uitvoering van de groepstoezichtstaken als be- doeld in artikel 409 te vergemakkelijken, richt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, een door haar voorgezeten college van toezichthouders op. Dit college van toezichthouders zorgt ervoor dat de sa- menwerking, de informatie-uitwisseling en de onderlinge raadpleging tussen de toezichthouders die lid zijn van het college van toezichthouders verlopen overeenkomstig de bepalingen van Titel III van Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, teneinde de convergentie van hun besluiten en activiteiten te bevorderen. Art. 411 Het college van toezichthouders is samengesteld uit: 1° de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder; 2° de betrokken toezichthouders; 3°  EIOPA, overeenkomstig artikel 21  van Verordening nr. 1094/2010; 4° op de voorwaarden die door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, de toezichthouders die belast zijn met het toezicht op een belangrijk bijkantoor of een verbonden onderneming in de groep, met dien verstande échéant, de la direction effective de l’entreprise participante de droit belge, des exigences énoncées aux articles 40, 81 et 443, § 1er; 5° elle planifie et coordonne, par des réunions régulières se tenant au moins une fois l’an ou par tout autre moyen approprié, les activités de contrôle, dans la marche normale des affaires comme dans les situations d’urgence, en coo- pération avec les autorités de contrôle concernées, en tenant compte de la nature, de l’ampleur et de la complexité des risques inhérents à l’activité de toutes les entreprises faisant partie du groupe; 6°  elle effectue les autres tâches et prend les autres mesures et décisions incombant au contrôleur du groupe par ou en vertu de la présente loi ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, notamment mener le processus de validation de tout modèle interne au niveau du groupe conformément aux articles 374 et 377 à 380 et mener le processus conduisant à autoriser l’application du régime prévu par les articles 383 à 387. § 2. Lorsqu’une autorité de contrôle concernée ne coopère pas avec la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, dans la mesure exigée aux fins de l’exécution des tâches visées au paragraphe 1er, la Banque peut saisir l’EIOPA et demander son assistance conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. Art. 410 Afin de faciliter l’exercice des tâches de contrôle du groupe visées à l’article 409, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, constitue un collège des contrôleurs qu’elle préside. Dans le but de promouvoir la convergence de leurs activités et décisions respectives, le collège des contrôleurs veille à ce que la coopération, les échanges d’informations et les consultations entre les autorités de contrôle membres du collège des contrôleurs se déroulent conformément aux dispositions du Titre III de la Directive 2009/138/CE ainsi qu’à ses mesures d’exécution. Art. 411 Le collège des contrôleurs est composé: 1° de la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe; 2° des autorités de contrôle concernées; 3° de l’EIOPA conformément à l’article 21 du Règlement n° 1094/2010; 4° dans les conditions définies par les mesures d’exécu- tion de la Directive 2009/138/CE, les autorités de contrôle chargées du contrôle d’une succursale importante ou d’une entreprise liée au sein du groupe, étant entendu que leur 581 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 dat hun deelname zich beperkt tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie tussen toezichthouders. EIOPA wordt voor de toepassing van deze Onderafdeling als een betrokken toezichthouder beschouwd. Met het oog op de doeltreffende werking van het college van toezichthouders kan het nodig zijn dat bepaalde activitei- ten door een beperkt aantal toezichthouders van het college worden uitgevoerd. Art. 412 Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG zijn vastgelegd, stoelt de oprichting en werking van het college van toezichthouders op coördinatieafspraken tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders. Onverminderd de bepalingen die door of krachtens deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG zijn vastgelegd, worden in de in het eerste lid bedoelde coördinatieafspraken de procedures gespecificeerd voor: 1°  het besluitvormingsproces tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders, overeenkomstig de artikelen 34, 376, 407 en 408; 2° het overleg uit hoofde van de artikelen 359 en 413; 3° het overleg tussen de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, en de betrokken toezichthouders, met name als in de gevallen bedoeld in de artikelen 343 tot 357, 360 tot 362, 368, 369, 388 tot 406, 421, 445 tot 448; 4° de samenwerking met andere toezichthouders dan de betrokken toezichthouders. Onverminderd de rechten en plichten die door of krachtens deze wet en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd voor de Bank, in haar hoedanig- heid van groepstoezichthouder, en voor de betrokken toezicht- houders, kunnen in de coördinatieafspraken nog andere taken worden toevertrouwd aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, of aan andere toezichthouders of aan EIOPA, ingeval dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep en het geen afbreuk doet aan de toezichtsactiviteiten van de leden van het college van toezichthouders ten opzichte van hun individuele verantwoordelijkheden. Art. 413 Wanneer een betrokken toezichthouder de zaak heeft voorgelegd aan EIOPA met toepassing van artikel 248, lid 4, tweede alinea van Richtlijn 2009/138/EG, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichtouder, haar definitieve besluit over het meningsverschil over een met toepassing van participation se limite à la réalisation de l’objectif consistant à assurer un échange efficace des informations entre autorités de contrôle. L’EIOPA est considérée comme une autorité de contrôle concernée pour l’application de la présente Sous-section. Le bon fonctionnement du collège des contrôleurs peut exiger que certaines activités soient menées par un nombre réduit d’autorités de contrôle au sein de celui-ci. Art. 412 Sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la création et le fonctionnement du collège des contrôleurs sont basés sur des accords de coordination conclus par la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle concernées. Sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, les accords de coordination visés à l’alinéa 1er précisent les procédures à suivre: 1° par la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle  concernées pour prendre les décisions visées aux articles 374, 376, 407 et 408; 2° pour la consultation requise par les articles 359 et 413; 3° pour la consultation entre la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et les autorités de contrôle concernées, notamment dans les cas visés aux articles 343 à 357, 360 à 362, 368, 369, 388 à 406, 421, 445 à 448; 4° en matière de coopération avec d’autres autorités de contrôle que les autorités de contrôle concernées. Sans préjudice des droits et devoirs conférés à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et aux autorités de contrôle concernées, par ou en vertu de la présente loi et par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, les accords de coordination peuvent confier des tâches supplémentaires à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, ou à d’autres autorités de contrôle ou à l’EIOPA lorsqu’il en résulte un contrôle plus efficace du groupe et pour autant que les activités de contrôle des membres du collège des contrôleurs, pour ce qui relève de leur responsabilité individuelle, ne s’en trouvent pas entravées. Art. 413 Lorsqu’une autorité de contrôle concerné a saisi l’EIOPA en application de l’article 248, paragraphe 4, alinéa 2 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, arrête sa décision finale sur la divergence de vues concernant un accord de coordination conclu en application 582 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 artikel 412 gemaakte coördinatieafspraak, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van het advies van EIOPA. Zij neemt haar definitieve besluit in overeenstemming met het eventuele besluit van EIOPA. Zij bezorgt haar besluit aan de betrokken toezichthouders. Art. 414 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder belegt de Bank ten minste in de volgende gevallen onverwijld een vergadering van alle betrokken toezichthouders: 1° wanneer zij kennis heeft dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het toezicht op groepsniveau valt; 2°  wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau of van het geaggregeerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, naargelang van de methode die overeenkomstig de artikelen 372 tot 380 wordt gebruikt; 3°  wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke omstandigheden. Art. 415 De Bank verstrekt in haar hoedanigheid van groepstoe- zichthouder informatie aan EIOPA die van belang is voor de evaluatie van de werking van de colleges van toezichthou- ders, die EIOPA uitvoert overeenkomstig artikel 248, lid 6 van Richtlijn 2009/138/EG. Zij verstrekt ook informatie over de in het kader van deze werking gerezen moeilijkheden. Art. 416. §  1. De Bank neemt in haar hoedanigheid van betrokken toezichthouder deel aan het college van toezichthouders dat overeenkomstig artikel 248, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG is opgericht door een toezichthouder van een andere lidstaat in zijn hoedanigheid van groepstoezichthouder. Zij werkt samen met de groepstoezichthouder, in de mate die vereist is voor de uitvoering van de taken die hem met toepassing van artikel 248, lid 1 van Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen zijn opgelegd. Wanneer de groepstoezichthouder de voornoemde taken niet vervult, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bij- stand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Bij verschil van mening met de groepstoezichthouder of een andere betrokken toezichthouder over de coördinatie- afspraak over de oprichting en de werking van het college van toezichthouders waaraan zij deelneemt, kan de Bank, de l’article 412, dans un délai de deux mois à compter de la réception de l’avis de l’EIOPA. Elle prend sa décision finale en se conformant à la décision de l’EIOPA. Elle transmet sa décision aux autorités de contrôle concernées. Art. 414 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, convoque immédiatement une réunion de toutes les autorités de contrôle concernées au moins dans les circonstances suivantes: 1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une violation sérieuse de l’exigence relative au capital de solvabilité requis ou d’une violation de l’exigence relative au minimum de capi- tal requis, dans le chef d’une entreprise d’assurance ou de réassurance incluse dans le contrôle au niveau du groupe; 2° lorsqu’elle constate un écart important par rapport au capital de solvabilité requis au niveau du groupe, calculé sur la base des données consolidées, ou au capital de solvabilité requis du groupe sur une base agrégée, selon la méthode de calcul appliquée conformément aux articles 372 à 380; 3° lorsqu’elle a connaissance de toute autre circonstance exceptionnelle. Art. 415 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, trans- met à l’EIOPA les informations pertinentes pour l’examen du fonctionnement des collèges des contrôleurs, auquel l’EIOPA procède conformément à l’article 248, paragraphe 6 de la Directive 2009/138/CE. Elle transmet également des informa- tions sur les difficultés rencontrées dans ce fonctionnement. Art. 416. §  1er. La Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle concer- née, participe au collège des contrôleurs constitué, conformé- ment à l’article 248, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/ CE, par une autorité de contrôle d’un autre État membre en qualité de contrôleur du groupe. Elle coopère avec le contrôleur du groupe dans la mesure exigée aux fins de l’exécution des tâches qui incombent à celui-ci en application de l’article 248, paragraphe 1er de la Directive 2009/138/CE et de ses mesures d’exécution. Lorsque le contrôleur du groupe ne s’acquitte pas des tâches précitées, la Banque peut saisir l’EIOPA et demander son assistance conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. En cas de divergence de vues avec le contrôleur du groupe ou une autre autorité de contrôle concernée concernant l’ac- cord de coordination régissant la création et le fonctionnement du collège de contrôleurs auquel elle participe, la Banque, 583 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in haar hoedanigheid van betrokken toezichthouder, de zaak voorleggen aan EIOPA en om haar bijstand verzoeken over- eenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. Bovendien kan de Bank, in haar hoedanigheid van toe- zichthouder belast met het toezicht op een belangrijk bijkan- toor of op een verbonden onderneming van de groep, op de voorwaarden vastgelegd in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, deelnemen aan het college van toe- zichthouders dat is opgericht om het toezicht op het niveau van de genoemde groep te vergemakkelijken. In dat geval beperkt haar deelneming zich tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie tussen toezichthouders. § 2. De Bank belegt ten minste in de volgende gevallen on- verwijld een vergadering van het college van toezichthouders: 1° wanneer zij vaststelt dat in belangrijke mate wordt af- geweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht op groepsniveau valt; 2°  wanneer zij kennis heeft van andere uitzonderlijke omstandigheden. Onderafdeling III Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders Art. 417 De Bank werkt zowel in haar hoedanigheid van groepstoe- zichthouder als van betrokken toezichthouder nauw samen met de toezichthouders van de verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen die deel uitmaken van verzekerings- of herverzekeringsgroep, met name in gevallen waarin een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met financiële moeilijkheden wordt geconfronteerd. Zij kan op eigen initiatief of op verzoek vertrouwelijke in- formatie meedelen aan deze toezichthouders of hen vragen haar vertrouwelijke informatie mee te delen, wanneer deze informatie van belang is om de uitoefening van de toezichtsta- ken die aan haar of aan deze toezichthouders zijn opgelegd krachtens Richtlijn 2009/138/EG of haar uitvoeringsmaatre- gelen, mogelijk te maken of te vergemakkelijken. De in dit lid bedoelde informatie omvat onder meer informatie over het optreden van de groep en de toezichthouders, en informatie die door de groep is verstrekt. Indien een in het eerste lid bedoelde toezichthouder na- laat relevante informatie mee te delen of indien een verzoek tot samenwerking van de Bank, en met name om relevante informatie uit te wisselen, is afgewezen of niet binnen twee weken gevolg heeft gekregen, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. en sa qualité d’autorité de contrôle concernée, peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. En outre, la Banque, en sa qualité d’autorité de contrôle chargée du contrôle d’une succursale importante ou d’une entreprise liée au sein du groupe peut, dans les conditions définies par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE, participer au collège des contrôleurs mis en place pour faciliter le contrôle au niveau dudit groupe. Dans ce cas, sa participation se limite à la réalisation de l’objectif consistant à assurer un échange efficace des informations entre autorités de contrôle. § 2. La Banque convoque immédiatement une réunion du collège des contrôleurs au moins dans les circonstances suivantes: 1° lorsqu’elle a connaissance de l’existence d’une viola- tion sérieuse de l’exigence relative au capital de solvabilité requis ou d’une violation de l’exigence relative au minimum de capital requis, dans le chef d’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge incluse dans le contrôle au niveau du groupe; 2° lorsque qu’elle a connaissance de toute autre circons- tance exceptionnelle. Sous-section III Coopération et échange d’informations entre les autorités de contrôle Art. 417 La Banque, que ce soit en sa qualité de contrôleur du groupe ou d’autorité de contrôle concernée, coopère étroitement avec les autorités de contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance faisant partie d’un groupe d’assurance ou de réassurance, en particulier dans les cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance connaît des difficultés financières. Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou demander à ces autorités de contrôle des informations confi- dentielles lorsque celles-ci sont pertinentes pour permettre et faciliter l’exercice des tâches de contrôle qui lui sont confiées ou à ces autorités en vertu de la Directive 2009/138/CE ou ses mesures d’exécution. Les informations visées au présent alinéa comprennent, sans s’y limiter, les informations concer- nant des actions du groupe et des autorités de contrôle, ainsi que les informations fournies par le groupe. Si une autorité de contrôle visée à l’alinéa 1er omet de com- muniquer des informations pertinentes, ou si une demande de coopération de la Banque, en particulier d’échange d’informa- tions pertinentes, est rejetée ou n’est pas suivie d’effet dans un délai de deux semaines, la Banque peut saisir l’EIOPA conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. 584 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 418 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder verschaft de Bank aan de betrokken toezichthouders en aan EIOPA informatie over de verzekerings- of herverzekeringsgroep, overeenkomstig de artikelen 95 en 96 en Onderafdeling V van deze Afdeling, inzonderheid over de juridische structuur, het governancesysteem en de organisatiestructuur van de groep. Art. 419 Wanneer de Bank niet de groepstoezichthouder is die met toepassing van artikel 407 is aangewezen, kan de groepstoe- zichthouder haar verzoeken om van een moederonderneming naar Belgisch recht alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening door de groepstoezichthouder van zijn coördinatierechten en -plichten als omschreven in Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die infor- matie aan hem door te geven. Wanneer de Bank overeenkomstig artikel 407 de groeps- toezichthouder is en de moederonderneming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank de toezichthouder van die lidstaat verzoeken om van die moe- deronderneming alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening van haar coördinatierechten en -plichten als omschreven in deze wet, Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen, en die informatie aan haar door te geven. Art. 420 Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming naar Belgisch recht en hetzij een kredietinstelling, hetzij een beleggingsonderneming, hetzij beide, rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn, dan wel een gemeenschap- pelijke deelnemende onderneming hebben, werkt de Bank nauw samen met de toezichthouders van die kredietinstelling of beleggingsonderneming. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de Bank, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie die de uitoefening van hun respectieve taken mogelijk kan maken en kan vergemakkelijken en die het mogelijk maakt toezicht uit te oefenen op de activiteiten en de financiële positie van alle ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen, meedelen of deze toezichthouders vragen haar dergelijke informatie mee te delen. Onderafdeling IV Overleg tussen toezichthouders Art. 421 Onverminderd Onderafdeling III van deze Afdeling pleegt de Bank in het college van toezichthouders over- leg met de toezichthouders van de verzekerings- of Art. 418 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, trans- met aux autorités de contrôle concernées et à l’EIOPA les informations concernant le groupe d’assurance ou de réassurance, conformément aux articles 95 et 96 et à la Sous-section V de la présente Section, en particulier sur sa structure juridique, son système de gouvernance et sa structure organisationnelle. Art. 419 Lorsque la Banque n’est pas le contrôleur du groupe dési- gné en application de l’article 407, elle peut être invitée, par le contrôleur du groupe, à demander à une entreprise mère de droit belge toute information utile pour l’exercice par le contrôleur du groupe de ses droits et obligations de coordi- nation définis par la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution, et à la lui transmettre. Lorsque la Banque est le contrôleur du groupe conformé- ment à l’article 407 et que l’entreprise mère a son siège social dans un État membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter l’autorité de contrôle de cet État membre à demander à cette entreprise mère toute information utile pour l’exercice de ses droits et obligations de coordination définis par la présent loi, la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution, et à la lui transmettre. Art. 420 Lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge et un établissement de crédit ou une entreprise d’investissement ou les deux, sont directement ou indirec- tement liés ou ont une entreprise participante commune, la Banque collabore étroitement avec les autorités de contrôle de cet établissement de crédit ou entreprise d’investissement. Sans préjudice de leurs compétences respectives, la Banque peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou demander à ces autorités toutes les informations susceptibles de permettre et faciliter l’exercice de leurs tâches respectives et de permettre la surveillance de l’activité et de la situation financière de l’ensemble des entreprises soumises à leur surveillance. Sous-section IV Consultation entre autorités de contrôle Art. 421 Sans préjudice de la Sous-Section III de la présente Section, la Banque consulte, au sein du collège des contrô- leurs, les autorités de contrôle des entreprises d’assurance 585 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsondernemingen die onder het toezicht op groepsniveau vallen, voordat zij een besluit neemt over de volgende aangelegenheden: 1° veranderingen in het aandeelhouderschap, de organi- satie of de beleidsstructuur van een verzekerings- of herver- zekeringsonderneming die goedkeuring of machtiging door de Bank vereisen; en 2° de verlenging van de herstelperiode overeenkomstig artikel 510; 3° de belangrijkste sancties en buitengewone maatregelen die door de Bank zijn getroffen, zoals onder meer het toepas- sen van een opslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van artikel 323 en het opleggen van enigerlei beper- king op het gebruik van een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van de artikelen 167 tot 188. 4° alle besluiten die gebaseerd zijn op van een andere toezichthouder ontvangen informatie. De Bank kan besluiten geen overleg als bedoeld in het eerste lid te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluit in gevaar zou kunnen brengen. In dat geval stelt de Bank de betrokken toezichthouders onverwijld daarvan in kennis zodra zij haar besluit heeft genomen. In afwijking van het tweede lid moet de Bank de groeps- toezichthouder altijd raadplegen wanneer zij van plan is een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°. Onderafdeling V Voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verstrekken informatie Art. 422 § 1. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de verzekeringsholdings en de gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, verstrekken aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthou- der, alle informatie die nodig is voor de uitoefening van de toezichtstaken die door of krachtens deze wet aan de groeps- toezichthouder zijn toegewezen, en de informatie die nodig is om met het oog op de uitoefening van de rechten en plichten van de groepstoezichthouder met betrekking tot het toezicht op groepsniveau, elke passende beslissing te kunnen nemen. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 kan de Bank: 1° op individuele basis of bij reglement vastgesteld over- eenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de aard, de reikwijdte, het model, de frequentie en de wijze van indiening vaststellen van de in paragraaf 1 bedoelde informatie, en deze informatie bij de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen opvragen: ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe, avant de prendre une des décisions suivantes: 1° les modifications de la structure de l’actionnariat, de l’organisation ou de la gestion d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qui requièrent l’approbation ou l’autori- sation de la Banque; et 2° la prolongation du délai de rétablissement conformément à l’article 510; 3° les principales sanctions et les mesures exceptionnelles prises par la Banque, y compris l’application d’une exigence de capital supplémentaire s’ajoutant au capital de solvabilité requis conformément à l’article 323 et l’application de toute limitation de l’utilisation d’un modèle interne pour le calcul du capital de solvabilité requis conformément aux articles 167 à 188. 4° toute décision fondée sur les informations reçues d’une autre autorité de contrôle. La Banque peut décider de ne pas opérer de consultation visée à l’alinéa 1er en cas d’urgence ou lorsque cette consul- tation risquerait de compromettre l’efficacité de sa décision. Dans ce cas, la Banque en informe sans délai les autorités de contrôle concernées dès qu’elle a pris sa décision. Par dérogation à l’alinéa 2, la Banque doit toujours consul- ter le contrôleur du groupe lorsqu’elle envisage de prendre une décision visée à l’alinéa 1er, 2° ou 3°. Sous-section V Informations à fournir aux fins de l’exercice du contrôle au niveau du groupe Art. 422 § 1er. Les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance et les compagnies financières mixtes, leurs filiales et toutes les autres entreprises incluses dans le contrôle au niveau du groupe, fournissent à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, toutes les informations nécessaires aux fins de l’exercice des tâches de contrôle qui incombent au contrôleur du groupe par ou en vertu de la présente loi, ainsi que les informations nécessaires à la prise de toute décision appropriée qu’appelle l’exercice des droits et fonctions du contrôleur du groupe en matière de contrôle au niveau du groupe. § 2. Aux fins du paragraphe 1er, la Banque peut: 1° définir, sur une base individuelle ou par voie d’un règle- ment pris conformément à l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, la nature, la portée, le format, la fréquence et les modalités de transmission des informations visées au paragraphe 1er, dont elle exige la communication de la part des entreprises visées au paragraphe 1er aux moments suivants: 586 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 a) op van tevoren bepaalde tijdstippen; b) wanneer zich van tevoren omschreven gebeurtenissen voordoen; c) bij onderzoek naar de positie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar aanleiding van haar op- name in het toezicht op groepsniveau. 2° alle informatie inwinnen over overeenkomsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die met derden worden gesloten; 3° informatie opvragen bij externe deskundigen; 4° voorschrijven dat haar geregeld andere dan de in para- graaf 1 bedoelde cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, wanneer deze informatie nodig is om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn nageleefd. Artikel 312, § 3 is van toepassing op de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie. § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde informatie voldoet aan de volgende beginselen: 1° er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de verze- kerings- of herverzekeringsgroep en met name met de risico’s die aan die activiteiten verbonden zijn; 2° zij is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent; 3° zij is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk. Art. 423 Niettegenstaande de in artikel 422, § 2, a), bedoelde van tevoren bepaalde tijdstippen kan de Bank, in haar hoedanig- heid van groepstoezichthouder, de regelmatige rapportering van de voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie met een frequentie van minder dan een jaar op groepsniveau beperken, als alle verzekerings- of herverzekeringsonderne- mingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing van artikel 313 genieten, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van de groep. Art. 424 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan de Bank op groepsniveau een vrijstelling verlenen van de verplichting om itemgewijs informatie te verstrekken, als alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de toepassing van artikel 314 genieten, rekening houdend met de aard, de a) à des moments prédéfinis; b) lorsque des événements prédéfinis se produisent; c) lors d’enquêtes concernant la situation d’une entreprise d’assurance ou de réassurance en raison de son inclusion dans le contrôle au niveau du groupe. 2° obtenir toute information relative aux contrats détenus par des intermédiaires ou aux contrats conclus avec des tiers; 3° exiger des informations de la part d’experts externes; 4° prescrire la transmission régulière d’informations chif- frées ou descriptives autres que celles visées au paragraphe 1er, lorsque ces informations sont nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci. L’article 312, § 3 est applicable aux informations visées aux paragraphes 1er et 2. § 3. Les informations visées aux paragraphes 1er et 2 res- pectent les principes suivants: 1° elles reflètent la nature, l’ampleur et la complexité des activités du groupe d’assurance ou de réassurance et notam- ment les risques inhérents aux activités de celui-ci; 2° elles sont accessibles, complètes pour tout ce qui est important, comparables et cohérentes dans la durée; 3° elles sont pertinentes, fiables et compréhensibles. Art. 423 Nonobstant les moments prédéfinis visés à l’article 422, § 2, a), la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut limiter la communication régulière des informations à des fins de contrôle d’une fréquence inférieure à un an au niveau du groupe, dès lors que toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe bénéficient de l’application de l’article 313, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents à l’activité du groupe. Art. 424 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut dispenser de l’obligation de communiquer des informations poste par poste au niveau du groupe, dès lors que toutes les entreprises d’assurance ou de réassurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe bénéficient de l’application de l’article 314, eu égard à la nature, à l’ampleur et à la complexité 587 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de activiteiten van de groep en met de doelstelling van financiële stabiliteit. Art. 425 Indien de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezicht- houder, informatie als bedoeld in de artikelen 422, 423 en 424 nodig heeft die reeds aan een andere toezichthouder is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met deze toezichthouder in contact teneinde dubbele informatieverstrekking door de onderneming aan de diverse bij het toezicht op groepsniveau betrokken toezichthouders te voorkomen. Art. 426 De ondernemingen die met toepassing van artikel 349 niet in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, moeten aan de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die deze dienstig acht voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau. Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van die ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet in het toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de Bank en de andere betrokken toezichthouders alle gegevens en inlich- tingen verstrekken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 427 Onverminderd de artikelen 422 tot 426, mag de Bank zich alleen zelf rechtstreeks tot de ondernemingen in de groep wenden om de informatie die nodig is voor de uitoefening van het toezicht op groepsniveau te verkrijgen, indien deze infor- matie aan de in het groepstoezicht betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming is gevraagd, maar door deze onderneming niet binnen een redelijke termijn is verstrekt. Art. 428 § 1. De Bank kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder het toezicht op groepsniveau valt, haar verbonden ondernemingen, haar moederonderneming of de met haar moederonderneming verbonden ondernemingen, om na te gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zijn nageleefd en, met name, om na te gaan of de in de artikelen 422, 423 en 424 bedoelde informatie juist en volledig is. Artikel 304 is van toepassing. des risques inhérents à l’activité du groupe ainsi qu’à l’objectif de stabilité financière. Art. 425 Lorsqu’elle a besoin d’informations visées aux articles 422, 423 et 424, qui ont déjà été fournies à une autre autorité de contrôle, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe s’adresse, dans la mesure du possible, à cette autorité afin d’éviter toute duplication dans le chef de l’entreprise dans la communication d’informations aux diverses autorités partici- pant au contrôle au niveau du groupe. Art. 426 Les entreprises qui ne sont pas incluses dans le contrôle au niveau du groupe en application de l’article 349, sont tenues de communiquer à la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe tous les renseignements et informations que celle-ci estime nécessaires pour l’exercice du contrôle au niveau du groupe. Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjoin- tement avec d’autres, une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ainsi que les filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises et ces filiales ne sont pas incluses dans le contrôle au niveau du groupe, de communiquer à la Banque et aux autres autorités de contrôle concernées les informations et renseignements utiles à l’exercice du contrôle de cette entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 427 Sans préjudice des articles 422  à 426, la Banque ne peut s’adresser directement aux entreprises du groupe pour obtenir les informations nécessaires à l’exercice du contrôle au niveau du groupe que lorsque ces informations ont été demandées à l’entreprise d’assurance ou de réassurance soumise au contrôle des groupes et que cette entreprise n’a pas communiqué ces informations dans un délai raisonnable. Art. 428 §  1er. La Banque peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l’entreprise d’assurance ou de réassurance soumise à un contrôle au niveau du groupe, par ses entreprises liées, par son entreprise mère ou par les entreprises liées à son entreprise mère, en vue de vérifier le respect des dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et, notamment, en vue de vérifier le caractère correct et complet des informations visées aux articles 422, 423 et 424. L’article 304 est applicable. 588 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Zij kan op kosten van deze ondernemingen de commissaris van deze ondernemingen of een door haar daartoe erkende deskundige met deze verificaties belasten. De artikelen 305, 306 en 307 zijn van toepassing. § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank de toezichthouder van die lidstaat om de inspectie ter plaatse uit te voeren. De Bank verricht deze inspectie zelf als zij daarvoor de toestemming krijgt van de toezichthouder van die lidstaat. Wanneer deze laatste de inspectie zelf wenst te verrichten, of daartoe een revisor of een deskundige aanstelt, kan de Bank niettemin aan de inspectie deelnemen indien zij dat wenst. Indien het door de Bank overeenkomstig het eerste lid geformuleerde verzoek geen gevolg heeft gekregen binnen twee weken, of indien zij om praktische redenen niet kan deelnemen aan de inspectie ter plaatse, kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010. § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkingsover- eenkomsten die de Bank met de betrokken autoriteiten van dit derde land heeft gesloten, in voorkomend geval overeen- komstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese Commissie overeenkomstig het bepaalde bij artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten. Art. 429 § 1. Wanneer het toezicht op het niveau van de verzeke- rings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een toezichthouder die onder een andere lidstaat dan België res- sorteert, verstrekken de verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen, de verzekeringsholdings, de gemengde finan- ciële holdings en hun dochterondernemingen naar Belgisch recht aan deze toezichthouder de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij als groepstoezichthouder is belast overeenkom- stig Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen. Wanneer deze toezichthouder ressorteert onder een derde land en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank of de Europese Commissie met toepassing van artikel 264  van Richtlijn 2009/138/EG heeft gesloten, is het eerste lid van overeen- komstige toepassing. § 2. Wanneer het toezicht op het niveau van de verzeke- rings- of herverzekeringsgroep wordt uitgeoefend door een toezichthouder die onder een andere lidstaat dan België ressorteert, kan die toezichthouder, om na te gaan of de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk en door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgelegd, zij, nageleefd, ter plaatse in de in paragraaf 1 be- doelde ondernemingen naar Belgisch recht, de gegevens en inlichtingen toetsen die zij heeft ontvangen, of kan zij erkend Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger le commis- saire de ces entreprises ou un expert désigné par elle à cette fin, de procéder à ces vérifications. Les articles 305, 306 et 307 sont applicables. §  2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un autre État membre, la Banque demande à l’autorité de contrôle de cet État membre d’effec- tuer l’inspection sur place. La Banque procède elle-même à cette inspection si elle en a reçu l’autorisation de la part de l’autorité de contrôle de cet État membre. Lorsque cette der- nière effectue elle-même l’inspection, ou désigne un réviseur ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y participer. Lorsque la demande formulée par la Banque conformé- ment à l’alinéa 1er n’a pas été suivi d’effet dans un délai de deux semaines, ou lorsqu’elle se voit en pratique empêchée de participer à l’inspection sur place, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance conformément à l’article 19 du Règlement n° 1094/2010. §  3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe  1er ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords de coopération que la Banque conclut avec les autorités de pays tiers concernées, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission européenne a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE. Art. 429 § 1er. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assu- rance ou de réassurance est exercée par une autorité de contrôle qui relève d’un État membre, autre que la Belgique, les entreprises d’assurance ou de réassurance, les sociétés holding d’assurance, les compagnies financières mixtes et leurs filiales de droit belge communiquent à cette autorité de contrôle les informations et renseignements que celle-ci juge nécessaires pour l’exercice des tâches de contrôle qui lui incombent en sa qualité de contrôleur du groupe conformé- ment à la Directive 2009/138/CE et à ses mesures d’exécution. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers et que l’obligation d’information découle d’accords de coopé- ration conclus par la Banque ou la Commission européenne en application de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE, l’alinéa 1er est applicable par analogie. § 2. Lorsque le contrôle au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance est exercée par une autorité de contrôle qui relève d’un État membre, autre que la Belgique, cette autorité peut, en vue de vérifier le respect des dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre ainsi que par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, procéder sur place dans les entreprises de droit belge visées au paragraphe 1er, à la vérification des informations et renseignements qu’elle a reçus, ou peut charger des commissaires agréés ou des 589 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 commissarissen of door haar erkende deskundigen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 428, § 2 zijn van over- eenkomstige toepassing. Wanneer deze toezichthouder onder een derde land res- sorteert, zijn de bepalingen van artikel 428, § 3 van overeen- komstige toepassing. Onderafdeling VI Revisoraal toezicht Art. 430 Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de opdracht van erkend commissaris van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is van overeenkomstige toepas- sing op verzekerings- of herverzekering ondernemingen die aan een toezicht op groepsniveau zijn onderworpen overeen- komstig artikel 343. Art. 431 § 1. In een verzekeringsholding of in een gemengde fi- nanciële holding naar Belgisch recht die onder het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die overeenkomstig artikel 327 door de Bank erkend zijn voor de opdracht van commis- saris bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De artikelen 325 tot 329 zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. De commissarissen aangesteld bij een in paragraaf 1  bedoelde verzekeringsholding of gemengde financiële holding verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht op groepsniveau waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeen- komstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Art. 432 De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 be- doelde onderneming beoordelen het passend karakter op het niveau van de groep van de internecontrolemaatregelen als bedoeld in artikel 42, § 1, 2° en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank. Art. 433 De commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 be- doelde onderneming brengen verslag uit aan de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten niet experts agréés par elles d’y procéder. Les dispositions de l’article 428, § 2 sont applicables par analogie. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers, les dispositions de l’article 428, § 3 sont applicables par analogie. Sous-section VI Contrôle révisoral Art. 430 Les dispositions des articles 330 à 337 concernant les fonctions de commissaire agréé d’une entreprise d’assu- rance ou de réassurance sont applicables par analogie aux entreprises d’assurance ou de réassurance soumises à un contrôle au niveau du groupe conformément à l’article 343. Art. 431 §  1er. Dans une société holding d’assurance ou dans une compagnie financière mixte de droit belge incluse dans un contrôle au niveau du groupe exercé par la Banque, les fonctions de commissaire visées au Code des sociétés sont confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui, conformément à l’article 327, sont agréés par la Banque pour les fonctions de commissaire auprès d’une entreprise d’assurance ou de réassurance. Les articles 325 à 329 sont applicables par analogie. § 2. Les commissaires désignés auprès d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte visée au paragraphe 1er, prêtent leur coopération à l’exercice du contrôle au niveau du groupe dont est chargée la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et confor- mément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. Art. 432 Les commissaires désignés dans une entreprise visée à l’article 431 évaluent le caractère adéquat au niveau du groupe des mesures de contrôle interne visées à l’article 42, § 1er, 2° et ils communiquent leurs conclusions à la Banque. Art. 433 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 431 font rapport à la Banque sur les résul- tats de l’examen limité des états périodiques transmis par la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte à la Banque à la fin du premier semestre social, confir- mant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaî- trait que ces états périodiques n’ont pas, sous tous égards 590 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoe- ringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat- ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze periodieke staten worden opgesteld. Zij bevestigen geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de periodieke staten met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Art. 434 De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke staten die de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens deze wet, de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstem- ming zijn met de boekhouding en de inventarissen inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat- ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. Zij bevestigen dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waar- deringsregels voor de opstelling van de jaarrekening. significativement importants, été établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtées en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comp- tables y figurant, complets et corrects et sont, sous tous égards significativement importants, conformes à la comp- tabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1°  complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui est des données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établis- sement des états périodiques afférents au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Art. 434 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 431 font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des états périodiques transmis par la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant que ces états périodiques sont, sous tous égards significati- vement importants, établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi, aux mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d’exercice sont, pour ce qui est des données comptables y figurant, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1°  complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d’exercice ont été établis, pour les données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels. 591 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Art. 435 De erkend commissarissen aangesteld bij een in artikel 431 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de activiteiten en de financiële structuur op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsgroep; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding gedragen. Art. 436 In het kader van hun opdracht bij een in artikel 431 be- doelde onderneming of een revisorale opdracht bij een met een dergelijke onderneming verbonden onderneming, bren- gen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen: 1° die de positie van de verzekerings- of herverzekerings- groep financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; 2° die tot de niet-naleving van de voorschriften inzake het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau kunnen leiden; 3°  die een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen kunnen vormen voor wat de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding betreft; 4° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud. Art. 437 De erkend commissarissen delen aan de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig artikel 435. Artikel 306 is op deze mededelingen van toepassing. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent. Art. 438 Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw infor- matie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 436, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Art. 435 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 431 font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l’organisation, les activités et la structure financière au niveau du groupe d’assurance ou de réassurance, rapports dont les frais d’établissement sont supportés par la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte. Art. 436 Dans le cadre de leur mission auprès d’une entreprise visée à l’article 431, ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à une telle entreprise, les commissaires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions: 1° qui influencent ou peuvent influencer de façon signifi- cative la situation du groupe d’assurance ou de réassurance sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; 2° qui peuvent entraîner le non-respect des dispositions relatives au capital de solvabilité requis au niveau du groupe; 3° qui peuvent constituer des violations du Code des socié- tés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution en ce qui concerne la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte; 4° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes consolidés. Art. 437 Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 435. Ces communications sont soumises à l’article 306. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des ques- tions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Art. 438 Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous l’article 436. 592 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 439 Wanneer de moederonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een andere lidstaat is, die onder het door de Bank uitgeoefende toezicht op groepsniveau valt, wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 432 tot 436 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze verzekeringsholding of gemengde financiële holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de in de artikelen 432 tot 436 bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een dochteronderneming is van deze ver- zekeringsholding of gemengde financiële holding. Art. 440 De commissarissen aangesteld bij verzekerings- of herver- zekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de artikelen 430 en 431, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het toezicht op groepsniveau betrokken dochterondernemingen, als van de in artikel 349 bedoelde ondernemingen. Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid. Onderafdeling VII Prudentiële maatregelen Art. 441 Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften die door of krachtens dit Hoofdstuk of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG zijn opgelegd niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groepssolvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de ge- noemde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen, neemt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, 1°  ten aanzien van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, de nodige maatregelen als bedoeld in Titel VI van deze wet om de vast- gestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten; 2° ten aanzien van de moederverzekeringsholding of de gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, de nodige maatregelen als bedoeld in de artikelen 508, § 1 en 517, § 1, 1° tot 5° om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten. Art. 439 Lorsque l’entreprise mère d’une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dont le siège est établi dans un autre État membre et incluse dans le contrôle au niveau du groupe exercé par la Banque, la mission définie aux articles 432 à 436 est exercée par analogie par le commissaire désigné avec une tâche comparable auprès de cette société holding d’assurance ou compagnie financière mixte. A défaut d’un tel commissaire, la mission visée aux articles 432 à 436 est exercée par le commissaire désigné auprès de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale de cette société holding d’assurance ou compagnie financière mixte. Art. 440 Les commissaires désignés auprès d’entreprises d’assu- rance ou de réassurance, de sociétés holding d’assurance ou de compagnies financières mixtes de droit belge confor- mément aux articles 430 et 431, ont, pour l’exercice de leur mission, telle que visée à ces articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous les documents et pièces éma- nant tant des filiales incluses dans le contrôle au niveau du groupe que des entreprises visées à l’article 349. Les dispositions de l ’article 35  de la loi du 22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les informa- tions dont ils ont pris connaissance en exécution de l’alinéa 1er. Sous-section VII Mesures prudentielles Art. 441 Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge soumises à un contrôle au niveau du groupe, ne se conforment pas aux exigences prévues par ou en vertu du présent Chapitre ou des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou lorsque ces exigences sont respectées mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être compromise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les concentrations de risques menacent la situation financière desdites entreprises d’assurance ou de réassurance, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe prend, 1° à l’égard de l’entreprise d’assurance ou de réassurance participante de droit belge, les mesures visées au Titre VI de la présente loi qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée; 2° à l’égard de la société holding d’assurance ou de la compagnie financière mixte entreprise mère de droit belge, les mesures visées aux articles 508, § 1er et 517, § 1er, 1° à 5° qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée. 593 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Indien de Bank in het in het eerste lid bedoelde geval niet de groepstoezichthouder is, neemt zij de in dit lid bedoelde maatregelen respectievelijk ten aanzien van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding of de gemengde financiële holding, op verzoek van de groeps- toezichthouder of op eigen initiatief beweging, rekening houdend met de bevindingen van de groepstoezichthouder met betrekking tot de naleving van de bepalingen die van toepassing zijn op die entiteiten. Indien nodig coördineert de Bank de met toepassing van dit artikel genomen maatregelen met de betrokken toe- zichthouders, met inbegrip van, naargelang het geval, de groepstoezichthouder. Art. 442 Wanneer de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoe- zichthouder, vaststelt dat de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België die in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau zijn betrokken, de voorschriften van Richtlijn 2009/138/EG of van haar uitvoeringsmaatregelen niet naleven, of indien die voorschriften in acht worden genomen maar de groeps- solvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de genoemde verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen bedreigen, deelt zij haar bevindingen mee aan de toezichthouder van de lidstaat waar, naargelang van het geval, de deelnemende moederverzekerings- of -herverze- keringsonderneming of de moederverzekeringsholding of de gemengde financiële moederholding, haar zetel heeft, opdat deze toezichthouder de in zijn nationale wetgeving bepaalde maatregelen neemt die nodig zijn om de vastgestelde situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten. Afdeling IV Verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings Art. 443 Onverminderd artikel 348 zijn de artikelen 39, 40, 41, 45, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het direc- tiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 46, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 93 et 94 eveneens van overeenkomstige toepassing op alle verzekeringsholdings naar Belgisch recht en alle gemengde financiële holding naar Belgisch recht die in een toezicht op groepsniveau zijn betrokken. Onverminderd artikel 441 zijn de artikelen 508, § 1 en 517 van toepassing op de verzekeringsholding naar Belgisch recht en op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht bij overtreding van de bepalingen van het eerste lid. Lorsque, dans la situation visée à l’alinéa 1er, la Banque n’est pas le contrôleur du groupe, elle prend les mesures qui y sont visées, respectivement, à l’égard de l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance ou de la société holding d’assurance ou de la compagnie financière mixte, à la demande du contrô- leur du groupe ou de sa propre initiative, tenant compte des constatations formulées par le contrôleur du groupe quant au respect des dispositions applicables à ces entités. S’il y a lieu, la Banque coordonne les mesures prises en application du présent article avec les autorités de contrôle concernées, en ce compris, selon le cas, avec le contrôleur du groupe. Art. 442 Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, constate que les entreprises d’assurance ou de réassurance ayant leur siège social dans un État membre autre que la Belgique, et soumises à un contrôle au niveau du groupe qu’elle est chargée d’exercer, ne se conforment pas aux exigences prévues par la Directive 2009/138/CE ou par ses mesures d’exécution, ou lorsque ces exigences sont respec- tées mais que la solvabilité du groupe risque malgré tout d’être compromise, ou lorsque les transactions intragroupe ou les concentrations de risques menacent la situation financière desdites entreprises d’assurance ou de réassurance, elle communique ses constatations à l’autorité de contrôle de l’État membre dans lequel, selon le cas, l’entreprise d’assu- rance ou de réassurance participante ou la société holding d’assurance ou la compagnie financière mixte entreprise mère a son siège social, afin que cette autorité de contrôle prenne les mesures prévues par sa législation nationale qui sont nécessaires pour qu’il soit remédié dès que possible à la situation constatée. Section IV Sociétés holding d’assurance et compagnies financières mixtes Art. 443 Sans préjudice de l’article 348, les articles 39, 40, 41, 45, § 1er, étant entendu qu’au moins trois membres du comité de direction sont membres de l’organe légal d’administration, et §§ 3 et 4, 46, § 1er, étant entendu qu’au moins trois membres du comité de direction sont membres de l’organe légal d’admi- nistration, et §§ 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 93 et 94 sont applicables par analogie à toute société holding d’assurance de droit belge et toute compagnie financière mixte de droit belge incluses dans un contrôle au niveau du groupe. Sans préjudice de l’article 441, les articles 508, § 1er et 517 sont applicables à la société holding d’assurance de droit belge et à la compagnie financière mixte de droit belge en cas de violation des dispositions visées à l’alinéa 1er. 594 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 444 In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de lijst op van de verzekeringsholdings die betrokken zijn in het door haar uitgeoefende toezicht op groepsniveau. Zij maakt deze lijst over aan de toezichthouders van de andere lidstaten, aan EIOPA en aan de Europese Commissie. Afdeling V Moederondernemingen met zetel in een derde land Art. 445 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als moederonderneming een verzekeringsholding, een ge- mengde financiële holding van een derde land of een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land heeft, verifieert de Bank, indien zij de toezichthouder is die de groepstoezichthouder zou zijn indien de criteria van artikel 247, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG van toepassing waren (hierna “de fungerend groepstoezichthouder” genoemd) of deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming onder- worpen is aan een door een toezichthouder van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet voor de deel- nemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat is. De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde verificatie wanneer de Europese Commissie geen gedelegeerde han- deling heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 260, lid 3 of 5 van Richtlijn 2009/138/EG om te bepalen of het prudentieel regime van het betrokken derde land gelijkwaardig is aan dat waarin Titel III van Richtlijn 2009/138/EG voorziet. Zij doet dit op verzoek van de moederonderneming of van de dochterverzekerings- of herverzekeringsonderneming of op haar eigen initiatief. Voor de in het tweede lid bedoelde verificatie wordt de Bank, in haar hoedanigheid van fungerend groepstoezicht- houder, bijgestaan door EIOPA overeenkomstig artikel 33, lid 2 van Verordening nr. 1094/2010. Zij raadpleegt de betrokken toezichthouders alvorens een besluit over de gelijkwaardig- heid te nemen. Dit besluit wordt genomen op grond van de criteria die overeenkomstig artikel 260, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG zijn vastgesteld. In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthouder neemt de Bank ten aanzien van een derde land geen enkel besluit dat indruist tegen eventueel in een eerder stadium ten aanzien van dat derde land genomen besluiten, tenzij zulks noodzakelijk is als gevolg van belangrijke wijzigingen in de toezichtsregeling die is vastgelegd in Richtlijn 2009/138/EG of in de toezichtsregeling van het derde land. Art. 444 La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, établit la liste des sociétés holding d’assurance incluses dans le contrôle au niveau du groupe qu’elle exerce. Elle communique cette liste aux autorités de contrôle des autres États membres, à l’EIOPA et à la Commission européenne. Section V Entreprises mères ayant leur siège social dans un pays tiers Art. 445 Lorsque l’entreprise d’assurance ou de réassurance a pour entreprise mère une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, la Banque, lorsqu’elle est l’autorité de contrôle qui jouerait le rôle de contrôleur du groupe si les critères énoncés à l’article 247, paragraphe 2, de la Directive 2009/138/CE devaient s’appli- quer (ci-après dénommé “contrôleur f.f. du groupe”), vérifie si cette entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise à un contrôle par une autorité de pays tiers, équivalent à celui prévu par le Titre III de la Directive 2009/138/CE pour les entreprises d’assurance et de réassurance participantes ou les entreprises d’assurance et de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance ou une compagnie financière mixte dont le siège social est situé dans un État membre. La Banque procède à la vérification visée à l’alinéa 1er lorsque la Commission européenne n’a pas adopté d’acte délégué conformément à l’article 260, paragraphe 3  ou 5 de la Directive 2009/138/CE déterminant l’équivalence du régime prudentiel du pays tiers concerné, à celui établi par le Titre III de la Directive 2009/138/CE. Elle agit à la demande de l’entreprise mère ou de l’entreprise d’assurance ou de réassurance filiale, ou de sa propre initiative. Aux fins de la vérification prévue à l’alinéa 2, la Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, est assistée par l’EIOPA conformément à l’article 33, paragraphe 2, du Règlement n° 1094/2010. Elle consulte les autorités de contrôle concer- nées avant de se prononcer sur l’équivalence. La décision est prise sur la base des critères adoptés en vertu de l’article 260, paragraphe 2 de la Directive 2009/138/CE. La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe ne prend aucune décision à l’égard d’un pays tiers qui s’oppose à une décision prise antérieurement à l’égard dudit pays tiers, à moins qu’il ne soit nécessaire de prendre en compte des modifications significatives dans le régime de contrôle instauré par la Directive 2009/138/CE ou dans le régime de contrôle du pays tiers. 595 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 446 Overeenkomstig artikel 260, lid 1, vierde alinea van Richtlijn 2009/138/EG kan de Bank de zaak aan EIOPA voorleggen en om haar bijstand verzoeken, overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1094/2010, wanneer zij het oneens is met het door de fungerend groepstoezichthouder genomen besluit over de gelijkwaardigheid van de regeling voor het prudentieel toezicht van een derde land. Art. 447 Wanneer er sprake is van gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, vertrouwt de Bank op het gelijkwaardige toezicht op groepsniveau dat wordt uitgeoefend door de toezichthouders van het derde land, met dien verstande dat de artikelen 441 en 442 en de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking met de toezichthouders van derde landen. Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de Europese Commissie overeenkomstig artikel 260, lid 7 van Richtlijn 2009/138/EG heeft vastgesteld dat er sprake is van tijdelijke gelijkwaardigheid, tenzij er in een lidstaat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is met een balanstotaal dat gro- ter is dan het balanstotaal van de moederonderneming in een derde land. In dat geval wordt de functie van groepstoezicht- houder uitgeoefend door de fungerend groepstoezichthouder. Art. 448 § 1. Indien er geen sprake is van gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG, past de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding, een ge- mengde financiële holding van een derde land of een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, op overeenkomstige wijze de bepalingen toe die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd. De in de Afdelingen I tot IV van dit Hoofdstuk bedoelde algemene beginselen en methodes zijn van toepassing op het niveau van de verzekeringsholding, de gemengde financiële holding of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van het derde land. Uitsluitend voor de berekening van de groepssolvabi- liteit wordt de moederonderneming behandeld alsof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming was die onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als die van de artikelen 140 tot 150, wat het voor de dekking van het solvabi- liteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen betreft en aan: 1° een overeenkomstig de beginselen van artikel 366 be- paald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzeke- ringsholding of een gemengde financiële holding betreft; Art. 446 Conformément à l’article 260, paragraphe 1er, alinéa 4 de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut saisir l’EIOPA et solliciter son assistance, conformément à l’article 19 du Règlement no 1094/2010, lorsqu’elle est en cas de désaccord avec la décision prise par le contrôleur f.f. du groupe sur l’équivalence du régime de contrôle prudentiel d’un pays tiers. Art. 447 En cas d’équivalence de contrôle, au sens de l’article 260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque s’appuie sur le contrôle au niveau du groupe exercé de façon équivalente par les autorités de pays tiers, étant entendu que les articles 441 et 442 ainsi que les Sections III et IV du présent Chapitre sont applicables par analogie à la coopération avec les autorités de pays tiers. L’alinéa 1er est également applicable en cas d’équivalence temporaire déterminée par la Commission européenne confor- mément à l’article 260, paragraphe 7 de la Directive 2009/138/ CE, sauf si une entreprise d’assurance ou de réassurance située dans un État membre présente un bilan total supérieur au bilan total de l’entreprise mère située dans un pays tiers. Dans ce cas, la tâche du contrôleur du groupe est exercée par le contrôleur f.f. du groupe. Art. 448 § 1er. À défaut de contrôle équivalent au sens de l’article 260 de la Directive 2009/138/CE, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, applique à l’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’entreprise mère est une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers, de manière analogue les dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre. Les principes généraux et méthodes visés aux Sections Ire à IV du présent Chapitre s’appliquent au niveau de la société holding d’assurance, de la compagnie financière mixte ou de l’entreprise d’assurance ou de réassurance du pays tiers. Aux seules fins du calcul de la solvabilité du groupe, l’entre- prise mère est considérée comme une entreprise d’assurance ou de réassurance soumise aux mêmes conditions que celles établies aux articles 140 à 150, en ce qui concerne les fonds propres éligibles pour couvrir le capital de solvabilité requis et à l’une des exigences suivantes: 1° un capital de solvabilité requis déterminé conformément aux principes de l’article 366 s’il s’agit d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte; 596 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° een overeenkomstig de beginselen van artikel 367 be- paald solvabiliteitskapitaalvereiste indien het een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft. §  2. In afwijking van paragraaf 1, is de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, gemachtigd om na overleg met de betrokken toezichthouders, andere methodes toepassen die een passend toezicht op de in het eerste lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarborgen en de mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op groepsniveau als omschreven in Titel III van Richtlijn 2009/138/EG te verwezenlijken. De Bank kan meer bepaald verlangen dat een verzeke- ringsholding met zetel in de Europese Economische Ruimte of een gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte wordt opgericht, en op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de groep aan het hoofd waarvan deze verzekeringsholding of gemengde financiële holding staat, dit Hoofdstuk toepassen. De Bank deelt aan de betrokken toezichthouders en aan de Europese Commissie alle besluiten mee die overeenkomstig deze paragraaf worden genomen. Art. 449 Wanneer de in artikel 445 bedoelde moederonderneming zelf een dochteronderneming van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land, dan wel een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, voert de Bank als fungerend groeps- toezichthouder de verificatie als bedoeld in artikel 445 alleen uit op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die een verzekeringsholding van een derde land, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is. In haar hoedanigheid van fungerend groepstoezichthou- der kan de Bank evenwel, bij gebreke van een gelijkwaardig toezicht in de zin van artikel 260  van Richtlijn 2009/138/ EG, een nieuwe verificatie uitvoeren op een lager niveau waar er een moederonderneming van verzekerings- of her- verzekeringsondernemingen bestaat, ongeacht of het een verzekeringsholding van een derde land, een gemengde financiële holding van een derde land of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land betreft. Zij legt haar besluit uit aan de groep. Artikel 448 is van overeenkomstige toepassing. 2° un capital de solvabilité requis déterminé conformément aux principes de l’article 367  s’il s’agit d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, est habilitée, après consulta- tion des autorités de contrôle concernées, à appliquer d’autres méthodes garantissant un contrôle approprié de l’entreprise d’assurance ou de réassurance visée au paragraphe 1er et permettant la réalisation des objectifs de contrôle au niveau du groupe conformément au Titre III de la Directive 2009/138/CE. La Banque peut, en particulier, exiger la constitution d’une société holding d’assurance ayant son siège social dans l’Espace économique européen ou d’une compagnie finan- cière mixte ayant son siège social dans l’Espace économique européen et appliquer le présent Chapitre aux entreprises d’assurance ou de réassurance du groupe dirigé par cette société holding d’assurance ou cette compagnie financière holding mixte. La Banque communique aux autorités de contrôle concer- nées et à la Commission européenne toute décision prise en application du présent paragraphe. Art. 449 Lorsque l’entreprise mère visée à l’article 445 est elle- même filiale d’une société holding d’assurance ou d’une compagnie financière mixte ayant son siège social dans un pays tiers ou d’une entreprise d’assurance ou de réassu- rance d’un pays tiers, la Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, procède à la vérification prévue par l’article 445 uniquement au niveau de l’entreprise mère supérieure qui est une société holding d’assurance d’un pays tiers, une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. La Banque, en sa qualité de contrôleur f.f. du groupe, peut toutefois, en l’absence d’un contrôle équivalent au sens de l’article 260 de la Directive 2009/108/CE, procéder à une nou- velle vérification à un niveau inférieur où existe une entreprise mère d’entreprises d’assurance ou de réassurance, que ce soit au niveau d’une société holding d’assurance d’un pays tiers, d’une compagnie financière mixte d’un pays tiers ou d’une entreprise d’assurance ou de réassurance d’un pays tiers. Elle explique sa décision au groupe. L’article 448 est applicable par analogie. 597 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling VI Gemengde verzekeringsholdings Art. 450 § 1. Wanneer een of meer verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen naar Belgisch recht als moederonder- neming een gemengde verzekeringsholding hebben, kan de Bank alle gegevens en inlichtingen vragen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar toezicht op individuele basis en op groepsniveau, op deze verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen, hetzij rechtstreeks van de gemengde verzekeringsholding, hetzij via de dochterverzekerings- of herverzekeringsondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde verzekeringsholding samen met de rapporterende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verantwoorde- lijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie. Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde verzeke- ringsholding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt zij over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen. § 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 ver- strekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren. Indien de gemengde verzekeringsholding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat dan België is gevestigd, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 429. Indien die gemengde verzekeringsholding of een van de dochterondernemingen daarvan een kredietinstelling of een beleggingsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 420 worden gevolgd. Wanneer de gemengde verzekeringsholding of een van haar dochterondernemingen haar zetel buiten de Europese Economische Ruimte heeft, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten tussen de Bank en de betrokken autoriteiten van derde landen, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, §  2  van de wet van 22 februari 1998, of in samenwerkingsovereenkomsten die de Europese Commissie heeft gesloten overeenkomstig het bepaalde in artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG. § 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 ver- strekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juist- heid en volledigheid: 1° wanneer de rapporterende onderneming een vennoot- schap naar Belgisch recht is, door de erkend commissaris van deze onderneming; 2°  wanneer de rapporterende onderneming haar zetel buiten België heeft, door de erkend commissaris van de Section VI Sociétés holding mixtes d’assurance Art. 450 § 1er. Lorsqu’une ou plusieurs entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge ont pour entreprise mère une société holding mixte d’assurance, la Banque peut demander toutes les données et informations qu’elle juge nécessaires pour l’exercice de son contrôle sur base individuelle et au niveau du groupe, de ces entreprises d’assurance ou de réassurance, soit directement à la société holding mixte d’assurance, soit par l’intermédiaire des entreprises d’assu- rance ou de réassurance filiales. Dans ce dernier cas, la société holding mixte d’assurance demeure, avec l’entreprise d’assurance ou de réassurance faisant rapport, responsable du caractère correct et de la communication ponctuelle des informations fournies. Si la société holding mixte d’assurance visée à l’alinéa 1er est une entreprise de droit belge, elle dispose d’une organisation administrative et comptable et d’un contrôle interne adéquats, afin de garantir que les informations et renseignements à fournir soient corrects et conformes aux règles applicables. § 2. La Banque peut contrôler sur place les données et informations fournies en application du paragraphe 1er. Si la société holding mixte d’assurance ou une de ses filiales est établie dans un État membre autre que la Belgique, le contrôle sur place des informations se fait selon la procé- dure énoncée à l’article 429. Si cette société holding mixte d’assurance ou une de ses filiales est un établissement de crédit ou une entreprise d’investissement, la procédure énon- cée à l’article 420 peut également être appliquée. Lorsque la société holding mixte d’assurance ou une de ses filiales a son siège social en dehors de l’Espace écono- mique européen, les modalités d’exécution des dispositions du paragraphe 1er sont réglées dans des accords de coopé- ration que la Banque conclut avec les autorités de pays tiers concernés, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission euro- péenne a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE. § 3. La Banque peut faire vérifier le caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués en application du paragraphe 1er: 1° lorsque l’entreprise faisant rapport est une société de droit belge, par le commissaire de cette entreprise; 2° lorsque l’entreprise faisant rapport a établi son siège social en dehors de la Belgique, par le commissaire agréé de 598 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde verze- keringsholding is. Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkend commissarissen het recht bedoeld in artikel 440 op overeenkomstige wijze van toepassing. § 4. De in paragraaf 1 bedoelde gegevens en inlichtingen moeten de Bank met name in staat stellen de volgende as- pecten te beoordelen: de soliditeit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de invloed van de gemengde verzekeringsholding op het beleid van de dochterverzeke- rings- of -herverzekeringsondernemingen, en de transacties tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de gemengde verzekeringsholding. § 5. De in paragraaf 1 bedoelde verzekerings- of herverze- keringsondernemingen beschikken over passende risicobe- heerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederver- zekeringsholding en de met haar verbonden ondernemingen. Zij rapporteren alle belangrijke transacties met deze entiteiten. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de Bank gecontroleerd. De artikelen 390, 391, 417 tot 430, 441, leden 1, 2°, 2 en 3, en 442 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de aard en de omvang van de in het eerste lid be- doelde transacties een bedreiging vormen voor de financiële positie van de dochterverzekerings- of -herverzekeringson- derneming naar Belgisch recht, neemt de Bank passende maatregelen. Onverminderd eventuele andere maatregelen kan zij eisen dat deze verrichtingen worden stopgezet. HOOFDSTUK III Aanvullend conglomeraatstoezicht Afdeling I Toepassingsgevallen, reikwijdte en niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Toepassingsgevallen van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 451 In de mate en op de wijze bepaald in dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan zijn verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge que la société holding mixte d’assurance a pour filiale. En ce qui concerne les informations et renseignements émanant de compagnies mixtes et de leurs filiales, le droit visé à l’article 440 s’applique par analogie aux commissaires agréés. § 4. Les informations et renseignements visés au para- graphe 1er doivent permettre à la Banque d’apprécier, notam- ment, la solidité des entreprise d’assurance ou de réassu- rance, l’influence de la société holding mixte d’assurance sur la gestion des entreprises d’assurance ou de réassurance filiales, et les opérations des entreprises d’assurance ou de réassurance avec la société holding mixte d’assurance. §  5. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées au paragraphe 1er disposent de processus de gestion des risques, ainsi que de mécanismes de contrôle interne adéquats, y compris de procédures saines d’information et de comptabilité, afin de détecter, de mesurer, de suivre et de contrôler de manière appropriée les transactions effectuées avec leur société holding mixte d’assurance mère et les entre- prises liées à celle-ci. Elles déclarent toutes les transactions d’importance significative effectuées avec ces entités. Ces procédures et transactions d’importance significative font l’objet d’un contrôle par la Banque. Les articles 390, 391, 417 à 430, 441, alinéas 1er, 2°, 2 et 3, et 442 sont applicables par analogie. Si la nature et l’ampleur des transactions visées à l’ali- néa 1er compromettent la situation financière de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge filiale, la Banque prend des mesures appropriées. Sans préjudice d’autres mesures éventuelles, elle peut exiger qu’il soit mis fin à ces opérations. CHAPITRE III Surveillance complémentaire des conglomérats Section Ire Cas d’application, portée et niveaux de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Cas d’application de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 451 Dans la mesure et selon les modalités prévues par le pré- sent Chapitre et ses arrêtés et règlements d’exécution, les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge: 599 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° die aan het hoofd staan van een financieel conglome- raat; of 2° met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht. Indien meerdere gereglementeerde ondernemingen doch- teronderneming zijn van de in het eerste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding, is het aanvullende conglome- raatstoezicht alleen van toepassing op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht voor zover de Bank, met toepassing van artikel 471 bevoegd is voor het aanvullende conglomeraatstoezicht. Het aanvullende conglomeraatstoezicht doet geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde on- derneming die binnen de reikwijdte van het het aanvullende conglomeraatstoezicht valt, behoudens andersluidende be- palingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Art. 452 § 1. Om te bepalen of een groep een financieel conglo- meraat is in de zin van artikel 340, 2°, zijn de in de volgende paragrafen bepaalde drempels van toepassing. §  2. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak in de financiële sector plaats te vinden in de zin van artikel 340, 2°, b), i), indien de verhouding tussen het gezamenlijk balanstotaal van de tot de financiële sector behorende ondernemingen in de groep, en het gezamenlijke balanstotaal van alle tot de groep behorende ondernemingen groter is dan 40 %. § . 3. De activiteiten van de tot een groep behorende on- dernemingen uit eenzelfde financiële sector worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 340, 2°, a), iii) of b), iii), indien: 1° hetzij het gemiddelde van de volgende twee verhoudin- gen groter is dan 10 %: de verhouding tussen het gezamenlijke balanstotaal van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en het gezamenlijke balansto- taal van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector, en de verhouding tussen de gezamenlijke solvabiliteitsvereisten van alle ondernemingen in de groep die behoren tot diezelfde financiële sector en de gezamen- lijke solvabiliteitsvereisten van alle tot de groep behorende ondernemingen uit de financiële sector; 2° hetzij het gezamenlijke balanstotaal van de ondernemin- gen die behoren tot de kleinste financiële sector in de groep groter is dan 6 miljard euro; 1° qui sont à la tête d’un conglomérat financier; ou 2° dont l’entreprise mère est une société financière mixte ayant son siège dans un état membre sont soumises à une surveillance complémentaire des conglomérats. Si plusieurs entreprises réglementées sont des filiales de la compagnie financière mixte visée à l’alinéa 1er, 2°, la surveillance complémentaire des conglomérats s’applique uniquement à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, pour autant que la Banque soit compétente pour la surveillance complémentaire des conglomérats en application de l’article 471. La surveillance complémentaire des conglomérats ne porte pas préjudice au contrôle individuel de toute entreprise régle- mentée qui relève de la portée de la surveillance complémen- taire des conglomérats, sauf dispositions contraires prévues par ou en vertu du présent Chapitre. Il peut toutefois être tenu compte des implications de la surveillance complémentaire des conglomérats dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des entreprises d’assurance ou de réassurance. Art. 452 § 1er. Pour déterminer si un groupe est un conglomérat financier au sens de l’article 340, 2°, les seuils définis aux paragraphes suivants sont d’application. § 2. Les activités d’un groupe sont réputées s’exercer prin- cipalement dans le secteur financier au sens de l’article 340, 2°, b), i), si le rapport entre le total du bilan commun des entreprises du groupe appartenant au secteur financier et le total du bilan commun de l’ensemble des entreprises du groupe dépasse 40 %. § 3. Les activités des entreprises d’un groupe qui font partie du même secteur financier sont réputées importantes au sens de l’article 340, 2°, a), iii) ou b), iii) si 1° soit la moyenne des deux rapports suivants est supé- rieure à 10  %: le rapport entre le total du bilan commun de l’ensemble des entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur financier et le total du bilan commun de l’ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier, et le rapport entre les exigences de solva- bilité communes de l’ensemble des entreprises du groupe qui font partie dudit même secteur financier et les exigences de solvabilité communes de l’ensemble des entreprises du groupe qui appartiennent au secteur financier; 2° soit le total du bilan commun des entreprises qui font partie du secteur financier le moins important au sein du groupe est supérieur à 6 milliards d’euros. 600 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Voor de toepassing van het eerste lid: 1° worden de banksector en de beleggingsdienstensector samengenomen en beschouwd als behorende tot eenzelfde financiële sector; 2° wordt onder de kleinste financiële sector in een finan- cieel conglomeraat verstaan, de financiële sector met het kleinste gemiddelde en onder de belangrijkste financiële sector in een financieel conglomeraat, de sector met het grootste gemiddelde. § 4. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen bij onder- linge overeenkomst besluiten een groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken of kunnen besluiten de bepa- lingen van de artikelen 7, 8, 9 en 9bis van Richtlijn 2002/87/ EG niet toe te passen, indien zij oordelen dat het onder de werkingssfeer van het aanvullende conglomeraatstoezicht brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglome- raatstoezicht onnodig, ongepast of misleidend is, in de hierna volgende gevallen: 1° indien de groep de in paragraaf 3, eerste lid, 2° bedoelde drempel bereikt, maar het in paragraaf 3, eerste lid, 1° be- doelde gemiddelde onder de 10 % blijft; 2° indien de groep het in paragraaf 3, eerste lid, 1° bedoelde gemiddelde bereikt, maar de kleinste sector onder het in para- graaf 3, eerste lid, 2° bedoelde bedrag van 6 miljard euro blijft. Besluiten genomen met toepassing van het eerste lid worden aan de andere bevoegde autoriteiten meegedeeld, en deze worden, behoudens buitengewone omstandigheden, door de bevoegde autoriteiten openbaar gemaakt. § 5. Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten gezamenlijk beslissen om: 1° voor de berekening van de drempels een onderneming buiten beschouwing te laten, om dezelfde reden als zij met toepassing van artikel 458, § 2 kunnen worden weggelaten voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten, tenzij de entiteit van een lidstaat naar een derde land verhuisd is en er aanwijzingen zijn dat de entiteit haar locatie veranderd heeft om zich aan de regulering te onttrekken; 2° een groep die niet meer voldoet aan de drempels van de paragrafen 2 tot 4, maar die er gedurende drie opeenvolgende jaren aan voldaan heeft, als een financieel conglomeraat aan te merken teneinde een plotse verandering van toezichtregime te voorkomen, dan wel anders te beslissen of een eerder ge- nomen beslissing te herzien omwille van blijvende significante wijzigingen in de structuur van de groep; 3° één of meer deelnemingen in de kleinste sector buiten beschouwing laten indien deze deelnemingen bepalend zijn voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat Pour l’application de l’alinéa 1er: 1° le secteur bancaire et le secteur des services d’inves- tissement sont agrégés et considérés comme faisant partie du même secteur financier; 2° le secteur financier le moins important au sein d’un conglomérat financier s’entend du secteur financier qui pré- sente la moyenne la plus basse et le secteur financier le plus important au sein d’un conglomérat financier s’entend du secteur qui présente la moyenne la plus élevée. § 4. Les autorités compétentes relevantes peuvent décider, d’un commun accord, de ne pas considérer un groupe comme un conglomérat financier ou de ne pas appliquer les dispo- sitions des articles 7, 8 et 9 et 9bis de la Directive 2002/87/ CE, si elles estiment que l’inclusion du groupe dans le champ d’application de la surveillance complémentaire des conglo- mérats ou l’application de ces dispositions n’est pas néces- saire, ou inappropriée ou source de confusion eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats et ce, dans les cas suivants: 1° si le groupe atteint le seuil visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, mais que la moyenne visée au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° ne dépasse pas les 10 %; 2° si le groupe atteint la moyenne visée au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, mais que le secteur le moins important reste sous le montant de 6 milliards d’euros visé au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°. Les décisions qui sont prises en application de l’alinéa 1er sont communiquées aux autres autorités compétentes, et celles-ci sont publiées, sauf circonstances exceptionnelles, par les autorités compétentes. § 5. Pour l’application des paragraphes 2 à 4, les autori- tés compétentes relevantes peuvent décider d’un commun accord: 1° de ne pas inclure une entreprise dans le calcul des seuils, pour la même raison que cette entreprise peut, en application de l’article 458, § 2 ne pas être incluse dans le calcul des exigences de solvabilité, sauf dans le cas où l’entité a été transférée d’un État membre dans un pays tiers et où il y a des indications qu’elle a changé d’implantation à seule fin d’éviter la réglementation; 2°  de considérer comme un conglomérat financier un groupe qui ne satisfait plus aux seuils prévus aux para- graphes 2 à 4, mais qui y a satisfait pendant trois années consécutives, de manière à éviter un brusque changement de régime de surveillance, ou de prendre une autre décision, voire de reconsidérer une décision antérieure, en cas de modification importante et durable de la structure du groupe; 3° d’exclure une ou plusieurs participations dans le secteur le moins important si ces participations sont déterminantes pour l’identification d’un groupe en tant que conglomérat 601 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 en samengenomen van te verwaarlozen belang zijn gelet op de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. Indien een groep overeenkomstig de paragrafen  2  tot 4 als financieel conglomeraat wordt aangemerkt, worden de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beslissingen genomen op basis van een voorstel van de Bank indien deze coördinator is. § 6. Voor de toepassing van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, 1° kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het gezamenlijke balanstotaal als parameter vervangen door, of aanvullen met, één of meer van de hierna volgende an- dere parameters, indien zij van oordeel zijn dat deze andere parameters in het licht van de doelstellingen van het aanvul- lende conglomeraatstoezicht een betere weergave zijn van het bedrijf van de groep; deze andere parameters zijn: de inkomensstructuur, activiteiten buiten balanstelling van de groep en totaal beheerd vermogen. De Bank bepaalt in haar hoedanigheid van coördinator hoe deze parameters dienen te worden berekend. § 7. Indien een aan aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen financieel conglomeraat niet meer voldoet aan een of meerdere van de in de paragrafen 2 tot 4 bepaalde drempels, worden de drempels gedurende de drie volgende jaren als volgt vervangen: 40 % wordt 35 %, 10 % wordt 8 % en 6 miljard euro wordt 5 miljard euro, om plotse veranderingen van toezichtregime te voorkomen. In afwijking van het eerste lid kan de Bank, in haar hoeda- nigheid van coördinator, na instemming van de andere rele- vante bevoegde autoriteiten, beslissen deze lagere drempels niet of niet meer toe te passen in de voornoemde periode van drie jaar, rekening houdend met de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 8. De in dit artikel bedoelde berekeningen inzake het gezamenlijke balanstotaal worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende ondernemingen, uitgaande van hun meest recente jaar- rekening, volgens de voorschriften bepaald door de Bank, indien deze coördinator is. Ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, worden in aanmerking genomen voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geag- gregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien voor een bepaalde groep of delen van de groep geconsolideerde jaarrekeningen worden opgesteld, worden deze gebruikt voor de berekeningen. De in dit artikel bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de bepalingen van de sectorale regelgeving die op de betrokken gereglementeerde ondernemingen van toepassing is. § 9. De bevoegde autoriteiten herbeoordelen op jaarbasis de vrijstellingen van de toepassing van het aanvullende con- glomeraatstoezicht en evalueren de kwantitatieve indicatoren waarin dit artikel voorziet, alsmede de risicobeoordelingen van financiële groepen. financier et si, collectivement, elles présentent un intérêt négligeable au regard des objectifs de la surveillance complémentaire. Si un groupe est qualifié de conglomérat financier confor- mément aux paragraphes 2 à 4, les décisions visées à l’ali- néa 1er du présent paragraphe sont prises sur la base d’une proposition de la Banque si elle est coordinateur. § 6. Pour l’application du paragraphe 2 et du paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les autorités compétentes relevantes peuvent, dans des cas exceptionnels et d’un commun accord, rem- placer ou compléter le paramètre fondé sur le total du bilan commun par l’un des paramètres suivants ou par plusieurs d’entre eux, si elles estiment que ces paramètres, eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglo- mérats, reproduisent mieux l’activité du groupe; ces para- mètres sont la structure des revenus, les activités hors bilan du groupe et les actifs totaux sous gestion. La Banque, en sa qualité de coordinateur, définit le mode de calcul de ces paramètres. § 7. Si un conglomérat financier soumis à la surveillance complémentaire ne satisfait plus à un ou plusieurs des seuils fixés aux paragraphes 2 à 4, ces seuils sont remplacés pour les trois années suivantes, par les seuils suivants: 40  % devient 35 %, 10 % devient 8 % et 6 milliards d’euros devient 5 milliards d’euros, afin d’éviter de brusques changements de régime. Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque, en sa qualité de coordinateur, peut décider, avec l’accord des autres autorités compétentes relevantes, de ne pas ou de ne plus appliquer ces seuils inférieurs durant la période de trois ans précitée, en tenant compte des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats. § 8. Les calculs relatifs au total du bilan commun, tels que visés dans le présent article, sont effectués sur la base du total du bilan agrégé des entreprises faisant partie du groupe, en partant de leurs comptes annuels les plus récents, selon les règles définies par la Banque si elle est coordinateur. Les entreprises dans lesquelles le groupe détient des participa- tions sont prises en compte à concurrence du montant de leur total de bilan qui correspond à la part proportionnelle agrégée détenue par le groupe. Si, pour un groupe déterminé ou des parties du groupe, des comptes consolidés sont établis, les calculs sont effectués à partir de ces comptes. Les exigences de solvabilité visées dans le présent article sont calculées selon les dispositions de la réglementation sectorielle qui est applicable aux entreprises réglementées concernées. § 9. Les autorités compétentes réévaluent sur une base annuelle les dispenses à l’application de la surveillance complémentaire du conglomérat et examinent les indicateurs quantitatifs prévus au présent article ainsi que les évaluations, fondées sur les risques, des groupes financiers. 602 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 453 § 1. De Bank gaat na of verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen die overeenkomstig het Belgisch recht een vergunning hebben verkregen, deel uitmaken van een finan- cieel conglomeraat. Daartoe werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van andere tot die groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een vergunning hebben verkregen. Indien de Bank van oordeel is dat de betrokken groep een financieel conglomeraat is en niet reeds aan aanvullend conglomeraat- stoezicht onderworpen is, dan deelt zij dit mee aan de andere relevante bevoegde autoriteiten en aan het Gemengd Comité. § 2. In haar hoedanigheid van coördinator, stelt de Bank de moederonderneming van de groep, of bij ontstentenis van een moederonderneming, de gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector in de groep, in kennis van de identificatie van de groep als een financieel conglomeraat, alsmede van haar aanwijzing als co- ordinator. Zij informeert hierover eveneens de bevoegde auto- riteiten van andere tot de groep behorende gereglementeerde ondernemingen die overeenkomstig het Europees recht een vergunning hebben verkregen, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, het Gemengd Comité, alsook, zo zij dit noodzakelijk acht in het licht van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de autoriteiten van derde landen. Onderafdeling II Reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 454 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen voldoen aan de vereisten van de artike- len 459 tot 467 op het niveau van het financieel conglomeraat. Deze reikwijdte van het aanvullende conglomeraatstoezicht stemt overeen met alle ondernemingen, hetzij gereglemen- teerd, hetzij ongereglementeerd, die deel uitmaken van de groep als gedefinieerd in artikel 340, 1° vertrekkende vanuit de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat dan wel vanuit de gemengde financiële holding met zetel in de Europese Economische Ruimte. Art 455 Het aanvullende conglomeraatstoezicht heeft niet tot gevolg dat op een gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van dit toezicht opgenomen onderne- ming individueel toezicht wordt uitgeoefend. Art. 453 § 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance ou de réassurance agréées conformément au droit belge, font partie d’un conglomérat financier. Elle opère à cet effet en étroite collaboration avec les autorités compétentes d’autres entreprises réglementées appartenant à ce groupe qui sont agréées conformément au droit européen. Si la Banque estime que le groupe en question est un conglomérat financier et que ce dernier Ne soit pas déjà soumis à une surveillance complémentaire des conglomérats, elle en avise les autres autorités compétentes relevantes et le comité mixte. § 2. La Banque, en sa qualité de coordinateur, informe l’entreprise mère du groupe ou, à défaut d’entreprise mère, l’entreprise réglementée qui affiche le total du bilan le plus élevé dans le secteur financier le plus important du groupe, du fait que le groupe a été identifié comme conglomérat financier et qu’elle a été désignée comme coordinateur. Elle en informe également les autorités compétentes des autres entreprises réglementées appartenant à ce groupe qui sont agréées conformément au droit européen, les autorités compétentes de l’État dans lequel la compagnie financière mixte a son siège social, le comité mixte, ainsi que, si elle le juge nécessaire eu égard aux objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats, les autorités de pays tiers. Sous-section II Portée de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 454 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451  répondent aux exigences visées aux ar- ticles 459 à 467 au niveau du conglomérat financier. Cette portée de la surveillance complémentaire des conglomérats correspond à toutes les entreprises, réglementées ou non, qui font partie du groupe tel que défini à l’article 340, 1°, en prenant comme point de départ l’entreprise d’assurance ou de réassurance qui se situe à la tête du conglomérat financier ou la compagnie financière mixte dont le siège est établi dans l’Espace économique européen. Art 455 La surveillance complémentaire des conglomérats n’entraîne pas l’exercice d’un contrôle individuel sur une compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise reprise dans la portée de cette surveillance. 603 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling III Niveaus van het aanvullende conglomeraatstoezicht Art. 456 Wanneer een financieel conglomeraat zelf deel uitmaakt van een ander financieel conglomeraat dat aan een aanvul- lend conglomeraatstoezicht is onderworpen, kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, de in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van de subgroep geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het aanvullende conglomeraatstoezicht indien de doel- stellingen ervan in voldoende mate bereikt worden door het aanvullende conglomeraatstoezicht op het ander financieel conglomeraat. Afdeling II Domeinen van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Aanvullend solvabiliteitstoezicht Art. 457 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend solvabiliteitstoezicht op het niveau van de groep. Dit aanvul- lend toezicht slaat op: 1°  de naleving van het vereiste dat er steeds eigen vermogen beschikbaar is op het niveau van het financieel conglomeraat dat minstens gelijk is aan de solvabiliteitsver- eisten; het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat worden berekend volgens een van de methodes bepaald in Bijlage V, en met naleving van de bepalingen en beginselen opgenomen in Verordening 342/2014; 2°  het passende karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de solvabiliteit van de groep, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling; 3° het passende karakter van de strategieën inzake eigen vermogen. De in het eerste lid bedoelde voorschriften worden ge- controleerd door de Bank, in haar hoedanigheid van coör- dinator, overeenkomstig Afdeling IV van dit Hoofdstuk. Zij zorgt ervoor dat de in het eerste lid bedoelde berekening ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd. De resultaten van de berekening en de voor de berekening benodigde gege- vens worden aan haar voorgelegd door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, door de gemengde financiële Sous-section III Niveaux de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 456 Lorsqu’un conglomérat financier fait lui-même partie d’un autre conglomérat financier soumis à une surveillance complémentaire des conglomérats, la Banque, en sa qua- lité de coordinateur, peut exempter, en tout ou en partie, les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 qui font partie du sous-groupe, de la surveillance complémentaire des conglomérats si les objectifs de cette dernière sont atteints de manière suffisante par la surveillance complémentaire exercée sur l’autre conglomérat financier. Section II Domaines de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Surveillance complémentaire de la solvabilité Art. 457 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance complémen- taire de la solvabilité au niveau du groupe. La surveillance complémentaire porte sur: 1° le respect de l’exigence que les fonds propres soient en permanence disponibles au niveau du conglomérat financier et au moins égaux aux exigences de solvabilité; les fonds propres et les exigences de solvabilité au niveau du conglomé- rat financier sont calculés selon l’une des méthodes définies à l’Annexe V, et dans le respect des dispositions et principes repris dans le Règlement 342/2014; 2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne relatifs à la solvabilité du groupe, conformément aux dispositions de la Sous-section V de la présente Section; 3° le caractère adéquat des stratégies en matière de fonds propres. Les prescriptions visées à l’alinéa 1er relèvent du contrôle de la Banque, en sa qualité de coordinateur, conformément à la Section IV de ce Chapitre. Elle veille à ce que le calcul visé à l’alinéa 1er soit effectué au moins une fois par an. Les résultats du calcul et les données pertinentes sur lesquelles il est fondé lui sont soumis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, par la compagnie financière mixte, ou par une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier 604 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de Bank na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het finan- cieel conglomeraat heeft aangewezen. Art. 458 § 1. In afwijking van de reikwijdte van het in artikel 454 be- doelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden voor de toepassing van artikel 457, eerste lid, 1° alle ondernemingen in de groep die tot de financiële sector behoren, in het aanvul- lende solvabiliteitstoezicht opgenomen. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Bank in haar hoedanigheid van coördinator besluiten in onderstaande gevallen een bepaalde onderneming buiten de reikwijdte van het aanvullende solvabiliteitstoezicht van artikel 457, eerste lid, 1° te laten: 1° indien de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorge- ven van de benodigde informatie, onverminderd de sectorale regelgeving die betrekking heeft op de voor de bevoegde au- toriteiten geldende verplichting om de vergunning te weigeren indien de doeltreffende uitoefening van hun toezichthoudende taken wordt belemmerd; 2° indien de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglomeraatstoezicht op gereglemen- teerde ondernemingen in een financieel conglomeraat van te verwaarlozen betekenis is; 3° indien het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het aanvullende conglome- raatstoezicht ongepast of misleidend zou zijn. Indien in het onder het eerste lid, 2° bedoelde geval ver- scheidene ondernemingen uit te sluiten zijn, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn. § 3. Indien de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, van mening is dat een verzekerings- of herzekeringsonder- neming niet zou mogen worden opgenomen in het aanvul- lende conglomeraatstoezicht met toepassing van paragraaf 2, eerste lid, 3°, raadpleegt zij de andere relevante bevoegde autoriteiten voordat zij een besluit neemt, behoudens in spoedeisende gevallen. Onderafdeling II Aanvullend toezicht op risicoconcentratie Art. 459 De in artikel  451  bedoelde verzekerings- of herverze- keringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvul- lend toezicht op de risicoconcentratie. Onverminderd de désignée par la Banque après consultation des autres auto- rités compétentes relevantes et du conglomérat financier. Art. 458 § 1er. Par dérogation à la portée de la surveillance com- plémentaire des conglomérats visée à l’article 454, toutes les entreprises du groupe, faisant partie du secteur financier, relèvent de la surveillance complémentaire de la solvabilité pour l’application de l’article 457, alinéa 1er, 1°. § 2. Par dérogation au 1er paragraphe, la Banque, en sa qualité de coordinateur, peut décider, dans les cas suivants, de ne pas inclure une entreprise donnée dans la portée de la surveillance complémentaire de la solvabilité visée à l’article 457, alinéa 1er, 1°: 1° lorsque l’entreprise est située dans un pays tiers où des obstacles juridiques empêchent le transfert des informations nécessaires, sans préjudice des règles sectorielles faisant obligation aux autorités compétentes de refuser l’agrément lorsque l’exercice effectif de leur fonction de surveillance est empêché; 2° lorsque l’entreprise présente un intérêt négligeable au regard des objectifs que poursuit la surveillance complé- mentaire des entreprises réglementées appartenant à un conglomérat financier; 3° lorsque son inclusion est inappropriée ou risque d’in- duire une confusion, au regard des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats. Lorsque plusieurs entreprises sont à exclure dans le cas visé à l’alinéa 1er, 2°, il y a lieu toutefois de les inclure dès lors que, collectivement, elles présentent un intérêt non négligeable. § 3. Lorsque la Banque, en sa qualité de coordinateur, estime qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne devrait pas être incluse dans la surveillance complémentaire des conglomérats par application du paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, elle consulte les autres autorités compétentes relevantes avant d’arrêter une décision, sauf en cas d’urgence. Sous-section II Surveillance complémentaire en matière de concentration des risques Art. 459 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance complémentaire en matière de concentration des risques. Sans préjudice des 605 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bepalingen van Verordening […/2015], slaat dit aanvullende toezicht op: 1°  de identificatie en de rapportering van significante risicoconcentraties; 2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot de risico- concentratie van de groep, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling. Bij het toezicht wordt inzonderdheid aandacht besteed aan de volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de risicoconcentratie. Art. 460 § 1. De Bank, stelt, in haar hoedanigheid van coördinator, voor de toepassing van artikel 459, eerste lid, 1°, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raad- pleging van het financieel conglomeraat, de drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van elke significante risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de tech- nische voorzieningen. Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden risicocon- centraties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 10 % van de solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat. § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 459 kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter beheersing van de risicoconcentratie op het niveau van een financieel conglomeraat. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake risicoconcentratie tegen te gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepa- lingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten. Onderafdeling III Aanvullend toezicht op intragroeptransacties Art. 461 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen zijn onderworpen aan een aanvullend toezicht op de intragroeptransacties. Onverminderd de bepalingen van Verordening […/2015], slaat dit aanvullende toezicht op: 1°  de identificatie en de rapportering van significante intragroeptransacties; dispositions reprises dans le Règlement […/2015], la surveil- lance complémentaire porte sur: 1° l’identification et le reporting des concentrations de risque importantes; 2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière de concentration des riques du groupe conformément aux dispositions de la Sous-section V de la présente Section. La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants: le risque dit de contagion au sein du groupe, l’existence de conflits d’intérêts, les contournements de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et l’ampleur de la concentration des risques. Art. 460 § 1er. La Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, pour l’application de l’ article 459, alinéa 1er, 1°, en conceration avec les autres autorités compétentes relevantes et après consul- tation du conglomérat financier, les seuils pour l’identification et le reporting de chaque concentration de risques importante au sein du conglomérat financier. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l’un de ces paramètres seulement: les fonds propres réglementaires et les provisions techniques. Si aucun seuil n’a été fixé, les concentrations de risques sont réputées importantes si elles excèdent 10 % de l’exi- gence de solvabilité du conglomérat financier en question. § 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 459, la Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des normes de limitation ou d’autres mesures de surveillance équivalentes pour la maîtrise de la concentration des risques au niveau d’un conglomérat financier. Afin de s’opposer au contournement de la réglementation sectorielle en matière de concentration des risques, elle peut également décider, conformément à l’article 347, d’appliquer par analogie les dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomé- rat financier. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes relevantes. Sous-section III Surveillance complémentaire des transactions intragroupe Art. 461 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 sont soumises à une surveillance complémentaire des transactions intragroupe. Sans préjudice des dispositions reprises dans le Règlement […/2015], la surveillance complé- mentaire porte sur: 1° l’identification et le reporting des transactions intra- groupe importantes; 606 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° het passend karakter van de beheersprocedures en de internecontroleprocedures met betrekking tot intragroep- transacties, overeenkomstig het bepaalde in Onderafdeling V van deze Afdeling. Bij het toezicht wordt inzonderheid aandacht besteed aan volgende aspecten: het zogenaamde besmettingsrisico in de groep, de aanwezigheid van belangenconflicten, de omzeiling van de sectorale regelgeving, alsook het niveau en de omvang van de intragroeptransacties. Art. 462 § 1. Voor de toepassing van artikel 461, eerste lid, 1° stelt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en na raadpleging van het financieel conglomeraat, passende drempels vast voor het identificeren en het rapporteren van significante intragroeptransacties. Zij legt de drempels vast op basis van een of beide van volgende parameters: het reglementaire eigen vermogen en de technische voorzieningen. Indien geen drempels zijn vastgesteld, worden intragroep- transacties geacht significant te zijn indien deze groter zijn dan 5 % van het solvabiliteitsvereiste van het betrokken financieel conglomeraat. § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 461 kan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, begrenzingsnormen of andere evenwaardige toezichtmaatregelen opleggen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het aanvul- lende conglomeraatstoezicht inzake intragroeptransacties. Teneinde omzeiling van de sectorale regelgeving inzake intragroeptransacties tegen te gaan, kan zij ook beslissen, overeenkomstig artikel 347, de sectorale bepalingen ter zake naar analogie toe te passen op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij raadpleegt voorafgaandelijk de andere relevante bevoegde autoriteiten. Onderafdeling IV Periodieke rapportering Art. 463 § 1. Voor het in Onderafdelingen I, II en III van deze Afdeling geregelde aanvullende conglomeraatstoezicht worden aan de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, volgens de modaliteiten die zij bepaalt en minstens tweemaal per jaar, de volgende staten voorgelegd: 1° een boekhoudstaat die betrekking heeft op de financi- ele positie van het financieel conglomeraat en die minstens bestaat uit de balans en de resultatenrekening; 2° een staat waaruit de naleving blijkt van de normen be- paald bij of in uitvoering van de artikelen 457, eerste lid, 1°, 460,  §  2, en 462,  §  2, en een staat met opgave van de 2° le caractère adéquat des procédures de gestion et des dispositifs de contrôle interne en matière d’transactions intra- groupe, conformément aux dispositions de la Sous-section V de la présente Section. La surveillance porte en particulier sur les aspects suivants: le risque dit de contagion au sein du groupe, l’existence de conflits d’intérêts, les contournements de la réglementation sectorielle, ainsi que le niveau et l’ampleur des transactions intragroupe. Art. 462 § 1er. Pour l’application de l’article 461, alinéa 1er, 1°, la Banque fixe, en sa qualité de coordinateur, en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes et après consultation du conglomérat financier, des seuils adéquats pour l’identification et le reporting de toute opération intra- groupe importante. Elle détermine les seuils sur la base des deux paramètres suivants ou de l’un de ces paramètres seulement: les fonds propres réglementaires et les provisions techniques. Si aucun seuil n’a été fixé, les transactions intragroupe sont réputées importantes si elles excèdent 5 % de l’exigence de solvabilité du conglomérat financier en question. § 2. Sans préjudice des dispositions de l’article 461, la Banque peut, en sa qualité de coordinateur, imposer des normes de limitation ou d’autres mesures de surveillance équivalentes pour la réalisation des objectifs de la surveillance complémentaire du conglomérat en matière d’transactions intragroupe. Afin de s’opposer au contournement de la régle- mentation sectorielle en matière d’transactions intragroupe, elle peut également décider, conformément à l’article 347, d’appliquer, par analogie, les dispositions sectorielles en la matière au niveau du conglomérat financier. Elle consulte préalablement les autres autorités compétentes relevantes. Sous-section IV Reporting périodique Art. 463 § 1er. Pour la surveillance complémentaire des conglo- mérats réglée par les Sous-sections I, II et III de la présente Section, les états suivants sont soumis à la Banque, en sa qualité de coordinateur, selon les modalités qu’elle détermine, et au moins deux fois par an: 1° un état comptable portant sur la situation financière du conglomérat financier et comprenant au moins le bilan et le compte de résultats. 2° un état constatant le respect des normes définies par ou en exécution des articles 457, alinéa 1er, 1°, 460, § 2, et 462, § 2, ainsi qu’un état indiquant les concentrations de 607 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 significante risicoconcentraties en significante intragroep- transacties bedoeld in de artikelen 459, eerste lid, 1°, en 461, eerste lid, 1°. Te dien einde bepaalt de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, in overleg met de andere relevante bevoegde au- toriteiten, de categorieën verrichtingen, risico’s en posities die voor de opvolging van de significante risicoconcentraties en intragroeptransacties moeten worden gerapporteerd; zij kan daarbij rekening houden met de specifieke groeps- en risico- beheerstructuur van het betrokken financieel conglomeraat. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde staten worden gerappor- teerd door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, door de gemengde financiële holding of door een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde on- derneming, die de Bank, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen. Onderafdeling V Risicobeheer- en internecontroleprocedures Art. 464 De in artikel  451  bedoelde verzekerings- of herverze- keringsondernemingen zorgen ervoor dat het financieel conglomeraat beschikt over passende risicobeheer- en inter- necontroleprocedures en over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie. Inzonderheid dienen deze risicobeheer- en internecon- troleprocedures aanwezig te zijn op geconsolideerd en gesubconsolideerd niveau bij de in artikel 451 bedoelde moe- derondernemingen, ongeacht of het om de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gaat of om de gemengde finan- ciële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat, en bij alle gereglementeerde ondernemingen die deel uitma- ken van het financieel conglomeraat, zodat de risicobeheer- en internecontroleprocedures samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de tot de groep behorende ondernemingen op de gereglementeerde ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het aanvullende conglomeraatstoezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Deze moederondernemingen pas- sen die risicobeheer- en internecontroleprocedures eveneens toe in hun niet-gereglementeerde dochterondernemingen. Ook deze risicobeheer- en internecontroleprocedures zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze doch- terondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. risques importantes et les transactions intragroupe impor- tantes visées aux articles 459, alinéa 1er, 1°, et 461, alinéa 1er, 1°. À cette fin, la Banque détermine, en sa qualité de coordi- nateur, en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes, les catégories d’opérations, de risques et de posi- tions qui doivent être notifiées pour le suivi des concentrations des risques et transactions intragroupe importantes; elle peut à cet égard tenir compte des spécificités de la structure de groupe et de la structure de la gestion des risques du conglo- mérat financier concerné. § 2. Les états visés au paragraphe 1er sont notifiés par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, la compagnie financière mixte, ou une entreprise réglementée faisant par- tie du conglomérat financier désignée par la Banque après consultation des autres autorités compétentes relevantes et du conglomérat financier. Sous-section V Procédures de gestion des risques et dispositions de contrôle interne Art. 464 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 veillent à ce que le conglomérat financier dispose de procédures de gestion des risques et de dispositifs de contrôle interne, ainsi que d’une organisation administrative et comptable, qui soient adéquats. En particulier, ces procédures de gestion des risques et ces dispositifs de contrôle interne doivent être présents au niveau consolidé et sous-consolidé dans les entreprises mères visées à l’article 451, qu’il s’agisse de l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou de la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier, ainsi que dans toutes les entreprises réglementées faisant partie du conglomérat financier, de telle sorte que les procédures de gestion des risques et les dispositifs de contrôle interne soient cohérents et bien intégrés, que l’influence exercée par les entreprises du groupe sur les entreprises réglementées puisse être évaluée et que toutes les données et informations importantes pour la surveillance complémentaire du conglomérat puissent être obtenues. Ces entreprises mères appliquent ces procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne éga- lement dans leurs filiales non réglementées. Ces procédures de gestion des risques et dispositifs de contrôle interne sont également cohérents et bien intégrés, et ces filiales doivent aussi pouvoir fournir les données et informations pertinentes pour la surveillance. 608 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 465 § 1. De risicobeheerprocedures omvatten: 1° een passend bestuur en beheer, met goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategie en het beleid door de bevoegde organen, met betrekking tot alle belangrijke risico’s die op het niveau van het financieel conglomeraat worden gelopen; 2°  een passend solvabiliteitsbeleid, dat met name de toekomstige gevolgen anticipeert voor de groep van de gevolgde bedrijfsstrategie op het risicoprofiel van de groep en de in Onderafdeling I van deze Afdeling bedoelde solvabiliteitsvereisten; 3°  passende procedures die waarborgen dat de risi- cobeheer- en risico-opvolgingssystemen voldoende zijn geïntegreerd in de organisatie van de groep en dat de in de ondernemingen van de groep gehanteerde systemen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat op het niveau van het financieel conglomeraat de risico’s correct worden geïdenti- ficeerd, opgevolgd en beheerst; 4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwik- keling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen. § 2. De internecontroleprocedures omvatten: 1° passende procedures voor het opvolgen van de solvabi- liteit op het niveau van de groep, zodat alle belangrijke risico’s correct worden geïdentificeerd en opgevolgd en het eigen vermogen voldoende is in het licht van de gelopen risico’s; 2° het passende karakter van de procedures en systemen voor de identificatie, meting, opvolging en beheersing van de intragroeptransacties en risicoconcentraties. § 3. De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverze- keringsondernemingen beschikken over een passende boek- houdkundige en administratieve organisatie die de juistheid en conformiteit met de geldende regels waarborgt van de voor het aanvullende conglomeraatstoezicht verstrekte gegevens en inlichtingen en de opstelling van de jaarrekeningen. Art. 466 De in artikel 451 bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen zorgen voor een transparante groeps- structuur. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de gemengde financiële holding of een tot het financieel conglomeraat behorende gereglementeerde onderneming die de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten en met het financieel conglomeraat heeft aangewezen, doen daartoe het volgende: Art. 465 § 1er. Les procédures de gestion des risques comprennent: 1°  une administration et une gestion adéquates, avec approbation et évaluation périodique de la stratégie et de la politique par les organes compétents, et portant sur tous les risques importants encourus au niveau du conglomérat financier; 2° une politique de solvabilité adéquate, qui veille notam- ment à anticiper pour le groupe les conséquences futures de la stratégie d’exploitation suivie sur le profil de risque du groupe et les exigences de solvabilité visées à la Sous-section I er de la présente Section; 3° des procédures adéquates garantissant que les sys- tèmes de gestion et de suivi des risques sont suffisamment intégrés à l’organisation du groupe et que les systèmes utilisés dans les entreprises du groupe concordent entre eux, de telle sorte qu’au niveau du conglomérat financier, les risques fassent l’objet d’une identification, d’un suivi et d’une maîtrise corrects. 4° des dispositifs régulièrement mis à jour pour participer à la réalisation et, le cas échéant, au développement de mécanismes et de plans de redressement et de résolution des défaillances appropriés. § 2. Les dispositifs de contrôle interne comprennent: 1° des procédures adéquates pour le suivi de la solvabi- lité au niveau du groupe, de telle sorte que tous les risques importants fassent l’objet d’une identification et d’un suivi corrects et que les fonds propres soient suffisants au regard des risques encourus; 2° l’examen du caractère adéquat des procédures et des systèmes pour l’identification, la mesure, le suivi et la maîtrise des transactions intragroupe et des concentrations de risques. § 3. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 disposent d’une organisation administrative et comptable qui garantisse le caractère correct et conforme aux règles en vigueur des renseignements et informations commu- niqués pour la surveillance complémentaire du conglomérat et de l’établissement des comptes annuels. Art. 466 Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451 veillent à la transparence de la structure du groupe. L’entreprise d’assurance ou de réassurance, la compagnie financière mixte ou une entreprise réglementée faisant partie du conglomérat financier que la Banque, en sa qualité de coordinateur, a désignée après concertation avec les autres autorités compétentes relevantes et avec le conglomérat financier, procèdent à cet égard comme suit: 609 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° zij delen aan de Bank regelmatig bijzonderheden mee omtrent hun juridische structuur, hun regeling voor de be- drijfsorganisatie en hun beleidsstructuur, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren; 2° zij maken op het niveau van het financieel conglomeraat jaarlijks een beschrijving van de juridische structuur, van de regeling voor de bedrijfsorganisatie en van de beleidsstructuur voor het publiek openbaar en zorgen ervoor dat alle geregle- menteerde ondernemingen deze informatie ook openbaar maken, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie. Onderafdeling VI Stresstests Art. 467 In haar hoedanigheid van coördinator beoordeelt de Bank minstens jaarlijks de noodzaak van stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat. Zij stemt haar beoordeling af op de stresstest die worden georganiseerd voor de belang- rijkste financiële sector vertegenwoordigd in het financieel conglomeraat en overlegt met de andere relevante bevoegde autoriteiten. Voor het toepassen van deze stresstests houdt de Bank rekening met parameters die specifieke risico’s verbonden aan financiële conglomeraten kunnen identificeren. De Bank deelt de resultaten van de stresstests mee aan het Gemengd Comité. Onderafdeling VII Governance Art. 468 § 1. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvullen- de conglomeraatstoezicht uitoefent op een in artikel 451 be- doelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming, dan zijn de in dit artikel 451 bedoelde moederondernemingen die hun zetel in België hebben verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht. Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waar- mee zij belast zijn als hoofd van het financieel conglomeraat, vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemin- gen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het 1°  elles communiquent régulièrement à la Banque les particularités de leur structure juridique, de leur dispositif d’organisation d’entreprise et de leur structure de gestion englobant toutes les entreprises réglementées, les filiales non réglementées et les succursales d’importance significative; 2° elles publient une fois par an au niveau du conglomérat financier une description de la structure juridique, du dispositif d’organisation d’entreprise et de leur structure de gestion destinée au public et veillent à ce que toutes les entreprises réglementées publient également ces informations soit inté- gralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes. Sous-section VI Tests de résistance Art. 467 La Banque, en sa qualité de coordinateur, évalue au moins une fois par an la nécessité de tests de résistance au niveau du conglomérat financier. À cette fin, elle aligne son évaluation sur les tests de résistance qui sont organisés pour le secteur financier le plus important représenté au sein du conglomérat financier et se concerte avec les autres autorités compétentes relevantes. Pour l’application de ces tests de résistance, la Banque prend en considération des paramètres qui peuvent iden- tifier des risques spécifiques associés aux conglomérats financiers. La Banque communique les résultats des tests de résis- tance au comité mixte. Sous-section VII Gouvernance Art. 468 § 1er. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article 471, la surveillance complémentaire des conglomérats sur une entre- prise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 451, les entreprises mères visées audit article 451 qui ont leur siège social en Belgique sont responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats. Dans l’exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent en tant qu’entreprises faîtières du conglo- mérat financier, les entreprises mères visées à l’alinéa 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie du conglomérat financier en vue du respect des obligations qui découlent de la surveillance complémentaire des conglomé- rats et de l’obligation d’assurer la stabilité du conglomérat financier. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et ses arrêtes d’exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur 610 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toezicht op individuele basis op verzekerings- of herverze- keringsondernemingen die deel uitmaken van het financieel conglomeraat. § 2. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvul- lende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming bedoeld in artikel 451 met als moederonderneming een gemengde financiële holding met zetel buiten België, waakt deze verzekerings- of herverze- keringsonderneming over de naleving door haar moeder- onderneming van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient van de bedoelde moederonderneming de medewerking te verkrij- gen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het aanvullende conglomeraatstoezicht zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat van toepassing is op de verzekerings- of herverzekeringson- derneming of het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 3. In het krachtens artikel 42, § 3 vereiste internal go- vernancememorandum dient, wat betreft het niveau van het financieel conglomeraat, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de paragrafen 1 en 2. § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de krachtens artikel 463 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende inlichtin- gen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 5. Wanneer de Bank krachtens artikel 471 het aanvul- lende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan zij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn. § 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5 raad- pleegt de Bank, in voorkomend geval, de andere bevoegde autoriteiten. § 7. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de Bank het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, dient deze verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze verzekerings- of herver- zekeringsonderneming is onderworpen. Art. 469 § 1. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de in artikel 451 bedoelde moederondernemingen naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het aanvullende les entreprises d’assurance ou de réassurance qui font partie du conglomérat financier. § 2. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article 471, la surveillance complémentaire des conglomérats sur une entre- prise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 451 dont l’entreprise mère est une compagnie financière mixte dont le siège social est établi en dehors de la Belgique, cette entre- prise d’assurance ou de réassurance veille au respect par son entreprise mère des obligations relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats. L’entreprise d’assurance ou de réassurance doit obtenir la coopération de l’entreprise mère visée afin de mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que la surveillance complémentaire des conglomérats puisse être exercée de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que l’influence de l’entreprise mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle applicable à l’entreprise d’assurance ou de réassurance ou à la surveil- lance complémentaire des conglomérats. § 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l’article 42, § 3, il convient d’établir, en ce qui concerne le niveau du conglomérat financier, comment il est satisfait aux principes figurant aux paragraphes 1er et 2. § 4. Dans les cas visés aux paragraphes 1er et 2, les entre- prises mères responsables précitées fournissent le reporting requis en vertu de l’article 463 de la présente loi, ainsi que, à la demande de la Banque, toutes les informations complémen- taires utiles pour l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats. § 5. Lorsque la Banque exerce, en vertu de l’article 471, la surveillance complémentaire des conglomérats dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes 1er à 4 s’appliquent par analogie. § 6. Pour l’application des paragraphes 1er, 2 et 5, la Banque consulte, le cas échéant, les autres autorités compétentes. § 7. Lorsqu’une autre autorité compétente que la Banque exerce la surveillance complémentaire des conglomérats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, il incombe à cette entreprise d’assurance ou de réassurance de vérifier si l’influence de son entreprise mère n’est pas contraire au Code des sociétés et ses arrêtés d’exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cette entreprise d’assurance ou de réassurance est soumise. Art. 469 § 1er. Le comité de direction, le cas échéant la direction effective des entreprises mères visées à l’article  451  de droit belge qui sont incluses dans le contrôle de groupe 611 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de Bank, verklaart dat de in artikel 468, § 4 bedoelde rapporteringen in over- eenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opge- steld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten vol- gens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar. § 2. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing op het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen wat betreft de maatregelen opgenomen in de artikelen 464 tot 466. Art. 470 Onverminderd het beginsel vervat in artikel 455 en wan- neer het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend wordt door de Bank, zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op de gemengde financiële holding naar Belgisch recht: de artikelen 39, 40, 41, 45, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 46, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 47, 64 tot 72, 81, 82, 83, 508, § 1 en 517. Afdeling III Uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht Onderafdeling I Aanwijzing van de coördinator Art. 471 § 1. Teneinde een passend aanvullend conglomeraatstoe- zicht te verzekeren, wordt uit de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, één enkele coördinator aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht. § 2. Het aanvullende conglomeraatstoezicht op de in artikel 451, eerste lid bedoelde verzekerings- of herverzekeringson- dernemingen wordt als volgt uitgeoefend: ou la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par la Banque, déclare que les reportings visés à l’article 468, § 4 sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cette effet requis que les états soient complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu’ils soient corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Le comité de direction, le cas échéant la direction effective, confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes consolidés, ou, s’agissant des états qui ne se rapportent pas à la fin de l’exercice comptable, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement des comptes consolidés afférents au dernier exercice. § 2. L’article 80 est applicable par analogie au comité de direction, le cas échéant à la direction effective, des entre- prises mères visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les mesures figurant aux articles 464 à 466. Art. 470 Sans préjudice du principe figurant à l’article  455, et lorsque la surveillance complémentaire du conglomérat est exercée par la Banque, les articles suivants sont applicables par analogie à la compagnie financière mixte de droit belge: les articles 39, 40, 41, 45, § 1er, étant entendu qu’au moins trois membres du comité de direction sont membres de l’organe légal d’administration, et §§ 3 et 4, 46, § 1er, étant entendu qu’au moins trois membres du comité de direction sont membres de l’organe légal d’administration, et §§ 3 et 4, 47, 64 à 72, 81, 82, 83, 508, § 1er et 517. Section III Exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats Sous-section Ire Détermination du coordinateur Art. 471 § 1er. Afin de garantir une surveillance complémentaire des conglomérats appropriée, il est procédé à la désignation, parmi les autorités compétentes des États membres concer- nés, en ce compris celles de l’État membre où la compagnie financière mixte a son siège social, d’un coordinateur unique qui est responsable de la coordination et de l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats. § 2. La surveillance complémentaire des conglomérats exercée sur les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451, alinéa 1er, est exercée comme suit: 612 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° door de Bank in het in artikel 451, eerste lid, 1° bedoelde geval; 2° indien aan het hoofd van het financieel conglomeraat een Belgische gemengde financiële holding staat, door de Bank, onverminderd de punten 3° tot 7°; 3° indien naast een Belgische verzekerings- of herverze- keringsonderneming ten minste één andere Belgische gere- glementeerde onderneming eenzelfde Belgische gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglome- raat heeft, door de Belgische bevoegde autoriteit belast met het prudentieel toezicht op de Belgische gereglementeerde onderneming met het grootste balanstotaal; 4° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat een dochteronderneming heeft die een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde autoriteit van dat land; 5° indien de gemengde financiële holding aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft en in deze lidstaat ten minste twee dochter- ondernemingen heeft die een gereglementeerde onderneming zijn, met elk een verschillende bevoegde autoriteit, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector; 6° indien meerdere gemengde financiële holdings, met zetel in verschillende lidstaten, aan het hoofd staan van het financieel conglomeraat, en er in elk van deze lidstaten een gereglementeerde onderneming is, door de bevoegde auto- riteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal indien de activiteiten van deze ondernemingen plaatsvinden in dezelfde financiële sector, of door de be- voegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming in de belangrijkste financiële sector; 7° indien ten minste twee gereglementeerde ondernemin- gen met zetel in een lidstaat dezelfde gemengde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft, door de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector. 8° indien het financiële conglomeraat een groep is zonder moederonderneming aan het hoofd, of in alle andere dan de voormelde gevallen, door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de gereglementeerde onderneming met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste financiële sector. Art. 472 De Bank en de andere relevante bevoegde autoriteiten kun- nen in bijzondere gevallen in gemeen overleg overeenkomen om van de in artikel 471 bepaalde bevoegdheidsregeling af te wijken, indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van het financieel conglomeraat en het relatieve belang van 1° par la Banque dans le cas visé à l’article 451, alinéa 1er, 1°; 2° si le conglomérat financier est chapeauté par une com- pagnie financière mixte belge, par la Banque, sans préjudice des points 3° à 7°: 3° si, outre une entreprise d’assurance ou de réassurance belge, au moins une autre entreprise réglementée belge a une même compagnie financière mixte belge à la tête du conglo- mérat financier, par l’autorité compétente belge chargée du contrôle prudentiel de l’entreprise réglementée belge dont le total de bilan est le plus élevé; 4° si la compagnie financière mixte à la tête du conglomérat financier a son siège social dans un autre État membre que la Belgique et qu’elle a dans cet État membre une filiale qui est une entreprise réglementée, par l’autorité compétente de ce pays; 5° si la compagnie financière mixte à la tête du conglomé- rat financier a son siège social dans un autre État membre que la Belgique et qu’elle a dans cet État membre au moins deux filiales qui sont des entreprises réglementées, avec chacune une autorité compétente différente, par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée du secteur financier le plus important; 6° si plusieurs compagnies financières mixtes ayant leur siège social dans différents États membres sont à la tête du conglomérat financier, et qu’il y ait une entreprise réglementée dans chacun de ces États membres, par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée ayant le total de bilan le plus élevé si les activités de ces entreprises se situent dans le même secteur financier, ou par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée du secteur financier le plus important; 7° si au moins deux entreprises réglementées ayant leur siège social dans un État membre ont comme entreprise mère la même compagnie financière mixte et qu’aucune de ces entreprises ne dispose d’un agrément dans l’État où la compagnie financière mixte a son siège social, par l’autorité compétente de l’entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important; 8° si le conglomérat financier est un groupe sans entreprise mère à la tête du groupe, ainsi que dans tous les cas autres que les cas précités, par l’autorité compétente chargée du contrôle de l’entreprise réglementée dont le total de bilan est le plus élevé dans le secteur financier le plus important. Art. 472 La Banque et les autres autorités compétentes relevantes peuvent, dans des cas particuliers, convenir de commun accord de déroger aux règles de compétence définies à l’article 471, si leur application, compte tenu de la structure du conglomérat financier et l’importance relative de l’activité du 613 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de activiteiten van de groep in de verschillende lidstaten, niet passend zou zijn, en een andere bevoegde autoriteit belasten met het aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij raadplegen het financieel conglomeraat alvorens hierover een beslissing te nemen. Onderafdeling II Rechten en plichten van de coördinator – College Art. 473 § 1. Onverminderd de andere bevoegdheden en taken die haar door of krachtens deze wet en door Richtlijn 2002/87/ EG worden toegewezen, omvatten de taken van de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator: 1° het coördineren van de vergaring en de verspreiding van relevante en essentiële informatie, in normale omstandig- heden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een bevoegde autoriteit krachtens de sectorale regelgeving; 2° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de financiële positie van het financieel conglomeraat; 3° het toezicht op de naleving van de bepalingen van de artikelen 457 tot 462 inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroeptransacties, en op de naleving van de in arti- kel 463 bedoelde rapporteringsverplichtingen; 4° het toezicht op, inclusief de evaluatie van, de structuur, de organisatie en de internecontroleprocedures van het finan- cieel conglomeraat, als bedoeld in de artikelen 464 tot 466; 5° het plannen en coördineren van toezichtsactiviteiten, in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwer- king met de andere relevante bevoegde autoriteiten; 6° het nemen van maatregelen en sancties ten aanzien van de gemengde financiële holding. § 2. De relevante bevoegde autoriteiten kunnen, in voor- komend geval in overleg met andere bevoegde autoriteiten, overeenkomen de Bank, in haar hoedanigheid van coördi- nator, andere toezichtstaken toe te vertrouwen, buiten de in paragraaf 1 bedoelde taken. Art. 474 § 1. In haar hoedanigheid van coördinator richt de Bank voor het aanvullende conglomeraatstoezicht een college op om vorm te geven aan de uit hoofde van dit Hoofdstuk vereiste samenwerking en de uitoefening van de taken als coördinator en, onder voorbehoud van vertrouwelijkheidsvereisten en van het recht van de Unie, de passende coördinatie en samen- werking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van derde landen. groupe dans les différents États membres, n’est pas adéquate, et charger une autre autorité compétente de la surveillance complémentaire des conglomérats. Elles consultent le conglo- mérat financier avant de prendre une décision en la matière. Sous-section II Droits et obligations du coordinateur – Collège Art. 473 § 1er. Sans préjudice des autres compétences et tâches qui lui sont dévolues par ou en vertu de la présente loi ainsi que par la Directive 2002/87/CE, les tâches de la Banque en sa qualité de coordinateur comprennent: 1° la coordination de la collecte et de la diffusion des infor- mations pertinentes et essentielles, en continuité d’exploita- tion comme dans les situations d’urgence, en ce compris la diffusion des informations importantes pour la surveillance par une autorité compétente en vertu de la réglementation sectorielle; 2° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la situation financière du conglomérat financier; 3°  le contrôle du respect des dispositions des ar- ticles 457 à 462 en matière de solvabilité, de concentration des risques et d’transactions intragroupes, ainsi que du respect des obligations de reporting visées à l’article 463; 4° le contrôle, en ce compris l’évaluation, de la structure, de l’organisation et des dispositifs de contrôle interne du conglomérat financier, tels que visés aux articles 464 à 466; 5° la planification et la coordination d’activités de surveil- lance, en continuité d’exploitation comme dans les situations d’urgence, en coopération avec les autres autorités compé- tentes relevantes; 6° la prise de mesures et de sanctions à l’égard de la compagnie financière mixte. § 2. Les autorités compétentes relevantes peuvent, le cas échéant en concertation avec d’autres autorités compétentes, convenir de confier à la Banque, en sa qualité de coordina- teur, d’autres tâches de surveillance que celles prévues au paragraphe 1er. Art. 474 § 1er. La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit un collège pour la surveillance complémentaire des conglo- mérats afin de concrétiser la coopération prévue au présent Chapitre et l’accomplissement des missions de coordinateur et, s’il y a lieu, la coordination et la coopération appropriées avec les autorités de surveillance concernées des pays tiers, dans le respect des exigences de confidentialité et du droit de l’Union. 614 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Wanneer relevante bevoegde autoriteiten reeds deel- nemen aan een college opgericht krachtens artikel 248, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG of artikel 116 van Richtlijn 2013/36/ EU, dan zal het college op het niveau van het financieel conglomeraat functioneren binnen het college opgericht voor de belangrijkste financiële sector. De banksector en de beleggingsdienstensector worden voor dit doeleinde samen beschouwd. De regels voor de in paragraaf 1 bedoelde coördinatie wor- den apart opgenomen in de schriftelijke coördinatieafspraken die worden ingesteld voor het sectorale college. In haar hoe- danigheid van coördinator beslist de Bank, als voorzitter van dit sectorale college, welke andere bevoegde autoriteiten aan een vergadering of een activiteit van dat college deelnemen. Art. 475 Onverminderd de in de overige bepalingen van dit Hoofdstuk bedoelde samenwerkings overeenkomsten en coördinatieafspraken , sluit de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, met andere bevoegde autoriteiten de over- eenkomsten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald bij dit Hoofdstuk. Deze overeenkomsten regelen waar nodig de modaliteiten van uitoefening van dit toezicht, met inbegrip van de modaliteiten van samenwerking en informatie-uitwisseling onder bevoegde autoriteiten. Zij kunnen inzonderheid de pro- cedures regelen voor de besluitvorming tussen de relevante bevoegde autoriteiten. Art. 476 In haar hoedanigheid van coördinator stelt de Bank lijsten op van de gemengde financiële holdings die betrokken zijn bij het door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht. Zij maakt deze lijsten over aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, EIOPA, EBA en de Europese Commissie. Art. 477 Onverminderd de delegatie van specifieke toezichtsbe- voegdheden en -verantwoordelijkheden overeenkomstig de sectorale regelgeving, doet de aanwijzing van de Bank als coördinator geen afbreuk aan de in de sectorale regelgeving bepaalde taken en verantwoordelijkheden van de relevante bevoegde autoriteiten. § 2. Lorsque des autorités compétentes relevantes parti- cipent déjà à un collège établi en vertu de l’article 248, para- graphe 2 de la Directive 2009/138/CE ou de l’article 116 de la Directive 2013/36/UC, le collège fonctionnera au niveau du conglomérat financier au sein du collège établi pour le secteur financier le plus important. Le secteur bancaire et le secteur des services d’investissement sont agrégés à cette fin. Les modalités de la coordination évoquée au paragraphe 1er sont établies de manière distincte dans des accords de coor- dination écrits constitués pour le collège sectoriel. La Banque, en sa qualité de coordinateur, décide, en tant que président de ce collège sectoriel, quelles autres autorités compétentes participent à une réunion ou à toute activité dudit collège. Art. 475 Sans préjudice des accords de coopération et de coordina- tion visés dans les autres dispositions du présent Chapitre, la Banque, en sa qualité de coordinateur, conclut avec d’autres autorités compétentes les accords qui sont nécessaires à la réalisation de la surveillance complémentaire des conglomé- rats telle que définie dans le présent Chapitre. Ces accords règlent au besoin les modalités de l’exercice de ce contrôle, en ce compris les modalités de coopération et d’échange d’informations entre autorités compétentes. Ils peuvent en particulier régler les procédures de prise de décision entre les autorités compétentes relevantes. Art. 476 La Banque, en sa qualité de coordinateur, établit des listes des compagnies financières mixtes concernées par la sur- veillance complémentaire des conglomérats exercée par elle. Elle communique ces listes aux autorités compétentes des autres États membres, à l’EIOPA, à l’ABE et à la Commission européenne. Art. 477 Sans préjudice de la délégation de compétences et de responsabilités de surveillance spécifiques conformément à la réglementation sectorielle, la désignation de la Banque en sa qualité de coordinateur ne porte pas préjudice aux tâches et responsabilités des autorités compétentes relevantes telles que définies par la réglementation sectorielle. 615 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Onderafdeling III Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten Art. 478 De Bank, ongeacht of zij optreedt als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn, werkt nauw samen met de andere bevoegde autoriteiten, ongeacht of deze optreden als coördinator of als bevoegde autoriteit zonder coördinator te zijn. De Bank kan aan deze bevoegde autoriteiten, op eigen initiatief of op verzoek, alle informatie, met inbegrip van ver- trouwelijke informatie, meedelen of vragen, wanneer deze essentieel of relevant is om de uitoefening toe te laten of te vergemakkelijken van de toezichtstaken die aan haar of aan deze autoriteiten werden toevertrouwd krachtens de secto- rale regelgeving en het aanvullende conglomeraatstoezicht krachtens Richtlijn 2002/87/EG. Deze samenwerking betreft ten minste de vergaring en uitwisseling van informatie met betrekking tot de volgende aspecten: 1° de juridische structuur, de regeling voor de bedrijfsor- ganisatie en de beleidsstructuur van de groep, die gelden voor alle gereglementeerde ondernemingen, niet-geregle- menteerde dochterondernemingen en belangrijke bijkantoren in de zin van artikel 354 van Verordening 2015/35 die tot het financieel conglomeraat behoren, de houders van gekwa- lificeerde deelnemingen op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming, alsmede de bevoegde autoriteiten voor de gereglementeerde ondernemingen in de groep; 2° de door het financieel conglomeraat gevolgde strategie; 3° de financiële positie van het financieel conglomeraat, met name de toereikendheid van het eigen vermogen, de intragroeptransacties, de risicoconcentratie en de winstgevendheid; 4° de belangrijkste aandeelhouders en de leiding van het financieel conglomeraat; 5° de organisatie en de risicobeheer- en internecontrole- procedures op het niveau van het financieel conglomeraat; 6° de procedures voor de vergaring van informatie bij de ondernemingen in het financieel conglomeraat en de verifi- catie van deze informatie; 7° ongunstige ontwikkelingen bij gereglementeerde on- dernemingen of bij andere ondernemingen in het financieel conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gere- glementeerde ondernemingen kunnen hebben; 8° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met de secto- rale regelgeving of Richtlijn 2002/87/EG hebben getroffen. Sous-section III Coopération et échange d’informations entre les autorités compétentes Art. 478 La Banque, que ce soit en sa qualité de coordinateur ou d’autorité compétente sans être coordinateur, coopère étroi- tement avec les autres autorités compétentes, qu’elles soient coordinateur ou autorité compétente sans être coordinateur. Elle peut communiquer, d’initiative ou sur demande, ou demander à ces autorités compétentes toutes informations, y comprises les informations confidentielles, lorsque celles- ci sont essentielles ou pertinentes pour permettre et faciliter l’exercice des tâches de surveillance qui lui sont confiées ou sont confiées à ces autorités en vertu de la réglementation sectorielle et de la surveillance complémentaire des conglo- mérats en vertu de la Directive 2002/87/CE. Cette coopération recouvre au moins la collecte et l’échange d’informations sur les éléments suivants: 1° la structure juridique du groupe, son dispositif d’organi- sation d’entreprise et sa structure de gestion englobant toutes les entreprises réglementées, les filiales non réglementées et les succursales importantes au sens de l’article 354 du Règlement 2015/35 appartenant au conglomérat financier, les détenteurs de participations qualifiées au niveau de l’entre- prise mère faîtière, ainsi que les autorités compétentes pour les entreprises réglementées dudit groupe; 2° les stratégies du conglomérat financier; 3° la situation financière du conglomérat financier, notam- ment en ce qui concerne l’adéquation des fonds propres, les transactions intragroupe, la concentration des risques et la rentabilité; 4° les principaux actionnaires et la direction du conglomérat financier; 5° l’organisation, la gestion des risques et les systèmes de contrôle interne à l’échelle du conglomérat financier; 6° les procédures de collecte d’informations auprès des entreprises du conglomérat financier et de vérification des- dites informations; 7° les évolutions négatives que connaissent des entre- prises réglementées ou d’autres entreprises du conglomérat financier et qui sont de nature à nuire gravement auxdites entreprises réglementées; 8° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes conformément à la réglementation sectorielle ou à la Directive 2002/87/CE. 616 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank kan tevens informatie uitwisselen met het ESRB wat betreft de uitoefening van het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een financieel conglomeraat. Art. 479 § 1.  Indien de Bank in het geval van een moederonderne- ming naar Belgisch recht niet zelf op grond van artikel 471 het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan haar verzocht worden, door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten, om bij de moederonderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven. § 2. Indien de Bank op grond van artikel 471 het aanvul- lende conglomeraatstoezicht uitoefent en de moederonderne- ming haar zetel in een andere lidstaat dan België heeft, kan de Bank aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan haar door te geven. Art. 480 Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lid- staat het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een dochteronderneming is van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, gaat de Bank na, wanneer zij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe zij mede- werking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van de gemengde financiële holdings in het aanvullende conglomeraatstoezicht. Art. 481 Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog op het vergemakkelijken van het aanvullende conglomeraatstoezicht met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 483, § 1, betekent geenszins dat de Bank een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen. Onderafdeling IV Overleg tussen bevoegde autoriteiten Art. 482 Onverminderd haar verantwoordelijkheden als omschreven in de sectorale regelgeving, pleegt de Bank, voordat zij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangele- genheden, overleg indien dat besluit van belang is voor de toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten: La Banque peut également échanger des informations avec le CERS en ce qui concerne l’exercice du contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance qui font partie d’un conglomérat financier. Art. 479 § 1er. Lorsque la Banque, dans le cas d’une entreprise mère de droit belge, n’exerce pas elle-même la surveillance complémentaire des conglomérats en vertu de l’article 471, elle peut être invitée, par les autorités compétentes chargées d’exercer ce contrôle, à demander à l’entreprise mère toute information pertinente pour l’exercice de ce contrôle, et à la leur transmettre. § 2. Lorsqu’en vertu de l’article 471, la Banque exerce la surveillance complémentaire du conglomérat et que l’entre- prise mère a son siège social dans un État membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter l’autorité compétente de cet État membre à demander à cette entreprise mère toute information pertinente pour l’exercice de ce contrôle, et à la lui transmettre. Art. 480 Lorsqu’une autorité compétente d’un autre État membre exerce la surveillance complémentaire des conglomérats sur une entreprise d’assurance ou de réassurance qui est filiale d’une compagnie financière mixte de droit belge, la Banque vérifie, lorsque cette autorité compétente le lui demande, comment elle peut prêter sa coopération pour l’applica- tion des mesures qui existeraient dans l’État membre de l’autorité compétente en vue de l’inclusion des compagnies financières mixtes dans la surveillance complémentaire des conglomérats. Art. 481 La collecte, l’échange ou la détention d’informations par la Banque et les autorités compétentes en vue de faciliter la surveillance complémentaire des conglomérats en ce qui concerne les entreprises citées à l’article 483, § 1er, ne signi- fient pas que la Banque exerce une fonction de contrôle sur ces entreprises prises individuellement. Sous-section IV Consultation entre autorités compétentes Art. 482 Sans préjudice de ses responsabilités telles qu’elles sont définies par la réglementation sectorielle, la Banque procède à une concertation sur les points figurant ci-après, avant de prendre une décision intéressant les missions de contrôle exercées par d’autres autorités compétentes: 617 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur, de organi- satie of het bestuur van gereglementeerde ondernemingen in een financieel conglomeraat, die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen; 2° voorgenomen belangrijke sancties of buitengewone maatregelen. De Bank kan besluiten geen overleg te plegen in spoed- eisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluiten in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de Bank de andere bevoegde autoriteiten daar onverwijld van in kennis. Onderafdeling V Voor de uitoefening van het aanvullende conglomeraatstoezicht te verstrekken informatie Art. 483 § 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rappor- tering, dient de Bank toegang te krijgen, door de betrok- ken verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, en gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere in het financieel conglomeraat opgenomen ondernemingen, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nuttig zijn voor het door haar uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht. De overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen, moeten de Bank, in haar hoedanigheid van coördinator, alle gegevens en inlichtingen verstrekken die zij dienstig acht voor haar aanvullende conglomeraatstoezicht. Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen en dochterondernemingen niet vallen onder het toepassingsgebied van het aanvullende conglomeraatstoezicht, de Bank en de andere bevoegde auto- riteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor de uitoefening van het toezicht op deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming. § 2. De Bank kan eisen dat de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een andere lidstaat dan België haar worden meegedeeld door de naar Belgisch recht opgerichte verzekerings- of herverzekeringson- derneming of gemengde financiële holding, of dat inlichtingen omtrent ondernemingen met zetel in een derde land haar worden meegedeeld door een verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, of gemengde financiële holding met zetel in een lidstaat. § 3. Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming naar Belgisch recht buiten het financieel conglomeraat 1° des modifications de l’actionnariat, de l’organisation ou de la direction des entreprises réglementées faisant partie d’un conglomérat financier requérant l’approbation ou l’auto- risation des autorités compétentes; 2° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles envisagées. La Banque peut décider de ne pas se concerter avec ses homologues en cas d’urgence ou lorsque cette concerta- tion risque de compromettre l’efficacité des décisions. En pareil cas, la Banque informe sans délai les autres autorités compétentes. Sous-section V Informations à fournir aux fins de l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats Art. 483 § 1er. Sans préjudice du reporting périodique applicable, la Banque doit avoir accès, dans ses contacts directs ou indirects avec les entreprises d’assurance ou de réassurance, et les compagnies financières mixtes concernées, leurs filiales et toutes les autres entreprises incluses dans le conglomérat financier, à toute information utile pour l’exercice de sa sur- veillance complémentaire des conglomérats. Les entreprises qui ne sont pas incluses dans la surveil- lance complémentaire des conglomérats conformément à l’article 458, § 2, sont tenues de communiquer à la Banque, en sa qualité de coordinateur, tous les renseignements et informations que celle-ci estime nécessaires pour sa surveil- lance complémentaire des conglomérats. Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjoin- tement avec d’autres, une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, ainsi que les filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises et ces filiales ne tombent pas dans le champ d’application de la surveillance complémentaire des conglomérats, de communiquer à la Banque et aux autres autorités compétentes les informations et renseignements utiles à l’exercice du contrôle de cette entreprise d’assurance ou de réassurance. § 2. La Banque peut exiger que les informations visées au paragraphe 1er concernant les entreprises dont le siège social est établi dans un État membre autre que la Belgique lui soient communiquées par l’entreprise d’assurance ou de réassurance, ou la compagnie financière mixte constituée selon le droit belge, ou que les informations relatives aux entreprises dont le siège social est établi dans un pays tiers lui soient communiquées par une entreprise d’assurance ou de réassurance, ou une compagnie financière mixte ayant leur siège social dans un État membre. § 3. Si une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge est laissée en dehors du conglomérat financier 618 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wordt gelaten door een andere bevoegde autoriteit die optreedt als coördinator, kan de Bank eisen dat de moeder- onderneming aan het hoofd van het financieel conglomeraat haar de gegevens en inlichtingen bezorgt die zij dienstig acht voor de uitoefening van haar toezicht op die verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 484 Wanneer de Bank, in het kader van het door haar uitge- oefende individuele toezicht, groepstoezicht of aanvullende conglomeraatstoezicht, informatie wenst te verkrijgen die in uitvoering van de sectorale regelgeving reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit, richt zij zich in de mate van het mogelijke tot die bevoegde autoriteit voor het verkrijgen van die informatie. Art. 485 Zonder dat zij hiertegen bezwaren van privaatrechtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betreffende geheimhou- dingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de in het aanvullende conglomeraatstoezicht opgenomen onderne- mingen, alsook de overeenkomstig artikel 458, § 2 buiten het aanvullende conglomeraatstoezicht gelaten ondernemingen die tot een financieel conglomeraat behoren elkaar alle nuttige gegevens en inlichtingen mee. Art. 486 § 1. De Bank kan de naleving van de bij dit Hoofdstuk bepaalde verplichtingen , en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen. Zij kan op kosten van deze ondernemingen commissarissen of door haar daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten. § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een andere lidstaat hebben, verzoekt de Bank de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De Bank verricht deze controle zelf als zij daarvoor de toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aanstelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen indien zij dat wenst. § 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen hun zetel in een derde land hebben, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse geregeld in samenwerkings- overeenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, in voorkomend geval overeen- komstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998, of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 264 van Richtlijn 2009/138/EG. par une autre autorité compétente qui agit en qualité de coordinateur, la Banque peut exiger que l’entreprise mère qui chapeaute le conglomérat financier lui communique les informations et renseignements qu’elle juge utiles pour l’exercice de son contrôle de cette entreprise d’assurance ou de réassurance. Art. 484 Lorsque la Banque, dans le cadre du contrôle sur base individuelle, du contrôle des groupes ou de la surveillance complémentaire des conglomérats, souhaite obtenir des informations qui ont déjà été communiquées en exécution de la réglementation sectorielle à une autre autorité compétente, elle s’adresse dans la mesure du possible à cette autorité compétente pour obtenir ces informations. Art. 485 Sans pouvoir y opposer d’objections tirées du droit privé, tenant notamment à des engagements de confidentialité ou à la nature de leurs liens, les entreprises incluses dans la surveillance complémentaire des conglomérats, ainsi que les entreprises appartenant à un conglomérat financier écartées de la surveillance complémentaire des conglomérats confor- mément à l’article 458, § 2 se communiquent mutuellement les informations et renseignements utiles. Art. 486 § 1er. La Banque peut procéder à la vérification sur place du respect des obligations visées par le présent Chapitre, ainsi que du caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués, dans les entreprises visées à l’article 483, § 1er Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger des commissaires ou des experts étrangers agréés par elle à cet effet, de procéder à ces vérifications. §  2.  Lorsque les entreprises visées au paragraphe  1er ont leur siège social dans un autre État membre, la Banque demande à l’autorité compétente de cet État membre d’effec- tuer ce contrôle. La Banque procède elle-même à ce contrôle si elle en a reçu l’autorisation de la part de l’autorité compé- tente de cet État membre. Lorsque cette dernière souhaite effectuer elle-même ce contrôle, ou désigne un réviseur agréé ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y être associée. § 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er ont leur siège social dans un pays tiers, les modalités de la vérifi- cation sur place sont réglées dans des accords de coopération que la Banque a conclus avec les autorités étrangères concer- nées, le cas échéant conformément à l’article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998 ou que la Commission européenne a conclus conformément aux dispositions de l’article 264 de la Directive 2009/138/CE. 619 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 487 § 1. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit is die onder een andere lidstaat dan België ressorteert, verstrekken de Belgische verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen en gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen deze bevoegde autoriteit de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee deze is belast, hetzij direct, hetzij indirect. Wanneer deze autoriteit onder een derde land ressorteert en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrok- ken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. § 2. Wanneer het aanvullende conglomeraatstoezicht wordt uitgeoefend door een autoriteit die een bevoegde autoriteit is die onder een andere lidstaat dan België ressorteert, kan deze bevoegde autoriteit, om de naleving na te gaan van de bepalingen die door of krachtens dit Hoofdstuk zijn vastgelegd, ter plaatse in de in artikel 483, § 1 bedoelde ondernemingen met zetel in België overgaan tot een toetsing van de gegevens en inlichtingen die zij heeft ontvangen, of erkende commis- sarissen of door haar erkende deskundigen hiermee belasten. De bepalingen van artikel 485, § 2 zijn van overeenkomstige toepassing. Wanneer deze autoriteit onder een derde land ressorteert, zijn de bepalingen van artikel 485, § 3 van overeenkomstige toepassing. Onderafdeling VI Revisoraal toezicht Art. 488 Het bepaalde bij de artikelen 330 tot 337 betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming op individuele basis is van over- eenkomstige toepassing met betrekking tot verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedoeld in artikel artikel 451, eerste lid, 1° voor het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen zijn onderworpen. Art 489 § 1. In een gemengde financiële holding naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 451, eerste lid, 2°, die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraats- toezicht, wordt de opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen , toevertrouwd aan een of meer revisoren of revisorenvennootschappen die door de Bank zijn erkend overeenkomstig, naargelang van het geval, artikel 327 van deze wet, artikel 222 van de wet van 25 april 2014, of artikel 96 van de wet van 6 april 1995. Het Art. 487 § 1er. Lorsque la surveillance complémentaire des conglo- mérats est exercée par une autorité qui est une autorité com- pétente relevant d’un État membre, autre que la Belgique, les entreprises d’assurance ou de réassurance et les com- pagnies financières mixtes et leurs filiales de droit belge communiquent à cette autorité compétente les informations et renseignements que celle-ci juge utiles pour l’exercice de la surveillance complémentaire des conglomérats dont elle est chargée, soit directement, soit indirectement. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers et que l’obligation d’information découle d’accords de coopération conclus par la Banque avec l’autorité étrangère concernée, l’alinéa 1er est applicable par analogie. § 2. Lorsque la surveillance complémentaire des conglo- mérats est exercée par une autorité compétente qui relève d’un État membre, autre que la Belgique, cette autorité peut, en vue de vérifier le respect des dispositions prévues par ou en vertu du présent Chapitre, procéder sur place dans les entreprises visées à l’article 483, § 1er, ayant leur siège social en Belgique, à la vérification des informations et renseigne- ments qu’elle a reçus ou charger des commissaires agréés ou des experts agréés par elle d’y procéder. Les dispositions de l’article 485, § 2, sont applicables par analogie. Lorsque cette autorité relève du droit d’un pays tiers, les dispositions de l’article 485, § 3 sont applicables par analogie. Sous-section VI Contrôle révisoral Art. 488 Les dispositions des articles 330 à 337 concernant les fonctions de commissaire agréé d’une entreprise d’assurance ou de réassurance sur une base individuelle sont applicables par analogie en ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 451, alinéa 1er, 1° pour la surveillance complémentaire des conglomérats dont font l’objet les entreprises d’assurance ou de réassurance. Art 489 §  1er. Dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, et incluse dans la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par la Banque, les fonctions de commissaire visées au Code des sociétés, sont, confiées à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs, qui sont agréés par la Banque conformément, selon le cas, à l’article 327 de la présente loi, à l’article 222 de la loi du 25 avril 2014 ou à l’article 96 de la loi du 6 avril 1995. Le collège de réviseurs ou 620 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 college van revisoren of de revisorenvennootschappen, aan- gesteld bij een gemengde financiële holding, moeten zo zijn samengesteld dat zij, hetzij individueel, hetzij samen, erkend zijn in elk van de financiële sectoren waarin het financieel conglomeraat een significante activiteit heeft. De Bank kan met verwijzing naar de in artikel 452 bedoelde drempels be- palen wat onder significante activiteit moet worden verstaan. De bepalingen van de sectorale regelgeving inzake revisoraal toezicht zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. De erkende commissarissen aangesteld bij de in pa- ragraaf 1 bedoelde gemengde financiële holdings verlenen hun medewerking aan het aanvullende conglomeraatstoezicht waarmee de Bank is belast, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Art. 490 De erkende commissarissen aangesteld bij de in arti- kel 489 bedoelde gemengde financiële holdings beoordelen het passend karakter van de risicobeheerprocedures, de internecontroleprocedures en de administratieve en boek- houdkundige organisatie als bedoeld in de artikelen 464 tot 466 en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank. Art. 491 De erkende commissarissen aangesteld bij een in arti- kel 489 bedoelde onderneming brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de in artikel  463  bedoelde staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde half- jaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat- ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Zij bevestigen eveneens geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waar- deringsregels voor de opstelling van de periodieke staten les sociétés de réviseurs, désignés auprès d’une compagnie financière mixte, doivent présenter une composition telle qu’ils soient, soit individuellement, soit conjointement, agréés dans chacun des secteurs financiers dans lesquels le conglomérat financier exerce une activité significative. La Banque peut, par référence aux seuils visés à l’article 452, déterminer ce qu’il y a lieu d’entendre par activité significative. Les dispositions de la réglementation sectorielle en matière de contrôle révisoral sont applicables par analogie. §  2.  Les commissaires agréés désignés auprès des compagnies financières mixtes visées au paragraphe  1er prêtent leur coopération à la surveillance complémentaire des conglomérats dont est chargée la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. Art. 490 Les commissaires agréés désignés dans les compagnies financières mixtes visées à l’article 489 évaluent le caractère adéquat des procédures de gestion des risques, des dispo- sitifs de contrôle interne et de l’organisation administrative et comptable, visés aux articles 464 à 466, et communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque. Art. 491 Les commissaires agréés désignés dans une société visée à l’article 489 font rapport à la Banque sur les résul- tats de l’examen limité des états transmis par la compagnie financière mixte conformément à l’article 463 à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu’ils n’ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques arrêtés en fin de semestre, n’ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis conformément aux prescriptions prévues par ou en vertu de la loi et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1°  complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également n’avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n’ont pas été établis, pour ce qui est des données comptables y figurant, par application des règles de comp- tabilisation et d’évaluation qui ont présidé à l’établissement 621 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 met betrekking tot het laatste boekjaar. De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Art. 492 De erkende commissarissen aangesteld bij een in arti- kel 489 bedoelde onderneming brengen ook verslag uit bij de Bank over de resultaten van de controle van de periodieke staten die de gemengde financiële holding aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgt, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de voorschriften die door of krachtens de wet en de instructies van de Bank zijn vastgesteld. Bovendien bevestigen zij dat deze staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake: 1° volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevat- ten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en 2° juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. Zij bevestigen eveneens dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld, voor wat de boekhoud- kundige gegevens betreft, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening. De Bank kan de hier bedoelde staten nader bepalen. Art. 493 De erkende commissarissen aangesteld bij een in ar- tikel 489 bedoelde onderneming brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de in de artike- len 457 tot 460 en de artikelen 490 tot 492 bedoelde aspecten. Art. 494 In het kader van hun opdracht bij de gemengde financiële holding, of een revisorale opdracht bij een met de gemengde financiële holding verbonden onderneming, brengen de erkende commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank zodra zij kennis krijgen van beslissingen, feiten of, in voorkomend geval, ontwikkelingen: 1° die een betekenisvolle invloed hebben of kunnen hebben op de situatie van de groep vanuit financieel oogpunt of vanuit het oogpunt van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle; 2° die een schending kunnen uitmaken van het Wetboek van Vennootschappen, van de statuten of van deze wet of des états périodiques afférents au dernier exercice. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états périodiques visés. Art. 492 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 489 font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des états périodiques transmis par la compagnie financière mixte à la Banque à la fin de l’exercice social, confirmant qu’ils sont, sous tous égards significative- ment importants, établis conformément aux prescriptions pré- vues par ou en vertu de la loi et aux instructions de la Banque. Ils confirment en outre que ces états arrêtés en fin d’exer- cice comptable sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu’ils sont: 1°  complets, c’est-à-dire qu’ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et 2° corrects, c’est-à-dire qu’ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d’exercice ont été établis, pour les données comptables y figurant, par application des règles de comptabilisation et d’évaluation présidant à l’établissement des comptes annuels. La Banque peut préciser quels sont en l’occurrence les états visés. Art. 493 Les commissaires agréés désignés dans une entreprise visée à l’article 489 font à la Banque, à sa demande, des rap- ports spéciaux portant sur les aspects visés aux articles 457 à 460 et aux articles 490 à 492. Art. 494 Dans le cadre de leur mission auprès de la compagnie financière mixte, ou d’une mission révisorale auprès d’une entreprise liée à la compagnie financière mixte, les commis- saires agréés font d’initiative rapport à la Banque dès qu’ils constatent des décisions, des faits ou, le cas échéant, des évolutions: 1° qui influencent ou peuvent influencer de façon signifi- cative la situation du groupe sous l’angle financier ou sous l’angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne; 2°  qui peuvent constituer une violation du Code des sociétés, des statuts ou de la présente loi et des arrêtés et 622 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de besluiten en reglementen die in uitvoering van deze wet worden genomen met betrekking tot de gemengde financiële holding; 3° die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de geconsolideerde jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud. Art. 495 De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden door de gemengde financiële holding, door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht of door beide samen gedragen. Art. 496 De erkende commissarissen delen aan de leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verslagen mee die zij richten aan de Bank in overeenstemming met arti- kel 494. Deze mededelingen zijn onderworpen aan artikel 306. Zij bezorgen aan de Bank een kopie van de mededelingen die zij richten aan deze leiding en die zaken betreffen die van belang kunnen zijn voor het door haar uitgeoefende toezicht. Art. 497 Geen enkele burgerlijke, straf- of disciplinaire vordering mag worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie mag worden uitgesproken tegen de erkende commissarissen die te goeder trouw zijn overgegaan tot de mededeling van gegevens bedoeld in artikel 495. Art. 498 Wanneer de moederonderneming een in artikel 451, eer- ste lid, 2° bedoelde gemengde financiële holding is, met zetel in een andere lidstaat, die betrokken is in het door de Bank uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht , wordt de opdracht bepaald bij de artikelen 489, § 2 tot 494 op over- eenkomstige wijze uitgeoefend door de erkende commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze gemengde financiële holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt de bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die aangesteld is bij een gereglementeerde onderneming naar Belgisch recht die onder het toezicht van de Bank staat en dochteronderneming is van de bedoelde gemengde financiële holding. Art. 499 De erkende commissarissen aangesteld bij verzeke- rings- of herverzekeringsondernemingen, of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig de artikelen 488 tot 498, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage règlements pris pour son exécution en ce qui concerne la compagnie financière mixte; 3° qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes annuels consolidés. Art. 495 Les frais pour l’établissement de ces rapports sont pris en charge par la compagnie financière mixte, par l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge ou par les deux ensemble. Art. 496 Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants de l’entreprise d’assurance ou de réassurance les rapports qu’ils adressent à la Banque conformément à l’article 494. Ces communications sont soumises à l’article 306. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu’ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des ques- tions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle. Art. 497 Aucune action civile, pénale, ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à la communication d’une information visée sous l’article 495. Art. 498 Lorsque l’entreprise mère est une compagnie financière mixte visée à l’article 451, alinéa 1er, 2°, dont le siège est établi dans un autre État membre et incluse dans la surveillance complémentaire des conglomérats exercé par la Banque, la mission définie aux articles 489, § 2 à 494 est exercée par analogie par le commissaire agréé désigné avec une tâche comparable auprès de cette compagnie financière mixte. À défaut d’un tel commissaire, la mission visée est exercée par le commissaire désigné auprès d’une entreprise réglementée de droit belge qui se trouve sous le contrôle de la Banque et est une filiale de la compagnie financière mixte visée. Art. 499 Les commissaires agréés désignés auprès d’entreprises d’assurance ou de réassurance, ou de compagnies finan- cières mixtes de droit belge conformément aux articles 488 à 498, ont, pour l’exercice de leur mission telle que visée à ces articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous 623 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in alle documenten en stukken die uitgaan zowel van de in het financieel conglomeraat opgenomen dochteronderne- mingen, als van de in artikel 483, § 1, tweede lid bedoelde ondernemingen. Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid. Afdeling IV Andere financiële groepen Art. 500 Indien in andere dan de in artikel 451 bedoelde gevallen een onderneming een deelneming of een andere kapitaal- binding heeft met één of meer andere ondernemingen, of, buiten een deelneming of andere kapitaalbinding, op der- gelijke ondernemingen invloed van betekenis uitoefent, en een van de voormelde ondernemingen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht is, kan de Bank, in haar hoedanigheid van relevante bevoegde autori- teit, samen met de andere relevante bevoegde autoriteiten, in gemeenschappelijk overleg beslissen een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen op de gereglemen- teerde ondernemingen in de groep. De relevante bevoegde autoriteiten bepalen gezamenlijk de modaliteiten van dit aanvullende conglomeraatstoezicht, en meer in het bijzonder welke artikelen van dit Hoofdstuk betreffende het aanvul- lende conglomeraatstoezicht van toepassing zijn. Zij nemen hun beslissing met inachtneming van de doelstellingen van het aanvullende conglomeraatstoezicht als bepaald in dit Hoofdstuk en houden daarbij rekening met de internationale beginselen inzake aanvullend conglomeraatstoezicht. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid moet voldaan worden aan de voorwaarden van artikel 340, 2°, a)  ii) en iii) of b), ii) en iii). Art. 501 De bevoegde autoriteit die belast is met het aanvullende conglomeraatstoezicht op de groep wordt aangeduid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 471. Indien met toepassing van artikel 500, eerste lid beslist wordt een aanvullend conglomeraatstoezicht uit te oefenen, is het bepaalde bij artikel 453, § 2 op overeenkomstige wijze van toepassing. Afdeling V Moederondernemingen uit derde landen Art. 502 Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht met als moederonderneming een les documents et pièces émanant tant des filiales reprises dans le conglomérat financier que des entreprises visées à l’article 483, § 1er, alinéa 2. Les dispositions de l ’article 35  de la loi du 22 février 1998 s’appliquent en ce qui concerne les informa- tions dont ils ont pris connaissance en exécution de l’alinéa 1er. Section IV Autres groupes financiers Art. 500 Si, dans des cas autres que ceux visés à l’article 451, une entreprise a une participation dans, ou un autre lien en capital avec, une ou plusieurs autres entreprises, ou, en dehors de toute participation ou de tout autre lien en capital, exerce une influence notable sur de telles entreprises, et que l’une des entreprises précitées soit une entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge, la Banque peut, en sa qualité d’autorité compétente relevante, décider en concertation avec les autres autorités compétentes relevantes d’exercer une surveillance complémentaire des conglomérats sur les entreprises réglementées du groupe. Les autorités compé- tentes relevantes définissent conjointement les modalités de cette surveillance complémentaire des conglomérats, et déterminent en particulier les articles du présent Chapitre concernant la surveillance complémentaire des conglomé- rats qui sont applicables. Elles prennent leur décision dans le respect des objectifs de la surveillance complémentaire des conglomérats tels que définis par le présent Chapitre, et tiennent compte dans ce cadre des principes internationaux en matière de surveillance complémentaire des conglomérats. Pour l’application des dispositions de l’alinéa 1er, il doit être satisfait aux conditions de l’article 340, 2°, a), ii) et iii), ou b), ii) et iii). Art. 501 L’autorité compétente chargée de la surveillance com- plémentaire des conglomérats est désignée par application analogue des dispositions de l’article 471. Si, par application de l’article 500, alinéa 1er, il est décidé de procéder à une surveillance complémentaire des conglo- mérats, les dispositions de l’article 453, § 2, sont applicables par analogie. Section V Entreprises mères établies dans un pays tiers Art. 502 Les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge dont l’entreprise mère est une entreprise réglementée 624 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een fi- nancieel conglomeraat of een gemengde financiële holding met zetel in een derde land, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het door de Bank of een andere bevoegde autoriteit uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig dit Hoofdstuk, 0wor- den aan een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling. Art. 503 § 1. De Bank verifieert of de in artikel 502 bedoelde ver- zekerings- of herverzekeringsondernemingen onderworpen zijn aan een door een bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het aanvullende conglomeraatstoezicht overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk. Zij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in artikel 502 bedoelde moederondernemingen of van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming naar Belgisch recht. Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de Bank de andere bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaar- digheid van het bedoelde toezicht. Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de Bank rekening met de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité over- eenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening  1093/2010, Verordening 1094/2010 of Verordening  1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG: §  2.  Indien met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG een andere bevoegde autoriteit dan de Bank coördinator is, geschiedt de verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde auto- riteit en kan de Bank haar bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen. Wanneer de Bank van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit overeenkomstig het eerste lid genomen besluit, is artikel 17, naargelang van het geval, van Verordening 1094/2010, van Verordening 1093/2010 of van Verordening 1095/2010 van toepassing. § 3. Indien de procedure in de paragrafen 1 en 2 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen naar Belgisch recht onderworpen aan een aanvullend conglomeraatstoezicht, met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van paragraaf 1, eerste lid, door de Bank indien zij de bevoegde autoriteit is die belast zou zijn met het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van artikel 471. In afwijking van het eerste lid kan de Bank, na overleg met de andere relevante bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die à la tête d’un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte ayant son siège social dans un pays tiers, et qui ne font pas déjà l’objet ou ne relèvent pas encore de la portée de la surveillance complémentaire des conglomérats conformément au présent Chapitre, exercée par la Banque ou par une autre autorité compétente, sont soumises à une surveillance complémentaire des conglomérats conformé- ment aux dispositions de la présente Section. Art. 503 § 1er. La Banque vérifie si les entreprises d’assurance ou de réassurance visées à l’article 502 sont soumises à un contrôle exercé par une autorité compétente d’un pays tiers, équivalent à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions du présent Chapitre. Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des entreprises mères visées à l’article 502 ou de l’entreprise d’assurance ou de réassurance de droit belge. Avant de prendre sa décision, la Banque consulte les autres autorités compétentes sur l’équivalence ou non du contrôle visé. En ce qui concerne cette équivalence, la Banque tient compte des directives établies par le comité mixte confor- mément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010, du Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010, relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats confor- mément à la Directive 2002/87/CE.: §  2.  Si, par application analogue des dispositions de l’article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre autorité compétente que la Banque est le coordinateur, la vérification et la consultation sont effectuées par cette autre autorité compé- tente, la Banque pouvant lui communiquer ses constatations et son point de vue sur l’équivalence visée au paragraphe 1er. Lorsque la Banque a un avis différent quant à une décision prise par une autre autorité compétente conformément à l’ali- néa 1er, l’article 17, selon le cas, du Règlement 1094/2010, du Règlement 1093/2010 ou du Règlement 1095/2010 s’applique. § 3. Si la procédure prévue aux paragraphes 1er et 2 per- met de conclure à l’absence d’équivalence, les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge concernées sont soumises à une surveillance complémentaire des conglomérats par application analogue des dispositions du paragraphe 1er, alinéa 1er, effectuée par la Banque si elle est l’autorité compétente qui serait chargée de la surveillance complémentaire des conglomérats par application analogue des dispositions de l’article 471. Par dérogation à l’alinéa 1er, la Banque peut, après concer- tation avec les autres autorités compétentes relevantes, également décider d’appliquer une autre méthode de contrôle 625 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken. De Bank kan meer bepaald eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opge- richt naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en de be- palingen van dit Hoofdstuk toepassen op het niveau van het financieel conglomeraat met aan het hoofd deze gemengde financiële holding. In dat geval stelt de Bank de overige relevante bevoegde autoriteiten en de Europese Commissie in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid. Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de Bank de nodige overeenkomsten met de relevante bevoegde autoriteiten. TITEL VI In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- of herverzekerings-ondernemingen HOOFDSTUK I Evenwicht van de tarieven Art. 504 Indien de Bank vaststelt of indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar ervan in kennis stelt dat de toepassing van één van haar tarieven verlieslatend is of dreigt te worden, kan de Bank eisen dat de betrokken onderneming dit tarief in evenwicht brengt. Dit in evenwicht brengen van het tarief kan een aanpassing van de dekkingsvoorwaarden inhouden. In afwijking van artikel 41 van de Wet Verzekeringen en onverminderd het opzeggingsrecht van de verzekeringnemer, wordt de tariefverhoging voor levensverzekerings- en -her- verzekeringsovereenkomsten toegepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 216, § 3. Art. 505 Wanneer de overeenkomsten waarop artikel 504 betrek- king heeft, andere dan beroepsgebonden ziekteverzeke- ringsovereen-komsten in de zin van artikel 202 van de Wet Verzekeringen zijn, raadpleegt de Bank de FSMA vooraleer een beslissing te nemen. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een maand na ontvangst van het verzoek om adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des dispositions visées au paragraphe 2, alinéa 1er. La Banque peut en particulier exiger que les entreprises d’assurance ou de réassurance de droit belge et les éven- tuelles autres entreprises réglementées constituées selon le droit d’un État membre soient incluses dans un groupe ayant à sa tête une compagnie financière mixte constituée selon le droit d’un État membre, et appliquer les dispositions du présent Chapitre au niveau du conglomérat financier ayant à sa tête cette compagnie financière mixte. Dans ce cas, la Banque avise les autres autorités com- pétentes relevantes et la Commission européenne de toute décision prise en application des alinéas 2 et 3. Pour l’application des alinéas 1er à 4, la Banque conclut les accords nécessaires avec les autorités compétentes relevantes. TITRE VI Des entreprises d’assurance ou de réassurance en difficulté ou en situation irrégulière CHAPITRE IER Mise en équilibre des tarifs Art. 504 Si la Banque constate ou si une entreprise d’assurance ou de réassurance l’informe que l’application d’un de ses tarifs donne lieu ou risque de donner lieu à des pertes, la Banque peut exiger que cette entreprise mette ce tarif en équilibre. La mise en équilibre du tarif peut comporter une adaptation des conditions de couverture. Par dérogation à l’article 41 de la Loi assurances et sans préjudice du droit de résiliation dans le chef du preneur d’assurance, le relèvement d’un tarif s’applique pour ce qui concerne les contrats d’assurance et de réassurance vie, de la manière prévue à l’article 216, § 3. Art. 505 Lorsque les contrats concernés par l’article 504 consistent dans des contrats d’assurance-maladie non liés à l’activité professionnelle au sens de l’article 202 de la Loi assurances, la Banque consulte la FSMA avant de prendre sa décision. La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis. 626 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 advies. Bij gebreke van advies binnen deze termijn wordt ervan uitgegaan dat zij geen opmerkingen heeft. Art. 506 De verhoging van een tarief is niet onderworpen aan de verplichting tot prijsverhogingsaangifte als bedoeld in de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglemen- tering en de prijzen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. Art. 507 De Bank stelt de FSMA en de Prijzencommissie in kennis van de beslissing tot tariefverhoging van een verzekerings onderneming. De Bank laat tevens in het Belgisch Staatsblad een uit- treksel van de beslissing publiceren, waarin het percentage van de toegestane verhoging wordt vermeld. HOOFDSTUK II Herstelmaatregelen Afdeling I Dwingende maatregelen Art. 508 § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -regle- menten of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/ EG, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. § 2 Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de Bank te allen tijde: 1° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing voor de berekening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; 2° de verdeling van winstdelingen en restorno’s of de toe- kenning van verdeelde winstdelingen beperken of verbieden, na raadpleging van de FSMA; 3° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van kernkapitaal- instrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot À défaut d’avis dans ce délai, il est considéré qu’elle n’a pas d’observation à formuler. Art. 506 Le relèvement d’un tarif n’est pas soumis à l’obliga- tion de déclaration des hausses de prix visée par la loi du 22 janvier 1945 sur la réglementation économique et les prix et par ses arrêtés d’exécution. Art. 507 La Banque informe la FSMA et la Commission des prix de la décision de relèvement du tarif d’une entreprise d’assurance. La Banque fait également procéder à la publication au Moniteur belge d’un extrait de la décision indiquant le pour- centage du relèvement autorisé. CHAPITRE II Mesures de redressement Section Ire Mesures contraignantes Art. 508 § 1er. Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assu- rance ou de réassurance ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règle- ments pris pour son exécution ou les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, ou qu’elle dispose d’éléments indiquant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze pro- chains mois, la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation. § 2. Aussi longtemps qu’il n’a pas été remédié par l’entre- prise d’assurance ou de réassurance à la situation visée au paragraphe 1er, la Banque peut, à tout moment: 1° imposer l’application de règles particulières en matière d’évaluation ou d’ajustement de valeur pour le calcul des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; 2° limiter ou interdire la répartition de participations aux bénéfices et de ristournes ou l’attribution de participations bénéficiaires réparties, après consultation de la FSMA; 3° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d’intérêts, aux actionnaires ou aux titulaires d’instruments de fonds propres de base, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait 627 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997; 4° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen; 5° eisen dat de variabele component van de beloning van de personen waarop het beloningsbeleid van toepassing is, beperkt wordt tot een percentage van de winst; 6° specifieke liquiditeitsnormen opleggen, die dwingen- der zijn dan deze waarin voorzien is door reglementen die in voorkomend geval met toepassing van deze wet zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van mis- matches tussen activa en passiva van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 7° eisen dat de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming het risico dat verbonden is aan bepaalde activiteiten of producten of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leg- gen van haar bedrijf of haar net; 8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter be- perking van de blootstellingen die van toepassing zijn op de activa en die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet; 9° een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG , met name voor de rapportering over risico’s, eigen vermogen of liquiditeitsposities; 10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG; § 3.Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatregelen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredi- gend zijn, heft zij volgens de modaliteiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten. Afdeling II Uitvoering van het herstelplan Art. 509 Zolang de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de toestand bedoeld in artikel 508, § 1 niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van het genoemde artikel, kan de Bank te allen tijde en volgens de modaliteiten die zij bepaalt, eisen dat de onderneming het n’entraîne pas les conditions d’ouverture d’une procédure de liquidation en application des dispositions de la loi du 8 août 1997 sur les faillites; 4° imposer la mise en réserve totale ou partielle des béné- fices distribuables; 5° imposer de limiter la composante de la rémunération variable des personnes visées par la politique de rémunéra- tion à un pourcentage du bénéfice; 6°  imposer des normes spécifiques de liquidité, plus contraignantes que celles définies par des règlements le cas échéant adoptés en application de la présente loi, en ce com- pris des limitations aux asymétries d’échéance entre actifs et passifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance; 7° imposer que l’entreprise d’assurance ou de réassurance diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau; 8° imposer des normes en matière de concentration des risques ou de limitation des expositions applicables aux actifs plus contraignantes que celles définies par ou en vertu de la présente loi; 9° imposer une obligation d’information (reporting) supplé- mentaire ou imposer une fréquence d’information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/ CE, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité; 10° imposer la publication d’informations plus complètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE; § 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises par l’entreprise d’assurance ou de réassurance dans le délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités qu’elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en application du paragraphe 2. Section II Mise en œuvre du plan de redressement Art. 509 Aussi longtemps que l’entreprise d’assurance ou de réas- surance n’a pas remédié à la situation visée à l’article 508, § 1er, et sans préjudice des mesures visées au paragraphe 2 dudit article, la Banque peut à tout moment, et selon les modalités qu’elle détermine, requérir que l’entreprise mette 628 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 met toepassing van artikel 204 opgestelde herstelplan geheel of gedeeltelijk uitvoert. Afdeling III Saneringsplan en plan inzake financiering op korte termijn Art. 510 § 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het solvabiliteits- kapitaalvereiste als bedoeld in artikel 151, of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis. Binnen twee maanden na de vaststelling bedoeld in het eer- ste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een realistisch saneringsplan in om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste binnen uiterlijk zes maan- den. De Bank kan deze termijn met drie maanden verlengen indien zij dit nodig acht. § 2. Het saneringsplan bevat ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetailleerde beschrijving van de vol- gende elementen of de desbetreffende rechtvaardigingen: 1° een raming van de te verwachten beheerkosten, met name van de algemene kosten en de commissies; 2° een raming van de ontvangsten en uitgaven, zowel wat het rechtstreekse verzekeringsbedrijf als de aangenomen herverzekeringen en de overdrachten uit hoofde van herver- zekering betreft; 3° een balansprognose; 4° een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, en van het solvabiliteitskapi- taalvereiste en het minimumkapitaalvereiste; 5° het algemene onderschrijvings- en tariferingsbeleid; 6° het algemene herverzekerings- of retrocessiebeleid; 7° de relevante bepalingen van het ter uitvoering van de artikelen 204 tot 206 opgestelde herstelplan. De Bank kan alle aanvullende informatie of rechtvaardi- gingen eisen die zij noodzakelijk acht voor de beoordeling van het plan. § 3. In uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als be- doeld in artikel 138, lid 4 van Richtlijn 2009/138/EG, die als zodanig worden aangemerkt door EIOPA, kan de Bank de in en œuvre tout ou partie du plan de redressement élaboré en application de l’article 204. Section III Programme de rétablissement et plan de financement à court terme Art. 510 § 1er. Dès qu’elle constate que son capital de solvabi- lité requis n’est plus conforme aux exigences prévues par l’article 151 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance ou de réassu- rance en informe immédiatement la Banque. Dans les deux mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de la notification effectuée par la Banque selon laquelle elle a procédé à un tel constat, l’entreprise soumet à la Banque, pour approbation, un programme de rétablissement réaliste visant à rétablir le niveau de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis dans un délai n’excédant pas six mois. La Banque peut, si elle l’estime nécessaire, prolonger ce délai de trois mois. § 2. Le programme de rétablissement comprend au moins pour les trois exercices financiers subséquents, une descrip- tion détaillée des éléments suivants, ou les justifications y afférentes: 1°  une estimation prévisionnelle des frais de gestion, notamment des frais généraux et des commissions; 2° une estimation des recettes et des dépenses, tant pour les affaires directes que pour les acceptations et les cessions en réassurance; 3° un bilan prévisionnel; 4° une estimation des ressources financières devant servir à la couverture des provisions techniques, ainsi que du capital de solvabilité requis et du minimum de capital requis; 5° la politique générale de souscription et de tarification; 6° la politique générale en matière de réassurance ou de rétrocession; 7° les dispositions pertinentes du plan de redressement établi en exécution des articles 204 à 206. La Banque peut exiger tout complément d’information ou de justification qu’elle estime nécessaire à l’évaluation du plan. § 3. En cas de situation défavorable exceptionnelle telle que visée à l’article 138, paragraphe 4 de la Directive 2009/138/ CE et déclarée comme telle par l’EIOPA, la Banque peut 629 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 paragraaf 1, tweede lid bedoelde termijn voor de desbetref- fende onderneming verlengen met een periode van maximum zeven jaar, rekening houdend met alle relevante factoren, en met name met de gemiddelde looptijd van de technische voorzieningen. De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt ingetrok- ken als uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onderneming in het licht van de in het tweede lid bedoelde doelstellingen. Art. 511 § 1. Zodra een verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming vaststelt dat zij niet meer voldoet aan het minimumkapi- taalvereiste als bedoeld in artikel 189, of dat het gevaar dreigt dat zij er in de komende drie maanden niet meer aan voldoet, stelt ze de Bank daarvan onmiddellijk in kennis. Binnen een maand na de vaststelling bedoeld in het eerste lid of de kennisgeving door de Bank van het feit dat zij een dergelijke vaststelling heeft gedaan, dient de onderneming bij de Bank ter goedkeuring een realistisch plan inzake fi- nanciering op korte termijn in om het in aanmerkend komend kernvermogen binnen uiterlijk drie maanden op het niveau van het minimumkapitaalvereiste terug te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste. § 2. Het plan inzake financiering op korte termijn bevat ten minste voor de volgende drie boekjaren een gedetailleerde beschrijving van de in artikel 510, § 2 bedoelde elementen en de desbetreffende rechtvaardigingen. Art. 512 Zolang het in artikel 510 bedoelde saneringsplan of het in artikel 511 bedoelde plan inzake financiering op korte ter- mijn loopt en de Bank van oordeel is dat de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsover- eenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, onthoudt zij zich van de afgifte van de in artikel 109, eerste lid en artikel 116, eerste lid bedoelde solvabiliteitsattesten. prolonger, pour l’entreprise affectée, le délai visé au para- graphe 1er, alinéa 2 d’une durée maximale de sept ans compte tenu de tous les facteurs pertinents et notamment de la durée moyenne des provisions techniques. L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée soumet tous les trois mois à la Banque un rapport intermé- diaire exposant les mesures prises et les progrès accomplis pour rétablir le niveau de fonds propres éligibles corres- pondant au capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. La prolongation visée à l’alinéa 1er est retirée lorsque le rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès significatif n’a été accompli par l’entreprise au regard des objectifs visés à l’alinéa 2. Art. 511 § 1er. Dès qu’elle constate que son minimum de capital requis n’est plus conforme aux exigences prévues par l’article 189 ou qu’il risque de ne plus l’être dans les trois prochains mois, toute entreprise d’assurance ou de réassu- rance en informe immédiatement la Banque. Dans le mois du constat visé à l’alinéa 1er ou de la notifica- tion effectuée par la Banque selon laquelle elle a procédé à un tel constat, l’entreprise soumet à la Banque, pour appro- bation, un plan de financement à court terme réaliste visant à rétablir, dans un délai n’excédant pas trois mois, les fonds propres de base éligibles au moins au niveau du minimum de capital requis ou à réduire son profil de risque pour garantir la conformité du minimum de capital requis. § 2. Le plan de financement à court terme comporte au moins, pour les trois exercices financiers subséquents, une description détaillée des éléments visés à l’article 510, § 2 et les justifications s’y rapportant. Art. 512 Aussi longtemps que le programme de rétablissement visé à l’article 510 ou le plan de financement à court terme visé à l’article 511 est en cours et que la Banque estime que les droits des preneurs d’assurance, des assurés ou des bénéficiaires ou le respect des droits découlant des contrats de réassurance, sont menacés, elle s’abstient de délivrer les attestations de solvabilité visées aux articles 109, alinéa 1er et 116, alinéa 1er. 630 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Beperking van de bevoegdheid om over de activa te beschikken Art. 513 Onverminderd de andere maatregelen die door of krach- tens de wet zijn vastgelegd, kan de Bank de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringson- derneming, waar zij zich ook bevinden, beperken of ontnemen in de volgende gevallen: 1° indien de onderneming zich niet conformeert aan de bepalingen van de artikelen 124 tot 139 voor wat de technische voorzieningen betreft; 2° in de uitzonderlijke omstandigheid dat de Bank, wanneer de onderneming een saneringsplan heeft ingediend of moet indienen krachtens artikel 510, van oordeel is dat de financiële positie van de onderneming verder zal verslechteren; 3° indien niet meer wordt voldaan aan het overeenkomstig artikel 189 vastgestelde minimumkapitaalvereiste; 4° indien de solvabiliteitspositie van de onderneming blijft verslechteren of de belangen van de verzekeringnemers, de verzekerden of de begunstigden van de verzekerings- overeenkomsten of de naleving van de rechten die uit de herverzekeringsovereenkomsten voortvloeien, in het gedrag komen, ondanks de uitvoering van een saneringsplan of een plan inzake financiering op korte termijn. Art. 514 § 1. Het verbod op de vrije beschikking over de in België gelokaliseerde activa dat met toepassing van artikel 513 wordt opgelegd, wordt door de volgende bepalingen beheerst: 1° Zonder dat een dergelijke mededeling een voorwaarde uitmaakt voor het verbod, bezorgt de onderneming aan de Bank een volledige inventaris van haar activa, met inbegrip van de andere activa dan deze die ter dekking van de tech- nische voorzieningen worden aangehouden. Voor elke daad van beschikking of toewijzing met betrekking tot die activa is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist. 2° Voor de activa die op een rekening zijn ingeschreven, beveelt de Bank de in bewaring nemende instelling de reke- ning te blokkeren. Voor de andere voor bewaargeving vatbare activa beveelt de Bank de onderneming ze onmiddellijk in bewaring te geven op een bijzondere rekening ter verwezen- lijking van de blokkering van de activa bij een kredietinstelling, beursvennootschap of buitenlandse beleggingsonderneming waarvan de vergunning het in ontvangst nemen van tegoeden dekt en die onder een lidstaat ressorteert. De in bewaring nemende instellingen mogen de activa die ze voor rekening van de verzekerings- of herverzekerings- onderneming in bewaring houden, slechts teruggeven op Section IV Limitation du pouvoir de disposer des actifs Art. 513 Sans préjudice des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, la Banque peut restreindre ou interdire la libre disposition des actifs d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, quelle que soit leur localisation, dans les cas suivants: 1° si l’entreprise ne se conforme pas aux dispositions des articles 124 à 139 en ce qui concerne les provisions techniques; 2° dans la circonstance exceptionnelle où, lorsque l’entre- prise a soumis ou est tenue de soumettre un programme de rétablissement en vertu de l’article 510, la Banque est d’avis que la situation financière de l’entreprise va se détériorer davantage; 3° si le minimum de capital requis n’est plus conforme aux dispositions de l’article 189; 4° si, malgré la mise en œuvre d’un programme de réta- blissement ou d’un plan de financement à court terme, la solvabilité de l’entreprise continue à se détériorer ou que les intérêts des preneurs d’assurance, des assurés ou des bénéficiaires des contrats d’assurance ou le respect des droits découlant des contrats de réassurance sont menacés. Art. 514 § 1er. L’interdiction de la libre disposition des actifs localisés en Belgique en application de l’article 513 est régie par les dispositions suivantes: 1° Sans qu’une telle communication ne constitue un préa- lable à l’interdiction, l’entreprise communique à la Banque un inventaire complet de ses actifs, en ce compris les actifs autres que ceux détenus pour couvrir les provisions techniques. Tout acte de disposition ou d’affectation de ces actifs est subor- donné à l’autorisation préalable de la Banque. 2°  Pour les actifs faisant l’objet d’une inscription en compte, la Banque ordonne à l’organisme dépositaire le blocage du compte. Pour les autres actifs susceptibles de dépôt, la Banque ordonne à l’entreprise le dépôt immédiat sur un compte spécial matérialisant le blocage des actifs ouvert auprès d’un établissement de crédit, d’une société de bourse ou d’une entreprise d’investissement étrangère dont l’agrément couvre la réception d’avoirs, relevant du droit d’un État membre. Les organismes dépositaires ne peuvent restituer les actifs qu’ils détiennent pour compte de l’entreprise d’assurance ou de réassurance que sur production de l’autorisation de 631 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 voorlegging van de toestemming van de Bank. Deze laatste brengt de in bewaring nemende instellingen op de hoogte van de verplichtingen die krachtens dit artikel op hen rusten. Deze instellingen worden verantwoordelijk gehouden voor de geldelijke verliezen die voortvloeien uit de niet-naleving van de op hen rustende verplichtingen die vastgesteld zijn in dit lid. 3° De in België gestorte bedragen ter uitvoering van vorde- ringen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden gestort op een bijzondere geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling naar Belgisch recht of die onder een lidstaat ressorteert, en vallen onder dezelfde regeling als de activa bedoeld in 1°. 4° Wat de andere activa betreft die niet voor bewaargeving vatbaar zijn, kan de Koning, op advies van de Bank, de regels vaststellen inzake de bewarende maatregelen die op deze activa van toepassing kunnen zijn. 5° De onroerende activa zijn onderworpen aan een wet- telijke hypotheek ten bate van de gezamenlijke schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering. De inschrijving wordt gevorderd door de Bank, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 82 tot 87 van de hypotheekwet. De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd met instemming van de Bank, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 92 tot 95 van de hypotheekwet. De kosten en rechten van inschrijving, doorhaling en ver- mindering komen ten laste van de betrokken onderneming. 6° De Bank kan zich met een aangetekende brief aan de hypotheekbewaarders verzetten tegen de doorhaling of de vermindering van de hypotheek verleend door een derde ten bate van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming. §  2. De roerende dekkingswaarden die het voorwerp uitmaken van de bepalingen van paragraaf 1 zijn niet voor beslag vatbaar, tenzij in het voordeel van de schuldeisers die houders zijn van rechten die te goeder trouw zijn verkregen krachtens een formaliteit vervuld vóór de toewijzing van de betreffende waarden als dekkingswaarden. Art. 515 De Bank stelt de toezichthouders van de betrokken lidsta- ten van ontvangst vooraf in kennis van haar voornemen om de vrije beschikking over de activa te beperken of te ontnemen. De Bank kan de toezichthouders van de lidstaten op het grondgebied waarvan de activa van de onderneming gelokali- seerd zijn, verzoeken de nodige maatregelen te nemen om de effectiviteit te verzekeren van de beperking van of het verbod op de vrije beschikking over die activa. De Bank bepaalt op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn. la Banque. Celle-ci informe les organismes dépositaires des obligations qui leur incombent en vertu du présent article. Ces organismes sont tenus responsables des pertes de valeur résultant du non-respect de leurs obligations prévues au présent alinéa. 3° Les sommes versées en Belgique en exécution des créances de l’entreprise d’assurance ou de réassurance sont versées sur un compte spécial et bloqué auprès d’un établis- sement de crédit de droit belge ou relevant du droit d’un État membre, et suivent le même régime que les actifs visés au 1°. 4° En ce qui concerne les autres actifs non susceptibles de dépôt, le Roi peut, sur avis de la Banque, fixer les règles relatives aux mesures conservatoires auxquelles ils peuvent être soumis. 5° Les actifs immobiliers sont soumis à une hypothèque légale au profit de l’ensemble des créanciers d’assurance ou de réassurance. L’inscription est requise par la Banque dans les conditions prévues aux articles 82 à 87 de la loi hypothécaire. L’inscription est radiée ou réduite du consentement de la Banque dans les conditions prévues aux articles 92 à 95 de la loi hypothécaire. Les frais et droits relatifs à l’inscription, à la radiation et à la réduction sont à charge de l’entreprise concernée. 6° La Banque peut, par lettre recommandée adressée aux conservateurs des hypothèques, s’opposer à la radiation ou la réduction de l’hypothèque consentie par un tiers au profit de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. § 2. Les valeurs représentatives mobilières qui font l’objet des dispositions du paragraphe 1er sont insaisissables, sauf au profit des créanciers titulaires de droits acquis de bonne foi en vertu d’une formalité accomplie avant l’affectation desdites valeurs au titre de valeurs représentatives. Art. 515 La Banque informe préalablement les autorités de contrôle des États membres d’accueil concernés de son intention de restreindre ou d’interdire la libre disposition des actifs. La Banque peut demander aux autorités de contrôle des États membres sur le territoire desquels sont situés les actifs de l’entreprise de prendre les mesures nécessaires en vue d’assurer l’effectivité de la restriction ou de l’interdiction de la libre disposition de ces actifs. La Banque désigne les actifs visés par ces mesures. 632 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 516 Op verzoek van een toezichthouder van een lidstaat kan de Bank overeenkomstig artikel 513 de vrije beschikking over de activa van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onder die lidstaat ressorteert, beperken of ontnemen in- dien die activa op het Belgische grondgebied gelokaliseerd zijn en door deze toezichthouder zijn aangeduid. Afdeling V Uitzonderlijke herstelmaatregelen Art. 517 § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 508, § 2 genomen maatregelen, of dat zij de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 508, § 1 vastgestelde termijn niet heeft verholpen, kan de Bank, onverminderd de andere bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld: 1° een speciaal commissaris aanstellen. In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de onderneming, alsook voor die van de perso- nen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de onderneming, inclusief de algemene vergadering. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per- sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor derden. Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commis- saris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming vereist is, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vast- gesteld door de Bank en gedragen door de onderneming. De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen; 2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en/of in voorkomend geval van de personen belast met de effectieve leiding van Art. 516 À la demande d’une autorité de contrôle d’un État membre, la Banque peut restreindre ou interdire conformément à l’article 513 la libre disposition des actifs appartenant à une entreprise d’assurance ou de réassurance relevant du droit de cet État qui sont localisés sur le territoire belge et que cette autorité a désignés. Section V Mesures de redressement exceptionnelles Art. 517 § 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi, lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l’article 508, § 2, ou qu’à l’issue du délai fixé en application de l’article 508, § 1er, elle n’a pas remédié à la situation, la Banque peut: 1° désigner un commissaire spécial. Dans ce cas, l’autorisation écrite, générale ou spéciale, de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l’entreprise et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l’entreprise, y compris l’assemblée générale, toute proposition qu’il juge opportune. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l’auto- risation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’entreprise ou les tiers. Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu’elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision d’assemblée générale prise sans avoir recueilli l’autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par l’entreprise. La Banque peut désigner un commissaire suppléant; 2°  enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l’organe légal d’administration et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective 633 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen ver- vanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderneming een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of colle- giaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad. Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderneming. Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen. De Bank kan volgens de modaliteiten die zij bepaalt eisen dat de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) aan haar verslag uitbrengen over de financiële positie van de onder- neming en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht. De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderneming. De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt; 3° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelas- ten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt; 4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of on- rechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de onderneming geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden. Deze schor- sing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben, zonder dat deze schor- sing langer mag duren dan twee maanden of een reden mag zijn voor niet-betaling van de premies die reeds verschuldigd waren vóór de datum van de schorsingsmaatregel. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de per- sonen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de onderneming of voor derden. Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig; 5° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ge- lasten de aandelen over te dragen die zij bezit; de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, dans un délai qu’elle fixe et, à défaut d’un tel remplacement dans ce délai, substituer à l’ensemble des organes d’administration et de gestion de l’entreprise un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge. Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d’un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires sans procéder préalablement à l’injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l’entreprise. Moyennant l’autorisation de la Banque, le ou les admi- nistrateurs ou gérants provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l’ordre du jour. La Banque peut requérir, selon les modalités qu’elle déter- mine, que le ou les administrateurs ou gérants provisoires lui fassent rapport sur la situation financière de l’entreprise et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la Banque et supportée par l’entre- prise concernée. La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d’office, soit à la demande d’une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires; 3° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de convoquer, dans le délai qu’elle fixe, une assemblée géné- rale des actionnaires, dont elle établit l’ordre du jour; 4° suspendre, pour la durée qu’elle détermine, l’exercice direct ou indirect de tout ou partie de l’activité de l’entreprise ou interdire cet exercice. Cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l’exécution des contrats en cours, sans qu’une telle suspension ne puisse excéder deux mois ni constituer une cause de non versement des primes dues avant la date de la mesure de suspension. Les membres des organes d’administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la sus- pension ou de l’interdiction sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l’entreprise ou les tiers. Si la Banque a publié la suspension ou l’interdiction au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l’encontre de celle-ci sont nuls; 5° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de céder des droits d’associés qu’elle détient; 634 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 6° de vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming beperken of ontnemen, in welk geval de artikelen 514 en 515 van toepassing zijn; 7° de verzekerings- of herverzekeringsonderneming gelas- ten een deel of het geheel van haar activiteiten over te dragen, met inbegrip van een deel of het geheel van haar portefeuille, waardoor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit vervallen of lopende verzekerings- of herverzekeringsover- eenkomsten worden overgedragen, alsmede de activa die ter dekking van die verplichtingen worden aangehouden, binnen de termijn die de Bank bepaalt. In dat geval zijn de artikelen 102 tot 106 en artikel 547, § 2, 1° van toepassing; 8° de vergunning herroepen, voor één of meer of voor alle verzekeringstakken waarvoor de verzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen, of voor een deel of het geheel van de activiteiten waarvoor de herverzekeringsonderneming een vergunning heeft verkregen. § 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of indien de vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering dit vereist, de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen. § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de onderneming uitwerking vanaf de datum van de kennisgeving ervan met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van de bekendmaking ervan of de vervulling van de formaliteiten overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1. § 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een verzekerings- of herverzekeringson- derneming een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze. § 5. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijzonder mechanisme heeft ingesteld met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn artikel 508, evenals paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 6° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing. § 6. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, of § 2 van de wet van 2 augustus 2002, kan de Bank de vergunning herroepen op verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet. § 7. De rechtbank van koophandel spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, 1° en 4°. De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de onderne- ming. Indien verantwoord om ernstige redenen, kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de ge- wraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling 6° restreindre ou interdire la libre disposition des actifs de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, les articles 514 et 515 étant applicables;  7° enjoindre à l’entreprise d’assurance ou de réassurance de transférer une partie ou l’ensemble de ses activités, en ce compris tout ou partie de son portefeuille impliquant ainsi la cession des droits et obligations découlant des contrats d’assurance ou de réassurance, échus ou en cours, ainsi que les actifs détenus en couverture de ces obligations dans le délai fixé par la Banque. En ce cas les articles 102 à 106 et l’article 547, § 2, 1° sont d’application; 8° révoquer l’agrément, pour une, plusieurs ou l’ensemble des branches d’assurance pour lesquelles l’entreprise d’assu- rance est agréée ou pour tout ou partie des activités pour lesquelles l’entreprise de réassurance est agréée. § 2. Nonobstant les conditions d’application du paragraphe 1er, en cas d’extrême urgence ou lorsque la sauvegarde des droits des créanciers d’assurance le requiert, la Banque peut adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu’un délai soit préalablement fixé. § 3. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er sortissent leurs effets à l’égard de l’entreprise à dater de leur notification à celle-ci par lettre recommandée ou avec accusé de réception et, à l’égard des tiers, à dater de leur publication ou formalités accomplies conformément aux dispositions du paragraphe 1er. § 4. La Banque peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où une entreprise d’assurance ou de réassurance a obtenu un agrément au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier. § 5. L’article 508, ainsi que le paragraphe 1er, 1°, 2°, 4° et 6° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance a mis en place un mécanisme particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude fiscale par des tiers. § 6. En cas d’infraction grave et systématique aux règles visées à l’article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, ou § 2, de la loi du 2 août 2002, la Banque peut révoquer l’agrément sur demande de la FSMA selon la procédure et les modalités fixées par l’article 36bis de cette même loi. § 7. Le tribunal de commerce prononce à la requête de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er, 1° et 4°. L’action en nullité est dirigée contre l’entreprise. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut sol- liciter en référé la suspension provisoire des actes ou déci- sions attaqués. L’ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l’égard de tous. Au cas où l’acte ou la décision suspendu ou annulé a fait 635 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 of beslissing bekendgemaakt is, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt. Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de onderneming heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietig- heid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding. De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn. Art. 518 De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissingen genomen overeenkomstig de artikelen 504 tot 517 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen. Zij brengt hiervan tevens de toezichthouders op de hoogte van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming een bijkantoor heeft gevestigd of activitei- ten uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten. HOOFDSTUK III Maatregelen ter bescherming van het financiële stelsel Afdeling I Daden van beschikking Art. 519 Indien een van de in artikel 508, § 1, vermelde toestanden van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of in- ternationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de verbintenissen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar rol in het financiële stelsel, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, hetzij op verzoek van de Bank, hetzij op eigen initiatief, na het advies te hebben ingewonnen van de Bank, elke daad van beschikking vaststellen, ten gunste van de Staat om of het even welke andere publiek- of privaatrechtelijke Belgische of buitenlandse persoon, met name elke overdracht, verkoop of inbreng met betrekking tot: 1° activa, passiva of één of meer bedrijfstakken en meer al- gemeen, alle of een deel van de rechten en verplichtingen van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2° al dan niet stemrechtverlenende aandelen die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen, die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn uitgegeven. l’objet d’une publication, l’ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes. Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l’égard de l’entreprise, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l’égard de ces droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages et intérêts s’il y a lieu. L’action en nullité ne peut plus être intentée après l’expi- ration d’un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui. Art. 518 La Banque informe la FSMA des décisions prises confor- mément aux articles 504 à 517 et tient la FSMA informée des suites données aux recours pris contre ces décisions. Elle en informe également les autorités de contrôle des autres États membres dans lesquels l’entreprise d’assurance ou de réassurance a établi des succursales ou exerce des activités sous le régime de la libre prestation de services. CHAPITRE III Mesures de sauvegarde du système financier Section Ire Actes de disposition Art. 519 Lorsqu’une des situations énoncées à l’article 508, § 1er, est susceptible d’affecter la stabilité du système financier belge ou international en raison du volume des engagements de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ou de son rôle dans le système financier, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, soit à la demande de la Banque, soit d’initiative, après avis de la Banque, arrêter tout acte de disposition, en faveur de l’État ou de toute autre personne, belge ou étrangère, de droit public ou de droit privé, notamment tout acte de cession, de vente ou d’apport portant sur: 1° des actifs, des passifs ou une ou plusieurs branches d’activités et plus généralement, tout ou partie des droits et obligations de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée; 2° des titres ou parts, représentatifs ou non du capital, conférant ou non un droit de vote, émis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance. 636 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 520 Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti- kel 519 wordt genomen, bepaalt de schadeloosstelling die betaald moet worden aan de eigenaars van de goederen of de houders van de rechten waarop de in het besluit vastge- stelde daad van beschikking betrekking heeft. Indien de bij het koninklijk besluit aangewezen overnemer een andere persoon is dan de Staat, komt de prijs die volgens de met de Staat gesloten overeenkomst verschuldigd is door de overnemer, als vergoeding toe aan de genoemde eigenaars of houders, volgens de verdeelsleutel die in hetzelfde besluit is vastgelegd. Art. 521 Het koninklijk besluit dat met toepassing van arti- kel 519 wordt genomen, wordt ter kennis gebracht van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De maatregelen waarin dit besluit voorziet, worden bovendien bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad. Dit bericht wordt bovendien bekendgemaakt op de website van de betrokken onderneming. Zodra zij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft ontvangen, verliest de verzekerings- of herverzekeringson- derneming de vrije beschikking over de activa waarop de in het koninklijk besluit vastgestelde daden van beschikking betrekking hebben. Art. 522 Het is niet mogelijk om de in artikel 519 bedoelde daden niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 of artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek. Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mo- gen de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastge- stelde maatregelen noch tot gevolg hebben dat de bepalingen van een tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming en één of meer derden gesloten overeenkomst worden gewijzigd, noch dat een einde wordt gesteld aan een dergelijke overeenkomst, noch dat aan één van de betrokken partijen het recht wordt verleend om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen. Ten aanzien van de door de Koning met toepassing van artikel 519 vastgestelde maatregelen geldt geen enkele sta- tutaire of contractuele goedkeuringsclausule en geen enkel statutair of contractueel recht van voorkoop, geen enkele optie tot aankoop van een derde, en geen enkele statutaire of contractuele clausule die de wijziging van de controle over de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming verhindert. De Koning is gemachtigd om alle overige regelingen te treffen die nodig zijn om de goede uitvoering van de met toe- passing van artikel 519 genomen maatregelen te verzekeren. Art. 520 L’arrêté royal pris en application de l’article 519 définit l’indemnité payable aux propriétaires des biens ou aux titu- laires des droits faisant l’objet de l’acte de disposition prévu par l’arrêté. Si le cessionnaire désigné par l’arrêté royal est une personne autre que l’État, le prix dû par le cessionnaire aux termes de la convention conclue avec l’État revient auxdits propriétaires ou titulaires à titre d’indemnité, selon la clef de répartition définie par le même arrêté. Art. 521 L’arrêté royal pris en application de l’article 519 est notifié à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Les mesures prévues par cet arrêté font, en outre, l’objet d’une publication par avis au Moniteur belge. Cet avis est en outre publié sur le site internet de l’entreprise concernée. Dès le moment où elle a reçu la notification visée à l’alinéa 1er, l’entreprise d’assurance ou de réassurance perd la libre disposition des actifs visés par les actes de disposition prévus par l’arrêté royal. Art. 522 Les actes visés à l’article 519 ne peuvent faire l’objet d’une inopposabilité en vertu des articles 17, 18 ou 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ou de l’article 1167 du Code civil. Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les mesures arrêtées par le Roi en application de l’article 519 ne peuvent avoir pour effet de modifier les termes d’une convention conclue entre l’entreprise d’assurance ou de réassurance et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement. Sont inopérantes à l’égard des mesures arrêtées par le Roi en application de l’article 519, toute clause statutaire ou conventionnelle d’agrément ou de préemption, toute option d’achat d’un tiers, ainsi que toute clause statutaire ou conven- tionnelle empêchant la modification du contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance. Le Roi est habilité à prendre toutes autres dispositions nécessaires en vue d’assurer la bonne exécution des mesures prises en application de l’article 519. 637 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 523 De burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de personen die in naam van de Staat of op diens verzoek optreden in het kader van de in deze Afdeling bedoelde maatregelen, wegens of met betrekking tot hun beslissingen, daden of handelingen in het kader van deze maatregelen, is beperkt tot gevallen van bedrog of zware fout in hun hoofde. Het al dan niet bestaan van een zware fout wordt beoor- deeld op grond van de concrete omstandigheden van het betrokken geval, en met name van de hoogdringendheid waarmee die personen werden geconfronteerd, van de prak- tijken op de financiële markten, van de complexiteit van het betrokken geval, van de bedreigingen voor de bescherming van het spaarwezen en van het gevaar voor schade aan de nationale economie ingevolge de discontinuïteit van de betrok- ken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. Art. 524 Alle geschillen waartoe de in deze Afdeling bedoelde daden en de in artikel 523 bedoelde aansprakelijkheid aan- leiding zouden kunnen geven, behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken, die uitsluitend het Belgische recht toepassen. Art. 525 Voor de toepassing van de Collectieve arbeidsovereen- komst nr. 32bis gesloten op 7  juni  1985  in de Nationale Arbeidsraad, betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de over- gang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, worden de daden die krachtens artikel 519, 1°, zijn verricht, beschouwd als daden die door de verzekerings- of herverzekeringson- derneming zelf zijn gesteld. Art. 526 Onverminderd de algemene rechtsbeginselen die hij zou kunnen inroepen, kan de raad van bestuur van de verze- kerings- of herverzekeringsonderneming afwijken van de statutaire beperkingen van zijn bestuursbevoegdheden indien een van de in artikel 508, § 1, eerste lid, vermelde toestan- den van dien aard is dat zij de stabiliteit van het Belgische of internationale financiële stelsel dreigt aan te tasten wegens de omvang van de verbintenissen van de betrokken verze- kerings- of herverzekeringsonderneming of haar rol in het financiële stelsel. De raad van bestuur stelt een bijzonder verslag op waarin wordt verantwoord waarom deze bepaling wordt toegepast, en waarin de genomen beslissingen worden uiteengezet; dit verslag wordt binnen twee maanden bezorgd aan de algemene vergadering. Art. 523 La responsabilité civile des personnes, agissant au nom de l’État ou à sa demande, intervenant dans le cadre des opéra- tions visées par la présente Section, encourue en raison de ou en relation avec leurs décisions, actes ou comportements dans le cadre de ces opérations est limitée aux cas de dol et de faute lourde dans leur chef. L’existence d’une faute lourde est appréciée en tenant compte des circonstances concrètes du cas d’espèce et notamment de l’urgence à laquelle ces personnes étaient confrontées, des pratiques des marchés financiers, de la complexité du cas d’espèce, des menaces sur la protection de l’épargne et du risque de dommage à l’économie nationale qu’entraînerait la discontinuité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. Art. 524 Tous les litiges auxquels les actes visés dans la présente Section, ainsi que la responsabilité visée à l’article  523, pourraient donner lieu relèvent de la compétence exclusive des tribunaux belges, lesquels appliqueront exclusivement la loi belge. Art. 525 Pour l’application de la Convention collective de travail n° 32bis conclue le 7 juin 1985 au sein du Conseil national du travail, concernant le maintien des droits des travailleurs en cas de changement d’employeur du fait d’un transfert conventionnel d’entreprise et réglant les droits des travail- leurs repris en cas de reprise de l’actif après faillite, les actes accomplis en vertu de l’article 519,  1°, sont considérées comme des actes accomplis par l’entreprise d’assurance ou de réassurance elle-même. Art. 526 Sans préjudice des principes généraux de droit qu’il pourrait invoquer, le conseil d’administration de l’entreprise d’assurance ou de réassurance peut déroger aux restrictions statutaires à ses pouvoirs de gestion lorsqu’une des situa- tions énoncées à l’article 508, § 1er, alinéa 1er, est susceptible d’affecter la stabilité du système financier belge ou interna- tional en raison du volume des engagements de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ou de son rôle dans le système financier. Le conseil d’administration établit un rapport spécial justifiant le recours à la présente disposition et exposant les décisions prises; ce rapport est transmis dans les deux mois à l’assemblée générale. 638 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Gerechtelijke controle Art. 527 Voor de toepassing van deze Afdeling en van de ter uit- voering ervan genomen besluiten en reglementen, dient te worden verstaan onder: 1° koninklijk besluit: het koninklijk besluit dat na overleg in de Ministerraad is vastgesteld met toepassing van artikel 519; 2° daad van beschikking: de beslissing tot overdracht of de andere daad van beschikking waarin het koninklijk besluit voorziet; 3° rechtbank: de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; 4° eigenaars: de natuurlijke of rechtspersonen die op de datum van het koninklijk besluit eigenaar zijn van de activa of aandelen dan wel houder zijn van de rechten die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking; 5° derde-overnemer: de natuurlijke of rechts persoon, an- dere dan de Belgische Staat, die volgens het koninklijk besluit de activa, aandelen of rechten die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking zal verwerven; 6°  schadeloosstelling: de schadeloosstelling die door het koninklijk besluit ten voordele van de eigenaars wordt vastgesteld als tegenprestatie voor de daad van beschikking. Art. 528 Elke daad van beschikking wordt vooraf door de rechtbank gecontroleerd overeenkomstig deze Afdeling. Het koninklijk besluit treedt in werking op de dag waarop het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 529 § 1. De Belgische Staat dient ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift in teneinde te laten vaststellen dat de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en dat de schadeloosstelling haar billijk voorkomt, met name rekening houdend met de criteria bepaald in artikel 533, § 4. § 2. Op straffe van nietigheid bevat dit verzoekschrift: 1°  de identiteit van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming; 2°  in voorkomend geval, de identiteit van de derde-overnemer; 3° de verantwoording van de daad van beschikking in het licht van de criteria vastgesteld in artikel 519; Section II Contrôle judiciaire Art. 527 Pour l’application de la présente Section et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d’entendre par: 1° l’arrêté royal: l’arrêté royal délibéré en Conseil des ministres pris en application de l’article 519; 2° l’acte de disposition: la décision de la cession ou l’autre acte de disposition prévu par l’arrêté royal; 3° le tribunal: le tribunal de première instance de Bruxelles; 4° les propriétaires: les personnes physiques ou morales qui, à la date de l’arrêté royal, sont propriétaires des actifs, titres ou parts, ou titulaires des droits, faisant l’objet de l’acte de disposition; 5° le tiers-cessionnaire: la personne physique ou morale autre que l’État belge qui, aux termes de l’arrêté royal, est appelée à acquérir les actifs, titres ou parts, ou droits, faisant l’objet de l’acte de disposition; 6° l’indemnité compensatoire: l’indemnité que l’arrêté royal prévoit en faveur des propriétaires en contrepartie de l’acte de disposition. Art. 528 Tout acte de disposition fait l’objet d’un contrôle préalable par le tribunal conformément à la présente Section. L’arrêté royal entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du jugement visé à l’article 534. Art. 529 § 1er. L’État belge dépose au greffe du tribunal une requête tendant à faire constater que l’acte de disposition est conforme à la loi et que l’indemnité compensatoire paraît juste compte tenu notamment des critères prévus à l’article 533, § 4. § 2. À peine de nullité, la requête contient: 1° l’identité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée; 2° le cas échéant, l’identité du tiers-cessionnaire; 3° la justification de l’acte de disposition au regard des critères énoncés à l’article 519; 639 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4° de schadeloosstelling, de elementen op grond waarvan zij werd vastgesteld, met name wat het variabele deel betreft waaruit zij zou zijn samengesteld en, in voorkomend geval, de sleutel voor de verdeling onder de eigenaars; 5° in voorkomend geval, de vereiste toelatingen van over- heidsinstanties en alle andere opschortende voorwaarden waaraan de daad van beschikking is onderworpen; 6° in voorkomend geval, de prijs die met de derde-overne- mer is overeengekomen voor de activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking, alsook de mechanismen voor prijsherziening of -aanpassing; 7° de opgave van dag, maand en jaar; 8° de handtekening van de persoon die de Belgische Staat vertegenwoordigt of van de advocaat van de Belgische Staat. Bij het verzoekschrift wordt een kopie van het koninklijk besluit gevoegd. § 3. De bepalingen van Titel Vbis van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van de artike- len 1034bis tot 1034sexies, zijn niet van toepassing op het verzoekschrift. Art. 530 De procedure die is ingeleid met het in artikel 529 bedoelde verzoekschrift, sluit alle andere gelijktijdige of toekomstige beroepen of rechtsvorderingen tegen het koninklijk besluit of tegen de daad van beschikking uit, met uitzondering van de vordering bedoeld in artikel 537. Ingevolge de indiening van het verzoekschrift vervalt elke andere procedure gericht tegen het koninklijk besluit of de daad van beschikking, die voorheen zou zijn ingeleid en nog hangende zou zijn voor een ander gewoon of administratief rechtscollege. Art. 531 §  1. Binnen vierentwintig uur na de indiening van het verzoekschrift als bedoeld in artikel 529, bepaalt de voorzit- ter van de rechtbank bij beschikking dag en uur van de in artikel  533  bedoelde rechtszitting, die moet plaatsvinden binnen zeven dagen na de indiening van het verzoekschrift. In deze beschikking worden alle in artikel 529, § 2, bepaalde vermeldingen opgenomen. § 2. De beschikking wordt door de griffie bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, van de betrok- ken verzekerings- of herverzekeringsonderneming alsook, in voorkomend geval, van de derde-overnemer. Zij wordt tezelfdertijd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking geldt als kennisgeving aan de even- tuele andere eigenaars dan de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming. 4° l’indemnité compensatoire, les bases sur lesquelles celle-ci a été déterminée, notamment en ce qui concerne la partie variable qui la composerait et, le cas échéant, la clef de répartition entre les propriétaires; 5° le cas échéant, les autorisations d’autorités publiques requises et toutes les autres conditions suspensives aux- quelles l’acte de disposition est subordonné; 6° le cas échéant, le prix convenu avec le tiers-cession- naire pour les actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition et les mécanismes de révision ou d’ajustement de ce prix; 7° l’indication des jour, mois et an; 8° la signature de la personne qui représente l’État belge ou de son avocat. Une copie de l’arrêté royal est jointe à la requête. § 3. Les dispositions du Titre Vbis du Livre II de la quatrième Partie du Code judiciaire, y compris les articles 1034bis à 1034sexies, ne sont pas applicables à la requête. Art. 530 La procédure introduite par la requête visée à l’ar- ticle 529 exclut tous autres recours ou actions, simultanés ou futurs, contre l’arrêté royal ou contre l’acte de disposition, à l’exception de la demande visée à l’article 537. Le dépôt de la requête rend sans objet toute autre procé- dure, dirigée contre l’arrêté royal ou l’acte de disposition, qui aurait été antérieurement introduite et serait encore pendante devant une autre juridiction judiciaire ou administrative. Art. 531 § 1er. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête visée à l’article 529, le président du tribunal fixe, par voie d’or- donnance, les jour et heure de l’audience visée à l’article 533, laquelle doit avoir lieu dans les sept jours qui suivent le dépôt de la requête. Cette ordonnance reproduit l’intégralité des mentions prévues à l’article 529, § 2. § 2. L’ordonnance est notifiée par le greffe par pli judiciaire à l’État belge, à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ainsi que, le cas échéant, au tiers-cessionnaire. Elle est simultanément publiée au Moniteur belge. Cette publication vaut notification à l’égard des propriétaires autres, le cas échéant, que l’entreprise d’assurance ou de réassu- rance concernée. 640 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Bovendien wordt de beschikking door de betrokken verze- kerings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd. Art. 532 De in artikel 531, § 2, bedoelde personen kunnen ter griffie kosteloos inzage nemen van het in artikel 529 bedoelde ver- zoekschrift en de bijlagen ervan, tot het in artikel 534 bedoelde vonnis wordt uitgesproken. Art. 533 § 1. Tijdens de zitting die door de voorzitter van de recht- bank is vastgelegd, alsook tijdens eventuele latere zittingen die de rechtbank nuttig acht, hoort de rechtbank de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonder- neming, in voorkomend geval de derde-overnemer alsook de eigenaars die vrijwillig tussenkomen in de procedure. § 2. In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II van Deel IV van het Gerechtelijk Wetboek, mag geen enkele andere persoon dan deze bedoeld in het vorige lid, optreden in de procedure. § 3. Na de partijen te hebben gehoord, gaat de rechtbank na of de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en of de schadeloosstelling haar billijk voorkomt. § 4. De rechtbank houdt rekening met de daadwerkelijke situatie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringson- derneming op het ogenblik dat de daad van beschikking wordt aangenomen, met name met haar financiële situatie zoals die was of zou zijn geweest indien haar geen rechtstreekse of onrechtstreekse overheidssteun zou zijn verleend. Ten behoeve van dit lid worden met overheidssteun gelijkgesteld, de dringende voorschotten van liquide middelen evenals de garanties die door een publiekrechtelijk rechtspersoon worden verleend. § 5. De rechtbank spreekt zich uit in een en hetzelfde vonnis dat wordt gewezen binnen twintig dagen na de rechtszitting die door de voorzitter van de rechtbank is vastgelegd. Art. 534 Het vonnis waarmee de rechtbank vaststelt dat de daad van beschikking in overeenstemming is met de wet en de schadeloosstelling haar billijk voorkomt, geldt als akte van eigendomsoverdracht van de activa en aandelen die het voor- werp uitmaken van de daad van beschikking, evenwel onder voorbehoud van de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°. Art. 535 Tegen het in artikel 534 bedoelde vonnis is geen beroep, verzet of derdenverzet mogelijk. Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée publie également l’ordonnance sur son site internet. Art. 532 Les personnes visées à l’article 531, § 2 peuvent, jusqu’au prononcé du jugement visé à l’article 534, consulter gratuite- ment au greffe la requête visée à l’article 529 ainsi que ses annexes. Art. 533 § 1er. Lors de l’audience fixée par le président du tribunal et lors d’éventuelles audiences postérieures que le tribunal estime utile de fixer, le tribunal entend l’État belge, l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, le cas échéant le tiers-cessionnaire ainsi que les propriétaires qui interviennent volontairement à la procédure. § 2. Par dérogation aux dispositions du Chapitre II du Titre III du Livre II de la quatrième Partie du Code judiciaire, aucune autre personne que celles visées à l’alinéa précédent ne peut intervenir à la procédure. § 3. Après avoir entendu les observations des parties, le tribunal vérifie si l’acte de disposition est conforme à la loi et si l’indemnité compensatoire paraît juste. § 4. Le tribunal tient compte de la situation concrète de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée au moment de l’adoption de l’acte de disposition, et notamment de sa situation financière telle qu’elle était ou aurait été si les aides publiques, dont il a bénéficié directement ou indirec- tement, n’avaient pas été consenties. Pour l’application du présent alinéa, sont assimilées à des aides publiques, les avances de liquidités d’urgence et garanties consenties par une personne morale de droit public. § 5. Le tribunal statue par un seul et même jugement qui est rendu dans les vingt jours qui suivent l’audience fixée par le président du tribunal. Art. 534 Le jugement par lequel le tribunal constate que l’acte de disposition est conforme à la loi et que l’indemnité compen- satoire paraît juste, est translatif de la propriété des actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition, sous réserve cependant des conditions suspensives visées à l’article 529, § 2, 5°. Art. 535 Le jugement visé à l’article 534 n’est susceptible ni d’appel ni d’opposition ni de tierce opposition. 641 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Het vonnis wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de Belgische Staat, de betrokken verzekerings- of herver- zekeringsonderneming en, in voorkomend geval, de derde- overnemer, en wordt tezelfdertijd bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze bekendmaking van het vonnis geldt als kennisgeving aan de eventuele andere eigenaars dan de betrokken verze- kerings- of herverzekeringsonderneming, en maakt de daad van beschikking zonder verdere formaliteiten tegenstelbaar aan derden. Bovendien wordt het vonnis door de betrokken verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming binnen vierentwintig uur na de kennisgeving op haar website gepubliceerd. Art. 536 Na kennisgeving van het in artikel 534 bedoelde vonnis, geeft de Belgische Staat of, in voorkomend geval, de derde- overnemer, de schadeloosstelling in bewaring bij de Deposito- en Consignatiekas, zonder dat hiervoor enige formaliteit moet worden vervuld. De Belgische Staat ziet erop toe dat in het Belgisch Staatsblad een bericht wordt bekendgemaakt waarin beves- tigd wordt dat voldaan is aan de opschortende voorwaarden bedoeld in artikel 529, § 2, 5°. Zodra het in het tweede lid bedoelde bericht is gepubli- ceerd, stort de Deposito- en Consignatiekas, op de door de Koning vastgestelde wijze, het bedrag van de in bewaring gegeven schadeloosstelling aan de eigenaars, onverminderd eventueel regelmatig derdenbeslag op of verzet tegen het gedeponeerde bedrag. Art. 537 De eigenaars kunnen bij de rechtbank een vordering tot herziening van de schadeloosstelling indienen, en dit op straffe van verval binnen twee maanden te rekenen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in ar- tikel 534 bedoelde vonnis. Deze vordering heeft geen enkel gevolg ten aanzien van de eigendomsoverdracht van de activa of aandelen die het voorwerp uitmaken van de daad van beschikking. De vordering tot herziening wordt voor het overige gere- geld door het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 533, § 4, is van toepassing. Il est notifié par pli judiciaire à l’État belge, à l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée ainsi que, le cas échéant, au tiers-cessionnaire, et est simultanément publié par extrait au Moniteur belge. Cette publication vaut notification à l’égard des proprié- taires autres, le cas échéant, que l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée, et emporte l’opposabilité de l’acte de disposition aux tiers, sans autre formalité. Dans les vingt-quatre heures de la notification, l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée publie également le jugement sur son site Internet. Art. 536 Suite à la notification du jugement visé à l’article 534, l’État belge ou, le cas échéant, le tiers-cessionnaire dépose l’indemnité compensatoire à la Caisse des dépôts et consi- gnations, sans qu’aucune formalité ne soit requise à cet égard. Un avis confirmant la réalisation des conditions suspen- sives visées à l’article 529, § 2, 5°, est publié au Moniteur belge par les soins de l’État belge. Dès la publication visée à l’alinéa 2, la Caisse des dépôts et consignations est tenue de remettre aux propriétaires, suivant les modalités arrêtées par le Roi, le montant de l’indemnité compensatoire consignée, sans préjudice des éventuelles saisies-arrêt ou oppositions régulièrement effectuées sur le montant consigné. Art. 537 Les propriétaires peuvent introduire devant le tribunal, à peine de déchéance dans un délai de deux mois à comp- ter de la publication au Moniteur belge du jugement visé à l’article  534, une demande en révision de l’indemnité compensatoire. Cette demande n’exerce aucun effet sur le transfert de propriété des actifs, titres ou parts faisant l’objet de l’acte de disposition. La demande en révision est, pour le surplus, régie par le Code judiciaire. L’article 533, § 4, est applicable. 642 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL VII Beëindiging van de vergunning HOOFDSTUK I Doorhaling van de vergunning Afdeling I Afstand van de vergunning Art. 538 § 1. Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die krachtens deze wet een vergunning heeft verkregen, kan volledig of gedeeltelijk afstand doen van haar vergunning. § 2. Het verzoek tot afstand wordt aan de Bank gericht en vermeldt de verzekeringstakken en herverzekeringsacti- viteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. Bij het verzoek wordt een plan gevoegd waarin wordt aangegeven op welke wijze de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen die voortvloeien uit de verzekerings- of herverzekeringsovereen- komsten die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor om afstand van de vergunning wordt verzocht. Bij gebreke van een dergelijk plan of wanneer zij van oor- deel is dat het in het eerste lid bedoelde plan niet de nodige waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering, kan de Bank alle maatregelen treffen ter omkadering van de correcte afwikke- ling van de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzeke- ring of herverzekering. Deze maatregelen omvatten de in de artikelen 509 tot 517 bedoelde maatregelen. Wanneer zij van oordeel is dat het in het eerste lid bedoelde plan voldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of herverzekering, haalt de Bank de vergunning door voor alle of een deel van de takken en activiteiten waarvoor om afstand wordt verzocht. § 3. De Bank bepaalt de datum waarop de met toepassing van dit artikel uitgesproken doorhaling uitwerking heeft. Wanneer het een verzekeringsonderneming betreft, raadpleegt de Bank de FSMA over de toereikendheid van de waarborgen voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering vooraleer deze datum te bepalen. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank uiterlijk binnen twintig dagen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek om advies. § 4. Op de website van de Bank wordt bekendgemaakt dat de vergunning is doorgehaald als gevolg van het feit dat de onderneming afstand heeft gedaan van haar vergunning. §  5. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd doorgehaald, verstrekt aan de Bank een geactualiseerde TITRE VII De la fin de l’agrément CHAPITRE IER Radiation de l’agrément Section Ire Renonciation à l’agrément Art. 538 §  1er. Une entreprise d’assurance ou de réassurance agréée en vertu de la présente loi a la faculté de renoncer à tout ou partie de son agrément. § 2. La demande de renonciation est adressée à la Banque et indique les branches d’assurance et activités de réas- surance pour lesquelles la renonciation est demandée. La demande est accompagnée d’un plan précisant la manière dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses engagements résultant des contrats d’assurance ou de réas- surance relevant des activités pour lesquelles la renonciation de l’agrément est demandée. À défaut d’un tel plan ou lorsqu’elle estime que le plan visé à l’alinéa 1er ne présente pas les garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance ou de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures visant à encadrer une liquidation correcte des engagements d’assurance ou de réassurance de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers d’assurance ou de réassurance. Ces mesures incluent les mesures prévues aux articles 509 à 517. Lorsqu’elle estime que le plan visé à l’alinéa 1er présente les garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance ou de réassurance, la Banque radie l’agrément pour tout ou partie des branches et activités pour lesquelles la renonciation est demandée. § 3. La Banque fixe la date des effets de la radiation pro- noncée en application du présent article. Lorsqu’il s’agit d’une entreprise d’assurance, la Banque consulte la FSMA sur la présence de garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance, avant de fixer cette date. La FSMA communique son avis à la Banque au plus tard dans un délai de vingt jours à compter de la date à laquelle elle a reçu la demande d’avis. § 4. La radiation faisant suite à la renonciation est publiée sur le site internet de la Banque. §  5. L’entreprise d’assurance ou de réassurance dont l’agrément a été radié en application du présent article fournit à la Banque une actualisation du plan visé au paragraphe 2, 643 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 versie van het in paragraaf 2, eerste lid bedoelde plan, op de voorwaarden, met name inzake frequentie en inhoud, die geval per geval door de Bank worden bepaald. § 6. De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de vergunning met toepassing van dit artikel werd doorgehaald, worden vermeld in een specifieke rubriek van de in artikel 31 bedoelde lijst. Wijzigingen in deze rubriek worden ter kennis gebracht van de toezichthouders van de andere lidstaten. Afdeling II Doorhaling wegens niet-uitoefening van de activiteit Art. 539 § 1. Bij een beslissing die met een aangetekende brief of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, kan de Bank de vergunning doorhalen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. 1° die hun activiteiten niet hebben aangevat binnen twaalf maanden nadat zij de vergunning hebben verkregen; 2° die al meer dan 6 maanden geen activiteiten meer uitoefenen; § 2. Paragraaf 1 is van toepassing op de verzekeringstak(ken) of de herverzekeringsactiviteit(en) waarop de in paragraaf 1 bedoelde situatie betrekking heeft. Afdeling III Doorhaling van rechtswege Art. 540 De vergunning van een verzekerings- of herverzekerings- onderneming wordt van rechtswege doorgehaald voor alle verzekeringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten wanneer deze onderneming: 1° failliet wordt verklaard; 2° het voorwerp uitmaakt van een vrijwillige of gerechte- lijke ontbinding in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van Vennootschappen. HOOFDSTUK II Herroeping van de vergunning Art. 541 Onverminderd de gevallen waarin de herroeping van de vergunning wordt uitgesproken met toepassing van artikel 517, § 1, 8°, herroept de Bank de vergunning voor alle verzeke- ringstakken en verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten alinéa 1er selon les conditions, notamment de fréquence et de contenu, fixées, au cas par cas, par la Banque. § 6. Les entreprises d’assurance ou de réassurance dont l’agrément a été radié en application du présent article sont mentionnées sous une rubrique spécifique de la liste visée à l’article 31. Toute modification de cette rubrique est portée à la connaissance des autorités de contrôle des autres États membres. Section II Radiation pour non exercice de l’activité Art. 539 § 1er. La Banque peut radier par décision notifiée par lettre recommandée ou avec accusé de réception, l’agrément des entreprises d’assurance ou de réassurance 1° qui n’ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l’agrément; 2° qui ont cessé d’exercer leurs activités depuis plus de 6 mois; § 2. Le paragraphe 1er est applicable à la ou les branches d’assurance ou la ou les activités de réassurance concernées par la situation visée au paragraphe 1er. Section III Radiation de plein droit Art. 540 L’agrément des entreprises d’assurance ou de réassu- rance est radié de plein droit en ce qui concerne l’ensemble des branches d’assurance et/ou des activités de réassurance en cas de: 1° faillite prononcée à leur encontre; 2° dissolution volontaire ou judiciaire au sens des articles 181 et 182 du Code des sociétés. CHAPITRE II Révocation de l’agrément Art. 541 Sans préjudice des cas de révocation de l’agrément pro- noncée en application de l’article 517, § 1er, 8°, la Banque révoque l’agrément en ce qui concerne l’ensemble des branches et activités d’assurance ou de réassurance 644 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet langer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de Bank van oordeel is dat het met toepassing van artikel 511 voorgelegde plan voor financiering op korte termijn dui- delijk inadequaat is of dat de betrokken onderneming er niet in slaagt om het goedgekeurde plan te volgen binnen drie maanden na de vaststelling dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste. Art. 542 Wanneer de vergunning met toepassing van artikel 517, § 1, 8° of van artikel 541 wordt herroepen voor alle verze- keringstakken en/of herverzekeringsactiviteiten, wordt de onderneming van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld overeenkomstig de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen. HOOFDSTUK III Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende gevallen van verlies van de vergunning Art. 543 Bij volledige of gedeeltelijke afstand, doorhaling of her- roeping van de vergunning is het verboden nieuwe over- eenkomsten te sluiten in de verzekeringstakken en voor de herverzekeringsactiviteiten waarop het verlies van de vergun- ning betrekking heeft. Overeenkomstig het eerste lid en artikel 540, staan artikel 187 van het Wetboek van Vennootschappen en artikel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 enkel toe dat de lopende verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten worden uitgevoerd, met uitzondering van het sluiten van nieuwe verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten. Art. 544 De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van de andere lidstaten waar de verzekerings- of herverzekerings- onderneming activiteiten uitoefent, in kennis van het verlies van de vergunning. Zij verzoekt deze laatste passende maatregelen te treffen om te beletten dat de verzekerings- of herverzekeringson- derneming op hun grondgebied nieuwe activiteiten aanvangt. Art. 545 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die niet langer over een vergunning beschikken op grond van artikel 517, § 1, 8° of van de bepalingen van deze Titel, blijven onderworpen aan deze wet en haar uitvoeringsbe- sluiten en -reglementen evenals aan de bepalingen van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, tot al haar lorsqu’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne dispose plus du minimum de capital requis et que la Banque considère que le plan de financement à court terme présenté en application de l’article 511 est manifestement insuffisant ou que l’entreprise concernée ne se conforme pas au plan approuvé dans les trois mois qui suivent la constatation de la non-conformité du minimum de capital requis. Art. 542 Lorsque l’agrément est révoqué en application de l’article 517, § 1er, 8° ou de l’article 541 pour l’ensemble des branches d’assurance et/ou activités de réassurance, l’entre- prise est dissoute de plein droit et entre en liquidation confor- mément aux articles 183 et suivants du Code des sociétés. CHAPITRE III Dispositions communes aux différents cas de perte de l’agrément Art. 543 La renonciation à l’agrément, la radiation ou la révocation de l’agrément, totale ou partielle, emporte interdiction de souscrire de nouveaux contrats dans les branches d’assu- rance et les activités de réassurance concernées par la perte d’agrément. Conformément à l’alinéa 1er et à l’article 540, les articles 187 du Code des sociétés et 46 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne permettent que l’exécution de contrats d’assurance ou de réassurance en cours, à l’exclusion de la conclusion de tous nouveaux contrats d’assurance ou de réassurance. Art. 544 La Banque informe la FSMA et les autorités de contrôle des autres États membres où l’entreprise d’assurance ou de réassurance exerce des activités de la perte de l’agrément. Elle demande à ces dernières de prendre les mesures appropriées pour empêcher l’entreprise d’assurance ou de réassurance de commencer de nouvelles opérations sur leur territoire. Art. 545 Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui ne disposent plus d’un agrément en vertu de l’article 517, § 1er, 8° ou des dispositions du présent Titre, restent soumises à la présente loi et aux arrêtés et règlements pris pour son exé- cution ainsi qu’aux dispositions des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE jusqu’à ce que soient liquidés tous 645 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten en alle desbetreffende verplichtingen afgewikkeld zijn, tenzij de Bank hen vrijstelt van de toepassing van bepaalde voorschriften. Art. 546 De Bank kan, in voorkomend geval in samenwerking met de toezichthouders van de andere lidstaten, aan de in deze Titel bedoelde ondernemingen alle passende maatregelen opleg- gen tot vrijwaring van de rechten van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden van de verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten. Zij kan met name alle maatregelen treffen als bedoeld in Titel IV, inzonderheid deze bedoeld in artikel 517, § 1, zonder vooraf een termijn vast te stellen. Indien er een overdracht is opgelegd op grond van artikel 517, § 1, 7°, kan de Bank haar maatregel gepaard doen gaan met een aanpassing, in de toekomst, van de gewaarborgde rendementsvoet in levensverzekeringsovereenkomsten, zon- der dat deze aanpassing tot een lagere rendementsvoet mag leiden dan deze die op de Belgische verzekeringsmarkt wordt geboden op de dag dat het besluit hiertoe wordt genomen door de Bank. De Bank raadpleegt de FSMA over de naleving van de voormelde ondergrens van de rendementsvoet. De maatregelen bedoeld in het eerste lid omvatten ook de mogelijkheid voor de Bank om de verzekerings- en herverze- keringsovereenkomst te beëindigen volgens de modaliteiten en binnen de termijn die zij bepaalt. Art. 547 § 1. De Bank mag de in artikel 546, derde lid bedoelde aanpassing van de rendementsvoet enkel doorvoeren en de overeenkomsten enkel beëindigen overeenkomstig artikel 546, vierde lid, indien het niet nemen van deze maatregelen een nadeel inhoudt voor de betrokken schuldeisers uit hoofde van verzekering. § 2. Voor de toepassing van met name paragraaf 1, moe- ten de maatregelen bedoeld in artikel 546, inzonderheid de portefeuilleoverdracht, die in voorkomend geval gepaard gaat met een vermindering van de rendementsvoet, voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de portefeuilleoverdracht, inzonderheid de vaststelling van de activa waarmee de overdracht van de verzekerings- verplichtingen gepaard gaat, mag geen afbreuk doen aan de gelijkheid van de schuldeisers uit hoofde van verzekering. Deze gelijkheid vereist: a) per afzonderlijk beheer, een verdeling van de in ar- tikel 194 bedoelde activa naar rato van de overgedragen verplichtingen; en voor het overige, indien nodig, ses contrats d’assurance ou de réassurance, ainsi que tous les engagements y afférents, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions. Art. 546 La Banque peut imposer aux entreprises visées au pré- sent Titre, le cas échéant avec le concours des autorités de contrôle des autres États membres, toutes mesures propres à sauvegarder les droits des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires des contrats d’assurance et de réassurance. Elle peut notamment prendre toutes mesures visées au Titre IV, en particulier celles visées à l’article 517, § 1er sans que la fixation préalable d’un délai ne soit nécessaire. En cas de transfert imposé sur la base de l’article 517, § 1er, 7°, la Banque peut accompagner sa mesure d’une adaptation, pour le futur, du taux de rendement garanti par des contrats d’assurance-vie, sans toutefois qu’une telle adaptation puisse conduire à taux de rendement inférieur à celui offert en Belgique par le marché de l’assurance au jour de la décision de la Banque. La Banque consulte la FSMA sur le respect de la limite précitée du taux de rendement. Les mesures visées à l’alinéa 1er incluent également la possibilité pour la Banque de mettre fin aux contrats d’assu- rance et de réassurance selon les modalités et dans le délai qu’elle détermine. Art. 547 § 1er. La Banque ne peut procéder à l’adaptation du taux de rendement visée à l’article 546, alinéa 3 ou mettre fin aux contrats tel que prévu à l’article 546, alinéa 4 que si, à défaut de ces mesures, le sort des créanciers d’assurance concernés s’avérerait moins favorable. § 2. Aux fins notamment du paragraphe 1er, les mesures visées à l’article 546, en particulier le transfert de portefeuille, le cas échéant accompagné d’une réduction de taux de ren- dement, doivent respecter les conditions suivantes: 1° le transfert de portefeuille, en particulier la détermina- tion des actifs qui accompagne la cession des engagements d’assurance ne peut porter atteinte à l’égalité entre les créan- ciers d’assurance. Cette égalité requiert: a) par gestions distinctes, une répartition des actifs visés à l’article 194 au prorata des engagements cédés; et pour le surplus si nécessaire, 646 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 b)  een verdeling van de overige activa naar rato van de overgedragen verplichtingen die niet onder a) vallen, ten opzichte van alle verzekeringsverplichtingen van de verzekeringsonderneming, zoals deze overgedragen verplichtingen gewaardeerd worden op het ogenblik van de overdracht. 2° de verzekeringsovereenkomsten kunnen maar worden beëindigd en er kan maar een vermindering van de rende- mentsvoet worden opgelegd indien de voortzetting van de verzekeringsovereenkomsten tot een deficitaire vereffening zou leiden. Bovendien wordt de vermindering van de rende- mentsvoet op een zodanige wijze uitgevoerd dat het verlies dat voortvloeit uit de vermindering van de rendementsvoet verdeeld wordt over alle schuldeisers uit hoofde van verze- kering die tot hetzelfde afzonderlijke beheer behoren. Indien er niettegenstaande het tweede lid, 2°, een batig saldo bij vereffening zou  zijn, wordt het bedrag daarvan uitsluitend verdeeld onder de schuldeisers uit hoofde van verzekering, naar rato van de bedragen waarop ze recht zouden hebben gehad indien hun overeenkomsten werden voortgezet. Art. 548 Naast de soortgelijke maatregelen waarin de uitvoerings- maatregelen van Richtlijn 2009/138/EG voorzien, kan de Bank een beperking van of een verbod op de terugbetaling en uitkering van kapitaal of interesten opleggen ten aanzien van houders van kernvermogensinstrumenten, in afwachting van de maatregelen ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering die met toepassing van de artikelen 546 en 547 worden getroffen. Van het in het eerste lid bedoelde prerogatief kan maar ge- bruik worden gemaakt in de gevallen bedoeld in artikel 542 en op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de situatie van de schuldeisers van de verzekeringsonderneming zoals die voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 643 en 644. Art. 549 Ingeval de financiële situatie van een in deze Titel bedoelde verzekerings- of herverzekeringsonderneming verslechtert, kan de Bank de situatie uit eigen beweging ter kennis brengen van de rechtbank van koophandel. Deze mededeling geldt als een aangifte van faillissement in de zin van artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. De artikelen 545 tot 548 zijn niet van toepassing bij door- haling van de vergunning van een failliet verklaarde verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming. b) une répartition des autres actifs au prorata des engage- ments cédés, non couverts par le a), par rapport à l’ensemble des engagements d’assurance de l’entreprise d’assurance, tels que ces engagements cédés sont évalués au moment de la cession. 2° il ne peut être mis fin aux contrats d’assurance ou une réduction de taux ne peut être ordonnée que dans l’hypo- thèse où la continuité des contrats d’assurance conduirait à une liquidation déficitaire. La réduction de taux est, en outre, effectuée de manière à répartir sur l’ensemble des créanciers d’assurance relevant d’une même gestion distincte, la perte résultant de la diminution de taux. Si nonobstant l’alinéa 2, 2°, un boni de liquidation devait apparaître, son montant est exclusivement réparti au profit des créanciers d’assurance au prorata des montants auxquels ils auraient eu droit en cas de continuité de leurs contrats. Art. 548 Outre les mesures similaires prévues par les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, la Banque peut ordonner des limitation et interdictions de remboursement et paiement, de capital ou d’intérêts, à l’égard des titulaires d’instruments de fonds propre de base, dans l’attente des mesures destinées à sauvegarder les droits des créanciers d’assurance adoptées en application des articles 546 et 547. L’usage de la prérogative visée à l’alinéa 1er est limité aux situations visées à l’article 542 et tient compte de la situation des créanciers de l’entreprise d’assurance telle qu’elle résulte de l’application des articles 643 et 644. Art. 549 En cas de détérioration de la situation financière d’une entreprise d’assurance ou de réassurance visée au présent Titre, la Banque peut, d’initiative, porter la situation à la connaissance du tribunal de commerce. Cette communi- cation vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. Les articles 545 à 548 ne sont pas applicables en cas de radiation de l’agrément d’une entreprise d’assurance ou de réassurance déclarée en faillite. 647 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK III VERZEKERINGS- OF HERVERZEKERINGSONDER- NEMINGEN NAAR BUITENLANDS RECHT TITEL I Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren HOOFDSTUK I Uitoefening van activiteiten in België door verzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf Onderafdeling I Opening van bijkantoren Art. 550 § 1. Verzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die activiteiten via de vestiging van een bijkantoor in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezicht- houders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier hebben bezorgd dat mutatis mutandis de gegevens bevat als bedoeld in artikel 108, § 1, tweede lid, 1° tot 4° evenals de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 109. § 2. Dit dossier bevat eveneens: 1° ingeval de verzekeringsonderneming haar bijkantoor arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken: a) het bewijs dat het Fonds voor arbeidsongevallen door de verzekeringsonderneming in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit; b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen toe heeft ver- bonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeids- ongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven. 2° ingeval de verzekeringsonderneming overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau. LIVRE III DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE RÉASSURANCE DE DROIT ETRANGER TITRE IER Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant du droit d’un autre État membre CHAPITRE IER Exercice d’activités en Belgique par des entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre Section Ire Accès à l’activité Sous-section Ire Ouverture de succursales Art. 550 § 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit national à exercer dans leur État d’origine des activités d’assu- rance peuvent, par voie d’installation de succursales, exercer ces activités en Belgique, à condition que les autorités de contrôle de cet État d’origine aient communiqué à la Banque le dossier contenant, mutatis mutandis, les éléments d’infor- mation visés à l’article 108, § 1er, alinéa 2, 1° à 4° ainsi que les éléments d’information additionnels visés à l’article 109. § 2. Ce dossier comprend également: 1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend faire couvrir par sa succursale les risques d’accident du travail: a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé de l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail; b) la preuve que l’entreprise d’assurance s’est engagée à l’égard du Fonds des accidents du travail à constituer, à la première demande dudit Fonds, une garantie bancaire telle que visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de pourvoir à la réparation des accidents du travail dans les cas où l’entreprise d’assurance est restée en défaut. 2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend pratiquer l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhi- cules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, une déclaration selon laquelle l’entreprise est devenue membre du Fonds commun de garantie belge et du Bureau belge. 648 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 551 De Bank beschikt over een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 550 om aan de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de betrokken onderneming de in artikel 564 bedoelde bepalingen van algemeen belang mee te delen. Art. 552 De activiteiten die in hoofde van het bijkantoor zijn toe- gestaan, mogen in België worden aangevat vanaf de datum waarop de toezichthouder van de lidstaat van herkomst de in artikel 551 bedoelde mededeling heeft ontvangen en uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 551 bedoelde termijn van twee maanden. Art. 553 De Bank bezorgt aan de FSMA binnen de in artikel 551 be- doelde termijn het in artikel 550 bedoelde informatiedos- sier evenals alle latere wijzingen in de daarin opgenomen gegevens. Art. 554 De verzekeringsonderneming die in België een bijkantoor heeft geopend, deelt aan de Bank alle wijzigingen mee die zij van plan is aan te brengen in de gegevens die opgenomen zijn in het informatiedossier bedoeld in artikel 550, en dit minstens één maand voor het aanbrengen van deze wijzigingen. Art. 555 De Bank stelt de lijst op van de in artikel 550 bedoelde bijkantoren van verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. Onderafdeling II Vrije dienstverrichting Art. 556 § 1. Verzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht verzekeringsactiviteiten in hun lidstaat van herkomst mogen uitoefenen, mogen die activiteiten in het kader van het vrij verrichten van diensten in België uitoefenen, op voorwaarde dat de toezichthouders van die lidstaat van herkomst aan de Bank het dossier hebben bezorgd met de gegevens als be- doeld in artikel 115, § 1 ,1° et 2° en de aanvullende gegevens bedoeld in artikel 116. § 2. Dit dossier bevat eveneens: Art. 551 La Banque dispose d’un délai de deux mois à partir de la réception des informations visées à l’article 550 pour indi- quer aux autorités de contrôle de l’État membre d’origine de l’entreprise concernée, les dispositions d’intérêt général visées à l’article 564. Art. 552 Les activités autorisées dans le chef de la succursale peuvent débuter en Belgique à partir de la date à laquelle l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine a reçu la com- munication visée à l’article 551 et au plus tard à l’échéance du délai de deux mois visé à l’article 551. Art. 553 La Banque communique à la FSMA dans le délai visé à l’article 551 le dossier d’information visé à l’article 550 ainsi que toute modification ultérieure apportée aux informations qu’il contient. Art. 554 L’entreprise d’assurance qui a ouvert une succursale en Belgique notifie à la Banque toute modification qu’elle entend apporter aux informations contenues dans le dossier d’infor- mation visé à l’article 550 et ce, un mois au moins avant que cette modification ne soit effectuée. Art. 555 La Banque établit la liste des succursales d’entreprises d’assurance visées à l’article 550. Cette liste ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet. Sous-section II Libre prestation de services Art. 556 § 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un autre État membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit national à exercer dans leur État d’origine des activités d’assurance, peuvent exercer ces activités en Belgique sous le régime de la libre prestation de services, à condition que les autorités de contrôle de cet État d’origine aient communiqué à la Banque le dossier contenant les éléments d’information visés à l’article 115, § 1er, 1° et 2° ainsi que les éléments d’information additionnels visés à l’article 116. § 2. Ce dossier comprend également: 649 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° ingeval de verzekeringsonderneming arbeidsongeval- lenrisico’s wil dekken: a) het bewijs dat het Fonds voor Arbeidsongevallen door de verzekeringsonderneming in kennis werd gesteld van de voorgenomen activiteit; b) het bewijs dat de verzekeringsonderneming zich er ten aanzien van het Fonds voor arbeidsongevallen toe heeft ver- bonden om op het eerste verzoek van het genoemde Fonds een bankgarantie als bedoeld in artikel 60 van de arbeids- ongevallenwet van 10 april 1971 te vestigen met het oog op de schadeloosstelling van de arbeidsongevallen wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven; c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, §§ 2 en 3; 2° ingeval de verzekeringsonderneming overeenkomsten met betrekking tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder: a) een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming zich heeft aangesloten bij het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds en bij het Belgisch Bureau; b) de naam en het adres van de schaderegelaar bedoeld in artikel 21 van Richtlijn 2009/103/EG;  c) de naam en het adres van de vertegenwoordiger bedoeld in artikel 557, §§ 1 en 3. Art. 557 § 1. De verzekeringsonderneming die in het kader van het vrij verrichten van diensten overeenkomsten met betrek- king tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wenst uit te geven, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, zorgt ervoor dat het feit dat zij haar activiteiten in België niet via een bijkantoor uitoefent, er niet toe leidt dat personen die een schadevor- dering indienen die ontstaan is uit voorvallen die zich op het Belgische grondgebied hebben voorgedaan, in een nadeliger positie verkeren. Hiertoe stelt de onderneming een vertegenwoordiger aan die zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats in België heeft en over de nodige professionele betrouwbaarheid en deskundigheid beschikt om zijn opdracht uit te voeren.  Deze vertegenwoordiger verzamelt alle nodige informatie over de schadedossiers en beschikt over voldoende bevoegd- heid om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen tegenover personen die een schadevergoeding kunnen eisen, met inbegrip van de betaling van deze schadevergoeding, en om de onderneming voor de Belgische rechtbanken en autoriteiten te vertegenwoordigen of zo nodig te laten ver- tegenwoordigen in verband met deze schadevorderingen. 1° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend couvrir les risques d’accident du travail: a) la preuve que l’entreprise d’assurance a informé de l’activité envisagée le Fonds des accidents du travail; b) la preuve que l’entreprise d’assurance s’est engagée à l’égard du Fonds des accidents du travail à constituer, à la pre- mière demande dudit Fonds, une garantie bancaire telle que visée à l’article 60 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de pourvoir à la réparation des accidents du travail lorsque l’entreprise d’assurance est restée en défaut; c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’article 557, §§ 2 et 3; 2° dans le cas où l’entreprise d’assurance entend pratiquer l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la respon- sabilité du transporteur: a) une déclaration selon laquelle l’entreprise est devenue membre du Fonds commun de garantie belge et du Bureau belge; b) le nom et l’adresse du représentant chargé du règlement des sinistres visé à l’article 21 de la Directive 2009/103/CE; c) le nom et l’adresse du représentant visé à l’article 557, §§ 1er et 3. Art. 557 § 1er. L’entreprise d’assurance qui entend pratiquer en libre prestation de services l’assurance obligatoire de la respon- sabilité en matière de véhicules terrestres automoteurs, à l’exclusion de la responsabilité du transporteur, s’assure que les personnes présentant une demande d’indemnisation au titre d’événements survenant sur le territoire belge ne soient pas placées dans une situation moins favorable du fait que l’entreprise n’exerce pas son activité en Belgique par l’inter- médiaire d’une succursale. À cette fin, l’entreprise désigne un représentant qui a son domicile ou sa résidence habituelle en Belgique et dispose d’une honorabilité professionnelle et d’une expertise adé- quate pour l’exercice de sa mission.  Ce représentant réunit toutes les informations nécessaires en relation avec les dossiers d’indemnisation et dispose de pouvoirs suffisants pour représenter l’entreprise d’assurance auprès des personnes qui peuvent réclamer une indemnisa- tion, y compris le paiement de celle-ci, et pour la représenter ou, si cela est nécessaire, la faire représenter, pour ce qui concerne ces demandes d’indemnisation devant les juridic- tions et les autorités belges. 650 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze vertegenwoordiger beschikt ook over de bevoegdheid om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen bij de bevoegde Belgische autoriteiten voor de controle op het bestaan en de geldigheid van overeenkomsten met betrek- king tot de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. § 2. De verzekeringsonderneming die in het kader van het vrij verrichten van diensten arbeidsongevallenrisico’s wil laten dekken, stelt voor wat betreft de verzekeringsovereenkomsten met betrekking tot arbeidsongevallen, een vertegenwoordiger aan die mutatis mutandis voldoet aan de voorwaarden van paragraaf 1. §  3. De functie van de vertegenwoordiger bedoeld in paragraaf 1 kan worden vervuld door de schaderegelaar die overeenkomstig artikel 556, § 2, 2°, b) wordt aangesteld, voor zover de voorwaarden van paragraaf 1 zijn vervuld. De aanstelling door een verzekeringsonderneming van een vertegenwoordiger met toepassing van de paragrafen 1 of 2 wordt niet beschouwd als de opening van een bijkantoor. Art. 558 De verzekeringsonderneming mag haar activiteiten in België aanvatten in het kader van het vrij verrichten van dien- sten vanaf de datum waarop ze door de toezichthouders van haar lidstaat van herkomst in kennis werd gesteld van de me- dedeling aan de Bank van het dossier bedoeld in artikel 556. Art. 559 De Bank bezorgt aan de FSMA het in artikel 556 bedoelde dossier evenals alle latere wijzigingen in de daarin opgeno- men gegevens. Art. 560 Wanneer de verzekeringsonderneming voornemens is een wijziging aan te brengen in de in artikel 556 bedoelde gegevens, volgt zij daartoe de procedure waarin deze Afdeling voorziet. Art. 561 De Bank stelt de lijst op van de in artikel 556 bedoelde verzekeringsondernemingen. Die lijst en alle daarin aange- brachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt. Ce représentant dispose également du pouvoir de repré- senter l’entreprise d’assurance devant les autorités belges compétentes pour le contrôle de l’existence et de la validité de contrats relatifs à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs. § 2. L’entreprise d’assurance qui entend faire couvrir en libre prestation de services les risques liés aux accidents du travail désigne un représentant qui répond, mutatis mutandis, aux conditions visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les contrats d’assurance relatifs aux accidents du travail. § 3. Le rôle du représentant visé au paragraphe 1er peut être assuré par le représentant chargé du règlement des sinistres désigné conformément à l’article 556, § 2, 2°, b), pour autant que les conditions visées au paragraphe 1er soient satisfaites. La désignation par une entreprise d’assurance d’un repré- sentant en application des paragraphes 1er ou 2 ne constitue pas en soi l’ouverture d’une succursale. Art. 558 L’entreprise d’assurance peut commencer ses activités en libre prestation de service en Belgique à partir de la date à laquelle elle a été avisée par les autorités de contrôle de son État membre d’origine de la communication à la Banque du dossier visé à l’article 556. Art. 559 La Banque communique à la FSMA le dossier visé à l’article 556 ainsi que toute modification ultérieure apportée aux informations qu’il contient. Art. 560 Toute modification que l’entreprise d’assurance entend apporter aux informations visées à l’article 556 est soumise à la procédure prévue à la présente Section. Art. 561 La Banque établit la liste des entreprises d’assurance visées à l’article 556. Cette liste ainsi que toutes les modifica- tions qui y sont apportées sont publiées sur son site internet. 651 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art 562 § 1. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderne- mingen moeten blijvend voldoen aan de voorwaarden die door of krachtens de artikelen 550, 556 en 557 van deze wet zijn vastgesteld. § 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de activiteiten van de verzekeringsonderneming haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Art. 563 De in de artikelen 550 en 556 bedoelde verzekeringson- dernemingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen en, in het geval van artikel 550, hun zetel. Art. 564 § 1. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van in België toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op verzekeringsondernemingen en hun verrichtingen. De in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen mogen inzonderheid met alle beschikbare communicatiemid- delen in België reclame maken voor hun diensten, mits zij de om redenen van algemeen belang vastgestelde voorschriften inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame naleven. De Bank deelt aan de in artikel 550 bedoelde verzeke- ringsondernemingen mee welke bepalingen bij haar weten van algemeen belang zijn. Hiertoe wint zij het advies van de FSMA in. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan in België toegestane verzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten. § 2. De artikelen 199 tot 203 zijn van toepassing op de in artikel 550 bedoelde verzekeringsondernemingen. Section II Exercice de l’activité Art 562 §  1er. Les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu des articles 550, 556 et 557 de la présente loi. § 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que les activités de l’entreprise d’assurance pourraient porter atteinte à sa solidité financière, elle en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine. Art. 563 Les entreprises d’assurance visées aux articles 550 et 556  font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur État d’origine et, dans le cas de l’article 550, de leur siège social. Art. 564 § 1er. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas préjudice au respect, dans l’exercice des activités d’assu- rance autorisées en Belgique, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux entreprises d’assurance et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général. En particulier, les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre peuvent faire de la publicité pour leurs ser- vices, par tous les moyens de communication disponibles, en Belgique, pour autant qu’elles respectent les règles arrêtées pour des raisons d’intérêt général qui régissent la forme et le contenu de cette publicité. La Banque donne aux entreprises d’assurance visées à l’article  550  communication des dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère. Elle recueille à cet effet l’avis de la FSMA. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas davantage préjudice au respect, dans l’exercice d’activités autres que les activités d’assurance autorisées en Belgique, des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, à ces activités. § 2. Les articles 199 à 203 sont applicables aux entreprises d’assurance visées à l’article 550. 652 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Toezicht Art. 565 Behalve het toezicht waaraan zij onderworpen zijn krach- tens andere wettelijke of reglementaire bepalingen die hun activiteiten regelen, staan de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen onder het toezicht van de Bank voor wat betreft de naleving van de artikelen 550, 556 en 557. Art. 566 Op verzoek van de Bank dienen de verzekeringsonder- nemingen alle inlichtingen en documenten te verstrekken die vereist zijn voor het toezicht op de naleving van de in artikel 562 bedoelde bepalingen. Met hetzelfde doel kan de Bank ook in het Belgische bij- kantoor inspecties ter plaatse verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover het bijkantoor van de verzeke- ringsonderneming beschikt. In het kader van het toezicht waarin deze Afdeling voorziet, dienen de verzekeringsagenten, -makelaars of -tussenperso- nen aan de Bank op eenvoudig verzoek alle inlichtingen te verstrekken over de verzekeringsovereenkomsten waarvoor zij als tussenpersonen zijn opgetreden en die betrekking hebben op in België gelegen risico’s. In de gevallen bedoeld in het tweede lid brengt de Bank de toezichthouders van de lidstaat van herkomst voorafgaandelijk op de hoogte. Art. 567 §  1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in artikel 550 bedoelde bijkantoren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de financiële positie van de verzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie. § 2. Portefeuilleoverdrachten waarbij rechten en verplich- tingen worden overgedragen van verzekeringsovereenkom- sten waarvoor de lidstaat van de verbintenis of van het risico België is, en die verricht worden door de in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsondernemingen en toegelaten zijn door de toezichthouders van hun lidstaat van herkomst, worden bekendgemaakt in België. Deze bekendmaking wordt op verzoek van deze autoriteiten door de Bank verricht volgens de modaliteiten van artikel 106. Section III Contrôle Art. 565 Outre le contrôle dont elles font l’objet par ailleurs en vertu de dispositions légales ou réglementaires régissant leurs acti- vités, les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre sont soumises au contrôle de la Banque en ce qui concerne le respect des articles 550, 556 et 557. Art. 566 Sur demande de la Banque, les entreprises d’assurance doivent soumettre tous renseignements et fournir tous docu- ments en vue du contrôle du respect des dispositions visées à l’article 562. Dans le même but, la Banque peut également procéder à des inspections sur place dans la succursale belge ou prendre copie de toute information en possession de la succursale de l’entreprise d’assurance. Dans le cadre du contrôle prévu à la présente Section, les agents, courtiers ou intermédiaires d’assurance sont tenus de fournir à la Banque, sur simple demande, tous renseignements concernant les contrats d’assurance à propos desquels ils sont intervenus en qualité d’intermédiaires et qui sont relatifs à des risques situés en Belgique. Dans les cas visés à l’alinéa 2, la Banque informe préala- blement les autorités de contrôle de l’État membre d’origine. Art. 567 § 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre d’origine sont habilitées, après en avoir préalablement informé la Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées à l’article 550 en vue de vérifier ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour assurer le contrôle de la situation financière de l’entreprise d’assurance. La Banque peut participer à cette vérification. § 2. Les cessions de portefeuille impliquant la cession de droits et obligations de contrats d’assurance à propos desquels l’État d’engagement est la Belgique ou le risque y est situé, effectuées par les entreprises d’assurance visées au présent Chapitre, autorisées par les autorités de contrôle de leur État membre d’origine font l’objet d’une publicité en Belgique. Cette publicité est, à la demande de ces autori- tés, effectuée par la Banque selon les modalités prévues à l’article 106. 653 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Uitzonderingsmaatregelen Art. 568 Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekeringsonder- neming die onder een andere lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in de artikelen 562 en 564 bedoelde bepalingen, voor zover de inhoud van deze bepalingen onder de bevoegdheid van de Bank valt, maant zij de verzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen. De Bank stelt de FSMA in kennis van haar voornemen om het vorige lid toe te passen. Indien de toestand na de termijn bedoeld in het eerste lid niet is verholpen, brengt de Bank de toezichthouders van de betrokken lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte. Art. 569 § 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de Bank passende maatregelen nemen, met name de maatre- gelen waarin artikel 517 voorziet. Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de onderneming ook verbieden nieuwe verzekeringsover- eenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbe- palingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt. Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toe- zichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie als bedoeld in artikel 568 te verhelpen, kan zij de zaak over- eenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar om bijstand verzoeken. Artikel 517, § 5 is van toepassing. § 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 be- doelde maatregelen neemt. Art. 570 In spoedeisende gevallen kan de Bank de in artikel 569, § 1 bedoelde maatregelen nemen zonder vooraf een termijn vast te stellen; zij stelt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis onmiddellijk nadat zij de genoemde maatregelen heeft genomen. Section IV Mesures exceptionnelles Art. 568 Lorsque la Banque constate qu’une entreprise d’assu- rance relevant du droit d’un autre État membre opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services ne se conforme pas aux dispositions visées aux articles 562 et 564, dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque, elle met l’entreprise d’assurance en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée. La Banque informe la FSMA de son intention de faire application de l’alinéa précédent. Si, au terme du délai visé à l’alinéa 1er, il n’a pas été remédié à la situation, la Banque en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine concerné. Art. 569 § 1er. En cas de persistance des manquements, la Banque peut prendre les mesures appropriées, notamment celles prévues par l’article 517. Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée la Banque peut également interdire à l’entreprise de conclure de nou- veaux contrats d’assurance en Belgique et faire procéder, aux frais de l’entreprise, à la publication de la mesure d’interdiction dans les journaux de son choix ou dans les lieux et pendant la durée qu’elle détermine. En outre, si la Banque considère que l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine n’a pas pris les mesures adéquates en vue de remédier à la situation de non-conformité visée à l’article 568 elle peut saisir l’EIOPA, et demander son assis- tance conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. L’article 517, § 5 est applicable. § 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine avant de prendre les mesures prévues au paragraphe 1er. Art. 570 En cas d’urgence, la Banque peut prendre les mesures visées à l’article 569, § 1er sans qu’un délai ne soit préala- blement fixé et en informant les autorités de contrôle de l’État membre d’origine immédiatement après avoir pris lesdites mesures. 654 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 571 De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de maatregelen die zij op grond van de artikelen 569 en 570 heeft genomen, alsook het Fonds voor arbeidsongevallen wanneer deze maatregelen worden genomen ten aanzien van onder- nemingen die arbeidsongevallenrisico’s dekken. De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan EIOPA het aantal en de aard van de gevallen mee waarin maatrege- len zijn genomen overeenkomstig de artikelen 569 en 570. Art. 572 De Bank kan, op verzoek van de betrokken bevoegde Belgische autoriteiten, de artikelen 568 tot 570 toepassen op een in dit Hoofdstuk bedoelde verzekeringsonderneming wanneer zij in België, in het kader van haar verzekeringsac- tiviteiten, handelingen heeft gesteld die strijdig zijn met de wettelijke of reglementaire bepalingen van algemeen belang als bedoeld in artikel 564, eerste lid. Art. 573 Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een verzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze autoriteit, passende maatregelen om te beletten dat de betrok- ken verzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkom- sten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt. Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze verzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de vrij- waring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen. De Bank stelt de FSMA in kennis van de beslissing tot doorhaling of herroeping van de vergunning van de verzeke- ringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat, evenals van de maatregelen die zij met toepassing van dit artikel neemt. Art. 574 Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied gelo- kaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen. Art. 571 La Banque informe immédiatement la FSMA des mesures qu’elle a prises sur la base des articles 569 et 570, ainsi que le Fonds des accidents du travail lorsque ces mesures sont prises à l’égard d’entreprises couvrant les risques d’accident du travail. La Banque communique à la Commission européenne et à l’EIOPA le nombre et la nature des cas dans lesquels des mesures ont été prises conformément aux articles 569 et 570. Art. 572 La Banque peut, à la demande des autorités belges com- pétentes concernées, faire application des articles 568 à 570 à l’égard d’une entreprise d’assurance visée au présent Chapitre lorsqu’elle a accompli en Belgique, dans le cadre de ses activités d’assurance, des actes contraires aux dispo- sitions légales ou réglementaires d’intérêt général telles que visées à l’article 564, alinéa 1er. Art. 573 En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de l’entreprise d’assurance par l’autorité de contrôle de son État membre d’origine, la Banque prend, à la demande de cette autorité, les mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise d’assurance concernée de conclure de nouveaux contrats ou opérations en Belgique. En particulier, la Banque peut ordonner, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cette entreprise d’assurance a établie en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui s’assure de la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires en Belgique. La Banque informe la FSMA de la décision de radiation ou de révocation de l’agrément de l’entreprise d’assurance par l’autorité de contrôle de son État membre, ainsi que des mesures qu’elle prend en application du présent article. Art. 574 Si les autorités de contrôle de l’État membre d’origine d’une entreprise d’assurance le requièrent, la Banque peut restreindre ou interdire conformément aux articles 513 à 515 la libre disposition des actifs localisés sur le territoire belge que ces autorités ont désignés. 655 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK II Uitoefening van activiteiten in België door herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf Art. 575 Herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat dan België ressorteren, mogen in België, via de ves- tiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrich- ten van diensten, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 576 De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van herverzekeringsactiviteiten in België, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op herverzekeringsondernemingen en hun verrichtingen. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving, bij de uitoefening van andere activiteiten dan herverzekeringsactiviteiten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op die activiteiten. De artikelen 199 tot 202 zijn van toepassing op de in artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen die hun acti- viteiten in België uitoefenen via de vestiging een bijkantoor. Art. 577 De in artikel 575 bedoelde herverzekeringsondernemingen moeten bij de uitoefening van hun activiteiten in België, aan hun naam hun lidstaat van herkomst toevoegen en, wanneer zij hun activiteiten via een bijkantoor uitoefenen, hun zetel. CHAPITRE II Exercice d’activités en Belgique par des entreprises de réassurance relevant du droit d’un autre État membre Section Ire Accès à l’activité Art. 575 Les entreprises de réassurance relevant du droit d’un État membre autre que la Belgique peuvent y exercer, par la voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services, les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État membre d’origine. Section II Exercice de l’activité Art. 576 Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas préju- dice au respect, dans l’exercice des activités de réassurance exercées en Belgique, des dispositions légales et réglemen- taires applicables en Belgique aux entreprises de réassurance et à leurs opérations pour des raisons d’intérêt général. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas davan- tage préjudice au respect, dans l’exercice des activités autres que les activités de réassurance, des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, à ces activités. Les articles 199 à 202 sont applicables aux entreprises de réassurance visées à l’article 575 qui exercent leur activité en Belgique par la voie d’installation d’une succursale. Art. 577 Les entreprises de réassurance visées à l’article 575 font, dans l’exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur État d’origine ainsi que, lorsqu’elles exercent leurs activités par la voie d’une succursale, de la mention de leur siège social. 656 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling III Toezicht Onderafdeling I Algemene bepalingen Art. 578 § 1. De toezichthouders van de lidstaat van herkomst kun- nen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in artikel 575 bedoelde bijkantoren controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gege- vens die voor het toezicht op de financiële positie van de herverzekeringsonderneming noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie. § 2. Indien de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de activiteiten van de herverzekeringsonderneming haar finan- ciële soliditeit kunnen aantasten, stelt zij de toezichthouders van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Onderafdeling II Uitzonderingsmaatregelen Art. 579 Wanneer de Bank vaststelt dat een herverzekeringsonder- neming die onder een andere lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de herverzekeringsonderneming aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen. De Bank stelt de betrokken toezichthouders van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis. Art. 580 § 1. Wanneer de overtredingen blijven aanhouden, kan de Bank passende maatregelen nemen, met name de maatre- gelen waarin artikel 517 voorziet. Wanneer deze maatregel evenredig blijkt, kan de Bank de onderneming ook verbieden nieuwe herverzekeringsover- eenkomsten te sluiten in België en kan zij op kosten van de onderneming overgaan tot de publicatie van de verbodsbe- palingen in de kranten van haar keuze of op de plaatsen en voor de duur die zij bepaalt. Indien de Bank bovendien van oordeel is dat de toe- zichthouder van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie Section III Contrôle Sous-section Ire Généralités Art. 578 § 1er. Les autorités de contrôle de l’État membre d’origine sont habilitées, après en avoir préalablement informé la Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées à l’article 575 en vue de vérifier ou recueillir, le cas échéant, par l’intermédiaire des personnes qu’elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour assurer le contrôle de la situation financière de l’entreprise de réassurance. La Banque peut participer à cette vérification. § 2. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que les activités de l’entreprise de réassurance pourraient porter atteinte à sa solidité financière, elle en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine. Sous-section II Mesures exceptionnelles Art. 579 Lorsque la Banque constate qu’une entreprise de réassu- rance relevant du droit d’un autre État membre opérant en Belgique par la voie d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services ne se conforme pas aux disposi- tions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, elle met l’entreprise de réassurance en demeure de remédier, dans le délai qu’elle détermine, à la situation constatée. La Banque en informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine concernées. Art. 580 § 1er. En cas de persistance des manquements, la Banque peut prendre les mesures appropriées, notamment celles prévues par l’article 517. Lorsqu’une telle mesure s’avère proportionnée, la Banque peut également interdire à l’entreprise de conclure de nou- veaux contrats de réassurance en Belgique et faire procéder, aux frais de l’entreprise, à la publication de la mesure d’inter- diction dans les journaux de son choix ou dans les lieux et pendant la durée qu’elle détermine. En outre, si la Banque considère que l’autorité de contrôle de l’État membre d’origine n’a pas pris les mesures adéquates en vue de remédier à la situation de non-conformité visée à 657 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 als bedoeld in artikel 26 te verhelpen, kan zij de zaak over- eenkomstig artikel 19 van Verordening 1094/2010 aan EIOPA voorleggen en haar om bijstand verzoeken. Artikel 517, § 5 is van toepassing] § 2. De Bank brengt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst op de hoogte vooraleer zij de in paragraaf 1 be- doelde maatregelen neemt. Art. 581 De Bank brengt de FSMA onmiddellijk op de hoogte van de maatregelen die zij op grond van de artikelen 25 en 26 heeft genomen. Art. 582 Bij doorhaling of herroeping van de vergunning van een herverzekeringsonderneming door de toezichthouder van haar lidstaat van herkomst, neemt de Bank, op verzoek van deze toezichthouder, passende maatregelen om te beletten dat de betrokken herverzekeringsonderneming in België nieuwe overeenkomsten sluit of nieuwe activiteiten aanvangt. Na deze autoriteit in kennis te hebben gesteld, kan de Bank inzonderheid de sluiting bevelen van het bijkantoor dat deze herverzekeringsonderneming in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de herverzekeringsbegunstigden in België alle bewarende maatregelen te treffen. Art. 583 Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een herverzekeringsonderneming daarom verzoeken, kan de Bank, overeenkomstig de artikelen 513 tot 515, de vrije beschikking over de op het Belgische grondgebied ge- lokaliseerde activa die door deze autoriteiten zijn aangeduid, beperken of ontnemen. l’article 26 elle peut saisir l’EIOPA, et demander son assis- tance conformément à l’article 19 du Règlement 1094/2010. L’article 517, § 5 est applicable. § 2. La Banque informe les autorités de contrôle de l’État membre d’origine avant de prendre les mesures prévues au paragraphe 1er. Art. 581 La Banque informe immédiatement la FSMA des mesures qu’elle a prises sur la base des articles 25 et 26. Art. 582 En cas de radiation ou de révocation de l’agrément de l’entreprise de réassurance par l’autorité de contrôle de son État membre d’origine, la Banque prend, à la demande de cette autorité de contrôle, les mesures appropriées en vue d’empêcher l’entreprise de réassurance concernée de conclure de nouveaux contrats ou opérations en Belgique. En particulier, elle peut ordonner, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cette entreprise de réassurance a établie en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui s’assure de la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu’il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l’intérêt des bénéficiaires de réassurance en Belgique. Art. 583 Si les autorités de contrôle de l’État membre d’origine d’une entreprise de réassurance le requièrent, la Banque peut restreindre ou interdire conformément aux articles 513 à 515 la libre disposition des actifs localisés sur le territoire belge que ces autorités ont désigné. 658 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL II Verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren HOOFDSTUK I Bijkantoren in België van verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Afdeling I Toegang tot het bedrijf in België Art. 584 Onverminderd de bepalingen van de internationale verdra- gen waarbij België partij is, moeten de verzekeringsonderne- mingen die onder een derde land ressorteren en waaraan in die hoedanigheid een vergunning werd verleend in dit derde land, alvorens een bijkantoor te openen om hun activiteiten in België uit te oefenen, een vergunning verkrijgen van de Bank. Voor de uitvoering van de internationale verdragen waarbij België partij is, kan de Koning de voorwaarden en modaliteiten bepalen waaronder de verzekeringsondernemingen waarop deze verdragen van toepassing zijn, een recht van vestiging en vrij verrichten van diensten kunnen genieten voor de uit- oefening van hun activiteiten in België. Art. 585 § 1. In verband met de toekenning van de vergunning als bedoeld in artikel 584, zijn de volgende artikelen van toepassing: 1° de artikelen 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1° en 35, met dien verstande dat a) artikel 18, derde lid niet van toepassing is; b) de verzekeringsonderneming in haar land van herkomst gemachtigd is om de activiteiten uit te oefenen die in haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen; c) het administratief dossier bovendien de naam, het adres en de bevoegdheden bevat van de algemeen lasthebber als bedoeld in artikel 593; d) de verwijzing naar artikel 23 geldt voor de verzekerings- onderneming waarvan het bijkantoor afhangt; 2°  artikel 31, met dien verstande dat de in deze Titel bedoelde bijkantoren in een bijzondere rubriek van de lijst worden vermeld; 3° artikel 37, 2° en 3°; 4°  de artikelen 39  tot 43, met dien verstande dat de verwijzing naar de artikelen 39  en 43  geldt voor de TITRE II Des entreprises d’assurance ou de réassurance relevant du droit de pays tiers CHAPITRE IER Succursales en Belgique d’entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers Section Ire Accès à l’activité en Belgique Art. 584 Sans préjudice des dispositions des Traités internationaux auxquels la Belgique est partie, les entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers dûment agréées en cette qualité dans ce pays doivent, avant d’ouvrir une succursale en vue d’exercer leurs activités en Belgique, se faire agréer auprès de la Banque. Le Roi peut, pour l’exécution de Traités internationaux auxquels la Belgique est partie, préciser les conditions et les modalités selon lesquelles les entreprises d’assurance visées par ces Traités bénéficient d’un droit d’établissement ou de prestation de services en vue de l’exercice de leurs activités en Belgique. Art. 585 § 1er. Aux fins de l’octroi de l’agrément visé à l’article 584, sont applicables: 1° les articles 22, 23, 24, 26, 27 28, 29, 30, 32, 34, 1° et 35, étant entendu que a) l’article 18, alinéa 3 n’est pas applicable; b) l’entreprise d’assurance est autorisée dans son pays d’origine à exercer les activités contenues dans son pro- gramme d’activités; c)  le dossier administratif comporte en outre le nom, l’adresse et les pouvoirs du mandataire général visé à l’article 593; d) la référence faite à l’article 23 vaut pour l’entreprise d’assurance dont relève la succursale; 2° l’article 31, les succursales visées au présent Titre étant mentionnées à une rubrique spéciale de la liste; 3° l’article 37, 2° et 3°; 4° les articles 39 à 43, étant entendu que la référence faite à les articles 39 et 43 vaut pour l’entreprise d’assurance dont 659 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verzekeringsonderneming waarvan het bijkantoor afhangt en dat de verwijzing naar de artikelen 40 tot 42 geldt voor het bijkantoor in België; 5°  artikel 62, voor zover de verzekeringsonderneming niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een regeling ter bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering in haar land van herkomst als door de regelingen in België, voor wat de types van gedekte overeenkomsten en het vastgestelde beschermingsniveau betreft. Naast het vereiste bedoeld in het eerste lid, 3°, toont de onderneming aan a) dat haar bijkantoor over het nodige in aanmerking ko- mende eigen vermogen beschikt om de helft van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste als vastgelegd in artikel 189, § 1, 4° te bereiken; b) dat zij in België over activa beschikt voor het in a) be- doelde bedrag en dat zij bovendien de helft van deze activa bij een financiële intermediair heeft gedeponeerd, om ze onbeschikbaar te maken. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de voorwaarden en modaliteiten waar- aan deze onbeschikbaarheid moet voldoen. § 2. De vergunning als bedoeld in paragraaf 1 kan slechts worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de statuten van de betrokken verzekeringsonderneming zijn niet strijdig met de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen; inzonderheid mogen de statuten niet toestaan dat andere activiteiten worden uit- geoefend dan deze die bedoeld zijn in artikel 34, 1°; 2° de toezichthouder die belast is met het toezicht op de verzekeringsonderneming in het derde land, bevestigt dat de onderneming voldoet aan de prudentiële vereisten die op haar van toepassing zijn in dat land. § 3. Onverminderd de paragrafen 1 en 2 kan aan een bijkantoor van een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende algemene voorwaarden: 1°  de verzekeringsonderneming is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij Richtlijn 2009/138/EG en haar uitvoeringsmaatregelen wordt geregeld; 2°  de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de activiteiten van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de verzekeringsonderneming en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie relève la succursale et que la référence faite aux articles 40 à 42 vaut pour la succursale en Belgique; 5° l’article 62 dans la mesure où l’entreprise d’assurance ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des créanciers d’assurance au sein de son pays d’origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant des systèmes mis en place en Belgique, quant aux types de contrats couverts et au niveau de protection prévu. Outre l’exigence visée à l’alinéa  1er, 3°, l’entreprise démontre a) que sa succursale fait l’objet d’une dotation en fonds propres éligibles nécessaires pour atteindre la moitié du seuil absolu du minimum de capital requis prévu à l’article 189, § 1er, 4°; b) qu’elle dispose en Belgique d’actifs pour le montant visé au a) et qu’elle a, en outre, déposé la moitié de ces actifs auprès d’un intermédiaire financier, de telle manière à les rendre indisponibles. La Banque détermine, par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les conditions et modalités auxquelles doit répondre cette indisponibilité. § 2. L’octroi de l’agrément visé au paragraphe 1er est éga- lement soumis au respect des conditions suivantes: 1° les statuts de l’entreprise d’assurance concernée ne sont pas contraires aux dispositions de la présente loi et de ses arrêtés et règlement d’exécution; en particulier, les statuts ne peuvent autoriser une activité autre que celles visées à l’article 34, 1°; 2° l’autorité de contrôle en charge du contrôle de l’entre- prise d’assurance dans le pays tiers confirme que l’entreprise satisfait aux exigences prudentielles qui lui sont applicables dans ce pays. § 3. Sans préjudice des paragraphes 1er et 2, l’octroi d’un agrément à une succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers est également soumis au respect des conditions générales suivantes: 1° l’entreprise d’assurance est soumise, dans son pays d’origine, à un contrôle prudentiel de nature équivalente à celui organisé par la Directive 2009/138/CE et ses mesures d’exécution; 2° la Banque a signé avec l’autorité du pays tiers concernée un accord de coopération impliquant un échange d’infor- mations lui permettant d’exercer un contrôle efficace des activités de la succursale belge. La Banque peut déroger au respect de cette condition si, au regard du cas d’espèce, elle estime que celle-ci n’est pas de nature à améliorer substan- tiellement la connaissance de l’entreprise d’assurance, en ce compris du groupe auquel elle appartient, sous l’angle de 660 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 en de risico’s die voortvloeien uit haar activiteiten, in het bij- zonder de risico’s ten aanzien van de schuldeisers uit hoofde van verzekering van het Belgische bijkantoor. § 4. Zonder afbreuk te doen aan de internationale over- eenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een verzekeringsonderne- ming die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan verzekerings- ondernemingen naar Belgisch recht. § 5. De Bank kan ook een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de verzekeringnemers, de verze- kerden en de begunstigden of voor een gezond en voorzichtig beleid van de onderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening wor- den gehouden met de volgende criteria: 1° het feit dat de verzekeringsonderneming in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen activiteiten niet effectief uitoefent; 2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de om- vang van de verzekeringsonderneming. § 6. Alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaan- vraag van een bijkantoor, raadpleegt de Bank de betrokken autoriteit van het derde land. De Bank spreekt zich over de vergunningsaanvraag van het bijkantoor uit na advies van de FSMA over de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstig- den. De FSMA verstrekt haar advies binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de Bank geformuleerde adviesaanvraag, waarbij alle nuttige, van de vergunningaanvragende onderneming ontvangen stukken zijn gevoegd. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Afdeling II Bedrijfsuitoefening Art. 586 De Belgische bijkantoren van verzekeringsondernemin- gen die onder een derde land ressorteren moeten blijvend voldoen aan de door of krachtens artikel 584 vastgelegde voorwaarden. Art. 587 Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn de volgende artikelen van toepassing: son organisation et des risques générés par ses activités, spé- cialement les risques à l’égard des créanciers d’assurance de la succursale belge. § 4. Sans préjudice des Accords internationaux liant la Belgique, la Banque peut refuser d’agréer la succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers qui n’accorde pas les mêmes possibilités d’accès à son marché aux entreprise d’assurance de droit belge. § 5. La Banque peut également refuser l’agrément d’une succursale visée au présent Titre si elle estime que la pro- tection des preneurs d’assurance, des assurés et des béné- ficiaires ou la gestion saine et prudente de l’entreprise ou encore la stabilité du système financier requiert la constitution d’une société de droit belge. Une telle décision peut notamment tenir compte des cri- tères suivants: 1° l’absence d’exercice effectif par l’entreprise d’assurance dans le pays tiers, ou au sein du groupe auquel appartient l’entreprise d’assurance, des activités projetées par la succursale; 2° l’importance de la succursale par rapport à la taille de l’entreprise d’assurance. § 6. Avant de statuer sur la demande d’agrément de la suc- cursale, la Banque consulte l’autorité du pays tiers concernée. La Banque se prononce sur la demande d’agrément de la succursale sur avis de la FSMA en ce qui concerne la protection des preneurs d’assurance, des assurés et des bénéficiaires. La FSMA rend son avis dans un délai d’un mois à compter de la réception de la demande d’avis formulée par la Banque, accompagnée de toutes les pièces utiles reçues de l’entreprise qui sollicite l’agrément. L’absence d’avis dans ce délai est considéré comme un avis positif. Section II Exercice de l’activité Art. 586 Les succursales belges des entreprises d’assurance rele- vant du droit d’un pays tiers doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu de l’article 584. Art. 587 Sont applicables aux succursales visées à l’article 584: 661 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° artikel 71; 2° artikel 83, voor wat betreft de algemeen lasthebber van het bijkantoor, als bedoeld in artikel 593, evenals, in voorkomend geval, de andere personen die met de effec- tieve leiding van het bijkantoor zijn belast, en artikel 81, voor wat betreft diezelfde personen en, in voorkomend geval, de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties in het bijkantoor; 3° artikel 93, met dien verstande dat de leiders van het bijkantoor gelijkgesteld worden met de leden van het wettelijk bestuursorgaan; 4° de artikelen 36 en 38, § 1; 5° de artikelen 102, 103, 104, § 1, 1° en § 2, 105 en 106, met dien verstande dat: a) artikel 102, eerste lid, 1° betrekking heeft op het bijkan- toor in België; b)  in de gevallen bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° waar de overnemende onderneming een bijkantoor is van een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert, die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, verleent de Bank haar toestemming voor een portefeuilleoverdracht enkel indien: — de toezichthouders van de betrokken lidstaat hebben ingestemd met de overdracht, en — deze toezichthouders verklaren dat de betrokken over- nemende onderneming, na de voorgenomen overdracht, over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen beschikt om het solvabiliteitskapitaalvereiste dat met toepassing van de wetgeving van die lidstaat is opgelegd, te dekken; c)  wanneer daarom verzocht wordt door het in artikel 584 bedoelde bijkantoor in zijn hoedanigheid van overdra- gende onderneming, mag de toestemming als bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3° enkel worden verleend indien de Bank de instemming heeft verkregen van de toezichthouders van de andere lidstaten waar de risico’s zijn gelegen of, naarge- lang van het geval, van de toezichthouders van de lidstaten van de verbintenis. Indien de geraadpleegde buitenlandse toezichthouders niet hebben gereageerd binnen een termijn van drie maanden, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven. Art. 588 § 1. Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de volgende artikelen van toepassing: 1° de artikelen 123 tot 139; 2° de artikelen 76, 199 tot 203, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 76, de plaats waar de documenten met betrekking tot de verrichtingen die via het bijkantoor wor- den uitgevoerd worden bewaard, de zetel van het bijkantoor is. 1° l’article 71; 2° l’article 83 en ce qui concerne le mandataire général de la succursale visé à l’article 593 ainsi que, le cas échéant, les autres personnes chargées de la direction effective de la succursale et l’article 81 en ce qui concerne ces mêmes personnes et, le cas échéant, les responsables des fonctions de contrôle indépendantes au sein de la succursale; 3°  l’article  93, étant entendu que les dirigeants de la succursale sont assimilés aux membres de l’organe légal d’administration; 4° les articles 36 et 38, § 1er; 5° les articles 102, 103, 104, § 1er, 1° et § 2, 105 et 106, étant entendu en outre que: a) l’article 102 alinéa 1er, 1° concerne la succursale en Belgique; b)  dans les cas visés à l’article  102,  alinéa  1er,  3° où l’entreprise cessionnaire est une succursale d’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers, située sur le territoire d’un autre État membre, la Banque ne donne son autorisation à un transfert de portefeuille que si: — les autorités de contrôle de l’État membre concerné ont donné leur accord à un tel transfert, et — que ces autorités attestent que l’entreprise cessionnaire concernée dispose, compte tenu du transfert envisagé, de fonds propres éligibles suffisants pour couvrir le capital de sol- vabilité requis exigé en application de la législation de cet État; c) lorsqu’elle est demandée par la succursale visée à l’article 584 en qualité d’entreprise cédante, l’autorisation visée à l’article 102, alinéa 1er, 3° ne peut être donnée que si la Banque a reçu l’accord des autorités de contrôle des autres États membres où les risques sont situés ou, selon le cas, des autorités de contrôle des États membres de l’engagement. À défaut de réponse des autorités étrangères consultées dans un délai de trois mois, leur accord est présumé. Art. 588 § 1er. Sont également applicables aux succursales visées à l’article 584: 1° les articles 123 à 139; 2° les articles 76, 199 à 203, étant entendu qu’aux fins de l’application de l’article 76, le lieu de conservation des documents relatifs aux opérations effectuées par le biais de la succursale est le siège de la succursale. 662 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en de modaliteiten inzake de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudkundige situaties van de in artikel 584 bedoelde bijkantoren. Art. 589 § 1. De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten over ei- gen vermogen beschikken dat voldoet aan de volgende regels: 1° het eigen vermogen voldoet aan de artikelen 140 tot 150; 2° het eigen vermogen voldoet aan het solvabiliteitskapi- taalvereiste en aan het minimumkapitaalvereiste die overeen- komstig de artikelen 151 tot 189 worden berekend, met dien verstande dat voor de toepassing van die vereisten, zowel voor levensverzekeringen als voor niet-levensverzekeringen, enkel de verrichtingen in aanmerking worden genomen die door het betrokken bijkantoor worden uitgevoerd; 3° de vereiste absolute ondergrens is gelijk aan de helft van het in artikel 189, § 1, 4° bedoelde bedrag. Het overeenkomstig artikel 585, tweede lid, b), gestorte depot wordt onder het in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste gerekend. § 2. Artikel 323 is van toepassing met dien verstande dat de opslagfactor een aanvullend vereiste is met betrekking tot het eigenvermogensvereiste dat met toepassing van die artikel is opgelegd. § 3. Artikel 91 is van toepassing op de in artikel 584 be- doelde bijkantoren. Art. 590 De in artikel 584 bedoelde bijkantoren mogen het niet- levensverzekeringsbedrijf en het levensverzekeringsbedrijf niet gelijktijdig uitoefenen. Art. 591 § 1. De artikelen 190 tot 193 zijn van toepassing voor wat de activa betreft die het bijkantoor bezit. § 2. Onverminderd artikel 585, § 1, tweede lid, zijn de artike- len 194 en 195 eveneens van toepassing op de verbintenissen die door het bijkantoor worden aangegaan. De activa bedoeld in de artikelen 194 en 195 moeten in België gelokaliseerd zijn. § 3. In afwijking van paragraaf 2 mogen de activa maar in België gelokaliseerd zijn ten belope van het minimumkapi- taalvereiste en, voor het resterende gedeelte, in een lidstaat, wanneer de onderneming aantoont dat zij voldoet aan de volgende voorwaarden: § 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales visées à l’article 584. Art. 589 § 1er. Les succursales visées à l’article 584 doivent faire l’objet d’une dotation en fonds propres répondant aux règles suivantes: 1° la dotation en fonds propres respecte les articles 140 à 150; 2° la dotation en fonds propres respecte les exigences de capital de solvabilité requis et d’un minimum de capital requis calculés conformément aux articles 151 à 189, étant entendu qu’aux fins de ces exigences, seules sont prises en considération, tant pour l’assurance vie que pour l’assurance non-vie, les opérations réalisées par la succursale concernée; 3° l’exigence de seuil absolu correspond à la moitié du montant visé à l’article 189, § 1er, 4°. Le dépôt effectué conformément à l’article 585, alinéa 2, b) est comptabilisé dans les fonds propres de base éligibles destinés à couvrir le minimum de capital requis. § 2. L’article 323 est applicable étant entendu que l’exi- gence supplémentaire vise une exigence supplémentaire relative à la dotation en fonds propres requise en application du présent article. § 3. L’article 91 est d’application aux succursales visées à l’article 584. Art. 590 Les succursales visées à l’article 584 ne peuvent exercer simultanément les activités d’assurance non-vie et d’assu- rance vie. Art. 591 § 1er. Les articles 190 à 193 sont d’application en ce qui concerne les actifs détenus par la succursale. § 2. Sans préjudice de l’article 585, § 1er, alinéa 2, les articles 194 et 195 sont également applicables aux enga- gements contractés par la succursale. Les actifs visés aux articles 194 et 195 doivent être localisés en Belgique. § 3. Par dérogation au paragraphe 2, les actifs peuvent n’être localisés en Belgique que jusqu’à concurrence du minimum de capital requis et, pour le surplus, au sein d’un État membre lorsque l’entreprise démontre qu’elle satisfait aux conditions suivantes: 663 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° het recht inzake liquidatieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschre- ven, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering van wie de rechten bij de verzeke- ringsonderneming in het derde land zijn onderschreven; en 2°  ingeval er tegen de verzekeringsonderneming een liquidatieprocedure wordt geopend in het derde land, kent het recht dat deze procedure regelt aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering waarvan de rechten bij het Belgische bijkantoor zijn onderschreven, een rang toe die een gelijk- waardige bescherming biedt als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien. Art. 592 Op de in artikel 584 bedoelde bijkantoren zijn ook de vol- gende artikelen van toepassing: 1° de artikelen 212 tot 221; 2° de artikelen 230 en 231; 3° de artikelen 232 tot 238; 4° de artikelen 240 en 241. Art. 593 De in artikel 584 bedoelde bijkantoren moeten een alge- meen lasthebber aanduiden. De artikelen 81, 83 en 93 zijn op hem van toepassing. Bovendien moet die algemeen lasthebber zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in België hebben en moet hij over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekerings- onderneming ten opzichte van derden te verbinden en om haar in haar betrekkingen met de Belgische autoriteiten en rechterlijke instanties te vertegenwoordigen. In geval van verzaking aan of intrekking van het mandaat of in geval van overlijden van de algemeen lasthebber, neemt de verzekeringsonderneming de nodige maatregelen opdat de opvolger binnen een maand in functie is. Art. 594 § 1. De verzekeringsondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren en die met toepassing van dit Hoofdstuk in België een vergunning hebben aangevraagd of verkregen en in een of meer andere lidstaten een vergun- ning hebben verkregen voor de vestiging van een bijkantoor, kunnen vragen om het voordeel te genieten van de volgende bijzondere bepalingen, die enkel gezamenlijk kunnen worden toegekend: 1°  het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van het geheel van de activiteiten die in de lidstaten 1° le droit des procédures de liquidation du pays tiers assure aux créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent à celui des créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers; et 2° en cas de procédure de liquidation ouverte à l’encontre de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers, le droit régis- sant cette procédure octroie aux créanciers d’assurance dont les droits ont été souscrits auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644. Art. 592 Sont également applicables aux succursales visées à l’article 584: 1° les articles 212 à 221; 2° les articles 230 et 231; 3° les articles 232 à 238; 4° les articles 240 et 241. Art. 593 Les succursales visées à l’article 584 doivent désigner un mandataire général. Les articles 81, 83 et 93 lui sont applicables. Ce mandataire général doit, en outre, avoir son domicile ou sa résidence habituelle en Belgique et doit disposer des pouvoirs suffisants pour engager l’entreprise d’assurance à l’égard des tiers et pour la représenter dans les relations avec les autorités et juridictions belges. En cas de renonciation au mandat ou de révocation de celui-ci ou en cas de décès du mandataire général, l’entre- prise d’assurance prend les mesures nécessaires pour que le successeur soit en fonction dans le mois. Art. 594 § 1er. Les entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers qui ont sollicité ou obtenu un agrément en Belgique en application du présent Chapitre et dans un ou plusieurs autres États membres pour l’établissement d’une succursale peuvent demander le bénéfice des dispositions particulières suivantes, qui ne peuvent être accordées que conjointement: 1° le capital de solvabilité requis est calculé en fonction de l’ensemble de l’activité exercée au sein des États membres. 664 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 worden uitgeoefend. Bij deze berekening worden enkel de verrichtingen van alle in lidstaten gevestigde bijkantoren in aanmerking genomen; 2° in afwijking van artikel 585, tweede lid, b), wordt het depot dat met toepassing van deze bepaling is opgelegd, uitgevoerd in de lidstaat van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde toezichthouder; 3° in afwijking van artikel 592, mogen de activa die tegen- over het minimumkapitaalvereiste staan gelokaliseerd zijn in een van de lidstaten waar zij hun activiteit uitoefenen. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanvraag moet worden ingediend bij de Bank en bij de toezichthouders van elk van de andere betrokken lidstaten. In deze aanvraag moet de onderneming aangeven welke toezichthouder belast zal zijn met het toezicht op de solvabiliteit voor het geheel van de ac- tiviteiten van de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. De keuze van de toezichthouder moet door de onderne- ming met redenen worden omkleed en door die toezichthouder worden aanvaard. § 3. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere bepalingen kan enkel worden toegekend aan de onderneming mits de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten hun toestemming verlenen. Deze bijzondere bepalingen zijn maar van toepassing vanaf de datum waarop de gekozen toezichthouder aan de andere toezichthouders bevestigt dat hij zijn aanstelling aanvaardt en dat hij toezicht zal houden op de naleving van de solvabiliteits- vereisten door de bijkantoren die in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten. Wanneer een toezichthouder van een andere lidstaat wordt gekozen met toepassing van de paragrafen 2 en 3, verstrekt de Bank aan die toezichthouder de nodige inlichtingen voor het toezicht op de naleving van de vereisten inzake de globale solvabiliteit van de betrokken verzekeringsonderneming. Het voordeel van de in paragraaf 1 bedoelde bijzondere bepalingen wordt van rechtswege opgeheven op verzoek van de Bank aan de andere betrokken toezichthouders of op verzoek van een van hen. Deze opheffing wordt ter kennis gebracht van het in artikel 584 bedoelde bijkantoor. § 4. Wanneer zij met toepassing van de paragrafen 2 en 3 wordt gekozen, stelt de Bank EIOPA daarvan in kennis. Afdeling III Toezicht Art. 595 De volgende artikelen zijn van toepassing: 1° de artikelen 303 tot 309; À cette fin, seules les opérations réalisées par l’ensemble des succursales établies au sein d’États membres sont prises en considération pour ce calcul; 2° par dérogation à l’article 585, alinéa 2, b), le dépôt requis en application de cette disposition est effectué dans l’État membre de l’autorité de contrôle visée au paragraphe 2, alinéa 2; 3° par dérogation à l’article 592, les actifs représentatifs du minimum de capital requis peuvent être localisés dans l’un des États membres où elles exercent leur activité. § 2. La demande visée au paragraphe 1er doit être déposée auprès de la Banque et des autorités de contrôle de chacun des autres États membres concernés. Dans cette demande, l’entreprise doit indiquer l’autorité de contrôle qui sera char- gée de vérifier la solvabilité des succursales établies au sein de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs opérations. Le choix de l’autorité de contrôle effectué par l’entreprise doit être motivé et accepté par cette autorité. § 3. Le bénéfice des dispositions particulières prévues au paragraphe 1er ne peut être octroyé à l’entreprise qu’avec l’accord des autorités de contrôle de tous les États membres concernés. Ces dispositions particulières ne sont applicables qu’à la date à laquelle l’autorité de contrôle choisie confirme aux autres autorités de contrôle qu’elle accepte sa désignation et qu’elle vérifiera les exigences de solvabilité des succursales établies à l’intérieur de l’Espace économique européen pour l’ensemble de leurs opérations. Lorsqu’une autorité de contrôle d’un autre État membre est choisie en application des paragraphes 2 et 3, la Banque fournit à cette autorité les informations nécessaires à la véri- fication des exigences de solvabilité globale de l’entreprise d’assurance concernée. Le bénéfice des dispositions particulières prévues au para- graphe 1er est retiré de plein droit en cas de demande de la Banque adressée aux autres autorités de contrôle concernées ou à la demande de l’une de celles-ci. Ce retrait est notifié à la succursale visée à l’article 584. §  4. Lorsqu’elle est choisie en application des para- graphes 2 et 3, la Banque en informe l’EIOPA. Section III Contrôle Art. 595 Sont applicables: 1° les articles 303 à 309; 665 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° de artikelen 504 tot 507; 3° de artikelen 510, 511, 513 tot 515, met dien verstande dat, in de gevallen bedoeld in artikel 594, de toezichthouder die belast is met het toezicht op de naleving van de solva- biliteitsvereisten door de bijkantoren die in de verschillende lidstaten zijn gevestigd, voor het geheel van hun activiteiten, ook de prerogatieven kan uitoefenen waarop die bepalingen betrekking hebben. Art. 596 De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkend revisoren of een of meer erkende reviso- renvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 327. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen. Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 326 van overeenkomstige toepassing. Artikel 328, artikel 329, eerste tot vierde lid, artikel 330, eerste lid 1 en de artikelen 331 tot 337 zijn mutatis mutandis van toepassing. Art. 597 § 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel met de autoriteiten van derde landen van de verzekeringson- derneming en met de bevoegde autoriteiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze onderneming die buiten België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbepalingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd. § 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de activiteiten van de verzekeringsonderneming en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister bevoegd voor Economie, afwijken van de bepalingen van deze wet. Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoe- ringsbesluiten en -reglementen. De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren van verzekeringsondernemingen die onder een andere lid- staat ressorteren. 2° les articles 504 à 507; 3° les articles 510, 511, 513 à 515, étant entendu que dans les cas visés à l’article 594, l’autorité de contrôle chargée de vérifier le respect des exigences de solvabilité des suc- cursales établies au sein de différents États membres pour l’ensemble de leurs opérations peut également exercer les prérogatives visées par ces dispositions. Art. 596 La direction des succursales visées au présent Titre est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées conformément à l’article 327. Elle peut désigner, pareillement, un suppléant. En cas de désignation d’une société de reviseurs, l’ar- ticle 326 est applicable par analogie. Les articles 328, 329, alinéas 1er à 4, 330, alinéa 1er et 331 à 337 sont, mutatis mutandis, applicables. Art. 597 § 1er. La Banque peut convenir, sur base de réciprocité, avec les autorités de pays tiers de l’entreprise d’assurance et avec les autorités, compétentes et de pays tiers, des autres succursales de cette entreprise établies dans d’autres États que la Belgique, de règles relatives aux obligations et interdictions concernant la succursale en Belgique, de l’objet et de modalités de sa surveillance ainsi que des modalités de la collaboration et de l’échange d’informations avec ces autorités, telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi du 22 février 1998. § 2. Les conventions peuvent, moyennant l’approbation du ministre ayant l’économie dans ses attributions, déroger aux dispositions de la présente loi en vue de fixer des règles et modalités plus appropriées à la nature et à la répartition des activités de l’entreprise d’assurance et de son contrôle. Moyennant l’existence d’un contrôle global répondant aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi, ces conventions peuvent dispenser de l’application de certaines dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. Les conventions prévues par le présent article ne peuvent comporter au bénéfice des succursales qu’elles concernent des règles plus favorables que celles qui s’appliquent aux succursales établies en Belgique d’entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État membre. 666 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling IV Uitzonderingsmaatregelen, sancties en beëindiging van de vergunning Art. 598 § 1. De artikelen 508 en 517 zijn van toepassing. Bij intrekking van de vergunning door de Bank wegens niet-naleving van de regels inzake de solvabiliteitsvereisten, stelt de Bank de andere toezichthouders als bedoeld in arti- kel 594 hiervan in kennis. Bij intrekking van de vergunning door een toezichthouder die met toepassing van artikel 594, §§ 2 en 3 is aangesteld, trekt de Bank eveneens de in artikel 585 bedoelde vergun- ning in. § 2. De Bank kan de vergunning van een in dit Hoofdstuk bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering of voor een gezond en voorzichtig beleid van de verzekeringsonderneming of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 585, § 4. De Bank stelt de FSMA in kennis van de overeenkomstig het eerste lid genomen besluiten. Art. 599 De artikelen 538 tot 541, artikel 543, eerste lid en 544 tot 547 zijn van toepassing. HOOFDSTUK II Uitoefening van activiteiten in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten, door herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Art. 600 Herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren en waarvan de solvabiliteitsregeling waar- aan ze krachtens deze wetgeving onderworpen zijn, met toepassing van artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder een lidstaat ressorteren, mogen in België via de vestiging van een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten de herverzeke- ringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen. In dit verband zijn de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel I mutatis mutandis van toepassing. Section IV Mesures exceptionnelles, sanctions et fin de l’agrément Art. 598 § 1er. Sont applicables les articles 508 et 517. En cas de retrait d’agrément par la Banque justifié par le non-respect des règles relatives aux exigences de solvabilité, la Banque informe les autres autorités de contrôle visées à l’article 594. En cas de retrait d’agrément par une autorité de contrôle désignée en application de l’article 594, §§ 2 et 3, la Banque retire également l’agrément visé à l’article 585. § 2. La Banque peut encore révoquer l’agrément d’une succursale visée au présent Chapitre si elle estime que la protection des créanciers d’assurance ou la gestion saine et prudente de l’entreprise d’assurance ou encore la stabilité du système financier exige la constitution d’une société de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères visés à l’article 585, § 4. La Banque informe la FSMA des décisions prises confor- mément à l’alinéa 1er Art. 599 Les articles 538 à 541, 543, alinéa 1er et 544 à 547 sont d’application. CHAPITRE II Activités en Belgique, par voie de succursale ou en libre prestation de services, par des entreprises de réassurance relevant du droit de pays tiers Art. 600 Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel elles sont assujetties en application de cette législation est, en applica- tion de l’article 172, paragraphe 3 de la Directive 2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi par cette directive pour les entreprises relevant du droit d’un État membre, sont autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une succursale ou sous le régime de la libre prestation de services, les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine. À cette fin, les dispositions du Chapitre II du Titre I sont, mutatis mutandis, d’application. 667 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 601 De herverzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren en waarvan de solvabiliteitsregeling waaraan ze krachtens deze wetgeving onderworpen zijn, met toepas- sing van artikel 172, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG, niet als gelijkwaardig wordt beschouwd met de regeling waarin deze richtlijn voorziet voor de ondernemingen die onder een lidstaat ressorteren, mogen in België, via de vestiging van een bijkantoor, de herverzekeringsactiviteiten uitoefenen waarvoor zij in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben verkregen, mits inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk I van deze Titel. BOEK IV DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN Art. 602 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een verze- kerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekerings- holding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen of van Verordening 2015/35 of van alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG. Art. 603 § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank voor een verzekerings- of herverze- keringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemeng- de financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen: 1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van deze wet, van de ter uitvoering ervan geno- men besluiten of reglementen of van Verordening 2015/35 of van alle uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of 2°  waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aan- brengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar risico’s. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die onder een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 564, eerste lid en artikel 576, eerste lid bedoelde verplichtingen; § 2. Indien de onderneming in gebreke blijft bij het verstrij- ken van de termijn, kan de Bank, na de onderneming gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging. Art. 601 Les entreprises de réassurance qui relèvent du droit d’un pays tiers et dont le régime de solvabilité auquel elles sont assujetties en application de cette législation n’est pas, en application de l’article  172, paragraphe  3  de la Directive 2009/138/CE, considéré comme équivalent à celui établi par cette directive pour les entreprises relevant du droit d’un État membre, sont autorisées à exercer en Belgique, par la voie d’installation d’une succursale, les opérations de réassurance pour lesquelles elles ont obtenu un agrément dans leur État d’origine moyennant le respect des dispositions du Chapitre Ier du présent Titre. LIVRE IV DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES Art. 602 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu’une entreprise d’assurance ou de réassurance, une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte ou une société holding mixte d’assurance de droit belge ou de droit étranger ne s’est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu’elle détermine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou du Règlement 2015/35 ou de toutes autres mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE. Art. 603 § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à une entreprise d’assu- rance ou de réassurance, une société holding d’assurance, une compagnie financière mixte ou une société holding mixte d’assurance de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel: 1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées de la présente loi, des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou du Règlement  2015/35  ou de toutes autres mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ou 2°  elle doit apporter les adaptations qui s’imposent à son dispositif d’organisation d’entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de ses risques. Cette injonction n’est applicable aux succursales d’entreprise d’assurance ou de réassurance relevant d’un autre État membre, que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées aux articles 564, alinéa 1er et 576, alinéa 1er; § 2. Si l’entreprise reste en défaut à l’expiration du délai, la Banque peut, l’entreprise entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d’un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard. 668 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met 1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voor- komend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel; 2° de financiële draagkracht van de betrokken onderne- ming, zoals die met name blijkt uit haar omzet. §  4.  De dwangsommen die met toepassing van para- graaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. BOEK V SANCTIES TITEL I Administratieve boetes Art. 604 §  1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschre- ven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet, op de maatregelen genomen in uitvoering ervan of op Verordening 2015/35 of op alle andere uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG, een administratieve boete opleg- gen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buiten- lands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuurs- orgaan van die entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn. § 2. De administratieve geldboete die aan de onderneming of aan de in paragraaf 1 bedoelde entiteit wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt minimum 1 % en maximum 10 % van de technische en finan- ciële opbrengsten van de entiteit van het voorbije boekjaar. De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde ge- heel van feiten, bedraagt minimum 5 000 euro en maximum 5 000 000 euro. § 3. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 wor- den opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. § 4. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van 1° de ernst en de duur van de tekortkomingen; § 3. Le montant de l’astreinte est fixé en tenant notamment compte 1° de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l’impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier; 2° de l’assise financière de l’entreprise en cause, telle qu’elle ressort notamment de son chiffre d’affaires. §  4.  Les astreintes imposées en application du para- graphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l’Adminis- tration du Cadastre, de l’Enregistrement et des Domaines. LIVRE V DES SANCTIONS TITRE IER Des amendes administratives Art. 604 § 1er. Sans préjudice d’autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d’autres lois ou d’autres règlements, la Banque peut, lorsqu’elle constate une infraction aux dispositions de la pré- sente loi, aux mesures prises en exécution de celle-ci ou au Règlement 2015/35 ou à toutes autres mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, infliger une amende administrative à une entreprise d’assurance ou de réassurance, à une société holding d’assurance, à une compagnie financière mixte, à une société holding mixte d’assurance, de droit belge ou de droit étranger à un ou plusieurs des membres de l’organe légal d’administration de ces entités, aux personnes qui, en l’absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté. §  2.  Le montant de l’amende administrative infligée à l’entité visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de minimum 1 % et de maximum de 10 % des produits techniques et financiers de l’entité au cours de l’exercice précédent. Le montant de l’amende administrative infligée à une personne physique, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de minimum 5 000 euros et de maxi- mum 5 000 000 euros. § 3. Les amendes imposées par la Banque en application du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du Trésor par l’Administration du Cadastre, de l’Enregistrement et des Domaines. § 4. Le montant de l’amende est notamment fixé en fonction 1° de la gravité et de la durée des manquements; 669 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene; 3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechts- persoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon; 4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen even- tueel opleveren; 5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald; 6° de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten; 7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene; 8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel. § 5. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij tezelfdertijd EIOPA en de toezichthouder van de betrokken lidstaat in kennis, indien het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming betreft die activiteiten uitoefent in een andere lidstaat. TITEL II Strafrechtelijke sancties Art. 605 § 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft: 1° wie zich niet conformeert aan artikel 16; 2° wie de activiteit uitoefent van een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming als bedoeld in artikel 17 of in Boek III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is doorgehaald of herroepen; 3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 64 en 68 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 66, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 1°; 4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 83 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden; 5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso- nen belast met de effectieve leiding die de artikelen 93, 102, 2° en 3°, 426, 428, 483 of 486 overtreden; 6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso- nen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of 2° du degré de responsabilité de la personne en cause; 3° de l’assise financière de la personne en cause, telle qu’elle ressort notamment du chiffre d’affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause; 4° des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements; 5° d’un préjudice subi par des tiers du fait des manque- ments, dans la mesure où il peut être déterminé; 6° du degré de coopération avec les autorités compétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause; 7° des manquements antérieurs commis par la personne en cause; 8° de l’impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier. §  5.  Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au présent article, elle informe en même temps l’EIOPA ainsi que l’autorité de contrôle de l’État membre concerné s’il s’agit d’une entreprise d’assurance ou de réassurance exerçant une activité dans un autre État membre. TITRE II Des sanctions pénales Art. 605 § 1er. Sont punis d’un emprisonnement d’un mois à un an et d’une amende de 50 euros à 10 000 euros ou d’une de ces peines seulement: 1° ceux qui ne se conforment pas à l’article 16; 2° ceux qui exercent l’activité d’une entreprise d’assurance ou de réassurance visée à l’article 17 ou au Livre III, Titre II sans que cette entreprise soit agréé ou alors que l’agrément a été radié ou révoqué; 3° ceux qui, sciemment, s’abstiennent de faire les notifica- tions prévues aux articles 64 et 68, ceux qui passent outre à l’opposition visée à l’article 66, alinéa 2 ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l’article 72, alinéa 1er, 1°; 4° les membres de l’organe légal d’administration et les autres personnes visées à l’article 83 qui contreviennent aux dispositions de cet article; 5° les membres de l’organe légal d’administration ou les personnes en charge de la direction effective qui contre- viennent aux articles 93, 102, 2° et 3°, 426, 428, 483 ou 486; 6° les membres de l’organe légal d’administration ou les personnes en charge de la direction effective d’une entreprise 670 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 herverzekeringsonderneming die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennis- gevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 108, 113, 115 of 120 of die zich niet conformeren aan de artikelen 112, 119 of 122; 7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso- nen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de in de artikelen 199, 201, 342, 564, § 2, 576, derde lid of 588, § 1, 2° bedoelde besluiten of reglementen overtreden; 8° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de perso- nen belast met de effectieve leiding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die zich niet conformeren aan de artikelen 201 of 202. 9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 517, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing die overeenkomstig artikel 517, § 1, 4° is genomen, wie geen gevolg geeft aan de aan- maning die overeenkomstig de artikelen 568, eerste lid of 579, eerste lid aan hem is gericht, of wie zich niet conformeert aan de maatregelen die met toepassing van de artikelen 569, § 1, eerste lid, 580, § 1, 573 of 582 zijn getroffen; 10° wie als commissaris, erkend revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en re- sultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoerings- besluiten en -reglementen of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan; 11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/138/EG of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtin- gen verstrekt; 12° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 325, § 1 , eerste lid, en 596; § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 41 worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro. Art. 606 De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepas- sing op de misdrijven die door deze Titel worden bestraft. d’assurance ou de réassurance qui, à l’étranger, ouvrent une succursale ou y prestent des services sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 108, 113, 115 ou 120 ou qui ne se conforment pas aux articles 112, 119 ou 122; 7° les membres de l’organe légal d’administration ou les personnes en charge de la direction effective d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui contreviennent aux arrê- tés ou aux règlements visés aux articles 199, 201, 342, 564, § 2, 576, alinéa 3 ou 588, § 1er, 2°; 8° les membres de l’organe légal d’administration ou les personnes en charge de la direction effective d’une entreprise d’assurance ou de réassurance qui ne se conforment pas aux articles 201 ou 202. 9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l’autorisation du commissaire spécial prévue à l’article 517, § 1er, 1°, ou à l’encontre d’une décision de sus- pension prise conformément à l’article 517, § 1er, 4°, qui ne se conforment pas à la mise en demeure prise en application aux articles 568, alinéa 1er ou 579, alinéa 1er ou aux mesures prises en application des articles 569, § 1er, alinéa 1er , 580, § 1er, 573 ou 582. 10° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé ou d’expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes de résultats ou des comptes consolidés d’entreprises ou des états périodiques ou des renseignements lorsque les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou les mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE, n’ont pas été respectées, soit en sachant qu’elles ne l’avaient pas été, soit en n’ayant pas accompli les diligences normales pour s’assurer qu’elles avaient été respectées; 11° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l’étranger ou refusent de donner des renseignements qu’ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et des mesures d’exécution de la Directive 2009/138/CE ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets; 12° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions des articles 325, § 1er , alinéas 1er et 596; § 2. Toute infraction à l’interdiction visée à l’article 41 est punie d’un emprisonnement de trois mois à deux ans et d’une amende de 1 000 euros à 10 000 euros. Art. 606 Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l’article 85, sont applicables aux infrac- tions pénales punies par la présente loi. 671 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 607 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld. Art. 608 Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtre- ding van deze wet of één van de in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen en ieder opspo- ringsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt. Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie. Art. 609 De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij. BOEK VI VOOR VERZEKERINGSONDERNEMINGEN GELDENDE REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES TITEL I Saneringsmaatregelen HOOFDSTUK I Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen Art. 610 Onder voorbehoud van de artikelen  598  en 614, zijn de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van verzekerings ondernemingen naar Belgisch recht. Deze Art. 607 Les entreprises d’assurance ou de réassurance sont civile- ment responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs membres de l’organe légal d’administration, personnes en charge de la direction effective ou mandataires en appli- cation des dispositions du présent Titre. Art. 608 Toute information du chef d’infraction à la présente loi ou à l’une des législations visées à l’article 20 de la loi du 25 avril 2014 à l’encontre de membres de l’organe légal d’administration, de personnes en charge de la direction effec- tive, de mandataires ou de commissaires agréés d’entreprise d’assurance ou de réassurance et toute information du chef d’infraction à la présente loi à l’encontre de toute autre per- sonne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence par l’autorité judiciaire ou administrative qui en est saisie. Toute action pénale du chef des infractions visées à l’ali- néa 1er doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à la diligence du ministère public. Art. 609 La Banque et la FSMA sont habilitées à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d’une infraction punie par la présente loi, sans qu’elles aient à justifier d’un dommage. L’intervention suit les règles applicables à la partie civile. LIVRE VI DES RÈGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ EN MATIÈRE DE MESURES D’ASSAINISSEMENT ET DE PROCÉDURES DE LIQUIDATION APPLICABLES À DES ENTREPRISES D’ASSURANCE TITRE IER Des mesures d’assainissement CHAPITRE IER Règle de compétence et réception des mesures étrangères Art. 610 Sous réserve des articles 598 et 614, les autorités d’assai- nissement belges ne sont compétentes pour adopter des mesures d’assainissement qu’à l’égard des entreprises d’assurance de droit belge. Ces mesures sont appliquées et 672 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben rechtswerking overeenkomstig de Belgische wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De Belgische sanerings autoriteiten kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder een andere lidstaat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in België gevestigd bijkantoor van een dergelijke onderneming. Art. 611 De saneringsmaatregelen die door de saneringsautoritei- ten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een verzekerings onderneming die onder die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in België overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onverminderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van toepassing in België. HOOFDSTUK II Overleg en informatieverstrekking Afdeling I Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht Art. 612 De Koning stelt de Bank onverwijld in kennis van zijn be- slissing om een saneringsmaatregel te treffen met toepassing van artikel 519; hij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank stelt de FSMA en de toezichthouders van alle andere lidstaten onmiddellijk en met alle dienstige middelen in kennis van de vaststelling van alle saneringsmaatregelen alsmede van de concrete gevolgen die deze maatregelen zouden kunnen hebben. Daartoe houdt de Koning de Bank op de hoogte van het verloop van de tenuitvoerlegging van artikel 519. Art. 613 Indien de rechten van derden in een andere lidstaat waar de betrokken verzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of diensten verricht, kunnen worden aangetast door de tenuit- voerlegging van een saneringsmaatregel die overeen komstig artikel 610 werd getroffen, en indien er tegen deze maatregel een beroep werd ingesteld, maakt de Bank of, met betrekking tot de daden van beschikking bedoeld in artikel 519, de Koning, de beslissing bekend overeen komstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en ziet zij of hij erop toe dat zo snel mogelijk een uittreksel uit die beslissing wordt bekend- gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, in de of- ficiële taal of een van de officiële talen van die lidstaten. Deze produisent leurs effets conformément à la législation belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la pré- sente loi. En particulier, les autorités d’assainissement belges ne peuvent adopter une mesure d’assainissement concernant une entreprise d’assurance relevant du droit d’un autre État membre et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d’une telle entreprise située en Belgique. Art. 611 Nonobstant la publicité dont elles peuvent faire l’objet en Belgique, les mesures d’assainissement décidées par les autorités d’assainissement d’un autre État membre concer- nant une entreprise d’assurance relevant du droit de cet État produisent leurs effets en Belgique selon la législation de cet État dès qu’elles produisent leurs effets dans l’État membre où elles ont été adoptées. Ces mesures ne nécessitent aucune formalité en Belgique. CHAPITRE II Concertation et information Section Ire Entreprises d’assurance de droit belge Art. 612 Le Roi informe sans délai la Banque de sa décision d’adopter une mesure d’assainissement en application de l’article 519, si possible avant l’adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque porte immédiatement à la connaissance de la FSMA et des autorités de contrôle de tous les autres États membres, par tous moyens utiles, l’adoption de toutes mesures d’assainissement et les effets concrets que ces mesures pourraient avoir. À cette fin, le Roi tient la Banque informée de l’évolution relative à la mise en application de l’article 519. Art. 613 Lorsque la mise en œuvre d’une mesure d’assainissement prise conformément à l’article 610 est susceptible d’affecter les droits de tiers dans un autre État membre où l’entreprise d’assurance a une succursale ou fournit des services, et qu’un recours est ouvert contre la mesure, la Banque ou, lorsqu’il s’agit d’actes de disposition visés à l’article 519, le Roi, assure la publicité de la décision conformément aux dispositions légales en vigueur et veille à faire publier le plus rapidement possible un extrait de cette décision, dans la ou une des langues officielles de ces États membres, au Journal officiel de l’Union européenne. Cette publicité est sans impact sur les effets de la mesure d’assainissement, notamment 673 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 bekendmaking beïn vloedt op geen enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel, met name voor de schuldeisers van de betrokken verzekerings onderneming. In het uittreksel worden ten minste de volgende gegevens vermeld: 1° het onderwerp en de juridische grondslag van de geno- men beslissing, met vermel ding van het feit dat de maatregel wordt beheerst door het Belgische recht; 2° de saneringsautoriteiten en, in voor ko mend geval, de aangewezen saneringscommissaris; 3° de termijnen om beroep in te stellen en de contactgege- vens van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep. Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan op de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Afdeling II Verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Art. 614 De Bank stelt de toezichthouders van de andere lidstaten waar de verzekerings onderneming die onder een derde land ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing om krachtens artikel 598 een sanerings maatregel te treffen alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar optreden te coördineren met dat van de toezichthouders, de saneringsautoriteiten en, in voorkomend geval, de liquida- tieautoriteiten van de verzekeringsondernemingen van de andere lidstaten. TITEL II Faillissement en andere liquidatieprocedures die op insolventie berusten HOOFDSTUK I Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen Art. 615 De rechtbank van koophandel is uitsluitend bevoegd om verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht failliet te verklaren. Dit impliceert dat zij een verzekerings onderneming die onder een buitenlands recht ressorteert, alsook haar in België gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren. à l’égard des créanciers de l’entreprise d’assurance. Elle mentionne au moins: 1° l’objet et la base juridique de la décision prise avec la mention que la mesure est régie par le droit belge; 2° les autorités d’assainissement et, le cas échéant, le commissaire à l’assainis sement désigné; 3° les délais de recours et les coordonnées de l’autorité compétente pour connaître du recours. Le délai de recours concernant l’adoption d’une mesure d’assainissement prend cours, à l’égard des tiers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre, à la date de la publication dans le Journal officiel de l’Union européenne. Section II Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers Art. 614 La Banque informe sans délai et par tous moyens utiles, les autorités de contrôle des autres États membres où l’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers a également une succursale de sa décision d’adopter une mesure d’assainis- sement en vertu de l’article 598, et des effets concrets de cette mesure, dans la mesure du possible avant l’adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque s’efforce de coordonner son action avec celle des autorités de contrôle, d’assainissement et, le cas échéant, de liquidation des entre- prises d’assurance des autres États membres. TITRE II De la faillite et autres procédures de liquidation fondées sur l’insolvabilité CHAPITRE IER Règle de compétence et réception des procédures étrangères Art. 615 Le tribunal de commerce n’est compétent pour décider de l’ouverture d’une faillite qu’à l’égard des entreprises d’assu- rance de droit belge. En particulier, le tribunal de commerce ne peut ouvrir une faillite concernant une entreprise d’assurance relevant d’un droit étranger et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d’un telle entreprise située en Belgique. 674 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 616 Een liquidatieprocedure die is geopend door de liquida- tieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een verzekeringsonderneming die onder die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit erkend in België en heeft rechtswerking in België zodra ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend. Art. 617 Een buitenlandse rechterlijke beslissing inzake een liquida- tieprocedure die berust op insolventie van een verzekerings- onderneming die onder een derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° het recht inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzeke- ring die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de ver- zekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten; 2° het recht dat de insolventieprocedure in het derde land regelt, kent aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien. HOOFDSTUK II Verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht Afdeling I Overleg en informatieverstrekking Art. 618 Onverminderd artikel 640 stelt de rechtbank van koophan- del de Bank onverwijld in kennis van haar beslissing om een onderneming failliet te verklaren, alsmede van de concrete gevolgen van het faillissement; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De Bank deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige mid- delen mee aan de FSMA en aan de toezichthouders van alle andere lidstaten. Art. 619 De curator of curators die zijn aangesteld overeenkomstig artikel 11  van de faillissementswet van 8  augustus  1997, zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel 38 van de- zelfde wet, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van een formulier dat in alle officiële talen van de Europese Unie het opschrift draagt: “Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen”. Art. 616 Les procédures de liquidation dont l’ouverture est déci- dée par les autorités de liquidation d’un autre État membre concernant une entreprise d’assurance relevant du droit de cet État sont reconnues en Belgique sans aucune formalité et y produisent leurs effets dès qu’elles produisent leurs effets dans l’État membre où elles ont été ouvertes. Art. 617 Une décision judiciaire étrangère concernant une procé- dure de liquidation fondée sur l’insolvabilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers ne peut être recon- nue et rendue exécutoire en Belgique que si les conditions suivantes sont satisfaites: 1° le droit des procédures d’insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent à celui des créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers; 2° le droit régissant la procédure d’insolvabilité dans le pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644. CHAPITRE II Entreprises d’assurance de droit belge Section Ire Concertation et information Art. 618 Sans préjudice de l’article 640, le tribunal de commerce informe sans délai la Banque de sa décision d’ouvrir une procédure de faillite et des effets concrets de la faillite, dans la mesure du possible avant l’ouverture de celle-ci ou sinon immédiatement après. La Banque communique sans délai et par tous moyens utiles cette information à la FSMA et aux autorités de contrôle de tous les autres États membres. Art. 619 Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, assurent la publicité visée à l’article 38 de la même loi, également par la publication de l’extrait au Journal officiel de l’Union européenne. Un for- mulaire portant dans toutes les langues officielles de l’Union européenne le titre “Invitation à produire une créance. Délais à respecter” est utilisé à cet effet. 675 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De bekendmaking vermeldt minstens: 1°  dat de liquidatieprocedure beheerst wordt door het Belgische recht; 2° de gegevens van de bevoegde rechtbank en van de aangestelde curator. Art. 620 Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisge- ving wordt gericht als bedoeld in artikel 62 van de faillisse- mentswet van 8 augustus 1997, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 619 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen, en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel 72 van de faillissements wet van 8 augustus 1997. In geval van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering vermeldt het rondschrijven tevens welke de algemene gevolgen van de liquidatieprocedure voor de verze- keringsovereenkomsten zijn, inzon derheid de datum waarop de verzekerings overeenkomsten of -verrichtingen geen effect meer sorteren, alsmede de rechten en verplichtingen van de verzekerde in verband met de overeenkomst of verrichting. Het rondschrijven als bedoeld in artikel 62 van de faillis- sementswet van 8 augustus 1997, dat is opgesteld in de taal van de procedure of, voor de schuldeisers uit hoofde van verzekering met gewone verblijfplaats, woonplaats of statu- taire zetel in een andere lidstaat, in een officiële taal van die lidstaat, draagt in alle officiële talen van de Europese Unie het opschrift “Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen”. Afdeling II Procedurele aspecten en toepasselijk recht Art. 621 Het faillissement van verzekerings ondernemingen naar Belgisch recht wordt beheerst door het Belgische recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. Art. 622 § 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuld- vorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiële taal van die lidstaat, met vermelding van het opschrift “Indiening van een schuldvordering” of “Indiening van opmerkingen betreffende een schuldvordering” in de taal van de pro- cedure in België. Artikel 63 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is van toepassing. De overeen komstig de La publicité mentionne au moins: 1° que la procédure de liquidation est régie par le droit belge; 2° les coordonnées du tribunal compétent et du curateur désigné. Art. 620 Lorsque l’avertissement individuel des créanciers visé à l’article 62 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites concerne des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre, la circulaire indique également, outre les informations mentionnées dans l’extrait visé à l’article 619, l’obligation pour les créanciers bénéficiant d’un privilège ou d’une sûreté réelle de déclarer leurs créances ainsi que les conséquences liées à l’inobservation des délais prévus par l’article 72 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. Dans le cas des créances d’assurance, la circulaire mentionne en outre les effets généraux de la procédure de liquidation sur les contrats d’assurance, en particulier la date à laquelle les contrats d’assurance ou les opérations cessent de produire leurs effets et les droits et obligations de l’assuré concernant le contrat ou l’opération. La circulaire visée à l’article 62 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, rédigée dans la langue de la procédure ou, pour les créanciers détenant une créance d’assurance et ayant leur résidence habituelle, leur domicile ou leur siège statutaire dans un autre État membre, dans une langue officielle dudit État membre, porte, dans toutes les langues officielles de l’Union européenne, le titre “Invitation à produire une créance – Délais à respecter”. Section II Eléments de procédure et loi applicable Art. 621 La procédure de faillite relative à une entreprise d’assu- rance de droit belge est régie par le droit belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi. Art. 622 § 1er. Les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre peuvent déclarer leurs créances et présenter leurs observations dans une langue officielle de cet État accompagnées de la mention “Production de créances” ou “Présentation des observations relatives aux créances” dans la langue de la procédure en Belgique. L’article 63 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites est d’application. Le privilège octroyé aux créances d’assurance 676 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 artikelen 643 en 644 aan schuld vorderingen uit hoofde van verzekering verleende voorrang hoeft echter niet te worden vermeld. § 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woon- plaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schul deisers met woonplaats of gewone verblijf plaats in België kunnen aange- ven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd. Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is, niet in de mogelijk- heid voorziet om een insolventie procedure te openen ten aanzien van de betrokken verzekerings onderneming en de in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers. Art. 623 De curator of curators die zijn aangesteld overeenkomstig artikel 11 van de faillissements wet van 8 augustus 1997 hou- den de schuldeisers regelmatig op de hoogte van het verloop van de procedure op de wijze die zij daartoe het meest ge- schikt achten. Op verzoek van de toezichthouders van de andere lidstaten deelt de Bank hen informatie mee over het verloop van de liquidatie procedure. De rechtbank van koophandel houdt de Bank daartoe op de hoogte van het verloop van de procedure. HOOFDSTUK III Verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Art. 624 Wanneer een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in an- dere lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te coördineren. conformément aux articles 643 et 644 ne doit toutefois pas être mentionné. § 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre État membre bénéficient du même traitement et, en particulier, du même rang que les créances de nature équivalente susceptibles d’être déclarées par des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle en Belgique. À cette fin, les créances présentées par des créanciers de même nature sont considérées comme des créances équivalentes. L’alinéa 1er est également applicable en ce qui concerne les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un pays tiers, pour autant que le droit applicable dans cet État ne permette pas l’ouverture d’une procédure d’insol- vabilité à l’encontre de l’entreprise d’assurance concernée et que la procédure ouverte en Belgique puisse produire ses effets dans cet État. Dans la négative, ces créanciers sont assimilés à des créanciers chirographaires pour les besoins de la procédure ouverte en Belgique. Art. 623 Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites informent régulièrement les créanciers, dans la forme qu’ils jugent la plus appropriée, du déroulement de la procédure. À la demande des autorités de contrôle des autres États membres, la Banque fournit des informations sur le dérou- lement de la procédure de liquidation. À cette fin, le tribunal de commerce tient la Banque informée de l’évolution de la procédure. CHAPITRE III Entreprises d’assurance relevant du droit d’un pays tiers Art. 624 Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers possède des succursales en Belgique et dans d’autres États membres, la Banque, ainsi que les autorités de liquidation et les autorités de contrôle de ces États membres, s’efforcent de coordonner leur action. 677 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL III Liquidatieprocedures die niet op insolventie berusten betreffende verzekeringsondernemingen die onder een derde land ressorteren Art. 625 Indien de vergunning van een onderneming die onder een derde land ressorteert, wordt doorgehaald of herroepen of indien deze onderneming zelf afstand doet van de vergun- ning voor al haar verrichtingen in België, kan de Bank een liquidateur benoemen met als opdracht alle activa van de onderneming in België te gelde te maken en alle in België aangegane verbintenissen af te wikkelen. Onverminderd artikel 599 bepaalt de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van die liquidateur. De kosten van de vereffening zijn ten laste van de betrok- ken onderneming. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer er ten aanzien van de verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert, op het tijdstip van de herroeping van de vergunning, in dat land een liquidatiepro- cedure is geopend die op insolventie berust. Art. 626 § 1. Een beslissing tot vereffening die niet op insolventie be- rust, van een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert, kan maar erkend worden en uitvoerbaar worden verklaard in België indien de volgende voorwaarden vervuld zijn; 1° het recht van het derde land dat de liquidatieprocedure regelt, garandeert dat de schuldeisers uit hoofde van verzeke- ring die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, gelijkwaardig worden behandeld als de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij de ver- zekeringsonderneming in het derde land hebben gesloten; 2° het recht dat de liquidatieprocedure regelt in het derde land, kent aan de schuldeisers uit hoofde van verzekering die hun overeenkomst bij het Belgische bijkantoor hebben gesloten, een gelijkwaardige bescherming toe als deze waarin de artikelen 643 en 644 voorzien. § 2. Artikel 625 is niet van toepassing wanneer een li- quidatieprocedure die niet berust op insolvabiliteit van een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressor- teert, in België wordt erkend en uitvoerbaar wordt verklaard overeenkomstig paragraaf 1. Art. 627 Wanneer een verzekeringsonderneming die onder een derde land ressorteert, bijkantoren heeft in België en in andere TITRE III Des procédures de liquidation non fondées sur l’insolvabilité concernant des entreprises d’assurance relevant du droit de pays tiers Art. 625 Lorsqu’une entreprise relevant du droit de pays tiers fait l’objet d’une radiation, d’une révocation d’agrément ou renonce à l’agrément pour l’ensemble de ses opérations en Belgique, la Banque peut nommer un liquidateur chargé de réaliser tous les actifs de l’entreprise en Belgique et de liquider tous les engagements contractés en Belgique. Sans préjudice de l’article 599, le Roi détermine, sur avis de la Banque, les pouvoirs et obligations d’un tel liquidateur. Les frais de la liquidation sont à charge de l’entreprise concernée. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables lorsque l’entreprise d’assurance relevant du droit d’un pays tiers fait l’objet d’une procédure de liquidation fondée sur l’insolvabilité dans cet État au moment de la révocation de l’agrément. Art. 626 § 1er. Une décision de liquidation non fondée sur l’insolva- bilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers ne peut être reconnue et rendue exécutoire en Belgique que si les conditions suivantes sont satisfaites: 1° le droit du pays tiers régissant la procédure de liquidation assure aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge, un traitement qui est équivalent à celui des créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de l’entreprise d’assurance dans le pays tiers; 2° le droit régissant la procédure de liquidation dans le pays tiers octroie aux créanciers d’assurance ayant conclu leur contrat auprès de la succursale belge une protection similaire à celle prévue aux articles 643 et 644. § 2. L’article 625 n’est pas d’application lorsqu’une pro- cédure de liquidation non fondée sur l’insolvabilité d’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers est reconnue et rendue exécutoire en Belgique conformément au paragraphe 1er. Art. 627 Lorsqu’une entreprise d’assurance relevant du droit de pays tiers possède des succursales en Belgique et dans 678 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 lidstaten, beijveren de Bank, de liquidatieautoriteiten en de toezichthouders van die lidstaten zich om hun optreden te coördineren. Ook de eventuele liquidateurs beijveren zich om hun optreden te coördineren. TITEL IV Vereffening van bijzondere vermogens Art. 628 § 1. Onverminderd artikel 631 en artikel 195, tweede lid, wordt de behandeling van activa als bedoeld in artikel 194 dat die bezwaard zijn met een zakelijk recht, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus. § 2. Onverminderd artikel 632 wordt de behandeling van activa als bedoeld in artikel 194 waarop een eigendoms- voorbehoud rust, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus. § 3. Onverminderd artikel 633 en de verplichting voor een verzekeringsonderneming om voor de waardering van haar activa als bedoeld in artikel 194, de schuldvorderingen op een derde te ramen na aftrek van de schulden jegens die derde, wordt de behandeling van dergelijke activa die het voorwerp uitmaken van een wettelijke of contractuele schuldvergelijking, bepaald door de Belgische wet als lex fori concursus. § 4. Voor de toepassing van dit artikel omvat de Belgische wet haar bepalingen inzake materieel recht die voortvloeien uit de omzetting van de Europese richtlijnen die de in de pa- ragrafen 1 tot 3 bedoelde aangelegenheden regelen. Art. 629 De samenstelling van de activa die op het tijdstip van de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure zijn inge- schreven in de doorlopende inventaris overeenkomstig artikel 195, wordt daarna niet meer veranderd; in de doorlopende inventaris worden geen wijzigingen aangebracht, behalve voor de verbetering van zuiver materiële fouten, tenzij de liquidatieautoriteiten daarvoor toestemming geven. Onverminderd het eerste lid voegt de liquidateur aan de genoemde activa de kapitaalopbrengst ervan toe, alsmede het bedrag van het premie-incasso (zuivere premies) in het betrokken afzonderlijk beheer voor de periode tussen het tijd- stip van opening van de liquidatieprocedure en het tijdstip van uitkering van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering, of tot het tijdstip van portefeuilleoverdracht. Indien de opbrengst van de te gelde gemaakte activa lager is dan het bedrag waarvoor zij in de doorlopende inventaris gewaardeerd zijn, dient de liquidateur die situatie te recht- vaardigen bij de Bank. d’autres États membres, la Banque, ainsi que les autorités de liquidation et les autorités de contrôle de ces États membres, s’efforcent de coordonner leur action. Les éventuels liquida- teurs s’efforcent eux aussi de coordonner leur action. TITRE IV De la liquidation des patrimoines spéciaux Art. 628 § 1er. Sans préjudice de l’article 631 et de l’article 195, alinéa 2, le sort d’un actif visé à l’article 194 faisant l’objet d’un droit réel est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori concursus. § 2. Sans préjudice de l’article 632, le sort d’un actif visé à l’article 194 faisant l’objet d’une clause de réserve de pro- priété est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori concursus. § 3. Sans préjudice de l’article 633 et de l’obligation pour une entreprise d’assurance d’évaluer les créances sur un tiers déduction faite des dettes envers ce tiers pour la valori- sation de ses actifs visés à l’article 194, le sort d’un tel actif faisant l’objet d’une compensation légale ou conventionnelle est déterminé conformément à la loi belge au titre de lex fori concursus. § 4. Pour les besoins du présent article, la loi belge inclut ses dispositions de droit matériel découlant de la transposition de directives européennes régissant les matières visées aux paragraphes 1er à 3. Art. 629 La composition des actifs inscrits dans l’inventaire per- manent conformément à l’article  195, au moment de la décision d’ouvrir la procédure de liquidation, ne peut plus, dès ce moment, être modifiée; aucune modification ne peut être apportée à l’inventaire permanent, exception faite de la correction d’erreurs purement matérielles, sauf autorisation des autorités de liquidation. Nonobstant l’alinéa 1er, le liquidateur ajoute auxdits actifs leur produit financier, ainsi que le montant des primes (primes pures) encaissées dans la gestion distincte concernée pour la période comprise entre l’ouverture de la procédure de liquidation et le paiement des créances d’assurances ou jusqu’au transfert de portefeuille. Si le produit de la réalisation des actifs est inférieur à leur évaluation telle qu’elle figure dans l’inventaire permanent, le liquidateur est tenu d’en donner la justification à la Banque. 679 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL V Gemeenschappelijke regels betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures HOOFDSTUK I Uitzonderingen op en nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht Art. 630 In afwijking van de artikelen 610 en 621 worden de gevol- gen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure voor: 1° arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uit- sluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst of -betrekking van toepassing is; 2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onroerend goed gelegen is. Die wet geving bepaalt of het goed roerend of onroerend is; 3° de rechten van de verzekeringsonderneming op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderwor- pen zijn aan inschrijving in een openbaar register, beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt bijgehouden; 4° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002 be- treffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is; 5° aanhangige rechtsgedingen betreffende een goed of recht waarover de verzekeringsonderneming het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is. Op advies van de Bank kan de Koning de in het eerste lid, 4° bedoelde regel uitbreiden tot transacties op markten voor financiële instrumenten die georganiseerd zijn met toepassing van artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002. Art. 631 § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op materiële of immateriële, roerende of onroerende goederen – zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met wisselende samenstelling – die toebehoren aan de ver- zekeringsonderneming en die zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt ge- opend, op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden. TITRE V Des règles communes aux mesures d’assainissement et aux procédures de liquidation CHAPITRE IER Exceptions et tempéraments à l’application de la loi belge comme loi de la procédure Art. 630 Par dérogation aux articles 610 et 621, les effets d’une me- sure d’assainissement ou d’une procédure de liquidation sur: 1° les contrats de travail et les relations de travail sont exclusivement régis par la loi de l’État membre applicable au contrat ou à la relation de travail; 2° le contrat donnant le droit de jouir d’un bien immobilier ou de l’acquérir est exclusivement régi par la loi de l’État membre sur le territoire duquel cet immeuble est situé. Cette loi détermine si le bien est meuble ou immeuble; 3° les droits de l’entreprise d’assurance sur un bien immo- bilier, un navire ou un aéronef, qui sont soumis à inscription dans un registre public, sont régis par la loi de l’État membre sous l’autorité duquel le registre est tenu; 4° les transactions effectuées dans le cadre d’un marché réglementé étranger au sens de l’article 2, 6°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers sont régis exclusivement par la loi applicable audit marché; 5° une instance en cours concernant un actif ou un droit dont l’entreprise d’assurance est dessaisie sont régis exclu- sivement par le droit de l’État membre dans lequel l’instance est en cours. Le Roi peut, sur avis de la Banque, étendre la règle visée au l’alinéa 1er, 4°, à des transactions effectuées sur des marchés d’instruments financiers organisés en application de l’article 15 de la loi du 2 août 2002. Art. 631 § 1er. La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas le droit réel d’un créancier ou d’un tiers sur des biens corporels ou incorporels, meubles ou immeubles – à la fois des biens déterminés et des ensembles de biens indéterminés dont la composition est sujette à modification – appartenant à l’entreprise d’assurance et qui se trouvent, au moment de la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une procédure, sur le territoire d’un autre État membre. 680 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 § 2. Onder “rechten” in de zin van paragraaf 1 wordt met name verstaan: 1° het recht een goed te gelde te maken of te gelde te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van een pand of een hypotheek; 2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, met name door middel van een pandrecht op de schuldvordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid; 3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft; 4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken. § 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen. Art. 632 Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonderne- ming die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbe- houd berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een verzekeringsonder- neming die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich, op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt ge- opend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend. Art. 633 Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de verzekeringsonderneming onverlet wanneer die schuldver- gelijking is toegestaan door het recht dat op de vordering van de verzekeringsonderneming van toepassing is. § 2. Les droits visés au paragraphe 1er sont notamment: 1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et d’être désintéressé par le produit ou les revenus de ce bien, en particulier en vertu d’un gage ou d’une hypothèque; 2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notamment en vertu de la mise en gage ou de la cession de cette créance à titre de garantie; 3° le droit de revendiquer le bien et/ou d’en réclamer la restitution entre les mains de quiconque le détient ou en jouit contre la volonté de l’ayant droit; 4° le droit réel de percevoir les fruits d’un bien. § 3. Est assimilé à un droit réel le droit, inscrit dans un registre public et opposable aux tiers, permettant d’obtenir un droit réel au sens du paragraphe 1er. Art. 632 La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance achetant un bien n’affecte pas les droits du vendeur fondés sur une réserve de propriété lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une telle procédure, sur le territoire d’un État membre autre que l’État dans lequel de telles mesures sont mises en œuvre ou dans lequel une telle procédure est ouverte. La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite à l’encontre d’une entreprise d’assurance ayant la qualité de vendeur, après la livraison du bien faisant l’objet de la vente, ne constitue pas une cause de résolution ou de résiliation de la vente et ne fait pas obstacle à l’acquisition par l’acheteur de la propriété du bien vendu, lorsque ce bien se trouve au moment de la mise en œuvre de telles mesures ou de l’ouverture d’une telle procédure sur le territoire d’un État membre autre que l’État dans lequel de telles mesures sont mises en œuvre ou dans lequel une telle procédure est ouverte. Art. 633 La mise en œuvre d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite n’affecte pas le droit d’un créancier d’invoquer la compensation de sa créance avec la créance de l’entreprise d’assurance, lorsque cette compensation est permise par la loi applicable à la créance de l’entreprise d’assurance. 681 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 634 Onverminderd artikel 630, eerste lid, 1° tot 3°, en onder voorbehoud van artikel 635, doen de artikelen 631, § 1, 632 en 633 geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 17 tot 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. Artikel  1167  van het Burgerlijk Wetboek en de artike- len 17 tot 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 zijn niet van toepassing wanneer de begunstigde van een rechts- handeling als bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshande- ling te betwisten. Art. 635 In afwijking van artikel 517, § 1, 1° en 4° en artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en niettegenstaande de artikelen 17 tot 20 van laatstgenoemde wet, indien de verzekerings onderneming na het treffen van een sanerings- maatregel of na de opening van een faillissementsprocedure, onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een openbaar register, dan wel over financiële instrumen- ten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening, of die geplaatst zijn in een gecentraliseerd effectendepot dat door het recht van een lidstaat wordt beheerst, wordt de nietigheid of de niet- tegen werpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond van het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan dat onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden. HOOFDSTUK II Informatieverstrekking Art. 636 Onverminderd de artikelen  610  en 615, wanneer de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van een verzekerings onderneming de Bank in kennis stellen van hun beslissing tot opening van een liquidatie procedure of tot vaststelling van een sanerings maatregel, stelt de Bank de FSMA hiervan in kennis. De Bank en de FSMA kunnen een bericht laten publiceren in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen of periodieke uitgaven met regionale spreiding. Dat bericht bevat minstens een uittreksel uit die beslis- sing en vermeldt de autoriteiten die bevoegd zijn om een saneringsmaatregel te treffen of een liquidatieprocedure te openen, het recht dat deze maatregelen of procedures be- heerst en, naargelang het geval, de aangewezen liquidateur of saneringscommissaris, en wordt bekendgemaakt in minstens één van de officiële talen in België. Art. 634 Sans préjudice de l’article 630, alinéa 1er, 1° à 3°, et sous réserve de l’article 635, les articles 631, § 1er, 632 et 633 ne font pas obstacle à l’application des articles 17 à 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. L’article 1167 du Code civil et les articles 17 à 20 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites ne sont pas applicables lorsque le bénéficiaire d’un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l’acte est soumis à la loi d’un État membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l’espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte. Art. 635 Par dérogation à l’article 517, § 1er, 1° et 4° et à l’article 16 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, et nonobstant les articles 17 à 20 de cette dernière loi, si l’entreprise d’assu- rance dispose à titre onéreux, après l’adoption d’une mesure d’assainissement ou l’ouverture d’une procédure de faillite, d’un bien immobilier, d’un navire ou d’un aéronef soumis à inscription dans un registre public ou d’instruments financiers dont l’existence ou le transfert suppose une inscription dans un registre légalement prescrit ou sur un compte légalement prescrit ou qui sont placés dans un système de dépôts cen- tralisé régi par la loi d’un État membre, la nullité ou l’inoppo- sabilité de cet acte est appréciée au regard de la loi de l’État membre sur le territoire duquel le bien immobilier est situé, ou sous l’autorité duquel ce registre, ce compte ou ce système de dépôt est tenu. CHAPITRE II Information Art. 636 Sans préjudice des articles 610 et 615, lorsque les autori- tés de contrôle de l’État membre d’origine d’une entreprise d’assurance informent la Banque de la décision d’ouvrir une procédure de liquidation ou d’adopter une mesure d’assai- nissement, la Banque en informe la FSMA. La Banque et la FSMA peuvent faire publier un avis au Moniteur belge et dans deux quotidiens ou périodiques à diffusion régionale. Cet avis contient au moins un extrait de cette décision et mentionne les autorités compétentes pour adopter une mesure d’assainissement ou ouvrir une procédure de liqui- dation, la loi régissant ces mesures ou procédures et, selon le cas, le liquidateur ou le commissaire à l’assainissement désigné, et est publié au moins dans une des langues offi- cielles en Belgique. 682 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK III Saneringscommissarissen en liquidateurs Afdeling I Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures Art. 637 De benoeming van een saneringscommissaris of van een liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot benoeming of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest. Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt verlangd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden. Art. 638 § 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kun- nen in België alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat. Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, over- eenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een sanerings- maatregel of een liquidatieprocedure. § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen noch de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen. § 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissaris- sen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank als bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende onderne- mingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven. CHAPITRE III Commissaires à l’assainissement et liquidateurs Section Ire Réception des mesures et procédures étrangères Art. 637 La nomination d’un commissaire à l’assainissement ou d’un liquidateur par une autorité d’un autre État membre est établie par la présentation d’une copie certifiée conforme à l’original de la décision qui le nomme ou par toute autre attestation établie par cette autorité. Sans qu’aucune légalisation ou formalité analogue ne soit exigée, il sera néanmoins établi une traduction du document visé à l’alinéa 1er dans la langue ou une des langues de la région linguistique sur le territoire de laquelle le commissaire à l’assainissement ou le liquidateur veut agir. Art. 638 § 1er. Les commissaires à l’assainissement et les liqui- dateurs désignés par une autorité d’un autre État membre peuvent exercer en Belgique tous les pouvoirs qu’ils sont habilités à exercer sur le territoire de cet autre État. Il en va de même en ce qui concerne les personnes qu’ils auraient désignées, conformé ment à la loi de cet État, en vue de les assister ou de les représenter dans le déroule- ment d’une mesure d’assainissement ou d’une procédure de liquidation. § 2. Dans l’exercice de leurs pouvoirs en Belgique, les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er respectent la législation belge, en particulier en ce qui concerne les modalités de réalisation de biens ainsi que l’information des travailleurs. Leurs pouvoirs ne peuvent inclure le recours à la force ni le droit de statuer sur un litige ou un différend. § 3. Les commissaires à l’assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er communiquent à la Banque-Carrefour visée à l’article 3 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d’une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichet-entreprises agréés et portant diverses dispositions, les mesures d’assainis- sement et les procédures de liquidation décidées par une autorité d’un autre État membre en vue de leur inscription. 683 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Afdeling II Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs Art. 639 De curator of curators die aangesteld is of zijn overeenkom- stig artikel 11 van de faillisse ments wet van 8 augustus 1997 ne- men alle nodige maatregelen om de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht gesteld is, te waarborgen. De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen. BOEK VII MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES TITEL I Bijzondere regels in geval van een faillissementsprocedure Art. 640 §  1. Behalve wanneer een mededeling als bedoeld in artikel 549, eerste lid wordt verricht, kan de opening van een faillissementsprocedure of een voorlopige ontneming van beheer in de zin van artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 tegen een verzekerings- of herverzekerings- onderneming enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank. § 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd. De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een pro- cedure betrekking heeft op een verzekerings- of herverze- keringsonderneming waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de rechtbank uitspraak doen. Section II Commissaires à l’assainissement et liquidateurs belges Art. 639 Le ou les curateurs désignés conformément à l’article 11 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites prennent toutes les mesures nécessaires en vue d’assurer une inscription d’une procédure de liquidation dans un registre public d’un autre État membre lorsque cette inscription est rendue obligatoire en vertu de la législation de cet État. Les frais découlant d’une inscription dans un registre public d’un autre État membre sont considérés comme des frais de la procédure, que l’inscription soit obligatoire ou qu’elle résulte de l’initiative des personnes visées à l’alinéa 1er. LIVRE VII DES ASPECTS DE DROIT MATÉRIEL DES PROCÉDURES DE LIQUIDATION TITRE IER Des règles particulières en cas de procédure de faillite Art. 640 § 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de communication effectuée en application de l’article 549, alinéa 1er, l’ouverture d’une procédure de faillite ou un dessaisissement provisoire au sens de l’article 8 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites à l’encontre d’une entreprise d’assurance ou de réassurance ne peut être prononcé que sur avis conforme de la Banque. § 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompa- gnée des pièces nécessaires à son information. La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d’avis. La Banque peut, dans le cas d’une procédure relative à une entreprise d’assurance ou de réassurance susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques impor- tantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu’elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l’absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal peut statuer. 684 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het door- geeft aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier. Art. 641 De curator of curators bedoeld in artikel 27 van de faillis- sementswet van 8 augustus 1997, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van het voornoemde artikel 27, vierde lid, worden aangewezen op advies van de Bank. TITEL II Bijzondere regels in geval van een liquidatieprocedure in de zin van artikel 183 van het Wetboek van Vennootschappen Art. 642 § 1. Behalve in geval van ontbinding van rechtswege met toepassing van artikel 542, is voor de ontbinding van een verzekerings- of herverzekerings onderneming, ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt en de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, het eensluidend advies van de Bank vereist. Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van Vennootschappen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbin- ding van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, richt de rechtbank van koophandel een verzoek om advies aan de Bank volgens de procedure van artikel 640, § 2. § 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding of ontbinding met toepassing van artikel 542 van de verzekerings- of herver- zekeringsonderneming, kan de liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd met goedkeuring van de Bank. Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de handels vennootschappen en onverminderd artikel 545, bepaalt de Koning op advies van de Bank de bevoegd- heden en verplichtingen van de liquidateur, in het bijzonder wat de vereffening betreft van de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoeken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht. § 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle andere lid- staten en, indien het om een verzekeringsonderneming gaat, de FSMA, onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen ervan. L’avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de commerce et au procureur du Roi. L’avis est versé au dossier. Art. 641 Le ou les curateurs visés à l’article 27  de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, ainsi que les personnes adjointes en application dudit article 27, alinéa 4, sont désignés sur avis de la Banque. TITRE II Des règles particulières en cas de procédure de liquidation au sens de l’article 183 du Code des sociétés Art. 642 § 1er. Sauf en ce qui concerne les dissolutions de plein droit en application de l’article 542, toutes dissolutions d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, qu’elles soient volontaires ou judicaires, et la liquidation au sens du Code des sociétés qui s’ensuit, requièrent l’avis conforme de la Banque. . Avant qu’il ne soit statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés à l’égard d’une entreprise d’assurance ou de réassurance, le tribunal de commerce saisit la Banque d’une demande d’avis selon la procédure prévue à l’article 640, § 2. § 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire ou de dissolution en application de l’article 542  de l’entreprise d’assurance ou de réassurance, le liquidateur, qui est désigné conformément aux règles statutaires ou légales, ne peut être nommé qu’avec l’approbation de la Banque. Sans préjudice des dispositions légales applicables aux sociétés commerciales et de l’article 545, le Roi détermine, sur avis de la Banque les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des créances d’assurance. En tout état de cause, le liquidateur est tenu de répondre aux demandes d’information que lui adresse la Banque et doit, en outre, informer d’initiative la Banque de l’évolution de sa mission. § 3. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle de tous les autres États membres et, s’agissant d’une entre- prise d’assurance, la FSMA, de toute dissolution ainsi que de ses effets concrets possibles. 685 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL III Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verschillende liquidatieprocedures en andere gevallen van samenloop Art. 643 De gezamenlijke activa als bedoeld in artikel 194 vormen per afzonderlijk beheer als bedoeld in artikel 230 een bij- zonder vermogen dat is voorbehouden ter nakoming van de verbintenissen tegenover de verzekeringnemers, verzekerden of verzekeringsbegunstigden die onder dat beheer vallen, bij absolute voorrang ten opzichte van alle andere schuldvorde- ringen op de verzekeringsonderneming Het bijzonder vermogen van elk afzonderlijk beheer bestaat uit de inhoud van de bij artikel 195 voorgeschreven doorlo- pende inventaris. Art. 644 Elke vereffening van bijzondere vermogens moet rekening houden met de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering, met de in het tweede lid bedoelde schuldeisers en met de gelijkheid van alle schuldeisers van eenzelfde rang. In afwijking van artikel 643, eerste lid, mag de liquidateur op ieder bijzonder vermogen voorafneming doen van zijn bezoldiging en die van zijn personeel en van alle andere vereffeningskosten, voor zover deze kosten de vereffening van dit vermogen ten goede komen. Indien er na de vereffening van een bijzonder vermogen een positief saldo overblijft, wordt dit saldo verdeeld over de andere bijzondere vermogens naar rato van de tekorten van die bijzondere vermogens. Indien er na de vereffening van alle bijzondere vermogens nog een beschikbaar saldo overblijft, wordt dit toegewezen aan de massa van de schuldeisers. Indien de bijzondere vermogens ontoereikend zijn om de schuldeisers uit hoofde van verzekering volledig schadeloos te stellen, behouden dezen voor het overige een bevoorrechte schuldvordering op de onderneming. Dit voorrecht is alge- meen; de bijzondere voorrechten en de algemene voorrechten van werknemers, van de Schatkist en van socialezekerheids- instellingen en sociale verzekeraars, evenals de uitoefening van zakelijke rechten gaan erboven. TITRE III Dispositions communes aux différentes procédures de liquidation et autres situations de concours Art. 643 L’ensemble des actifs visés à l’article 194 forme, par ges- tions distinctes visées à l’article 230, un patrimoine spécial réservé à l’exécution des engagements envers les preneurs d’assurance, assurés ou bénéficiaires d’assurances relevant de cette gestion, par priorité absolue par rapport à toutes autres créances sur l’entreprise d’assurance. Le patrimoine spécial de chaque gestion distincte est constitué par le contenu de l’inventaire permanent prescrit par l’article 195. Art. 644 Toute liquidation de patrimoines spéciaux doit être faite en tenant compte des droits des créanciers détenant une créance d’assurance et des créanciers visés à l’alinéa 2 en respectant l’égalité entre tous les créanciers de même rang. Par dérogation à l’article 643, alinéa 1er, le liquidateur peut prélever sur chaque patrimoine spécial sa rémunération, celle de son personnel et tous les autres frais de liquidation dans la mesure où ils ont profité à la liquidation de ce patrimoine. Si la liquidation d’un patrimoine spécial laisse un solde positif, ce solde est partagé entre les autres patrimoines spéciaux, au prorata des déficits de ces patrimoines spéciaux. Si après la liquidation de tous les patrimoines spéciaux, il subsiste encore un solde disponible, celui-ci est attribué à la masse des créanciers. En cas d’insuffisance des patrimoines spéciaux pour désintéresser totalement les créanciers détenant une créance d’assurance, ceux-ci conservent pour le surplus une créance privilégiée contre l’entreprise. Ce privilège est général; il est primé par les privilèges spéciaux ainsi que par les pri- vilèges généraux des travailleurs salariés, du Trésor et des organismes et assureurs sociaux, ainsi que par l’exercice de droits réels. 686 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 BOEK VI SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN TITEL I Overgangsbepalingen Art. 645 De verzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke- ringsondernemingen, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid. De verzekeringsondernemingen die onder een lidstaat ressorteren en die opgenomen zijn in de lijsten bedoeld in artikel 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, worden van rechtswege opgenomen, naargelang van het geval, in de lijst bedoeld in artikel 555 of 561. Art. 646 § 1. De verzekerings ondernemingen bedoeld in artikel 275 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwer- kingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 275, § 2, vijfde lid. Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de Bank de in artikel 275, § 2 bedoelde inschrijvings aanvraag te richten. § 2. De in artikel 276 bedoelde verzekeringsondernemingen beschikken over een termijn van een jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de be- palingen van de artikelen 276 tot 293. § 3. De lokale verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 294 die hun activiteiten uitoefenden op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden voorlopig opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 296. Deze ondernemingen beschikken over een termijn van vier maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om aan de Bank de in artikel 296 bedoelde inschrijvingsaanvraag te richten. Art. 647 § 1. De koninklijk besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voor- zien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die LIVRE VI DISPOSITIONS FINALES, MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES TITRE IER Dispositions transitoires Art. 645 Les entreprises d’assurance inscrites, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises d’assu- rances visée à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances sont de plein droit agréées, en cette qualité, pour l’application de la présente loi. Les entreprises d’assurance relevant du droit d’un État membre enregistrées sur les listes visés à l’article 66 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances sont, de plein droit, enregistrées, selon les cas, sur la liste prévue à l’article 555 ou 561. Art. 646 § 1er. Les entreprises d’assurance visées à l’article 275 qui exerçaient leurs activités à la date d’entrée en vigueur de la présente loi sont provisoirement inscrites à la liste visée à l’article 275, § 2, alinéa 5. Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour adresser à la Banque la demande d’inscription visée à l’article 275, § 2. § 2. Les entreprises d’assurance visées à l’article 276 bé- néficient d’un délai d’un an à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi, pour se conformer aux dispositions des articles 276 à 293. § 3. Les entreprises locales d’assurance visées à l’ar- ticle 294 qui exerçaient leurs activités à la date d’entrée en vigueur de la présente loi sont provisoirement inscrites à la liste visée à l’article 296. Ces entreprises bénéficient d’un délai de quatre mois à dater de l’entrée en vigueur de la présente loi pour adresser à la Banque la demande d’inscription visée à l’article 296. Art. 647 § 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en exécution de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de la présente loi prévoient les habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires 687 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 nodig zijn voor deze reglementaire handelingen zijn en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet. § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd. Art. 648 De herverzekeringsondernemingen die op de datum van in- werkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 11 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning in die hoedanigheid. Art. 649 De verzekeringsondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn opgenomen in de lijst van de verzekeringsondernemingen als bedoeld in arti- kel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en die op diezelfde datum een herverzekeringsactiviteit uitoefenden, verkrijgen voor de toepassing van deze wet van rechtswege een vergunning als herverzekeringsonderneming. Art. 650 § 1. De koninklijke besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverze- keringsbedrijf zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet. § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draag- wijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vast- gesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd. Art. 651 In afwijking van artikel  40, §  1, eerste lid, mogen de rechtspersonen die op 7 mei 2014 een functie uitoefenden van lid van het wettelijk bestuursorgaan van een verzeke- rings- of herverzekeringsonderneming, hun lopend mandaat blijven uitoefenen tot het verstrijkt. Tot het verstrijken van de in dit artikel bedoelde mandaten is artikel 40, § 1, tweede à ces actes réglementaires et que leur contenu n’est pas contraire à la présente loi. §  2. Les autorisations et dérogations données par la Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adoptés antérieurement sur base de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou des actes régle- mentaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée conformément à la présente loi. Art. 648 Les entreprises de réassurance inscrites, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises de réas- surances visée à l’article 11 de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance sont de plein droit agréées, en cette qualité, pour l’application de la présente loi. Art. 649 Les entreprises d’assurance inscrites, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, à la liste des entreprises d’assu- rances visée à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances et qui, à cette même date, exerçaient une activité de réassurance, sont de plein droit agréées en qualité d’entreprise de réassurance pour l’application de la présente loi. Art. 650 § 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de la présente loi prévoient les habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires et que leur contenu n’est pas contraire à la présente loi. §  2.  Les autorisations et dérogations données par la Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adoptés antérieurement sur base de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance ou des actes réglementaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée conformément à la présente loi. Art. 651 Par dérogation à l’article 40, § 1er, alinéa 1er, les personnes morales qui, au 7  mai  2014, exerçaient une fonction de membre de l’organe légal d’administration d’une entreprise d’assurance ou de réassurance sont autorisées à poursuivre l’exercice de leur mandat en cours jusqu’à l’expiration de celui-ci. Jusqu’à l’expiration des mandats visés par le présent 688 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 lid van toepassing op de vaste vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Art. 652 § 1. In afwijking van de artikelen 48, 50 en 51 beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een remuneratiecomité en een risicocomité. § 2. In afwijking van artikel 56 beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te voldoen aan de verplichting tot oprichting van een risicobe- heerfunctie in overeenstemming met het genoemde artikel 56. § 3. De leningen, kredieten, waarborgen of verzekerings- overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn verstrekt en die niet in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 93, moeten uiterlijk op 30 juni 2016 worden beëindigd. Art. 653 In afwijking van artikel 96, § 4 hoeft de kapitaalopslagfactor of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming krachtens artikel 166 moet hanteren, niet apart bekendgemaakt te worden gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2020 verstrijkt, ook al wordt het totale solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 96, § 1, 5°, b) bekendgemaakt. Art. 654 § 1. Tot 31 december 2017 passen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 189, § 3 be- doelde percentages uitsluitend toe op het solvabiliteitskapi- taalvereiste van de onderneming als berekend volgens de standaardformule bedoeld in de artikelen 153 tot 166. § 2. In afwijking van de artikelen 511 en 541 beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die op 31 december 2015 voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge die door of krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of door of krachtens de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf is vastgelegd, en die op de datum van inwerkingtreding van deze wet niet over voldoende in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste beschikken, over een termijn die eindigt op 31 december 2016 om te voldoen aan artikel 75. Indien een onderneming bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn niet over voldoende in aanmer- king komend kernvermogen ter dekking van het minimumka- pitaalvereiste beschikt, wordt haar vergunning met toepassing van artikel 517, § 1, 8° ingetrokken. article, l’article 40, § 1er, alinéa 2 est applicable au représen- tant permanent de la personne morale. Art. 652 § 1er. Par dérogation aux articles 48, 50, 51, les entreprises d’assurance ou de réassurance bénéficient d’un délai de six mois à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satisfaire à l’obligation de mettre en place un comité de rémunération et un comité des risques. § 2. Par dérogation à l’article 56, les entreprises d’assu- rance ou de réassurance bénéficient d’un délai de six mois à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satis- faire à l’obligation de mettre en place une fonction de gestion des risques en conformité avec ledit article 56. § 3. Les prêts, crédits, garanties ou contrats d’assurance accordés avant l’entrée en vigueur de la présente loi et qui ne sont pas conformes au prescrit de l’article 93, doivent prendre fin au plus tard le 30 juin 2016. Art. 653 Par dérogation à l’article 96, § 4, même si l’ensemble du capital de solvabilité requis visé à l’article 96, § 1er, 5°, b), est publié, l’exigence de capital supplémentaire ou l’effet des paramètres spécifiques que l’entreprise d’assurance ou de réassurance est tenue d’utiliser en vertu de l’article 166 n’ont pas à faire l’objet d’une divulgation séparée pendant une période transitoire se terminant le 31 décembre 2020. Art. 654 § 1er. Jusqu’au 31 décembre 2017, les entreprises d’assu- rance ou de réassurance appliquent les pourcentages visés à l’article 189, § 3 exclusivement au capital de solvabilité requis de l’entreprise calculé selon la formule standard prévue aux articles 153 à 166. § 2. Par dérogation aux articles 511 et 541, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui, au 31 décembre 2015, respectaient les exigences de marge de solvabilité prévues par ou en vertu de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou par ou en vertu de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, ne disposent pas d’un montant suffisant de fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capital requis, disposent d’un délai se terminant le 31 décembre 2016 pour se conformer à l’article 75. Les entreprises qui, à l’expiration du délai prévu à l’ali- néa 1er, ne disposent pas d’un montant suffisant de fonds propres de base éligibles pour couvrir le minimum de capi- tal requis se voient retirer leur agrément en application de l’article 517, § 1er, 8°. 689 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 655 Zolang de maximale referentierentevoeten voor levensver- zekeringsverrichtingen niet zijn vastgesteld met toepassing van artikel 216, blijven de met toepassing van artikel 19, §§ 2 en 3 van de wet van juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of artikel 24 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzeke- ringsactiviteit vastgestelde maximale correlatieve rentevoeten van toepassing. Art. 656 In afwijking van artikel 224, tweede lid, maar onvermin- derd de artikelen 224, derde lid en 225 tot 229, mogen de in artikel 223 bedoelde ondernemingen die eveneens herver- zekeringsactiviteiten “leven” en “niet-leven” uitoefenen, tot 31 december 2019, al deze herverzekeringsactiviteiten samen beheren met hetzij hun levensverzekeringsactiviteiten, hetzij hun niet-levensverzekeringsactiviteiten. De Bank trekt het voordeel van de toepassing van het eer- ste lid in wanneer de verzekeringsonderneming niet voldoet aan de vereisten van artikel 224, derde lid. Art. 657 De onderlinge verzekeringsverenigingen als bedoeld in arti- kel 244 gaan uiterlijk op 31 december 2017 over tot de formele aanpassing van hun statuten en verzekeringsovereenkomsten en van alle voor het publiek bestemde documenten, voor wat de vermelding van hun rechtsvorm betreft. Art. 658 In afwijking van artikel 538, §§ 1, 2, 3 en 5 en van arti- kel 545, zijn de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen die op 1 januari 2016, zonder in vereffening te zijn in de zin van de artikelen 183 en volgende van het Wetboek van Vennootschappen, het sluiten van nieuwe overeenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de beëindiging van hun activiteit, zijn vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van Boek II van deze wet indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan: 1° de onderneming heeft de Bank ervan verzekerd dat zij haar lopende activiteiten tegen 1 januari 2019 zal beëindigen of zij is onderworpen aan saneringsmaatregelen en er is met toepassing van artikel 517, § 1, 2° een voorlopige bewind- voerder aangewezen; 2° de onderneming maakt geen deel uit van een groep, tenzij alle ondernemingen van de groep hun activiteiten hebben beëindigd overeenkomstig dit artikel of de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 308ter, leden 1 tot 3 van Richtlijn 2009/138/EG; Art. 655 Tant que les taux maximums de référence des opéra- tions d’assurance vie n’ont pas été fixés en application de l’article 216, les taux maximums corrélatifs fixés en application de l’article 19, §§ 2 et 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de l’article 24 de l’arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l’activité d’assu- rance sur la vie, restent d’application. Art. 656 Par dérogation à l’article 224, alinéa 2 mais sans préjudice des articles 224, alinéa 3 et 225 à 229, les entreprises visées à l’article 223 qui exercent également des activités de réas- surance vie et non-vie peuvent, jusqu’au 31 décembre 2019, gérer l’ensemble de ces activités de réassurance de manière conjointe avec soit leurs activités d’assurance vie, soit leurs activités d’assurance non-vie. La Banque retire le bénéfice de l’alinéa 1er à l’entreprise d’assurance qui ne respecte pas les exigences prévues à l’article 224, alinéa 3. Art. 657 Les associations d’assurance mutuelle visées à l’ar- ticle 244 adaptent formellement, pour le 31 décembre 2017, leurs statuts, contrats d’assurance et tous documents à destination du public, en ce qui concerne l’indication de leur forme juridique. Art. 658 Par dérogation aux articles 538, §§ 1er, 2, 3 et 5 et 545, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui, au 1er jan- vier 2016, sans être en liquidation au sens des articles 183 et suivants du Code des sociétés, ont cessé de souscrire de nouveaux contrats et se contentent d’administrer leur porte- feuille existant en vue de mettre un terme à leur activité sont dispensées des dispositions du Livre II de la présente loi si toutes les conditions suivantes sont remplies: 1° l’entreprise s’est engagée auprès de la Banque à mettre fin aux activités en cours pour le 1er janvier 2019 ou elle fait l’objet de mesures d’assainissement et qu’un administrateur provisoire a été désigné en application de l’article 517, § 1er, 2°; 2° l’entreprise ne fait pas partie d’un groupe à moins que toutes les entreprises du groupe n’aient cessé leurs activités conformément au présent article ou aux dispositions natio- nales transposant l’article 308ter, paragraphes 1er à 3 de la Directive 2009/138/CE; 690 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3° de onderneming stelt de Bank uiterlijk op 15 januari 2016 in kennis van haar voornemen om de bepalingen van dit artikel toe te passen; 4° de onderneming dient bij de Bank een plan in waarin wordt aangegeven hoe de onderneming haar verplichtingen zal afwikkelen. De Bank trekt het voordeel van de bepalingen van dit artikel in: — op 1 januari 2019, voor de ondernemingen die zich ertoe verbonden hebben hun activiteiten op die datum te beëindigen; — op 1 januari 2021, voor de ondernemingen die onder- worpen zijn aan saneringsmaatregelen; of op een eerdere datum indien de Bank van mening is dat de onderneming onvoldoende vooruitgang heeft geboekt met het beëindigen van haar activiteit. Bij gebreke van plan als bedoeld in het eerste lid, 4°, of wanneer zij van mening is dat dit plan onvoldoende waar- borgen biedt voor de bescherming van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverzekering, kan de Bank alle ondersteunende maatregelen nemen voor een correcte afwik- keling van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen van de onderneming en met name alle maatregelen om de rechten van de schuldeisers uit hoofde van verzekering en herverzekering te vrijwaren. Deze maatregelen omvatten ook de maatregelen vastgesteld in de artikelen 504 tot 517, 546 en 547. De in dit artikel bedoelde verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen verstrekken aan de Bank jaarlijks een geactualiseerde versie van het plan bedoeld in het eerste lid, 4°. Bovendien bepaalt de Bank geval per geval de inhoud van het geactualiseerde plan. Art. 659 § 1. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel 312 bedoelde informatie jaarlijks of minder frequent moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming, dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de on- derneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt. § 2. Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in artikel  312  bedoelde informatie op kwartaalbasis moeten verstrekken, vastgesteld op acht weken vanaf elk kwartaal dat tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met een week verkort en wordt vastgesteld 3°  l’entreprise notifie à la Banque, au plus tard le 15 janvier 2016, son intention de bénéficier des dispositions du présent article; 4° l’entreprise présente à la Banque un plan précisant la manière dont l’entreprise entend procéder à la liquidation de ses engagements. La Banque retire le bénéfice des dispositions du présent article: — le 1er janvier 2019 pour les entreprises qui se sont enga- gées à cesser leurs activités à cette date; — le 1er janvier 2021 pour les entreprises faisant l’objet de mesures d’assainissement; ou à une date antérieure si la Banque estime que les progrès accomplis aux fins de la cessation de l’activité de l’entreprise sont insuffisants. À défaut du plan visé à l’alinéa  1er, 4°, ou lorsqu’elle estime que ce plan ne présente pas les garanties suffisantes au regard de la protection des créanciers d’assurance et de réassurance, la Banque peut prendre toutes mesures visant à encadrer une liquidation correcte des engagements d’assurance et de réassurance de l’entreprise et notamment, toutes mesures visant à préserver les droits des créanciers d’assurance et de réassurance. Ces mesures incluent les mesures prévues aux articles 504 à 517, 546 et 547. Les entreprises d’assurance ou de réassurance visées au présent article fournissent annuellement à la Banque une actualisation du plan visé à l’alinéa 1er, 4°. La Banque déter- mine en outre, au cas par cas, le contenu du plan actualisé. Art. 659 § 1er. Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir les informations visées à l’article 312, selon une périodicité annuelle ou moins fréquente, est fixé à vingt semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue de deux semaines à chaque exercice comptable pour être fixé à qua- torze semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020. §  2. Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entreprises d’assurance ou de réassurance doivent fournir les informations visées à l’article 312, selon une périodicité trimestrielle, est fixé à huit semaines à partir de tout trimestre clos entre le 1er janvier 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue d’une semaine à chaque exercice comptable pour 691 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 op vijf weken vanaf elk kwartaal dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt. Art. 660 Gedurende een periode van ten hoogste vier jaar vanaf 1 januari 2016, wordt de maximumtermijn waarbinnen de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de in de artikelen 95 en 96 bedoelde informatie moeten verstrekken, vastgesteld op twintig weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2016 en 1 januari 2017 eindigt. Deze termijn wordt elk boekjaar met twee weken verkort en wordt vastgesteld op veertien weken vanaf de afsluiting van het boekjaar van de onderneming dat tussen 30 juni 2019 en 1 januari 2020 eindigt. Art. 661 Voor wat betreft de in de artikelen 93, 94 en 307 vervatte informatieverplichtingen zijn de artikelen 659 en 660 van overeenkomstige toepassing op deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings, met dien verstande dat de in de artikelen 659 en 660 bedoelde termijnen telkens met zes weken worden verlengd. Art. 662 §  1er. Niettegenstaande artikel  147  worden kernver- mogensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na 1 januari 2016 tot het in Tier 1 ingedeelde kernvermogen gerekend, indien die bestanddelen: 1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015; 2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, reke- ning houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 50 % van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder- nemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverze- keringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling geldt niet voor kernvermogensbestanddelen die met toepassing van arti- kel 147 in Tier 2 kunnen worden ingedeeld. Art. 663 §  1. In afwijking van artikel 147  worden kernvermo- gensbestanddelen gedurende ten hoogste tien jaar na 1 januari 2016 tot het in Tier 2 ingedeelde kernvermogen gerekend, indien die bestanddelen: 1° zijn uitgegeven vóór 18 januari 2015; 2° op 31 december 2015 konden worden gebruikt, reke- ning houdend met hun kenmerken, om aan ten hoogste 25 % être fixé à cinq semaines à partir de tout trimestre clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020. Art. 660 Durant une période n’excédant pas quatre ans à compter du 1er janvier 2016, le délai maximum dans lequel les entre- prises d’assurance ou de réassurance doivent fournir les informations visées à aux articles 95 et 96, est fixé à vingt semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2016 et le 1er janvier 2017. Ce délai diminue de deux semaines à chaque exercice comptable pour être fixé à quatorze semaines à partir de la clôture de l’exercice comptable de l’entreprise clos entre le 30 juin 2019 et le 1er janvier 2020. Art. 661 Les articles 659 et 660 sont applicables par analogie en ce qui concerne les obligations d’informations prévues aux articles 93, 94 et 307 aux entreprises d’assurance ou de réassurance participantes, aux sociétés holding d’assurance et aux compagnies financières mixtes, étant entendu que les délais visés aux articles 659 et 660 sont prolongés, chaque fois, de six semaines. Art. 662 §  1er. Nonobstant l’article  147, les éléments de fonds propres de base sont inclus dans les fonds propres de base de niveau 1 pour une durée maximale de dix ans après le 1er janvier 2016, si ces éléments: 1° ont été émis avant le 18 janvier 2015; 2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de leurs caractéristiques, être utilisés afin de respecter la marge de solvabilité disponible dans une proportion n’excédant pas 50 % de la marge de solvabilité conformément aux disposi- tions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre- prises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution; § 2. Les éléments de fonds propres de base qui peuvent être classés au niveau 2 en application de l’article 147 ne bénéficient pas de l’assimilation prévue au paragraphe 1er. Art. 663 § 1er. Par dérogation à l’article 147, les éléments de fonds propres de base sont inclus dans les fonds propres de base de niveau 2 pour une durée maximale de dix ans après le 1er janvier 2016, si ces éléments: 1° ont été émis avant le 18 janvier 2015; 2° pouvaient, au 31 décembre 2015, compte tenu de leurs caractéristiques, être utilisés afin de respecter la marge de 692 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van de voorgeschreven beschikbare solvabiliteitsmarge te voldoen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder- nemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverze- keringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen. Art. 664 Op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die beleggen in verhandelbare effecten of in andere op herverpakte leningen gebaseerde financiële instrumenten die vóór 1 januari 2011 zijn uitgegeven, zijn de vereisten van Verordening 2015/35 slechts van toepassing indien er na 31 december 2014 nieuwe onderliggende vorderingen werden toegevoegd of bestaande onderliggende vorderingen werden vervangen. Art. 665 Niettegenstaande artikel 74, artikel 151, § 2, tweede lid en § 3, en artikel 154 zijn de volgende regels van toepassing: 1° tot en met 31 december 2017 zijn de standaardpara- meters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadri- sico – spread risk” volgens de standaardformule, dezelfde voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat, als voor dergelijke vorderingen die uitgedrukt en gefinancierd zijn in euro; 2° in 2018 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “con- centratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread risk” volgens de standaardformule, met 80 % verminderd voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat; 3° in 2019 worden de standaardparameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “con- centratierisico” en de submodule “spreadrisico – spread risk” volgens de standaardformule, met 50 % verminderd voor vorderingen op de centrale overheden of de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een lidstaat; 4° met ingang van 1 januari 2020 worden de standaard- parameters die moeten worden gebruikt bij de berekening van de submodule “concentratierisico” en de submodule “spreadrisico” volgens de standaardformule, niet verminderd voor vorderingen op de centrale overheden en de centrale banken van de lidstaten die uitgedrukt en gefinancierd zijn in de nationale munteenheid van een andere lidstaat. Art. 666 Niettegenstaande artikel  74, artikel  151, §  2, tweede lid en § 3, en artikel 154 worden de standaardparameters solvabilité disponible dans une proportion n’excédant pas 25 % de la marge de solvabilité conformément aux disposi- tions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entre- prises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution. Art. 664 En ce qui concerne les entreprises d’assurance ou de réassurance qui investissent dans des valeurs mobilières négociables ou d’autres instruments financiers reposant sur des emprunts reconditionnés qui ont été émis avant le 1er janvier 2011, les exigences prévues par le Règlement 2015/35 s’appliquent uniquement si des expositions sous- jacentes ont été remplacées ou complétées par de nouvelles expositions après le 31 décembre 2014. Art. 665 Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3, et 154, les règles suivantes sont d’application: 1° jusqu’au 31 décembre 2017, les paramètres standard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentra- tion et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont les mêmes, pour les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un État membre, que ceux qui s’appliqueraient à de pareilles expositions libellées et financées en euros; 2° en 2018, les paramètres standard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentration et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont réduits de 80 % pour les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un État membre; 3° en 2019, les paramètres standard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concentration et le sous-module “risque de marge – spread risk” selon la formule standard sont réduits de 50 % pour les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale d’un État membre; 4° à partir du 1er janvier 2020, les paramètres standard à utiliser pour calculer le sous-module de risque de concen- tration et le sous-module “risque de spread” selon la formule standard ne sont pas réduits pour les expositions sur les administrations centrales et les banques centrales des États membres qui sont libellées et financées dans la monnaie nationale de tout autre État membre. Art. 666 Nonobstant les articles 74, 151, § 2, alinéa 2 et § 3, et 154, les paramètres standards à utiliser pour les actions acquises 693 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 die moeten worden gebruikt voor aandelen die uiterlijk op 1 januari 2016 door de onderneming zijn verworven, wanneer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend volgens de standaardformule zonder gebruik te maken van de in arti- kel 162 beschreven mogelijkheid, berekend als het gewogen gemiddelde van: a) de standaardparameter die moet worden gebruikt bij de berekening van de submodule “aandelenrisico” overeen- komstig artikel 162; en b) de standaardparameter die moet worden gebruikt wan- neer de submodule “aandelenrisico” wordt berekend volgens de standaardformule zonder gebruik te maken van de in artikel 162 beschreven mogelijkheid. Het gewicht van de in het eerste lid, b), bedoelde parame- ter neemt aan het eind van elk jaar ten minste lineair toe van 0 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 100 % op 1 januari 2023. Art. 667 Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen die voldeden aan de vereiste solvabiliteitsmarge als be- doeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der ver- zekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen, maar in het eerste jaar van toepassing van deze wet niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, eist de Bank, niettegenstaande artikel 510, §§ 1 en 2 en onverminderd paragraaf 3 van het genoemde artikel, dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen treft om uiterlijk op 31 december 2017 het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming dient om de drie maanden een tussentijds verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De in het eerste lid bedoelde verlenging wordt ingetrokken wanneer uit het tussentijds verslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt door de onderneming bij het weer op peil brengen van het in aanmerking komendeigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste of bij het zodanig verlagen van het risicoprofiel dat weer wordt vol- daan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, tussen de datum waarop is vastgesteld dat niet meer werd voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en de datum van indiening van het tussentijds verslag. par l’entreprise au plus tard le 1er janvier 2016 lors du calcul du sous-module “risque sur actions” selon la formule standard sans faire usage de la possibilité prévue sous l’article 162, équivalent aux moyennes pondérées: a) du paramètre standard à utiliser pour le calcul du sous- module “risque sur actions” conformément à l’article 162; et b) du paramètre standard à utiliser pour le calcul du sous- module “risque sur actions” selon la formule standard sans la possibilité prévue sous l’article 162. Le coefficient affecté au paramètre visé à l’alinéa  1er, b), s’accroît d’une manière au moins linéaire à la fin de chaque année, de 0 % pour l’année commençant le 1er jan- vier 2016 jusqu’à 100 % à compter du 1er janvier 2023. Art. 667 Nonobstant l’article 510, §§ 1er et 2 et sans préjudice du paragraphe 3 dudit article, lorsque les entreprises d’assu- rance ou de réassurance qui se conformaient à l’exigence de marge de solvabilité prévue par la loi du 9 juillet 1975 rela- tive au contrôle des entreprises d’assurances ou la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et leurs arrêtés et règlements d’exécution, mais ne respectent pas le capital de solvabilité requis durant la première année d’application de la présente loi, la Banque exige de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures nécessaires pour établir le niveau de fonds propres éligibles couvrant le capital de solvabilité requis ou réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité au 31 décembre 2017. L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée soumet tous les trois mois à la Banque un rapport intermé- diaire exposant les mesures prises et les progrès accomplis pour établir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou pour réduire son profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis. Le bénéfice de la prolongation prévue à l’alinéa 1er est retiré lorsque le rapport intermédiaire montre qu’aucun progrès significatif n’a été accompli par l’entreprise afin de rétablir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de réduire le profil de risque afin de garantir la conformité du capital de solvabilité requis, entre la date de la constatation de la non-conformité du capital de solvabilité requis et la date de remise du rapport intermédiaire. 694 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 668 § 1. In afwijking van de artikelen 126 tot 131 kan de Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen bij wijze van overgangsmaatregel een uitzonderingsrege- ling toepassen op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur voor levensverzekerings- en -herverzekeringsverplichtingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die vóór 1 januari 2016 zijn gesloten, met uitzondering van de verlengingen van overeen- komsten vanaf die datum; 2° tot 1 januari 2016 zijn de technische voorzieningen voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder- nemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverze- keringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; 3° de in artikel 129 bedoelde matchingopslag wordt niet op de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen toegepast. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingsregeling die bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegepast, maakt het mogelijk om de matchingopslag voor elke valuta te berekenen als een deel van het verschil tussen: 1° de rentevoet die de verzekerings- of herverzekerings- overeenkomst op 31 december 2015 heeft vastgesteld over- eenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen; en 2° de jaarlijkse effectieve rente, berekend als de unieke dis- contovoet die, wanneer hij wordt toegepast op de kasstromen uit de portefeuille van verzekerings- en herverzekeringsver- plichtingen die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, resulteert in een waarde die gelijk is aan de waarde van de beste schatting van de portefeuille van die verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen met inachtneming van de tijdswaarde van geld en met gebruikmaking van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 126, § 2. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen de volatiliteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131 toe- passen, is de in het eerste lid, 2° bedoelde risicovrije rentetermijnstructuur de in artikel 131 bedoelde risicovrije rentetermijnstructuur. Indien de Bank haar toestemming verleent overeenkomstig paragraaf 3, neemt het in het eerste lid bedoelde deel aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032. § 3. De toestemming van de Bank als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderne- ming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige Art. 668 § 1er. Par dérogation aux articles 126 à 131, la Banque peut autoriser les entreprises d’assurance ou de réassurance à appliquer, à titre transitoire, un régime dérogatoire à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque pour les engage- ments d’assurance-vie et de réassurance vie répondant aux conditions suivantes: 1°  les engagements d’assurance ou de réassurance découlent de contrats qui ont été conclus avant le 1er jan- vier 2016, à l’exclusion des renouvellements de contrats qui ont lieu à partir de cette date; 2° jusqu’au 1er janvier 2016, les provisions techniques constituées pour les engagements d’assurance et de réas- surance ont été déterminées conformément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution; 3° l’ajustement égalisateur visé à l’article 129 n’est pas appliqué aux engagements d’assurance et de réassurance. § 2. Le régime dérogatoire transitoire visé au paragraphe 1er permet, dans chaque devise, de calculer l’ajustement comme une part de la différence entre: 1° le taux d’intérêt déterminé par l’entreprise d’assurance ou de réassurance conformément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution au 31 décembre 2015; et 2° le taux annuel effectif, calculé comme le taux unique d’actualisation qui, s’il était appliqué aux flux de trésorerie du portefeuille d’engagements d’assurance et de réassurance répondant aux conditions visées au paragraphe 1er, donnerait une valeur égale à la valeur de la meilleure estimation du portefeuille de ces engagements d’assurance et de réassu- rance pour laquelle la valeur temporelle de l’argent est prise en compte en suivant la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 126, § 2. Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance font usage de la correction pour volatilité visée à l’article 131, la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’alinéa 1er, 2° est la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque visée à l’article 131. En cas d’autorisation de la Banque donnée conformément au paragraphe 3, la part visée l’alinéa 1er diminue d’une manière linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100 % pour la première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032. § 3. L’autorisation de la Banque visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne peut être donnée que si l’entreprise démontre, sur la base d’un dossier dont la Banque détermine le contenu, qu’elle est, sur la base de projections crédibles des conditions 695 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volle- dige overgangsperiode te voldoen aan de solvabiliteitsvereis- ten, rekening houdend met de toepassing van de regels inzake lineaire vermindering als bedoeld in paragraaf 2, derde lid. De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie nodig heeft. De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toestem- ming binnen twee maanden na de indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek. § 4. Naast het vereiste van artikel 670, gelden voor de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die over- eenkomstig dit artikel bij wijze van overgangsmaatregel de uitzonderingsregeling toepassen op de relevante risicovrije rentetermijnstructuur de volgende vereisten: — zij tellen de toelaatbare verzekerings- en herverzeke- ringsverplichtingen niet mee bij de berekening van de volati- liteitsaanpassing als bedoeld in artikel 131; — zij vermelden in hun verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij de overgangs-risicovrije rentetermijnstructuur toepassen en kwantificeren het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie. Art. 669 § 1. In afwijking van de artikelen 124 tot 139 kan de Bank toestaan dat de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen bij wijze van overgangsmaatregel een aftrek toepassen op hun technische voorzieningen met betrekking tot de op 1 januari 2016 bestaande verzekerings- of herverzekerings- verplichtingen. Die aftrek kan worden toegepast op het niveau van homogene risicogroepen als bedoeld in artikel 135. De aftrek bedoeld in het eerste lid komt overeen met het verschil tussen 1° het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit herverzeke- ringsovereenkomsten en effectiseringsvehikels, berekend op 1 januari 2016 met toepassing van de artikelen 124 tot 139, en 2°  het bedrag van de technische voorzieningen na aftrek van de schuldvorderingen die voortvloeien uit her- verzekeringsovereenkomsten, berekend met toepassing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf en hun uit- voeringsbesluiten- en reglementen. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsondernemin- gen gebruikmaken van artikel 131, wordt het bedrag bedoeld de marché et de ses limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire aux exigences de solvabilité, tout au long de la période transitoire, compte tenu de l’application des modalités de diminution linéaire prévue au paragraphe 2, alinéa 3. La Banque accuse réception du dossier visé à l’alinéa 1er et, dans les quinze jours de la réception du dossier, indique à l’entreprise si le dossier est complet en vue de son examen ou s’il requiert des informations complémentaires. La Banque statue sur la demande d’autorisation dans les deux mois de l’introduction d’un dossier complet et au plus tard dans les trois mois de la réception de la demande. § 4. Outre l’exigence prévue sous l’article 670, les entre- prises d’assurance ou de réassurance qui appliquent, à titre transitoire, le régime dérogatoire à la courbe pertinente des taux d’intérêt sans risque conformément au présent article: — n’incluent pas les engagements d’assurance et de réassurance admissibles dans le calcul de la correction pour volatilité visé à l’article 131; — indiquent dans leur rapport sur leur solvabilité et leur situation financière visé aux articles 95 et 96 qu’elles appliquent la courbe des taux d’intérêt sans risque transitoire et quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résul- terait d’une non application de la présente mesure transitoire. Art. 669 § 1er. Par dérogation aux articles 124 à 139, la Banque peut autoriser les entreprises d’assurance ou de réassu- rance à appliquer, à titre transitoire, en ce qui concerne les engagements d’assurance ou de réassurance existants au 1er janvier 2016, une déduction à leurs provisions techniques. Cette déduction peut être appliquée au niveau des groupes de risques homogènes visés à l’article 135. La déduction visée à l’alinéa 1er correspond à la différence entre 1° le montant des provisions techniques, après déduction des créances découlant des contrats de réassurance et des véhicules de titrisation, calculées au 1er janvier 2016 en appli- cation des articles 124 à 139, et 2° le montant des provisions techniques, après déduc- tion des créances découlant des contrats de réassurance, calculées en application des dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution. Lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance font usage de l’article  131, le calcul du montant visé à 696 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 in het tweede lid, 1° berekend met de volatiliteitsaanpassing op 1 januari 2016. Indien de Bank haar toestemming verleent overeenkom- stig paragraaf 2, neemt het maximale aftrekbare deel van de technische voorzieningen aan het eind van elk jaar lineair af van 100 % in het jaar dat aanvangt op 1 januari 2016 tot 0 % op 1 januari 2032. Onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring van of op initiatief van de Bank kunnen de bedragen van de technische voorzieningen, in voorkomend geval met inbegrip van het bedrag van de volatiliteitsaanpassing, die worden gebruikt voor de berekening overeenkomstig deze paragraaf van de overgangsaftrek, om de vierentwintig maanden wor- den herberekend, of frequenter indien het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk is veranderd als gevolg van een verwerving of een overdracht van op 1 januari 2016 bestaande verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen. § 2. De toestemming van de Bank als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, kan maar worden gegeven indien de onderne- ming aantoont, op basis van een dossier waarvan de Bank de inhoud bepaalt, dat zij op grond van geloofwaardige prognoses met betrekking tot de marktomstandigheden en haar risicotolerantielimieten, in staat is om gedurende de volledige overgangsperiode te voldoen aan de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. De Bank bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in het eerste lid en laat de onderneming binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat zij aanvullende informatie nodig heeft. De Bank spreekt zich uit over het verzoek om toestem- ming binnen twee maanden na de indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek. De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde aftrek beperken indien de toepassing ervan zou kunnen resulteren in een vermindering van de voor de onderneming vereiste financiële middelen ten opzichte van de vereiste financiële middelen als berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen of de wet van 16 februari 2009 op het herverzeke- ringsbedrijf en hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen op 31 december 2015. Om te garanderen dat de onderneming de regels inzake lineaire vermindering van de aftrek als bedoeld in paragraaf 1, vierde lid naleeft, kan de Bank aan haar toestemming ook voorwaarden verbinden waarvan de niet-naleving tot gevolg heeft dat de Bank de krachtens dit artikel verleende toestem- ming kan opheffen. Indien de Bank haar toestemming na 1 januari 2016 ver- leent, moet de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de lineariteit van het in paragraaf  1, vierde lid bedoelde l’alinéa 2, 1° est calculé avec la correction pour volatilité au 1er janvier 2016. En cas d’autorisation de la Banque donnée conformément au paragraphe 2, la part déductible maximale des provisions techniques diminue d’une manière linéaire à la fin de chaque année et ce, de 100 % pour la première année commençant au 1er janvier 2016 jusqu’à 0 % au 1er janvier 2032. Sous réserve de l’approbation préalable ou sur l’initiative de la Banque, les montants des provisions techniques, inté- grant le cas échéant le montant de la correction pour volatilité, entrant dans le calcul de la déduction transitoire déterminée conformément au présent paragraphe, peuvent être recalcu- lés tous les vingt-quatre mois ou plus fréquemment en cas de changement sensible du profil de risque de l’entreprise à la suite d’une acquisition ou d’une cession d’engagements d’assurance ou de réassurance existants au 1er janvier 2016. § 2. L’autorisation de la Banque visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne peut être donnée que si l’entreprise démontre, sur la base d’un dossier dont la Banque détermine le contenu, qu’elle est, sur la base de projections crédibles des condi- tions de marché et de ses limites de tolérance aux risques, en mesure de satisfaire, tout au long de la période transitoire, aux modalités de réduction linéaire de la déduction telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 4. La Banque accuse réception du dossier visé à l’alinéa 1er et, dans les quinze jours de la réception du dossier, indique à l’entreprise si le dossier est complet en vue de son examen ou s’il requiert des informations complémentaires. La Banque statue sur la demande d’autorisation dans les deux mois de l’introduction d’un dossier complet et au plus tard dans les trois mois de la réception de la demande. La Banque peut limiter la déduction visée au paragraphe 1er si son application est susceptible de se traduire par de moindres exigences en matière de ressources financières applicables à l’entreprise que celles qui sont calculées confor- mément aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance et de leurs arrêtés et règlements d’exécution au 31 décembre 2015. En vue de s’assurer du respect par l’entreprise des moda- lités de diminution linéaire de la déduction telle que visée au paragraphe 1er, alinéa 4, la Banque peut également assortir son autorisation de conditions dont le non-respect permet à la Banque de mettre fin à l’autorisation donnée en application du présent article. En cas d’autorisation de la Banque accordée postérieu- rement au 1er janvier 2016, l’entreprise d’assurance ou de réassurance doit respecter la linéarité de la part déductible 697 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 aftrekbare deel in acht nemen alsof de toestemming was verleend op 1 januari 2016. §  3. Naast het vereiste van artikel  670  vermelden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die over- eenkomstig dit artikel de overgangsaftrek toepassen op de technische voorzieningen, in hun verslag over hun solvabiliteit en financiële positie als bedoeld in de artikelen 95 en 96 dat zij deze overgangsaftrekregeling toepassen en kwantificeren zij het effect dat het niet toepassen van die overgangsmaatregel zou hebben op hun financiële positie. Art. 670 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen kun- nen de toestemming die met toepassing van artikel 668 wordt verleend en deze die met toepassing van artikel 669 wordt verleend, niet cumulatief verkrijgen voor dezelfde verplichtin- gen die onder de takken vermeld in Bijlage II vallen. Art. 671 De verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die de in artikel 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen toepassen, dienen jaarlijks een verslag in bij de Bank waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen. De Bank trekt haar toestemming voor de toepassing van de overgangsmaatregel in wanneer uit dit tussentijds verslag blijkt dat het onrealistisch is dat aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zal worden voldaan. Bovendien lichten de verzekerings- of herverzekerings- ondernemingen die de in de artikelen 668 of 669 bedoelde overgangsmaatregelen toepassen, de Bank in wanneer zij vaststellen dat zij zonder de toepassing van die overgangs- maatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zouden voldoen. De Bank eist dat de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming de nodige maatregelen treft om aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabi- liteitskapitaalvereiste te voldoen. Binnen twee maanden na de vaststelling dat zonder de toepassing van de in de artikelen 668 of 669 bedoelde over- gangsmaatregelen niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zou worden voldaan, dient de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de Bank een geleidelijke-in- voeringsplan in waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn gepland om aan het einde van de overgangsperiode het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste. De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan het geleidelijke-invoerings- plan gedurende de overgangsperiode aanpassen. Bovendien dienen de ondernemingen die de in artikel 669 bedoelde visée au paragraphe 1er, alinéa 4 comme si l’autorisation avait été accordée au 1er janvier 2016. §  3. Outre l’exigence prévue sous l’article  670, les entreprises d’assurance ou de réassurance qui appliquent, conformément au présent article, la déduction transitoire aux provisions techniques indiquent dans leur rapport sur leur solvabilité et leur situation financière visé aux articles 95 et 96 qu’elles appliquent ce régime de déduction transitoire et quantifient l’incidence sur leur situation financière qui résul- terait d’une non application de cette mesure transitoire. Art. 670 Les entreprises d’assurance ou de réassurance ne peuvent bénéficier cumulativement d’une autorisation donnée en application de l’article 668 et d’une autorisation donnée en application de l’article 669 pour les mêmes engagements relevant des branches mentionnées de l’Annexe II. Art. 671 Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui bénéficient des mesures transitoires visées à l’article 668 ou 669 présentent chaque année à la Banque un rapport expo- sant les mesures prises et les progrès accomplis pour garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. La Banque retire l’autorisation d’appliquer la mesure transitoire lorsqu’il ressort de ce rapport intermé- diaire que le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire constitue une perspective irréaliste. Les entreprises d’assurance ou de réassurance qui bénéfi- cient des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669, informent, en outre, la Banque dès qu’elles constatent qu’elles ne respecteraient pas l’exigence de capital de solvabilité sans l’application de ces mesures transitoires. La Banque exige de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée qu’elle prenne les mesures nécessaires pour garantir le respect de l’exigence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. Dans les deux mois suivant le constat du non-respect de l’exigence de capital de solvabilité sans le bénéfice des mesures transitoires visées aux articles 668 ou 669, l’entre- prise d’assurance ou de réassurance concernée présente à la Banque un plan de mise en oeuvre progressive exposant les mesures prévues afin d’établir le niveau de fonds propres éligibles correspondant au capital de solvabilité requis ou de réduire son profil de risque afin de garantir le respect de l’exi- gence de capital de solvabilité à la fin de la période transitoire. L’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée peut actualiser le plan de mise en oeuvre progressive durant la période transitoire. Les entreprises bénéficiant de la mesure transitoire visée à l’article 669 présentent, en outre, chaque année un rapport exposant les mesures prises et les progrès 698 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 overgangsmaatregel toepassen jaarlijks een verslag in waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt met het in dit lid bedoelde geleidelijke-invoeringsplan. Art. 672 § 1. Niettegenstaande artikel 357, § 2, zijn de overgangsbe- palingen van de artikelen 661 tot 665 en 668 tot 671 mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep. Niettegenstaande artikel 357, §§  2  en 3, zijn de over- gangsbepalingen van artikel  667  mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep wanneer de deelne- mende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die tot een groep behoren, voldeden aan het vereiste van aangepaste solvabiliteit als bedoeld in Hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen, maar niet voldoen aan het solvabiliteitskapitaalver- eiste van de groep. § 2. In afwijking van artikel 373 kan de uiteindelijke moe- deronderneming tot 31 maart 2022 een aanvraag indienen voor de toepassing van een intern groepsmodel op een deel van de groep indien zowel de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming als de uiteindelijke moederonderneming in dezelfde lidstaat zijn gevestigd en indien dit deel een apart onderdeel vormt met een duidelijk ander risicoprofiel van de rest van de groep. Art. 673 Tot 31 december 2020 is artikel 600 van toepassing op de herverzekeringsondernemingen die onder een derde land res- sorteren en die opgenomen zijn in de lijst die met toepassing van artikel 172, lid 4, derde alinea van Richtlijn 2009/138/EG gepubliceerd wordt door EIOPA. Art. 674 De verzekeringsondernemingen gaan uiterlijk op 1 januari 2019 over tot de formele aanpassing van hun over- eenkomsten van tak 27 als vermeld in Bijlage II. TITEL II Slotbepalingen en diverse bepalingen Art. 675 Artikel 2, § 1quater van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, ingevoegd bij artikel 30, 2° van de wet van 26 april 2010, zoals dit bestond voor de opheffing ervan bij artikel XXX van deze wet, moet geïnterpreteerd worden in die zin dat de onderlinge verzeke- ringsverenigingen en de coöperatieve vennootschappen die hun verzekeringsactiviteit beperken tot de gemeente waar hun accomplis dans le cadre du plan de mise en oeuvre progres- sive visé au présent alinéa. Art. 672 § 1er. Nonobstant l’article 357, § 2, les dispositions transi- toires prévues aux articles 661 à 665 et 668 à 671 s’appliquent mutatis mutandis au niveau du groupe. Nonobstant l’article 357, §§ 2 et 3, les dispositions transi- toires prévues à l’article 667 s’appliquent mutatis mutandis au niveau du groupe lorsque les entreprises d’assurance ou de réassurance participantes ou les entreprises d’assurance ou de réassurance appartenant à un groupe se conformaient à l’exigence de solvabilité ajustée prévue sous le Chapitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises mais ne se conforment pas à l’exigence de capital de solva- bilité applicable au groupe. § 2. Par dérogation à l’article 373, l’entreprise mère supé- rieure peut demander, avant le 31 mars 2022, à être autorisée à appliquer un modèle interne de groupe qu’à une partie du groupe pourvu que, à la fois, l’entreprise d’assurance ou de réassurance et l’entreprise mère supérieure soient situées dans le même État membre et que cette partie constitue une partie distincte ayant un profil de risque sensiblement différent de celui du reste du groupe. Art. 673 Jusqu’au 31 décembre 2020, l’article 600 est d’application aux entreprises de réassurance relevant du droit d’un pays tiers qui figurent sur la liste publiée par l’EIOPA en applica- tion de l’article 172, paragraphe 4, alinéa 3 de la Directive 2009/138/CE. Art. 674 Les entreprises d’assurance adaptent formellement les contrats relevant de la branche 27 mentionnée à l’Annexe II au plus tard le 1er janvier 2019. TITRE II Dispositions finales et diverses Art. 675 L’article 2, § 1erquater de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, inséré par l’article 30, 2° de la loi du 26 avril 2010, tel qu’il existait avant son abro- gation par l’article XXX de la présente loi, doit s’interpréter en ce sens que les associations d’assurances mutuelles et les sociétés coopératives qui restreignent leur activité d’assu- rance à la commune de leur siège social ou à cette commune 699 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 maatschappelijke zetel is gevestigd of tot die gemeente en de omliggende gemeenten, vrijgesteld zijn van de toepassing van de bepalingen van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met uitzondering van de bepalingen van die wet die door de Koning van toe- passing zijn verklaard volgens de regels en de modaliteiten die Hij bepaalt. Art. 676 Onverminderd de verplichtingen die door het Unierecht aan België zijn opgelegd, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bijzondere regels bepalen die van toepas- sing zijn op de verzekeringsondernemingen voor wat betreft de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld in koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betref- fende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aan de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, die buiten een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld. Art. 677 Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2009/138/EG en de uitvoeringsmaatregelen ervan, kan de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op advies van de Bank of van de FSMA, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, en van de Controledienst voor de ziekenfondsen, de verzekeringsmaatschappijen van on- derlinge bijstand vrijstellen van de toepassing van sommige bepalingen van deze wet en aangeven welke regels in plaats daarvan van toepassing zijn. Art. 678 De in euro luidende bedragen in deze wet worden aan- gepast conform de aanpassing die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt door de Europese Commissie met toepassing van artikel 300 van de Richtlijn. De in dit artikel bedoelde aanpassing heeft uitwerking binnen zes maanden te rekenen vanaf de genoemde bekendmaking. Art. 679 Het koninklijk besluit van 11 juni 2015 houdende aanwij- zing van de bevoegde autoriteit verantwoordelijk voor het uitvoeren van de vergunning en het toezicht op de centrale effectenbewaarinstellingen wordt bekrachtigd met uitwerking op 19 juni 2015. et aux communes voisines sont dispensées de l’application des dispositions de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances sauf les dispositions de cette loi rendues applicables par le Roi selon les règles et modalités qu’Il détermine. Art. 676 Sans préjudice des obligations imposées à la Belgique par le droit de l’Union, le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles particulières applicables aux entreprises d’assurance en ce qui concerne l’octroi d’avantages extra-légaux aux travailleurs salariés visés par l’arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et aux personnes visées à l’article 32, alinéa 1er, 1° et 2° du Code des Impôts sur les Revenus 1992, occupées en dehors d’un contrat de travail. Art. 677 Sans préjudice des dispositions de la Directive 2009/138/ CE et de ses mesures d’exécution, le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et sur avis de la Banque ou de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, et de l’Office de contrôle des mutualités, dispenser les sociétés mutualistes d’assurance de l’application de certaines dispo- sitions de la présente loi et préciser les règles qui leur sont éventuellement applicables en lieu et place. Art. 678 Les montants libellés en euros figurant dans la présente loi font l’objet d’une révision de manière conforme à la révi- sion publiée au Journal officiel de l’Union européenne par la Commission européenne en application de l’article 300 de la Directive. La révision prévue au présent article sort ses effets dans les six mois à compter de ladite publication. Art. 679 L’arrêté royal du 11 juin 2015 portant désignation de l’auto- rité compétente en charge de l’agrément et de la surveillance des dépositaires centraux de titres est confirmé avec effet au 19 juin 2015. 700 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 TITEL III Wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I Wijziging in de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden Art. 680 In Artikel 22, § 2 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden “bij een verzekeringsonderneming of -instelling bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, voor zover zij door de Koning zijn erkend volgens de door Hem vastgestelde voorwaarden.” vervangen door de woorden “bij een verze- keringsonderneming bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”. HOOFDSTUK II Wijziging in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 Art. 681 In artikel 48ter, eerste lid van de arbeidsongevallen- wet van 10 april 1971, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden “bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de woor- den “bedoeld in artikel [24, § 1, 1°,] van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. Art. 682 In artikel 49, eerste lid, 1° van dezelfde wet worden de woorden “overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen” vervan- gen door de woorden “overeenkomstig de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 683 In artikel 52 van dezelfde wet worden de woorden “bedoeld in artikel 68, § 1, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel [556, § 2, 1°], van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. TITRE III Dispositions modificatives CHAPITRE IER Modification de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés Art. 680 Dans l’article 22, § 2, de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés, modifié en dernier lieu par la loi du 28 avril 2003, les mots “auprès d’une entreprise ou d’un organisme d’assurances visés à l’article 2, § 1er et § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, pour autant qu’ils ont été agréés par le Roi, dans les conditions qu’Il détermine.” sont remplacés par les mots “auprès d’une entreprise d’assurance visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”. CHAPITRE II Modification de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail Art. 681 Dans l’article 48ter, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2001, les mots “visé à l’article 80 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances,” sont remplacés par les mots “visé à l’article [24, § 1er, 1°,] de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. Art. 682 Dans l’article 49, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les mots “conformément à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “conformément à la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 683 Dans l’article 52 de la même loi, les mots “visé à l’article 68, § 1er, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “visé à l’article [556, § 2, 1°], de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. 701 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 684 Artikel 54bis van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Wanneer bij de overdrachten bedoeld in artikel 102, eerste lid, 3°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een verzekeringsonderneming die de wettelijke arbeidson- gevallenverzekering uitoefent, betrokken is, kan de Nationale Bank van België de toestemming enkel verlenen na advies van het beheerscomité van het Fonds voor Arbeidsongevallen. Indien een dergelijke verzekeringsonderneming betrokken is bij een herstructurering van vennootschappen als bedoeld in boek XI van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen, stelt de Nationale Bank van België het Fonds voor Arbeidsongevallen hiervan onverwijld in kennis.”. Art. 685 In artikel 88quater, § 1 van dezelfde wet worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1° de Nationale Bank van België;” 2° er wordt een bepaling onder 1bis° ingevoegd, luidende: “1bis° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten;” Art. 686 In artikel 91, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° aan de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten vragen om de maatregelen toe te passen die bedoeld zijn, voor de Nationale Bank van België, in artikel 517 of 569 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen en, voor de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, in artikel 36bis, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, artikel 288 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen of artikel 291 van dezelfde wet. Indien nodig verzoekt de minister bevoegd voor Sociale Zaken de Nationale Bank van België of de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten onverwijld de genoemde maatregelen te nemen. Onverminderd het eerste lid stelt het Fonds voor arbeids- ongevallen de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten in kennis van de te- kortkomingen vastgesteld bij een verzekeringsonderneming die onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie ressorteert dan België, met het oog op de toepassing, door de Nationale Bank van België, van met name de artikelen 566 tot 574 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het Art. 684 L’article 54bis de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Lorsque, lors des cessions visées à l’article 102, alinéa 1er, 3°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance, une entreprise d’assurance exerçant l’assurance légale contre les accidents du travail est concernée, la Banque nationale de Belgique ne peut accorder l’autorisation qu’après avis du comité de gestion du Fonds des accidents du travail. Si une telle entreprise d’assurance est concernée par une restructuration de sociétés visée au livre XI de la loi du 7 mai 1999 contenant le Code des sociétés, la Banque nationale de Belgique en informe le Fonds des accidents du travail sans délai.”. Art. 685 Dans l’article 88quater, § 1er, de la même loi, les modifica- tions suivantes sont apportées: 1° le 1° est remplacé par ce qui suit: “1° à la Banque nationale de Belgique;” 2° il est inséré un 1bis° rédigé comme suit: “1bis° à l’Autorité des services et marchés financiers;” Art. 686 Dans l’article 91, § 2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, le 2° est remplacé par ce qui suit: “2° demander à la Banque nationale de Belgique et l’Autorité des services et marchés financiers d’appliquer les mesures visées, pour la Banque nationale de Belgique, aux articles 517 ou 569 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance et, pour l’Autorité des services et marchés financiers, aux articles 36bis, § 2, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, 288 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, ou 291 de la même loi. Au besoin, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions demande à la Banque nationale de Belgique ou à l’Autorité des services et marchés financiers de prendre sans délai lesdites mesures. Sans préjudice de l’alinéa 1er, le Fonds des accidents du travail informe la Banque nationale de Belgique et l’Auto- rité des services et marchés financiers des manquements constatés dans une entreprise d’assurance qui relève du droit d’un État membre de l’Union européenne autre que la Belgique, en vue de l’application, par la Banque nationale de Belgique, notamment, des articles 566 à 574 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises 702 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en, door de Autoriteit voor Finanicële Diensten en Markten, van met name de artikelen 286, 291 en 293 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.”. HOOFDSTUK III Wijziging in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Art. 687 Artikel 10, § 2 van de wet van 21 november 1989 betref- fende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wordt vervangen als volgt: “§ 2. De nationale of gewestelijke instellingen van open- baar nut voor gemeenschappelijk vervoer zijn vrijgesteld van de in artikel 2 bedoelde verzekeringsplicht op voorwaarde dat zij een verzekeringsovereenkomst hebben gesloten bij een verzekeringsonderneming die met toepassing van artikel 28 van de wet van [___] op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een vergunning heeft verkregen of die met toepassing van artikel 550 of artikel 556 van dezelfde wet haar activiteiten in België mag uitoefenen. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst dekt de bena- deelde onder de voorwaarden van de artikelen 3 en 4. Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen de excep- ties, vrijstellingen, de nietigheid en het verval van recht voort- vloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft voorgedaan, aan de benadeelde niet worden tegengeworpen.  Indien de nietigverklaring, de opzegging, de beëindiging of de schorsing van de overeenkomst geschied is voordat het schadegeval zich heeft voorgedaan, kan zij echter aan de benadeelde worden tegengeworpen.”. HOOFDSTUK IV Wijzigingen in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen Art. 688 In artikel 9, §  1septies, vijfde lid van de wet van 6  augustus  1990  betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, ingevoegd bij de wet van 26  april  2010, worden de woorden “aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen,” vervangen door de woorden “aan de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. d’assurance ou de réassurance et, par l’Autorité des services et marchés financiers, notamment, des articles 286, 291 et 293 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”. CHAPITRE III Modification de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs Art. 687 L’article 10, § 2 de la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhi- cules automoteurs est remplacé par la disposition suivante: “§ 2. Les organismes d’intérêt public de transport en com- mun nationaux ou régionaux sont dispensés de l’obligation d’assurance visée à l’article 2 à condition que ces organismes aient souscrit auprès d’une entreprise d’assurance agréée en application de l’article 28 de la loi du [_____] relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réas- surance ou autorisée à exercer ses activités en Belgique en application de l’article 550 ou de l’article 556 de la même loi. Le contrat visé à l’alinéa 1er couvre la personne lésée dans les conditions prévues aux articles 3 et 4. Pour l’application du présent paragraphe, les exceptions, franchises, nullités et déchéances découlant de la loi ou du contrat, et trouvant leur cause dans un fait antérieur ou pos- térieur au sinistre, sont inopposables à la personne lésée.  Sont toutefois opposables à la personne lésée l’annula- tion, la résiliation, l’expiration ou la suspension du contrat, intervenues avant la survenance du sinistre.”. CHAPITRE IV Modifications de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualité Art. 688 Dans l’article 9, §  1ersepties, alinéa 5, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualité, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “à la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assu- rance ou de réassurance,”. 703 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 689 In artikel 43ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “van een bankpro- duct, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door de woorden “van een bankproduct, in het kader van een acti- viteit als bedoeld in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”; 2° in het tweede lid worden de woorden “zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door de woorden “zoals bepaald in artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”. Art. 690 In artikel 52, 11° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden “volgens de bepa- lingen van de wetten van 9 juli 1975 betreffende de con- trole der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “volgens de bepalingen van de wetten van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. Art. 691 In artikel 62quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2010, worden de woorden “van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen” vervangen door de woorden “van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 692 In artikel 68, 2° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder a) worden de woorden “in toepas- sing van artikel 3 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “in toepassing van de artikelen 28 en 584 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”; 2° de bepaling onder b) wordt opgeheven; 3° in de bepaling onder c) worden de woorden “bedoeld in artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 504 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; Art. 689 Dans l’article 43ter, de la même loi, inséré par la loi du 22 février 1998, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er, les mots “d’un produit bancaire au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des institutions de crédit” sont remplacés par les mots “d’un produit bancaire dans le cadre d’une activité visée à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit”; 2° à l’alinéa 2, les mots “au sens de la loi du 22 mars 1993 re- lative au statut et au contrôle des institutions de crédit” sont remplacés par les mots “au sens de l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établisse- ments de crédit”. Art. 690 Dans l’article 52, 11° de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “conformément aux dispositions des lois des 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “conformément aux dispositions des lois des [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. Art. 691 Dans l’article 62quater de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2010, les mots “de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 692 Dans l’article 68, 2°, de la même loi, inséré par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées: 1° au a), les mots “en application de l’article 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances;” sont remplacés par les mots “en application des articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le b) est abrogé; 3° au c), les mots “visées à l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances;” sont remplacés par les mots “visées à l’article 504 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 704 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4° in de bepaling onder d) worden de woorden “bedoeld in artikel 26, §§ 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, en 5, 8 en 9, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke- ringsondernemingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 517, § 1, 2°, 4°, 6°, 7° en 8°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 5° in de bepaling onder e) worden de woorden “bedoeld in artikel 43 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;” vervangen door de woor- den “bedoeld in de artikelen 517, § 1, 8°, 541 en 598, § 2, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 6° in de bepaling onder f) worden de woorden “bedoeld in de artikelen 51 en 58 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of wanneer de Controledienst geen beslissing heeft bekendgemaakt binnen de termijn vastgelegd in artikel 51, tweede lid, van dezelfde wet;” vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen 108, §  3  en 115, §  2, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; Art. 693 In artikel 75, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° opgeheven. HOOFDSTUK V Wijziging in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst Art. 694 In artikel 140, vierde lid van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de woorden “van artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der ver- zekeringsondernemingen” vervangen door de woorden “van artikel 504 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. HOOFDSTUK VI Wijzigingen in de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme Art. 695 In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorko- ming van het gebruik van het financiële stelsel voor het wit- wassen van geld en de financiering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 4° au d), les mots “visées à l’article 26, §§ 1er, alinéa 2, 2°, 3° et 4°, et 5, 8 et 9, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visées à l’article 517, § 1er, 2°, 4°, 6°, 7° et 8°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 5°  au e), les mots “visées à l’article 43  de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances;” sont remplacés par les mots “visées aux articles 517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 6° au f), les mots “visées aux articles 51 et 58 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances ou lorsque l’Office de contrôle n’a pas notifié de décision dans le délai fixé à l’article 51, alinéa 2, de la même loi;” sont remplacés par les mots “visées aux articles 108, § 3 et 115, § 2, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; Art. 693 Dans l’article 75, § 1er, de la même loi, le 3° est abrogé. CHAPITRE V Modification de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre Art. 694 Dans l’article 140, alinéa 4, de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, les mots “de l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances” sont remplacés par les mots “de l’article 504 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. CHAPITRE VI Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme Art. 695 Dans l’article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifi- cations suivantes sont apportées: 705 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° in de bepaling onder 6° worden de woorden “, met toepassing van de wet van 9  juli  1975  betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “met toepassing van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”; 2° in de bepaling onder 7° worden de woorden “bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzeke- ringsondernemingen; “vervangen door de woorden “bedoeld in de wet van [____] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. HOOFDSTUK VII Wijzigingen in de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen Art. 696 In artikel 45, § 1 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2°  de verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 697 In artikel 95bis, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “hetzij een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 91bis, 1° en 2°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, hetzij een herverzekerings- onderneming als gedefinieerd in artikel 82, 3° en 4°, van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf” vervangen door de woorden “hetzij een verzekerings- of her- verzekeringsonderneming waarvan de zetel gelegen is in een lidstaat of in een derde land in de zin van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”; 2°  in de bepaling onder 4°, b) worden de woorden “verzekeringsholding in de zin van artikel 91bis, 9°, van dezelfde wet;” vervangen door de woorden “verzekerings- holding in de zin van artikel 338, 5°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 3° in de bepaling onder 6° worden de woorden “hoofdstuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of artikel 82 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf.” vervangen 1° au 6°, les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 re- lative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont rempla- cés par les mots “en application de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° au 7°, les mots “visé par la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visé par la loi du [____] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. CHAPITRE VII Modifications de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement Art. 696 Dans l’article 45, § 1er, de la loi du 6 avril 1995 relative au statut et au contrôle des entreprises d’investissement, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, le 2° est remplacé par ce qui suit: “2° aux entreprises d’assurance et de réassurance visées aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 697 Dans l’article 95bis, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1°  au 3°, les mots “soit une entreprise d’assurances telle que définie à l’article 91bis, 1° et 2°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances, soit une entreprise de réassurance telle que définie à l’article 82, 3° et 4°, de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance” sont remplacés par les mots “soit une entreprise d’assurance ou de réassurance ayant son siège social dans un État membre ou dans un pays tiers au sens de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”; 2° au 4°, b), les mots “société holding d’assurances au sens de l’article 91bis, 9°, de la même loi;” sont remplacés par les mots “société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 3°  au 6°, les mots “au chapitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 ou à l’article 82 de la loi du 16 février 2009 rela- tive à la réassurance.” sont remplacés par les mots “au Livre II, 706 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 door de woorden “Boek II, Titel V, Hoofdstuk III, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen.”. HOOFDSTUK VII Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Art. 698 In artikel 35 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wij- zigingen aangebracht: 1° het tweede lid wordt opgeheven; 2° artikel 35, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van dit artikel en waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende: “§ 2. Onverminderd paragraaf 1 mag de Bank vertrouwelijke informatie meedelen: 1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens de wet; 2° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten; 3° in het kader van administratieve of gerechtelijke be- roepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van de Bank, en in het kader van elk ander rechtsgeding waarbij de Bank partij is; 4°  in beknopte of samengevoegde vorm zodat indivi- duele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd. De Bank kan de beslissing om strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten aan te geven, openbaar maken. § 3. Binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie en binnen de eventuele beperkingen waarin bij of krachtens een wet uitdrukkelijk is voorzien, mag de Bank gebruikmaken van de vertrouwelijke informatie waarover zij in het kader van haar wettelijke opdrachten beschikt, om haar taken en opdrachten als bedoeld in de artikelen 12, § 1, 12ter, 36/2, 36/3 en haar opdrachten binnen het ESCB uit te voeren.” Art. 699 In Hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een artikel 35/1 in- gevoegd, luidende: “Art. 35/1. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank vertrouwelijke informatie meedelen: Titre V, Chapitre III, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”. CHAPITRE VII Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique Art. 698 Dans l’article 35 de la même loi, modifié en dernier lieu par l’arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 2 est abrogé; 2° l’article 35, tel que modifié par le 1° du présent article et dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 et 3 rédigés comme suit: “§ 2. Nonobstant le paragraphe 1er, la Banque peut com- muniquer des informations confidentielles: 1° dans les cas où la communication de telles informations est prévue ou autorisée par ou en vertu de la loi; 2° pour dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires; 3° dans le cadre de recours administratifs ou juridictionnels contre les actes ou décisions de la Banque ou dans le cadre de toute autre instance à laquelle la Banque est partie; 4° sous une forme sommaire ou agrégée de façon à ce que des personnes physiques ou morales individuelles ne puissent pas être identifiées. La Banque peut rendre publique la décision de dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires. § 3. Dans les limites du droit de l’Union européenne et des éventuelles restrictions expressément prévues par ou en vertu d’une loi, la Banque peut faire usage des informations confidentielles qu’elle détient dans le cadre de ses missions légales, pour l’accomplissement de ses missions visées aux articles 12, § 1er, 12ter, 36/2, 36/3 et de ses missions au sein du SEBC.”. Art. 699 Dans le Chapitre IV de la même loi, il est inséré un article 35/1 rédigé comme suit: “Art. 35/1. § 1er. Par dérogation à l’article 35 et dans les limites du droit de l’Union européenne, la Banque peut com- muniquer des informations confidentielles: 707 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° die zij ontvangen heeft in het kader van de uitvoering van haar opdracht als bedoeld in artikel 39 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het finan- ciële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, a) aan de autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die een bevoegdheid uitoe- fenen die vergelijkbaar is met die als bedoeld in artikel 39 van de voormelde wet van 11 januari 1993; b) aan de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en aan de bevoegde autoriteiten van derde Staten die één of meerdere bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met die als bedoeld in de artikelen 36/2 en 36/3, alsook aan de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen; 2° in het kader van de uitvoering van haar taak als bedoeld in artikel 12ter, § 1, en met het oog op de uitoefening van die taak, a) aan de afwikkelingsautoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte, alsook aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1; b) aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° en 19°; c) aan de minister van Financiën; d) aan iedere andere persoon, ongeacht of hij onder het Belgische recht of onder een buitenlands recht valt, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel, en met name, — aan de bijzondere bestuurders die krachtens artikel 281, § 2 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen zijn benoemd; — aan het orgaan dat bevoegd is voor de financieringsre- gelingen voor de afwikkeling; — aan auditors, boekhouders, juridische en professionele adviseurs, taxateurs en andere deskundigen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Bank, een afwikkelingsautoriteit, een bevoegd ministerie of een potentiële verwerver in de arm zijn genomen; — aan een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 260 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen of aan een vehikel voor activa- beheer als bedoeld in artikel 265 van dezelfde wet; 1° reçues dans le cadre de l’exercice de sa mission visée à l’article 39 de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, a) aux autorités de l’Union européenne et d’autres États membres de l’Espace économique européen ainsi qu’aux au- torités d’États tiers qui exercent une compétence comparable à celle visée à l’article 39 de la loi précitée du 11 janvier 1993; b) aux autorités compétentes de l’Union européenne et d’autres États membres de l’Espace économique européen et aux autorités compétentes d’États tiers qui exercent une ou plusieurs compétences comparables à celles visées aux articles 36/2  et 36/3, ainsi qu’à la Banque centrale européenne en ce qui concerne les missions qui lui sont confiées par le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de surveillance prudentielle des établissements de crédit; 2° dans le cadre de l’exercice de sa mission visée à l’article 12ter, § 1er, et aux fins de l’accomplissement de cette mission, a) aux autorités de résolution de l’Union européenne et d’autres États membres de l’Espace économique européen, ainsi qu’aux autorités d’États tiers chargées de missions équivalentes à celles visées à l’article 12ter, § 1er; b) aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14, § 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8°, 11°, 18° et 19°; c) au ministre des Finances; d) à toute personne, qu’elle soit de droit belge ou qu’elle relève d’un droit étranger, lorsque cela s’avère nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une action de résolution, et notamment, — aux administrateurs spéciaux nommés en vertu de l’article 281, § 2 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit; — à l’organe chargé des dispositifs de financement pour la résolution; — aux auditeurs, comptables, conseillers juridiques et professionnels, évaluateurs et autres experts engagés directement ou indirectement par la Banque, une autorité de résolution, un ministère compétent ou un acquéreur potentiel; — à un établissement-relais visé à l’article 260 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établis- sements de crédit ou à une structure de gestion des actifs visée à l’article 265 de la même loi; 708 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 — aan de personen of autoriteiten als bedoeld in artikel 36/14, § 1, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°; — aan de potentiële verwervers van effecten of tegoeden die respectievelijk zijn uitgegeven of worden aangehou- den door de instelling die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure. e) onverminderd de punten a) tot d), aan elke persoon of autoriteit die met een taak of opdracht is belast als bedoeld in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstel- lingen en beleggingsondernemingen, wanneer de mededeling van vertrouwelijke informatie over een persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), b), c) of d) van de genoemde Richtlijn voorafgaandelijk werd goedgekeurd door deze persoon of door de autoriteit die ten aanzien van die persoon een taak uitoefent die te vergelijken is met die als bedoeld in artikel 12, § 1 en artikel 12ter, wanneer deze informatie afkomstig is van deze persoon of autoriteit; § 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op voorwaarde dat de autoriteiten, instellingen of personen die deze informatie ontvangen, deze informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en dat zij, wat die informatie betreft, aan een beroepsgeheim zijn gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in artikel 35. Bovendien mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat enkel bekendgemaakt worden aan een autoriteit van een derde Staat mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt. Evenzo mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een derde Staat enkel bekendgemaakt wor- den mits deze autoriteit uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen aan de autoriteiten van derde Staten waarmee zij een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie. § 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de bijzon- dere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn de Belgische personen, autoriteiten en instellingen gebonden aan het in artikel 35 bedoelde beroepsgeheim voor wat betreft de vertrouwelijke informatie die zij van de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1.” Art. 700 In artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt: — aux personnes ou autorités visées à l’article 36/14, § 1er, 6°, 7°, 9°, 10°, 12°, 15° et 20°; — aux acquéreurs potentiels de titres ou d’avoirs respec- tivement émis ou détenus par l’établissement faisant l’objet d’une procédure de résolution. e) sans préjudice des points a) à d), à toute personne ou autorité investie d’une fonction ou d’une mission en vertu de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’investissement, lorsque la communication des informations confidentielles concernant une personne visée à l’article 1er, paragraphe 1er, point a), b), c) ou d) de ladite Directive a été préalablement approuvée par cette personne ou par l’autorité qui exerce une mission identique à celles visées aux articles 12, § 1er et 12ter à l’égard de cette personne, lorsque les informations proviennent de cette personne ou autorité .  § 2. La Banque ne peut communiquer des informations confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu’à la condition qu’elles soient destinées à l’accomplissement des missions des autorités, organismes ou personnes qui en sont les destinataires et que les informations soient dans leur chef couvertes par un devoir de secret professionnel équivalent à celui prévu à l’article 35. En outre, les informations pro- venant d’une autorité d’un autre État membre ne peuvent être divulguée à une autorité d’un État tiers qu’avec l’accord explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord. De même, les informations provenant d’une autorité d’un État tiers ne peuvent être divulguée qu’avec l’accord explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord. La Banque ne peut communiquer des informations confi- dentielles en vertu du paragraphe 1er qu’aux seules autorités d’État tiers avec lesquelles elle a conclu un accord de coo- pération prévoyant un échange d’information. § 3. Sans préjudice des dispositions plus sévères des lois particulières qui les régissent, les personnes, autorités et organismes belges sont tenus au secret professionnel prévu à l’article 35 quant aux informations confidentielles qu’ils reçoivent de la Banque en application du paragraphe 1er.” Art. 700 Dans l’article 36/1 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 6° est remplacé par ce qui suit: 709 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “6° “verzekeringsonderneming of herverzekeringsonderne- ming”: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° of 2° van de wet van [____] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven. Art. 701 In artikel 36/2, vierde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende: “Voor het toezicht op de verzekeringsondernemingen duidt de Bank binnen het directiecomité of onder de personeelsle- den een vertegenwoordiger aan die met raadgevende stem zitting heeft in het beheerscomité en in bepaalde technische comités van het Fonds voor arbeidsongevallen.”; 2° in het tweede lid, waarvan de bestaande tekst met toe- passing van de bepaling onder 1° van dit artikel het derde lid zal vormen, worden de woorden “het vorige lid” vervangen door de woorden “het eerste lid”; 3°  het vierde lid, a), waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het vijfde lid, a) zal vormen, wordt aangevuld met de woorden “en van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen”; 4° in het vierde lid, b), waarvan de bestaande tekst met toepassing van de bepaling onder 1° van dit artikel het vijfde lid, a) zal vormen, worden de woorden “en door de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen” inge- voegd tussen de woorden “door de Europese Bankautoriteit” en de woorden “vastgestelde maatregelen”. Art. 702 In artikel 36/3, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “en de ver- zekerings- en herverzekeringsondernemingen” ingevoegd tussen de woorden “met uitzondering van de kredietinstel- lingen” en de woorden “, welke als systeemrelevant moeten worden beschouwd”. Art. 703 In artikel 36/6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt: “§ 2. De Bank verstrekt op haar website eveneens de volgende informatie: 1° naast de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de beursvennootschappen en de “6°  “entreprise d’assurance ou de réassurance”: toute entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 1° ou 2° de la loi du [____] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 7° est abrogé. Art. 701 Dans l’article 36/2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit: “S’agissant du contrôle des entreprises d’assurance, la Banque désigne au sein du comité de direction ou parmi les membres du personnel un représentant qui siège avec voix consultative au comité de gestion et à certains comités techniques du Fonds des accidents du travail.”; 2° à l’alinéa 2, dont le texte actuel formera l’alinéa 3 en application du 1° du présent article, les mots “à l’alinéa pré- cédent,” sont remplacés par les mots “à l’alinéa 1er,”; 3° l’alinéa 4, a), dont le texte actuel formera l’alinéa 5, a) en application du 1° du présent article, est complété par les mots “et de l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles”; 4° à l’alinéa 4, b), dont le texte actuel formera l’alinéa 5, a) en application du 1° du présent article, les mots “et par l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles” sont insérés entre les mots “par l’Autorité bancaire européenne” et les mots “et, si elle ne le fait pas,”. Art. 702 Dans l’article 36/3, § 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “et des entreprises d’assurance et de réassurance” sont insérés entre les mots “à l’exception des établissements de crédit” et les mots “, ceux qui doivent être considérés comme systémiques”. Art. 703 Dans l’article 36/6 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit: “§ 2. La Banque fournit également sur son site internet les informations suivantes: 1° outre la législation relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et la 710 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 wetgeving op het statuut van en het toezicht op de verzeke- rings- en herverzekeringsondernemingen, evenals de beslui- ten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving of van de Europeesrechtelijke verordeningen ter zake, een omzettingstabel van de bepalin- gen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met opgaaf van de gekozen opties; 2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar wordt uitgeoefend met toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving en de taken en activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent, in het bijzonder de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 142 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en in de artikelen 318 tot 321 van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen; 3° geaggregeerde statistische gegevens over de belang- rijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving; 4° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt bekend- gemaakt volgens de richtsnoeren die in voorkomend geval zijn opgesteld door de Europese Commissie, de Europese Bankautoriteit of de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen. De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie. De Bank maakt ook alle andere informatie bekend die vereist is met toepassing van de Unierechtelijke handelingen die van toepassing zijn op het vlak van het toezicht op krediet- instellingen en beursvennootschappen en op het vlak van het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. De Bank kan volgens de modaliteiten die zij vaststelt en met inachtneming van het recht van de Europese Unie de resultaten bekendmaken van de stresstests die zij overeen- komstig het recht van de Europese Unie heeft uitgevoerd.”. Art. 704 In Hoofdstuk IV/1, Afdeling 1 van dezelfde wet wordt een artikel 36/7/1 ingevoegd, luidende: “Art. 36/7/1. Tegen een personeelslid van een financiële instelling als bedoeld in artikel 36/2 die de Bank te goeder trouw heeft ingelicht over een feitelijke of vermeende inbreuk op de wetten en reglementen die het statuut van en het toe- zicht op de genoemde financiële instellingen regelen, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken omwille van het feit dat hij deze infor- matie heeft verstrekt. législation relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance, ainsi que les arrêtés, règle- ments et circulaires pris en exécution ou en application de ces législations ou des règlements du droit de l’Union européenne relatifs à ces matières, un tableau de transposition des dispo- sitions des directives européennes relatives à la surveillance prudentielle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et à la surveillance des entreprises d’assurance et de réassurance, indiquant les options retenues; 2° les objectifs du contrôle qu’elle exerce en application des législations visées au 1° et les fonctions et activités exer- cées à ce titre, en particulier, les critères de vérification et les méthodes qu’elle utilise pour procéder à l’évaluation visée à l’article 142 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et aux articles 318 à 321 de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance; 3° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects relatifs à l’application des législations visées au 1°; 4° toute autre information prescrite par les arrêtés et règle- ments pris en exécution de la présente loi. Les informations visées à l’alinéa 1er sont publiées selon les lignes directrices établies, le cas échéant, par la Commission européenne, l’Autorité bancaire européenne ou l’Autorité eu- ropéenne des assurances et des pensions professionnelles. La Banque veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site internet. La Banque publie également toutes autres informa- tions requises en application des actes du droit de l’Union européenne applicables dans le domaine du contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et dans le domaine du contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance. La Banque peut publier, selon les modalités qu’elle déter- mine et dans le respect du droit de l’Union européenne, les résultats des tests de résistance conduits conformément au droit de l’Union européenne.”. Art. 704 Dans le Chapitre IV/1, Section 1ère, de la même loi, il est inséré un article 36/7/1 rédigé comme suit: “Art. 36/7/1. Le membre du personnel d’un établissement financier visé à l’article 36/2 qui a informé la Banque, de bonne foi, d’une infraction supposée ou avérée aux lois et règlements qui régissent le statut et le contrôle desdits établissements financiers, ne peut faire l’objet d’aucune action civile, pénale ou disciplinaire ni se voir imposer aucune sanction profession- nelle, qui serait intentée ou prononcée en raison du fait qu’il a procédé à ladite information.  711 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Elke nadelige of discriminatoire behandeling van deze persoon alsook elke verbreking van de arbeidsverhouding naar aanleiding van de melding die deze persoon heeft ver- richt, is verboden. In geval van niet-naleving van het eerste en het tweede lid kan de Bank een administratieve sanctie uitspreken met toepassing van de bepalingen betreffende administratieve sancties die opgenomen zijn in de wetgeving met betrekking tot het statuut van en het toezicht op instellingen als bedoeld in artikel 36/2.”. Art. 705 Artikel 36/13 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 706 In artikel 36/14 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 5° worden de woorden “deposito- of beleggersbeschermingsregeling” vervangen door de woor- den “beschermingsregeling voor deposito’s, beleggers of levensverzekeringen”; 2° paragraaf 1, 12° wordt vervangen als volgt: “12° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Belgische mededingingsautoriteit;”; 3° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 21° ingevoegd, luidende: “21° aan de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten als bedoeld in artikel 303, § 3 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, met be- trekking tot de maatschappijen van onderlinge bijstand als bedoeld in artikel 43bis, § 5 of artikel 70, §§ 6, 7 en 8 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en hun verrichtingen;”; 4° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 22° ingevoegd, luidende: “22° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de afwikkelingsautoriteiten als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstel- lingen en beleggingsondernemingen, aan de autoriteiten van derde Staten die belast zijn met taken die te vergelijken zijn met die als bedoeld in artikel 12ter, § 1, waarmee de Bank een samenwerkingsakkoord heeft gesloten waarin wordt voorzien in de uitwisseling van informatie, alsook aan de bevoegde Tout traitement défavorable ou discriminatoire à l’égard de cette personne ainsi que toute rupture de la relation de travail en raison du signalement auquel cette personne a procédé, est interdit. En cas de manquement aux alinéas 1er et 2, la Banque peut prononcer une sanction administrative en application des dispositions relatives aux sanctions administratives contenues dans les législations régissant le statut et le contrôle des établissements visés à l’article 36/2.”. Art. 705 L’article 36/13 de la même loi est abrogé. Art. 706 Dans l’article 36/14 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, 5°, les mots “système de protection des dépôts ou des investisseurs;” sont remplacés par les mots “système de protection des dépôts, des investisseurs ou des assurances sur la vie;”; 2° le paragraphe 1er, 12°, est remplacé par ce qui suit: “12° dans les limites du droit de l’Union européenne, à l’Autorité belge de la concurrence;”; 3° au paragraphe 1er, il est inséré un 21° rédigé comme suit: “21° à l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, pour l’exercice de ses missions légales visées à l’article 303, § 3 de la loi du [___] 2015 rela- tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance, en ce qui concerne les sociétés mutualistes visées à l’article 43bis, § 5, ou à l’article 70, §§ 6, 7 et 8, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités et leurs opérations;”; 4° au paragraphe 1er, il est inséré un 22° rédigé comme suit: “22° dans les limites du droit de l’Union européenne, aux autorités de résolution visées à l’article 3 de la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d’investissement, aux autorités d’États tiers chargées de missions équivalentes à celles visées à l’article 12ter, § 1er avec lesquelles la Banque a conclu un accord de coopération prévoyant un échange d’information, ainsi qu’aux ministères compétents des États membres de l’Espace économique 712 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ministeries van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wanneer dit noodzakelijk is voor het plannen of uit- voeren van afwikkelingsmaatregel.”; 5° in paragraaf 3 wordt het woord “personen,” ingevoegd tussen de woorden “de in § 1 bedoelde Belgische” en de woorden “autoriteiten en instellingen”. Art. 707 In artikel 36/16 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Overeenkomstig het recht van de Europese Unie werkt de Bank ook samen met De Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioe- nen, de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen.”; 2° in paragraaf 2 worden de woorden “eerste lid,” ingevoegd tussen de woorden “waarvan sprake in § 1,” en de woorden “overeenkomsten”; 3° paragraaf 3 wordt opgeheven. Art. 708 In artikel 36/22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 7° worden de woorden “krachtens artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; eenzelfde beroep kan worden ingesteld indien de Bank geen uitspraak heeft gedaan binnen de termijn vastgelegd bij het vierde lid van voormeld artikel 4; in dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen bij het verstrijken van de termijn;” vervan- gen door de woorden “krachtens de artikelen 28 en 584 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 8° wordt opgeheven; 3° de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt: “9° door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, tegen de beslissingen tot tariefverhoging die de Bank heeft genomen krachtens artikel 504 van de voormelde wet van [___] 2015;”; européen lorsque cela s’avère nécessaire à la planification ou à la réalisation d’une action de résolution.”; 5° au paragraphe 3, le mot “personnes,” est inséré entre les mots “qui les régissent, les” et les mots “autorités et organismes belges”. Art. 707 Dans l’article 36/16 de la même loi, modifié en dernier lieu par l’arrêté royal du 12 novembre 2013, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit: “De même, conformément au droit de l’Union européenne, la Banque coopère avec l’Autorité bancaire européenne, l’Autorité européenne des assurances et des pensions pro- fessionnelles, l’Autorité européenne des marchés financiers, ainsi que la Banque centrale européenne en ce qui concerne les missions qui lui sont confiées par le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de surveillance prudentielle des établissements de crédit.”; 2° au paragraphe 2, les mots “, alinéa 1er,” sont insérés entre les mots “visées au § 1er” et les mots “des accords”; 3° le paragraphe 3 est abrogé. Art. 708 Dans l’article 36/22 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1°  au 7°, les mots “en vertu de l’article 4  de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances; un même recours est ouvert lorsque la Banque n’a pas statué dans les délais fixés à l’alinéa 4 de l’article 4 précité; dans ce dernier cas, le recours est traité comme s’il y avait eu rejet de la demande;” sont remplacés par les mots “en vertu des articles 28 et 584 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 8° est abrogé; 3° le 9° est remplacé par ce qui suit: “9° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre les décisions de relèvement de tarif prises par la Banque en vertu de l’article 504 de la loi du [___] 2015 précitée;”; 713 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 4° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt: “10° door de verzekerings- of herverzekeringsonderne- ming, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 517, § 1, 1°, 2°, 4°, 6° en 7° van de voormelde wet van [___] 2015;”; 5° de bepaling onder 11° wordt vervangen als volgt: “11° door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, tegen de beslissingen tot herroeping van de vergunning die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 517, § 1, 8°, 541 en 598, § 2 van de voormelde wet van [___] 2015;”; 6° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt: “12° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslis- singen tot verzet die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 108, § 3 en 115, § 2 van de voormelde wet van [___] 2015, of wanneer de Bank geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijnen vastgelegd in de artikelen 108, §  3, tweede lid en 115, § 2, tweede lid van dezelfde wet;”; 7° er wordt een bepaling onder 12bis° ingevoegd, luidende: “12bis° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslis- singen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 569 van de voormelde wet van [___] 2015;”; 8° de bepaling onder 14° wordt opgeheven; 9° de bepaling onder 15° wordt vervangen als volgt: “15° door de herverzekeringsonderneming, tegen de be- slissingen tot verzet die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 114 en 121 van de voormelde wet, voor zover zij respectievelijk verwijzen naar de artikelen 108, § 3 en 115, § 2 van dezelfde wet of wanneer de Bank geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijnen vastgelegd in de artikelen 108, § 3, tweede lid en 121, 2° van dezelfde wet;”; 10° de bepaling onder 16° wordt opgeheven; 11° de bepaling onder 17° wordt opgeheven; 12° de bepaling onder 18° wordt vervangen als volgt: “18° door de herverzekeringsonderneming, tegen de be- slissingen die de Bank heeft genomen krachtens de artikelen 600 en 601, voor zover zij respectievelijk verwijzen naar de artikelen 580 en 598 van de voormelde wet;”; 13° de bepaling onder 22° wordt vervangen als volgt: “22° door de betrokken instelling, tegen de beslissingen die de Bank heeft genomen krachtens artikel 517, § 6 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. 4° le 10° est remplacé par ce qui suit: “10° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 517, § 1er, 1°, 2°, 4°, 6° et 7°, de la loi du [___] 2015 précitée;”; 5° le 11° est remplacé par ce qui suit: “11° à l’entreprise d’assurance ou de réassurance, contre les décisions de révocation de l’agrément prises par la Banque en vertu de des articles 517, § 1er, 8°, 541 et 598, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée;”; 6° le 12° est remplacé par ce qui suit: “12°  à l’entreprise d’assurance, contre les décisions d’opposition prises par la Banque en vertu des articles 108, § 3 et 115, § 2 de la loi du [___] 2015 précitée ou lorsque la Banque n’a pas notifié de décision dans les délais fixés aux articles 108, § 3, alinéa 2 et 115, § 2, alinéa 2, de la même loi;”; 7° il est inséré un 12bis° rédigé comme suit: “12bis° à l’entreprise d’assurance, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 569 de la loi du [___] 2015 précitée;”; 8° le 14° est abrogé; 9° le 15° est remplacé par ce qui suit: “15° à l’entreprise de réassurance, contre les décisions d’opposition prises par la Banque en vertu des articles 114 et 121 de la loi précitée en ce qu’ils réfèrent respectivement aux articles 108, § 3 et 115, § 2 de la même loi ou lorsque la Banque n’a pas notifié de décision dans les délais fixés aux articles 108, § 3, alinéa 2, et 121, 2°, de la même loi;”; 10° le 16° est abrogé; 11° le 17° est abrogé; 12° le 18° est remplacé par ce qui suit: “18° à l’entreprise de réassurance, contre les décisions prises par la Banque en vertu des articles 600 et 601 en ce qu’ils réfèrent respectivement aux articles 580 et 598 de la loi précitée;”; 13° le 22° est remplacé par ce qui suit: “22° à l’établissement concerné, contre les décisions prises par la Banque en vertu de l’article 517, § 6 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. 714 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 709 In artikel 36/24, § 1, 1° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden “ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der ver- zekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “ten opzichte van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. HOOFDSTUK IX Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten Art. 710 In artikel 45, § 1, 3°, f, van de wet van 2 augustus 2002 be- treffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wor- den de woorden “artikel 14bis van de wet van 9 juli 1975 be- treffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “artikel 42 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”. Art. 711 In artikel 121, § 1, 4° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “artikel 82, § 1, eerste lid van de wet van 9 juli 1975 betreffende de con- trole der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “de artikelen 294, § 1, 1°, 295, § 1, 1°, 299, § 1 en 300, § 1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”. Art. 712 In artikel 122 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder 12° vervangen als volgt: “12° door de verzekeringsonderneming, tegen de beslis- singen tot uitbreiding van het verzoek om inlichtingen die de FSMA heeft genomen krachtens artikel 286, § 3, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;” HOOFDSTUK X Wijzigingen in de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen Art. 713 In artikel 42 van de programmawet (I) van 24 december 2002: wet op de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen, laatste- lijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 709 Dans l’article 36/24, § 1er, 1°, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances,” sont remplacés par les mots “à la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assu- rance ou de réassurance,”. CHAPITRE IX Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers Art. 710 Dans l’article 45, § 1er, 3°, f, de la loi du 2 août 2002 rela- tive à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots “l’article 14bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “l’article 42 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”. Art. 711 Dans l’article 121, § 1er, 4°, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 19 avril 2014, les mots “de l’article 82, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “des articles 294, § 1er, 1°, 295, § 1er, 1°, 299, § 1er et 300, § 1er de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances,”. Art. 712 Dans l’article 122 de la même loi, modifié en dernier par l’arrêté royal du 3 mars 2011, le 12° est remplacé par ce qui suit: “12° à l’entreprise d’assurance contre les décisions de demande d’extension de renseignements prises par la FSMA en vertu de l’article 286, § 3, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances;”. CHAPITRE X Modifications de la loi programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pensions complémentaires des indépendants Art. 713 Dans l ’article 42  de la loi programme (I) du 24 décembre 2002: loi sur les pensions complémentaires des indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 715 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° in de bepaling onder 2° worden de woorden “bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”; 2° in de bepaling onder 12° worden de woorden “de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekerings- ondernemingen” vervangen door de woorden “de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 714 Artikel 81 van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK XI Wijziging in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid Art. 715 In artikel 3, § 1 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensi- oenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1°  in de bepaling onder 16° worden de woorden “een instelling bedoeld in artikel 2, § 1 of § 3, 5°, van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “een instelling bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015”; 2° in de bepaling onder 20° worden de woorden “de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle deze verzekeringson- dernemingen” vervangen door de woorden “de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. HOOFDSTUK XII Wijzigingen in de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening Art. 716 In artikel 3, § 1 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzie- ning wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt: “3° een verzekeringsonderneming bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.” 1° au 2°, les mots “visés à l’article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “visés aux Livres II et III de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance et de réassurance,”; 2° au 12°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 714 L’article 81 de la même loi est abrogé. CHAPITRE XI Modification de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale Art. 715 Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécu- rité sociale, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 16°, les mots “un organisme visé à l’article 2, § 1er ou § 3, 5°, de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “un organisme visé aux Livres II et III de la loi du [___] 2015”; 2° au 20°, les mots “la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. CHAPITRE XII Modifications de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle Art. 716 Dans l’article 3, § 1er, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, le 3° est remplacé par ce qui suit: “3° une entreprise d’assurance visée aux Livres II et III de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.” 716 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 717 In artikel 5, tweede lid van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt: “6°  van de Commissie voor Verzekeringen ingesteld door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.”. Art. 718 In artikel 139, eerste lid, 2de streepje van dezelfde wet wor- den de woorden “, bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in de Boeken II en III van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 719 Artikel 227 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 720 In artikel 228, § 3 van dezelfde wet worden de woorden “in- gesteld door artikel 41 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen,” vervangen door de woorden “ingesteld door artikel 301 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen,”. HOOFDSTUK XII Wijzigingen in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen Art. 721 In artikel 3 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 45° wordt vervangen als volgt: “45°  “wet van [___]2015”: de wet van [___] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 55° wordt opgeheven. Art. 717 Dans l’article 5, alinéa 2, de la même loi, le 6° est remplacé par ce qui suit: “6° de la Commission des Assurances instituée par l’article 301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”. Art. 718 Dans l’article 139, alinéa 1er, 2e  tiret, de la même loi, les mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visée aux Livres II et III de la loi du [___] 2015 rela- tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 719 L’article 227 de la même loi est abrogé. Art. 720 Dans l’article 228, § 3 de la même loi, les mots “instituée par l’article 41 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “instituée par l’article 301 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.”. CHAPITRE XII Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances Art. 721 Dans l’article 3 de la loi du 3 août 2012 relative aux orga- nismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 45° est remplacé par ce qui suit: “45° par “loi du [___]2015”: la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 55° est abrogé. 717 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 722 In artikel 241 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 2° worden de woorden “artikel 91octies- decies van de wet van 9 juli 1975 of artikel 98 van de wet van 16 februari 2009;” vervangen door de woorden “artikel 338, 7° van de wet van [__]2015;”; 2° in paragraaf 1, 3°, tweede lid worden de woorden “hoofd- stuk VIIbis van de wet van 9 juli 1975 of titel VIII van de wet van 16 februari 2009.” vervangen door de woorden “Titel V, Hoofdstuk II van de wet van [___]2015.”; 3° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 98 van de wet van 16 februari 2009 of artikel 91octiesdecies van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “Titel V, Hoofdstuk III van de wet van [___] 2015,”. HOOFDSTUK XIV Wijziging in de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen Art. 723 In artikel 2, 6° van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake de thematische volksleningen worden de woorden “met een toelating op grond van artikel 2bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen” en de woorden “op grond van Hoofdstuk Vter van de voornoemde wet van 9 juli 1975;” respectievelijk vervangen door de woorden “, waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 28 van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen” en door de woorden “op grond van Boek III, Titel I van de voornoemde wet van [___] 2015;”. HOOFDSTUK XV Wijzigingen in de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen Art. 724 In artikel 5 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 40° wordt vervangen als volgt: “40° “Herverzekeringsonderneming”: een onderneming als gedefinieerd in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 42° wordt vervangen als volgt: Art. 722 Dans l’article 241 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, 2°, les mots “de l’article 91octies decies de la loi du 9 juillet 1975 ou de l’article 98 de la loi du 16 février 2009;” sont remplacés par les mots “de l’article 338, 7° de la loi du [__]2015;”; 2° au paragraphe 1er, 3°, alinéa 2, les mots “du chapitre VIIbis de la loi du 9 juillet 1975 ou du titre VIII de la loi du 16 février 2009.” sont remplacés par les mots “du Titre V, Chapitre II de la loi du [___]2015.”; 3° au paragraphe 5, les mots “de l’article 98 de la loi du 16 février 2009 ou de l’article 91octiesdecies de la loi du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “du Titre V, Chapitre III de la loi du [___] 2015,”. CHAPITRE XIV Modification de la loi du 26 décembre 2013 portant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens thématiques Art. 723 Dans l’article 2, 6°, de la loi du 26 décembre 2013 por- tant diverses dispositions concernant les prêts-citoyens thématiques, les mots “agréée sur la base de l’article 2bis de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” et les mots “sur la base du Chapitre Vter de la loi du 9 juillet 1975 précitée;” sont respectivement remplacés par les mots “agréée sur la base de l’article 28 de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance” et par les mots “sur la base du Livre III, Titre Ier de la loi du [___] 2015 précitée;”. CHAPITRE XV Modifications de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances Art. 724 Dans l’article 5 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 40° est remplacé par ce qui suit: “40° “entreprise de réassurance”: une entreprise telle que définie à l’article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du [___] 2015 rela- tive au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 2° le 42° est remplacé par ce qui suit: 718 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “42°  “Wet van [___] 2015”: de wet van [___]2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 725 In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden “de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “de wet van [___] 2015,”. Art. 726 In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden “de in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975 bedoelde publicatie” vervangen door de woorden “de in de artikelen 106 of 567, § 2 van de wet van [___] 2015 bedoelde publicatie”. Art. 727 In artikel 18, § 1 van dezelfde wet worden de woorden “bedoeld in artikel 78 van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “bedoeld in de artikelen 106 of 567, § 2 van de wet van [___] 2015”. Art. 728 In artikel 22 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de woorden “of met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975” en de woorden “dan wel met de bepalingen van de wet van 9 juli 1975” respectievelijk vervan- gen door de woorden “of met de bepalingen van de wet van [___] 2015” en door de woorden “dan wel met de bepalingen van de wet van [___] 2015”; 2° paragraaf 2 wordt opgeheven. Art. 729 In artikel 33, § 2 van dezelfde wet worden de woorden “zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975,” ver- vangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel 557 van de wet van [___] 2015,”. Art. 730 In artikel 34, eerste lid, b) van dezelfde wet worden de woor- den “zoals bedoeld in artikel 68 van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “zoals bedoeld in artikel 557 van de wet van [___] 2015”. “42° “la loi du [___] 2015”: la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 725 Dans l’article 7 de la même loi, les mots “, de la loi du 9 juillet 1975,” sont remplacés par les mots “, de la loi du [___] 2015,”. Art. 726 Dans l’article 17 de la même loi, les mots “visée à l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “visée aux articles 106 ou 567, § 2 de la loi du [___] 2015”. Art. 727 Dans l’article 18, § 1er, de la même loi, les mots “visée à l’article 78 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “visée aux articles 106 ou 567,§ 2 de la loi du [___] 2015”. Art. 728 Dans l’article 22 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, les mots “ou aux dispositions de la loi du 9 juillet 1975” et les mots “ou avec les dispositions de la loi du 9 juillet 1975” sont respectivement remplacés par les mots “ou aux dispositions de la loi du [___] 2015” et par les mots “ou avec les dispositions de la loi du [___] 2015”; 2° le paragraphe 2 est abrogé. Art. 729 Dans l’article 33, § 2, de la même loi, les mots “tel que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “tel que visé à l’article 557 de la loi du [___] 2015”. Art. 730 Dans l’article 34, alinéa 1er, b) de la même loi, les mots “tel que visé à l’article 68 de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “tel que visé à l’article 557 de la loi du [___] 2015”. 719 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 731 In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden “overeen- komstig artikel 21octies, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 504 van de wet van [__] 2015”. Art. 732 In artikel 204, § 4 van dezelfde wet worden de woorden “artikel 21octies van de wet van 9 juli 1975” vervangen door de woorden “artikel 504 van de wet van [___] 2015”. Art. 733 In artikel 267, § 1, vierde lid van dezelfde wet worden de woorden “een verzekeringsonderneming onderworpen aan het aanvullend toezicht op een verzekeringsonderneming in de zin van artikel 91ter van de Wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “een verzekeringsonderneming die onder- worpen is aan een groepstoezicht in de zin van artikel [450] van de wet van [__] 2015,”. Art. 734 In artikel 297, § 2 van dezelfde wet worden de woorden “de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van 9 juli 1975.” vervangen door de woorden “de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van [___] 2015.”. Art. 735 In artikel 302, § 2, 1° van dezelfde wet worden de woorden “of van de wet van 9 juli 1975,” vervangen door de woorden “of van de wet van [___] 2015,”. HOOFDSTUK XVI Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen Art. 736 In artikel 2, 2° van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen worden de woor- den “die geregeld zijn bij de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.” vervangen door de woorden “die geregeld zijn bij de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.” Art. 737 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: Art. 731 Dans l’article 41 de la même loi, les mots “conformément à l’article 21octies, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “conformément à l’article 504 de la loi du [__] 2015”. Art. 732 Dans l’article 204, § 4, de la même loi, les mots “ni à l’article 21octies de la loi du 9 juillet 1975.” sont remplacés par les mots “ni à l’article 504 de la loi du [___] 2015.”. Art. 733 Dans l’article 267, § 1er, alinéa 4 de la même loi, les mots “une entreprise d’assurances soumise à la surveillance complémentaire sur les entreprises d’assurances au sens de l’article 91ter de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “une entreprise d’assurance soumise à un contrôle de groupe au sens du Titre V, Chapitre II de la loi du [__] 2015”. Art. 734 Dans l’article 297, § 2, de la même loi, les mots “au sens qui leur est donné dans la loi du 9 juillet 1975.” est remplacés par les mots “au sens qui leur est donné dans la loi du [___] 2015.”. Art. 735 Dans l’article 302, § 2, 1°, de la même loi, les mots “ou de la loi du 9 juillet 1975” sont remplacés par les mots “ou de la loi du [___] 2015”. CHAPITRE XVI Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit Art. 736 Dans l’article 2, 2° de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, les mots “régies par la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances.” sont remplacés par les mots “régies par la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.”. Art. 737 Dans l’article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 720 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° de bepaling onder 26° wordt vervangen als volgt: “26° de begrippen controle, deelneming, deelnemings- verhouding, moederonderneming, dochteronderneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de uitvoeringsbesluiten van artikel 106, § 1 van deze wet;”; 2° de bepaling onder 31° wordt vervangen als volgt: “31°  verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 3° de bepaling onder 32° wordt vervangen als volgt: “32°  herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 4° de bepaling onder 43° wordt vervangen als volgt: “43°  verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 5° de bepaling onder 44° wordt vervangen als volgt: “44° gemengde verzekeringsholding: een gemengde ver- zekeringsholding in de zin van artikel 338, 6° van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 738 In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin- gen aangebracht: 1° de zin”Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.” wordt geschrapt; 2° artikel 9, als gewijzigd bij de bepaling onder 1° van dit artikel en waarvan de bestaande tekst het eerste lid zal vor- men, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende: “Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.”. Art. 739 In artikel 20, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° le 26° est remplacé par ce qui suit: “26° les notions de contrôle, participation, lien de partici- pation, entreprise-mère, filiale, consortium et entreprise liée, le sens qui leur est conféré par les arrêtés d’exécution de l’article 106, § 1er, de la présente loi;”; 2° le 31° est remplacé par ce qui suit: “31° entreprise d’assurance, une entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 3° le 32° est remplacé par ce qui suit: “32° entreprise de réassurance, une entreprise visée à l’article 5, alinéa 1er, 2° de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 4° le 43° est remplacé par ce qui suit: “43°  société holding d’assurance, une société holding d’assurance au sens de l’article 338, 5° de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assu- rance ou de réassurance;”; 5° le 44° est remplacé par ce qui suit: “44° société holding mixte d’assurance, une société holding mixte d’assurance au sens de l’article 338, 6° de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;” . Art. 738 Dans l’article 9 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° la phrase “A défaut de participation qualifiée, la commu- nication porte sur l’identité des vingt principaux actionnaires et leur quotité dans le capital.” est abrogée; 2° l’article 9, tel que modifié par le 1° du présent article et dont le texte actuel formera l’alinéa 1er, est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit: “À défaut de participation qualifiée, la communication visée à l’alinéa 1er porte sur l’identité des vingt principaux actionnaires et leur quotité dans le capital.” Art. 739 Dans l’article 20, § 1er, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 721 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder n) vervangen als volgt: “n) de artikelen 83 en 87 van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder z/5), luidende: “z/5)  artikel 605  van de wet van [__] 2015  op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”; 3° in de bepaling onder 3° wordt een bepaling onder d) ingevoegd, luidende: “d) van de artikelen bedoeld in artikel 605 van de wet van [__] [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verze- kerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 740 In artikel 72, § 1, 2° van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van [__] 2015 [___], worden de woorden “, eerste lid” inge- voegd tussen de woorden “aan de in artikel 9” en de woorden “bedoelde personen”. Art. 741 In artikel 164, § 3, 7° van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “, de wet van 9 juli 1975 betreffende de contro- le der verzekeringsondernemingen,” worden vervangen door de woorden “, de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,”; 2°  de woorden “de wet van 6  april  1995, de wet van 16 februari 2009,” worden geschrapt. Art. 742 In artikel 170 van dezelfde wet worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven; 2° in paragraaf 1 wordt het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, vervangen als volgt: “Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de toe- zichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezicht- houder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.”; 3° in paragraaf 1 wordt het vroegere vijfde lid opgeheven; 4° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende: 1° au 2°, le n) est remplacé par ce qui suit: “n) aux articles 83 et 87 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;”; 2° le 2° est complété par un z/5) rédigé comme suit: “z/5) à l’article 605 de la loi du [__] 2015 relative au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”; 3° au 3°, un d) rédigé comme suit est inséré: “d) aux articles visés à l’article 605 de la loi du [__] [___] 2015 relative au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 740 Dans l’article 72, § 1er, 2°, de la même loi, modifié par la loi du [__] 2015 [___], les mots “, alinéa 1er” sont insérés entre les mots “aux personnes visées à l’article 9” et les mots “ainsi qu’aux membres de leurs différents organes”. Art. 741 Dans l’article 164, § 3, 7°, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “, la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances,” sont remplacés par les mots “, la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance,”; 2° les mots “la loi du 16 février 2009 relative à la réassu- rance,” sont abrogés. Art. 742 À l’article 170 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, l’alinéa 3 est abrogé; 2° au paragraphe 1er, l’alinéa 4 ancien, devenant l’alinéa 3, est remplacé par ce qui suit: “Pour l’application de ce paragraphe, l’autorité de contrôle, en sa qualité d’autorité de surveillance sur base consolidée, obtient l’accord des autorités compétentes concernées char- gées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l’assurance.”; 3° au paragraphe 1er, l’alinéa 5 ancien est abrogé; 4° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit: 722 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “§ 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het geconsolideerde toezicht, ander- zijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de toezichthouder besluiten op deze kredietin- stelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende con- glomeraatstoezicht toe te passen.”; 5° in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de woor- den “en die het financieel conglomeraat vormt,” ingevoegd tussen de woorden “de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 3” en “in aanmerking worden genomen”; 6° in paragraaf 3, tweede zin, worden de woorden “De toezichthouder pleegt daartoe overleg” geschrapt; 7° er wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidende: “§ 4. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthou- der stelt de toezichthouder de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.”. Art. 743 In artikel 171, § 2 van dezelfde wet, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende: “Onverminderd artikel 212, wanneer de toezichthouder op grond van artikel 111, lid 5 van Richtlijn 2013/36/EU werd of is aangewezen als consoliderende toezichthouder voor het uitoefenen van het geconsolideerd toezicht op een kre- dietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht aanwezig is in het geconsolideerde geheel, zijn de bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2° van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding.”. Art. 744 In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II, Onderafdeling III van dezelfde wet wordt een artikel 183/1  ingevoegd, luidende: “Art. 183/1. Een kredietinstelling naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder een geconsolideerd toezicht dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochteronderne- mingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 165, 2° zijn van toepassing.”. “§ 1/1. Sans préjudice de l’application du paragraphe 2, lorsqu’un établissement de crédit à la tête d’un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes du présent Chapitre qui portent d’une part sur le contrôle sur base consolidée et d’autre part sur la surveillance complémen- taire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, l’autorité de contrôle peut décider de n’appliquer à cet éta- blissement de crédit ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémentaire des conglomérats.”; 5° au paragraphe 2, 1°, les mots “et qui constitue le conglo- mérat financier,” sont insérés entre les mots “le groupe, tel que défini à l’article 164, § 3,” et les mots “sera, par dérogation, pris en considération”; 6° au paragraphe 3, 2e phrase, les mots “L’autorité de contrôle se concerte à cette fin” sont abrogés; 7° il est inséré un paragraphe 4 rédigé comme suit: “§ 4. L’autorité de contrôle, en sa qualité d’autorité de surveillance sur base consolidée, informe l’ABE et l’Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l’accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 1/1, et du règlement de coordination pris en vertu du § 3.”. Art. 743 A l’article 171, § 2, de la même loi, entre l’alinéa 3 et l’ali- néa 4, il est inséré un alinéa rédigé comme suit: “Sans préjudice de l’article 212, lorsque l’autorité de contrôle a été ou est désignée, en vertu de l’article  111, paragraphe 5 de la Directive 2013/36/UE, comme autorité de surveillance sur base consolidée pour l’exercice du contrôle consolidé à l’égard d’un établissement de crédit qui relève d’un autre État membre et dont l’entreprise mère est une compagnie financière ou une compagnie financière mixte de droit belge, sans qu’un établissement de crédit de droit belge figure dans l’ensemble consolidé, les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, sont applicables par analogie à la compagnie précitée.”. Art. 744 Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II, Sous- section III, de la même loi, il est inséré un article 183/1 rédigé comme suit: “Art. 183/1. Un établissement de crédit de droit belge qui constitue un consortium avec une ou plusieurs autres entre- prises relève d’un contrôle sur base consolidée qui s’applique à l’ensemble des entreprises du consortium ainsi qu’à leurs filiales. Les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l’article 165, 2°, trouvent à s’appliquer en l’espèce.”. 723 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 745 In de Nederlandse tekst van artikel 194, § 2 van dezelfde wet, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt: “4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikke- ling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.”. Art. 746 In de Franse tekst van artikel 196, § 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 3° worden de woorden “autorité compétente belge chargée du contrôle” vervangen door de woorden “autorité compétente chargée du contrôle”; 2° in de bepaling onder 5° worden de woorden “et que cet État membre a” vervangen door de woorden “et a dans cet État membre”. Art. 747 In artikel 196, § 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “paragraaf 1” worden vervangen door de woorden “paragraaf 2”; 2° er wordt een tweede lid ingevoegd, luidende: “Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen als coördinator voor het uitoefenen van het aanvullende conglomeraatstoezicht op een kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert en waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding naar Belgisch recht is, zonder dat een kredietinstelling naar Belgisch recht of een andere gereglementeerde onder- neming naar Belgisch recht die op individuele basis aan het toezicht van de toezichthouder is onderworpen, aanwezig is in de groep die het financieel conglomeraat vormt, zijn de be- palingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2° van overeenkomstige toepassing op de voornoemde holding, behoudens afwijkende regelingen in de overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3 van Richtlijn 2002/87/EG.”. Art. 748 In artikel 210, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woor- den “, artikel 40 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, artikel 42 van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf” ver- vangen door de woorden “, artikel 327 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 745 Dans le texte néerlandais de l’article  194, §  2, de la même loi, le 4° est remplacé par la disposition suivante: “4° regelmatig geactualiseerde regelingen om bij te dragen tot de verwezenlijking en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van passende herstel- en afwikkelingsmechanismen en -plannen.”. Art. 746 Dans le texte français de l’article 196, § 2, de la même loi, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au 3°, les mots “autorité compétente belge chargée du contrôle” sont remplacés par les mots “autorité compétente chargée du contrôle”; 2° au 5°, les mots “et que cet État membre a” sont rempla- cés par les mots “et a dans cet État membre”. Art. 747 A l’article 196, § 3, de la même loi, les modifications sui- vantes sont apportées: 1° les mots “paragraphe 1er” sont remplacés par les mots “paragraphe 2”; 2° il est inséré un alinéa 2 rédigé comme suit: “Lorsque l’autorité de contrôle est désignée, en vertu de l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE, comme coordinateur pour l’exercice de la surveillance complémen- taire des conglomérats à l’égard d’un établissement de crédit qui relève d’un autre État membre et dont l’entreprise mère est une compagnie financière mixte de droit belge, sans qu’un établissement de crédit de droit belge ou une autre entreprise réglementée de droit belge soumise sur une base individuelle au contrôle de l’autorité de contrôle figure dans le groupe constituant le conglomérat, les dispositions applicables aux établissements de crédit visés à l’article 185, alinéa 1er, 2°, sont applicables par analogie à la compagnie précitée, sauf dispositions dérogatoires dans l’accord entre autorités compétentes visé à l’article 11, paragraphe 3 de la Directive 2002/87/CE.”. Art. 748 Dans l’article 210, § 1er, 2°, de la même loi, les mots “, à l’article 40 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances, à l’article 42  de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance” sont remplacés par les mots “, à l’article 327 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. 724 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 749 In de Franse tekst van artikel 213, § 1, derde lid van dezelfde wet worden de woorden “et ces filiales” tussen de woorden “si ces entreprises” en de woorden “ne tombent pas” geschrapt. Art. 750 In de Franse tekst van artikel 217, § 1, eerste lid van de- zelfde wet worden de woorden “ainsi que les compagnies financières mixtes et leurs filiales” vervangen door de woorden “ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales”. Art. 751 In artikel 219, § 4, vijfde lid van dezelfde wet worden de woorden “met de betrokken bevoegde autoriteiten” vervangen door de woorden “met de relevante bevoegde autoriteiten”. Art. 752 In artikel 3, § 1, tweede lid van Bijlage VI van dezelfde wet worden de woorden “de artikelen 15 en 91nonies van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonder- nemingen.” vervangen door de woorden “de artikelen 151 en 456 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.”.  HOOFDSTUK XVI Wijzigingen in het Wetboek van Economisch Recht Art. 753 In artikel I.9, 72° van het Wetboek van Economisch Recht worden de woorden “bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen;” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 5, eer- ste lid, 1°, van de wet van [___]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 754 In artikel VII.119, § 1, 2° van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “door de Koning” worden geschrapt; 2°  de woorden “met toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen;” worden vervangen door de woorden “met toepassing van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 749 Dans le texte français de l’article 213, § 1er, alinéa 3, de la même loi, les mots “et ces filiales” situés entre les mots “si ces entreprises” et les mots “ne tombent pas” sont abrogés. Art. 750 Dans le texte français de l’article 217, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots “ainsi que les compagnies financières mixtes et leurs filiales” sont remplacés par les mots “ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales”. Art. 751 Dans l’article 219, § 4, alinéa 5, de la même loi, les mots “avec les autorités compétentes concernées” sont remplacés par les mots “avec les autorités compétentes relevantes”. Art. 752 Dans l’article 3, § 1er, alinéa 2 de l’Annexe VI de la même loi, les mots “la marge de solvabilité imposée par les articles 15 et 91nonies de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances.” sont remplacés par les mots “les exigences de solvabilité conformément aux articles 151 et 358 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance.” .  CHAPITRE XVI Modifications au Code de droit économique  Art. 753 Dans l’article I.9, 72°, du Code de droit économique, les mots “visée à l’article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “visée à l’article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du [___]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 754 Dans l’article VII.119, § 1er, 2°, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “par le Roi” sont abrogés; 2° les mots “en application de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;” sont remplacés par les mots “en application de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. 725 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Art. 755 In artikel VII.173 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “hetzij als ver- zekeringsondernemingen op de in artikel 4 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen bedoelde lijst” vervangen door de woorden “hetzij als verzekeringsondernemingen op de lijst als bedoeld in artikel 31 van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 756 In artikel VII.176, § 3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden “op de in de arti- kelen 4 en 66 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bedoelde lijsten” vervangen door de woorden “op de lijsten als bedoeld in de artikelen 31 en 555 van de wet van [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Art. 757 In artikel XI.250, tweede lid van hetzelfde Wetboek, in- gevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 2° wordt de bepaling onder o) vervangen als volgt: “o) de artikelen 83 tot 87 van de wet van 9 juli 1975 betref- fende de controle der verzekeringsondernemingen;”; 2° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een bepaling onder s), luidende: “s) artikel 605 van de wet van [__]2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;”. Art. 758 In artikel XII.4, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 december 2013, worden de woorden “blijven de hoofdstukken IIIbis, IIIter, Vbis en Vter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsonderne- mingen van toepassing.” vervangen door de woorden “blijven Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdelingen 2 tot 4, en Boek III, Titel I van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van toepassing.”. Art. 755 Dans l’article VII.173 du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les mots “soit comme entreprises d’assurances sur la liste prévue à l’article 4 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances” sont remplacés par les mots “soit comme entreprises d’assurance sur la liste prévue à l’article 31 de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 756 Dans l’article VII.176, § 3, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les mots “aux articles 4 et 66 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assu- rances” sont remplacés par les mots “aux articles 31  et 555 de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. Art. 757 Dans l’article XI.250, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° au 2°, le o) est remplacé par ce qui suit: “o) aux articles 83 à 87 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances;”; 2° le 2° est complété par un s) rédigé comme suit: “s) à l’article 605 de la loi du [__]2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance;”. Art. 758 Dans l’article XII.4, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 décembre 2013, les mots “les chapitres IIIbis, IIIter, Vbis et Vter de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances restent d’application.” sont rempla- cés par les mots “le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section 2 à 4, et le Livre III, Titre Ier de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance sont d’application.”. 726 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 HOOFDSTUK XVII Overige bepalingen Art. 759 In de wetten die verwijzingen bevatten naar Bijlage I van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsonder- nemingen, moeten deze verwijzingen worden gelezen als verwijzingen naar Bijlage I van de wet van [__] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzeke- ringsondernemingen voor wat betreft de groep van activiteiten “niet-leven” en als verwijzingen naar Bijlage II van dezelfde wet voor wat betreft de groep van activiteiten “leven”. Art. 760 Onverminderd de wijzigingen die bij de ontwerpartikelen 680 tot 684, 686, 688 tot 698, 700, 701, 706 tot 737, 739, 741, 748 en 752 tot 758 zijn aangebracht, moeten in de wetten die verwijzingen bevatten naar de wet van 9 juli 1975 of naar het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsonder- nemingen, deze verwijzingen in voorkomend geval worden gelezen als verwijzingen naar de bepalingen met hetzelfde voorwerp van de wet [___] 2015 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. TITEL IV Opheffingsbepalingen Art. 761 De wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verze- keringsondernemingen wordt opgeheven. Art. 762 De wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf wordt opgeheven. BOEK IX INWERKINGTREDING Art. 763 Deze wet treedt in werking op 1 januari 2016. De artikelen 129 tot 131, 143, 148, derde lid, 154, § 7, 162, 167, 168, 338, 339, 242, 343 tot 357, 361, 367, § 2, 368, 370, derde lid, 372 tot 375, 379, 382, 384, 385, 407, 408, 410 tot 412, 445, 446, 448, 449, en 658 tot 672 treden evenwel in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. CHAPITRE XVII Autres dispositions Art. 759 Dans les lois comprenant des références à l’Annexe I de l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances, ces réfé- rences doivent être lues comme des références à l’Annexe I de la loi du [__] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance, pour ce qui concerne le groupe d’activité “non-vie” et comme des réfé- rences à l’Annexe II de la même loi pour ce qui concerne le groupe d’activité “vie”. Art. 760 Sans préjudice des modifications apportées par les articles en projet 680 à 684, 686, 688 à 698, 700, 701, 706 à 737, 739, 741, 748 et 752 à 758, dans les lois comprenant des références à la loi du 9 juillet 1975 ou à l’arrêté royal du 22 février 1991 portant règlement général relatif au contrôle des entreprises d’assurances, ces références doivent être lues, le cas échéant, comme des références aux dispositions, dont l’objet est identique, de la loi du [___] 2015 relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance. TITRE IV Dispositions abrogatoires Art. 761 La loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d’assurances est abrogée. Art. 762 La loi du 16 février 2009 relative à la réassurance est abrogée. LIVRE IX ENTRÉE EN VIGUEUR Art. 763 La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2016. Toutefois, les articles 129 à 131, 143, 148, alinéa 3, 154, § 7, 162, 167, 168, 338, 339, 242, 343 à 357, 361, 367, § 2, 368, 370, alinéa 3, 372 à 375, 379, 382, 384, 385, 407, 408, 410 à 412, 445, 446, 448, 449, et 658 à 672 entrent en vigueur le jour de la publication la présente loi au Moniteur belge. 727 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Regelgevingsimpactanalyse RiA-AiR :: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be :: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be :: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be Beschrijvende fiche Auteur .a. Bevoegd regeringslid _Kris Peeters Contactpersoon beleidscel (Naam, E-mail, Tel. Nr.) _ _ Ilse Bosmans, ilse.bosmans@peeters.fed.be, 02/2335105, cel economie _ Overheidsdienst _Nationale Bank van België Contactpersoon overheidsdienst (Naam, E-mail, Tel. Nr.) _ _ Bertrand Leton - bertrand.leton@nbb.be - 02/221.23.65 _ Ontwerp .b. Titel van het ontwerp van regelgeving _WET OP HET STATUUT VAN EN HET TOEZICHT OP VERZEKERINGS-OF HERVERZEKERINGSONDERNEMINGEN Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering. _ _Het ontwerp van wet strekt ertoe het kader van prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te moderniseren, meer bepaald door een omzetting van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf, de zogenoemde richtlijn “Solvabiliteit II” Impactanalyses reeds uitgevoerd ܆ Ja ܈ Nee Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie van het document te vermelden: _ _ Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c. Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen: _ _Commissie voor verzekeringen, Assuralia, IA|BE, IREFIN, OCM-CDZ Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d. Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en contactpersonen: _ _Bovenvermelde raadplegingen, EIOPA Datum van beëindiging van de impactanalyse .e. _21 oktober 2015 728 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? > Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s. Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te vergemakkelijken. Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te compenseren. Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21, worden meer gedetailleerde vragen gesteld. Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen heeft. Kansarmoedebestrijding .1. Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof. ܈ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܆ Geen impact _ Het streefdoel is, om de schuldeisers van ondernemingen, individueel beschouwd, te beschermen, het doel van het toezicht is het garanderen van de stabiliteit, de efficiëntie, de veiligheid en het vertrouwen in de verzekeringsmarkt. Voor zover het prudentiële toezicht het verzekeren van de solvabiliteit van de verzekeraars beoogt, is het volledig in het voordeel van de verzekerden en de begunstigden. Gelijke Kansen en sociale cohesie .2. Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof, effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met een handicap en minderheden). ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Gelijkheid van vrouwen en mannen .3. Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid, opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc. Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten. 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom. _ _Het zogenoemde “prudentieel” toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen is bedoeld om een redelijke kans op zekerheid te geven dat elke onderneming haar verbintenissen nakomt, via het toezicht op het naleven van de wettelijke en reglementaire verplichtingen en verboden, die het wettelijk statuut vormen van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Dit prudentieel toezicht heeft aldus als streefdoel, de bescherming te verzekeren van de verzekeringsbegunstigden en aldus het vertrouwen te vrijwaren in elke onderneming en in de sector in zijn geheel : de capaciteit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming om het hoofd te bieden aan haar verbintenissen ten opzichte van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden. љ Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2. 2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft. _ _ љ Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4. 3. Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit _ _ 4. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen, rekening 729 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 houdend met de voorgaande antwoorden? _ _ љ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5. 5. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Gezondheid .4. Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit. ܈ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܆ Geen impact _Voor zover het prudentieel toezicht ertoe strekt de solvabiliteit van de verzekeraars te verzekeren, zijn de begunstigden van ziekteverzekeringsovereenkomsten er meer van verzekerd dat hun verzekeraar bij schadegevallen zal tussenkomen. Werkgelegenheid .5. Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd, welzijn op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot beroepsopleiding, collectieve arbeidsverhoudingen. ܈ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܆ Geen impact Het wetsontwerp strekt ertoe de solvabiliteit van de verzekerings-en herverzekeringondernemingen te garanderen en er dus voor te zorgen dat zij op lange termijn kunnen overleven wat zijn neerslag kan vinden in het behoud van de tewerkstelling in deze ondernemingen. De meer kwetsbare ondernemingen kunnen zich echter gaan herstructureren met alle negatieve gevolgen voor de tewerkstelling. Anderzijds is het nieuwe prudentiële kader gekenmerkt door een grote vakbekwaamheid wat de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ertoe kan aanzetten om meer dan vroeger een beroep te doen op externe consultants waardoor er meer banen in deze sector kunnen worden gecreëerd. Consumptie- en productiepatronen .6. Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en integratie van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van organisaties. ܈ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܆ Geen impact _Het wetsontwerp strekt ertoe de overleving op lange termijn van verzekerings- (en herverzekerings-) ondernemingen te garanderen en ervoor te zorgen dat de voorgestelde premies voldoende zijn om de schade te vergoeden ( met inbegrip van prestaties met betrekking tot aanvullende pensioenen). Economische ontwikkeling .7. Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen, competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale handels- en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale en organische hulpbronnen. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact Zie punten 5 en 8. _ _ Investeringen .8. Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp. ܈ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܆ Geen impact Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zijn traditioneel grote institutionele beleggers. Het nieuwe prudentiële kader zal zijn neerslag vinden in de versterking van het eigen vermogen en de activa 730 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van deze ondernemingen Onderzoek en ontwikkeling .9. Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes, nieuwe ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Kmo’s .10. Impact op de ontwikkeling van de kmo’s. 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro-ondernemingen (< 10 werknemers). Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom. Zijn betrokken de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die geen kmo’s zijn op enkele ondernemingen na (onder meer de lokale verzekeringsondernemingen) waarvoor in een specifiek en (veel) lichter kader is voorzien. љ Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2. 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden. _ Verplichte inschrijving voor bepaalde lokale ondernemingen die tot nu toe van elk toezicht waren vrijgesteld_ љ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5. 3. Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit Neen. Het betreft een inschrijving met minder verplichtingen dan de erkenning van de grote verzekeringsondernemingen _ _ 4. Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit _ Ja. _ 5. Welke maatregelen worden genomen om deze negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ Minder verplichtingen voor de kleine verzekeringsondernemingen. _ Administratieve lasten .11. Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting. љ Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen. 1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving. Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom. a. _ _ Erkenning, governancestructuur, eigen vermogen, technische voorzieningen, reglementaire activa, reporting, jaarrekeningen. b. _ Erkenning, governancestructuur, eigen vermogen, technische voorzieningen, reglementaire activa, reporting, jaarrekeningen, publicatie voor het publiek _ љ Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot 4a. љ Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen 2b tot 4b. 2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen? a. _ Erkenningsdossier, jaarrekeningen, statistische overzichten, beschrijvende reporting b. _ Erkenningsdossier, jaarrekeningen, statistische overzichten, beschrijvende reporting 731 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld? a. Langs elektronische weg. _ _* b. _ Langs elektronische weg. _** 4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep? a. _ Driemaandelijks of jaarlijks naargelang het geval. _* b. _ Driemaandelijks of jaarlijks naargelang het geval. _* _** 5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren? Toepassing van het evenredigheidsbeginsel voor de kleine ondernemingen Energie .12. Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Mobiliteit .13. Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen, sporen en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Voeding .14. Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Klimaatverandering .15. Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energie overgang, hernieuwbare energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Natuurlijke hulpbronnen .16. Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen), bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie), ontbossing. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Buiten- en binnenlucht .17. 732 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan, koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOX, NOX, NH3), fijn stof. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Biodiversiteit .18. Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de habitatten, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde soorten. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Hinder .19. Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast. ܆ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܈ Geen impact _ _ Overheid .20. Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen, wijze van uitvoering, overheidsinvesteringen. ܈ Positieve impact ܆ Negatieve impact љ Leg uit. ܆ Geen impact Verbetering van corporate governance. _ _ Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21. Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden. 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: ӑ voedselveiligheid ӑ gezondheid en toegang tot geneesmiddelen ӑ waardig werk ӑ lokale en internationale handel ӑ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie) ӑ mobiliteit van personen ӑ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling) ӑ vrede en veiligheid Indien er geen enkelen ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom. _ Het betreft een omzetting van een Europese richtlijn in Belgisch recht, die enkel het prudentieel toezicht van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen betreft. љ Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2. 2. Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage _ _ љ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3. 3. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ 733 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Analyse d'impact de la réglementation RiA-AiR :: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be :: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be :: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be Fiche signalétique Auteur .a. Membre du Gouvernement compétent Kris Peeters Contact cellule stratégique (nom, email, tél.) Ilse Bosmans, ilse.bosmans@peeters.fed.be, 02/2335105, cellule économie Administration compétente Banque nationale de Belgique Contact administration (nom, email, tél.) Bertrand Leton - bertrand.leton@nbb.be - 02/221.23.65 Projet .b. Titre du projet de réglementation LOI RELATIVE AU STATUT ET AU CONTRÔLE DES ENTREPRISES D’ASSURANCE OU DE RÉASSURANCE Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Le projet de loi vise à moderniser le cadre de contrôle prudentiel des entreprises d'assurance et de réassurance, notamment en transposant la Directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice, dite « Directive Solvabilité II ». Analyses d'impact déjà réalisées ܆ Oui ܈ Non Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du document : _ _ Consultations sur le projet de réglementation .c. Consultations obligatoires, facultatives ou informelles : Commission des assurances, Assuralia, IA|BE, IREFIN, OCM-CDZ Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d. Statistiques, documents de référence, organisations et personnes de référence : Consultations ci-dessus, EIOPA Date de finalisation de l’analyse d’impact .e. 21 octobre 2015 734 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? > Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes. Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème. S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs. Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées. Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question. Lutte contre la pauvreté .1. Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique. ܈ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܆ Pas d’impact Le but poursuivi est notamment de protéger des créanciers d’entreprises considérés individuellement ; la finalité du contrôle consiste à garantir la stabilité, l’efficience, la sécurité et la confiance dans le marché de l’assurance . Dans la mesure où le contrôle prudentiel vise à assurer la solvabilité des assureurs, c’est tout bénéfice pour les assurés et bénéficiaires. Égalité des chances et cohésion sociale .2. Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu, effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes handicapées et les minorités). ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Égalité entre les femmes et les hommes .3. Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité, éducation/savoir/formation, mobilité, temps, loisirs, etc. Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques. 1. Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi. Le contrôle dit « prudentiel » des entreprises d'assurance et de réassurance a pour objectif de donner une assurance raisonnable que chaque entreprise respectera ses engagements par la surveillance du respect des obligations et interdictions légales et réglementaires formant le statut légal des entreprises d’assurance et de réassurance. Ce contrôle prudentiel a ainsi pour objectif d’assurer la protection des bénéficiaires d’assurance et d’ainsi préserver la confiance dans chaque entreprise et dans le secteur dans son ensemble : la capacité d'une entreprise d'assurance ou de réassurance à faire face à ses engagements vis-à-vis des preneurs d'assurance, des assurés et des bénéficiaires. љ Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2. 2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative au projet de réglementation. _ _ љ S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4. 3. Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez _ _ 4. Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur l’égalité des femmes et les hommes ? 735 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 _ _ љ S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5. 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ Santé .4. Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques (maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique, alimentation, pollution), qualité de la vie. ܈ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܆ Pas d’impact Dans la mesure où le contrôle prudentiel vise à assurer la solvabilité des assureurs, les bénéficiaires des contrats d’assurance maladie sont davantage rassurés quant à l’intervention de leur assureur en cas de sinistre. Emploi .5. Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail, bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable, possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail. ܈ Impact positif ܈ Impact négatif љ Expliquez. ܆ Pas d’impact Le projet de loi vise à garantir la solvabilité des entreprises d'assurance et de réassurance et donc à faire en sorte que celles-ci soient viables sur le long terme, ce qui peut se traduire par un maintien de l'emploi dans ces entreprises. Par contre, les entreprises plus fragiles peuvent être amenées à se restructurer avec des conséquences négatives sur l'emploi. D'autre part, le nouveau cadre prudentiel se caractérise par une haute technicité qui peut amener les entreprises d'assurance et de réassurance à faire plus appel que par le passé à des consultants externes, ce qui peut entraîner des créations d'emploi dans ce secteur. Modes de consommation et production .6. Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations. ܈ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܆ Pas d’impact Le projet vise à garantir la viabilité à long terme des entreprises d'assurance (et de réassurance) et à faire en sorte que les primes proposées soient suffisantes pour indemniser les sinistres (en ce compris les prestations de pensions complémentaires). Développement économique .7. Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de compétitivité, accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières internationales, balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques, minérales et organiques. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact Voir points 5 et 8. Investissements .8. Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement) et humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB. ܈ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܆ Pas d’impact Les entreprises d'assurance et de réassurance sont traditionnellment d'importants investisseurs institutionnels. Le nouveau cadre prudentiel se traduira par un renforcement des fonds propres et des actifs de ces entreprises. 736 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Recherche et développement .9. Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ PME .10. Impact sur le développement des PME. 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ? Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10 travailleurs). Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi. Sont concernées les entreprises d’assurance et de réssurance, qui ne sont pas des PME à l'exception de quelques entreprises (notamment les entreprises locales d'assurance) pour lesquelles un cadre spécifique et (très) allégé a été prévu. љ Si des PME sont concernées, répondez à la question 2. 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 Obligation d'inscription pour certaines entreprises locales jusqu'à présent dispensées de tout contrôle. љ S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5. 3. Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] > expliquez Non. Il s'agit d'une inscription avec des obligations plus réduites que l'agrément des grandes entreprises d'assurance 4. Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez Oui. 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ? Allègement des obligations pour les plus petites entreprises d’assurance. Charges administratives .11. Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un droit, d’une interdiction ou d’une obligation. љ Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes. 1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation. S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi. a. Agrément, structure de gouvernance, fonds propres, provisions techniques, actifs réglementaires, reporting, comptes annuels. b. Agrément, structure de gouvernance, fonds propres, provisions techniques, actifs réglementaires, reporting, comptes annuels, publication vis-à-vis du public. љ S’il y a des formalités et des obligations dans la réglementation actuelle*, répondez aux questions 2a à 4a. љ S’il y a des formalités et des obligations dans la réglementation en projet**, répondez aux questions 2b à 4b. 2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ? a. Dossier d'agrément, comptes annuels, états statistiques, reporting narratif. b. Dossier d'agrément, comptes annuels, états statistiques, reporting narratif. 737 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ? a. Par voie informatique. b. Par voie informatique. 4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ? a. Trimestrielle oiu annuelle selon le cas. b. Trimestrielle oiu annuelle selon le cas. 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ? Application du principe de proportionnalité pour les plus petites entreprises. Énergie .12. Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Mobilité .13. Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire, maritime et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Alimentation .14. Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Changements climatiques .15. Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du carbone. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Ressources naturelles .16. Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans), qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation), déforestation. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Air intérieur et extérieur .17. 738 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx, NOx, NH3), particules fines. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Biodiversité .18. Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Nuisances .19. Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses. ܆ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܈ Pas d’impact _ _ Autorités publiques .20. Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations, mesures d’exécution, investissements publics. ܈ Impact positif ܆ Impact négatif љ Expliquez. ܆ Pas d’impact Amélioration de la gouvernance d'entreprise. Cohérence des politiques en faveur du développement .21. Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement. 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : ӑ sécurité alimentaire ӑ santé et accès aux médicaments ӑ travail décent ӑ commerce local et international ӑ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation) ӑ mobilité des personnes ӑ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre) ӑ paix et sécurité Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné. Il s’agit d’une transposition d’une directive européenne en droit belge, qui ne concerne que le contrôle prudentiel des entreprises d'assurance et de réassurance. љ S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2. 2. Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel _ _ љ S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3. 3. Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ 739 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 58 419/1 9 december 2015 Op 3  november  2015 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de minister van Economie binnen een termijn van dertigdagen een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet “op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen”. Het voorontwerp is door de eerstekamer onderzocht op 24  en 25  november  2015. De kamer was samenge- steld uit Marnix  Van  Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison assessoren, en Greet Verberckmoes griffier. Karel Van Hulle, expert, is bij toepassing van artikel 82, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ter raadpleging geroepen. Het verslag is uitgebracht door Paul  Depuydt eerste auditeur-afdelingshoofd. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Dammekamervoorzitter Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 9 december 2015. 1. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wet- ten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond1, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Rekening houdend met de omvang en de techniciteit van het om advies voorgelegde voorontwerp van wet en met de termijn die haar voor haar onderzoek is gelaten, heeft de afde- ling Wetgeving het onderzoek meer in het bijzonder gericht op een aantal belangrijke aandachtspunten, waaronder in de eerste plaats de overeenstemming van het voorontwerp met richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 “betreffende de toegang tot en uitoe- fening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)”, hierna “Solvabiliteit II” genoemd. STREKKING VAN HET VOORONTWERP VAN WET 2. De regeling met betrekking tot het prudentieel toe- zicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemin- gen is, wat het interne recht betreft, in essentie vervat in twee wetten, zijnde de wet van 9  juli  19752, wat de 1 Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met hogere rechtsnormen verstaan. 2 Wet van 9  juli  1975  “betreffende de controle der verzekeringsondernemingen”. AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT N° 58 419/1 9 décembre 2015 Le 3 novembre 2015 le Conseil d’État, section de législa- tion, a été invité par le ministre de l’Économie à communiquer un avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi “relative au statut et au contrôle des entreprises d’assurance ou de réassurance”. L’avant-projet a été examiné par la première chambre les 24  et 25  novembre  2015. La chambre était com- posée de Marnix  Van  Damme, président de chambre, Wilfried  Van  Vaerenbergh et Wouter  Pas, conseillers d’État, Marc Rigaux et Michel Tison, assesseurs, et Greet Verberckmoes, greffier. Karel Van Hulle, expert, a été appelé en consultation, en appliquation de l’article 82, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973. Le rapport a été présenté par Paul Depuydt, premier audi- teur chef de section. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifi ée sous le contrôle de Marnix Van Damme, président de chambre. L’avis, dont le texte suit, a été donné le 9 décembre 2015. 1. En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation a fait porter son examen essentiellement sur la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique 1 et l’accomplissement des formalités prescrites. Compte tenu de l’ampleur et de la technicité de l’avant- projet de loi soumis pour avis et du délai qui lui était imparti pour l’examiner, la section de législation a axé son examen plus particulièrement sur une série de points importants, dont avant tout la conformité de l’avant-projet avec la direc- tive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 “sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II)”, dénommée ci-après “directive Solvabilité II”. PORTÉE DE L’AVANT-PROJET DE LOI 2. En ce qui concerne le droit interne, le régime de contrôle prudentiel des entreprises d’assurances et de réassurance est essentiellement inscrit dans deux lois, à savoir la loi du 9 juillet 1975 2, en ce qui concerne le contrôle des entreprises 1 S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fon- dement juridique” la conformité aux normes supérieures. 2 Loi du 9  juillet  1975  “relative au contrôle des entreprises d”assurances’. 740 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 controle der verzekeringsondernemingen betreft, en de wet van 16 februari 20093, wat de controle der herverzekerings- ondernemingen betreft. Deze wetten zijn tot stand gekomen ter omzetting van diverse Europese richtlijnen in de betrokken materie en hebben nadere uitvoering gekregen in uiteenlo- pende koninklijke besluiten.4 Op zowel het Europese als het internrechtelijke niveau werden een aantal nadelen ervaren met betrekking tot de bestaande regeling van prudentieel toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Die nadelen situeerden zich onder meer op het vlak van de berekening van de risico’s waaraan de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen worden blootgesteld en waarbij niet steeds rekening zou worden gehouden met de werkelijke risico’s. Voorts werd ook het gebrek aan voldoende geharmoniseerde regels inzake technische voorzieningen of op het vlak van governance en het toezicht op groepen van verzekeringsondernemingen als een nadeel ervaren. Zo zou bijvoorbeeld het gebrek aan een geharmoniseerde regeling inzake technische voorzieningen een concurrentieverstoring in de hand hebben gewerkt tussen ondernemingen die in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Om een antwoord te bieden op de nadelen van de be- staande regeling van prudentieel toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen werd op het Europese niveau Solvabiliteit II tot stand gebracht. De regeling van deze Europese richtlijn is gesteund op drie pijlers waarvan de fi naliteit er telkens in bestaat om voor de toekomst de nadelen weg te werken waarmee de bestaande regeling gepaard is gegaan. Zo worden in Solvabiliteit II kwantitatieve vereisten geformuleerd met betrekking tot de technische voorzieningen en het eigen vermogen (eerste pijler). Daarnaast worden de kwalitatieve normen beschreven waaraan de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten voldoen inzake governance en risicobeheer. Ook het toezichtsproces waar- aan deze ondernemingen door de toezichthouder worden onderworpen, wordt gedetailleerd uitgewerkt (tweede pijler). Tot slot worden de informatie- en publicatieverplichtingen van de betrokken ondernemingen naar zowel de toezichthouder als het publiek nader geregeld (derde pijler). Solvabiliteit II houdt een herschikking in van al bestaande Europese richtlijnen met betrekking tot het prudentieel toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, en bevat daarnaast een groot aantal inhoudelijk nieuwe of meer in de- tail uitgewerkte voorschriften met betrekking tot dat toezicht. Belangrijk is ook te benadrukken dat, waar in het verleden het gebrek aan de vereiste harmonisatie werd aangeklaagd, met Solvabiliteit II wordt gestreefd naar een maximale harmonisatie van de in de lidstaten toe te passen regels met betrekking tot het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.5 3 Wet van 16 februari 2009 “op het herverzekeringsbedrijf”. 4 Zie onder meer het koninklijk besluit van 22 februari 1991 “hou- dende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen”, het koninklijk besluit van 14 no- vember 2003 “betreffende de levensverzekeringsactiviteit”, en het koninklijk besluit van 27 september 2009 “tot uitvoering van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf”. 5 “Maximale harmonisatie in de gehele Gemeenschap van deze procedures en prudentiële beoordelingen is derhalve van es- sentieel belang” (Solvabiliteit II, overweging 75). d’assurances, et la loi du 16 février 2009 3, en ce qui concerne le contrôle des entreprises de réassurance. Ces lois ont été élaborées dans le but de transposer diverses directives européennes dans la matière concernée et ont été mises en oeuvre dans divers arrêtés royaux 4. Le régime de contrôle prudentiel existant des entre- prises d’assurances et de réassurance présentait plusieurs inconvénients, tant au niveau européen qu’au niveau du droit interne. Ces inconvénients concernaient notamment le calcul des risques auxquels les entreprises d’assurances ou de réassurance sont exposées et qui ne prendrait pas tou- jours en compte les risques réels. Par ailleurs, l’absence de règles suffisamment harmonisées en matière de provisions techniques ou de gouvernance et de contrôle des groupes d’entreprises d’assurances a également été perçue comme un inconvénient. Ainsi, par exemple, l’absence de règles harmonisées en matière de provisions techniques aurait créé une distorsion de concurrence entre entreprises établies dans différents États membres. La directive Solvabilité II a été élaborée au niveau européen afi n de pallier les inconvénients du régime de contrôle pruden- tiel existant des entreprises d’assurances et de réassurance. Les dispositions de cette directive européenne se fondent sur trois piliers dont la fi nalité consiste chaque fois à remédier pour l’avenir aux inconvénients du régime existant. Ainsi, la directive Solvabilité II formule des exigences quantitatives relatives aux provisions techniques et aux fonds propres (premier pilier). En outre, elle défi nit les normes qualitatives auxquelles les entreprises d’assurances et de réassurance doivent répondre en matière de gouvernance et de gestion des risques. Le processus de supervision auquel ces entreprises sont soumises de la part de l’autorité de contrôle est égale- ment élaboré en détail (deuxième pilier). Enfi n, les modalités des obligations d’information et de publication des entreprises concernées, tant à destination de l’autorité de contrôle que du public, sont réglées (troisième pilier). La directive Solvabilité II emporte une refonte des directives européennes existantes relatives au contrôle prudentiel des entreprises d’assurances et de réassurance et comporte, en outre, un grand nombre de prescriptions de fond nouvelles ou plus détaillées concernant ce contrôle. Il importe également de souligner que si l’absence d’harmonisation requise a été dénoncée par le passé, la directive Solvabilité II poursuit une harmonisation maximale des règles relatives au contrôle des entreprises d’assurances et de réassurance 5 qui doivent être appliquées dans les États membres. Cette constatation n’est 3 Loi du 16 février 2009 “relative à la réassurance”. 4 Voir notamment l’arrêté royal du 22 février 1991 “portant règle- ment général relatif au contrôle des entreprises d”assurances’, l’arrêté royal du 14 novembre 2003 “relatif à l”activité d’assu- rance sur la vie’ et l’arrêté royal du 27 septembre 2009 “portant exécution de la loi du 16 février 2009 relative à la réassurance”. 5 “Une harmonisation maximale, dans l’ensemble de la Communauté, de ces procédures et de ces évaluations prudentielles est donc essentielle” (directive Solvabilité II, considérant 75). 741 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze vaststelling is niet onbelangrijk in het licht van het onder- zoek van de overeenstemming van het om advies voorgelegde ontwerp van wet met Solvabiliteit II. 3. Het om advies voorgelegde ontwerp van wet strekt ertoe om de bepalingen van Solvabiliteit II in het interne recht om te zetten. Op een aantal bepalingen van het ontwerp na, die in werking treden op de dag van hun bekendmaking6, is het de bedoeling om de ontworpen regeling op 1 januari 2016 in werking te laten treden.7 Zoals in Solvabiliteit II het geval is, herschikt het ontwerp van wet reeds bestaande wetsbepalingen die vroegere Europese richtlijnen hebben omgezet in het interne recht en worden die bepalingen geïntegreerd in een nieuw, coherent geacht normengeheel. Daarnaast strekt de ontworpen rege- ling tot het implementeren van Solvabiliteit II door hetzij de bepalingen ervan zonder meer over te nemen, hetzij bepa- lingen ervan over te nemen maar deze tegelijk meer uit te werken ter wille van een efficiënte toepassing ervan in de Belgische rechtsorde. 4. Het ontwerp van wet bestaat uit tien boeken. Boek I (artikelen 1 tot 16) bevat de algemene bepalingen betreffende het doel en het toepassingsgebied van de ontwor- pen wet. Ook worden een groot aantal defi nities ingeschreven en wordt het gebruik in België geregeld van gereserveerde namen zoals onder meer “verzekeringsonderneming” of “herverzekeraar”. Het omvangrijke Boek II (artikelen 17 tot 549) bevat de regelgeving betreffende de verzekerings- en herverzekerings- ondernemingen naar Belgisch recht: de toegang tot het bedrijf (titel I), de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden (titel II), bijzondere bepalingen betreffende bepaalde categorieën verzekerings- ondernemingen (titel III), het toezicht op de ondernemingen (titel IV), het toezicht op verzekerings- en herverzekerings- groepen en aanvullend toezicht op fi nanciële conglomeraten (titel V), in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen (titel VI) en het beëindigen van de vergunning (titel VII). Boek III (artikelen 550 tot 601) heeft betrekking op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen naar bui- tenlands recht. Boek IV (artikelen 602 en 603) betreft de dwangsommen en andere dwangmaatregelen. Boek V (artikelen 604 tot 609) regelt de sancties. 6 Artikel 763, tweede lid, van het ontwerp. 7 Artikel 763, eerste lid, van het ontwerp. De datum van 1 janu- ari 2016 stemt overeen met die welke wordt voorgeschreven in artikel 309, lid 1, tweede alinea, van Solvabiliteit II, met dien verstande dat in artikel 309, lid 1, eerste alinea, van Solvabiliteit II wordt bepaald dat de lidstaten uiterlijk op 31 maart 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan de in die alinea opgesomde artikelen en bijlagen van de richtlijn te voldoen. pas sans importance au regard de l’examen de la conformité du projet de loi soumis pour avis avec la directive Solvabilité II. 3. Le projet de loi soumis pour avis a pour objet de transposer en droit interne les dispositions de la directive Solvabilité II. À l’exception de quelques dispositions du projet, qui entrent en vigueur le jour de leur publication 6, l’intention est de faire entrer la réglementation en projet en vigueur le 1er janvier 2016 7. À l’instar de la directive Solvabilité II, le projet de loi rema- nie des dispositions légales existantes qui ont transposé d’anciennes directives européennes en droit interne et les intègre dans un nouvel ensemble de normes, réputé cohérent. En outre, la réglementation en projet vise à mettre en œuvre la directive Solvabilité II, soit en reproduisant purement et simplement ses dispositions, soit en reproduisant des dispo- sitions de celle-ci tout en les élaborant davantage afi n d’en assurer une application efficace dans l’ordre juridique belge. 4. Le projet de loi se compose de dix livres. Le livre Ier (article 1er à 16) contient les dispositions générales relatives à l’objet et au champ d’application de la loi en projet. Il comporte également un grand nombre de défi nitions et règle l’usage en Belgique de dénominations réservées comme notamment “entreprise d’assurances” ou “réassureur”. Le volumineux livre II (articles 17  à 549) contient la réglementation relative aux entreprises d’assurances et de réassurance de droit belge: l’accès à l’activité (titre 1er), les conditions d’exercice de l’activité (titre II), les dispositions particulières relatives à certaines catégories d’entreprises d’assurances (titre III), le contrôle des entreprises (titre IV), le contrôle des groupes d’assurances et de réassurance et la surveillance complémentaire des conglomérats fi nanciers (titre V), les entreprises d’assurances ou de réassurance en difficulté ou en situation irrégulière (titre VI) et la fi n de l’agrément (titre VII). Le livre III (articles 550 à 601) concerne les entreprises d’assurances et de réassurance de droit étranger. Le livre IV (articles 602 et 603) porte sur les astreintes et autres mesures coercitives. Le livre V (articles 604 à 609) règle les sanctions. 6 Article 763, alinéa 2, du projet. 7 Article 763, alinéa 1er, du projet. La date du 1er janvier 2016 cor- respond à celle prescrite à l’article 309, paragraphe 1, deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II, étant entendu que l’article 309, paragraphe 1, premier alinéa, de cette directive dispose que les États membres mettent en vigueur les dispositions législatives, réglementaires et administratives nécessaires pour se conformer aux articles et annexes de la directive, énumérés dans cet alinéa, au plus tard le 31 mars 2015. 742 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Boek VI (artikelen 610 tot 639) bevat de voor verzekerings- ondernemingen geldende regels van het internationaal privaat- recht inzake saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures. Boek VII (artikelen 640 tot 644) betreft de materieelrech- telijke aspecten van liquidatieprocedures. Boek IX (artikelen 645 tot 762) bevat de slot-, wijzigings-, overgangs- en opheffingsbepalingen. Boek X (artikel 763) tenslotte regelt de inwerkingtreding. Overeenstemming met Solvabiliteit II 5. In artikel 5, tweede lid, van het ontwerp wordt met het herverzekeringsbedrijf gelijkgesteld “de dekking die een herverzekeringsonderneming voor eigen rekening biedt aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die on- der de toepassing valt van de titels II en III van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening”. Dit lijkt niet verenigbaar met de omschrijving van de activiteiten van herverzekering in artikel 13, lid 7, van Solvabiliteit II, waarbij ervan wordt uitgegaan dat een risico wordt overgedragen door een ver- zekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming. Een pensioenfonds bijvoorbeeld is geen verzekeringsonder- neming en kan derhalve de risico’s slechts overdragen aan een verzekeraar. 6. In artikel 22, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank8 wordt voor- gelegd, een administratief dossier wordt gevoegd “dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het in artikel 35 bedoelde programma van werkzaamheden bevat, alsook een beschrijving van het governancesysteem van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en van de nauwe banden die zij met andere personen heeft”. Zoals artikel 22, eerste lid, van het ontwerp is geredigeerd, wordt het aan de Bank overgelaten om vrij de minimale inhoud van het administratief dossier te bepalen. Er moet evenwel op worden gewezen dat, via het vastleggen van de minimale inhoud van het administratief dossier, niet mag worden afgeweken van artikel 18 van Solvabiliteit II, waarin de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning worden beschreven. Vraag is of, rekening houdend met deze vaststelling en de blijkbaar ruime bevoegdheid die op dat punt aan de Bank wordt gegeven, de bevoegdheid van deze laatste niet nauwkeuriger moet worden omschreven in de tekst van het ontwerp. 7. In artikel 26, derde lid, maar ook in andere bepalingen van het ontwerp,9 wordt melding gemaakt van de uitoefening van een “onafhankelijke controlefunctie”. Vraag is op welke wijze dat begrip zich verhoudt tot het begrip “sleutelfunctie”, zoals dat voorkomt in onder meer de artikelen 26, lid 3, en 42 van Solvabiliteit II. Die vraag is des te meer relevant ermee rekening houdend dat in artikel 42, § 1, 4°, van het ontwerp het begrip “onafhankelijke controlefuncties” wordt omschreven 8 De Nationale Bank van België (zie artikel  15, 82°, van het ontwerp). 9 Zie onder meer de artikelen 54 en 82 van het ontwerp. Le livre VI (articles 610 à 639) contient les règles de droit international privé en matière de mesures d’assainissement et de procédures de liquidation applicables à des entreprises d’assurances. Le livre VII (articles 640 à 644) concerne les aspects de droit matériel des procédures de liquidation. Le livre IX (articles 645 à 762) comporte les dispositions fi nales, modifi catives, transitoires et abrogatoires. Le livre X (article 763), enfi n, règle l’entrée en vigueur. Conformité avec la directive solvabilité ii 5. L’article 5, alinéa 2, du projet assimile à une activité de réassurance “la couverture, par une entreprise de réassu- rance, pour son propre compte, d’une institution de retraite professionnelle relevant du champ d’application des titres Il et Ill de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle”. Cela ne paraît pas compatible avec la défi nition des activités de réassurance fi gurant à l’article 13, paragraphe 7, de la directive Solvabilité II, qui part du principe qu’un risque est cédé par une entreprise d’assurances ou une entreprise de réassurance. Un fonds de pension, par exemple, n’est pas une entreprise d’assurances et ne peut dès lors céder les risques qu’à un assureur. 6. L’article 22, alinéa 1er, du projet, énonce que la demande d’agrément est soumise à la Banque 8, accompagnée d’un dossier administratif “répondant aux conditions qu’elle fi xe et qui comporte notamment le programme d’activités visé à l’article 35 ainsi que la description du système de gou- vernance de l’entreprise d’assurance[s] ou de réassurance et de ses liens étroits avec d’autres personnes”. Dans sa formulation actuelle, l’article 22, alinéa 1er, du projet laisse à la Banque le soin de déterminer le contenu minimal du dossier administratif. On relèvera toutefois qu’en déterminant le contenu minimal du dossier administratif, on ne peut pas déroger à l’article 18 de la directive Solvabilité II, qui défi nit les conditions d’octroi d’un agrément. La question se pose de savoir si, compte tenu de cette constatation et du pouvoir apparemment étendu qui est conféré à la Banque sur ce point, la compétence de cette dernière ne doit pas être défi nie de manière plus précise dans le texte du projet. 7. L’article 26, alinéa 3, mais également d’autres dispo- sitions du projet  9, mentionne l’exercice d’une “fonction de contrôle indépendante”. Reste à savoir de quelle manière cette notion s’articule avec celle de “fonction clé”, telle qu’elle fi gure notamment dans les articles 26, paragraphe 3, et 42 de la directive Solvabilité II. Cette question est d’autant plus perti- nente, que l’article 42, § 1er, 4°, du projet défi nit la notion de “fonctions de contrôle indépendantes” comme des “fonctions 8 La Banque nationale de Belgique (voir l’article 15, 82°, du projet). 9 Voir notamment les articles 54 et 82 du projet. 743 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 als “passende onafhankelijke sleutelfuncties inzake interne audit, risicobeheer, compliance en actuariaat” en in andere bepalingen van het ontwerp, zoals artikel 56, § 2, eerste lid, gebruik wordt gemaakt van de term “sleutelfuncties”. Ter wille van de eenvormigheid en de duidelijkheid kan worden geopteerd voor het gebruik van de term “sleutelfuncties” in plaats van “controlefuncties” zodat op die wijze tevens beter zou worden aangesloten bij de terminologie van Solvabiliteit II. In ieder geval verdient het aanbeveling om het begrip “sleu- telfunctie” nader te omschrijven in de tekst van het ontwerp, al was het maar om het duidelijker af te bakenen ten aanzien van het begrip “controlefunctie”. 8. Het bepaalde in artikel 31, derde lid, van het ontwerp houdt in dat toepassing moet worden gemaakt van artikel 176, eerste alinea, van Solvabiliteit II, waarin ook voorzien wordt in een verplichte kennisgeving door de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten aan EIOPA10. In artikel 31, derde lid, van het ontwerp wordt enkel melding gemaakt van een kennisgeving aan de Europese Commissie en de toezicht- houders van de andere lidstaten. In artikel 31, derde lid, van het ontwerp moet tevens van de kennisgeving aan EIOPA melding worden gemaakt. Een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van som- mige andere bepalingen van het ontwerp zoals artikel 7311. 9. Luidens artikel 42, § 2, van het ontwerp is het gover- nancesysteem, bedoeld in paragraaf  1  van die bepaling, “uitputtend uitgewerkt” en staat het “in verhouding tot de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die aan het bedrijfsmodel en aan de activiteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn verbonden”. In de commentaar die in de memorie van toelichting bij artikel 42, § 2, van het ontwerp, wordt gegeven, wordt het volgende vermeld: “Paragraaf 2 van ontwerpartikel 42 zorgt voor de omzetting van [artikel 41, lid 2], van de Richtlijn.12 Enerzijds bekrachtigt deze paragraaf een verplichting tot uitputtende uitwerking van de organisatieregeling, met name een organisatie die aangepast is aan de specifi eke kenmerken van de onderne- ming en derhalve aan al haar activiteiten, en anderzijds het evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot een verlichting van de vereisten voor kleinere structuren.” Vastgesteld moet worden dat in artikel  41, lid  2, van Solvabiliteit II geen melding wordt gemaakt van het “uitputtend uitwerken” van het governancesysteem.13 Bovendien wordt 10 European Insurance and Occupational Pensions Authority. 11 Kennisgeving verplicht overeenkomstig artikel 176, derde alinea, van Solvabiliteit II. 12 In de Nederlandse tekst van de memorie van toelichting is de verwijzing naar “artikel 74, lid 2 van de Richtlijn” niet correct. 13 In artikel 41, lid 1, eerste alinea, van Solvabiliteit II wordt melding gemaakt van “een doeltreffend governancesysteem dat voor een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt”, terwijl luidens artikel 41, lid 2, van dezelfde richtlijn het governancesysteem “pro- portioneel” is “aan de aard, omvang en complexiteit van de ver- richtingen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming”. clés d’audit interne, de gestion des risques, de vérifi cation de la conformité (compliance) et actuarielle indépendantes adéquates” et que d’autres dispositions du projet, comme l’article 56, § 2, alinéa 1er, emploient les mots “fonctions clés”. Dans un souci d’uniformité et de clarté, on pourrait opter pour l’emploi des mots “fonctions clés” au lieu de “fonctions de contrôle”, ce qui permettrait de se rapprocher davantage de la terminologie utilisée dans la directive Solvabilité II. En tout état de cause, il est recommandé de défi nir plus précisément la notion de “fonction clé” dans le texte du projet, ne serait-ce que pour la circonscrire plus clairement par rapport à la notion de “fonction de contrôle”. 8. L’article 31, alinéa 3, du projet, implique qu’il faut faire application de l’article 176, premier alinéa, de la directive Solvabilité II, qui prévoit également une notifi cation obligatoire par les autorités de contrôle des États membres à l’AEAPP 10. L’article 31, alinéa 3, du projet fait uniquement état d’une notifi cation à la Commission européenne et aux autorités de contrôle des autres États membres. Il doit également men- tionner la notifi cation à l’AEAPP. Une observation similaire peut être formulée à l’égard de plusieurs autres dispositions du projet, telles que l’article 73 11. 9. Selon l’article 42, § 2, du projet, le système de gouver- nance visé au paragraphe 1er de cette disposition présente “un caractère exhaustif” et est “proportionné à la nature, à l’ampleur et à la complexité des risques inhérents au modèle d’entreprise et aux activités de l’entreprise d’assurance[s] ou de réassurance”. Le commentaire que donne l’exposé des motifs à propos de l’article 42, § 2, du projet mentionne ce qui suit: “Le paragraphe 2  de l’article 42  en projet assure la transposition de l’article 41, paragraphe 2 de la Directive 12. Il consacre, d’une part, une obligation d’exhaustivité du dispositif organisationnel, c’est-à-dire, son caractère appro- prié au regard des spécifi cités de l’entreprise et dès lors de l’ensemble [de] ses activités et, d’autre part, le principe de proportionnalité qui peut conduire à un allègement des exi- gences à l’égard des plus petites structures” Force est de constater que l’article 41, paragraphe 2, de la directive Solvabilité II, ne fait pas mention du “caractère exhaustif” du système de gouvernance 13. En outre, pareille 10 Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles. 11 Notification obligatoire conformément à l’article 176, troisième alinéa, de la directive Solvabilité II. 12 Dans le texte néerlandais de l’exposé des motifs, la référence à l’“artikel 74, lid 2 van de Richtlijn” n’est pas correcte. 13 L’article 41, paragraphe 1, premier alinéa, de la directive Solvabilité II, mentionne “un système de gouvernance efficace, qui garantisse une gestion saine et prudente de l’activité”, alors qu’aux termes de l’article 41, paragraphe 2, de la même direc- tive, le système de gouvernance “est proportionné à la nature, à l’ampleur et à la complexité des opérations de l’entreprise d’assurance ou de réassurance”. 744 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 met dergelijke terminologie de indruk gewekt dat er voor de betrokken ondernemingen geen enkele beoordelingsvrijheid meer wordt gelaten om hun governancestructuur op bepaalde punten zelf te organiseren. Ook draagt het gebruik van die terminologie niet bij tot de interne coherentie van de ontwor- pen regeling waarin, enerzijds, aan een zekere evenredig- heid wordt gerefereerd en, anderzijds, een vereiste van een “uitputtende” uitwerking wordt voorgeschreven dat precies lijkt in te gaan tegen de evenredigheidsnotie. Deze vaststelling wordt niet ongedaan gemaakt door de volgende toelichting van de gemachtigde: “Le caractère exhaustif ne porte pas préjudice au principe de proportionnalité. Il indique qu’aucun aspect de la gou- vernance des entreprises ne doit être exempt d’un examen determinant les mesures que l’entreprise doit ou ne doit pas prendre, eu égard à sa situation concrète. Het gebruik van de term “passend” is niet strijdig met de in de Richtlijn gebruikte term “proportioneel”. Artikel 42, § 2 van de ontwerpwet bevestigt bovendien uitdrukkelijk het evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot een verlichting van de vereisten voor kleinere structuren.” De tekst van het ontwerp zou op dit punt aan een bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen. 10. In artikel 44 van het ontwerp wordt aan het wettelijk bestuursorgaan de eindverantwoordelijkheid opgedragen voor het functioneren van de verzekerings- of herverzeke- ringsonderneming, waaronder het vastleggen en controleren van de strategie en de doelstellingen van de onderneming alsmede het risicobeleid. In artikel 40 van Solvabiliteit II wordt er de lidstaten evenwel opgedragen om ervoor te zorgen “dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de eindverantwoordelijkheid draagt voor de naleving door de betrokken onderneming van de wettelijke en bestuursrech- telijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld”. Aan het wettelijk bestuursorgaan wordt derhalve ook de eindverantwoordelijkheid opgedragen voor het naleven door de onderneming van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in artikel 40 van Solvabiliteit II worden bedoeld. Dit zou duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in de tekst van artikel 44 van het ontwerp. 11. In artikel 56, § 2, eerste lid, van het ontwerp wordt be- paald dat “[h]et risicobeheersysteem (...) perfect geïntegreerd [is] in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocedu- res van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming”. In artikel 44, lid 1, tweede alinea, van Solvabiliteit II wordt evenwel bepaald dat het “Risk managementsysteem (...) doeltreffend en goed geïntegreerd [is] in de organisatiestruc- tuur en de besluitvormingsprocessen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming”. Een “perfecte integratie” wordt blijkbaar niet beoogd in Solvabiliteit II, afgezien nog van de vraag of dergelijke integratie in de praktijk mogelijk is. De tekst van artikel 56, § 2, eerste lid, van het ontwerp zou om die re- denen het best de terminologie van Solvabiliteit II overnemen. terminologie donne à penser que plus aucune liberté d’appré- ciation n’est laissée aux entreprises concernées pour organi- ser elles-mêmes leur système de gouvernance sur certains points. L’emploi de cette terminologie ne favorise pas non plus la cohérence interne de la réglementation en projet qui, d’une part, fait référence à une certaine proportionnalité et, d’autre part, prescrit une exigence d’“exhaustivité” qui paraît précisément aller à l’encontre de la notion de proportionnalité. Cette constatation n’est pas infi rmée par la déclaration suivante du délégué: “Le caractère exhaustif ne porte pas préjudice au principe de proportionnalité. Il indique qu’aucun aspect de la gou- vernance des entreprises ne doit être exempt d’un examen déterminant les mesures que l’entreprise doit ou ne doit pas prendre, eu égard à sa situation concrète. Het gebruik van de term “passend” is niet strijdig met de in de Richtlijn gebruikte term “proportioneel”. Artikel 42, § 2 van de ontwerpwet bevestigt bovendien uitdrukkelijk het evenredigheidsbeginsel, dat kan leiden tot een verlichting van de vereisten voor kleinere structuren”. Le texte du projet devrait être réexaminé sur ce point. 10. L’article 44 du projet attribue à l’organe légal d’admi- nistration la responsabilité fi nale du fonctionnement de l’entre- prise d’assurances ou de réassurance, notamment la fi xation et le contrôle de la stratégie et des objectifs de l’entreprise ainsi que la politique en matière de risques. Toutefois, l’article 40 de la directive Solvabilité II laisse aux États membres le soin de veiller “à ce que l’organe d’administration, de gestion ou de contrôle de l’entreprise d’assurance ou de réassurance assume la responsabilité fi nale du respect, par l’entreprise concernée, des dispositions législatives, réglementaires et administratives adoptées en vertu de la présente directive”. La responsabilité fi nale du respect des dispositions législatives, réglementaires et administratives, visées à l’article 40 de la directive Solvabilité II, est dès lors également conférée à l’organe légal d’administration. Il faudrait l’exprimer plus clairement dans le texte de l’article 44 du projet. 11. L’article 56, § 2, alinéa 1er, du projet dispose que “[l] e système de gestion des risques est parfaitement intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de prise de décision de l’entreprise d’assurance ou de réassurance”. Toutefois, l’article 44, paragraphe 1, deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II énonce que le “système de gestion des risques est efficace [et], parfaitement intégré à la structure organisationnelle et aux procédures de prise de décision de l’entreprise d’assurance ou de réassurance”. De toute évidence, la directive Solvabilité II ne vise pas une “intégration parfaite”, indépendamment de la question de savoir si pareille intégration est possible dans la pratique. Pour ces raisons, mieux vaudrait que le texte de l’article 56, § 2, alinéa 1er, du projet reproduise la terminologie utilisée dans la directive Solvabilité II. 745 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 12. In de artikelen 74 en 75 van het ontwerp wordt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming de verplichting opgelegd om voldoende eigen of kernvermogen te hebben om “permanent” het vastgestelde solvabiliteitskapitaalvereiste respectievelijk minimumkapitaalvereiste te dekken. Het vereiste van permanente dekking roept vooral vragen op wat het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft.14 Een perma- nente dekking impliceert immers dat het solvabiliteitskapi- taalvereiste in de praktijk steeds boven honderd procent zal moeten zijn gesitueerd ermee rekening houdend dat het eigen vermogen als gevolg van de marktconsistente waardering volatiel is. In artikel 100, lid 1, van Solvabiliteit II wordt evenwel niet voorgeschreven dat er, wat het solvabiliteitskapitaalver- eiste betreft, een “permanente” dekking moet zijn. De vraag rijst trouwens hoe in de praktijk zal worden nagegaan of er effectief een “permanente” dekking is van het solvabiliteits- kapitaalvereiste, aangezien uit artikel 152, § 1, eerste lid, van het ontwerp voortvloeit dat het solvabiliteitskapitaalvereiste slechts “ten minste eenmaal per jaar” moet worden berekend door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,15 hetgeen te weinig zou zijn om een voortdurend inzicht met betrekking tot de “permanente” dekking te verwerven. Hetgeen voorafgaat maakt dat — zeker wat de “perma- nente” dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft — de Raad van State, afdeling Wetgeving, zich afvraagt of niet het best wordt aangesloten bij Solvabiliteit II waarin het permanentievereiste niet wordt gesteld. 13. In artikel 81, § 1, eerste lid, van het ontwerp worden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen ertoe verplicht de Bank voorafgaandelijk in kennis te stellen van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Uit artikel 81, § 2, eerste lid, van het ontwerp volgt dat de benoeming van de voornoemde personen voorafgaandelijk ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Bank. Deze regeling lijkt moeilijk te sporen met de geest van Solvabiliteit II, zoals die treffend is beschreven in overwe- ging 99 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van 14 Inzake het minimumkapitaalvereiste wordt in artikel 128 van Solvabiliteit II evenmin in een vereiste van “permanente” dek- king voorzien. Omdat het evenwel een vereiste betreft dat niet dezelfde functie heeft als het solvabiliteitskapitaalvereiste zou in voorkomend geval een verantwoording kunnen bestaan voor een “permanente” dekking van het minimumkapitaalvereiste, dat trouwens overeenkomstig artikel 189, § 4, eerste lid, van het ont- werp, “ten minste eenmaal per kwartaal” moet worden berekend door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen (zie ook artikel 129, lid 4, eerste lid, van Solvabiliteit II). Het verdient niettemin aanbeveling dat enige verduidelijking zou worden ge- geven omtrent de reden waarom in het ontwerp het vereiste van “permanente” dekking van het minimumkapitaalvereiste wordt ingeschreven in tegenstelling tot wat in Solvabiliteit II het geval is. 15 Dat is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 102, lid 1, van Solvabiliteit II. 12. Les articles 74 et 75 du projet imposent à chaque entre- prise d’assurances ou de réassurance l’obligation de détenir suffisamment de fonds propres ou de fonds propres de base pour couvrir “en permanence” le capital de solvabilité requis ou le minimum de capital requis qui a été fi xé”. L’exigence de couverture permanente suscite des questions, principalement en ce qui concerne le capital de solvabilité requis  14. En effet, une couverture permanente implique que le capital de solvabilité requis devra dans la pratique toujours être supérieur à cent pour cents, eu égard à la volatilité des fonds propres consécutivement à l’évaluation consécutivement à l’évaluation en cohérence avec le marché. Toutefois, l’article 100, paragraphe 1, de la directive Solvabilité II ne prescrit pas l’obligation d’une couverture “permanente” en ce qui concerne le capital de solvabilité requis. Se pose d’ailleurs la question de savoir comment on vérifi era, dans la pratique, s’il existe effectivement une couverture “perma- nente” du capital de solvabilité requis, dès lors qu’il résulte de l’article 152, § 1er, alinéa 1er, du projet que ce capital ne doit être calculé qu’“au moins une fois par an” par les entreprises d’assurances ou de réassurance 15, ce qui serait insuffisant pour avoir un aperçu constant de la couverture “permanente”. Il résulte de ce qui précède que — certainement en ce qui concerne la couverture “permanente” du capital de solvabilité requis — le Conseil d’État, section de législation, se demande s’il ne serait pas préférable de s’inspirer de la directive Solvabilité II, qui ne contient pas d’exigence de permanence. 13. L’article 81, § 1er, alinéa 1er, du projet oblige les entre- prises d’assurances ou de réassurance à informer préa- lablement la Banque de la proposition de nomination des membres de l’organe légal d’administration et des membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direc- tion, des personnes chargées de la direction effective, ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes. Il découle de l’article 81, § 2, alinéa 1er, du projet que la nomination des personnes précitées est soumise à l’approbation préalable de la Banque. Cette procédure paraît difficilement se concilier avec l’esprit de la directive Solvabilité II, tel qu’il est justement décrit dans le considérant 99 du règlement délégué (UE) 2015/35 de 14 En ce qui concerne le minimum de capital requis, l’article 128 de la directive Solvabilité II ne prévoit pas non plus une exigence de couverture “permanente”. Dès lors qu’il s’agit toutefois d’une exigence qui n’a pas la même fonction que le capital de solvabilité requis, la couverture “permanente” du minimum de capital requis qui, conformément à l’article 189, § 4, alinéa 1er, du projet doit d’ailleurs être calculé “au moins une fois par trimestre” par les entreprises d’assurances ou de réassurance (voir également l’ar- ticle 129, paragraphe 4, premier alinéa, de la directive Solvabilité II) pourrait trouver à se justifier en l’espèce. Il est néanmoins recommandé de fournir des précisions concernant la raison pour laquelle le projet, contrairement à la directive Solvabilité II, exige la couverture “permanente” du minimum de capital requis. 15 Ce qui est conforme à la disposition de l’article 102, paragraphe 1, de la directive Solvabilité II. 746 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 de Commissie van 10 oktober 2014,16 waarin onder meer het volgende wordt vermeld: “Teneinde de toezichthoudende autoriteit in staat te stel- len, indien nodig, tijdig corrigerende maatregelen te treffen, dienen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen tijdig de toezichthoudende autoriteit in kennis te stellen van infor- matie over alle personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of voor andere sleutelfuncties verantwoordelijk zijn, en van andere informatie die vereist is om de deskundigheid en betrouwbaarheid van deze personen te beoordelen. In het besef dat moet worden vermeden dat verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of toezichthouders te zwaar worden belast, behoeft deze kennisgeving door verzekerings- of herverzekeringsondernemingen echter niet van tevoren door de toezichthoudende autoriteit te worden goedgekeurd. Ingeval de toezichthoudende overheid concludeert dat een persoon niet aan de in Richtlijn 2009/138/EG vastgelegde deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten voldoet, moet zij de bevoegdheid hebben van de onderneming te eisen dat zij de betrokken persoon vervangt.” In artikel 81 van het ontwerp lijkt effectief te worden uitge- gaan van het vereiste van een “voorafgaande goedkeuring” door de toezichthoudende overheid. Indien de tekst van het ontwerp op dat punt ongewijzigd zou blijven, doet de steller van het ontwerp er goed aan om in de memorie van toelichting te verduidelijken op welke wijze artikel 81 van het ontwerp volgens hem valt te verzoenen met de aan Solvabiliteit II ten grondslag liggende bedoeling zoals die in de aangehaalde overweging van de Gedelegeerde Verordening is beschreven. 14. In de inleidende zin van artikel 92, tweede lid, van het ontwerp wordt melding gemaakt van de uitbesteding van “operationele taken”. In de overeenkomstige bepaling van artikel 49, lid 2, van Solvabiliteit II wordt evenwel melding gemaakt van “kritieke of belangrijke operationele functies of werkzaamheden”. Gelet op het streven naar maximale harmonisatie dat aan Solvabiliteit II ten grondslag ligt, wordt de tekst van het ontwerp op dit punt het best meer afgestemd op artikel 49, lid 2, van Solvabiliteit II. 15. Artikel 101 van het ontwerp luidt: “De Bank kan de inhoud en de wijze van indiening van de in deze Afdeling bedoelde informatie preciseren bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.” De bevoegdheid die aldus wordt toegekend aan de Bank om verdere invulling te geven aan het verslag over de solvabiliteit en de fi nanciële positie lijkt hier op gespannen voet te kunnen komen met het bepaalde in artikel 56 van Solvabiliteit II dat op dat vlak bevoegdheden toekent aan de Commissie en EIOPA. 16 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 “tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)”. la Commission du 10 octobre 201416, qui mentionne notam- ment ce qui suit: “Afi n de permettre aux autorités de contrôle de prendre à temps toute mesure corrective requise, il conviendrait que les entreprises d’assurance et de réassurance notifi ent à celles-ci, en temps utile, les informations relatives à toutes les personnes qui dirigent effectivement l’entreprise ou qui occupent d’autres fonctions clés en son sein et les autres informations nécessaires pour apprécier la compétence et l’honorabilité de ces personnes. Toutefois, étant reconnue la nécessité de ne pas faire peser de contraintes indues sur les entreprises d’assurance et de réassurance et leurs autorités de contrôle, cette notifi cation par les entreprises d’assurance et de réassurance ne devrait pas impliquer d’approbation préalable de la part de l’autorité de contrôle. Dans le cas où elle conclurait qu’une personne ne satisfait pas aux exigences de compétence et d’honorabilité énoncées dans la directive 2009/138/CE, l’autorité de contrôle devrait avoir le pouvoir d’exiger de l’entreprise qu’elle remplace cette personne”. L’article 81 du projet semble effectivement partir du principe de l’exigence d’une “approbation préalable” par l’autorité de contrôle. Si le texte du projet devait demeurer en l’état sur ce point, l’auteur du projet serait bien avisé de préciser dans l’exposé des motifs comment l’article 81 du projet peut, selon lui, se concilier avec l’intention qui sous-tend la directive Solvabilité II, telle qu’elle est décrite dans le considérant cité du règlement délégué. 14. La phrase introductive de l’article 92, alinéa 2, du projet mentionne la sous-traitance de “tâches opérationnelles”. Or, la disposition correspondante de l’article 49, paragraphe 2, de la directive Solvabilité II fait état “d’activités ou de fonc- tions opérationnelles importantes ou critiques”. Eu égard à la volonté d’harmonisation maximale qui sous-tend la directive Solvabilité II, mieux vaudrait que le texte du projet s’aligne davantage à cet égard sur l’article 49, paragraphe 2, de la directive Solvabilité II. 15. L’article 101 du projet s’énonce comme suit: “La Banque peut préciser le contenu et les modalités de présentation des informations prévues [dans] la présente Section, par voie de règlement adopté en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998”. Le pouvoir ainsi conféré à la Banque pour concrétiser le rapport sur la solvabilité et la situation fi nancière paraît en l’occurrence susceptible de se heurter à la disposition de l’article 56 de la directive Solvabilité II qui, dans ce domaine, attribue des pouvoirs à la Commission et à l’AEAPP. 16 Règlement délégué (UE) 2015/35  de la Commission du 10  octobre  2014  “complétant la directive  2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil sur l’accès aux activités de l’assurance et de la réassurance et leur exercice (solvabilité II)”. 747 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Ook met betrekking tot andere bepalingen van het ont- werp, zoals de artikelen 201 en 404, waarin aan de Bank een bevoegdheid wordt verleend die niet lijkt uit te sluiten dat zij mede de inhoud van de aan haar te verstrekken informatie vastlegt, moet worden nagegaan of dergelijke verdergaande reglementering wel in overeenstemming is met Solvabiliteit II en de uitvoeringsmaatregelen ervan. 16. In artikel 139 van het ontwerp wordt niet met zoveel woorden bepaald dat de Bank kan eisen dat een onderne- ming het niveau van haar technische voorzieningen verhoogt indien zij vaststelt dat de onderneming de bepalingen ter zake niet naleeft. In de commentaar die in de memorie van toelichting bij artikel 139 van het ontwerp wordt gegeven, wordt in dat ver- band onder meer het volgende vermeld: “Het spreekt voor zich dat de Bank kan eisen dat een onderneming het niveau van haar technische voorzieningen verhoogt indien ze vaststelt dat deze onderneming de bepa- lingen van deze onderafdeling niet naleeft. Vanuit dit oogpunt lijkt het niet nodig om artikel 85 van de Richtlijn uitdrukkelijk om te zetten.” Deze vermelding in de memorie van toelichting ten spijt verdient het ter wille van de rechtszekerheid aanbeveling dat ook artikel 85 van Solvabiliteit II effectief wordt omgezet in de tekst van het ontwerp. 17. De artikelen 190 tot 193 van het ontwerp strekken tot het omzetten van diverse onderdelen van artikel 132 van Solvabiliteit  II. Het bepaalde in artikel  133, lid  3, van Solvabiliteit II inzake de beperking van de beleggingsvrijheid voor tak 23-producten wordt blijkbaar niet omgezet. In de me- morie van toelichting wordt onder “4. De opties van de Richtlijn en de Belgische keuzes”, in dat verband het volgende vermeld: “Deze optie moet worden beschouwd als een maatregel ter bescherming van de verzekeringsconsumenten. In die hoedanigheid werd ze niet omgezet in het voorliggende wets- ontwerp, maar wel in artikel 20 van de wet van 4 april 2014 be- treffende de verzekeringen.” In de artikelen 20 tot 23 van de wet van 4 april 2014 “be- treffende de verzekeringen” wordt de beleggingsvrijheid voor levensverzekeringsovereenkomsten gekoppeld aan een beleggingsfonds (tak 23) in verschillende opzichten beperkt. Met betrekking tot de vermelde regeling merkte de Raad van State, afdeling Wetgeving, in zijn advies betreffende het wetsontwerp dat de wet van 4 april 2014 is geworden17 het volgende op: “Tegen deze achtergrond zijn de ontworpen bepalingen die betrekking hebben op het beleggingsbeleid van verzekeringen uit de groep activiteiten “leven” die verbonden zijn met een beleggingsfonds (artikelen 21 tot en met 23 van het ontwerp) problematisch. De stellers van het ontwerp refereren in dit 17 Adv.RvS 54 452/1 van 20 december 2013 over een voorontwerp van wet “betreffende de verzekeringen”, Parl.St. Kamer, 2013-14, nr. 53-3361/001, p. 234. En ce qui concerne d’autres dispositions du projet éga- lement, telles que les articles 201 et 404, qui attribuent à la Banque un pouvoir qui ne paraît pas exclure qu’elle fi xe également le contenu des informations qui doivent lui être fournies, il convient de vérifi er si pareille réglementation plus étendue est bel et bien conforme à la directive Solvabilité II et à ses mesures d’exécution. 16. L’article 139 du projet ne dispose pas explicitement que la Banque peut exiger qu’une entreprise relève le niveau de ses provisions techniques si elle constate que cette entreprise ne respecte pas les dispositions en la matière. À cet égard, le commentaire que donne l’exposé des motifs à propos de l’article 139 du projet mentionne ce qui suit: “Il va de soi que la Banque peut exiger qu’une entreprise relève le niveau de ses provisions techniques si elle constate que cette entreprise ne respecte pas les dispositions de la présente sous-section. De ce point de vue, l’article 85 de la Directive ne paraît pas devoir faire l’objet d’une transposition expresse”. Nonobstant cette mention dans l’exposé des motifs, il est recommandé, dans un souci de sécurité juridique, de trans- poser également effectivement l’article 85 de la directive Solvabilité II dans le texte du projet. 17. Les articles 190 à 193 du projet visent à transposer diverses subdivisions de l’article 132 de la directive Solvabilité II. L’article 133, paragraphe 3, de la directive Solvabilité II relatif à la limitation de la liberté d’investissement pour les pro- duits de la branche 23 n’est de toute évidence pas transposé. À cet égard, l’exposé des motifs mentionne au point “4. Les options de la directive et les choix de la Belgique” ce qui suit: “Cette option doit être considérée comme une mesure de protection des consommateurs d’assurance. À ce titre, elle n’a pas fait l’objet d’une transposition par le présent projet de loi mais par l’article 20 de la loi du 4 avril 2014 sur les assurances”. Les articles 20 à 23 de la loi du 4 avril 2014 “relative aux assurances” limitent la liberté d’investissement pour les contrats d’assurance sur la vie liés à un fonds d’investisse- ment (branche 23) à des degrés divers. En ce qui concerne le régime mentionné, le Conseil d’État, section de législation, dans son avis sur le projet de loi devenu la loi du 4 avril 201417, a observé ce qui suit: “Dans ce contexte, les dispositions en projet qui portent sur la politique d’investissement des assurances du groupe d’activités “vie” liées à un fonds d’investissement (articles 21 à 23 du projet) posent problème. Les auteurs du projet se réfèrent à cet égard à l’article 133, paragraphe 3, de 17 Avis C.E. 54 452/1 du 20 décembre 2013 sur un avant-projet de loi “relative aux assurances”, Doc. parl., Chambre, 2013-14, n° 53-3361/001, p. 234. 748 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 verband aan artikel 133, lid 3, van de Solvabiliteit II-richtlijn, dat de lidstaten toelaat om, in afwijking van het principe van de beleggingsvrijheid, te voorzien in beperkingen op het be- leggingsbeleid indien de verzekeringnemer een natuurlijke persoon is. Deze bepaling vormt evenwel een onderdeel van het bedrijfseconomisch statuut van verzekeringsondernemin- gen, zodat de Belgische wetgever deze beleggingsregelen enkel kan vastleggen voor de verzekeringsondernemingen waarvoor België de lidstaat van herkomst vormt. Artikel 23 van het ontwerp strekt er evenwel toe de beper- kingen op het beleggingsbeleid toe te passen zodra de verbin- tenis in België is gelegen, waardoor ook verzekeringsonderne- mingen met hoofdzetel in een andere EER-lidstaat aan deze bepaling zijn onderworpen voor de overeenkomsten waarvan de verbintenis in België is gelokaliseerd. Ten aanzien van laatstgenoemde categorie van verzekeringsondernemingen kan het ontworpen artikel 23 dan ook geen doorgang vinden.” In de memorie van toelichting bij het voornoemde wets- ontwerp trad de Regering de zienswijze van de Raad van State als volgt bij: “Zoals uiteengezet in het advies van de Raad van State (punt 4.3.1.), vormen de bepalingen in verband met de be- leggingsregels en de principiële beleggingsvrijheid uit de richtlijn Solvabiliteit II een onderdeel van die bepalingen die het bedrijfseconomisch statuut van de ondernemingen rege- len. Hoewel artikel 133, lid 3 van de richtlijn refereert naar de activa waaraan de verzekeringsuitkeringen zijn verbonden en bovendien uitdrukkelijk bepaalt dat het enkel die producten betreft waarvan het beleggingsrisico bij de verzekeringnemer ligt (en dus niet bij de verzekeringsonderneming), maakt ook deze bepaling, gelet op haar plaats in de richtlijn, deel uit van de bepalingen die het bedrijfseconomisch statuut van de ondernemingen regelen. Ten gevolge hiervan behoort de bevoegdheid inzake deze beleggingsbeperkingen dan ook tot de lidstaten van herkomst van de verzekeringsonderne- mingen. De lidstaten dienen de relevante bepalingen van de richtlijn echter maar om te zetten tegen 31 maart 2015. Deze datum werd bovendien al verschillende malen uitge- steld sinds de publicatie van de richtlijn. Bovendien wordt er met de in voorbereiding zijnde Europese regelgeving om de consumentenbescherming in de fi nanciële dienstverlening te verbeteren een transversaal regelgevingskader voor de zogenaamde PRIPs (Packaged Retail Investment Products ) in het vooruitzicht gesteld. Gelet hierop werd er voor geopteerd het toepassingsgebied van de in de wet opgenomen regels vooralsnog niet te beperken afhankelijk van de herkomst van de verzekeraar.”18 De Raad van State stelt vast dat, niettegenstaande het voornemen van de Regering om aan het advies van de Raad van State tegemoet te komen ter gelegenheid van de omzet- ting in het interne recht van Solvabiliteit II, het voorliggende wetsontwerp geen aanpassing doorvoert aan de regeling betreffende de beperkingen op de beleggingsvrijheid. Het komt de Raad van State, afdeling Wetgeving, voor dat wel 18 Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3361/001, p. 21. la directive Solvabilité II, qui autorise les États membres, par dérogation au principe de la liberté d’investissement, à prévoir des restrictions à la politique d’investissement si le preneur d’assurance est une personne physique. Cette dis- position constitue toutefois un élément du statut prudentiel des entreprises d’assurances, de sorte que le législateur belge ne peut arrêter ces règles d’investissement que pour les entreprises d’assurances pour lesquelles l’État membre d’origine est la Belgique. L’article 23 du projet vise cependant à appliquer les res- trictions à la politique d’investissement dès que l’engagement est situé en Belgique, les entreprises d’assurances, dont le siège principal est établi dans un autre État membre de l’EEE, étant donc également soumises à cette disposition pour les contrats dont l’engagement est localisé en Belgique. L’article 23 en projet ne peut dès lors pas se concrétiser à l’égard de cette dernière catégorie d’entreprises d’assurances”. Dans l’exposé des motifs du projet de loi précité, le gouver- nement a marqué son adhésion au point de vue du Conseil d’État en ces termes: “Comme le Conseil d’État l’indique dans son avis (point 4.3.1.), les dispositions relatives aux règles d’investissement et au principe de la liberté d’investissement prôné par la directive Solvabilité II constituent un élément du statut pru- dentiel des entreprises. Bien que l’article 133, paragraphe 3, de la directive évoque les actifs auxquels les prestations d’assurance sont liées et dispose en outre expressément qu’il ne porte que sur les produits dont le risque d’inves- tissement est supporté par le preneur d’assureur (et donc pas par l’entreprise d’assurances), cette disposition fait elle aussi partie, eu égard à la place qu’elle occupe dans la directive, des dispositions qui régissent le statut prudentiel des entreprises. Il en résulte que la compétence relative à ces limites d’investissement appartient aux États membres d’origine des entreprises d’assurances. Les États membres ne doivent toutefois transposer les dispositions pertinentes de la directive que pour le 31 mars 2015. Cette date a, en outre, déjà été postposée plusieurs fois depuis la publication de la directive. À cela s’ajoute qu’avec la réglementation euro- péenne en préparation qui vise à améliorer la protection des consommateurs lors de la prestation de services fi nanciers, un cadre réglementaire transversal pour les produits “PRIPs” (Packaged Retail Investment Products) sera normalement mis en place. Compte tenu de ces éléments, le choix a été fait de ne pas limiter, à ce stade, le champ d’application des règles prévues dans la loi en fonction de l’origine de l’assureur18”. Le Conseil d’État constate que, nonobstant l’intention du gouvernement de se conformer à son avis dans le cadre de la transposition en droit interne de la directive Solvabilité II, le projet de loi à l’examen n’apporte pas d’aménagements au régime relatif aux limitations de la liberté d’investissement. Il apparaît au Conseil d’État, section de législation, qu’il faudrait effectivement prévoir une modifi cation de l’article 20 de la loi 18 Doc. parl., Chambre, 2013-14, n° 53-3361/001, p. 21. 749 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 degelijk zou moeten worden voorzien in een wijziging van artikel 20 van de wet van 4 april 2014, teneinde het toepas- singsgebied ervan — in overeenstemming met Solvabiliteit II — te beperken tot de verzekeringsondernemingen waaraan door de Belgische toezichthouder vergunning is verleend. 18. In artikel 190, tweede lid, van het ontwerp, wordt aan de Bank de bevoegdheid verleend om te verduidelijken wat moet worden verstaan onder een “prudent person”. Het “prudent person”-beginsel wordt evenwel al omschreven in artikel 132, leden 2 tot 4, van Solvabiliteit II, welke bepalingen worden omgezet in de artikelen 191 tot 193 van het ontwerp. In de mate de aan de Bank verleende bevoegdheid om het begrip “prudent person” te verduidelijken, zou inhouden dat de omschrijving van dat begrip in artikel 132, leden 2 tot 4, van Solvabiliteit II wordt aangevuld, dreigt afbreuk te worden gedaan aan het streven naar maximale harmonisatie dat aan Solvabiliteit II ten grondslag ligt. 19. Aan het einde van artikel 191, derde lid, van het ontwerp, zijn de woorden “, waarbij rekening wordt gehouden met alle verwoorde beleidsdoelstellingen”, die voorkomen aan het einde van artikel 132, lid 2, derde alinea, van Solvabiliteit II, niet weergegeven. Tenzij er een bijzondere reden zou zijn waarom de richtlijn op dat punt niet wordt gevolgd — welke reden dan het best in de memorie van toelichting wordt uit- eengezet — dient de redactie van artikel 191, derde lid, van het ontwerp op dat punt beter te worden afgestemd op die van artikel 132, lid 2, derde alinea, van Solvabiliteit II. 20. Overeenkomstig artikel 197, § 1, van het ontwerp mo- gen, onder de in die paragraaf vermelde voorwaarden, de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de activa die zij aanhouden ter dekking van de technische voorzieningen met betrekking tot risico’s die in de Europese Economische Ruimte (EER) zijn gelegen, buiten die Ruimte lokaliseren.19 In zoverre deze bepaling de mogelijkheid insluit tot ver- plichte lokalisatie in de EER van activa die worden aange- houden ter dekking van de technische voorzieningen voor risico’s gelegen in de EER, staat deze op gespannen voet met het bepaalde in artikel  134, lid  1, eerste alinea, van Solvabiliteit II, dat luidt: “Met betrekking tot verzekeringsrisico’s gelegen in de Gemeenschap verplichten de lidstaten niet dat de activa die worden aangehouden tegenover de technische voorzieningen met betrekking tot deze risico’s, binnen de Gemeenschap of in een bepaalde lidstaat gelokaliseerd zijn.” 21. In artikel 214, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat, voor elk type van product dat het voorwerp uitmaakt van haar activiteit, de verzekeringsonderneming vóór de toepas- sing ervan, aan de Bank de grondslagen en de methodes meedeelt die zij gebruikt voor het opstellen van haar tarifering, de berekening van de afkoopwaarden, de reductiewaarden en de technische voorzieningen, alsook de vergoedingen die ze toepast. 19 De redactie van de inleidende zin van artikel 197, § 1, zou in de Nederlandse tekst (“maar buiten die Ruimte lokaliseren”) aan duidelijkheid winnen indien zou worden geschreven “enkel buiten die Ruimte lokaliseren” of “slechts buiten die Ruimte lokaliseren”. du 4 avril 2014, afi n de limiter son champ d’application — en conformité avec la directive Solvabilité II — aux entreprises d’assurances agréées par l’autorité de contrôle belge. 18. L’article 190, alinéa 2, du projet, attribue à la Banque le pouvoir de préciser ce qu’il y a lieu d’entendre par “per- sonne prudente”. Or, le principe de “personne prudente” est déjà défi ni à l’article 132, paragraphes 2 à 4, de la directive Solvabilité II, lesquelles dispositions sont transposées dans les articles 191 à 193 du projet. Dans la mesure où le pouvoir attribué à la Banque en vue de préciser la notion de “personne prudente” reviendrait à compléter la défi nition de cette notion contenue à l’article 132, paragraphes 2 à 4, de la directive Solvabilité II, il risque de porter atteinte à l’objectif d’harmo- nisation maximale qui préside à la directive Solvabilité II. 19. Les mots “, compte tenu de tout objectif publié”, qui apparaissent à la fi n de l’article 132, paragraphe 2, troisième alinéa, de la directive Solvabilité II, ne sont pas reproduits à la fi n de l’article 191, alinéa 3, du projet. À moins d’une raison particulière justifi ant de ne pas suivre la directive sur ce point — raison qu’il vaudrait alors mieux expliquer dans l’exposé des motifs —, il s’impose d’accorder davantage la rédaction de l’article 191, alinéa 3, du projet à cet égard sur celle de l’article 132, paragraphe 2, troisième alinéa, de la directive Solvabilité II. 20. Conformément à l’article 197, §  1er, du projet, les entreprises d’assurances ou de réassurance peuvent, aux conditions fi xées dans ce paragraphe, localiser les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes à des risques situés dans l’Espace économique européen (EEE) en dehors de cet Espace 19. Dans la mesure où elle inclut la possibilité de localiser obligatoirement dans l’EEE des actifs détenus pour couvrir les provisions techniques pour des risques situés dans l’EEE, cette disposition se heurte à l’article 134, paragraphe 1, premier alinéa, de la directive Solvabilité II, qui s’énonce comme suit: “Pour ce qui concerne les risques d’assurance situés dans la Communauté, les États membres n’exigent pas que les actifs détenus pour couvrir les provisions techniques afférentes à ces risques soient situés dans la Communauté ou dans un État membre déterminé”. 21. L’article 214, alinéa 1er, du projet dispose que, pour chaque type de produits faisant l’objet de son activité, l’entre- prise d’assurances communique à la Banque, préalablement à leur mise en application, les bases et méthodes utilisées pour l’établissement de la tarifi cation, le calcul des valeurs de rachat, de réduction et des provisions techniques, ainsi que les indemnités qu’elle applique. 19 La rédaction de la phrase introductive du texte néerlandais de l’article 197, § 1er, (“maar buiten die Ruimte lokaliseren”) gagnerait en clarté si elle était libellé comme suit: “enkel buiten die Ruimte lokaliseren” ou “slechts buiten die Ruimte lokaliseren”. 750 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In dat verband moet worden gewezen op het bepaalde in artikel 182, eerste alinea, van Solvabiliteit II, dat luidt: “De lidstaten eisen geen voorafgaande goedkeuring of systematische mededeling van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten, de tarie- ven, de met name voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondsla- gen en de formulieren en andere documenten waarvan de levensverzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers.” De Raad van State, afdeling Wetgeving, ziet niet op welke wijze de in artikel 214, eerste lid, van het ontwerp vervatte mededelingsplicht spoort met het verbod van “voorafgaande goedkeuring of systematische mededeling” dat voortvloeit uit artikel 182, eerste alinea, van Solvabiliteit II. De eerbiediging van dergelijk verbod is nochtans essentieel in het kader van de interne markt. Deze conclusie wordt niet weerlegd door de gemachtigde waar die verklaart: “Il ne s’agit pas d’une approbation mais d’une notifi cation. Cette notifi cation n’est donc pas une condition préalable à l’exercice de l’activité et le prescrit de la directive est respecté.” Abstractie makend van de bedoeling die ten grondslag ligt aan de betrokken mededeling aan de Bank, moet worden opgemerkt dat in artikel 182, eerste alinea, van Solvabiliteit II, wel degelijk ook aan een “mededeling” wordt gerefereerd. Daarenboven blijkt niet uit de tekst van het ontwerp dat die mededeling niet een “condition préalable à l’exercice de l’activité” is, zoals de gemachtigde het omschrijft. 22. In artikel 241, § 1, van het ontwerp wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om “de in artikel 240 bedoelde vereisten [te] preciseren en [aan te vullen]”. Die bevoegd- heid geldt evenwel “[o]nverminderd de bevoegdheden van de Europese Commissie als bepaald in artikel 210, lid 2 van Richtlijn 2009/138/EG”, d.w.z. dat de bevoegdheid die aan de Koning wordt toegekend om bijkomende eisen te stellen inzake fi nite herverzekering geen afbreuk kan doen aan de bevoegdheid van de Europese Commissie om op grond van artikel 210, lid 2, van Solvabiliteit II verdere maatregelen te nemen. Desondanks kan worden betwijfeld of dergelijke regeling strookt met artikel 210 van Solvabiliteit II, waarbij ervan wordt uitgegaan dat wordt gekomen tot een “single EU rulebook”. Dat is niet mogelijk indien elke lidstaat daar verdere regels aan toevoegt. Een gelijkaardige vaststelling dringt zich op met betrekking tot de bevoegdheid die in artikel 243 van het ontwerp aan de Koning wordt gegeven om, op advies van de Bank, de voor- waarden vast te stellen voor het verlenen van vergunningen aan effectiseringsvehikels. Ook met betrekking tot die bepa- ling rijst de vraag of deze wel strookt met in casu artikel 211, lid 2, van Solvabiliteit II. On notera à cet égard la disposition contenue à l’article 182, premier alinéa, de la directive Solvabilité II, qui s’énonce comme suit: “Les États membres ne peuvent pas exiger l’approbation préalable ou la notifi cation systématique des conditions générales et particulières des polices d’assurance, des tarifs, des bases techniques, utilisées notamment pour le calcul des tarifs et des provisions techniques, et des formulaires et autres imprimés qu’une entreprise d’assurance vie se propose d’utiliser dans ses relations avec les preneurs d’assurance”. Le Conseil d’État, section de législation, n’aperçoit pas comment l’obligation de notifi cation inscrite à l’article 214, alinéa 1er, du projet peut se concilier avec l’interdiction d’“approbation préalable ou de notifi cation systématique” qui découle de l’article 182, premier alinéa, de la directive Solvabilité II. Le respect d’une telle interdiction est pourtant essentiel dans le cadre du marché intérieur. Cette conclusion n’est pas réfutée par le délégué, lorsqu’il déclare: “Il ne s’agit pas d’une approbation mais d’une notifi cation. Cette notifi cation n’est donc pas une condition préalable à l’exercice de l’activité et le prescrit de la directive est respecté”. Abstraction faite de l’intention qui préside à la notifi cation à la Banque concernée, il convient de noter que l’article 182, premier alinéa, de la directive Solvabilité II se réfère bel et bien aussi à une “notifi cation”. En outre, il ne ressort pas du texte du projet que cette notifi cation n’est pas une “condition pré- alable à l’exercice de l’activité”, ainsi que précise le délégué. 22. L’article 241, § 1er, du projet habilite le Roi à “préciser et compléter les exigences visées à l’article  240”. Cette compétence est toutefois exercée “[s]ans préjudice des com- pétences de la Commission européenne telles que prévues par l’article  210, paragraphe  2  de la Directive  2009/138/ CE”; autrement dit, la compétence conférée au Roi qui lui permet de poser des exigences supplémentaires en matière de réassurance fi nite ne peut pas porter atteinte à celle de la Commission européenne d’arrêter d’autres mesures sur la base de l’article 210, paragraphe 2, de la directive Solvabilité II. On peut malgré tout douter du fait que pareil régime soit compatible avec l’article  210  de la directive Solvabilité II, qui part du principe qu’on en arrive à un “single EU rulebook”. Cet objectif ne peut être atteint si chaque État membre y ajoute de nouvelles règles. Une constatation similaire s’impose concernant la com- pétence octroyée au Roi par l’article 243 du projet, qui lui permet de fi xer les conditions de l’agrément des véhicules de titrisation, sur avis de la Banque. Toujours concernant cette disposition, la question se pose de savoir si en l’espèce elle est bien compatible avec l’article 211, paragraphe 2, de la directive Solvabilité II. 751 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 23. In artikel 272 van het ontwerp worden de voorwaarden opgesomd waaraan verzekeringsondernemingen moeten voldoen opdat zij onder de toepassing zouden vallen van hoofdstuk II, “Ondernemingen die wegens hun omvang aan een bijzondere regeling zijn onderworpen”. In artikel 272, 4°, van het ontwerp wordt één van die voorwaarden omschre- ven als volgt: “het bedrijf van de onderneming omvat geen herverzekeringsverrichtingen”. Dat impliceert dat kleine ver- zekeringsondernemingen die herverzekeringsverrichtingen uitvoeren op een absolute wijze worden uitgesloten van de toepassing van het voornoemde hoofdstuk. De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: “La quatrième condition prévue sous l’article 272 en projet vise l’interdiction de pratiquer une activité de réassurance. De ce point de vue, la loi en projet est un peu plus sévère que la Directive dont l’article 4, paragraphe 1er, e) permet une activité de réassurance très limitée. En fait, la disposition précitée peut viser deux situations. La première est celle d’une entreprise qui ne pratiquerait que la réassurance. Dans ce cas, celle-ci doit, en matière de réassurance, limiter son encaissement à 500 000 EUR et ses provisions techniques à 2 500 000 EUR. Elle respecte par ail- leurs les seuils prévus pour l’assurance puisqu’elle n’y a pas d’activité. Force est de constater que les seuils prévus par la Directive sont extrêmement bas surtout s’agissant d’une activité de réassurance. Il a été jugé préférable de ne pas autoriser une entreprise à ne pratiquer que la réassurance sous des niveaux hypothéquant fortement ses possibilités de survie et de développement. La seconde situation vise une entreprise pratiquant à la fois l’assurance, pour laquelle elle doit respecter les seuils de l’article 4, paragraphe 1er, a), b) et c) de la Directive (voir ci-dessus) et la réassurance, pour laquelle son encaissement et ses provisions techniques ne peuvent représenter que 10 % des montants correspondant de son activité d’assurance di- recte. A nouveau, il s’agit de seuils extrêmement bas pour une entreprise pratiquant la réassurance rendant l’exercice de cette dernière peu viable. En outre, dès lors qu’elles ne pra- tiquent pas la réassurance, cette exigence ne modifi e en rien la situation actuelle des entreprises en activité qui peuvent prétendre au bénéfi ce des dispositions du présent Chapitre. On notera qu’il n’est pas possible pour une entreprise de dépasser les seuils prévus par l’article 4 de la Directive en matière d’assurance et d’obtenir une quelconque dispense au motif qu’elle respecterait les seuils prévus pour la réas- surance. La phrase liminaire de l’article 4, paragraphe 1er pré- cise en effet que toutes les conditions prévues aux points a) à e) doivent être remplies simultanément. Les services de la Banque proposent d’ajouter l’explication ci-avant au commentaire des articles.” De aangehaalde verduidelijking verantwoordt niet de absolute uitsluiting van kleine verzekeringsondernemingen die herverzekeringsverrichtingen uitvoeren en verklaart on- voldoende waarom dergelijke uitsluiting in overeenstemming 23. L’article 272 du projet énumère les conditions aux- quelles les entreprises d’assurances doivent satisfaire pour entrer dans le champ d’application du chapitre II, “Entreprises soumises à un régime particulier en raison de leur taille”. À l’article 272, 4°, du projet, une de ces conditions est défi - nie comme suit: “l’activité de l’entreprise ne comporte pas d’opérations de réassurance”. Cela implique que les petites entreprises d’assurances qui effectuent des opérations de réassurance sont exclues de manière absolue du champ d’application du chapitre précité. À cet égard, le délégué a déclaré ce qui suit: “La quatrième condition prévue sous l’article 272 en projet vise l’interdiction de pratiquer une activité de réassurance. De ce point de vue, la loi en projet est un peu plus sévère que la Directive dont l’article 4, paragraphe 1er, e) permet une activité de réassurance très limitée. En fait, la disposition précitée peut viser deux situations. La première est celle d’une entreprise qui ne pratiquerait que la réassurance. Dans ce cas, celle-ci doit, en matière de réassurance, limiter son encaissement à 500 000 EUR et ses provisions techniques à 2 500 000 EUR. Elle respecte par ailleurs les seuils prévus pour l’assurance puisqu’elle n’y a pas d’activité. Force est de constater que les seuils prévus par la Directive sont extrêmement bas surtout s’agissant d’une activité de réassurance. Il a été jugé préférable de ne pas autoriser une entreprise à ne pratiquer que la réassurance sous des niveaux hypothéquant fortement ses possibilités de survie et de développement. La seconde situation vise une entreprise pratiquant à la fois l’assurance, pour laquelle elle doit respecter les seuils de l’article 4, paragraphe 1er, a), b) et c) de la Directive (voir ci-dessus) et la réassurance, pour laquelle son encaissement et ses provisions techniques ne peuvent représenter que 10 % des montants correspondant de son activité d’assurance directe. A nouveau, il s’agit de seuils extrêmement bas pour une entreprise pratiquant la réassurance rendant l’exercice de cette dernière peu viable. En outre, dès lors qu’elles ne pratiquent pas la réassurance, cette exigence ne modifi e en rien la situation actuelle des entreprises en activité qui peuvent prétendre au bénéfi ce des dispositions du présent Chapitre. On notera qu’il n’est pas possible pour une entreprise de dépasser les seuils prévus par l’article 4 de la Directive en matière d’assurance et d’obtenir une quelconque dispense au motif qu’elle respecterait les seuils prévus pour la réassu- rance. La phrase liminaire de l’article 4, paragraphe 1er précise en effet que toutes les conditions prévues aux points a) à e) doivent être remplies simultanément. Les services de la Banque proposent d’ajouter l’explication ci-avant au commentaire des articles”. Ces précisions ne justifi ent pas l’exclusion absolue de petites entreprises d’assurances qui effectuent des opéra- tions de réassurance et elles n’expliquent pas suffisamment pourquoi cette exclusion pourrait être réputée conforme à 752 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 zou kunnen worden geacht met de meer graduele benadering die ten grondslag ligt aan artikel 4, lid 1, e), van Solvabiliteit II, waarin slechts welbepaalde herverzekeringsactiviteiten wor- den beoogd. 24. In artikel 303 van het ontwerp is geen bepaling op- genomen die kan worden geacht de omzetting te zijn van het bepaalde in artikel 28, tweede alinea, van Solvabiliteit II, naar luid waarvan de toezichthoudende autoriteiten rekening moeten houden met de mogelijke procyclische effecten van hun optreden wanneer zich uitzonderlijke bewegingen op de fi nanciële markten voordoen. Naar het zeggen van de ge- machtigde zal artikel 303 van het ontwerp op dat punt worden aangevuld met het oog op een meer volledige omzetting van Solvabiliteit II. 25. Luidens artikel 34, lid 6, van Solvabiliteit II worden de toezichthoudende bevoegdheden tijdig en op proportionele wijze uitgeoefend. Deze bepaling wordt blijkbaar niet omge- zet in artikel 304 van het ontwerp. De gemachtigde verwijst in dat verband naar het bepaalde in artikel 303, § 2, 3°, van het ontwerp — dat evenwel strekt tot het omzetten van arti- kel 29 van Solvabiliteit II — en naar “de algemene beginselen van administratief recht”. Niettemin zou de rechtszekerheid ermee zijn gebaat indien artikel 304 van het ontwerp zou worden aangevuld met een bepaling die op een meer uit- gesproken wijze strekt tot het omzetten van artikel 34, lid 6, van Solvabiliteit II. Een gelijkaardige opmerking kan worden gemaakt bij ar- tikel 513 van het ontwerp waarin het bepaalde in artikel 141, tweede alinea, van Solvabiliteit II niet is omgezet.20 26. In artikel 324 van het ontwerp wordt de informatie op- gesomd die de Bank jaarlijks aan EIOPA moet verstrekken. De betrokken bepaling strekt tot het omzetten van artikel 52, lid 1, van Solvabiliteit II. Vraag is evenwel of daarmee ook wordt tegemoet gekomen aan de plicht tot informatieverstrek- king aan EIOPA die voortvloeit uit artikel 77septies, lid 1, van Solvabiliteit II. Anders dan wat in de aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, meegedeelde concordantietabel wordt vermeld, valt immers niet in te zien waarom artikel 77sep- ties van Solvabiliteit II geen omzetting in het interne recht zou behoeven. 27. In artikel 417, tweede lid, van het ontwerp wordt mel- ding gemaakt van het meedelen aan de toezichthouders van “vertrouwelijke informatie” (informations confi dentielles). In artikel 417, derde lid, van het ontwerp wordt dan weer melding gemaakt van “relevante informatie” (informations pertinentes). Ook in artikel 417, tweede lid, van het ontwerp zou het begrip “relevante informatie” moeten worden gebruikt. Dit zou niet enkel de redactionele eenvormigheid van artikel 417 van het ontwerp ten goede komen, maar zou tevens beter aansluiten op de terminologie van artikel 249, lid 1, van Solvabiliteit II. 20 In artikel 141, tweede alinea, van Solvabiliteit II, wordt melding gemaakt van “proportionele maatregelen” die de omvang en duur van de verslechtering van de solvabiliteitspositie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming weerspiegelen. l’approche plus graduelle qui préside à l’article 4, paragraphe 1, e), de la directive Solvabilité II, qui ne vise que certaines activités de réassurance. 24. L’article 303 du projet ne comprend pas de disposition qui peut être réputée transposer l’article 28, deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II, aux termes duquel les autorités de contrôle doivent prendre en compte les éventuels effets procycliques de leurs actions dans les périodes d’extrême instabilité des marchés fi nanciers. Selon le délégué, l’article 303 du projet sera complété à cet égard en vue d’une trans- position plus complète de la directive Solvabilité II. 25. Selon l’article 34, paragraphe 6, de la directive Solvabilité II, les pouvoirs de contrôle sont exercés en temps utile et d’une manière proportionnée. Cette disposition n’a de toute évidence pas été transposée dans l’article 304 du projet. À cet égard, le délégué renvoie à l’article 303, § 2, 3°, du projet — qui vise cependant la transposition de l’article 29 de la directive Solvabilité II — et aux “principes généraux du droit administratif”. Néanmoins, la sécurité juridique se trouverait renforcée si l’article 304 du projet était complété par une disposition visant de manière plus explicite la transposi- tion de l’article 34, paragraphe 6, de la directive Solvabilité II. Une observation similaire peut être formulée concernant l’article 513 du projet, qui ne transpose pas l’article 141, deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II20. 26. L’article 324 du projet énumère les informations que la Banque doit fournir chaque année à l’AEAPP. La disposition concernée a pour objet de transposer l’article 52, paragraphe 1, de la directive Solvabilité II. La question se pose toutefois de savoir s’il est ainsi également satisfait à l’obligation de fournir des informations à l’AEAPP, qui découle de l’article 77septies, paragraphe 1, de la directive Solvabilité II. En effet, contraire- ment à ce que mentionne la table de concordance communi- quée au Conseil d’État, section de législation, on n’aperçoit pas pourquoi l’article 77septies de la directive Solvabilité II ne nécessiterait pas une transposition en droit interne. 27. L’article 417, alinéa 2, du projet mentionne la com- munication d’“informations confi dentielles” (vertrouwelijke informatie) aux autorités de contrôle. L’article 417, alinéa 3, du projet, pour sa part, fait mention d’“informations per- tinentes” (relevante informatie). Il faudrait utiliser la notion d’“informations pertinentes” à l’article 417, alinéa 2, du projet également. Non seulement l’article 417 du projet serait rédigé d’une manière plus uniforme, mais il serait également plus conforme à la terminologie utilisée à l’article 249, paragraphe 1, de la directive Solvabilité II. 20 L’article 141, deuxième alinéa, de la directive Solvabilité II fait mention de “mesures proportionnées” qui tiennent compte du degré et de la durée de la détérioration de la solvabi- lité de l’entreprise d’assurance ou de réassurance concernée. 753 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 28. Artikel 652, § 2, van het ontwerp luidt: “In afwijking van artikel 56 beschikken de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet om te vol- doen aan de verplichting tot oprichting van een risicobeheer- functie in overeenstemming met het genoemde artikel 56.” Er moet worden vastgesteld dat niet in dergelijke uitge- stelde toepassing van de verplichtingen inzake de risicobe- heerfunctie met zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de wet wordt voorzien in Solvabiliteit II. ONDERZOEK VAN DE TEKST Algemene opmerking 29. In het om advies voorgelegde ontwerp van wet komen diverse bepalingen voor waarin aan de Bank de bevoegdheid wordt verleend om, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 “tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België”, regelgevend op te treden (zie onder meer de artikelen 60, 83, § 3, tweede lid, en 281, § 2, derde lid, van het ontwerp). De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee: “Het wetsontwerp bepaalt duidelijk dat het reglementen betreft vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (hierna “de wet van 22 februari 1998”). Artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt dat: “In de toezichtsaangelegenheden waarvoor zij bevoegd is, kan de Bank reglementen vaststellen ter aanvulling van de betrokken wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende technische punten. Zonder afbreuk te doen aan de raadpleging waarin in andere wetten of reglementen is voorzien, kan de Bank over- eenkomstig de procedure van de open raadpleging, de inhoud van elk reglement dat zij overweegt vast te stellen, toelichten in een consultatieronde en deze bekendmaken op haar website voor eventuele opmerkingen van belanghebbende partijen. Deze reglementen hebben slechts uitwerking na goedkeu- ring door de Koning en bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De Koning kan wijzigingen aanbrengen aan deze reglementen of deze regels zelf vaststellen indien de Bank geen reglement heeft vastgesteld.” Gelet op de verwijzing naar artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, spreekt het voor zich dat het toepas- singsgebied van de regelgevende bevoegdheid van de Bank terzake beperkt is tot het vaststellen van reglementen “ter aanvulling van de betrokken wettelijke of reglementaire be- palingen betreffende technische punten”. 28. L’article 652, § 2, du projet s’énonce comme suit: “Par dérogation à l’article 56, les entreprises d’assurance[s] ou de réassurance bénéfi cient d’un délai de six mois à comp- ter de l’entrée en vigueur de la présente loi pour satisfaire à l’obligation de mettre en place une fonction de gestion des risques en conformité avec ledit article 56”. Force est de constater que la directive Solvabilité II ne prévoit pas que cette application des obligations relatives à la fonction de gestion des risques soit différée de six mois à compter de l’entrée en vigueur de la loi. EXAMEN DU TEXTE Observation générale 29. Le projet de loi soumis pour avis comporte plusieurs dispositions habilitant la Banque à intervenir par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 “fi xant le statut organique de la Banque nationale de Belgique” (voir notamment les articles 60, 83, § 3, alinéa 2, et 281, § 2, alinéa 3, du projet). À cet égard, le délégué a déclaré ce qui suit: “Het wetsontwerp bepaalt duidelijk dat het reglementen betreft vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (hierna “de wet van 22 februari 1998”). Artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt dat: “In de toezichtsaangelegenheden waarvoor zij bevoegd is, kan de Bank reglementen vaststellen ter aanvulling van de betrokken wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende technische punten. Zonder afbreuk te doen aan de raadpleging waarin in andere wetten of reglementen is voorzien, kan de Bank overeenkomstig de procedure van de open raadpleging, de inhoud van elk reglement dat zij overweegt vast te stellen, toelichten in een consultatieronde en deze bekendmaken op haar website voor eventuele opmerkingen van belangheb- bende partijen. Deze reglementen hebben slechts uitwerking na goedkeu- ring door de Koning en bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De Koning kan wijzigingen aanbrengen aan deze reglementen of deze regels zelf vaststellen indien de Bank geen reglement heeft vastgesteld.” Gelet op de verwijzing naar artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, spreekt het voor zich dat het toepas- singsgebied van de regelgevende bevoegdheid van de Bank terzake beperkt is tot het vaststellen van reglementen “ter aanvulling van de betrokken wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende technische punten”. 754 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze regelgevende bevoegdheid laat toe om via reglement de wettelijke bepalingen over het zeer gespecialiseerde domein van het prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te verduidelijken en er nadere regels voor vast te stellen, om rekening te houden met de technische, specifi eke en evolutieve aard van de aangelegenheden waarop zij van toepassing zullen zijn. Deze aanpak verhoogt de rechtszekerheid en zorgt ervoor dat de soepelheid bewaard blijft die nodig is om snel te kunnen reageren op evoluties. Deze aanpak biedt dezelfde garanties als de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid door de Koning aange- zien de reglementen maar uitwerking hebben nadat ze zijn goedgekeurd door de Koning en in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd zijn.” De aan de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 gedelegeerde bevoegdheden kunnen toelaatbaar worden geacht, mits zij uiteraard niet verder strekken dat de “technische punten”, aan welk begrip uitdrukkelijk wordt gerefereerd in de betrokken wetsbepaling. Artikelsgewijze opmerkingen Artikel 15 30. In artikel 15, 26°, van het ontwerp vervange men in de Nederlandse tekst de term “vennootschapsvorm” door “rechtsvorm” (in de Franse tekst gebruikt men de term “forme sociale”). De term “rechtsvorm” omvat bijvoorbeeld ook de onderlinge verzekeringsverenigingen die geen ven- nootschappen zijn. 31. In de Nederlandse tekst van artikel 15, 46°, b), van het ontwerp vervange men na het tweede streepje het woord “kwaliteit” door het woord “hoedanigheid”. Artikel 47 32. In artikel 47, eerste lid, van het ontwerp is de zinsnede “, met name ten opzichte van de betrokken groep,” niet dui- delijk. De draagwijdte ervan zou minstens in de memorie van toelichting nader moeten worden uiteengezet, temeer daar het in het betrokken lid voor de Bank wordt mogelijk gemaakt om een gehele of gedeeltelijke afwijking van de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 45 en 46 van het ontwerp toe te staan. Artikel 54 33. In artikel 54, § 1, eerste lid, van het ontwerp wordt als één van de onafhankelijke “controlefuncties” vermeld “een risicobeheerfunctie”. De persoon die dergelijke functie uitoe- fent dient overeenkomstig artikel 54, § 1, tweede lid, van het ontwerp “onafhankelijk [te zijn] van de bedrijfseenheden en operationele functies van de onderneming”. In artikel 56, § 3, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat het hoofd van de risicobeheerfunctie lid is van het directiecomité. Vraag is of de laatstgenoemde persoon steeds zal kunnen worden geacht Deze regelgevende bevoegdheid laat toe om via reglement de wettelijke bepalingen over het zeer gespecialiseerde domein van het prudentieel toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te verduidelijken en er nadere regels voor vast te stellen, om rekening te houden met de technische, specifi eke en evolutieve aard van de aangelegenheden waarop zij van toepassing zullen zijn. Deze aanpak verhoogt de rechtszekerheid en zorgt ervoor dat de soepelheid bewaard blijft die nodig is om snel te kunnen reageren op evoluties. Deze aanpak biedt dezelfde garanties als de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid door de Koning aange- zien de reglementen maar uitwerking hebben nadat ze zijn goedgekeurd door de Koning en in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd zijn”. Les compétences déléguées à la Banque en application de l’article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 peuvent être réputées admissibles, pour autant bien sûr qu’elles n’ex- cèdent pas les “points d’ordre technique”, notion à laquelle la disposition légale visée fait expressément référence. Observations concernant les articles Article 15 30. Dans le texte néerlandais de l’article 15, 26°, du projet, on remplacera le terme “vennootschapsvorm” par “rechtsvorm” (le texte français utilise le terme “forme sociale”). Le terme “rechtsvorm” inclut par exemple également les asso- ciations d’assurance mutuelle qui ne sont pas des sociétés. 31. Dans le texte néerlandais de l’article 15, 46°, b), du projet, après le deuxième tiret, on remplacera le mot “kwaliteit” par le mot “hoedanigheid”. Article 47 32. À l’article 47, alinéa 1er, du projet, le segment de phrase “notamment au regard du groupe concerné” n’est pas clair. Sa portée devrait à tout le moins être précisée dans l’exposé des motifs, d’autant plus que l’alinéa concerné permet à la Banque de déroger, en tout ou en partie, aux obligations qui découlent des articles 45 et 46 du projet. Article 54 33. L’article 54, § 1er, alinéa 1er, du projet mentionne “une fonction de gestion des risques” comme étant l’une des “fonc- tions de contrôle indépendantes”. La personne qui exerce une telle fonction doit, conformément à l’article 54, § 1er, alinéa 2, du projet, être “indépendante des unités et fonctions opérationnelles de l’entreprise”. L’article 56, § 3, alinéa 1er, du projet dispose que la fonction de gestion des risques est dirigée par un membre du comité de direction. La question se pose de savoir si cette dernière personne pourra toujours 755 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 te beantwoorden aan het vereiste van onafhankelijkheid ten aanzien van de bedrijfseenheid die instaat voor het risicobe- heer en of op dat punt de samenhang tussen de artikelen 54, § 1, tweede lid, en 56, § 3, eerste lid, van het ontwerp niet aan een bijkomend onderzoek moet worden onderworpen. Artikel 100 34. In artikel 100 van het ontwerp wordt de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de mogelijkheid geboden om, mits toestemming van de Bank, bepaalde informatie niet in het jaarlijks te publiceren verslag over hun solvabiliteit en fi nanci- ele positie op te nemen. Wanneer de onderneming hiervoor de toestemming heeft verkregen, moet ze hiervan melding maken in het verslag, met opgave van de redenen hiervoor. Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een genoteerde onderneming is, is ze ertoe gehouden om onmiddellijk tot openbaarmaking over te gaan van voorkennis die rechtstreeks op haar betrekking heeft, evenwel met de mogelijkheid om de bekendmaking onder strikte voorwaarden en op eigen verantwoordelijkheid uit te stellen.21 Bovendien zijn de genoteerde vennootschappen onderworpen aan bijzondere periodieke openbaarmakingsverplichtingen,22 bovenop de verplichtingen die op hen rusten op grond van het Wetboek van Vennootschappen. Ter wille van de rechtszekerheid verdient het aanbeveling dat de steller van het ontwerp nader de onderlinge verhouding en wisselwerking zou verduidelijken tussen de informatiever- plichtingen als genoteerde vennootschap, enerzijds, en de mogelijkheid om bepaalde informatie niet bekend te maken op grond van artikel 100 van het ontwerp, anderzijds. Artikel 107 35. De artikelen 107 en volgende van het ontwerp hebben onder meer betrekking op de “opening” (ouverture) van doch- terondernemingen en bijkantoren in het buitenland. Er dient op te worden toegezien dat telkens dezelfde terminologie wordt gebruikt wanneer hetzelfde begrip wordt beoogd. Dat lijkt nu niet steeds het geval te zijn. Zo wordt in artikel 107, eerste lid, van het ontwerp melding gemaakt van de “oprichting” (constituer) van een dochteronderneming in het buitenland. Artikel 151 36. In artikel 151, § 2, tweede lid, van het ontwerp, moeten de woorden “solvabiliteitskapitaal” en “capital de solvabilité” worden vervangen door, respectievelijk, “solvabiliteitskapi- taalvereiste” en “capital de solvabilité requis”. 21 Zie artikel 10, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 “betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten”. 22 Zie het koninklijk besluit van 14 november 2007 “betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt”. être réputée répondre à l’exigence d’indépendance à l’égard de l’unité qui est responsable de la gestion des risques et s’il n’y a pas lieu, en l’espèce, de soumettre la corrélation entre les articles 54, § 1er, alinéa 2, et 56, § 3, alinéa 1er, du projet à un examen complémentaire. Article 100 34. L’article 100 du projet offre aux entreprises d’assu- rances ou de réassurance la possibilité, moyennant auto- risation de la Banque, de ne pas publier dans le rapport annuel certaines informations relatives à leur solvabilité et à leur situation fi nancière. Lorsque l’entreprise a reçu une autorisation en ce sens, elle doit l’indiquer dans le rapport et en expliquer les raisons. Lorsque l’entreprise d’assurances ou de réassurance est une entreprise cotée, elle est tenue de rendre publique immé- diatement toute information privilégiée qui la concerne direc- tement, avec toutefois la possibilité de différer la publication à des conditions strictes et sous sa propre responsabilité 21. En outre, les sociétés cotées sont soumises à des obligations de publication périodique particulières 22, en plus des obligations qui leur incombent en vertu du Code des sociétés. Dans un souci de sécurité juridique, il est recommandé que l’auteur du projet précise davantage la corrélation et l’interaction entre les obligations d’information en tant que société cotée, d’une part, et la possibilité de ne pas publier certaines informations sur la base de l’article 100 du projet, d’autre part. Article 107 35. Les articles 107  et suivants du projet concernent notamment l’“ouverture” (opening) de fi liales et de succur- sales à l’étranger. On veillera à utiliser chaque fois la même terminologie quand on vise la même notion, ce qui ne semble cependant pas toujours être le cas. Ainsi, l’article 107, alinéa 1er, du projet fait mention de “constituer” (oprichting) une fi liale à l’étranger. Article 151 36. À l’article 151, § 2, alinéa 2, du projet, il y a lieu de remplacer les mots “solvabiliteitskapitaal” et “capital de solvabilité” par “solvabiliteitskapitaalvereiste” et “capital de solvabilité requis”, selon le cas. 21 Voir l’article 10, § 1er, de la loi du 2 août 2002 “relative à la sur- veillance du secteur financier et aux services financiers”. 22 Voir l ’ arrêté royal du 14  novem bre  20 07  “ rela- tif aux obligations des émetteurs d”instruments finan- ciers admis à la négociation sur un marché réglementé”. 756 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Artikel 191 37. In artikel  191, derde lid, van het ontwerp hebben de woorden “in het belang van alle verzekeringnemers en begunstigden”, in de Nederlandse tekst, niet een identieke connotatie als de woorden “dans le meilleur intérêt de tous les preneurs d’assurance et de tous les bénéfi ciaires”, in de Franse tekst. Hetzelfde geldt voor de woorden “in het belang” en “au mieux des intérêts” in artikel 191, vierde lid, van het ontwerp. De terminologie in de Nederlandse en de Franse tekst van de ontworpen bepalingen zou op dat punt meer eenvormig moeten worden gemaakt. Artikel 336 38. In artikel 336 van het ontwerp wordt melding gemaakt van “de leiders van de verzekerings- of herverzekeringsonder- neming”. Dit begrip wordt niet nader omschreven in het ont- werp, ook niet in boek II, titel II, hoofdstuk III, afdeling III, van het ontwerp (“Leiding en leiders”). Een omschrijving van dat begrip zou niet enkel de duidelijkheid ten goede komen, maar is ook wenselijk ermee rekening houdend dat de ontworpen wet diverse verplichtingen oplegt ten aanzien van de “leiders”. Artikel 503 39. Naar het zeggen van de gemachtigde is het de be- doeling om in artikel 503, § 2, tweede lid, van het ontwerp te verwijzen naar artikel 19 (en niet artikel 17) van de betrokken verordeningen. Artikel 549 40. In artikel 549 van het ontwerp wordt aan de Bank de mogelijkheid geboden om, in de context van de beëindiging van de vergunning van een verzekerings- of herverzekerings- onderneming, in geval van het verslechteren van de fi nanciële situatie van de onderneming, deze situatie uit eigen beweging ter kennis te brengen van de rechtbank van koophandel. Deze mededeling geldt dan als een aangifte van faillissement in de zin van artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. De memorie van toelichting verduidelijkt dat artikel 549 van het ontwerp aan de Bank de mogelijkheid wil bieden om in te grijpen “[i]ndien er ondanks of als gevolg van de tenuitvoerlegging van de herstel- en/of afwikkelingsmaatregelen wordt vastgesteld dat een faillissementsprocedure moet worden geopend”. Teneinde de bepaling beter te doen aansluiten bij de door de steller van het ontwerp beoogde bedoeling verdient het aanbeveling om in de tekst van de bepaling uitdrukkelijk te refereren aan de wettelijke voorwaarden voor faillietverklaring, in plaats van aan het vage criterium van de “verslechtering van de fi nanciële situatie”. Ook doet de steller van het ontwerp er goed aan om nauwkeuriger in de wettekst te omschrijven in welke gevallen aan de Bank de mogelijkheid wordt geboden om een kennisgeving te doen aan de rechtbank van koophan- del, met de eraan gekoppelde rechtsgevolgen: anders dan wat de memorie van toelichting thans laat uitschijnen, kan immers tot kennisgeving worden overgegaan in alle gevallen van verlies van de vergunning. Article 191 37. À l’article 191, alinéa 3, du projet, les mots “dans le meilleur intérêt de tous les preneurs d’assurance et de tous les bénéfi ciaires” dans le texte français n’ont pas la même connotation que les mots “in het belang van alle verzekerin- gnemers en begunstigden” dans le texte néerlandais. Il en va de même pour les mots “au mieux des intérêts” et “in het belang” à l’article 191, alinéa 4, du projet. La terminologie des textes français et néerlandais des dispositions en projet devrait être davantage uniformisée sur ce point. Article 336 38. L’article 336 du projet fait mention des “dirigeants de l’entreprise d’assurance[s] ou de réassurance”. Cette notion n’est pas défi nie plus en détail dans le projet, ni dans le livre II, titre II, chapitre III, section III, du projet (“Direction et dirigeants”). Une défi nition de cette notion améliorerait non seulement la clarté du projet, mais elle est également souhaitable compte tenu du fait que la loi en projet impose différentes obligations à l’égard des “dirigeants”. Article 503 39. Selon le délégué, il s’agit que l’article 503, § 2, alinéa 2, du projet vise l’article 19 (et non l’article 17) des règlements concernés. Article 549 40. L’article 549 du projet permet à la Banque, dans le cadre de la fi n de l’agrément d’une entreprise d’assurances ou de réassurance, en cas de détérioration de la situation fi nancière de l’entreprise, de porter d’initiative cette situation à la connaissance du tribunal de commerce. Cette notifi ca- tion vaut aveu de faillite au sens de l’article 6 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites. L’exposé des motifs explique que l’article 549 du projet veut donner à la Banque la possibilité d’intervenir “[d]ès lors que malgré ou qu’à la suite de la mise en œuvre des mesures de redressement et/ou de résolution, il y a lieu de procéder au constat selon lequel il convient d’ouvrir une procédure de faillite”. Afi n de mieux faire coïncider la disposition avec l’intention de l’auteur du projet, il est recommandé de faire expressément référence, dans le texte de cette disposition, aux conditions légales pour la déclaration de faillite, plutôt qu’au vague cri- tère de la “détérioration de la situation fi nancière”. L’auteur du projet serait également bien avisé de défi nir plus précisément dans le texte de loi dans quels cas la Banque peut faire une notifi cation au tribunal de commerce, avec les conséquences juridiques que cela entraîne: contrairement à ce que l’exposé des motifs laisse paraître actuellement, tous les cas de perte de l’agrément peuvent en effet faire l’objet d’une notifi cation. 757 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 In artikel 549 van het ontwerp wordt de kennisgeving door de Bank aan de rechtbank van koophandel gelijkgesteld met een aangifte van faillissement, die, in het stelsel van de faillis- sementswet, als eenzijdige rechtshandeling in beginsel enkel toekomt aan de handelaar zelf. Het is de Raad van State, afde- ling Wetgeving, niet duidelijk op welke wijze de gelijkstelling van de kennisgeving door de Bank met een aangifte van fail- lissement aan de verzekeringsonderneming zelf de gelegen- heid biedt om partij te worden in de faillissementsprocedure en om in het bijzonder daarbij haar rechten van verdediging te laten gelden. Teneinde hieraan tegemoet te komen, en om redenen van consistentie met de algemene principes van de faillissementswet, zou de mogelijkheid voor de Bank om een faillissementsprocedure in te stellen beter ingebed moeten worden in een tegensprekelijke procedure, vergelijkbaar met de situatie waarbij de faillissementsprocedure wordt opgestart door het Openbaar Ministerie of de voorlopige bewindvoerder als bedoeld in artikel 8 van de faillissementswet. Artikelen 604 en 605 41. Artikel 604 van het ontwerp voorziet voor de Bank in de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen voor gedragingen die met toepassing van artikel 605 van het ontwerp evenzeer het voorwerp van strafrechtelijke tenlaste- leggingen kunnen uitmaken. In dat verband verwijst de Raad van State, afdeling Wetgeving, naar de opmerking die hij heeft geformuleerd in advies 54 982/2 van 27 januari 2014 over de artikelen 347 en 348 van het voorontwerp van wet “op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen”.23 In dat advies merkte de Raad van State, afdeling Wetgeving, onder meer het volgende op: “Wat het cumuleren van die twee types sancties betreft, wordt verwezen naar de algemene opmerking nr.  1  van advies 52 870/2, op 5 maart 2013 verstrekt, over een voor- ontwerp dat geleid heeft tot de wet van 30 juli 2013 “tot ver- sterking van de bescherming van de afnemers van fi nanciële producten en diensten alsook van de bevoegdheden van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en houdende diverse bepalingen (I)”, waarin het volgende gesteld wordt: “Sommige bepalingen van het voorontwerp voegen in verscheidene wetgevingen teksten in die ofwel recht- streeks, ofwel door verwijzing naar artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de fi nan- ciële sector en de fi nanciële diensten”, inzonderheid naar paragraaf 2 ervan, ofwel door bepalingen te wijzigen die de administratieve geldboetes betreffen, het mogelijk maken dat zulke sancties worden opgelegd door de FSMA. Het betreft de artikelen 2, 9, 28, 46, 49, 53, 57, 58, 62 en 63. In verband met een bepaling die een soortgelijke strekking had, te weten artikel 50, § 3, van het voorontwerp dat aanlei- ding heeft gegeven tot de wet van 21 december 2009 “op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdien- staanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch 23 Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 3406/1. L’article 549 du projet assimile la notifi cation par la Banque au tribunal de commerce à un aveu de faillite qui, dans le régime de la loi sur les faillites, est un acte juridique unilatéral que seul le commerçant lui-même peut en principe poser. Le Conseil d’État, section de législation, n’aperçoit pas comment l’assimilation de la notifi cation par la Banque à un aveu de fail- lite permet à l’entreprise d’assurances elle-même de devenir partie à la procédure en faillite et en particulier de faire valoir ses droits à la défense dans ce cadre. Afi n de remédier à cette situation et dans un souci de cohérence avec les principes généraux de la loi sur les faillites, mieux vaudrait inscrire la possibilité pour la Banque de lancer une procédure en faillite dans une procédure contradictoire comparable à la situation où la procédure en faillite est engagée par le Ministère public ou par l’administrateur provisoire au sens de l’article 8 de la loi sur les faillites. Articles 604 et 605 41. L’article 604 du projet prévoit la possibilité pour la Banque d’infl iger des amendes administratives pour des agis- sements qui, en application de l’article 605 du projet, peuvent également faire l’objet d’incriminations pénales. À cet égard, le Conseil d’État, section de législation, renvoie à l’observa- tion qu’il a formulée dans l’avis 54 982/2 du 27 janvier 2014 à propos des articles 347 et 348 de l’avant-projet de loi “relative au statut et au contrôle des établissements de crédit”23. Dans cet avis, le Conseil d’État, section de législation, a notamment observé ce qui suit: “Il est renvoyé en ce qui concerne le cumul de ces deux types de sanction à l’observation générale n° 1 de l’avis 52 870/2 donné le 5 mars 2013 sur l’avant-projet devenu la loi du 30 juillet 2013 “visant à renforcer la protection des utilisateurs de produits et services fi nanciers ainsi que les compétences de l”Autorité des services et marchés fi nanciers, et portant des dispositions diverses (I)’, qui expose ce qui suit: “Plusieurs dispositions de l”avant-projet insèrent dans diverses législations des textes qui, soit directement, soit en renvoyant à l’article 36 de la loi du 2 août 2002 “relative à la surveillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers”, spécialement à son paragraphe 2, soit encore par la modifi - cation apportée à des dispositions dont l’objet porte sur des amendes administratives, permettent l’infl iction de pareilles sanctions par la FSMA. Il s’agit des articles 2, 9, 28, 46, 49, 53, 57, 58, 62 et 63. À propos d’une disposition dont l’objet était analogue, à savoir l’article 50, § 3, de l’avant-projet devenu, avec la même numérotation, la loi du 21 décembre 2009 “relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l”accès à l’activité de prestataire de services de paiement, à l’activité d’émission de monnaie 23 Doc. parl., Chambre, 2013-14, n° 3406/1. 758 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 geld en de toegang tot betalingssystemen”, welk artikel zijn nummering heeft behouden in deze wet, heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State het volgende opgemerkt: “De artikelen  50  en 51  van het voorontwerp, die zijn opgenomen in titel IV, met als opschrift “Strafbepalingen”, organiseren een regeling van respectievelijk bestuursrechte- lijke sancties en strafrechtelijke sancties, zonder dat ze een gezamenlijke toepassing uitsluiten van deze twee soorten van sancties op identieke feiten. Aangezien de maatregelen omschreven in artikel 50, al- thans die welke paragraaf 3 van deze bepaling voorschrijft, gelet op het voorwerp en de draagwijdte ervan als strafrech- telijk kunnen worden bestempeld in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, alsmede van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, moet het beginsel non bis in idem worden in acht genomen, dat is vastgelegd in artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot be- scherming van de rechten van de mens, alsook in artikel 14, lid 7, van het voornoemde Internationaal Verdrag, en dat in het interne recht omschreven wordt als “une règle essentielle de procédure pénale laquelle constitue en droit belge un principe général du droit”24. Overeenkomstig dit beginsel mag niemand strafrechtelijk worden vervolgd of gestraft wegens een straf- baar feit waarvoor hij reeds is vrijgesproken of veroordeeld. De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft in haar voornoemde advies 33 182/2 [, op 29 april 2002 verstrekt over het voorontwerp van wet dat heeft geleid tot de wet van 2 augustus 2002 “betreffende het toezicht op de fi nan- ciële sector en de fi nanciële diensten”], waarin soortgelijke bepalingen werden besproken als die welke thans worden onderzocht, gewag gemaakt van de moeilijkheden die deze mogelijkheid van cumulatie van straffen deed rijzen25. Dit advies wees op een ontwikkeling in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de interpretatie van dit beginsel: in een eerste fase had het Hof geoordeeld dat het beginsel non bis in idem geschonden is zodra “eenzelfde gedrag” gestraft is met zowel een administratieve sanctie als een strafrechtelijke straf26, terwijl het later heeft beschouwd dat eenzelfde feit tegelijk aanleiding kan geven tot een strafrechtelijke straf en een ad- ministratieve sanctie wanneer het strafrechtelijke feit bestaat uit twee aparte strafbare feiten27. 24 Voetnoot 5 van het geciteerde advies: Voetnoot 12 van het geci- teerde advies: J. Velu en R. Ergec, La Convention européenne des droits de l’homme, Bruylant, Brussel, 1990, blz. 521. 25 Voetnoot  6  van het geciteerde advies: Voetnoot 13  van het geciteerde advies: Parl.St. Kamer, 2001-02, nrs. 50-1842/1 en 50-1843/1, inz. blz. 250 tot 252. 26 Voetnoot  7  van het geciteerde advies: Voetnoot  14  van het geciteerde advies: EHRM,  Gradinger tegen Oostenrijk, 23 oktober 1995. 27 Voetnoot 8 van het geciteerde advies: Voetnoot 15 van het ge- citeerde advies: EHRM, Oliveira tegen Zwitserland, 30 juli 1998. électronique et à l’accès aux systèmes de paiement”, la sec- tion de législation du Conseil d’État a émis les considérations suivantes: “Les articles 50  et 51, situés dans le titre IV, intitulé ‘Sanctions”, de l’avant-projet organisent respectivement des régimes de sanctions administratives et de sanctions pénales, sans exclure une application cumulée de ces deux types de sanctions à des faits identiques. Dès lors que, compte tenu de leur objet et de leur portée, les mesures envisagées par l’article 50, en tout cas celles qui sont prévues par le paragraphe 3 de cette disposition, peuvent être qualifi ées de pénales au sens de l’article 6 de la Convention européenne des droits de l’homme et de l’article 14 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, il importe que soit respecté le principe “non bis in idem” consacré par l’article 4 du Protocole n° 7 de la Convention européenne des droits de l’homme ainsi que par l’article 14, § 7, du Pacte précité et qui constitue, en droit interne, “une règle essentielle de procédure pénale laquelle constitue en droit belge un principe général du droit”24. Selon ce principe, nul ne peut être poursuivi ou puni pénalement en raison d’une infraction pour laquelle il a déjà été acquitté ou condamné. Dans son avis 33 182/2 [donné le 29 avril 2002 sur l’avant- projet devenu la loi du 2 août 2002 “relative à la surveillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers”] qui conte- nait des dispositions analogues à celles faisant l’objet des dispositions à l’examen, la section de législation du Conseil d’État a fait état des difficultés que suscitait cette possibilité de cumul de sanctions25. Cet avis relevait une évolution dans la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme relative à l’interpré- tation de ce principe: après que, dans un premier temps, la Cour ait considéré que le principe “non bis in idem” était violé dès lors qu’un “même comportement” avait fait l’objet à la fois d’une sanction administrative et d’une sanction pénale26, elle a considéré plus tard qu’un même fait pouvait donner lieu tout à la fois à une sanction pénale et à une sanction administra- tive dès lors que le même fait pénal se décompose en deux infractions distinctes27. 24 Note de bas de page 5 de l’avis cité: Note de bas de page 12 de l’avis cité: J. Velu et R. Ergec, La Convention européenne des droits de l’homme, Bruylant, Bruxelles, 1990, p. 521. 25 Note de bas de page 6 de l’avis cité: Note de bas de page 13 de l’avis cité: Doc. parl., Chambre, 2001-2002, nos 50-1842/1 et 50- 1843/1, spéc. pp. 250 à 252. 26 Note de bas de page 7 de l’avis cité: Note de bas de page 14 de l’avis cité: Cour eur. dr. h., Gradinger c. Autriche, 23 octobre 1995. 27 Note de bas de page 8 de l’avis cité: Note de bas de page 15 de l’avis cité: Cour eur. dr. h., Oliveira c. Suisse, 30 juillet 1998. 759 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 Deze laatste jurisprudentie is achteraf bekrachtigd, evenwel genuanceerd28-29, maar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft onlangs, bij een arrest dat de Grote Kamer gewezen heeft op 10 februari 2009, teruggegrepen naar zijn oorspronkelijke standpunt: het verklaart erin dat “l”article 4 du Protocole n° 7 doit être compris comme interdisant de poursui- vre ou de juger une personne pour une seconde “infraction” pour autant que celle-ci a pour origine des faits identiques ou des faits qui sont en substance les mêmes”30. Dit versterkt bijgevolg de opmerking gemaakt in het voor- noemde advies 33 182/2, volgens welke het “beginsel non bis in idem zou moeten uitsluiten dat eenzelfde strafbaar feit [...] kan worden bestraft met zowel een administratieve geldboete als, naderhand, een strafrechtelijke straf”. In datzelfde advies werd daaromtrent het volgende geconcludeerd: “De steller van het ontwerp dient na te gaan of, in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof, het dus niet raadzaam is om de cumulatie van administratieve sancties en strafrechtelijke straffen uit te sluiten voor gedragingen die uit het oogpunt van hun bestanddelen identieke strafbare feiten kunnen vormen. In artikel 7331 van het voorontwerp wordt weliswaar het volgende bepaald: 28 Voetnoot  9  van het geciteerde advies: Voetnoot  16  van het geciteerde advies: Zie inzonderheid arrest EHRM, Ponsetti en Chesnel tegen Frankrijk d.d. 14 september 1999, dat eveneens wordt vermeld in het voornoemde advies 33 182/2 van de Raad van State. In dezen, zie J. Put, “Bis sed non idem”, RW 2001- 2002, p. 941, nr. 18; CH. KARAKOSTA, “Ne bis in idem: une jurisprudence peu lisible pour un droit intangible”, Rev. trim. dr. h., 2008, blz. 25 e.v.; H. MOCK, “Ne bis in idem: Strasbourg tranche en faveur de l’identité des faits”, noot onder EHRM, GK, Zolotoukhine tegen Rusland, 10 februari 2009, Rev. trim. dr. h., 2009, blz. 866 tot 881. 29 Voetnoot 10 van het geciteerde advies: Voetnoot 17 van het geciteerde advies: Het EHRM heeft zelf toegegeven dat de verscheidenheid van de aspecten van deze jurisprudentie een “source d’une insécurité juridique incompatible avec ce droit fondamental” vormde (EHRM,  GK, Zolotoukhine tegen Rusland, 10  februari  2009, punten  70  tot 78, inz. Punt  78). 30 Voetnoot 11 van het geciteerde advies: Voetnoot 18 van het geciteerde advies: EHRM,  GK, Zolotouchin tegen Rusland, 10 februari 2009, punt 82. Het Hof stelt het volgende in datzelfde arrest: “... l’approche qui privilégie la qualification juridique des deux infractions est trop restrictive des droits de la personne, car si la Cour s’en tient au constat que l’intéressé a été poursuivi pour des infractions ayant une qualification juridique différente, elle risque d’affaiblir la garantie consacrée par l’article 4 du Protocole n° 7 et non de la rendre concrète et effective comme le requiert la Convention” (ibid., punt 81). Zie H. MOCK, loc. cit. 31 Voetnoot 12 van het geciteerde advies: Voetnoot 19 van het geci- teerde advies: Deze bepaling heeft haar nummer behouden in de op 2 augustus 2002 aangenomen wet, met enkele wijzigingen die niet raken aan de grond ervan (artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 tot uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, alsook artikel 176, 1° en 2°, van de programmawet van 27 april 2007). Cette dernière jurisprudence a été confi rmée ultérieure- ment, avec des nuances28-29, mais, récemment, par un arrêt rendu en Grande Chambre le 10 février 2009, la Cour euro- péenne des droits de l’homme est revenue à sa conception première: elle y déclare que “l”article 4 du Protocole n° 7 doit être compris, comme interdisant de poursuivre ou de juger une personne pour une seconde “infraction” pour autant que celle-ci a pour origine des faits identiques ou des faits qui sont en substance les mêmes”30. La considération fi gurant dans l’avis 33 182/2, précité, selon laquelle “le principe “non bis in idem” devrait exclure qu”une même infraction [...] puisse être sanctionnée tout à la fois par une amende administrative et ultérieurement par une sanction pénale’ s’en trouve en conséquence renforcée. Le même avis concluait sur ce point par les considérations suivantes: “Il appartient à l”auteur du projet d’apprécier si, au regard de la jurisprudence de la Cour européenne, il ne convient dès lors pas d’exclure le cumul de sanctions administratives et pénales pour des comportements susceptibles de constituer — au regard de leurs éléments constitutifs — des infractions identiques. Certes, l’article 7331 de l’avant-projet prévoit-il que: 28 Note de bas de page 9 de l’avis cité: Note de bas de page 16 de l’avis cité: Voir notamment l’arrêt Ponsetti et Chesnel c. France du 14 septembre 1999 de la Cour européenne des droits de l’homme, également cité dans l’avis 33 182/2, précité, du Conseil d’État. Sur ces questions, cons. J. Put, “Bis sed non idem”, R.W., 2001-2002, p. 941, n° 18; Ch. Karakosta, “Ne bis in idem: une jurisprudence peu lisible pour un droit intangible”, Rev. trim. dr. h., 2008, pp. 25 et s.; H. Mock, “Ne bis in idem: Strasbourg tranche en faveur de l’identité des faits”, note sous Cour eur. dr. h., Gde Ch., Zolotoukhine c. Russie, 10 février 2009, Rev. trim. dr. h., 2009, pp. 866 à 881. 29 Note de bas de page 10 de l’avis cité: Note de bas de page 17 de l’avis cité: La Cour européenne des droits de l’homme a elle-même admis que la diversité des approches adoptées par cette jurisprudence avait été la “source d’une insécurité juridique incompatible avec ce droit fondamental” (Cour eur. dr. h., Gde Ch., Zolotoukhine c. Russie, 10 février 2009, § § 70 à 78, spéc. le paragraphe 78). 30 Note de bas de page 11 de l’avis cité: Note de bas de page 18 de l’avis cité: Cour eur. dr. h., Gde Ch., Zolotoukhine c. Russie, 10 février 2009, § 82. Dans ce même arrêt, la Cour expose que “l’approche qui privilégie la qualification juridique des deux infractions est trop restrictive des droits de la personne, car si la Cour s’en tient au constat que l’intéressé a été poursuivi pour des infractions ayant une qualification juridique différente, elle risque d’affaiblir la garantie consacrée par l’article 4 du Protocole n° 7 et non de la rendre concrète et effective comme le requiert la Convention” (ibid., § 81). Voir H. Mock, loc. cit. 31 Note de bas de page 12 de l’avis cité: Note de bas de page 19 de l’avis cité: Cette disposition a gardé sa numérotation dans la loi adoptée du 2 août 2002, moyennant des modifications n’affectant pas sa substance (article 1er de l’arrêté royal du 25 mars 2003 portant exécution de l’article 45, § 2, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers et article 176, 1° et 2°, de la loi-programme du 27 avril 2007). 760 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 “Elke administratieve geldboete die door de CBF [welke de FSMA is geworden] aan een persoon wordt opgelegd en die defi nitief is geworden vooraleer de strafrechter zich defi nitief over dezelfde feiten of samenhangende feiten heeft uitgespro- ken, wordt aangerekend op het bedrag van elke strafboete die voor deze feiten ten aanzien van dezelfde persoon wordt uitgesproken.” Die bepaling lijkt evenwel ontoereikend opdat aan het beginsel “non bis in idem” voldaan kan zijn. Als dat beginsel zou worden toegepast, zou het immers tot gevolg hebben, niet dat de ene straf opgaat in de andere, maar dat voor eenzelfde strafbare feit geen nieuwe vervolging meer kan worden inge- steld als degene die het strafbare feit heeft begaan, daarvoor reeds veroordeeld is.” Op basis van het voornoemde arrest EHRM in zake Zolotoukhine tegen Rusland d.d. 10 februari 2009 wijst de afdeling Wetgeving van de Raad van State erop dat deze opmerking eveneens geldt wat betreft de artikelen 50 en 51 van het voorontwerp. Deze bepalingen moeten worden herzien, zodat wordt vermeden dat voor eenzelfde feit gepleegd door eenzelfde persoon na een strafrechtelijke veroordeling een nieuwe pro- cedure van bestuursrechtelijke aard kan worden ingesteld die kan leiden tot het opleggen van een administratieve sanctie welke als strafrechtelijk kan worden bestempeld in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, of — om- gekeerd — dat, steeds voor hetzelfde feit, na het opleggen van zulk een administratieve sanctie strafvervolging kan worden ingesteld.”32 In de commentaar op de artikelen  50  en 51  van het ontwerp dat heeft geleid tot de voornoemde wet van 21 december 2009 wordt het volgende opgemerkt in verband met de bij deze bepalingen ingevoerde strafregeling: “In zijn advies schrijft de Raad van State dienaangaande dat een regeling van bestuursrechtelijke sancties en strafrech- telijke sancties, zonder dat ze een gezamenlijke toepassing uitsluiten van deze twee soorten van sancties op identieke feiten, het beginsel non bis in idem schenden, welk beginsel is vastgelegd in artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, alsook in artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burger- rechten en politieke rechten. [...] De Raad van State verwijst daarbij naar eerdere adviezen van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, evenals naar recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Regering is zich ten volle bewust van de door de Raad van State in zijn advies aangehaalde problematiek. Zij zal de recente recht- spraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onderzoeken en zonodig initiatieven nemen om het stelsel 32 Voetnoot 13 van het geciteerde advies: Advies 46 870/2, op 8 juli 2009 verstrekt over een voorontwerp dat heeft geleid tot de voornoemde wet van 21 december 2009, de opmerking gemaakt omtrent de artikelen 50 en 51, Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52- 2182/1, 88 tot 90. “Toute amende administrative imposée par la CBF [devenu la FSMA] à une personne et devenue défi nitive avant que le juge pénal ait statué défi nitivement sur les mêmes faits ou des faits connexes, s’impute sur le montant de toute amende pénale qui serait prononcée pour ces faits à l’égard de la même personne”. Mais cette disposition ne paraît pas suffisante pour satis- faire à l’exigence du principe “non bis in idem”. Si ce principe venait à s’appliquer, il aurait en effet pour conséquence non d’exiger l’absorption d’une peine par une autre mais de rendre irrecevable la poursuite ultérieure d’une même infraction pour laquelle son auteur a déjà été condamné.” L’arrêt Zolotoukhine c. Russie du 10 février 2009, précité, de la Cour européenne des droits de l’homme ne peut que conduire la section de législation du Conseil d’État à réitérer cette observation pour les articles 50 et 51 de l’avant-projet. Ces dispositions devraient être revues de manière à éviter que, pour un même fait commis par la même personne, après une condamnation pénale, une nouvelle procédure, à carac- tère administratif, puisse être diligentée pouvant conduire à l’infl iction d’une sanction administrative pouvant être qualifi ée de pénale au sens de l’article 6 de la Convention européenne des droits de l’homme et de l’article 14 du Pacte internatio- nal relatif aux droits civils et politiques, ou, à l’inverse, que, toujours pour un même fait, pareille sanction administrative puisse être suivie de poursuites pénales”32. Le commentaire des articles 50 et 51 du projet devenu la loi précitée du 21 décembre 2009 expose ce qui suit au sujet du régime de sanctions instauré par ces dispositions: “Dans son avis, le Conseil d”État relève à ce sujet que pré- voir des régimes de sanctions administratives et de sanctions pénales, sans exclure une application cumulée de ces deux types de sanctions à des faits identiques, est susceptible d’entraîner une violation du principe non bis in idem consacré par l’article 4 du Protocole n° 7 de la Convention européenne des droits de l’homme ainsi que par l’article 14, § 7, du Pacte international relatif aux droits civils et politiques. [...] Le Conseil d’État fait à cet égard référence à des avis antérieurs de la section de législation du Conseil d’État, ainsi qu’à une jurisprudence récente de la Cour européenne des droits de l’homme. Le Gouvernement est tout à fait conscient de la problématique soulevée par le Conseil d’État dans son avis. Il examinera la jurisprudence récente de la Cour européenne des droits de l’homme et prendra, si nécessaire, des initiatives visant à adapter le régime des sanctions administratives et 32 Note de bas de page 13 de l’avis cité: Avis 46 870/2 donné le 8 juillet 2009 sur un avant-projet devenu la loi précitée du 21 décembre 2009, observation formulée sur les articles 50 et 51, Doc. parl., Chambre, 2008-2009, n° 52-2182/1, pp. 88 à 90. 761 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 van administratieve sancties en strafrechtelijke straffen in de Belgische wetgeving aan te passen om zo nodig rekening te houden met de voormelde rechtspraak”.33 De Raad van State kan met betrekking tot de voornoemde bepalingen van het voorontwerp niet anders dan zijn reeds aangehaalde advies  46 870/2  bevestigen wat betreft de cumulatie van strafrechtelijke en administratieve sancties, zoals volgt uit de artikelen 70 tot 73 van de voornoemde wet van 2 augustus 2002, welke eveneens toepasselijk zijn op andere wetgevingen die sanctionerende bevoegdheid verle- nen aan de FSMA. Bovendien is, sedert dat advies is verstrekt, Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rech- ten van de mens door België bekrachtigd op 13 april 2012, terwijl de wet waarbij ingestemd is met die tekst dateert van 6 maart 2007, en is het wat België betreft in werking getreden op 1 juli 2012. Er wordt eveneens verwezen naar het recente arrest dat de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie op 26 februari 2013 heeft gewezen omtrent de draagwijdte van het beginsel “ne bis in idem”, zoals het wordt vermeld in artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie; in dat arrest, dat zich in dezelfde zin uitspreekt als bij de laatste stand van zaken van de jurisprudentie van het EHRM, staat te lezen: “[...] dat artikel 50 van het Handvest niet eraan in de weg staat dat een lidstaat voor dezelfde feiten, te weten niet- nakoming van aangifteverplichtingen op btw-gebied, een combinatie van fi scale en strafrechtelijke sancties oplegt [...]. Het kan dus gaan om bestuurlijke sancties, strafrechtelijke sancties of een combinatie van beide. Slechts wanneer de fi scale sanctie een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 50 van het Handvest en defi nitief is geworden, staat deze bepaling eraan in de weg dat voor dezelfde feiten straf- vervolging wordt ingesteld tegen dezelfde persoon”.34”35 Uit wat voorafgaat volgt dat het samengaan van een ad- ministratieve en een strafrechtelijke sanctionering niet per defi nitie in strijd is met beginsel non bis in idem, zoals dit wordt uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie. De steller van het ontwerp is zich daarvan bewust, zoals blijkt 33 Voetnoot 14 van het geciteerde advies: Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52-2182/1, 36. 34 Voetnoot 15 van het geciteerde advies: HvJ EU, GK, 26 febru- ari 2013, C-617/10, Åklagaren t. Hans Åkerberg Fransson. 35 Voetnoot  49  van advies  54 982/2: Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 2872/1, 106 tot 118; in dezelfde zin, advies 54 963/2, op 22 januari 2014 verstrekt over een voorontwerp van wet “inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen”, opmerking onder de artikelen 39 en 40. In de memorie van toelichting bij het voorliggende voorontwerp wordt slechts gezinspeeld op het beginsel ne bis in idem (p. 47). des sanctions pénales dans la législation belge afi n de tenir compte, si besoin est, de la jurisprudence précitée’33. Le Conseil d’État ne peut que confi rmer, au sujet des dispositions mentionnées plus haut de l’avant-projet, son avis 46 870/2 précité sur le cumul des régimes de sanctions pénales et administratives, tel qu’il résulte des articles 70 à 73 de la loi précitée du 2 août 2002, applicables aussi aux autres législations accordant des pouvoirs de sanction à la FSMA. En outre, depuis que cet avis a été rendu, le Protocole n° 7 à la Convention européenne des droits de l’homme a été ratifi é par la Belgique le 13 avril 2012, la loi portant assentiment à cet instrument datant du 6 mars 2007, et est entré en vigueur le 1er juillet 2012 à l’égard de la Belgique. Il est également fait référence au récent arrêt prononcé en Grande Chambre le 26 février 2013 par la Cour de justice de l’Union européenne sur la portée du principe “ne bis in idem”, tel qu’il est énoncé à l’article 50 de la Charte des droits fon- damentaux de l’Union européenne, qui, se prononçant dans le même sens que le dernier état de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme, énonce ce qui suit: “l”article 50 de la Charte ne s’oppose pas à ce qu’un État membre impose, pour les mêmes faits de non-respect d’obligations déclaratives dans le domaine de la TVA, une combinaison de sanctions fi scales et pénales. [...] [Les sanc- tions applicables] peuvent donc prendre la forme de sanctions administratives, de sanctions pénales ou d’une combinaison des deux. Ce n’est que lorsque la sanction fi scale revêt un caractère pénal, au sens de l’article 50 de la Charte, et est devenue défi nitive que ladite disposition s’oppose à ce que des poursuites pénales pour les mêmes faits soient diligentées contre une même personne’34”35 . Il ressort de ce qui précède que la combinaison d’une sanc- tion administrative et d’une sanction pénale ne se heurte pas en soi au principe non bis in idem, comme cela a été expliqué par la Cour européenne des droits de l’homme et par la Cour de justice de l’Union européenne. L’auteur du projet en est 33 Note de bas de page 14 de l’avis cité: Doc. parl., Chambre, 2008-2009, n° 52-2182/1, p. 36. 34 Note de bas de page 15  de l’avis cité: C.J.U.E., Gde Ch., 26 février 2013, C-617/10, Åklagaren c. Hans Åkerberg Fransson. 35 Note de bas de page 49 de l’avis 54 982/2: Doc. parl., Chambre, 2012-2013, n° 2872/1, pp. 106 à 118; dans le même sens, l’avis 54 963/2 donné le 22 janvier 2014 sur un avant-projet de loi “relative au statut et au contrôle des planificateurs financiers indépendants et à la fourniture de consultations en planification financière par des entreprises réglementées”, observation for- mulée sur les articles 39 à 40. Ce n’est que de manière allusive que l’exposé des motifs de l’avant-projet à l’examen évoque le principe “non bis in idem” (p. 47). 762 1584/001 DOC 54 2015 C H A M B R E 3 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 3 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2016 uit de anticiperende36 commentaar bij de artikelen 604 en 605 van het ontwerp in de memorie van toelichting. Wel dient erop te worden toegezien dat de administratieve sanctionering niet van die aard is dat zij een intrinsiek strafrechtelijk karakter verkrijgt, in welk geval wel vragen zouden kunnen rijzen bij de eerbiediging van het beginsel non bis in idem. Artikel 658 42. In artikel 658, eerste lid, 1°, van het ontwerp, wordt melding gemaakt van de aanwijzing van een “voorlopige be- windvoerder” (un administrateur provisoire) met toepassing van artikel 517, § 1, 2°, van het ontwerp. Opgemerkt moet worden dat in artikel 517, § 1, 2°, van het ontwerp geen melding wordt gemaakt van “voorlopige bewindvoerders”, doch wel van “voorlopige bestuurders of zaakvoerders” (administrateurs ou gérants provisoires). Tenzij er een specifi eke reden bestaat om af wijken van de terminologie die wordt gebruikt in arti- kel 517, § 1, 2°, van het ontwerp, wordt in artikel 658, eerste lid, 1°, het best aangesloten op de terminologie die wordt gehanteerd in de bepaling waarnaar men uitdrukkelijk verwijst. De griffier, De voorzitter, Greet VERBERCKMOES Marnix VAN DAMME 36 Volgens de memorie van toelichting anticiperend “op een op- merking die herhaaldelijk geformuleerd werd door de Raad van State over de naleving van het beginsel non bis in idem zoals dit geïnterpreteerd wordt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie”. conscient, ainsi qu’il ressort du commentaire anticipatif36 rela- tif aux articles 604 et 605 du projet dans l’exposé des motifs. On veillera toutefois à ce que la sanction administrative ne soit pas de nature à revêtir un caractère intrinsèquement pénal, auquel cas des questions pourraient bien se poser quant au respect du principe non bis in idem. Article 658 42. L’article 658, alinéa 1er, 1°, du projet mentionne, dans le texte néerlandais, la désignation d’un “voorlopige bewindvoerder” (administrateur provisoire) en application de l’article 517, § 1er, 2°, du projet. Il y a lieu d’observer que l’article 517, § 1er, 2°, du projet ne fait pas mention de “voorlo- pige bewindvoerders”, mais bien de “voorlopige bestuurders of zaakvoerders” (administrateurs ou gérants provisoires). À moins d’une raison spécifi que justifi ant de déroger à la terminologie utilisée à l’article 517, § 1er, 2°, du projet, mieux vaudrait, à l’article  658, alinéa 1er, 1°, se conformer à la terminologie utilisée dans la disposition à laquelle on fait expressément référence. Le greffier, Le président, Greet VERBERCKMOES Marnix VAN DAMME 36 Anticipant, selon l’exposé des motifs, “une observation récur- rente du Conseil d’État relative au respect du principe non bis in idem tel qu’interprété par la Cour européenne des Droits de l’Homme et la Cour de justice de l’Union européenne”. Centrale drukkerij – Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot